summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:08:08 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:08:08 -0700
commitccb4c85bb9b67984d193c423651660ab1605706f (patch)
tree54301090de609b92692bef54db7ad6c4e7f09e25
initial commit of ebook 37500HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--37500-8.txt21688
-rw-r--r--37500-8.zipbin0 -> 382760 bytes
-rw-r--r--37500-h.zipbin0 -> 449069 bytes
-rw-r--r--37500-h/37500-h.htm25689
-rw-r--r--37500-h/images/book.pngbin0 -> 218 bytes
-rw-r--r--37500-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--37500-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
10 files changed, 47393 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/37500-8.txt b/37500-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..fc69080
--- /dev/null
+++ b/37500-8.txt
@@ -0,0 +1,21688 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Auteursrecht
+ in het Nederlandsche en internationale recht
+
+Author: Henri Louis de Beaufort
+
+Release Date: September 21, 2011 [EBook #37500]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+
+
+
+
+
+
+ HET AUTEURSRECHT
+ in het Nederlandsche en internationale recht
+
+ Proefschrift
+
+ Ter verkrijging van den graad van Doctor in de
+ Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te
+ Utrecht na machtiging van den Rector Magnificus
+ Dr. H. Zwaardemaker hoogleeraar in de Faculteit
+ der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat
+ der Universiteit tegen de bedenkingen van de
+ Faculteit der Rechtsgeleerdheid te verdedigen
+ op vrijdag 17 december 1909 des namiddags te
+ 4 uur door
+
+ HENRI LOUIS DE BEAUFORT
+
+ Geboren te Leusden
+
+
+
+ P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus
+ et Librorum Editor Utrecht 1909
+
+
+
+
+
+
+
+ Aan mijne Ouders
+
+
+
+
+
+
+
+Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten voorbijgaan, die mij hier
+is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen aan U, Hooggeachte
+Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid waarmede U,
+tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit proefschrift
+terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke belangstelling,
+die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen.
+
+Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het voorrecht
+heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne
+erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik
+van hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan
+de verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb
+tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters
+van dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden deelnam.
+
+Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten,
+het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen
+uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het
+is mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en
+zijne Academie bestaat.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ P.
+
+BRONNEN EN LITERATUUR XIII
+
+HOOFDSTUK I
+
+HISTORISCHE INLEIDING
+
+ § 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het
+ einde der achttiende eeuw 1
+ § 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der
+ achttiende eeuw tot dezen tijd 39
+ § 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal
+ auteursrecht 52
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER
+
+ § 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën 70
+ § 2 Recht of doelmatigheid? 78
+ § 3 Economische theorieën 95
+ § 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed 108
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+DE OBJECTEN
+
+ § 1 Algemeen overzicht en groepeering 126
+ § 2 Geschriften
+ a Kenmerkende eigenschappen 137
+ b Vorm en inhoud 143
+ c Practische toepassingen van het voorgaande 169
+ I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen
+ om object van auteursrecht te zijn 170
+ II Het recht van den vertaler 176
+ III Het uitsluitend vertalingsrecht 180
+ IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend
+ bewerkingsrecht 186
+ § 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten 195
+ § 4 Werken der toonkunst 202
+ § 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes 211
+ § 6 Werken van beeldende kunst 219
+ § 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst 228
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+OMVANG EN DUUR
+
+ § 1 Omvang 234
+ I Het door den druk gemeen maken van geschriften en
+ muziekwerken 236
+ II Het maken van afschriften 238
+ III Vervaardiging en verspreiding van mechanische
+ muziek-instrumenten en phonografen 240
+ IV Reproductie door den kinematograaf 244
+ V Op- en uitvoering 246
+ VI Voordracht 251
+ VII Reproductie van werken van beeldende kunst 252
+ § 2 Duur 254
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN 261
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN 275
+
+ I Recht op brieven 278
+ II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op
+ auteursrecht 281
+ III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden
+ staat wordt publiek gemaakt 288
+ IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam 291
+ V Recht van den afgebeelden persoon 299
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT
+
+ § 1 Algemeene opmerkingen 305
+ § 2 De Berner Conventie 319
+ a Algemeene regelen betreffende het internationale
+ auteursrecht in het Verbond
+ I Doel en strekking van het Verbond 321
+ II De werken waarop de Conventie van toepassing is 322
+ III Aard en omvang der bescherming 343
+ IV Duur der bescherming 366
+ b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen
+ I Het uitsluitend vertalingsrecht 370
+ II Dagbladen en tijdschriften 383
+ III Bloemlezingen 395
+ IV Op- en uitvoeringsrecht 398
+ V Bewerkingsrecht 403
+ VI Mechanische muziek-instrumenten 406
+ VII Kinematograaf 413
+ c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
+ I Legitimatie voor den rechter 417
+ II Beslag op nadruk 420
+ d Uitvoerings- en overgangsbepalingen
+ I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding
+ of uitstalling van geschriften en kunstwerken 423
+ II Overgangsbepalingen 424
+ III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband
+ met de Conventie 434
+ IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond 436
+ V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën 436
+ VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging 439
+
+
+BIJLAGEN
+
+I Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
+ het auteursrecht 443
+II Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
+ op werken van beeldende kunst 452
+III A Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la
+ création d'une Union internationale pour la protection
+ des oeuvres littéraires et artistiques 459
+ Article additionnel 464
+ Protocole de clôture 465
+ B Acte additionnel du 4 Mai 1896 467
+ Déclaration du 4 Mai 1896 469
+ C Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres
+ littéraires et artistiques du 13 Novembre 1908 471
+IV Association littéraire et artistique internationale Projet
+ de Loi-Type 481
+
+
+STELLINGEN 487
+
+
+
+
+
+
+
+BRONNEN EN LITERATUUR
+
+
+Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor dit
+proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan.
+
+Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht
+van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en
+oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen,
+geraadpleegd.
+
+Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van
+de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste
+bron in de Resolutiën van de Staten van Holland en de Resolutiën van de
+Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste in handschrift)
+berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik achtte het echter
+niet noodig alle jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk
+te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende,
+dat nergens eene periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.
+
+Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan het
+Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van
+Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; van de "Resolutiën
+der Generale Staten uit de XVIIde eeuw meer onmiddellijk betreffende
+de geschiedenis der beschaving", die in de deelen IV, V, VI en VII van
+dit werk zijn opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp
+betrekking te hebben.
+
+Van verscheidene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, doordat
+zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt.
+
+Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden
+genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
+Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, waarvan de
+eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een zelfstandig
+onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn ingesteld;
+zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het genoemde
+werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.
+
+Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde uit
+den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te
+worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt
+door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz.,
+uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des
+Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten,
+tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in
+Nederland en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede
+Gedeelte, 's Gravenhage 1867).
+
+Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en
+voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen
+der Conferenties.
+
+Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in
+de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der
+verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn
+het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie,
+die aan de handelingen hunne waarde verleenen.
+
+Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van
+Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid
+zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur,
+Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht.
+
+Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de
+eerste plaats het standaard-werk van Prof. Ernst Röthlisberger,
+Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und
+Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en
+zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd,
+daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn.
+
+Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de
+Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het
+maandblad Le Droit d'Auteur, officieel orgaan van het Internationale
+Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee en
+twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde
+tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving
+en jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld.
+
+Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft,
+nog het volgende:
+
+De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is
+wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk
+geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van
+eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen
+en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het
+auteursrecht slechts terloops wordt besproken.
+
+Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds
+toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne
+beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk
+niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.
+
+Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust:
+ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste
+behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de
+volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik
+aan dezen schrijver verschuldigd ben.
+
+
+
+Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche werken,
+alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.
+
+
+J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever,
+Proefschr. Groningen 1889.
+
+Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq.
+
+J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
+Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van: De juribus
+typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819). Met
+de latere bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.
+
+J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885.
+
+Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers
+en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt van het
+internationale regt, Utrecht 1853.
+
+Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van
+voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856.
+
+Prof. Mr. H. van der Hoeven, Een verongelukt artikel, Tijdschrift
+voor Strafrecht V pp. 99 sqq.
+
+J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. Leiden
+1885.
+
+Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq.
+
+J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905.
+
+-- Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I no. 10.
+
+Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Het Paleis van
+Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.
+
+Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Over de regten van den uitvinder,
+Themis 1862 pp. 213 sqq.
+
+-- Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de
+zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door
+mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid
+en Wetgeving deel XIV (1864) pp. 140 sqq.
+
+-- Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, Bijdragen
+tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in
+Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.
+
+J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905.
+
+Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de
+Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie van
+Wetensch. Afd. Letterkunde 3de reeks, 12de deel pp. 5 sqq.
+
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Nederland en de Berner Conventie,
+de Gids 1896 III pp. 385 sqq.
+
+-- Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 I
+pp. 102 sqq.
+
+N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. Utrecht
+1875.
+
+Herman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra
+serie I no. 10.
+
+-- De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541
+sqq.
+
+J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen,
+Proefschr. Amsterdam 1896.
+
+Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht,
+Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 no. 1917.
+
+Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
+auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.
+
+A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van
+beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.
+
+Mr. J. D. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving,
+1895.
+
+-- Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq.
+
+-- id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de
+Nederl. wetgeving, 2de druk Groningen 1898.
+
+Mr. B. van den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's Gravenhage
+1835.
+
+Mr. J. Freseman Viëtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van
+den intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het
+Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie
+II) pp. 1-49, 113-166.
+
+-- Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot
+regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.
+
+-- Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, Handelingen
+der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq.
+
+Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877.
+
+Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn
+1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.
+
+
+
+Dr. Karl Adler, Zur juristischen Konstruktion des Urheberrechtes,
+Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq.
+
+Dr. O. Bähr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen
+Vervielfältigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? Archiv
+für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq.
+
+Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5me
+ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.
+
+Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kritische
+Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft I
+pp. 1 sqq.
+
+Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse
+pour le doctorat Paris 1904.
+
+Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen
+und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888.
+
+Louis Delzons, La propriété artistique et littéraire à la Conférence
+de Berlin, Revue des deux mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq.
+
+Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété
+littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq.
+
+J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Ein
+Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 sqq.
+
+C. F. von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
+Verlegers, Jahrbücher für die Dogmatik III pp. 359 sqq.
+
+O. Gierke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der Deutschen
+Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de afd. IIIde deel), Leipzig
+1895 pp. 702 sqq. 756 sqq.
+
+Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69.
+
+Prof. Dr. Paul Hinschius, Ueber die Schutzberechtigung von Pantomimen
+und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, Jahrbücher für
+die Dogmatik XXVI pp. 185 sqq.
+
+Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen
+des deutschen Bundes dargestellt, Beilageheft zum Archiv für die
+civilistische Praxis, Band XXXV (1852).
+
+Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst.,
+3 Abschn.
+
+Dr. Joseph Kohler, Das Autorrecht, eine zivilistische Abhandlung,
+zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigenthum,
+vom Rechtsgeschäft und vom Individualrecht, Jahrbücher für die
+Dogmatik XVIII.
+
+-- Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz,
+Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim 1892.
+
+-- Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906-1907.
+
+-- Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.
+
+-- Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische
+Praxis 82 pp. 192 sqq.
+
+-- Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq.
+
+-- Autorrechtliche Studien, ibid. 85 pp. 399 sqq.
+
+-- Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeitschrift für
+internationales Privat- und Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en
+338 sqq.
+
+-- Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches Recht
+V pp. 77 sqq.
+
+-- Das Recht an Briefen, ibid. VII pp. 94 sqq.
+
+-- Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq.
+
+Paul Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en
+Allemagne, Paris 1855.
+
+Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons on
+the 5th of February 1841.
+
+-- id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two volumes,
+vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXXIV).
+
+Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes,
+Kritische Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft
+VII pp. 1-55, 242-274, 565-609.
+
+-- Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, Archiv für die
+civilistische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq.
+
+F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par
+Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195-234.
+
+Aloïs d'Orelli, La Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, Revue de
+droit international et de législation comparée 1884 pp. 533 sqq.
+
+-- La deuxième conférence internationale pour la protection des
+oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq.
+
+Hermann Ortloff, Das Autorrecht als strafrechtlich zu schützendes
+Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq.
+
+Eugène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété
+littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879.
+
+P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de loi
+ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes
+un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI.
+
+Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, improprement
+désigné sous le titre de propriété littéraire, Genève 1869.
+
+Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von
+Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, geschichtlich
+und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906.
+
+Dr. A. Schäffle, Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer
+Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster-
+und Markenschuz, Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft Band
+23 (1867) pp. 143-219; 291-477.
+
+-- Ueber die volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung
+und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1-70.
+
+Dr. Schmid, Ueber dingliche Gewerberechte, Archiv für die civilistische
+Praxis Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq.
+
+Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich,
+Deutschland und andern europäischen Staaten mit Einschluss der
+allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt,
+München 1891.
+
+
+
+
+
+
+
+AFKORTINGEN
+
+
+Actes 1884 Actes de la Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur réunie à Berne du 8 au 19 septembre 1884, Berne 1884.
+
+Actes 1885 Actes de la 2me Conférence internationale pour la protection
+des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 7 au 18
+Septembre 1885, Berne 1885.
+
+Actes 1886 Actes de la 3me Conférence internationale pour la protection
+des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 6 au 9
+septembre 1886, Berne 1886.
+
+Actes 1896 Actes de la Conférence réunie à Paris du 15 avril au 4
+mai 1896, Berne Bureau international de l'Union 1897.
+
+Actes 1908 Actes de la Conférence réunie à Berlin du 14 octobre au
+14 novembre 1908, Berne Bureau de l'Union internationale littéraire
+et artistique 1909.
+
+D. A. Le Droit d'Auteur, organe officiel du Bureau de l'Union
+internationale pour la protection des oeuvres littéraires et
+artistiques.
+
+Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
+op werken van beeldende kunst.
+
+W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
+het auteursrecht.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+HISTORISCHE INLEIDING
+
+
+§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde
+der achttiende eeuw
+
+Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en
+letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van
+de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de
+exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans
+vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het
+auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift
+nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht
+en uitgewerkt.
+
+Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet
+in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de
+oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken
+van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten
+geëxploiteerd kunnen worden.
+
+De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was
+de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het
+toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele
+producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel
+verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van
+boeken reeds op groote schaal plaats had.
+
+In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die
+honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat
+het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten
+tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van
+de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der
+boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1].
+
+Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken
+door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene
+steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen
+gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot
+werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders
+des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den
+naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].
+
+De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de
+toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het
+zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is,
+een uitsluitend recht op kopie te scheppen.
+
+In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk
+van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen
+niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien
+zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen
+die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf
+staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan
+vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste
+reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging
+door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal
+exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat
+bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals
+bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van
+nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden
+gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde
+boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben
+in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer
+vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander
+ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik
+gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste
+uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad
+van concurrentie.
+
+De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem
+uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.
+
+Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde,
+toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een
+waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal
+exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal
+worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen
+is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden
+gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig
+baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De
+nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou
+zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen
+dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar
+zich toe.
+
+Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden,
+zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie,
+waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen,
+aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit
+kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
+liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte
+te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi
+of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
+uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.
+
+De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der
+achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk
+gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der
+privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het
+auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het
+kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën
+en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de
+ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er
+hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.
+
+
+
+Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend
+in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt,
+Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517
+[3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid
+hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op
+deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden
+de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door
+Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik
+er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al
+niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden
+verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570
+komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal
+mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen
+drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie."
+
+Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden
+de Staten de privilegiën zelf.
+
+Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die
+tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond
+tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die
+van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel
+mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten
+als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten
+waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten
+golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden
+waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de
+privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën
+erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe
+van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor
+de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van
+verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet
+konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te
+geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door
+de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks
+niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om
+korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy
+te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven
+octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door
+verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7].
+
+Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal
+verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan
+te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting
+hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8]
+en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de
+Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache
+[9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij
+onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen
+met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals
+uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken.
+
+Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het
+inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk
+werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een
+placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde,
+dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld;
+werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met
+één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden
+auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er
+evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.
+
+Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel
+vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het
+octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles
+mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later,
+dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon
+het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met
+de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den
+Emile van Rousseau.
+
+In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd
+zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend
+voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht
+gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht
+was voor alle talen [11].
+
+Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de
+reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor
+hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een
+ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van
+13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van
+verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen,
+omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar
+in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele
+andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt
+nadeel en prejuditie... etc." [13].
+
+Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt
+in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de
+Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen,
+schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige
+gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].
+
+Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen;
+zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de
+Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop
+te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen
+D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt"
+[15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan
+b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken
+van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens
+egeen privilegie en is geaccordeert" [16].
+
+Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen,
+doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd
+werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim
+hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van
+het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene
+resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche
+Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de
+provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18].
+
+De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van
+allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken,
+gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken,
+"schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten,
+resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid
+was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers,
+o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend,
+evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de
+Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de
+Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
+ingesloopen [19].
+
+Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende
+uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der
+Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de
+Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen
+[21].
+
+Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de
+privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en
+uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook
+wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie
+grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
+manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam
+won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de
+eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak
+heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen,
+op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde
+boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen
+der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
+weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn
+(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren
+dood is.
+
+Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie
+der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij
+o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de
+autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve
+voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn
+gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men
+elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen
+[23].
+
+Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn
+verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant
+Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was,
+gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der
+Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel
+wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
+Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel
+vastgestelden tekst der vertaling hielden [25].
+
+Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen
+privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners
+tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der
+bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit
+opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van
+Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in
+twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in,
+waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere
+Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt,
+doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie,
+"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of
+de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden
+geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft
+schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben
+gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op
+request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente
+te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor
+de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27].
+
+Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de
+bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook
+werken van beeldende kunst.
+
+De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin
+achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam
+een centrum van den wereld-muziekhandel was [28].
+
+Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo
+voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor
+privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en
+psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding
+voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland
+een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer
+behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en
+twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken
+werden privilegiën verleend. [30]
+
+Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf
+vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven
+ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van
+de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden"
+meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare
+uitgaven, privilegiën werden verleend.
+
+Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van
+27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam,
+geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des
+suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
+caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken,
+te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi
+dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt
+op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken
+op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid
+de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste
+auteursrecht-wetgeving--denken laat.
+
+Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van
+overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften,
+noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn
+de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor
+ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert,
+Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
+in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32]
+en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van
+Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi
+verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst,
+vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren
+van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan
+hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen
+oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33].
+
+De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden,
+waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar
+schilderijen gemaakte.
+
+Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn
+schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den
+portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel,
+by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen
+nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het
+schilderij als object der bescherming te beschouwen.
+
+Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder"
+verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan
+Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave
+Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven
+gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35].
+
+Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod
+van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen;
+het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van
+deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar
+in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.
+
+Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen
+zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een
+bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals
+in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi,
+om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van
+de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en
+in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen
+in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt
+den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen
+voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard
+werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn,
+die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te
+Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen,
+portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de
+Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen
+bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo:
+de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een
+boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij
+te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo:
+souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].
+
+Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een
+octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld:
+"Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie
+dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat
+anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven"
+[38].
+
+Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar
+tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij
+resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar
+Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen
+maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen
+te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van
+Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye
+jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen
+maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere
+Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].
+
+Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak
+beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603
+octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende
+vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen
+van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren
+te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke
+octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde
+zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en
+marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat
+door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de
+rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen
+eigendom") dan wel met auteursrecht.
+
+De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen
+auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode
+onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie
+eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin
+die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen
+de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi
+wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren
+naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven
+een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende
+snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken
+sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe
+hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker
+bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten
+Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding,
+waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds
+te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het
+request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van
+alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen
+ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal,
+als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43].
+
+
+
+Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat
+bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt:
+n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te
+maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken,
+hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte
+exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te
+verspreiden.
+
+Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende
+bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam
+ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt
+werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734
+verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire
+du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend
+recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen
+als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond
+de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt
+tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in
+de Fransche Taale..." etc. [44].
+
+Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden
+verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde
+in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie
+werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt;
+voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk
+privilegie aan drie verschillende personen [45].
+
+Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en
+werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien
+niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur
+de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon
+men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door
+middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door
+middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.
+
+Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van
+het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond
+bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst
+is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als
+tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren
+dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende
+opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te
+laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien,
+dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet
+in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste
+tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls
+mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks
+het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46].
+
+Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der
+achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen
+een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.
+
+In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten
+getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier
+stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen
+zij van het stadsbestuur eene belooning [47].
+
+In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd
+omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken
+ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de
+stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene
+geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden
+geen resultaat [49].
+
+Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken
+ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638
+ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door
+tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd,
+van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide
+instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er
+werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs
+en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der
+stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met
+enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid
+tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:
+
+"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een
+jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt,
+vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel
+vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel
+van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet
+niet meer dan drie Loodjes" [50].
+
+Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens
+spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de
+toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien
+tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij,
+dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan
+door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar:
+"De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
+de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt
+daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen,
+met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat
+er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den
+auteur ook.
+
+Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft
+nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling
+toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar
+muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen)
+en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in
+de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of
+begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53].
+
+
+
+Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was
+ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De
+termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer
+verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door
+de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3,
+4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans
+in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere
+privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de
+oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar.
+
+Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken,
+werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker
+aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn
+leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de
+weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55].
+
+Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
+Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts
+Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend
+zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de
+Staten" [56].
+
+De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen
+gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk
+vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete,
+waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.
+
+Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht;
+ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck
+Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh
+ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar";
+enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland
+werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde
+resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan
+3000 gld. zou bedragen.
+
+Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën
+en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het
+auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak
+alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of
+letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën,
+die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot
+bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten
+dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker
+of uitgever, verleend.
+
+Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie
+aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in
+het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens
+uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen,
+die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten
+van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen
+Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken,
+by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers,
+&c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken
+... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders
+gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen
+Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte
+te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor
+eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.
+
+Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe
+van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate
+weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi
+voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had
+achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen
+reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden
+persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius
+b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene
+by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai
+Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven
+zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of,
+zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt
+exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig
+werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand,
+die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor
+Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit,
+waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der
+Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium
+Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden
+Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns
+swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te
+drucken" [59].
+
+Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd
+verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit
+geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In
+de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
+Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright"
+eigenhandig door den auteur onderteekend:
+
+"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by
+Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam
+van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word
+/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur:
+hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende
+hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft;
+maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders
+dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan
+geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self
+onderschreven zijn."
+
+Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen
+werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik
+vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht
+melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche
+boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde
+meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren
+voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins
+langer bij stil te staan.
+
+In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658
+in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie
+verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den
+Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee
+laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius,
+den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring,
+die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw
+had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra
+praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur,
+fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis,
+die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].
+
+Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden
+van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange,
+Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland
+voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek,
+Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft
+dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden,
+Boeckverkoper tot Leyden."
+
+In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt
+voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor
+notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer
+verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor
+syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert
+heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper
+tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere
+gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen,
+daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken,
+als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende
+uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis
+Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde,
+Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide
+overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de
+resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor
+"alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude
+octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden,
+indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl
+aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig
+schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.
+
+Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den
+boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te
+kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke
+somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken
+en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure
+Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van
+21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus
+Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger
+aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy
+Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der
+Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van
+de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau
+wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme,
+met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel
+Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van
+de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier
+voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons
+vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam,
+dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van
+Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende
+Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau
+Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même,
+blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van
+voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht
+daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer
+geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef,
+terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek
+werd ingewilligd [63].
+
+Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede
+niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte
+zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632
+wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding;
+m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën
+toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder
+correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten
+aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat
+daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die
+deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is
+getransporteerd..." etc. [64].
+
+In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald
+persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt
+verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan
+geen twijfel onderhevig.
+
+Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van
+den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat
+zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging
+toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden
+worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon,
+of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen,
+dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan
+worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke,
+onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men
+dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden,
+dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging
+door de Staten een einde namen [67].
+
+Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen
+van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht
+wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
+uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond
+omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men
+zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
+"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of:
+"... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus
+behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik
+vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval
+waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari
+1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van
+Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost
+van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van
+Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze
+werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68].
+
+"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer
+zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede
+alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde
+kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut
+recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis,
+volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie
+vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook
+door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde
+gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend
+recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door
+zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.
+
+De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met
+de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den
+schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar,
+want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder
+behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren
+afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave
+van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor
+anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69].
+
+Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in
+het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt,
+ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als
+auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor
+meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28
+Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit
+niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een
+recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën
+blijkt in de resolutie niets.
+
+Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der
+privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen
+in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst
+en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te
+verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten,
+zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat
+zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs
+op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden,
+maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons
+land niet vóór het jaar 1796.
+
+De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen
+tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens
+een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en
+dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën
+berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk
+privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot
+het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt
+daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig
+doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen:
+
+"... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer,
+wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest,
+hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige
+Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick
+en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is
+gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren
+bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van
+ons... etc." [71].
+
+"Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant
+'t sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven
+van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum
+Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge
+ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren,
+ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven,
+als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende
+dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken,
+'t welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72].
+
+"... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende
+menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos
+te maken..." [73].
+
+"... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek
+te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden;
+maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten,
+ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van
+het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht
+werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende
+schade soude strekken..." [74].
+
+Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde
+boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers,
+die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers
+werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun,
+dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te
+treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen
+voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd.
+
+In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor
+o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering
+gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden,
+om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters
+werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven,
+o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80],
+Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats.
+
+Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan
+met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend
+onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden,
+zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van
+gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's,
+die begonnen waren zijne werken na te drukken [85].
+
+Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de
+verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander
+namen, om hem te keeren.
+
+Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de
+boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken;
+in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten
+tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam,
+den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie
+der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der
+"overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser
+Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel
+deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van
+haare Boecken geleden."
+
+Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden
+zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich
+het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke
+Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht
+[88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten
+erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger
+boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus
+een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal
+geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen
+nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen,
+so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden,
+maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen
+hebben" [89].
+
+Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend
+werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen
+eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien
+letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige
+gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden
+zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van
+elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren
+uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord,
+zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken,
+die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te
+geven was vastgesteld.
+
+De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op
+zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men
+den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke
+de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij
+omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf
+of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur,
+die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene
+publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder
+zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het
+hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt
+erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit
+laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
+geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden,
+hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht,
+dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient
+ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte
+openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.
+
+Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is
+moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel
+voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die
+er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift
+geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is
+daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de
+gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar
+door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag
+is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten
+drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten.
+
+Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te
+kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als
+aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat
+ik hier volgen.
+
+In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste
+verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk
+gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot
+de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk
+uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd,
+verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt
+hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat
+anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing
+niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk
+te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave
+buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs
+zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium
+aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90].
+
+Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander
+schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig
+buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging,
+hij noemde het:
+
+
+ "'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart,
+ Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91].
+
+
+doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien.
+
+Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert
+Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker
+braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek
+gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker
+het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk
+uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het
+is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven,
+weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen,
+en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar
+hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar
+den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging
+"aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92].
+
+Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der
+schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat
+van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde
+categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden
+hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht
+uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan
+niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den
+naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te
+Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften,
+Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens
+daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve,
+of van haare Erfgenaamen..." etc. [93].
+
+Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het
+recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit
+placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde,
+kan blijken uit de overweging:
+
+"Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op
+den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te
+Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve
+Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare
+stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van
+deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als
+binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc."
+
+Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der
+Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag
+of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar
+werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was
+en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet
+is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als
+een uitzonderingsmaatregel.
+
+Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals
+bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den
+auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.
+
+Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:
+
+"De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem
+winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken,
+in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen
+gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van
+Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer
+ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te
+baeren staet" [94].
+
+Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets
+te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze
+ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan
+mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus
+Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin,
+meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting
+schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in
+Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me
+volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis
+fucum" [95].
+
+
+
+In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in
+vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en
+geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het
+midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk,
+ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had
+reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het
+privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in
+den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer
+veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97].
+
+Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
+toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze
+boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond
+van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De
+groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere
+landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
+hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven,
+hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren
+de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht;
+de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door
+geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne
+geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.
+
+"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig
+verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten
+uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken
+nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98].
+
+De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden
+zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen
+van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch
+boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een
+millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De
+hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de
+Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk
+uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.
+
+Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van
+vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100].
+
+Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in
+het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen
+waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
+als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk
+betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.
+
+De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend,
+mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven
+zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf,
+vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat
+men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan
+valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van
+hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor
+de drukkers en uitgevers was.
+
+Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk
+kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens
+meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men
+in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een
+aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een
+aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den
+geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
+leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden
+hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest
+wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat
+exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken
+wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate,
+die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock
+by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om
+dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch
+een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De
+waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd
+door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker
+en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers,
+die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een
+aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de
+auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan
+sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele
+gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102].
+
+In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs
+waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met
+hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te
+verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria
+van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624
+o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van
+U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede
+te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het
+kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt
+wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend
+schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van
+den uitgever voor zich te bedingen [104].
+
+De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der
+Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de
+toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:
+
+
+ "En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,
+ 't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen
+ Der loozer druckeren en hunner metgezellen;
+ De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt."
+
+
+De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten
+soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten
+te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas,
+of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een
+eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff
+mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een
+twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers
+van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks
+12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de
+verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten
+voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde.
+
+Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit
+het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg
+voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder
+moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel"
+van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen
+gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk
+gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter,
+dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan
+"de arme waerde van twee zilvere dukatons".
+
+
+
+Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende
+landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk
+weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten
+de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en
+merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van
+Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht
+zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen:
+Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant,
+Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor
+verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie
+werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of
+te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der
+kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden
+dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106].
+
+Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen
+koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius
+voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in
+Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde
+uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van
+de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook
+blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende
+landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]:
+"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat
+hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk
+ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde
+Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc."
+
+Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om
+de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te
+roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt
+melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz",
+waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes
+Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte
+Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog:
+geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen,
+en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het
+voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en
+Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den
+"Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom
+ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109].
+
+In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek
+tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris
+in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling
+gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de
+Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits
+Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de
+Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde
+verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden
+difficulteeren... etc." [110].
+
+Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik
+niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de
+Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen,
+als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in
+de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat
+de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght,
+sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het
+grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te
+Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan
+nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn
+afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds
+de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond.
+
+Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen,
+dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het
+nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden
+zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding
+tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen
+van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.
+
+In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten
+van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij
+gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe
+alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière,
+Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met
+privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en
+onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers
+tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de
+Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche
+Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie
+te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele
+Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht,
+dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich
+(onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het
+verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier
+der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven,
+dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert,
+om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de
+onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende
+Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111].
+
+Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in
+overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de
+Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in
+1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren
+"... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt
+omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten
+zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de
+mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October
+1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van
+tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken
+van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven
+om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer
+difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in
+deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen
+"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren
+gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden
+gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese
+Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs
+van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie"
+aan den dag legden.
+
+In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland
+voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt
+uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt
+geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule
+voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal
+worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het
+voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar:
+"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele
+Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven
+of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover
+buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen
+wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het
+bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het
+enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst
+dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming.
+
+Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het
+denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten,
+om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende
+schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te
+Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot
+bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle
+vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het
+vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis
+van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke,
+voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere
+bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is
+gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft
+het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige
+overweging uitgemaakt.
+
+
+
+
+§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende
+eeuw tot dezen tijd
+
+Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie
+Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur
+van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel
+luidde:
+
+"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken
+en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als
+strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke
+ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen
+regtmatigen eigendom."
+
+In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de
+provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht
+had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken
+en uit te geven.
+
+Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong
+vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten,
+maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door
+Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs
+vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele
+willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat
+al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten
+grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt
+in de geheele publicatie niet gesproken.
+
+Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne
+erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt"
+dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe
+de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het
+geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie
+alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming,
+die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.
+
+Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie
+nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende
+waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland)
+uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs
+alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken
+beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus
+niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van
+meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave
+eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever
+behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave,
+den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat
+te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd,
+een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van
+dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).
+
+Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers
+waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van
+staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten
+worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht
+aan zich (art. 9).
+
+De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was
+de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli
+1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak;
+er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die
+in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens
+waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de
+Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij
+het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf
+daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,
+mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2).
+
+Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben
+gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren
+aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur
+en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen
+in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk
+product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en
+zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar
+nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het
+Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend
+Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast
+bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken,
+nog genoemd:
+
+"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons
+Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke
+Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt
+wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over
+de schrijvers wordt geen woord gezegd.
+
+De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van
+praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch
+werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever
+zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het
+aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een"
+(nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe
+benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en
+uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van
+zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst
+te doen... etc."
+
+Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het
+recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men
+er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver
+of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op
+onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De
+bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet
+overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.
+
+De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de
+inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het
+gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door
+de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden
+in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog,
+hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld,
+in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs
+van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de
+musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des
+tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht
+nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).
+
+Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard
+Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe
+van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig
+jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten.
+
+De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het
+eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur
+beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na
+dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug.
+
+De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier
+afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1
+(Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en
+den eigendom van letterkundige werken.
+
+Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche
+censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter
+als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het
+een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die
+een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken
+uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins,
+wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld:
+"eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze
+landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche
+vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave
+der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in
+de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is
+medegedeeld, werd gemotiveerd.
+
+Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige
+aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever
+eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had
+te vervullen.
+
+Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September
+1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere
+wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld;
+vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het
+koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.
+
+Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State
+aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de
+resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen
+te hebben gediend [121].
+
+Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt
+volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend,
+waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling,
+onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd
+onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5),
+de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken
+en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.
+
+Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen
+te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan
+autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1).
+
+Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen
+hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie
+echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene
+andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122].
+
+Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of
+vertaler (art. 3).
+
+Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene
+Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen
+uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig
+met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van
+de woonplaats des uitgevers (art. 6).
+
+Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken
+vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met
+het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige
+eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken"
+beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen
+gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot
+het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig.
+
+De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde
+producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen
+aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst
+vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had
+op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken"
+ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten
+ontkennend beantwoord [124].
+
+Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en
+uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren
+wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver
+als in den tijd der privilegiën.
+
+Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van
+het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke
+inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden
+van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig
+strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld.,
+confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den
+eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste
+van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren
+van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk
+in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat
+de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos
+gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen
+kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt
+in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen
+verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was
+ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid,
+bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel,
+om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren
+tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten
+onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding
+berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold
+of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete
+betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen
+van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio
+moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval,
+dat de nadrukker een vreemdeling was.
+
+In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme
+en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking
+van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op
+de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar
+na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van
+laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen
+natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap
+of den Staat zijn uitgegeven.
+
+Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het
+Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het
+drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve
+van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve
+van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen
+of octroijen" aan particulieren werd afgestaan.
+
+Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek
+geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd
+hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning
+de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met
+de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen.
+
+Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125]
+had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen
+kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet
+kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit
+van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van
+bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of
+aan particulieren verleend, ingetrokken [126].
+
+Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake
+bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36)
+op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche
+Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van
+dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke
+gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen
+vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal
+verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd
+in 1871 ingetrokken.
+
+De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog
+gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen
+(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet
+voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere
+Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig
+in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden
+herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere
+regeling te komen.
+
+In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter
+vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van
+toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de
+Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal
+is ingediend.
+
+In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van
+de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet
+te krijgen [130].
+
+In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor
+eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting
+aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat
+over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten
+en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren
+ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor
+de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt
+erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een
+ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen
+de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van
+de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts
+de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9);
+dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit
+bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a
+Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
+op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen
+(artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77).
+
+Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw
+was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek-
+en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar
+van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor
+mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend
+recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na
+de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht
+uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar
+verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het
+auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs,
+maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling
+dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).
+
+Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,
+nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van
+zijn voorganger was overgenomen.
+
+In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het
+algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op-
+en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig
+voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke
+wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
+dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder
+zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die
+door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet
+voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde
+wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht:
+de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der
+overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende
+partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.
+
+Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom
+eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als
+minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand,
+dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den
+22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].
+
+Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het
+kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
+werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd
+o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover
+gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van
+het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming
+betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op
+het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.
+
+Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp
+ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop
+anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2);
+de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7);
+uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de
+uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).
+
+Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in
+openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen
+voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter
+van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover
+naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en
+Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den
+"intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der
+auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers,
+om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister
+noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke,
+noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt
+moest worden onder de absolute vermogensrechten.
+
+Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats
+had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een
+amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn
+van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd
+verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay,
+om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk
+gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen
+verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de
+gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.
+
+De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare
+inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren
+de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het
+wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen
+aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten
+Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van
+het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).
+
+Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog
+ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen
+inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht
+naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis,
+ter en quater zijn geworden.
+
+Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering
+verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de
+beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen
+daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke
+Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van
+wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting
+werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit,
+o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen
+en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881
+gehuldigd waren.
+
+Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende
+kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen
+worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der
+bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).
+
+De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde
+of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In
+art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem
+"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op
+wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene
+mechanische bewerking namaakt".
+
+Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst;
+dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van
+verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van
+handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht
+(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.
+
+Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd
+het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.
+
+Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet
+gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming
+niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op
+dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees
+geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden
+gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.
+
+Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende
+werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten
+gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal
+vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van
+toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel
+van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een
+product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen
+of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar
+van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.
+
+Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit
+gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde
+stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog
+tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd
+ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling
+van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement,
+meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe
+nog steeds onbeschermd gebleven.
+
+Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de
+materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte,
+die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in
+alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het
+auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet
+van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen
+niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en
+twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in
+een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin
+deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving
+zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden
+nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.
+
+
+
+
+§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht
+
+In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat
+reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was
+het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en
+dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan,
+hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat
+bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden
+als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere
+jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst
+in de negentiende eeuw aanvangt.
+
+In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats
+gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming
+verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar
+als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in,
+dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt
+bleef tot de grenzen van elk land.
+
+De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel
+gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het
+onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid
+en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het
+drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen
+geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend
+recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde
+dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten
+te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het
+internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die
+ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten
+tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al
+genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale
+auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.
+
+De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel,
+werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen
+in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen
+vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen
+francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche
+boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld
+geven [141].
+
+Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom
+bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers
+en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden,
+zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale
+beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd
+gehouden.
+
+Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken,
+stonden verschillende wegen open.
+
+Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen
+opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde
+van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel
+werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852,
+hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken
+strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond
+in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging,
+zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar
+liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene
+volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet
+door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd,
+dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur
+niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling
+was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis
+niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk,
+niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].
+
+Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling
+van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting
+slaagde men beter.
+
+Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen
+onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van
+het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard
+gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en
+Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk
+sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met
+Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met
+Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten
+tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858);
+tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869)
+en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de
+volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten
+in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale
+bescherming medewerkten.
+
+Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het
+eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor
+het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken
+ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op
+internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte
+der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].
+
+In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land,
+waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het
+land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de
+wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht
+werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het
+proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden
+om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in
+combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit
+moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.
+
+In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls
+ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als
+gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer
+rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene
+moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van
+zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te
+kunnen toepassen.
+
+Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten
+te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen
+waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het
+uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de
+daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien
+hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming
+te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen
+die hun eigen wet voorschreef.
+
+Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van
+belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer
+eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken,
+o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in
+1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877;
+ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein
+der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken
+op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the
+codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs
+tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit
+de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association
+littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen
+der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te
+verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te
+werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et
+artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen
+gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome
+in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie
+een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale
+Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats
+te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het
+door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een
+ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen
+Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit
+Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene
+diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.
+
+De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te
+Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der
+Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was
+door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden,
+zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde
+doel betuigd.
+
+Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen,
+die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen
+op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter
+zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken
+van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat
+van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der
+verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene
+zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens
+het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de
+toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en
+letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als
+resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet
+in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg
+of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in
+den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen
+wilde brengen, nl.:
+
+1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming
+moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.
+
+2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van
+het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146].
+
+De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door
+de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de
+verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht,
+aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover
+definitieve instructies mede te geven.
+
+Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz
+te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen
+vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en
+weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor
+het te sluiten verdrag tot stand.
+
+Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te
+Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van
+enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen
+en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van:
+België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia,
+Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de
+ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van
+het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de
+Conventie in werking.
+
+De Convention concernant la création d'une Union internationale
+pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te
+lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in
+achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel,
+regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen,
+en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige
+artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd,
+geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht,
+doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen
+afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.
+
+Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk
+van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend
+vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de
+toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien
+jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling
+had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar
+van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling
+werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het
+oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was,
+dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een
+reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den
+gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide
+partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een
+langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij
+afzonderlijk tractaat vast te stellen.
+
+De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In
+art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden
+opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou
+staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol
+(no. 5) werden geregeld.
+
+Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling
+bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende
+wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen
+der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien,
+dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte,
+die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen
+tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst
+herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover
+in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde,
+dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën,
+achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden,
+terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste
+Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na
+de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.
+
+Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping
+was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden
+genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de
+Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.
+
+Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was
+vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen)
+waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de
+Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan
+welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven.
+
+Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche
+Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma
+van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte
+opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van
+letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren
+op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der
+verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor
+gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het
+oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen,
+daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet
+kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu
+de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd,
+die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:
+
+Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5,
+7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en
+
+Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van
+enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele
+Acte.
+
+Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei
+1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der
+officieele stukken opgenomen zijn [151].
+
+De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen,
+de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later
+toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie
+de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring,
+niet de Additionneele Acte.
+
+De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die
+ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen
+toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het
+auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde
+echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn
+werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).
+
+Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede
+dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming
+tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft
+begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen
+aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie
+was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en
+de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel
+hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit:
+"dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de
+aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152].
+
+Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd
+van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie
+van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld
+te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche
+Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.
+
+Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend,
+dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot),
+waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger
+gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn
+zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van
+negentien niet-aangesloten landen.
+
+De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche
+Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op
+een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en
+een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd,
+waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog
+van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de
+reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een
+voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling
+in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze
+officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde
+memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding
+vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door
+verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en
+wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had
+op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig
+herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting
+aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook
+van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende
+Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom,
+evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern
+eene verzameling was verschenen [159].
+
+Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op
+de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der
+Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten
+zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En
+hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen
+in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp
+aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen
+(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed
+afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van
+sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen
+konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel
+van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken,
+werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat
+bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde
+punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft
+daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie
+tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een
+bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers
+iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke
+hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven.
+
+De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn
+intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is
+volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het
+auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn
+vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën,
+werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde
+producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen,
+als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht
+van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van
+muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der
+auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote
+verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen
+en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken
+wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet.
+
+Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering
+van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk
+ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende
+staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der
+nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der
+nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie
+in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat
+echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen
+overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de
+oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en
+Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring")
+nog bestaan.
+
+Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er
+in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht
+in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene
+herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten,
+die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven,
+hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden
+en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder
+zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt
+natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst
+noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende
+tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome,
+op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.
+
+Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van
+nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen
+der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog
+zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van
+versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.
+
+Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen
+om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk
+genoeg voor om hier te worden vermeld.
+
+Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren
+besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen
+van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft
+eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het
+opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot
+grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk
+het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop
+der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs
+in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel
+in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog
+eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp
+niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het,
+theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers
+hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een
+geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers
+der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen
+kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de
+Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op
+hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat
+de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan);
+doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar
+acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is
+niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor
+woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen
+worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever
+niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan
+Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het
+geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen.
+
+Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al
+is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in
+zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden
+onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering
+door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen
+van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs)
+uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds
+slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het
+voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere
+aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik
+nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te
+verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst
+ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen
+te moeten opnemen.
+
+
+
+De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming
+van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden
+geweest.
+
+In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van
+tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen
+blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met
+Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en
+weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader
+regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf
+jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling
+aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van
+Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd
+zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest
+(krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld
+door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring
+[164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de
+wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid
+tot de muziekwerken.
+
+Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat
+bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk.
+
+Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd
+echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog
+enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd,
+den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167].
+
+Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel
+daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van
+Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag
+door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar
+de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet
+zou verwerven.
+
+De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt
+zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog
+binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen
+den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1),
+dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van
+muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten
+in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht
+zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou
+men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het
+auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet
+van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het
+grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende
+denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land
+het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar
+uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen
+echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land
+waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu
+wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet
+uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene
+vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in
+strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie
+in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend
+vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen
+duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus
+hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de
+in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen
+zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht
+een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de
+uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is
+echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en
+met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche
+werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het,
+m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat
+de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning
+van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen
+hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk
+verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg
+hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien
+van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke
+Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen
+[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen
+geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming,
+welke het verleent, in de practijk weinig beteekent.
+
+Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie
+van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van
+Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die
+van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het
+zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten;
+het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs
+als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder
+bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene
+nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne)
+aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland
+geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden
+de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning
+van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld
+als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.
+
+Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van
+doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in
+1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning
+van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen
+werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij
+de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van
+Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door
+den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde
+Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is
+echter uitgebleven.
+
+Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was
+uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.
+
+Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders
+van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde
+der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging
+gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast
+vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke
+vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905)
+kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich
+ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting
+[171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt,
+die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen
+afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd
+verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen,
+is echter nooit in behandeling gekomen.
+
+De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk
+is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk,
+van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door
+afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land
+is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van
+Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom,
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant,
+Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen
+en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts
+ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne
+tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder
+van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de
+verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te
+bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie
+af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere
+ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat
+zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk
+met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd
+opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe
+te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen
+zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.
+
+Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit
+het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening
+van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding
+van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit
+vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER
+
+
+§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën
+
+In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke
+verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het
+tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging,
+dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht
+der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het
+auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld
+vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw
+[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176]
+nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of
+intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten
+invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef
+ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur
+van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een
+eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig
+van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar
+onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn
+te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk
+vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft
+men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique,
+en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een
+van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is
+nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie
+is blijven voortbestaan [177].
+
+Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut
+recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht,
+te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens
+welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend
+beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper
+gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins
+beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178].
+
+Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar
+een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie
+van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der
+persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer
+zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een
+boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van
+den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald
+[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of
+althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het
+auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180].
+
+Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie
+met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de
+auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door
+anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen
+sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve
+rechten kan worden ingedeeld.
+
+Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex
+van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der
+auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de
+conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische
+vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op
+wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182].
+
+Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie,
+met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het
+alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel
+was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid
+te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen
+noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze
+uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari
+1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable
+that we should have a supply of good books: we cannot have such a
+supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least
+objectionable way of remunerating them is by means of copy right"
+[183].
+
+Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische
+beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren,
+toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort
+overzicht moge hiervan volgen.
+
+De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van
+Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar
+oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen
+des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig
+belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden
+aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184].
+
+Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche
+Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de
+orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten
+van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?"
+
+Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en
+Mr. J. Freseman Viëtor.
+
+Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk
+had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht
+op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd
+zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut,
+"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te
+verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken"
+[186].
+
+Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting
+met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had
+gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:
+
+"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice
+den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen
+kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
+der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde
+de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met
+economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend,
+nader werd uitgewerkt.
+
+In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel
+uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.
+
+De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen
+van de negen en veertig stemmen.
+
+De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat
+de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder,
+die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot
+teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en
+de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij
+den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben
+gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte
+onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te
+zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd"
+vond slechts één enkelen aanhanger.
+
+Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en
+drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling:
+"dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende
+reproductie moet worden gegeven" [188].
+
+Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er
+geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in
+het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting
+kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap,
+dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen
+belang" acht?
+
+Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische
+voorlichting op dit gebied ontbreken.
+
+De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen,
+waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd
+wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne
+recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben
+gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190]
+het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde
+af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans
+zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef
+[191].
+
+Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging
+het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het
+Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning
+van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot
+van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:
+
+"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met
+alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien,
+hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht
+zal worden toegepast" [193].
+
+Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote
+meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten,
+gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.
+
+Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze
+aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard,
+dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht
+vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend
+op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij
+de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort
+men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het
+auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk
+van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland
+te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend
+zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het
+auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is,
+naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt
+de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen
+(auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier
+te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.
+
+Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons
+land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen
+het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het
+auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is
+geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan
+den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen
+belang" hiermede gediend is.
+
+Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die
+zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot
+uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden
+stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van
+het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming
+te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet
+eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis"
+[196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede
+Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar
+dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend
+recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige
+uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het
+auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang
+ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt
+er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in
+ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch
+het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde
+schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken,
+dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.
+
+Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van
+het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk
+gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van
+ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was,
+schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere
+onderzoekingen overbodig te achten.
+
+Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu
+eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch
+men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In
+de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er
+meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan
+nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen
+eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men
+het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter
+van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort,
+dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus
+sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft
+en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil
+aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état"
+[200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar
+toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].
+
+
+
+Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het
+auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland,
+hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op
+de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van
+vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze
+materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht,
+in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen
+worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden
+aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.
+
+Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd
+de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne
+Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den
+letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat
+schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht,
+daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler
+aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat
+das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende
+construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk
+voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier
+te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter),
+die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden;
+de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe
+behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele
+eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten,
+wel van de zakelijke rechten te onderscheiden.
+
+Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag
+van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische
+constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik
+haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in
+de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens
+gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche
+schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel
+woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.
+
+
+
+
+§ 2 Recht of doelmatigheid?
+
+In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne
+boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of
+expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht
+op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een,
+waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin
+dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen?
+
+Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de
+meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben
+beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën,
+die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt
+daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht
+te wijden.
+
+Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld,
+behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over
+auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen
+schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot
+de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag,
+of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de
+doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor
+om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt
+gevraagd, wil hij niet weten [203].
+
+Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver
+van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo
+aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen
+te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen
+grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich
+af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het
+auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat
+het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang"
+heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft
+daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals
+mr. Viëtor verscheidene malen doet.
+
+Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft,
+heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne
+nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen
+toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet
+van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden
+van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].
+
+Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig
+is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet
+rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet
+bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig.
+
+Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn
+onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel
+duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte
+recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom
+behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne
+nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor
+den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:
+
+"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen
+belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld,
+maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk
+te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de
+geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie
+tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen
+en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar
+vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo
+durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den
+eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat
+instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet
+"non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht
+zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder,
+dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].
+
+Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben
+aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent
+hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat
+niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene
+onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht
+zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of
+onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208].
+
+Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde
+overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en
+auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit,
+dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.
+
+In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van
+het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het
+recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen
+kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht
+zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten
+noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen
+te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar
+het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang,
+in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de
+privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel
+met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met
+evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht
+zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd
+gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van
+het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men
+geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg
+pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik
+dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men
+voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van
+geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht
+dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van
+dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.
+
+En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht
+met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze
+moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven,
+dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen
+zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin,
+dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee
+in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking
+op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het
+algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers,
+tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste
+menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook
+het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen
+persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om,
+gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De
+immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van
+rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom,
+d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een
+reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in
+beginsel van minder belang te achten?
+
+Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan
+wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken
+belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht
+in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar
+de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.
+
+En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht
+niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk
+op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die
+zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de
+belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om
+gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk
+op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit
+mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat
+ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het
+auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden,
+en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen,
+niet tot minder ernstige gevolgen leiden.
+
+Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich
+op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën
+in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.
+
+Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het
+een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt
+uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van
+Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders
+[209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag,
+of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende
+te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de
+instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het
+algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het
+Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht
+door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het
+volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven
+tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.
+
+Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde
+onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe
+tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de
+Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden,
+maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als
+maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet
+rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten
+beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig
+gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des
+schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.
+
+Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte
+verklaring op dit punt noodzakelijk.
+
+Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving
+die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de
+eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere
+menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken,
+maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen"
+[210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende
+kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen,
+zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe
+meewerken.
+
+Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene
+vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke
+omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij
+vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene
+menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote
+overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal
+de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen,
+het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van
+een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle
+leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien
+eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.
+
+Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden
+verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten,
+of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende
+kracht moet worden toegekend.
+
+Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn,
+waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur
+onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij,
+die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en
+oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan
+worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn
+in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang
+is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt,
+geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met
+doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is
+allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden
+en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.
+
+Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het
+rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn;
+zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij
+voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht;
+doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen
+blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met
+rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.
+
+Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de
+fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon
+worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in
+het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren,
+is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene
+instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt
+daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met
+de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders
+is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van
+den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt
+bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus
+zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel
+werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden,
+of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde
+van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten,
+wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].
+
+Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een
+recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een
+of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas;
+dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met
+instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop
+of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch
+het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt
+hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door
+niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze
+handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal
+men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in
+twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of
+meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van
+hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder
+zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan
+wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen
+nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem
+Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie,
+wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben
+Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen,
+auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte".
+
+Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een
+"naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop
+het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde
+in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler
+wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de
+nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van
+auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers
+aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch
+sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich
+raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr
+nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe:
+"Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am
+Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe
+schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen
+und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].
+
+Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen
+aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den
+nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed
+vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft
+hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der
+jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam
+maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums",
+d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft
+voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen.
+
+Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat
+die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang
+te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik
+uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch,
+doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar
+de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk
+zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der
+Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook
+nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my
+anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des
+geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."
+
+Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard
+uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel
+niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band,
+die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij
+zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien
+geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel
+hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch
+hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des
+geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk
+als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden
+het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat
+den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit
+zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om
+beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men
+herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat
+het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande
+inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet
+alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen
+wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren
+is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen,
+in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op
+voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht
+voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen,
+een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie
+te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden
+uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande
+houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk
+belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet
+kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd
+worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij
+op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom,
+ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te
+toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland
+wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie
+is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn
+werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet,
+heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in
+een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende
+bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie,
+ik word begapt!" [217]
+
+Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken
+van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op
+het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor,
+het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan
+men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige
+scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene
+natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders
+toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets
+anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht
+wordt gehouden.
+
+Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de
+rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner
+medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen
+belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden
+gezegd.
+
+Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen
+rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag
+gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming
+worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt
+bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens
+schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder
+positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren
+op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het:
+"er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en
+kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de
+Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer"
+de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne
+tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct
+of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding
+dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
+der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:
+"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den
+staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl
+het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd
+nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker,
+dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon
+worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden
+op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"),
+waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.
+
+De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk
+hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op
+het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie,
+waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden
+kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts
+het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar
+is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden,
+welke ik aldus zou willen formuleeren:
+
+1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen
+(dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en
+kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun
+arbeid.
+
+2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie,
+daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is
+te brengen.
+
+De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend
+recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in
+kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt
+in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen
+wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de
+wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit,
+dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het
+rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.
+
+Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door
+de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is
+gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën,
+die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den
+letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders
+dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het
+auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren
+als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar
+analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom
+wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als
+eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt
+mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden;
+daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.
+
+Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht
+hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige
+rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken
+door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag,
+waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer,
+of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht)
+zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals
+bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent
+de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de
+discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren,
+dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime
+uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige
+daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den
+eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog
+op zijne medeburgers behoort te handelen" [222].
+
+Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog
+meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens
+werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling
+den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer
+al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover
+kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe
+krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.
+
+Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de
+auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen,
+die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt,
+uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd,
+dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en
+dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze
+bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan
+worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk
+zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op
+heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is,
+om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.
+
+Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers
+met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging
+van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223].
+
+Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401
+zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders
+dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman
+zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de
+rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort,
+"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop
+kan kort zijn.
+
+Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht
+om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat
+slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht
+ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden
+"in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het
+maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in
+dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast
+of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van
+onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen
+de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze
+woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig
+te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].
+
+Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen
+geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken,
+is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud
+slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de
+bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen,
+is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter
+niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds
+toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der
+auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht,
+als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En
+dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het
+hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag,
+welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen
+eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den
+grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet
+te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct
+of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan
+worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk
+is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk
+wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.
+
+De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is
+niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der
+in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets
+tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen,
+die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd
+zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de
+tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen
+van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de
+middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het
+auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom
+niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit
+deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of
+het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van
+een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze
+richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip
+de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs
+de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich
+van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een
+verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren;
+ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een
+Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri
+debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het
+auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de
+meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder
+door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der
+Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner
+beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde
+»juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd,
+wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij
+dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te
+worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht
+alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk
+geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een
+privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding
+van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen
+dit te hebben gemeend.
+
+"Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht
+romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag"
+[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer
+toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der
+Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd
+valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te
+constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de
+verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren
+aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval
+geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte
+een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een
+recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er,
+na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of
+onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere
+of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was
+ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het
+auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus:
+het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen
+belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond
+voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te
+vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische
+ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht
+gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld,
+of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij,
+ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd
+auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne
+bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel
+hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert
+1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de
+wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze
+schrijver dus niet te hebben geweten.
+
+
+
+Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet
+een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke
+tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid
+der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een
+positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt,
+niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan
+doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze
+tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling
+met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het
+auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats
+voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets;
+evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op
+positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet
+in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder
+weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk
+hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars
+op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat
+eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier
+geen voorlichting weet te schenken.
+
+Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging
+kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot
+het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets
+anders daarvoor in de plaats te stellen.
+
+Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te
+bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn
+prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht
+afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden,
+wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap,
+welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de
+leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent
+tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor,
+dat der sociale behoeften" [229].
+
+Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle,
+welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende
+paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische
+beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de
+plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een
+scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden
+gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men
+tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels
+en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht
+kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen
+in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de
+economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar
+het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te
+verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen
+worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste
+hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de
+conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande
+systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht.
+
+
+
+
+§ 3 Economische theorieën
+
+De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf,
+d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen
+waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische
+beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor
+den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke
+wereld manifesteert.
+
+Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in
+economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch
+product:
+
+"L'écrivain, l'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que
+son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion
+de richesse" [230]. En: "A tous les points de vue, la production
+industrielle et la production littéraire nous apparaissent donc
+identiques" [231].
+
+Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit
+op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de
+eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas--krijgt
+althans pas beteekenis--wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus
+in druk verschijnt. Wat nu wel "une portion de richesse" uitmaakt,
+is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift
+wordt vervaardigd, maar dit is niet "het voortbrengsel" van den
+schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van
+intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring
+van den econoom.
+
+Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de
+zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur
+voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver
+zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal,
+wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen
+plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen
+recht meer op zijne schepping heeft:
+
+"Les lois de l'échange sont: que les produits s' échangent les uns
+contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un
+débat contradictoire et libre, désigné par les mots offre et demande;
+que l'échange opéré, chaque échangiste devient maître de ce qu'
+il a acquis comme il l'était de son propre produit, en sorte que, la
+livraison faite et l'échange consommé, les parties ne se doivent rien"
+[232].
+
+"Ces lois sont universelles; elles s' appliquent à toutes les espèces
+de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt
+Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij
+"lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven
+wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn
+aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel
+kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde
+wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die den
+privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg aan
+hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker,
+zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen
+moeilijkheden meer opleveren, of liever: door dit te beweren, plaatst
+men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is; immers
+het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom op
+het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de vraag,
+of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. Met
+eene "economische" theorie als deze komt men dus niet verder [233].
+
+Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over
+het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende
+argumentatie: "D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans
+la pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne
+tire de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la
+solitude?" ..... "Il n'est donc pas besoin de savoir d'où vient
+l'origine des productions de l'esprit, il suffit de savoir d'où vient
+leur valeur, pour comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine
+de personne. Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est à
+la société seule que le droit de propriété appartient. Reconnaître,
+au profit de l'individu, un droit de propriété littéraire, ce n'est
+pas seulement nuire à la société, c'est la voler" [234].
+
+Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. Op
+dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van
+locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet
+afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde
+streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij,
+welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet
+gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond
+eiland voor zou worden gegeven!
+
+Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht
+in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle [235]. Deze
+schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, maar
+als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene vergelijking,
+niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar tusschen
+wat hij noemt: "Symbolische Güter", "Güter der Darstellung und der
+Mittheilung" en "Nüzliche Güter". Beide categorieën van goederen
+vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het
+onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan
+gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen
+enz.) het geestelijk element overwegend is.
+
+De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De
+uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene
+onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke
+andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak
+op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische
+behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn,
+ook ondernemerspremie) [236]. Doch zoolang het ieder vrijstaat het
+uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspronkelijken uitgever
+niet mogelijk deze vergelding (speciaal de ondernemerspremie) te
+genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige eigenschappen
+van het voortgebrachte product in het economisch verkeer. Hier komt nu
+het onderscheid uit tusschen de "symbolische" of "darstellende Güter"
+en de "nüzliche Güter". Beiden vereenigen in zich, zooals gezegd,
+een materieel en een geestelijk element en bij beiden wordt het
+geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het verschil
+is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het "geestelijke")
+bij de goederen van de tweede soort langzamerhand geschiedt, bij
+de "darstellende Güter" echter in eens. Om een boek na te drukken
+behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne arbeiders er
+niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: het is niet
+noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, die bij
+zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de markt
+bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker heeft
+te beschikken over een "... mechanisch- und chemisch-technischen,
+unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung,
+wie derjenige des Original-verlegers ist" [237].
+
+Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van
+het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd
+de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de
+markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is
+dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens
+de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever
+moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige
+eigenschappen van zijn product.
+
+Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch
+verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die "symbolische
+Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en
+premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het
+best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie,
+waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in
+andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt.
+
+Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht
+aangewezen: het is te beschouwen als een: "vorläufig unentbehrliches
+künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs"
+[238]. Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie:
+het geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed,
+maar de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhältniss).
+
+
+
+Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den
+arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische
+zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de
+voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven,
+vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men
+daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten
+vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt
+met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht.
+
+Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie
+brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch
+standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten van kunst
+en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband daarmede
+het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een goed
+maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van goederen
+alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de juridische
+verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een voortbrengsel
+van het intellect geen economisch goed, daarom kan het nog wel object
+van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van
+deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen opzichzelf
+zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, die aan
+deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het
+wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van zijne
+leer schrijven: "Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber
+liegt darin, dasz das Recht eben mit einem Gedanken, der aus vielen
+Verwirklichungsformen sich ableiten läszt, in Beziehung gesetzt ist,
+dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, dasz
+es das Geistige in allen seinen Formen und Metamorphosen erfaszt und
+erfüllt" [239].
+
+Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie,
+geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht
+uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht
+niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men
+met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den
+grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop
+van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.
+
+Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als
+b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten
+als eigendom en auteursrecht is al gewezen [240]. Doch met
+dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening
+gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde
+staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn
+is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking
+hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd
+bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers
+de theorie gaat uit van een "vrij" economisch verkeer, waarin de
+nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een "künstliches
+Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze
+"Distributivgerechtigkeit", welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan
+zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend
+en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan
+dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men
+nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend
+het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan
+daartegen geen bezwaar bestaan--er is trouwens bijna geen economische
+theorie waarbij dit niet wordt gedaan--; doch bij deze instellingen,
+wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het
+auteursrecht. In het "vrije" verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt
+neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk
+te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid
+een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene "vrijheid",
+waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die
+trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.
+
+Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle,
+maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met
+zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het
+economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op
+bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische
+en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk
+betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor
+te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij
+van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen
+"kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer
+bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is,
+evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de
+rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer.
+
+Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt,
+een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk
+punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel
+geestesproduct het licht te laten vallen [241]. Hierdoor wordt de
+eenzijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen;
+doch niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de
+Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht. Volgens zijne
+boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te hebben
+gevonden: "een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot deszelfs
+doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale
+behoeften." Dat echter het "beginsel", hetwelk de economische theorie
+van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig
+houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen,
+dan is zijne taak, den auteurs een recht van zoodanige afmetingen
+in te ruimen, dat zij een even groote kans op het verkrijgen van
+ondernemers-loon en premie hebben als andere ondernemers, of, zooals
+mr. de Ridder het uitdrukt: "dat de verhouding tusschen het verdiende
+gemiddelde loon en de mogelijke loonsrente behouden blijve" [242]. Met
+deze wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en
+trachte hij in het "rechte spoor" te blijven, waar vragen zijn op
+te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift
+het uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het
+opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht
+mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid
+om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk
+van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in
+het licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing
+te komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard,
+zal men vergeefs in Schaeffle's theorie zoeken.
+
+Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar
+aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van
+Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als
+eene "economische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met
+de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen
+mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best
+op hare plaats.
+
+Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels:
+"niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken"
+en: "de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit
+verschillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te
+toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met
+zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang
+heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan;
+het is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele
+punten bestreden [243].
+
+De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat
+ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken,
+of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een
+juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van
+het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te
+hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in
+het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne
+leer geven:
+
+"Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) "niet gevonden
+is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten
+verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast
+beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat
+zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt."
+
+Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de
+auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het
+auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond
+zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.
+
+Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er
+mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op
+de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van schrijvers en
+kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: "Onder "het loon" van
+schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers
+tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend
+ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon,
+enz." [244]. Elders drukt de schrijver zich zóó uit: "... het loon,
+dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid betaald wordt, moet
+den arbeider ten goede komen" [245].
+
+Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het
+verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede
+komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht
+worden berekend.
+
+In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens
+reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip
+verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers
+zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars
+geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering
+berust dus op eene petitio principii: de "verkeerswaarde", welke de
+heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de
+waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene
+wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom
+kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het
+auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.
+
+Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de
+theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs
+al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin
+die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch
+wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer
+Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in
+staat zou stellen "juist en bepaald te omschrijven wat den auteur
+toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden,
+niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook
+in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver,
+hoe lang dit recht moet duren, enz.
+
+Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt
+de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien;
+althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij zich als
+volgt uit: "Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk deel van
+het loon hij" (scil. de auteur) "moet ontvangen voor den arbeid,
+dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker moet
+hij een deel daarvan hebben" [246]. Met deze verklaring is feitelijk
+erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede had
+willen bereiken. Want hoe zal het beginsel "de auteur heeft recht
+op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een "veilig kompas"
+kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt,
+hoeveel dit loon bedraagt?
+
+De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne
+meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den
+schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product;
+in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den
+arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft
+recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid
+maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de
+resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit
+uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn "waarde" en "loon"
+louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog
+in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men
+naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich
+deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken
+ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn
+arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard
+is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem
+gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken,
+verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met
+deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men
+zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de "waarde"
+geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op
+het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel
+zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de
+foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn;
+doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen
+recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk
+verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden
+zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom
+maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde
+van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt
+gehouden dat het woord "ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt,
+daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen
+ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn.
+
+Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat
+het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd
+is gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de
+begripsverwarring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt,
+aan dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In
+zijn betoog merkt de schrijver ergens op: "... wij juristen vragen
+slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de
+opbrengst?" [247] en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne
+beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een recht
+niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegenwoordigt!
+
+De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten;
+van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde--ook
+waar men met vermogensrechten heeft te doen--slechts van ondergeschikt
+belang. Want het recht dient ook ter bescherming van niet op geld
+waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de theorie van den
+heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden; als eenig doel van
+het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars
+iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze overweging schijnt bij
+den schrijver zoozeer overheerschende te zijn geweest, dat het
+eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.l. het auteursrecht,
+er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. het geval in de
+beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in de vergadering der
+Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, wat te verstaan was
+onder "het loon" van den schrijver van een boek,--n.l. datgene wat de
+verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan drukloon, papier
+enz.--ging de heer Lohman na, wat "het loon" is, in het geval, dat die
+opbrengst niet meer bedraagt dan de kosten van de vervaardiging der
+exemplaren: "Mr Viëtor beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist
+bedraagt "den kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten
+voor papier, drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het
+is alsof men zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen,
+omdat men dan juist met de kosten "zal kunnen uitkomen!" M. i. is er,
+wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en
+is het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan
+het boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen,
+dat de fabrikant van het papier en de drukker het eerst zullen worden
+betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet,
+deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" [248].
+
+Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd
+te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met
+deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers
+duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver
+nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie
+van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor
+bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend
+exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven
+dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is
+de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht,
+dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker
+kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of--zooals het
+in mr. Lohman's redeneering heet--hen te bewegen, met hem in het
+verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een
+soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten
+aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte
+gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt
+dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten
+enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen
+bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn
+goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven
+sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die "het laatst
+betaald wordt." Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over
+den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die
+op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen.
+
+Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor
+anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het
+product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is
+niet een recht "om mede te deelen in het loon, dat het publiek bereid
+is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd is" [249], maar
+een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit denkbeeld moge nu in
+de volgende paragraaf eene nadere uitwerking vinden.
+
+
+
+
+§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed
+
+De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit
+is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten
+grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal
+niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig
+is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan
+is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is,
+ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met
+hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin
+ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de "makers"
+bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet).
+
+Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van
+een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een
+uitsluitend recht kan dienen.
+
+Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn,
+is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van
+schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel
+van het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze
+had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht was,
+n. l. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist zijn
+noten op heeft geschreven. De eigendom--zoo werd geredeneerd--geeft
+het vol genot over eene zaak; waar het dus een handschrift geldt,
+omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren,
+omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen [250].
+
+Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet
+in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift
+is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts
+een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare)
+schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het
+geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit;
+het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van
+het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste
+is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door
+middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van
+het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van
+het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er
+meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen
+van verschillende personen komen.
+
+In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige
+wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt
+en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht
+van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten
+het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is
+zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig.
+
+De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een
+manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich
+kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien
+eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn
+werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar
+eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering
+uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van
+het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke
+vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven.
+
+Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het
+recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht,
+dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te
+laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met
+geestelijke scheppingen; dit geldt--zooals hieronder nog nader zal
+worden aangetoond--niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek,
+maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht
+hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed.
+
+Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de
+eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen
+of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen
+het begrip "geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze
+theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door
+werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de
+voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het
+voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij
+moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere
+materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect
+waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel)
+goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier
+ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken
+eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht,
+maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën,
+uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie
+betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct,
+heeft Kohler's Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen
+eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige
+rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele
+goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een
+afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere
+zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk
+een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.
+
+In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort
+schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik
+stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige
+voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert
+ongeveer als volgt: [251] Als ik een boek koop, word ik eigenaar van
+het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, neemt
+het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook eigenaar
+van kan worden, is van de in het geschrift vervatte gedachten,
+doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter van een
+exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige moeite geeft,
+kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus meerdere eigenaars
+naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het boek (in den materieelen
+zin van het woord) noch de gedachten voorwerp van het eigendomsrecht,
+dat het uitsluitend recht van drukken inhoudt, daar de schrijver bij
+de uitgave den uitsluitenden eigendom daarop verliest.
+
+Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden
+genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene
+wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met
+elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers
+eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen
+toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik
+van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan
+hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever
+het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik
+van eens anders eigendom.
+
+Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht
+niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des
+geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift
+zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den
+auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed
+denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt
+Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in
+de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in
+het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen,
+dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven,
+van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking,
+die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer
+niets gemeen heeft.
+
+Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht
+als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen,
+dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als
+een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem
+bestaat, moet worden gedacht.
+
+"Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien
+Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches,
+aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein äusserliches
+Dasein geben und sie veräussern, wodurch sie unter die Bestimmung
+von Sachen gesetzt werden" [252]. Deze gedachte wordt echter niet
+zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van het
+immaterieele object van den eigendom.
+
+De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten
+en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden
+van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der
+eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder
+beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben,
+aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde gedachten
+openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteursrecht kan zijn,
+dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden over den politieken
+toestand, die van een historie-vorscher over een of ander tijdperk
+der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn van degenen, die
+ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, die over hetzelfde
+onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen gebruik zouden mogen
+maken, behoeft wel geen betoog. Eene dergelijke strekking wordt nergens
+aan het auteursrecht toegekend en daarom heeft het ook geen zin om het
+te verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert [253].
+
+Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden,
+die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de
+wijze waarop de auteur die denkbeelden in "het kleed der taal heeft
+gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, de
+vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te definieeren,
+komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen reeds de groote
+verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige omschrijving
+van hetgeen men met "vorm" en "inhoud" bedoelt, noodzakelijk. Men kan
+niet zonder meer de onderscheiding toepassen zoowel op een roman als
+op een wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een
+tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort geschriften
+op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden "vorm" en
+"inhoud" te hechten, beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de
+schrijvers over auteursrecht wordt gedaan. Zooals die termen thans
+dikwijls worden gebruikt, zijn zij eerder geschikt om verwarring te
+brengen dan om mede te helpen tot eene juiste karakteriseering van het
+immaterieele object van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering
+van vele schrijvers, die echter wegens hare oppervlakkigheid alle
+waarde mist, is b.v. de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen
+den vorm; wanneer een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler
+er een nieuwen vorm aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten
+tegen de uitgave van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht
+omvat dus niet het uitsluitend vertalingsrecht [254].
+
+Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is
+echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren,
+schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma
+beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar
+wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot
+bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij
+in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond.
+
+Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen,
+mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle
+geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler--vooral in
+zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und
+sein Autorschutz--duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk:
+"eine juridisch-ästhetische Studie" en gaf het tot motto een regel,
+dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over
+auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: "Der richtige
+Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz
+der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men in
+dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over "vorm" en "inhoud"
+heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler's
+streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende
+soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle
+methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die
+bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den
+auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler's
+methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog
+terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men
+werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang
+en strekking van het auteursrecht komen, "juridisch-aesthetische"
+beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut,
+maar beslist onontbeerlijk zijn.
+
+In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar
+hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden,
+openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten
+op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste
+brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de
+minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het
+gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen
+zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de
+rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich
+kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met
+dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk
+kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het
+geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is
+daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet
+alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets,
+die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van
+auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij,
+dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit
+geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts
+indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur
+daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken,
+die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis
+zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen,
+zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht
+beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan
+dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed
+voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide
+laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen;
+doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject
+op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht
+in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.
+
+Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik
+eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip
+van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene
+bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt,
+die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen
+niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen
+zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene
+afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam
+"eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou
+moeten worden gerangschikt.
+
+Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen
+auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen
+vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver
+van elkander afwijken.
+
+Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een
+lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht
+ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij
+het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide
+rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt,
+de eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele
+schrijvers--ook in ons land--reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef
+hier slechts in herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij
+de behandeling van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte:
+"Door het auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te
+willen verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn
+er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles
+ontbreekt wat den eigendom karakteriseert" [255].
+
+Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten
+slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed
+aan één persoon met uitsluiting van ieder ander voorbehouden. Wil men
+nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken aard het object
+zij, eigendom noemen [256], zoo behoeft daartegen op zichzelf nog
+geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts in het oog houdt,
+dat men zoodoende aan het woord eigendom eene andere beteekenis geeft,
+dan waarin het gewoonlijk in de juridische taal wordt gebruikt. In het
+dagelijksch leven gaat men dikwijls met het gebruik van de woorden
+"eigendom" en "bezit" nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een
+goede gezondheid, eene slechte reputatie enz. bezit of dat hij eene
+uitgebreide kennis zijn eigendom kan noemen, zonder dat daarbij
+natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden naam.
+
+Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom,
+zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding
+te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct
+den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft;
+terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling
+met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele
+voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name
+Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun
+leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van
+het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht
+op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht,
+dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden
+zij het, naar het recht kat' exochen eigendom. Dat in de hierboven
+vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den
+streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat
+hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich
+bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog,
+dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht,
+dat tot object zou hebben "de gedachte" en tot subject "de persoon
+die haar denkt." Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen,
+dat een "geestelijke eigendom" van deze soort (een eigendom dus op
+den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is,
+welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te
+wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt
+is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen
+de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de
+publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten,
+daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit
+zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers
+juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden
+van anderen [257]. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd
+tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand
+beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben,
+aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken.
+
+Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot
+ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van:
+uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit
+mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën
+met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de
+uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip
+eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie,
+tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de andere,
+geen waarde heeft. "Es ist das ein Begriff", zegt Kohler hierover,
+"so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten
+besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa mit den Begriffen
+Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man ehedem die Dinge der
+Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht
+nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas als Luft und die flüssige
+Kohlensäure als Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf
+die Dauer nicht durchkommen" [258].
+
+Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De
+aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen
+die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip
+letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling
+onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande
+reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer van het
+Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie
+zijn in te brengen, tegemoet komt.
+
+Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht
+de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk
+bespreken.
+
+In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor
+sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren,
+zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer
+beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: "... dasz aber irgend ein
+Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen Vorstellung,
+an einem lediglich und allein in den Gedanken existirenden Dinge
+ohne alles äuszerliche Substrat stattfinden solle, das ist etwas, was
+meiner Ansicht nach weder nach irgend einem positiven Rechtssysteme,
+noch vom Standpunkte einer philosophischen Rechtsbetrachtung aus
+zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit gedacht werden kann" [259].
+
+Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag
+uitdrukt: "Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op
+zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later als
+gedrukt exemplaar) een bestaan heeft--laat staan een lichamelijk--dat
+den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegenover gesteld?" [260]
+
+Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten
+bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel niet. Iets dat
+niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht
+zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord
+"bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat
+eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen
+van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in
+dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters
+heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder
+eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de
+symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve
+onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van
+uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt
+zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke
+wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van
+den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van
+zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna
+de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier,
+inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer
+exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein
+voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of
+meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van
+de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen,
+waardoor zij zijn teweeggebracht.
+
+Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel
+en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?
+
+Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de
+realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons
+op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen,
+volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus
+gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat
+daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.
+
+Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen,
+dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig
+van hetgeen "alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste
+wordt onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat
+daaraan geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag
+worden toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke,
+bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling
+van hebben gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij
+niet in de ervaring zijn gegeven, "maar ondersteld om de ervaring
+te helpen begrijpelijk maken" [261]. De voorstelling van het "ding"
+of voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen
+ons niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het
+ding zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest
+van zijne aanwezigheid.
+
+Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de
+grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding
+bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de
+eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de
+overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke
+dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de
+door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens,
+opbouwen.
+
+Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken
+als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met
+de "werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke
+voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het
+tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk
+werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde
+"ding" als bestaande mogen aanmerken?
+
+Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het
+letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen
+waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel
+ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het
+auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet
+op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke
+verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als
+rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde
+bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou
+kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch
+vrijwel algemeen geldende leer, volgens welke rechten als zaken worden
+beschouwd; waardoor men komt tot de constructie van een recht, hetwelk
+tot object heeft een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk
+voor den geest kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht
+evenmin eenige moeilijkheid op te leveren [262].
+
+Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt
+juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de
+op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In
+plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden,
+(kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht
+enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men
+één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht
+nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het
+geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke
+vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken,
+binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch
+men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag
+stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan
+worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle
+gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen
+dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen,
+waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne
+rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel
+beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze
+uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf,
+dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft,
+die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht
+niet toelaten.
+
+De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken
+thuis.
+
+Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object
+heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product
+van kunst of letterkunde. Doch--en hiermede kom ik tot het tweede
+punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken--niet alle bevoegdheden
+der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het
+auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op
+het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat
+nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of
+Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral
+genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden
+met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele
+onzer schrijvers wordt gebruikt [263]. Onder persoonlijkheidsrecht
+heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging
+der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een
+bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan
+noemen "Recht an der eignen Person" in tegenstelling met de rechten
+aan zaken en de rechten aan andere personen [264]. De objecten van
+dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die
+onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede,
+eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer
+aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens
+als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen
+een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht
+door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk
+gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den
+wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken
+kring is gezegd of geschreven en vele andere "onrechtmatige daden"
+van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken
+op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht
+waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver
+uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte
+rekent hij de geestesproducten tot de "Persönlichkeitsgüter"; hetgeen
+dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig
+bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van
+de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar,
+dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt,
+"iets van zichzelf" in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen
+recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit,
+dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft,
+maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld
+treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven,
+doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur
+met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband:
+"eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem
+Geschaffenen" [265]. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het
+hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van
+het auteursrecht is, aanduidt als "ein Geisteswerk, das kraft seiner
+Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen
+Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als
+unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat" [266]. Hiermede is
+moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den
+auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de
+mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming
+te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het
+auteursrecht, een "von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut" is
+[267], waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen
+van het "Persönlichkeitsgut" wordt losgelaten.
+
+Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht [268], maar een
+vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand
+goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals reeds
+is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of minder nauw
+verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten als bestanddeel
+van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der
+persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. Als uitvloeisel
+van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men b. v. hebben
+te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publicatie van niet
+voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, dagboeken,
+onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. Hier is werkelijk
+een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. l. de vertrouwelijke uiting,
+hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten bestemd,
+of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de auteur zich
+nog niet heeft weten los te maken.
+
+Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik
+van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden
+gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen
+worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen
+verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt
+gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn
+naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals
+wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen,
+in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht,
+dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der
+persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren.
+
+Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het
+openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis
+van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt
+hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden
+vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als
+kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.
+
+Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur
+ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te worden
+onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en het
+auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als het ware in het
+laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer onderscheiding
+niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed begrip ook dáár
+wenschelijk, de twee rechten uit elkander te houden. Wij hebben in
+die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met een Doppelrecht te
+doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming
+verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog
+in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht
+(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht
+(recht om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal
+worden gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht
+op eene dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis
+b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en
+van het persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede) [269]. Practische
+beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander
+recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk
+kan b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht
+op het door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen
+het persoonlijkheidsrecht, waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook
+het persoonlijkheidsrecht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht;
+wanneer b.v. dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft,
+dat niet tot de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er
+in het geheel geen auteursrecht heeft bestaan.
+
+In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in
+verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat
+hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien,
+dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben
+te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking
+kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan
+uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen
+rechtskarakter vertoont.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+DE OBJECTEN
+
+
+§ 1 Algemeen overzicht en groepeering
+
+In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door
+auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook in
+verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: werken van kunst
+en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt
+het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep
+van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als "Immaterialgüter"
+zijn te beschouwen, vallen er buiten, nl.: uitvindingen en modellen van
+nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde "industrieele
+eigendomsrecht."
+
+Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten
+van overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde,
+nl. bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied
+tegen onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en
+strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men
+echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk
+zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling
+betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de
+Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen eigendom
+[270]. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden behoeven te zijn,
+om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo
+scherp uit elkander te houden; doch naast de practische redenen, die
+verschillende voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in
+karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip
+van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide
+rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats
+van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan te wijzen.
+
+Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin hebben
+te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van industrieelen
+eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver intellectueelen
+arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich hebben. Bij de
+meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg overwegend zijn
+(zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, verzen, romans
+en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet het geval is
+(b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der bouwkunst), slechts
+in zooverre onder de beschermde auteursproducten zijn te rekenen,
+als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische schepping
+vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus zijn wat
+alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend verstand,
+ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te pas
+gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het
+auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der
+nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom
+heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.
+
+Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen
+auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op,
+minder gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de
+grens ligt tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het
+woord kunstnijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep
+voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe
+zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en
+luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk,
+meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In
+de wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige
+landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van
+kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits
+een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord hier
+op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens
+deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt,
+voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het
+aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt
+men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in
+enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het
+ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische
+kunst "quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination"
+(artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze
+kwestie terug te komen; hier worde slechts aangestipt, dat men door
+het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden,
+de moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding
+tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft,
+maar slechts verplaatst.
+
+Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot
+eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht
+kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen,
+eenige groepeering te brengen in de bonte menigte "werken van kunst
+en letterkunde".
+
+De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan,
+waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is
+de onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten,
+die met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te
+wekken door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster
+[271] zou kunnen noemen werken der "sprekende" kunsten, omdat zij
+onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens
+waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord- [272] en
+der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten rekenen
+de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, maar met
+lijnen, kleuren en figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In
+deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten worden: landkaarten,
+platte gronden, graphische voorstellingen, doorsnede-teekeningen
+van gebouwen en machines enz., vervullen de lijnen en kleuren een
+soortgelijke rol als letters en woorden in een geschrift. "Auch
+hier"--schrijft Kohler over deze soort werken--"handelt es sich
+um eine Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige
+Anwendung der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des
+Wichtigen aus der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit
+und Uebersichtlichkeit entscheidend ist" [273]. Wij hebben hier dus
+te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden weergegeven.
+
+Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard;
+nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden
+gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens:
+gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift
+worden gebracht door middel der choregraphie, een woord dat het
+eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te
+Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert:
+Chorégraphie, ou l'art d'écrire la danse par caractères, figures et
+signes démonstratifs. Ook ten aanzien van deze werken bestaat er dus
+reden te spreken van eene taal, die gedanst kan worden en geschreven,
+maar niet gesproken.
+
+Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij
+daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de bouwkunst, de
+verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten en
+de photographie.
+
+Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:
+
+
+ I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel:
+
+ a) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);
+ b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van
+ technischen of wetenschappelijken aard;
+ c) de taal der muziek (werken der toonkunst);
+ d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken);
+
+ II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden
+ vallen:
+
+ a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in
+ twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen);
+ b) de kunstnijverheid;
+ c) de photographie;
+ d) de bouwkunst.
+
+
+Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder een
+van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de
+bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In sommige
+landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische werken,
+terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en de producten
+der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde auteursproducten
+worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep "werken van
+beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter in dit opzicht onder
+de beschaafde staten alleen.
+
+In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende
+auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken
+zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken
+hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het
+woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, teekeningen,
+inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen dans en muziek
+(bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); maar vooral
+is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst en muziek
+kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding worden
+gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van elkander
+blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) slechts
+de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene zelfstandige
+muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft gestreefd
+eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander (of
+door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen
+van programma-muziek in tegenstelling van de dusgenoemde absolute
+muziek. De band is reeds nauwer, waar de muziek als begeleiding van
+het gesproken woord optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama,
+een kunstvorm die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te
+komen. De innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in
+de vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet met
+instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft, de twee
+elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van elkander
+te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één geheel,
+zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziekdrama's
+van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. Ten aanzien van
+het auteursrecht is dit in verschillende opzichten van belang [274];
+in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat naast het recht
+op de muziek en dat op den tekst bij deze werken ook kan bestaan een
+recht op het geheel, zoodat dit laatste in het auteursrecht als een
+afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen.
+
+Iets dergelijks is het geval met de "verzamelwerken",
+d. w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen,
+zooals b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze
+samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste
+wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit
+geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp
+van auteursrecht.
+
+
+
+Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin
+aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die
+zich in abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend
+exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de
+praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers,
+instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke
+schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de "creatie"
+van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van
+deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie
+in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien
+voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe
+slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze
+kunstpraestaties buiten toedoen van den "auteur" te exploiteeren. Doch
+evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopierecht
+heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes van
+prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op werken
+van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmogelijk,
+dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soortgelijken aard
+zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen van de laatste
+jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg zijn gebleven,
+n.l. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. De eerste dient,
+zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, die door middel van
+een naald, die op bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert,
+in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale
+muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden door middel van
+de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven [275].
+
+Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige beslissing
+van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het "auteursrecht"
+van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in
+een phonograaf en de door hem "bezongen" rollen waren in den handel
+gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door een derde
+nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore
+brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt
+en dat het product van dezen arbeid, evengoed als een geschrift of
+eene muzikale compositie, als object van auteursrecht is te beschouwen
+volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870 [276].
+
+Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, vooral
+indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met
+eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel
+en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt
+het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar
+en zichtbaar weer te geven.
+
+Een Congrès de l'art théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds
+den wensch uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de reproductie
+zijner interpretatie zou worden beschermd [277]. Ook de Association
+heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter
+sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering,
+i. e. w. de "aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend
+recht behoort te zijn [278]. Wat dit laatste betreft bestaat er een
+arrest van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt
+beslist, dat aan het théatre de la Porte-Saint-Martin het auteursrecht
+toekomt op de mise-en-scène van het door die schouwburg-onderneming
+vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat de decors als
+kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming der wet genieten,
+wordt in het arrest verder gezegd: "... qu'il en est de même de la mise
+en scène, comprenant les costumes et le groupement des personnages,
+dont le plan général et la conception, le plus souvent réglés par un
+livret manuscrit ou inprimé, sont une oeuvre de l'esprit susceptible
+d'être protégée par la loi. Qu'il suit de là que la reproduction
+[279], soit des décors, soit de la mise en scène, ne peut être faite
+sans le consentement du propriétaire" [280].
+
+Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn,
+welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende
+bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet
+van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen,
+kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder
+de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het
+begrip "kunstwerk" in het auteursrecht zoo ver uit te breiden, dat
+daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, regisseurs
+enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. i. alle
+reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.
+
+Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft,
+hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van
+een kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op:
+"Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Aufzügen
+und Gewändern, sondern auch aus dem Arrangement der Zimmer, aus der
+Gruppirung der Naturobjecte--diese ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk,
+als ähnliche Arrangements im Leben es sind" [281]. Hij maakt dan nog
+verder de opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij,
+dat in de kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een
+gobelin enz. wel als werken van beeldende kunst object van auteursrecht
+kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding van het
+stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt mij
+voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal
+zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet
+de in beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een
+stukje werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel
+bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf,
+welke zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan
+dus niet als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks
+de artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om
+dezelfde reden vallen ook buiten den kring der kunstwerken in den
+hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde optochten [282],
+uitstallingen voor winkelruiten of op tentoonstellingen enz. enz.
+
+Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals reeds
+werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in zich
+hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen zijn--het
+behoeft nauwelijks te worden gezegd--niet maar te beschouwen als
+instrumenten in de hand van den schrijver of componist. Het ten
+gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in
+de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale
+hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min
+of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor
+muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan anderen,
+de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet
+weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een
+drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn
+in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van
+elkander te onderscheiden.
+
+In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of
+reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene
+uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als "... eine
+Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten des Augenblicks in
+Bezug auf Stimme Betonung, Ausdrucksweise;" doch dat dit nog geen
+reden is om het als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook
+van sommige "Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij de improvisatie)
+hetzelfde kan worden gezegd [283]. Deze verwijzing naar de improvisatie
+was m. i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het
+algemeen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van
+de "scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de
+stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en
+de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet
+met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen
+en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische
+moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn,
+maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking
+te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken
+in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken
+zijn de pianist, die een hem onbekend stuk à vue in de concertzaal
+zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo iets echter
+niet licht te verwachten.
+
+Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van
+meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler
+opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars
+niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: "Wohl aber
+kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook
+b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen,
+denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische
+Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr hierdurch
+dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich die "Gunst"
+des Augenblicks."
+
+In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel
+ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht
+der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen
+auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat
+een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping
+vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken
+van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij
+hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog hierop is Kohler's
+karakteriseering van de reproductie hunner kunst als "Nachäffung
+ihrer Augenblickstätigkeit" zeer goed te aanvaarden. Ik meen echter,
+dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De reproductie-middelen,
+welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, phonograaf en de
+"Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem
+of de muziek die zij weergeven hoort men nog storende bijgeluiden,
+en de rollen en platen die worden gebruikt zijn te klein, om werken
+van eenigszins langeren adem zonder af te breken ten gehoore te
+brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen de techniek reeds
+heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, dat men ook deze
+gebreken in den loop der jaren zal weten te verhelpen.
+
+Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal
+ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der
+uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het
+woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift
+voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars
+van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon
+te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar
+te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar
+behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het
+phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt
+aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven,
+dan zal men niet meer kunnen spreken van "mechanische Nachäffung ihrer
+Augenblickstätigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing
+van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn
+werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal het
+principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van de
+scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn vervallen. Ik
+zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en spel dan
+niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten rekenen,
+als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende kunst.
+
+Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en verhoudingen,
+waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen intreden
+en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het zou
+dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hiermede
+reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voordragers,
+tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen was
+slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteursrecht
+nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals wij die
+nú hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen tijd
+reeds te eng zullen blijken.
+
+
+
+
+§ 2 Geschriften
+
+
+a Kenmerkende eigenschappen
+
+De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteursproducten,
+waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de geschriften,
+juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want ook daar, waar
+niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in taal voorhanden
+zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare afbeelding van hetgeen
+in de taal is gewrocht en geen essentieel bestanddeel daarvan. Er
+bestaat daarom geen reden om onderscheid te maken tusschen de werken,
+welke de auteur in schriftvorm waarneembaar heeft gemaakt, en die
+welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn
+werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner publiek; indien
+het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler diens rol
+mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al zal het
+in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat hij
+zijn geestesproduct--een gedicht b.v.--alleen aan den phonograaf heeft
+toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk in woordtaal het
+aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn
+geschreven. Doch men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet
+aan de vraag, of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen
+zijn. Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze
+tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur
+bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buiten den
+auteur om waargenomen kan worden.
+
+Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct
+worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van
+auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot
+stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er moet
+zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking noemt:
+"ein künstlerisches Gebilde der Sprache" [284]. Hiermede wordt
+niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de
+zoogenaamde "schoone letteren" (belletrie, "literatuur" in engeren
+zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben
+aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke
+verhandelingen), valt eene zekere "woordkunst" niet te miskennen. "Zu
+den Kunstwerken,"--schrijft Kohler,--"mindestens zu den Kunstwerken in
+thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch diejenigen
+literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes sind, auch
+diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke verfolgen:
+denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der Sprache,
+die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: sie ist eine
+Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der Freiheit des
+Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem bloszen
+Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei es auch
+nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. Allerdings: die
+Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist nicht ästhetisch,
+denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf wenigstens direkt
+keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber
+ist hierbei die Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die
+Sprache über ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes,
+sich erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und
+relativ zwecklos wird" [285].
+
+Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt,
+b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in
+gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht
+geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal
+zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te
+zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: "eine dem ordentlichen
+Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung"--zooals
+Kohler het elders uitdrukt [286].
+
+Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik,
+dat van de taal kan worden gemaakt, het "künstlerische" en het
+"nicht-künstlerische", heeft Kohler een juist en doeltreffend criterium
+aan de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot
+de auteursproducten is te rekenen [287]. Vele schrijvers hebben zich
+met deze vraag beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of
+geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd "geschrift" is,
+daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de
+kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke
+stelt b.v. als eisch: "Um aber ein Schriftwerk (n.l. volgens de
+Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merkmale
+eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung
+individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder:
+"Es muss sich als originale geistige Schöpfung offenbaren, die so
+nur aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte"
+[288]. Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter
+van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der
+"Persönlichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem
+behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor
+een geschrift om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist,
+al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op datgene, waar het
+voornamelijk op aankomt.
+
+Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder
+goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter
+beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen
+sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen,
+welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver
+daarvoor zijn bestemd [289]. Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk
+moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid
+van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, als
+b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid
+van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze
+omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: een
+geschrift, dat op het tijdstip zijner voltooiing niet "verlagsfähig"
+is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen
+vasten grond.
+
+Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt
+als "vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp
+van kopierecht te maken." Behalve dat het werk een "individueel
+letterkundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet
+onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog:
+"dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een
+geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat "deze verveelvoudiging
+een vermogensvoordeel kan opleveren" [290]. Door dit laatste wordt
+wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar
+eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid
+tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die
+hierbij wordt gegeven [291], niet volkomen duidelijk geworden, hoe
+moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel
+te behalen al dan niet bestaat.
+
+Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch
+schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de--door onze wet
+beschermde--geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver
+zijn "een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt omschreven
+als: "product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel,
+van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens
+vorm of inhoud, waarde hechten kan" [292]. Op deze definitie zijn
+verschillende aanmerkingen te maken. De "schriftelijke vorm" is,
+zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van
+een "geschrift" en had dus in de definitie niet behooren opgenomen
+te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van "individueelen
+geestelijken arbeid" moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de
+uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk "individueel"
+in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke
+arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol
+ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf,
+die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten
+slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, "wegens vorm of
+inhoud" waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking
+als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp
+omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan
+ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis
+kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan
+het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat
+er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen,
+dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het
+geval is--b.v. bij de uiting van een krankzinnige--kan men moeilijk
+spreken van een "product des geestes". De geest heeft zich misschien
+wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben
+voortgebracht. [293] Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging
+van woorden en "zinnen" zonder organisch verband geen "geschrift" is,
+in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse
+hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had,
+dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze
+(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou
+echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen,
+dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking
+komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen
+aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren
+ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of
+weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten;
+het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden,
+waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of
+wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing
+te worden gelaten [294]; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is,
+dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk
+kunstmatig bewerkte taal.
+
+Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven
+begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te verkiezen is,
+omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de
+auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning
+van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het
+voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, waar
+iets is voortgebracht, waar eene schepping--of zoo men liever wil:
+een maaksel--van den geest voorhanden is. De meerdere of mindere
+volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; evenmin
+komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe noodig
+is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben wij te
+maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te zijn, eene
+kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of ontdekking);
+en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen hebben:
+eene kunstschepping in taal, "ein künstlerisches Gebilde der Sprache".
+
+Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene
+uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede
+is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed,
+dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer
+dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt
+uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan
+eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij
+benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou kunnen
+worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, niet minder
+belangrijk dan de voorgaande, n.l. hoever reikt in elk geval de
+schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal,
+als het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze
+vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld
+vormen van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en
+dus tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds
+is vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het
+zijne kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.
+
+
+
+
+b Vorm en inhoud
+
+Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over auteursrecht
+met de woorden "vorm" en "inhoud" omspringen en over de geringe
+waarde die daarom aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds
+met een enkel woord gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker
+wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel--voor zoover mij bekend
+het eenige geschrift van zijne hand dat over auteursrecht handelt
+[295]--zich aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen
+schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op
+te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van
+groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen,
+die zich--om welke reden ook--op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu
+de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner Conventie [296].
+
+Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de
+uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte gedachte
+tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:
+
+"Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm der
+gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. Er bestaat
+bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of gedachte en
+taal identiek ("spreken is overluid denken, denken is stil spreken"),
+dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte en woord
+een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend samenstel
+zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van
+een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te
+verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt,
+door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart?"
+
+Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte
+(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden,
+dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet;
+bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van
+het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus
+tot niets.
+
+Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder
+verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde
+onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: "Door den vorm
+tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud aan den vorm
+ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig reeds juridisch
+verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen inhoud en vorm
+onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den toon aangeven."
+
+Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. De
+vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van
+auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom
+wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema
+gaat de schrijver nog eenigen tijd door: "... het op den voorgrond
+sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor wordt
+ontzield".... "Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de meening
+te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om den vorm,
+het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om den inhoud te doen
+is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk
+is voor den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener
+aanstormende bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl
+Apollo het aangezicht zich omsluiert?"
+
+Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het
+auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen
+hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als
+een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen,
+zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het
+privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op
+dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor de wet nog verder
+dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche werken onbeschermd
+laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich echter niet tot
+het uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook--zij het dan in
+beperkte mate--door onze wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of
+het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord
+gegeven: "Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke
+overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht--tegen de wet
+in, die ik naleven moet--prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het
+beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig
+zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een
+staketsel van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht
+van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter
+hanteeren dan den degen der bewijsvoering,--het vertalingsrecht is
+eene aanmatiging, een hersenschim."
+
+Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst
+doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898
+pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft
+Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist
+weer met hetgeen hij erop laat volgen: "Wat hij (scil. Jodl) leert,
+is: de vertaler arbeidt met zijn eigen gedachtensfeer, met zijn
+eigen voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler,
+op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed,
+den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een
+logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan
+bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem,
+met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien
+arbeid des geestes de eigenschap van eigen te zijn? enz."
+
+Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen
+bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van "vrije vertaling" en "bewerking"
+gesproken als van synoniemen en worden beide voor "een logen"
+uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien der
+"vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der "bewerking"
+wederom weersproken door de bewering: "nooit wordt zij anders dan
+bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene "bewerking".
+
+Doch vooral in verband met de beschouwingen over "vorm en inhoud",
+die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het vertalingsrecht
+opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is eene bescherming
+van den inhoud en niet van den vorm, en zou dus door Mr. Levy,
+indien deze zich consequent betoond had, als het minst verwerpelijke
+bestanddeel van het auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij
+zien hier echter juist het tegenovergestelde geschieden. De groote
+nadeelen, die uit het "op den voorgrond sleepen van den vorm" ten
+koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt
+Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft: "Voor "auteursrecht"
+klampt men zich vast aan den vorm. Hier ontzinkt u ook deze, want des
+vertalers vorm is de vorm van den vertaler. Wat blijft er over?" En
+in een naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp
+van Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met
+een beroep op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt,
+herhaald: "Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze
+wet den vorm alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg,
+naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom
+is, wat blijft er dan, in 's hemels naam, te beschermen over?"
+
+Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. Wat
+er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van
+zijn opstel den "inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat overblijft,
+als men het geschrift "het golvende kleed der zwierige phrase" heeft
+uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van "klinkklank en zingzang".
+
+Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica in
+Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt beweerd,
+dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar geheel vormen
+en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. Terstond daarop
+wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets onbestaanbaars
+zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) afgekeurd,
+op grond dat daardoor de letterkunde wordt "ontzield" enz. En dit
+betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling van het uitsluitend
+vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument moet dienen, dat
+het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van onze wet)... alleen
+den vorm beschermt! Wat eerst als iets onmogelijks wordt voorgesteld
+en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde is nu plotseling
+een vanzelf sprekend feit geworden: "immers een blinde ziet, dat des
+vertalers vorm zijn eigendom is..."!
+
+Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde bewijzen
+en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apodictischen
+toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En indien het
+waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne zijde met den
+"degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders
+geen ander wapen hebben dan "den knuppel der lompheid", dan kunnen
+deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het edele
+wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen,
+weinig kwaad kan, zoolang er--zooals hier--slechts gaten mee in de
+lucht worden geprikt.
+
+Doch laat ons thans het vraagstuk van "vorm en inhoud" wat meer van
+nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de verhouding
+tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de wetenschap
+één worden verklaard?
+
+De stelling: "spreken is overluid denken, denken is stil spreken" is
+inderdaad door sommige geleerden verdedigd [297], doch door een zeker
+niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. Dat
+denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken
+mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen
+van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet
+alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor
+weerlegging vatbaar zijn.
+
+Steinthal [298] b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin
+gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende
+wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren,
+en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook
+normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand
+wordt gephantaseerd--hetgeen ook een intellectueel handelen kan
+worden genoemd--zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van
+ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij
+wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons
+opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer
+beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder
+hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens,
+die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen en op het
+Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zichtbare teeken
+dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms zelfs niet
+eens schijnen te kennen. Het denken--schrijft Steinthal--moge ons
+met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor;
+"weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" [299].
+
+Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land
+[300]. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen
+schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen
+werkzaamheid van den hoorder of lezer. "Reeds dat schetsachtige van
+alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming van
+den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en spreken,
+als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaannemelijk". Ook
+deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht der gewoonte, wel
+meestal met spreken of althans met voor zichzelf in woorden brengen,
+gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog geen "denken in"
+de eene of andere taal beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet
+wenschen verschillende talen door elkander te mogen gebruiken, om
+elk deel van hetgeen men denkt goed tot zijn recht te laten komen,
+en hoe dikwijls moet men niet iets van de schakeering zijner gedachten
+opofferen om de taal zuiver te houden [301].
+
+En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan
+te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede
+[302] over de vraag: "Is denken zonder woorden mogelijk?" aldus uit:
+"Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: denken
+zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch iederen
+dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust en onbewust
+denken; alleen van het eerste kan gezegd worden dat het meestal--dus
+niet eens nog altijd--met woorden geschiedt. "Dat er echter"--gaat
+dr. Woltjer voort--"een denken zonder woorden is en in en door
+ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls voorkomende geval,
+dat wij naar een woord of naar het juiste woord voor een gedachte
+of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat
+wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen
+daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie of op eenige
+andere wijze voor het bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den
+maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat wij uitdrukken willen;
+passen ze niet, dan zoeken wij een ander woord, totdat wij het juiste
+gevonden hebben en zeggen: dát is het. We hebben dus de gedachte,
+maar het symbool voor de gedachte, het woord hebben we niet" [303].
+
+Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig
+zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om
+op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende
+rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één en
+hetzelfde; met Steinthal [304] meen ik te moeten onderscheiden
+tusschen den "darzustellenden Gegenstand" en de taal, die "den
+Gegenstand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft
+te zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd
+heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm van
+het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat
+de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, maar
+dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, dat het
+niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen vorm te
+vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd terugvindt.
+
+Het "geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt voornamelijk
+bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met
+hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere
+woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere
+gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke
+schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk
+zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke
+vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn
+blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in
+ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften,
+waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij
+bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat
+hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en
+reeds uit het feit, dat men deze geschriften "onvertaalbaar" pleegt
+te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het
+getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal;
+indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk
+geschrift "vertaald" kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of
+moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als
+algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten
+en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken,
+nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels-
+of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover,
+dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft
+weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die
+aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid
+en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt,
+is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden
+genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt
+beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat
+de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het
+origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te
+beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument
+gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: "Die Fähigkeit
+der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl
+klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen
+lebt als in seinem Leibe" [305]. Eigenaardig is het, hiernaast eene
+opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der
+door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot
+de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en
+gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt
+afgeschilderd: "Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het
+Latijn en in de moderne talen) "kann man sehr selten eine bedeutende
+Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen:
+sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen,
+gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle
+Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem
+neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn
+in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch
+Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w." [306]. Wat
+hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting uitkomt, is dat--ondanks
+het groote verschil in constructie--toch de nieuwe, latijnsche zin
+denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens
+zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander
+lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk
+nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine
+onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven,
+doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept.
+
+Er zijn echter--zooals ik reeds opmerkte--geschriften, waarop
+het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is,
+n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te
+zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf:
+de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in
+poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand
+willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door de
+letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens welke
+bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee factoren
+rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen inhoud bestaan,
+die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo dit al mogelijk is,
+dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, zonder eenige waarde
+zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing van deze, ook voor
+het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele aanhalingen van hare
+meest bekende voorstanders.
+
+"Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in
+geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der
+woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van
+Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, als de
+dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel,
+is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging verloren. Wel
+een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de klankexpressie,
+'t gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met de woordbeteekenis"
+[307].
+
+"De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van Kloos
+en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der "klankexpressie",
+door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de stelling dat
+als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen zonder waarde
+is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, dan zou er niet een
+essentiëel onderscheid zijn tusschen een slechte vertaling en een goed
+origineel, tusschen een schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en
+het werk van Dante zelf, tusschen een leelijk fotografiesch portret
+en den levenden mensch" [308].
+
+"Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het minst
+symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauwkeurigste
+expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat melodie en
+zielstoestand éénzelfde ding is.
+
+Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden
+zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan
+verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden--zoo
+goed als melodieën--en enkel door hun geluid en hun rhythme kunnen
+zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een woordenreeks
+expressiever zijn naarmate zij minder zinnebeeld en meer muziek is.
+
+Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en innig zijn, dat deze
+schijnen als melodieën, geen symboliek, maar zielstoestanden zelf"
+[309].
+
+"Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) "is alleen
+op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten
+hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt,
+en het geluid van de klanken... Ik spreek nu gemakshalve van den vorm,
+om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de
+geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm
+kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk
+bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van
+inhoud en van vorm spreken in het abstracte" [310].
+
+Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen
+laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat
+zij grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de
+dichters zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe
+Gids-school bracht niet alleen nieuwe--of althans in ons land te
+dien tijde ongewone [311]--begrippenover de poëzie, maar zij gaf ook
+verzen, waarin het "nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren
+voor hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy,
+die het had over "... den klinkkank en den zingzang, onvoldragen
+vruchten eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets
+anders dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over
+dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst
+hier. Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene
+verhandeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich
+over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald
+soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het,
+dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans kunne
+verklaren. Indien men als een volslagen vreemde tegenover het werk
+staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te passen,
+die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwijzen, welke
+tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. Geen kritisch
+oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in de kunstwaarde
+en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag ligt. Dit objectieve
+standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, welke ik over de leer
+in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog te verliezen.
+
+Vorm en inhoud--dit kan terstond worden toegegeven--verhouden zich
+in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een wetenschappelijk
+geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie der taal in het
+eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd
+is het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te
+beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen
+iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen,
+te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet
+worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op
+ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter
+volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is,
+maar muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel
+verschil tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit
+enkele der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou
+kunnen worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen
+uitsluitend aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien dit
+waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn,
+niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou,
+evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.
+
+Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden
+geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft te
+maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber [312] aldus genoemde
+"naiven Lautspiele", dat zijn: "... die jenigen Lautspiele... welche
+entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur als Laute
+bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, dat door de
+Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde "aftikken" wordt gebruikt:
+
+
+ Ene mene men
+ Ti tukken tukken ten
+ Karabutte, karabutte
+ Witsch Watsch
+ Ab, dran!
+
+
+Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld [313], waarin meer
+bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen,
+is nog het volgende:
+
+
+ Thaler
+ Maler
+ Kühchen
+ Kälbchen
+ Schwänzchen
+ Dideldideldänzchen.
+
+
+Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de
+poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te
+bereiken. De taal--indien dit woord hier nog kan worden gebruikt--is
+aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter
+wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede tot
+uitdrukking te brengen.
+
+Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie,
+die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken der
+poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet voor hetzelfde
+houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, alliteratie enz.,
+die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk gehoor aandoen
+[314]. Het is iets veel hoogers en "geestelijkers"; in dien zin, dat er
+niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering
+door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel,
+dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor
+eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met
+een voorbeeld gedemonstreerd:
+
+"Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverheffingen
+ten einde vloeit:
+
+
+ "Als alles wat héél vèr is en héél schoon"
+
+
+Men weet, dat als er stond:
+
+
+ "Als alles wat zeer ver is en zeer schoon"
+
+
+de regel heel zijn leven had verloren.
+
+Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn
+indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje "heel" is zacht van
+klank en "zeer" is hard, "heel" is bekoorlijk door natuurlijkheid,
+"zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht
+ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft,
+klinkt 't woordje "heel" alleen.
+
+Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen zelf
+der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" [315].
+
+Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische
+uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de
+verwisseling van de woordjes "heel" en "zeer", die in wetenschappelijk
+proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan
+te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot
+gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt
+nu nog niet, dat het woord "héél" in dit vers uitsluitend terwille
+van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het
+verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het
+het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid)
+zou ontleenen. De woorden "heel" en "zeer" gelden wel voor synoniemen,
+maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis,
+daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men
+tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van "héél"
+door "zeer" zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen
+in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de
+beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm =
+taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). "De naakte
+gedachte, het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde
+gebleven [316], maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet;
+de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en
+zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie,
+niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den
+vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer
+der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder "inhoud" iets
+anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene "slechte
+vertaling" of in een "schooljongens-inhoudsverslag" van een werk als
+Dante's Comedia [317] niet--of slechts deerlijk gehavend--terugvinden.
+
+Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere
+geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene
+voorstelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide
+moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den
+inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen
+reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den
+vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens opmerkt: "... Die
+darstellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het
+algemeen te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van
+den vorm) "ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns
+auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos "darzustellen";
+ebenso wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich
+wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben
+für sich allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu
+lösen"... "Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein
+darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste
+kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch
+wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer
+dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung kommt"
+[318].
+
+Nu moge het--zooals reeds werd opgemerkt--niet gemakkelijk zijn den
+inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, onmogelijk is
+het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet denzelfden indruk
+maken als de eigen woorden van den dichter, is nog geen bewijs van
+het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de vele zware
+en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar vooral moet
+men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische werking van
+een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen alles
+overwegend deel, berust op de taal, d.i. dus den vorm. De uiterlijke
+welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk waarneembare
+geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in de vertaling
+eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht bij het
+oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan het
+niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minderwaardigheid
+van den nieuwen vorm in vergelijking met den oorspronkelijken.
+
+Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de
+"klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig
+bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat
+ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke,
+onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken,
+"geestelijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het
+oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere
+taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische
+gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens
+vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in
+een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door
+hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige
+bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie
+heeft uitgelaten [319]. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen,
+dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit
+het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die
+van Prof. van Hamel noemt hij de "linguistiesch-aesthetische", die
+van hemzelf de "alleen-aesthetische". Het verschil, dat trouwens
+volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt
+vooral hierin uit, dat de "kunstige geleerde", zooals van Hamel, die
+den "linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, bij het spreken
+over "klankgehalte van den volzin", "beweging van rhythme" enz. iets
+anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste
+uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. "De kunstenaar
+zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen
+vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen
+en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door
+de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot
+het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich
+tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van
+den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal"
+[320].
+
+Die innerlijke klank, "het psychiesch geluid van den steller",
+kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit in
+zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te
+bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst
+niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen
+gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der
+oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan "zeker niet om
+het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat
+een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza
+zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen"
+[321]. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich
+"in de beteekenis der woorden" wel eens "vergist" zou hebben, wordt
+als volgt beantwoord:
+
+"Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen;
+maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending
+heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere
+beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven."
+
+Die "andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank van
+de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische verstand
+niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening van van
+Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel blijkt,
+niet met de vertaling verloren te gaan [322]. Wat in een geschrift
+alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen zin tot
+een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal.
+
+
+
+Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik meen,
+genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische taal
+en de "klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote practische
+belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. Want in
+dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschriften van
+anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel grootere waarden
+vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd
+te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende goed te doen juist
+aan deze werken de meeste aandacht te wijden, omdat te hunnen
+aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de grootste moeilijkheden
+meebrengt en den meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne
+zienswijze. Het is daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens
+aan te herinneren, dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen
+regel van de splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich
+slechts tot zeer enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid
+van geschriften, waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en
+populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en
+verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de
+inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden,
+maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal)
+zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.
+
+Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het
+auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den
+"inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene nadere
+beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten worden, of die
+inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping van den schrijver
+kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van auteursrecht kan
+zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren van den inhoud
+in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene vertaling) een inbreuk
+op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar met het beantwoorden van
+deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding
+tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog
+geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één
+onverbreekbaar geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te
+onderscheiden, die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in
+andere werken kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den
+inhoud van het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven,
+bestaan ook bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin
+het origineel niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een
+roman tot een tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven
+tot een in drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden,
+maar ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den
+inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu
+dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen,
+zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van
+den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn?
+
+Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan
+worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse,
+die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden
+gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonderheden moeten
+afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden vastgesteld, om
+voor alle werken, of ook maar voor alle werken van eenzelfde soort,
+gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, die reeds bestaan
+of nog geschreven moeten worden, zou men moeten vaststellen, welke
+bestanddeelen wél en welke niet als schepping van den schrijver zijn
+aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten van letterkundige
+producten, die elk toch een meer of minder individueel karakter
+vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk in te zien.
+
+Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene
+stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet
+mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven
+te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed
+te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij het
+zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de groote
+verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben aangewezen
+en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk systematische
+behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, al moge de
+toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.
+
+Hij onderscheidt aan alle werken:
+
+1o Den uiterlijken vorm, d.i. wat ik hierboven kortweg den "vorm"
+heb genoemd, dus de taal.
+
+2o Den innerlijken vorm, waaronder men in het algemeen te verstaan
+heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt;
+de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische
+indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop de
+gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van den aard
+van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver verschillende
+middelen kunnen worden gebruikt als b.v.: beeldspraak, vergelijkingen,
+dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant enz. enz.).
+
+3o Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken
+en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur
+had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich
+bediend heeft.
+
+Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men heeft
+te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de schepping van
+den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden uitgemaakt, welk van
+de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke vorm, innerlijke vorm
+en inhoud) als auteurs-schepping en dus als object van auteursrecht
+is aan te merken.
+
+Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen hierover
+reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der taal,
+wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt
+aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te
+beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten
+en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op
+eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar
+waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het
+vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven
+van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het
+algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle
+geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen
+toebehoort. Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken
+vorm is derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs
+daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is,
+moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop
+berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den
+innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden,
+daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk van
+een ander in zijne eigen taal.
+
+Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk
+van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler
+met dien "innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele soorten
+van geschriften afzonderlijk te beschouwen.
+
+Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de
+schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden
+waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de
+gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van
+het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit
+de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent dat zij zich
+hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in
+een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische constructie
+of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust
+enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën zoover heeft
+volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder
+voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen,
+dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid
+bestaat niet alleen in het stellen van de reeks van volzinnen waaruit
+zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven aanvangt (voor een
+deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of
+meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de vrucht is van zijn
+studie en overdenking, nog eene andere bewerking ondergaan. Er moet
+gerangschikt en geordend worden; uit den overvloed van gedachten en
+feitenkennis, waarmede de schrijver over zijn onderwerp vervuld is,
+moet eene keus worden gedaan, en uit wat na deze schifting voor
+opneming geschikt schijnt, moet nu het werk tot een zoo harmonisch
+mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt het niet alleen aan
+op eene doelmatige systematische indeeling en groepeering van de
+onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende bewerking van die
+onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en tegen-argumenten en
+de conclusies, die daaruit telkens worden getrokken, moeten zoodanig
+tegenover elkander worden gesteld, dat op alles het juiste licht valt;
+de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk in het oog vallen, terwijl
+de bijzaken meer in de schaduw moeten worden gehouden. Híer zal een
+voorbeeld of vergelijking dienst moeten doen, dáár eene aanhaling
+van een anderen schrijver; op een andere plaats is weer een korte
+historische terugblik noodig of eene herinnering aan de wijsgeerige
+beginselen, waarvan de schrijver is uitgegaan.
+
+Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante,
+die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden,
+welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst
+met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van
+de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het
+werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van
+een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op
+het auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping
+(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm.
+
+De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. De
+waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen maar
+ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend recht
+van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, indien
+dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander wetenschappelijk
+vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde opvattingen
+heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde denkbeelden,
+ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan het auteursrecht
+terecht kunnen worden verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling
+der wetenschap in den weg stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd
+zijn om in een economisch leerboek eene uiteenzetting te geven van
+de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, van de theorie van
+Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van deze schrijvers
+nog auteursrecht bestond; in een boek over geschiedenis zou men geen
+gebruik mogen maken van de navorschingen en archiefstudiën van anderen;
+bij het maken van geographische kaarten van weinig bekende landen zou
+de eerbiediging van het "auteursrecht" van den ontdekkingsreiziger
+op de door dezen gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot
+gevolg hebben, dat men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte
+plekken op de kaart te laten of er, tegen beter weten in, volgens de
+oude gegevens eene verkeerde teekening van te maken! [323]
+
+Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is het
+object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen
+datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in
+dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.
+
+In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming
+van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud
+nog niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den
+inhoud. De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een
+"op den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor
+"van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts "om
+den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de
+vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft,
+doch slechts: wat is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook
+Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een
+recht op den vorm, terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het
+volgende voorbeeld: "Charles Fourier a cru devoir formuler en termes
+bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de son
+système. Vient un badigeonneur littéraire qui s'empare du système
+de Fourier, l'expose dans un style clair, élégant si l'on veut, et
+met le tout en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier qui va
+mourir de faim, le badigeonneur s'enrichira. Entendue de la sorte,
+qu'est-ce que la propriété? C'est le vol" [324].
+
+Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden
+geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den
+"badigeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog
+wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger behoeft
+om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als auteur
+iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was niet
+een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men uitvindingen
+van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten geschieden door
+patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik reeds meermalen
+gelegenheid had op te merken, niet het doel van het auteursrecht,
+aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid te verzekeren.
+
+Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschappelijke
+werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd zijn, en
+niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking "wetenschappelijke
+werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook voor geschriften
+van populairen aard, waarvan het hoofddoel is kennis te verspreiden
+of het oordeel van den schrijver mede te deelen over het een
+of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over de politiek,
+plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van allerlei aard,
+in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen op het gebied
+van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te worden gerekend.
+
+Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken,
+waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot
+de "belletrie" of "schoone letteren" behooren, dus: poëzie,
+tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij deze werken is niet alleen
+de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke
+kern, eene aesthetische schepping, en daarom reikt het auteursrecht
+hier verder dan bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien
+inhoud, ontdaan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohler "das
+imaginäre Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke
+de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd;
+datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen,
+persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere
+werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk--althans
+elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord--zulk een streng
+persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet,
+maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat "Imaginäre
+Bild"--tenzij men één bepaald werk op het oog heeft--iets meer te
+geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier--nog meer dan ten
+aanzien der wetenschappelijke geschriften--blijven bij het aangeven
+van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te weten
+te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den auteur behoort.
+
+Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere
+werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke,
+ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en
+gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit
+het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke
+b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint)
+of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk
+de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals
+Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan
+eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping
+is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere
+schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in
+elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal
+zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend
+recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den
+uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende
+arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf
+geene aesthetische waarde heeft. "Wer nichts thäte"--schrijft Kohler
+dienaangaande--"als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von
+zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich
+so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser
+fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt,
+sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht
+Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" [325].
+
+Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en
+innerlijken vorm, het "Imaginäre Bild" dus, in een roman of tooneelspel
+bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In het
+algemeen kan men m. i. wel met Kohler [326] aannemen, dat het de
+karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen en de
+schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel,
+hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen
+die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld van
+het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch
+zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop
+te wijzen--wat Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen--dat niet
+alleen iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men
+kan bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en
+een eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven
+karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en
+dramatische werken [327] min of meer toepasselijk zijn, meer dan
+eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet zijn,
+daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te werken.
+
+Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever
+de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor
+de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven;
+de vraag nl. of het zoogenaamde "dramatiseeren" van een roman,
+d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd
+de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op het
+auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kán zijn een bijna
+woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker er
+zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn helden
+in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalingsteekens
+behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats daarvan de
+namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben,
+terwijl misschien hier en daar nog eene verschikking of samenvoeging
+van enkele tooneelen noodig is, en de "bewerking voor het tooneel"
+is gereed. Dat men door de uitgave van eene dergelijke bewerking in
+strijd komt met het auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier
+behalve de inhoud en de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel
+of althans voor een groot gedeelte is gestolen.
+
+Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke
+als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard
+der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een
+roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen
+door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische
+beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig
+en ethisch gebied. Hij is niet--althans niet zoo absoluut als de
+drama-schrijver--aan tijd en plaats gebonden; hij kan desverkiezend bij
+sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder vrees den dramatischen
+loop daardoor te verstoren.
+
+De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele
+werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange
+uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door
+de woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen
+worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den
+inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening te
+houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin
+niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten
+noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende
+personen, die tot typeering van hun karakter of ter verklaring
+hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter geschikter
+plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere
+wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden
+en de historische gebeurtenissen, die op het stuk van invloed zijn,
+door andere middelen moeten worden afgeschilderd. Verschillende fijne
+schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in den roman had weten
+te doen uitkomen, zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden
+gemist; doch daar staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding
+op het tooneel effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet
+kan geven.
+
+De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier
+slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk
+uit groeien, dat niet "rammelt" zooals de technische uitdrukking
+luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere is
+geworden. De bewerking gaat niet dieper--behoeft tenminste niet dieper
+te gaan--dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, die uiteraard
+in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de karakters en
+hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde zijn gebleven,
+daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal hebben, dezen zoo
+gaaf mogelijk weder te geven.
+
+En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag
+gevonden. Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als "inhoud" heb
+gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien
+dus niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue,
+aan den roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling
+en de atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven
+of opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den
+oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan
+immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker
+daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.
+
+
+
+
+c Practische toepassingen van het voorgaande
+
+In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, wensch ik
+thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van auteursrecht
+betreffen, meer uit het oogpunt van de practische toepassing door
+wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens zullen hierbij ter
+sprake komen:
+
+
+ I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object
+ van auteursrecht te zijn;
+ II Het recht van den vertaler;
+ III Het uitsluitend vertalingsrecht;
+ IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht.
+
+
+
+I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om object van
+auteursrecht te zijn
+
+In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga
+bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording wordt
+overal overgelaten aan den rechter.
+
+Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en
+besproken [328]; het is in het kort dit, dat slechts dáár van
+auteursrecht sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt
+aan te wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde
+of belangrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven.
+
+In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin
+gevestigd.
+
+Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets
+anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken,
+geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als
+"geestelijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende
+exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van Richard Wagner)
+doet aan hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige
+omstandigheid [329]. Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen
+"Schriftwerke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's,
+die eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden
+gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen,
+enz. [330]. Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor
+het houden van kantoorboeken [331] en van prijscouranten, die niets
+anders bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor
+zij te koop zijn [332].
+
+In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de "écrits" welke
+de wet op het auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen,
+die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de Commerce
+van Brussel 20 April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1
+Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866)
+en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor
+soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets
+had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden
+(Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) [333].
+
+Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. gewezen
+ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen scheikundige
+analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging en
+berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen industrieele
+onderneming [334]; mededeelingen omtrent rechtspraak en administratie
+(Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische nieuwsberichten
+(Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 [335]; Hof van Cassatie 18 Maart 1908)
+[336]; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een
+sportblad gepubliceerd [337]. Ten aanzien van een postzegelcatalogus
+nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán
+auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als "créations de l'esprit" zijn
+te beschouwen, "à raison de la conception esthétique ou scientifique
+qui ressort de leur plan général, de l'érudition qui se dégage des
+appréciations ou observations, même sommaires qu'ils contiennent,
+ou tout au moins de l'originalité qui imprime un caractère personnel
+à l'ensemble de la publication" [338].
+
+Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen
+van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd
+gemotiveerd: "Attendu que le catalogue des oeuvres d'art exposées
+chaque année au Palais de l'industrie constitue, à raison de son
+importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire
+susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale
+relativement importante, enz." [339]. Nóch de belangrijkheid van
+dezen catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd,
+nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde,
+maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven
+zin. Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het
+juiste beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan
+niet eene "création de l'esprit" aanwezig is.
+
+Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen
+bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In
+Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege
+de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen,
+auteursrecht bestond [340]; en dat niet als object van auteursrecht
+waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een
+dagbladartikel was samengesteld [341]. In Engeland werd ten aanzien
+van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar
+alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp
+van auteursrecht is [342]; ook ten aanzien van een prijscourant eener
+machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist [343]. De Zwitsersche
+Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen:
+een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren van
+aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte [344] en eene
+alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting te Zürich
+[345]. In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan uit,
+dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestesproducten
+(opere dell ingegno) in den zin der wet op het auteursrecht, daar
+hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden [346].
+
+Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer zouden
+zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen [347],
+valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch
+andere richting heeft gevolgd.
+
+Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van
+den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het
+auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te
+Leiden in 1891 [348]; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene
+lijst van predikbeurten [349]; door het Hof van den Haag en den
+Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der
+Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam [350]. In geen dezer
+gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven
+bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door
+den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend "stadsnieuws", nl. de
+vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats,
+waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken bestond
+het "auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, met
+de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Godsdienstoefening
+zou worden gehouden.
+
+Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet geen
+onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften,
+en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene
+"letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 Nov. 1892 W. 624)
+óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad van 29 April 1895
+(W. 6647) werd uitgedrukt: die welke "blijvende wetenschappelijke of
+letterkundige waarde" missen. Wat met de eerste uitdrukking wordt
+bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat ik over de juistheid
+of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf uitspreken. Met
+de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist beginsel
+uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige waarde van een
+geschrift moet bij de vraag, of het al dan niet een auteursproduct is,
+niet in rekening worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd,
+dat een lijst van predikbeurten tot de beschermde geschriften
+behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis
+van het woord "auteursrecht" zal moeten inzien, dat hier nóch een
+auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam in
+zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam
+(die het blaadje "de Kerkbode" uitgaf) als rechtverkrijgende van het
+ministerie van predikanten bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente
+aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde lijst van predikbeurten
+kon voorbehouden. Volgens deze constructie zou dus het ministerie
+van predikanten de auteur zijn van ... de regeling der preekbeurten,
+welke die predikanten onder elkander hadden vastgesteld! Waarin hier
+de auteurs-arbeid van deze vergadering van predikanten bestond, is
+moeilijk te zien. Zij beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke
+kerken zij den volgenden Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping,
+ook al vraagt men niet naar blijvende wetenschappelijke of
+letterkundige waarde, was hier ver te zoeken.
+
+Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere
+uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd
+gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.
+
+In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van
+"letterwerken"; het woord "geschriften", dat in de tegenwoordige wet
+daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel van ruimer
+strekking zijn en ook "geschriften" als de boven bedoelde omvatten
+[351]. Dit verschil van beteekenis kan ik echter niet inzien en in
+geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der beschermde
+producten uit te breiden door het woord "geschrift" te gebruiken in
+plaats van "letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de
+volgende zinsnede uit de memorie van toelichting [352]:
+
+"De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking heeft,
+stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel
+voorkomen; echter is het min gebruikelijke "letterwerk" door het woord
+"geschrift" vervangen."
+
+Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord "geschrift"
+eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk en Duitschland
+het woord "Schriftwerk" en in België en Frankrijk "écrit" hebben. In
+het gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten
+en een programma van feestelijkheden "geschriften" noemen, dit is
+nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór alles in het
+oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt in eene
+wet tot regeling van het auteursrecht, en dat alleen die geschriften
+bedoeld worden, welke eenen auteur hebben.
+
+Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet,
+die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud
+van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van
+"berichten of opstellen"; van welke werken het auteursrecht wordt
+erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus,
+of dit woord "berichten" ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige
+mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als
+scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord
+worden gegeven als boven ten aanzien van het woord "geschriften". Niet
+in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in
+de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt,
+aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den
+wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling
+is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp
+kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman
+bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd,
+dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen
+wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: "Er
+zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen
+stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde,
+bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet
+wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen,
+dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd
+stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk
+zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make." Hierbij werd dus
+blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen
+van feiten bevatten, in 't geheel niet gedacht. Zonder tot verdere
+gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna
+overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij
+de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen
+doen vermoeden, dat aan het woord "berichten" een ruimere strekking
+werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt
+uit: "Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse
+couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal
+ik niet terugkomen" [353]. Deze opmerking werd echter gemaakt toen
+artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit
+dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij,
+wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.
+
+Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt
+van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene
+wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen,
+het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven,
+dat het woord "berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen,
+doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen
+tot het erkennen van een "auteursrecht", dat in geen enkel opzicht
+dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling:
+"auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen boven
+de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder eenige
+beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: "An den durch Telegraph
+berichteten Worten: "Paris ist ruhig" oder "5% Rente = 99 1/4" kan
+aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge derselben
+Autorrechte beanspruchen" [354].
+
+
+
+II Het recht van den vertaler
+
+Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn te
+beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne
+vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In
+bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk
+in de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat
+"met auteurs worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling".
+
+De "gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk
+niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen
+gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk
+was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm [355];
+het object van zijn recht is--zooals trouwens ook onze wet heel goed
+doet uitkomen--niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. Op
+den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht doen
+gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde geschrift
+is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten vertaler. Evenmin
+kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling weer eene
+andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. Wat dit
+laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde meening
+over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver voor, dat de
+vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig artikel 5b, het
+uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van zijne vertaling
+in andere talen kan voorbehouden [356]. Dit zou echter beteekenen,
+dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij
+part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het
+Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde
+weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze
+laatste geen Russisch kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling
+bepaald noodig had om zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan
+nog kan in de uitgave van deze Duitsche bewerking niet gezien worden
+een exploiteeren van het werk van den Hollandschen vertaler. Immers
+wat de bewerker van de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft
+ontleend beperkt zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den
+roman, tot die bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der
+Hollandsche vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken
+Russischen schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk
+worden beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel
+hieromtrent is naar mijne meening--ook wanneer alleen rekening wordt
+gehouden met wat onze wet bepaalt--volkomen uitgesloten. Alleen "de
+vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is voldoende om
+de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden.
+
+Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze
+juiste grenzen gehouden, getuige het "regt van praeferentie,"
+dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland
+van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van
+1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch
+werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift
+kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze
+gepatenteerde rooverij een einde [357]; doch de feitelijke toestand
+komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er
+bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter
+bevordering van de belangen des boekhandels, volgens welke elk
+lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen
+commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland
+uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven,
+door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt
+aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna
+alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de
+eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk
+werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796,
+1803, en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt
+als rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand,
+waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen
+des boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878
+dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring
+van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de
+uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het
+recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch
+alleen het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende
+regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van
+de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming.
+
+Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem--het is reeds
+herhaaldelijk gezegd--niet het minste recht op dat boek zelf. De
+rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder
+diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele
+verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen
+vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene
+exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het
+oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud
+daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver
+bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling
+in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren,
+en daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze
+toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht
+des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de
+vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. 6)
+werd het recht van den vertaler alleen verleend voor "rechtmatige
+vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalingen, die niet
+in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijke
+werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door erop te wijzen,
+dat het niet aangaat den dief te beschermen [358]. Dit argument gaat
+hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt
+van het werk van een ander is nog geen reden om hem het recht op zijn
+eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft hij niet gestolen en het is
+dus geen "bescherming van den dief" hem dit te laten behouden. Men wil
+toch niet, dat iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn
+van zijn buurman steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?
+
+Het heeft bovendien geen zin te spreken van "rechtmatige"
+vertalingen. De vertaling zelf is niet "rechtmatig" of "onrechtmatig";
+wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden
+gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk
+nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene
+vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer
+het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn verstreken,
+of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn verkregen [359].
+
+Beide rechten--het recht van den vertaler op zijne vertaling en het
+uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk
+werk--dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De vertaler
+en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein en
+onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er
+bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij
+bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing
+zou kunnen komen.
+
+
+
+III Het uitsluitend vertalingsrecht
+
+Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel
+geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en
+de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden
+ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking
+van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht,
+ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral
+terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals
+algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting
+van ons land bij de Berner Conventie beheerscht.
+
+Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het
+vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door
+zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan
+de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan
+op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de
+publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te
+beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld
+bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De
+vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken
+schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke
+laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften
+van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den
+auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten"
+door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook
+reeds voldoende weerlegd.
+
+En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers,
+waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer
+betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het
+vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste
+uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken
+vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel
+uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal
+wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking
+mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken
+schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne
+taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder
+er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden,
+dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is,
+is mij een raadsel [361].
+
+Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt
+genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan
+de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen
+zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen
+worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de
+vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee
+heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt
+mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend
+vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die
+bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft
+overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den
+oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren,
+mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het
+zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te
+zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij
+hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen
+hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de
+auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde
+geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt,
+de objecten van beider rechten in zich bevat.
+
+Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde
+argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener
+vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder
+hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave
+van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke
+uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar
+zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen
+vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen
+te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan
+Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van
+François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald,
+het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk
+was toegenomen [362].
+
+De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat
+men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur
+voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel
+te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd
+gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter
+debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het
+feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van
+den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat
+indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel
+bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening
+kan worden gebracht.
+
+Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht
+vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste
+argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In
+overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij
+gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers
+heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der
+auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met
+de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo
+wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt
+taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet
+kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het
+uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest,
+dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend
+vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan
+het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder
+in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote
+schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren,
+maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder
+de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor
+hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den
+oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel
+uitgesloten is.
+
+Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet
+zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in
+het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs,
+moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn,
+hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het
+volk in zijn geheel.
+
+Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en
+zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in
+deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene
+onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,
+dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden
+ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,
+die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan
+vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het
+bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de
+erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven,
+dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers),
+die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde
+onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van
+de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik
+hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer
+die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden
+hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens
+een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik
+afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig
+bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen,
+dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden
+geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht
+is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de
+erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen
+te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden
+de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men
+alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op
+de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het
+gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in
+het buitenland verstoken blijven.
+
+Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten
+rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid
+zijn erop terug te komen.
+
+Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de
+verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen
+en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,
+geleidelijk aan het verdwijnen zijn.
+
+In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover
+eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een
+bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland
+(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle
+andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen
+het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs)
+en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang
+als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een
+zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave
+eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van
+29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg;
+in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen
+tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere
+landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo
+Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar).
+
+Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een
+afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden
+duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van
+het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der
+vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk
+verschijnt.
+
+In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht
+nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan
+worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen
+tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt
+voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar
+in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het
+auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met
+het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de
+Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de
+Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een
+onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg
+te zijn geruimd.
+
+Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is
+overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang
+kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner
+Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886
+werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien
+jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de
+Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien
+van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de
+auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl
+eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft,
+zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.
+
+Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is
+gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle
+opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de
+tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het
+aanmerkelijk besnoeid.
+
+Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave
+van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen
+voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na
+de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze
+voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf
+jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16
+2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken
+staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.
+
+Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht
+heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken,
+die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen
+niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich
+het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed
+als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig
+bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat
+het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef
+is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit,
+dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke
+schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene
+vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al
+een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te
+vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door
+eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf
+jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek.
+
+De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het
+bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der
+internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste
+beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere
+voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen
+gelijkstelde met elk ander auteursrecht.
+
+
+
+IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht
+
+Het "bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteursrecht
+tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. Indien
+de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan het
+geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, evenals
+den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch aan den
+anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van
+het oorspronkelijke werk te ontzien.
+
+Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden:
+het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den
+auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van
+bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.
+
+Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van
+den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven
+eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken
+auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien
+van het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht,
+geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat,
+dient de rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der
+bewerking, waarmede hij te doen heeft.
+
+Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen hieromtrent
+in.
+
+De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming
+tegen "Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig:
+het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een
+tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit recht
+staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien daardoor
+"eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§ 13). Deze laatste
+bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of de bewerker al
+dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest hier m. i. geheel
+buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van belang is, is of hij
+de schepping van den oorspronkelijken auteur in zijne bewerking heeft
+overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt niet uit. Overigens
+wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in de Duitsche wet
+goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne bewerking. Dit
+laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk bepaalt, dat bij eene
+"Bearbeitung" de "Bearbeiter" als auteur wordt aangemerkt, evenzoo
+dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling.
+
+Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkingsrecht
+bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van de
+wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, dat
+plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur toebehooren
+en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk inbreuk op het
+auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een tooneelstuk eene
+bewerking te maken voor eene muzikale compositie, ook als de titel en
+de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd,
+het onderwerp van een roman of ander geschrift te gebruiken voor het
+maken van een tooneelstuk (art. 68).
+
+Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het
+"onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij
+gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd;
+evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het
+overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In
+sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden
+beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met
+de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht
+van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar
+het persoonlijkheidsrecht.
+
+De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan
+vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië,
+België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. De
+rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen
+te staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten
+bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen:
+wat is als de schepping van den auteur te beschouwen?--om langs dezen
+weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al
+dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en
+daar min of meer getrouw toegepast.
+
+In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 [366] werden
+bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor
+ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen
+inhielden: "... le résumé fidèle et l'analyse exacte des livrets
+et pièces..." en dat daarin waren weergegeven: "la substance de ces
+oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les
+situations, les personnages... etc." Hier valt--zooals men ziet--een
+streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schepping aan te
+wijzen, die--ook zonder dat de tekst woordelijk was nagedrukt--in de
+bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in
+een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897 [367]. De bewerking
+in kwestie was hier een roman, getrokken uit het tooneelstuk La Tour de
+Nesle van Alexandre Dumas en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard:
+"... Que le sujet, le plan, son agencement et ses développements,
+la marche de l'action, le groupement des personnages et les mobiles
+qui les font agir, les passions qu'ils ressentent, les sentiments
+qu'ils expriment, apparaissent également dans l'original et dans
+la copie servile qu'ils en ont faite," en even verder: "... Que si,
+dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les défendeurs
+ont ajouté d'innombrables incidents..., ils ont, du moins, pris toute
+la substance du drame... etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof
+van Appel van Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna
+dezelfde bewoordingen motiveerde [368]. Wat de Fransche rechter hier
+"la substance du drame" noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's
+"Imaginäre Bild" [369].
+
+In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken
+van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op
+het auteursrecht aangemerkt [370]. In Engeland is alleen het laatste,
+("novelisation") verboden [371] en om die reden verzette dit land zich
+in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling
+in de Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren
+den auteurs zou worden voorbehouden [372]. In 1908 op de Conferentie
+van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen
+staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt [373]; wel een
+bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.
+
+Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land
+is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze
+wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het
+auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten
+in een Themis-artikel werd uitgesproken [374], berust hierop,
+dat de woorden "geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder
+onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voorkwamen,
+zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde
+wet zou dus alleen verbieden het "in denzelfden vorm" weergeven, wat
+ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de
+volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede
+Kamer gemaakt: "Het geldt hier niet het regt van denken, maar het
+regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden." Er is
+echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde
+woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander
+verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht
+op mondelinge voordrachten [375]. Doch ook al was dit niet het geval,
+dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning
+van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken
+uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken
+inderdaad niets meer waren dan "gedachten gehuld in een vorm", zooals
+het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden
+waren: óf alleen "gedachten" uit het werk overnemen (wat volgens
+algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren
+in denzelfden "vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging.
+
+Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde
+uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met
+de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van
+toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond
+voor deze meening. Men leest daar [376]: "De in de tegenwoordige
+wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen "geheel of
+gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of
+inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid
+zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den
+auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een
+gedeelte daarvan boven twijfel te stellen."
+
+Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van
+toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift
+van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig bewerkte
+compositie van eens anders muziekwerk als nadruk te beschouwen is,
+werd in beginsel als juist erkend, doch alleen daarom niet in de wet
+opgenomen, omdat men geene formule ervoor wist te vinden, die niet
+in de practijk tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk
+wordt dan verder gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten,
+in elk geval te beslissen "of er werkelijk inbreuk op het regt van
+den componist gemaakt, of zijn werk geheel of ten deele door den druk
+is gemeen gemaakt of uitgevoerd" [377].
+
+Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt erkend,
+dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het auteursrecht kan
+zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op soortgelijke
+wijze als muziekwerken "bewerkt" kunnen worden, wel niet voor geheel
+en al uitgesloten hebben gehouden.
+
+Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het
+uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In
+het eerste geval betrof het het tooneelstuk "Zwarte Griet", waarvan
+zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene
+bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver
+van het oorspronkelijke stuk met dit laatste "wat betreft handeling,
+verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin
+voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst
+had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af;
+alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren
+woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den
+Haag aan [378], dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel
+had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk "Zwarte Griet" doch
+niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou
+hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als
+inbreuk op het auteursrecht beschouwd.
+
+Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het
+vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking
+is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor--voorzoover
+dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden
+afgeleid--dat in dit geval inderdaad door de bewerking geen inbreuk
+kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker had nl. het
+oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne
+bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk in de dagbladen
+waren verschenen. Langs dezen weg kan--dunkt mij--niet veel meer
+uit het stuk zijn overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn
+hoogst enkele fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening
+der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet
+ingegaan op de principieele vraag, waar het mij hier om te doen is,
+nl. of volgens ons recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en
+hoever dit recht zich uitstrekt.
+
+Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen
+over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van
+de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 [379] en een arrest
+van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 [380].
+
+Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer
+hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk
+inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De
+schrijver van een tooneelstuk "Krates", getrokken uit den roman van
+dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoeringsrecht
+daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem aansprak wegens
+het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe bewerking
+van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van de
+eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: "dat de inhoud van het
+tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den aanvang der maand Dec. 1888
+heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige wijzigingen,
+als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde tooneelstuk
+"Krates". De rechtbank wees dit aangeboden bewijs van de hand als te
+weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde
+de vordering ontvankelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de
+motiveering van dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het
+inbreuk maken op het auteursrecht door middel eener bewerking niet
+uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte
+opmerking, dat de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden:
+"behoudens eenige wijzigingen" zelven zouden erkend hebben, dat het
+door ged. opgevoerd tooneelstuk "Krates" niet hetzelfde was, als het
+in de dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:
+
+"dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te denken
+heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;
+
+dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot
+een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur
+en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als
+geheel waardeloos zou zijn."
+
+Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den
+inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden
+het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: "dat
+vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op
+gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt
+op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat de
+inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou
+zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht
+der eischers."
+
+Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet
+geheel blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te
+onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in
+de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping
+van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk
+in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid,
+die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.
+
+De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneelstuk
+vooral "op aankomt", maar wat daarin als de schepping van den auteur
+is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat de laatste
+zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat "al ware
+ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was,
+daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan
+het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste
+uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank
+onder den "inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping
+van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo,
+omdat die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van
+Maurik, den schrijver van den roman "Krates". Het blijkt echter niet,
+dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van
+Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen.
+
+Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde
+den geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100
+als schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats
+overwogen, dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der
+bewerking genoegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij
+het opvoeringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te
+goeder trouw was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist
+toe; het laat echter de vraag over het al of niet bestaan van een
+uitsluitend bewerkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting
+tot schadevergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis
+afleidt. Het is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken,
+of dit argument bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de
+beslissing in denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking
+door een derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende
+het opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten
+had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, dat
+"al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere
+verschillen, door de opvoering van de eerste op het uitsluitend
+opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waarmede dus
+duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de meening van het
+Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad; doch de argumenten,
+die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat
+beide bewerkingen "in hoofdzaak overeenkomen" werd hieruit afgeleid:
+"dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden roman, en dat
+daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen voorkomen". De
+onjuistheid van deze redeneering springt in het oog. Het auteursrecht,
+dat hier zou geschonden zijn, was het auteursrecht van den schrijver
+der tooneelbewerking, niet dat van den romanschrijver. Er moest
+dus onderzocht worden, of de tweede tooneelbewerking bestanddeelen
+bevatte van de eerste, die niet aan den roman ontleend waren. Want
+wat in beide bewerkingen uit den roman was overgenomen, daarop kon
+de bewerker geen uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door
+den romanschrijver was overgedragen. Van een dergelijk recht (een
+uitsluitend recht dus om van den roman "Krates" van Justus van Maurik
+eene tooneelbewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake.
+
+De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de
+rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een vast
+systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de theorie
+over "vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze
+gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen.
+
+Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak,
+dat nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan van
+een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel geheel
+uitgesloten achten.
+
+Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht
+van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er
+herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk "Krates" getrokken
+was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin een reden
+werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den schrijver
+van het tooneelstuk (van den "bewerker" dus) in twijfel te trekken.
+
+
+
+
+§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten
+
+In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds
+op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan,
+die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend,
+omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard
+zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden,
+hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om door hunne schoonheid
+kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of technische
+aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar dat de
+rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken kan
+worden met die van de woorden en letters in een geschrift. Evenals
+deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne beteekenis
+uitsluitend aan hetgeen zij "voorstellen". Men denke b.v. aan eene
+aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere groen is
+geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door
+kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding
+van het menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk
+bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.
+
+Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan aanduiden
+met den naam "technische en wetenschappelijke platen en kaarten",
+en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- en zeekaarten,
+anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en
+technische teekeningen, schematische voorstellingen van allerlei aard
+enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht
+toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die
+der geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.
+
+In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk
+genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van:
+"solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche
+nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind";
+de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: "dessins géographiques,
+topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et
+autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en Noorwegen
+vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet (art. 1) noemt:
+"natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, bouwkundige plannen
+en andere teekeningen en afbeeldingen van dien aard" [381].
+
+Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest,
+dat er werken bestaan, die hoewel geen "geschriften" zijnde, toch zeer
+nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet behooren tot de
+werken van beeldende kunst, waarvan men het auteursrecht later in eene
+afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men volgde daarbij het voorbeeld
+van Duitschland, waar ook twee wetten op het auteursrecht bestonden:
+die van 1 Juni 1870, "betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken,
+Abbildungen, musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken"
+en die van 9 Jan. 1876 "betreffend das Urheberrecht an Werken der
+bildenden Künste". De "Abbildungen" van de Duitsche wet van 1870 werden
+in onze wet (art. 1): "plaat- en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze
+van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede in de memorie van
+toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat
+het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige navolging heeft
+gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed bewust geweest van
+hetgeen hij deed, toen hij de "Abbildungen" niet bij de werken van
+beeldende kunst, maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der
+bedoelde werken werd overwogen, of de grond der bescherming, die men
+ervoor wilde verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien
+der geschriften of van dien der kunstwerken [382]. Men kwam tot het
+eerste op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn
+weergegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een
+artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn "zu belehren". In §
+43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als: "geographische,
+topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische
+und ähnliche Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke
+nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit blijkt wel, dat men
+op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog had en
+dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst eenerzijds,
+de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar stelselmatig
+heeft getrokken.
+
+Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding
+hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.
+
+In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp
+het auteursrecht regelt van: "schrijvers van letterkundige werken,
+benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant,
+insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". Met deze
+laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de "plaat-
+en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt: "Uitgesloten zijn de
+voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan
+de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt
+... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke
+wet" [383]. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen
+der werken--zooals die in Duitschland was gemaakt--dus geen spoor. Het
+eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan
+niet "voorwerp van den boekhandel" uitmaakte. Daaruit laat zich ook
+verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van §
+43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun
+hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos,
+misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden "plaat-
+en kaartwerken", die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen.
+
+Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet moet
+gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft ook reeds
+tot verschil van opvatting aanleiding gegeven.
+
+In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat
+de wet niet spreekt van "kaarten en platen," maar van "kaart- en
+plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens [384]
+en Mr. van de Kasteele [385] aannemen, daaronder gerekend kunnen
+worden losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij,
+wat Mr. Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:
+
+"Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wetgever
+ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica
+en spraakgebruik juist is): een boek met platen, evenwel met
+deze restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij"
+[386]. Met uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den
+minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging
+strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie
+van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht
+dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij "aan letterkundige
+werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen "een
+voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar
+deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom
+ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men met deze
+uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe
+een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin
+in den handel had gebracht, moest toezien, dat deze straffeloos werd
+nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper "niet één ets had laten
+maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende
+kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes
+aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke
+plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille,
+voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als
+door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaatwerk had
+tot stand gebracht."
+
+Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige
+onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in
+het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur
+moet worden aangemerkt van een "plaat- of kaartwerk". De werken van
+beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de
+bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk
+in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze
+werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is
+verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen
+"auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten
+tot een "plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van
+auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van
+het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché's--al of niet door
+hemzelf vervaardigd--verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den
+drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen [387], is
+er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt,
+en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening
+van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt:
+"het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk" [388]. Juister ware
+echter geweest "gedrukt" in plaats van "door den druk gemeen gemaakt";
+want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier
+niets ter zake.
+
+In vele gevallen zal dus de auteur van het "plaatwerk" een ander zijn
+dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar deze
+laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet behoeft hunne
+toestemming door den samensteller van het plaatwerk niet gevraagd te
+worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat van schilderijen,
+teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toestemming van
+den auteur reproducties te laten maken, om daarmede een boek te
+illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als samensteller van
+een "plaatwerk" door onze wet tegen verdere reproductie beschermd!
+
+Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te
+rechtvaardigen, dat de uitdrukking "plaat- en kaart-werken" in onze wet
+niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral
+noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht
+op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat
+deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de
+grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar
+redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het
+Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking "plaat- en kaartwerken"
+in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het
+Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar
+aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene
+mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze
+wijze een "plaatwerk" tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens
+de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten [389]. Ook
+de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de
+W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen
+aanleiding kunnen geven.
+
+Welke de werken zijn, die in plaats van de "plaat- en kaartwerken" in
+de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is hierboven
+reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met welke termen deze
+werken in sommige buitenlandsche wetten worden aangeduid. Vooral
+de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navolgingswaard, omdat
+zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken zijn bedoeld,
+uitsluit. Ook de--hierboven niet door mij aangehaalde--bepaling van
+§ 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de "Abbildungen" ook
+behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden nagevolgd. Er
+bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, voorzoover zij
+overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische afbeeldingen,
+hiermede niet op ééne lijn te stellen.
+
+Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik
+spreek nu niet meer over de "kaart- en plaatwerken" van onze wet, maar
+alleen over de "technische en wetenschappelijke kaarten en platen",
+waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) aan
+den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen
+object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat
+kan putten--b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig
+menschelijk of dierlijk orgaan--is gemeengoed en moet door ieder vrij
+benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt,
+het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al
+waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van
+den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde
+goed bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften,
+uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze
+van den auteur. Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op
+zich zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn,
+zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde
+methode om iets graphisch voor te stellen of om een landschap in
+kaart te brengen. Waar van den vorm als object van auteursrecht wordt
+gesproken, wordt daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan
+een concreten inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet
+in het vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode
+om die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur
+is slechts hij, die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die
+dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt.
+
+De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede
+aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene--al of niet door den
+auteur gedane--technische uitvinding. In dat geval kan natuurlijk
+die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit dan
+geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de kaart
+of plaat.
+
+Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische
+afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding,
+dat m. a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te
+brengen. Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het
+eene bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop
+bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen
+betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van
+uitvinders-recht kan zijn [390]. Ook hier valt dus de onderscheiding
+tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te maken,
+indien men maar de objecten van ieder recht goed uit elkander houdt.
+
+
+
+
+§ 4 Werken der toonkunst
+
+Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat zij
+beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot uiting
+te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en zijn
+slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer
+te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van
+beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien.
+
+Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en
+geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten
+aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt,
+is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen,
+waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een
+geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk
+hunne werking uit op den hoorder.
+
+Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziekstukken
+en geschriften in verschillende opzichten van belang.
+
+Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor
+mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke
+oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft
+als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.
+
+De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met
+de taal, die als "voertuig der gedachten" ook practische diensten
+bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal
+vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit
+hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht
+te zijn.
+
+Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik worden
+gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vingeroefeningen
+en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. Daardoor verliezen
+deze werken echter niet hun karakter van kunstschepping. Het komt
+mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler doet, signalen niet tot
+de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij voert hiervoor aan,
+dat zij buiten den kring der kunst staan [391]. Dit betreft echter
+m. i. niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt
+gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch
+gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om
+er langer bij stil te staan [392].
+
+In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk voorwerp
+van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een belangrijk
+verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van den
+componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn
+vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als
+bij geschriften. Bij geschriften kan men "vorm" noemen de taal, en
+"inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt [393]. Doch omdat
+de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onderscheiding
+tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt uitgedrukt,
+niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, gebruikt
+als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de muzikale
+aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook onmogelijk een
+stuk muziek "in andere tonen" weer te geven.
+
+Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen aan
+een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking te geven. Om
+te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op het auteursrecht
+wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit welke bestanddeelen
+een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding van worden gemaakt
+op soortgelijke wijze als ten aanzien der geschriften is geschied.
+
+In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie,
+instrumentatie, rhythmus en dynamiek.
+
+Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime,
+beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de
+combinatie van tegelijk klinkende tonen.
+
+Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan
+te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en
+eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale
+gedachte uitdrukken [394]. De onderscheiding is, zooals zal blijken,
+ook voor het auteursrecht van belang.
+
+Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten
+gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten
+is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van
+vocaliseering.
+
+De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in
+tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.
+
+Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.
+
+
+
+Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele
+melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat
+men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd
+uit een of meer motieven of thema's. Deze kunnen echter niet als eene
+schepping van den componist worden beschouwd. Zij bestaan uit slechts
+enkele noten in niet meer dan een of twee maten die geen zelfstandig
+geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen voor eene verdere
+muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten b.v. de twee
+eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de
+bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste
+maten van het Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen [395].
+
+Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord "motief"
+niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, waarin het
+eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De "Leitmotive"
+b. v. in de muziek-drama's van Richard Wagner zijn bijna alle tevens
+melodieën, en niet maar eenvoudige thema's zonder zelfstandigen
+muzikalen zin.
+
+Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in
+het--zelden voorkomende--geval dat de geheele compositie uit niets
+anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar ook
+wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer uitgewerkte
+muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene regel af te
+leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te beschouwen het
+overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook al zouden
+daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn gewijzigd.
+
+Meestal bestaat--zooals gezegd--eene muzikale compositie niet uit
+ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de bewerking
+van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een scheppende arbeid;
+dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waardevolle elementen van
+een muziekstuk te danken.
+
+Met het "bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmoniseeren,
+d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele
+tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische
+bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer
+op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware
+dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie,
+bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan
+ondergeschikt blijvende begeleiding.
+
+Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende wijzen
+geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, hetzij
+homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ontleent en daaraan
+een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets dergelijks als de
+bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan gezegd worden--al
+is het in eenigszins anderen zin--dat hij aan een bestaanden inhoud een
+nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook ten aanzien van het auteursrecht
+soortgelijke gevolgen in. De bewerker heeft aan den eenen kant het
+recht van den oorspronkelijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder
+vergunning van dezen laatste zijne bewerking niet exploiteeren; aan den
+anderen kant vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat
+ook door den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien.
+
+Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op zichzelf
+object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel:
+de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve
+onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht
+op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig
+voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster
+hieromtrent opmerkt: "... an den Harmoniefolgen, der Modulation als
+solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast als
+an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können bei
+ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen eintreten,
+sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird daher
+keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individualität
+des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben Art in den verschiedensten
+Werken vorkommen kann" [396]. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen
+zijn de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën;
+harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de
+kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk
+maar eene abstractie.
+
+Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje van,
+hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de eerste
+maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene andere,
+doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad nieuw
+muziekstuk doet ontstaan [397]. Minder juist is echter de beschouwing,
+die deze zelfde schrijver daarna laat volgen, waarmede hij tracht
+aan te toonen, dat het bovengenoemde beginsel in sommige gevallen
+uitzondering zou kunnen lijden, dat dus een recht op de harmonie op
+zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. Dit zou nl. dán het geval
+zijn, wanneer eene eigenaardige harmonische bewerking is gegeven aan
+eene melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteursrecht
+kon uitmaken. Het woord melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in
+den ruimen zin van: opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie
+in den engeren zin is--zooals hierboven betoogd is--altijd als een
+muzikale schepping en bijgevolg als object van des componisten
+auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen,
+die op zichzelf niets uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen
+componist zouden kunnen toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld
+een neerdalende chromatische toonladder, welke de "melodie" uitmaakt
+van een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde
+bedrijf van "die Walküre" [398]. Daar hier de melodie geen voorwerp van
+auteursrecht uitmaakt, maar wél de eigenaardige harmonische bewerking,
+die Wagner er aan gegeven heeft, kan men volgens mr. Viotta in dit
+geval spreken van een auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit
+is in zooverre juist, dat eerst door de harmonische bewerking een
+auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt
+te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht
+zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde
+wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door
+n.l. dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere
+melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel
+nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op
+Wagner's auteursrecht zou uitmaken.
+
+Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de
+instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het
+orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die
+zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner en
+in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige
+ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft
+weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie
+een organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die
+werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die
+daarna onder de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij
+de eerste conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de
+middelen, waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels
+voor den geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin
+een organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie
+van den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor
+aan de aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.
+
+Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke
+instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt
+natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt
+het maken van "transcripties" of "arrangementen", d. z. bewerkingen
+voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan deze
+bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; Kohler noemt
+ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een letterkundig
+werk den uiterlijken vorm [399].
+
+Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den bewerker
+van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft na het
+voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is aan den eenen
+kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant zou de exploitatie
+ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken componist inbreuk
+op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder niet op te wijzen,
+dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie of welke andere "vorm"
+ook, op zichzelf geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus
+vrijstaan, eenen componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor
+nieuwe instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen,
+mits natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke
+muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.
+
+
+
+Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de
+verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten
+aan te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht
+der componisten reeds genoegzaam afleiden.
+
+Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder
+begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de
+melodie dus in den engen zin van het woord, als eene muzikale
+compositie is te beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is
+opgebouwd. Daaruit volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van
+een ander is overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden
+geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin alleen
+het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang
+met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's
+of melodieën van andere componisten [400]. Wij hebben verder gezien,
+dat ook het harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den
+scheppenden arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht
+toekomt aan hem, die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen
+gelden, eene oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven
+en zelfs aan hem, die niets anders gedaan heeft dan een bestaand
+muziekstuk opnieuw te instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd
+werd, geen recht op de harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch
+een recht op het concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering
+of instrumenteering tot stand is gekomen. Natuurlijk geldt ook hier,
+dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, die hij uit het
+werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel
+heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit
+piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen
+van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of voor andere
+instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie uit het
+stuk wordt overgenomen.
+
+In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig
+zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna
+nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt
+overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen
+heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk
+wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen
+of vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien
+worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die
+dan in de "bewerking" worden afgewisseld door meer oorspronkelijke
+stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende
+vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën,
+potpourris, parodieën enz.
+
+Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren;
+daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas
+moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een
+oordeel uit te spreken.
+
+Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard aan
+het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de beoordeeling,
+of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit eens
+anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is gepleegd,
+de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor ontstane
+nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden genomen. Er
+zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelijke muzikale
+composities, ware meesterwerken aan te wijzen. Door verschillende
+schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die Bach,
+Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven. Dit is
+echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor geoorloofd
+te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog beschermd
+werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting [401], dan
+zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts
+eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.
+
+Ik meen dus--om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene nadere
+omgeving dan de bovengenoemde--dat een werk als de bekende
+Piet Hein-Rhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie van het
+oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen
+is als eene "bewerking" van dat lied en dat de exploitatie ervan
+zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat diens
+auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook de
+groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe
+harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.
+
+
+
+Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van de
+hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de Duitsche
+wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht toe,
+uittreksels (Auszüge) uit hunne werken te maken alsmede bewerkingen
+voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12, 4); voorts verbiedt de
+wet elk gebruik van een muziekwerk, waardoor eene melodie aan het werk
+wordt ontnomen om aan een nieuw werk ten grondslag te worden gelegd
+(§ 13 lid 2). Ook in de wetten van Spanje en Italië komen dergelijke
+bepalingen voor. De Italiaansche wet van 19 Sept. 1882 stelt met
+reproductie gelijk: bewerkingen voor verschillende instrumenten,
+uittreksels en geheele of gedeeltelijke omwerkingen (adattamenti),
+behalve wanneer een motief uit een werk tot thema wordt genomen
+voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale compositie (art. 3). De
+Spaansche wet van 10 Jan. 1879 verbiedt het geheel of gedeeltelijk
+overnemen van melodieën met of zonder begeleiding, hetzij bewerkt
+voor andere instrumenten, hetzij voorzien van een anderen tekst
+of in eenigen anderen vorm, dan die welke de auteur eraan heeft
+gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van
+laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene parodie geen melodie van
+het geparodieerde stuk mag worden opgenomen (art. 65).
+
+In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, die
+zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts dán
+kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan gegronde vrees
+bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen worden
+toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziekstuk
+in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou worden
+aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in deze
+materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk
+uit te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene
+wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden. Er kan
+hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde zinsnede uit
+de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten duidelijkste blijkt,
+dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad, het maken van
+bewerkingen van muziekstukken zonder toestemming des auteurs in alle
+gevallen vrij te laten. Er is dus, nog minder dan ten aanzien der
+geschriften, eenige reden om de erkenning van een bewerkingsrecht van
+auteurs van muziekstukken in strijd met de wet te achten. Daarom meen
+ik ook, dat de hierboven ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens
+ons bestaande recht in allen deele toepassing zouden kunnen vinden.
+
+
+
+
+§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes
+
+In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken verstaan
+tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een geheel of
+gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten tekst. Het
+eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door eene
+samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen
+geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren
+bij elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang van
+woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of
+operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één geheel te
+beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om deze
+werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als
+één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende bestanddeelen
+bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen woorden en
+een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van het
+auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De moeilijkheid bij
+het bepalen, wat in elk geval object van het auteursrecht is, bestaat,
+zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk
+in de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden
+gemaakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel
+gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch geheel
+vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding te maken
+tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat de tekst is
+in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen woord te worden
+vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding gemaakt, dan is voor
+'t overige op elk der twee bestanddeelen van het dramatisch-muzikale
+werk slechts toe te passen, wat hierboven over de geschriften en
+de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het moge op zichzelf, dus
+afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige waarde hebben of niet,
+valt onder de regels die voor alle geschriften en in het bijzonder
+voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b.v. niet vertaald mogen
+worden zonder toestemming van den auteur; evenmin zal er een roman of
+novelle uit getrokken mogen worden, tenzij het natuurlijk zelf eene
+dramatiseering is van een bestaande roman. Eveneens zullen, wat het
+muzikale gedeelte betreft, de beginselen toepassing kunnen vinden
+die hierboven over het auteursrecht der componisten zijn ontwikkeld.
+
+Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan
+een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit
+is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens
+de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van
+den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te
+oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster
+b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een
+componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen
+bezielt en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet
+kunnen beschikken [402]. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid
+uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt
+blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken,
+die niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist
+te dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer
+liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval
+schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans
+geschriften gerechtvaardigd.
+
+Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn
+werk door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt
+uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend
+zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval
+kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen
+van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten
+maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men
+door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke
+werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou bemoeilijken--zooals
+Schuster schijnt te vreezen [403]--meen ik te moeten betwijfelen. De
+componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming
+van den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat
+deze toestemming bijna nooit--en in 't bijzonder niet aan talentvolle
+componisten--zal worden geweigerd [404].
+
+
+
+Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de
+dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk
+niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten
+zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook
+de niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en
+tekst bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat
+echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der
+dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken
+niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het
+verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer
+voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken
+slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden)
+wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale
+werken niet aan deze voorwaarde is gebonden [405]. Onze wet bevat
+ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim toe;
+uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet;
+opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het slechts
+voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15).
+
+Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de
+niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik
+hier in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel
+aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de
+genoemde rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan
+bij de vraag, wat in den zin der wet onder een "dramatisch-muzikaal
+werk" te verstaan is.
+
+Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera's en operettes,
+werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd;
+men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die wel
+dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg
+zijn bestemd, zooals oratoria en cantate's, tot de dramatisch-muzikale
+werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van niet, op grond,
+dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit moet hier,
+volgens hem, den doorslag geven: "da das Recht, und somit auch das
+Urheberrecht als äussere Ordnung seiner Unterscheidung äussere Momente
+zu Grunde legen muss" [406].
+
+Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale
+ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor de meening,
+die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus het
+al of niet "dramatische" van een werk naar zijne meer innerlijke
+eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden beoordeeld) al
+evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de vraag meer van
+opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler o. a. deed. Deze
+redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet maakt (zijn betoog
+had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu vervangen door die
+van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische muzikale werken
+is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed bescherming
+verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te verdedigen als een
+overgangsmaatregel, zoolang tegen een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht
+van muziekstukken nog practische bezwaren worden gemaakt, die echter
+bestemd is te verdwijnen (in dit opzicht heeft Kohler goed gezien);
+en zijn slotsom is deze: "in Zweifel ist darum ein Musikstück als
+dramatisch-musikalisch zu betrachten" [407].
+
+Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking
+"dramatisch-muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar
+in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoorende
+worden genoemd [408].
+
+
+
+Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen
+en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling
+tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken
+kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel
+aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven
+drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die
+door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna
+door niemand meer ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern
+tot voorbereiding van de internationale Conventie werd dit door den
+Italiaanschen gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken:
+"... il ne s'agit pas seulement de protéger le libretto, qui n'est
+qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un accessoire, mais
+aussi l'action chorégraphique, qui est une création de l'auteur. Le
+chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste: il crée le sujet;
+il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les tableaux, les
+couleurs; la suite, l'intrigue, le développement des pantomimes
+et des danses, qui expriment le drame fantastique, mythologique
+ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre d'art,
+et l'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre,
+il y a donc lieu de protéger l'action chorégraphique" [409].
+
+Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat
+dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen,
+zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping
+vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals
+wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te
+rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden
+gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt
+aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen,
+waarvan den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren
+hiertoe vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid,
+vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen
+of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken
+[410].
+
+Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de
+auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het
+choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In
+de tweede plaats--en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer
+gebruikelijke middel zijn--door eene beschrijving van de standen,
+gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime
+optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve
+deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren
+van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp
+hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste
+bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een
+middel in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te
+stellen. Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats
+treden van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers
+enz. Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de
+vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk
+hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de
+aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer
+en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette "drama's"
+en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes
+in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden
+gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere
+soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam "drama" voor deze
+werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch niet ontkend
+worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote verscheidenheid
+der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest verschillende
+plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich
+leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking te brengen.
+
+De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën
+beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard,
+dat niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf
+vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is
+van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der
+oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het
+opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij
+door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kinematographische
+afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor
+dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig
+in elkander zijn gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans
+eenigszins een dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen,
+die zich in de werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp
+van een uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende
+personen zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen
+die ze in beeld bracht.
+
+In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig
+proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had
+in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen
+van door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder
+zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek
+vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank
+toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische
+afbeeldingen als werken van beeldende kunst beschermd waren en dat als
+auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden aangemerkt,
+daar deze het was geweest, "qui a disposé d'abord son sujet, ses aides,
+ses instruments; qu'il s'est assuré de la mise en plaque, c'est à dire
+si le point important de la scène à reproduire se trouvait bien dans
+le centre du verre dépoli; qui a été en un mot le principal auteur
+des films" etc. [411]). Doch "la scène à reproduire" zelf werd niet
+als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene
+operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als
+wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht
+kan daardoor niet worden gevestigd.
+
+Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal
+voor den kinematograaf vervaardigde "stuk", wordt, voorzoover mij
+bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven
+of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij
+hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner
+Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval,
+waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond
+(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden:
+"Apparitions de la très Sainte Vierge à Bernadette") werd het bestaan
+ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a.:
+
+"Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur artistique
+qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être assimilée aux
+oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible
+d'interprétation, purement mécanique, ne saurait être l'objet d'une
+représentation dans le sens donné à ce mot par la loi des 13-19
+Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal;
+
+Que, s'il est exact de prétendre que l'agencement et la composition
+des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le
+mouvement dont sont douées les projections cinematographiques n'est
+pas dû soit à l'auteur, soit à des exécutants, mais bien à la machine
+spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est obtenu, etc." [412]
+
+Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte
+nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni
+1903. Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel,
+maar eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter,
+in bepaalde volgorde gelegd, eene soort van "dramatische" handeling
+lieten zien, op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen,
+als een kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij
+o.a.: "... qu'il existe entre les dix scènes de la composition un
+enchaînement qui indique la pensée de l' auteur; qu'en outre, la
+position des personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie,
+leur attitude précisent et réalisent cette conception; ... qu'on
+n'a pas cherché à reproduire les traits de telle ou telle personne
+déterminée, mais à figurer par une série de petits tableaux une idée
+que la mimique des personnages fait comprendre; que sans rechercher
+quel peut être le mérite ou la valeur artistique d'une telle oeuvre,
+il est certain qu'elle bénéficie de la protection de la loi du 10
+Juillet 1793" [413].
+
+Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien
+prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht
+erkend. De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank
+inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie
+van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van
+de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor
+andere personen geposeerd hadden.
+
+Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in het
+erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht werd
+beschouwd, was niet veel meer dan "une idée" in den zin, waarin ons
+woord "idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende gedachte, en niet
+eene schepping, die aanspraak geeft op auteursbescherming. Het vonnis
+geeft overigens een eigenaardig staaltje van de vrijheid, waarmede de
+rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bij het interpreteeren van de
+wettelijke bepalingen op het auteursrecht. Met het oog hierop meen ik
+ook te kunnen zeggen, dat er tenminste in dát land geen speciale wet
+noodig zal zijn, om de bescherming, die in de voorgaande bladzijden
+werd bepleit (voor de stukken nl. die aan den kinematograaf hun
+aanzijn hebben te danken), daadwerkelijk in te voeren.
+
+Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even
+groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes,
+waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale
+werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk
+uitgesloten. "Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er niets
+anders overblijven dan ze te rangschikken onder de "tooneelwerken",
+waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie zou men
+echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, te ver
+overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de bedoelde
+werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening zou daarom
+het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede en derde lid
+der Berner Conventie, ook in verband met eene aansluiting van ons
+land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling verdienen.
+
+
+
+
+§ 6 Werken van beeldende kunst
+
+De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle
+kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de
+stof is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van
+het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende
+kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift
+of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat--wat men zou kunnen
+noemen--: de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld,
+door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers,
+tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift
+(letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping
+door symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar
+daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet,
+zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom
+kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend
+kunstenaar is.
+
+Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden
+kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf,
+heeft dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een
+schrijver of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een
+kunstwerk, het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de
+verwerkelijking, ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt
+gemaakt. Doch men moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst
+de schepping van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk
+voorwerp, waarin de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is
+niet aan dat ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk
+aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van den schilder
+ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering
+van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk
+voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van
+meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan,
+dat beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen
+richten. Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het
+oor worden waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd;
+de werken van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien,
+hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een
+bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de ruimte.
+
+
+
+Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is--het
+zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd--niet het lichamelijke
+voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichamelijke
+schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten
+wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmiddelen
+die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschouwelijk te
+maken. "Wir müssen,"--zooals Kohler het uitdrukt--"von der concreten
+Darstellung abziehen einmal die äuszere Form (d. w. z. het procédé:
+krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) müssen uns daher
+vergegenwärtigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in
+verschiedenen Kunstformen wiedergeben" [414].
+
+Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn
+recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is
+het gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden
+kunstvorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder
+wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren
+worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. Dit
+is b.v. het geval met etsen en houtsneden; elke afdruk die van het
+door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene even
+volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd is
+men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspronkelijke
+cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, die zóó
+getrouw het origineel weergeven, dat slechts door deskundigen het
+onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, waarvan
+het zeer moeilijk is eene reproductie te maken, die volkomen met
+het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan men zich
+wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsvermogen gaat,
+in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het gekopieerde
+vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën niet [415]. Doch
+dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aangenomen, is ons hier
+genoeg. In de practijk, d. w. z. in de practijk van het auteursrecht,
+komt het er niet op aan, of men met eene gebrekkige kopie heeft te
+maken dan wel met de meest volmaakte, die zich denken laat.
+
+Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunstvorm
+hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. Naar eene
+schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene krijtteekening
+worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der chromo-lithographie
+worden gereproduceerd, enz. enz.; al deze reproducties of kopieën in
+andere kunstvormen zijn min of meer volmaakte en min of meer getrouwe
+verwerkelijkingen van de oorspronkelijke schepping.
+
+Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beeldende
+kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, eenigszins
+nader te karakteriseeren.
+
+Het begrip "beeldende kunst" staat--er is reeds op gewezen--algemeen
+vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening hierover, of tot
+de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van auteursrecht,
+ook gerekend moeten worden: photographieën, werken der bouwkunst en
+de producten van kunstnijverheid of toegepaste kunst. Over deze drie
+categorieën van werken zal ik hieronder afzonderlijk nog spreken;
+ik laat ze daarom voorloopig buiten beschouwing en neem dus het woord
+beeldende kunst in de meer enge beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk
+gegeven wordt.
+
+Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede
+eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe
+behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische
+scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene
+innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.
+
+De grondslag--of zoo men wil: de inhoud--van elk werk van beeldende
+kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze
+ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien,
+die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden
+iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van
+beeldende kunst te doen [416]. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets
+anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende
+kunst karakteriseert als: "Darstellung einer Weltschöpfungsidee"
+[417]. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken,
+kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst
+is, dat het "iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. datgene
+wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan,
+kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch
+waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid
+na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is
+eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking
+van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is
+b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel
+geen werk van beeldende kunst [418]. Evenmin zijn als zoodanig te
+beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling
+hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid
+nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de
+poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan
+den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor
+realiteit te laten doorgaan, vreemd.
+
+Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil
+zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen,
+beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid
+is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en
+zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou
+kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de
+herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of
+teekening, waarvan niemand kan zeggen "wat het voorstelt", is niet
+als werk van beeldende kunst te beschouwen.
+
+Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van
+volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het
+oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit
+is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt,
+en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring
+zal behoeven [419].
+
+Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden
+kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?
+
+Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt
+niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet
+aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te
+geven (wat--zooals wij gezien hebben--in den tijd der privilegiën wel
+voorkwam) [420], zal nu wel nergens tegenspraak ontmoeten. Dit geldt
+niet alleen voor portretten, landschappen, stillevens enz. maar ook
+voor de zoogenaamde genre-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige
+tafereelen, waarbij het tafereel op zich zelf eene--zij het ook geheel
+uiterlijke--beteekenis heeft [421].
+
+Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al
+is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter
+iets anders dan wat ik hierboven noemde de "innerlijke voorstelling"
+van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van
+de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op
+dezelfde wijze behandeld worden.
+
+In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken
+kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij
+den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij
+den ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk
+leiden. Kohler spreekt te dien aanzien van "die individuelle Weise,
+in welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise
+gebildet hat" [422]. Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en
+door verschillende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt
+hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten
+verwantschap met dat van anderen toonen.
+
+Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud
+zijner schepping noemen. Zij is het "imaginäre Bild",--de "innerlijke
+visie" zou men hier zeggen--die in verschillende vormen aanschouwelijk
+kan worden gemaakt.
+
+De "vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een
+uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken
+in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z. de wijze waarop
+de verschillende onderdeelen worden gerangschikt, op den voorgrond
+of op den achtergrond, in licht of in schaduw worden gezet, zóó dat
+zich daaruit één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het
+bijzonder de begrenzing van het stuk [423]; zoo kan bij landschappen
+of zeegezichten de hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel
+een belangrijke factor zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een
+menschengroep kan worden verhoogd, door de figuren, die zich aan de
+uiteinden bevinden, slechts voor de helft te doen zien, zoodat zij
+uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen [424].
+
+Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft
+te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van
+compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls
+beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een
+andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de
+definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.
+
+Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven,
+d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel,
+crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus
+voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden
+arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid
+bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor
+de schilderkunst: het is dikwijls vooral de "manier van schilderen"
+waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch
+ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne
+persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld
+twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen,
+dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die
+natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze
+der twee kunstenaars.
+
+Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden
+kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke
+voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat
+hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met:
+melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen
+ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten
+opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat
+zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.
+
+Object van auteursrecht is--zooals altijd--alleen datgene, wat de
+schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke
+werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken
+en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de "innerlijke
+voorstelling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit
+een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in
+een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een
+schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening
+enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie
+wijzigingen zijn aangebracht.
+
+Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken
+of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of
+het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt,
+wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van
+muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan
+dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming
+gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een
+andere ets wordt gemaakt.
+
+Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de
+abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in
+verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen
+van den stijl of de "manier" van een ander, voorzoover dit op nieuwe
+onderwerpen wordt toegepast.
+
+
+
+Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven
+behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische
+beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in ons land,
+en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat in
+andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende
+kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene
+bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag
+daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de
+Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw
+oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een
+groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige
+bespreking ervan af [425], en bepaal mij tot eene enkele opmerking,
+die met mijne hierboven gehouden beschouwingen verband houdt. Deze
+opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, dat aldus luidt:
+
+
+ Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
+ op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
+ eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht,
+ bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
+ toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
+ bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.
+
+
+Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een
+ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de
+voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten
+zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu
+in het volgende even te wijzen.
+
+In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die
+reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is,
+waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de "mechanische
+bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar
+het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van "werken
+van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn,
+dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een
+natuurtafereel of van personen níet beschermd zou zijn. Een redelijke
+grond hiervoor is niet aan te wijzen [426].
+
+Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt
+verleend, indien de reproductie "op wettige wijze" is gemaakt. Dit
+beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt
+op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit
+recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming
+heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het
+oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden
+voor, om alleen de "wettige" reproductie te beschermen. Ik kan hier
+verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van
+het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler--is daar
+betoogd (p. 179)--heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of
+zijne vertaling al dan niet "rechtmatig", d. w. z. niet in strijd met
+het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver,
+is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het
+recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het
+oorspronkelijke werk.
+
+Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit
+de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling,
+dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor op zijne
+reproductie) duurt: "tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht
+op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft". Vooreerst
+is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht op
+oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) hier
+misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd met een
+beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten aanzien van het
+recht van de vertalers op hunne vertaling: "de duur van dit recht is
+echter hier op tien jaren en dus veel langer dan dat van den vertaler
+op zijne vertaling gesteld ... enz." [427]. Duidelijk blijkt hieruit,
+dat men het recht van den vertaler verwarde met het uitsluitend
+vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan
+den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van
+dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens
+welke het auteursrecht op de reproductie even lang duurt als dat op het
+oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter
+wille van den auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den
+navolger van een wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan
+hem, die een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De
+oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg,
+daar dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.
+
+
+
+
+§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst
+
+Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met
+de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf
+tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel
+eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk
+dezer onderwerpen--en in het bijzonder over de kunstnijverheid--zou in
+verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter
+om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet
+meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid
+niet achterwege meende te kunnen laten.
+
+Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder
+meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van
+kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.
+
+Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste
+groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische
+afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen,
+plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere
+voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze
+categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van
+beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere
+beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen
+object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij
+of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet
+van een "werk van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen
+omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een
+ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de zoogenaamde
+"zuivere kunstwerken" [428].
+
+De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel
+beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze
+werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar
+zij niets in beeld brengen. Zij missen een "geestelijken inhoud";
+hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid,
+die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe
+zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens
+geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten,
+handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen,
+boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk
+enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste
+landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat
+zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is
+in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze
+tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht
+te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn;
+ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van
+oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet
+met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.
+
+In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het
+auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de
+laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van
+9 Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902;
+in Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er
+echter nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en
+industrieelen eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp
+getrokken kan worden [429].
+
+Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit
+vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter
+aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van auteursrecht
+op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook over
+bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht worden,
+daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk heeft
+doen gevoelen [430]. Of volgens het Ontw. B. K. dat in het algemeen
+spreekt van "werken van beeldende kunst" ook enkele producten van
+kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag, waarover getwist
+zou kunnen worden. M. i. zou men zich hierbij moeten houden aan de
+begripsbepaling, die ik hierboven van de werken van beeldende kunst
+heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenscht zijn,
+dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duidelijker uitspreke.
+
+
+
+Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan,
+of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare
+producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van
+beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft,
+hier over deze vraag in beschouwingen te treden [431]. Iedereen zal
+het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn
+is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor
+is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van
+het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel
+gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met
+behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat
+het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven
+onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij
+het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen,
+die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat
+iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al
+"bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn
+echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat
+de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie
+het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het
+volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En
+waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft,
+dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar
+bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden
+kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen.
+
+In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën
+worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde
+producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin
+niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit
+blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan
+dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan
+voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen,
+Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging
+of het eerste verschijnen.
+
+
+
+De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij
+heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken
+niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls
+wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker
+een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog
+niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een
+afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men
+bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische
+schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs
+toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel
+uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen,
+rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in
+de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu
+ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél
+de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming
+van het auteursrecht te onthouden.
+
+Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het
+argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was,
+daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze
+mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht
+op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het
+auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de
+"technische en wetenschappelijke kaarten en platen" waarover hierboven
+in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op de reproductie dier
+teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud (d. i. dus hier:
+de schepping van den bouwmeester) is object van het auteursrecht
+[432]. De bouwkundige teekening is niet de verwerkelijking van het
+bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, die tot de verwerkelijking
+in staat stellen. Het onderscheid tusschen auteursrecht op bouwkundige
+teekeningen en dat op de bouwkundige werken zelf bestaat dus hierin,
+dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid geeft tot reproductie
+of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen het uitsluitend
+reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het recht, het gebouw
+naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het eenmaal uitgevoerde
+gebouw weer op andere wijze, b.v. door photographie, te reproduceeren.
+
+Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan
+worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden
+gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken worden met
+name onder de auteursproducten genoemd in de wetten van: Duitschland
+(art. 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover zij met een
+artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 Maart 1902
+[433] en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de bouwwerken,
+voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder de bescherming
+der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In België bestaat
+het recht volgens eene vaste jurisprudentie [434]; in Spanje en Italië
+is het twijfelachtig [435].
+
+Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der
+bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+OMVANG EN DUUR
+
+
+§ 1 Omvang
+
+Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als
+een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed,
+nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit
+sluit--zooals daarbij reeds werd opgemerkt--het beginsel in, dat den
+auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de
+economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent
+tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het
+recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie
+waartoe het geestesproduct zich leent.
+
+In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk
+op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door
+het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het
+geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op
+andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken
+van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid;
+ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen
+en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den
+materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke
+schepping van den bouwkundige.
+
+In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen,
+uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer
+blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het
+geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt
+voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel-
+en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van
+proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van
+kinematograaf en phonograaf.
+
+Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel
+noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het
+auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen
+vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in
+het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende
+werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit
+uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat
+b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht
+of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat
+hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen,
+evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp
+van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook
+in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem
+genoemd met opvoeringsrecht, die dan als "bijzondere" of "afgeleide"
+rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht
+(kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de
+verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht
+iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer
+in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets
+anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te
+oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen,
+zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden,
+enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een
+uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende
+bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den
+omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om
+die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden:
+1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van
+zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met
+betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden?
+
+De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld;
+daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden
+besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als
+uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen
+de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit
+betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de
+orde is gesteld.
+
+De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds
+en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu
+duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den
+inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog,
+dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden
+gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk
+in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling
+of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een
+muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit,
+na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich,
+dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk
+op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze
+geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook het
+bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. Zoo
+is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een uitsluitend
+opvoeringsrecht kan doen gelden [436], daar de opvoering zonder zijne
+toestemming van eene tooneelbewerking van zijn roman een inbreuk op
+zijn auteursrecht uitmaakt.
+
+Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende
+exploitatie-middelen.
+
+
+
+
+I Het door den druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken
+
+De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften en muziekwerken
+is die door middel van den druk; het uitsluitend recht dat hierop
+betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke
+bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren, dat de
+uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding is geweest voor
+het ontstaan van het auteursrecht.
+
+Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan worden,
+geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange jaren
+van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde
+staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate
+van standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het
+auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er
+slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover
+ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen.
+
+Het "recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken", zooals
+onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen,
+welke aangemerkt kunnen worden als een daad van exploitatie van
+het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. Wie een van
+deze handelingen pleegt zonder toestemming van den rechthebbende,
+maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, die zonder
+toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook degeen, die
+deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel uitstalt of in
+voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van exemplaren behoort
+hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van huisgenooten of
+vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. Eveneens zou
+men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van exemplaren,
+wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet b.v. onder
+kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk het
+"Verleihen" vrij (Urheberrechtsgesetz § 11 eerste lid); dit slaat
+volgens Kohler alleen op eene "unentgeltliche Gebrauchsüberlassung"
+[437]; het verhuren zou dus ook in Duitschland verboden zijn.
+
+Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als eene daad
+van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het doel ze
+onder het publiek te brengen [438]. Het is dus geen inbreuk op het
+auteursrecht een boek te drukken alleen ten gebruike voor zich en
+zijne huisgenooten of als typographische oefening; wél echter indien
+de gedrukte exemplaren, al worden ze zelf niet onder het publiek
+verspreid, moeten dienen voor eene openbare op- of uitvoering.
+
+Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een
+door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd
+exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de exploitatie voorhad,
+heeft bereikt, m. a. w. wanneer het een kooper heeft gevonden, door
+verdere verspreiding ervan geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt
+gepleegd [439]. Vandaar b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken
+de toestemming van den auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook
+wordt b.v. geen inbreuk op het auteursrecht gepleegd door hem,
+die ongebonden exemplaren opkoopt en deze gebonden, als ware het een
+nieuwe uitgave, in den handel brengt. Dit laatste werd ten aanzien van
+de werken van Kipling door het Hof van Appel van New York uitgemaakt
+[440].
+
+
+
+
+II Het maken van afschriften
+
+In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den
+druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk
+met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs
+mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden,
+b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien
+van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt;
+de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: "met of
+zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst",
+werd overbodig geacht.
+
+Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men
+achtte het onnoodig dit te verbieden: "slechts die ongeoorloofde
+vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken, in
+hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur een
+vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om door de
+wet te worden gekeerd" [441]. Zoo oordeelde onze wetgever. Men zou
+hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het meerdere of
+mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt toegebracht,
+niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden genomen. Al
+is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft het nog niet
+alleen op die handelingen betrekking te hebben, waarmede uitsluitend
+geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien is het niet waar,
+dat door het afschrijven zonder toestemming van den auteur, aan dezen
+geen noemenswaardige schade kan worden toegebracht. Het maken van
+afschriften behoort volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens
+Rosmini [442] is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest
+gebruikelijke reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke
+rol of elke partij een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der
+tooneelspelers of orkestleden. Dit levert boven het laten drukken
+het voordeel op, dat de auteur nog in de gelegenheid blijft na de
+repetities wijzigingen in het werk aan te brengen. Over het zonder
+toestemming van den auteur maken en verspreiden van afschriften,
+laat Rosmini zich dan als volgt uit: "Mais si un tiers reproduit en
+manuscrit l'oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des réductions
+pour divers instruments, pour louer ou débiter ces copies, celles-ci
+non seulement présentent tous les caractères de la contrefaçon,
+frappée par les expressions générales de la loi dans toute son étendue,
+mais elles constituent, de tous les procédés de reproduction le plus
+grave, le plus préjudiciable à l'auteur." Om deze meening te staven,
+wijst Rosmini er op, dat het afschrijven (voornamelijk van muziek)
+goedkooper is dan de reproductie door lithographie of een ander procédé
+van dien aard, terwijl het bovendien meer in stilte kan geschieden
+en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: "... le vendeur de
+copies exerce une concurrence plus étendue et plus fatale, parce qu'il
+s'adresse, avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs
+de spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en présentant
+sa marchandise sous une forme plus commode; de cette façon, il s'
+approprie, en l'écartant de l'auteur et de ses ayants cause, toute la
+clientèle des acheteurs." Ook in andere landen dan Italië (waarop de
+aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking hebben)
+wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van afschriften
+dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In Frankrijk
+b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van orkest-partituren
+zonder toestemming van den auteur afschriften werden gemaakt, die dan
+door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur werden afgestaan
+[443]. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met tooneelstukken [444]. In
+Zwitserland, waar het maken van afschriften door de wet is verboden,
+kwam het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig voor--hier
+waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich aan schuldig
+maakten--dat door de auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden
+gepubliceerd, waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging [445].
+
+Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo
+onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende
+en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging
+naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te
+behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de
+onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder
+toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32,
+Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van
+reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat
+daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19
+Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid
+maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden;
+verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje).
+
+
+
+
+III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten
+en phonografen
+
+Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele
+jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging
+van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog
+betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de
+Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door
+hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een
+of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen
+en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene
+exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het
+niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden
+meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale
+genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden
+misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten
+of muziek-uitgevers.
+
+Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van
+deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten
+zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het
+geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik
+van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet
+van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner
+Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland,
+het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor
+de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van
+deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866
+was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat
+laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van
+het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid
+verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen
+worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie
+was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.
+
+Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste
+jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten
+tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men
+vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die
+bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te
+vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven
+konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door
+hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht
+was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders,
+metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende
+puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele
+exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten
+zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer
+ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de
+eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig
+jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions,
+orchestrions, phonola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men
+ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen
+instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten
+van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen.
+
+Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen
+of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene
+exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming
+van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht
+verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts
+een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek
+b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van
+eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan
+worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en
+platen reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de
+Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat
+gevormd van de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen
+over een kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te
+beschikken [446].
+
+Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke
+geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de
+toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt
+eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten
+en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun
+werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken
+wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van
+muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie
+met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het
+auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter
+bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten
+aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en
+muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond,
+dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland
+b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van
+geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in
+beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de
+mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze
+bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd
+verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel
+uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige
+bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging
+men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op
+het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor
+mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting
+der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de
+Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de
+concurrentie met de buitenlandsche.
+
+Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten
+laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te
+vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het algemeen
+nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt verleend. Dat
+in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs ook in dit
+opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen te worden
+toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in verschillende
+landen, die in de meeste gevallen de bestaande wetsbepalingen zooveel
+mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt [447]. Doch wat de eenige
+afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande misbruiken een
+einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, die het recht
+der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu toe nog geen
+enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie van Berlijn
+van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is opgenomen,
+die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans binnen zekere
+grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat aan dezen
+toestand spoedig een einde zal komen.
+
+
+
+De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van
+muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of
+platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van
+den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het
+vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk
+noemen een "door den druk gemeen maken", al worden misschien bij de
+verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote verwantschap
+met den druk vertoonen.
+
+Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der
+wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik
+hunner werken beschermd zijn. "Wat is het wezen van het regt dat
+men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2)
+gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: "Het is de uitsluitende
+bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu
+een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet
+op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht
+geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen
+de materiele waarde aan van het werk." Men kan aannemen, dat voor
+de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn
+gemaakt, indien zij toen reeds--wat nu ongetwijfeld het geval is--had
+behoord tot diegene, welke "inderdaad van beteekenis zijn". Had men
+het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om
+in plaats van: "door den druk gemeen te maken" in de wet te lezen:
+"langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te
+brengen" of: "door den druk of op andere wijze gemeen te maken",
+dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men
+achtte echter--met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd--de
+oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan
+is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het
+juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd.
+
+
+
+
+IV Reproductie door den kinematograaf
+
+Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in
+toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken
+over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun
+ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken
+met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of
+de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten,
+pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus,
+indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk
+op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze
+vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen
+zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel
+de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde
+bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de
+gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer
+algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen
+(waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht
+nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van
+de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De
+ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de
+eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk
+weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen,
+die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren;
+waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes,
+balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing
+van den kinematograaf is--het moet worden toegegeven--tot nu toe nog
+weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat
+zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke,
+binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder
+huis heeft veroverd!
+
+Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en
+pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele
+wet uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene
+Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen
+voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de
+Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt:
+"Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle sont
+reproduites à l'aide d'une succession de photographies les diverses
+péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une
+pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de
+l'adaption à un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible pour
+tous, doit être considérée comme une édition tombant sous l'application
+de la loi des 19-24 juillet 1793;... etc." [448]
+
+In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige
+wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan
+hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking
+"door den druk gemeen maken" is gezegd in verband met de mechanische
+muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook
+de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk
+op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede
+klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van
+plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het
+behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie
+van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen
+daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan
+brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te
+volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige
+wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel,
+waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is,
+den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden.
+
+
+
+
+V Op- en uitvoering
+
+De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken
+behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin
+zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover
+zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het
+tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen
+het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld
+het werk volkomen te genieten.
+
+Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus
+het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn
+voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval;
+slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit-
+of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in
+tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.
+
+Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor
+muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht
+van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave,
+tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde
+voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15).
+
+De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht
+worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstelling,
+alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders zou zijn
+dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te
+maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering
+b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, indien hun uit-
+en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht zouden genieten,
+hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn tegenover schrijvers van
+stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn [449], vindt in het
+voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou men ook
+kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk én als rij-
+én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en
+dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren,
+wier paarden alleen kunnen trekken!
+
+Men heeft ook beweerd--en dit betreft in het bijzonder het uit- en
+opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen--dat juist
+datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze
+te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke
+uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd,
+daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven
+te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd,
+dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in
+het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel
+hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin
+een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer
+men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het
+eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de
+uitgave zijne toestemming te hebben gegeven.
+
+
+
+Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden,
+geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde
+kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler gestelde,
+die eene op- of uitvoering openbaar noemt, "wenn sie über das Häusliche
+hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier huis het geval
+zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd "dasz die Gesellschaft
+die häusliche Wesenheit einbüszt" [450].
+
+Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang
+voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel
+algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen [451]. Op een feest,
+dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit of
+andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn
+[452].
+
+Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: "elke
+uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
+toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
+wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen,
+dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze
+bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche
+contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap
+recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling.
+
+Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers
+van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin
+mag het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking
+worden genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij
+gebruik van stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor
+weldadigheidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk
+is voorgesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen
+wil en dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede
+te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars
+van zalen gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen af
+te staan [453]. Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten,
+waarvan de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag
+is uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen
+medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen
+en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem
+nog geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te
+beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 no. 10) die
+het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan
+het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring [454].
+
+De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht
+uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkige
+opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden [455]. Daarom zal men
+ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen van den
+kinematograaf en "concerten", waar zich phonograaf, grammophoon,
+pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze
+instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden gepleegd
+(nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf-films en
+van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstrumenten en
+phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker
+niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen door middel van
+deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar plaats hebben in
+den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- of uitvoeringsrecht
+aan te merken. Wat de kinematographische voorstelling betreft,
+heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat zij wel degelijk
+eene "voorstelling" is in den zin der wet, omdat de figuren, die
+de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk maken van levende
+personen [456]. M. i. zal men ook volgens onze wet hetzelfde mogen
+aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet aan kinematographische
+voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen grond zijn voor het
+tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene "opvoering", die in die
+jaren nog niet bekend was, doch die thans evengoed dezen naam verdient
+als die, waarbij tooneelspelers of dansers in levenden lijve optreden.
+
+Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door
+muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover
+de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden
+(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare
+uitvoering gelijk gesteld [457]. In België werd ook als inbreuk op
+het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van theatrophonen,
+eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of
+concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen
+doen hooren. De vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899),
+dat het niet geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te
+geven dan door den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van
+den auteur toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg
+ten gehoore te brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met
+behulp der genoemde instrumenten ook elders te doen weerklinken [458].
+
+In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek
+in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten,
+waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de
+muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen,
+waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook
+hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde "strijkjes" in koffiehuizen
+en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten
+en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de
+muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn
+van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder
+toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het
+laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de
+verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers
+der verboden uitvoering aangemerkt [459]. Dit schijnt mij ook juist,
+al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen
+regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel-
+of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen,
+dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het
+is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen,
+die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren,
+hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten,
+zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan [460], in de
+meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door een bezadigd
+en tactvol optreden van de vereenigingen van componisten, die zich
+met het innen der tantièmes voor hunne leden belasten.
+
+
+
+
+VI Voordracht
+
+Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna
+overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in
+het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele wetten aan de
+auteurs verleend [461]. De reden zal men waarschijnlijk grootendeels
+hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van de
+letterkundige producten wordt gemaakt, van te weinig belang achtte
+voor de auteurs, om het te verbieden.
+
+Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te
+erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig
+voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van
+muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van
+eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren--in het
+bijzonder hier te lande--kan worden waargenomen, behooren openbare
+voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van
+declameeren en verzen-"zeggen" is--naar het mij voorkomt--tegenwoordig
+weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk
+hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert
+Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel--hetzij geheel, hetzij
+gedeeltelijk--door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote
+onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt,
+elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken,
+terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te
+eerbiedigen.
+
+Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van
+voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de
+openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid
+kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.
+
+
+
+
+VII Reproductie van werken van beeldende kunst
+
+Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het
+voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een
+werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe
+"verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder
+te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm,
+mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan
+het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden
+teruggevonden.
+
+Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen
+dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor
+gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging
+en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken
+zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden.
+
+In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar
+omschreven als "het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te
+beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen"
+(art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook
+die, waarbij geene verspreiding of "gemeen making" het doel is. Het
+Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor
+eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch
+winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling
+wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie
+op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer
+voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging
+kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden [462].
+
+Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten
+rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling
+hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907
+art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het
+"afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming van den auteur
+verbiedt.
+
+Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen
+het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen
+ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen
+zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien;
+het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht
+te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het
+recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is
+belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel
+worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming
+van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder "exemplaar"
+ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere
+verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is.
+
+Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de
+waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele
+verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan,
+nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur,
+om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat
+speculanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als
+gevolg van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen
+zijn te danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor
+zijn naam meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op
+een deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel
+van het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de
+onlichamelijke kunstschepping tot object heeft [463].
+
+
+
+Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt
+m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en
+werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met
+de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen
+der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins
+andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het
+uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten
+aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten
+aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der
+bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den
+auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer
+werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat
+het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien
+het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping
+van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.
+
+
+
+
+§ 2 Duur
+
+Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur
+beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een
+eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen
+in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van
+Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche
+Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen,
+te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders
+is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.
+
+Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd
+om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een
+recht--zoo wordt soms geredeneerd--dat de wetgever op een gegeven
+oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schadeloosstelling in
+de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van "recht" niet
+te dragen [464].
+
+Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen
+met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom
+is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet
+zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan;
+een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou
+verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den
+eigendom missen.
+
+Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is,
+maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten
+op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die
+eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde
+rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard
+van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de
+tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen
+(geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een
+aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan
+bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij
+geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en
+dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men
+kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur
+of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.
+
+Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten,
+zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt
+een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het,
+zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer "zum Eigengut des ganzen Volkes,
+ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" [465] geworden, dat men het
+aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking erover
+aan één persoon te laten.
+
+Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun
+ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te
+doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht
+waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft
+trouwens geen reden van bestaan.
+
+Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd
+geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend
+auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk,
+maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare,
+Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men
+behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat
+b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat
+dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen
+worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men
+van--op zichzelf misschien even waardevolle--werken van tijdgenooten
+niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er
+meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou--wat het anders niet
+heeft--hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort.
+
+Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het
+recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen;
+dat het--wat bij een ander recht niet dan met toekenning van
+schadeloosstelling geschiedt--na verloop van zekeren tijd eenvoudig
+"in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid van het
+recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van "algemeen belang",
+doch zij is niet het resultaat van een compromis tusschen een van
+nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant en het algemeen belang,
+dat zich tegen de voortdurendheid van het recht verzet, aan den
+anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, dat "das öffentliche
+Interesse die Natur des Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts
+mitbestimmt" [466].
+
+
+
+Het is--eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht
+aangenomen--terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur
+door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk
+geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien
+waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller
+voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een
+maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere
+die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te
+behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken
+die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig
+erkend worden.
+
+Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen
+volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer
+te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al
+te willekeurig gekozen schijnt.
+
+Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt
+men--behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier
+hierboven reeds genoemde staten geldt--dat er twee hoofdsystemen
+hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem
+duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs,
+volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het
+werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt
+het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken,
+Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg,
+Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador,
+Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts
+enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije
+en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een
+gemengd stelsel.
+
+De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds
+dikwijls--ook in ons land--uitvoerig besproken [467]; ik meen daarom
+daarover kort te kunnen zijn.
+
+Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat
+van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is,
+terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer
+de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat
+alle werken evenlang beschermd zijn, en niet--zooals volgens het
+andere stelsel--de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis
+zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs
+zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote
+sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek
+krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft
+geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken
+waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat
+een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur
+der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep,
+waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van
+zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als
+zijn mede-auteur te laten optreden.
+
+Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus
+tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van
+het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen--waarvan ik de beteekenis
+niet wil ontkennen--zijn echter ook enkele nadeelen te stellen,
+die het andere stelsel niet heeft.
+
+Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip
+der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor
+elk werk--liefst volgens officieele gegevens--vaststa. Onze wet
+(art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van
+ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem,
+die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven
+formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke
+regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel
+van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van
+verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen
+en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van
+het stelsel, daar--zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te
+toonen--voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan
+van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing
+daarvan zeer gewenscht is.
+
+Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht
+op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een
+bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor
+ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe
+lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te
+maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk
+maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur.
+
+Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet
+geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen
+het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op
+de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der
+verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van
+het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden
+landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend
+naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding
+van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de
+groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden,
+nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij
+zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo
+practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.
+
+In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal
+ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt
+kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken of van
+die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt,
+onbesproken [468]. Evenmin zal ik mij ophouden met de afzonderlijke
+termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van enkele
+bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz. worden
+gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de bespreking van
+elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere beperkingen,
+hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat.
+
+Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur
+van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken
+om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren
+is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de
+normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood
+des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze
+het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is
+hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang
+genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te
+beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting
+te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen:
+tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het
+oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening
+is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel
+zou men wellicht nog verder willen gaan.
+
+Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den
+dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst
+verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene
+verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij
+m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het
+verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken
+der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het
+gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd
+noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan
+er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt,
+binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal
+worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor
+steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook
+weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de
+exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel
+korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk,
+dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht,
+hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo
+volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten,
+eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge
+genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene
+verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang
+en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een
+vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des
+auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden,
+schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of
+honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een
+enkelen staat erkenning vindt.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN
+
+
+Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht,
+zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is,
+op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een
+auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt
+vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht.
+
+Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de
+nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij
+het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van
+het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van
+bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in
+meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen
+is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde
+stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig
+als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard
+door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen
+kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit
+meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den
+wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht,
+dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd,
+afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig
+achtte.
+
+Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid
+bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht
+wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en meest
+eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten
+als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het
+tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat
+dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn,
+hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen.
+
+
+
+Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden
+(formaliteiten) en materieele voorwaarden [469].
+
+Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren
+aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende
+tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het
+werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles
+kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt
+wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet
+voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet
+de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke
+voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die
+de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te
+verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op-
+en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van
+een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.
+
+Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna
+alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd
+of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum
+beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in
+België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen
+beperkt [470]. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven
+zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is
+het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische
+gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van
+de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten
+verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk
+verschenen werken gemiddeld slechts 5-1/2% behoorlijk ingezonden,
+met het gevolg, dat dus alle overige 94-1/2% van de bescherming
+der wet verstoken bleven [471]. Zooals te verwachten was, zijn in
+het door eene commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van
+de tegenwoordige Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en
+ingewikkelde formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd:
+wel zijn daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens
+enkele uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen
+invloed heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.
+
+Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een
+klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder
+schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele
+of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale
+verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur
+bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen,
+waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven
+formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het
+auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom
+in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden.
+
+Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de
+belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te
+stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of
+van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de
+identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving
+in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid
+opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet
+auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het
+tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving
+in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden.
+
+Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk
+geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere
+sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de
+bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K.,
+die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden
+aangetoond.
+
+
+
+Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze
+wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge
+voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die
+zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen
+der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de
+meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar
+geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar
+zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt
+opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze
+werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter
+niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door
+den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten,
+weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn.
+
+Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10),
+dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave
+worden ingezonden aan het Departement van Justitie:
+
+a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke
+daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker
+onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave,
+
+b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op
+zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.
+
+Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het
+reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld
+het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden
+exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand
+enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.
+
+Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen
+enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te
+stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan
+ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht
+in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke
+Bibliotheek te 's Gravenhage.
+
+Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land
+uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd
+worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze
+verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een
+exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden,
+dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het
+doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de
+bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het
+Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf
+pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar
+(Wet van 1 Juli 1842).
+
+Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de
+materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat
+het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die
+aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder
+internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede
+hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet
+nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan:
+inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is
+dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten
+in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien
+de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te
+zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan
+het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is,
+omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door
+(of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste
+gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook
+al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn
+te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel
+opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier
+bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht
+te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij
+achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten,
+dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde
+doel even goed kunnen bereiken.
+
+Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit,
+dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving
+geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of
+voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht
+genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel,
+dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten
+aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende
+goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar
+is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene
+onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch
+of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met
+zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde
+vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog
+minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht,
+op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt
+aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van
+het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers
+staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk,
+dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven,
+hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat
+het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van
+het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast,
+heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met
+de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
+bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven
+formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen derden zijn door
+deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; evenals van het
+stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving der hypotheken
+kan ervan gezegd worden: "de openbaarheid geeft aan iedereen het
+middel, althans den leiddraad om zich op vrij voldoende wijze van
+den stand van zaken op de hoogte te stellen" [472]. Een vrij pover
+resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het verkregen wordt [473].
+
+De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig
+bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten
+als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere
+onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht
+dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk
+werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de
+beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de
+meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal
+jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming
+ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook
+heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar
+slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg-
+en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te
+zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen
+nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak
+zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door
+de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en
+niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars,
+die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken
+en te administreeren.
+
+Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn
+zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen;
+in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij--mits met kennis
+van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend--in
+staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen
+dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle
+werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging
+nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het
+auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan
+wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen
+zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven,
+op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op
+eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren,
+vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te
+weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten.
+
+Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in
+art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11
+bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een
+gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van
+dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht
+als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13,
+15 2o en 16 2o).
+
+Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele
+gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum
+te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal
+staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de
+dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of--hoewel
+dit wel zelden zal voorkomen--opzettelijk er een verkeerd jaartal
+op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het
+auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien,
+wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke
+tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van
+Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het
+auteursrecht te loopen.
+
+Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van
+zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending,
+dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De
+voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de
+duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave;
+laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood
+des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht
+uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang
+neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit
+de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij
+gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den
+duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts
+in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als
+aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor
+die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam
+verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van
+het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs,
+bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig
+jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op
+den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze
+bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste
+uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar
+het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te
+kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de
+meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven,
+is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de
+Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs
+in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem
+voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en
+dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als
+uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.
+
+
+
+Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur
+willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als
+rechthebbenden moeten doen kennen "op den voet in de artikelen 10 en
+11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf van naam
+en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom twee
+exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip der
+uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens [474] neemt het
+laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen ontheffing van
+den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof ook wel, dat
+dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten geven, al laat
+m.i. de uitdrukking "op den voet van" eenige ruimte tot twijfel. Hoe
+dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met Mr. Veegens eens,
+dat deze vereischten hier "doelloos" zijn te achten.
+
+De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige
+formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden,
+blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook
+zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan
+van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den
+toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf,
+de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel
+geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht
+van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar
+na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending
+niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van
+het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval
+behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een
+ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).
+
+Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer
+zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending
+om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch
+niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van
+belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid
+bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals
+gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch
+als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar
+den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van
+de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in
+den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht,
+dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis
+van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni
+1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het
+auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts
+dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den
+auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone
+beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den
+auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen
+geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere
+uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren
+naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den
+auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer
+verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58).
+
+Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de
+belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring
+is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere
+wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis
+had kunnen krijgen.
+
+
+
+Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze
+wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van
+het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-,
+opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte
+werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.
+
+Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft:
+neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan,
+dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht
+uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht,
+dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste
+recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door
+hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft
+de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze
+bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat
+zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den
+auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting
+bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte
+van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen
+grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn
+werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft,
+tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.
+
+Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het
+publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of
+niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen,
+dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten,
+worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door
+de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn
+werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder
+toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan.
+
+Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs
+zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschen
+te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner toestemming
+gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede helft der
+vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder voorbehoud
+tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen had
+zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten
+te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen,
+die--meestal te goeder trouw--deze werken in het openbaar uitvoerden,
+voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat hij
+weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan van
+een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij
+men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± f268) betaalde. Om aan
+deze wijze van "exploitatie", waarbij natuurlijk ook de belangen der
+componisten werden geschaad, een einde te maken, werd in de wet van
+10 Augustus 1882, gewoonlijk genoemd de Wall Act, bepaald, dat de
+auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner muziekwerken kan
+verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht
+heeft laten drukken [475].
+
+In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische
+maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de
+noodzakelijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel
+is er niet mee bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de
+hand misbruiken als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen
+hunner rechten aan anderen hieromtrent in het contract de noodige
+voorwaarden kunnen bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is,
+dat hierbij op het spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit
+in de meeste gevallen ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij
+tijdig op de gevaren worden gewezen waaraan zij zich blootstellen,
+door hunne rechten zonder voorwaarden aan den eersten den besten
+over te doen. Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die,
+zooals in het buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen
+bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging behoeft nu niet voor
+elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen,
+daarover met den auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich
+slechts te wenden tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens
+den auteur toestemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met
+het innen der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond,
+het nut van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en
+zij heeft er ook op doelmatige wijze partij van weten te trekken. De
+"Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich
+verbonden, aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven
+van al hare leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in
+rechten op te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant
+op zich heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Belge te publiceeren
+[476]. Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt
+over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen,
+daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de
+auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten,
+dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat de
+auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk eene
+beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen.
+
+Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings-
+en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het
+overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het
+nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee,
+dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin
+is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden
+aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge
+toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier
+misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel
+worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door
+andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel
+verklaart [477].
+
+
+
+Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het
+Ontw. B. K. voorschrijft.
+
+Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk
+dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd,
+tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden
+door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te
+wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:
+
+a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe
+gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens
+door K. B. vast te stellen model;
+
+b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures,
+photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de
+beschrijving een exemplaar van het werk.
+
+De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending
+zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.
+
+Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één
+exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er
+twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar
+bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere
+waarde vertegenwoordigt.
+
+Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet,
+waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van
+schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties
+worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of
+tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of
+ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden
+volstaan met het inzenden der "beschrijving". Of hiervan nu een druk
+gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang
+geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk
+zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken
+hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te
+exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen
+getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te
+zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te
+laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.
+
+Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij
+wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders
+dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk
+kunnen zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN
+
+
+Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het
+gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan,
+die zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het
+recht op het geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de
+persoonlijkheidsrechten, omdat zij tot bescherming strekken van een
+goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.
+
+Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteursrecht
+en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche schrijvers
+spreken daarbij meestal van "le droit moral", dat dan gesteld
+wordt tegenover "le droit pécuniaire" [478]. Deze termen komen mij
+echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het
+verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar
+zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen
+moreele of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel
+is dit niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou
+b.v. in sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen
+vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit
+geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke
+belangen dient [479]. Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers
+met hunne "droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het oog, die
+de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlichkeitsrechte
+noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheidsrechten worden
+behandeld.
+
+Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de meeste
+wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat zij
+geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de
+wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar
+tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst
+een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische
+constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook
+worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen,
+hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter
+op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend.
+
+In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in
+theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten
+in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het
+positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen
+en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis
+wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der Association
+over het "droit moral" rapporten uitgebracht; de volgende stellingen
+werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 1899 aangenomen:
+
+"De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid
+van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder,
+die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.
+
+"Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de
+bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen
+eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan
+wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt
+of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet
+voorziet" [480].
+
+In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type
+(artt. 10, 11, 12 en 14).
+
+Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en vergaderingen
+van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden geuit [481],
+bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog niet
+in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als de
+vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belanghebbenden
+er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogensrechtelijke
+bescherming.
+
+Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het
+auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten
+tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal
+meestal samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het
+auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig
+bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de
+auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer
+het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan
+(b.v. bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het
+'t persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van
+het auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het
+uitdrukt, krachtens het persoonlijkheidsrecht "verklammert" [482].
+
+Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die
+het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen
+te verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten
+of door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de
+integriteit van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het
+werk ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen,
+publiek wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand
+vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft
+de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn
+persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dán de
+twee rechten tegenover elkander staan.
+
+Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met
+persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld
+het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend
+uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen
+met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking
+zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets
+dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk
+hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande
+personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor in
+een minder gunstig daglicht komen te staan.
+
+In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hierboven
+genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voorzoover het
+in verband met het auteursrecht van belang is te achten, meer in
+bijzonderheden worden nagegaan.
+
+
+
+
+I Recht op brieven
+
+Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te verlangen, "dasz
+das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden
+der persoonlijkheid "nicht in einer der menschlichen Lebensführung
+widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden"
+[483]. Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband
+staande bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht
+op geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor
+openbaarmaking is bestemd.
+
+Dit is vooral van belang met het oog op brieven [484]. In de meeste
+gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een
+auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders
+dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin
+aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke
+mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling
+in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de
+schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft,
+afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de
+meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de
+eerste plaats voor die brieven, waarvan juist wegens hun vertrouwelijk
+of intiem karakter eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst
+kan zijn.
+
+Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdrukkelijk
+genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier besproken
+persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt
+toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. Wel
+is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie erkend
+[485], doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op dit
+punt gewenscht blijft.
+
+Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een
+vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in
+elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch
+daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner
+brieven overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe
+lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier
+is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de
+wet kan worden gegeven [486].
+
+Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag wordt
+dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland gedaan
+door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake gebracht,
+arrest van 28 Februari 1898 [487]. Het betrof een aantal brieven van
+Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens overlijden
+uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, dat er een
+persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich tegen de
+publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich daarop niet
+beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het met den dood
+van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen uitdrukkelijke
+wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze opvatting
+m. i. wel iets te zeggen [488]; in jure constituendo echter ben ik
+van de meening van Kohler, die dit recht niet met het overlijden,
+maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn
+niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohler voorstelt [489], of hoogstens
+tien schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de
+algeheele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat
+de beoordeeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten
+invloed van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie
+enz. die hij bij zijn leven heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou
+men kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het
+volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met
+het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van
+eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de
+uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger
+te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende,
+vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit
+volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner
+brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten;
+tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der
+brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt,
+als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming geniet.
+
+De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke
+schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te
+beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven
+auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een
+anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht
+voor sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen
+auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos
+te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam
+blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische
+gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht
+op publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na,
+den dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan
+een uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver
+nog dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt
+m. i. geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de
+bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste.
+
+
+
+
+II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op auteursrecht
+
+Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te
+beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming
+tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard,
+die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken,
+komt hier nog eene andere overweging bij.
+
+Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend,
+beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke
+nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of
+kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar
+zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor
+den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de
+volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook
+in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen
+kunnen worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid
+niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat,
+hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel
+eens werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is,
+al maken zij ook overigens den indruk "af" te zijn. Men hoort soms
+van schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat
+zij eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun
+zin is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van
+beeldende kunst en muziek.
+
+Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch
+van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja
+wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal
+zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht
+op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden;
+er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij
+nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van
+des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit
+te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie
+geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft gelaten, kan
+het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het
+nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk ander deel van
+het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou
+daarmede tevens den auteur uit handen worden genomen het bovenbesproken
+persoonlijkheidsrecht om over de eerste openbaarmaking te beslissen.
+
+Hier dienen--en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie,
+die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft--de
+belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen
+beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het
+persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.
+
+De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op
+auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet,
+dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst
+komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding
+van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking,
+verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4)
+zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der "meeste leden", dat
+het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht toe te laten. Van
+geen van beide zijden werd dit echter nader gemotiveerd.
+
+Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5
+derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent
+opgemerkt: "Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal van
+moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van 1881
+tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben geleid."
+
+Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor
+een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees
+voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht
+mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.
+
+Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De "moeilijkheden",
+waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig zijn,
+onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het beslag
+in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop kom ik zoo
+aanstonds nog terug.
+
+De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, zooals
+de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, bestaat
+hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel geen
+rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder door
+den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan bestaat
+er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om het verder op
+dezelfde wijze te exploiteeren niet aan zijn schuldeischers zou mogen
+worden toegewezen. Nog sterker komt de onbillijkheid der bepaling uit,
+als men denkt aan het geval, dat het auteursrecht niet meer in handen
+is van den auteur. In den boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld
+zullen juist de auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen
+van de aanwezige baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de
+schuldeischers hierover niet zouden kunnen beschikken [490].
+
+Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die
+gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht
+tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als
+algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten
+wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer
+het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek
+gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen voor.
+
+In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden
+over de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk
+nog niet is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor
+openbaarmaking bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript
+naar een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift
+aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder
+de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen
+over beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen
+van beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een
+uitgevershuis was toegezonden [491]. In Frankrijk werd evenzoo beslist
+door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof het
+kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was
+[492]. Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor:
+in beide gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn
+werk wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van
+uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep op zijn
+persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden gekrenkt,
+misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling verdienen
+bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het beslag, behalve
+bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het blijkt, dat de
+auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, zijn werk voor
+publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende kunst betreft geeft
+o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die navolging verdient:
+geen beslag kan worden gelegd, zoolang een werk niet voor verkoop of
+publicatie gereed is.
+
+Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier sprake
+is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. Indien
+deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de vraag
+niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet openbaar
+zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander overdragen. Maar
+wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne erfgenamen, en in 't
+bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den dood des auteurs eene
+publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze bij zijn leven niet
+heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze vraag bevestigend
+te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven bij de bespreking
+van het recht op brieven is aangevoerd. Op de naastbestaanden van den
+auteur gaat bij diens overlijden de verantwoordelijkheid van hetgeen
+er van hem uitkomt min of meer over; zij hebben er, althans in de
+eerste jaren na het overlijden, voor te waken, dat de naam, dien
+hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, ongeschonden blijft. Doch ook
+hier bestaat er geen grond, dit recht der erfgenamen lang te laten
+voortduren. De bescherming van de persoonlijkheid des overledenen
+krijgt na verloop van tijd een ander karakter; zij behoeft dan niet
+meer aan één persoon, of aan een kleine groep van personen te worden
+overgelaten. De zuiver persoonlijke elementen, die het oordeel
+over den nog in leven zijnden schrijver of kunstenaar mee hielpen
+vormen, doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden
+slechts beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de
+beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor
+om hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die
+daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.
+
+De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op
+onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit [493],
+zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater
+in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een
+termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohler
+voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd,
+schijnt mij ook voor dit geval meer passend.
+
+Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie,
+dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover
+den auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn
+goedvinden zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn
+bestemd; tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht
+van niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf)
+jaren na het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige
+rechtverkrijgenden in alle gevallen.
+
+Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de
+verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een
+auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog
+niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken,
+wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist
+zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere,
+die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel niet op eene
+vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan
+het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het
+publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een
+rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt,
+doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing
+niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid
+voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd;
+en moet als beginsel aangenomen worden, dat het beslag slechts die
+middelen van exploitatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds
+heeft aangewend.
+
+In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden,
+dat het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant
+een onbepaald beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of
+kunstwerk. Naast de reeds behandelde bestaan er nog verschillende
+andere persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie
+van zijn werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft
+geen betoog dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van
+het auteursrecht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in
+beslagneming van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat
+het werk met wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin
+aangebracht, wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen
+worden gebruikt, die met het karakter of de kunstwaarde van het werk
+niet in overeenstemming zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk
+door daartoe ontoereikende krachten; reproductie van een werk van
+beeldende kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook
+zal de nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit
+hebben te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel
+brengen van exemplaren moeten houden aan de--hieronder nog nader te
+bespreken--beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam.
+
+Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den aard
+der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het is
+wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening
+wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu
+eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw
+mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere
+vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit
+voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute
+onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het
+oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te
+staan en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze
+moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de
+algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.
+
+Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van
+gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of
+meer schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het
+Wetb. v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij
+op het geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag
+wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten
+van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de
+vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit
+doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop
+het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop
+deze realiseering der goederen tot stand komt.
+
+Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463
+sqq. B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en
+aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer
+bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking
+zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer
+hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten
+van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen,
+dat met het recht ook de daarmede verband houdende verplichtingen op
+den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het recht
+krijgt, om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men
+het bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier
+heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk,
+door wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt
+het dus geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen;
+in de practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal
+er niet zoo spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een
+beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele
+moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de
+schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt,
+zal toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet
+doen. Het verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins
+mogelijk is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden,
+en dit zou ook bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht
+kunnen geschieden, indien het mogelijk was, toewijziging van het
+auteursrecht te weigeren aan personen, in wier handen men het in dit
+opzicht niet veilig acht. Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden,
+dat een derderangs operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht
+van een ernstig en bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama
+krijgt, of een uitgever van prentbriefkaarten het reproductierecht
+van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze
+van verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden
+voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle
+verdere exploitatie van het werk te verhinderen.
+
+Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige
+gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de
+uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan
+worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt
+moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden
+gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens
+kunnen worden.
+
+Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op
+den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den
+rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid
+van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel
+staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174
+F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist
+gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk
+met de wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.
+
+
+
+
+III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden staat
+wordt publiek gemaakt
+
+Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar
+mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook
+dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft,
+zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt
+aan het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in
+dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na
+het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen
+ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur,
+na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven,
+lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen
+of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien
+verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf
+volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal
+zonder gevolg blijven: want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel
+naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar zooals
+de exploitanten het gelieven te publiceeren.
+
+Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen
+beginsel, dat den auteur het recht toekomt--ook als het uitsluitend
+reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat--om
+zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne
+toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het
+publiek wordt voorgezet.
+
+In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de
+erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een
+schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij
+het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij
+in den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd
+[494]; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens
+teekeningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven
+[495].
+
+In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea,
+voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt,
+alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde "en
+faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vierge consolatrice
+qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit;
+qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de l'ensemble de l'oeuvre
+de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne permet plus
+de comprendre l'attitude ni l'expression qu'explique d'une manière
+complète le reste du tableau représentant une mère affligée pleurant
+la mort de son enfant, la pensée de l'auteur se trouve complètement
+dénaturée, qu'elle devient absolument incompréhensible pour celui
+qui n'aura sous les yeux que la reproduction partielle effectuée sur
+l'émail saisi." En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht
+niet meer bestaat: "peut exiger que sa pensée et son oeuvre qui
+n'en est que la traduction ne soient pas altérées; qu'elles soient
+reproduites comme il les a lui-même enfantées; qu'il a, en dehors de
+tout avantage matériel auquel il a renoncé, le droit de sauvegarder sa
+réputation artistique et qu'il est fondé à réclamer la réparation du
+préjudice à lui causé par toute atteinte qui y est portée ..." [496].
+
+De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling van
+vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschriftartikel,
+dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en derhalve
+nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overgenomen, dat
+de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin onjuist
+en onvolledig waren weergegeven [497]. Vier jaar later werd door
+hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht
+van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs
+schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Fransche
+vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van
+eigen maaksel aan het werk had toegevoegd [498].
+
+Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval
+betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar
+de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel
+van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer had
+het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige voorwaarde
+daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de bedoeling van den
+auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder zijne toestemming
+ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit laatste voor
+onrechtmatig [499]. In een analoog geval, dat zich enkele jaren later
+voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het reproductierecht
+aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen was overgedragen,
+die enkele ervan ook in marmer had laten reproduceeren), werd de eisch,
+voorzoover deze het aangewende reproductie-middel betrof, afgewezen, op
+grond dat de reproductie in marmer, waartegen de auteur zich verzette,
+het origineel volkomen zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het
+origineel vervaardigde bronzen beelden als lampen ingericht in den
+handel werden gebracht, leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk
+op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht
+was overgedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond
+en de auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie
+genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie
+van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de
+naam, dien de auteur er aan had gegeven ("Gloria") was zonder zijne
+toestemming vervangen door een anderen ("la Renommée"); op deze beide
+punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch [500].
+
+De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van
+de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde
+recht plaats kan hebben [501] en van de wijze, waarop daartegen in
+Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht
+wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende
+bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou
+kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer
+af van de uitlegging van het woord "onrechtmatige daad" in art. 1401
+B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het voorbeeld
+te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht gegeven,
+waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt toegekend
+[502].
+
+
+
+
+IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam
+
+De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, is met betrekking
+tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. Ik zal
+mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van den
+auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne werken te
+verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder zijn naam of
+onder een anderen naam gepubliceerd wordt.
+
+Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van
+den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet
+zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding
+van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en
+den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat
+hunne producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden;
+de band tusschen producent en product is bij de laatsten in het
+algemeen nog veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het
+kenmerk van elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf
+in zijn werk, is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van
+naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de
+laatstgenoemde soort,--in het algemeen: voor alle handelswaren--geldt
+voor werken van kunst en letterkunde, dat het publiek er belang bij
+heeft omtrent hunne herkomst juist te worden ingelicht: wie een
+schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef Israëls maakt
+niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder,
+maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het publiek.
+
+Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van
+bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende [503],
+bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide berusten,
+zijn ook grootendeels dezelfde.
+
+Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam in
+dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde ook,
+zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar zelfs
+onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers ten
+aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en
+ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt
+ook voor den auteursnaam [504].
+
+De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat
+en object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een
+onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen,
+en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden [505]. Daarom
+is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik,
+waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook door de Fransche
+jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt gesproken van
+"eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die
+strekte om aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem "J. R. Rosny"
+artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon de
+Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd erkend
+"... qu'en principe, une revendication de cette nature est légitime,
+et qu'un tiers ne peut s'approprier le nom d'autrui,..." doch slechts
+onder voorwaarde "... que cette usurpation aura eu pour résultat de
+créer une confusion qui serait, soit moralement, soit matériellement,
+préjudiciable au propriétaire du nom" [506]. Dat mogelijke verwarring
+in dit geval uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat
+de geschriften van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard
+waren, terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny
+verschenen, een meer "litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd
+bekrachtigd door het Hof van Appèl te Parijs, waarin o. m. wordt
+overwogen: "que la confusion entre "Léon de Rosny" et "J. H. Rosny"
+ne s'est pas produite dans le monde des sciences et des lettres" [507].
+
+In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen met
+dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne geschriften
+wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, o.a. op
+dezen grond; dat: "... les demandeurs ont intérêt à revendiquer le
+droit à la propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour éviter
+la confusion qui pourrait naître de la création de travaux similaires"
+[508].
+
+Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling
+mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven
+dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het
+zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt
+door gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den
+schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, maakt geen
+verschil. Het kiezen van een "nom de plume" is eene gewoonte, die zoo
+lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, dat daartegen
+geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene misleiding van
+het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer treft men iets
+soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is dikwijls een
+andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken stand
+staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of
+kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne
+werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam
+niet geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-)
+naam. Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen
+dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden
+(al of niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden)
+auteur van die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het
+dagelijksch leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler
+het eigenaardig uitdrukt: "der Autor kann als unbekanntes X gelten;
+aber es musz eben dieses X als der Träger schriftstellerischer Werke
+von den übrigen Schriftstellern unterschieden werden; es ist ein
+Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei die eine Maske von allen anderen
+unterschieden bleiben soll und das Recht hat, unterschieden zu bleiben"
+[509].
+
+De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van
+een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen
+kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder
+een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het
+beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de
+Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning van
+zijn auteurschap.
+
+Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in
+verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers
+en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en
+overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook
+in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting
+door de jurisprudentie aangenomen [510].
+
+In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron
+voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag-
+en weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen
+uit andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt,
+niet eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit
+opzicht veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend
+gesteld bij elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk
+makend) gebruik, dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie
+tegen dit verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne
+civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding,
+waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ 44).
+
+Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te verdienen.
+
+Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat men
+hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat niet
+als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het noemen
+van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten of
+opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden,
+waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur eischen,
+dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier wordt dus
+ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht
+erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is gegaan.
+
+Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op
+de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen,
+die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen
+en andere werken van beeldende kunst.
+
+In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen
+van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken
+echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs,
+doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke
+bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van
+een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk
+op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om
+bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het
+geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt
+stuk van den meester, wiens naam het draagt, te laten doorgaan en er
+op deze wijze den kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.
+
+In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. strafbaar
+gesteld: "... l'application méchante ou frauduleuse sur un objet d'art,
+un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un auteur, ou de
+tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son oeuvre." Ook
+is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in een magazijn
+in voorraad hebben of binnen België invoeren van werken waarvan men
+weet, dat zij van een valschen naam of een valsch merk zijn voorzien
+(art. 25 3de lid).
+
+In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi sur
+les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen.
+
+Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn
+gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat
+zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding
+kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld
+eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit
+blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet
+op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft,
+is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men
+ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den
+zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteursrecht een
+einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4
+dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk
+is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat [511]. Deze laatste
+bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) gevolg,
+dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, indien
+men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet [512].
+
+Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen de
+tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke strafbepalingen
+moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of verwisseling van
+den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover daarin is te zien
+een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in
+de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van
+den auteur ten behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling
+van den Franschen wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van
+de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk:
+het recht met betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als
+het auteursrecht. In de Belgische bepaling wordt alleen gesproken
+van vervalschingen enz. met den naam "van een auteur". Verstaat men
+hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die
+tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd,
+dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven,
+niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen,
+niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere
+personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam
+Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op
+een subjectief recht, dan zal het begrip "auteur" hier enger dienen
+te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er onder
+te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der
+wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom,
+dat het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.
+
+Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil
+ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het
+hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen,
+die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde
+zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven
+hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam
+gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen
+standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in
+het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden
+geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het
+recht op eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn,
+eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te
+langen duur na het overlijden van den auteur voorschreef [513].
+
+Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn
+het bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet
+straffeloos behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen
+subjectief recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de
+persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te
+zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.
+
+Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel
+als bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het
+persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk:
+dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder
+dat daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal
+echter wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of
+weglaten van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn,
+den onwaren naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor
+zich of voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke
+inbreuk op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam
+uit een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie
+te schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te
+laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor is
+toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien men
+ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepalingen
+heeft als de boven besproken Belgische en Fransche.
+
+Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke
+hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel
+stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop
+aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in
+voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een
+ander recht heeft. Onder "waren" zijn volgens de M. v. T. [514] alle
+roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilderijen enz.
+
+Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een
+valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België,
+strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden
+medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handelingen
+[515]. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: "het bedrog, gepleegd door
+het in den handel brengen en verder verhandelen van met een valsch
+certificaat van oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet
+in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den naam of het
+merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat
+een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het
+geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden
+gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan
+de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat,
+de bezwaren, waarop reeds is gewezen.
+
+Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking
+hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld
+overtreding van het verbod, vervat in art. 3b tweede zinsnede van
+het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of
+eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van
+een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk
+of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar,
+indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men
+m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van
+den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat
+deze copie voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch
+juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is,
+schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.
+
+
+
+
+V Recht van den afgebeelden persoon
+
+In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, al
+of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn kant
+heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen rekening
+te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteursrecht in
+botsing kan komen.
+
+Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt
+aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke of
+stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen spreken
+zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, van
+een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder nog
+zal worden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan worden
+toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon
+het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden.
+
+Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men
+deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat
+tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide
+toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan één
+persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van den
+auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij
+andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde.
+
+Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit
+voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op
+het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876)
+en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging
+het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den
+besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den
+auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen,
+zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch
+zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij
+verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van
+mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm
+stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog
+geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden,
+waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen,
+die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van
+den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten
+koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch
+bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet
+in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de
+bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken
+van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor
+photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de
+reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden
+dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen,
+terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos
+verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de
+duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk
+dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen.
+
+Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht
+van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den
+geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit
+afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking
+als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het
+beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.
+
+In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze
+samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet
+meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20)
+dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben,
+dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming
+van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden
+tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan
+den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn
+recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.
+
+Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken
+van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit
+beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon
+om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan
+wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen,
+gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner
+naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22,
+23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het
+auteursrecht te onderscheiden, recht te doen.
+
+In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt
+men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is
+herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht
+toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten,
+ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na
+den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518].
+
+Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken
+op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus
+art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou
+kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd,
+dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad"
+en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen
+wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven
+staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit
+vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden.
+
+Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming
+zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt
+gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend
+beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene
+uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar
+Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol
+eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne
+beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den
+naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht
+of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands
+afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men
+m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret
+wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming
+van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet
+men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten,
+wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving,
+welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon
+niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler
+[520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met
+was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken
+van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine
+Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel
+verwendet wird" [521].
+
+Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken
+draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de
+termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons
+Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van
+afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging
+van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van
+afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de
+wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen,
+werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522].
+
+Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het
+in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie
+van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft
+vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop
+te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling
+gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf
+zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het
+negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling
+van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren
+geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De
+gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin
+moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen
+of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben
+willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de
+levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de
+prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene
+afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige
+landen aantreft, komt mij echter overbodig voor.
+
+Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het
+auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt
+het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich
+kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of
+tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen
+is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters,
+met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch
+schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken
+uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben
+schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen
+uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te
+pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te
+leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de
+omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze
+gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik
+hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de
+rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale
+wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht
+hiervoor m. i. niet de plaats zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT
+
+
+§ 1 Algemeene opmerkingen
+
+Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het
+auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de
+verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch
+bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze
+moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden
+gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast;
+ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere
+vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan
+beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er
+strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de
+rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich
+bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt
+gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij,
+nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid
+ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het
+gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust
+op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen
+op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen
+ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.
+
+Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan
+het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander
+van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over
+de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare
+geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht
+stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale
+grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander,
+ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons
+privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat
+dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt,
+straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling,
+zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche
+drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt
+van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven
+alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een
+Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste
+illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een
+absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht,
+cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij
+niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526].
+
+Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied"
+misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze
+beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer
+wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad
+eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht
+een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527],
+dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed
+gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt
+de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden.
+
+Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd
+het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche
+werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik
+heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen
+die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien
+vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een
+groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het
+stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen
+mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te
+moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd
+heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als
+integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is
+van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten
+en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder
+eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van
+sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen,
+niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen
+geen gewicht in de schaal.
+
+Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming
+van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat
+vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden,
+daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou
+worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er
+zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om
+in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt,
+dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van
+moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte
+ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk
+illustreerde hij met de volgende vergelijking:
+
+"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der
+holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm
+dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da
+holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper
+auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe
+abnähmen?" [529]
+
+De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan
+bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt
+in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot
+onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd,
+dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op
+het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is
+en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen
+dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken
+zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel
+het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht,
+dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer
+van eenige beteekenis is.
+
+Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou
+met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze
+toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde
+woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld
+"Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen
+vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van
+onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te
+zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in
+hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht
+is gevestigd.
+
+Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze
+aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt,
+wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee
+in getal.
+
+In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner
+Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een
+anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk
+zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen,
+en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der
+internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de
+wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16
+van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle
+auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook
+het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal
+nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig
+zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit
+stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten
+het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke
+verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt
+op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld
+geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten
+opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking
+tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht
+verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is
+met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de
+"beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie,
+vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in
+volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog
+veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen
+over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen,
+dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden
+toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen
+onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de
+onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten.
+
+Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft
+het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op
+grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft
+voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier
+niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren,
+dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit
+andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote
+meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van
+het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen"
+over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook
+in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht,
+want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur
+van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets,
+evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den
+Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos
+zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te
+laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij
+erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet
+meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb,
+is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een
+dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren:
+in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen
+het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?
+
+Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van
+uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied
+van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel,
+dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht
+en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als
+voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg
+vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu
+eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat
+en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen
+weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land
+als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.
+
+De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het
+geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten
+eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis
+van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de
+vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich
+en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid
+der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich
+hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze
+materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin
+mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die
+onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten
+grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen
+zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog
+is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en
+later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het
+zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle
+aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht
+bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer,
+om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is
+geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich
+in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten,
+zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe
+moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om
+invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal
+auteursrecht.
+
+Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de
+jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden,
+mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie
+te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan
+de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven,
+kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel
+uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe
+beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog
+op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de
+bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.
+
+Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan,
+is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze
+wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.
+
+
+
+Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der
+toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen
+worden.
+
+Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium
+aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt
+dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het
+Rijk woonachtig zijn.
+
+Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar
+de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit
+of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la
+nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer
+op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten
+afhangen van:
+
+a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;
+
+b) de plaats, waar het werk is ontstaan;
+
+c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op-
+of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.
+
+Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen
+te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.
+
+Het beginsel van de "nationaliteit van het werk" geldt in de eerste
+plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is
+alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en
+door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den
+auteur doet dus niet ter zake.
+
+Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel
+gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig
+zijn van in Nederland woonachtige auteurs.
+
+Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke
+regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige
+auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in
+Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot
+van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door
+Mr. Veegens gewezen [531]. Met dezen schrijver ben ik van oordeel,
+dat de uitdrukking "daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag
+leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden onder
+de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer zij
+aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve afkomstig van
+een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in Nederland gehouden
+zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan één der beide
+vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een in Nederland wonend
+auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over
+deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver
+alleen het laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten
+komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden
+voordracht, van iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn
+door onze wet. Naar mijne meening is echter de andere, boven gegeven
+interpretatie juister: is de voordracht in het buitenland gehouden,
+dan wordt zij behandeld als alle andere niet door den druk gemeen
+gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uitdrukking "daaronder begrepen"
+althans eenigen zin.
+
+Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide
+bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de
+plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken
+bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden
+bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het
+uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste
+op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer
+wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een
+voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de
+plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor
+gaat behooren tot de groep "door den druk gemeen gemaakte werken".
+
+Er doet zich hier nog eene--ook door Mr. Veegens
+besproken--moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en
+uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in
+Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer
+wet. Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven,
+dan beschouwt onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens
+Mr. Veegens zal nu een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen
+opvoering beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht
+bij het in druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk
+wordt voorbehouden. "Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die
+uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag
+haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" [532].
+
+Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die
+een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht
+zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk
+behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het
+ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een
+voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend
+vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden,
+en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen
+doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud
+schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt
+het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor
+alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook
+het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht,
+hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan,
+het voortbestaan mogelijk te maken.
+
+Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de
+wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil
+van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van "in Nederland
+of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
+werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave
+in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in
+het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland
+geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave
+in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht
+niet opheffen.
+
+De eerste uitgave beslist dus over de "nationaliteit" van het werk
+en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het
+auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald
+[533]; eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden
+voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin
+van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus)
+geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.
+
+Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië;
+waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van "Nederland"
+heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië
+worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën
+vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied;
+het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat
+de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie
+moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie
+te Batavia.
+
+In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het
+auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van
+11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet
+is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als
+met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in
+West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao
+gelijk met het buitenland.
+
+
+
+De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet
+van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen
+gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet
+gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende
+kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen
+voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt.
+
+Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van
+het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in
+Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn.
+
+Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de
+Oost-Indische koloniën met het moederland.
+
+
+
+Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het
+duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons
+land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze
+tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men deze
+tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht erkend
+dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. Moltzer
+[534] opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene uitzondering
+op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; want al is de
+nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht volgens onze
+wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch van dien aard,
+dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn uitgesloten. Ik heb
+er reeds op gewezen, dat de loi-type van de Association eene regeling
+geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal
+privaatrecht in overeenstemming is [535], doch dat deze regeling in het
+stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog verkeert,
+weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de meeste
+wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt tot
+een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of van
+de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en zoolang
+de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, onverschillig
+waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur behoort, voorloopig
+tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel
+genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar,
+hetwelk trouwens door internationale overeenkomsten grootendeels
+kan worden opgeheven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot
+enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.
+
+In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat
+voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het
+uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze
+bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in
+het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In
+laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat
+de uitgever Nederlander was (art. 6b). Men nam de bepaling tenslotte
+nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking "door
+den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aanleiding
+zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland moet
+zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch schrijver
+of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen door een
+gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een Nederlandsch
+uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in Nederland zou zijn
+uitgegeven of "door den druk gemeen gemaakt." [536]
+
+De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen
+genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij
+echter voor, dat het "gevaar", dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig
+was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het
+titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek
+te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk
+boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien;
+indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen
+voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk
+tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom
+zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou
+hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten
+zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der
+wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen.
+
+Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de
+vereischten "in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen
+gemaakt" en "gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk
+van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden
+niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men
+stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou
+worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens
+bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden
+als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in
+het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden
+aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen
+dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn
+voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de
+letters en cliché's, waarvan men zich bij het drukken bedient, in
+het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten
+is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde
+manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers
+over auteursrecht ten scherpste afgekeurd.
+
+Wil men dus het stelsel van de "nationaliteit van het werk" voor
+door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient
+deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschijnen,
+d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar
+het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. "Het feit der
+vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer
+terecht, "is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen,
+die tot het "in het licht verschijnen" leiden kunnen" [537].
+
+Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk
+stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium
+genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats
+hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor,
+dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen
+Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming
+vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf
+houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen
+hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de
+Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen,
+zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.
+
+Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet
+gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar
+criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats
+tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit
+verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet
+aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen
+tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne
+nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens
+het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven.
+
+
+
+Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van
+het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in
+Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een
+kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal
+dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk
+dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft
+gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land
+ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden
+beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor
+in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.
+
+Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn
+de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden,
+photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften--in
+één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging--zijn in
+dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen.
+
+Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie
+zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen
+zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere
+beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie
+is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet
+kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een
+Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar
+tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken,
+ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het
+boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst
+reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal
+zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan.
+
+
+
+
+§ 2 De Berner Conventie
+
+Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste
+herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats
+gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de
+Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen
+alle kracht te ontnemen.
+
+De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het
+Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te
+bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. Zij
+kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel blijven
+uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze staten blijft
+de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. Bovendien kunnen
+alle staten--ook degenen die zich eerst ná de Berlijnsche conferentie
+aansluiten--bij de bekrachtiging der nieuwe Conventie verklaren, dat
+zij op bepaalde punten niet door de nieuwe maar door de oude bepalingen
+gebonden wenschen te zijn. Voor de nieuw-toetredende staten bestaat dus
+ook de mogelijkheid om géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden
+en uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet
+met de wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid
+te worden van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen,
+dat eene dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in
+strijd zou zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling
+in Berlijn: "il faut espérer que les États adhérants n'abuseront pas
+de ce pouvoir de faire des réserves" wordt in het commissie-rapport
+[538] dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die men zeker niet
+onredelijk kan noemen.
+
+Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs
+zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen
+zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie.
+
+Wij hebben dus te onderscheiden:
+
+
+ I De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit:
+
+ a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;
+ b) een additionneel artikel;
+ c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde
+ onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;
+
+ II De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in
+ vier artikelen:
+
+ art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20
+ der Berner Conventie;
+ art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);
+ artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen;
+
+ III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging
+ geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der
+ Additionneele Acte van Parijs;
+ IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande
+ uit dertig artikelen.
+
+
+Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde
+der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik
+verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit
+de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol,
+Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake
+komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben.
+
+Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie
+1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen
+verdeeld, als volgt:
+
+
+
+a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in
+het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop
+de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk
+omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7);
+b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht
+art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10;
+op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische
+muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14);
+c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie
+voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);
+d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van
+iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of
+kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de
+geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie
+artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21-24;
+toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26;
+bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27-30).
+
+
+
+
+a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in
+het Verbond
+
+
+I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886
+art. 1)
+
+Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is
+gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als
+een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het
+doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt.
+
+Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene
+hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zou
+geven [539]. Als voorbeelden werden daarbij verscheidene malen genoemd
+de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van den industrieelen
+eigendom.
+
+Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent,
+is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging
+eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de
+"bescherming van de werken van letterkunde en kunst." De term droits
+d'auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat
+het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning
+van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk
+gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder
+juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van
+de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen
+geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen
+uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques)
+dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique
+bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het
+Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht.
+
+In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van "protection des
+droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc." dus: van de verschillende
+den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook
+ons woord auteursrecht de juiste vertaling.
+
+
+
+
+II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2
+en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896
+art. 2, I)
+
+De algemeene uitdrukking "werken van letterkunde en kunst", waarmede
+in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden
+aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer
+verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving,
+die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij
+de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1
+geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke
+categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.
+
+De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen
+uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle
+even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt
+beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is
+aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens
+is geweest, dat zijn:
+
+1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook
+hierboven heb gebruikt);
+
+2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard;
+
+3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;
+
+4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen,
+beeldhouwwerk enz.).
+
+Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie
+1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van
+alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie
+onvoorwaardelijk toepasselijk was.
+
+Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding
+tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken
+der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van
+kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels
+in 't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale
+bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij
+geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld.
+
+In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook
+bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen
+alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar
+reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de
+opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan
+een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van
+de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere
+bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.
+
+De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek
+auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde
+stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn
+vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede
+lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf
+in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier,
+maar onder artikel 14 bespreken.
+
+
+
+Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de
+Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden
+worden beschouwd.
+
+In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde
+producten zijn gerekend, dus:
+
+
+
+Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van
+beeldende kunst--Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de
+volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen:
+
+
+ De uitdrukking "werken van letterkunde en kunst" omvat:
+ boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische
+ of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
+ tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures;
+ lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische,
+ topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke
+ ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...
+
+
+Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:
+
+
+ "... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of
+ kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
+ of van eenige andere wijze van reproductie.
+
+
+De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding
+heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of
+de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er
+in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten
+beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming
+voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten
+onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste
+meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde [540], vernomen;
+er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan
+de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld,
+nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken,
+niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor
+afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat
+artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere
+schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien
+van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien
+van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het
+artikel worden aangeduid [541].
+
+Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is
+niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat
+in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers
+indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd,
+in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd
+volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land,
+waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen
+van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel
+staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de
+bescherming wordt genoten "welke de betreffende wetten den inlandschen
+auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de
+vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening
+van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd
+artikel naar "de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig
+is". Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder
+nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor
+werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar
+men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende
+bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen
+algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in
+sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend
+vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook
+met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog
+des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een
+bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van
+auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken,
+die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen
+dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet
+worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage,
+begrip dat de woorden "werken van letterkunde en kunst" in den titel
+en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons,
+welke de werken zijn die--volgens de regelen en onder de voorwaarden,
+welke de twee voorgaande artikelen stellen--in het Verbond beschermd
+zullen worden.
+
+Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot
+degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg
+om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden;
+het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als
+land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming
+wordt ingeroepen, beschermd zijn.
+
+Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist,
+en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij
+de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige
+verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk
+kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel
+in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen
+kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan.
+
+Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de
+Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel
+van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van
+artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie
+1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden,
+"die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten,
+die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan dus
+worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is,
+welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel
+4 genoemde werken niet beschermd zijn.
+
+Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou
+worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou
+moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche,
+die de geheele rubriek "werken van beeldende kunst" onbeschermd
+laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op
+dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a:
+
+"So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union
+beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich
+verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem
+Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze
+auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien."
+
+Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:
+
+"Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige
+Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren
+sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie
+Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne
+Erfindungsschutz zu besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar"
+[542].
+
+Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het
+toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken
+van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken
+betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 der Conventie
+1886. De "boeken, brochures en alle andere geschriften" van dit
+artikel zouden alle vallen onder de "geschriften" van artikel 1
+onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: "dramatische of
+dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" [543].
+
+Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is
+verheven, dan zou ook de uitdrukking "werk van beeldende kunst" in
+artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie wordt
+aangeduid met de woorden: "teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken
+en gravures" en waarschijnlijk ook de "lithographieën" (waaronder
+ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) [544] en
+"illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de
+"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
+algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen"
+zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, zooals ik
+in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van beeldende
+kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. (§ 2 p. 4)
+wordt wel gezegd: "Het spreekt echter van zelf, dat de namaak van
+bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet valt; immers
+bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch dit is eene
+verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed zeggen (al gaat
+natuurlijk overigens de vergelijking niet op): "een huisschilder is
+een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en dergelijke moge
+men teekeningen kunnen noemen, werken van beeldende kunst zijn
+zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen bescherming, dan
+zouden zij nog kunnen behooren tot de "plaat- en kaartwerken" van
+art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen uitdrukking onzer wet
+is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg gezegd. Indien men
+haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding tot de Conventie
+uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling verdienen, in
+de plaats daarvan de--misschien wat omslachtige, maar in elk geval
+duidelijke en volledige--termen der Conventie over te nemen, dus:
+"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
+algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen".
+
+Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten
+die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in
+hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie
+1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken,
+uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:
+
+
+ De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der
+ bovengenoemde werken te verzekeren.
+
+
+Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel
+zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het
+geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk
+was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met
+goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú
+een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste
+in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.
+
+Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten
+van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen,
+slechts als voorbeelden zijn genoemd van "producten op letterkundig,
+wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze
+gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk tot de laatstgenoemde
+producten gerekend worden, dan geniet het ook de bescherming der
+Conventie, al is het niet onder een van de met name genoemde rubrieken
+onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft men deze bedoeling
+(die men trouwens van den aanvang af ook met het oude artikel 4 gehad
+heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker uitgesproken. Van groot
+practisch belang is dit echter niet, want in de eerste plaats blijft
+er na de vrij volledige opsomming niet veel meer over, dat gerekend
+zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk
+of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze gereproduceerd
+kunnen worden [545] (behoudens natuurlijk de werken, die hierboven
+afzonderlijk zijn genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen
+worden: photographieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst
+en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze
+min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding
+m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor
+een staat (om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om
+tegen de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen).
+
+
+
+Photographieën--Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4
+Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat
+zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men
+echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél
+door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te
+maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen:
+
+
+ Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de
+ verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken
+ niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der
+ heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede
+ te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog
+ te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde
+ werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat.
+
+
+Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt,
+om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het
+niet bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die
+aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen,
+worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie,
+ook aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen,
+zelfs aan degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit
+laatste is eene uitzondering op het stelsel der Conventie 1886,
+volgens hetwelk de internationale bescherming slechts aan die werken
+ten goede komt, welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar
+zij het eerst gepubliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort)
+tot de beschermde producten worden gerekend. Voor het overige is
+echter de photographie-bescherming aan dezelfde regels gebonden,
+die de Conventie 1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt
+(b.v. wat betreft de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in
+het land van herkomst en de berekening van den duur van het recht);
+daar er niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in
+het leven geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun
+"de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" [546].
+
+De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling
+van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden
+tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere
+Verbondslanden te beschermen, die daaraan "het karakter van kunstwerken
+niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar
+vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren,
+doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst
+(dus niet als "kunstwerken"), niet verplicht aan de photographieën uit
+andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de
+bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan
+alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze
+al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.
+
+Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën
+op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring
+(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel,
+dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het
+land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën
+toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze
+uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op,
+om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken.
+
+Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in
+de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in,
+dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming
+van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in
+het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus
+niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter
+bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers
+het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen
+gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van
+den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is
+overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht
+van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare
+plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet
+bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke
+photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk
+nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want
+men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie--van een
+schilderij b.v.--ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer
+zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is
+met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie.
+
+De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat
+aldus luidt:
+
+
+ De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en
+ op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende
+ Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren.
+
+
+De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en
+Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten.
+
+Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der
+photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht
+zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid
+van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar
+opgesomde "werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat
+men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken
+gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat
+wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil,
+mits hij ze maar beschermt.
+
+De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield
+de vervulling in van een der "wenschen" welke op de Conferentie van
+Parijs waren uitgesproken, nl.: "dat in alle Verbondslanden de wet
+bescherming moge verleenen aan photographieën en aan werken, die met
+een soortgelijk procédé zijn verkregen." [547] Doch het tweede deel
+van dezen wensch: "dat de duur dezer bescherming minstens vijftien
+jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche Conferentie niet
+kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut inzag van een uniformen
+termijn, heeft men zich toch genoodzaakt gezien de beslissing over
+den duur der bescherming aan de wet van elk land over te laten. De
+desbetreffende bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie
+1908; ik laat haar daarom hier verder onbesproken.
+
+De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt
+ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort
+aldus worden samengevat.
+
+Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie
+1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende
+staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te
+beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet,
+óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten
+invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de
+photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.
+
+Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de
+eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van
+Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting
+op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren,
+doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het
+vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere
+Verbondslanden gelden.
+
+Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de
+wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die
+wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de
+internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar
+de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken
+worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is
+of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij
+toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van
+het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch
+wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen
+zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die
+bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen
+de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van
+niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou
+schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd
+kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908
+aan de staten die wenschen toe te treden, laat!
+
+Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de
+Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de
+Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats
+te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën
+van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in
+de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd
+(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in
+Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht
+daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en
+Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken genoemd);
+terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het ontbreken van
+uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht
+op photographieën wordt erkend [548]. Hoogstwaarschijnlijk zullen
+dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het Verbond,
+het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de Berlijner
+Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen heeft verklaard)
+[549]; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onderdanen dus in
+de geheele Unie de photographie-bescherming zullen kunnen inroepen,
+brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting
+mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij
+zich in te voeren.
+
+
+
+Choregraphische werken--Ten aanzien der choregraphische werken
+bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten
+aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in
+de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2
+waren de Verbondslanden "wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale
+werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden ze van "de
+voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst" te laten
+genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene
+groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming
+in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel
+te Bern [550] als te Parijs [551] stuitten deze pogingen op bezwaren
+af van de andere mogendheden. Het begrip "choregraphisch werk" stond
+nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de
+grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te
+worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn,
+bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de
+verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de
+landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een
+tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe
+te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd
+verzekerd.
+
+Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel:
+choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde
+producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen der
+Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch
+alleen op diegenen, "waarvan de dramatische actie schriftelijk was
+vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren vorm
+ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al te
+vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking [552].
+
+Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe
+bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel
+2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle
+landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten
+was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in
+overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld,
+dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm
+van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal
+zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de
+"dramatisch-muzikale werken" en de "muziekstukken" prijken dus nu in
+het nieuwe artikel de "choregraphische werken en pantomimes, waarvan
+de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd."
+
+Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet
+de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal
+hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In
+plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1
+jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2
+ten aanzien van dien staat van kracht blijven.
+
+
+
+Werken der bouwkunst--In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet
+(p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken
+der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en
+dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier
+niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht
+op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin
+zij zijn openbaar gemaakt.
+
+De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op
+de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond
+ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de
+Add. Acte art. 2, I, A.:
+
+
+ In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend
+ niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige
+ werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van
+ de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte.
+
+
+Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de
+photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus
+om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan
+alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche
+auteurs bestond.
+
+Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende
+Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men
+er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den
+algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden)
+toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen
+verzette zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde
+auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt
+[553].
+
+Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat,
+terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming
+uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie
+óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk
+verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt.
+
+
+
+Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst--Deze werken bieden
+voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote
+moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als
+in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar,
+om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die
+werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere
+kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke
+werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn,
+die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer
+verschillend gedacht.
+
+Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern,
+nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is,
+eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In
+de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel
+in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:
+
+
+ De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d'art
+ appliqué à l'industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche
+ wetgeving van elk land dit toelaat.
+
+
+Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk,
+Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling
+met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten
+slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die
+alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der
+kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche
+wetgeving overlaat.
+
+Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de
+oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren zij
+niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie
+1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is:
+"... ten slotte ("enfin") elk product op letterkundig, wetenschappelijk
+of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
+of van eenige andere wijze van reproductie".
+
+Het woord "enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend
+te moeten vertalen door "ten slotte" en niet door "kortom", zooals
+door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen tekst:
+"et en général"; dit is veranderd in "enfin" uitsluitend terwille
+der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het
+voorafgaande woord, de uitdrukking "en général" tweemaal kort achtereen
+in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast,
+dat met het Fransche woord "enfin" niet is bedoeld de opsomming, die
+eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts eene
+resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem is,
+zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard [554], niet
+"en somme" maar "en outre".
+
+Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus
+weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor
+photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders
+in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet
+veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de
+werken der kunstnijverheid.
+
+Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog
+niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats
+is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel
+uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over
+den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden
+toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in
+het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten
+behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar
+geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien
+der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale
+bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat
+zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het ééne land
+als kunstwerken, en in het andere land als objecten van industrieelen
+eigendom werden beschermd. Men stond dan voor de moeilijke vraag,
+of een dergelijk werk al dan niet als een "kunstwerk" in den zin der
+Conventie was te beschouwen. Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere
+moeilijkheid voor in verband met de te vervullen voorwaarden en
+formaliteiten, die in verscheidene landen voor industrie-producten wél,
+doch voor kunstwerken niet werden geëischt. Had men eenmaal in zijn
+eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld,
+dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk
+alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd geweigerd
+[555].
+
+Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in
+het Verbond--al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten--toch
+van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er
+in de meeste gevallen niet op te rekenen.
+
+Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering
+gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in
+werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de
+inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken,
+waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de
+rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu
+ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele
+Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor
+de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten,
+waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar
+niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er
+aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit--vooral waar
+het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht
+bestaat--niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog.
+
+
+
+Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken--Het tweede lid van artikel
+2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:
+
+
+ Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de
+ rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen,
+ bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere
+ reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées)
+ van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van
+ verschillende werken.
+
+
+Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie
+beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen,
+dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden,
+kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van
+volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd.
+
+De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel
+geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig
+uitgevallen. Het luidt als volgt:
+
+
+ Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken
+ beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie
+ ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld
+ in de artikelen 2 en 3.
+
+ Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid
+ tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen
+ verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald
+ wordt.
+
+
+Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel--wat
+zoo dikwijls geschiedt--niet scherp genoeg van elkander heeft
+weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den
+auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op
+zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven
+(nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht
+in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf.
+
+Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites),
+waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in
+strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken
+auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is
+opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne
+vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening
+van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van
+het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van
+elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het
+woordje "licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij
+de toepassing. Tot de "geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk
+ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend
+vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene
+toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886
+is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk
+dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de
+auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land
+"geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht
+was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog
+voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten
+worden, "ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in het Verbond
+beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig
+op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren
+van het besproken artikel de aandacht te vestigen [556].
+
+Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door
+uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler
+alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde
+opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en
+uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9;
+hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een
+tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van
+het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den
+vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.
+
+Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de
+Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te
+laten vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval,
+waarop de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen
+voordoen, wanneer--wat deze Regeering eveneens voorstelde--het
+uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou
+zijn gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een
+werk wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond [557]. Doch ook
+al was deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand
+gekomen, bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het
+spreekt vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het
+uitgeven van andere vertalingen te verzetten, daar het object van
+zijn recht is: de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om
+zich tegen de uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het
+uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het
+oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben
+overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te
+laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op
+zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling
+van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was.
+
+Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn
+een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In
+de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de
+plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie
+beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat
+noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: "onverminderd de
+rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", hetgeen evengoed
+had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze
+woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben.
+
+Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele
+Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze
+wet, die, zeer juist, "vertalers ten opzichte van hunne vertaling"
+met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op
+dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het
+toetreden van ons land tot de Conventie.
+
+Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen
+en verzamelwerken.
+
+Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst
+(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman
+tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een
+ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling
+toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen
+beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden
+arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het
+origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet,
+een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker
+op auteursrecht aanspraak kunnen maken.
+
+De bepaling laat echter--wat trouwens in deze materie niet anders
+kan--eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en
+jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal
+in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De
+inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere--min of meer
+van elkaar afwijkende--bepalingen bevatten, die voorzoover zij met
+het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit
+andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.
+
+Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich
+(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te
+beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet noodig,
+mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voorkomende
+gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land bij de
+bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De wet
+zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij bekend,
+nog nooit duidelijk hierover uitgesproken [558]. Wil derhalve ons
+land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen,
+dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in
+onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben)
+gewenscht zijn.
+
+Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in
+artikel 4 eene bepaling, die--eenmaal tot wet verheven--volkomen
+aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk
+van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere
+beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt
+daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt
+door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige
+auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen
+aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter,
+zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.
+
+Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog:
+verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault
+wordt hierover o. a. opgemerkt: "Ce que l'on veut protéger, c'est
+le travail qui a consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan
+déterminé, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux"
+[559]. Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor
+de verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een
+auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap,
+blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en
+men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf
+zal worden gebruikt.
+
+Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken "gevormd
+door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). Geen
+bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van verschillende
+werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van
+"verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de woorden
+"van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, waaraan
+de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat men ook
+verzamelingen van werken, die van een en denzelfden auteur afkomstig
+zijn, onder de bepaling wilde begrijpen [560]. Op dit--trouwens niet
+zeer belangrijke--punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met
+de Conventie.
+
+
+
+
+III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6;
+Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring
+1896 1o en 2o)
+
+De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele
+systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust.
+
+Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke
+werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten
+van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee
+voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle
+geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit
+de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt
+zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats
+van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een
+van de Verbondslanden thuis behooren.
+
+De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft
+den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken
+ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de
+internationale betrekkingen moeten worden toegepast.
+
+Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is
+van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit
+beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen
+het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht
+toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel
+bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur,
+om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die
+hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel
+mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de
+lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de
+wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van
+Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886
+was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel
+weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve
+met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land,
+waaruit het werk afkomstig is.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd
+worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende
+opzichten van belang is. Het "land van herkomst" (pays d'origine) moet,
+wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden
+staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van
+bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet.
+
+Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig
+vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3
+en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en
+niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst
+dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de
+nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur
+behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze
+beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en
+"gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd.
+
+
+
+1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur
+ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de
+Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden
+"sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende
+wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884
+als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking
+"ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie
+1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1,
+art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant"
+(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als:
+"qui ont l'indigénat".
+
+Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke
+verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men
+wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De
+band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het
+onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de
+termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt
+[564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan
+eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk,
+daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe
+behooren en welke daarvan de gevolgen zijn.
+
+De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot
+criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats;
+op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze
+aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik
+wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de
+Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen
+staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen
+de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268),
+maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen,
+hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen"
+behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche
+en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In
+een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp
+wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van
+Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór
+onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord
+"ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met
+"Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar
+ons recht niet tot de vreemdelingen behooren.
+
+
+
+2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de
+Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de
+uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder
+verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook
+door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime
+opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den
+afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding
+van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende
+te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van
+het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze
+opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in
+1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de
+Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi
+aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation"
+[569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking
+van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie
+eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk
+niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking
+"publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen"
+en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571].
+
+In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben
+geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de
+Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld,
+waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication"
+nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in
+de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is
+weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie
+1908 (art. 4 laatste lid).
+
+Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in
+druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een
+"door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde
+(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel-
+en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge
+voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang
+zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn
+gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie
+in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van
+plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke
+vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw
+geene publicatie uitmaakt.
+
+
+
+Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na
+bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het
+het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort;
+voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats
+gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen,
+die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene
+als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn
+heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de
+behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk
+nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en
+buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin
+de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd;
+de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming
+daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor
+in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen,
+dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.
+
+Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk
+gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken,
+alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het
+auteursrecht uitgaat [573].
+
+Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden
+samengevat.
+
+De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen
+gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond
+behooren, en
+
+2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke
+nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de
+landen van het Verbond heeft plaats gehad.
+
+Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen
+van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken,
+waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.
+
+De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie
+van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het
+volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de
+wet aldaar verleent;
+
+in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten
+voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van
+enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien
+de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het
+vertalingsrecht).
+
+In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als
+ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig
+enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens
+gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.
+
+
+
+Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden,
+is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op
+de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.
+
+Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen
+bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer
+niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die
+de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het
+auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land
+van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).
+
+Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten"
+(conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met
+"conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het
+voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige
+gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele
+voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574].
+
+Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de
+andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en
+formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in
+het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten
+mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds
+over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af
+heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het
+vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden,
+hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden
+gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie
+van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention
+de Berne" [575].
+
+Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk
+te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens
+uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van
+herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden
+en formaliteiten.
+
+Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land
+van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor
+de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2
+Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder")
+dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door
+deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd,
+geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst
+heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien
+deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming
+stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het
+lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het,
+meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest,
+dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den
+Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving,
+hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te
+breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs,
+van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen
+van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration,
+waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig
+werd geacht [576].
+
+De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming,
+d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt,
+kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst
+verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van
+herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig
+jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht
+vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig
+jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook
+buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.
+
+De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede,
+dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd
+is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de
+Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het
+ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van
+het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten
+(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend
+is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien
+men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut
+van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende
+wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste
+wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk
+eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag
+in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van
+herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land
+geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet
+ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge
+gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met
+een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.),
+in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien
+het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd
+is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming
+genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn
+van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.
+
+Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat
+er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien
+de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor
+het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen,
+behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie
+zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een
+auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die
+de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming
+betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden)
+en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten
+dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen
+de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming
+wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen
+van de laatstgenoemde wet van toepassing.
+
+
+
+De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel
+eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4
+Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van
+art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:
+
+
+ Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid
+ van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit
+ onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk
+ van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het
+ werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst,
+ de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den
+ auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend
+ bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt
+ ingeroepen.
+
+
+Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op
+dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn
+was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en
+strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden
+niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van
+herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld,
+en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar
+wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming
+betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen
+onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de
+Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel,
+zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken
+van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst
+geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.
+
+De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen,
+nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming
+wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten",
+niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in
+het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met
+"formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde:
+"conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de
+oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt
+niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord
+"condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de
+mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting
+harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend
+worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht
+zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn
+verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om
+een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen,
+had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten"
+willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions
+extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan
+b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere
+verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren
+van het werk.
+
+Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de
+Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in
+het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt
+van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke
+voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor
+een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in
+het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer
+heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen
+twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar
+niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden
+en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is
+medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de
+Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene
+belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger
+niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel
+der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld,
+durven beweren.
+
+Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de
+Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond
+een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel
+4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten,
+die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is
+alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden
+behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve
+in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets
+ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden
+behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk;
+en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet
+tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land
+van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende
+bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide
+artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.
+
+Artikel 5 is als volgt geredigeerd:
+
+
+ Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne
+ werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland,
+ hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche
+ auteurs.
+
+
+Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men
+achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land
+van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig,
+dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.
+
+De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der
+bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de
+motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke
+de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde
+stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat
+aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te
+zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle
+Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580],
+kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat
+de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.
+
+Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op
+het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat
+is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet
+met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor
+zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land
+zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel
+der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene
+bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet
+op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht,
+daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door
+de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is
+dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden
+waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.
+
+De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt
+eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als
+voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus
+van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche
+auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in
+de Conventie zelve omschreven zijn.
+
+
+
+De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het
+Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen
+dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen
+zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886,
+met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling
+(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur,
+maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was
+vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot
+het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken,
+daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog
+toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs
+zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de
+uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd
+zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581].
+
+De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde,
+is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij
+de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen
+het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever
+het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit
+recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had
+meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den
+auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met
+de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag
+liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling
+alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had
+verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever
+overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de
+auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden
+kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht
+dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur,
+kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den
+uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het
+auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl
+hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch
+ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht
+direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke
+hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij,
+om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract
+met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk
+geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid
+was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur,
+het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook
+moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.
+
+Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder
+uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden
+[582]. Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er
+aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam;
+de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle,
+om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs
+te verleenen [583]. In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896
+bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3:
+
+
+ Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren,
+ maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst
+ in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren,
+ genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de
+ tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.
+
+
+De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele
+veranderingen gebracht. Alleen werd--evenals ten aanzien van de tot het
+Verbond behoorende auteurs was geschied--onderscheid gemaakt tusschen
+de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land
+waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd
+heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als
+volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):
+
+
+ De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die
+ hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren,
+ genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs,
+ en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige
+ Overeenkomst verleent.
+
+
+De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken
+binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een
+der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben
+zij in het land van herkomst "dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs"--eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting
+meer behoeft--en in de overige Verbondslanden "de rechten, welke de
+tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit: behandeling
+in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel
+voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2)
+benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft.
+
+
+
+Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na
+te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van
+ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen
+tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en
+van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit
+kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit
+theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een
+of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals
+zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis,
+die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat
+de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt
+van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden
+en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven
+te worden.
+
+Indien--wat te hopen is--de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt,
+vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen
+aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand
+bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er
+evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het
+gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen
+verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend
+aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit
+de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg
+de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland
+herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de
+door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier,
+maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen.
+
+Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft
+gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking
+reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en
+verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze
+door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze
+nog even opsommen:
+
+1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die
+in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de
+Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd
+zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).
+
+2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere
+Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden
+gemaakt, ook: "de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige
+Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend
+terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886
+konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in
+art. 2 genoemd.
+
+3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van "auteurs of hunne
+rechtverkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen
+in de hier besproken artikelen) veranderd in "auteurs". De toevoeging
+"of hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers de
+vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist wordt
+[584].
+
+4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond
+en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie
+1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van
+het Verbond alleen als land van herkomst geldt.
+
+Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan,
+om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan
+dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in
+de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het
+Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3)
+aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds
+is gezegd, geene toelichting meer.
+
+Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding
+tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908
+zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit
+zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het
+Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt
+tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen
+gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze
+twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.
+
+
+
+1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken--Artikel 27 van de
+W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in
+Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling
+bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie
+in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op
+alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
+een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve
+zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland
+de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig
+zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de
+Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet
+door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die
+in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet)
+woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt,
+beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven
+gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming
+van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het
+gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in
+Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn,
+terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland
+herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen
+zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland
+wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval
+niet Nederland, maar Duitschland het "land van herkomst" zou wezen en
+dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou
+zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer
+wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou
+leiden en dat het dus beter ware daarbij--of in de plaats daarvan--het
+nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om
+andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient.
+
+De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien
+der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de
+voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is gehouden) [585] kan
+hier buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden is, is
+op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen invloed. Is
+een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de Conventie
+eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van herkomst),
+al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in Nederland
+gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens de
+Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst heeft.
+
+Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen
+rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt
+tusschen twee gevallen:
+
+a) Nederland is volgens de Conventie het "land van herkomst". De
+Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland
+zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de
+Nederlandsche wet.
+
+b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot "land van
+herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der
+Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op:
+
+1o alle rechten, die onze wet toekent, en
+
+2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent
+(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij
+in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft,
+de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land
+van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover
+zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie,
+worden medegedeeld.
+
+
+
+2 Door den druk gemeen gemaakte werken--Deze werken vinden volgens
+onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien
+zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk
+gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men
+haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben,
+goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden
+het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens
+de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land
+van herkomst heeft.
+
+Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen
+gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit
+Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere
+Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland
+zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen
+Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven
+dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is,
+wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de
+Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van
+art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te
+zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt
+moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt
+(inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van
+Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op
+zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10)
+vervuld moeten worden.
+
+De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de
+bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte
+werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel
+de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5)
+als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6)
+genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door
+den druk wordt gemeen gemaakt, "dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten
+aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie
+eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en
+eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet,
+daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen
+onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve
+zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven,
+aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet
+gebonden blijven.
+
+Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond
+door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere
+Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de
+volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent
+en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten),
+maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn
+(art. 4 lid 2, art. 6).
+
+Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch,
+dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending
+bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de,
+toch al twijfelachtige [586], reden van bestaan dezer bepalingen nog
+aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden hier
+beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbondslanden
+zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Nederland zelf
+laten verschijnen, zouden--voor de bescherming in Nederland--zich
+de vervulling der formaliteiten hebben te getroosten. En wat het
+vereischte betreft, dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, dit
+zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat er tegen het laten
+drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar bestaat en men toch op
+bescherming van het werk in ons land prijsstelt, dan zal de aangewezen
+weg zijn, ook de uitgave in het buitenland (mits binnen het Verbond)
+te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt,
+zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland
+niet beschermd zijn; wél echter, indien het ook in Duitschland werd
+uitgegeven. Uitgave in Duitschland in plaats van in Nederland zou
+bovendien nog het voordeel opleveren, dat de bescherming--ook die
+in Nederland--van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl
+ook de uitgebreidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen,
+daar het werk dan als "uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de
+uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds
+nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn
+er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland,
+maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de
+bescherming in het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog
+hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming in Nederland
+zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons land bij het
+Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel:
+hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch werk,
+d.w.z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in Nederland nog beter
+beschermd zijn dan indien het in Nederland was uitgegeven.
+
+Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft,
+deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de
+in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de
+bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land
+van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen
+verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland
+als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien
+ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude
+regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een
+uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts
+tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig
+uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard,
+zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En
+behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen
+kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte
+"land van herkomst" van hunne werken zullen beschouwen.
+
+Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het
+bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien
+ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde
+bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter
+beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze
+wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden
+zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere
+Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat
+in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans
+reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit
+van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde,
+dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn,
+te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat
+des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er
+na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland
+om zal worden gedrukt.
+
+Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in
+verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het
+bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881,
+met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er
+wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk
+gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:
+
+a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs
+(hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien
+der analoge bepaling in W. A. R.);
+
+b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken.
+
+Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn:
+
+a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
+een der Verbondslanden behooren;
+
+b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst
+door den druk zijn gemeen gemaakt.
+
+Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:
+
+c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in
+Nederland door den druk gemeen lieten maken.
+
+De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder
+eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c
+genoemde auteurs.
+
+Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven
+tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene
+beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk
+dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld,
+of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe
+van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is
+(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid
+dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel
+voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare
+handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding
+tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het
+land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te
+zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle
+andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch
+werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een
+Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van
+hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt
+gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk
+met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de
+bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of
+formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies
+hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd
+zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den
+druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch
+stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar
+in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de
+bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland
+het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens
+art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland
+op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten,
+hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken
+te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben
+verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door
+de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan!
+
+
+
+De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de
+volgende.
+
+De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot
+het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het
+Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen
+of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met
+bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en
+7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien
+van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn)
+terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan
+de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in
+den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs
+en uitgevers de slachtoffers zouden worden.
+
+Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen
+in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle
+opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:
+
+1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en
+beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning
+dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen
+gemaakte werken zonder eenige formaliteit;
+
+2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn
+gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op:
+
+a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche
+onderdanen;
+
+b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn
+gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou
+ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid
+W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker
+onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
+drukkerij is gedrukt.
+
+
+
+
+IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2)
+
+De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886
+is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop
+de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van
+invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere
+landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet
+van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den
+kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den
+duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.
+
+Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de
+bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar
+geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het
+land van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een
+amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht
+betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond
+zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd opgemerkt,
+dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen,
+eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land
+met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van den
+langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog beschermd
+zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds een einde had
+genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde land de vreemde
+auteurs zich met de bescherming van korten duur tevreden zouden moeten
+stellen. Dit zou--zoo meende de Fransche delegatie--voor sommige landen
+eene aanleiding kunnen zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van
+korten duur in te voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun
+nationaal standpunt alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren
+[587].
+
+De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het
+Duitsche en het Fransche voorstel.
+
+In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond
+aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid
+van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:
+
+
+ De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst
+ wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren
+ na zijn dood.
+
+
+Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede
+lid van het artikel luidt:
+
+
+ Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen
+ van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden
+ door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen
+ en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet
+ mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg
+ slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen
+ voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.
+
+
+De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van
+vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet,
+slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het
+auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van
+deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie
+worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij
+de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden
+voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is--zooals ik reeds
+opmerkte--niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat
+de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den
+dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet
+de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming te
+brengen. De Engelsche Regeering heeft zich zelfs op de Berlijnsche
+Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle
+vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden [588].
+
+Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele
+eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden
+en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de
+bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu
+men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen
+worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst
+der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den
+dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de
+officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat
+niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een
+door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste
+staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.
+
+Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden
+hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor
+enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn
+van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het
+recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen [589]), zijn met
+het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene regel
+van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op: photographieën
+en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en anonieme of
+pseudonieme werken. De duur van het recht op deze werken zal geregeld
+worden door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen,
+doch zal niet langer kunnen zijn dan die, welke de wet van het land
+van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3).
+
+Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de
+Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven
+(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur
+der bescherming dien van het land van herkomst "niet kan overtreffen"
+(ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der Conventie
+1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer bescherming
+te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan
+de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt verleend, stelt. Op
+rechten, die buiten de Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de
+bepaling dus niet toepasselijk [590].
+
+De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de
+berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming
+in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het
+land van herkomst in het geheel niet beschermd is--hetgeen trouwens
+ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet
+dikwijls meer zal voorkomen--dan kan dit niet meer, zooals onder
+de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen
+bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het
+tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen
+"onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van
+herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen
+twijfel over.
+
+
+
+Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar
+aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige
+overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar
+na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit
+het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij
+ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet,
+waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor
+de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de
+Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook
+nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een
+vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was,
+dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een
+boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen
+de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel
+die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter
+bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat
+trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven,
+een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal
+integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit
+zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van
+onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van
+ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood
+des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze
+aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van
+het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd
+zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden
+kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier,
+maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij
+aan deze werken een beter "land van herkomst" zouden kunnen bezorgen.
+
+
+
+
+b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen
+
+
+I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886
+art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)
+
+Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend
+vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer
+gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Conventie was men
+hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: "la disposition
+capitale et essentielle du projet" [591] en later, op de Conferentie
+van Parijs: "la question internationale par excellence" [592], en dat
+dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de lange
+beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berlijn over deze
+kwestie gehouden.
+
+In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht
+met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in
+art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter
+subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: "indien van
+dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt."
+
+Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake
+bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde
+vraagpunten. Een dezer vragen luidde:
+
+"Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die
+van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan
+die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?"
+
+De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een
+vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden
+en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk
+zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van
+eenstemmigheid van alle staten op dit punt [593].
+
+Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel
+van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren
+geformuleerd:
+
+1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn
+van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te
+beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling,
+en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van
+dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk.
+
+2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig
+voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal,
+waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die
+uitgave verschijnt.
+
+3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van
+vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken.
+
+Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie
+onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie
+aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht
+uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave
+der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk
+werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze
+voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van
+haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar
+oordeel, dat "la tendance de l'époque est à l'assimilation de la
+durée du droit exclusif de traduction à celle du droit sur l'oeuvre
+originale" [594], doch dat de voorgestelde redactie alleen gekozen
+was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet
+zoover gevorderd was, mogelijk te maken.
+
+In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche
+zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen,
+terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid werd verklaard
+om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te verleenen dan
+een vertalingsrecht van tien jaar [595].
+
+Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie
+vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche
+wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en
+Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door
+den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen,
+weg te laten, óf--indien men hiertoe niet kon besluiten--in elk
+geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest
+verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te
+verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen
+kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou
+volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden
+gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie
+te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel
+werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel
+werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met
+het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming
+hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie
+zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van
+overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten,
+dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie
+reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.
+
+Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld,
+in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na
+de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet
+binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.
+
+Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie
+1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn
+van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als
+een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden,
+omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de
+stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het
+juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover
+alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch,
+zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken:
+
+"Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers
+l'assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction
+en général" [596].
+
+Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie
+van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken
+zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van
+"assimilation complète". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog
+niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van
+Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling
+in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van
+het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling
+verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.
+
+Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat
+zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen
+[597]. Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der Conventie
+gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling zoodanig
+gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel (volkomen
+gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder meer is
+vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende voorwaarde
+inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. "Nos successeurs
+n'auront qu'à supprimer tout ce qui suit cette phrase", merkte Renault
+in zijn rapport daarbij op [598].
+
+En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer
+de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van
+zijne in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang
+gekoesterden wensch constateeren [599]. Het voorstel was uitgegaan van
+Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner Bureau
+de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel
+(art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt:
+
+
+ De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van
+ niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor
+ de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in
+ de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht
+ op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken
+ te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen.
+
+
+Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van
+Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel
+ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend
+vertalingsrecht--doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en
+de overige Verbondslanden--geheel te doen vervallen. Als argument
+voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche
+taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen,
+dat daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en
+zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de
+andere beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig
+letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg
+werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu
+ook het uitsluitend vertalingsrecht te moeten rekenen [600].
+
+Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel
+niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke
+termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van
+aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt
+te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van de
+grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien werd
+opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht in
+Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van hetgeen de
+Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige vertalers door
+onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij komen er juist
+eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij de zekerheid
+hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen zijn [601].
+
+Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich
+bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds
+toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er--tenzij het
+geheel uit de Unie wil treden--geen andere weg voor dit land over,
+dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van
+het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige
+auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring
+van den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908
+werd bij de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den
+Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien
+zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan
+[602]. Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging der Conventie
+1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan de bepaling van
+art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte van Parijs.
+
+Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de
+twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben
+bekrachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog
+slechts een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het
+ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908
+onvoorwaardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede
+plotseling in de voorste rij zullen komen te staan [603].
+
+
+
+Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend
+vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht,
+dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste
+werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie
+1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte
+maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch
+onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling
+verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking
+wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde.
+
+Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die
+zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over
+deze keus--speciaal in verband met de toetreding van ons land--zal
+zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter
+eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde
+Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet--of
+tenminste niet terstond bij de aansluiting--het nieuwe art. 8
+onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van
+1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.
+
+Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort
+tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of
+zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de
+rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement
+accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden
+dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend
+materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele
+Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld
+heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten
+op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk,
+voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8
+Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als
+"het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de
+inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den
+duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans
+meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op
+het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie
+geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel
+door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten
+voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604].
+
+Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een
+minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit
+de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond,
+zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen
+vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908
+(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij
+de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie
+1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang
+ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte,
+daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908,
+het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.
+
+De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel
+getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat
+aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren
+duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs
+minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen,
+indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De
+grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie
+in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan,
+in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden
+zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval
+is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is
+en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken
+uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover
+zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter
+van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de
+Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de
+Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland
+tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te
+bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan
+zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd
+zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien
+jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met
+het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het
+uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
+dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche
+auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond
+niet worden opgeheven of verkort.
+
+Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude
+art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.
+
+Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de
+wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus:
+
+
+ De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne
+ rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend
+ recht hunne werken te vertalen, enz.
+
+
+Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende
+auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling
+niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken
+van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908
+en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig
+"de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk
+verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd
+wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de
+Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder
+is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie
+1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de
+tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter
+alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden
+ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).
+
+De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het
+vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de
+zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar
+het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van
+onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden
+en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De
+redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene
+andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft
+zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling
+in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is
+vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter
+moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van
+de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor
+de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven
+werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken
+een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor
+de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt,
+zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet.
+
+In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin
+de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden
+nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den
+termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn
+nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten
+aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften"
+(bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van
+1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage
+paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même
+une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de
+l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique,
+que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage
+incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering"
+geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter
+ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de
+"livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen.
+
+Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de
+meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende
+interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken
+van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven
+werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats
+gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4
+lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige
+Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het
+artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar
+het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt,
+konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886
+geheel vervallen.
+
+Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht
+der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons
+land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van
+onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit
+slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg
+korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven
+worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen
+het toetreden van ons land maken.
+
+Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd,
+dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten
+eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht
+zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de
+internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de
+erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van
+eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen
+de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen
+doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond,
+bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt
+te denken.
+
+Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond
+blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886,
+een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat
+toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de
+tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche
+Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen
+deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige
+internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men
+heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland
+op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken,
+door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden,
+waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het
+Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling,
+waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de
+internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de
+gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde
+ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer
+eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om
+in dezelfde richting verder te gaan.
+
+Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde
+Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie
+is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen
+onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een
+vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie
+1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook
+onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier
+nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat,
+slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte
+goedkeuring verleenen.
+
+Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in
+dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij
+zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal
+auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle
+andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed
+is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere
+landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht
+van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht
+nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot
+invoering van den langeren termijn kunnen overgaan.
+
+Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te
+groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch
+eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even
+langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat
+er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want,
+ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard,
+zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie
+1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de
+oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit
+laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land
+slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat
+voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte
+termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland
+uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs)
+zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken
+uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde,
+gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland
+(en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden,
+hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België
+of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe
+kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij
+hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer
+het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield.
+
+Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor
+pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908
+onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande
+den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar
+"om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als
+een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu,
+dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou
+kunnen hebben.
+
+
+
+Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de
+Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige
+auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor
+uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de
+belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave
+en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij
+voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij
+(art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt,
+geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op
+in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen
+beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er
+zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche
+wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het
+vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901;
+Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en
+eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde;
+Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een
+"Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele
+Acte hebben bekrachtigd).
+
+Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is
+uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche
+wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de
+Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook
+niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen
+[608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de
+inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming
+zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond
+toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen,
+die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale
+betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar
+(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even
+langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene
+geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd
+door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het
+vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).
+
+
+
+
+II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7;
+Add. Acte 1896 art. 1, IV)
+
+De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen
+voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde
+stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale
+verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en
+ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het
+van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de
+internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij
+de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien.
+
+Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den
+Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam,
+werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885
+aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een
+Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen
+aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve
+wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp
+van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden
+voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de
+quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden
+gerekend die over de politiek [609].
+
+In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen
+verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine
+redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie
+is opgenomen.
+
+Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit
+dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van
+elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft
+verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour)
+en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een
+verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming
+van auteur of uitgever worden overgenomen.
+
+Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring;
+het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf
+verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig
+van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De
+Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie,
+waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening
+gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen
+neerlegden [611].
+
+Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen:
+
+a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn;
+
+b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen
+worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren,
+dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen
+in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het
+artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron;
+
+c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten,
+waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.
+
+Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid
+over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom
+verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland,
+België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat
+men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had,
+tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort
+het volgende.
+
+In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene
+regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften
+("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige,
+wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan
+is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden.
+
+Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van
+tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen
+feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie
+niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd.
+
+Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is
+op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+persinformaties dragen.
+
+
+
+De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie
+achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men
+de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden,
+een oogenblik afzonderlijk beschouwt.
+
+Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op
+het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting:
+het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander
+overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren
+van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op
+het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei
+aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van
+werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten
+tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval
+worden uitgestrekt?
+
+Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat
+de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten
+en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de
+reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze
+werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht
+betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat
+hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in
+het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour
+et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On
+ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire,
+ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu
+de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts
+peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et
+non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser
+cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière"
+[614].
+
+Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdrukking
+gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat "de bescherming der
+Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde berichten,
+die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. Er is op de
+Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene bepaling op te
+nemen tegen het overnemen van telegraphische berichten uit dagbladen
+[615]. Doch men heeft ingezien, dat men daarmede buiten het gebied van
+het auteursrecht zou treden. Daarom is ook de bovengenoemde redactie
+gekozen van art. 9 laatste lid, waarin duidelijk staat uitgedrukt, dat
+de Conventie zich met de bedoelde berichten in het geheel niet inlaat
+en zich over het al of niet rechtmatige van het overnemen ervan niet
+uitspreekt [616]. Dit is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de
+Add. Acte 1896 op dit punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten
+(en ook op politieke artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk,
+dat de auteur of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon
+stellen, niet toepasselijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de
+verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de
+Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder
+toestemming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin
+b.v. een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak
+echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en
+Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer
+hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen
+geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten
+beschouwing blijven.
+
+Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van
+journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen
+noodig zijn.
+
+Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt
+tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en
+de Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in
+het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in
+tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwijl de Conventie
+1908 uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten
+aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn,
+dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting,
+waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich
+rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling
+der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een
+publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver,
+het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere
+bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook
+voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van
+een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal gevoelen,
+om stukken uit andere bladen over te nemen.
+
+De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe bepaling
+der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.
+
+Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk
+na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden
+gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn,
+geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie
+1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen,
+die der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.
+
+Wij hebben dan te onderscheiden:
+
+1) feuilleton-romans en novellen,
+
+2) artikelen over de politiek,
+
+3) alle andere artikelen.
+
+De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886
+niet genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de
+journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden [617], wordt veelal
+aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en
+dat dus ook vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen
+voorbehoud behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit
+ook te Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben
+geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op
+de Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde,
+doch later weer ingetrokken "Verklaring", waarin deze interpretatie
+uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over
+voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar
+slechts eene uitlegging der bepaling bracht [618].
+
+Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke
+bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van
+oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene
+wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; "... il n'y
+a pas vraiment innovation; la disposition est seulement explicative",
+merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op [619].
+
+Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat
+feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren,
+waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten
+(art. 9 lid 2).
+
+Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste
+gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport
+van 1896 worden de novellen ("nouvelles") omschreven als: "de petits
+romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent
+dans un seul article de journal ou de revue" [620]. De Engelsche
+vertaling is "works of fiction" en de Duitsche "Novellen". Hier
+is dus ook ons woord "novellen" op zijne plaats. De rapporteur van
+1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving,
+dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar
+als tot deze soort werken behoorende genoemd: "de petits dialogues,
+de petits récits historiques, etc." [621].
+
+
+
+Onder artikelen over de politiek (articles de discussion politique),
+die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886
+en Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan,
+welke de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen
+over staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin
+heeft men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming
+met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken [622].
+
+Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en
+gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen,
+ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had,
+vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten
+aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche
+bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op
+de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet
+aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een
+auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk
+van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908
+de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen
+laten vallen.
+
+
+
+De, hierboven in de derde plaats genoemde, "alle andere artikelen",
+waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn
+dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken
+in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde
+berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek,
+en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitgezonderd:
+"nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen.
+
+Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog
+voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen
+voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel,
+dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer
+ingetrokken [623].
+
+
+
+Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid,
+die voor de genoemde werken wordt verleend?
+
+In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen
+van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit
+uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin
+stemmen de regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen),
+dat het auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den
+rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven
+te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door
+het stellen van een verbod.
+
+Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen,
+ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen
+of verduidelijkingen hebben gebracht.
+
+In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet
+worden onder het overnemen of "reproduceeren" van een artikel
+in dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt
+het reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de
+uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de
+Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar
+er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het
+auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van
+reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor
+iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De
+Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is
+alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude bepaling
+(Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1)
+liet het overnemen toe "in de andere Verbondslanden"; vrij algemeen
+wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het overnemen in
+andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel in geen geval
+toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm te publiceeren. Zoowel
+op de Berner Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie
+van 1896 was men het over deze uitlegging der bepaling eens [624],
+en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn
+werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: "C'est une
+précision, et non une innovation" [625].
+
+Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die
+betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd
+voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie
+opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van
+het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van
+den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld
+[626]. Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel
+duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het
+voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens
+de theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld,
+geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam
+de Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij
+zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van
+"de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde
+en kunst"; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van
+den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen
+van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan,
+"mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat het overnemen van
+dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te voldoen, als
+inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit doctrinair
+oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te maken,
+dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed onderscheidt.
+
+Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift
+betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk
+bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald
+wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen
+(Conventie 1908 art. 9 lid 2).
+
+De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der besproken
+regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog het
+minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het
+volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.
+
+
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+ |Van alle bescherming |Voorwaardelijk beschermd |Onvoorwaardelijk
+ |uitgesloten: |d. w. z. mits door uitgever |beschermd:
+ | |of schrijver een verbod van |
+ | |nadruk is gesteld: |
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Conventie |artikelen over de |dagblad- en |(feuilleton-romans
+1886 |politiek, nieuwtjes en |tijdschriftartikelen |en novellen)[627]
+art. 7 |gemengde berichten. | |
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Add. Acte | id. |id. behalve feuilleton- |feuilleton-romans
+1896 | |romans en novellen. |en novellen.
+art. 1, IV| |De bron moet worden genoemd.|
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Conventie |nieuwtjes en gemengde |dagblad-artikelen, behalve | id.
+1908 |berichten, die het |feuilleton-romans en |benevens alle
+art. 9 |karakter van eenvoudige|novellen. |artikelen in
+ |pers-informatie dragen.|De bron moet worden genoemd.|tijdschriften.
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+W. A. R. | [628] |berichten en opstellen uit |
+art. 7 | |dag- en weekbladen. |
+lid 2 | |De bron moet worden genoemd.|
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+
+
+De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral met
+den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding
+van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien
+in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier
+uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte
+werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit
+"door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië is
+geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn,
+in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen
+toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in andere
+Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen
+rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch
+(d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te
+beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier
+te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede
+lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou
+hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit
+de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven,
+daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend de
+plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats
+waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.
+
+Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze
+toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in
+overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit
+niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter,
+dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van
+dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet
+volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche
+pers--eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan--dan bestaat
+er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk ten
+aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard,
+ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich
+aan de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze
+verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de
+Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en
+de buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie
+behoeven--zooals wij gezien hebben--geen aanleiding te geven tot
+verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij
+eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging
+werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op
+alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in
+druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een
+Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens
+de Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en
+de rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene
+vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen
+te kunnen toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk
+zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en
+tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het
+overnemen van stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen.
+
+Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de
+Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze
+aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk
+worde aanvaard. In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd,
+dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie
+1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen
+laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen
+den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de
+beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk
+van feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de
+Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.
+
+Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient
+het nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat
+hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond,
+het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.
+
+Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal
+zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele
+Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw
+toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat
+dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen
+beweren.
+
+Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe bepaling,
+volgens welke de sanctie op het niet nakomen der verplichting, de
+bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van het land, waar
+de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 3). Eene
+bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er staat daar
+(art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen maken van
+berichten enz. vrijstaat "mits de bron genoemd worde", doch de wet laat
+zich niet uit over de gevolgen van de overtreding van dit verbod. Het
+ware wellicht wenschelijk om--zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd
+heb--op dit punt de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet
+noemen van de bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit
+(eene overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart.
+
+
+
+
+III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art. 8)
+
+Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland
+een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde,
+waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het
+belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het volgend
+jaar van verschillende zijde bestrijding [629] en werd tenslotte in de
+Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen [630]. Toen de poging,
+om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele Verbond tot
+stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de Commissie van 1885
+in de plaats van het afgestemde artikel de volgende bepaling voor,
+die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd is blijven bestaan
+(art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):
+
+
+ Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of
+ kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk
+ karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de
+ bepalingen van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen
+ dezen bestaande of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten
+ gehandhaafd.
+
+
+Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die
+bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer
+bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie
+1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling
+nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en
+bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat
+ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden
+verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.
+
+
+
+Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt
+in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen "ter aankondiging
+of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk
+iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. Bij
+de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de vrijheid van
+citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van alle landen
+werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne wetgeving
+binnen zekere grenzen wordt erkend [631]. Aan deze verklaringen werd in
+het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd [632]. Het mag dus
+als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de Conventie
+in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende bepalingen
+der landswetten ook tegenover werken uit andere Verbondslanden van
+kracht blijven.
+
+Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke
+onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft,
+gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding
+tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken
+van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.
+
+Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast
+artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen
+Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:
+
+
+ De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën,
+ samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers,
+ zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd
+ zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of
+ vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.
+
+
+Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk zijn
+[633], en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook
+b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden geacht,
+zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding van ons
+land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, van de vrijheid die
+artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten en afzonderlijke
+tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan volgens de thans
+bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene bepaling, in den
+zin van de bovengenoemde uit ons tractaat met Frankrijk, in onze wet
+op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, welke
+art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk zijn
+op alle bloemlezingen, die in Nederland zouden worden verspreid,
+waarin werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn
+opgenomen. Het behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie
+zijne tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs
+dezen weg (nl. door eene bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen,
+die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger
+is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst
+te sluiten.
+
+Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier
+nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor
+schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie,
+althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door
+tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van
+17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot
+de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het
+bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken
+van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de
+bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt":
+(volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het
+geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze"
+en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend
+verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft
+met den reus!" [634]
+
+Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg
+en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in
+'t geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de
+wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche
+rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk
+moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie
+worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften
+in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van
+andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen
+zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten
+bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid
+van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling
+van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers
+gerust zijn.
+
+
+
+
+IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. 1886 art. 9)
+
+Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en
+uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene
+afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie
+1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel
+reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand
+gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar
+werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan,
+in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.
+
+Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen
+het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken
+en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden
+de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard;
+het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk
+waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden,
+eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken
+niet gold.
+
+Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken
+was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van
+Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs,
+ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd
+ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het
+niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen
+der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de
+volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven
+werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde
+uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van
+een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden
+vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog
+van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering
+zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt,
+zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen
+door dilettanten, en dergelijke.
+
+Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig
+den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden
+en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt,
+dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De
+wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen
+een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels
+in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen
+opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren
+hun grond hadden verloren.
+
+Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken
+en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de
+oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele
+andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis,
+zooals hieronder zal blijken.
+
+In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering
+door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer
+vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten
+van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van
+1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2"
+hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan
+gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in
+wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze,
+dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden,
+volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale
+bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7
+Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het
+uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien
+hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de
+landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het
+afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd,
+maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming
+in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die
+van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis
+hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop
+neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de
+wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit
+een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van
+eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur
+van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid
+2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet
+mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend,
+dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van
+het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn",
+en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van
+korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op-
+of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land
+verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
+doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal
+het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere
+landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten
+termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig
+jaar na den dood des auteurs [638].
+
+Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie
+1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de
+boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van
+tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier
+valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe
+bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang
+het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen
+ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het
+uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld)
+omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908
+hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het
+recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld
+(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien
+van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het
+evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil
+is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten
+opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.
+
+Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne
+lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in
+dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de
+artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering
+eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8.
+
+
+
+Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op
+onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en
+uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15,
+1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende
+tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk
+wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12).
+
+Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.
+
+Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn
+om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het
+Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst
+uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op
+heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar
+als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn
+betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een
+land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten
+gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten,
+dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden
+om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de
+wet worde erkend.
+
+Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben,
+toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn,
+dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen
+uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming
+nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden
+verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze
+zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze
+toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken
+in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet
+te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal
+blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien
+van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is
+het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de
+erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het
+muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit
+wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908
+art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen
+wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886.
+
+Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale
+werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar
+in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen
+gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden
+ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht
+een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des
+auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië
+(tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens
+het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige
+auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet
+dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere
+Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen
+maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt,
+zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd
+bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van
+Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens
+onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van
+den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het
+buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud,
+dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk
+zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit
+niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden.
+
+Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen
+voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht
+zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten
+worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In
+dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het
+opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding
+tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te
+worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige
+bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.
+
+Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal
+(waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend
+recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij
+gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908,
+de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht
+van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen
+over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten
+toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen
+van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere
+landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve
+uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der
+Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.
+
+
+
+
+V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring
+van Parijs 3o)
+
+De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk
+van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het
+samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij
+met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet
+worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het
+op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit
+vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886,
+dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten
+gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet
+minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639].
+
+Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de
+min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het
+werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt,
+stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk
+op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de
+bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het
+bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent:
+"pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere
+smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding
+zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij
+"omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als
+voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in
+veranderden vorm uit te sluiten.
+
+Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde
+"dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling
+van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag
+bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft
+men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het
+artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt:
+
+
+ Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
+ Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder
+ de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk
+ van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden
+ aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming
+ van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd,
+ enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een
+ dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen,
+ toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets
+ afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw,
+ oorspronkelijk werk.
+
+
+In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van
+dezen inhoud:
+
+
+ Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der
+ verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de
+ bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.
+
+
+Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te
+schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette
+[640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel
+zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het
+artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste
+lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met
+de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten
+houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten
+punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig
+uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht
+blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook
+in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie,
+die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het
+recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht,
+maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
+Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept
+hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen,
+arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft,
+evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang
+der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de
+verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating
+van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12
+Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op
+dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling
+mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn
+land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het
+artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642].
+
+
+
+In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet
+voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over
+de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt,
+ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten,
+ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen
+eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met
+de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een
+uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan;
+het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het
+reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over
+deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de
+redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189
+sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid;
+met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan
+te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter
+bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht
+[643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na
+onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou
+kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land
+zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te
+verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen
+van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en
+dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan
+kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene
+dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid
+worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene
+uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde
+interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2
+Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.
+
+
+
+
+VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886
+Slotpr. no. 3)
+
+In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886)
+had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den
+graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht
+der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar
+hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel
+worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts
+een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en
+die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol
+vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren,
+die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het
+verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets
+over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in
+de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De
+bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt:
+
+
+ Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van
+ instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
+ weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet
+ wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.
+
+
+Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven,
+wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling,
+welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk
+te bespreken.
+
+Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886
+moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt
+aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en
+draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij
+het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van
+reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de
+later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista,
+phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél
+inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij,
+die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van
+Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties,
+die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in
+1889 in dezen zin uitliet [644].
+
+Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter
+der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij
+toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische
+muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar
+zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek
+zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts
+het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg,
+dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd,
+dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort
+instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in
+1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor
+de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging
+van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking
+werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de
+bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op
+alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
+weer te geven" [645].
+
+Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze
+geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken
+reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis
+van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden
+over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk
+Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que
+les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886)
+marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments
+de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition
+aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires."
+
+De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en
+verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van
+muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar
+omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus
+in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646].
+
+Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs
+in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te
+herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de
+handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's,
+elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van
+muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten
+reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen
+notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds
+luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan
+de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming
+te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle
+muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op
+aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te
+vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde
+toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was.
+
+Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner
+Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook
+geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen
+(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en
+Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens
+was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische
+muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken;
+alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van
+no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de
+bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het
+onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar
+overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte,
+nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13
+Conventie 1908 is voortgekomen.
+
+De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der
+componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen,
+zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken
+spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van
+die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche
+wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde
+lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene
+bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten,
+waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.
+
+Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij
+houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het
+terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten
+op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3
+Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat
+dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde
+instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering
+noemt.
+
+De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste
+staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing
+hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men
+ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen
+rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de
+auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner
+werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou
+kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen
+ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er
+voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over
+nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan
+deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling
+opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten
+gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder
+derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van
+strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het
+bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem
+bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland,
+het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig
+mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo
+kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke
+Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen,
+waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van
+art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden
+of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.
+
+Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd
+te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit
+het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft
+voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten
+van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs
+zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik
+te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog
+uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een
+staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht
+zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten
+minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens
+deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van
+instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder
+voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden
+mogen worden [650].
+
+Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden
+erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren
+(cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is
+gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een
+bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel
+bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste
+lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden
+der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor
+mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid
+3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen
+gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die
+muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die
+wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens
+zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de
+beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden
+vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport
+wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit
+artikel betreffen [651].
+
+Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid
+van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene
+Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten,
+rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde
+voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den
+componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft
+men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13
+toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de
+landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen
+gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel
+van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het
+auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste
+bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie,
+die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den
+aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld
+schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652].
+
+
+
+De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13
+Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig
+toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door
+eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol
+1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd
+komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn,
+moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden
+en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de
+bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden,
+tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol
+1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt.
+
+Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet
+bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der
+componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het
+auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen
+meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen
+eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding
+tot de Conventie.
+
+Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne
+meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik
+reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te
+lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts
+voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het
+auteursrecht ten grondslag hebben gelegen.
+
+Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied
+van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend
+tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden
+van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor
+bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder
+gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen,
+waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald
+zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een
+afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken
+van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne
+grenzen ervoor gesloten houden.
+
+
+
+
+VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)
+
+De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908;
+het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische
+voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan
+behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de
+Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit
+reproductie-middel is gesproken.
+
+De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats
+betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans
+werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de
+bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den
+kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van
+het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf
+is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze
+bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien
+nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog
+wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder
+buiten beschouwing te kunnen laten.
+
+Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om
+werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt
+weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den
+kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging
+van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering
+met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten
+worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van
+"letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet
+alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie
+op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook
+de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen
+uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede
+vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in
+het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde
+dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en
+gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.
+
+Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van
+wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft
+kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt
+in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan
+eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling
+te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld
+is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte
+operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel,
+dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals
+reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve
+m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken"
+in art. 14 als niet geschreven te beschouwen.
+
+Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door
+middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds
+opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar
+in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is,
+opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden
+gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft
+in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den
+systematischen weg.
+
+De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in
+art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische
+voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de
+auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der
+voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk
+karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel
+van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of
+kunst-werk".
+
+Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen
+zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.),
+geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit
+een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor
+kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik
+van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een
+oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben
+verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle
+"werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is.
+
+Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld,
+is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch
+de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk
+[654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende
+tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend,
+ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met
+betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der
+kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang
+van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant
+is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking,
+welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze
+bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering"
+kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde
+auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van
+den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk
+werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen,
+analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt
+is het recht van den bewerker op zijne bewerking.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling
+verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen
+zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken,
+d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte,
+"stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door
+middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen
+denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen
+echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding
+geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling
+noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën
+valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het
+afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op
+meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet
+alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie,
+maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere
+acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.
+
+Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de
+inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting
+op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het
+omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te
+verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene
+regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan
+de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel,
+de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te
+verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen,
+die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen
+vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den
+kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer
+korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de
+auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen
+aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven
+natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van
+het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf"
+aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet
+voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave
+van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden),
+zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken
+van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2)
+vrijgesteld zijn.
+
+
+
+
+c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
+
+In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908)
+geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke
+dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In
+de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het
+auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren
+(art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten
+leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd
+(art. 16).
+
+
+
+
+I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11)
+
+Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie
+1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog
+eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van
+voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit
+door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt,
+kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder
+onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante.
+
+De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee
+categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van
+den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den
+naam van den uitgever dragen.
+
+Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur
+vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook
+als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio
+juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet
+hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de
+tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.
+
+Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme
+werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er
+worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat
+de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende
+is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend
+te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de
+uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch
+het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft
+overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat
+geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs
+als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal
+worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware
+naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden.
+
+Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam dragen
+van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter niet--zooals in
+enkele rechterlijke uitspraken werd gedaan [656]--worden afgeleid, dat
+werken, waarop geen naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware
+dit zoo, dan zou de Conventie hier voor eene bepaalde categorie
+van werken (nl. door den druk gemeen gemaakte geschriften) eene
+afzonderlijke voorwaarde voor de bescherming hebben voorgeschreven;
+iets wat allerminst in de bedoeling lag en wat ook met het beginsel,
+dat voorwaarden en formaliteiten buiten het land van herkomst niet
+vervuld behoeven te worden (art. 4 lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid
+2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. Het doel van het artikel is,
+zooals duidelijk uit de daarover gehouden beraadslagingen blijkt
+[657], den rechthebbenden het ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk
+te maken. Met de vraag, of zekere werken al dan niet beschermd zijn,
+hebben deze bepalingen dus niet te maken; zij hebben uitsluitend
+betrekking op de rechtsmiddelen die dengene, op wiens recht inbreuk
+is gemaakt, voor de rechtbanken der Verbondslanden ten dienste
+staan. [658]
+
+
+
+Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief
+karakter worden toegekend [659], in dien zin, dat zij moeten worden
+toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei bepaling
+van dezelfde strekking. Eene andere uitlegging zou aan het artikel
+allen zin ontnemen.
+
+Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de
+auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen
+van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort
+zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht eenigermate
+bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf uitgekomen
+werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste lid niet
+kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus gedwongen
+kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur is,
+terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op
+het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom
+m. i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste
+lid der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van
+een in het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen
+gelijkgesteld zou worden.
+
+In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking
+vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der
+Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken "wordt de uitgever,
+en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan
+op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt". In dit
+opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden
+zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun
+naam bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet
+worden de bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur
+aangemerkt wordt, nader uiteengezet: hij kan "het werk inzenden bij het
+departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en
+doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte
+exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de
+auteur zelf bevoegd is". Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het indienen
+van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, in de
+M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke inbreuk
+op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. Al
+deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden of
+formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld),
+zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde
+rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht
+kunnen worden.
+
+
+
+
+II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 art. 12; Add. Acte
+1896 art. 1, V)
+
+Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie 1908 (dat in
+de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) om den
+auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond gemakkelijker
+te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op door
+ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden
+gelegd.
+
+Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de
+Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen
+van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te
+verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe opent [660].
+
+De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor
+de laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar
+de tekst werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde
+Lagerheim uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene
+louter facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet
+de verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond
+het beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent,
+bij zich in te voeren [661]. Tegen deze verklaring werd door geen der
+andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het
+Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op
+dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene
+eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de
+woorden "bij den invoer", zoodat het ook toepasselijk werd op beslag
+in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard,
+doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens
+in het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld
+werd op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de
+verplichting oplegt [662]. Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat
+ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit
+is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan
+ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den
+eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel mogelijk.
+
+Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in
+het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van
+de Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel
+degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van
+beslaglegging bij zich te erkennen [663]. Speciaal wordt er daar nog
+op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen
+ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt,
+dat beslag gelegd kan worden; doch dit maakt de bepaling niet tot
+eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan
+de belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te
+maken; doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te
+zorgen dat deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.
+
+Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste verklaring,
+die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de gepubliceerde
+handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit te lokken is
+aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond meer bestaat.
+
+De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken
+uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten,
+ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan
+deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene
+wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden
+door de daartoe "bevoegde autoriteiten" (art. 16 eerste lid) en
+"overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche wetgeving van elk
+land" (art. 16 derde lid). Waar de wet geen bepaling hierover inhoudt
+en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, zal derhalve van de
+naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht komen. Trouwens op
+een punt van formeel recht als dit, waar "de wijze waarop" van zoo
+groot belang is, is eene eenvoudige bepaling als die van de Conventie:
+"... Er kan beslag gelegd worden ... enz." niet voldoende om zonder
+nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.
+
+In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke
+regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze
+regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude
+artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag
+bij invoer in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij voornamelijk
+aan het geval, dat een werk in een land, waar de bescherming heeft
+opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze nadruk in een
+ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is verstreken, wordt
+ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde exemplaren zouden
+daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding ervan inbreuk op het
+auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den auteur beschermen
+door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, waardoor reeds
+aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. Doch daar de
+woorden "bij den invoer" tot de, niet gewilde, gevolgtrekking zouden
+kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland niet meer mogelijk
+was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk weggelaten. Op de
+Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in het artikel
+ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk het
+beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het
+redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren,
+die afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet
+beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet
+ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele--overigens weinig
+twijfelachtige--punten.
+
+
+
+Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land
+bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in
+deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord "beslag"
+("saisie") gebruikt in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring
+van het recht, conservatoir beslag dus [664]. Art. 22 W. A. R. verleent
+aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid om beslag
+te laten leggen op "exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht
+door den druk zijn gemeen gemaakt". Hieronder zijn ongetwijfeld ook
+begrepen de exemplaren, die in een ander land, waar dit geen inbreuk
+op het auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd
+met het aldaar bestaande auteursrecht, worden "gemeen gemaakt". In
+dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16
+der Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de
+bijna gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).
+
+Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag
+toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook
+door de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen
+aard, (rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en
+phonografen, kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht
+kan worden gepleegd. Artikel 16 der Conventie, dat het recht van
+beslag toekent op "toute oeuvre contrefaite", is zonder eenigen
+twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op
+muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie
+1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op
+gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen
+overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die
+art. 16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23
+W. A. R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen,
+waarvan de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons
+land tot de Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.
+
+
+
+
+d Uitvoerings- en overgangsbepalingen
+
+
+I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling
+van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. 1886 art. 13)
+
+De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere Verbondslanden
+sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit recht onder alle
+omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, ook dan wanneer
+hierdoor andere rechten worden geschonden of politie-maatregelen worden
+overtreden. Elke staat behoudt daarom het recht, maatregelen te nemen
+tegen de verspreiding, opvoering of uitstalling van sommige werken,
+wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit wordt in art. 17 Conventie 1908
+uitdrukkelijk erkend; men mag echter aannemen, dat ook zonder deze
+bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou trekken.
+
+
+
+
+II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 art. 14 en
+Slotpr. no. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)
+
+Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de bescherming in
+de verschillende Verbondslanden berust, deels op de bepalingen
+der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, deels
+ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land,
+waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene
+geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was
+de vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding
+toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat tijdstip reeds
+bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der Association
+en later op alle volgende diplomatieke Conferenties in bevestigenden
+zin beantwoord. Doch daarmede was de grootste moeilijkheid nog niet
+uit den weg geruimd. Er moest ook rekening worden gehouden met de
+belangen dergenenen, die van de vrijheid van reproductie, waaraan door
+het in werking treden der Conventie een einde zou komen, reeds gebruik
+gemaakt zouden hebben. Indien men deze personen niet wilde dwingen,
+de door hen, op volkomen geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie
+plotseling te staken, waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen
+lijden, dan moesten daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch
+in de Conventie zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden
+opgenomen, daar zij dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond
+zouden moeten gelden.
+
+Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op
+te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip
+van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed
+zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie
+1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten
+het vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886
+Slotprotocol no. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).
+
+De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen overgangsbepaling
+worden genoemd, d. w. z. hij schept geen overgangstijdperk, waarin de
+bepalingen der Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die
+werken worden van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken
+van bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen
+volgens het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij
+kan worden gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van
+art. 18 eerste lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886,
+dat in verband staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in
+1908 heeft ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in
+de andere Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming
+in het land van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908
+het ontbreken van bescherming in het land van herkomst geen beletsel
+meer is, dat het werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt
+(art. 4 lid 2), behalve wat betreft den duur van het recht, die dien
+van het land van herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In
+verband hiermede is nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders
+geredigeerd dan art. 14 Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd
+artikel de Conventie bij hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op
+alle werken, die op dat tijdstip "nog geen gemeengoed waren geworden
+in hun land van herkomst", is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd:
+"als gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn". Immers
+het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst
+is het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in
+de andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals
+vroeger, ook het "gemeengoed worden" door een andere reden, b.v. omdat
+de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.
+
+Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het luidt:
+
+
+ Indien echter een werk wegens het verstrijken van den
+ beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld,
+ gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt
+ ingeroepen, zal dat werk daar niet opnieuw beschermd worden.
+
+
+Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van nieuwe
+Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet van
+een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een
+geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook
+toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een beschermingstermijn
+van dertig jaar na den dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig
+jaar. Het gevolg hiervan is, dat de uit dat land afkomstige werken
+nu ook in de andere landen, waar de termijn van vijftig jaar geldt,
+twintig jaar langer bescherming vinden dan voorheen. De strekking der
+hierboven afgeschreven bepaling is nu deze, dat in zulk een geval
+de bescherming in die andere landen niet herleeft, indien zij daar
+reeds, doordat de auteur voor meer dan dertig jaar gestorven was,
+had opgehouden te bestaan.
+
+Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den
+algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij
+betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe
+regeling "gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als gevolg
+van het verstrijken van den beschermingstermijn".
+
+Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie
+zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze
+onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.
+
+In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen
+van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze
+bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie
+(art. 18 derde lid eerste zinsnede).
+
+Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten vrij,
+over de invoering der Conventie op hun gebied in de binnenlandsche
+wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, waarop deze
+laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste zinsnede;
+Conventie 1886 Slotprotocol no. 4 derde lid) is geredigeerd, en ook
+uit hetgeen bij de daarover gehouden beraadslagingen is opgemerkt,
+moet worden afgeleid, dat hier alleen die wettelijke bepalingen
+worden bedoeld, welke ná het tot standkomen der Conventie, speciaal
+met het oog op dit artikel, zouden worden gemaakt, en dat dus niet
+(zooals ten opzichte der verdragen) de in de wetgevingen voorkomende
+overgangsbepalingen bij analogie toepasselijk worden verklaard
+[665]. Tevens, dat deze wetten wél de wijze waarop het beginsel van
+art. 18 zal worden toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit
+beperkingen of voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar
+dat zij dit beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; dat dus de
+staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit beginsel
+in strijd is [666].
+
+Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, binnen
+de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft een
+toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de
+verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk
+op te lossen vragen aanleiding heeft gegeven [667].
+
+Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met
+het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan
+worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van
+art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing
+worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze
+bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan
+toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling
+zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18
+(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben
+aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde,
+dat sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden
+worden afgeschrikt [668]. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen welken
+van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te stellen,
+moet worden gebruik gemaakt.
+
+Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling van
+art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van het
+oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking treedt,
+zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in aanmerking
+komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit andere
+landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat
+de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze
+zullen, behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds
+een tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door
+den Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de bescherming,
+die vreemde werken hier zullen genieten); deels door de wetgevers
+der verschillende Verbondslanden (ten aanzien der bescherming van de
+Nederlandsche werken aldaar).
+
+Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, dat
+vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in werking treden
+dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter verboden nieuwe
+uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren van buiten in te
+voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger aangevangen bestellingen
+of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling zal dus krachtens het
+derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op de, onder de bepalingen
+der Berner Conventie vallende, Nederlandsche werken in Frankrijk en
+België en op de Fransche en Belgische werken alhier. Dit zal b.v. ook
+gelden voor vertalingen, die wél volgens de Berner Conventie, doch
+niet volgens de bovengenoemde twee tractaten een inbreuk op het
+auteursrecht uitmaken. De vóór het in werking treden der Conventie
+alhier zonder toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een
+Fransch boek zal ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet
+geoorloofd zijn er een nieuwe druk van te laten verschijnen.
+
+Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen
+tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op
+afzonderlijke wetten moeten berusten.
+
+Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten heeft
+te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche werken
+in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer landen,
+te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat eene
+wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. Alle
+overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18
+eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe [669]. De
+Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra de Conventie ten aanzien
+van ons land in werking is getreden, de volle bescherming genieten.
+
+Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een
+stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening
+van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670],
+die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de
+Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer,
+dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland
+verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt,
+verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen
+drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet
+geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan
+dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn
+vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze
+verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de
+auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal
+werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald,
+opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste
+bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook
+eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der
+inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens
+deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou
+dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland
+vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het
+geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen
+opvoering beschermd zijn.
+
+In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903
+en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus
+ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden
+toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de
+inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet
+geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des
+auteurs te verspreiden [673].
+
+Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt
+op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in
+het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder
+verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door
+degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg
+op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend
+hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken
+worden gemaakt.
+
+In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van
+25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het
+auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit
+van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe
+staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk
+besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn
+verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer
+ons land zich aansluit.
+
+De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche
+werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht
+was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de
+desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan
+daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel
+18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met
+rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de
+bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en
+belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een
+nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen
+aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674].
+
+Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van
+hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds
+vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende
+Verbondslanden te wachten staat.
+
+Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier
+te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.
+
+Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de
+bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk
+zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming
+niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt
+moeten worden.
+
+Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde
+staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te
+volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie
+van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat
+worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor
+een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is
+dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der
+exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een
+tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft,
+dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn
+ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd,
+dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche
+systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient
+hierbij wellicht navolging.
+
+De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan,
+mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde
+doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te
+blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie
+jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk
+aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal,
+eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die,
+zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat
+m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van
+bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die
+reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen
+moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele
+maatregelen niet noodig.
+
+
+
+De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het
+voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene
+herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal
+hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan
+de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding
+mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht,
+(een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge
+art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het
+laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het
+waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat
+de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over
+de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van
+art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons
+land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn
+in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs:
+dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland,
+waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken
+vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar
+hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die
+Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het
+verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed
+waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in
+de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het
+tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het
+geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de
+bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie
+toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de
+andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de
+verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie
+had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de
+bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten,
+die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij
+b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is
+van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar
+na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar)
+op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het
+Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche
+werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet
+meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden
+genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond
+aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken,
+die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde
+landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat
+zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten.
+
+Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering
+in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke,
+zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding
+tot het Verbond.
+
+Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet
+geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig
+dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of
+openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten
+aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde,
+in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg
+zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst,
+die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden
+blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond
+wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het
+nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het
+land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen
+doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van
+den beschermingstermijn.
+
+Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere
+Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen,
+in Nederland wél beschermd zijn.
+
+Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene
+bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste
+lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp
+ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het
+inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht
+ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in
+omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke
+ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen
+worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van
+Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land
+doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten
+uit andere landen.
+
+
+
+
+III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie
+(Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.)
+
+Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake
+geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken
+beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming
+waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten
+haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten
+kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere
+tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.
+
+Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft,
+daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling
+voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de
+Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een
+minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand
+is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens
+de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de
+Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene
+uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676].
+
+Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om
+aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke
+bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der
+Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat
+de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet,
+voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de
+auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door
+de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan
+[677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van
+de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel
+(art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit
+andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze
+inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der
+bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.
+
+Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening
+niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie
+alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar
+zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden
+worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders
+is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende
+Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer
+ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn
+omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens
+diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren,
+maatstaf zouden moeten worden toegemeten.
+
+Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den
+omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden
+stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo
+heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er
+waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk
+de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer
+bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam
+tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard
+(art. 19 Conventie 1908):
+
+
+ De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de
+ toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in
+ de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten
+ gunste van vreemdelingen in het algemeen.
+
+
+Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn
+van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen
+zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn
+vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus,
+als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche
+auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der
+Conventie.
+
+Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel
+gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in
+art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel
+artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu
+in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden
+zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te
+sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking
+verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd
+zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze
+voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.
+
+Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der
+wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak
+nooit voorgedaan.
+
+Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van
+weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met
+Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het
+minimum der Conventie verheffen.
+
+
+
+
+IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24;
+Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6)
+
+De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke
+inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van
+het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt
+geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende
+Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.
+
+Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen
+bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding.
+
+
+
+
+V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25
+en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)
+
+Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen
+afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te
+nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij
+aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen
+[679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het
+auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet
+moet ook aan zekere eischen voldoen.
+
+Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is
+hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel
+het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van
+uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen
+worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op-
+en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken
+en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf
+waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot
+het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele
+andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft,
+voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal
+hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten,
+het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en
+van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk
+besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden
+zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het
+Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een
+toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.
+
+In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er
+prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar
+ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze
+wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de
+Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen
+van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn.
+
+Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan
+de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de
+bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de
+Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds
+op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid
+een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet
+dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet
+zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union,
+nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault
+opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig
+maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied,
+waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten
+blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot
+eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond,
+zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden,
+mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden
+worden verstoord.
+
+
+
+Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen
+worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven
+geene nadere verklaring.
+
+Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige
+verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao
+ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt
+het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél
+in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze
+koloniën in het moederland.
+
+Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën
+bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand
+nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een
+land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding
+zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval
+zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als
+een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3
+der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het
+echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver
+een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop
+toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge
+daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk
+te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.
+
+Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën,
+die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan
+de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van
+beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal
+dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden.
+
+
+
+
+VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908
+artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte
+1896 art. 20)
+
+De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking
+noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard.
+
+Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de
+Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de
+staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid
+te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval
+blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten
+van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél
+aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten
+verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.
+
+Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding
+en de opzegging.
+
+Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband
+staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in
+1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien
+hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond
+wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der
+Conventie wordt veranderd.
+
+Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving
+den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de
+uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd
+kunnen zijn.
+
+In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat,
+die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op
+een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896
+gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk
+een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de
+andere Verbondslanden.
+
+Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat
+van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling
+aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de
+andere staten daarmede in kennis stelt.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGEN
+
+
+BIJLAGE I
+
+
+Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het
+auteursrecht
+
+
+
+
+§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht
+
+
+Artikel 1
+
+Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneelwerken en
+mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om
+dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of
+op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden
+toe.
+
+Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke
+uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
+toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
+wordt.
+
+
+
+Artikel 2
+
+Met auteurs worden gelijkgesteld:
+
+a. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen
+van onderscheidene mede-arbeiders;
+
+b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en
+vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;
+
+c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.
+
+Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders
+behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door
+hem geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen.
+
+Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
+blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.
+
+
+
+Artikel 3
+
+Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door
+den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de
+drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende
+heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald,
+met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending.
+
+
+
+Artikel 4
+
+Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er geen
+auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen
+verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht
+ter algemeene kennis gebracht is [682].
+
+
+
+Artikel 5
+
+Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door
+den druk gemeen te maken vertalingen van:
+
+a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen
+zijne mondelinge voordrachten;
+
+b. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij
+de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan
+op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer
+bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en zijne vertaling
+binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft
+gemeen gemaakt.
+
+Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
+wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk
+berekend.
+
+
+
+Artikel 6
+
+Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen
+wordt slechts ééne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden
+de overige als vertalingen.
+
+De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op
+den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke
+beschouwt.
+
+Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal
+des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.
+
+
+
+Artikel 7
+
+Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet,
+dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, aanhalingen in andere
+werken worden opgenomen.
+
+Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit
+dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het
+auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk
+is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.
+
+
+
+Artikel 8
+
+Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.
+
+Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over
+bij erfopvolging.
+
+Het is niet vatbaar voor beslag.
+
+
+
+
+§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door den druk
+gemeen gemaakte werken
+
+
+Artikel 10
+
+Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt,
+zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk,
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
+onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der
+uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement
+van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van
+den in art. 5b gestelden termijn.
+
+Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker
+onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
+drukkerij is gedrukt.
+
+
+
+Artikel 11
+
+Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een gedagteekend
+bewijs van ontvangst af.
+
+Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgaaf
+gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.
+
+
+
+Artikel 12
+
+De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
+tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die
+werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de
+oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
+omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt.
+
+
+
+
+§ 3 Duur van het auteursrecht
+
+
+Artikel 13
+
+Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt
+vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening
+van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.
+
+Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een
+ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.
+
+
+
+Artikel 14
+
+Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken,
+mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven
+van den auteur en dertig jaren na zijn dood.
+
+
+
+Artikel 15
+
+De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
+tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:
+
+1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven
+van den auteur en dertig jaren na zijn dood;
+
+2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende
+bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de
+dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.
+
+
+
+Artikel 16
+
+De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van
+vertalingen duurt:
+
+1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge
+voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat;
+
+2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren
+sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van
+ontvangst.
+
+
+
+Artikel 17
+
+Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
+wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
+afzonderlijk berekend.
+
+
+
+
+§ 4 Handhaving van het auteursrecht
+
+
+Artikel 18
+
+Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke
+inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die opzettelijk inbreuk maakt
+op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste
+vijftig cents en ten hoogste tweeduizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de
+den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het
+plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den
+Staat verbeurd verklaard.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 bis van het Wetboek
+ van Strafrecht:
+
+ Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht,
+ wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.
+
+ De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede
+ de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen,
+ die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden
+ verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 19
+
+Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
+eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
+wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
+hoogste zeshonderd gulden.
+
+De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349ter van het Wetboek
+ van Strafrecht:
+
+ Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
+ eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
+ wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
+
+ De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+ worden verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 20
+
+De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd
+dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 quater van het
+ Wetboek van Strafrecht:
+
+ De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden
+ niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.
+
+
+
+Artikel 21
+
+De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde exemplaren worden
+aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze
+zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis
+in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze
+exemplaren vernietigd.
+
+Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.
+
+
+
+Artikel 22
+
+Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en
+afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met
+hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.
+
+Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
+berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
+tot eigen gebruik hebben verkregen.
+
+De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.
+
+
+
+Artikel 23
+
+Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot
+vergoeding van kosten, schaden en interessen.
+
+
+
+
+§ 5 Overgangsbepalingen
+
+
+Artikel 24
+
+Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard verkregen onder eene
+vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één
+jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring
+inzendt bij het Departement van Justitie.
+
+De artt. 18-23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.
+
+
+
+Artikel 25
+
+Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door
+den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet
+voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds
+vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen,
+kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker
+binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren,
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
+onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf
+van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave.
+
+Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur
+van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.
+
+Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen
+tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn
+aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.
+
+
+
+Artikel 26
+
+Het Departement van Justitie geeft aan de in de artikelen 24 en 25
+bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.
+
+Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave
+gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door
+den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de
+ingezonden werken.
+
+
+
+
+§ 6 Slotbepalingen
+
+
+Artikel 27
+
+Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door
+den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of
+in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in
+Nederland of in Nederlandsch-Indië gehouden mondelinge voordrachten.
+
+
+
+Artikel 28
+
+Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.
+
+De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden
+ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan
+opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de
+verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie
+opgedragen.
+
+De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
+de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.
+
+In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indië van
+toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende
+reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen
+de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
+voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.
+
+Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in
+Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden
+uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt
+overeenkomstig art. 25.
+
+
+
+Artikel 29
+
+Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij,
+van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.
+
+
+
+Artikel 30
+
+Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE II
+
+
+Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken
+van beeldende kunst
+
+(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884-1855 tweede
+zitting 72-5.)
+
+
+
+§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 1
+
+Het recht om een werk van beeldende kunst op oorspronkelijke grootte,
+op grooter of op verkleinde schaal, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk
+te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen
+of dit door anderen te laten doen, hetzij door middel van dezelfde
+of door eene andere beeldende kunst, of langs mechanischen weg,
+komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken vervaardiger van het
+kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.
+
+Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve
+op bouwkundige teekeningen en modellen.
+
+
+
+Artikel 2
+
+Met den oorspronkelijken vervaardiger worden gelijkgesteld:
+
+a. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in art. 1
+bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van onderscheidene
+kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;
+
+b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen
+ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte kunstwerken.
+
+Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder mede-arbeider
+het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage afzonderlijk,
+voor zoover niet het tegendeel is bedongen.
+
+Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
+blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten toepassing.
+
+
+
+Artikel 3
+
+Als nabootsing wordt niet beschouwd:
+
+a. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het scheppen van
+een nieuw kunstwerk;
+
+b. het maken van eene copie voor eigen studie van een kunstwerk, mits
+dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel van winstbejag
+geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat het eene
+copie is.
+
+In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig
+ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk
+voorkomende, na te maken;
+
+c. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere afbeeldingen
+van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst dienende, en
+
+d. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.
+
+
+
+Artikel 4
+
+Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
+op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
+eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht
+bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
+toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
+bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.
+
+
+
+Artikel 5
+
+Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt beschouwd als
+eene onlichamelijke roerende zaak.
+
+Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte
+overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over
+bij erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.
+
+
+
+Artikel 6
+
+De levering van een kunstwerk, waarvan het auteursrecht is gewaarborgd
+volgens § 2 dezer wet, geldt niet als eigendomsverkrijging van
+het auteursrecht voor den bezitter, die niet de oorspronkelijke
+vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk bewijs kan
+aantoonen, het auteursrecht met het kunstwerk te hebben verkregen
+van den oorspronkelijken vervaardiger of diens rechtverkrijgende.
+
+Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende
+zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een
+kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten
+maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten
+aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.
+
+Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet verkregen,
+kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in zijne
+woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, nabootsingen
+of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het tegendeel
+is overeengekomen.
+
+
+
+
+§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op werken van
+beeldende kunst
+
+
+Artikel 7
+
+Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst vervalt, indien
+de oorspronkelijke vervaardiger of zijn rechtverkrijgende niet
+vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste
+maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter
+bezichtiging is aangeboden, eene geschrevene en door hem of eenen bij
+authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van
+het kunstwerk, volgens door Ons vast te stellen model, inzendt bij een
+der Departementen van algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat
+het kunstwerk in platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere
+verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving
+een exemplaar ingezonden.
+
+
+
+Artikel 8
+
+De betrokken Minister geeft aan den inzender een gedagteekend bewijs
+van ontvangst van de beschrijving en van het exemplaar af.
+
+De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn
+ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.
+
+Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in Rijksverzamelingen
+worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, aanduidende
+dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van ontvangst
+is afgegeven.
+
+Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave gedaan
+in de Nederlandsche Staatscourant.
+
+
+
+
+§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 9
+
+Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, te rekenen
+van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 8.
+
+Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet aan
+een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht levenslang.
+
+
+
+Artikel 10
+
+Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of afleveringen bestaan,
+wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
+afzonderlijk berekend.
+
+
+
+Artikel 11
+
+Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn de artt. 7 en
+8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het bewijs van
+ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer als het
+auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft.
+
+
+
+
+§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 12
+
+Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van
+door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, wordt hij die
+opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, bedoeld in
+art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig cents en
+ten hoogste vijf duizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de
+ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn,
+alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen
+en andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van
+het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat
+verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 13
+
+Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens
+anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, verkoopt, verspreidt of
+openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste
+vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten
+behoeve van den Staat verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 14
+
+De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden niet vervolgd, dan
+op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. Gaan die misdrijven
+gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar bedrog,
+dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen ten aanzien der
+strafvervolging.
+
+
+
+Artikel 15
+
+De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde exemplaren, platen,
+steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen worden
+aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is gemaakt, of aan zijn
+rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie
+aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het veroordeelend vonnis in
+kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van zoodanige aanmelding
+worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen
+en gereedschappen vernietigd.
+
+Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.
+
+
+
+Artikel 16
+
+Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in art. 1 of 4 bedoeld,
+toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van
+exemplaren welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd,
+ook zelfs wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of
+nagelvast zijn gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken
+worden begrepen.
+
+Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het losmaken
+der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren vastgehecht,
+toegebracht.
+
+Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
+berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
+tot eigen gebruik hebben verkregen.
+
+De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.
+
+
+
+Artikel 17
+
+Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd heeft, worden
+veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.
+
+
+
+Artikel 18
+
+Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede zinsnede,
+wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
+hoogste duizend gulden.
+
+
+
+
+§ 5 Slotbepalingen
+
+
+Artikel 19
+
+Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken vervaardigd door in
+Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars.
+
+
+
+Artikel 20
+
+Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.
+
+De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede
+bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in
+Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de
+oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig
+zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door
+den Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de zorg van dezen
+hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de Javasche Courant,
+en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer wet aan den
+betrokken Minister in Nederland opgedragen.
+
+De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
+de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.
+
+In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor Nederlandsch-Indië
+van toepassing de overeenkomstige bepalingen van de aldaar geldende
+reglementen, met inachtneming van het verschil, dat bestaat tusschen
+de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
+voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.
+
+
+
+Artikel 21
+
+Deze wet treedt in werking ........
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE III
+
+
+A
+
+Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la création d'une
+Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques
+
+
+
+Article premier
+
+Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
+protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+
+
+Article 2
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
+soit publiées dans un de ces pays, soit non publiées, des droits que
+les lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la
+suite aux nationaux.
+
+La jouissance de ces droits est subordonnée à l'accomplissement
+des conditions et formalités prescrites par la législation du pays
+d'origine de l'oeuvre; elle ne peut excéder, dans les autres pays,
+la durée de la protection accordée dans ledit pays d'origine.
+
+Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre, celui de la première
+publication, ou, si cette publication a lieu simultanément dans
+plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont la législation
+accorde la durée de protection la plus courte.
+
+Pour les oeuvres non publiées, le pays auquel appartient l'auteur
+est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre.
+
+
+
+Article 3
+
+Les stipulations de la présente Convention s'appliquent également
+aux éditeurs d'oeuvres littéraires ou artistiques publiées dans un
+des pays de l'Union, et dont l'auteur appartient à un pays qui n'en
+fait pas partie.
+
+
+
+Article 4
+
+L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend les
+livres, brochures ou tous autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
+dramatico-musicales, les compositions musicales avec ou sans paroles;
+les oeuvres de dessin, de peinture, de sculpture, de gravure; les
+lithographies, les illustrations, les cartes géographiques; les
+plans, croquis et ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à
+la topographie, à l'architecture ou aux sciences en général; enfin
+toute production quelconque du domaine littéraire, scientifique
+ou artistique, qui pourrait être publiée par n'importe quel mode
+d'impression ou de reproduction.
+
+
+
+Article 5
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs ayants
+cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif de faire
+ou d'autoriser la traduction de leurs ouvrages jusqu'à l'expiration
+de dix années à partir de la publication de l'oeuvre originale dans
+l'un des pays de l'Union.
+
+Pour les ouvrages publiés par livraisons, le délai de dix années
+ne compte qu'à dater de la publication de la dernière livraison de
+l'oeuvre originale.
+
+Pour les oeuvres composées de plusieurs volumes publiés par
+intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers publiés par
+des sociétés littéraires ou savantes ou par des particuliers, chaque
+volume, bulletin ou cahier est, en ce qui concerne le délai de dix
+années, considéré comme ouvrage séparé.
+
+Dans les cas prévus au présent article, est admis comme date de
+publication, pour le calcul des délais de protection, le 31 décembre
+de l'année dans laquelle l'ouvrage a été publié.
+
+
+
+Article 6
+
+Les traductions licites sont protégées comme des ouvrages
+originaux. Elles jouissent, en conséquence, de la protection stipulée
+aux articles 2 et 3 en ce qui concerne leur reproduction non autorisée
+dans les pays de l'Union.
+
+Il est entendu que, s'il s'agit d'une oeuvre pour laquelle le droit
+de traduction est dans le domaine public, le traducteur ne peut pas
+s'opposer à ce que la même oeuvre soit traduite par d'autres écrivains.
+
+
+
+Article 7
+
+Les articles de journaux ou de recueils périodiques publiés dans
+l'un des pays de l'Union peuvent être reproduits, en original ou en
+traduction, dans les autres pays de l'Union, à moins que les auteurs
+ou éditeurs ne l'aient expressément interdit. Pour les recueils, il
+peut suffire que l'interdiction soit faite d'une manière générale en
+tête de chaque numéro du recueil.
+
+En aucun cas, cette interdiction ne peut s'appliquer aux articles de
+discussion politique ou à la reproduction des nouvelles du jour et
+des faits divers.
+
+
+
+Article 8
+
+En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des
+oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées
+à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des
+chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de
+l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure
+entre eux.
+
+
+
+Article 9
+
+Les stipulations de l'article 2 s'appliquent à la représentation
+publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces
+oeuvres soient publiées ou non.
+
+Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou leurs
+ayants cause, sont, pendant la durée de leur droit exclusif de
+traduction, réciproquement protégés contre la représentation publique
+non autorisée de la traduction de leurs ouvrages.
+
+Les stipulations de l'article 2 s'appliquent également à l'exécution
+publique des oeuvres musicales non publiées ou de celles qui ont été
+publiées, mais dont l'auteur a expressément déclaré sur le titre ou
+en tête de l'ouvrage qu'il en interdit l'exécution publique.
+
+
+
+Article 10
+
+Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites
+auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations
+indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique,
+désignées sous des noms divers, tels que: adaptations, arrangements
+de musique, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction d'un
+tel ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des
+changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans
+présenter d'ailleurs le caractère d'une nouvelle oeuvre originale.
+
+Il est entendu que, dans l'application du présent article, les
+tribunaux des divers pays de l'Union tiendront compte, s'il y a lieu,
+des réserves de leurs lois respectives.
+
+
+
+Article 11
+
+Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention
+soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis,
+en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union à
+exercer des poursuites contre les contrefaçons, il suffit que leur
+nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée.
+
+Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est
+indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à
+l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur
+anonyme ou pseudonyme.
+
+Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le
+cas échéant, la production d'un certificat délivré par l'autorité
+compétente, constatant que les formalités prescrites, dans le sens
+de l'article 2, par la législation du pays d'origine ont été remplies.
+
+
+
+Article 12
+
+Toute oeuvre contrefaite peut être saisie à l'importation dans ceux des
+pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection légale.
+
+La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque
+pays.
+
+
+
+Article 13
+
+Il est entendu que les dispositions de la présente Convention ne
+peuvent porter préjudice, en quoi que ce soit, au droit qui appartient
+au Gouvernement de chacun des pays de l'Union de permettre, de
+surveiller, d'interdire, par des mesures de législation ou de police
+intérieure, la circulation, la représentation, l'exposition de tout
+ouvrage ou production à l'égard desquels l'autorité compétente aurait
+à exercer ce droit.
+
+
+
+Article 14
+
+La présente Convention, sous les réserves et conditions à déterminer
+d'un commun accord, s'applique à toutes les oeuvres qui, au moment
+de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le domaine
+public dans leur pays d'origine.
+
+
+
+Article 15
+
+Il est entendu que les Gouvernements des pays de l'Union se réservent
+respectivement le droit de prendre séparément, entre eux, des
+arrangements particuliers, en tant que ces arrangements conféreraient
+aux auteurs ou à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux
+accordés par l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations
+non contraires à la présente Convention.
+
+
+
+Article 16
+
+Un office international est institué sous le nom de Bureau de
+l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+Ce Bureau, dont les frais sont supportés par les Administrations
+de tous les pays de l'Union, est placé sous la haute autorité de
+l'Administration supérieure de la Confédération Suisse, et fonctionne
+sous sa surveillance. Les attributions en sont déterminées d'un commun
+accord entre les pays de l'Union.
+
+
+
+Article 17
+
+La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y
+introduire les améliorations de nature à perfectionner le système
+de l'Union.
+
+Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à
+d'autres points de vue le développement de l'Union, seront traitées
+dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de
+l'Union entre les délégués desdits pays.
+
+Il est entendu qu'aucun changement à la présente Convention ne sera
+valable pour l'Union que moyennant l'assentiment unanime des pays
+qui la composent.
+
+
+
+Article 18
+
+Les pays qui n'ont point pris part à la présente Convention et qui
+assurent chez eux la protection légale des droits faisant l'objet de
+cette Convention, seront admis à y accéder sur leur demande.
+
+Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses et
+admission à tous les avantages stipulés dans la présente Convention.
+
+
+
+Article 19
+
+Les pays accédant à la présente Convention ont aussi le droit d'y
+accéder en tout temps pour leurs colonies ou possessions étrangères.
+
+Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par
+laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans
+l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises,
+soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues.
+
+
+
+Article 20
+
+La présente Convention sera mise à exécution trois mois après
+l'échange des ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps
+indéterminé, jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la
+dénonciation en aura été faite.
+
+Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement chargé de recevoir
+les accessions. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui
+l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays
+de l'Union.
+
+
+
+Article 21
+
+La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront
+échangées à Berne, dans le délai d'un an au plus tard.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Article additionnel
+
+La Convention conclue à la date de ce jour n'affecte en rien le
+maintien des Conventions actuellement existantes entre les pays
+contractants, en tant que ces Conventions confèrent aux auteurs ou
+à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux accordés par
+l'Union, ou qu'elles renferment d'autres stipulations qui ne sont
+pas contraires à cette Convention.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Protocole de clôture
+
+1 Au sujet de l'article 4, il est convenu que ceux des pays de l'Union
+où le caractère d'oeuvres artistiques n'est pas refusé aux oeuvres
+photographiques s'engagent à les admettre, à partir de la mise en
+vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au bénéfice de ses
+dispositions. Ils ne sont, d'ailleurs, tenus de protéger les auteurs
+desdites oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou
+à conclure, que dans la mesure où leur législation permet de le faire.
+
+Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
+protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
+légale, au sens de ladite Convention, aussi longtemps que dure le
+droit principal de reproduction de cette oeuvre même, et dans les
+limites des conventions privées entre les ayants droit.
+
+
+2 Au sujet de l'article 9, il est convenu que ceux des pays de
+l'Union dont la législation comprend implicitement, parmi les
+oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques, admettent
+expressément lesdites oeuvres au bénéfice des dispositions de la
+Convention conclue en date de ce jour.
+
+Il est d'ailleurs entendu que les contestations qui s'élèveraient sur
+l'application de cette clause demeurent réservées à l'appréciation
+des tribunaux respectifs.
+
+
+3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments
+servant à reproduire mécaniquement des airs de musique empruntés au
+domaine privé ne sont pas considérées comme constituant le fait de
+contrefaçon musicale.
+
+
+4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est déterminé
+ainsi qu'il suit:
+
+L'application de la Convention aux oeuvres non tombées dans le
+domaine public au moment de sa mise en vigueur aura lieu suivant les
+stipulations y relatives contenues dans les conventions spéciales
+existantes ou à conclure à cet effet.
+
+A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
+pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
+législation intérieure, les modalités relatives à l'application du
+principe contenu à l'article 14.
+
+
+5 L'organisation du Bureau international prévu à l'article 16 de
+la Convention sera fixée par un règlement que le Gouvernement de la
+Confédération Suisse est chargé d'élaborer.
+
+La langue officielle etc. [683]
+
+
+6 La prochaine Conférence aura lieu à Paris, dans le délai de quatre
+à six ans à partir de l'entrée en vigueur de la Convention.
+
+Le Gouvernement français en fixera la date dans ces limites, après
+avoir pris l'avis du Bureau international.
+
+
+7 Il est convenu que, pour l'échange des ratifications prévu
+à l'article 21, chaque Partie contractante remettra un seul
+instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux archives
+du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en
+retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des ratifications,
+signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part.
+
+Le présent Protocole de clôture, qui sera ratifié en même temps que
+la Convention conclue à la date de ce jour, sera considéré comme
+faisant partie intégrante de cette Convention, et aura même force,
+valeur et durée.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+B
+
+Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles 2, 3, 5, 7,
+12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les numéros 1 et 4 du
+Protocole de clôture y annexé
+
+
+
+Article premier
+
+La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est modifiée ainsi
+qu'il suit:
+
+I--Article 2--Le premier alinéa de l'article 2 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
+ soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
+ un de ces pays, des droits que les lois respectives accordent
+ actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux."
+
+
+Il est, en outre, ajouté un cinquième alinéa ainsi conçu:
+
+
+ "Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les oeuvres protégées."
+
+
+II--Article 3--L'article 3 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union,
+ mais qui auront publié ou fait publier, pour la première fois,
+ leurs oeuvres littéraires ou artistiques dans l'un de ces pays,
+ jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accordée par la
+ Convention de Berne et par le présent Acte additionnel."
+
+
+III--Article 5--Le premier alinéa de l'article 5 aura la teneur
+suivante:
+
+
+ "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ ayants cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif
+ de faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres pendant
+ toute la durée du droit sur l'oeuvre originale. Toutefois, le
+ droit exclusif de traduction cessera d'exister lorsque l'auteur
+ n'en aura pas fait usage dans un délai de dix ans à partir de
+ la première publication de l'oeuvre originale, en publiant ou en
+ faisant publier, dans un des pays de l'Union, une traduction dans
+ la langue pour laquelle la protection sera réclamée."
+
+
+IV--Article 7--L'article 7 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les romans-feuilletons, y compris les nouvelles, publiés dans
+ les journaux ou recueils périodiques d'un des pays de l'Union,
+ ne pourront être reproduits, en original ou en traduction, dans
+ les autres pays, sans l'autorisation des auteurs ou de leurs
+ ayants cause.
+
+ "Il en sera de même pour les autres articles de journaux ou
+ de recueils périodiques, lorsque les auteurs ou éditeurs auront
+ expressément déclaré, dans le journal ou le recueil même où ils les
+ auront fait paraître, qu'ils en interdisent la reproduction. Pour
+ les recueils, il suffit que l'interdiction soit faite d'une
+ manière générale en tête de chaque numéro.
+
+ "A défaut d'interdiction, la reproduction sera permise à la
+ condition d'indiquer la source.
+
+ "En aucun cas, l'interdiction ne pourra s'appliquer aux articles de
+ discussion politique, aux nouvelles du jour et aux faits divers."
+
+
+V--Article 12--L'article 12 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités
+ compétentes des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à
+ la protection légale.
+
+ "La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de
+ chaque pays."
+
+
+VI--Article 20--Le deuxième alinéa de l'article 20 aura la teneur
+suivante:
+
+
+ "Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la
+ Confédération Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du
+ pays qui l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les
+ autres pays de l'Union."
+
+
+
+Article 2
+
+Le Protocole de Clôture annexé à la Convention du 9 Septembre 1886
+est modifié ainsi qu'il suit:
+
+I--Numéro 1--Ce numéro aura la teneur suivante:
+
+
+ "1 Au sujet de l'article 4, il est convenu ce qui suit:
+
+ "A--Dans les pays de l'Union où la protection est accordée non
+ seulement aux plans d'architecture, mais encore aux oeuvres
+ d'architecture elles-mêmes, ces oeuvres sont admises au bénéfice
+ des dispositions de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel.
+
+ "B--Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
+ procédé analogue sont admises au bénéfice des dispositions de ces
+ actes, en tant que la législation intérieure permet de le faire,
+ et dans la mesure de la protection qu'elle accorde aux oeuvres
+ nationales similaires.
+
+ "Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
+ protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
+ légale, au sens de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel, aussi longtemps que dure le droit principal de
+ reproduction de cette oeuvre même, et dans les limites des
+ conventions privées entre les ayants droit."
+
+
+II--Numéro 4--Ce numéro aura la teneur suivante:
+
+
+ "4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est
+ déterminé ainsi qu'il suit:
+
+ "L'application de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel aux oeuvres non tombées dans le domaine public dans
+ leur pays d'origine au moment de la mise en vigueur de ces actes,
+ aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans
+ les Conventions spéciales existantes ou à conclure à cet effet.
+
+ "A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
+ pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
+ législation intérieure, les modalités relatives à l'application
+ du principe contenu dans l'article 14.
+
+ "Les stipulations de l'article 14 de la Convention de Berne et du
+ présent numéro du Protocole de clôture s'appliquent également au
+ droit exclusif de traduction, tel qu'il est assuré par le présent
+ Acte additionnel.
+
+ "Les dispositions transitoires mentionnées ci-dessus sont
+ applicables en cas de nouvelles accessions à l'Union."
+
+
+
+Article 3
+
+Les pays de l'Union qui n'ont point participé au présent Acte
+additionnel seront admis à y accéder en tout temps sur leur demande. Il
+en sera de même pour les Pays qui accéderont ultérieurement à la
+Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, à cet effet, d'une
+notification adressée par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui
+notifiera à son tour cette accession aux autres Gouvernements.
+
+
+
+Article 4
+
+Le présent Acte additionnel aura même valeur et durée que la Convention
+du 9 Septembre 1886.
+
+Il sera ratifié et les ratifications en seront échangées à Paris dans
+la forme adoptée pour cette Convention, aussitôt que faire se pourra,
+et au plus tard dans le délai d'une année.
+
+Il entrera en vigueur, trois mois après cet échange, entre les Pays
+qui l'auront ratifié.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Déclaration du 4 Mai 1896 interprétant certaines dispositions de
+la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel
+signé à Paris le 4 Mai 1896
+
+Les Plénipotentiaires soussignés de l'Allemagne, de la Belgique,
+de l'Espagne, de la France, de l'Italie, du Luxembourg, de Monaco,
+du Monténégro, de la Norvège, de la Suisse et de la Tunisie, dûment
+autorisés à cet effet par leurs Gouvernements respectifs, sont convenu
+de ce qui suit, en ce qui concerne l'interprétation de la Convention
+de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel de ce jour:
+
+
+ 1o Aux termes de l'article 2, alinéa 2, de la Convention, la
+ protection assurée par les actes précités dépend uniquement
+ de l'accomplissement, dans le pays d'origine de l'oeuvre, des
+ conditions et formalités qui peuvent être prescrites par la
+ législation de ce pays. Il en sera de même pour la protection
+ des oeuvres photographiques mentionnées dans le no. 1, lettre B,
+ du Protocole de clôture modifié.
+
+ 2o Par oeuvres publiées il faut entendre les oeuvres éditées
+ dans un des pays de l'Union. En conséquence, la représentation
+ d'une oeuvre dramatique ou dramatico-musicale, l'exécution d'une
+ oeuvre musicale, l'exposition d'une oeuvre d'art, ne constituent
+ pas une publication dans le sens des actes précités.
+
+ 3o La transformation d'un roman en pièce de théâtre, ou d'une pièce
+ de théâtre en roman, rentre dans les stipulations de l'article 10.
+
+
+Les pays de l'Union qui n'ont point participé à la présente Déclaration
+seront admis à y accéder en tout temps, sur leur demande. Il en
+sera de même pour les Pays qui accéderont, soit à la Convention du
+9 Septembre 1886, soit à cette Convention et à l'Acte additionnel
+du 4 Mai 1896. Il suffira, à cet effet, d'une notification adressée
+par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour cette
+accession aux autres Gouvernements.
+
+La présente Déclaration aura même valeur et durée que les actes
+auxquels elle se rapporte.
+
+Elle sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Paris
+dans la forme adoptée pour ces actes, aussitôt que faire se pourra,
+et au plus tard dans le délai d'une année.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+C
+
+Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques du 13 Novembre 1908
+
+
+
+Article premier
+
+Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
+protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+
+
+Article 2
+
+L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend toute
+production du domaine littéraire, scientifique ou artistique,
+quel qu'en soit le mode ou la forme de reproduction, telle que:
+les livres, brochures, et autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
+dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques et les pantomimes,
+dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; les
+compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de
+peinture, d'architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie;
+les illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et
+ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à la topographie,
+à l'architecture ou aux sciences.
+
+Sont protégés comme des ouvrages originaux, sans préjudice des droits
+de l'auteur de l'oeuvre originale, les traductions, adaptations,
+arrangements de musique et autres reproductions transformées d'une
+oeuvre littéraire ou artistique, ainsi que les recueils de différentes
+oeuvres.
+
+Les Pays contractants sont tenus d'assurer la protection des oeuvres
+mentionnées ci-dessus.
+
+Les oeuvres d'art appliqué à l'industrie sont protégées autant que
+permet de le faire la législation intérieure de chaque pays.
+
+
+
+Article 3
+
+La présente Convention s'applique aux oeuvres photographiques et aux
+oeuvres obtenues par un procédé analogue à la photographie. Les Pays
+contractants sont tenus d'en assurer la protection.
+
+
+
+Article 4
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union jouissent,
+dans les pays autres que le pays d'origine de l'oeuvre, pour leurs
+oeuvres, soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
+un pays de l'Union, des droits que les lois respectives accordent
+actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux, ainsi que
+des droits spécialement accordés par la présente Convention.
+
+La jouissance et l'exercice de ces droits ne sont subordonnés à aucune
+formalité; cette jouissance et cet exercice sont indépendants de
+l'existence de la protection dans le pays d'origine de l'oeuvre. Par
+suite, en dehors des stipulations de la présente Convention, l'étendue
+de la protection ainsi que les moyens de recours garantis à l'auteur
+pour sauvegarder ses droits se règlent exclusivement d'après la
+législation du pays où la protection est réclamée.
+
+Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre: pour les oeuvres non
+publiées, celui auquel appartient l'auteur; pour les oeuvres publiées,
+celui de la première publication, et pour les oeuvres publiées
+simultanément dans plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont
+la législation accorde la durée de protection la plus courte. Pour
+les oeuvres publiées simultanément dans un pays étranger à l'Union et
+dans un pays de l'Union, c'est ce dernier pays qui est exclusivement
+considéré comme pays d'origine.
+
+Par oeuvres publiées, il faut, dans le sens de la présente Convention,
+entendre les oeuvres éditées. La représentation d'une oeuvre dramatique
+ou dramatico-musicale, l'exécution d'une oeuvre musicale, l'exposition
+d'une oeuvre d'art et la construction d'une oeuvre d'architecture ne
+constituent pas une publication.
+
+
+
+Article 5
+
+Les ressortissants de l'un des pays de l'Union, qui publient pour
+la première fois leurs oeuvres dans un autre pays de l'Union, ont,
+dans ce dernier pays, les mêmes droits que les auteurs nationaux.
+
+
+
+Article 6
+
+Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union, qui
+publient pour la première fois leurs oeuvres dans l'un de ces pays,
+jouissent, dans ce pays, des mêmes droits que les auteurs nationaux,
+et dans les autres pays de l'Union, des droits accordés par la
+présente Convention.
+
+
+
+Article 7
+
+La durée de la protection accordée par la présente Convention comprend
+la vie de l'auteur et cinquante ans après sa mort.
+
+Toutefois, dans le cas où cette durée ne serait pas uniformément
+adoptée par tous les pays de l'Union, la durée sera réglée par la loi
+du pays où la protection sera réclamée et elle ne pourra excéder la
+durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre. Les Pays contractants
+ne seront, en conséquence, tenus d'appliquer la disposition de
+l'alinéa précédent que dans la mesure où elle se concilie avec leur
+droit interne.
+
+Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
+procédé analogue à la photographie, pour les oeuvres posthumes, pour
+les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la durée de la protection est
+réglée par la loi du pays où la protection est réclamée, sans que cette
+durée puisse excéder la durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre.
+
+
+
+Article 8
+
+Les auteurs d'oeuvres non publiées, ressortissant à l'un des pays de
+l'Union, et les auteurs d'oeuvres publiées pour la première fois dans
+un de ces pays jouissent, dans les autres pays de l'Union, pendant
+toute la durée du droit sur l'oeuvre originale, du droit exclusif de
+faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres.
+
+
+
+Article 9
+
+Les romans-feuilletons, les nouvelles et toutes autres oeuvres,
+soit littéraires, soit scientifiques, soit artistiques, quel qu'en
+soit l'objet, publiés dans les journaux ou recueils périodiques d'un
+des pays de l'Union, ne peuvent être reproduits dans les autres pays
+sans le consentement des auteurs.
+
+A l'exclusion des romans-feuilletons et des nouvelles, tout article de
+journal peut être reproduit par un autre journal, si la reproduction
+n'en est pas expressément interdite. Toutefois, la source doit être
+indiquée; la sanction de cette obligation est déterminée par la
+législation du pays où la protection est réclamée.
+
+La protection de la présente Convention ne s'applique pas aux
+nouvelles du jour ou aux faits divers qui ont le caractère de simples
+informations de presse.
+
+
+
+Article 10
+
+En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des
+oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées
+à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des
+chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de
+l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure
+entre eux.
+
+
+
+Article 11
+
+Les stipulations de la présente Convention s'appliquent à la
+représentation publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales,
+et à l'exécution publique des oeuvres musicales, que ces oeuvres
+soient publiées ou non.
+
+Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales sont,
+pendant la durée de leur droit sur l'oeuvre originale, protégés
+contre la représentation publique non autorisée de la traduction de
+leurs ouvrages.
+
+Pour jouir de la protection du présent article, les auteurs,
+en publiant leurs oeuvres, ne sont pas tenus d'en interdire la
+représentation ou l'exécution publique.
+
+
+
+Article 12
+
+Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites
+auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations
+indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique,
+telles que adaptations, arrangements de musique, transformations
+d'un roman, d'une nouvelle ou d'une poésie en pièce de théâtre et
+réciproquement, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction de
+cet ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des
+changements, additions ou retranchements, non essentiels, et sans
+présenter le caractère d'une nouvelle oeuvre originale.
+
+
+
+Article 13
+
+Les auteurs d'oeuvres musicales ont le droit exclusif d'autoriser: 1o
+l'adaptation de ces oeuvres à des instruments servant à les reproduire
+mécaniquement; 2o l'exécution publique des mêmes oeuvres au moyen de
+ces instruments.
+
+Des réserves et conditions relatives à l'application de cet article
+pourront être déterminées par la législation intérieure de chaque
+pays, en ce qui le concerne; mais toutes réserves et conditions de
+cette nature n'auront qu'un effet strictement limité au pays qui les
+aurait établies.
+
+La disposition de l'alinéa 1er n'a pas d'effet rétroactif et, par
+suite, n'est pas applicable, dans un pays de l'Union, aux oeuvres
+qui, dans ce pays, auront été adaptées licitement aux instruments
+mécaniques avant la mise en vigueur de la présente Convention.
+
+Les adaptations faites en vertu des alinéas 2 et 3 du présent article
+et importées, sans autorisation des parties intéressées, dans un pays
+où elles ne seraient pas licites, pourront y être saisies.
+
+
+
+Article 14
+
+Les auteurs d'oeuvres littéraires, scientifiques ou artistiques ont
+le droit exclusif d'autoriser la reproduction et la représentation
+publique de leurs oeuvres par la cinématographie.
+
+Sont protégées comme oeuvres littéraires ou artistiques les productions
+cinématographiques lorsque, par les dispositifs de la mise en scène
+ou les combinaisons des incidents représentés, l'auteur aura donné
+à l'oeuvre un caractère personnel et original.
+
+Sans préjudice des droits de l'auteur de l'oeuvre originale,
+la reproduction par la cinématographie d'une oeuvre littéraire,
+scientifique ou artistique est protégée comme une oeuvre originale.
+
+Les dispositions qui précèdent s'appliquent à la reproduction
+ou production obtenue par tout autre procédé analogue à la
+cinématographie.
+
+
+
+Article 15
+
+Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention
+soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis,
+en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union,
+à exercer des poursuites contre les contrefacteurs, il suffit que
+leur nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée.
+
+Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est
+indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à
+l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur
+anonyme ou pseudonyme.
+
+
+
+Article 16
+
+Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités compétentes
+des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection
+légale.
+
+Dans ces pays, la saisie peut aussi s'appliquer aux reproductions
+provenant d'un pays où l'oeuvre n'est pas protégée ou a cessé de
+l'être.
+
+La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque
+pays.
+
+
+
+Article 17
+
+Les dispositions de la présente Convention ne peuvent porter préjudice,
+en quoi que ce soit, au droit qui appartient au Gouvernement de chacun
+des pays de l'Union de permettre, de surveiller, d'interdire, par des
+mesures de législation ou de police intérieure, la circulation, la
+représentation, l'exposition de tout ouvrage ou production à l'égard
+desquels l'autorité compétente aurait à exercer ce droit.
+
+
+
+Article 18
+
+La présente Convention s'applique à toutes les oeuvres qui, au
+moment de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le
+domaine public de leur pays d'origine par l'expiration de la durée
+de la protection.
+
+Cependant, si une oeuvre, par l'expiration de la durée de protection
+qui lui était antérieurement reconnue, est tombée dans le domaine
+public du pays où la protection est réclamée, cette oeuvre n'y sera
+pas protégée à nouveau.
+
+L'application de ce principe aura lieu suivant les stipulations
+contenues dans les conventions spéciales existantes ou à conclure à
+cet effet entre pays de l'Union. A défaut de semblables stipulations,
+les pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, les
+modalités relatives à cette application.
+
+Les dispositions qui précèdent s'appliquent également en cas de
+nouvelles accessions à l'Union et dans le cas où la durée de la
+protection serait étendue par application de l'article 7.
+
+
+
+Article 19
+
+Les dispositions de la présente Convention n'empêchent pas de
+revendiquer l'application de dispositions plus larges qui seraient
+édictées par la législation d'un pays de l'Union en faveur des
+étrangers en général.
+
+
+
+Article 20
+
+Les Gouvernements des pays de l'Union se réservent le droit de prendre
+entre eux des arrangements particuliers, en tant que ces arrangements
+conféreraient aux auteurs des droits plus étendus que ceux accordés par
+l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations non contraires
+à la présente Convention. Les dispositions des arrangements existants
+qui répondent aux conditions précitées restent applicables.
+
+
+
+Article 21
+
+Est maintenu l'office international institué sous le nom de "Bureau
+de l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques".
+
+Ce Bureau est placé sous la haute autorité du Gouvernement de la
+Confédération Suisse, qui en règle l'organisation et en surveille
+le fonctionnement.
+
+La langue officielle du Bureau est la langue française.
+
+
+
+Article 22
+
+Le Bureau international centralise les renseignements de toute nature
+relatifs à la protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres
+littéraires et artistiques. Il les coordonne et les publie. Il
+procède aux études d'utilité commune intéressant l'Union et rédige,
+à l'aide des documents qui sont mis à sa disposition par les diverses
+Administrations, une feuille périodique, en langue française, sur
+les questions concernant l'objet de l'Union. Les Gouvernements des
+pays de l'Union se réservent d'autoriser, d'un commun accord, le
+Bureau à publier une édition dans une ou plusieurs autres langues,
+pour le cas où l'expérience en aurait démontré le besoin.
+
+Le Bureau international doit se tenir en tout temps à la disposition
+des membres de l'Union pour leur fournir, sur les questions
+relatives à la protection des oeuvres littéraires et artistiques,
+les renseignements spéciaux dont ils pourraient avoir besoin.
+
+Le Directeur du Bureau international fait sur sa gestion un rapport
+annuel qui est communiqué à tous les membres de l'Union.
+
+
+
+Article 23
+
+Les dépenses du Bureau de l'Union internationale sont supportées
+en commun par les Pays contractants. Jusqu'à nouvelle décision,
+elles ne pourront pas dépasser la somme de soixante mille francs par
+année. Cette somme pourra être augmentée au besoin par simple décision
+d'une des Conférences prévues à l'article 24.
+
+Pour déterminer la part contributive de chacun des pays dans cette
+somme totale des frais, les Pays contractants et ceux qui adhéreront
+ultérieurement à l'Union sont divisés en six classes contribuant
+chacune dans la proportion d'un certain nombre d'unités, savoir:
+
+
+ 1re classe .... 25 unités
+ 2me classe .... 20 unités
+ 3me classe .... 15 unités
+ 4me classe .... 10 unités
+ 5me classe .... 5 unités
+ 6me classe .... 3 unités
+
+
+Ces coefficients sont multipliés par le nombre des pays de chaque
+classe, et la somme des produits ainsi obtenus fournit le nombre
+d'unités par lequel la dépense totale doit être divisée. Le quotient
+donne le montant de l'unité de dépense.
+
+Chaque pays déclarera, au moment de son accession, dans laquelle des
+susdites classes il demande à être rangé.
+
+L'Administration suisse prépare le budget du Bureau et en surveille
+les dépenses, fait les avances nécessaires et établit le compte annuel
+qui sera communiqué à toutes les autres Administrations.
+
+
+
+Article 24
+
+La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y
+introduire les améliorations de nature à perfectionner le système
+de l'Union.
+
+Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à
+d'autres points de vue le développement de l'Union, sont traitées
+dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de
+l'Union entre les délégués desdits pays. L'Administration du pays
+où doit siéger une Conférence prépare, avec le concours du Bureau
+international, les travaux de celle-ci. Le Directeur du Bureau assiste
+aux séances des Conférences et prend part aux discussions sans voix
+délibérative.
+
+Aucun changement à la présente Convention n'est valable pour l'Union
+que moyennant l'assentiment unanime des pays qui la composent.
+
+
+
+Article 25
+
+Les États étrangers à l'Union et qui assurent la protection légale des
+droits faisant l'objet de la présente Convention, peuvent y accéder
+sur leur demande.
+
+Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses
+et admission à tous les avantages stipulés dans la présente
+Convention. Toutefois, elle pourra contenir l'indication des
+dispositions de la Convention du 9 septembre 1886 ou de l'Acte
+additionnel du 4 mai 1896 qu'ils jugeraient nécessaire de substituer,
+provisoirement au moins, aux dispositions correspondantes de la
+présente Convention.
+
+
+
+Article 26
+
+Les Pays contractants ont le droit d'accéder en tout temps à la
+présente Convention pour leurs colonies ou possessions étrangères.
+
+Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par
+laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans
+l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises,
+soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues.
+
+Cette déclaration sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+
+
+Article 27
+
+La présente Convention remplacera, dans les rapports entre les
+États contractants, la Convention de Berne du 9 septembre 1886,
+y compris l'Article additionnel et le Protocole de clôture du même
+jour, ainsi que l'Acte additionnel et la Déclaration interprétative
+du 4 mai 1896. Les actes conventionnels précités resteront en vigueur
+dans les rapports avec les États qui ne ratifieraient pas la présente
+Convention.
+
+Les États signataires de la présente Convention pourront, lors de
+l'échange des ratifications, déclarer qu'ils entendent, sur tel ou
+tel point, rester encore liés par les dispositions des Conventions
+auxquelles ils ont souscrit antérieurement.
+
+
+
+Article 28
+
+La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront
+échangées à Berlin au plus tard le 1er juillet 1910.
+
+Chaque Partie contractante remettra, pour l'échange des ratifications,
+un seul instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux
+archives du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie
+recevra en retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des
+ratifications, signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part.
+
+
+
+Article 29
+
+La présente Convention sera mise à exécution trois mois après l'échange
+des ratifications et demeurera en vigueur pendant un temps indéterminé,
+jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la dénonciation
+en aura été faite.
+
+Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la Confédération
+Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui l'aura
+faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays de
+l'Union.
+
+
+
+Article 30
+
+Les États qui introduiront dans leur législation la durée de protection
+de cinquante ans prévue par l'article 7, alinéa 1er, de la présente
+Convention, le feront connaître au Gouvernement de la Confédération
+Suisse par une notification écrite qui sera communiquée aussitôt par
+ce Gouvernement à tous les autres États de l'Union.
+
+Il en sera de même pour les États qui renonceront aux réserves faites
+par eux en vertu des articles 25, 26 et 27.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE IV
+
+Association littéraire et artistique internationale
+
+Projet de Loi-Type adopté par le Congrès de Paris, 16-21 Juillet 1900
+
+
+
+Article Premier
+
+L'auteur d'une oeuvre de l'intelligence a le droit exclusif de la
+rendre publique et de la reproduire par quelque procédé, sous quelque
+forme et pour quelque destination que ce soit.
+
+Sont ainsi protégées toutes manifestations de la pensée écrites
+ou orales, les oeuvres dramatiques, musicales et chorégraphiques et
+toutes les oeuvres des arts graphiques et plastiques, quels que soient
+leur mérite, leur emploi et leur destination. Il en est de même des
+oeuvres qui ont paru dans les journaux ou recueils périodiques.
+
+Les actes officiels des autorités publiques et les décisions
+judiciaires ne peuvent faire l'objet d'un droit privatif.
+
+
+
+Article 2
+
+L'exercice du droit de l'auteur n'est subordonné à l'accomplissement
+d'aucunes conditions ni formalités.
+
+
+
+Article 3
+
+Le droit exclusif prévu à l'article 1er se continue pendant
+quatre-vingts ans à dater de la première publication licite de
+l'oeuvre. Il est exercé par l'éditeur tant que l'auteur véritable ne
+s'est pas fait connaître.
+
+Lorsque l'auteur s'est fait connaître avant l'expiration de ce
+délai, la durée du droit se continue pendant la vie de l'auteur et
+quatre-vingts ans après sa mort.
+
+Les oeuvres qui paraissent sous le nom d'une personne morale sont
+assimilées aux oeuvres anonymes.
+
+
+
+Article 5
+
+Les collaborateurs ont des droits égaux sur l'oeuvre commune, à moins
+de stipulations contraires.
+
+Les droits des ayants cause d'un collaborateur prédécédé subsistent
+jusqu'à l'expiration du délai de quatre-vingts ans après la mort du
+dernier survivant des collaborateurs.
+
+A défaut d'ayants cause d'un des collaborateurs sa part accroît aux
+autres collaborateurs ou à leurs ayants cause.
+
+
+
+Article 6
+
+Quiconque fait éditer une oeuvre posthume dont il est en droit
+de disposer, jouit d'un droit exclusif de reproduction pendant
+quatre-vingts ans à dater de cette première publication.
+
+Sont considérées comme oeuvres posthumes les oeuvres qui, du vivant
+de l'auteur, n'ont pas reçu, avec le consentement de l'auteur, la
+publicité normale que leur nature comporte.
+
+
+
+Article 7
+
+Toute reproduction, intégrale ou partielle, faite sans le consentement
+de l'auteur ou de ses ayants cause, est illicite.
+
+Il en est ainsi de la traduction et aussi de la représentation et de
+l'exécution publiques.
+
+Sont également illicites: les reproductions qui comportent des
+retranchements, additions et remaniements, telles que: adaptations,
+transformations de pièces de théâtre en romans et, réciproquement,
+de romans en pièces de théâtre, arrangements de musique, reproduction
+par un autre art, illustration d'un ouvrage.
+
+Il en est de même des reproductions d'oeuvres musicales par les
+instruments de musique mécaniques.
+
+
+
+Article 8
+
+L'auteur, une fois son oeuvre publiée, ne peut interdire les analyses
+et courtes citations qui, faites dans un but de critique, de polémique
+ou d'enseignement, portent l'indication du nom de l'auteur et de
+la source.
+
+Les discours prononcés dans les assemblées délibérantes ou dans les
+réunions publiques peuvent être reproduits dans un but d'information
+ou de discussion.
+
+
+
+Article 9
+
+Le droit de reproduction est indépendant du droit de propriété sur
+l'objet matériel (manuscrit ou original); la cession de l'objet
+matériel n'emporte donc pas, par elle même, cession des droits de
+reproduction et réciproquement.
+
+La cession des droits appartenant à l'auteur (droit de publier,
+de représenter, d'exécuter, de traduire, d'illustrer, etc.) doit
+toujours être interprétée restrictivement.
+
+
+
+Article 10
+
+L'auteur de toute oeuvre de l'intelligence a le droit de faire
+reconnaître sa qualité d'auteur et d'agir en justice contre quiconque
+s'attribuerait cette qualité.
+
+L'auteur qui a cédé ses droits de reproduction conserve le droit
+de poursuivre les contrefacteurs, de surveiller la reproduction de
+son oeuvre et de s'opposer à toutes modifications faites sans son
+consentement.
+
+
+
+Article 11
+
+Après la mort de l'auteur, c'est à ses héritiers, à défaut d'un
+mandataire spécial désigné par lui, qu'il appartient de faire respecter
+les droits prévus à l'article 10.
+
+
+
+Article 12
+
+Aucune modification ne doit être faite à l'oeuvre, même par les
+héritiers ou ayants droits de l'auteur, sans que cette modification
+soit portée, d'une façon apparente, à la connaissance du public.
+
+
+
+Article 13
+
+Toute atteinte portée au droit de l'auteur, tel qu'il est défini
+par le présent projet de loi-type, donne ouverture à une action en
+dommages-intérêts; si l'atteinte a été portée sciemment, elle peut
+donner ouverture à une action pénale.
+
+
+
+Article 14
+
+Il en est de même de l'usurpation du nom d'un auteur, ainsi que de
+l'imitation frauduleuse de sa signature ou de tout signe distinctif,
+monogramme ou autre, adopté par lui.
+
+
+
+Article 15
+
+L'auteur ou ses ayants cause peuvent requérir les agents de police
+judiciaire pour procéder à la saisie des objets argués de contrefaçon
+et à celle des planches, moules ou matrices et autres ustensiles
+ayant servi ou destinés à servir spécialement à la fabrication
+desdits objets.
+
+S'il s'agit d'une représentation ou exécution, les auteurs peuvent
+fair procéder, dans les mêmes formes, à la saisie de la totalité de
+la recette.
+
+L'éditeur ou l'entrepreneur de spectacles doit justifier par écrit
+du consentement préalable de l'auteur ou de ses ayants cause.
+
+La confiscation des objets contrefaits, de même que celle des planches,
+moules ou matrices et autres ustensiles ayant servi ou destinés à
+servir spécialement à la fabrication desdits objets, sera prononcée
+au profit de l'auteur ou de ses ayants cause.
+
+En cas d'exécution ou de représentation illicite, les recettes saisies
+seront allouées au plaignant.
+
+
+
+Article 16
+
+La loi s'applique à tous les auteurs, quelle que soit leur nationalité
+et en quelque lieu que l'ouvrage ait paru pour la première fois.
+
+
+
+
+
+
+
+STELLINGEN
+
+
+I
+
+Onjuist is de meening, dat de boekdrukkers-privilegiën, die in ons
+land in de zeventiende en achttiende eeuw werden verleend, niet voor
+overdracht vatbaar waren en met den dood van den bevoorrechten persoon
+tenietgingen. (Proefschr. pp. 20 sqq.)
+
+
+II
+
+In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegiën heeft men ten
+onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen eigendom der
+schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.).
+
+
+III
+
+Het auteursrecht is te beschouwen als een vermogensrecht, dat tot
+object heeft een onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping
+van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp. 108 sqq.)
+
+
+IV
+
+Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het
+auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
+den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen
+en Telegrafie, Staatsblad no. 213, berust op eene onjuiste opvatting
+van den aard van het auteursrecht.
+
+
+V
+
+Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een integreerend bestanddeel
+van het auteursrecht worden beschouwd. (Proefschr. pp. 143 sqq. en
+180 sqq.)
+
+
+VI
+
+Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht te komen is
+het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner Conventie
+ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst.
+
+
+VII
+
+Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet voldeed niet aan
+den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene dergelijke wet
+wordt gesteld.
+
+
+VIII
+
+De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene wet is in strijd
+met de Grondwet.
+
+
+IX
+
+Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn stembiljetten, die
+volgens een vroeger model zijn gedrukt, van onwaarde.
+
+
+X
+
+Het recht van preferentie, toegekend door de artt. 1185 3o en 1190
+B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde goederen, die zich in handen
+van den kooper bevinden, eene dusdanige bewerking hebben ondergaan,
+dat zij zich niet meer in denzelfden staat bevinden.
+
+
+XI
+
+Het is voor de totstandkoming van een geldige hypotheek krachtens
+art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de hypotheekgever op het oogenblik
+der inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het
+artikel eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de
+hypotheek verleend wordt.
+
+
+XII
+
+Om "getuige" te zijn ingevolge art. 50 B. W. bij het opmaken van eene
+akte van overlijden is niet noodig, dat men de vereischten bezit,
+die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke men bij de akten
+van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden gesteld.
+
+
+XIII
+
+De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst ingevolge art. 37 der
+Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de wederpartij van den
+gefailleerde mocht toekomen, niet op.
+
+
+XIV
+
+De uitdrukking "te berde brengen" in het eerste lid van art. 41
+R. O. is niet in dien beperkten zin op te vatten, dat het schriftelijk
+bewijs van huur aan den kantonrechter zou moeten worden overgelegd
+om diens bevoegdheid uit te sluiten.
+
+
+XV
+
+Van de beschikking van den president der Rechtbank ingevolge art. 821
+Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het Hof open.
+
+
+XVI
+
+Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v. Strafr. kan gepleegd
+worden door middel eener afbeelding, zonder telastlegging van een
+bepaald feit.
+
+
+XVII
+
+Diefstal van electrische energie is mogelijk.
+
+
+XVIII
+
+Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub 2o der Leerplichtwet
+wordt niet strafbaar, doordat zij gepleegd is binnen een jaar na
+eene andere overtreding, hetzelfde kind betreffende, waarvoor de
+overtreder ingevolge art. 23 § 1 sub 4o onherroepelijk is veroordeeld
+of de boete vrijwillig heeft betaald.
+
+
+XIX
+
+Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de Overheid bij de
+bepaling der prijzen van de door haar geleverde goederen en diensten,
+rekening moet houden met de ongelijke koopkracht van hare verschillende
+afnemers.
+
+
+XX
+
+Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van hen, die in Lex
+7 § 1 D. 13, 1 willen lezen: "habet actionem furti et condictionem
+aut vindicationem".
+
+
+
+
+
+
+
+NOTEN
+
+
+[1] Op verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche
+schrijvers van verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en
+meer exemplaren, gewag gemaakt, o. a.: Cicero Pro Sulla XV, 42, 43;
+Suetonius Div. Aug. c. 31; Plinius Epistolae IV, 7. Ook werden soms
+hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne manuscripten. Men
+zie hierover: Dr. J. Kohler, Das Autorrecht, Jahrbücher f. d. Dogmatik
+XVIII, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver: Urheberrecht an
+Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906 pp. 27 sqq.
+
+[2] Men zie voor de vervaardiging en verspreiding van boeken vóór de
+uitvinding der boekdrukkunst o. a.: Zur Erinnerung an die Erfindung
+der Buchdruckerkunst van Georg Steinhausen in die Nation van 2 Juni
+1900, p. 492.
+
+[3] Dit privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: Over het kopy-regt
+in Nederland door Mr. B. van den Velden, 1835. p. 290.
+
+[4] Privilegiën door Karel V verleend: in 1538 voor Dye Cronijcke van
+Hollat, Zeelant en Vrieslant etc. (misschien een overdruk of vervolg
+van het zooeven genoemde boek) in: De Amsterdamsche boekdrukkers en
+uitgevers in de zestiende eeuw door E. W. Moes, I p. 136. Privilegiën
+van 1546 en 1547 in: Memoriael Boeck van den Hove van Holland (het
+eerste door den Griffier Jan van Dam gehouden) 1543-1548 fol. 231
+en 287.
+
+Privilegiën van Philips II: bij Moes t. a. p. I p. 352, waar melding
+wordt gemaakt van een kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door
+"Coe. Mats. Octroije" en ibidem II p. 58, waar een werk wordt genoemd
+voorzien van "privileg. Reg. Matis. // et Cancellarie Brabantie". In
+de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van dr. Jan ten Brink
+vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het titelblad
+gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o. a. de
+afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282.
+
+[5] Lieuwe van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh in ende omtrent
+de Vereenigde Nederlanden (1633-1644) (fol. uitg. bij Joh. Veely,
+Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde deel p. 552.
+
+[6] Ibid. p. 660.
+
+[7] Men zie hierover: Resolutiën Staten van Holland 1639 pp. 38, 105,
+144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; Resolutiën Staten-Generaal 23
+dec. 1639.
+
+[8] B.v. in een privilegie van 6 Nov. 1656, Resolutiën Staten-Generaal
+1656 fol. 719.
+
+[9] T. a. p. p. 552.
+
+[10] Cau en Scheltus, Groot Placaatboek IV p. 361.
+
+[11] Men zie b.v. de Resolutiën der Staten van Holland 23 Sept. 1734
+pp. 628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal
+Res. van 29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het Archief voor kerkelijke en
+wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, uitgegeven door
+J. J. Dodt van Flensburg VI pp. 360, 361.
+
+[12] Voorbeelden hiervan o.a. in Dodt V pp. 235, 251, 258, 274,
+VII p. 2 en Resolutiën Staten van Holland, 18 Jan. 1737 p. 48.
+
+[13] Resolutiën Staten van Holland 13 Maart 1749 p. 163.
+
+[14] Men zie hierover: Robert Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot
+de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften deel VIII
+pp. 21 sqq.
+
+[15] Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. Dodt VI p. 359.
+
+[16] Dodt V. p. 15. Een dergelijk geval in: Resolutiën Staten van
+Holland 17 Jan. 1585 p. 46.
+
+[17] Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd
+door die van 30 April 1728 (Groot Placaetboek III p. 552 en VI p. 598.)
+
+[18] Groot Geldersch Placaet-boek III p. 644.
+
+[19] Medegedeeld door mr. N. de Ridder in diens proefschrift: Eenige
+beschouwingen over kopierecht, Utrecht 1875 p. 31.
+
+[20] Cf. hierover: A. C. Kruseman, Aanteekeningen betr. den Boekhandel
+van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw p. 317.
+
+[21] Resolutiën Staten van Holland 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April 1580
+p. 59.
+
+[22] De tekst der Resolutie is te vinden in het Groot Placcaatboek
+van Cau en Scheltus V p. 603 en: Wiltens Kerkelijk Placcaat-Boek III
+p. 262.
+
+[23] In Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei
+bereikte, in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan
+uitsluitend privilegiën zouden worden gegeven "pro libris et operibus
+novis, nunquam antea impressis, et non pro aliis". D. A. 1889 p. 8),
+in Frankrijk sedert 1578; Cf. Kohler Autorrecht p. 85.
+
+[24] Het privilegie is afgedrukt in Groot Placcaatboek I p. 190.
+
+[25] Men zie hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19
+Maart 1655 in het Groot Placcaatboek II p. 3029.
+
+[26] Res. Staten van Holland 1724 p. 944.
+
+[27] Res. Staten van Holland 29 Sept. 1752 p. 1378.
+
+[28] Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven door D. F. Scheurleer
+p. 83.
+
+[29] Res. Staten van Holland 2 April 1746 pp. 217, 218.
+
+[30] Zie o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4
+Nov. 1615 bij Dodt VI pp. 374 en 380.
+
+[31] Dodt VII p. 22.
+
+[32] Res. St. v. Holl. 3 Sept. 1585 p. 531.
+
+[33] Dodt VI p. 393.
+
+[34] Dodt V p. 2. Zie ook: l'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff par
+D. Franken Dz. Amst. 1872 pp. 9, 10.
+
+[35] Dodt V p. 17.
+
+[36] Dodt IV p. 11.
+
+[37] Medegedeeld door dr. A. Bredius in Oud Holland 1890 pp. 75 sqq.
+
+[38] Dodt VII p. 53.
+
+[39] Dodt VII p. 13.
+
+[40] Dodt VII p. 66.
+
+[41] Dodt IV p. 110.
+
+[42] Dodt VI p. 380.
+
+[43] Dodt VII pp. 10, 11.
+
+[44] Res. Staten van Holl. 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog
+geval: ibid 1740 pp. 261, 262.
+
+[45] Resolutie van 15 Mei 1619, Dodt VII p. 64.
+
+[46] Zoo ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland
+ten tijde van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot
+in de 18de eeuw toe. Cf. Kohler, Autorrecht pp. 463 sqq.
+
+[47] Cf. Dr. J. A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel
+in Nederland I p. 172.
+
+[48] Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam in de zeventiende
+eeuw p. 29. Cf. dezelfde schrijver in Amsterdam in de 17de eeuw. De
+Letterkunde en het Tooneel p. 16.
+
+[49] Cf. Worp t. a. p. II p. 228.
+
+[50] J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, enz. II p. 400.
+
+[51] In: Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective
+Godshuyzen,... wegens de tegenwoordige directie over den Schouwburg,
+enz. van 1699, medegedeeld door Worp t. a. p. II p. 89.
+
+[52] Wagenaar t. a. p. p. 404.
+
+[53] Men zie hierover: D. F. Scheurleer t. a. p. pp. 7 sqq. en 79
+sqq. en: Worp t. a. p. II p. 270.
+
+[54] Men zie b.v. in de Res. Staten van Holl. 1580 pp. 79, 113, 146,
+166, 197 en 1581 pp. 414 en 570.
+
+[55] Zie speciaal voor de Deventer Almanak: Dodt IV p. 124, VI p. 358,
+VII pag. 71; Res. Staten v. Holl. 1749 pp. 122, 123, 1750 pp. 888,
+976. Het is duidelijk, dat de privilegiën waarvan hier sprake is, nog
+iets anders gaven dan alleen het kopierecht. Het was er niet zoozeer om
+te doen, dat zulk een almanak niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen
+niet eene onderneming in denzelfden geest op touw zouden zetten.
+
+[56] Res. Staten v. Holl. 1582 p. 575.
+
+[57] Ress. St. v. Holl. 6 Juli 1585 pp. 339, 340.
+
+[58] Dodt V p. 262.
+
+[59] Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, Dodt VII p. 57.
+
+[60] Of dit, ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een
+goed voorbeeld is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar
+onder het hier bedoelde octrooi in de Resolutiën der Staten-Generaal
+staat bijgeschreven: "Bij resolutie van den 23 Febr. 1657" (dus vóór
+de overdracht aan Blaauw) "is het octroy in dese resolutie genoemd
+ingetrocken." (Res. St.-Gen. 6 Nov. 1656 fol. 719.)
+
+[61] Dodt V pp. 22, 23.
+
+[62] Res. Staten v. Holl. 16 Juli 1749 pp. 537 sqq.
+
+[63] Het privilegie staat afgedrukt in: Oeuvres de Nicolas Boileau
+Despréaux avec des Eclaircissemens historiques donnez par lui-même,
+à Amsterdam chez François Chanquion MDCCXXIX, Tome Ier.
+
+[64] Hollandse Consultatien en Advysen III p. 509, Consult CLXXXVII, 1
+
+[65] Voorbeelden hiervan: Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191,
+192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887.
+
+[66] T. a. p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij de Ridder
+t. a. p. p. 29; J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie. Rotterdam
+1905 p. 18.
+
+[67] Men zie de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den
+Deventer almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der
+Staten van Holland.
+
+[68] Cf. J. H. W. Unger, Bibliographie van Vondels
+werken. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11.
+
+[69] Cf. L'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff p. 12.
+
+[70] J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel
+in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw, (vertaling
+van: Dissertatio historico-juridica de juribus typographorum et
+bibliopolarum in regno Belgico, Leid. 1819), p.2.
+
+[71] Uit het reeds genoemde privilegie van Karel V.
+
+[72] Res. St. v. Holl. 1612 p. 192.
+
+[73] Priv. v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts Historie der Reformatie.
+
+[74] Priv. v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens
+Stichtelijke Rijmen.
+
+[75] Cf. de voorrede van den uitgever Lodewyx van der Plasse in het
+Groot Liedboeck van G. A. Bredero (uitg. 1622).
+
+[76] T. a. p. p. 53.
+
+[77] T. a. p. p. 33.
+
+[78] Zie o.a.: dr. Kalff in Amsterdam in de 17de eeuw, t. a. p. p. 17.
+
+[79] De gedichten van Constantyn Huygens, uitgeg. door dr. J. A. Worp
+1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den nadruk geen zeldzaam
+verschijnsel te hebben gevonden; in een "Aen den Drucker" vóór zijn
+"Hofwyck" zegt hij:
+
+
+ "Van dusend tegen een
+ De nadruck sal ons beurt zijn."
+
+
+[80] Cf. Scheurleer in Amsterdam in de 17de eeuw t. a. p. p. 85.
+
+[81] Zie het bovengenoemde voorbericht van zijn Groot Liedboeck.
+
+[82] Men zie het "Berecht aen den Lezer" in: Gedichten van Hubert
+Kornelisz. Poot, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet).
+
+[83] Dr. J. ten Brink t. a. p. p. 478.
+
+[84] Men zie b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot's
+Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid: Rob. Fruin, Verspreide
+Geschriften VIII pp. 26 sqq.
+
+[85] Kruseman t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere gevallen van nadruk:
+ibid. pp. 346, 80 sqq.
+
+[86] T. a. p. p. 63.
+
+[87] Men vindt den tekst dezer overeenkomst in: Bouwstoffen voor een
+geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel door A. C. Kruseman
+I p. 821.
+
+[88] Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 471.
+
+[89] Medegedeeld door: Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 86.
+
+[90] "Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius... volare per manus
+multorum nostras Institutiones Juris Batavici; in exquirendo eius
+plagii fonte ... se tibi adiutorem fore... etc." Cf. hierover:
+R. Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot de Hollandsche
+Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In
+denzelfden bundel (p. 272) maakt Fruin melding van een soortgelijk
+geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus overkomen. In het
+voorbericht van zijn De contemptu mundi schreef deze: "Typographi
+palam minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse."
+
+[91] Scheurleer t. a. p. p. 85.
+
+[92] Gedichten van Hubert Kornelisz. Poot, 2de druk 1724, bij Reinier
+Boitet te Delf, "Berecht aen den Lezer."
+
+[93] Res. St. van Holland 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te
+vinden in: Kerkelijk Placaatboek II pp. 522 sqq.
+
+[94] J. v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem,
+gestelt voor den Hollantschen Parnas. (De werken van Vondel in verband
+gebracht met zijn leven door mr. J. v. Lennep IX p. 143.)
+
+[95] Medegedeeld door dr. Hermann Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht
+als strafrechtlich zu schützendes Recht. Jahrbücher für die Dogmatik
+V p. 295.
+
+[96] Zie hierover en over de ontwikkeling van het begrip "geestelijke
+eigendom" in Duitschland: "Die Idee des geistigen Eigenthums" door
+dr. J. Kohler in Archiv für die civilistische Praxis, Band 82 pp. 166
+sqq. Men zie ook: Paul Laboulaye, Etude sur le droit de propriété
+littéraire en Allemagne. Paris 1855 pp. 9 sqq.
+
+[97] O.a. in een bekend arrest van het Conseil du roi van 14
+Sept. 1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht
+op de werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.:
+mr. J. Heemskerk, Voordragten over den eigendom van voortbrengselen
+van den geest. Haarlem 1856 p. 53.
+
+[98] Hollands Rykdom door mr. Elias Luzac (de Nederl. vertaling,
+Leiden 1781) II p. 530.
+
+[99] T. a. p. p. 529.
+
+[100] Scheurleer t. a. p. p. 75.
+
+[101] Te vinden in: Fruin, Verspreide Geschriften VII p. 401.
+
+[102] Max Rooses, Christophe Plantin, Imprimeur Anversois, 2me
+ed. Anvers 1890, pp. 228 sqq.
+
+[103] Brieven van Maria van Reigersbergh, uitg. door mr. H. Vollenhoven
+en dr. G. D. J. Schotel. Middelburg 1857 p. 35.
+
+[104] T. a. p. p. 42.
+
+[105] In: Amsterdam in de XVIIde eeuw, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar
+ook het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld.
+
+[106] Cf. Max Rooses, Christophe Plantin, imprimeur Anversois, 2me
+ed. p. 133.
+
+[107] T. a. p. p. 27 noot 2.
+
+[108] Dodt V p. 15.
+
+[109] Res. der Staten-Generaal 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook
+Res. Staten v. Holl. 1703 p. 472.
+
+[110] Res. St. v. Holl. 20 Nov. 1745 pp. 937, 938.
+
+[111] Res. Staten v. Holl. 18 Maart 1722 pp. 131, 132.
+
+[112] Res. St. v. Holl. 17 Aug. 1730 p. 718.
+
+[113] Res. St. v. Holl. 5 Oct. 1735 p. 572.
+
+[114] Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, 192.
+
+[115] Res. St. v. Holl. 17 Dec. 1738 p. 704.
+
+[116] Ik doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der
+Nederlandsche gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder
+en die tusschen den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den
+griffier Fagel, berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage
+(Legatie-archief nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor
+genoemd vond, is: Pütter, Der Büchernachdruck, Göttingen 1774 p. 117.
+
+[117] De tekst is te vinden in: Decreeten van de vergadering van het
+provinciaal bestuur van Holland, 6 Dec. 1796-6 Jan. 1797 p. 21. Ook
+bij van den Velden t. a. p. p. 294.
+
+[118] T. a. p. 47 noot 1.
+
+[119] De wet is in haar geheel afgedrukt bij van den Velden
+t. a. p. pp. 308 sqq. en de Ridder t. a. p. pp. 266 sqq.
+
+[120] Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het
+Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij
+1803 aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest. Te
+vinden bij Bodel Nyenhuis t. a. p. pp. 353 sqq.
+
+[121] Men zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 83 sqq.
+
+[122] Zie hierover ook de juiste uitspraak van de
+Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 27 December 1843. In:
+Het Letterkundig Eigendomsregt in Nederland, wetten, traktaten,
+regtspraak enz. 's Gravenhage 1865 pp. 135 sqq.
+
+[123] Cf.: Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van
+schrijvers en kunstenaars op hunne werken. Utrecht 1853 pp. 83 sqq.
+
+[124] O.a. door: Evertsen de Jonge t. a. p. pp. 168 sqq., de Ridder
+t. a. p. p. 125, mr. J. Heemskerk t. a. p. p. 56 en in een arrest
+van den Hoogen Raad van 22 Mei 1850 (Weekbl. v. h. Recht no. 1136).
+
+[125] W. v. h. R. no. 122.
+
+[126] Men zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel
+van 13 Febr. 1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840,
+alsmede de adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. Dirk Donker Curtius,
+W. C. B. Wintgens en S. P. Lipman in: Het Letterkundig Eigendomsregt
+in Nederland II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van mr. S. P. Lipman,
+Onderzoek omtrent de wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en
+30 Juli 1822 en 18 Juni 1829. Cf. ook: G. K. van Hogendorp, Bijdragen
+tot de Huishouding van Staat, 2de uitg. VIII pp. 282, 283.
+
+[127] Het belangrijkste hiervan is medegedeeld in: Het Letterkundig
+Eigendomsregt in Nederland II pp. 138 sqq.
+
+[128] Men zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. J. van der
+Linden, M. C. van Hall, N. Sinderam, S. A. E. Verburg en F. A. van Hall
+van 31 Maart 1817 in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 83 sqq. en een
+arrest van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in W. v. h. R. no. 67.
+
+[129] Zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 94 sqq.
+
+[130] Cf. Kruseman, Bouwstoffen enz. II pp. 578 sqq.
+
+[131] Beiden te vinden in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 247 sqq.
+
+[132] Hand. Staten-Generaal 1876-1877. Bijlage 202.
+
+[133] Hand. Tweede Kamer der St.-Gen. 1877-1878. Bijlage 25.
+
+[134] Handel. Tweede Kamer 1880-1881. Bijlage 15.
+
+[135] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1627 sqq.
+
+[136] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1637 sqq.
+
+[137] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166.
+
+[138] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 3.
+
+[139] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 4.
+
+[140] Men zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden van der
+Vlugt en Bos bij de behandeling van de begrooting van Justitie in 1904,
+Hand. Tweede Kamer 1904/05 pp. 831-833, 880.
+
+[141] Eene uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die
+jaren vindt men bij: Kruseman, Bouwstoffen enz. I pp. 526 sqq.
+
+[142] Men zie hierover de uitspraken van het Tribunal civil de la
+Seine (28 Maart 1884) en van het Cour de Cassation (25 Juli 1887)
+in Droit d'Auteur 1888 p. 126 en 1889 pp. 8 sqq. en de meening van
+Darras en Pouillet in hetzelfde tijdschrift 1902 p. 51.
+
+[143] Cf. hierover o.a.: de Martens, Traité de Droit international
+(traduit du Russe par Alfred Léo), Paris 1886 II pp. 222 sqq.
+
+[144] Actes de la Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur, Berne 1884 pp. 28, 29.
+
+[145] Actes p. 77.
+
+[146] Actes p. 89.
+
+[147] Men zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, Actes
+pp. 47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen
+afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32.
+
+[148] Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden.
+
+[149] De tekst dezer stukken is te vinden in: Actes de la Conférence
+de Paris 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq.
+
+[150] Cf. het door Renault opgestelde rapport van de werkzaamheden
+der Commissie, Actes p. 179.
+
+[151] Te vinden: Actes p. 229.
+
+[152] Actes p. 229.
+
+[153] Actes p. 146.
+
+[154] Actes de la Conférence de Berlin de 1908 p. 153.
+
+[155] Actes pp. 37 sqq.
+
+[156] Actes pp. 71 sqq.
+
+[157] Actes pp. 77 en 78.
+
+[158] Men zie: D. A. 1907 pp. 113 sqq.
+
+[159] Tableau des voeux émis par divers congrès et assemblées en vue du
+développement de la protection des oeuvres littéraires et artistiques,
+deuxième série 1896-1907. Berne 1908. Ook te vinden: Actes pp. 79 sqq.
+
+[160] Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la
+propriété littéraire et artistique, Revue des deux mondes 15 Dec. 1908
+p. 905.
+
+[161] Droit d'Auteur 1900 pp. 98 sqq.
+
+[162] Dit is ook ingezien door de Commissie, belast met de
+voorbereiding van eene nieuwe wet op het auteursrecht in
+Italië. D. A. 1907 p. 72.
+
+[163] Het werd goedgekeurd door de Wet van 22 Juli 1855 (Staatsblad
+no. 101) en in het Staatsblad geplaatst bij K. B. van 22 Juli 1855
+(Staatsblad no. 107).
+
+[164] Men vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van
+de Verklaring resp. in: K. B. van 22 Mei 1860 (Staatsblad no. 19)
+en K. B. van 16 Augustus 1855 (Staatsblad no. 176).
+
+[165] Goedgekeurd door de Wet van 28 Dec. 1858 (Staatsblad no. 119);
+in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 4 Maart 1859 (Staatsblad
+no. 11).
+
+[166] Goedgekeurd door de Wet van 27 Juni 1863(Staatsblad no. 86);
+in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 9 Juli 1863 (Staatsblad
+no. 115).
+
+[167] Staatscourant 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30
+en 264. In het werkje van mr. Veegens, Het auteursrecht volgens de
+Nederlandsche wetgeving, dat in 1895 uitkwam, wordt het tractaat met
+Spanje abusievelijk als nog van kracht zijnde behandeld. pp. 178 sqq.
+
+[168] Cf.: Droit d'Auteur 1895 pp. 50, 51.
+
+[169] Men zie de: Memorie van Beantwoording van den minister van Hall,
+Bijlagen Tweede Kamer 1854-1855 p. 795; en zijne rede in de vergadering
+van 22 Juni 1855, Bijblad Tweede Kamer 1854-1855 p. 1012. Cf. ook:
+Bijblad Eerste Kamer 1854-1855 p. 1909 en Bijblad Tweede Kamer
+1855-1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in:
+Het letterkundig eigendomsregt in Nederland I pp. 67 sqq.
+
+[170] Actes 1885 p. 81.
+
+[171] Men zie o.a. het Rapport der Commissie, benoemd door de
+vergadering van 15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te
+dienen inzake de Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der
+Vereeniging van Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905. Opgenomen in
+het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1905 nos. 87, 88 en 89 en in de
+Kroniek 1905 nos 564, 565 en 566.
+
+[172] Handel. Tweede Kamer 1905-1906 p. 1070.
+
+[173] Actes 1908 pp. 150, 151 en 217.
+
+[174] Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909
+door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor
+openbaarmaking geschikte aangelegenheden p. 68.
+
+[175] Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für
+civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq.
+
+[176] Cf. Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur,
+Genève 1869 pp. 38 sqq.
+
+[177] Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique,
+Thèse pour le doctorat. Paris 1904 p. 29: "Toutefois, malgré
+les arguments juridiques invoqués par le second système (dat den
+letterkundigen eigendom bestrijdt), il ne peut être contesté à notre
+avis, que l'auteur ait sur son oeuvre un véritable droit de propriété."
+
+[178] Men zie hierover o.a.: Dr. H. Ortloff, Das Autor- und
+Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher
+für die Dogmatik V pp. 323 sqq.
+
+[179] Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1. Theil,
+II Haupst., 3 Abschn., § 31 II.
+
+[180] Men zie o.a. Otto Gierke, Deutsches Privatrecht I (systematisches
+Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding,
+2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq.
+
+[181] Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
+Verlegers in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq.
+
+[182] Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck nach den Beschlüssen
+des deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für
+civ. Praxis Bnd. XXXV (1852) p. 91.
+
+[183] Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277.
+
+[184] Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
+Wetenschappen. Afd. Letterkunde, deel VI p. 349.
+
+[185] Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en
+Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 sqq. en
+113 sqq.
+
+[186] Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35.
+
+[187] Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97.
+
+[188] Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 II pp. 70, 71.
+
+[189] De verschillende opstellen van den heer de Savornin Lohman,
+waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis
+1862 pp. 213 sqq., Rechtsgeleerde Bijdragen 1864 pp. 140 sqq.,
+Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en Gemeentebestuur in
+Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 6 sqq. en 72 sqq. Men zie ook:
+Weekbl. v. h. Recht, no. 2916 en Hand. Ned. Jur.-Ver. 1877 II pp. 5
+sqq. en 43 sqq.
+
+[190] Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877
+pp. 204a sqq.
+
+[191] Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van
+mrs. de Ridder en Freseman Viëtor, nog van den laatste: Kantteekeningen
+op het ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht. Utrecht
+1877 pp. 6 sqq.
+
+[192] Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I
+pp. 311 sqq.
+
+[193] T. a. p. p. 328.
+
+[194] Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids
+1896 III pp. 411 sqq.
+
+[195] T. a. p. p. 413.
+
+[196] Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644.
+
+[197] Ibid. pp. 1628, 1642.
+
+[198] Men zie o.a.: mr. Henry Viotta, Het auteursrecht van den
+componist. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. J. van de Kasteele, Het
+auteursrecht in Nederland. Leiden 1885 pp. 8 sqq.; Mr. A. G. N. Swart,
+Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van beeldende
+kunst. Leiden 1891 pp. 27 sqq.
+
+[199] Men zie b.v.: Opzoomer, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III
+p. 205; Asser en van Heusde, Handleiding tot de beoefening van het
+Nederl. Burg. Recht II p. 57; Land, Verklaring van het Burgerlijk
+Wetboek II p. 2 (2de druk).
+
+[200] Edouard Laboulaye, geciteerd door Fern. Renouard t. a. p. p. 29.
+
+[201] Zoo o.a. Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wet in Verslagen en Mededeelingen
+der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3de reeks,
+deel XII pp. 5 sqq.; de Ridder t. a. p. p. 92; Land t. a. p. p. 2.
+
+[202] Autorrecht p. 98.
+
+[203] Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in
+Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV
+(nieuwe serie II) pp. 1 sqq.
+
+[204] T. a. p. p. 6.
+
+[205] T. a. p. p. 9.
+
+[206] T. a. p. p. 22.
+
+[207] T. a. p. pp. 22, 23.
+
+[208] T. a. p. p. 23.
+
+[209] In: Themis IX pp. 213 sqq.
+
+[210] H. J. Hamaker, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in:
+Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen,
+Afd. Letterkunde, vierde reeks, deel IX p. 33.
+
+[211] Cf. Hamaker t. a. p. p. 36.
+
+[212] Heinrich Heine, Ideen. Das Buch le Grand. Kap. XIV.
+
+[213] Cf. Kohler, Autorrecht pp. 209, 210.
+
+[214] Autorrecht p. 211.
+
+[215] Autorrecht pp. 212 sqq.
+
+[216] Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: Jolly,
+Die Lehre vom Nachdruck pp. 7 sqq. p. 87.
+
+[217] Amsterdamsch Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan,
+1907, Avondblad, 3de blad.
+
+[218] Freseman Viëtor t. a. p. p. 112.
+
+[219] Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniging 1877 I p. 14.
+
+[220] Hand. Jur. Ver. 1877 I pp. 96, 97.
+
+[221] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20.
+
+[222] Prof. W. L. P. A. Molengraaff in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887
+p. 386.
+
+[223] O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341.
+
+[224] Bijdragen enz. XV p. 20.
+
+[225] Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390.
+
+[226] Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756.
+
+[227] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57.
+
+[228] Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het
+Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
+
+[229] Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68.
+
+[230] P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires (Oeuvres complètes,
+tome XVI) p. 11.
+
+[231] T. a. p. p. 13.
+
+[232] T. a. p. p. 17.
+
+[233] Behalve zijne economische beschouwingen gaf Proudhon over het
+auteursrechtvraagstuk nog: "Considérations morales et esthétiques"
+en "conséquences sociales".
+
+[234] Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail,
+5me ed. Paris 1848 pp. 234, 235.
+
+[235] De door mij geraadpleegde werken van Schaeffle zijn:
+Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer Rücksicht auf
+litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster- und Markenschuz
+in Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft 1867 (Band 23)
+pp. 113-218 en 291-476, en: Ueber die volkswirtschaftliche Natur der
+Güter der Darstellung und der Mittheilung in hetzelfde tijdschrift 1873
+(Band 29) pp. 1-70.
+
+[236] Ik heb gemeend het woord "Unternehmer-Rente" dat Schaeffle
+hier gebruikt, te moeten vertalen door "ondernemerspremie"
+en niet door "ondernemersrente", zooals b.v. mr. de Ridder
+deed. Cf. mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde I
+pp. 230 sqq.
+
+[237] T. a. p. Band 23 p. 346.
+
+[238] T. a. p. Band 23 p. 347.
+
+[239] Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 208.
+
+[240] Cf. hierboven pp. 85 sqq.
+
+[241] Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en:
+Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq.
+
+[242] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8.
+
+[243] Men zie o.a.: Freseman Viëtor in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en
+Mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq.
+
+[244] Bijdragen enz. XVI p. 58.
+
+[245] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47.
+
+[246] T. a. p. p. 10.
+
+[247] Bijdragen enz. XVI p. 51.
+
+[248] T. a. p. p. 10.
+
+[249] T. a. p. 11.
+
+[250] In dezen zin o.a. reeds: Edouard Laboulaye, Etudes sur
+la propriété littéraire en France et en Angleterre, aangehaald
+door Fernand Renouard, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de
+eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. G. Belinfante, Het
+recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. Eenigszins afwijkend is
+de leer, door dr. O. Bähr verkondigd in Archiv für Bürgerliches Recht
+VII pp. 150 sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel
+van het eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt,
+dat daar waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van
+een reeds lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift
+het recht toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken.
+
+[251] Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Sämmtliche
+Werke 8 pp. 224 sqq.
+
+[252] Hegel's Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie
+ook §§ 68 en 69.
+
+[253] Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2:
+"Genoeg, dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van
+kleinzielige opvatting, er in geslaagd zijt haar, de gedachte, ten
+halve te kortwieken..." enz.
+
+[254] Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens,
+De Gids 1896 III p. 416; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd (Leiden 1885) p. 9; J. H. Kok, Auteursrecht en de Berner
+Conventie (Rotterdam 1905) p. 41.
+
+[255] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1629.
+
+[256] Cf. in dezen zin: Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff,
+Rechtsgeleerd Magazijn VI pp. 376, 377.
+
+[257] Men zie b.v. in dezen zin: Evertsen de Jonge t. a. p. p. 23;
+Freseman Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levy in
+Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II p. 15.
+
+[258] Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis
+82 pp. 141 sqq.
+
+[259] Die Lehre vom Nachdruck pp. 37, 38.
+
+[260] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 77.
+
+[261] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte 2de druk
+'s Gravenhage 1900 p. 109.
+
+[262] Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een
+recht op een onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf
+als object aan te nemen, maar "het recht van reproduceeren" of "de
+reproductie". Zoo b.v. mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der
+Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterk. 3de reeks 12de deel p. 17,
+die schrijft:
+
+"Tot die rechten" (n.l. rechten op onlichamelijke zaken) "behoort nu
+ongetwijfeld... het auteursrecht, waarvan het object, de reproductie
+van een werk, is onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk
+zelf reeds een materieel bestaan heeft." Juister en duidelijker is
+het m. i. in plaats van "de reproductie van het werk" het werk zelf
+als object te beschouwen. De reproductie is de handeling, waartoe het
+recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de inhoud van het recht.
+
+[263] O.a. Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn
+1887 p. 393; Prof. mr. D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche
+Strafrecht II p. 65.
+
+[264] O. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq.
+
+[265] Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1.
+
+[266] T. a. p. p. 765.
+
+[267] T. a. p. p. 767.
+
+[268] Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende
+andere bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv
+für bürgerliches Recht X pp. 246 sqq.
+
+[269] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 16.
+
+[270] Ik blijf mij van den gebruikelijken term "industrieele eigendom"
+bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen
+de uitdrukking "letterkundige eigendom".
+
+[271] Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in
+Oesterreich, Deutschland und andern europäischen Staaten p. 1.
+
+[272] Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in
+den ruimen zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel
+gebruikt. Cf. hierover: Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der
+Nederlandsche Letterkunde Haarlem 1907 Inleiding p. XLII.
+
+[273] Urheberrecht p. 131.
+
+[274] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq.
+
+[275] Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf
+in verschillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Wolterbeek
+Muller, De Phonograaf in het rechtsleven, Proefschr. Leiden 1895.
+
+[276] Droit d'Auteur 1901 p. 128.
+
+[277] Men zie: D. A. 1900 p. 111.
+
+[278] Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres
+van Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming
+der uitvoerende kunstenaars wederom door Osterrieth ter sprake gebracht
+en werd tot nadere bestudeering ervan besloten. D. A. 1907 p. 117.
+
+[279] De reproductie was in dit geval geschied door de
+photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen
+van enkele tafereelen uit het stuk.
+
+[280] D. A. 1899 p. 20.
+
+[281] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+p. 61 noot.
+
+[282] Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan
+zijn volgens het Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van
+Cassatie te Zürich 27 Aug. 1890, D. A. 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook:
+Kohler, Kunstwerkrecht pp. 31 en 32.
+
+[283] Urheberrecht p. 137.
+
+[284] Urheberrecht p. 128.
+
+[285] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+p. 7.
+
+[286] Urheberrecht p. 138.
+
+[287] De onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht
+van belang. Men zie b.v. Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst,
+2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar onderscheiden wordt tusschen:
+"die Sprache des Bedürfnisses" en "die der freien Darstellung". Van
+de eerstgenoemde zegt Gerber: "Diese Sprache des Bedürfnisses, die
+Prosa der Sprachkunst, gehört aber gar nicht in der Litteratur: sie
+wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als Sprache des gewöhnlichen
+Lebens bezeichnet."
+
+[288] Gierke t. a. p. p. 770.
+
+[289] Men zie b.v.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts
+p. 13; Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly
+t. a. p. pp. 115 sqq.; Beseler, System des gemeinen deutschen
+Privatrechts III p. 335.
+
+[290] N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96.
+
+[291] T. a. p. pp. 102 sqq.
+
+[292] J. G. Robbers Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en
+beschouwingen, Amsterdam 1896 p. 13.
+
+[293] Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een
+brief van een krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land,
+Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk p. 460 noot 1: "Aangezien ik
+tot heden geene constitutioneele honig ontving, vermeen ik, dat de
+gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te veronderstellen,
+dat er eene honige constitutie bestaat." Eene dergelijke zin, of
+eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan geen voorwerp
+van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in voor tegen de
+taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met eene gebrekkige,
+maar met eene mislukte uiting in woordvorm.
+
+[294] Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet
+spreekt van letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief
+begrip acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen
+duidelijk geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier
+dan wél in aanmerking wenscht te zien genomen.
+
+[295] Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie
+9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de
+bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging. Cf.
+hierboven pp. 88 sqq.
+
+[296] Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie,
+Rotterdam 1905 p. 42.
+
+[297] Men zie b.v.: Ludwig Noiré, Max Müller und die
+Sprach-Philosophie, Mainz 1879 pp. 36 en 81.
+
+[298] Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachwissenschaft (erster Teil,
+Die Sprache im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.
+
+[299] T. a. p. p. 51.
+
+[300] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. 's
+Gravenhage 1900 p. 457.
+
+[301] T. a. p. p. 459.
+
+[302] Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij
+de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October
+1908 door Dr. J. Woltjer, Hoogleeraar in de faculteit der Letteren
+en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14.
+
+[303] T. a. p. p. 15.
+
+[304] T. a. p. p. 62.
+
+[305] T. a. p. p. 54.
+
+[306] Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena II (Arthur
+Schopenhauer's sämmtliche Werke, herausg. v. Eduard Grisebach V
+p. 602, variante).
+
+[307] Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197.
+
+[308] L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260.
+
+[309] Frederik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch
+tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang,
+1889 deel II p. 118.
+
+[310] F. van der Goes, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe
+Gids enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279.
+
+[311] Dat met name het begrip "klankexpressie" niet eene uitvinding
+was van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van
+Dijk in eene voordracht getiteld "Stijl", opgenomen in: Handelingen
+en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
+te Leiden over het jaar 1907-1908, Leiden 1908 pp. 69, 70.
+
+[312] Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345.
+
+[313] T. a. p. p. 346.
+
+[314] Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men
+zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.
+
+[315] T. a. p. p. 259.
+
+[316] Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos.
+
+[317] Men zie het boven aangehaalde van L. van Deyssel (p. 152).
+
+[318] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+pp. 33, 34.
+
+[319] De vertaling van Akëdysséril, L. van Deyssel, Verzamelde
+opstellen IV pp. 181 sqq. Het artikel van prof. van Hamel is te
+vinden in de Gids 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel:
+"Aanteekeningen en opmerkingen" pp. 567 sqq.
+
+[320] T. a. p. p. 183.
+
+[321] T. a. p. p. 187.
+
+[322] Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding
+eener Virgilius-vertaling, Nieuwere Literatuur-geschiedenis IV
+pp. 12 sqq.
+
+[323] In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk
+uitgemaakt, dat iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt
+eiland "... must go through the whole process of triangulation, just
+if he had never seen any former maps;..." etc., medegedeeld door:
+Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 12.
+
+[324] Louis Blanc, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234.
+
+[325] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook
+de beschouwingen van Av. Henri Rosmini in denzelfden zin, D. A. 1895
+pp. 21 sqq.
+
+[326] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97.
+
+[327] Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud
+bestaat ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter,
+vallen hier buiten. Men zie daarover nog: Kohler t. a. p. pp. 122 sqq.
+
+[328] Men zie pp. 137 sqq.
+
+[329] Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30.
+
+[330] Reichsgericht 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, Börsenblatt 12
+Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152.
+
+[331] Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140.
+
+[332] Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79.
+
+[333] Medegedeeld door: P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896
+p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121.
+
+[334] Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais
+16 Juni, Gazette des Tribunaux 18 Sept. '96), medegedeeld door:
+A. Darras D. A. 1897 p. 16.
+
+[335] D. A. 1894 p. 73.
+
+[336] D. A. 1908 p. 152.
+
+[337] Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum)
+door A. Darras, D. A. 1892 p. 151.
+
+[338] Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84.
+
+[339] Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130.
+
+[340] Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123.
+
+[341] Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64.
+
+[342] Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98.
+
+[343] Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892
+pp. 64 sqq.
+
+[344] Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38.
+
+[345] Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61.
+
+[346] Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74.
+
+[347] Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men
+nog bij: Kohler, Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und
+artistische Kunstwerk etc. pp. 17 sqq., Urheberrecht pp. 155 sqq.;
+Gierke t. a. p. pp. 770 sqq.; A. Darras, D. A. 1892 p. 150, 1906 p. 22;
+Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété littéraire
+et artistique et du droit de représentation, Paris 1879 pp. 34, 37,
+39 en 46.
+
+[348] W. v. h. R. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6.
+
+[349] W. v. h. R. no. 5512.
+
+[350] W. v. h. R. nos. 6646 en 6647.
+
+[351] Men zie b.v.: Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. p. 27,
+Veegens, t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de
+Pinto t. a. p. pp. 22 sqq.
+
+[352] Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijlage 202.
+
+[353] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1648.
+
+[354] Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112.
+
+[355] Cf. boven p. 162.
+
+[356] Het auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112.
+
+[357] Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam
+van 27 Dec. 1843, W. v. h. R. no. 464.
+
+[358] Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van
+het bovengenoemde art. 6 der Berner Conventie op het Congres der
+Association te Neuchatel (26-29 Aug. 1907). D. A. 1907 pp. 115, 116.
+
+[359] Cf.: Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk
+enz. p. 183.
+
+[360] Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p. 4; J. H. Kok,
+Auteursrecht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in:
+"Pro en Contra" serie 1 no. 10 (Aansluiting bij de Berner Conventie)
+Baarn 1905 pp. 25 en 26; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd Leiden 1885 p. 9.
+
+[361] Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische
+Vierteljahrschrift VII p. 249.
+
+[362] Men zie b.v.: Doorman t. a. p. p. 10, Kok, t. a. p. resp. p. 43
+en p.27.
+
+[363] Cf.: Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum
+Schutze von Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen,
+Bern 1906 pp. 183, 184.
+
+[364] Men zie: Röthlisberger t. a. p. p. 184.
+
+[365] J. D. Doorman, t. a. p. p. 14.
+
+[366] D. A. 1899 pp. 52, 53.
+
+[367] D. A. 1899 pp. 53, 54.
+
+[368] D. A. 1900 p. 28.
+
+[369] Cf. hierboven pp. 166 sqq.
+
+[370] Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohler, Urheberrecht pp. 152 sqq.;
+men zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124.
+
+[371] D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisberger t. a. p. p. 235.
+
+[372] Actes 1896 p. 173.
+
+[373] Actes 1908 p. 257.
+
+[374] Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
+auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.
+
+[375] Men zie: Mr. Veegens t. a. p. pp. 90 sqq.
+
+[376] T. a. p. p. 6.
+
+[377] M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van
+muziekwerken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het
+Ontwerp geschrapt.
+
+[378] Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970.
+
+[379] W. v. h. R. no. 5785.
+
+[380] W. v. h. R. no. 6019.
+
+[381] Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie.
+
+[382] Cf.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts (Stuttgart 1888)
+p. 78.
+
+[383] M. v. T. t. a. p. § 2.
+
+[384] T. a. p. p. 79.
+
+[385] J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80.
+
+[386] J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingen en
+beschouwingen. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.
+
+[387] Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften,
+zooals door sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran
+d'Ache, Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur
+zoowel den tekst als de--opzettelijk daarvoor gemaakte--illustraties
+heeft geleverd. Hier is werkelijk het "plaatwerk" een auteursproduct
+in den waren zin van het woord, n.l. eene geestesschepping, die één
+geheel vormt.
+
+[388] T. a. p. p. 79.
+
+[389] Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart
+t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in
+plaats van "vijfentwintigjarige" gelezen worden: "vijftigjarige".
+
+[390] Urheberrecht p. 132.
+
+[391] Autorrecht p. 189.
+
+[392] Men zie ook: Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst,
+enz. pp. 59 sqq.
+
+[393] Men zie boven pp. 149 sqq.
+
+[394] Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq.
+
+[395] Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken
+staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie.
+
+[396] T. a. p. p. 80.
+
+[397] T. a. p. pp. 24 sqq.
+
+[398] Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:
+
+
+ "Denn so kehrt der Gott sich dir ab,
+ So küsst er die Gottheit von dir!"
+
+
+[399] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148.
+
+[400] Men zie hierover de belangrijke beschouwingen van Kohler,
+Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 150 sqq.
+
+[401] Zij wordt o. a. door Schuster verkondigd t. a. p. p. 195.
+
+[402] T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: Viotta pp. 55 sqq.
+
+[403] T. a. p. pp. 244 sqq.
+
+[404] Cf. in denzelfden zin: Kohler, Urheberrecht p. 198.
+
+[405] Zoo b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.
+
+[406] T. a. p. p. 228.
+
+[407] Autorrechtliche Studiën, Archiv für civilistische Praxis 85
+p. 397.
+
+[408] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook:
+Mr. J. D. Veegens t. a. p. p. 86.
+
+[409] Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21.
+
+[410] Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische
+Kunstwerk pp. 167 sqq.
+
+[411] Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905,
+D. A. 1905 p. 76.
+
+[412] Cour d'appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76.
+
+[413] Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63.
+
+[414] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46.
+
+[415] Cf. Prof. Dr. W. Vogelsang, Aesthetiek en Kunstgeschiedenis
+aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het
+hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te Utrecht 23 Sept. 1907
+pp. 19, 20.
+
+[416] Cf. Swart t. a. p. p. 58.
+
+[417] Kunstwerkrecht p. 27.
+
+[418] Cf. boven pp. 133, 134.
+
+[419] Cf. ook: Swart t. a. p. pp. 58, 59.
+
+[420] Men zie boven p. 12.
+
+[421] Cf. Kohler. Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 38
+sqq.
+
+[422] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 48.
+
+[423] Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47.
+
+[424] Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26.
+
+[425] Eene stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. Swart
+in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.
+
+[426] Swart t. a. p. p. 86.
+
+[427] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166-3 p. 5. Cf. ook:
+pp. 6 en 7 ad art. 11.
+
+[428] Eenigszins in denzelfden zin: Swart, t. a. p. pp. 69 sqq.
+
+[429] Men zie hierover o.a.: D. A. 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113
+sqq. en 125 sqq.
+
+[430] Men kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: Verslag van de
+Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de
+namaak hier te lande (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam).
+
+[431] Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer,
+Scheveningen z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare
+beteekenis als kunst, rede van W. H. Idzerda bij het aanvaarden van
+het ambt van privaat-docent voor het onderwijs in de photographie
+aan de Technische Hoogeschool, 29 Jan. 1908; Swart t. a. p. pp. 84 sqq.
+
+[432] Cf. boven p. 201.
+
+[433] Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie meestal
+aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 voortvloeide;
+zie o.a.: Pouillet t. a. p. p. 90; Darras, D. A. 1892 p. 128 en p. 150.
+
+[434] Men zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, D. A. 1891
+p. 21; Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door
+P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 25; Tribunal civil van Luik 7 Juni 1902,
+D. A. 1902 p. 118.
+
+[435] Men zie voor Italië: Amar in D. A. 1902 p. 62.
+
+[436] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 209.
+
+[437] Urheberrecht p. 177 noot 10.
+
+[438] Men zie het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29
+Sept. 1891 Paleis van Justitie 1891 no. 93.
+
+[439] Kohler, Urheberrecht pp. 181, 182.
+
+[440] Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62.
+
+[441] Memorie van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.
+
+[442] Av. Rosmini, Lettre d'Italie, D. A. 1894 p. 74.
+
+[443] Medegedeeld door: Darras, D. A. 1890 p. 77.
+
+[444] Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130.
+
+[445] D. A. 1897 p. 45.
+
+[446] D. A. 1908 p. 107.
+
+[447] Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook
+het arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908,
+medegedeeld door Prof. M. Amar in D. A. 1909 p. 27.
+
+[448] Tribunal Civil de la Seine 1re ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908
+p. 118.
+
+[449] Deze bewering, afkomstig van "vele leden", vindt men in het
+voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.
+
+[450] Urheberrecht p. 185.
+
+[451] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans,
+D. A. 1893 p. 19; Rosmini, D. A. 1893 pp. 60 sqq.
+
+[452] In dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892,
+D. A. 1892 pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter
+de muziek, die op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare
+uitvoeringen. Cf. Darras, D. A. 1903 p. 46. Men zie over de Belgische
+jurisprudentie: Wauwermans, D. A. 1901 p. 122.
+
+[453] Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste
+overwegingen van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar
+vonnis van 19 Juni 1889, D. A. 1890 p. 28.
+
+[454] Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling
+van Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de
+Duitsche wet v. 19 Juni 1901.
+
+[455] Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61.
+
+[456] D. A. 1908 p. 110.
+
+[457] Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq.
+
+[458] D. A. 1901 p. 32.
+
+[459] In dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908
+p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55;
+Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een
+koffiehuis), D. A. 1901 p. 16.
+
+[460] Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.
+
+[461] Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement
+van 3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk
+is verschenen (Urheberrechtsgesetz § 11); terwijl het in Noorwegen
+(art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de uitgave in
+druk kan worden voorbehouden.
+
+[462] Cf. Swart t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijvers.
+
+[463] In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht
+soms meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.:
+Het Land van Mauve (Bulletin van den Larenschen Kunsthandel) no. 6,
+5 Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. Louis
+Israëls hierover in hetzelfde blaadje no. 8, 5 Jan. 1907.
+
+[464] Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner
+Conventie pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde
+van Mr. Freseman Viëtor.
+
+[465] Urheberrecht p. 232.
+
+[466] Kohler, Autorrecht p. 51.
+
+[467] Men zie b.v.: de Ridder t. a. p. p. 248;
+M. v. T. W. A. R. Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijl. 202 § 4;
+Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. t. a. p. p. 44; Macaulay,
+Speeches t. a. p. pp. 273 sqq.
+
+[468] Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog
+enkele opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij
+te pas komen.
+
+[469] Cf. Röthlisberger t. a. p. p. 107.
+
+[470] Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association: "De uitoefening
+van het auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden
+of formaliteiten gebonden."
+
+[471] Cf. La question des formalités en Italie, D. A. 1897 p. 65.
+
+[472] Mr. C. Asser, Handleiding tot de beoefening
+v. h. Nederl. Burgerl. Recht II (3e druk) p. 347.
+
+[473] Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als
+een drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de
+heer W. P. van Stockum Jr. daaromtrent mededeelt in: Kort overzicht der
+organisatie van den Nederlandschen Boekhandel, uitg. door de Ver. ter
+bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 pp. 10 sqq.
+
+[474] T. a. p. p. 123.
+
+[475] Men zie hierover: D. A. 1908 p. 30.
+
+[476] D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel
+hebben geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129.
+
+[477] Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht
+zullen hieronder bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie
+nog ter sprake komen.
+
+[478] Men zie b.v.: A. Darras, D. A. 1897 pp. 79 sqq.; G. Huard,
+De divers droits qu'il ne faut pas confondre avec la propriété
+intellectuelle, D. A. 1899 pp. 102 sqq.; Jules Charreyron, De la
+propriété littéraire et artistique p. 38.
+
+[479] Cf. hierover: Mr. H. L. Drucker, Bescherming van rechten die
+niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn 1889 pp. 1 sqq.
+
+[480] Te vinden in: D. A. 1899 p. 127.
+
+[481] Men zie het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven:
+Tableau des Voeux etc. (2me série 1896-1907) pp. 33, 36, 37.
+
+[482] Urheberrecht p. 455.
+
+[483] Archiv für Bürgerliches Recht X p. 261.
+
+[484] Zie hierover vooral: Kohler, Das Recht an Briefen, Archiv für
+bürgerliches Recht VII pp. 94 sqq. en van denzelfden schrijver:
+Du droit sur les lettres missives ordinaires et confidentielles,
+D. A. 1906, p. 18, waarvan de Duitsche tekst is te vinden in:
+Deutsche Juristenzeitung XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook:
+Gierke t. a. p. p. 772 en: Mr. Paul Scholten, Recht op brieven,
+Weekbl. v. Privaatr., Notaris-ambt en Reg. 22 Sept. 1906 no. 1917.
+
+[485] Een aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland
+en Engeland worden door Kohler genoemd, Urheberrecht p. 442.
+
+[486] Cf. Kohler, D. A. 1906 p. 19.
+
+[487] D. A. 1903 pp. 28 sqq.
+
+[488] De Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende
+brieven van George Sand. Een der overwegingen was: "... que ce droit,
+tout personnel qu'il soit, passe aux héritiers représentants de la
+personne et des biens ... etc.", zitting van 11 Maart 1897, D. A. 1899
+p. 43; Annales de la Propr. ind., litt. et art. 1898 Nos. 9-10 p. 311,
+art. 4020.
+
+[489] D. A. 1906 p. 19.
+
+[490] Reeds door verschillende schrijvers werd de bepaling op
+soortgelijke gronden afgekeurd. Men zie: Mr. W. L. P. A. Molengraaff,
+De Faillissementswet verklaard pp. 243 sqq.; Swart t. a. p. pp. 122
+sqq.; Mr. B. M. de Vos, Rechtsgeleerd Magazijn 1908 p. 60.
+
+[491] Arrest van 1 Dec. 1892, besproken door Kohler, D. A. 1894 p. 82.
+
+[492] Medegedeeld door A. Darras, D. A. 1900 p, 41. De tekst is te
+vinden in: Gazette des Tribunaux 14 Febr. 1900.
+
+[493] Art. 10 wet van 1901.
+
+[494] Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, Gazette du Palais
+3 Febr. 1897, Annales de la propriété industrielle 1897 p. 126,
+D. A. 1897 p. 80.
+
+[495] Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, D. A. 1900 p. 42.
+
+[496] Trib. de la Seine 4 Mei 1903, D. A. 1903 p. 105, France
+judiciaire No. 17 van 9 Mei 1903.
+
+[497] D. A. 1902 p. 136.
+
+[498] Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, D. A. 1907 p. 100,
+La Loi 30 Mei 1907.
+
+[499] Trib. de la Seine 3 April 1897 (Le Droit 5 en 6 April 1897)
+medegedeeld door A. Darras, D. A. 1897 p. 80.
+
+[500] Trib. de la Seine 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, D. A. 1905 p. 7;
+men zie ook de bespreking van dit vonnis door A. Darras in D. A. 1904
+pp. 135, 136.
+
+[501] Ook tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk
+maken, door nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en
+zinnen in te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: H. Rosmini,
+D. A. 1891 p. 142.
+
+[502] Men zie b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche
+wet van 1901 §§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het
+Italiaansche Ontwerp art. 22 en de loi-type der Association art. 10
+lid 2 en 3.
+
+[503] Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en
+besproken door Prof. Molengraaff in Rechtsgeleerd Magazijn 1887
+pp. 375 sqq.
+
+[504] Cf. Molengraaff t. a. p. pp. 382 sqq.
+
+[505] Cf. Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. p. 77.
+
+[506] Trib. civil de la Seine 1 Aug. 1903, Gazette des Tribunaux 2
+Aug. 1903, La Loi 6, 7, 8 Aug. 1903, D. A. 1904 p. 63.
+
+[507] Cour d'Appel de Paris 24 Mei 1905, D. A. 1905 p. 132.
+
+[508] Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, D. A. 1905 pp. 100, 101.
+
+[509] Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. pp. 79, 80;
+Cf. ook: Av. Henri Rosmini, Droits des auteurs sur leur pseudonyme,
+D. A. 1888 pp. 16 sqq.
+
+[510] Cf.: Huard, D. A. 1899 p. 103, die zich echter zelf tegen deze
+verplichting verklaart.
+
+[511] Cf. hierover: A. Darras, D. A. 1895 p. 32, die op de verwarring
+tusschen persoonlijkheidsrecht (droit moral) en auteursrecht (droit
+pécuniaire), welke hier in het spel was, de aandacht vestigt.
+
+[512] Dit is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich
+verplicht zien aan dit artikel te geven. Cf.: Darras, D. A. 1895 p. 32;
+Kohler is van eene andere opinie D. A. 1896 pp. 12, 13; men zie echter
+wat de redactie hierbij aanteekent, noot 2, p. 13.
+
+[513] Cf. ook: Kohler, D. A. 1896 p. 12.
+
+[514] Handel. Tweede Kamer 1879-1880, Bijlage 110 No. 3 p. 174.
+
+[515] M. v. T. p. 174.
+
+[516] Kohler, Archiv für bürgerliches Recht X p. 277.
+
+[517] O. a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, Droit 1 en 2
+Juni 1896, Gazette des Tribunaux 4 Juni 1896, Gazette du Palais 9 Juni
+1896; id. 31 Dec. 1896, Droit en Gazette des Tribunaux 1 Jan. 1897,
+D. A. 1897 p. 17; 3 Aug 1899, Loi 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26
+Juli 1900, Loi 22 Nov. 1900, D. A. 1900 p. 154. Men zie ook: Darras,
+D. A. 1895 pp. 96, 168. Een aantal beslissingen van ouderen datum
+worden meegedeeld door: Rosmini, D. A. 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor
+een recent geval: Journal des Débats (édition hebdomadaire) 17 April
+1908 p. 738.
+
+[518] Zoo werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858
+in eene destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de
+beroemde tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie
+hierover: Rosmini, D. A. 1893 p. 10. Hetzelfde college gaf nog enkele
+jaren geleden eene beslissing in soortgelijken zin, 20 Jan. 1906,
+D. A. 1907 p. 136.
+
+[519] In eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court
+Boston 19 Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen
+particulieren en publieke personen: "Terwijl een privaat persoon
+beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit
+ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen
+dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder
+die er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden,
+dit recht aan het publiek heeft afgestaan." De grondgedachte dezer
+redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al
+te absoluut gesteld en verklaard. (D. A. 1895 p. 142).
+
+[520] Archiv für civ. Praxis 82 p. 206.
+
+[521] Kunstwerkrecht p. 164.
+
+[522] Men zie hierover in 't bijzonder: J. H. G. Cohen, Beleediging
+door Caricaturen, Proefschr. 1896 pp. 118 sqq.
+
+[523] Zoo b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en
+13 Nov. 1889. Men zie hierover: Rosmini, D. A. 1891 pp. 41 sqq.;
+men zie ook: D. A. 1907 p. 137.
+
+[524] Cf.: Darras, D. A. 1897 p. 80.
+
+[525] Men zie hierover de beschouwingen van Darras, D. A. 1897, pp. 17
+en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar geciteerde Fransche
+jurisprudentie; en: Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht,
+Archiv für Bürgerliches Recht V. pp. 83 sqq.
+
+[526] Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
+
+[527] Mr. J. P. Moltzer, W. v. h. R. no. 7154.
+
+[528] De voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover
+reeds is geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men
+zie hierover o. a.: Mr. L. J. Plemp van Duiveland, de Gids 1896 III
+pp. 385 sqq. en Onze Eeuw 1909 I pp. 102 sqq.: Herman Robbers, Pro en
+Contra, serie 1 no. 10; en de Gids 1908 IV pp. 541 sqq.; J. G. Robbers
+Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde geschriften van
+Mr. J. D. Veegens, J. H. Kok en J. Mosmans, en het, eveneens reeds
+genoemde, Rapport der Commissie aan de Vereeniging van Letterkundigen.
+
+[529] J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks
+t. a. p. p. 238.
+
+[530] Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd
+(art. 39).
+
+[531] T.a.p. p. 169.
+
+[532] T.a.p. p. 170.
+
+[533] Wél b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 §35, wet van
+1907 §30).
+
+[534] W. v. h. R. no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene
+andere opinie (no. 7149).
+
+[535] Reeds in 1853 noemde Bluntschli de volkomen gelijkstelling
+van vreemde auteurs en werken met de nationale "die einfachste
+und gerechteste Lösung" welke aan dit vraagstuk kan worden
+gegeven. Kritische Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und
+Rechtswissenschaft I p. 26.
+
+[536] Cf. het Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer 1877-1878,
+Bijlage 25 no. 7 p. 9.
+
+[537] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 214.
+
+[538] Actes 1908 p. 273.
+
+[539] Cf.: Actes 1885 p. 20.
+
+[540] Cf. o.a.: A d'Orelli, D. A. 1889 p. 2; 1891 p. 15.
+
+[541] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 149 en de daar genoemde
+schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van 1885 van
+de afgevaardigden Reichardt, d'Orelli, Renault, Lavollée en Lagerheim,
+Actes 1885 p. 22.
+
+[542] Röthlisberger t. a. p. p. 150.
+
+[543] Over het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze
+wet onbreekt, wordt hieronder bij de behandeling van art. 11 der
+Conventie gesproken.
+
+[544] Dit werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. D. A. 1899 pp. 130
+sqq.) maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de
+besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche
+herzieningsvoorstellen, Actes 1908 p. 41.
+
+[545] Het eenige zou misschien kunnen zijn: mondelinge voordrachten,
+voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is
+dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de "geschriften",
+die in het artikel worden genoemd.
+
+[546] Men zie hierover: Röthlisberger t. a. p. pp. 150 en 169;
+D. A. 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65.
+
+[547] Actes 1896 p. 145.
+
+[548] Men zie voor Frankrijk: Pouillet t. a. p. pp. 91 sqq. en
+D. A. 1889 p. 54; Darras ibid. 1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België:
+P. Wauwermans, D. A. 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. 24
+en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3
+Febr. 1904, D. A. 1905 p. 61; voor Italië: Rosmini, D. A. 1889 pp. 19
+en 30, 1891 p. 114.
+
+[549] Het Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: "On est tombé
+assez facilement d'accord que les photographies devaient être protégées
+dans tous les pays de l'Union". Actes 1908 p. 235.
+
+[550] Actes 1885 p. 43.
+
+[551] Actes 1896 pp. 114 en 166.
+
+[552] Men zie: Actes 1908 pp. 50, 51.
+
+[553] Men zie het verslag van Renault, Actes 1908 p. 232.
+
+[554] Men zie: D. A. 1895 p. 92.
+
+[555] In dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch
+album met schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover:
+Röthlisberger t. a. p. p. 154; Darras, D. A. 1898 p. 43. Cf. over
+een soortgelijke vraag: D. A. 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq.
+
+[556] De vraag werd o. a. besproken op het Congres der Association
+te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: D. A. 1907 pp. 115, 116.
+
+[557] Actes 1908 p. 44.
+
+[558] Men zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende
+erkenning van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam.
+
+[559] Actes 1908 p. 232.
+
+[560] Men zie het rapport van Renault, Actes 1908 p. 232.
+
+[561] Actes 1884 p. 41.
+
+[562] Actes 1885 p. 42.
+
+[563] Cf. voor het gebruik van de woorden nationaliteit en
+onderdaanschap als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: A. van
+de Sande Bakhuyzen, Nederlandsch onderdaanschap, Proefschr. Leiden
+1900 pp. 7 sqq.
+
+[564] Men zie b. v.: Röthlisberger t. a. p., p. 83; Kohler,
+Urheberrecht p. 403.
+
+[565] O. a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 2.
+
+[566] Cf.: van de Sande Bakhuyzen t. a. p. pp. 22 sqq.
+
+[567] Handel. Tweede Kamer 1908-1909 Bijlage 266.
+
+[568] Actes 1884 p. 44.
+
+[569] Actes 1896 p. 113.
+
+[570] Actes 1885 p. 21.
+
+[571] Anders: d'Orelli, D. A. 1899 p. 2.
+
+[572] Actes 1896 pp. 189 en 191.
+
+[573] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 92; D. A. 1902 p. 54.
+
+[574] Men zie de verklaring van Dr. Meyer dienaangaande op de
+Conferentie van 1884, Actes p. 43.
+
+[575] Actes 1896 p. 111.
+
+[576] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1896 p. 161; het Zwitsersche
+voorstel is te vinden ibid. p. 112.
+
+[577] Actes 1908 p. 237.
+
+[578] Actes 1908 p. 39.
+
+[579] Actes 1908 p. 39.
+
+[580] Actes 1908 p. 241.
+
+[581] Actes 1884 pp. 29, 43.
+
+[582] Actes 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen in
+D. A. 1896 pp. 36 sqq.
+
+[583] Cf. het rapport der Commissie Actes 1896 p. 164.
+
+[584] Cf. het rapport van Renault op de Conferentie van Berlijn Actes
+1908 p. 236.
+
+[585] Cf. hierboven p. 312.
+
+[586] Cf. boven pp. 264 sqq.
+
+[587] Actes 1908 p. 200.
+
+[588] Actes 1908 pp. 214, 215.
+
+[589] Cf. wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt,
+Actes 1908 p. 244.
+
+[590] Men vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908.
+
+[591] Actes 1885 p. 28.
+
+[592] Actes 1896 p. 168.
+
+[593] Actes 1884 pp. 31, 32.
+
+[594] Actes 1884 p. 49.
+
+[595] Actes 1885 pp. 26 sqq.
+
+[596] Actes 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de rede
+van den Franschen gedelegeerde Lavollée op de Conferentie van 1885,
+Actes pp. 62, 63.
+
+[597] Actes 1896 p. 133.
+
+[598] Actes 1896 p. 169.
+
+[599] Actes 1908 p. 246.
+
+[600] Men zie de toelichting van het voorstel: Actes 1908 pp. 201 sqq.
+
+[601] Actes 1908 pp. 247 en 248.
+
+[602] Actes 1908 p. 215.
+
+[603] Men zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde Klaus
+Hoel, Actes 1908 pp. 213 en 214 en die van den Zweedschen gedelegeerde
+Graaf Taube ibid. p. 218.
+
+[604] Men zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport
+van Renault aan de Conferentie van Parijs, Actes 1896 pp. 168 sqq. De
+Rechtbank van Brussel (10 Jan. 1903) wees ten onrechte een eisch af,
+op grond dat aan de voorwaarden voor het vertalingsrecht, die de wet
+van het land van herkomst (in dit geval Duitschland) eischte, niet
+was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar in dit vonnis verwezen werd,
+was bovendien toen al niet meer van kracht en vervangen door die van
+19 Juni 1901, welke in 't geheel geen voorwaarden of formaliteiten
+voorschrijft. (D. A. 1904 pp. 56 sqq.)
+
+[605] Men zie ook het rapport van Renault, Actes 1896 p. 170.
+
+[606] Actes 1885 p. 44.
+
+[607] Actes 1908 p. 217.
+
+[608] Niet geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Onze Eeuw 1909 I pp. 123 en 124.
+
+[609] Men zie hierover: Actes 1884 pp. 31 en 52 sqq.
+
+[610] Actes 1896 pp. 115, 116.
+
+[611] Actes 1896 pp. 136 sqq.
+
+[612] De tekst dezer voorstellen is te vinden: Actes 1908 pp. 287
+sqq. De toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en
+die van het Belgische pp. 203 sqq.
+
+[613] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 249 sqq.
+
+[614] Actes 1896 p. 137.
+
+[615] Men zie het Duitsche voorstel, Actes 1908 pp. 44, 45 en het
+Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207.
+
+[616] Cf. hierover het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 251, 252 en
+de verklaring van de Borchgrave op de vergadering van 13 Nov. 1908,
+Actes 1908 p. 215.
+
+[617] Men zie hierover o.a.: La reproduction des romans feuilletons
+dans les journaux, D. A. 1893 pp. 13 sqq., en: Du droit de reproduction
+en matière de journaux et de publications périodiques, D. A. 1896
+pp. 8 sqq.
+
+[618] Actes 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie Röthlisberger
+t. a. p. p. 203.
+
+[619] Actes 1896 p. 171.
+
+[620] Actes 1896 p. 171.
+
+[621] Actes 1908 p. 251.
+
+[622] Actes 1885 p. 46.
+
+[623] Men zie het Commissie-rapport Actes 1908 p. 251.
+
+[624] Men zie: Actes 1885 p. 46 en Actes 1896 p. 171.
+
+[625] Actes 1908 p. 254.
+
+[626] Actes 1896 p. 171.
+
+[627] Zij werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388.
+
+[628] Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige
+nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq.
+
+[629] Actes 1885 pp. 29, 30.
+
+[630] Actes 1885 p. 47.
+
+[631] Actes 1885 p. 47.
+
+[632] Actes 1908 p. 254.
+
+[633] In een ingezonden stuk van den heer A. de Jager in het Nieuwsblad
+voor den Boekhandel 1898 no. 100 worden een zestigtal titels van
+dergelijke uitgaven genoemd, die door den schrijver worden aangeduid
+als: "eenige, die mij het eerst voor de hand kwamen".
+
+[634] Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver
+van het bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel
+overgenomen. Het een en ander is opgenomen in: Nederland en de Berner
+Conventie door Mr. J. D. Veegens, met bijlagen, 2de vermeerderde druk,
+Groningen, P. Noordhoff 1898.
+
+[635] Actes 1896 p. 172.
+
+[636] Actes 1896 p. 229.
+
+[637] Actes 1908 p. 256.
+
+[638] Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. Röthlisberger
+t. a. p. p. 222.
+
+[639] Men zie: Actes 1885 pp. 48 sqq.
+
+[640] Actes 1896 pp. 172, 173.
+
+[641] Men zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van
+Duitschland, Spanje en Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs
+van geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210.
+
+[642] Cf. het Commissie-verslag Actes 1908 p. 258.
+
+[643] Tot nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over
+deze vraag uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq.
+
+[644] Evenzoo: Rosmini, D. A. 1890 pp. 93 sqq.; hoofdartikel
+in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts verscheidene
+rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland: Reichsgericht 31
+Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels, speeldoozen en
+andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal muziekstukken spelen
+en ten tijde van het tot stand komen der Conventie algemeen bekend
+waren, D. A. 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden zin: Reichsgericht
+24 Febr. 1899, D. A. 1901 p. 5; Sächsisches Oberlandsgericht 29
+Oct. 1894. In België werd uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk
+is op phonograaf-rollen door: Tribunal de 1re instance te Brussel
+13 Juli 1904, D. A. 1904 pp. 93 sqq.; Tribunal de paix Brussel 10
+Aug. 1903, D. A. 1903 pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen
+in tegengestelden zin.
+
+[645] Dit is ook de meening van Röthlisberger, die overigens
+de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: "dura lex sed lex"
+t. a. p. p. 246. Rechterlijke beslissingen in dezen zin: Landgericht
+Leipzig 31 Dec. 1891 (symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix);
+Landgericht Gera 23 Mei 1890 (clariophone), D. A. 1890 pp. 119 sqq.,
+1895 pp. 59 sqq.; Cour d'Appel Brussel 29 Dec. 1905, D. A. 1906 p. 46.
+
+[646] Zoo deed ook terecht: Tribunal de paix van Laeken 5 Juli 1906,
+D. A. 1907 p. 7.
+
+[647] Men zie hierover: Actes 1896 pp. 46, 47, 199, 200.
+
+[648] Zoo o. a. door de Association op hare congressen van Monaco 1897,
+Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het internationale
+uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. Tableau des Voeux etc. 1896-1907
+pp. 14, 15.
+
+[649] Men zie het Duitsche voorstel met de toelichting Actes 1908
+pp. 51, 52.
+
+[650] Men zie hierover het verslag der Commissie Actes 1908 pp. 260,
+261.
+
+[651] Actes 1908 p. 262.
+
+[652] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 p. 262.
+
+[653] Actes 1908 p. 264.
+
+[654] Actes 1908 p. 266.
+
+[655] Cf.: Actes 1885 p. 50.
+
+[656] Hof van Brescia 20-22 Dec. 1897, D. A. 1898 p. 83; Hof van
+Appel Milaan 10 Jan. 1899, D. A. 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa 23
+Juni 1903, D. A. 1904 p. 98.
+
+[657] Actes 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50.
+
+[658] Men zie ook: Des moyens de prouver l'existence du droit d'auteur
+d'après la Convention de Berne, D. A. 1899 pp. 50 sqq. en een arrest
+van het Hof van Cassatie van Rome van 7 Juni 1900, D. A. 1900 p. 145.
+
+[659] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 252.
+
+[660] Men zie over deze kwestie o.a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 14; een
+hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq. en 25 sqq.; Röthlisberger
+t. a. p. pp. 264, 265.
+
+[661] Actes 1885 p. 35.
+
+[662] Actes 1896 p. 139.
+
+[663] Actes 1896 p. 173; 1908 p. 267.
+
+[664] Cf.: D. A. 1904 p. 14.
+
+[665] Cf.: D. A. 1905 p. 94.
+
+[666] Cf.: Actes 1885 p. 52; D. A. 1905 pp. 93, 94; Actes 1908 p. 269.
+
+[667] Men zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen
+Duitschland en Engeland: D. A. 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen
+Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van
+Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): D. A. 1894 pp. 61 sqq.
+
+[668] Actes 1896 pp. 174, 175.
+
+[669] Dit belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen,
+die reeds reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te
+houden. Cf., speciaal voor Italië: M. Amar, De l'application de la
+Convention de Berne revisée aux oeuvres publiées avant son entrée en
+vigueur, D. A. 1900 pp. 89 sqq.
+
+[670] De tekst is o.a. te vinden in D. A. 1888 pp. 76 en 90 en bij
+Röthlisberger t. a. p. pp. 348 sqq.
+
+[671] Zeitschrift für internationales Privat- und Strafrecht VI p. 388.
+
+[672] D. A. 1905 p. 94; Röthlisberger t. a. p. p. 273.
+
+[673] Men zie de verklaring der Deensche Regeering, D. A. 1905 p. 95.
+
+[674] Men zie hierover o.a.: J. F. Iselin, L'effet rétroactif de la
+Convention de Berne en Angleterre, D. A. 1899 p. 38; Röthlisberger
+t. a. p. p. 278; La question de la Rétroactivité devant les tribunaux
+Anglais, (hoofdartikel) D. A. 1891 pp. 49 sqq. en: D. A. 1905
+p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te vinden in:
+D. A. 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101; 1899 p. 39.
+
+[675] Men zie: Actes 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; Actes 1885 pp. 27
+en 45.
+
+[676] Men zie het Commissie-rapport Actes 1896 pp. 160, 161.
+
+[677] D. A. 1895 p. 163.
+
+[678] Cf. ook in dezen zin: Röthlisberger t. a. p. pp. 29 sqq.
+
+[679] Actes 1884 p. 36.
+
+[680] Actes 1908 p. 277.
+
+[681] Cf.: Röthlisberger t. a. p. pp. 300, 301.
+
+[682] Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van
+het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
+den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen
+en Telegrafie, Staatsblad no. 213.
+
+
+ Wij Wilhelmina, enz.
+
+ Overwegende, dat het wenschelijk is het auteursrecht op de
+ Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur
+ der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden;
+
+ Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881 (Staatsblad
+ no. 124) tot regeling van het auteursrecht, gewijzigd bij de wet
+ van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64);
+
+ Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Waterstaat
+ en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling Posterijen
+ en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A. S.;
+
+ Hebben goedgevonden en verstaan:
+
+ te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de tweemaal per jaar
+ verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door
+ het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie.
+
+ Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn belast met
+ de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
+ geplaatst.
+
+
+[683] De overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die
+voornamelijk de inrichting en den werkkring van het Internationale
+Bureau betreffen, stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en
+artt. 22 en 23 Conventie 1908.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+***** This file should be named 37500-8.txt or 37500-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/5/0/37500/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/37500-8.zip b/37500-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..d2d1f6e
--- /dev/null
+++ b/37500-8.zip
Binary files differ
diff --git a/37500-h.zip b/37500-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..232667b
--- /dev/null
+++ b/37500-h.zip
Binary files differ
diff --git a/37500-h/37500-h.htm b/37500-h/37500-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..c58843d
--- /dev/null
+++ b/37500-h/37500-h.htm
@@ -0,0 +1,25689 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>Het auteursrecht in het Nederlandsche en internationale
+recht</title>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=us-ascii">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content=
+"Henri Louis de Beaufort (1880&ndash;1960)">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content=
+"Henri Louis de Beaufort (1880&ndash;1960)">
+<meta name="DC.Title" content=
+"Het auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="Copyright">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedtext td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.35em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.44em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.78em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+td.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+h1, .pseudoh1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+h1, h2, .pseudoh1, .pseudoh2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd20e113
+{
+text-align:center;
+}
+.xd20e2545
+{
+text-indent:2em;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Auteursrecht
+ in het Nederlandsche en internationale recht
+
+Author: Henri Louis de Beaufort
+
+Release Date: September 21, 2011 [EBook #37500]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">Het Auteursrecht</div>
+<div class="mainTitle"></div>
+<div class="subTitle">in het Nederlandsche en internationale
+recht</div>
+<div class="subTitle">Proefschrift</div>
+<div class="subTitle">Ter verkrijging van den graad van Doctor in de
+Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te Utrecht na machtiging van
+den Rector Magnificus <i>Dr.</i> H. Zwaardemaker hoogleeraar in de
+Faculteit der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat der
+Universiteit tegen de bedenkingen van de Faculteit der
+Rechtsgeleerdheid te verdedigen op vrijdag 17 december 1909 des
+namiddags te 4 uur door</div>
+</div>
+<div class="byline"><span class="docAuthor">Henri Louis de
+Beaufort</span><br>
+Geboren te Leusden</div>
+<div class="docImprint">P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus et
+Librorum Editor Utrecht 1909</div>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e111" href="#xd20e111" name=
+"xd20e111">V</a>]</span></p>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd20e113">Aan mijne Ouders <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e115" href="#xd20e115" name=
+"xd20e115">VI</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"><i>Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten
+voorbijgaan, die mij hier is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen
+aan U, Hooggeachte Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid
+waarmede U, tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit
+proefschrift terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke
+belangstelling, die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen.</i></p>
+<p><i>Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het
+voorrecht heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne
+erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik van
+hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan de
+verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb
+tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters van
+dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden
+deelnam.</i></p>
+<p><i>Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten,
+het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen
+uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het is
+mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en zijne
+Academie bestaat.</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e130" href=
+"#xd20e130" name="xd20e130">IX</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Inhoud</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPagenum">P.</span></p>
+<p class="tocChapter"><a href="#bronnen">Bronnen en literatuur</a>
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPagenum">XIII</span></p>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk I</p>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#ch1">Historische
+inleiding</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 1</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.1">De bescherming
+tegen den nadruk in ons land tot aan het einde der achttiende
+eeuw</a></td>
+<td class="tocPageNum">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 2</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.2">Onze wetgeving op
+het auteursrecht van het einde der achttiende eeuw tot dezen
+tijd</a></td>
+<td class="tocPageNum">39</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 3</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.3">Geschiedkundige
+ontwikkeling van het internationaal auteursrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">52</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk II</p>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#ch2">Grondslag en
+rechtskarakter</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 1</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.1">Algemeen overzicht
+der verschillende theorie&euml;n</a></td>
+<td class="tocPageNum">70</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 2</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.2">Recht of
+doelmatigheid?</a></td>
+<td class="tocPageNum">78</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 3</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.3">Economische
+theorie&euml;n</a></td>
+<td class="tocPageNum">95</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 4</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.4">Het auteursrecht
+als recht op een onlichamelijk goed</a></td>
+<td class="tocPageNum">108</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk III</p>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#ch3">De objecten</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 1</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.1">Algemeen overzicht
+en groepeering</a></td>
+<td class="tocPageNum">126</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 2</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.2">Geschriften</a>
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e334" href="#xd20e334" name=
+"xd20e334">X</a>]</span></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">a</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.1">Kenmerkende
+eigenschappen</a></td>
+<td class="tocPageNum">137</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">b</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.2">Vorm en
+inhoud</a></td>
+<td class="tocPageNum">143</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">c</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.3">Practische
+toepassingen van het voorgaande</a></td>
+<td class="tocPageNum">169</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.1">Vereischten
+waaraan een geschrift moet voldoen om object van auteursrecht te
+zijn</a></td>
+<td class="tocPageNum">170</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.2">Het recht van
+den vertaler</a></td>
+<td class="tocPageNum">176</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.3">Het
+uitsluitend vertalingsrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">180</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.4">Het recht van
+den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">186</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 3</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.3">Wetenschappelijke
+en technische platen en kaarten</a></td>
+<td class="tocPageNum">195</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 4</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.4">Werken der
+toonkunst</a></td>
+<td class="tocPageNum">202</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 5</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch3.5">Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes</a></td>
+<td class="tocPageNum">211</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 6</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.6">Werken van
+beeldende kunst</a></td>
+<td class="tocPageNum">219</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 7</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.7">Kunstnijverheid,
+photographie en bouwkunst</a></td>
+<td class="tocPageNum">228</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk IV</p>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#ch4">Omvang en duur</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 1</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.1">Omvang</a></td>
+<td class="tocPageNum">234</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.1">Het door den
+druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken</a></td>
+<td class="tocPageNum">236</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.2">Het maken van
+afschriften</a></td>
+<td class="tocPageNum">238</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.3">Vervaardiging en
+verspreiding van mechanische muziek-instrumenten en
+phonografen</a></td>
+<td class="tocPageNum">240</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.4">Reproductie door
+den kinematograaf</a></td>
+<td class="tocPageNum">244</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">V</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.5">Op- en
+uitvoering</a></td>
+<td class="tocPageNum">246</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">VI</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href=
+"#ch4.1.6">Voordracht</a></td>
+<td class="tocPageNum">251</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">VII</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.7">Reproductie van
+werken van beeldende kunst</a></td>
+<td class="tocPageNum">252</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 2</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.2">Duur</a></td>
+<td class="tocPageNum">254</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk V</p>
+<p><b><a href="#ch5">Voorwaarden en formaliteiten</a></b>
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPagenum">261</span></p>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk VI</p>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#ch6">Eenige met het auteursrecht in
+verband staande rechten</a></b> &nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPagenum">275</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.1">Recht op
+brieven</a></td>
+<td class="tocPageNum">278</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch6.2">Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op
+auteursrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">281</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.3">Het recht van den
+auteur dat zijn werk in ongeschonden staat wordt publiek
+gemaakt</a></td>
+<td class="tocPageNum">288</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.4">Het recht met
+betrekking tot den auteursnaam</a></td>
+<td class="tocPageNum">291</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.5">Recht van den
+afgebeelden persoon</a></td>
+<td class="tocPageNum">299</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter">Hoofdstuk VII</p>
+<p><b><a href="#ch7">Internationaal auteursrecht</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 1</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.1">Algemeene
+opmerkingen</a> <span class="pagenum">[<a id="xd20e578" href=
+"#xd20e578" name="xd20e578">XI</a>]</span></td>
+<td class="tocPageNum">305</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">&sect; 2</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.2">De Berner
+Conventie</a></td>
+<td class="tocPageNum">319</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">a</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.1">Algemeene
+regelen betreffende het internationale auteursrecht in het
+Verbond</a></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.1">Doel en
+strekking van het Verbond</a></td>
+<td class="tocPageNum">321</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.2">De werken
+waarop de Conventie van toepassing is</a></td>
+<td class="tocPageNum">322</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.3">Aard en omvang
+der bescherming</a></td>
+<td class="tocPageNum">343</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.4">Duur der
+bescherming</a></td>
+<td class="tocPageNum">366</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">b</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.2">Bijzondere
+regelen omtrent sommige onderdeelen</a></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.1">Het
+uitsluitend vertalingsrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">370</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.2">Dagbladen en
+tijdschriften</a></td>
+<td class="tocPageNum">383</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href=
+"#ch7.2.2.3">Bloemlezingen</a></td>
+<td class="tocPageNum">395</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.4">Op- en
+uitvoeringsrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">398</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">V</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href=
+"#ch7.2.2.5">Bewerkingsrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum">403</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">VI</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.6">Mechanische
+muziek-instrumenten</a></td>
+<td class="tocPageNum">406</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">VII</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href=
+"#ch7.2.2.7">Kinematograaf</a></td>
+<td class="tocPageNum">413</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">c</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.3">Rechtsmiddelen
+tot handhaving van het auteursrecht</a></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.3.1">Legitimatie
+voor den rechter</a></td>
+<td class="tocPageNum">417</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.3.2">Beslag op
+nadruk</a></td>
+<td class="tocPageNum">420</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">d</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.4">Uitvoerings- en
+overgangsbepalingen</a></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.1">Maatregelen
+der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling van geschriften en
+kunstwerken</a></td>
+<td class="tocPageNum">423</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href=
+"#ch7.2.4.2">Overgangsbepalingen</a></td>
+<td class="tocPageNum">424</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.3">De wetten en
+afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie</a></td>
+<td class="tocPageNum">434</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.4">Huishoudelijke
+inrichting van het Verbond</a></td>
+<td class="tocPageNum">436</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">V</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.5">Toetreding van
+nieuwe staten en hunne koloni&euml;n</a></td>
+<td class="tocPageNum">436</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum">VI</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.6">Bekrachtiging,
+inwerkingtreding en opzegging</a></td>
+<td class="tocPageNum">439</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><b><a href="#bijlagen">Bijlagen</a></b></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b1">Wet van 28 Juni 1881
+(Staatsblad n<sup>o</sup>. 124) tot regeling van het auteursrecht</a>
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e837" href="#xd20e837" name=
+"xd20e837">XII</a>]</span></td>
+<td class="tocPageNum">443</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b2">Gewijzigd ontwerp van
+wet tot regeling van het auteursrecht op werken van beeldende
+kunst</a></td>
+<td class="tocPageNum">452</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td>
+<td class="tocPageNum"></td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">A</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.1">Convention de Berne
+du 9 Septembre 1886 concernant la cr&eacute;ation d&rsquo;une Union
+internationale pour la protection des oeuvres litt&eacute;raires et
+artistiques</a></td>
+<td class="tocPageNum">459</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#b3.1.additionnel">Article
+additionnel</a></td>
+<td class="tocPageNum">464</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#b3.1.protocol">Protocole
+de cl&ocirc;ture</a></td>
+<td class="tocPageNum">465</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">B</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.2">Acte additionnel du
+4 Mai 1896</a></td>
+<td class="tocPageNum">467</td>
+</tr>
+<tr>
+<td colspan="2"></td>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href=
+"#b3.2.declaration">D&eacute;claration du 4 Mai 1896</a></td>
+<td class="tocPageNum">469</td>
+</tr>
+<tr>
+<td></td>
+<td class="tocDivNum">C</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.3">Convention de Berne
+revis&eacute;e pour la protection des oeuvres litt&eacute;raires et
+artistiques du 13 Novembre 1908</a></td>
+<td class="tocPageNum">471</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b4">Association
+litt&eacute;raire et artistique internationale Projet de
+Loi-Type</a></td>
+<td class="tocPageNum">481</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><a href="#stellingen">Stellingen</a>
+&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPagenum">487</span>
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e927" href="#xd20e927" name=
+"xd20e927">XIII</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="bronnen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Bronnen en literatuur</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een enkel woord over de bronnen en de literatuur,
+waarvan voor dit proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier
+voorafgaan.</p>
+<p>Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht
+van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en
+oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen,
+geraadpleegd.</p>
+<p>Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van
+de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste
+bron in de <i>Resoluti&euml;n van de Staten van Holland</i> en de
+<i>Resoluti&euml;n van de Staten-Generaal</i>, beide (de eerste
+gedrukt, de laatste in handschrift) berustende in het Rijksarchief te
+&rsquo;s Gravenhage. Ik achtte het echter niet noodig <i>alle</i>
+jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk te doorzoeken; hier
+en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende, dat nergens eene
+periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.</p>
+<p>Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan
+het <i>Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen,
+inzonderheid van Utrecht</i>, uitgegeven door <span class="sc">J. J.
+Dodt van Flensburg</span>; van de &bdquo;Resoluti&euml;n der Generale
+Staten uit de XVIIde eeuw meer <span class="corr" id="xd20e955" title=
+"Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> betreffende de geschiedenis der
+beschaving&rdquo;, die in de deelen IV, V, VI en VII van dit werk zijn
+opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp betrekking te
+hebben.</p>
+<p>Van <span class="corr" id="xd20e960" title=
+"Bron: verscheidenene">verscheidene</span> privilegi&euml;n heb ik ook
+kennis kunnen nemen, doordat zij in het geprivilegieerde boek zelf
+stonden afgedrukt.</p>
+<p>Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegi&euml;n dient te
+worden <span class="pagenum">[<a id="xd20e965" href="#xd20e965" name=
+"xd20e965">XIV</a>]</span>genoemd <span class="sc">Bodel
+Nyenhuis</span> (<i>De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
+Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw</i>). Na dit boek, waarvan
+de eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een
+zelfstandig onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn
+ingesteld; zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het
+genoemde werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.</p>
+<p>Voor de kennis van het Nederlandsche recht n&aacute; 1796 behoefde
+uit den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te
+worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt door
+eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz., uitgegeven
+door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels.
+(<i>Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten, tractaten,
+regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in Nederland en
+Nederlandsch-Indi&euml;</i>, &rsquo;s-Gravenhage 1865; id. Tweede
+Gedeelte, &rsquo;s Gravenhage 1867).</p>
+<p>Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en
+voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen der
+Conferenties.</p>
+<p>Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in
+de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der
+verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn het
+niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie, die aan
+de handelingen hunne waarde verleenen.</p>
+<p>Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van
+Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid
+zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur, Prof.
+<span class="sc">Louis Renault</span>, terecht algemeen lof is
+gebracht.</p>
+<p>Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de
+eerste plaats het standaard-werk van Prof. <span class="sc">Ernst
+R&ouml;thlisberger</span>, <i>Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von
+Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen</i>. (Bern 1906).
+Deze voortreffelijke en zeer volledige commentaar is echter reeds
+eenigermate verouderd, daar hij geschreven is v&oacute;&oacute;r de
+herziening van Berlijn.</p>
+<p>Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de
+Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het
+maandblad <i>Le Droit d&rsquo;Auteur</i>, officieel orgaan van het
+Internationale Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten
+de twee en twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk
+geredigeerde <span class="pagenum">[<a id="xd20e1001" href="#xd20e1001"
+name="xd20e1001">XV</a>]</span>tijdschrift zijn verschenen, een schat
+van gegevens over wetgeving en jurisprudentie op het auteursrecht van
+bijna alle landen der wereld.</p>
+<p>Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft, nog
+het volgende:</p>
+<p>De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is
+wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk geval
+meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van eenigen
+omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen en korte
+stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het auteursrecht
+slechts terloops wordt besproken.</p>
+<p>Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds
+toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne
+beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk
+niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.</p>
+<p>Ten aanzien van &eacute;&eacute;n schrijver ben ik op dit punt niet
+ongerust: ik bedoel <span class="sc">Kohler</span>, wiens werken
+ongetwijfeld tot het belangrijkste behooren van hetgeen over het
+auteursrecht is geschreven. Uit de volgende bladzijden zal men
+herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik aan dezen schrijver verschuldigd
+ben.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche
+werken, alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.</p>
+<p><span class="sc">J. Aikes van Kregten</span>, Het contract tusschen
+schrijver en uitgever, Proefschr. Groningen 1889.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">G. Belinfante</span>, Het recht van den auteur,
+<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq.</p>
+<p><span class="sc">J. T. Bodel Nyenhuis</span>, De wetgeving op
+drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in het begin der XIXde
+eeuw. (Vertaling van: <span lang="la">De juribus typographorum et
+bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819</span>). Met de latere
+bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.</p>
+<p><span class="sc">J. D. Doorman</span>, Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd, Leiden 1885.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">Evertsen de Jonge</span>, Verhandeling over de
+regten van schrijvers en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit
+het oogpunt van het internationale regt, Utrecht 1853.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">J. Heemskerk Azn.</span>, Voordragten over den
+eigendom van voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e1055" href="#xd20e1055" name=
+"xd20e1055">XVI</a>]</span></p>
+<p>Prof. Mr. <span class="sc">H. van der Hoeven</span>, Een verongelukt
+artikel, <i>Tijdschrift voor Strafrecht</i> V pp. 99 sqq.</p>
+<p><span class="sc">J. van de Kasteele</span>, Het auteursrecht in
+Nederland, Proefschr. Leiden 1885.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">S. Katz</span>, Het auteursrecht,
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> I pp. 311 sqq.</p>
+<p><span class="sc">J. H. Kok</span>, Auteursrecht en Berner Conventie,
+Rotterdam 1905.</p>
+<p>&mdash; Aansluiting bij de Berner Conventie, <i>Pro en Contra</i>
+serie I n<sup>o</sup>. 10.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">J. A. Levy</span>, Nederland en de Berner
+Conventie, <i>Het Paleis van Justitie</i>, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.</p>
+<p>Jhr. Mr. <span class="sc">A. F. de Savornin Lohman</span>, Over de
+regten van den uitvinder, <i>Themis</i> 1862 pp. 213 sqq.</p>
+<p>&mdash; Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de
+zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door mr. T.
+van Hettinga Tromp), <i>Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid en
+Wetgeving</i> deel XIV (1864) pp<span class="corr" id="xd20e1109"
+title="Niet in bron">.</span> 140 sqq.</p>
+<p>&mdash; Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder,
+<i>Bijdragen tot de kennis van het Staats-Provinciaal en
+Gemeente-Bestuur in Nederland</i> XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.</p>
+<p><span class="sc">J. Mosmans</span>, Diefstal? Nederland en de Berner
+Conventie, Venloo 1905.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span>, Begrip en omvang van het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, <i>Verslagen en
+Mededeelingen der Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterkunde</i>
+3<sup>de</sup> reeks, 12<sup>de</sup> deel pp. 5 sqq.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, Nederland en
+de Berner Conventie, <i>de Gids</i> 1896 III pp. 385 sqq.</p>
+<p>&mdash; Nederland en de (herziene) Berner Conventie, <i>Onze
+Eeuw</i> 1909 I pp. 102 sqq.</p>
+<p><span class="sc">N. de Ridder</span>, Eenige beschouwingen over
+kopierecht, Proefschr. Utrecht 1875.</p>
+<p><span class="sc">Herman Robbers</span>, Aansluiting bij de Berner
+Conventie, <i>Pro en Contra</i> serie I n<sup>o</sup>. 10.</p>
+<p>&mdash; De Berner Conventie, te Berlijn herzien, <i>de Gids</i> 1908
+IV pp. 541 sqq.</p>
+<p><span class="sc">J. G. Robbers</span> Jr., Het auteursrecht.
+Opmerkingen en beschouwingen, Proefschr. Amsterdam 1896.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">Paul Scholten</span>, Recht op brieven,
+<i>Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie</i> 22 Sept.
+1906 n<sup>o</sup>. 1917.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">Ph. W. Scholten</span>, Eene leemte in de wet
+betreffende het auteursrecht, <i>Themis</i> 1884 pp. 154 sqq.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e1191" href="#xd20e1191" name=
+"xd20e1191">XVII</a>]</span></p>
+<p><span class="sc">A. G. N. Swart</span>, Opmerkingen betreffende
+auteursrecht op werken van beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, Het auteursrecht volgens
+de Nederlandsche wetgeving, 1895.</p>
+<p>&mdash; Nederland en de Berner Conventie, <i>de Gids</i>, 1896 III
+pp. 411 sqq.</p>
+<p>&mdash; id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de
+Nederl. wetgeving, 2<sup>de</sup> druk Groningen 1898.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">B. van den Velden</span>, Over het kopyregt in
+Nederland, &rsquo;s Gravenhage 1835.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">J. Freseman Vi&euml;tor</span>, Eene bijdrage
+tot het leerstuk van den intellectueelen eigendom, <i>Bijdragen tot de
+kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland</i>
+XV (nieuwe serie II) pp. 1&ndash;49, 113&ndash;166.</p>
+<p>&mdash; Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot
+regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.</p>
+<p>&mdash; Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging,
+<i>Handelingen der Nederl. Juristen Vereeniging</i> 1877 I pp. 34
+sqq.</p>
+<p><span class="sc">Henry Viotta</span>, Het auteursrecht van den
+componist, Proefschr. 1877.</p>
+<p>Mr. <span class="sc">B. M. de Vos</span>, Het auteursrecht in actie,
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.</p>
+<hr class="tb">
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">Karl Adler</span>, Zur juristischen
+Konstruktion des Urheberrechtes, <i>Archiv f&uuml;r B&uuml;rgerliches
+Recht</i> X pp. 104 sqq.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">O. B&auml;hr</span>, Hat der
+Eigenth&uuml;mer einen Anspruch auf Schutz gegen Vervielf&auml;ltigung
+eines ihm geh&ouml;rigen Schrift- oder Kunstwerks? <i>Archiv f&uuml;r
+B&uuml;rgerliches Recht</i> VIII pp. 150 sqq.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Louis Blanc</span>, De la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire, Organisation du Travail
+5<sup>me</sup> ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">Bluntschli</span>, Das sogenannte
+Schrifteigenthum, Das Autorrecht, <i>Kritische Ueberschau der deutschen
+Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> I pp. 1 sqq.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Jules Charreyron</span>, De la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et artistique, Th&egrave;se
+pour le doctorat Paris 1904.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">P. Daude</span>, Lehrbuch des
+Deutschen litterarischen, k&uuml;nstlerischen und gewerblichen
+Urheberrechts, Stuttgart 1888.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Louis Delzons</span>, La
+propri&eacute;t&eacute; artistique et litt&eacute;raire &agrave; la
+Conf&eacute;rence de Berlin, <i>Revue des deux mondes</i> Octobre 1908
+pp. 667 sqq. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1293" href="#xd20e1293"
+name="xd20e1293">XVIII</a>]</span></p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Louis Delzons</span>, L&rsquo;oeuvre de
+la Conf&eacute;rence de Berlin sur la propri&eacute;t&eacute;
+litt&eacute;raire et artistique, <i>ibid.</i> Dec. 1908 pp. 895
+sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">J. G. Fichte</span>, Beweis der
+Unrechtm&auml;ssigkeit des <span class="corr" id="xd20e1305" title=
+"Bron: B&uuml;chernachdruks">B&uuml;chernachdrucks</span>. Ein
+R&auml;sonnement und eine Parabel, S&auml;mmtliche Werke 8 pp. 223
+sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">C. F. von Gerber</span>, Ueber die Natur
+der Rechte des Schriftstellers und Verlegers, <i>Jahrb&uuml;cher
+f&uuml;r die Dogmatik</i> III pp. 359 sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">O. Gierke</span>, Deutsches Privatrecht
+(Systematisches Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl
+Binding 2<sup>de</sup> afd. III<sup>de</sup> deel), Leipzig 1895 pp.
+702 sqq. 756 sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">Hegel</span>, Grundlinien der Philosophie
+des Rechts &sect;&sect; 43, 68, 69.</p>
+<p lang="de">Prof. Dr. <span class="sc">Paul Hinschius</span>, Ueber
+die Schutzberechtigung von Pantomimen und Ballets gegen unbefugte
+&ouml;ffentliche Auff&uuml;hrung, <i>Jahrb&uuml;cher f&uuml;r die
+Dogmatik</i> XXVI pp. 185 sqq.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">Julius Jolly</span>, Die Lehre vom
+Nachdruck, nach den Beschl&uuml;ssen des deutschen Bundes dargestellt,
+<i>Beilageheft zum Archiv f&uuml;r die civilistische Praxis</i>, Band
+XXXV (1852).</p>
+<p lang="de"><span class="sc">Im. Kant</span>, Metaphysik der Sitten I,
+Rechtslehre, I Theil, II Hauptst., 3 Abschn.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">Joseph Kohler</span>, Das Autorrecht,
+eine zivilistische Abhandlung, zugleich ein Beitrag zur Lehre vom
+Eigenthum, vom Miteigenthum, vom Rechtsgesch&auml;ft und vom
+Individualrecht, <i>Jahrb&uuml;cher f&uuml;r die Dogmatik</i>
+XVIII.</p>
+<p lang="de">&mdash; Das literarische und artistische Kunstwerk und
+sein Autorschutz, Eine juridisch-&auml;sthetische Studie, Mannheim
+1892.</p>
+<p lang="de">&mdash; Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht,
+Stuttgart 1906&ndash;1907.</p>
+<p lang="de">&mdash; Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.</p>
+<p lang="de">&mdash; Die Idee des geistigen Eigenthums, <i>Archiv
+f&uuml;r die civilistische Praxis</i> 82 pp. 192 sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Das Recht an Fahrtenb&uuml;chern, <i>ibid.</i> 85
+pp. 98 sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Autorrechtliche Studien, <i>ibid.</i> 85 pp. 399
+sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Die Immaterialg&uuml;ter im internationalen Recht,
+<i>Zeitschrift f&uuml;r internationales Privat- und Strafrecht</i> VI
+(1896) pp. 236 sqq. en 338 sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Das Individualrecht als Namenrecht, <i>Archiv
+f&uuml;r B&uuml;rgerliches Recht</i> V pp. 77 sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Das Recht an Briefen, <i>ibid.</i> VII pp. 94
+sqq.</p>
+<p lang="de">&mdash; Zur Konstruktion des Urheberrechts, <i>ibid.</i> X
+pp. 241 sqq. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1400" href="#xd20e1400"
+name="xd20e1400">XIX</a>]</span></p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Paul Laboulaye</span>, &Eacute;tude sur
+le droit de propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire en Allemagne,
+Paris 1855.</p>
+<p lang="en"><span class="sc">Macaulay</span>, Copyright, A speech
+delivered in The House of Commons on the 5th of February 1841.</p>
+<p lang="en">&mdash; id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay
+in two volumes, vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol.
+CCLXXXIV).</p>
+<p lang="de"><span class="sc">Mandry</span>, Der Entwurf eines
+gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes, <i>Kritische
+Vierteljahrschrift f&uuml;r Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> VII
+pp. 1&ndash;55, 242&ndash;274, 565&ndash;609.</p>
+<p lang="de">&mdash; Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze,
+<i>Archiv f&uuml;r die civilistische Praxis</i> 60 (neue Folge 10) pp.
+228 sqq.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">F. de Martens</span>, Trait&eacute; de
+droit international, traduit du Russe par Alfred L&eacute;o, Paris 1886
+II pp. 195&ndash;234.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Alo&iuml;s d&rsquo;Orelli</span>, La
+Conf&eacute;rence internationale pour la protection des droits
+d&rsquo;auteur, r&eacute;unie &agrave; Berne du 8 au 19 Septembre 1884,
+<i>Revue de droit international et de l&eacute;gislation
+compar&eacute;e</i> 1884 pp. 533 sqq.</p>
+<p lang="fr">&mdash; La deuxi&egrave;me conf&eacute;rence
+internationale pour la protection des oeuvres litt&eacute;raires et
+artistiques, <i>ibid.</i> 1886 pp. 35 sqq.</p>
+<p lang="de"><span class="sc">Hermann Ortloff</span>, Das Autorrecht
+als strafrechtlich zu sch&uuml;tzendes Recht, <i>Jahrb&uuml;cher
+f&uuml;r die Dogmatik</i> V pp. 263 sqq.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Eug&egrave;ne Pouillet</span>,
+Trait&eacute; th&eacute;orique et pratique de la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et artistique et du droit de
+repr&eacute;sentation, Paris 1879.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">P. J. Proudhon</span>, Les Majorats
+litt&eacute;raires, Examen d&rsquo;un projet de loi ayant pour but de
+cr&eacute;er, au profit des auteurs, inventeurs et artistes un monopole
+perp&eacute;tuel, Paris 1868, Oeuvres Compl&egrave;tes tome XVI.</p>
+<p lang="fr"><span class="sc">Fernand Renouard</span>, Essai sur la
+nature du droit d&rsquo;auteur, improprement d&eacute;sign&eacute; sous
+le titre de propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire, Gen&egrave;ve
+1869.</p>
+<p lang="de">Prof. <span class="sc">Ernst R&ouml;thlisberger</span>,
+Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und Kunst
+und die Zusatzabkommen, geschichtlich und rechtlich beleuchtet und
+kommentiert, Bern 1906.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">A. Sch&auml;ffle</span>, Die
+ausschliessenden &bdquo;Verh&auml;ltnisse&rdquo; mit besonderer
+R&uuml;cksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-,
+Muster- und Markenschuz, <i>Zeitschrift f&uuml;r die gesammte
+Staatswissenschaft</i> Band 23 (1867) pp. 143&ndash;219;
+291&ndash;477.</p>
+<p lang="de">&mdash; Ueber die volkswirtschaftliche Natur der
+G&uuml;ter der Darstellung und der Mittheilung, <i>ibid.</i> Band 29
+(1873) pp. 1&ndash;70. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1480" href=
+"#xd20e1480" name="xd20e1480">XX</a>]</span></p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">Schmid</span>, Ueber dingliche
+Gewerberechte, <i>Archiv <span class="corr" id="xd20e1488" title=
+"Bron: fur">f&uuml;r</span> die civilistische Praxis</i> Band 4 pp. 1
+sqq.; 174 sqq.</p>
+<p lang="de">Dr. <span class="sc">Heinrich M. Schuster</span>, Das
+Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, Deutschland und andern
+europ&auml;ischen Staaten mit Einschluss der allgemeinen
+Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt, M&uuml;nchen
+1891.</p>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">Afkortingen</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p lang="fr" class="first"><b>Actes 1884</b> Actes de la
+Conf&eacute;rence internationale pour la protection des droits
+d&rsquo;auteur r&eacute;unie &agrave; Berne du 8 au 19 septembre 1884,
+Berne 1884.</p>
+<p lang="fr"><b>Actes 1885</b> Actes de la 2<sup>me</sup>
+Conf&eacute;rence internationale pour la protection des oeuvres
+litt&eacute;raires et artistiques r&eacute;unie &agrave; Berne du 7 au
+18 Septembre 1885, Berne 1885.</p>
+<p lang="fr"><b>Actes 1886</b> Actes de la 3<sup>me</sup>
+Conf&eacute;rence internationale pour la protection des oeuvres
+litt&eacute;raires et artistiques r&eacute;unie &agrave; Berne du 6 au
+9 septembre 1886, Berne 1886.</p>
+<p lang="fr"><b>Actes 1896</b> Actes de la Conf&eacute;rence
+r&eacute;unie &agrave; Paris du 15 avril au 4 mai 1896, Berne Bureau
+international de l&rsquo;Union 1897.</p>
+<p lang="fr"><b>Actes 1908</b> Actes de la Conf&eacute;rence
+r&eacute;unie &agrave; Berlin du 14 octobre au 14 novembre 1908, Berne
+Bureau de l&rsquo;Union internationale litt&eacute;raire et
+<span class="corr" id="xd20e1526" title=
+"Bron: artististique">artistique</span> 1909.</p>
+<p lang="fr"><b>D. A.</b> Le Droit d&rsquo;Auteur, organe officiel du
+Bureau de l&rsquo;Union internationale pour la protection des oeuvres
+litt&eacute;raires et artistiques.</p>
+<p><b>Ontw. B. K.</b> Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst.</p>
+<p><b>W. A. R.</b> Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot
+regeling van het auteursrecht. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1541"
+href="#xd20e1541" name="xd20e1541">1</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk I</h2>
+<h2 class="main">Historische inleiding</h2>
+<div class="div2" id="ch1.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land
+tot aan het einde der achttiende eeuw</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den voortbrengers van intellectueele producten (werken
+van kunst en letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije
+genot van de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het
+recht, over de exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit
+is de thans vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de
+regeling van het auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit
+proefschrift nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden
+toegelicht en uitgewerkt.</p>
+<p>Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet
+in de auteursproducten zelf&mdash;het is algemeen bekend, dat reeds in
+de oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken
+van grooten bloei hebben gehad&mdash;maar in de wijzen, waarop die
+producten ge&euml;xploiteerd kunnen worden.</p>
+<p>De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht,
+was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat
+daarv&oacute;&oacute;r van het toekennen van uitsluitende rechten op de
+exploitatie van intellectueele producten nooit sprake is geweest. Men
+heeft zich hierover wel verwonderd, omdat ook v&oacute;&oacute;r de
+boekdrukkunst verveelvoudiging van boeken reeds op groote schaal plaats
+had.</p>
+<p>In het oude Rome b.v. waren reeds &bdquo;<span lang=
+"la">bibliopolae</span>&rdquo; gevestigd, die honderden slaven als
+overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat het aantal afschriften, dat
+van eenzelfde boek&mdash;soms in zeer korten <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e1563" href="#xd20e1563" name=
+"xd20e1563">2</a>]</span>tijd&mdash;verspreid kon worden, zeker niet
+geringer was dan dat van de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort
+na de uitvinding der boekdrukkunst in denzelfden tijd kon
+afleveren<a class="noteref" id="xd20e1565src" href="#xd20e1565" name=
+"xd20e1565src">1</a>.</p>
+<p>Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar
+boeken door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in
+verscheidene steden van Europa, o. a. Veneti&euml;, Parijs en Londen,
+waren huizen gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in
+het groot werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke
+Broeders des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan
+zelfs den naam &bdquo;Broeders van de penne&rdquo; te danken
+hadden<a class="noteref" id="xd20e1601src" href="#xd20e1601" name=
+"xd20e1601src">2</a>.</p>
+<p>De exploitatie van letterkundige producten was dus ook
+v&oacute;&oacute;r de toepassing der boekdrukkunst reeds van
+beteekenis; toch laat het zich wel verklaren, dat men er in die tijden
+niet toe gekomen is, een uitsluitend recht op kopie te scheppen.</p>
+<p>In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk
+van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen niet
+mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien zou het
+uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen die een groot
+aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande personen,
+die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, zou het
+onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden moet gezocht
+worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door overschrijvers de te
+behalen winst niet afhangt van het aantal exemplaren, dat van hetzelfde
+boek verkocht kan worden, zooals dat bij toepassing van den druk het
+geval is. Er worden niet, zooals bij het drukken, bijzondere kosten
+vereischt voor de bewerking van nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene
+vergelding behoeft te worden gezocht in den verkoop van zooveel
+mogelijk exemplaren van hetzelfde <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e1617" href="#xd20e1617" name="xd20e1617">3</a>]</span>boek. Het
+vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben in
+overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer vond,
+kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander ter hand
+worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik gemaakt om
+afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste uitgever
+hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad van
+concurrentie.</p>
+<p>De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem
+uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.</p>
+<p>Het in druk uitgeven van een geschrift is&mdash;en was vooral te
+dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was&mdash;altijd min
+of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast
+aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies
+zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er v&oacute;&oacute;r
+alles om te doen is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke
+oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed
+zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te
+drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede
+winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager
+te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste
+koopers naar zich toe.</p>
+<p>Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden,
+zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie,
+waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen,
+aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit
+kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
+liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte te
+doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek <i>octrooi</i> of
+<i>privilegie</i> krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
+uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.</p>
+<p>De privilegi&euml;n zijn in de meeste landen tot aan het einde der
+achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk
+gebleven. Het recht&mdash;al was het dan een
+uitzonderingsrecht&mdash;der privilegie-houders heeft vele punten van
+gemeenschap met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel
+overeen met het kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk
+der privilegi&euml;n en octrooien is dus te beschouwen als de eerste
+periode <span class="pagenum">[<a id="xd20e1634" href="#xd20e1634"
+name="xd20e1634">4</a>]</span>in de ontwikkelingsgeschiedenis van het
+auteursrecht. Om die reden moge er hier, voorzoover ons land betreft,
+eene bespreking van volgen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend
+in het jaar 1516 door Karel V voor <i>Die Cronycke van Hollandt,
+Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare
+1517</i><a class="noteref" id="xd20e1642src" href="#xd20e1642" name=
+"xd20e1642src">3</a>. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de
+gelegenheid hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om
+zich op deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk
+werden de privilegi&euml;n hier verleend door den Vorst over deze
+landen: door Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd
+heb ik er slechts enkele kunnen ontdekken<a class="noteref" id=
+"xd20e1651src" href="#xd20e1651" name="xd20e1651src">4</a>, doch het
+schijnt toen al niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat
+zij werden verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19
+Mei 1570 komt de bepaling voor (art. 13): &bdquo;dat geen Printer eenig
+boek zal mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft,
+binnen drie maanden na den dag van expiratie van &rsquo;t
+privilegie.&rdquo;</p>
+<p>Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden
+de Staten de privilegi&euml;n zelf.</p>
+<p>Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die
+tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond
+tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die van
+Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel
+mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e1701" href="#xd20e1701" name=
+"xd20e1701">5</a>]</span>Provinciale Staten als door de Generaliteit
+werden privilegi&euml;n verleend; de eersten waren natuurlijk slechts
+in &eacute;&eacute;ne provincie van kracht, de laatsten golden,
+voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden waren
+bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de
+privilegi&euml;n der Staten-Generaal werd niet steeds in alle
+provinci&euml;n erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632
+aan de weduwe van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden
+verleend voor de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten
+uitlokte van verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden,
+&bdquo;... als niet konnende verstaen dat de Staten Generael macht
+hadden om Octroy te geven aen d&rsquo;eene, ende verbot te doen aen
+d&rsquo;andere...&rdquo; enz.<a class="noteref" id="xd20e1703src" href=
+"#xd20e1703" name="xd20e1703src">5</a>. Door de Steden van Holland werd
+tegen dit octrooi aangevoerd, &bdquo;dat sulcks niet konde prejudiceren
+aen de Provinci&euml;n of Leden van dien, of om korter te spreken, dat
+haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy te
+gheven.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1711src" href="#xd20e1711"
+name="xd20e1711src">6</a> Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het
+gegeven octrooi &bdquo;geconfirmeert,&rdquo; maar dit belette niet, dat
+de bijbel door verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd
+nagedrukt<a class="noteref" id="xd20e1714src" href="#xd20e1714" name=
+"xd20e1714src">7</a>.</p>
+<p>Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal
+verleende privilegi&euml;n in de verschillende provinci&euml;n
+<i>attache</i> aan te vragen; in sommige privilegi&euml;n vindt men
+zelfs de verplichting hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal
+voorgeschreven<a class="noteref" id="xd20e1730src" href="#xd20e1730"
+name="xd20e1730src">8</a> en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd
+geen octrooi van de Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest
+zonder attache<a class="noteref" id="xd20e1738src" href="#xd20e1738"
+name="xd20e1738src">9</a>. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo
+is gebleven, is mij onbekend; in elk geval staat vast, dat de
+Staten-Generaal doorgingen met het verleenen van privilegi&euml;n voor
+de geheele Republiek, zooals uit het onderstaande herhaaldelijk zal
+blijken.</p>
+<p>Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e1743" href="#xd20e1743" name=
+"xd20e1743">6</a>]</span>inzenden van een request, waarin titel en
+schrijver van het werk werden vermeld, soms met eene korte aanduiding
+van den inhoud. Een placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari
+1686<a class="noteref" id="xd20e1745src" href="#xd20e1745" name=
+"xd20e1745src">10</a> bepaalde, dat in een dergelijk request de naam
+van het boek moest worden vermeld; werd voor meerdere boeken tegelijk
+octrooi aangevraagd, dan kon met &eacute;&eacute;n request worden
+volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden auteur waren en zij voor
+den druk gereed waren; anders moesten er evenveel requesten worden
+ingestuurd als er auteurs waren.</p>
+<p>Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel
+v&oacute;&oacute;r het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal
+stond in het octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen
+deele alles mede werd &bdquo;geapprobeerd&rdquo; wat in het boek te
+lezen stond. Bleek later, dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke
+zaken inhield, dan kon het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals
+o. a. in 1677 met de <i>Historie der Reformatie</i> van Brandt
+geschiedde en in 1762 met den <i>Emile</i> van Rousseau.</p>
+<p>In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet
+altijd z&oacute;&oacute; als de requestrant het had verzocht; soms werd
+het b.v. verleend voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd
+slechts het recht gegeven voor het drukken van het boek in
+&eacute;&eacute;ne taal, hoewel het verzocht was voor alle
+talen<a class="noteref" id="xd20e1766src" href="#xd20e1766" name=
+"xd20e1766src">11</a>.</p>
+<p>Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd<a class=
+"noteref" id="xd20e1780src" href="#xd20e1780" name=
+"xd20e1780src">12</a>; de reden hiervoor is niet altijd na te gaan.
+Soms was het, omdat voor hetzelfde werk of een van soortgelijken aard
+reeds octrooi aan een ander was verleend. In de vergadering der Staten
+van Holland van 13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor
+afbeeldingen van verschillende verlichtingen en versieringen in den
+Haag afgewezen, omdat het gevraagde octrooi was &bdquo;sonder eenige
+bepaalinge, maar in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het
+vervolg <span class="pagenum">[<a id="xd20e1789" href="#xd20e1789"
+name="xd20e1789">7</a>]</span>veele andere Ingezeetenen van deese
+Provincie souden konnen werden toegebragt nadeel en prejuditie...
+etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1791src" href="#xd20e1791" name=
+"xd20e1791src">13</a>.</p>
+<p>Dat voor Hugo de Groots <i>Inleydinge tot de Hollantsche
+rechtsgeleertheyt</i> in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd
+zoowel bij de Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te
+verkrijgen, schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de
+vijandige gezindheid der Staten-leden jegens den auteur<a class=
+"noteref" id="xd20e1801src" href="#xd20e1801" name=
+"xd20e1801src">14</a>.</p>
+<p>Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen;
+zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de Groots
+<i>De vrye seevaert</i>, etc.: &bdquo;Is goetgevonden, alvoeren hierop
+te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen D.
+Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem
+gevalt&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1815src" href="#xd20e1815"
+name="xd20e1815src">15</a>. Een andere maal werd het octrooi
+voorwaardelijk toegestaan b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor
+eene vertaling van de werken van Will. Perkinsy: &bdquo;... indien den
+predicant Mensevoet hiertoe vorens egeen privilegie en is
+geaccordeert&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1821src" href=
+"#xd20e1821" name="xd20e1821src">16</a>.</p>
+<p>Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen,
+doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd
+werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim
+hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van het
+octrooi<a class="noteref" id="xd20e1832src" href="#xd20e1832" name=
+"xd20e1832src">17</a>. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in
+eene resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de
+Geldersche Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek
+van de provinciale academie te Harderwijk moest worden
+afgestaan<a class="noteref" id="xd20e1838src" href="#xd20e1838" name=
+"xd20e1838src">18</a>.</p>
+<p>De privilegi&euml;n werden vooral verleend voor geschriften van
+allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken, gedichten,
+reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken,
+&bdquo;schrijfkonstboucken&rdquo;, officieele stukken, zooals
+placcaten, resoluti&euml;n, ordonnanti&euml;n, enz. enz.; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e1845" href="#xd20e1845" name=
+"xd20e1845">8</a>]</span>oorspronkelijkheid of nieuwheid was geen
+vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers, o. a. de
+klassieke Romeinen werden dikwijls privilegi&euml;n verleend, evenzoo
+voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de Staten-Generaal in
+1654 een privilegie voor de <i>Correcture van de Druck-fouten, by
+in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
+ingesloopen</i><a class="noteref" id="xd20e1849src" href="#xd20e1849"
+name="xd20e1849src">19</a>.</p>
+<p>Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende
+uitgaven het licht zagen<a class="noteref" id="xd20e1860src" href=
+"#xd20e1860" name="xd20e1860src">20</a>, werden&mdash;althans tot aan
+de uitgave der Staten-vertaling in 1637&mdash;herhaaldelijk
+privilegi&euml;n verleend, door de Staten van Holland zelfs in
+&eacute;&eacute;n jaar aan twee verschillende personen<a class=
+"noteref" id="xd20e1869src" href="#xd20e1869" name=
+"xd20e1869src">21</a>.</p>
+<p>Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de
+privilegi&euml;n moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en
+uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook
+wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie
+grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
+manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam won
+de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de eerste
+plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak heeft,
+en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, op
+zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde
+boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen der
+privilegi&euml;n voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
+weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn
+(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren
+dood is.</p>
+<p>Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie der
+Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij o. a.
+werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de <i lang=
+"la">autores classici</i> geen octrooien meer zouden worden verleend,
+behalve voor de annotati&euml;n, commentaren enz., die er op nieuw bij
+zouden zijn gemaakt.<a class="noteref" id="xd20e1881src" href=
+"#xd20e1881" name="xd20e1881src">22</a> Uit analoge bepalingen in
+andere landen blijkt, dat <span class="pagenum">[<a id="xd20e1899"
+href="#xd20e1899" name="xd20e1899">9</a>]</span>men elders reeds veel
+vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen<a class="noteref"
+id="xd20e1901src" href="#xd20e1901" name="xd20e1901src">23</a>.</p>
+<p>Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn
+verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant
+Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was,
+gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der
+Statenvertaling (1637)<a class="noteref" id="xd20e1915src" href=
+"#xd20e1915" name="xd20e1915src">24</a>. Na dien tijd was voor wie den
+bijbel wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
+Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel
+vastgestelden tekst der vertaling hielden<a class="noteref" id=
+"xd20e1921src" href="#xd20e1921" name="xd20e1921src">25</a>.</p>
+<p>Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel
+geen privilegi&euml;n meer verleend werden, niet, dat de
+privilegie-verleeners tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den
+grond der bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van
+1715 in dit opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de
+Staten van Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de <i lang=
+"la">auctores classici</i> in twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat
+jaar een tweetal requesten in, waarin octrooi werd gevraagd voor werken
+van Cicero, Cato en andere Latijnsche schrijvers; op deze requesten
+werd niet afwijzend beschikt, doch zij werden in handen gesteld eener
+afzonderlijke commissie, &bdquo;om de selve te examineeren, en daar
+beneevens te overweegen, of de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen
+of behooren te werden ge&euml;lucedeert of geamplieert...
+etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1932src" href="#xd20e1932" name=
+"xd20e1932src">26</a>. Wat de kerkboeken betreft schijnen de Staten
+zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben gehouden, althans
+in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen&mdash;op request van de
+&bdquo;Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente te
+Amsterdam&rdquo;&mdash;dat geen privilegi&euml;n meer zouden worden
+verleend voor de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in
+gebruik<a class="noteref" id="xd20e1937src" href="#xd20e1937" name=
+"xd20e1937src">27</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1942" href=
+"#xd20e1942" name="xd20e1942">10</a>]</span></p>
+<p>Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de
+bescherming der privilegi&euml;n genieten: muziekwerken, kaarten en ook
+werken van beeldende kunst.</p>
+<p>De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin
+achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam
+een centrum van den wereld-muziekhandel was<a class="noteref" id=
+"xd20e1947src" href="#xd20e1947" name="xd20e1947src">28</a>.</p>
+<p>Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo
+voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor
+privilegi&euml;n konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied-
+en psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met
+begeleiding voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten
+van Holland een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder
+meer behoorden &bdquo;tagtig a honderd Italiaansche Ari&euml;n met
+Instrumenten&rdquo; en twee geheele Italiaansche opera&rsquo;s<a class=
+"noteref" id="xd20e1957src" href="#xd20e1957" name=
+"xd20e1957src">29</a>. Ook voor muziek- <span class="corr" id=
+"xd20e1962" title="Niet in bron">en</span> leerboeken werden
+privilegi&euml;n verleend.<a class="noteref" id="xd20e1965src" href=
+"#xd20e1965" name="xd20e1965src">30</a></p>
+<p>Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en
+uitgeversbedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied
+werden hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden,
+zooals de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of
+liever &bdquo;nasnijden&rdquo; meermalen voor, hoewel herhaaldelijk
+voor deze, dikwijls kostbare uitgaven, privilegi&euml;n werden
+verleend.</p>
+<p>Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van 27 Jan.
+1618: &bdquo;Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam,
+geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des
+suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
+caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, te
+copieren ofte divulgeren,...&rdquo; etc.<a class="noteref" id=
+"xd20e1976src" href="#xd20e1976" name="xd20e1976src">31</a>. Dit is het
+eenige octrooi dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich
+ook uitstrekt op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook
+het namaken op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in
+waarheid de meest volledige bescherming, die zich&mdash;ook onder de
+modernste auteursrecht-wetgeving&mdash;denken laat. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e1981" href="#xd20e1981" name=
+"xd20e1981">11</a>]</span></p>
+<p>Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van
+overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften,
+noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn de
+voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor ook
+meermalen privilegi&euml;n werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert,
+Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
+in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde &bdquo;Capitale
+Letteren&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e1984src" href="#xd20e1984"
+name="xd20e1984src">32</a> en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan
+Davidt Roelandts van Antwerpen &bdquo;francoyschen schoolmeyster binnen
+Vlissingen&rdquo; een octrooi verleend voor: &bdquo;&rsquo;t magasyn
+oft packhuys der loffelycker penneconst, vol subtile ende lustige
+trecken, percken, beelden ende fiegueren van menschen, van beesten,
+vogelen ende visschen, ende noch meer dan hondert onderscheyden
+geschriften, verciert met diversche capitalen oraculen ende gulden
+sententi&euml;n...&rdquo; etc.<a class="noteref" id="xd20e1989src"
+href="#xd20e1989" name="xd20e1989src">33</a>.</p>
+<p>De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegi&euml;n verleend
+werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als
+naar schilderijen gemaakte.</p>
+<p>Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn
+schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den
+portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor &bdquo;...het
+contrefeytsel, by hem gemaeckt van syn Exc<sup>tie</sup>, hetwelk hy
+van meeninge is te doen nasnyden in een copere plate...
+etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2001src" href="#xd20e2001" name=
+"xd20e2001src">34</a>. In dit geval is dus het schilderij als object
+der bescherming te beschouwen.</p>
+<p>Een andere maal werd het privilegie direct aan den
+&bdquo;plaetsnyder&rdquo; verleend. Een voorbeeld hiervan is het
+octrooi van 21 Jan. 1610 aan Jac. Matham verleend voor &bdquo;het
+contrefeytsel van den Hooch geb. grave Hendrik van Nassauw, by Mr.
+Michiel van Mierevelt naer het leven gedaen ende by den suppleant in
+coper gesneden&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2014src" href=
+"#xd20e2014" name="xd20e2014src">35</a>.</p>
+<p>Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het
+verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te
+zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen
+van deze privilegi&euml;n, niet volgens een vast systeem te werk ging,
+maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e2021" href="#xd20e2021" name=
+"xd20e2021">12</a>]</span></p>
+<p>Soms werd&mdash;wat met de beginselen van het auteursrecht niet te
+rijmen zou zijn&mdash;aan &eacute;&eacute;n persoon de uitsluitende
+bevoegdheid verleend, een bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen
+en te verspreiden, zooals in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar
+Florisz. verleende octrooi, om &bdquo;voor 4 jaren alleen te mogen
+drucken de intogt vanden leger van de heren staten generael der vereen.
+Nederlanden in Vlaenderen&rdquo; en in een denzelfden dag aan Herm. Rem
+verleend &bdquo;voor 4 jaren alleen in &rsquo;t coper te mogen snyden
+ende uytgeven de victorie, die Godt den lande gelieft heeft te verlenen
+thegen des vijants galleyen voor het Gat vander Sluys.&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2024src" href="#xd20e2024" name=
+"xd20e2024src">36</a> Een privilegie van dezen aard werd blijkbaar ook
+verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn, die van de
+afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te Munster voor
+het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen, portretten in den
+handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de Staten-Generaal
+wordt o. a. aangevoerd, dat hij &bdquo;...sijn voornemen bijnae ten
+eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo: de
+perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz<span class="corr" id=
+"xd20e2029" title="Niet in bron">.</span> Heeren Plemp<sup>en</sup> in
+een boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder
+mij te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo:
+souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren...
+enz.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2035src" href="#xd20e2035" name=
+"xd20e2035src">37</a>.</p>
+<p>Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een
+octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld:
+&bdquo;Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met
+interdictie dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet
+privative dat anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende
+vuytgeven&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2046src" href="#xd20e2046"
+name="xd20e2046src">38</a>.</p>
+<p>Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar
+tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij
+resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar
+Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om &bdquo;alleene te
+mogen maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem
+daerentusschen te inventeren en te boutseren&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e2053src" href="#xd20e2053" name="xd20e2053src">39</a> en in
+1619 werd <span class="pagenum">[<a id="xd20e2058" href="#xd20e2058"
+name="xd20e2058">13</a>]</span>aan Willem van Byler, ysersnyder,
+octrooi verleend om &bdquo;... voor den tyt van drye jaeren
+naestcommende, alleene in dese vereenichde provinci&euml;n te mogen
+maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere
+Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode
+nationael...&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2060src" href=
+"#xd20e2060" name="xd20e2060src">40</a>.</p>
+<p>Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen
+namaak beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen <i>e. soc.</i> in
+het jaar 1603 octrooi voor 6 jaren verleend om &bdquo;... alleene etc.
+te mogen backen ende vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken
+ofte vloertichelen van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op
+dezelve manieren te maecken seecker gepatroneerde papieren ...
+etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2070src" href="#xd20e2070" name=
+"xd20e2070src">41</a>. Dergelijke octrooien werden ook gegeven voor
+beschilderd porcelein, geborduurde zijden en fluweelen stoffen,
+kunstvoorwerpen van zilver, goud en marmer enz.; het is dikwijls
+moeilijk uit te maken, of het recht, dat door deze privilegi&euml;n
+wordt toegekend het meeste overeenkomt met de rechten op uitvindingen
+en modellen (den zoogenaamden &bdquo;industrieelen eigendom&rdquo;) dan
+wel met auteursrecht.</p>
+<p>De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen
+auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de
+privilegi&euml;n-periode onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat
+soms in eenzelfde privilegie eene uitvinding wordt beschermd tegelijk
+met het geschrift, waarin die uitvinding wordt uiteengezet. Als
+voorbeeld hiervan kan dienen de resolutie der Staten-Generaal van 4
+Nov. 1615, waarbij octrooi wordt verleend aan Willem Swart &bdquo;...
+omme voor den tyt van 8 jaeren naestcommende alleene <i>etc.</i> te
+moegen doen drucken ende vuytgeven een nyeuwe conste, daerby alle
+menschen, hoewel in musycque ende snarenspel gansch ongeleert ende
+onervaren, alderhande musicale stucken sullen kunnen spelen op
+violoncen ende violen de gambe, daertoe hy tot volcommen leeringe ende
+instructie heeft gemaeckt zeecker bouck... enz.&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2080src" href="#xd20e2080" name=
+"xd20e2080src">42</a>. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten
+Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding,
+waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds
+te zien &bdquo;hoe hooch den polus boven den horizont verheven
+is&rdquo;. In het request wordt gevraagd &bdquo;... octroy,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2085" href="#xd20e2085" name=
+"xd20e2085">14</a>]</span>omme alleene met seclusie van alle andere de
+voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen ende leeren, hetsy
+met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal, als met eenige gedruckte
+exemplaren... etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2087src" href=
+"#xd20e2087" name="xd20e2087src">43</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat
+bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: n.l.
+het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te maken. Het
+was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, hetzij in zijn
+geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte exemplaren in te
+voeren, te verkoopen of op andere wijze te verspreiden.</p>
+<p>Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende
+bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam ook
+voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt werd,
+zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734 verleend
+aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor <i lang=
+"fr">l&rsquo;Histoire du President J. E. du Thou</i>. Zij hadden
+aangevraagd het uitsluitend recht om dit boek te mogen drukken
+&bdquo;in soodaanige Formaaten en Taalen als sy dienstig souden
+oordeelen&rdquo;, doch in het verleende octrooi stond de clausule:
+&bdquo;... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt tot het
+drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in de
+Fransche Taale...&rdquo; etc.<a class="noteref" id="xd20e2102src" href=
+"#xd20e2102" name="xd20e2102src">44</a>.</p>
+<p>Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegi&euml;n, die werden
+verleend voor &bdquo;de sententie, gepronuncieert aan de
+ge&euml;xecuteerde in den persoon van Mr. Johan van
+Oldenbarnevelt&rdquo;. Deze sententie werd in het Latijn, in het
+Nederlandsch en in het Fransch gedrukt; voor elk dezer talen verleenden
+de Staten-Generaal een afzonderlijk privilegie aan drie verschillende
+personen<a class="noteref" id="xd20e2109src" href="#xd20e2109" name=
+"xd20e2109src">45</a>.</p>
+<p>Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en
+werken der toonkunst was in den tijd der privilegi&euml;n en octrooien
+niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur de
+heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon men
+zich er rekenschap van te geven, dat over de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e2117" href="#xd20e2117" name=
+"xd20e2117">15</a>]</span>exploitatie door middel van op- of uitvoering
+evengoed als over de exploitatie door middel van den druk de auteur
+alleen moet te beschikken hebben.</p>
+<p>Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van
+het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond
+bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst is
+de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als tusschen
+boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren dikwijls ook
+zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende opvoering van een
+stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te laten, dat het stuk in
+druk uitkwam en er streng op toe te zien, dat de enkele afschriften,
+die voor de spelers moesten dienen, niet in handen kwamen van derden.
+Op deze wijze werd reeds van de vroegste tijden af in verschillende
+landen gehandeld en het was daarbij dikwijls mogelijk om aan de
+schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks het ontbreken van
+opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen<a class="noteref" id=
+"xd20e2121src" href="#xd20e2121" name="xd20e2121src">46</a>.</p>
+<p>Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der
+achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen een
+eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.</p>
+<p>In de &bdquo;Kamers van rhetorica&rdquo;, die van de 15de eeuw af in
+grooten getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier
+stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen
+zij van het stadsbestuur eene belooning<a class="noteref" id=
+"xd20e2134src" href="#xd20e2134" name="xd20e2134src">47</a>.</p>
+<p>In het Amsterdamsche Dichtgenootschap &bdquo;<span lang="la">Nil
+volentibus arduum</span>&rdquo; werd omstreeks het jaar 1680 een
+voorstel, om voor het afstaan van stukken ter opvoering iets in
+rekening te brengen, verworpen<a class="noteref" id="xd20e2148src"
+href="#xd20e2148" name="xd20e2148src">48</a>. Ook de stemmen, die zich
+in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene geldelijke belooning
+voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden geen resultaat<a class=
+"noteref" id="xd20e2160src" href="#xd20e2160" name=
+"xd20e2160src">49</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2166" href=
+"#xd20e2166" name="xd20e2166">16</a>]</span></p>
+<p>Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken ter
+opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 ingewijden
+Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door tooneelspelers van
+beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, van 1699 af voorgoed,
+direct gevoerd door de Regenten der beide instellingen van
+liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er werd jaarlijks
+eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs en <span class=
+"corr" id="xd20e2169" title="Bron: atrices">actrices</span> redelijk
+goed werden betaald en aan de monteering der stukken geen kosten
+gespaard werden, moesten de auteurs zich met enkele <i>loodjes</i>, d.
+w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid tevreden stellen.
+Wagenaar deelt hieromtrent mede:</p>
+<p>&bdquo;Die voor Po&euml;et bij de Regenten erkend is, heeft voor den
+tijd van een jaar en zes weken, schoon &rsquo;t, doorgaands, langer
+toegelaaten wordt, vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden,
+wanneer zijn Spel vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits
+het een voorspel van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel
+krijgt de Po&euml;et niet meer dan drie Loodjes&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2177src" href="#xd20e2177" name=
+"xd20e2177src">50</a>.</p>
+<p>Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de po&euml;et wiens
+spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de
+toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien tijde
+reeds aan de Regenten werd verweten<a class="noteref" id="xd20e2187src"
+href="#xd20e2187" name="xd20e2187src">51</a>. Daar kwam nog bij, dat de
+auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan door
+middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar:
+&bdquo;De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
+de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt
+daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen,
+met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2199src" href="#xd20e2199" name=
+"xd20e2199src">52</a>. Wat er dus op deze wijze nog aan het stuk was te
+verdienen, ontging den auteur ook.</p>
+<p>Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond,
+behoeft nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen
+betaling toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2207" href="#xd20e2207" name=
+"xd20e2207">17</a>]</span>openbaar muziek ten gehoore werd gebracht,
+waren de kerk (orgelbespelingen) en herbergen, danszalen enz. Ook in
+den schouwburg werd, vooral in de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd,
+doch alleen als aanvulling of begeleiding van hetgeen op het tooneel
+vertoond werd<a class="noteref" id="xd20e2209src" href="#xd20e2209"
+name="xd20e2209src">53</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was ook het
+recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De termijnen,
+waarvoor de privilegi&euml;n verleend werden, waren zeer verschillend.
+Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door de
+Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, 4, 5,
+6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten&mdash;althans in
+het begin&mdash;hierin niet minder afwisseling<a class="noteref" id=
+"xd20e2222src" href="#xd20e2222" name="xd20e2222src">54</a>; van de
+latere privilegi&euml;n (in &rsquo;t bijzonder die uit de 18de eeuw),
+die mij onder de oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15
+jaar.</p>
+<p>Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer <i>almanach
+boexken</i>, werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een
+zeker aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker
+&bdquo;syn leven lanck geduyrende&rdquo;. Na diens overlijden werd dan,
+dikwijls aan de weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard
+verleend<a class="noteref" id="xd20e2233src" href="#xd20e2233" name=
+"xd20e2233src">55</a>.</p>
+<p>Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
+Hendricksz., drukker van de Staten, voor &bdquo;<i>alle de gemeene
+Landts Edicten, Mandamenten, opene Brieven...</i> etc.&rdquo;, werd
+eveneens verleend zonder bepaalden termijn, maar: &bdquo;tot kennelijck
+wederseggen van de Staten&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2247src"
+href="#xd20e2247" name="xd20e2247src">56</a>.</p>
+<p>De straffen op overtreding der in de privilegi&euml;n vervatte
+bepalingen gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de
+wederrechtelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e2254" href=
+"#xd20e2254" name="xd20e2254">18</a>]</span>vervaardigde of ingevoerde
+exemplaren en het betalen eener boete, waarvan het bedrag meestal in
+het privilegie was genoemd.</p>
+<p>Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht;
+ik vond er b.v. van: &bdquo;25 Goude Realen&rdquo;; &bdquo;20 Caroli
+guldens van elck Boeck&rdquo;; &bdquo;50 kronen &rsquo;t elcken reyse
+te verbeuren&rdquo;; &bdquo;vijf en twintigh ponden van veertigh
+grooten&rdquo;; &bdquo;drie guldens voor elck Exemplaar&rdquo;; enz.
+enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland werd het
+gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde resolutie
+van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan 3000 gld.
+zou bedragen.</p>
+<p>Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de
+privilegi&euml;n en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van
+het recht. Het auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den
+aard der zaak alleen aan den auteur, den schepper van het product van
+kunst of letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de
+privilegi&euml;n, die niet tot bescherming van het geestelijk werk
+zelf, maar tot bescherming van de onderneming tot exploitatie van het
+werk moesten dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den
+exploitant, drukker of uitgever, verleend.</p>
+<p>Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie
+aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in
+het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens
+uitgever was. Doch er werden ook privilegi&euml;n verleend aan
+personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de
+Staten van Holland in 1587 &bdquo;den Eersamen ende wel geoeffenden
+Adriaen Anthonisz.&rdquo; om te mogen drukken en uitgeven
+&bdquo;seecker Boecksken, by hem gemaeckt, ge&iuml;ntituleert,
+<i>Redenen van het verloop des Jaers</i>, &amp;c. met een <i>Nieuwen
+altijdt geduyrenden Calendrier</i>, noch een Boeksken ... etc.&rdquo;
+zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt &bdquo;nochte elders
+gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen
+Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte
+te koop gestelt.. etc.&rdquo; Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver
+voor eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.</p>
+<p>Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe van
+den schrijver; in 1585 kreeg &bdquo;Alijt Meynaerts, arme desolate
+weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens&rdquo; octrooi
+voor de &bdquo;kaerten, Instrumenten ende Practijcquen&rdquo; die haar
+man <span class="pagenum">[<a id="xd20e2270" href="#xd20e2270" name=
+"xd20e2270">19</a>]</span>had achtergelaten<a class="noteref" id=
+"xd20e2272src" href="#xd20e2272" name="xd20e2272src">57</a>. Doch er
+zijn ook gevallen, waar volstrekt geen reden is te vinden, waarom het
+privilegie nu juist aan dien bepaalden persoon en niet aan een ander
+wordt verleend. Aan Johannes Lydius b.v. werd in 1611 door de
+Staten-Generaal toegestaan &bdquo;omme alleene by Loys Elsevier te
+mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai Clemangii, die voor
+twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven zyn&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2277src" href="#xd20e2277" name=
+"xd20e2277src">58</a>. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift
+of, zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt
+exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig
+werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand,
+die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor
+<i lang="la">Johannis Drusii annotationes in Genesin</i> etc. Onder het
+besluit, waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de
+Resoluti&euml;n der Staten-Generaal: &bdquo;Is voorts geaccordeert te
+schrijven aan Abelium Curiandrum, schoonsoone van wylen den
+wytberoemden hoochgeleerden Johannis Drusii, dat hy Jan Janss.
+boeckvercooper tot Aernhem, zyns swaegers, in handen stelle het
+origineel vant voors. bouck om dat te drucken&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e2285src" href="#xd20e2285" name="xd20e2285src">59</a>.</p>
+<p>Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd
+verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit
+geschiedde o. a. met <i>de Betoverde Weereld</i> van Balthasar Bekker.
+In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
+Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend
+&bdquo;Beright&rdquo; eigenhandig door den auteur onderteekend:</p>
+<p>&bdquo;Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks
+in 8<sup>o</sup> by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie
+staat / op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende
+daar in gemeld word / dat hy besig was met dat Boek te drukken: so
+verklaart den Auteur: hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek
+niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te
+drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken in
+4<sup>o</sup> aan niemant anders dan aan Daniel van den Dalen
+toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne /
+dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2304" href="#xd20e2304" name=
+"xd20e2304">20</a>]</span></p>
+<p>Hoewel de privilegi&euml;n steeds aan een of meer met name genoemde
+personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te
+dragen. Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke
+overdracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de
+Nederlandsche boekdrukkersprivilegi&euml;n hebben behandeld, de
+tegenovergestelde meening heb aangetroffen, n.l. dat de
+privilegi&euml;n onvatbaar waren voor overdracht, schijnt het mij de
+moeite waard, hier eenigszins langer bij stil te staan.</p>
+<p>In Hugo de Groots <i lang="fr">Annales et Historiae de Rebus
+Belgicis</i>, in 1658 in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven,
+vindt men v&oacute;&oacute;rin drie verschillende privilegi&euml;n: een
+van de Staten van Holland, een van den Duitschen Keizer Ferdinand III
+en een van de Staten-Generaal. De twee laatstgenoemden waren
+oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius, den zoon van Hugo de Groot,
+die blijkens de volgende verklaring, die onder deze privilegi&euml;n
+staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw had overgedragen:
+&bdquo;<span lang="la">Ex lege quam Caesar &amp; Ordines Belg. Foeder.
+supra praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum
+utatur, fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae
+Comitis, die 25 Septembris, Anno MDCLVII</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e2316src" href="#xd20e2316" name=
+"xd20e2316src">60</a>.</p>
+<p>Een ander voorbeeld vond ik in het boekje &bdquo;<i>Het Godtsaligh
+overlijden van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince
+van Orange, Grave van Nassau</i> etc.&rdquo;, waarin een privilegie van
+de Staten van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den
+schrijver van het boek, Johannes Goethals. Onder het privilegie staat:
+&bdquo;Johannes Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en
+getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot
+Leyden.&rdquo;</p>
+<p>In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610<a class=
+"noteref" id="xd20e2329src" href="#xd20e2329" name=
+"xd20e2329src">61</a> wordt voorgelezen eene &bdquo;acte van
+verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor notaris ende
+getuigen&rdquo; waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer verklaart,
+dat haar man &bdquo;... in syn leven ende sekere jaren voor syn
+overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e2334" href="#xd20e2334" name=
+"xd20e2334">21</a>]</span>ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis
+Claesz., in syn leven bouckvercoper tot Amsterdam, alle die platen,
+caerten, toebehoerten ende andere gereetschappen mette gerechticheden,
+privilegi&euml;n ende octroyen, daerby synde, van alle ende ieghelyke
+sodanige wercken ende boucken, als die voorn. haer man saliger in syn
+leven in &rsquo;t licht gebracht ende uitgegeven laten heeft,
+etc.&rdquo; Na den dood van den voornoemden Cornelis Claesz. verkocht
+diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, Jacob Leonartsz.
+Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide overdrachten van
+privilegi&euml;n geldig oordeelden, is moeilijk uit de resolutie op te
+maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor &bdquo;alle de
+wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer,&rdquo; zonder het oude octrooi
+in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden, indien de
+Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl aan den
+anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig schijnt,
+indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.</p>
+<p>Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den
+boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: &bdquo;... te
+kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke
+somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken en
+uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert <i>Mercure
+Historique &amp; Politique...</i> etc.&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e2341src" href="#xd20e2341" name="xd20e2341src">62</a>. Voorts in
+een privilegie van 21 Juli 1702 voor het boek &bdquo;<i>Manier van
+Procederen</i> enz.&rdquo; van Paulus Merula ten name van Adriaan
+Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger aan een ander uitgever
+privilegie was verleend, &bdquo;wiens Regt hy Suppliant in de maand
+April deses Jaars 1702 met den eygendom der Copie, ende Privilegie aan
+sig gekogt hadde;&rdquo; en in de Resolutie van de Staten van Holland,
+waarbij het octrooi op den <i>Emile</i> van Rousseau wordt ingetrokken:
+&bdquo;... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme, met het
+zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel Rey...
+etc.&rdquo; Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van de
+Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier voor
+de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: &bdquo;... Alsoo Ons
+vertoont is by <i>David Mortier</i>, Burger en Boekverkooper binnen
+Amsterdam, dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van <i>Susanne
+Pelt</i>, weduwe van <i>Hendrik <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e2361" href="#xd20e2361" name=
+"xd20e2361">22</a>]</span>Schelte</i>, hadde gekogt, alle de
+Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie van seecker Boek, genaemt
+<i lang="fr">Les Oeuvres de Nicolas Boileau Despr&eacute;aux, avec des
+Eclaircissemens Historiques donnez par lui-m&ecirc;me</i>, blyckende by
+de verklaring aan Ons ge&euml;xhibeert, en hy Suppliant van voornemens
+was, het selve te herdrucken... etc.&rdquo; Mortier verzocht daarom een
+nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer geldig zou
+zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef, terwijl hij
+de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek werd
+ingewilligd<a class="noteref" id="xd20e2367src" href="#xd20e2367" name=
+"xd20e2367src">63</a>.</p>
+<p>Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede niet
+bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte zaak. In
+een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 wordt de
+vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding; m. i. kan
+deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegi&euml;n
+toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: &bdquo;Dunkt (onder
+correctie) dat alsoo &rsquo;t voorsz. Octroy is verleent niet ten
+aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat daarom
+het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die deselve
+inventie in &rsquo;t werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is
+getransporteerd...&rdquo; etc.<a class="noteref" id="xd20e2378src"
+href="#xd20e2378" name="xd20e2378src">64</a>.</p>
+<p>In sommige privilegi&euml;n wordt het recht toegekend aan een
+bepaald persoon &bdquo;en syne Regt verkrygende&rdquo; of: &bdquo;en
+sijne Erven, of Regt verkrygende&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e2385src" href="#xd20e2385" name="xd20e2385src">65</a>. Van dezen
+is de geldigheid der overdracht dus aan geen twijfel onderhevig.</p>
+<p>Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr.
+van den Velden<a class="noteref" id="xd20e2393src" href="#xd20e2393"
+name="xd20e2393src">66</a>, dat de &bdquo;privilegi&euml;n
+<i>persoonlijk</i> waren, dat is: dat zij slechts aan eenen bepaalden
+persoon of eene bepaalde vereeniging toegestaan werden, zoodat zij niet
+door koop of anderszins, konden worden overgedragen en met den dood van
+den bevooregten persoon, of de ontbinding van de vereeniging, te niet
+gingen.&rdquo; Ik meen, dat na de genoemde voorbeelden eerder het
+tegendeel als regel <span class="pagenum">[<a id="xd20e2408" href=
+"#xd20e2408" name="xd20e2408">23</a>]</span>kan worden aangenomen en
+dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke, onvervreemdbare
+privilegi&euml;n werden verleend. Tot deze laatsten zal men dan
+wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden, dat
+zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging door
+de Staten een einde namen<a class="noteref" id="xd20e2410src" href=
+"#xd20e2410" name="xd20e2410src">67</a>.</p>
+<p>Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen van
+privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord <i>kopierecht</i>
+wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
+uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond
+omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men zou
+geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
+&bdquo;... alle de Exemplaeren en Copie Regt, <i>ende</i>
+Privilegie...&rdquo; of: &bdquo;... met den eygendom der Copie,
+<i>ende</i> Privilegie...&rdquo;, alsof er dus behalve het privilegie
+nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik vond zelfs een
+voorbeeld van &bdquo;kopie-recht&rdquo;-overdracht in een geval waar
+geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari 1718
+kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van Johannes
+de Wees &bdquo;alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost van
+Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het <i>volle recht van
+Copyen</i>&rdquo;, terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor
+deze werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht)
+verkreeg<a class="noteref" id="xd20e2427src" href="#xd20e2427" name=
+"xd20e2427src">68</a>.</p>
+<p>&bdquo;Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers,
+wanneer zij verklaarden aan anderen het &bdquo;kopierecht&rdquo; af te
+staan, daarmede alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie
+der bedoelde kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een
+absoluut recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke
+verbintenis, volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der
+kopie vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook
+door derden ge&euml;erbiedigd; in elk geval zullen de leden van
+eenzelfde gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een
+uitsluitend recht, dat door ieder ge&euml;erbiedigd moest worden, kon
+natuurlijk door zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.</p>
+<p>De privilegi&euml;n voor prenten en gravures werden, in
+tegenstelling <span class="pagenum">[<a id="xd20e2440" href=
+"#xd20e2440" name="xd20e2440">24</a>]</span>met de
+boekdrukkersprivilegi&euml;n, bijna altijd aan den auteur zelf, den
+schilder of &bdquo;plaetsnyder&rdquo;, verleend. Dit is ook zeer
+verklaarbaar, want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon
+zonder behulp van anderen naar het door hem vervaardigde clich&eacute;
+exemplaren afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de
+uitgave van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat
+graveurs voor anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie
+aanvroegen<a class="noteref" id="xd20e2442src" href="#xd20e2442" name=
+"xd20e2442src">69</a>.</p>
+<p>Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in het
+algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook
+privilegi&euml;n werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als
+auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor
+meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28 Juni
+1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. In
+hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een recht der
+schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegi&euml;n blijkt in
+de resolutie niets.</p>
+<p>Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der
+privilegi&euml;n uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde
+verhoudingen in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der
+boekdrukkunst en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene
+bescherming te verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden
+genoten. Wel werkten, zoowel hier als in andere landen, de
+privilegi&euml;n ertoe mede, dat zoowel de grond als de materieele
+waarde van het recht der auteurs op hunne producten meer dan vroeger
+gekend en gewaardeerd werden, maar tot het in practijk brengen van het
+beginsel kwam het in ons land niet v&oacute;&oacute;r het jaar
+1796.</p>
+<p>De uitspraak van Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id="xd20e2455src"
+href="#xd20e2455" name="xd20e2455src">70</a>, dat onze vaderen ten
+allen tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens
+een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en dat dit
+het beginsel was, waarop het toekennen der privilegi&euml;n berustte,
+mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk privilegie vindt
+men meestal de motieven en overwegingen, die tot het verleenen hebben
+geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e2466" href="#xd20e2466" name=
+"xd20e2466">25</a>]</span>daarin steeds de bescherming van den drukker
+of uitgever als eenig doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier
+volgen:</p>
+<p>&bdquo;... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan
+zevers&rsquo; Printer, wonende binnen onser stede van Leyden Is ons
+verthoent gheweest, hoe dat gaerne Imprimeren en&#772; in pr&#299;te
+legg&#275; soude dit teghenwoerdige Boeck &#275;n is een Cronycke
+v&#257; Hollandt En&#772; also hem datselve costelick &#275;n moijelic
+vallen sal, en&#772; dat dit selve Boeck noyt gheprint en&#772; is
+gheweest soe en soude hi die selve Printe en&#772; Inpressie niet
+durren bestaen sonder te hebben brieven v&#257; Octroye en&#772;
+privilegie van ons... etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2470src"
+href="#xd20e2470" name="xd20e2470src">71</a>.</p>
+<p>&bdquo;Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy
+Suppliant &rsquo;t sijnen koste hadde doen translateren het Boeck
+genaemt het leven van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn
+door Quintum Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van
+meyninge ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te
+proffijteren, ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt
+te geven, als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan
+vresende dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te
+Drucken, &rsquo;t welck tot sijne schade ende bederf soude
+redunderen...&rdquo; etc.<a class="noteref" id="xd20e2475src" href=
+"#xd20e2475" name="xd20e2475src">72</a>.</p>
+<p>&bdquo;... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende
+menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos te
+maken...&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2482src" href="#xd20e2482"
+name="xd20e2482src">73</a>.</p>
+<p>&bdquo;... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz.
+Liederboek te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen
+werden; maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te
+kosten, ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren
+van het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht
+werden nagedruckt, &rsquo;t gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel
+ende schade soude strekken...&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e2490src" href="#xd20e2490" name="xd20e2490src">74</a><span class=
+"corr" id="xd20e2495" title="Niet in bron">.</span></p>
+<p>Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van
+niet-geprivilegieerde boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan
+meestal <span class="pagenum">[<a id="xd20e2500" href="#xd20e2500"
+name="xd20e2500">26</a>]</span>van uitgevers, die er zelf de nadeelige
+gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers werden gescholden voor
+&bdquo;baetsoeckende menschen&rdquo;, en men verweet hun, dat zij het
+onbehoorlijke niet inzagen van &bdquo;in eens anders doent te
+treden&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2502src" href="#xd20e2502"
+name="xd20e2502src">75</a>, doch eene erkenning van een recht van den
+intellectueelen voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel
+vreemd.</p>
+<p>In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id=
+"xd20e2516src" href="#xd20e2516" name="xd20e2516src">76</a>, en op
+diens voetspoor o.a. ook Mr. de Ridder<a class="noteref" id=
+"xd20e2519src" href="#xd20e2519" name="xd20e2519src">77</a>, verklaren,
+meen ik tot de bewering gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk
+veel voorkwam. Zoo werden, om enkele voorbeelden te noemen, van bijna
+alle Nederlandsche dichters werken nagedrukt of buiten toestemming van
+den auteur uitgegeven, o.a. van: Vondel<a class="noteref" id=
+"xd20e2522src" href="#xd20e2522" name="xd20e2522src">78</a>,
+Constantijn Huygens<a class="noteref" id="xd20e2532src" href=
+"#xd20e2532" name="xd20e2532src">79</a>, Starter<a class="noteref" id=
+"xd20e2548src" href="#xd20e2548" name="xd20e2548src">80</a>,
+Brederode<a class="noteref" id="xd20e2558src" href="#xd20e2558" name=
+"xd20e2558src">81</a>, Poot<a class="noteref" id="xd20e2564src" href=
+"#xd20e2564" name="xd20e2564src">82</a>, Jeremias de Decker<a class=
+"noteref" id="xd20e2570src" href="#xd20e2570" name=
+"xd20e2570src">83</a>, Jacob Cats.</p>
+<p>Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan
+met dichtwerken, ging het evenzoo;<a class="noteref" id="xd20e2578src"
+href="#xd20e2578" name="xd20e2578src">84</a> het waren ook niet
+uitsluitend onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken
+bezondigden, zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet
+vrij van gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere
+firma&rsquo;s, die begonnen waren zijne werken na te drukken<a class=
+"noteref" id="xd20e2590src" href="#xd20e2590" name=
+"xd20e2590src">85</a>.</p>
+<p>Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2597" href="#xd20e2597" name=
+"xd20e2597">27</a>]</span>uit de verschillende maatregelen, die
+drukkers en uitgevers onder elkander namen, om hem te keeren.</p>
+<p>Bodel Nyenhuis vermeldt<a class="noteref" id="xd20e2602src" href=
+"#xd20e2602" name="xd20e2602src">86</a>, dat tusschen 1671 en 1674
+onder de boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het
+nadrukken; in 1710 werd met hetzelfde doel eene &bdquo;Willige
+overeenkomst&rdquo; gesloten tusschen drukkers en uitgevers uit
+Amsterdam, Leiden, Rotterdam, den Haag en Utrecht<a class="noteref" id=
+"xd20e2605src" href="#xd20e2605" name="xd20e2605src">87</a>. De reeds
+meer dan eens genoemde resolutie der Staten van Holland van 1715 was
+het gevolg van een request der &bdquo;overluyden&rdquo; van &bdquo;de
+Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser Provincie,&rdquo; waarbij
+als bijlage was gevoegd &bdquo;een Vertoogh, ampel deduceerende de
+grieven bij de Supplianten door het nadrucken van haare Boecken
+geleden.&rdquo;</p>
+<p>Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden
+zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich het
+Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke Regeering,
+waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht<a class="noteref"
+id="xd20e2616src" href="#xd20e2616" name="xd20e2616src">88</a>. Dat men
+in dezen strijd alleen belangen en geen rechten erkende, moge blijken
+uit de volgende bepaling van een Groninger
+boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: &bdquo;so wanneer
+aldus een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde,
+so sal geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude
+willen nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen
+doen, so geen andere leeden wilden dat het <i>in compagnie</i> gedaan
+soude worden, maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht
+toe mogen hebben&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2627src" href=
+"#xd20e2627" name="xd20e2627src">89</a>.</p>
+<p>Kan men dus in de privilegi&euml;n, zooals die hier te lande
+verleend werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den
+letterkundigen eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook
+zonder dien letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in
+sommige gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet
+zouden zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van
+elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegi&euml;n
+waren <span class="pagenum">[<a id="xd20e2638" href="#xd20e2638" name=
+"xd20e2638">28</a>]</span>uitsluitend gericht tegen nadruk in den
+letterlijken zin van het woord, zij werden slechts verleend, zooals wij
+gezien hebben, voor de boeken, die in druk uitkwamen, of waarvan
+tenminste het plan om ze uit te geven was vastgesteld.</p>
+<p>De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op
+zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men
+den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke de
+auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij omdat
+zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf of van
+andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur, die een naam
+in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene publicatie met
+zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder zijne
+toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het
+hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt
+erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit
+laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
+geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden,
+hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, dat
+niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient ter
+bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte
+openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.</p>
+<p>Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegi&euml;n werd
+erkend, is moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een
+schrijver er wel voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt
+van personen, die er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom
+van het handschrift geeft dan al de gewenschte bescherming en een
+afzonderlijk recht is daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts
+beteekenis in de gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door
+ontvreemding maar door toevallige omstandigheden een ander in handen
+komt; de vraag is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval
+tegen het laten drukken en uitgeven van het geschrift kon
+verzetten.</p>
+<p>Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te kunnen
+geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als
+aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat ik
+hier volgen.</p>
+<p>In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2648" href="#xd20e2648" name=
+"xd20e2648">29</a>]</span>naaste verwanten en vrienden in de jaren 1623
+en volgende wordt herhaaldelijk gesproken van de omstandigheid, dat van
+de Groot&rsquo;s <i>Inleydinge tot de Hollandsche
+rechtsgeleertheid</i>, welke de schrijver oorspronkelijk uitsluitend
+voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd, verschillende
+afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt hij aangemaand zelf
+tot de uitgave van dit werk over te gaan, v&oacute;&oacute;rdat anderen
+hem daarin v&oacute;&oacute;r zouden zijn; De Groot achtte deze
+waarschuwing niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden
+zijn werk te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene
+uitgave buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets
+onrechtmatigs zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven
+met <i>plagium</i> aan het feit, dat afschriften in handen van anderen
+waren gekomen<a class="noteref" id="xd20e2656src" href="#xd20e2656"
+name="xd20e2656src">90</a>.</p>
+<p>Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een
+ander schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens
+<i>Lusthof</i> arglistig buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel
+zijne verontwaardiging, hij noemde het:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;&rsquo;t Onredelijckste stuck, d&rsquo;
+onlydelijckste smart,</p>
+<p class="line">Die immermeer aen my betoond is of
+bewezen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2691src" href="#xd20e2691"
+name="xd20e2691src">91</a>.</p>
+</div>
+<p class="first">doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij
+daarin niet te zien.</p>
+<p>Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert
+Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht &bdquo;op zeker
+braef en kunstryk Heer&rdquo; gemaakt, dat hij niet door den druk
+publiek gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de
+drukker het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in
+druk uit te geven, kreeg hij tot bescheid: &bdquo;Ik zal &rsquo;t
+evenwel drukken; het is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om
+vrienden te blijven, weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven;
+dien waeg ik er aen, en anders zal ik evenwel met drukken
+voortvaren.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="xd20e2700" href=
+"#xd20e2700" name="xd20e2700">30</a>]</span>Poot moest, naar hij zelf
+verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar den dukaton
+in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging &bdquo;aen
+veelerlei soort van ander gelt&rdquo; werd uitgeteld<a class="noteref"
+id="xd20e2702src" href="#xd20e2702" name="xd20e2702src">92</a>.</p>
+<p>Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der
+schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat van de
+Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde categorie
+van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden hunne
+werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht
+uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: &bdquo;dat van nu
+voortaan niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op
+den naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te
+Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften,
+Lessen &amp;c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij
+alvoorens daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van
+deselve, of van haare Erfgenaamen...&rdquo; etc.<a class="noteref" id=
+"xd20e2719src" href="#xd20e2719" name="xd20e2719src">93</a>.</p>
+<p>Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het
+recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit placcaat
+ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, kan blijken uit
+de overweging:</p>
+<p>&bdquo;Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van
+Boeken op den naam van Professoren en andere Leedematen van onse
+Universiteyt te Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en
+abuisen in deselve Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse
+en onwaare stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein
+agting van deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo
+buiten als binnen &rsquo;s Lands, ook tot groot nadeel der goede
+Weetenschappen... etc.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der
+Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag of
+dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar werd
+erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e2733" href="#xd20e2733" name=
+"xd20e2733">31</a>]</span>was en dat dus het hier besproken placcaat,
+evenals de privilegi&euml;n niet is te beschouwen als de erkenning van
+een bestaand recht, maar als een uitzonderingsmaatregel.</p>
+<p>Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals
+bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den
+auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn
+geweest.</p>
+<p>Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:</p>
+<p>&bdquo;De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen
+naem winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in
+boecken, in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij
+anderen gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel
+van Vondels po&euml;zye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten,
+daer ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch
+te baeren staet&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2741src" href=
+"#xd20e2741" name="xd20e2741src">94</a>.</p>
+<p>Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets te
+beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: &bdquo;Tegens deze
+ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan
+mijn gedult over.&rdquo; Dit blijkt ook uit de volgende woorden van
+Justus Lipsius, (in de voorrede van <i>De Cruce</i>, Amstel. 1670)
+hoewel daarin, meer dan in die van Vondel, een gekrenkt
+rechtsbewustzijn tot uiting schijnt te zijn gekomen: &bdquo;<span lang=
+"la">Ego semel et serio testor, audite qui in Europa: Nihil meum est
+aut erit, quod non de autographo meo et me volente sit expressum.
+Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis
+fucum</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2760src" href=
+"#xd20e2760" name="xd20e2760src">95</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in
+vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en
+geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het
+midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk, ook
+van niet-geprivilegieerde werken, verboden<a class="noteref" id=
+"xd20e2773src" href="#xd20e2773" name="xd20e2773src">96</a>. Engeland
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2793" href="#xd20e2793" name=
+"xd20e2793">32</a>]</span>had reeds in 1709 eene wet op het
+auteursrecht en in Frankrijk, waar het privilegie-stelsel tot aan de
+revolutie in stand bleef, won toch in den loop der achttiende eeuw de
+letterkundige eigendom meer en meer veld en vond zelfs bij rechterlijke
+beslissingen toepassing<a class="noteref" id="xd20e2795src" href=
+"#xd20e2795" name="xd20e2795src">97</a>.</p>
+<p>Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
+toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze
+boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond
+van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De
+groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere
+landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
+hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, hun
+toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren de
+voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht; de
+namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, <span class="corr" id="xd20e2809"
+title="Bron: Bleau">Blaeu</span> en anderen waren door geheel Europa
+bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne geschriften door
+een van die beroemde huizen te zien gedrukt.</p>
+<p>&bdquo;De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw,
+zig verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de
+<i>manuscripten</i> uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de
+fransche drukken nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid
+werden&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2817src" href="#xd20e2817"
+name="xd20e2817src">98</a>.</p>
+<p>De schrijver van <i>Hollands Rijkdom</i> waaraan bovenstaande
+woorden zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk<a class="noteref" id=
+"xd20e2831src" href="#xd20e2831" name="xd20e2831src">99</a> enkele
+uitlatingen van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: &bdquo;...een
+amsterdamsch boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende,
+won een millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode
+schreven.&rdquo; &bdquo;De hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks
+een millioen, omdat de Franschen vlug van geest zijn.&rdquo; Al drukt
+Voltaire zich hier wat <span class="pagenum">[<a id="xd20e2834" href=
+"#xd20e2834" name="xd20e2834">33</a>]</span>sterk uit, een grond van
+waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.</p>
+<p>Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van
+vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt<a class="noteref"
+id="xd20e2838src" href="#xd20e2838" name="xd20e2838src">100</a>.</p>
+<p>Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in
+het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen
+waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
+als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk
+betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.</p>
+<p>De &bdquo;schatten&rdquo;, die door de drukkers en uitgevers werden
+verdiend, mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer
+overdreven zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun
+bedrijf, vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren.
+Gaat men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan
+valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van
+hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor de
+drukkers en uitgevers was.</p>
+<p>Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk
+kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens
+meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men in
+den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een aantal
+&bdquo;loodjes&rdquo;, de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium
+een aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan
+den geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
+leest men o. a.: &bdquo;My dunckt, so veele als ick in onzen tyt
+bevonden hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken,
+want meest wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel
+gemeynlijcken wat exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten
+se gemeynlijcken wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni
+liberalitate, die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick
+hebber oock by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den
+aucteur, om dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu
+corts noch een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal
+hebben&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2849src" href="#xd20e2849"
+name="xd20e2849src">101</a>. De waarheid dezer mededeelingen omtrent
+Plantijn vindt men bevestigd door Max Rooses in diens bekende werk
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2858" href="#xd20e2858" name=
+"xd20e2858">34</a>]</span>over den Antwerpschen drukker en uitgever.
+Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers, die een som
+gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een aantal
+exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de auteurs
+niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan sommige
+gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele gevallen
+gaf hij eene renumeratie in geld<a class="noteref" id="xd20e2860src"
+href="#xd20e2860" name="xd20e2860src">102</a>.</p>
+<p>In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs
+waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met
+hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te
+verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria van
+Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624 o.
+a.: &bdquo;Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van
+U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede te
+doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het kompt
+altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt wt de
+bouckverkoopers handen te crigen is&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e2873src" href="#xd20e2873" name="xd20e2873src">103</a>. In een
+volgend schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren
+van den uitgever voor zich te bedingen<a class="noteref" id=
+"xd20e2884src" href="#xd20e2884" name="xd20e2884src">104</a>.</p>
+<p>De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn <i>Lof der
+Geldzucht</i> over de po&euml;ten geven een soortgelijken indruk van de
+toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,</p>
+<p class="line">&rsquo;t Valt hunnen buidel mis en doet de borze
+zwellen</p>
+<p class="line">Der loozer druckeren en hunner metgezellen;</p>
+<p class="line">De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en
+pluckt.&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was,
+dat de po&euml;ten soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit
+hun verzen trachtten te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen
+van een Maecenas, of door het vervaardigen op bestelling van
+gelegenheidsgedichten. Een eigenaardig voorbeeld van exploitatie der
+dichtkunst deelt Prof. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2903" href=
+"#xd20e2903" name="xd20e2903">35</a>]</span>Kalff mede:<a class=
+"noteref" id="xd20e2905src" href="#xd20e2905" name=
+"xd20e2905src">105</a> de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met
+een twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze
+&bdquo;lyefhebbers van de Nederduytsche po&euml;sy&rdquo; zich
+verbonden, aan Starter wekelijks 12 carolus-guldens uit te keeren;
+daartegenover nam Starter de verplichting op zich, in Amsterdam te
+blijven wonen en o. a. gedichten voor hen te schrijven tegen drie
+stuivers de bladzijde.</p>
+<p>Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit het
+begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg voor de
+eerste uitgave zijner gedichten&mdash;en dat nog niet zonder
+moeite&mdash;zes exemplaren van zijn werk en een &bdquo;Grootmediaen
+Bybel&rdquo; van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem
+&bdquo;dat er langer geen gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen,
+of daer most een stuk gelts voor zyn&rdquo;; in antwoord op dit verwijt
+verklaarde Poot echter, dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem
+had losgekregen dan &bdquo;de arme waerde van twee zilvere
+dukatons&rdquo;.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende
+landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegi&euml;n natuurlijk
+weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten de
+landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en
+merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van
+Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569&ndash;1572 te Antwerpen het
+licht zag. Voor dit werk waren privilegi&euml;n verkregen in de
+volgende landen: Veneti&euml;, Duitschland, Arragon en Castili&euml;,
+de Nederlanden, Brabant, Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V
+er een privilegie voor verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe
+van excommunicatie werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na
+te drukken of te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de
+inwoners der kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van
+2000 gouden dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte
+exemplaren<a class="noteref" id="xd20e2917src" href="#xd20e2917" name=
+"xd20e2917src">106</a>.</p>
+<p>Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id="xd20e2932src" href="#xd20e2932"
+name="xd20e2932src">107</a> maakt melding van een octrooi, door den
+Franschen koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2935" href="#xd20e2935" name=
+"xd20e2935">36</a>]</span>Raphelengius voor <i lang="la">Cyclometrica
+Elementa</i> van Justus Scaliger, een werk, dat ook in Nederland
+geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde uitgave
+van de <i lang="fr">Annales</i> van Hugo Grotius, voorzien van
+privilegi&euml;n van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en
+keizer Ferdinand III. Ook blijkt van eene dergelijke gelijktijdige
+bescherming in verschillende landen uit de resolutie der
+Staten-Generaal van 10 Sept. 1609<a class="noteref" id="xd20e2943src"
+href="#xd20e2943" name="xd20e2943src">108</a>: &bdquo;Is Octavio van
+Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat hem gelyk octroy is
+gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk ende Spangien, mitsgaders
+die ertshertogen, alleene inde Vereenichde Provinci&euml;n te mogen
+snyden in &rsquo;t coper of hout,... etc.&rdquo;</p>
+<p>Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om
+de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te
+roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt
+melding gemaakt van &bdquo;een missive van den Heere Churfurst van de
+Paltz&rdquo;, waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor
+Johannes Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd <i>Het
+ontdeckte Jodendom</i>, en waarin den Staten verzocht wordt: &bdquo;dat
+Haer Ho: Mog: geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te
+stellen, en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van
+het voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt
+en Landen mogte werden verboden&rdquo;. Een brief van gelijke strekking
+van den &bdquo;Churfurst van Mentz&rdquo;, handelende over hetzelfde
+boek <i>Het Jodendom ontdeckt</i> werd eenige weken later in de
+vergadering besproken<a class="noteref" id="xd20e2956src" href=
+"#xd20e2956" name="xd20e2956src">109</a>.</p>
+<p>In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek
+tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris
+in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling
+gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland
+&bdquo;de Memoires van de Soci&euml;teit der Weetenschappen in sijne
+Majesteits Residentie ge&euml;tablisseert&rdquo; zou nadrukken en
+richtte zich tot de Staten &bdquo;... in die ongetwyffelde hoope, dat
+deselve het verlangde verbod tot verhindering van de gevreesde
+nadrukking niet souden difficulteeren... etc.&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e2966src" href="#xd20e2966" name="xd20e2966src">110</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e2971" href="#xd20e2971" name=
+"xd20e2971">37</a>]</span></p>
+<p>Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik
+niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de Staten
+der Provinci&euml;n &bdquo;om daer omtrent sodanige ordre te stellen,
+als sullen oordeelen te behooren.&rdquo; De Staten van Holland hadden
+in de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten:
+&bdquo;Dat de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden
+versoght, sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor
+het grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te
+Lande gedruckt sullen moeten zijn.&rdquo; Indien zij zich in 1745
+hieraan nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen
+zijn afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen
+reeds de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk
+ondervond.</p>
+<p>Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, dat
+men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het
+nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden
+zelfs voor deze nadrukken privilegi&euml;n verleend en dit gaf
+aanleiding tot de vraag, of door deze privilegi&euml;n ook het invoeren
+en verkoopen van de origineele buitenlandsche uitgave werd
+verboden.</p>
+<p>In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten van
+Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij gaven er
+o.a. in te kennen: &bdquo;... dat niettegenstaande tot noch toe alle de
+origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Moli&egrave;re,
+Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met
+privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en
+onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers tot
+Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de Engelsche
+en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche Taale overgeset,
+te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie te verkrygen, om daar
+door het inkomen en vertieren der origineele Hollandtsche Drucken te
+weeren, en sulcks tegen het voorrecht, dat sy hier te Lande genooten...
+Dat dewyl nu de Supplianten sich (onder reverentie) verbeelden, dat de
+intentie van Vranckrijck in het verleenen van des selfs
+Privilegi&euml;n niet geweest was, om het vertier der Hollandtsche
+Drucken te verbieden... versoeckende derhalven, dat de saake ter
+Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert, om aan het Hof van
+Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de onderdaanen van
+deesen Staat <span class="pagenum">[<a id="xd20e2978" href="#xd20e2978"
+name="xd20e2978">38</a>]</span>door de interpretatie van de voorgewende
+Privilegi&euml;n aangedaan wierdt... etc.&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e2980src" href="#xd20e2980" name="xd20e2980src">111</a>.</p>
+<p>Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in
+overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de
+Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in
+1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren
+&bdquo;... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden
+uitgedagt omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten &rsquo;s Lands
+gedrukt mogten zijn&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2987src" href=
+"#xd20e2987" name="xd20e2987src">112</a><span class="corr" id=
+"xd20e2991" title="Niet in bron">.</span> Met dezelfde kwestie had
+waarschijnlijk ook te maken de mededeeling van den Raadpensionaris in
+de vergadering van 5 October 1735: &bdquo;... dat aan hem is
+voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van tyd tot tyd door haar Edele
+Groot Mog. verleent worden tot het drukken van Boeken, ge&iuml;nsereert
+zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven om het debit der Boeken
+hier te Lande gedrukt buiten &rsquo;s Lands seer difficil te maaken,
+tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in deese
+provincie.&rdquo; Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen
+&bdquo;of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en
+behooren gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen
+werden gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in
+deese Landen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e2994src" href=
+"#xd20e2994" name="xd20e2994src">113</a>. Men ziet uit deze laatste
+toevoeging weer een bewijs van de groote zorg, die de Staten voor
+&bdquo;Drukkerye en Boeknegotie&rdquo; aan den dag legden.</p>
+<p>In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland
+voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt
+uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt
+geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule
+voor: &bdquo;...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand
+sal worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van
+het voorschreeven Werk...&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e3001src"
+href="#xd20e3001" name="xd20e3001src">114</a> en in een van het
+daaropvolgend jaar: &bdquo;...doch door dit octrooi zal niet worden
+belet, dat de origineele Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt
+ingevoerd, uitgegeven of verkocht&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e3006src" href="#xd20e3006" name="xd20e3006src">115</a>. Hieruit
+blijkt, dat men de billijkheid <span class="pagenum">[<a id="xd20e3011"
+href="#xd20e3011" name="xd20e3011">39</a>]</span>tegenover
+buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen wij
+volgens de thans geldende begrippen, hierin niet&mdash;zooals in het
+bovengenoemd request wordt gedaan&mdash;een &bdquo;voorrecht&rdquo;
+voor hen zien. Het enkele feit, dat voor nadrukken privilegi&euml;n
+werden verleend, bewijst dat men nog ver afstond van eene
+internationale bescherming.</p>
+<p>Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander
+het denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende
+staten, om door algemeene voorschriften den nadruk te weren.
+Verschillende schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het
+Vredescongres te Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een
+voorstel tot bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het
+verzoek, dat alle vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het
+daartoe in het vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de
+geschiedenis van het internationale auteursrecht voorzeker zeer
+belangrijke, voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet
+gelukt meerdere bijzonderheden te weten te komen<a class="noteref" id=
+"xd20e3015src" href="#xd20e3015" name="xd20e3015src">116</a>. Dat het
+niet tot uitvoering is gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld;
+waarschijnlijk heeft het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een
+punt van ernstige overweging uitgemaakt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch1.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het
+einde der achttiende eeuw tot dezen tijd</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het
+eerst in de provincie Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het
+Provinciaal Bestuur van dit gewest eene Publicatie<a class="noteref"
+id="xd20e3032src" href="#xd20e3032" name="xd20e3032src">117</a> uit,
+waarvan het eerste artikel luidde: <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e3041" href="#xd20e3041" name="xd20e3041">40</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat van nu voortaan geene Privilegi&euml;n of Octroijen tot
+het drukken en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden
+verleend, als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen,
+volgens welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van
+zijnen regtmatigen eigendom.&rdquo;</p>
+<p>In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de
+provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht
+had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken en
+uit te geven.</p>
+<p>Men erkende dus een &bdquo;eigendomsregt&rdquo; op geschriften, dat
+zijn oorsprong vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan
+deze laatsten, maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling,
+zooals o.a. door Mr. de Ridder wordt opgemerkt<a class="noteref" id=
+"xd20e3048src" href="#xd20e3048" name="xd20e3048src">118</a>, in de
+gevolgen voor de auteurs vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij
+contract tegen eventueele willekeur der uitgevers konden beveiligen, er
+blijkt toch uit, dat al waren de privilegi&euml;n afgeschaft, het
+beginsel, dat er aan ten grondslag had gelegen, nog bleef nawerken.
+Over de schrijvers wordt in de geheele publicatie niet gesproken.</p>
+<p>Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne
+erfgenamen over en was&mdash;in overeenstemming met den naam
+&bdquo;eigendomsregt&rdquo; dien men er aan gaf&mdash;eeuwigdurend
+(art. 2); er behoorde ook toe de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen
+en verkortingen van het geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar
+echter de publicatie alleen in de provincie Holland van kracht was, had
+de bescherming, die zij verleende, niet zoo heel veel te
+beteekenen.</p>
+<p>Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie
+nog dezelfde beginselen, die in den privilegi&euml;n-tijd heerschende
+waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland)
+uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs alsof
+het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken beschermd
+(art. 5). De &bdquo;regtmatige eigendom&rdquo; van vreemdelingen werd
+dus niet ge&euml;erbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het
+eerst van meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor
+de uitgave eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De
+uitgever behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de
+uitgave, den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3055" href="#xd20e3055" name=
+"xd20e3055">41</a>]</span>het voornemen om dat te doen verschafte, mits
+behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd, een &bdquo;<i>regt van
+praeferentie</i>&rdquo;, waardoor anderen verhinderd werden van
+dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).</p>
+<p>Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en
+tijdwijzers waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art.
+8); van staatsstukken, &bdquo;welke als den eigendom van het Volk van
+Holland moeten worden beschouwd&rdquo;, behield het Provinciaal Bestuur
+het kopierecht aan zich (art. 9).</p>
+<p>De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle
+provinci&euml;n, was de <i>Publicatie van het Staatsbewind der
+Bataafsche Republiek van 3 Juli 1803</i><a class="noteref" id=
+"xd20e3066src" href="#xd20e3066" name="xd20e3066src">119</a>. Ook
+hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak; er werd nu
+echter ook van de &bdquo;opstellers&rdquo; der boeken gesproken, die in
+de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens waren
+genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die &bdquo;in de
+Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij het
+gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf
+daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,
+mits wettige wijze, bekomen heeft&rdquo; (art. 2).</p>
+<p>Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad,
+indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren
+aangewezen&mdash;zooals in art. 1 van onze tegenwoordige
+wet&mdash;&bdquo;de auteur en zijne rechtverkrijgenden.&rdquo; Het
+verschil ligt echter niet alleen in de meer omslachtige formuleering.
+Van een recht op het geestelijk product, toekomende aan den auteur
+onafhankelijk van de vraag of, en zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te
+exploiteeren, had men blijkbaar nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook
+uit de overwegingen, die het Staatsbewind der Bataafsche Republiek over
+deze wet aan het Wetgevend Lichaam deed toekomen<a class="noteref" id=
+"xd20e3077src" href="#xd20e3077" name="xd20e3077src">120</a>. Daarin
+wordt als doel van de wet, naast bevordering van den boekhandel,
+waarvan het eerst wordt gesproken, nog genoemd:</p>
+<p>&bdquo;1<sup>o</sup>. de bevordering der verlichting en der
+wetenschappen in ons <span class="pagenum">[<a id="xd20e3090" href=
+"#xd20e3090" name="xd20e3090">42</a>]</span>Vaderland en 2<sup>o</sup>.
+de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke Wet, hun vrije
+handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt wordt, tot
+maintien van een ieders wettig regt van Eigendom.&rdquo; Over de
+schrijvers wordt geen woord gezegd.</p>
+<p>De wet erkende naast het recht van eigendom ook een <i>recht van
+praeferentie</i>, toekomende aan den uitgever, die van een
+buitenlandsch werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht
+verwierf de uitgever zich dus geheel buiten den auteur om. In de
+&bdquo;Consideransen&rdquo; wordt het aldus gemotiveerd: &bdquo;het
+valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een&rdquo; (nl. de uitgever
+der vertaling) &bdquo;moet gehouden worden, de daartoe benoodigde
+moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en uitgelegd, en
+alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van zijn werk, zich
+zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst te doen...
+etc.&rdquo;</p>
+<p>Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het
+recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men
+er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver of
+uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op
+onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De
+bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet
+overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.</p>
+<p>De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de
+inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het
+gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door de
+Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden in de
+<i lang="fr">D&eacute;cret-Loi des 19&ndash;24 Juillet 1793</i>. Deze
+wet, die nu nog, hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere
+wetten aangevuld, in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht
+aan de auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan:
+&bdquo;<span lang="fr">compositeurs de musique</span>&rdquo; en aan:
+&bdquo;<span lang="fr">peintres et dessinateurs qui feront graver des
+tableaux ou dessins</span>&rdquo; (art. 1). Na hun dood bleef het
+auteursrecht nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).</p>
+<p>Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir
+verklaard <i>Keizerlijk Decreet van 1810</i> in dier voege aangevuld,
+dat de weduwe van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen
+tot twintig jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden
+genieten. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3119" href="#xd20e3119"
+name="xd20e3119">43</a>]</span></p>
+<p>De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor
+het eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1<sup>o</sup>.
+<i>in tijdsduur beperkt</i> auteursrecht, en dat 2<sup>o</sup>.
+<i>direct</i> aan de auteurs, vindt men na dien tijd in de wetgevingen
+van bijna alle landen terug.</p>
+<p>De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier
+afgeschaft door het <i>Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No.
+1</i> (Staatsblad No. 17), <i>houdende bepalingen omtrent den
+boekhandel en den eigendom van letterkundige werken</i>.</p>
+<p>Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche
+censuur afschafte; uit <span class="corr" id="xd20e3144" title=
+"Bron: det">het</span> oogpunt van auteursrecht is het echter als een
+stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het een
+eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan &bdquo;... elk die
+een oorspronkelijk werk, hetzij in &eacute;&eacute;n, hetzij bij deelen
+of stukken uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of
+anderszins, wettig bezit&rdquo; (art. 6). Ook werd in het besluit
+strafbaar gesteld: &bdquo;eenigerlei nadruk van de Nederduitsche
+vertaling eens buiten deze landen uitgekomen werks, of het debiteren
+eener andere Nederduitsche vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie
+eerste jaren na de uitgave der eerste vertaling&rdquo; (art. 9), eene
+bepaling, die ook voorkwam in de wet van 1803 en die toen op de
+eigenaardige wijze, die boven is medegedeeld, werd gemotiveerd.</p>
+<p>Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige
+aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever
+eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had te
+vervullen.</p>
+<p>Intusschen was in Belgi&euml;&mdash;vreemd genoeg&mdash;bij Besluit
+van 28 September 1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op
+geheel andere wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen,
+geregeld; vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen
+van het koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.</p>
+<p>Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State
+aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de
+resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen
+te hebben gediend<a class="noteref" id="xd20e3153src" href="#xd20e3153"
+name="xd20e3153src">121</a>.</p>
+<p>Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3161" href="#xd20e3161" name=
+"xd20e3161">44</a>]</span>omgewerkt volgens de nieuwere opvattingen,
+bij de Staten-Generaal ingediend, waar het, zonder aanleiding te geven
+tot gedachtenwisseling, onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te
+worden afgekondigd onder den naam van: <i>Wet van den 25 Januari
+1817</i> (Staatsblad No. 5), <i>de regten bepalende, die in de
+Nederlanden, ten opzigte van het drukken en uitgeven van letter- en
+kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend</i>.</p>
+<p>Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen
+te maken en te verkoopen werd verleend aan &bdquo;diegenen, welke
+daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden&rdquo; (art. 1).</p>
+<p>Vertalers van in het buitenland uitgekomen <span class="corr" id=
+"xd20e3174" title="Bron: lettewerken">letterwerken</span> kregen
+hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie
+echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene
+andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet
+voor<a class="noteref" id="xd20e3177src" href="#xd20e3177" name=
+"xd20e3177src">122</a>.</p>
+<p>Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of
+vertaler (art. 3).</p>
+<p>Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene
+Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen
+uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren v&oacute;&oacute;r of
+gelijktijdig met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het
+gemeentebestuur van de woonplaats des uitgevers (art. 6).</p>
+<p>Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet
+aanmerkelijken vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de
+auteurs; met het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de
+letterkundige eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook
+&bdquo;kunstwerken&rdquo; beschermd en op het punt van vertalingen
+waren gezondere beginselen gevolgd. Doch op zeer vele punten was de
+nieuwe regeling, die tot het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog
+gebrekkig en onvolledig.</p>
+<p>De uitdrukking &bdquo;letter- en kunstwerken&rdquo;, waarmede de
+beschermde producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele
+gevallen aanleiding tot twijfel<a class="noteref" id="xd20e3194src"
+href="#xd20e3194" name="xd20e3194src">123</a><span class="corr" id=
+"xd20e3202" title="Niet in bron">.</span> Werken van plastische
+beeldende kunst vielen <span class="pagenum">[<a id="xd20e3205" href=
+"#xd20e3205" name="xd20e3205">45</a>]</span>buiten de
+&bdquo;kunstwerken&rdquo;, daar de wet alleen betrekking had op het
+drukken en uitgeven. De vraag of onder de &bdquo;letterwerken&rdquo;
+ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten
+ontkennend beantwoord<a class="noteref" id="xd20e3207src" href=
+"#xd20e3207" name="xd20e3207src">124</a>.</p>
+<p>Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en
+uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren
+wij dus&mdash;in tegenstelling met de meeste andere landen&mdash;nog
+even ver als in den tijd der privilegi&euml;n.</p>
+<p>Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van
+het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke
+inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden van
+nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig
+strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10&ndash;1000 gld.,
+confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den
+eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste
+van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren van
+het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk in de
+meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat de
+oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos
+gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen
+kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt in
+zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen verkregen
+worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was ingesteld
+en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid, bestond
+er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel, om het
+verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren tegen te
+gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten onvolledig;
+er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding berekend moest
+worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold of een werk,
+waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete betreft, deze
+moest strekken &bdquo;ten behoeve van de algemeene armen van de
+woonplaats des nadrukkers&rdquo;; eene bepaling waarvan de ratio
+moeilijk is te <span class="pagenum">[<a id="xd20e3226" href=
+"#xd20e3226" name="xd20e3226">46</a>]</span>vatten en die daarenboven
+niet voorzag in het geval, dat de nadrukker een vreemdeling was.</p>
+<p>In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme en
+posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking van
+meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op de
+berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar na den
+dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van
+laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen
+natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap
+of den Staat zijn uitgegeven.</p>
+<p>Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het
+<i>Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822</i> (Staatsblad No. 16), waarbij
+het drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve
+van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve
+van de landsdrukkerij werd voorbehouden of &bdquo;bij speciale
+vergunningen of octroijen&rdquo; aan particulieren werd afgestaan.</p>
+<p>Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek geweest.
+Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd hier een
+kopierecht van den Staat gecre&euml;erd en zelfs aan den Koning de
+bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met de
+vroegere privilegi&euml;n overeenkomende, aan particulieren te
+verleenen.</p>
+<p>Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September
+1840<a class="noteref" id="xd20e3240src" href="#xd20e3240" name=
+"xd20e3240src">125</a> had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het
+genoemde K. B. van geen kracht waren, daar de wet van 1817 een
+kopierecht van den Staat niet kent, werd bij K. B. van 24 April 1841
+(Staatsblad No. 11) het besluit van 1822 en de daarop berustende
+besluiten, waarbij het uitgeven van bepaalde staatsstukken aan de
+landsdrukkerij werd voorbehouden of aan particulieren verleend,
+ingetrokken<a class="noteref" id="xd20e3245src" href="#xd20e3245" name=
+"xd20e3245src">126</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3273" href=
+"#xd20e3273" name="xd20e3273">47</a>]</span></p>
+<p>Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake bij
+de behandeling van de <i>Wet van 12 Aug. 1849</i> (Staatsblad No. 36)
+<i>op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche
+Apotheek</i>, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van
+dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke
+gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen
+<span class="corr" id="xd20e3282" title="Bron: vond">vonden</span> de
+genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal verzet<a class=
+"noteref" id="xd20e3285src" href="#xd20e3285" name=
+"xd20e3285src">127</a>; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet
+zelf werd in 1871 ingetrokken.</p>
+<p>De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog
+gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen
+(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet
+voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere
+Nederlandsche wetten was verkregen)<a class="noteref" id="xd20e3293src"
+href="#xd20e3293" name="xd20e3293src">128</a>, deden zich al spoedig in
+de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden
+herhaaldelijk pogingen in het <span class="corr" id="xd20e3318" title=
+"Niet in bron">werk</span> werden gesteld om tot eene betere regeling
+te komen.</p>
+<p>In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter
+vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van
+toelichting aan de Regeering aangeboden<a class="noteref" id=
+"xd20e3323src" href="#xd20e3323" name="xd20e3323src">129</a>. Twee jaar
+later had de Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de
+Staten-Generaal is ingediend.</p>
+<p>In latere jaren is, vooral door de <i>Vereeniging tot bevordering
+van de belangen des boekhandels</i> gedurig moeite gedaan, om een
+betere wet te krijgen<a class="noteref" id="xd20e3334src" href=
+"#xd20e3334" name="xd20e3334src">130</a>.</p>
+<p>In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp
+voor eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting
+aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden<a class="noteref"
+id="xd20e3345src" href="#xd20e3345" name="xd20e3345src">131</a>. Nadat
+over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3351" href="#xd20e3351" name=
+"xd20e3351">48</a>]</span>kunsten en bij de koninklijke Academie van
+Wetenschappen adviezen waren ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877
+een Regeerings-ontwerp. Voor de voorbereiding hiervan was, zooals ook
+in de M. v. T.<a class="noteref" id="xd20e3353src" href="#xd20e3353"
+name="xd20e3353src">132</a> wordt erkend, behalve van de belangrijkste
+buitenlandsche wetgevingen, een ruim gebruik gemaakt van het Ontw.
+Boekh. Er was o.a. uit overgenomen de nauwkeuriger omschrijving der
+auteursproducten in plaats van de vage term &bdquo;letter- en
+kunstwerken&rdquo; van de wet van 1817; voorts de bepaling, dat het
+auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9); dat met auteurs worden
+gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit bijdragen van meerdere
+auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a Ontw. &rsquo;77); en de
+bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden op wederrechtelijk
+gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen (artt. 14&ndash;17 Ontw.
+Boekh., artt. 20&ndash;22 Ontw. &rsquo;77).</p>
+<p>Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd.
+Nieuw was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor
+muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van
+<i>kopierecht</i> maar van <i>auteursrecht</i> gesproken) en het
+toekennen van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1); de
+beperking van het uitsluitend recht om vertalingen van een werk uit te
+geven tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder
+voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de
+vertaling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2<sup>o</sup>);
+de berekening van den duur van het auteursrecht niet meer naar het
+tijdstip van overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste
+uitgave van het werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor
+Nederlandsch Indi&euml; verbindend zou zijn (art. 28).</p>
+<p>Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,
+nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van
+zijn voorganger was overgenomen.</p>
+<p>In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878<a class="noteref" id=
+"xd20e3373src" href="#xd20e3373" name="xd20e3373src">133</a> werd het
+over het algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen
+golden: het op- en uitvoeringsrecht, dat &bdquo;velen leden&rdquo;
+naast het kopie-recht overbodig voorkwam, terwijl &bdquo;zeer vele
+leden&rdquo; dit liever in eene afzonderlijke wet wilden geregeld zien;
+het auteursrecht op mondelinge voordrachten, dat sommige leden niet
+toegekend wilden zien, andere <span class="pagenum">[<a id="xd20e3378"
+href="#xd20e3378" name="xd20e3378">49</a>]</span>niet dan onder zekere
+voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die door de
+groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet voor
+alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde wijze
+van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht: de
+meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der
+overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende
+partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.</p>
+<p>Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom
+eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als minister
+van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand, dat, op
+enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den 22sten
+September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden<a class="noteref"
+id="xd20e3382src" href="#xd20e3382" name="xd20e3382src">134</a>.</p>
+<p>Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het
+kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
+werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd o. a. de
+systematische indeeling en volgorde tegen de daarover gemaakte
+opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van het recht
+werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming betoogd en
+tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op het
+auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.</p>
+<p>Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp
+ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop
+anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2); de
+bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7);
+uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de
+uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).</p>
+<p>Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in openbare
+behandeling<a class="noteref" id="xd20e3394src" href="#xd20e3394" name=
+"xd20e3394src">135</a>. De algemeene beraadslagingen liepen
+voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter van het
+auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover naar aanleiding
+van de opmerkingen van de heeren Schaepman en Oldenhuis Gratama in het
+midden bracht, bleek, dat de Regeering den &bdquo;intellectueelen
+eigendom&rdquo; verwierp, maar niettemin een recht der auteurs op
+bescherming <span class="pagenum">[<a id="xd20e3399" href="#xd20e3399"
+name="xd20e3399">50</a>]</span>erkende en daarmede den plicht des
+wetgevers, om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De
+minister noemde het auteursrecht een <i>jus sui generis</i>, noch tot
+de zakelijke, noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat
+gerangschikt moest worden onder de absolute vermogensrechten.</p>
+<p>Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats
+had<a class="noteref" id="xd20e3406src" href="#xd20e3406" name=
+"xd20e3406src">136</a>, werd o. a. de duur van het auteursrecht
+besproken. Een amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den
+hoofdtermijn van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde
+brengen, werd verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van
+der Kaay, om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door
+den druk gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te
+doen verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht
+de gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.</p>
+<p>De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare
+inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren de
+Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het
+wetsontwerp werd ten slotte met op &eacute;&eacute;n na algemeene
+stemmen aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den
+28sten Juni afgekondigd als: <i>Wet van den 28sten Juni 1881 tot
+regeling van het Auteursrecht</i> (Staatsblad No. 124).</p>
+<p>Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog
+ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18&ndash;20, die de
+strafbepalingen inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek
+van Strafrecht naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de
+artt. 349 bis, ter en quater zijn geworden.</p>
+<p>Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering
+verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de
+beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen
+daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke
+Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van wet
+bij de Tweede Kamer ingediend<a class="noteref" id="xd20e3420src" href=
+"#xd20e3420" name="xd20e3420src">137</a>. In de memorie van toelichting
+werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit, o. a.
+met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3425" href="#xd20e3425" name=
+"xd20e3425">51</a>]</span>en met een beroep op de beginselen, die bij
+de wet van 28 Juni 1881 gehuldigd waren.</p>
+<p>Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle &bdquo;werken der
+beeldende kunsten&rdquo;; hieronder moesten volgens de M. v. T.
+hoofdzakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en
+beeldhouwkunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de
+bescherming uitgesloten (art. 1).</p>
+<p>De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door
+dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg.
+In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem
+&bdquo;die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op
+wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene
+mechanische bewerking namaakt&rdquo;.</p>
+<p>Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van
+overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de
+regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de
+middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van
+het recht (art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge
+bepalingen.</p>
+<p>Daar het in de zitting 1883&ndash;1884 niet in behandeling was
+gekomen, werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd,
+ingediend.</p>
+<p>Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885<a class="noteref"
+id="xd20e3437src" href="#xd20e3437" name="xd20e3437src">138</a>, luidde
+niet gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden
+bescherming niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze
+bescherming op dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook
+werd de vrees geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap
+zou worden gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van
+uitvinding.</p>
+<p>Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende
+werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten
+gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal
+vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van
+toelichting ingediend<a class="noteref" id="xd20e3445src" href=
+"#xd20e3445" name="xd20e3445src">139</a>. Onder meer werd hierin als
+grondbeginsel van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3450" href="#xd20e3450" name=
+"xd20e3450">52</a>]</span>voortbrenger van een product des geestes het
+uitsluitend recht dient te hebben te bepalen of, wanneer en in welken
+vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar van nadruk of nabootsing
+blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.</p>
+<p>Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit
+gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde
+stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog
+tweemaal (27 Juli <span class="corr" id="xd20e3454" title=
+"Bron: 1876">1886</span> en 7 October <span class="corr" id="xd20e3457"
+title="Bron: 1877">1887</span>) bij de Tweede Kamer werd ingediend. En
+hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling van het artistieke
+auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement, meermalen is
+geuit<a class="noteref" id="xd20e3460src" href="#xd20e3460" name=
+"xd20e3460src">140</a>, zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe nog
+steeds onbeschermd gebleven.</p>
+<p>Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in
+de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte,
+die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in
+alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het
+auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet van
+1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen niet
+behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en
+twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in
+een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin
+deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving
+zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden
+nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch1.3"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het
+internationaal auteursrecht</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te
+merken, dat reeds in den tijd der privilegi&euml;n de bescherming tegen
+nadruk&mdash;al was het dan bij uitzondering&mdash;zich over meerdere
+landen kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3479" href="#xd20e3479" name=
+"xd20e3479">53</a>]</span>eene poging is gedaan, hierover in een
+tusschen verschillende staten gesloten tractaat bepalingen te doen
+opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden als voorboden van de
+internationale regeling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en
+waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw
+aanvangt.</p>
+<p>In de meeste beschaafde landen hadden de privilegi&euml;n toen
+plaats gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming
+verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar als
+een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, dat deze
+bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt bleef tot de
+grenzen van elk land.</p>
+<p>De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel
+gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het
+onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid
+en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het
+drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen
+geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend
+recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde dan
+voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten te
+verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het
+internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die
+ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten
+tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al
+genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale
+auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw
+verklaren.</p>
+<p>De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch
+verschijnsel, werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het
+feit, dat alleen in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf
+groote huizen vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een
+half millioen francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van
+buitenlandsche boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad
+eenig denkbeeld geven<a class="noteref" id="xd20e3487src" href=
+"#xd20e3487" name="xd20e3487src">141</a>.</p>
+<p>Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom
+bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e3498" href="#xd20e3498" name=
+"xd20e3498">54</a>]</span>uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden,
+had hiervan het meest te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is,
+dat vooral d&aacute;&aacute;r de internationale beweging tot
+bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd gehouden.</p>
+<p>Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken,
+stonden verschillende wegen open.</p>
+<p>Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen
+opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde
+van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel
+werd door Frankrijk beproefd met het <i>Decreet van 28 Maart 1852</i>,
+hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken
+strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond in
+andere landen&mdash;althans te dien tijde&mdash;niet de gewenschte
+navolging, zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in
+Frankrijk gevaar liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren.
+Bovendien was eene volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de
+Fransche er niet door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo
+ge&iuml;nterpreteerd, dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer
+de vreemde auteur niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet
+de bedoeling was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die
+hij thuis niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op
+nadruk, niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht<a class=
+"noteref" id="xd20e3507src" href="#xd20e3507" name=
+"xd20e3507src">142</a>.</p>
+<p>Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling
+van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting
+slaagde men beter.</p>
+<p>Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen
+onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van het
+auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard gesloten
+tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en
+Sardini&euml;. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging.
+Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in
+1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e3529" href="#xd20e3529" name=
+"xd20e3529">55</a>]</span>Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met
+Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de
+tractaten tusschen Belgi&euml; en Nederland (1858); tusschen
+Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Itali&euml; (1869) en
+tusschen Rusland en Belgi&euml; (1862). Gestadig nam hun aantal in de
+volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten in
+Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale
+bescherming medewerkten.</p>
+<p>Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het
+eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor het
+meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken
+ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op
+internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte
+der systemen, die hierbij gevolgd werden<a class="noteref" id=
+"xd20e3533src" href="#xd20e3533" name="xd20e3533src">143</a>.</p>
+<p>In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het
+land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van
+het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel
+de wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht
+werd gemaakt, &oacute;f&mdash;wat practisch op hetzelfde
+neerkomt&mdash;waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori).
+Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng
+doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de verschillende
+tractaten toegepast. Dit moest natuurlijk in de practijk tot
+moeilijkheden aanleiding geven.</p>
+<p>In sommige gevallen, moest de rechter het&mdash;dikwijls
+ingewikkelde&mdash;vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als
+gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer rechten
+kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame
+vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn eigen
+land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen
+toepassen.</p>
+<p>Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten
+te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen waren
+beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het
+uitsluitend recht van vertaling meestal &oacute;f in de wetgevingen
+&oacute;f in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3552" href="#xd20e3552" name=
+"xd20e3552">56</a>]</span>golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in
+andere landen de internationale bescherming te kunnen inroepen,
+allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen die hun eigen wet
+voorschreef.</p>
+<p>Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van
+belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer
+eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken,
+o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in
+1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; ook
+werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de <i lang=
+"de">B&ouml;rsenverein der deutschen Buchh&auml;ndler</i> te Leipzig en
+werd het vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres
+van de <i lang="en">Association for the codification and reform of the
+law of nations.</i> Toen in 1878 te Parijs tijdens de
+wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit de geheele
+wereld bijeen waren, werd daar opgericht de <i lang="fr">Association
+litt&eacute;raire internationale</i>, voornamelijk met het doel, de
+beginselen der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en
+te verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te
+werken. Deze vereeniging, later herdoopt in <i lang="fr">Association
+litt&eacute;raire et artistique internationale</i>, heeft tot
+verwezenlijking van de door velen gewenschte unificatie krachtig
+medegewerkt. Op haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene
+door haar te beleggen conferentie een plan zou worden uitgewerkt tot
+stichting van eene internationale Unie tot bescherming van het
+auteursrecht. Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13
+September 1883, onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen
+Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien
+<span class="corr" id="xd20e3568" title=
+"Bron: artiken">artikelen</span> kwam tot stand, dat aan den
+Zwitserschen Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een
+door dit Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van
+eene diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.</p>
+<p>De eerste van deze conferenti&euml;n had plaats in September 1884 te
+Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der
+Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was door
+twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, zonder
+afgevaardigden te sturen, <span class="corr" id="xd20e3573" title=
+"Bron: huune">hunne</span> instemming met het beoogde doel betuigd.</p>
+<p>Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3578" href="#xd20e3578" name=
+"xd20e3578">57</a>]</span>die de geheele materie, onafhankelijk van de
+bestaande wetgevingen op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig
+onuitvoerbaar was ter zijde gesteld<a class="noteref" id="xd20e3580src"
+href="#xd20e3580" name="xd20e3580src">144</a>, hield de Conferentie
+zich bezig met het uitwerken van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat
+van de <i lang="fr">Association</i> en dat van den Zwitserschen
+Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der verschillende wetgevingen
+steunde en slechts op enkele punten eene zelfstandige regeling inhield.
+Behalve dit ontwerp, dat volgens het oordeel der Conferentie het
+minimum van rechten inhield, die de toetredende landen wederzijds aan
+de auteurs van werken van kunst en letterkunde zouden kunnen
+verleenen<a class="noteref" id="xd20e3588src" href="#xd20e3588" name=
+"xd20e3588src">145</a>, gaf de Conferentie nog als resultaat van haar
+onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet in het ontwerp had
+opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg of laat in te voeren
+algemeene codificatie van het auteursrecht, in den vorm van
+&bdquo;wenschen&rdquo; onder de aandacht van alle landsregeeringen
+wilde brengen, nl.:</p>
+<p>1<sup>o</sup>. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te
+verleenen bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens
+dertig jaar na hun dood.</p>
+<p>2<sup>o</sup>. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen
+gelijkstelling van het vertalingsrecht met het recht op het
+oorspronkelijke werk<a class="noteref" id="xd20e3603src" href=
+"#xd20e3603" name="xd20e3603src">146</a>.</p>
+<p>De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door de
+zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de
+verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht,
+aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover
+definitieve instructies mede te geven.</p>
+<p>Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz te
+Bern plaats (7&ndash;18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen
+vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en weer
+vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor het te
+sluiten verdrag tot stand.</p>
+<p>Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te
+Bern (6&ndash;9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van
+enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3614" href="#xd20e3614" name=
+"xd20e3614">58</a>]</span>en door de vertegenwoordigers van tien staten
+onderteekend, nl. van: Belgi&euml;, Duitschland, Engeland, Frankrijk,
+Ha&iuml;ti, Itali&euml;, Liberia, Spanje, Tunis en Zwitserland. Den
+7den September 1887 volgde de ratificatie (behalve die van Liberia, dat
+eerst veel later lid van het Verbond is geworden) en 5 December van
+hetzelfde jaar trad de Conventie in werking.</p>
+<p>De <i lang="fr">Convention concernant la cr&eacute;ation d&rsquo;une
+Union internationale pour la protection des oeuvres litt&eacute;raires
+et artistiques</i>, hier te lande algemeen bekend onder den naam
+<i>Berner Conventie</i>, is verdeeld in achttien artikelen, waaraan
+zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende de verhouding der
+Conventie tot de bestaande verdragen, en een Slotprotocol (nos.
+1&ndash;7), waarin de bepalingen van sommige artikelen nader worden
+verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de Conventie geen
+algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat zij de
+internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen van de
+wetgevingen der aangesloten landen.</p>
+<p>Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk
+van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend
+vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de
+toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien
+jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling had
+men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar van
+&eacute;&eacute;ne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen
+gelijkstelling werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht
+op het oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar
+was, dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten
+een reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden<a class=
+"noteref" id="xd20e3627src" href="#xd20e3627" name=
+"xd20e3627src">147</a>. Met den gekozen termijn van 10 jaar hoopte men
+aan de wenschen van beide partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan;
+aan staten die een langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit
+onderling bij afzonderlijk tractaat vast te stellen.</p>
+<p>De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In
+art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden
+opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3635" href="#xd20e3635" name=
+"xd20e3635">59</a>]</span>zou staan, en waarvan inrichting en werkkring
+nader in het Slotprotocol (no. 5) werden geregeld.</p>
+<p>Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve
+regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de
+verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn
+de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te
+voorzien, dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten
+bevatte, die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij
+eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst
+herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover in
+de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze
+herzieningen zouden worden besproken op Conferenti&euml;n,
+achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden,
+terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste
+Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na de
+inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December
+1893.</p>
+<p>Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de
+bijeenroeping was overgelaten, zag zich door verschillende
+omstandigheden genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven,
+zoodat de Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896
+bijeenkwam.</p>
+<p>Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was
+vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro<a class="noteref" id=
+"xd20e3643src" href="#xd20e3643" name="xd20e3643src">148</a> en
+Noorwegen) waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door
+de Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan
+welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden
+gegeven.</p>
+<p>Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche
+Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma van
+wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte opgave
+van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van
+letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren
+op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der
+verschillende landen was toegezonden<a class="noteref" id=
+"xd20e3648src" href="#xd20e3648" name="xd20e3648src">149</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3654" href="#xd20e3654" name=
+"xd20e3654">60</a>]</span>Doch ondanks alle daarvoor gedane moeite is
+men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het oorspronkelijke te Bern
+gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen, daar de hiervoor in art.
+17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet kon worden verkregen. Op
+het voorstel der Commissie<a class="noteref" id="xd20e3656src" href=
+"#xd20e3656" name="xd20e3656src">150</a> werden nu de resultaten der
+Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd, die het elken staat
+vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:</p>
+<p>Eene <i>Additionneele Acte</i>, die wijzigingen brengt in de artt.
+2, 3, 5, 7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het
+Slotprotocol, en</p>
+<p>Eene &bdquo;<i>Verklaring</i>&rdquo; (<i lang=
+"fr">D&eacute;claration</i>), die eene interpretatie geeft van enkele
+bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele Acte.</p>
+<p>Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei
+1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der
+officieele stukken opgenomen zijn<a class="noteref" id="xd20e3680src"
+href="#xd20e3680" name="xd20e3680src">151</a>.</p>
+<p>De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, de
+Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later
+toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie
+de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring, niet
+de Additionneele Acte.</p>
+<p>De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die
+ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen
+toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het
+auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde
+echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn
+werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).</p>
+<p>Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede dus
+een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming tot stand
+gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft
+begrijpelijkerwijze het resultaat <span class="corr" id="xd20e3693"
+title="Bron: vsn">van</span> de Conferentie van Parijs geen aanleiding
+gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie was er door de
+nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en de gedelegeerden
+te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel hiervan te erkennen;
+althans zij spraken de wenschelijkheid uit: <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e3696" href="#xd20e3696" name=
+"xd20e3696">61</a>]</span>&bdquo;dat de beraadslagingen van de
+eerstvolgende Conferentie tot de aanneming van &eacute;&eacute;n
+enkelen tekst der Conventie zouden leiden&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e3698src" href="#xd20e3698" name="xd20e3698src">152</a>.</p>
+<p>Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd
+van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie
+van Parijs<a class="noteref" id="xd20e3705src" href="#xd20e3705" name=
+"xd20e3705src">153</a>. Doch ook nu bleek men den termijn te kort
+gesteld te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de
+Berlijnsche Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.</p>
+<p>Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend,
+dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot), waren
+er zestien vertegenwoordigd. Ha&iuml;ti had geen vertegenwoordiger
+gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn
+zou worden besloten<a class="noteref" id="xd20e3712src" href=
+"#xd20e3712" name="xd20e3712src">154</a>. Bovendien waren er
+vertegenwoordigers van negentien niet-aangesloten landen.</p>
+<p>De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche
+Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op
+een veertiental punten werden <span class="corr" id="xd20e3719" title=
+"Bron: wijziglngen">wijzigingen</span> voorgesteld<a class="noteref"
+id="xd20e3722src" href="#xd20e3722" name="xd20e3722src">155</a> en een
+ontwerp voor &eacute;&eacute;n enkele tekst der Conventie werd
+geredigeerd, waarin deze wijzigingen waren opgenomen<a class="noteref"
+id="xd20e3727src" href="#xd20e3727" name="xd20e3727src">156</a>.
+Bovendien was nog van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen
+betreffende de reproductie door middel van photographie en
+kinematograaf en een voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om
+de vertaling in en uit het Japansch volkomen vrij te laten<a class=
+"noteref" id="xd20e3732src" href="#xd20e3732" name=
+"xd20e3732src">157</a>. Naast deze officieele herzieningsvoorstellen,
+die met de daarbij gevoegde memori&euml;n van toelichting als het ware
+de schriftelijke inleiding vormden voor de beraadslagingen te Berlijn,
+waren ook nu weer door verschillende vereenigingen en congressen
+wenschen uitgesproken en wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De
+onvermoeide <i lang="fr">Association</i> had op haar congres in
+Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig herzieningsontwerp
+samengesteld, dat met eene memorie van toelichting aan de Regeeringen
+van alle Verbondslanden was toegezonden<a class="noteref" id=
+"xd20e3741src" href="#xd20e3741" name="xd20e3741src">158</a>. Ook van
+de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende
+Regeeringen zich <span class="pagenum">[<a id="xd20e3747" href=
+"#xd20e3747" name="xd20e3747">62</a>]</span>op de hoogte kunnen
+stellen, daar hiervan wederom, evenals in 1896, door de zorgen van het
+internationale Bureau te Bern eene verzameling was verschenen<a class=
+"noteref" id="xd20e3749src" href="#xd20e3749" name=
+"xd20e3749src">159</a>.</p>
+<p>Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den
+op de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, &eacute;&eacute;n
+enkelen tekst der Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle
+aangesloten staten zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te
+voorspellen. En hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook
+niet volkomen in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een
+herzieningsontwerp aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte
+bepalingen (dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch
+voorgoed afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve
+van sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen
+hervormingen konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog
+geen deel van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te
+bemoeilijken, werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen,
+dat elke staat bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden,
+op bepaalde punten nog gebonden te blijven door de oude
+Conventieteksten. Men heeft daarom niet geheel zonder recht, van
+hetgeen de Berlijnsche Conferentie tot stand heeft gebracht kunnen
+zeggen, dat het niet zoozeer is een bindend verdrag dan wel eene
+Model-Conventie<a class="noteref" id="xd20e3759src" href="#xd20e3759"
+name="xd20e3759src">160</a>, daar het immers iederen staat vrijstaat er
+alleen die bepalingen uit te kiezen, welke hem bevallen, terwijl hij
+voor het overige bij het oude kan blijven.</p>
+<p>De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn
+intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is
+volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het
+auteursrecht in het geheele Verbond is &eacute;&eacute;n uniforme
+hoofdtermijn vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs;
+photographie&euml;n, werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn
+onder de beschermde producten opgenomen en op verschillende belangrijke
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3769" href="#xd20e3769" name=
+"xd20e3769">63</a>]</span>onderdeelen, als bv. het journalistiek
+auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken,
+de reproductie door middel van muziekinstrumenten en van den
+kinematograaf, zijn de grenzen der auteursbescherming deels uitgebreid,
+deels scherper getrokken. Groote verbetering is ook gebracht in de
+stelselmatige volgorde der artikelen en in de redactie van sommige
+bepalingen, die in de vroegere stukken wel eens aan duidelijkheid en
+beknoptheid te wenschen overliet.</p>
+<p>Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering
+van al deze hervormingen slechts <i>mogelijk</i> gemaakt; of ze
+werkelijk ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de
+verschillende staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om
+sommige der nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote
+meerderheid der nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de
+nieuwe Conventie in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen
+bekrachtigen; het staat echter vast dat <i>allen</i> hiertoe
+niet&mdash;tenminste niet binnen kort&mdash;zullen overgaan. Zoolang
+dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de oude Berner
+Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en Slotprotocol
+benevens de Parijzer Additionneele Acte en &bdquo;Verklaring&rdquo;)
+nog bestaan.</p>
+<p>Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er in de
+komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht in den
+toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene
+herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten,
+die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven,
+hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden en
+telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder zijn
+gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt
+natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferenti&euml;n in de
+toekomst noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de
+eerstvolgende tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden
+te Rome, op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.</p>
+<p>Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van
+nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen
+der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog zooveel
+belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van versterking
+der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.</p>
+<p>Ook hieraan heeft de <i lang="fr">Association</i> haar aandacht
+gewijd en hare <span class="pagenum">[<a id="xd20e3788" href=
+"#xd20e3788" name="xd20e3788">64</a>]</span>pogingen om in deze
+richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk genoeg voor om
+hier te worden vermeld.</p>
+<p>Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen
+waren besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de
+wetgevingen van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te
+brengen, heeft eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden
+met het opstellen van een ontwerp model-wet (<i lang="fr">loi-type</i>)
+met deze beginselen tot grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende
+congressen herhaaldelijk het onderwerp van belangrijke besprekingen uit
+en werd in den loop der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het
+Congres te Parijs in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een
+belangrijk aandeel in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en
+strekking hiervan nog eens uiteengezet<a class="noteref" id=
+"xd20e3796src" href="#xd20e3796" name="xd20e3796src">161</a>. Hij heeft
+er toen op gewezen, dat het ontwerp niet moet beschouwd worden als eene
+model-wet in dien zin, dat het, theoretisch gesproken, eene
+ideaal-regeling zou geven. De samenstellers hebben slechts de bedoeling
+gehad, de voornaamste elementen tot een geheel te vereenigen, waarover
+h. i. kans bestaat, dat de wetgevers der beschaafde staten het binnen
+afzienbaren tijd eens zullen kunnen worden. Het geeft dus niet die mate
+van bescherming, welke de <i lang="fr">Association</i> in het algemeen
+wel zou wenschen (uit de besprekingen op hare congressen van
+verschillende auteursrecht-kwesti&euml;n blijkt, dat de meerderheid
+harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan); doch het minimum,
+dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar acht. Wat den vorm en
+het systeem van dit ontwerp betreft: het is niet de bedoeling der
+samenstellers geweest, dat de tekst woord voor woord in alle landen tot
+wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen worden er in geregeld;
+waar men de beslissing van sommige punten liever niet aan den rechter
+overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan Duitschland), zullen de
+meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het geheele ontwerp bestaat
+dan ook slechts uit zestien artikelen.</p>
+<p>Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al is
+de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in zijn
+geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden
+onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3806" href="#xd20e3806" name=
+"xd20e3806">65</a>]</span>door bij uitstek daartoe bevoegden en
+eenerzijds aan de wenschen van een groote groep schrijvers en
+kunstenaars (d. w. z. <i>auteurs</i>) uit verschillende landen
+uitdrukking geeft, terwijl andererzijds slechts wat practisch
+bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het voor de wetgevers een
+aantal wenken, die in elk geval bijzondere aandacht verdienen<a class=
+"noteref" id="xd20e3811src" href="#xd20e3811" name=
+"xd20e3811src">162</a>. In den loop van dit proefschrift zal ik nog
+verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te
+verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst
+ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen te
+moeten opnemen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming
+van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden
+geweest.</p>
+<p>In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van
+tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen
+blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met
+Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en
+weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader
+regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855<a class=
+"noteref" id="xd20e3823src" href="#xd20e3823" name=
+"xd20e3823src">163</a>. Vijf jaar later werd er door eene
+<i>Additionneele Overeenkomst</i> de bepaling aan toegevoegd, dat de
+uitgave in Nederland van bloemlezingen van Fransche schrijvers, welke
+bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd zou zijn. In 1884 is het,
+na korten tijd buiten werking te zijn geweest (krachtens de bepaling
+van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld door eene tusschen
+Nederlanden Frankrijk uitgewisselde <i>Verklaring</i><a class="noteref"
+id="xd20e3837src" href="#xd20e3837" name="xd20e3837src">164</a>.
+Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de
+wederzijdsche koloni&euml;n, terwijl de bescherming tevens werd
+uitgebreid tot de muziekwerken.</p>
+<p>Met Belgi&euml; werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten<a class=
+"noteref" id="xd20e3848src" href="#xd20e3848" name=
+"xd20e3848src">165</a>, dat bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met
+Frankrijk. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3857" href="#xd20e3857"
+name="xd20e3857">66</a>]</span></p>
+<p>Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862<a class=
+"noteref" id="xd20e3860src" href="#xd20e3860" name=
+"xd20e3860src">166</a>; dit werd echter reeds tegen 4 Februari 1880
+opgezegd, waarna het, na eerst nog enkele malen, telkens voor zes tot
+acht maanden, te zijn verlengd, den 4den October 1882 voorgoed buiten
+werking is gesteld<a class="noteref" id="xd20e3869src" href=
+"#xd20e3869" name="xd20e3869src">167</a>.</p>
+<p>Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel
+daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van
+Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag
+door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar de
+Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet zou
+verwerven.</p>
+<p>De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt
+zich dus tot de werken uit Frankrijk en Belgi&euml;. Deze bescherming
+is nog binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen
+alleen den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art.
+1), dat met Frankrijk, krachtens de <i>Verklaring</i> van 1884, ook
+dien van muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze
+tractaten in het geheel niet verleend. Het tractaat met Belgi&euml; is
+in dit opzicht zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het
+Fransche zou men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt
+bepaald, dat het auteursrecht (&bdquo;het recht van eigendom of van
+kopij&rdquo;), hetwelk de wet van het &eacute;&eacute;ne land waarborgt
+of in het vervolg zal waarborgen, op het grondgebied van het andere
+land kan worden uitgeoefend &bdquo;gedurende denzelfden tijd en binnen
+dezelfde grenzen als in dat andere land het recht wordt uitgeoefend,
+&rsquo;twelk aan de schrijvers van de aldaar uitkomende werken van
+gelijken aard is toegekend&rdquo;. Deze rechten kunnen echter niet
+uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land waartoe de
+schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu wordt in
+Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet uitdrukkelijk
+in de wet erkend, doch w&eacute;l bestaat in dat land eene vaste
+jurisprudentie, volgens welke onder de <i lang=
+"fr">r&eacute;production</i>, die in strijd is met het auteursrecht,
+ook <span class="pagenum">[<a id="xd20e3890" href="#xd20e3890" name=
+"xd20e3890">67</a>]</span>moet verstaan worden reproductie in eene
+andere taal.<a class="noteref" id="xd20e3892src" href="#xd20e3892"
+name="xd20e3892src">168</a> Feitelijk bestaat dus een uitsluitend
+vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen
+duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus
+hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de in
+dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen zijn
+beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht een
+vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de
+uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is
+echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en met
+nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche werken in
+ons land door het tractaat <i>niet</i> wordt verboden. Het, m. i.
+sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat de
+Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning van het
+uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen hiertegen
+van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk verklaard
+heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg hiervan
+werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien van het
+voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke Frankrijk
+met andere landen had gesloten, w&eacute;l voorkomt, niet
+opgenomen<a class="noteref" id="xd20e3902src" href="#xd20e3902" name=
+"xd20e3902src">169</a>. Men mag het er dus voor houden, dat het
+tractaat het vertalen geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat
+de bescherming, welke het verleent, in de practijk weinig
+beteekent.</p>
+<p>Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene
+<i>Proclamatie van 20 November 1899</i> van den President der
+Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891
+(nu vervangen door die van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt
+toepasselijk verklaard. Het zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan
+volledig uiteen te zetten; het zij voldoende hierbij aan te stippen,
+dat de Nederlandsche auteurs als gevolg hiervan voor hunne hier te
+lande verschenen werken onder bepaalde voorwaarden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e3932" href="#xd20e3932" name=
+"xd20e3932">68</a>]</span>(o. a. die dat binnen een zekeren termijn
+eene nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne)
+aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland geenerlei
+verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden de onderdanen
+der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning van hun
+auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld als die van
+alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.</p>
+<p>Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van
+doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in
+1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning
+van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen
+werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij
+de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferenti&euml;n
+van Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l.
+door den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde
+Ontwerp heeft onderteekend<a class="noteref" id="xd20e3936src" href=
+"#xd20e3936" name="xd20e3936src">170</a>. De bekrachtiging van
+Nederland is echter uitgebleven.</p>
+<p>Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was
+uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.</p>
+<p>Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders van
+onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde der
+eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging gevoerd.
+In 1898 werd opgericht een <i>Berner Conventie Bond</i>, die naast vele
+letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke
+vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905) kwam
+de <i>Vereeniging van Letterkundigen</i> tot stand, welk lichaam zich
+ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze
+aansluiting<a class="noteref" id="xd20e3952src" href="#xd20e3952" name=
+"xd20e3952src">171</a>. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van
+der Vlugt, die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door
+dezen afgevaardigde werd ingediend<a class="noteref" id="xd20e3964src"
+href="#xd20e3964" name="xd20e3964src">172</a>, waarin aan de Regeering
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e3969" href="#xd20e3969" name=
+"xd20e3969">69</a>]</span>werd verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de
+noodige stappen te doen, is echter nooit in behandeling gekomen.</p>
+<p>De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk is
+niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk, van onze
+aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door afgevaardigden
+te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land is aldaar
+vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke,
+directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom, Mr. L. J.
+Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant, Herman
+Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen en W. P. van
+Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts <i lang="la">ad
+audiendum</i> de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne
+tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder
+van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de
+verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te
+bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie
+af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen<a class="noteref"
+id="xd20e3976src" href="#xd20e3976" name="xd20e3976src">173</a>. De
+andere ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant,
+dat zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld
+voornamelijk met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de
+bepaling werd opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond
+wenschen toe te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij
+gedwongen zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.</p>
+<p>Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit
+het in dit najaar verschenen Oranjeboek<a class="noteref" id=
+"xd20e3983src" href="#xd20e3983" name="xd20e3983src">174</a>, waarin de
+indiening van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de
+toetreding van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk
+dit vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e3988" href="#xd20e3988" name=
+"xd20e3988">70</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1565" href="#xd20e1565src" name="xd20e1565">1</a></span> Op
+verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche schrijvers van
+verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en meer exemplaren, gewag
+gemaakt, o. a.: <span class="sc">Cicero</span> <i>Pro Sulla</i> XV, 42,
+43; <span class="sc">Suetonius</span> <i>Div. Aug.</i> c. 31;
+<span class="sc">Plinius</span> <i lang="la">Epistolae</i> IV, 7. Ook
+werden soms hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne
+manuscripten. Men zie hierover: Dr. <span class="sc">J. Kohler</span>,
+<i lang="de">Das Autorrecht</i>, <span lang="de">Jahrb&uuml;cher f. d.
+Dogmatik XVIII</span>, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver:
+<i lang="de">Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht</i>,
+Stuttgart 1906 pp. 27 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1601" href="#xd20e1601src" name="xd20e1601">2</a></span> Men zie
+voor de vervaardiging en verspreiding van boeken v&oacute;&oacute;r de
+uitvinding der boekdrukkunst o. a.: <i lang="de">Zur Erinnerung an die
+Erfindung der Buchdruckerkunst</i> van <span class="sc">Georg
+Steinhausen</span> in <i lang="de">die Nation</i> van 2 Juni 1900, p.
+492.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1642" href="#xd20e1642src" name="xd20e1642">3</a></span> Dit
+privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: <i>Over het kopy-regt in
+Nederland</i> door Mr. <span class="sc">B. van den Velden</span>, 1835.
+p. 290.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1651" href="#xd20e1651src" name="xd20e1651">4</a></span>
+Privilegi&euml;n door Karel V verleend: in 1538 voor <i>Dye Cronijcke
+van Holl&#257;t, Zeelant en&#772; Vrieslant</i> etc. (misschien een
+<span class="corr" id="xd20e1657" title=
+"Bron: overdrnk">overdruk</span> of vervolg van het zooeven genoemde
+boek) in: <i>De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de zestiende
+eeuw</i> door <span class="sc">E. W. Moes</span><span class="corr" id=
+"xd20e1665" title="Bron: .">,</span> I p. 136. Privilegi&euml;n van
+1546 en 1547 in: <i>Memoriael Boeck van den Hove van Holland</i> (het
+eerste door den Griffier <span class="sc">Jan van Dam</span> gehouden)
+1543&ndash;1548 fol. 231 en 287.</p>
+<p class="footnote">Privilegi&euml;n van Philips II: bij <span class=
+"sc">Moes</span> t. a. p. I p. 352, waar melding wordt gemaakt van een
+kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door &bdquo;Co<sup>e</sup>.
+Ma<sup>ts</sup>. Octroije&rdquo; en ibidem II p. 58, waar een werk
+wordt genoemd voorzien van &bdquo;privileg. Reg. Ma<sup>tis</sup>. //
+et Cancellarie Brabantie&rdquo;. In de <i>Geschiedenis der
+Nederlandsche Letterkunde</i> van dr. <span class="sc">Jan ten
+Brink</span> vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het
+titelblad gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o.
+a. de afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1703" href="#xd20e1703src" name="xd20e1703">5</a></span>
+<span class="sc">Lieuwe van Aitzema</span>, <i>Saken van Staet en
+Oorlogh in ende omtrent de Vereenigde Nederlanden</i> (1633&ndash;1644)
+(fol. uitg. bij Joh. Veely, Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde
+deel p. 552.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1711" href="#xd20e1711src" name="xd20e1711">6</a></span> Ibid. p.
+660.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1714" href="#xd20e1714src" name="xd20e1714">7</a></span> Men zie
+hierover: <i>Resoluti&euml;n Staten van Holland</i> 1639 pp. 38, 105,
+144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; <i><span class="corr" id=
+"xd20e1720" title="Bron: Resolut&iuml;en">Resoluti&euml;n</span>
+Staten-Generaal</i> 23 dec. 1639.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1730" href="#xd20e1730src" name="xd20e1730">8</a></span> B.v. in
+een privilegie van 6 Nov. 1656, <i><span class="corr" id="xd20e1733"
+title="Bron: Resolut&iuml;en">Resoluti&euml;n</span>
+Staten-Generaal</i> 1656 fol. 719.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1738" href="#xd20e1738src" name="xd20e1738">9</a></span> T. a. p.
+p. 552.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1745" href="#xd20e1745src" name="xd20e1745">10</a></span>
+<span class="sc">Cau</span> en <span class="sc">Scheltus</span>,
+<i>Groot Placaatboek</i> IV p. 361.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1766" href="#xd20e1766src" name="xd20e1766">11</a></span> Men zie
+b.v. de <i>Resoluti&euml;n der Staten van Holland</i> 23 Sept. 1734 pp.
+628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal Res. van
+29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het <i>Archief voor kerkelijke en wereldsche
+geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht</i>, uitgegeven door
+<span class="sc">J. J. Dodt van Flensburg</span> VI pp. 360, 361.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1780" href="#xd20e1780src" name="xd20e1780">12</a></span>
+Voorbeelden hiervan o.a. in <span class="sc">Dodt</span> V pp. 235,
+251, 258, 274, VII p. 2 en <i>Resoluti&euml;n Staten van Holland</i>,
+18 Jan. 1737 p. 48.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1791" href="#xd20e1791src" name="xd20e1791">13</a></span>
+<i>Resoluti&euml;n Staten van Holland</i> 13 Maart 1749 p. 163.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1801" href="#xd20e1801src" name="xd20e1801">14</a></span> Men zie
+hierover: <span class="sc">Robert Fruin</span>, <i>Hugo de
+Groot&rsquo;s Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid</i>,
+Verspreide Geschriften deel VIII pp. 21 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1815" href="#xd20e1815src" name="xd20e1815">15</a></span>
+Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. <span class=
+"sc">Dodt</span> VI p. 359.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1821" href="#xd20e1821src" name="xd20e1821">16</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V. p. 15. Een dergelijk geval in:
+<i>Resoluti&euml;n Staten van Holland</i> 17 Jan. 1585 p. 46.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1832" href="#xd20e1832src" name="xd20e1832">17</a></span>
+Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd door die
+van 30 April 1728 (<i>Groot Placaetboek</i> III p. 552 en VI p.
+598.)</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1838" href="#xd20e1838src" name="xd20e1838">18</a></span>
+<i>Groot Geldersch Placaet-boek</i> III p. 644.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1849" href="#xd20e1849src" name="xd20e1849">19</a></span>
+Medegedeeld door mr. <span class="sc">N. de Ridder</span> in diens
+proefschrift: <i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i>, Utrecht 1875
+p. 31.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1860" href="#xd20e1860src" name="xd20e1860">20</a></span> Cf.
+hierover: <span class="sc">A. C. Kruseman</span>, <i>Aanteekeningen
+betr. den Boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw</i> p.
+317.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1869" href="#xd20e1869src" name="xd20e1869">21</a></span>
+<i>Resoluti&euml;n Staten van Holland</i> 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April
+1580 p. 59.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1881" href="#xd20e1881src" name="xd20e1881">22</a></span> De
+tekst der Resolutie is te vinden in het <i>Groot Placcaatboek</i> van
+<span class="sc">Cau</span> en <span class="sc">Scheltus</span> V p.
+603 en: <span class="sc">Wiltens</span> <i>Kerkelijk Placcaat-Boek</i>
+III p. 262.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1901" href="#xd20e1901src" name="xd20e1901">23</a></span> In
+Veneti&euml;, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei bereikte,
+in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan
+uitsluitend privilegi&euml;n zouden worden gegeven &bdquo;<span lang=
+"la">pro libris et operibus novis, nunquam antea impressis, et non pro
+aliis</span>&rdquo;. D. A. 1889 p. 8), in Frankrijk sedert 1578; Cf.
+<span class="sc">Kohler</span> <i lang="de">Autorrecht</i> p. 85.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1915" href="#xd20e1915src" name="xd20e1915">24</a></span> Het
+privilegie is afgedrukt in <i>Groot Placcaatboek</i> I p. 190.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1921" href="#xd20e1921src" name="xd20e1921">25</a></span> Men zie
+hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19 Maart 1655 in
+het <i>Groot Placcaatboek</i> II p. 3029.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1932" href="#xd20e1932src" name="xd20e1932">26</a></span> <i>Res.
+Staten van Holland</i> 1724 p. 944.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1937" href="#xd20e1937src" name="xd20e1937">27</a></span> <i>Res.
+Staten van Holland</i> 29 Sept. 1752 p. 1378.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1947" href="#xd20e1947src" name="xd20e1947">28</a></span>
+<i>Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven</i> door <span class=
+"sc">D. F. Scheurleer</span> p. 83.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1957" href="#xd20e1957src" name="xd20e1957">29</a></span> <i>Res.
+Staten van Holland</i> 2 April 1746 pp. 217, 218.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1965" href="#xd20e1965src" name="xd20e1965">30</a></span> Zie
+o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4 Nov. 1615 bij
+<span class="sc">Dodt</span> VI pp. 374 en 380.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1976" href="#xd20e1976src" name="xd20e1976">31</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VII p. 22.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1984" href="#xd20e1984src" name="xd20e1984">32</a></span> <i>Res.
+St. v. Holl.</i> 3 Sept. 1585 p. 531.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1989" href="#xd20e1989src" name="xd20e1989">33</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VI p. 393.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2001" href="#xd20e2001src" name="xd20e2001">34</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V p. 2. Zie ook: <i>l&rsquo;Oeuvre de
+Willem Jacobsz. Delff</i> par <span class="sc">D. Franken Dz.</span>
+Amst. 1872 pp. 9, 10.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2014" href="#xd20e2014src" name="xd20e2014">35</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V p. 17.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2024" href="#xd20e2024src" name="xd20e2024">36</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> IV p. 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2035" href="#xd20e2035src" name="xd20e2035">37</a></span>
+Medegedeeld door dr. <span class="sc">A. Bredius</span> in <i>Oud
+Holland</i> 1890 pp. 75 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2046" href="#xd20e2046src" name="xd20e2046">38</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VII p. 53.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2053" href="#xd20e2053src" name="xd20e2053">39</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VII p. 13.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2060" href="#xd20e2060src" name="xd20e2060">40</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VII p. 66.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2070" href="#xd20e2070src" name="xd20e2070">41</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> IV p. 110.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2080" href="#xd20e2080src" name="xd20e2080">42</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VI p. 380.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2087" href="#xd20e2087src" name="xd20e2087">43</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> VII pp. 10, 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2102" href="#xd20e2102src" name="xd20e2102">44</a></span> <i>Res.
+Staten van Holl.</i> 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog geval:
+ibid 1740 pp. 261, 262.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2109" href="#xd20e2109src" name="xd20e2109">45</a></span>
+Resolutie van 15 Mei 1619, <span class="sc">Dodt</span> VII p. 64.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2121" href="#xd20e2121src" name="xd20e2121">46</a></span> Zoo
+ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland ten tijde
+van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot in de 18de
+eeuw toe. Cf. <span class="sc">Kohler</span>, <i lang=
+"de">Autorrecht</i> pp. 463 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2134" href="#xd20e2134src" name="xd20e2134">47</a></span> Cf. Dr.
+<span class="sc">J. A. Worp</span>, <i>Geschiedenis van het drama en
+van het tooneel in Nederland</i> I p. 172.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2148" href="#xd20e2148src" name="xd20e2148">48</a></span> Dr.
+<span class="sc">G. Kalff</span>, <i>Literatuur en tooneel te Amsterdam
+in de zeventiende eeuw</i> p. 29. Cf. dezelfde schrijver in
+<i>Amsterdam in de 17de eeuw. De Letterkunde en het Tooneel</i> p.
+16.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2160" href="#xd20e2160src" name="xd20e2160">49</a></span> Cf.
+<span class="sc">Worp</span> t. a. p. II p. 228.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2177" href="#xd20e2177src" name="xd20e2177">50</a></span>
+<span class="sc">J. Wagenaar</span>, <i>Amsterdam in zijne opkomst,
+aanwas,</i> enz. II p. 400.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2187" href="#xd20e2187src" name="xd20e2187">51</a></span> In:
+<i>Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective
+Godshuyzen,<span class="corr" id="xd20e2191" title=
+"Bron: ..">...</span> wegens de tegenwoordige directie over den
+Schouwburg,</i> enz. van 1699, medegedeeld door <span class=
+"sc">Worp</span> t. a. p. II p. 89.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2199" href="#xd20e2199src" name="xd20e2199">52</a></span>
+<span class="sc">Wagenaar</span> t. a. p. p. 404.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2209" href="#xd20e2209src" name="xd20e2209">53</a></span> Men zie
+hierover: <span class="sc">D. F. Scheurleer</span> t. a. p. pp. 7 sqq.
+en 79 sqq. en: <span class="sc">Worp</span> t. a. p. II p. 270.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2222" href="#xd20e2222src" name="xd20e2222">54</a></span> Men zie
+b.v. in de <i>Res. Staten van Holl.</i> 1580 pp. 79, 113, 146, 166, 197
+en 1581 pp. 414 en 570.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2233" href="#xd20e2233src" name="xd20e2233">55</a></span> Zie
+speciaal voor de Deventer Almanak: <span class="sc">Dodt</span> IV p.
+124, VI p. 358, VII pag. 71; <i>Res. Staten v. Holl.</i> 1749 pp. 122,
+123, 1750 pp. 888, 976. Het is duidelijk, dat de privilegi&euml;n
+waarvan hier sprake is, nog iets anders gaven dan alleen het
+kopierecht. Het was er niet zoozeer om te doen, dat zulk een almanak
+niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen niet eene onderneming in
+denzelfden geest op touw zouden zetten.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2247" href="#xd20e2247src" name="xd20e2247">56</a></span> <i>Res.
+Staten v. Holl.</i> 1582 p. 575.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2272" href="#xd20e2272src" name="xd20e2272">57</a></span>
+<i>Ress. St. v. Holl.</i> 6 Juli 1585 pp. 339, 340.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2277" href="#xd20e2277src" name="xd20e2277">58</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V p. 262.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2285" href="#xd20e2285src" name="xd20e2285">59</a></span>
+Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, <span class=
+"sc">Dodt</span> VII p. 57.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2316" href="#xd20e2316src" name="xd20e2316">60</a></span> Of dit,
+ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een goed voorbeeld
+is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar onder het hier
+bedoelde octrooi in de Resoluti&euml;n der Staten-Generaal staat
+bijgeschreven: &bdquo;Bij resolutie van den 23 Febr. 1657&rdquo; (dus
+v&oacute;&oacute;r de overdracht aan Blaauw) &bdquo;is het octroy in
+dese resolutie genoemd ingetrocken.&rdquo; (<i>Res. St.-Gen.</i> 6 Nov.
+1656 fol. 719.)</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2329" href="#xd20e2329src" name="xd20e2329">61</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V pp. 22, 23.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2341" href="#xd20e2341src" name="xd20e2341">62</a></span> <i>Res.
+Staten v. Holl.</i> 16 Juli 1749 pp. 537 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2367" href="#xd20e2367src" name="xd20e2367">63</a></span> Het
+privilegie staat afgedrukt in: <i lang="fr">Oeuvres de Nicolas Boileau
+Despr&eacute;aux avec des Eclaircissemens historiques donnez par
+lui-m&ecirc;me, &agrave; Amsterdam chez Fran&ccedil;ois Chanquion</i>
+MDCCXXIX, Tome I<sup>er</sup>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2378" href="#xd20e2378src" name="xd20e2378">64</a></span>
+<i>Hollandse Consultatien en Advysen</i> III p. 509, Consult CLXXXVII,
+1</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2385" href="#xd20e2385src" name="xd20e2385">65</a></span>
+Voorbeelden hiervan: <i>Res. St. v. Holl.</i> 4 April 1737 pp. 191,
+192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2393" href="#xd20e2393src" name="xd20e2393">66</a></span> T. a.
+p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij <span class="sc">de
+Ridder</span> t. a. p. p. 29; <span class="sc">J. H. Kok</span>,
+<i>Auteursrecht en Berner Conventie</i>. Rotterdam 1905 p. 18.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2410" href="#xd20e2410src" name="xd20e2410">67</a></span> Men zie
+de hierboven (p. 17) genoemde privilegi&euml;n voor den Deventer
+almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der Staten van
+Holland.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2427" href="#xd20e2427src" name="xd20e2427">68</a></span> Cf.
+<span class="sc">J. H. W. Unger</span>, <i>Bibliographie van Vondels
+werken</i>. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2442" href="#xd20e2442src" name="xd20e2442">69</a></span> Cf.
+<i lang="fr">L&rsquo;Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff</i> p. 12.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2455" href="#xd20e2455src" name="xd20e2455">70</a></span>
+<span class="sc">J. T. Bodel Nyenhuis</span>, <i>De wetgeving op
+drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in het begin der XIXde
+eeuw</i>, (vertaling van: <i lang="la">Dissertatio historico-juridica
+de juribus typographorum et bibliopolarum in regno Belgico</i>, Leid.
+1819), p.2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2470" href="#xd20e2470src" name="xd20e2470">71</a></span> Uit het
+reeds genoemde privilegie van Karel V.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2475" href="#xd20e2475src" name="xd20e2475">72</a></span> <i>Res.
+St. v. Holl.</i> 1612 p. 192.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2482" href="#xd20e2482src" name="xd20e2482">73</a></span> Priv.
+v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts <i>Historie der Reformatie</i>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2490" href="#xd20e2490src" name="xd20e2490">74</a></span> Priv.
+v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens <i>Stichtelijke
+Rijmen</i>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2502" href="#xd20e2502src" name="xd20e2502">75</a></span> Cf. de
+voorrede van den uitgever <span class="sc">Lodewyx van der
+Plasse</span> in het <i>Groot Liedboeck</i> van <span class="sc">G. A.
+Bredero</span> (uitg. 1622).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2516" href="#xd20e2516src" name="xd20e2516">76</a></span> T. a.
+p. p. 53.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2519" href="#xd20e2519src" name="xd20e2519">77</a></span> T. a.
+p. p. 33.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2522" href="#xd20e2522src" name="xd20e2522">78</a></span> Zie
+o.a.: dr. <span class="sc">Kalff</span> in <i>Amsterdam in de 17de
+eeuw</i>, t. a. p. p. 17.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2532" href="#xd20e2532src" name="xd20e2532">79</a></span> <i>De
+gedichten van Constantyn Huygens</i>, uitgeg. door dr. <span class=
+"sc">J. A. Worp</span> 1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den
+nadruk geen zeldzaam verschijnsel te hebben gevonden; in een &bdquo;Aen
+den Drucker&rdquo; v&oacute;&oacute;r zijn &bdquo;Hofwyck&rdquo; zegt
+hij:</p>
+<div class="q">
+<div class="body">
+<div class="lgouter footnote">
+<p class="line">&bdquo;Van dusend tegen een</p>
+<p class="line xd20e2545">De nadruck sal ons beurt zijn.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2548" href="#xd20e2548src" name="xd20e2548">80</a></span> Cf.
+<span class="sc">Scheurleer</span> in <i>Amsterdam in de 17de eeuw</i>
+t. a. p. p. 85.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2558" href="#xd20e2558src" name="xd20e2558">81</a></span> Zie het
+bovengenoemde voorbericht van zijn <i>Groot Liedboeck</i>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2564" href="#xd20e2564src" name="xd20e2564">82</a></span> Men zie
+het &bdquo;Berecht aen den Lezer&rdquo; in: <i>Gedichten van Hubert
+Kornelisz. Poot</i>, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2570" href="#xd20e2570src" name="xd20e2570">83</a></span> Dr.
+<span class="sc">J. ten Brink</span> t. a. p. p. 478.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2578" href="#xd20e2578src" name="xd20e2578">84</a></span> Men zie
+b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot&rsquo;s <i>Inleidinge
+tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid</i>: <span class="sc">Rob.
+Fruin</span>, <i>Verspreide Geschriften</i> VIII pp. 26 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2590" href="#xd20e2590src" name="xd20e2590">85</a></span>
+<span class="sc">Kruseman</span> t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere
+gevallen van nadruk: ibid. pp. 346, 80 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2602" href="#xd20e2602src" name="xd20e2602">86</a></span> T. a.
+p. p. 63.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2605" href="#xd20e2605src" name="xd20e2605">87</a></span> Men
+vindt den tekst dezer overeenkomst in: <i>Bouwstoffen voor een
+geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel</i> door <span class=
+"sc">A. C. Kruseman</span> I p. 821.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2616" href="#xd20e2616src" name="xd20e2616">88</a></span>
+<span class="sc">Kruseman</span>, <i>Aanteekeningen</i> etc. p.
+471.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2627" href="#xd20e2627src" name="xd20e2627">89</a></span>
+Medegedeeld door: <span class="sc">Kruseman</span>,
+<i>Aanteekeningen</i> etc. p. 86.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2656" href="#xd20e2656src" name="xd20e2656">90</a></span>
+&bdquo;<span lang="la">Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius...
+volare per manus multorum nostras <i>Institutiones Juris Batavici</i>;
+in exquirendo eius plagii fonte ... se tibi adiutorem fore...
+etc.</span>&rdquo; Cf. hierover: <span class="sc">R. Fruin</span>,
+<i>Hugo de Groot&rsquo;s Inleidinge tot de Hollandsche
+Rechtsgeleerdheid</i>, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In
+denzelfden bundel (p. 272) maakt <span class="sc">Fruin</span> melding
+van een soortgelijk geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus
+overkomen. In het voorbericht van zijn <i lang="la">De contemptu
+mundi</i> schreef deze: &bdquo;<span lang="la">Typographi palam
+minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse.</span>&rdquo;</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2691" href="#xd20e2691src" name="xd20e2691">91</a></span>
+<span class="sc">Scheurleer</span> t. a. p. p. 85.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2702" href="#xd20e2702src" name="xd20e2702">92</a></span>
+<i>Gedichten van</i> <span class="sc">Hubert Kornelisz. Poot</span>,
+2de druk 1724, bij Reinier Boitet te Delf, &bdquo;<i>Berecht aen den
+Lezer</i>.&rdquo;</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2719" href="#xd20e2719src" name="xd20e2719">93</a></span> <i>Res.
+St. van Holland</i> 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te vinden in:
+<i>Kerkelijk Placaatboek</i> II pp. 522 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2741" href="#xd20e2741src" name="xd20e2741">94</a></span> <i>J.
+v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem, gestelt
+voor den Hollantschen Parnas</i>. (<i>De werken van Vondel in verband
+gebracht met zijn leven</i> door mr. <span class="sc">J. v.
+Lennep</span> IX p. 143.)</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2760" href="#xd20e2760src" name="xd20e2760">95</a></span>
+Medegedeeld door dr. <span class="sc">Hermann Ortloff</span>, <i lang=
+"de">Das Autor- und Verlagsrecht als strafrechtlich zu sch&uuml;tzendes
+Recht. Jahrb&uuml;cher f&uuml;r die Dogmatik</i> V p. 295.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2773" href="#xd20e2773src" name="xd20e2773">96</a></span> Zie
+hierover en over de ontwikkeling van het begrip &bdquo;geestelijke
+eigendom&rdquo; in Duitschland: <i lang="de">&bdquo;Die Idee des
+geistigen Eigenthums</i>&rdquo; door dr. <span class="sc">J.
+Kohler</span> in <i lang="de">Archiv f&uuml;r die civilistische
+Praxis</i>, Band 82 pp. 166 sqq. Men zie ook: <span class="sc">Paul
+Laboulaye</span>, <i lang="fr">Etude sur le droit de
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire en Allemagne</i>. Paris 1855
+pp. 9 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2795" href="#xd20e2795src" name="xd20e2795">97</a></span> O.a. in
+een bekend arrest van het <i lang="fr">Conseil du roi</i> van 14 Sept.
+1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht op de
+werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.: mr.
+<span class="sc">J. Heemskerk</span>, <i>Voordragten over den eigendom
+van voortbrengselen van den geest</i>. Haarlem 1856 p. 53.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2817" href="#xd20e2817src" name="xd20e2817">98</a></span>
+<i>Hollands Rykdom</i> door mr. <span class="sc">Elias Luzac</span> (de
+Nederl. vertaling, Leiden 1781) II p. 530.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2831" href="#xd20e2831src" name="xd20e2831">99</a></span> T. a.
+p. p. 529.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2838" href="#xd20e2838src" name="xd20e2838">100</a></span>
+<span class="sc">Scheurleer</span> t. a. p. p. 75.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2849" href="#xd20e2849src" name="xd20e2849">101</a></span> Te
+vinden in: <span class="sc">Fruin</span>, <i>Verspreide Geschriften</i>
+VII p. 401.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2860" href="#xd20e2860src" name="xd20e2860">102</a></span>
+<span class="sc">Max Rooses</span>, <i lang="fr">Christophe Plantin,
+Imprimeur Anversois</i>, 2<sup>me</sup> ed. Anvers 1890, pp. 228
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2873" href="#xd20e2873src" name="xd20e2873">103</a></span>
+<i>Brieven van Maria van Reigersbergh</i>, uitg. door mr. <span class=
+"sc">H. Vollenhoven</span> en dr. <span class="sc">G. D. J.
+Schotel</span>. Middelburg 1857 p. 35.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2884" href="#xd20e2884src" name="xd20e2884">104</a></span> T. a.
+p. p. 42.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2905" href="#xd20e2905src" name="xd20e2905">105</a></span> In:
+<i>Amsterdam in de XVIIde eeuw</i>, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar ook
+het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2917" href="#xd20e2917src" name="xd20e2917">106</a></span> Cf.
+<span class="sc">Max Rooses</span>, <i lang="fr">Christophe Plantin,
+imprimeur Anversois</i>, 2<sup>me</sup> ed. p. 133.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2932" href="#xd20e2932src" name="xd20e2932">107</a></span> T. a.
+p. p. 27 noot 2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2943" href="#xd20e2943src" name="xd20e2943">108</a></span>
+<span class="sc">Dodt</span> V p. 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2956" href="#xd20e2956src" name="xd20e2956">109</a></span>
+<i>Res. der Staten-Generaal</i> 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook
+<i>Res. Staten v. Holl.</i> 1703 p. 472.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2966" href="#xd20e2966src" name="xd20e2966">110</a></span>
+<i>Res. St. v. Holl.</i> 20 Nov. 1745 pp. 937, 938.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2980" href="#xd20e2980src" name="xd20e2980">111</a></span>
+<i>Res. Staten v. Holl.</i> 18 Maart 1722 pp. 131, 132.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2987" href="#xd20e2987src" name="xd20e2987">112</a></span>
+<i>Res. St. v. Holl.</i> 17 Aug. 1730 p. 718.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e2994" href="#xd20e2994src" name="xd20e2994">113</a></span>
+<i>Res. St. v. Holl.</i> 5 Oct. 1735 p. 572.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3001" href="#xd20e3001src" name="xd20e3001">114</a></span>
+<i>Res. St. v. Holl.</i> 4 April 1737 pp. 191, 192.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3006" href="#xd20e3006src" name="xd20e3006">115</a></span>
+<i>Res. St. v. Holl.</i> 17 Dec. 1738 p. 704.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3015" href="#xd20e3015src" name="xd20e3015">116</a></span> Ik
+doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der Nederlandsche
+gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder en die tusschen
+den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den griffier Fagel,
+berustende in het Rijksarchief te &rsquo;s Gravenhage
+(<i>Legatie-archief</i> nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor
+genoemd vond, is: <span class="sc">P&uuml;tter</span>, <i lang="de">Der
+B&uuml;chernachdruck</i>, G&ouml;ttingen 1774 p. 117.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3032" href="#xd20e3032src" name="xd20e3032">117</a></span> De
+tekst is te vinden in: <i>Decreeten van de vergadering van het
+provinciaal bestuur van Holland</i>, 6 Dec. 1796&ndash;6 Jan. 1797 p.
+21. Ook bij <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. p. 294.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3048" href="#xd20e3048src" name="xd20e3048">118</a></span> T. a.
+p. 47 noot 1.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3066" href="#xd20e3066src" name="xd20e3066">119</a></span> De wet
+is in haar geheel afgedrukt bij <span class="sc">van den Velden</span>
+t. a. p. pp. 308 sqq. en <span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. pp.
+266 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3077" href="#xd20e3077src" name="xd20e3077">120</a></span>
+<i>Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het
+Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij 1803
+aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest</i>. Te vinden
+bij <span class="sc">Bodel Nyenhuis</span> t. a. p. pp. 353 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3153" href="#xd20e3153src" name="xd20e3153">121</a></span> Men
+zie hierover: <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. pp. 83
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3177" href="#xd20e3177src" name="xd20e3177">122</a></span> Zie
+hierover ook de juiste uitspraak van de <span class="corr" id=
+"xd20e3179" title=
+"Bron: Arrondissements-Regtbank">Arrondissements-Rechtbank</span> te
+Amsterdam van 27 December 1843. In: <i>Het Letterkundig Eigendomsregt
+in Nederland, wetten, traktaten, regtspraak</i> enz. &rsquo;s
+Gravenhage 1865 pp. 135 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3194" href="#xd20e3194src" name="xd20e3194">123</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Evertsen de Jonge</span>, <i>Verhandeling over de
+regten van schrijvers en kunstenaars op hunne werken</i>. Utrecht 1853
+pp. 83 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3207" href="#xd20e3207src" name="xd20e3207">124</a></span> O.a.
+door: <span class="sc">Evertsen de Jonge</span> t. a. p. pp. 168 sqq.,
+<span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. p. 125, mr. <span class=
+"sc">J. Heemskerk</span> t. a. p. p. 56 en in een arrest van den Hoogen
+Raad van 22 Mei 1850 (<i>Weekbl. v. h. Recht</i> no. 1136).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3240" href="#xd20e3240src" name="xd20e3240">125</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 122.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3245" href="#xd20e3245src" name="xd20e3245">126</a></span> Men
+zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel van 13 Febr.
+1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840, alsmede de
+adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. <span class="sc">Dirk Donker
+Curtius</span>, <span class="sc">W. C. B. Wintgens</span> en
+<span class="sc">S. P. Lipman</span> in: <i>Het Letterkundig
+Eigendomsregt in Nederland</i> II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van
+mr. <span class="sc">S. P. Lipman</span>, <i>Onderzoek omtrent de
+wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en 30 Juli 1822 en 18 Juni
+1829</i>. Cf. ook: <span class="sc">G. K. van Hogendorp</span>,
+<i>Bijdragen tot de Huishouding van Staat</i>, 2de uitg. VIII pp. 282,
+283.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3285" href="#xd20e3285src" name="xd20e3285">127</a></span> Het
+belangrijkste hiervan is medegedeeld in: <i>Het Letterkundig
+Eigendomsregt in Nederland</i> II pp. 138 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3293" href="#xd20e3293src" name="xd20e3293">128</a></span> Men
+zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. <span class="sc">J.
+van der Linden</span>, <span class="sc">M. C. van Hall</span>,
+<span class="sc">N. Sinderam</span>, <span class="sc">S. A. E.
+Verburg</span> en <span class="sc">F. A. van Hall</span> van 31 Maart
+1817 in: <i>Het Letterk. Eigendomsregt</i> pp. 83 sqq. en een arrest
+van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in <i>W. v. h. R.</i> no.
+67.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3323" href="#xd20e3323src" name="xd20e3323">129</a></span> Zie
+hierover: <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. pp. 94
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3334" href="#xd20e3334src" name="xd20e3334">130</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kruseman</span>, <i>Bouwstoffen</i> enz. II pp. 578
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3345" href="#xd20e3345src" name="xd20e3345">131</a></span> Beiden
+te vinden in: <i>Het Letterk. Eigendomsregt</i> pp. 247 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3353" href="#xd20e3353src" name="xd20e3353">132</a></span>
+<i>Hand. Staten-Generaal</i> 1876&ndash;1877. Bijlage 202.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3373" href="#xd20e3373src" name="xd20e3373">133</a></span>
+<i>Hand. Tweede Kamer der St.-Gen.</i> 1877&ndash;1878. Bijlage 25.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3382" href="#xd20e3382src" name="xd20e3382">134</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881. Bijlage 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3394" href="#xd20e3394src" name="xd20e3394">135</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881 pp. 1627 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3406" href="#xd20e3406src" name="xd20e3406">136</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881 pp. 1637 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3420" href="#xd20e3420src" name="xd20e3420">137</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1883&ndash;1884. Bijlage 166.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3437" href="#xd20e3437src" name="xd20e3437">138</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1884&ndash;1885. Bijlage 72 no. 3.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3445" href="#xd20e3445src" name="xd20e3445">139</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1884&ndash;1885. Bijlage 72 no. 4.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3460" href="#xd20e3460src" name="xd20e3460">140</a></span> Men
+zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden <span class="sc">van
+der Vlugt</span> en <span class="sc">Bos</span> bij de behandeling van
+de begrooting van Justitie in 1904, <i>Hand. Tweede Kamer</i> 1904/05
+pp. 831&ndash;833, 880.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3487" href="#xd20e3487src" name="xd20e3487">141</a></span> Eene
+uitvoerige beschrijving van den nadruk in Belgi&euml; in die jaren
+vindt men bij: <span class="sc">Kruseman</span>, <i>Bouwstoffen</i>
+enz. I pp. 526 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3507" href="#xd20e3507src" name="xd20e3507">142</a></span> Men
+zie hierover de uitspraken van het <i lang="fr">Tribunal civil de la
+Seine</i> (28 Maart 1884) en van het <i lang="fr">Cour de Cassation</i>
+(25 Juli 1887) in <i lang="fr">Droit d&rsquo;Auteur</i> 1888 p. 126 en
+1889 pp. 8 sqq. en de meening van <span class="sc">Darras</span> en
+<span class="sc">Pouillet</span> in hetzelfde tijdschrift 1902 p.
+51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3533" href="#xd20e3533src" name="xd20e3533">143</a></span> Cf.
+hierover o.a.: <span class="sc">de Martens</span>, <i lang=
+"fr">Trait&eacute; de Droit international (traduit du Russe par</i>
+<span class="sc">Alfred L&eacute;o</span>), Paris 1886 II pp. 222
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3580" href="#xd20e3580src" name="xd20e3580">144</a></span>
+<i lang="fr">Actes de la Conf&eacute;rence internationale pour la
+protection des droits d&rsquo;auteur</i>, Berne 1884 pp. 28, 29.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3588" href="#xd20e3588src" name="xd20e3588">145</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> p. 77.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3603" href="#xd20e3603src" name="xd20e3603">146</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> p. 89.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3627" href="#xd20e3627src" name="xd20e3627">147</a></span> Men
+zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, <i lang="fr">Actes</i> pp.
+47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen
+afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3643" href="#xd20e3643src" name="xd20e3643">148</a></span>
+Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3648" href="#xd20e3648src" name="xd20e3648">149</a></span> De
+tekst dezer stukken is te vinden in: <i>Actes de la Conf&eacute;rence
+de Paris</i> 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3656" href="#xd20e3656src" name="xd20e3656">150</a></span> Cf.
+het door <span class="sc">Renault</span> opgestelde rapport van de
+werkzaamheden der Commissie, <i>Actes</i> p. 179.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3680" href="#xd20e3680src" name="xd20e3680">151</a></span> Te
+vinden: <i lang="fr">Actes</i> p. 229.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3698" href="#xd20e3698src" name="xd20e3698">152</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> p. 229.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3705" href="#xd20e3705src" name="xd20e3705">153</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> p. 146.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3712" href="#xd20e3712src" name="xd20e3712">154</a></span>
+<i lang="fr">Actes de la Conf&eacute;rence de Berlin de</i> 1908 p.
+153.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3722" href="#xd20e3722src" name="xd20e3722">155</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> pp. 37 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3727" href="#xd20e3727src" name="xd20e3727">156</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> pp. 71 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3732" href="#xd20e3732src" name="xd20e3732">157</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> pp. 77 en 78.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3741" href="#xd20e3741src" name="xd20e3741">158</a></span> Men
+zie: <i>D. A.</i> 1907 pp. 113 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3749" href="#xd20e3749src" name="xd20e3749">159</a></span>
+<i lang="fr">Tableau des voeux &eacute;mis par divers congr&egrave;s et
+assembl&eacute;es en vue du d&eacute;veloppement de la protection des
+oeuvres litt&eacute;raires et artistiques, deuxi&egrave;me
+s&eacute;rie</i> 1896&ndash;1907. Berne 1908. Ook te vinden: <i lang=
+"fr">Actes</i> pp. 79 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3759" href="#xd20e3759src" name="xd20e3759">160</a></span>
+<span class="sc">Louis Delzons</span>, <i lang="fr">L&rsquo;oeuvre de
+la Conf&eacute;rence de Berlin sur la propri&eacute;t&eacute;
+litt&eacute;raire et artistique, Revue des deux mondes</i> 15 Dec. 1908
+p. 905.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3796" href="#xd20e3796src" name="xd20e3796">161</a></span>
+<i lang="fr">Droit d&rsquo;Auteur</i> 1900 pp. 98 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3811" href="#xd20e3811src" name="xd20e3811">162</a></span> Dit is
+ook ingezien door de Commissie, belast met de voorbereiding van eene
+nieuwe wet op het auteursrecht in Itali&euml;. <i>D. A.</i> 1907 p.
+72.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3823" href="#xd20e3823src" name="xd20e3823">163</a></span> Het
+werd goedgekeurd door de <i>Wet van 22 Juli 1855</i> (Staatsblad no.
+101) en in het Staatsblad geplaatst bij <i>K. B. van 22 Juli 1855</i>
+(Staatsblad no. 107).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3837" href="#xd20e3837src" name="xd20e3837">164</a></span> Men
+vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van de Verklaring
+resp. in: <i>K. B. van 22 Mei 1860</i> (Staatsblad no. 19) en <i>K. B.
+van 16 Augustus 1855</i> (Staatsblad no. 176).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3848" href="#xd20e3848src" name="xd20e3848">165</a></span>
+Goedgekeurd door de <i>Wet van 28 Dec. 1858</i> (Staatsblad no. 119);
+in het Staatsblad geplaatst door het <i>K. B. van 4 Maart 1859</i>
+(Staatsblad no. 11).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3860" href="#xd20e3860src" name="xd20e3860">166</a></span>
+Goedgekeurd door de <i>Wet van 27 Juni 1863</i>(Staatsblad no. 86); in
+het Staatsblad geplaatst door het <i>K. B. van 9 Juli 1863</i>
+(Staatsblad no. 115).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3869" href="#xd20e3869src" name="xd20e3869">167</a></span>
+<i>Staatscourant</i> 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30 en
+264. In het werkje van mr. <span class="sc">Veegens</span>, <i>Het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving</i>, dat in 1895
+uitkwam, wordt het tractaat met Spanje abusievelijk als nog van kracht
+zijnde behandeld. pp. 178 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3892" href="#xd20e3892src" name="xd20e3892">168</a></span> Cf.:
+<i lang="fr">Droit d&rsquo;Auteur</i> 1895 pp. 50, 51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3902" href="#xd20e3902src" name="xd20e3902">169</a></span> Men
+zie de: <i>Memorie van Beantwoording</i> van den minister <span class=
+"sc">van Hall</span>, <i>Bijlagen Tweede Kamer</i> 1854&ndash;1855 p.
+795; en zijne rede in de vergadering van 22 Juni 1855, <i>Bijblad
+Tweede Kamer</i> 1854&ndash;1855 p. 1012. Cf. ook: <i>Bijblad Eerste
+Kamer</i> 1854&ndash;1855 p. 1909 en <i>Bijblad Tweede Kamer</i>
+1855&ndash;1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in:
+<i>Het letterkundig eigendomsregt in Nederland</i> I pp. 67 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3936" href="#xd20e3936src" name="xd20e3936">170</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 81.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3952" href="#xd20e3952src" name="xd20e3952">171</a></span> Men
+zie o.a. het <i>Rapport der Commissie, benoemd door de vergadering van
+15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te dienen inzake de
+Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der Vereeniging van
+Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905</i>. Opgenomen in het
+<i>Nieuwsblad voor den Boekhandel</i> 1905 nos. 87, 88 en 89 en in
+<i>de Kroniek</i> 1905 nos 564, 565 en 566.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3964" href="#xd20e3964src" name="xd20e3964">172</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1905&ndash;1906 p. 1070.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3976" href="#xd20e3976src" name="xd20e3976">173</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 150, 151 en 217.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3983" href="#xd20e3983src" name="xd20e3983">174</a></span>
+<i>Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909 door het
+Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor openbaarmaking
+geschikte aangelegenheden</i> p. 68.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk II</h2>
+<h2 class="main">Grondslag en rechtskarakter</h2>
+<div class="div2" id="ch2.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Algemeen overzicht der verschillende
+theorie&euml;n</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een
+wetenschappelijke verklaring en motiveering van het auteursrecht. De
+reeds in het tijdperk der privilegi&euml;n herhaalde malen uitgesproken
+overtuiging, dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in
+het recht der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde
+ertoe het auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit
+denkbeeld vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de
+zeventiende eeuw<a class="noteref" id="xd20e4000src" href="#xd20e4000"
+name="xd20e4000src">1</a> en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis
+d&rsquo;H&eacute;ricourt<a class="noteref" id="xd20e4012src" href=
+"#xd20e4012" name="xd20e4012src">2</a> nader uitgewerkt. Later heeft de
+theorie van den <i>letterkundigen</i> of <i>intellectuelen eigendom</i>
+talrijke aanhangers gevonden en ook grooten invloed op de wetgevingen
+uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef ik slechts te herinneren
+aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur van Holland van 1796 en
+aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een eeuwigdurend kopierecht
+toekenden. De theorie vond echter al spoedig van verschillende kanten
+heftige bestrijding; in Duitschland, waar onder de voornaamste
+voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn te noemen, kon zij toch
+niet lang de heerschende blijven; <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e4027" href="#xd20e4027" name="xd20e4027">71</a>]</span>in
+Frankrijk vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander;
+toch blijft men daar nog steeds spreken van <i lang=
+"fr">propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et artistique</i>, en al
+heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een van
+eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is nog wel
+iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie is blijven
+voortbestaan<a class="noteref" id="xd20e4033src" href="#xd20e4033"
+name="xd20e4033src">3</a>.</p>
+<p>Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut
+recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, te
+construeeren. Dit is de zoogenaamde <i>contracts-theorie</i>, volgens
+welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend
+beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar <span class="corr" id=
+"xd20e4050" title="Bron: yan">van</span> een boek de kooper gebonden
+zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins
+beteekenenden aanhang kunnen verwerven<a class="noteref" id=
+"xd20e4053src" href="#xd20e4053" name="xd20e4053src">4</a>.</p>
+<p>Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar
+een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie van
+iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene <i>krenking der
+persoonlijkheid</i> zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer
+zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een
+boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van
+den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden
+herhaald<a class="noteref" id="xd20e4070src" href="#xd20e4070" name=
+"xd20e4070src">5</a>. In den laatsten tijd komen de theorie&euml;n, die
+uitsluitend of althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen
+van het auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den
+voorgrond<a class="noteref" id="xd20e4094src" href="#xd20e4094" name=
+"xd20e4094src">6</a>.</p>
+<p>Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie met
+bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de
+auteursbescherming <span class="pagenum">[<a id="xd20e4111" href=
+"#xd20e4111" name="xd20e4111">72</a>]</span>uit het gemeene recht te
+verklaren, werd door anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk
+privaatrecht geen sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen
+subjectieve rechten kan worden ingedeeld.</p>
+<p>Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex
+van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der
+auteurs ten grondslag kon worden gelegd<a class="noteref" id=
+"xd20e4115src" href="#xd20e4115" name="xd20e4115src">7</a>. Ook Jolly
+kwam tot de conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere
+juridische vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er
+inbreuk op wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt
+verklaard<a class="noteref" id="xd20e4126src" href="#xd20e4126" name=
+"xd20e4126src">8</a>.</p>
+<p>Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie,
+met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het
+alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel was,
+om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid te
+verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen
+noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze
+uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari
+1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt:
+&bdquo;<span lang="en">It is desirable that we should have a supply of
+good books: we cannot have such a supply unless men of letters are
+liberally remunerated; and the least objectionable way of remunerating
+them is by means of copy right</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4140src" href="#xd20e4140" name="xd20e4140src">9</a>.</p>
+<p>Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische
+beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren,
+toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort
+overzicht moge hiervan volgen.</p>
+<p>De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van
+Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar
+oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen
+des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4152" href="#xd20e4152" name=
+"xd20e4152">73</a>]</span>spreken, leverden weinig belangrijks op. Het
+hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden aangeroerd en maakte
+&bdquo;geen bepaald voorwerp van redetwist&rdquo; uit<a class="noteref"
+id="xd20e4154src" href="#xd20e4154" name="xd20e4154src">10</a>.</p>
+<p>Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche
+Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de
+orde was gesteld: &bdquo;Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de
+rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid
+regelen?&rdquo;</p>
+<p>Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en Mr. J.
+Freseman Vi&euml;tor.</p>
+<p>Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit
+vraagstuk had uiteengezet<a class="noteref" id="xd20e4166src" href=
+"#xd20e4166" name="xd20e4166src">11</a>, ontzegde schrijvers en
+kunstenaars alle <i>recht</i> op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde
+het auteursrecht beschouwd zien als een soort privilegie, alleen
+steunende op het algemeen nut, &bdquo;op de noodzakelijkheid om
+schrijvers en uitgevers eenig voordeel te verzekeren, ten einde het
+uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e4177src" href="#xd20e4177" name="xd20e4177src">12</a>.</p>
+<p>Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting
+met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had
+gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:</p>
+<p>&bdquo;Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of
+analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding
+dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
+der bedoelde auteurs&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4186src" href=
+"#xd20e4186" name="xd20e4186src">13</a>. Ook volgens dezen schrijver
+steunde de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met
+economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, nader
+werd uitgewerkt.</p>
+<p>In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel
+uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.</p>
+<p>De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen
+van de negen en veertig stemmen.</p>
+<p>De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie:
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4197" href="#xd20e4197" name=
+"xd20e4197">74</a>]</span>&bdquo;dat de arbeider recht heeft op het
+loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens
+anders loon verrijkt, verplicht is tot teruggave&rdquo; werd verworpen
+met twee en veertig tegen zeven stemmen en de leer van het
+&bdquo;stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij den verkoop
+van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen,
+krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte onder
+voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te zullen
+bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd&rdquo; vond
+slechts &eacute;&eacute;n enkelen aanhanger.</p>
+<p>Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en
+drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling:
+&bdquo;dat in het <i>algemeen belang</i> door de wet een recht tot
+uitsluitende reproductie moet worden gegeven&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e4204src" href="#xd20e4204" name="xd20e4204src">14</a>.</p>
+<p>Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er
+geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in
+het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting
+kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, dat
+een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht &bdquo;in het algemeen
+belang&rdquo; acht?</p>
+<p>Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte
+juridische voorlichting op dit gebied ontbreken.</p>
+<p>De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen,
+waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt,
+zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne
+recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben
+gevonden<a class="noteref" id="xd20e4215src" href="#xd20e4215" name=
+"xd20e4215src">15</a>, en Mr. G. Belinfante, die in een
+Themis-artikel<a class="noteref" id="xd20e4240src" href="#xd20e4240"
+name="xd20e4240src">16</a> het recht der schrijvers uit den eigendom
+van het manuscript poogde af te leiden, vonden van verschillende zijden
+krachtige en doorgaans z&oacute;&oacute; afdoende bestrijding, dat er
+van hunne theorie&euml;n weinig overbleef<a class="noteref" id=
+"xd20e4255src" href="#xd20e4255" name="xd20e4255src">17</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4269" href="#xd20e4269" name=
+"xd20e4269">75</a>]</span></p>
+<p>Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging het
+laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het
+Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz<a class="noteref" id=
+"xd20e4272src" href="#xd20e4272" name="xd20e4272src">18</a> werd van de
+overwinning van Mr. Vi&euml;tors denkbeelden met ingenomenheid gewag
+gemaakt; het slot van dit opstel klonk niet geruststellend voor de
+auteurs:</p>
+<p>&bdquo;Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt
+met <i>alle</i> privilegies en <i>alle</i> monopoli&euml;n, en het
+voorbeeld der octrooien, hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op
+&rsquo;t gebied van &rsquo;t <i>auteursrecht</i> zal worden
+toegepast&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4296src" href="#xd20e4296"
+name="xd20e4296src">19</a>.</p>
+<p>Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote
+meerderheid toch nog altijd &bdquo;het algemeen belang&rdquo; zich
+verzetten, gevaarlijker was de theorie in zake internationaal
+auteursrecht.</p>
+<p>Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in <i>de Gids</i>
+over onze aansluiting bij de Berner Conventie<a class="noteref" id=
+"xd20e4306src" href="#xd20e4306" name="xd20e4306src">20</a>. Na te
+hebben verklaard, dat geen der theorie&euml;n, die een rechtsgrond voor
+het auteursrecht vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het
+auteursrecht uitsluitend op overwegingen van algemeen belang steunt,
+gaat deze schrijver bij de bespreking der internationale bescherming
+aldus voort: &bdquo;Behoort men nu verder te gaan en ook eene
+internationale regeling van het auteursrecht te helpen verwezenlijken?
+M. a. w. behoort nadruk van werken, die in het buitenland zijn
+uitgegeven in Nederland te worden geweerd? Deze vraag zou
+onvoorwaardelijk bevestigend zijn te beantwoorden, indien een algemeen
+rechtsbeginsel van het auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter,
+gelijk U gebleken is, naar mijne meening niet het
+geval&rdquo;.<a class="noteref" id="xd20e4318src" href="#xd20e4318"
+name="xd20e4318src">21</a> Langs deze redeneering komt de schrijver dan
+tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen (auteurs van in
+het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier te lande dient te
+onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.</p>
+<p>Aan dezen raad heeft men zich&mdash;zooals bekend is&mdash;tot nu
+toe in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4323" href="#xd20e4323" name=
+"xd20e4323">76</a>]</span>zich tegen het deelnemen van Nederland aan de
+internationale regeling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde
+argument terug: het auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat,
+derhalve kan de wetgever het aan den een onthouden en den ander
+toekennen, al naar mate het &bdquo;algemeen belang&rdquo; hiermede
+gediend is.</p>
+<p>Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die
+zich met de uitspraak &bdquo;dat in het algemeen belang een recht tot
+uitsluitende reproductie moet worden gegeven&rdquo; niet tevreden
+konden stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging
+van het wetsontwerp van den <i>plicht</i> des wetgevers om deze
+bescherming te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen:
+&bdquo;niet eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui
+generis&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4330src" href="#xd20e4330"
+name="xd20e4330src">22</a>; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde
+gelegenheid in de Tweede Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet
+had te scheppen, maar dat het een bestaand, op redelijkheid en
+rechtvaardigheid steunend recht was, waaraan door de wet slechts eene
+vormelijke en stellige uitdrukking moest worden gegeven;<a class=
+"noteref" id="xd20e4335src" href="#xd20e4335" name=
+"xd20e4335src">23</a> en in sommige aan het auteursrecht gewijde
+monographie&euml;n worden naast het algemeen belang ook gronden van
+billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt er op gewezen, dat
+het auteursrecht in overeenstemming is met de in ons geheele
+privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen<a class="noteref" id=
+"xd20e4338src" href="#xd20e4338" name="xd20e4338src">24</a>. Doch het
+bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde
+schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken, dat men
+zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.</p>
+<p>Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van het
+auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk gegaan.
+Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van ouds bekende
+rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was, schenen velen
+met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere onderzoekingen
+overbodig te achten. <span class="pagenum">[<a id="xd20e4362" href=
+"#xd20e4362" name="xd20e4362">77</a>]</span></p>
+<p>Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu
+eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch men
+schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In de
+voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er meestal
+slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan nog
+hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het <i>geen</i>
+eigendom is<a class="noteref" id="xd20e4368src" href="#xd20e4368" name=
+"xd20e4368src">25</a>; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men
+het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter
+van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, dan
+maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een <i>jus sui
+generis</i>; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft en
+waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: &bdquo;<span lang=
+"fr">un pareil aveu est peu compromettant et laisse la question dans le
+m&ecirc;me &eacute;tat</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4399src" href="#xd20e4399" name="xd20e4399src">26</a>; anderen
+voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar toch nog te
+weinig zeggend &eacute;tiquet: &bdquo;<i>absoluut
+vermogensrecht</i>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4411src" href=
+"#xd20e4411" name="xd20e4411src">27</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het
+auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland,
+hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op de
+taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van vaste
+regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze materie
+eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, in
+overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen worden
+vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden
+aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.</p>
+<p>Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche
+hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne <i lang=
+"de">Immaterialg&uuml;terrechts-theorie</i>. Evenals de theorie van den
+letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat
+schrijvers en kunstenaars, die een origineel <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4438" href="#xd20e4438" name=
+"xd20e4438">78</a>]</span>werk hebben voortgebracht, daarop een
+uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler aldus kort
+en krachtig geformuleerd: &bdquo;<span lang="de">Wer ein neues Gut
+schafft, hat das nat&uuml;rliche Anrecht daran</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e4443src" href="#xd20e4443" name=
+"xd20e4443src">28</a>. Op dit beginsel voortbouwende construeert hij
+het auteursrecht als een recht op het geestelijk voortbrengsel. Naast
+de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier te doen met eene
+nieuwe categorie rechtsobjecten (<i lang=
+"de">Immaterialg&uuml;ter</i>), die zich door hun eigenaardig karakter
+van de overige onderscheiden; de rechten op immaterieele goederen
+(<i lang="de">Immaterialrechte</i>), waartoe behalve het auteursrecht
+ook behoort de zoogenaamde industrieele eigendom, vormen een
+afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, wel van de zakelijke
+rechten te onderscheiden.</p>
+<p>Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de
+grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de
+juridische constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur
+die ik haar boven andere theorie&euml;n meen te moeten geven verdient,
+zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal
+tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche
+schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel
+woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch2.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Recht of doelmatigheid?</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die
+Macaulay in zijne boven aangehaalde rede aldus formuleerde: &bdquo;Is
+this a question of expediency or is it a question of right?&rdquo;
+Hebben de auteurs <i>recht</i> op bescherming, of is het vraagstuk der
+auteursbescherming er een, waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te
+worden gerekend, waarin dus alleen de doelmatigheid, &bdquo;het
+algemeen belang&rdquo;, heeft te beslissen?</p>
+<p>Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de
+meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben
+beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele
+conclusi&euml;n, die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen
+trekken. Het schijnt daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste
+argumenten eenige aandacht te wijden. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e4467" href="#xd20e4467" name="xd20e4467">79</a>]</span></p>
+<p>Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld,
+behoort ongetwijfeld mr. Freseman Vi&euml;tor. Om de opvattingen over
+auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen
+schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot de
+school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag, of iets
+recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de
+doelmatigheid te laten beslissen, van &bdquo;abstracte rechten&rdquo;,
+waarvoor om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning
+wordt gevraagd, wil hij niet weten<a class="noteref" id="xd20e4470src"
+href="#xd20e4470" name="xd20e4470src">29</a>.</p>
+<p>Het ligt niet in mijne bedoeling&mdash;het zou mij trouwens ook te
+ver van mijn onderwerp afvoeren&mdash;deze zienswijze hier te
+bespreken; zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele
+opmerkingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Vi&euml;tor
+geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt
+men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien
+van het auteursrecht nog eens in &rsquo;t bijzonder in het licht te
+stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het
+&bdquo;algemeen belang&rdquo; heeft het dan immers met alle andere
+rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het een
+privilegie te noemen, zooals mr. Vi&euml;tor verscheidene malen
+doet.</p>
+<p>Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, heb
+ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Vi&euml;tor, dat hij zijne
+nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen
+toepassen: &bdquo;Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik
+niet van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel
+afgescheiden van de gevolgen zou ik ze willen handhaven&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e4486src" href="#xd20e4486" name=
+"xd20e4486src">30</a>.</p>
+<p>Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig
+is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek &bdquo;naar het al of
+niet rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet
+bestaan van eenig ander recht van schrijvers&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e4491src" href="#xd20e4491" name="xd20e4491src">31</a> niet
+overbodig.</p>
+<p>Doch welken maatstaf mr. Vi&euml;tor heeft willen aanleggen bij zijn
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4496" href="#xd20e4496" name=
+"xd20e4496">80</a>]</span>onderzoek naar den rechtsgrond van het
+auteursrecht, is niet geheel duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet
+zou weten &bdquo;hoe het abstracte recht van den eigendom aan te
+toonen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4498src" href="#xd20e4498"
+name="xd20e4498src">32</a>, hoewel toch de eigendom behoort tot de
+rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne nuttigheid wil
+doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor den eigendom te
+vinden buiten de doelmatigheid om:</p>
+<p>&bdquo;Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen
+belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, maar
+ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk te kunnen
+heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de geheele
+maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie tusschen
+recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen en in
+verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar
+vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig
+is,&mdash;zoo durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan
+van den eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut
+van dat instituut. Ik buig mijne knie voor het &bdquo;<span lang=
+"fr">fait accompli</span>&rdquo;, dat zich niet &bdquo;<span lang=
+"fr">non accompli</span>&rdquo; laat denken. Het nut is hier, zooals
+Stuart Mill terecht zegt (<i lang="en">Utilitarianism</i> p. 79),
+zooveel grooter en zooveel tastbaarder, dat het verschil in graad een
+werkelijk verschil in soort wordt&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4512src" href="#xd20e4512" name="xd20e4512src">33</a>.</p>
+<p>Hiermede meende mr. Vi&euml;tor een grondslag voor den eigendom te
+hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht,
+meent hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden.
+&bdquo;Dat niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht
+zelf eene onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat
+recht zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn
+of onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e4517src" href="#xd20e4517" name=
+"xd20e4517src">34</a>.</p>
+<p>Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde
+overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en
+auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat het
+mr. Vi&euml;tors conclusi&euml;n zou rechtvaardigen? Ik meen van
+niet.</p>
+<p>In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van het
+auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4525" href="#xd20e4525" name=
+"xd20e4525">81</a>]</span>van den auteur niet ten allen tijde ten bate
+zijner erfgenamen kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid
+van het recht zoolang het w&eacute;l bestaat niet te maken; er zijn
+werkelijk geen pretexten noodig om dit te verklaren, zooals ik
+hieronder nog nader hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet
+alleen niet onbestaanbaar, maar het bestaat in alle beschaafde staten
+nu al meer dan een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En
+daarv&oacute;&oacute;r had men dan toch de privilegi&euml;n, die eene
+wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel met het auteursrecht
+overeenkomende bescherming boden. Bijna met evenveel recht als van den
+eigendom kan men ook van het auteursrecht zeggen, dat het
+&bdquo;algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd
+gequalificeerd&rdquo;. Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid
+van het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men
+geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg pas
+reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik dat in
+mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men voor dien
+tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van geschriften
+en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan
+nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in
+onze tegenwoordige maatschappij.</p>
+<p>En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het
+auteursrecht met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men
+zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne
+toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere
+belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels
+hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk
+mee in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking op
+verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het
+algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers,
+tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste
+menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook het
+gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen
+persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om,
+gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De
+immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van
+rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom,
+d. i. ongeveer de geheele stoffelijke <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e4529" href="#xd20e4529" name="xd20e4529">82</a>]</span>wereld.
+Maar is dit nu een reden om de erkenning van het <i>mijn en dijn</i> op
+geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten?</p>
+<p>Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan
+wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken
+belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht
+in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar de
+diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.</p>
+<p>En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht
+niet zoo groot is, als mr. Vi&euml;tor het wilde doen voorkomen.
+Inbreuk op auteursrecht wordt&mdash;misschien niet door de groote
+menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft&mdash;maar
+wel door de belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het
+hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als
+inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom&mdash;gesteld
+dat dit mogelijk ware&mdash;de geheele maatschappij in wanorde zou
+brengen, omdat ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden,
+afschaffing van het auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal
+belanghebbenden, en binnen den kleinen kring, dien deze in de
+maatschappij vormen, niet tot minder ernstige gevolgen leiden.</p>
+<p>Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men
+zich op het utilistisch standpunt van Mr. Vi&euml;tor stelt, op diens
+conclusi&euml;n in zake het auteursrecht wel iets valt af te
+dingen<span class="corr" id="xd20e4540" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p>Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het een en
+ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt uiteen te
+zetten was voor Mr. Vi&euml;tor geweest een geschrift van Jhr. Mr. A.
+F. de Savornin Lohman: <i>Over de rechten der uitvinders</i><a class=
+"noteref" id="xd20e4547src" href="#xd20e4547" name=
+"xd20e4547src">35</a>. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor
+hem de vraag, of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd
+diende te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de
+instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het
+algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het
+<i>Recht</i> mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet
+beheerscht door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft
+het in het volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een
+gegeven tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, <i>omdat</i>
+het recht is. <span class="pagenum">[<a id="xd20e4559" href=
+"#xd20e4559" name="xd20e4559">83</a>]</span></p>
+<p>Tegenover deze opvatting stelde Mr. Vi&euml;tor, toen hij hetzelfde
+onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe
+tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de
+Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, maar
+waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als maatstaf
+verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet
+rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten
+beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig
+gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des
+schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.</p>
+<p>Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte
+verklaring op dit punt noodzakelijk.</p>
+<p>Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de
+omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft:
+&bdquo;...de eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover
+andere menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te
+bereiken, maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht
+nemen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4566src" href="#xd20e4566"
+name="xd20e4566src">36</a>. Het doet zich aan ons voor als een in den
+mensch werkende kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van
+handelingen, zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen
+gedragslijn daartoe meewerken.</p>
+<p>Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene
+vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke
+omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij
+vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene
+menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote
+overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal
+de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen,
+het grootst zijn<a class="noteref" id="xd20e4579src" href="#xd20e4579"
+name="xd20e4579src">37</a>. Men kan daarom in vele gevallen spreken van
+een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle
+leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien eener
+zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.</p>
+<p>Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4587" href="#xd20e4587" name=
+"xd20e4587">84</a>]</span>verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik
+de vraag laten rusten, of aan zijne uitspraken in het algemeen eene
+absolute verbindende kracht moet worden toegekend.</p>
+<p>Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het
+volks-rechtsbewustzijn, waar het zich laat gelden, een krachtigen en op
+den duur onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom
+zij, die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag
+en oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan
+worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn in
+de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang is,
+m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, geleid
+door haar intu&iuml;tief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met
+doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is
+allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden en
+het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te
+verwerpen.</p>
+<p>Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het
+rechtsbewustzijn niet worden ge&euml;ischt of zelfs daarmede in strijd
+zijn; zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen
+zij voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht;
+doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen
+blijk zou geven door ze om die reden op &eacute;&eacute;ne lijn te
+stellen met rechtsinstituten, die w&eacute;l in het rechtsbewustzijn
+hun grondslag vinden.</p>
+<p>Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de
+fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon
+worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in het
+algemeen tegen het betoog van Mr. Vi&euml;tor zou willen aanvoeren, is
+dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene
+instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt
+daardoor den indruk&mdash;en dit is ook blijkbaar in overeenstemming
+met de bedoeling van den schrijver&mdash;dat het auteursrecht niet
+anders is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping
+van den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt
+bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus
+zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel
+werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden, of
+indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde van Heine
+waarheid bevat: &bdquo;<span lang="de">Autoren und <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4598" href="#xd20e4598" name=
+"xd20e4598">85</a>]</span>Mispeln gedeihen am besten, wenn sie einige
+Zeit auf dem Stroh liegen</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4601src" href="#xd20e4601" name="xd20e4601src">38</a>.</p>
+<p>Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een
+recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een of
+andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas; dan
+zou men het auteursrecht geheel op &eacute;&eacute;ne lijn kunnen
+stellen met instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den
+tabaksverkoop of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde
+waren<a class="noteref" id="xd20e4611src" href="#xd20e4611" name=
+"xd20e4611src">39</a>. Doch het groote verschil, dat m. i. niemand zal
+kunnen ontkennen, ligt hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer
+van goederen door niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de
+wet, die deze handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En
+daarom zal men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet
+in twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of
+meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van
+hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder
+zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan
+wien ik dit voorbeeld heb ontleend: &bdquo;<span lang="de">...dasz
+diese Rechtssch&ouml;pfungen nur artifizieller Natur sind, dasz sie
+nicht an sich schon in dem Rechtsgef&uuml;hl, in der Ueberzeugung des
+Volkes wurzeln, dasz sie, wie &uuml;berhaupt artifizielle <span class=
+"corr" id="xd20e4622" title=
+"Bron: sch&ouml;pfungen">Sch&ouml;pfungen</span>, sich nicht mit
+derselben Naturgewalt aufdr&auml;ngen, wie die, ich m&ouml;chte sagen,
+naturw&uuml;chsigen, auf unmittelbarer nat&uuml;rlicher Initiative
+beruhenden Rechte</span>&rdquo;.</p>
+<p>Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een
+&bdquo;<i>naturw&uuml;chsiges Recht</i>&rdquo; is, al heeft het dan
+natuurlijk als bodem waarop het kan groeien, noodig eene maatschappij,
+die al een goed einde in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden
+ontkend. Kohler wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen
+waarin de nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden,
+dat van auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele
+schrijvers aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525:
+&bdquo;<span lang="de">Was soll das doch sein, meine lieben
+Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich raubt und stilt das
+seine und <span class="corr" id="xd20e4633" title=
+"Bron: uuter">unter</span> einander euch verderbt? Seid ihr nu
+Straszenr&auml;uber und Diebe worden?...</span>&rdquo; enz. Kohler
+voegt hieraan toe: &bdquo;<span lang="de">Wenn Jemand so &uuml;ber den
+Tabakhandel sich &auml;uszerte, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e4639" href="#xd20e4639" name="xd20e4639">86</a>]</span>auch wenn
+man am Vorabend des Monopols st&uuml;nde, so w&uuml;rde man nur
+ungl&auml;ubig die K&ouml;pfe sch&uuml;tteln&mdash;das ist eben der
+Unterschied zwischen den naturw&uuml;chsigen und den artifiziellen
+Rechtsnormen</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4642src" href=
+"#xd20e4642" name="xd20e4642src">40</a>.</p>
+<p>Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen
+aangehaald uit de privilegi&euml;n-periode, waaruit blijkt dat men den
+nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed
+vergrijpt<a class="noteref" id="xd20e4649src" href="#xd20e4649" name=
+"xd20e4649src">41</a>; in zijn <i lang="de">Idee des geistigen
+Eigenthums</i><a class="noteref" id="xd20e4656src" href="#xd20e4656"
+name="xd20e4656src">42</a> heeft hij bovendien aangetoond, hoe dit
+rechtsbewustzijn in den loop der jaren luider en duidelijker is gaan
+spreken en hoe zich langzaam maar zeker heeft ontwikkeld die
+&bdquo;<span lang="de">Idee des geistigen Eigenthums</span>&rdquo;,
+d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft
+voortgebracht, dat hij het <i>het zijne</i> kan noemen.</p>
+<p>Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat
+die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang te
+vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik uit
+dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch, doch
+geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar
+de&mdash;boven reeds genoemde&mdash;voorrede van Poot voor den tweeden
+druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat:
+&bdquo;...van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen,
+gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten
+zy men my anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het
+vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn
+bleef.&rdquo;</p>
+<p>Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard uit
+de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel niet
+alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, die tusschen
+den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij zoo eigenaardig noemt
+&bdquo;het vaderrecht&rdquo;; anderen vonden misschien geene
+aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel hetgeen
+zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch hoe dit ook
+zij, ten slotte vond ook in ons land &bdquo;die Idee des geistigen
+Eigenthums&rdquo; ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk als in
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4677" href="#xd20e4677" name=
+"xd20e4677">87</a>]</span>andere landen. En dat in onzen tijd door
+belanghebbenden het auteursrecht niet wordt beschouwd als een
+buitenkansje, dat den auteurs toevallig ten deel valt omdat het
+algemeen belang dit zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel
+aanspraak heeft om beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom,
+daarvan kan men herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang
+geduurd, voordat het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs
+hier te lande inzagen, dat ook voor hen een <i>Kampf um &rsquo;s
+Recht</i> te voeren is, niet alleen om te verdedigen wat zij hebben,
+maar ook om te verkrijgen wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt.
+Doch in de laatste jaren is hierin verandering gekomen. In dagblad- en
+tijdschriftartikelen, in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers
+en kunstenaars op voor hunne rechten; een <i>Vereeniging van
+Letterkundigen</i> is opgericht voornamelijk met het doel het
+auteursrecht harer leden te beveiligen, een <i>Berner Conventie
+Bond</i> om onze toetreding tot de internationale Unie te helpen
+bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden uitsluitend
+als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande houdt, wat
+daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk belang bij
+hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet kan gedoogen,
+dat geschriften en kunstwerken straffeloos ge&euml;xploiteerd worden
+tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij op te
+merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun <i>eigendom</i>,
+ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te
+toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland wordt
+een <i>roofstaat</i> genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie is
+aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn werk
+vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, heet
+een <i>dief</i> en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in
+een <i>Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie</i> over de
+onvoldoende bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen:
+&bdquo;Excellentie, ik word begapt!&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4701src" href="#xd20e4701" name="xd20e4701src">43</a></p>
+<p>Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven
+spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt
+op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4714" href="#xd20e4714" name=
+"xd20e4714">88</a>]</span>Vi&euml;tor, het volks-rechtsbewustzijn niet
+&bdquo;als rechter in hoogste ressort&rdquo;, kan men toch niet blind
+blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige scheppingen van den
+wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene natuurlijke instelling
+als deze, welke den auteurs niets anders toekent dan hetgeen hun
+volgens ieders oordeel toekomt en welke niets anders verbiedt, dan wat
+ook zonder wettelijk verbod voor onrecht wordt gehouden.</p>
+<p>Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Vi&euml;tor over de
+rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner
+medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor &bdquo;het
+algemeen belang&rdquo; stemden, daarvan kan nog in het kort het
+volgende worden gezegd.</p>
+<p>Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen
+rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag
+gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming
+worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt
+bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens schijnt
+het, dat men alleen wil bewijzen, &bdquo;dat de schrijver.... zonder
+positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren op
+grond van algemeene rechtsbeginselen&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4720src" href="#xd20e4720" name="xd20e4720src">44</a>; dan weer
+heet het: &bdquo;er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen
+schrijvers en kunstenaars de rechten van hun arbeid te
+verzekeren&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4725src" href="#xd20e4725"
+name="xd20e4725src">45</a>; mr. de Ridder stelt, dat &bdquo;uit oorzaak
+der toestanden in het vrij verkeer&rdquo; de auteurs in het verwerven
+van hun loon niet kunnen slagen en zijne tweede stelling is:
+&bdquo;Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct of analogice
+den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan
+als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde
+auteurs&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4733src" href="#xd20e4733"
+name="xd20e4733src">46</a>. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:
+&bdquo;Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den
+staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl het
+dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd nog
+niet aangetoond&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4738src" href=
+"#xd20e4738" name="xd20e4738src">47</a>. En hieruit volgde, naar dezen
+spreker, dat aan het auteursrecht geen &bdquo;civilistische
+grondslag&rdquo; tot basis kon <span class="pagenum">[<a id="xd20e4743"
+href="#xd20e4743" name="xd20e4743">89</a>]</span>worden gegeven, zoodat
+er niets anders overbleef dan het te gronden op economisch-politische
+overwegingen (dus: &bdquo;het algemeen belang&rdquo;), waarvan trouwens
+mr. Levy evenmin iets wilde weten.</p>
+<p>De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde:
+&bdquo;Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers
+en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?&rdquo; En nu meen
+ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de
+meerderheid hunner medeleden kwamen, dat nl. <i>de Staat daarbij geen
+rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen</i>,
+voor <span class="corr" id="xd20e4751" title=
+"Bron: twe&euml;erlei">twee&euml;rlei</span> uitlegging vatbaar is of
+liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, welke ik
+aldus zou willen formuleeren:</p>
+<p>1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk
+toekennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en
+kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun
+arbeid.</p>
+<p>2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie,
+daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te
+brengen.</p>
+<p>De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar <i>ons
+geldend recht</i> (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt
+in kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt in
+verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op
+het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de
+wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, dat
+de <i>rechtswetenschap</i> het auteursrecht niet kent, dat er in het
+rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.</p>
+<p>Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door de
+leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is gehouden,
+is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorie&euml;n, die zij
+bestreden en wel in &rsquo;t bijzonder aan de theorie van den
+letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer
+leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het
+auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren
+als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar
+analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom wordt
+gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar
+van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij
+wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden;
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4768" href="#xd20e4768" name=
+"xd20e4768">90</a>]</span>daarom wil ik de beide bovenstaande
+stellingen afzonderlijk bespreken.</p>
+<p>Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht
+hadden, zou&mdash;hierover zal ieder het wel eens zijn&mdash;het eenige
+rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken
+door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag,
+waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer, of
+nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht) zou
+zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals bekend
+bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent de beteekenis
+van den term &bdquo;onrechtmatige daad&rdquo;; zonder mij in de
+discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren,
+dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime
+uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige
+daad door anders te handelen &bdquo;dan in het maatschappelijk verkeer
+den eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het
+oog op zijne medeburgers behoort te handelen&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e4772src" href="#xd20e4772" name="xd20e4772src">48</a>.</p>
+<p>Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog
+meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens
+werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling
+den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer al
+dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover kan
+alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe
+krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten
+reageert.</p>
+<p>Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de
+auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen,
+die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, uit-
+en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat zij
+eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en dat dus de
+wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze bescherming
+zich zou kunnen uitstrekken en&mdash;wat hier ook gevraagd kan
+worden&mdash;hoever in onze jurisprudentie die bescherming
+waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar
+ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling
+noodig is, om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e4785" href="#xd20e4785" name=
+"xd20e4785">91</a>]</span></p>
+<p>Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der
+schrijvers met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime
+uitlegging van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers
+vond<a class="noteref" id="xd20e4788src" href="#xd20e4788" name=
+"xd20e4788src">49</a>.</p>
+<p>Mr. Freseman Vi&euml;tor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op
+art. 1401 zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet
+anders dan door&mdash;met blijkbare instemming&mdash;eene zinsnede, die
+Mr. Lohman zich had laten ontvallen aan te halen: &bdquo;dat het
+kopijrecht &bdquo;de rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van
+den mensch&rdquo; verkort, &bdquo;het recht namelijk om boeken te
+drukken&rdquo;&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4799src" href=
+"#xd20e4799" name="xd20e4799src">50</a>. Het antwoord hierop kan kort
+zijn.</p>
+<p>Er bestaat geen &bdquo;recht om boeken te drukken&rdquo; evenmin als
+een recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er
+bestaat slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het
+recht ze toelaat. Maar &bdquo;natuurlijke vrijheid&rdquo; moet niet
+opgevat worden &bdquo;in den zin van het recht om alles te doen wat men
+wil, mits het maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar
+veeleer in dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen
+aangetast of beschadigd te worden, in dien van het recht op
+eerbiediging van onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen
+arbeid.&rdquo; &bdquo;Alleen de vrijheid dus opgevat&rdquo;&mdash;voegt
+prof. Molengraaff, aan wien ik deze woorden ontleen, hieraan
+toe&mdash;&bdquo;mag gezegd worden geen erkenning noodig te hebben om
+te gelden, maar een verbod om niet te gelden&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e4806src" href="#xd20e4806" name="xd20e4806src">51</a>.</p>
+<p>Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen
+geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, is dat
+deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud slechts in
+verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de bovengenoemde
+ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, is zij waard
+bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet om wat de
+stelling uitdrukt maar om de vraag&mdash;hierboven reeds toestemmend
+door mij beantwoord&mdash;of eerbiediging van de rechten der auteurs,
+ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, als een plicht
+wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En dit is ten slotte
+de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4814" href="#xd20e4814" name=
+"xd20e4814">92</a>]</span>hierover maar eens, dan kan nog gestreden
+worden over de vraag, welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht
+door ieder te doen eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander
+terrein: met den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht
+heeft dit niet te maken<span class="corr" id="xd20e4816" title=
+"Niet in bron">.</span> Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te
+zijn, direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het
+algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even
+onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons
+burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de
+eigenaars.</p>
+<p>De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: &bdquo;Het
+auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het
+onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te
+brengen.&rdquo; Er is niets tegen in te brengen, indien men aanneemt,
+dat de rechtsbegrippen, die de Romeinsche juristen ons hebben
+nagelaten, eens en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede
+voor alle tijden toekunnen. In de tijden, dat de Romeinsche juristen
+zich bezighielden met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren
+van rechtsregels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften
+en kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog
+niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen door
+logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen antwoord kan
+vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders boek na te
+drukken of reproducties van een anders schilderij of teekening te
+vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg beproefd: men
+probeerde uit het eigendomsbegrip de bevoegdheden der auteurs te
+deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio bij te pas;
+anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie van een
+geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis voortvloeiend
+uit een stilzwijgend beding te construeeren; ook de theorie van de
+Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romeinschen rechtsregel:
+&bdquo;<span lang="la">nemo cum damno alterius locupletior fieri
+debet.</span>&rdquo; Doch geen dezer theorie&euml;n is steekhoudend
+gebleken; het auteursrecht liet zich langs dezen weg niet
+&bdquo;bewijzen&rdquo;. Dit is door de meeste Nederlandsche schrijvers
+over &rsquo;t auteursrecht en in &rsquo;t bijzonder door de meerderheid
+in de reeds meermalen genoemde vergadering der Juristen-Vereeniging ook
+zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner beschouwingen strekte juist,
+om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e4824" href="#xd20e4824" name=
+"xd20e4824">93</a>]</span>&raquo;juridische&rdquo; theorie&euml;n aan
+te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel
+niet alle argumenten, welke daarbij dienst deden, mij even juist
+voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede
+nog niet was bewezen, dat het auteursrecht alleen op
+utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk geen recht
+is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een privilegie, om
+redenen van &bdquo;algemeen belang&rdquo; (d.i. instandhouding van
+kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen dit te
+hebben gemeend.</p>
+<p>&bdquo;Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich
+nicht romanistisch konstruiren l&auml;sst, kein gutes Recht zu sehen
+vermag&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4828src" href="#xd20e4828"
+name="xd20e4828src">52</a>. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier
+min of meer toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden
+der Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd valt de
+begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te constateeren.
+De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de verschillende
+pogingen om het recht &bdquo;romanistisch&rdquo; te construeeren aan
+het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval geen
+dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte een
+vierde vraag opgesteld: of in het <i>algemeen belang</i> door de wet
+een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er,
+na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of
+onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere of
+mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was ook de
+redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het
+<span class="corr" id="xd20e4839" title=
+"Bron: autersrecht">auteursrecht</span> is geen zakelijk recht, geen
+persoonlijk recht, dus: het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy
+evenmin het algemeen belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen
+enkele grond voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling
+dus te vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische
+ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht
+gewijd<a class="noteref" id="xd20e4842src" href="#xd20e4842" name=
+"xd20e4842src">53</a>; trouwens wat het laatste betreft mag worden
+betwijfeld, of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt.
+Toen hij, ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het
+&bdquo;zoogenaamd auteursrecht&rdquo; nog eens ontvouwde, voegde hij
+daaraan toe: <span class="pagenum">[<a id="xd20e4847" href="#xd20e4847"
+name="xd20e4847">94</a>]</span>&bdquo;Deze mijne bedenkingen
+dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel hebben zij
+thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert 1881
+bezitten wij eene wet op het auteursrecht&rdquo;<span class="corr" id=
+"xd20e4850" title="Niet in bron">.</span><a class="noteref" id=
+"xd20e4852src" href="#xd20e4852" name="xd20e4852src">54</a> Van de
+wettelijke erkenning van dit recht in ons land v&oacute;&oacute;r 1881
+scheen deze schrijver dus niet te hebben geweten.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Wat nu de stelling betreft, &bdquo;dat in het algemeen belang door
+de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden
+gegeven,&rdquo; welke tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe
+de meerderheid der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen,
+een positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt,
+niet bereikt. Indien men onder &bdquo;algemeen belang&rdquo; dient te
+verstaan <i>doelmatigheid</i>, <i>utiliteit</i> (dus: <i lang=
+"en">expediency</i>, zooals Macaulay deze tegenover <i lang=
+"en">right</i> stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling
+met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het
+auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats voor
+wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets; evenmin de
+bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op positieve
+wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet in de
+bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder weinig
+zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: &bdquo;naar welk
+hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op
+het product van hun arbeid regelen?&rdquo; Het is een antwoord, dat
+eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier
+geen voorlichting weet te schenken.</p>
+<p>Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de
+Juristen-vereeniging kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men
+bepaalde zich tot het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde
+theorie&euml;n, zonder iets anders daarvoor in de plaats te
+stellen.</p>
+<p>Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te
+bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn
+prae-advies schreef mr. de Ridder: &bdquo;...al moeten we ook met een
+zucht afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te
+vinden, wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap,
+welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4883" href="#xd20e4883" name=
+"xd20e4883">95</a>]</span>onderzoekt en de leemten daarin aanwijst, een
+beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem
+tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale
+behoeften&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4885src" href="#xd20e4885"
+name="xd20e4885src">55</a>.</p>
+<p>Over de economische theorie&euml;n, en speciaal die van Schaeffle,
+welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende paragraaf
+spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische
+beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de
+plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een
+scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden
+gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men tot
+de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels en
+rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht kon
+dienen, had men niet &bdquo;met een zucht&rdquo; van alle verdere
+pogingen in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in
+de economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap,
+maar het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet
+te verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te
+kunnen worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit
+laatste hebben te herzien, zoodat de plaats worde <i>gemaakt</i>. Doch
+nooit mag de conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds
+bestaande systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een
+recht.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch2.3"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 3 Economische theorie&euml;n</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op
+zichzelf, d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen
+waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische
+beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor den
+econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke
+wereld manifesteert.</p>
+<p>Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver
+in economischen zin <i>voortbrenger</i> te noemen en zijn werk een
+<i>economisch product</i>:</p>
+<p>&bdquo;<span lang="fr">L&rsquo;&eacute;crivain, l&rsquo;homme de
+g&eacute;nie, est un producteur, ni plus ni moins <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e4912" href="#xd20e4912" name=
+"xd20e4912">96</a>]</span>que son &eacute;picier et son boulanger; son
+oeuvre est un produit, une portion de richesse</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e4915src" href="#xd20e4915" name=
+"xd20e4915src">56</a>. En: &bdquo;<span lang="fr">A tous les points de
+vue, la production industrielle et la <span class="corr" id="xd20e4928"
+title="Bron: poduction">production</span> litt&eacute;raire nous
+apparaissent donc identiques</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e4932src" href="#xd20e4932" name="xd20e4932src">57</a>.</p>
+<p>Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit op de
+voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de eigenlijke
+voortbrenging in economischen zin begint pas&mdash;krijgt althans pas
+beteekenis&mdash;wanneer zijn boek ge&euml;xploiteerd wordt, dus in
+druk verschijnt. Wat nu wel &bdquo;<span lang="fr">une portion de
+richesse</span>&rdquo; uitmaakt, is het duizendtal gedrukte exemplaren,
+dat van het geschrift wordt vervaardigd, maar dit is niet &bdquo;het
+voortbrengsel&rdquo; van den schrijver. Wat de schrijver heeft
+voortgebracht is een product van intellectueelen aard en staat als
+zoodanig buiten den beschouwingskring van den econoom.</p>
+<p>Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de
+zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur
+voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver
+zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal,
+wanneer hij <i>op dien grond</i> (dus <i>omdat</i> hier ruiling van
+voortbrengselen plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de
+publicatie geen recht meer op zijne schepping heeft:</p>
+<p lang="fr">&bdquo;Les lois de l&rsquo;&eacute;change sont: que les
+produits s&rsquo; &eacute;changent les uns contre les autres; que leur
+&eacute;valuation ou compensation a lieu dans un d&eacute;bat
+contradictoire et libre, d&eacute;sign&eacute; par les mots
+<i>offre</i> et <i>demande</i>; que l&rsquo;&eacute;change
+op&eacute;r&eacute;, chaque &eacute;changiste devient ma&icirc;tre de
+ce <span class="corr" id="xd20e4956" title=
+"Bron: qu &rsquo;il">qu&rsquo; il</span> a acquis comme il
+l&rsquo;&eacute;tait de son propre produit, en sorte que, la livraison
+faite et l&rsquo;&eacute;change consomm&eacute;, les parties ne se
+doivent rien&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e4959src" href=
+"#xd20e4959" name="xd20e4959src">58</a>.</p>
+<p>&bdquo;<span lang="fr">Ces lois sont universelles; elles s&rsquo;
+appliquent &agrave; toutes les esp&egrave;ces de produits et de
+service, et ne souffrent pas d&rsquo;exception,</span>&rdquo; voegt
+Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij
+&bdquo;lois d&rsquo;&eacute;change&rdquo; noemt, geen bindende regels
+zijn, die voorschrijven wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en
+de boer die zijn aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun
+voortbrengsel <span class="pagenum">[<a id="xd20e4967" href=
+"#xd20e4967" name="xd20e4967">97</a>]</span>kunnen doen gelden, is niet
+omdat de door de economen opgespeurde wetten van het ruilverkeer dat
+zoo willen, maar omdat de wet, die den privaten eigendom van brood en
+aardappelen erkent, dit gevolg aan hunne handeling verbindt. Indien de
+schrijver, evenals de bakker, zijn product kon inruilen, dan zou het
+auteursrecht-vraagstuk geen moeilijkheden meer opleveren, of liever:
+door dit te beweren, plaatst men zich op het standpunt, dat het
+vraagstuk al opgelost is; immers het begrip ruiling veronderstelt de
+erkenning van privaten eigendom op het voorwerp, dat verruild wordt, en
+het gaat hier juist om de vraag, of er een recht op het intellectueele
+product verleend zal worden. Met eene &bdquo;economische&rdquo; theorie
+als deze komt men dus niet verder<a class="noteref" id="xd20e4969src"
+href="#xd20e4969" name="xd20e4969src">59</a>.</p>
+<p>Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over
+het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende
+argumentatie: &bdquo;<span lang="fr">D&rsquo;ailleurs, quelle que soit
+la part de tous dans la pens&eacute;e de chacun, on ne niera pas du
+moins que la pens&eacute;e ne tire de la publicit&eacute; toute sa
+valeur. Que <i>vaut</i> la pens&eacute;e dans la solitude?&rdquo; .....
+&bdquo;Il n&rsquo;est donc pas besoin de savoir d&rsquo;o&ugrave; vient
+<i>l&rsquo;origine</i> des productions de l&rsquo;esprit, il suffit de
+savoir d&rsquo;o&ugrave; vient leur <i>valeur</i>, pour comprendre
+qu&rsquo;elles ne sauraient &ecirc;tre le patrimoine de personne. Si
+c&rsquo;est la soci&eacute;t&eacute; qui leur conf&egrave;re une
+<i>valeur</i>, c&rsquo;est &agrave; la soci&eacute;t&eacute; seule que
+le droit de propri&eacute;t&eacute; appartient. Reconna&icirc;tre, au
+profit de l&rsquo;individu, un droit de propri&eacute;t&eacute;
+litt&eacute;raire, ce n&rsquo;est pas seulement nuire &agrave; la
+soci&eacute;t&eacute;, c&rsquo;est la voler</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e4998src" href="#xd20e4998" name=
+"xd20e4998src">60</a>.</p>
+<p>Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd.
+Op dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van
+locomotieven of van piano&rsquo;s zijne producten aan ieder gratis moet
+afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde
+streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij,
+welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet
+gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond
+eiland voor zou worden gegeven! <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e5011" href="#xd20e5011" name="xd20e5011">98</a>]</span></p>
+<p>Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht
+in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle<a class=
+"noteref" id="xd20e5014src" href="#xd20e5014" name=
+"xd20e5014src">61</a>. Deze schrijver beschouwt den auteur niet als
+zelfstandig voortbrenger, maar als mede-arbeider in eene onderneming,
+en hij maakt eene vergelijking, niet tusschen geestelijke en
+stoffelijke producten, maar tusschen wat hij noemt: &bdquo;<i lang=
+"de">Symbolische G&uuml;ter</i>&rdquo;, &bdquo;<i lang="de">G&uuml;ter
+der Darstellung und der Mittheilung</i>&rdquo; en &bdquo;<i lang=
+"de">N&uuml;zliche G&uuml;ter</i>&rdquo;. Beide categorie&euml;n van
+goederen vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element;
+het onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan
+gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen enz.)
+het geestelijk element overwegend is.</p>
+<p>De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer.
+De uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene
+onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke
+andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak
+op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische
+behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn, ook
+ondernemerspremie)<a class="noteref" id="xd20e5043src" href=
+"#xd20e5043" name="xd20e5043src">62</a>. Doch zoolang het ieder
+vrijstaat het uitgekomen boek na te drukken, is het den
+oorspronkelijken uitgever niet mogelijk deze vergelding (speciaal de
+ondernemerspremie) te genieten. De oorzaak hiervan ligt in de
+eigenaardige eigenschappen van het voortgebrachte product in het
+economisch verkeer. Hier komt nu het onderscheid uit tusschen de
+&bdquo;<span lang="de">symbolische</span>&rdquo; of &bdquo;<span lang=
+"de">darstellende G&uuml;ter</span>&rdquo; en de &bdquo;<span lang=
+"de">n&uuml;zliche G&uuml;ter</span>&rdquo;. Beiden vereenigen in zich,
+zooals gezegd, een materieel en een geestelijk element en bij beiden
+wordt het geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het
+verschil is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het
+&bdquo;geestelijke&rdquo;) bij de goederen van de tweede soort
+langzamerhand <span class="pagenum">[<a id="xd20e5077" href=
+"#xd20e5077" name="xd20e5077">99</a>]</span>geschiedt, bij de
+&bdquo;<span lang="de">darstellende G&uuml;ter</span>&rdquo; echter in
+eens. Om een boek na te drukken behoeft men geene proeven te doen, men
+behoeft zijne arbeiders er niet afzonderlijk voor te doen africhten, in
+&eacute;&eacute;n woord: het is niet noodig de tijd en geld kostende
+voorbereidselen te maken, die bij zuiver industrieele producten dengeen
+die ze het eerst op de markt bracht een voorsprong op de namakers
+geven. De nadrukker heeft te beschikken over een &bdquo;<span lang=
+"de">... mechanisch- und chemisch-technischen, unmittelbar
+schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung, wie
+derjenige des Original-verlegers ist</span>&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e5086src" href="#xd20e5086" name="xd20e5086src">63</a>.</p>
+<p>Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden
+van het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van
+tijd de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op
+de markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen,
+is dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die
+volgens de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten
+uitgever moest toevloeien, ontgaat hem wegens de
+exceptionneel-ongunstige eigenschappen van zijn product.</p>
+<p>Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het
+economisch verkeer in te grijpen en wel z&oacute;&oacute;, dat de
+ondernemer, die &bdquo;symbolische G&uuml;ter&rdquo; voortbrengt,
+dezelfde kans op het verkrijgen van loon en premie hebbe als de
+voortbrenger van andere goederen. Dit is het best te bereiken door het
+verleenen van een tijdelijk monopolie, waardoor kunstmatig de toestand
+in het leven wordt geroepen, die in andere takken van economische
+voortbrenging vanzelf intreedt.</p>
+<p>Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht
+aangewezen: het is te beschouwen als een: &bdquo;<span lang=
+"de">vorl&auml;ufig unentbehrliches k&uuml;nstliches Surrogat der
+Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e5098src" href="#xd20e5098" name=
+"xd20e5098src">64</a>. Wat het karakter van het recht betreft, het is
+een monopolie: het geeft niet de uitsluitende beschikking over een
+bepaald goed, maar de beheersching van eene bepaalde markt (<span lang=
+"de">Absatz-Verh&auml;ltniss</span>).</p>
+<hr class="tb">
+<p>Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den arbeid
+van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische zijde wil
+beschouwen, kan men met Schaeffle&rsquo;s leer, waarvan ik de
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5108" href="#xd20e5108" name=
+"xd20e5108">100</a>]</span>voornaamste punten met het bovenstaande heb
+trachten weer te geven, vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het
+oog houden, dat men daarmede slechts op &eacute;&eacute;ne zijde van
+het vraagstuk het licht heeft laten vallen en dat de theorie zonder
+meer geene conclusi&euml;n rechtvaardigt met betrekking tot den omvang
+en den aard van het auteursrecht.</p>
+<p>Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in
+kwestie brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van
+economisch standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten
+van kunst en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband
+daarmede het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een
+goed maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van
+goederen alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de
+juridische verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een
+voortbrengsel van het intellect geen economisch goed, daarom kan het
+nog wel object van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op
+voorbeeld van deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen
+opzichzelf zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen,
+die aan deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht
+in het wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van
+zijne leer schrijven: &bdquo;<span lang="de">Die hohe Bedeutung der
+Immaterialrechtstheorie aber liegt darin, dasz das Recht eben mit einem
+Gedanken, der aus vielen Verwirklichungsformen sich ableiten
+l&auml;szt, in Beziehung gesetzt ist, dasz es mithin nicht an eine
+Verwirklichungsform gekettet wird, dasz es das Geistige in allen seinen
+Formen und Metamorphosen erfaszt und
+erf&uuml;llt</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5115src" href=
+"#xd20e5115" name="xd20e5115src">65</a>.</p>
+<p>Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie,
+geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht
+uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht
+niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men met
+den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den
+grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop
+van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.</p>
+<p>Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als
+b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5124" href="#xd20e5124" name=
+"xd20e5124">101</a>]</span>als eigendom en auteursrecht is al
+gewezen<a class="noteref" id="xd20e5126src" href="#xd20e5126" name=
+"xd20e5126src">66</a>. Doch met dit verschil wordt in de theorie van
+Schaeffle geene rekening gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang
+in alle beschaafde staten wordt erkend, dat het een eisch van het
+rechtsbewustzijn is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende
+beschikking hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan
+werd bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers
+de theorie gaat uit van een &bdquo;vrij&rdquo; economisch verkeer,
+waarin de nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een
+&bdquo;<span lang="de">k&uuml;nstliches Surrogat der
+Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs</span>&rdquo;. Doch deze
+&bdquo;Distributivgerechtigkeit&rdquo;, welke Schaeffle waarneemt, zou
+niet bestaan zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom
+wordt erkend en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men
+iemand kan dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz.
+enz. Wil men nu, sprekende over het <i>vrije</i> economische verkeer,
+daarbij stilzwijgend het bestaan van al deze rechtsinstellingen
+veronderstellen, dan kan daartegen geen bezwaar bestaan&mdash;er is
+trouwens bijna geen economische theorie waarbij dit niet wordt
+gedaan&mdash;; doch bij deze instellingen, wier bestaan om zoo te
+zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het auteursrecht. In het
+&bdquo;vrije&rdquo; verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt neemt, is
+het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk te
+exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid een
+algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene
+&bdquo;vrijheid&rdquo;, waarbij met begrippen van recht geen rekening
+is gehouden en die trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.</p>
+<p>Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle,
+maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met zijne
+theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het
+economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op
+bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische
+en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk
+betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor
+te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij
+van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen
+&bdquo;kunstmatig surrogaat&rdquo; van de gerechtigheid, die in het
+vrije verkeer bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch
+het <span class="pagenum">[<a id="xd20e5137" href="#xd20e5137" name=
+"xd20e5137">102</a>]</span>is, evenals de andere bovengenoemde
+rechtsinstellingen, een van de, door de rechtsorde ge&euml;ischte,
+<i>voorwaarden</i> voor een vrij en regelmatig verkeer.</p>
+<p>Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt,
+een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op &eacute;&eacute;n
+belangrijk punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een
+individueel geestesproduct het licht te laten vallen<a class="noteref"
+id="xd20e5144src" href="#xd20e5144" name="xd20e5144src">67</a>.
+Hierdoor wordt de eenzijdigheid van Schaeffle&rsquo;s theorie wel
+eenigszins weggenomen; doch niettemin wordt aan diens economische
+beschouwingen door mr. de Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis
+gehecht. Volgens zijne boven aangehaalde woorden meende deze schrijver
+in de theorie te hebben gevonden: &bdquo;een beginsel, dat zoo de
+wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in
+het rechte spoor, dat der sociale behoeften.&rdquo; Dat echter het
+&bdquo;beginsel&rdquo;, hetwelk de economische theorie van Schaeffle
+aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig houvast geeft, zal
+niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen, dan is zijne taak,
+den auteurs een recht van zoodanige afmetingen in te ruimen, dat zij
+een even groote kans op het verkrijgen van ondernemers-loon en premie
+hebben als andere ondernemers, of, zooals mr. de Ridder het uitdrukt:
+&bdquo;dat de verhouding tusschen het verdiende gemiddelde loon en de
+mogelijke loonsrente behouden blijve&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5153src" href="#xd20e5153" name="xd20e5153src">68</a>. Met deze
+wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en trachte
+hij in het &bdquo;rechte spoor&rdquo; te blijven, waar vragen zijn op
+te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift het
+uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het
+opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht
+mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid
+om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk
+van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in het
+licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing te
+komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard, zal men
+vergeefs in Schaeffle&rsquo;s theorie zoeken. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5158" href="#xd20e5158" name=
+"xd20e5158">103</a>]</span></p>
+<p>Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken
+naar aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van
+Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als
+eene &bdquo;<span class="corr" id="xd20e5161" title=
+"Bron: ecomische">economische</span>&rdquo; bedoeld; toch meen ik er
+eenige verwantschap met de economische theorie&euml;n in te ontdekken
+en om deze reden schijnen mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan
+wilde wijden, hier het best op hare plaats.</p>
+<p>Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels:
+&bdquo;niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander
+verrijken&rdquo; en: &bdquo;de arbeider heeft recht op het loon van
+zijn arbeid.&rdquo; Uit verschillende bepalingen uit ons positieve
+recht tracht hij aan te toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen,
+al zijn zij niet met zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds
+in hun vollen omvang heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal
+ik niet ingaan; het is trouwens reeds door meerdere schrijvers
+besproken en op vele punten bestreden<a class="noteref" id=
+"xd20e5167src" href="#xd20e5167" name="xd20e5167src">69</a>.</p>
+<p>De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn,
+laat ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te
+onderzoeken, of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk
+aankomt, een juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den
+grondslag van het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende
+gevonden te hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den
+wetgever in het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman
+met zijne leer geven:</p>
+<p>&bdquo;Zoolang de ware grondslag&rdquo; (scil. van het auteursrecht)
+&bdquo;niet gevonden is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van
+billijkheid moeten verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas.
+Maar mogt een vast beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan
+zal hij in staat zijn juist en bepaald te omschrijven wat den
+auteur.... toekomt.&rdquo;</p>
+<p>Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de
+auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het
+auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond
+zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.</p>
+<p>Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5190" href="#xd20e5190" name=
+"xd20e5190">104</a>]</span>er mede wilde bereiken, dan dient zij een
+volledig antwoord te geven op de vraag, wat moet worden verstaan onder
+<i>het loon</i> van schrijvers en kunstenaars. Dit wordt als volgt
+gedefinieerd: &bdquo;Onder &bdquo;het loon&rdquo; van schrijvers en
+uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers tezamen voor het
+nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend ter vervaardiging
+van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon, enz.&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e5195src" href="#xd20e5195" name=
+"xd20e5195src">70</a>. Elders drukt de schrijver zich z&oacute;&oacute;
+uit: &bdquo;<span class="corr" id="xd20e5200" title=
+"Bron: ..">...</span> het loon, dat voor een verkeerswaarde bezittenden
+arbeid betaald wordt, moet den arbeider ten goede komen&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e5203src" href="#xd20e5203" name=
+"xd20e5203src">71</a>.</p>
+<p>Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar <i>waard</i> is, wat hij
+in het verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den <span class=
+"corr" id="xd20e5213" title="Bron: ateur">auteur</span> ten goede
+komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht worden
+berekend.</p>
+<p>In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens
+reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip
+verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers
+zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars
+geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering
+berust dus op eene petitio principii: de &bdquo;verkeerswaarde&rdquo;,
+welke de heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen,
+is de waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene
+wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom kan
+die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het
+auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.</p>
+<p>Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de
+theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, &oacute;f de
+auteurs al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate,
+waarin die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond.
+Doch wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De
+heer Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem
+in staat zou stellen &bdquo;juist en bepaald te omschrijven wat den
+auteur toekomt.&rdquo; Met behulp der theorie moest dus aangetoond
+kunnen worden, niet alleen <i>dat</i> er auteursrecht dient verleend te
+worden, maar ook <i>in welken omvang</i>; dus welke de bevoegdheden
+zijn van een schrijver, hoe lang dit recht moet duren, enz.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5226" href="#xd20e5226" name=
+"xd20e5226">105</a>]</span></p>
+<p>Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit
+schijnt de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben
+ingezien; althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij
+zich als volgt uit: &bdquo;Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk
+deel van het loon hij&rdquo; (scil. de auteur) &bdquo;moet ontvangen
+voor den arbeid, dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer
+zeker moet hij een deel daarvan hebben&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5229src" href="#xd20e5229" name="xd20e5229src">72</a>. Met deze
+verklaring is feitelijk erkend, dat de theorie niet kan geven wat de
+heer Lohman ermede had willen bereiken. Want hoe zal het beginsel
+&bdquo;de auteur heeft recht op het loon van zijn arbeid&rdquo; den
+wetgever als een &bdquo;veilig kompas&rdquo; kunnen dienen, indien
+eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt, hoeveel dit loon
+bedraagt?</p>
+<p>De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne
+meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den
+schrijver of kunstenaar wordt gesteld de <i>waarde</i> van het product;
+in plaats van de <i>resultaten</i> van den arbeid het <i>loon</i> voor
+den arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft
+recht op de <i>waarde</i> van zijn product, op het <i>loon</i> voor
+zijn arbeid maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet
+over de resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken.
+Zoolang dit uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn
+&bdquo;waarde&rdquo; en &bdquo;loon&rdquo; louter fictief, evenzoo als
+de waarde fictief is van visschen die nog in de zee rondzwemmen en aan
+niemand toebehooren. Gesteld dat men naar een beginsel vroeg, waarop
+het recht berust van hem die zich deze visschen heeft toege&euml;igend,
+dan zou toch niemand eraan denken ten antwoord te geven: de visscher
+heeft recht op het loon van zijn arbeid, het loon is datgene wat die
+arbeid in het verkeer waard is, derhalve heeft de visscher recht op de
+<i>waarde</i> van de door hem gevangen visch en opdat anderen zich niet
+met deze waarde verrijken, verleent de wet hem het eigendomsrecht.
+Ieder zou inzien, dat met deze redeneering een noodelooze omweg wordt
+gemaakt, en dat men zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien
+men de &bdquo;waarde&rdquo; geheel buiten beschouwing liet en dadelijk
+sprak van een recht op het door den arbeid verworven goed, in casu de
+gevangen visch. Wel zou in dit geval de practische conclusie
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5255" href="#xd20e5255" name=
+"xd20e5255">106</a>]</span>uit de leer, ondanks de foutieve
+redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn; doch de
+oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen recht
+w&eacute;l geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk
+verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden
+zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom maakt
+het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde van den
+visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt gehouden
+dat het woord &bdquo;ruilwaarde&rdquo; bij anticipatie wordt gebruikt,
+daar v&oacute;&oacute;rdat het uitsluitend recht een voldongen feit is
+van geen ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan
+zijn.</p>
+<p>Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat het
+uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd is gekozen.
+Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de begripsverwarring die
+het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt, aan dezelfde
+eenzijdigheid, die de economische theorie&euml;n kenmerkt. In zijn
+betoog merkt de schrijver ergens op: &bdquo;... wij juristen vragen
+slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de
+opbrengst?&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5259src" href="#xd20e5259"
+name="xd20e5259src">73</a> en het schijnt wel of deze regel hem steeds
+bij zijne beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in
+een recht niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het
+vertegenwoordigt!</p>
+<p>De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten;
+van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere
+geldswaarde&mdash;ook waar men met vermogensrechten heeft te
+doen&mdash;slechts van ondergeschikt belang. Want het recht dient ook
+ter bescherming van niet op geld waardeerbare belangen. Met deze
+laatste wordt in de theorie van den heer de Savornin Lohman geene
+rekening gehouden; als eenig doel van het auteursrecht wordt
+vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars iets met hun arbeid zullen
+verdienen. Deze overweging schijnt bij den schrijver zoozeer
+overheerschende te zijn geweest, dat het eigenlijke onderwerp zijner
+beschouwingen, n.l. het auteursrecht, er soms door op den achtergrond
+geraakt. Dit was b.v. het geval in de beschouwing, die ik hier laat
+volgen, gehouden in de vergadering der Juristen-Vereeniging. Na te
+hebben uiteengezet, wat te verstaan was onder &bdquo;het loon&rdquo;
+van den schrijver van een <span class="pagenum">[<a id="xd20e5267"
+href="#xd20e5267" name="xd20e5267">107</a>]</span>boek,&mdash;n.l.
+datgene wat de verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan
+drukloon, papier enz.&mdash;ging de heer Lohman na, wat &bdquo;het
+loon&rdquo; is, in het <span class="corr" id="xd20e5269" title=
+"Bron: gaval">geval</span>, dat die opbrengst niet meer bedraagt dan de
+kosten van de vervaardiging der exemplaren: &bdquo;Mr Vi&euml;tor
+beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist bedraagt &bdquo;den
+kostenden prijs&rdquo;, (waaronder hij dan verstaat kosten voor papier,
+drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het is alsof men
+zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen, omdat men dan
+juist met de kosten &bdquo;zal kunnen uitkomen!&rdquo; M. i. is er,
+wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en is
+het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan het
+boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen, dat de
+<span class="corr" id="xd20e5272" title=
+"Bron: fabriekant">fabrikant</span> van het papier en de drukker het
+eerst zullen worden betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den
+auteur overschiet, deze eenvoudig ledig huiswaarts kan
+gaan&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5275src" href="#xd20e5275" name=
+"xd20e5275src">74</a>.</p>
+<p>Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd te
+houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met deze
+redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers duidelijk,
+dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver nooit eenig
+geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie van het
+geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor bedragen;
+derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend
+exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven dan
+de <i>mogelijkheid</i>, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is
+de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht, dat
+men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en <span class=
+"corr" id="xd20e5283" title="Bron: drukkker">drukker</span> kunnen
+dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of&mdash;zooals het in
+mr. Lohman&rsquo;s redeneering heet&mdash;hen te bewegen, met hem in
+het verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een
+soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten
+aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte
+gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt
+dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten enz.
+bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen
+bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn goed
+kunnen trekken; evenals de ongelukkige <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e5286" href="#xd20e5286" name="xd20e5286">108</a>]</span>auteur,
+waarvan hierboven sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen,
+die &bdquo;het laatst betaald wordt.&rdquo; Doch evenmin als in het
+eene geval de bepalingen over den eigendom op onroerende goederen,
+kunnen in het andere geval die op het auteursrecht aan deze
+omstandigheid iets veranderen.</p>
+<p>Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor
+anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het
+product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is
+niet een recht &bdquo;om mede te deelen in het loon, dat het publiek
+bereid is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd
+is&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5290src" href="#xd20e5290" name=
+"xd20e5290src">75</a>, maar een recht op de geestelijke schepping zelf.
+Dit denkbeeld moge nu in de volgende paragraaf eene nadere uitwerking
+vinden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch2.4"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 4 Het auteursrecht als recht op een
+onlichamelijk goed</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft
+voortgebracht. Dit is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het
+auteursrecht ten grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen
+regel zal niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een
+<i>goed</i> aanwezig is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend
+recht kan zijn, dan is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er
+de maker van is, ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en
+kunstenaars met hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond,
+zal evenmin ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de
+&bdquo;makers&rdquo; bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van
+het woord <i>po&euml;et</i>).</p>
+<p>Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van
+een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een
+uitsluitend recht kan dienen.</p>
+<p>Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn,
+is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van
+schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel van
+het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5308" href="#xd20e5308" name=
+"xd20e5308">109</a>]</span>had men dus wel eene lichamelijke zaak, die
+object van het recht was, n. l. het papier waar de schrijver zijn
+letters en de componist zijn noten op heeft geschreven. De
+eigendom&mdash;zoo werd geredeneerd&mdash;geeft het vol genot over eene
+zaak; waar het dus een handschrift geldt, omvat dit genot ook de
+uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren, omdat hierin juist de
+waarde ervan is gelegen<a class="noteref" id="xd20e5310src" href=
+"#xd20e5310" name="xd20e5310src">76</a>.</p>
+<p>Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet
+in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift is
+niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts een
+middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare) schepping
+binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het geschrift
+alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit; het
+handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van het
+bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste is min
+of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door middel van
+leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van het handschrift
+ook in zekeren zin de beschikking over het lot van het geestesproduct
+zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er meerdere exemplaren van
+het geschrift zijn vervaardigd, die in handen van verschillende
+personen komen.</p>
+<p>In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige
+wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt en
+in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht van
+den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten het
+handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is zelfs
+voor den nadrukker totaal onverschillig.</p>
+<p>De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een
+manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5347" href="#xd20e5347" name=
+"xd20e5347">110</a>]</span>kunnen beroepen op een eigendomsrecht,
+terwijl het voorwerp van dien eigendom niet meer bestaat? En hoe zal
+het gaan, wanneer de auteur zijn werk niet heeft opgeschreven, maar
+voorgedragen? Wordt een redenaar eigenaar van het stuk papier, waarop
+de stenograaf zijne redevoering uit zijn mond opteekent; of heeft nu de
+stenograaf, als eigenaar van het handschrift, het reproductierecht? Op
+deze en andere dergelijke vragen kan deze leer geen bevredigend
+antwoord geven.</p>
+<p>Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het
+recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht,
+dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te
+laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met
+geestelijke scheppingen; dit geldt&mdash;zooals hieronder nog nader zal
+worden aangetoond&mdash;niet alleen voor de scheppingen in taal en
+muziek, maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het
+auteursrecht hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk
+goed.</p>
+<p>Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de
+eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den
+<i>intellectueelen</i> of <i>geestelijken eigendom</i>, is verkondigd;
+en hoeveel er ook tegen het begrip &bdquo;geestelijken eigendom&rdquo;
+in te brengen moge zijn, deze theorie had althans dit voordeel, dat de
+kern der kwestie er door werd geraakt. Door een geestelijken eigendom
+aan te nemen waren de voorstanders van deze leer gedwongen het
+geestesproduct, dat het voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te
+karakteriseeren; zij moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift
+en buiten de andere materieele middelen, die dienen om het
+voortbrengsel van het intellect waarneembaar te maken, een (uit den
+aard der zaak <i>immaterieel</i>) <i>goed</i> aanwezig is, geschikt om
+voorwerp van een recht te zijn. Hier ligt de groote moeilijkheid, die
+de theorie van den geestelijken eigendom wel niet tot een bevredigende
+oplossing heeft gebracht, maar waarvoor zij tenminste niet, zooals
+zooveel andere theorie&euml;n, uit den weg is gegaan. In dit opzicht,
+n.l. wat de constructie betreft van het auteursrecht als een recht op
+het geestesproduct, heeft Kohler&rsquo;s Immaterialrecht-theorie de
+leer van den intellectueelen eigendom tot voorbeeld genomen; de
+eigenaardige en van die der overige rechtsobjecten op vele punten
+afwijkende hoedanigheden der immaterieele goederen leidden er echter
+toe, de erop gevestigde rechten als een afzonderlijke groep, niet
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5365" href="#xd20e5365" name=
+"xd20e5365">111</a>]</span>onder, maar naast eigendom en de andere
+zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk
+een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.</p>
+<p>In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort
+schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik stil
+te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige
+voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert
+ongeveer als volgt:<a class="noteref" id="xd20e5369src" href=
+"#xd20e5369" name="xd20e5369src">77</a> Als ik een boek koop, word ik
+eigenaar van het bedrukte papier en daar dit maar &eacute;&eacute;n
+eigenaar kan hebben, neemt het recht van den schrijver daarop een
+einde. Waar ik ook eigenaar van <i>kan</i> worden, is van de in het
+geschrift vervatte gedachten, doch dit is geen uitsluitende eigendom,
+want ieder bezitter van een exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich
+de noodige moeite geeft, kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten
+kunnen dus meerdere eigenaars naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch
+het boek (in den materieelen zin van het woord) noch de gedachten
+voorwerp van het eigendomsrecht, dat het uitsluitend recht van drukken
+inhoudt, daar de schrijver bij de uitgave den uitsluitenden eigendom
+daarop verliest.</p>
+<p>Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af <i>kan</i>
+worden genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen
+eigene wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met
+elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers
+eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen
+toe&euml;igent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik
+van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan hij
+niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever het
+boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik van
+eens anders eigendom.</p>
+<p>Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht
+niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des geestes
+is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift zijn
+uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den auteur
+bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed denkbeeld.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5388" href="#xd20e5388" name=
+"xd20e5388">112</a>]</span>Het voorwerp van den intellectueelen
+eigendom schijnt Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete
+schepping, maar meer in de wijze van denken en schrijven; niet in het
+voortbrengsel maar in het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet
+kan worden ontnomen, dat hij met het volste recht kan spreken van
+<i>zijn</i> manier van schrijven, van zijn stijl, zal niemand
+betwisten, doch dit is eene betrekking, die met eigendom in de
+juridische beteekenis van het woord ongeveer niets gemeen heeft.</p>
+<p>Hegel, die ook in zijne <i>Philosophie des Rechts</i> het
+auteursrecht als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte
+uitkomen, dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn,
+niet als een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat
+buiten hem bestaat, moet worden gedacht.</p>
+<p>&bdquo;<span lang="de">Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f.
+sind freilich dem freien Geiste eigen und ein Innerliches desselben,
+nicht ein Aeusserliches, aber ebenso sehr kann er ihnen durch die
+Aeusserung ein &auml;usserliches Dasein geben und sie ver&auml;ussern,
+wodurch sie unter die Bestimmung von Sachen gesetzt
+werden</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5406src" href=
+"#xd20e5406" name="xd20e5406src">78</a>. Deze gedachte wordt echter
+niet zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van
+het immaterieele object van den eigendom.</p>
+<p>De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten
+en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden van
+groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der
+eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder
+beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben,
+aan &eacute;&eacute;n persoon het uitsluitend recht toe te kennen
+bepaalde gedachten openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het
+auteursrecht kan zijn, dat b.v. de door een staatsman geuite
+denkbeelden over den politieken toestand, die van een historie-vorscher
+over een of ander tijdperk der geschiedenis niet het uitsluitend
+eigendom zijn van degenen, die ze het eerst verkondigd hebben, zoodat
+anderen, die over hetzelfde onderwerp schrijven, van die denkbeelden
+geen gebruik zouden mogen maken, behoeft wel geen betoog. Eene
+dergelijke strekking wordt nergens aan het auteursrecht toegekend en
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5416" href="#xd20e5416" name=
+"xd20e5416">113</a>]</span>daarom heeft het ook geen zin om het te
+verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert<a class=
+"noteref" id="xd20e5418src" href="#xd20e5418" name=
+"xd20e5418src">79</a>.</p>
+<p>Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden,
+die in een geschrift geuit worden, te noemen den <i>inhoud</i> en de
+wijze waarop de auteur die denkbeelden in &bdquo;het kleed der taal
+heeft gestoken&rdquo; den <i>vorm</i> en dan te zeggen: de inhoud is
+gemeen goed, de vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader
+te definieeren, komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen
+reeds de groote verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige
+omschrijving van hetgeen men met &bdquo;vorm&rdquo; en
+&bdquo;inhoud&rdquo; bedoelt, noodzakelijk. Men kan niet zonder meer de
+onderscheiding toepassen zoowel op een roman als op een
+wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een
+tooneelstuk. Doch ook als men slechts &eacute;&eacute;ne bepaalde soort
+geschriften op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden
+&bdquo;vorm&rdquo; en &bdquo;inhoud&rdquo; te hechten, beter vast te
+stellen, dan gewoonlijk door de schrijvers over auteursrecht wordt
+gedaan. Zooals die termen thans dikwijls worden gebruikt, zijn zij
+eerder geschikt om verwarring te brengen dan om mede te helpen tot eene
+juiste karakteriseering van het immaterieele object van het
+auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering van vele schrijvers, die
+echter wegens hare oppervlakkigheid alle waarde mist, is b.v. de
+volgende: Het auteursrecht beschermt alleen den vorm; wanneer een
+geschrift wordt vertaald geeft de vertaler er een nieuwen vorm aan;
+derhalve kan de auteur zich niet verzetten tegen de uitgave van eene
+vertaling van zijn werk; het auteursrecht omvat dus niet het
+uitsluitend vertalingsrecht<a class="noteref" id="xd20e5435src" href=
+"#xd20e5435" name="xd20e5435src">80</a>.</p>
+<p>Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is
+echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren,
+schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma
+beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5462" href="#xd20e5462" name=
+"xd20e5462">114</a>]</span>wel op den vorm, moge in bepaalden zin
+opgevat en met betrekking tot bepaalde categorie&euml;n van geschriften
+waarheid bevatten, zoo als hij in dit verband te pas wordt gebracht,
+mist hij elken grond.</p>
+<p>Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan
+bewijzen, mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet
+alle geschriften over &eacute;&eacute;n kam worden geschoren, heeft
+Kohler&mdash;vooral in zijn merkwaardig boek: <i lang="de">Das
+literarische und artistische Kunstwerk und sein
+Autorschutz</i>&mdash;duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit
+werk: &bdquo;eine juridisch-&auml;sthetische Studie&rdquo; en gaf het
+tot motto een regel, dien v&oacute;&oacute;r hem naar mijn weten nog
+geen der vele schrijvers over auteursrecht zich tot richtsnoer had
+gesteld, nl.: &bdquo;<span lang="de">Der richtige Weg zur Erkenntnisz
+des Autorrechts f&uuml;hrt durch die Erkenntnisz der Kunst
+hindurch</span>&rdquo;. Hieruit valt reeds op te maken, dat men in dit
+boek geene oppervlakkige beschouwingen over &bdquo;vorm&rdquo; en
+&bdquo;inhoud&rdquo; heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake
+was. Het is Kohler&rsquo;s streven geweest, zoo diep mogelijk tot het
+wezen van de verschillende soorten kunstwerken en geschriften door te
+dringen en eene waardevolle methode te vinden om ze te analyseeren en
+zoodoende in elk werk die bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke
+tezamen de schepping van den auteur en dus tevens het object van zijn
+recht uitmaken. Op Kohler&rsquo;s methode en hetgeen ermede kan worden
+bereikt, kom ik hieronder nog terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is
+alleen dit: dat, wil men werkelijk langs systematischen weg tot de
+vaststelling van omvang en strekking van het auteursrecht komen,
+&bdquo;juridisch-aesthetische&rdquo; beschouwingen als de hier bedoelde
+niet alleen van zeer veel nut, maar beslist onontbeerlijk zijn.</p>
+<p>In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar hunne
+innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden, openbaart zich
+reeds het groote verschil tusschen de rechten op stoffelijke en die op
+onstoffelijke goederen. Bij de eerste brengt de vraag, wat object van
+het recht is, in den regel niet de minste moeilijkheid mee; het
+stoffelijk goed, z&oacute;&oacute; als het in het gewone leven kan
+worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen zin. Bij de rechten op
+onstoffelijke goederen daarentegen zijn de rechtsobjecten niet
+eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich kan vormen van een
+geschrift of een kunstwerk is niet identiek met dat van het
+immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk kan
+vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het geheel
+geen voorwerpen van <span class="pagenum">[<a id="xd20e5474" href=
+"#xd20e5474" name="xd20e5474">115</a>]</span>auteursrecht, van een
+immaterieel goed is daarbij dus geen sprake; en degenen die het
+w&eacute;l zijn, zijn het niet alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een
+voorbeeld te noemen, een ets, die eene getrouwe copie is van een andere
+ets, geen voorwerp van auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt
+naar eene schilderij, dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen
+zijn; doch in dit geval is het recht van den etser van beperkte
+strekking. Slechts indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is,
+heeft de auteur daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie
+werken, die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde
+beteekenis zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten
+vertoonen, zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd
+auteursrecht beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet
+anders gedaan dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus
+geen nieuw goed voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht
+gevestigd. In de beide laatste gevallen is er wel een immaterieel goed
+tot stand gekomen; doch de ets naar de schilderij levert een geheel
+ander rechtsobject op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud
+van het recht in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.</p>
+<p>Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik
+eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip van
+het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene
+bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt,
+die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen
+niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen zijn,
+om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene
+afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam
+&bdquo;eigendom&rdquo; te geven, waardoor het onder de zakelijke
+rechten zou moeten worden gerangschikt.</p>
+<p>Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er
+tusschen auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook)
+niet alleen vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in
+rechtskarakter ver van elkander afwijken.</p>
+<p>Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een
+lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht
+ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij het
+eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide rechten
+verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt, de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5482" href="#xd20e5482" name=
+"xd20e5482">116</a>]</span>eigendom niet. Op deze belangrijke
+verschilpunten is door vele schrijvers&mdash;ook in ons
+land&mdash;reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef hier slechts in
+herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij de behandeling
+van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte: &bdquo;Door het
+auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te willen
+verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn er
+onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles
+ontbreekt wat den eigendom karakteriseert&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5484src" href="#xd20e5484" name="xd20e5484src">81</a>.</p>
+<p>Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten
+slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed
+aan &eacute;&eacute;n persoon met uitsluiting van ieder ander
+voorbehouden. Wil men nu elk uitsluitend recht, onverschillig van
+welken aard het object zij, eigendom noemen<a class="noteref" id=
+"xd20e5492src" href="#xd20e5492" name="xd20e5492src">82</a>, zoo
+behoeft daartegen op zichzelf nog geen bezwaar te worden gemaakt,
+indien men slechts in het oog houdt, dat men zoodoende aan het woord
+eigendom eene andere beteekenis geeft, dan waarin het gewoonlijk in de
+juridische taal wordt gebruikt. In het dagelijksch leven gaat men
+dikwijls met het gebruik van de woorden &bdquo;eigendom&rdquo; en
+&bdquo;bezit&rdquo; nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een goede
+gezondheid, eene slechte reputatie enz. <i>bezit</i> of dat hij eene
+uitgebreide kennis zijn <i>eigendom</i> kan noemen, zonder dat daarbij
+natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden
+naam.</p>
+<p>Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom,
+zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding te
+geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct den
+schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft;
+terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling met
+andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele
+voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name
+Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun
+leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van
+het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, <i>dat</i> de auteurs
+recht op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit
+recht, dat aanvankelijk door menigeen ontkend <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5512" href="#xd20e5512" name=
+"xd20e5512">117</a>]</span>werd, ernstig meenden, noemden zij het, naar
+<i>het</i> recht <span class="trans" title=
+"kat&rsquo; exoch&#275;n"><span class="Greek" lang=
+"el">&kappa;&alpha;&tau;&rsquo;
+&epsilon;&xi;&omicron;&chi;&eta;&nu;</span></span> eigendom. Dat in de
+hierboven vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet
+in den streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit,
+dat hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men
+zich bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen
+betoog, dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht,
+dat tot object zou hebben &bdquo;de gedachte&rdquo; en tot subject
+&bdquo;de persoon die haar denkt.&rdquo; Trouwens Fichte doet duidelijk
+genoeg uitkomen, dat een &bdquo;geestelijke eigendom&rdquo; van deze
+soort (een eigendom dus op den schat van kennis, die men zich heeft
+verworven) niet die is, welke hij voor de auteurs opeischt, en het is
+zeker niet aan hem te wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel
+verwarring op dit punt is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens
+als argument tegen de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de
+auteur na de publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de
+gedachten, daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en
+dit zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers
+juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden van
+anderen<a class="noteref" id="xd20e5525src" href="#xd20e5525" name=
+"xd20e5525src">83</a>. Met dergelijke redeneeringen voert men een
+strijd tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit
+iemand beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou
+hebben, aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te
+maken.</p>
+<p>Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot
+ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van:
+uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit
+mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogie&euml;n
+met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de
+uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip
+eigendom in dezen zin is z&oacute;&oacute; veelomvattend, dat het als
+categorie, tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van
+de andere, geen waarde heeft. &bdquo;<span lang="de">Es ist das ein
+Begriff</span>&rdquo;, zegt Kohler hierover, &bdquo;<span lang="de">so
+vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten
+besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5550" href="#xd20e5550" name=
+"xd20e5550">118</a>]</span>mit den Begriffen Wasser, Feuer, Luft und
+Erde, durch welche man ehedem die Dinge der Welt begreifen und erfassen
+wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht nimmt sich etwa so aus, wie
+das Leuchtgas als Luft und die fl&uuml;ssige Kohlens&auml;ure als
+Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise l&auml;szt sich auf die Dauer nicht
+durchkommen</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5553src" href=
+"#xd20e5553" name="xd20e5553src">84</a>.</p>
+<p>Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De
+aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen
+die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip
+letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling
+onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande reeds
+eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler&rsquo;s leer van het
+Immaterialg&uuml;terrecht aan de bezwaren, die tegen de
+eigendomstheorie zijn in te brengen, tegemoet komt.</p>
+<p>Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht de
+meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk
+bespreken.</p>
+<p>In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor
+sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren,
+zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer
+beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: &bdquo;<span lang=
+"de">... dasz aber irgend <span class="corr" id="xd20e5569" title=
+"Bron: een">ein</span> Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an
+einer bloszen Vorstellung, an einem lediglich und allein in den
+Gedanken existirenden Dinge ohne alles &auml;uszerliche Substrat
+stattfinden solle, das ist etwas, was meiner Ansicht nach weder nach
+irgend einem positiven Rechtssysteme, noch vom Standpunkte einer
+philosophischen Rechtsbetrachtung aus zugegeben oder auch nur mit
+voller Klarheit gedacht werden kann</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5573src" href="#xd20e5573" name="xd20e5573src">85</a>.</p>
+<p>Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag
+uitdrukt: &bdquo;Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product
+op zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later
+als gedrukt exemplaar) een bestaan heeft&mdash;laat staan een
+lichamelijk&mdash;dat den auteur, om z&oacute;&oacute; te zeggen, kan
+worden tegenover gesteld?&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5580src"
+href="#xd20e5580" name="xd20e5580src">86</a> <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5585" href="#xd20e5585" name=
+"xd20e5585">119</a>]</span></p>
+<p>Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de
+gedachten bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in &rsquo;t geheel
+niet. Iets dat niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een
+uitsluitend recht zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die
+men aan het woord &bdquo;bestaan&rdquo; geeft. Indien men alleen
+datgene als bestaande aanmerkt, wat eene plaats in de ruimte inneemt,
+dan moet inderdaad van de scheppingen van den geest worden getuigd, dat
+zij niet bestaan. Een bestaan in dezen zin hebben dan alleen het
+papier, waarop de schrijver letters heeft geschreven of laten drukken
+en het doek, waarop de schilder eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd
+(dus wat Schaeffle noemde de <i lang="de">symbolische G&uuml;ter</i>),
+maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve onbelangrijke,
+verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van uitdrukking
+zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt zoo herleid
+tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke wereld
+voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van den
+auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van zijn
+lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna de
+vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier,
+inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer
+exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein
+voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of meer
+met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van de
+materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen,
+waardoor zij zijn teweeggebracht.</p>
+<p>Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel
+en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?</p>
+<p>Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de
+realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons op
+grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen,
+volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus
+gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat
+daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.</p>
+<p>Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te
+erkennen, dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als
+zoodanig van hetgeen &bdquo;alleen in de voorstelling bestaat&rdquo;
+ten scherpste wordt onderscheiden, nog geen <i>absolute</i>
+werkelijkheid is, d.w.z. dat daaraan geen zelfstandig bestaan,
+onafhankelijk van ons denken, mag worden <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e5600" href="#xd20e5600" name=
+"xd20e5600">120</a>]</span>toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke
+als onlichamelijke, bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons
+eene voorstelling van hebben gevormd; van beide soorten geldt
+gelijkelijk, dat zij niet in de ervaring zijn gegeven, &bdquo;maar
+ondersteld om de ervaring te helpen begrijpelijk maken&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e5602src" href="#xd20e5602" name=
+"xd20e5602src">87</a>. De voorstelling van het &bdquo;ding&rdquo; of
+voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen ons
+niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het ding
+zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest van zijne
+aanwezigheid.</p>
+<p>Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de grens
+tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding bestaat
+z&oacute;&oacute; te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot
+de eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de
+overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke
+dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de door
+de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens,
+opbouwen.</p>
+<p>Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken
+als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met
+de &bdquo;werkelijkheid&rdquo; overeenstemmend zijn dan die van de
+lichamelijke voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet
+en in het tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze
+natuurlijk werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd)
+geconstrueerde &bdquo;ding&rdquo; als bestaande mogen aanmerken?</p>
+<p>Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het
+letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen
+waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel
+ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het
+auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet op
+eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke
+verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als
+rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde
+bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou
+kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch
+vrijwel algemeen geldende <span class="pagenum">[<a id="xd20e5618"
+href="#xd20e5618" name="xd20e5618">121</a>]</span>leer, volgens welke
+rechten als zaken worden beschouwd; waardoor men komt tot de
+constructie van een recht, hetwelk tot object heeft een ander recht.
+Indien men zich dit begrip duidelijk voor den geest kan stellen, dan
+behoeft Kohlers Immaterialg&uuml;terrecht evenmin eenige moeilijkheid
+op te leveren<a class="noteref" id="xd20e5620src" href="#xd20e5620"
+name="xd20e5620src">88</a>.</p>
+<p>Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren,
+maakt juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht
+in de op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste
+gemakkelijk. In plaats van een aantal los van elkander bestaande
+bevoegdheden, (kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en
+uitvoeringsrecht enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven,
+verkrijgt men &eacute;&eacute;n recht waaruit al deze bevoegdheden
+vanzelf voortvloeien, het recht nl. om binnen bepaalde grenzen met
+uitsluiting van ieder ander over het geestesproduct te beschikken.
+Weliswaar blijft dan nog de moeilijke vraag te beantwoorden,
+w&aacute;&aacute;r de grenzen dienen te worden getrokken, binnen welke
+het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch men heeft
+althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag
+stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan
+worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle
+gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen
+dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen, waarvoor
+het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne rechtverkrijgenden
+mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel beperkende
+uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze
+uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf, dat
+immers <span class="pagenum">[<a id="xd20e5640" href="#xd20e5640" name=
+"xd20e5640">122</a>]</span>naast zijne economische nog andere
+bestemmingen heeft, die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur
+onbeperkt) auteursrecht niet toelaten.</p>
+<p>De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende
+hoofdstukken thuis.</p>
+<p>Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object
+heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product van
+kunst of letterkunde. Doch&mdash;en hiermede kom ik tot het tweede
+punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken&mdash;niet alle
+bevoegdheden der auteurs met betrekking tot hunne werken, die
+gewoonlijk tot het auteursrecht worden gerekend, zijn als een
+uitvloeisel van het recht op het geestelijk product te verklaren. Naast
+het vermogensrecht bestaat nog een ander recht, door de Duitsche
+schrijvers <i lang="de">Individualrecht</i> of <i lang=
+"de">Pers&ouml;nlichkeitsrecht</i>, door de Franschen minder juist
+<i lang="fr">droit moral</i> genoemd, en dat ik in onze taal het best
+meen te kunnen aanduiden met den naam <i>persoonlijkheidsrecht</i>, een
+term, die reeds door enkele onzer schrijvers wordt gebruikt<a class=
+"noteref" id="xd20e5658src" href="#xd20e5658" name=
+"xd20e5658src">89</a>. Onder persoonlijkheidsrecht heeft men in het
+algemeen te verstaan het recht op eerbiediging der persoonlijkheid;
+Gierke karakteriseert het als het recht op een bestanddeel van de eigen
+persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan noemen &bdquo;Recht an der
+eignen Person&rdquo; in tegenstelling met de rechten aan zaken en de
+rechten aan andere personen<a class="noteref" id="xd20e5674src" href=
+"#xd20e5674" name="xd20e5674src">90</a>. De objecten van dit recht
+noemt Gierke <i lang="de">Pers&ouml;nlichkeitsg&uuml;ter</i>, d. w. z.
+goederen, die onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v.
+huisvrede, eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i.
+zeer aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat
+tevens als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming
+tegen een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons
+recht door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het
+wederrechtelijk gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een
+huis tegen den wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in
+vertrouwelijken kring is gezegd of geschreven en vele andere
+&bdquo;onrechtmatige daden&rdquo; van dien aard zal men dus hebben te
+beschouwen als zoovele inbreuken op het persoonlijkheidsrecht van
+dengeen, tegen wien zij gericht waren. Doch Gierke breidt <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5685" href="#xd20e5685" name=
+"xd20e5685">123</a>]</span>den kring der persoonlijkheidsrechten te ver
+uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte
+rekent hij de geestesproducten tot de <i lang=
+"de">&bdquo;Pers&ouml;nlichkeitsg&uuml;ter&rdquo;</i>; hetgeen dus zou
+moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig bestaan
+hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van de
+persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar, dat
+schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt,
+&bdquo;iets van zichzelf&rdquo; in hunne werken leggen, doch dit geeft
+nog geen recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn
+&eacute;&eacute;n. Reeds het feit, dat hetgeen in het binnenste van den
+auteur omgaat, niet daarin blijft, maar tot een kunstwerk wordt
+omgeschapen, dat in de buitenwereld treedt en aan de beoordeeling van
+het publiek wordt overgegeven, doet de onjuistheid zien van de
+vereenzelviging van den auteur met zijn werk. Treffend is de opmerking
+van Kohler in dit verband: &bdquo;eine jede Sch&ouml;pfung schafft
+Entzweiung zwischen dem Sch&ouml;pfer und dem
+Geschaffenen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5690src" href=
+"#xd20e5690" name="xd20e5690src">91</a>. Dat dit ook door Gierke niet
+geheel over het hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen
+object van het auteursrecht is, aanduidt als &bdquo;<span lang="de">ein
+Geisteswerk, das kraft seiner Individualisierung einen gesonderten
+Bestand, kraft seiner &auml;uszerlichen Fixierung ein unabh&auml;ngiges
+Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als unleibliches Gut einen
+selbst&auml;ndigen Werth hat</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5699src" href="#xd20e5699" name="xd20e5699src">92</a>. Hiermede
+is moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van
+den auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met
+de mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming
+te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het
+auteursrecht, een &bdquo;<span lang="de">von der Person abl&ouml;sbares
+Pers&ouml;nlichkeitsgut</span>&rdquo; is<a class="noteref" id=
+"xd20e5705src" href="#xd20e5705" name="xd20e5705src">93</a>, waarmede
+m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen van het
+&bdquo;<span lang="de">Pers&ouml;nlichkeitsgut</span>&rdquo; wordt
+losgelaten.</p>
+<p>Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht<a class="noteref"
+id="xd20e5713src" href="#xd20e5713" name="xd20e5713src">94</a>, maar
+een vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand
+goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5728" href="#xd20e5728" name=
+"xd20e5728">124</a>]</span>reeds is opgemerkt, een aantal, met het
+auteursrecht in meer of minder nauw verband staande, rechten, die men
+vergeefs zou trachten als bestanddeel van dit vermogensrecht te
+verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der persoonlijkheidsrechten goede
+diensten bewijzen. Als uitvloeisel van het persoonlijkheidsrecht van
+den auteur zal men b. v. hebben te beschouwen de bevoegdheid om zich
+tegen de publicatie van niet voor het publiek bestemde geschriften
+(zooals brieven, dagboeken, onvoltooide letterkundige werken, enz.) te
+verzetten. Hier is werkelijk een <i lang=
+"de">Pers&ouml;nlichkeitsgut</i> te beschermen, n. l. de vertrouwelijke
+uiting, hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten
+bestemd, of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de
+auteur zich nog niet heeft weten los te maken.</p>
+<p>Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik
+van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden
+gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen
+worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen
+verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt
+gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn
+naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals wij
+hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen, in de
+laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht, dat het tot
+de taak van het recht behoort, de eerbiediging der persoonlijkheid ook
+in dit opzicht te helpen verzekeren.</p>
+<p>Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het
+openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis
+van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt
+hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden vorm
+niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als
+kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.</p>
+<p>Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den
+auteur ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te
+worden onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en
+het auteursrecht in &eacute;&eacute;ne hand zijn en waar het eerste als
+het ware in het laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer
+onderscheiding niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed
+begrip ook d&aacute;&aacute;r wenschelijk, de twee rechten uit elkander
+te houden. Wij hebben in die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5739" href="#xd20e5739" name=
+"xd20e5739">125</a>]</span>een <i lang="de">Doppelrecht</i> te doen,
+d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming
+verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog
+in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht
+(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht (recht
+om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal worden
+gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht op eene
+dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis b.v. kan
+tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en van het
+persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede)<a class="noteref" id=
+"xd20e5744src" href="#xd20e5744" name="xd20e5744src">95</a>. Practische
+beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander
+recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk kan
+b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht op het
+door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen het
+<span class="corr" id="xd20e5753" title=
+"Bron: persoolijkheidsrecht">persoonlijkheidsrecht</span>, waarop
+inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook het persoonlijkheidsrecht van den
+auteur voorkomen zonder auteursrecht; wanneer b.v. dit laatste is
+vervreemd of indien het een werk betreft, dat niet tot de beschermde
+auteursproducten is te rekenen, zoodat er in het geheel geen
+auteursrecht heeft bestaan.</p>
+<p>In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in
+verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat hier
+voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien, dat wij
+het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben te
+beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking kan
+hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan
+uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen
+rechtskarakter vertoont. <span class="pagenum">[<a id="xd20e5758" href=
+"#xd20e5758" name="xd20e5758">126</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4000" href="#xd20e4000src" name="xd20e4000">1</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Die Idee des geistigen
+Eigenthums</i>, <i lang="de">Archiv f&uuml;r civilistische Praxis</i>
+82 pp. 166 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4012" href="#xd20e4012src" name="xd20e4012">2</a></span> Cf.
+<span class="sc">Fernand Renouard</span>, <i lang="fr">Essai sur la
+nature du droit d&rsquo;auteur</i>, Gen&egrave;ve 1869 pp. 38 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4033" href="#xd20e4033src" name="xd20e4033">3</a></span> Cf. o.a.
+<span class="sc">Charreyron</span>, <i lang="fr">De la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et artistique, Th&egrave;se
+pour le doctorat</i>. Paris 1904 p. 29: &bdquo;<span lang=
+"fr">Toutefois, malgr&eacute; les arguments juridiques invoqu&eacute;s
+par le second syst&egrave;me (dat den letterkundigen eigendom
+bestrijdt), il ne peut &ecirc;tre contest&eacute; &agrave; notre avis,
+que l&rsquo;auteur ait sur son oeuvre un v&eacute;ritable droit de
+propri&eacute;t&eacute;.</span>&rdquo;</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4053" href="#xd20e4053src" name="xd20e4053">4</a></span> Men zie
+hierover o.a.: Dr. <span class="sc">H. Ortloff</span>, <i lang="de">Das
+Autor- und Verlagsrecht als strafrechtlich zu st&uuml;tzendes Recht</i>
+in <i lang="de">Jahrb&uuml;cher f&uuml;r die Dogmatik</i> V pp. 323
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4070" href="#xd20e4070src" name="xd20e4070">5</a></span>
+<span class="sc">Im. Kant</span>, <i lang="de">Metaphysik der
+Sitten</i> I, <i lang="de">Rechtslehre</i>, 1<span class="corr" id=
+"xd20e4080" title="Niet in bron">.</span> <i lang="de">Theil</i>, II
+<i lang="de">Haupst.</i>, 3 <i lang="de">Abschn.</i>, &sect; 31 II.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4094" href="#xd20e4094src" name="xd20e4094">6</a></span> Men zie
+o.a. <span class="sc">Otto Gierke</span>, <i lang="de">Deutsches
+Privatrecht</i> I (<i lang="de">systematisches Handbuch der Deutschen
+Rechtswissenschaft von</i> dr. <span class="sc">Karl Binding</span>,
+2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4115" href="#xd20e4115src" name="xd20e4115">7</a></span>
+<span class="sc">Von Gerber</span>, <i lang="de">Ueber die Natur der
+Rechte des Schriftstellers und Verlegers</i> in: <i>Jahrb&uuml;cher f.
+d. Dogmatik</i> II pp. 359 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4126" href="#xd20e4126src" name="xd20e4126">8</a></span> Dr.
+<span class="sc">Julius Jolly</span>, <i lang="de">Die Lehre vom
+Nachdruck nach den Beschl&uuml;ssen des deutschen Bundes dargestellt.
+Beilageheft zum Archiv f&uuml;r civ. Praxis</i> Bnd. XXXV (1852) p.
+91.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4140" href="#xd20e4140src" name="xd20e4140">9</a></span>
+<span class="sc">Macaulay</span>, <i lang="en">Speeches</i> (Tauchnitz
+Edition) vol. 1 p. 277.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4154" href="#xd20e4154src" name="xd20e4154">10</a></span>
+<i>Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
+Wetenschappen. Afd. Letterkunde</i>, deel VI p. 349.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4166" href="#xd20e4166src" name="xd20e4166">11</a></span>
+<i>Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en
+Gemeente-Bestuur in Nederland</i> XV (<i>nieuwe serie</i> II) pp. 1
+sqq. en 113 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4177" href="#xd20e4177src" name="xd20e4177">12</a></span>
+<i>Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging</i> 1877 I p. 35.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4186" href="#xd20e4186src" name="xd20e4186">13</a></span>
+<i>Hand. Ned. Juristen-Vereeniging</i> 1877 I p. 97.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4204" href="#xd20e4204src" name="xd20e4204">14</a></span>
+<i>Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging</i> 1877 II pp. 70, 71.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4215" href="#xd20e4215src" name="xd20e4215">15</a></span> De
+verschillende opstellen van den heer <span class="sc">de Savornin
+Lohman</span>, waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in:
+<i>Themis</i> 1862 pp. 213 sqq., <i>Rechtsgeleerde Bijdragen</i> 1864
+pp. 140 sqq., <i>Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en
+Gemeentebestuur in Nederland</i> XVI (<i>nieuwe serie</i> III) pp. 6
+sqq. en 72 sqq. Men zie ook: <i>Weekbl. v. h. Recht</i>, no. 2916 en
+<i>Hand. Ned. Jur.-Ver.</i> 1877 II pp. 5 sqq. en 43 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4240" href="#xd20e4240src" name="xd20e4240">16</a></span> Mr.
+<span class="sc">G. Belinfante</span>, <i>Het recht van den auteur</i>.
+<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4255" href="#xd20e4255src" name="xd20e4255">17</a></span> Men zie
+hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van mrs. <span class=
+"sc">de Ridder</span> en <span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>,
+nog van den laatste: <i>Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot
+regeling van het auteursrecht</i>. Utrecht 1877 pp. 6 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4272" href="#xd20e4272src" name="xd20e4272">18</a></span> Mr.
+<span class="sc">S. Katz</span>, <i>Het Auteursrecht</i>.
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> I pp. 311 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4296" href="#xd20e4296src" name="xd20e4296">19</a></span> T. a.
+p. p. 328.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4306" href="#xd20e4306src" name="xd20e4306">20</a></span> Mr.
+<span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>Nederland en de Berner
+Conventie</i>. <i>De Gids</i> 1896 III pp. 411 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4318" href="#xd20e4318src" name="xd20e4318">21</a></span> T. a.
+p. p. 413.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4330" href="#xd20e4330src" name="xd20e4330">22</a></span>
+<i>Handelingen Tweede Kamer</i> 1880/81 pp. 1628, 1644.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4335" href="#xd20e4335src" name="xd20e4335">23</a></span> Ibid.
+pp. 1628, 1642.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4338" href="#xd20e4338src" name="xd20e4338">24</a></span> Men zie
+o.a.: mr. <span class="sc">Henry Viotta</span>, <i>Het auteursrecht van
+den componist</i>. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. <span class="sc">J. van
+de Kasteele</span>, <i>Het auteursrecht in Nederland</i>. Leiden 1885
+pp. 8 sqq.; Mr. <span class="sc">A. G. N. Swart</span>, <i>Opmerkingen
+betreffende auteursrecht op werken van beeldende kunst</i>. Leiden 1891
+pp. 27 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4368" href="#xd20e4368src" name="xd20e4368">25</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Opzoomer</span>, <i>Het Burgerlijke Wetboek
+verklaard</i> III p. 205; <span class="sc">Asser</span> en <span class=
+"sc">van Heusde</span>, <i>Handleiding tot de beoefening van het
+Nederl. Burg. Recht</i> II p. 57; <span class="sc">Land</span>,
+<i>Verklaring van het Burgerlijk Wetboek</i> II p. 2 (2de druk).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4399" href="#xd20e4399src" name="xd20e4399">26</a></span>
+<span class="sc">Edouard Laboulaye</span>, geciteerd door <span class=
+"sc">Fern. Renouard</span> t. a. p. p. 29.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4411" href="#xd20e4411src" name="xd20e4411">27</a></span> Zoo
+o.a. Mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span>, <i>Begrip en omvang
+van het auteursrecht volgens de Nederlandsche wet</i> in <i>Verslagen
+en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd.
+Letterkunde</i> 3de reeks, deel XII pp. 5 sqq.; <span class="sc">de
+Ridder</span> t. a. p. p. 92; <span class="sc">Land</span> t. a. p. p.
+2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4443" href="#xd20e4443src" name="xd20e4443">28</a></span>
+<i lang="de">Autorrecht</i> p. 98.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4470" href="#xd20e4470src" name="xd20e4470">29</a></span> Men zie
+het reeds genoemde artikel van Mr. <span class="sc">Freseman
+Vi&euml;tor</span> in <i>Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en
+gem.-best. in Nederl.</i> XV (<i>nieuwe serie</i> II) pp. 1 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4486" href="#xd20e4486src" name="xd20e4486">30</a></span> T. a.
+p. p. 6.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4491" href="#xd20e4491src" name="xd20e4491">31</a></span> T. a.
+p. p. 9.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4498" href="#xd20e4498src" name="xd20e4498">32</a></span> T. a.
+p. p. 22.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4512" href="#xd20e4512src" name="xd20e4512">33</a></span> T. a.
+p. pp. 22, 23.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4517" href="#xd20e4517src" name="xd20e4517">34</a></span> T. a.
+p. p. 23.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4547" href="#xd20e4547src" name="xd20e4547">35</a></span> In:
+<i>Themis</i> IX pp. 213 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4566" href="#xd20e4566src" name="xd20e4566">36</a></span>
+<span class="sc">H. J. Hamaker</span>, <i>Het rechtsbewustzijn en de
+rechtsfilosofie</i> in: <i>Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke
+Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde</i>, vierde reeks, deel IX
+p. 33.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4579" href="#xd20e4579src" name="xd20e4579">37</a></span> Cf.
+<span class="sc">Hamaker</span> t. a. p. p. 36.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4601" href="#xd20e4601src" name="xd20e4601">38</a></span>
+<span class="sc">Heinrich Heine</span>, <i lang="de">Ideen. Das Buch le
+Grand.</i> Kap. XIV.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4611" href="#xd20e4611src" name="xd20e4611">39</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> pp. 209,
+210.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4642" href="#xd20e4642src" name="xd20e4642">40</a></span>
+<i lang="de">Autorrecht</i> p. 211.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4649" href="#xd20e4649src" name="xd20e4649">41</a></span>
+<i lang="de">Autorrecht</i> pp. 212 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4656" href="#xd20e4656src" name="xd20e4656">42</a></span>
+<i lang="de">Archiv f&uuml;r civilistische Praxis</i> 82 pp. 166 sqq.
+Cf. ook: <span class="sc">Jolly</span>, <i>Die Lehre vom Nachdruck</i>
+pp. 7 sqq. p. 87.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4701" href="#xd20e4701src" name="xd20e4701">43</a></span>
+<i>Amsterdamsch Schetsboek</i> door <span class="sc">S.
+Falkland</span>, <i>Handelsblad</i> 19 Jan, 1907, Avondblad, 3de
+blad.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4720" href="#xd20e4720src" name="xd20e4720">44</a></span>
+<span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span> t. a. p. p. 112.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4725" href="#xd20e4725src" name="xd20e4725">45</a></span>
+<span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>, <i>Hand. Nederl. Jur.
+Vereeniging</i> 1877 I p. 14.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4733" href="#xd20e4733src" name="xd20e4733">46</a></span>
+<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 I pp. 96, 97.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4738" href="#xd20e4738src" name="xd20e4738">47</a></span>
+<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 20.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4772" href="#xd20e4772src" name="xd20e4772">48</a></span> Prof.
+<span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span> in: <i>Rechtsgeleerd
+Magazijn</i> 1887 p. 386.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4788" href="#xd20e4788src" name="xd20e4788">49</a></span> O.a.
+mr. <span class="sc">G. Belinfante</span> in <i>Themis</i> 1865 p.
+341.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4799" href="#xd20e4799src" name="xd20e4799">50</a></span>
+<i>Bijdragen enz.</i> XV p. 20.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4806" href="#xd20e4806src" name="xd20e4806">51</a></span>
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1887 p. 390.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4828" href="#xd20e4828src" name="xd20e4828">52</a></span>
+<span class="sc">Otto Gierke</span>, <i>Deutsches Privatrecht</i> t. a.
+p. p. 756.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4842" href="#xd20e4842src" name="xd20e4842">53</a></span>
+<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 57.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4852" href="#xd20e4852src" name="xd20e4852">54</a></span>
+<i>Nederland en de Berner Conventie</i> door mr. <span class="sc">J. A.
+Levy</span> in: <i>Het Paleis van Justitie</i> 9 Aug. 1898.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4885" href="#xd20e4885src" name="xd20e4885">55</a></span>
+<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 I p. 68.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4915" href="#xd20e4915src" name="xd20e4915">56</a></span>
+<span class="sc">P. J. Proudhon</span>, <i lang="fr">Les Majorats
+litt&eacute;raires</i> (<i lang="fr">Oeuvres compl&egrave;tes</i>, tome
+XVI) p. 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4932" href="#xd20e4932src" name="xd20e4932">57</a></span> T. a.
+p. p. 13.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4959" href="#xd20e4959src" name="xd20e4959">58</a></span> T. a.
+p. p. 17.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4969" href="#xd20e4969src" name="xd20e4969">59</a></span> Behalve
+zijne economische beschouwingen gaf <span class="sc">Proudhon</span>
+over het auteursrechtvraagstuk nog: &bdquo;<i lang=
+"fr">Consid&eacute;rations morales et esth&eacute;tiques</i>&rdquo; en
+&bdquo;<i lang="fr">cons&eacute;quences sociales</i>&rdquo;.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4998" href="#xd20e4998src" name="xd20e4998">60</a></span>
+<span class="sc">Louis Blanc</span>, <i lang="fr">De la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire, Organisation du travail</i>,
+5<sup>me</sup> ed. Paris 1848 pp. 234, 235.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5014" href="#xd20e5014src" name="xd20e5014">61</a></span> De door
+mij geraadpleegde werken van <span class="sc">Schaeffle</span> zijn:
+<i lang="de">Die ausschliessenden &bdquo;Verh&auml;ltnisse&rdquo; mit
+besonderer R&uuml;cksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht,
+Patent-, Muster- und Markenschuz</i> in <i lang="de">Zeitschrift
+f&uuml;r die gesammte Staatswissenschaft</i> 1867 (Band 23) pp.
+113&ndash;218 en 291&ndash;476, en: <i lang="de">Ueber die
+volkswirtschaftliche Natur der G&uuml;ter der Darstellung und der
+Mittheilung</i> in hetzelfde tijdschrift 1873 (Band 29) pp.
+1&ndash;70.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5043" href="#xd20e5043src" name="xd20e5043">62</a></span> Ik heb
+gemeend het woord &bdquo;<i lang="de">Unternehmer-Rente</i>&rdquo; dat
+<span class="sc">Schaeffle</span> hier gebruikt, te moeten vertalen
+door &bdquo;<i>ondernemerspremie</i>&rdquo; en niet door
+&bdquo;<i>ondernemersrente</i>&rdquo;, zooals b.v. mr. <span class=
+"sc">de Ridder</span> deed. Cf. mr. <span class="sc">N. G.
+Pierson</span>, <i>Leerboek der Staathuishoudkunde</i> I pp. 230
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5086" href="#xd20e5086src" name="xd20e5086">63</a></span> T. a.
+p. Band 23 p. 346.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5098" href="#xd20e5098src" name="xd20e5098">64</a></span> T. a.
+p. Band 23 p. 347.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5115" href="#xd20e5115src" name="xd20e5115">65</a></span>
+<i lang="de">Archiv f&uuml;r civilistische Praxis</i> Band 82 p.
+208.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5126" href="#xd20e5126src" name="xd20e5126">66</a></span> Cf.
+hierboven pp. 85 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5144" href="#xd20e5144src" name="xd20e5144">67</a></span> Men
+zie: <i>Hand. Ned. Jur. Vereeniging</i> 1877 I pp. 75 sqq. en:
+<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> pp. 96 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5153" href="#xd20e5153src" name="xd20e5153">68</a></span>
+<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 8.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5167" href="#xd20e5167src" name="xd20e5167">69</a></span> Men zie
+o.a.: <span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span> in <i>Bijdr.</i>
+enz. XV pp. 27 sqq. en Mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in
+<i>Hand. Ned. Jur. Ver.</i> 1877 II pp. 16 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5195" href="#xd20e5195src" name="xd20e5195">70</a></span>
+<i>Bijdragen</i> enz. XVI p. 58.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5203" href="#xd20e5203src" name="xd20e5203">71</a></span>
+<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 47.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5229" href="#xd20e5229src" name="xd20e5229">72</a></span> T. a.
+p. p. 10<span class="corr" id="xd20e5231" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5259" href="#xd20e5259src" name="xd20e5259">73</a></span>
+<i>Bijdragen</i> enz. XVI p. 51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5275" href="#xd20e5275src" name="xd20e5275">74</a></span> T. a.
+p. p. 10.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5290" href="#xd20e5290src" name="xd20e5290">75</a></span> T. a.
+p. 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5310" href="#xd20e5310src" name="xd20e5310">76</a></span> In
+dezen zin o.a. reeds: <span class="sc">Edouard Laboulaye</span>,
+<i lang="fr">Etudes sur la propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire en
+France et en Angleterre</i>, aangehaald door <span class="sc">Fernand
+Renouard</span>, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de
+eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. <span class=
+"sc">G. Belinfante</span>, <i>Het recht van den auteur</i>,
+<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq. Eenigszins afwijkend is de
+leer, door dr. <span class="sc">O. B&auml;hr</span> verkondigd in
+<i lang="de">Archiv f&uuml;r B&uuml;rgerliches Recht</i> VII pp. 150
+sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel van het
+eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt, dat daar
+waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van een reeds
+lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift het recht
+toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5369" href="#xd20e5369src" name="xd20e5369">77</a></span>
+<i lang="de">Beweis der Unrechtm&auml;ssigkeit des
+B&uuml;chernachdrucks</i>. <i lang="de">S&auml;mmtliche Werke</i> 8 pp.
+224 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5406" href="#xd20e5406src" name="xd20e5406">78</a></span>
+<span class="sc">Hegel</span>&rsquo;s <i lang="de">Grundlinien der
+Philosophie des Rechts</i> &sect; 43; men zie ook &sect;&sect; 68 en
+69.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5418" href="#xd20e5418src" name="xd20e5418">79</a></span> Zoo
+b.v. mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in <i>Paleis van
+Justitie</i> 9 Aug. 1898 p. 2: &bdquo;Genoeg, dat gij met uw ellendig
+auteursrecht, benepen gewrocht van kleinzielige opvatting, er in
+geslaagd zijt haar, de gedachte, ten halve te kortwieken...&rdquo;
+enz.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5435" href="#xd20e5435src" name="xd20e5435">80</a></span> Zoo
+b.v. mr. <span class="sc">J. A. Levy</span>, t. a. p. pp. 1 en 2; mr.
+<span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>De Gids</i> 1896 III p. 416;
+<span class="sc">J. D. Doorman</span>, <i>Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd</i> (Leiden 1885) p. 9; <span class="sc">J. H. Kok</span>,
+<i>Auteursrecht en de Berner Conventie</i> (Rotterdam 1905) p. 41.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5484" href="#xd20e5484src" name="xd20e5484">81</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881 p. 1629.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5492" href="#xd20e5492src" name="xd20e5492">82</a></span> Cf. in
+dezen zin: Prof. mr. <span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span>,
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> VI pp. 376, 377.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5525" href="#xd20e5525src" name="xd20e5525">83</a></span> Men zie
+b.v. in dezen zin: <span class="sc">Evertsen de Jonge</span> t. a. p.
+p. 23; <span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>, <i>Bijdr.</i> enz.
+XV p. 16; mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in <i>Hand. Ned. Jur.
+Ver.</i> 1877 II p. 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5553" href="#xd20e5553src" name="xd20e5553">84</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 24. Men zie ook: <i lang="de">Archiv
+f&uuml;r civilistische Praxis</i> 82 pp. 141 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5573" href="#xd20e5573src" name="xd20e5573">85</a></span>
+<i lang="de">Die Lehre vom Nachdruck</i> pp. 37, 38.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5580" href="#xd20e5580src" name="xd20e5580">86</a></span>
+<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 77.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5602" href="#xd20e5602src" name="xd20e5602">87</a></span> Dr.
+<span class="sc">J. P. N. Land</span>, <i>Inleiding tot de
+wijsbegeerte</i> 2de druk &rsquo;s Gravenhage 1900 p. 109.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5620" href="#xd20e5620src" name="xd20e5620">88</a></span> Men
+heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een recht op een
+onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf als object aan
+te nemen, maar &bdquo;het recht van reproduceeren&rdquo; of &bdquo;de
+reproductie&rdquo;. Zoo b.v. mr. <span class="sc">A. A. de
+Pinto</span>, <i>Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de
+Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der Kon. Akademie van
+Wetensch. Afd. Letterk.</i> 3de reeks 12de deel p. 17, die
+schrijft:</p>
+<p class="footnote">&bdquo;Tot die rechten&rdquo; (n.l. rechten op
+onlichamelijke zaken) &bdquo;behoort nu ongetwijfeld... het
+auteursrecht, waarvan het object, de reproductie van een werk, is
+onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk zelf reeds een
+materieel bestaan heeft.&rdquo; Juister en duidelijker is het m. i. in
+plaats van &bdquo;de reproductie van het werk&rdquo; <i>het werk
+zelf</i> als object te beschouwen. De reproductie is de handeling,
+waartoe het recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de
+<i>inhoud</i> van het recht.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5658" href="#xd20e5658src" name="xd20e5658">89</a></span> O.a.
+Prof. mr. <span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span>,
+<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1887 p. 393; Prof. mr. <span class=
+"sc">D. Simons</span>, <i>Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht</i>
+II p. 65.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5674" href="#xd20e5674src" name="xd20e5674">90</a></span>
+<span class="sc">O. Gierke</span>, <i lang="de">Deutsches
+Privatrecht</i> I t. a. p. pp. 260 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5690" href="#xd20e5690src" name="xd20e5690">91</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 5, cf. ook p. 1.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5699" href="#xd20e5699src" name="xd20e5699">92</a></span> T. a.
+p. p. 765.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5705" href="#xd20e5705src" name="xd20e5705">93</a></span> T. a.
+p. p. 767.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5713" href="#xd20e5713src" name="xd20e5713">94</a></span> Tegen
+de leer van <span class="sc">Gierke</span> zijn door <span class=
+"sc">Kohler</span> nog verschillende andere bezwaren ingebracht. Men
+zie: <i>Urheberrecht</i> pp. 1 sqq., <i lang="de">Archiv f&uuml;r
+b&uuml;rgerliches Recht</i> X pp. 246 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5744" href="#xd20e5744src" name="xd20e5744">95</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p. 16.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk III</h2>
+<h2 class="main">De objecten</h2>
+<div class="div2" id="ch3.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Algemeen overzicht en groepeering</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het algemeen kunnen de producten, die voor
+bescherming door auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met
+de, ook in verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: <i>werken
+van kunst en letterkunde</i>. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook
+opgevat, wordt het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een
+belangrijke groep van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als
+&bdquo;Immaterialg&uuml;ter&rdquo; zijn te beschouwen, vallen er
+buiten, nl.: uitvindingen en modellen van nijverheidsproducten, de
+voorwerpen van het zoogenaamde &bdquo;industrieele
+eigendomsrecht.&rdquo;</p>
+<p>Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten van
+overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde, nl.
+bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied tegen
+onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en
+strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men
+echter deze twee categorie&euml;n van rechten, waar zij beide wettelijk
+zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling
+betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de
+<i>Conventie van Parijs van 20 Maart 1883</i> voor den industrieelen
+eigendom<a class="noteref" id="xd20e5778src" href="#xd20e5778" name=
+"xd20e5778src">1</a>. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden
+behoeven <span class="pagenum">[<a id="xd20e5781" href="#xd20e5781"
+name="xd20e5781">127</a>]</span>te zijn, om ook bij eene
+wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo scherp uit elkander
+te houden; doch naast de practische redenen, die verschillende
+voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in karakter van de
+rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip van elk dezer
+rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide rechtvaardigt.
+Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats van deze grenslijn
+overal even gemakkelijk is aan te wijzen.</p>
+<p>Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin
+hebben te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van
+industrieelen eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver
+intellectueelen arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich
+hebben. Bij de meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg
+overwegend zijn (zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek,
+verzen, romans en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet
+het geval is (b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der
+bouwkunst), slechts in zooverre onder de beschermde auteursproducten
+zijn te rekenen, als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische
+schepping vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus
+zijn wat alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend
+verstand, ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te
+pas gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het
+auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der
+nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom
+heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.</p>
+<p>Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen
+auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op, minder
+gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de grens ligt
+tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het woord
+<i>kunstnijverheid</i> wijst reeds op het bestaan van eene groep
+voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe
+zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en
+luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk,
+meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In de
+wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige landen
+door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van
+kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e5790" href="#xd20e5790" name=
+"xd20e5790">128</a>]</span>een voortbrengsel een <i>kunstwerk</i> kan
+worden genoemd (dit woord hier op te vatten in zijne allerruimste
+beteekenis), moet het volgens deze opvatting, indien het ook overigens
+daarvoor in de termen valt, voor een object van auteursrecht worden
+gehouden, ook indien het aan practische doeleinden dienstbaar is
+gemaakt. Dit beginsel vindt men o. a. in de <i lang="fr">loi-type</i>
+der <i lang="fr">Association</i>, welke op dit punt reeds in enkele
+wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het ontwerp is
+toepasselijk op alle werken van plastische of graphische kunst <i lang=
+"fr">&bdquo;quels que soient leur m&eacute;rite, leur emploi et leur
+destination&rdquo;</i> (artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder
+gelegenheid zijn, op deze kwestie terug te komen; hier worde slechts
+aangestipt, dat men door het terrein van het auteursrecht in deze
+richting uit te breiden, de moeilijkheid, die het vinden van eene
+nauwkeurige grensscheiding tusschen auteursrecht en industrieelen
+eigendom oplevert, niet opheft, maar slechts verplaatst.</p>
+<p>Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot eene
+nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht kan zijn,
+dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen, eenige
+groepeering te brengen in de bonte menigte &bdquo;werken van kunst en
+letterkunde&rdquo;.</p>
+<p>De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan,
+waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is de
+onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten, die
+met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te wekken
+door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster<a class=
+"noteref" id="xd20e5809src" href="#xd20e5809" name="xd20e5809src">2</a>
+zou kunnen noemen werken der &bdquo;sprekende&rdquo; kunsten, omdat zij
+onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens
+waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord-<a class=
+"noteref" id="xd20e5818src" href="#xd20e5818" name="xd20e5818src">3</a>
+en der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten
+rekenen de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten,
+maar met lijnen, kleuren en <span class="pagenum">[<a id="xd20e5833"
+href="#xd20e5833" name="xd20e5833">129</a>]</span>figuren iets wordt
+beschreven of uiteengezet. In deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten
+worden: landkaarten, platte gronden, graphische voorstellingen,
+doorsnede-teekeningen van gebouwen en machines enz., vervullen de
+lijnen en kleuren een soortgelijke rol als letters en woorden in een
+geschrift. &bdquo;<span lang="de">Auch
+hier</span>&rdquo;&mdash;schrijft Kohler over deze soort
+werken&mdash;&bdquo;<span lang="de">handelt es sich um eine
+Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige Anwendung
+der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des Wichtigen aus
+der Ueberf&uuml;lle des Vorhandenen f&uuml;r die Brauchbarkeit
+<span class="corr" id="xd20e5840" title="Bron: and">und</span>
+Uebersichtlichkeit entscheidend ist</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e5845src" href="#xd20e5845" name="xd20e5845src">4</a>. Wij hebben
+hier dus te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden
+weergegeven.</p>
+<p>Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard; nl.
+pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden
+gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens:
+gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift worden
+gebracht door middel der <i>choregraphie</i>, een woord dat het eerst
+schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te Parijs,
+die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert: <i lang=
+"fr">Chor&eacute;graphie, ou l&rsquo;art d&rsquo;&eacute;crire la danse
+par caract&egrave;res, figures et signes d&eacute;monstratifs</i>. Ook
+ten aanzien van deze werken bestaat er dus reden te spreken van eene
+taal, die gedanst kan worden en geschreven, maar niet gesproken.</p>
+<p>Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij
+daarmede niet op &eacute;&eacute;ne lijn kunnen worden gesteld: de
+bouwkunst, de verschillende soorten van kunstnijverheid of technische
+kunsten en de photographie.</p>
+<p>Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:</p>
+<ul>
+<li>I De werken, waarbij als materiaal eene <i>taal</i> dienst doet, en
+wel:
+<ul>
+<li><i>a</i>) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);</li>
+<li><i>b</i>) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van
+technischen of wetenschappelijken aard;</li>
+<li><i>c</i>) de taal der muziek (werken der toonkunst);</li>
+<li><i>d</i>) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische
+werken);</li>
+</ul>
+</li>
+<li>II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden
+vallen:
+<ul>
+<li><i>a</i>) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in
+twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen); <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5893" href="#xd20e5893" name=
+"xd20e5893">130</a>]</span></li>
+<li>
+<p class="first">b) de kunstnijverheid;</p>
+</li>
+<li>
+<p class="first">c) de photographie;</p>
+</li>
+<li>
+<p class="first">d) de bouwkunst.</p>
+</li>
+</ul>
+</li>
+</ul>
+<p>Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder
+een van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de
+bescherming z&oacute;&oacute; volledig, dat zij al deze groepen omvat.
+In sommige landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische
+werken, terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographie&euml;n en
+de producten der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde
+auteursproducten worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep
+&bdquo;werken van beeldende kunst&rdquo; onbeschermd is, staat echter
+in dit opzicht onder de beschaafde staten alleen.</p>
+<p>In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende
+auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken
+zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken
+hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het
+woord en die van het beeld (ge&iuml;llustreerde geschriften,
+teekeningen, inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen
+dans en muziek (bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek);
+maar vooral is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst
+en muziek kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding
+worden gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van
+elkander blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk)
+slechts de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene
+zelfstandige muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft
+gestreefd eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander
+(of door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die
+gevallen van <i>programma-muziek</i> in tegenstelling van de
+dusgenoemde <i>absolute muziek</i>. De band is reeds nauwer, waar de
+muziek als begeleiding van het gesproken woord optreedt. Dit voert tot
+het zoogenoemde <i>melodrama</i>, een kunstvorm die in de laatste jaren
+weer meer in zwang schijnt te komen. De innigste samensmelting van
+woord en toon vindt men echter in de vocale muziek, composities voor de
+menschelijke stem, al of niet met instrumentale begeleiding. Hoewel het
+altijd mogelijk blijft, de twee elementen, waaruit deze werken bestaan,
+muziek en tekst, van elkander te scheiden, zijn zij toch meestal te
+beschouwen als &eacute;&eacute;n geheel, zoowel uit aesthetisch oogpunt
+(men denke b.v. aan de muziekdrama&rsquo;s <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e5919" href="#xd20e5919" name=
+"xd20e5919">131</a>]</span>van Richard Wagner) als met het oog op de
+exploitatie. Ten aanzien van het auteursrecht is dit in verschillende
+opzichten van belang<a class="noteref" id="xd20e5921src" href=
+"#xd20e5921" name="xd20e5921src">5</a>; in dit verband is het voldoende
+erop te wijzen, dat naast het recht op de muziek en dat op den tekst
+bij deze werken ook kan bestaan een recht op het geheel, zoodat dit
+laatste in het auteursrecht als een afzonderlijk rechtsobject is te
+beschouwen.</p>
+<p>Iets dergelijks is het geval met de &bdquo;verzamelwerken&rdquo;, d.
+w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen, zooals
+b.v. bloemlezingen, encyclopaedie&euml;n enz. Aan dengeen, die deze
+samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste
+wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit
+geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp van
+auteursrecht.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin
+aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die zich in
+abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend
+exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de
+praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers,
+instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke
+schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de
+&bdquo;creatie&rdquo; van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat
+zich ten aanzien van deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht
+van exploitatie in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen,
+kan misschien voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot
+nu toe slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is,
+deze kunstpraestaties buiten toedoen van den &bdquo;auteur&rdquo; te
+exploiteeren. Doch evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de
+behoefte aan kopierecht heeft doen ontstaan en de verschillende
+reproductie-methodes van prenten en schilderijen tot het verleenen van
+auteursrecht op werken van beeldende kunst hebben geleid, is het niet
+geheel onmogelijk, dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van
+soortgelijken aard zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee
+uitvindingen van de laatste jaren, die in dit opzicht niet geheel
+zonder gevolg zijn gebleven, n.l. de phonograaf of grammophoon en de
+kinematograaf. De eerste dient, zooals bekend, tot het reproduceeren
+van klanken, <span class="pagenum">[<a id="xd20e5933" href="#xd20e5933"
+name="xd20e5933">132</a>]</span>die door middel van een naald, die op
+bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert, in een cylinder of
+plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale muziek en ook de
+sprekende menschelijke stem worden door middel van de daarvan gemaakte
+phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven<a class="noteref" id=
+"xd20e5935src" href="#xd20e5935" name="xd20e5935src">6</a>.</p>
+<p>Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige
+<span class="corr" id="xd20e5946" title=
+"Bron: belissing">beslissing</span> van het Hof van Berlijn, waarbij
+erkend werd het &bdquo;auteursrecht&rdquo; van den zanger op zijne
+stem. Een zanger had liederen gezongen in een phonograaf en de door hem
+&bdquo;bezongen&rdquo; rollen waren in den handel gebracht. Hiervan
+werden nu zonder zijne toestemming door een derde nieuwe reproducties
+gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore brengen van gezang
+voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt en dat het product van
+dezen arbeid, evengoed als een geschrift of eene muzikale compositie,
+als object van auteursrecht is te beschouwen volgens de (toen nog van
+kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870<a class="noteref" id="xd20e5949src"
+href="#xd20e5949" name="xd20e5949src">7</a>.</p>
+<p>Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn,
+vooral indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met
+eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel en
+mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt het
+mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar en
+zichtbaar weer te geven.</p>
+<p>Een <i lang="fr">Congr&egrave;s de l&rsquo;art th&eacute;atral</i>,
+gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds den wensch uitgesproken, dat de
+tooneelspeler tegen de reproductie zijner interpretatie zou worden
+beschermd<a class="noteref" id="xd20e5961src" href="#xd20e5961" name=
+"xd20e5961src">8</a>. Ook de <i lang="fr">Association</i> heeft zich
+met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter sprake, of
+niet eveneens mise-en-sc&egrave;ne, decoratief en costumeering, i. e.
+w. de &bdquo;aankleeding&rdquo; van een stuk, voorwerp van een
+uitsluitend recht behoort te zijn<a class="noteref" id="xd20e5970src"
+href="#xd20e5970" name="xd20e5970src">9</a>. Wat dit laatste betreft
+bestaat er een arrest <span class="pagenum">[<a id="xd20e5982" href=
+"#xd20e5982" name="xd20e5982">133</a>]</span>van 30 Dec. 1898 van het
+Cour d&rsquo;appel van Parijs, waarbij wordt beslist, dat aan het
+<i lang="fr">th&eacute;atre de la Porte-Saint-Martin</i> het
+<i>auteursrecht</i> toekomt op de mise-en-sc&egrave;ne van het door die
+schouwburg-onderneming vertoonde stuk <i>Cyrano de Bergerac</i>. Na de
+overweging, dat de decors als kunstwerken zijn te beschouwen, die de
+bescherming der wet genieten, wordt in het arrest verder gezegd:
+&bdquo;<span lang="fr">... qu&rsquo;il en est de m&ecirc;me de la mise
+en sc&egrave;ne, comprenant les costumes et le groupement des
+personnages, dont le plan g&eacute;n&eacute;ral et la conception, le
+plus souvent r&eacute;gl&eacute;s par un livret manuscrit ou
+inprim&eacute;, sont une oeuvre de l&rsquo;esprit susceptible
+d&rsquo;&ecirc;tre prot&eacute;g&eacute;e par la loi. Qu&rsquo;il suit
+de l&agrave; que la reproduction<a class="noteref" id="xd20e5996src"
+href="#xd20e5996" name="xd20e5996src">10</a>, soit des d&eacute;cors,
+soit de la mise en sc&egrave;ne, ne peut &ecirc;tre faite sans le
+consentement du propri&eacute;taire</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e6000src" href="#xd20e6000" name="xd20e6000src">11</a>.</p>
+<p>Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn,
+welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende
+bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet
+van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen,
+kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder
+de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het
+begrip &bdquo;kunstwerk&rdquo; in het auteursrecht zoo ver uit te
+breiden, dat daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers,
+regisseurs enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m.
+i. alle reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.</p>
+<p>Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft,
+hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van een
+kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op:
+&bdquo;<span lang="de">Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht
+blosz aus den Aufz&uuml;gen und Gew&auml;ndern, sondern auch aus dem
+Arrangement der Zimmer, aus der Gruppirung der Naturobjecte&mdash;diese
+ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk, als &auml;hnliche Arrangements im
+Leben es sind</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6012src" href=
+"#xd20e6012" name="xd20e6012src">12</a>. Hij maakt dan nog verder de
+opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij, dat in de
+kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een gobelin enz. wel
+als werken van beeldende <span class="pagenum">[<a id="xd20e6017" href=
+"#xd20e6017" name="xd20e6017">134</a>]</span>kunst object van
+auteursrecht kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding
+van het stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt
+mij voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal
+zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet de in
+beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een stukje
+werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel
+bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf, welke
+zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan dus niet
+als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks de
+artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om
+dezelfde reden vallen ook buiten den kring der <i>kunstwerken</i> in
+den hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde
+optochten<a class="noteref" id="xd20e6022src" href="#xd20e6022" name=
+"xd20e6022src">13</a>, uitstallingen voor winkelruiten of op
+tentoonstellingen enz. enz.</p>
+<p>Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals
+reeds werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in
+zich hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen
+zijn&mdash;het behoeft nauwelijks te worden gezegd&mdash;niet maar te
+beschouwen als instrumenten in de hand van den schrijver of componist.
+Het ten gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in
+de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale
+hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min of
+meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor
+muziekwerken); de <i>verwerkelijking</i> hiervan moet hij aan anderen,
+de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet weg,
+dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een
+drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn in dat
+geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van elkander te
+onderscheiden.</p>
+<p>In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of
+reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene
+uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als &bdquo;<span lang=
+"de">... eine Augenblicks&auml;uszerung mit allen Zuf&auml;lligkeiten
+des Augenblicks in Bezug auf Stimme <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e6043" href="#xd20e6043" name="xd20e6043">135</a>]</span>Betonung,
+Ausdrucksweise;</span>&rdquo; doch dat dit nog geen reden is om het als
+object van auteursrecht te verwerpen, daar ook van sommige
+&bdquo;<span lang="de">Autorwerke</span>&rdquo; (als voorbeeld noemt
+hij de improvisatie) hetzelfde kan worden gezegd<a class="noteref" id=
+"xd20e6049src" href="#xd20e6049" name="xd20e6049src">14</a>. Deze
+verwijzing naar de improvisatie was m. i. niet eens noodzakelijk; ik
+zou zelfs meenen, dat in het algemeen het werk van uitvoerende
+kunstenaars niet meer dan dat van de &bdquo;scheppende&rdquo; in
+engeren zin onder toevalligheden als b. v. de stemming van het
+oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en de componist komen
+ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet met hun werk
+onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen en
+overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische
+moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn,
+maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking te
+ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken in
+mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken zijn
+de pianist, die een hem onbekend stuk <i lang="fr">&agrave; vue</i> in
+de concertzaal zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo
+iets echter niet licht te verwachten.</p>
+<p>Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van
+meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler
+opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars
+<i>niet</i> als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft:
+&bdquo;<span lang="de">Wohl aber kann an allem diesen <span lang=
+"nl-1900">(d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook b. v. die van
+den orkest-leider)</span> ein Pers&ouml;nlichkeitsrecht bestehen, denn
+es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische
+Nach&auml;ffung ihrer Augenblickst&auml;tigkeit zu bewirken und ihr
+hierdurch dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, n&auml;mlich
+die &bdquo;Gunst&rdquo; des Augenblicks.</span>&rdquo;</p>
+<p>In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel
+ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht der
+uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen
+auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat een
+zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping
+vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken
+van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij
+hebben <i>gemaakt</i>, maar hetgeen zij <i>doen</i>. Met het oog
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6077" href="#xd20e6077" name=
+"xd20e6077">136</a>]</span>hierop is Kohler&rsquo;s karakteriseering
+van de reproductie hunner kunst als &bdquo;<span lang=
+"de">Nach&auml;ffung ihrer Augenblickst&auml;tigkeit</span>&rdquo; zeer
+goed te aanvaarden. Ik meen echter, dat dit niet steeds zoo behoeft te
+blijven. De reproductie-middelen, welke hier ten dienste staan
+(speciaal grammophoon, phonograaf en de &bdquo;Mignon&rdquo;-piano),
+zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem of de muziek die zij
+weergeven hoort men nog storende bijgeluiden, en de rollen en platen
+die worden gebruikt zijn te klein, om werken van eenigszins langeren
+adem zonder af te breken ten gehoore te brengen. Indien men echter
+nagaat, welke vorderingen de techniek reeds heeft gemaakt, is de
+verwachting niet zonder grond, dat men ook deze gebreken in den loop
+der jaren zal weten te verhelpen.</p>
+<p>Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal
+ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der
+uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het
+woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift
+voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars
+van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon
+te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar
+te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar
+behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het
+phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt
+aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven,
+dan zal men niet meer kunnen spreken van &bdquo;<span lang=
+"de">mechanische Nach&auml;ffung ihrer
+Augenblickst&auml;tigkeit</span>.&rdquo; Het zal dan niet meer zijn
+eene nabootsing van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik
+<i>deed</i>, maar zijn werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven.
+En daarmede zal het principieele verschil tusschen werken van dezen
+aard en die van de scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels
+zijn vervallen. Ik zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang
+en spel dan niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten
+rekenen, als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende
+kunst.</p>
+<p>Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en
+verhoudingen, waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit
+zullen intreden en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan.
+Het zou dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband
+hiermede <span class="pagenum">[<a id="xd20e6092" href="#xd20e6092"
+name="xd20e6092">137</a>]</span>reeds nu van een auteursrecht,
+toekomende aan zangers, voordragers, tooneelspelers enz. te spreken.
+Het doel mijner opmerkingen was slechts, te doen uitkomen, dat de kring
+der objecten van auteursrecht nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat
+de grenzen, zooals wij die n&uacute; hebben te stellen, waarschijnlijk
+binnen niet al te langen tijd reeds te eng zullen blijken.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Geschriften</h3>
+<div class="div3" id="ch3.2.1">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">a Kenmerkende eigenschappen</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van
+auteursproducten, waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van
+de geschriften, juister gezegd: van de <i>werken der woordkunst</i>.
+Want ook daar, waar niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in
+taal voorhanden zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare
+afbeelding van hetgeen in de taal is gewrocht en geen essentieel
+bestanddeel daarvan. Er bestaat daarom geen reden om onderscheid te
+maken tusschen de werken, welke de auteur in schriftvorm waarneembaar
+heeft gemaakt, en die welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De
+auteur kan zijn werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner
+publiek; indien het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler
+diens rol mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al
+zal het in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat
+hij zijn geestesproduct&mdash;een gedicht b.v.&mdash;alleen aan den
+phonograaf heeft toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk
+in woordtaal het aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar
+&eacute;&eacute;n letter behoeft te zijn geschreven. Doch men zal
+inzien dat deze omstandigheid niets afdoet aan de vraag, of deze werken
+al dan niet object van auteursrecht kunnen zijn. Waar het alleen op
+aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen en
+dus niet alleen in den geest van den auteur bestaat, maar door anderen
+hetzij waargenomen is, hetzij buiten den auteur om waargenomen kan
+worden.</p>
+<p>Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct
+worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van
+auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot
+stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6107" href="#xd20e6107" name=
+"xd20e6107">138</a>]</span>moet zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te
+vertalen uitdrukking noemt: &bdquo;<span lang="de">ein <span class=
+"corr" id="xd20e6111" title=
+"Bron: k&uuml;nstleriches">k&uuml;nstlerisches</span> Gebilde der
+Sprache</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6115src" href=
+"#xd20e6115" name="xd20e6115src">15</a>. Hiermede wordt niet bedoeld,
+dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de zoogenaamde
+&bdquo;schoone letteren&rdquo; (belletrie, &bdquo;literatuur&rdquo; in
+engeren zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel
+hebben aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in
+wetenschappelijke verhandelingen), valt eene zekere
+&bdquo;woordkunst&rdquo; niet te miskennen. &bdquo;<span lang="de">Zu
+den Kunstwerken</span>,&rdquo;&mdash;schrijft
+Kohler,&mdash;&bdquo;<span lang="de">mindestens zu den Kunstwerken in
+thesi, zu den bestimmungsgem&auml;szen Kunstwerken geh&ouml;ren auch
+diejenigen literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes
+sind, auch diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke
+verfolgen: denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der
+Sprache, die Handhabung der Sprache aber ist eine k&uuml;nstlerische:
+sie ist eine Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der
+Freiheit des Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem
+bloszen Lebenstriebe dient, sondern sich h&ouml;here Zwecke setzt, sei
+es auch nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung.
+Allerdings: die Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist
+nicht &auml;sthetisch, denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf
+wenigstens direkt keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des
+Sch&ouml;nen; wohl aber ist hierbei die Ben&uuml;tzung der Sprache eine
+k&uuml;nstlerische, weil die Sprache &uuml;ber ihre urspr&uuml;nglichen
+Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes, sich erhebt, weil sie dadurch
+ihre eigentlichen Zwecke abwirft und relativ zwecklos
+wird</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6127src" href=
+"#xd20e6127" name="xd20e6127src">16</a>.</p>
+<p>Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt,
+b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in
+gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht
+geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal
+zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te
+zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: &bdquo;<span lang=
+"de">eine dem ordentlichen Kreis des Lebensverkehrs entzogene
+abgerundete Darstellung</span>&rdquo;&mdash;zooals Kohler het elders
+uitdrukt<a class="noteref" id="xd20e6137src" href="#xd20e6137" name=
+"xd20e6137src">17</a>.</p>
+<p>Met zijne onderscheiding tusschen het twee&euml;rlei gebruik, dat
+van <span class="pagenum">[<a id="xd20e6144" href="#xd20e6144" name=
+"xd20e6144">139</a>]</span>de taal kan worden gemaakt, het
+&bdquo;<span lang="de">k&uuml;nstlerische</span>&rdquo; en het
+&bdquo;<span lang="de">nicht-k&uuml;nstlerische</span>&rdquo;, heeft
+Kohler een juist en doeltreffend criterium aan de hand gedaan om te
+beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot de auteursproducten is te
+rekenen<a class="noteref" id="xd20e6152src" href="#xd20e6152" name=
+"xd20e6152src">18</a>. Vele schrijvers hebben zich met deze vraag
+beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of geschreven kan
+worden een door auteursrecht beschermd &bdquo;geschrift&rdquo; is,
+daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de
+kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke
+stelt b.v. als eisch: &bdquo;<span lang="de">Um aber ein Schriftwerk
+(n.l. volgens de Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss
+die Merkmale eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch
+Formgebung individualisirter Gedanken-inhalt darstellen,</span>&rdquo;
+en eenige regels verder: &bdquo;<span lang="de">Es muss sich als
+originale geistige Sch&ouml;pfung offenbaren, die so nur aus der Arbeit
+eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e6180src" href="#xd20e6180" name=
+"xd20e6180src">19</a>. Dat Gierke het kenmerk vooral in het
+persoonlijke karakter van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk
+met zijne theorie der &bdquo;<span lang=
+"de">Pers&ouml;nlichkeitsrechte</span>&rdquo;, waartoe ook het
+auteursrecht volgens hem behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als
+vereischte stelt voor een geschrift om voorwerp van auteursrecht te
+zijn, niet onjuist, al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op
+datgene, waar het voornamelijk op aankomt.</p>
+<p>Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder
+goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter
+beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen
+sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen,
+welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver
+daarvoor zijn bestemd<a class="noteref" id="xd20e6190src" href=
+"#xd20e6190" name="xd20e6190src">20</a>. Doch de eigenschap, welke hier
+als kenmerk <span class="pagenum">[<a id="xd20e6215" href="#xd20e6215"
+name="xd20e6215">140</a>]</span>moet dienstdoen, vindt niet zoozeer
+haar oorsprong in de gesteldheid van het werk zelf, dan wel in
+daarbuiten liggende omstandigheden, als b.v. de smaak en de
+ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid van het gebied der
+taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze omstandigheden zijn
+bovendien aan verandering onderhevig: een geschrift, dat op het
+tijdstip zijner voltooiing niet &bdquo;<span lang=
+"de">verlagsf&auml;hig</span>&rdquo; is, kan dit later worden en
+omgekeerd. Dit criterium mist dus allen vasten grond.</p>
+<p>Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt als
+&bdquo;vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp van
+kopierecht te maken.&rdquo; Behalve dat het werk een &bdquo;individueel
+letterkundig geestesproduct&rdquo; moet zijn (eene omschrijving, die
+niet onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver
+nog: &bdquo;dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd&rdquo; (iets
+dat voor een geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat &bdquo;deze
+verveelvoudiging een vermogensvoordeel kan opleveren&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e6222src" href="#xd20e6222" name=
+"xd20e6222src">21</a>. Door dit laatste wordt wederom niet eene
+blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar eene veranderlijke,
+van andere factoren afhankelijke omstandigheid tot criterium genomen.
+Het is mij bovendien uit de toelichting, die hierbij wordt
+gegeven<a class="noteref" id="xd20e6230src" href="#xd20e6230" name=
+"xd20e6230src">22</a>, niet volkomen duidelijk geworden, hoe moet
+worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel te
+behalen al dan niet bestaat.</p>
+<p>Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch
+schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de&mdash;door onze wet
+beschermde&mdash;geschriften. Een geschrift moet volgens dezen
+schrijver zijn &bdquo;een letterkundig geestesproduct&rdquo; en dit
+laatste wordt omschreven als: &bdquo;product des geestes, in
+schriftelijken vorm, dat, als geheel, van individueelen geestelijken
+arbeid getuigt en waaraan men, wegens vorm of inhoud, waarde hechten
+kan&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6235src" href="#xd20e6235" name=
+"xd20e6235src">23</a>. Op deze definitie zijn verschillende
+aanmerkingen te maken. De &bdquo;schriftelijke vorm&rdquo; is, zooals
+boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van een
+&bdquo;geschrift&rdquo; en had dus in de definitie niet behooren
+opgenomen te worden. Dat een werk, om beschermd te <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6243" href="#xd20e6243" name=
+"xd20e6243">141</a>]</span>zijn, van &bdquo;individueelen geestelijken
+arbeid&rdquo; moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de uitdrukking
+is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk &bdquo;individueel&rdquo; in
+dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke
+arbeid nog geen <i>auteursarbeid</i> is; men denke bv. aan het
+moeitevol ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den
+stenograaf, die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te
+brengen. Ten slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers,
+&bdquo;wegens vorm of inhoud&rdquo; waarde kunnen worden gehecht. Dat
+eene onbestemde uitdrukking als deze niet bevorderlijk is tot het
+verkrijgen van een scherp omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden
+gezegd. M. i. ware dan ook deze laatste zinsnede beter geheel
+weggelaten. De beteekenis kan niet anders zijn dan deze, dat de
+geestelijke arbeid, die aan het werk is besteed, althans eenig
+resultaat moet hebben gehad, dat er iets, al is het nog zoo weinig,
+door tot stand moet zijn gekomen, dat door een redelijk wezen
+gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het geval is&mdash;b.v. bij de
+uiting van een krankzinnige&mdash;kan men moeilijk spreken van een
+&bdquo;product des geestes&rdquo;. De geest heeft zich misschien wel
+afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben
+<i>voortgebracht</i>.<a class="noteref" id="xd20e6251src" href=
+"#xd20e6251" name="xd20e6251src">24</a> Het behoeft geen betoog, dat
+eene opeenvolging van woorden en &bdquo;zinnen&rdquo; zonder organisch
+verband geen &bdquo;geschrift&rdquo; is, in den zin waarin dit woord
+hier wordt gebruikt, evenmin als een losse hoop steenen een gebouw
+vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had, dit met de laatste zinsnede
+zijner definitie uit te drukken, had deze (scil. die laatste zinsnede)
+dus achterwege kunnen blijven. Men zou echter de uitdrukking ook enger
+kunnen opvatten en er uit kunnen lezen, dat alleen die geschriften als
+objecten van auteursrecht in aanmerking komen, die aan zekere eischen
+van wetenschappelijken of aesthetischen aard voldoen. Indien dit de
+bedoeling is geweest, <span class="pagenum">[<a id="xd20e6261" href=
+"#xd20e6261" name="xd20e6261">142</a>]</span>zijn de bezwaren ertegen
+van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of weinig
+belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten; het zou
+trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden, waarnaar de
+beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of
+wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing te
+worden gelaten<a class="noteref" id="xd20e6263src" href="#xd20e6263"
+name="xd20e6263src">25</a>; de eenige eisch, die mag worden gesteld,
+is, dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe
+opzettelijk kunstmatig bewerkte taal.</p>
+<p>Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven
+begripsbepaling, die ook d&aacute;&aacute;rom boven anderen te
+verkiezen is, omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat
+aan de auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet:
+belooning van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht
+op het voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht,
+waar iets is voortgebracht, waar eene schepping&mdash;of zoo men liever
+wil: een maaksel&mdash;van den geest voorhanden is. De meerdere of
+mindere volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake;
+evenmin komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe
+noodig is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben
+wij te maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te
+zijn, eene kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of
+ontdekking); en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen
+hebben: eene kunstschepping in taal, &bdquo;ein k&uuml;nstlerisches
+Gebilde der Sprache&rdquo;.</p>
+<p>Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene
+uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede is
+nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed, dat
+object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer dan
+enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt
+hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan eene aesthetische
+schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij benadering, ook met
+andere woorden of in eene andere taal zou kunnen worden uitgedrukt. Dit
+stelt ons voor eene andere vraag, niet minder belangrijk dan de
+voorgaande, n.l. hoever reikt in elk <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e6273" href="#xd20e6273" name="xd20e6273">143</a>]</span>geval de
+schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal, als
+het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze vraag
+naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld vormen
+van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en dus
+tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds is
+vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het zijne
+kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch3.2.2">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">b Vorm en inhoud</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers
+over auteursrecht met de woorden &bdquo;vorm&rdquo; en
+&bdquo;inhoud&rdquo; omspringen en over de geringe waarde die daarom
+aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds met een enkel woord
+gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker wel mr. J. A. Levy, die
+in een kort opstel&mdash;voor zoover mij bekend het eenige geschrift
+van zijne hand dat over auteursrecht handelt<a class="noteref" id=
+"xd20e6280src" href="#xd20e6280" name="xd20e6280src">26</a>&mdash;zich
+aan z&oacute;&oacute;vele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen
+schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op
+te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van
+groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen,
+die zich&mdash;om welke reden ook&mdash;op hetzelfde standpunt
+plaatsen, in casu de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner
+Conventie<a class="noteref" id="xd20e6288src" href="#xd20e6288" name=
+"xd20e6288src">27</a>.</p>
+<p>Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de
+uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte
+<i>gedachte</i> tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:</p>
+<p>&bdquo;Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom <i>van den
+vorm der gedachte</i>. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij.
+Er bestaat bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of
+gedachte en taal identiek (&bdquo;spreken is overluid denken, denken is
+stil spreken&rdquo;), dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter
+gedachte en woord een innig samenhangend, onverbreekbaar
+bijeenbehoorend <span class="pagenum">[<a id="xd20e6307" href=
+"#xd20e6307" name="xd20e6307">144</a>]</span>samenstel zijn, daaraan
+twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van een rechtsstelsel,
+dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te verklaren, niet durft
+te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt, door te scheiden, wat de
+wetenschap &eacute;&eacute;n verklaart?&rdquo;</p>
+<p>Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte
+(vorm en inhoud) zijn z&oacute;&oacute; onverbreekbaar aan elkander
+verbonden, dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander
+niet; bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van
+het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus tot
+niets.</p>
+<p>Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder
+verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde
+onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: &bdquo;Door den
+<i>vorm</i> tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud
+aan den vorm ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig
+reeds juridisch verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen
+inhoud en vorm onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den
+toon aangeven.&rdquo;</p>
+<p>Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven.
+De vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van
+auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom
+wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema
+gaat de schrijver nog eenigen tijd door: &bdquo;... het op den
+voorgrond sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij
+daardoor wordt ontzield&rdquo;.... &bdquo;Ongeraden blijft het steeds
+van rechtswege de meening te doen postvatten, dat het bij de
+letterkunde slechts om <i>den vorm</i>, het golvende kleed der zwierige
+phrase, en minder om <i>den inhoud</i> te doen is. Wie weet, in
+hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk is voor den
+klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener aanstormende
+bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl Apollo het
+aangezicht zich omsluiert?&rdquo;</p>
+<p>Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het
+auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen
+hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als
+een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen,
+zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het
+privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op
+dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6326" href="#xd20e6326" name=
+"xd20e6326">145</a>]</span>de wet nog verder dan de wet zelf, die de
+meeste buitenlandsche werken onbeschermd laat (artt. 27 en 28). Deze
+eerbied strekt zich echter niet tot het uitsluitend vertalingsrecht
+uit, dat toch ook&mdash;zij het dan in beperkte mate&mdash;door onze
+wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of het auteursrecht ook het
+vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord gegeven: &bdquo;Neen en
+beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke overtuiging nopens de
+ijdelheid van alle auteursrecht&mdash;tegen de wet in, die ik naleven
+moet&mdash;prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het beweerd
+vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig zij ook
+optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een staketsel
+van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht van
+uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter
+hanteeren dan den degen der bewijsvoering,&mdash;het vertalingsrecht is
+eene aanmatiging, een hersenschim.&rdquo;</p>
+<p>Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst
+doen uit het <i>Lehrbuch der Psychologie</i> van F. Jodl (Stuttgart
+1898 pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft
+Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist weer
+met hetgeen hij erop laat volgen: &bdquo;Wat hij (scil. Jodl) leert,
+is: de vertaler arbeidt met <i>zijn eigen</i> gedachtensfeer, met
+<i>zijn eigen</i> voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de
+vertaler, op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den
+invloed, den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking
+is een logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders
+dan bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem,
+met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien
+arbeid des geestes de <i>eigen</i>schap van <i>eigen</i> te zijn?
+enz.&rdquo;</p>
+<p>Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen
+bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van &bdquo;vrije vertaling&rdquo; en
+&bdquo;bewerking&rdquo; gesproken als van synoniemen en worden beide
+voor &bdquo;een logen&rdquo; uitgemaakt, terwijl in de volgende zin
+deze uitspraak ten aanzien der &bdquo;vrije vertaling&rdquo; wordt
+bevestigd, doch ten aanzien der &bdquo;bewerking&rdquo; wederom
+weersproken door de bewering: &bdquo;nooit wordt zij anders dan
+bewerkt&rdquo;, m. a. w. elke vertaling is eene
+&bdquo;bewerking&rdquo;.</p>
+<p>Doch vooral in verband met de beschouwingen over &bdquo;vorm en
+inhoud&rdquo;, die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het
+vertalingsrecht opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is
+eene bescherming van den inhoud en niet van den vorm, en zou
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6349" href="#xd20e6349" name=
+"xd20e6349">146</a>]</span>dus door Mr. Levy, indien deze zich
+consequent betoond had, als het minst verwerpelijke bestanddeel van het
+auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij zien hier echter juist
+het tegenovergestelde geschieden. De groote nadeelen, die uit het
+&bdquo;op den voorgrond sleepen van den vorm&rdquo; ten koste van den,
+veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt Mr. Levy weer te
+zijn vergeten, waar hij schrijft: &bdquo;Voor
+&bdquo;auteursrecht&rdquo; klampt men zich vast <i>aan den vorm</i>.
+Hier ontzinkt u ook deze, want des vertalers <i>vorm</i> is de vorm
+<i>van den vertaler</i>. Wat blijft er over?&rdquo; En in een
+naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp van
+Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met een beroep
+op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt, herhaald:
+&bdquo;Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze wet
+<i>den vorm</i> alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg,
+naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm <i>zijn
+eigendom</i> is, wat blijft er dan, in &rsquo;s hemels naam, te
+beschermen over?&rdquo;</p>
+<p>Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand.
+Wat er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van
+zijn opstel den &bdquo;inhoud&rdquo; genoemd heeft, dus datgene wat
+overblijft, als men het geschrift &bdquo;het golvende kleed der
+zwierige phrase&rdquo; heeft uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van
+&bdquo;klinkklank en zingzang&rdquo;.</p>
+<p>Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica
+in Mr. Levy&rsquo;s betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt
+beweerd, dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar
+geheel vormen en het heet huichelarij die twee te willen scheiden.
+Terstond daarop wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets
+onbestaanbaars zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte)
+afgekeurd, op grond dat daardoor de letterkunde wordt
+&bdquo;ontzield&rdquo; enz. En dit betoog loopt tenslotte uit op eene
+veroordeeling van het uitsluitend vertalingsrecht, waarvoor als
+voornaamste argument moet dienen, dat het auteursrecht (en speciaal het
+auteursrecht van onze wet)... alleen den vorm beschermt! Wat eerst als
+iets onmogelijks wordt voorgesteld en daarna ten scherpste wordt
+afgekeurd, datzelfde is nu plotseling een vanzelf sprekend feit
+geworden: &bdquo;immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm <i>zijn
+eigendom</i> is...&rdquo;!</p>
+<p>Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde
+bewijzen en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op
+apodictischen <span class="pagenum">[<a id="xd20e6377" href=
+"#xd20e6377" name="xd20e6377">147</a>]</span>toon worden verkondigd, is
+inderdaad niet te vinden. En indien het waar is, wat mr. Levy beweert:
+dat slechts aan zijne zijde met den &bdquo;degen der
+bewijsvoering&rdquo; wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders geen
+ander wapen hebben dan &bdquo;den knuppel der lompheid&rdquo;, dan
+kunnen deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het
+edele wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen,
+weinig kwaad kan, zoolang er&mdash;zooals hier&mdash;slechts gaten mee
+in de lucht worden geprikt.</p>
+<p>Doch laat ons thans het vraagstuk van &bdquo;vorm en inhoud&rdquo;
+wat meer van nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de
+verhouding tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de
+wetenschap &eacute;&eacute;n worden verklaard?</p>
+<p>De stelling: &bdquo;spreken is overluid denken, denken is stil
+spreken&rdquo; is inderdaad door sommige geleerden verdedigd<a class=
+"noteref" id="xd20e6383src" href="#xd20e6383" name=
+"xd20e6383src">28</a>, doch door een zeker niet minder groot aantal met
+groote beslistheid tegengesproken. Dat denken en spreken
+&eacute;&eacute;n zijn, dat er dus geen denken zonder spreken mogelijk
+zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen van grooten
+wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet alleen, maar
+argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor weerlegging
+vatbaar zijn.</p>
+<p>Steinthal<a class="noteref" id="xd20e6394src" href="#xd20e6394"
+name="xd20e6394src">29</a> b.v. noemt een groot aantal gevallen op,
+waarin gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van
+denkende wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de
+dieren, en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook
+normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand wordt
+gephantaseerd&mdash;hetgeen ook een intellectueel handelen kan worden
+genoemd&mdash;zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van
+ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij wij
+een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons
+opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer
+beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder hulp
+der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebra&iuml;sche teekens, die
+in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6406" href="#xd20e6406" name=
+"xd20e6406">148</a>]</span>en op het Chineesche schrift, waarbij het
+meer aankomt op het zichtbare teeken dan op het klankbeeld, welk
+laatste de Chineezen soms zelfs niet eens schijnen te kennen. Het
+denken&mdash;schrijft Steinthal&mdash;moge ons met behulp van woorden
+gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor; &bdquo;<span lang=
+"de">weil wir an diese Kr&uuml;cke gew&ouml;hnt
+sind</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6411src" href=
+"#xd20e6411" name="xd20e6411src">30</a>.</p>
+<p>Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N.
+Land<a class="noteref" id="xd20e6416src" href="#xd20e6416" name=
+"xd20e6416src">31</a>. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen
+volgens dezen schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de
+opgewekte eigen werkzaamheid van den hoorder of lezer. &bdquo;Reeds dat
+schetsachtige van alle spreken en schrijven, en de behoefte aan
+tegemoetkoming van den anderen kant, maakt de vereenzelviging van
+denken en spreken, als &eacute;&eacute;ne zaak met een binnen- en een
+buitenzijde, onaannemelijk&rdquo;. Ook deze schrijver geeft toe, dat
+het denken, uit kracht der gewoonte, wel meestal met spreken of althans
+met voor zichzelf in woorden brengen, gepaard gaat. Doch hij wijst
+erop, dat dit nog geen &bdquo;denken in&rdquo; de eene of andere taal
+beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet wenschen verschillende talen
+door elkander te mogen gebruiken, om elk deel van hetgeen men denkt
+goed tot zijn recht te laten komen, en hoe dikwijls moet men niet iets
+van de schakeering zijner gedachten opofferen om de taal zuiver te
+houden<a class="noteref" id="xd20e6425src" href="#xd20e6425" name=
+"xd20e6425src">32</a>.</p>
+<p>En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan te
+halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede<a class=
+"noteref" id="xd20e6430src" href="#xd20e6430" name=
+"xd20e6430src">33</a> over de vraag: &bdquo;Is denken zonder woorden
+mogelijk?&rdquo; aldus uit: &bdquo;Ik meen echter, dat het antwoord
+zeer beslist moet luiden: denken zonder woorden is mogelijk, geschiedt
+zelfs door ieder mensch iederen dag.&rdquo; Men moet daarbij
+onderscheid maken tusschen bewust en onbewust denken; alleen van het
+eerste kan gezegd worden dat het <i>meestal</i>&mdash;dus niet eens nog
+altijd&mdash;met woorden geschiedt. &bdquo;Dat er
+echter&rdquo;&mdash;gaat dr. Woltjer voort&mdash;&bdquo;een denken
+zonder woorden is en in en door ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo
+dikwijls voorkomende geval, dat wij naar een woord of naar het juiste
+woord <span class="pagenum">[<a id="xd20e6441" href="#xd20e6441" name=
+"xd20e6441">149</a>]</span>voor een gedachte of eene voorstelling
+moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat wij de voorstelling of
+wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen daarnaar verschillende
+woorden, die ons door associatie of op eenige andere wijze voor het
+bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den maatstaf, of ze passen om
+uit te drukken wat wij uitdrukken willen; passen ze niet, dan zoeken
+wij een ander woord, totdat wij het juiste gevonden hebben en zeggen:
+d&aacute;t is het. We hebben dus de gedachte, maar het symbool voor de
+gedachte, het woord hebben we niet&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e6443src" href="#xd20e6443" name="xd20e6443src">34</a>.</p>
+<p>Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig
+zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om op
+hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende
+rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor
+&eacute;&eacute;n en hetzelfde; met Steinthal<a class="noteref" id=
+"xd20e6448src" href="#xd20e6448" name="xd20e6448src">35</a> meen ik te
+moeten onderscheiden tusschen den &bdquo;<span lang=
+"de">darzustellenden Gegenstand</span>&rdquo; en de taal, die
+&bdquo;<span lang="de">den Gegenstand darstellt</span>&rdquo;; dus
+tusschen datgene wat de schrijver heeft te zeggen en de reeks van
+woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd heeft. Noemt men nu het
+eerste den <i>inhoud</i> en het tweede den <i>vorm</i> van het
+geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat de
+inhoud niet onherroepelijk aan dien &eacute;&eacute;nen vorm gebonden
+is, maar dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven,
+dat het niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen
+vorm te vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd
+terugvindt.</p>
+<p>Het &bdquo;geven van een anderen vorm aan den inhoud&rdquo;
+geschiedt voornamelijk bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de
+taal &eacute;&eacute;n is met hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou
+de vertaler, die immers andere woorden en andere zinnen gebruikt, ook
+noodzakelijkerwijze andere gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan
+de oorspronkelijke schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel
+nieuw werk zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het
+oorspronkelijke vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van
+Mr. Levy te zijn blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i.
+kan dit niet in ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk
+geschriften, waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6465" href="#xd20e6465" name=
+"xd20e6465">150</a>]</span>uitmaakt, dat zij bezwaarlijk in eene andere
+taal kunnen worden weergegeven z&oacute;&oacute; dat hun wezen behouden
+blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en reeds uit het feit,
+dat men deze geschriften &bdquo;onvertaalbaar&rdquo; pleegt te noemen,
+valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het getrouw en
+volkomen weergeven van <i>hetzelfde</i> werk in eene andere taal;
+indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk
+geschrift &bdquo;vertaald&rdquo; kunnen worden. Zonderen wij deze
+onvertaalbare of moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik
+uit, dan kan als algemeene regel worden gesteld, dat eene goede
+vertaling de gedachten en gevoelens, die den inhoud van het
+oorspronkelijke werk uitmaken, nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en
+daar een enkele gevoels- of gedachteschakeering verloren zijn gegaan,
+daar staat tegenover, dat de vertaler misschien op andere plaatsen
+uitdrukkingen heeft weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken
+schrijver, die aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in
+juistheid en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling
+lijdt, is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te
+worden genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen
+<i>volmaakt</i> beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den
+schrijver. Dat de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde
+als het origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends
+te beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument
+gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte:
+&bdquo;<span lang="de">Die F&auml;higkeit der Uebersetzung aus einer
+Sprache in die andere zeigt doch wohl klahr, wie der Gedanke nur
+&uuml;ber den Sprachen webt, aber nicht in ihnen lebt als in seinem
+Leibe</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6476src" href=
+"#xd20e6476" name="xd20e6476src">36</a>. Eigenaardig is het, hiernaast
+eene opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der
+door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot de
+taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en
+gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt
+afgeschilderd: &bdquo;<span lang="de">Daher</span>&rdquo; (nl. wegens
+het verschil van zinsbouw in het Latijn en in de moderne talen)
+&bdquo;<span lang="de">kann man sehr selten eine bedeutende Phrase aus
+einer neuern Sprache w&ouml;rtlich ins Lateinische &uuml;bersetzen:
+sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen,
+g&auml;nzlich entbl&ouml;szen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn,
+ohne <span class="pagenum">[<a id="xd20e6485" href="#xd20e6485" name=
+"xd20e6485">151</a>]</span>alle Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann
+aber musz man ihn wieder mit einem neuen ganz andern Leibe bekleiden,
+in den Lateinischen Worten, die ihn in ganz andrer Formen wiedergeben;
+so dasz z. B. was im Original durch Substantive, jetzt durch Verba
+ausgedr&uuml;ckt wird u. s. w.</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e6488src" href="#xd20e6488" name="xd20e6488src">37</a>. Wat hier
+duidelijk als Schopenhauer&rsquo;s opvatting uitkomt, is
+dat&mdash;ondanks het groote verschil in constructie&mdash;toch de
+nieuwe, latijnsche zin denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke;
+de geest is volgens zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij
+nu in een ander lichaam. En wat hier van &eacute;&eacute;n enkele zin
+wordt gezegd, geldt natuurlijk nog in verhoogde mate van een geschrift
+in zijn geheel; sommige kleine onderdeelen kunnen in de vertaling
+minder zuiver zijn weergegeven, doch in de groote lijnen blijft het
+werk ongerept.</p>
+<p>Er zijn echter&mdash;zooals ik reeds opmerkte&mdash;geschriften,
+waarop het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is,
+n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te
+zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf:
+de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in
+po&euml;zie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel
+niemand willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral
+door de letterkundige beweging van &rsquo;80 op den voorgrond gebracht,
+volgens welke bij de beoordeeling van een vers <i>uitsluitend</i> met
+deze twee factoren rekening moet worden gehouden. In po&euml;zie zou
+dus geen inhoud bestaan, die van den vorm kan worden afgescheiden, of
+zoo dit al mogelijk is, dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm,
+zonder eenige waarde zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing
+van deze, ook voor het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele
+aanhalingen van hare meest bekende voorstanders.</p>
+<p>&bdquo;Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel,
+we&ecirc;rgegeven in geluid... Dat toch de po&euml;zie niet alleen ligt
+in de beteekenis der woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v.
+in een vers van Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders
+rangschikt, als de dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver
+logisch oordeel, is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6510" href="#xd20e6510" name=
+"xd20e6510">152</a>]</span>verloren. Wel een bewijs dat de po&euml;zie
+niet kan bestaan zonder de klankexpressie, &rsquo;t gezongene van
+&rsquo;t vers, in verband natuurlijk met de
+woordbeteekenis&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6512src" href=
+"#xd20e6512" name="xd20e6512src">38</a>.</p>
+<p>&bdquo;De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek
+van Kloos en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der
+&bdquo;klankexpressie&rdquo;, door hen het eerst aldus genoemd, en
+gevestigd op de stelling dat <i>als po&euml;zy</i> de gedachte zonder
+den vorm of klank volkomen zonder waarde is. Immers had de gedachte op
+zich zelve waarde, dan zou er niet een essenti&euml;el onderscheid zijn
+tusschen een slechte vertaling en een goed origineel, tusschen een
+schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en het werk van Dante zelf,
+tusschen een leelijk fotografiesch portret en den levenden
+mensch&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6528src" href="#xd20e6528"
+name="xd20e6528src">39</a>.</p>
+<p>&bdquo;Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is
+het minst symbolisch, het meest re&euml;el. Een melodie is de
+allernauwkeurigste expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat
+melodie en zielstoestand &eacute;&eacute;nzelfde ding is.</p>
+<p>Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden
+zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan
+verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden&mdash;zoo
+goed als <span class="corr" id="xd20e6540" title=
+"Bron: melodi&euml;en">melodie&euml;n</span>&mdash;en enkel door hun
+geluid en hun rhythme kunnen zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel
+zeker zal een woordenreeks expressiever zijn naarmate zij minder
+zinnebeeld en meer muziek is.</p>
+<p>Het geluid van menschenwoorden k&aacute;n z&oacute;&oacute; vol en
+innig zijn, dat deze schijnen als <span class="corr" id="xd20e6545"
+title="Bron: melodi&euml;en">melodie&euml;n</span>, geen symboliek,
+maar zielstoestanden zelf&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6548src"
+href="#xd20e6548" name="xd20e6548src">40</a>.</p>
+<p>&bdquo;Wat gij doen moet&rdquo; (nl. bij het voordragen van verzen)
+&bdquo;is alleen op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen
+moet gij laten hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den
+rhythmus noemt, en het geluid van de klanken... Ik spreek nu
+gemakshalve van den vorm, om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In
+rhythmus en geluid zit de geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van
+een afzonderlijken vorm kan spreken. Vorm en inhoud van <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6558" href="#xd20e6558" name=
+"xd20e6558">153</a>]</span>een gedicht zijn geen twee werkelijk
+bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van
+inhoud en van vorm spreken in het abstracte&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e6560src" href="#xd20e6560" name="xd20e6560src">41</a>.</p>
+<p>Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen
+laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat zij
+grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de dichters
+zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe Gids-school
+bracht niet alleen nieuwe&mdash;of althans in ons land te dien tijde
+ongewone<a class="noteref" id="xd20e6573src" href="#xd20e6573" name=
+"xd20e6573src">42</a>&mdash;<i>begrippen</i>over de po&euml;zie, maar
+zij gaf ook verzen, waarin het &bdquo;nieuwe geluid&rdquo; was te
+hooren, voor wie er ooren voor hadden. Tot deze laatsten behoorde
+blijkbaar niet mr. Levy, die het had over &bdquo;... den klinkkank en
+den zingzang, onvoldragen vruchten eener aanstormende bent,&rdquo;
+enz., woorden, die moeilijk op iets anders dan op de Nieuwe
+Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over dit gebrek aan waardeering
+valt niet te strijden, en allerminst hier. Subjectieve opvattingen over
+kunst of literatuur zijn in eene verhandeling over auteursrecht van
+geen belang. Doch behoeft men zich over de kunstwaarde, die men zelf
+aan een werk of aan een bepaald soort van werken hecht, niet uit te
+laten; w&eacute;l noodzakelijk is het, dat men zich de bewondering of
+waardeering van anderen althans kunne verklaren. Indien men als een
+volslagen vreemde tegenover het werk staat, zal het moeilijk vallen, er
+de ontleding op toe te passen, die noodzakelijk is, om de bestanddeelen
+te kunnen aanwijzen, welke tezamen het object van des auteurs recht
+uitmaken. Geen kritisch oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig
+inzicht in de kunstwaarde en het kunstbegrip dat aan de werken ten
+grondslag ligt. Dit objectieve standpunt hoop ik bij de enkele
+opmerkingen, welke ik over de leer in kwestie nog laat volgen, niet uit
+het oog te verliezen.</p>
+<p>Vorm en inhoud&mdash;dit kan terstond worden
+toegegeven&mdash;verhouden zich in de po&euml;zie anders tot elkaar dan
+b.v. in een wetenschappelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e6590"
+href="#xd20e6590" name="xd20e6590">154</a>]</span>geschrift. Het
+verschil in de beteekenis en de functie der taal in het eene en in het
+andere geval kan zelfs z&oacute;&oacute; groot zijn, dat men geneigd is
+het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te
+beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen
+iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen, te
+betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet
+worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op
+ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter
+volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is, maar
+muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel verschil
+tusschen po&euml;zie en muziek, en het is niet juist, wat uit enkele
+der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou kunnen
+worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen
+<i>uitsluitend</i> aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien
+dit waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn,
+niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de po&euml;zie zou,
+evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.</p>
+<p>Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden
+geregen, verkrijgt men iets dat met po&euml;zie weinig of niets heeft
+te maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber<a class="noteref"
+id="xd20e6597src" href="#xd20e6597" name="xd20e6597src">43</a> aldus
+genoemde &bdquo;naiven Lautspiele&rdquo;, dat zijn: &bdquo;<span class=
+"corr" id="xd20e6605" title="Bron: ..">...</span> die jenigen
+Lautspiele... welche entweder nur Laute verwenden oder sich doch der
+Worte nur als Laute bedienen.&rdquo; Als voorbeeld noemt hij het
+volgende liedje, dat door de Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde
+&bdquo;aftikken&rdquo; wordt gebruikt:</p>
+<div lang="de" class="lgouter">
+<p class="line">Ene mene men</p>
+<p class="line">Ti tukken tukken ten</p>
+<p class="line">Karabutte, karabutte</p>
+<p class="line">Witsch Watsch</p>
+<p class="line">Ab, dran!</p>
+</div>
+<p class="first">Een ander voorbeeld, ook door Gerber
+meegedeeld<a class="noteref" id="xd20e6621src" href="#xd20e6621" name=
+"xd20e6621src">44</a><span class="corr" id="xd20e6623" title=
+"Bron: ;">,</span> waarin meer bestaande woorden voorkomen, zonder
+echter eenigen zin te vormen, is nog het volgende: <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6626" href="#xd20e6626" name=
+"xd20e6626">155</a>]</span></p>
+<div lang="de" class="lgouter">
+<p class="line">Thaler</p>
+<p class="line">Maler</p>
+<p class="line">K&uuml;hchen</p>
+<p class="line">K&auml;lbchen</p>
+<p class="line">Schw&auml;nzchen</p>
+<p class="line">Dideldideld&auml;nzchen.</p>
+</div>
+<p class="first">Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele
+liedjes tot de po&euml;zie te rekenen; doch iets anders is met dit
+proc&eacute;d&eacute; ook niet te bereiken. De taal&mdash;indien dit
+woord hier nog kan worden gebruikt&mdash;is aangewend voor iets dat
+buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter wereld iemand gelukken, er
+op deze wijze iets waardevols mede tot uitdrukking te brengen.</p>
+<p>Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der
+klank-expressie, die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de
+kenmerken der po&euml;zie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet
+voor hetzelfde houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm,
+alliteratie enz., die als uiterlijke klankmiddelen alleen het
+lichamelijk gehoor aandoen<a class="noteref" id="xd20e6645src" href=
+"#xd20e6645" name="xd20e6645src">45</a><span class="corr" id=
+"xd20e6653" title="Niet in bron">.</span> Het is iets veel hoogers en
+&bdquo;geestelijkers&rdquo;; in dien zin, dat er niet slechts
+zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering door wordt
+gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel, dat ieder die oor
+heeft voor po&euml;zie kan waarnemen, doch waarvoor eene verklaring
+niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met een voorbeeld
+gedemonstreerd:</p>
+<p>&bdquo;Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn
+sonnetverheffingen ten einde vloeit:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;Als alles wat h&eacute;&eacute;l v&egrave;r is
+en h&eacute;&eacute;l schoon&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">Men weet, dat als er stond:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;Als alles wat zeer ver is en zeer
+schoon&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">de regel heel zijn leven had verloren.</p>
+<p>Nu kan men dit <i>van buiten af</i> wel eenigszins verklaren door
+zijn indruk na te gaan en te zeggen: &rsquo;t woordje
+&bdquo;heel&rdquo; is zacht van klank en &bdquo;zeer&rdquo; is hard,
+&bdquo;heel&rdquo; is bekoorlijk door natuurlijkheid,
+&bdquo;zeer&rdquo; is wijsneuzig deftig en in deez&rsquo; regel waar
+een liefdeklacht ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars
+avondlied versterft, klinkt &rsquo;t woordje &bdquo;heel&rdquo; alleen.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6673" href="#xd20e6673" name=
+"xd20e6673">156</a>]</span></p>
+<p>Maar dit is niet met <i>indringend bewijs</i> verklaren hoe &rsquo;t
+w&eacute;zen zelf der dichtkunst van dit verschil afhankelijk
+is&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6679src" href="#xd20e6679" name=
+"xd20e6679src">46</a>.</p>
+<p>Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der po&euml;tische
+uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de
+verwisseling van de woordjes &bdquo;heel&rdquo; en &bdquo;zeer&rdquo;,
+die in wetenschappelijk proza waarschijnlijk overal, zonder eenige
+schade aan het geheel aan te brengen, zou kunnen geschieden, heeft
+hier, in een sonnet, tot gevolg, dat de versregel totaal wordt
+bedorven. Maar hieruit volgt nu nog niet, dat het woord
+&bdquo;h&eacute;&eacute;l&rdquo; in dit vers uitsluitend terwille van
+den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het
+verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het het
+symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid) zou
+ontleenen. De woorden &bdquo;heel&rdquo; en &bdquo;zeer&rdquo; gelden
+wel voor synoniemen, maar <i>in dit verband</i> hebben zij zeer zeker
+niet dezelfde beteekenis, daar immers de <i>uitdrukkingskracht</i> van
+den regel van de keuze die men tusschen beide woorden doet afhankelijk
+is. De vervanging van &bdquo;h&eacute;&eacute;l&rdquo; door
+&bdquo;zeer&rdquo; zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet
+alleen in den <i>vorm</i> maar ook in den <i>inhoud</i> van het gedicht
+(scil. volgens de beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb
+gebruikt, nl.: vorm = taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt
+uitgedrukt). &bdquo;De naakte gedachte, het zuiver logisch
+oordeel&rdquo;, is weliswaar precies hetzelfde gebleven<a class=
+"noteref" id="xd20e6696src" href="#xd20e6696" name=
+"xd20e6696src">47</a>, maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht
+niet; de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte
+gedachten en zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook
+in po&euml;zie, niet voor &eacute;&eacute;n; ik meen, dat er ook hier
+een inhoud is, die van den vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen
+tevens, dat dit met de leer der Nieuwe Gids-school niet in strijd is,
+daar ik onder &bdquo;inhoud&rdquo; iets anders versta: den inhoud dien
+ik bedoel, zal men b.v. in eene &bdquo;slechte vertaling&rdquo; of in
+een &bdquo;schooljongens-inhoudsverslag&rdquo; van een werk als
+Dante&rsquo;s Comedia<a class="noteref" id="xd20e6703src" href=
+"#xd20e6703" name="xd20e6703src">48</a> niet&mdash;of slechts deerlijk
+gehavend&mdash;terugvinden.</p>
+<p>Wel is het natuurlijk bij po&euml;zie veel moeilijker dan bij andere
+geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene
+voorstelling <span class="pagenum">[<a id="xd20e6712" href="#xd20e6712"
+name="xd20e6712">157</a>]</span>te maken, want vooreerst is de grens
+tusschen beide moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls
+ondoenlijk den inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar
+dit mag geen reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud,
+onafhankelijk van den vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens
+opmerkt: &bdquo;<span lang="de">... Die darstellungslose
+Idee</span>&rdquo; (hieronder heeft men in dit verband in het algemeen
+te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van den vorm)
+&bdquo;<span lang="de">ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn
+es uns auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos
+&bdquo;darzustellen&rdquo;; ebenso wie ein chemischer Stoff existirt
+und sich als einheitlich wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht
+m&ouml;glich ist, denselben f&uuml;r sich allein zur Darstellung zu
+bringen und aus den Verbindungen zu l&ouml;sen&rdquo;... &bdquo;Die
+Existenz eines solchen nicht real l&ouml;sbaren, nicht rein
+darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste
+kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch
+wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer
+dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung
+kommt</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6720src" href=
+"#xd20e6720" name="xd20e6720src">49</a>.</p>
+<p>Nu moge het&mdash;zooals reeds werd opgemerkt&mdash;niet gemakkelijk
+zijn den inhoud van po&euml;zie in een anderen vorm weer te geven,
+onmogelijk is het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet
+denzelfden indruk maken als de eigen woorden van den dichter, is nog
+geen bewijs van het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de
+vele zware en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar
+vooral moet men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische
+werking van een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen
+alles overwegend deel, berust op de <i>taal</i>, d.i. dus den
+<i>vorm</i>. De uiterlijke welluidendheid, teweeggebracht door het
+zintuigelijk waarneembare geluid van de woorden, is uit den aard der
+zaak in de vertaling eene andere geworden en als de vertaling in dit
+opzicht bij het oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te
+wijten aan het niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de
+minderwaardigheid van den nieuwen vorm in vergelijking met den
+oorspronkelijken.</p>
+<p>Wat men echter w&eacute;l in eene vertaling kan terugvinden, dat is
+de &bdquo;klank-expressie&rdquo;, waarvan hierboven sprake was. Dit
+mag, oppervlakkig <span class="pagenum">[<a id="xd20e6735" href=
+"#xd20e6735" name="xd20e6735">158</a>]</span>bezien, vreemd schijnen;
+doch indien men het onderscheid, dat ik zooeven heb trachten aan te
+toonen, tusschen de uiterlijke, onmiddellijk waarneembare
+welluidendheid en den innerlijken, &bdquo;geestelijken&rdquo; klank,
+waarop de klank-expressie berust, goed in het oog houdt, is het wel
+verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere taal w&eacute;l
+aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische gedachten
+en niet voor woorden, die po&euml;tische stemmingen en gevoelens
+vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in een
+belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door hemzelf
+gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige
+bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie
+heeft uitgelaten<a class="noteref" id="xd20e6737src" href="#xd20e6737"
+name="xd20e6737src">50</a>. In dit opstel tracht van Deyssel aan te
+toonen, dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt
+uit het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat.
+Die van Prof. van Hamel noemt hij de
+&bdquo;linguistiesch-aesthetische&rdquo;, die van hemzelf de
+&bdquo;alleen-aesthetische&rdquo;. Het verschil, dat trouwens volgens
+van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt vooral
+hierin uit, dat de &bdquo;kunstige geleerde&rdquo;, zooals van Hamel,
+die den &bdquo;linguistiesch-aesthetischen&rdquo; maatstaf aanlegt, bij
+het spreken over &bdquo;klankgehalte van den volzin&rdquo;,
+&bdquo;beweging van rhythme&rdquo; enz. iets anders bedoelt dan de
+kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste uiterlijk is, is die
+van den laatste geheel innerlijk. &bdquo;De kunstenaar zal in
+zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen vinden dan
+in de fraaist samengevoegde en ge&auml;cheveerde vol-zin-geheelen en
+het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door de
+harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot het
+geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich tot de
+harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van den
+steller, dat hij hoort in, of &aacute;chter, de moevementen van de
+taal&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6757src" href="#xd20e6757" name=
+"xd20e6757src">51</a>.</p>
+<p>Die innerlijke klank, &bdquo;het psychiesch geluid van den
+steller&rdquo;, kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden.
+Om dit <span class="pagenum">[<a id="xd20e6762" href="#xd20e6762" name=
+"xd20e6762">159</a>]</span>in zijne eigen vertaling van Villiers de
+L&rsquo;Isle Adam&rsquo;s <i>Ak&euml;dyss&eacute;ril</i> te bereiken,
+heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst niet
+letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen gebruikt,
+wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der oorspronkelijke
+Fransche woorden. Dit geschiedde dan &bdquo;zeker niet om het proza van
+Villiers de l&rsquo;Isle Adam te verbeteren, maar om dat een niet
+letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza zuiverder te
+gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e6767src" href="#xd20e6767" name=
+"xd20e6767src">52</a>. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de
+vertaler zich &bdquo;in de beteekenis der woorden&rdquo; wel eens
+&bdquo;vergist&rdquo; zou hebben, wordt als volgt beantwoord:</p>
+<p>&bdquo;Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet
+vergissen; maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of
+zinswending heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en
+hoogere beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor
+aangeven.&rdquo;</p>
+<p>Die &bdquo;andere en hoogere beteekenis&rdquo;, welke alleen uit den
+klank van de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische
+verstand niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening
+van van Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel
+blijkt, niet met de vertaling verloren te gaan<a class="noteref" id=
+"xd20e6774src" href="#xd20e6774" name="xd20e6774src">53</a>. Wat in een
+geschrift alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen
+zin tot een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de
+taal.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik
+meen, genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de
+po&euml;tische taal en de &bdquo;klankexpressie&rdquo;, had niet tot
+oorzaak het groote practische belang der po&euml;tische werken als
+objecten van auteursrecht. Want in dit opzicht is hunne beteekenis,
+vergeleken bij de geschriften van anderen aard, waarvan het
+auteursrecht meestal veel grootere waarden vertegenwoordigt en daarom
+ook meer gevaar loopt niet ge&euml;erbiedigd te worden, betrekkelijk
+gering. Doch ik meende goed te doen juist aan deze werken de meeste
+aandacht te wijden, omdat te hunnen aanzien het vraagstuk van vorm en
+inhoud de <span class="pagenum">[<a id="xd20e6787" href="#xd20e6787"
+name="xd20e6787">160</a>]</span>grootste moeilijkheden meebrengt en den
+meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne zienswijze. Het is
+daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens aan te herinneren,
+dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen regel van de
+splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich slechts tot zeer
+enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid van geschriften,
+waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en
+populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en
+verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de
+inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden,
+maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal)
+zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.</p>
+<p>Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het
+auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den
+&bdquo;inhoud&rdquo; van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan
+eene nadere beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten
+worden, of die inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping
+van den schrijver kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van
+auteursrecht kan zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren
+van den inhoud in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene
+vertaling) een inbreuk op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar
+met het beantwoorden van deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet
+opgelost. De onderscheiding tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe
+gemaakt heb, geeft nog geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook
+de inhoud is niet &eacute;&eacute;n onverbreekbaar geheel; ook daarin
+zijn verschillende bestanddeelen te onderscheiden, die niet alleen alle
+tezamen, maar ook afzonderlijk in andere werken kunnen worden
+overgenomen. Naast de vertalingen, die den inhoud van het
+oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven, bestaan ook
+bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin het origineel
+niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een roman tot een
+tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven tot een in
+drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden, maar ook de
+inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den inhoud zijn
+uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu dergelijke
+bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen, zonder het
+karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van den auteur;
+zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn? <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6791" href="#xd20e6791" name=
+"xd20e6791">161</a>]</span></p>
+<p>Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan
+worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse,
+die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden
+gemaakt, zou z&oacute;&oacute; fijn moeten zijn en zoozeer in
+bijzonderheden moeten afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden
+vastgesteld, om voor alle werken, of ook maar voor alle werken van
+eenzelfde soort, gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften,
+die reeds bestaan of nog geschreven moeten worden, zou men moeten
+vaststellen, welke bestanddeelen w&eacute;l en welke niet als schepping
+van den schrijver zijn aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten
+van letterkundige producten, die elk toch een meer of minder
+individueel karakter vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt
+gemakkelijk in te zien.</p>
+<p>Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene
+stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet
+mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven te
+worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed te
+hebben, w&eacute;l kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij
+het zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de
+groote verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben
+aangewezen en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk
+systematische behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig,
+al moge de toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.</p>
+<p>Hij onderscheidt aan alle werken:</p>
+<p>1<sup>o</sup> Den <i>uiterlijken vorm</i>, d.i. wat ik hierboven
+kortweg den &bdquo;vorm&rdquo; heb genoemd, dus de <i>taal</i>.</p>
+<p>2<sup>o</sup> Den <i>innerlijken vorm</i>, waaronder men in het
+algemeen te verstaan heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof
+heeft gerangschikt; de structuur van het werk, zoowel in de groote
+lijnen (systematische indeeling, periodenbouw), als ook in de
+onderdeelen (de wijze waarop de gedachten of gevoelens zijn ontvouwd,
+waarbij naar gelang van den aard van het werk en de eigenaardigheden
+van den schrijver verschillende middelen kunnen worden gebruikt als
+b.v.: beeldspraak, vergelijkingen, dialoog-vorm, of wel streng-logische
+redeneertrant enz. enz.).</p>
+<p>3<sup>o</sup> Den <i>inhoud</i> van het geschrift, de kern, die
+onder den uiterlijken en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z.
+datgene wat de auteur <span class="pagenum">[<a id="xd20e6826" href=
+"#xd20e6826" name="xd20e6826">162</a>]</span>had te zeggen, los van
+alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich bediend heeft.</p>
+<p>Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men
+heeft te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de
+schepping van den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden
+uitgemaakt, welk van de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke
+vorm, innerlijke vorm en inhoud) als auteurs-schepping en dus als
+object van auteursrecht is aan te merken.</p>
+<p>Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen
+hierover reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der
+taal, wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt
+aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te
+beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten en
+gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op eenvoudige
+toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar waartoe eenig
+scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het vinden van de
+gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven van klank en
+rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het algemeen kan dus
+worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle geschriften eene
+schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen toebehoort.
+Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken vorm is
+derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs daar, waar niets
+anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is, moet dezen een
+uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop berust de bescherming
+van den vertaler, die natuurlijk noch op den innerlijken vorm, noch op
+den inhoud eenig recht kan doen gelden, daar zijne schepping zich
+beperkt tot de inkleeding van het werk van een ander in zijne eigen
+taal.</p>
+<p>Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk
+van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler met
+dien &bdquo;innerlijken vorm&rdquo; bedoelt, is het noodig enkele
+soorten van geschriften afzonderlijk te beschouwen.</p>
+<p>Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de
+schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden
+waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de gronden
+waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van het
+geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit de
+feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6836" href="#xd20e6836" name=
+"xd20e6836">163</a>]</span>dat zij zich hebben voorgedaan en de
+omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in een rechtsgeleerd werk kan
+de inhoud zijn eene juridische constructie of de uitlegging van
+wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust enz. enz. Wanneer nu de
+schrijver zijne voorstudi&euml;n zoover heeft volbracht, dat de
+wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder voor den geest staat,
+zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen, dan begint eerst voor hem
+de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid bestaat niet alleen in het
+stellen van de reeks van volzinnen waaruit zijn werk zal bestaan;
+voordat hij met schrijven aanvangt (voor een deel zal het ook onder het
+schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of meer onbewust, geschieden)
+moet de stof, die de vrucht is van zijn studie en overdenking, nog eene
+andere bewerking ondergaan. Er moet gerangschikt en geordend worden;
+uit den overvloed van gedachten en feitenkennis, waarmede de schrijver
+over zijn onderwerp vervuld is, moet eene keus worden gedaan, en uit
+wat na deze schifting voor opneming geschikt schijnt, moet nu het werk
+tot een zoo harmonisch mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt
+het niet alleen aan op eene doelmatige systematische indeeling en
+groepeering van de onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende
+bewerking van die onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en
+tegen-argumenten en de conclusies, die daaruit telkens worden
+getrokken, moeten zoodanig tegenover elkander worden gesteld, dat op
+alles het juiste licht valt; de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk
+in het oog vallen, terwijl de bijzaken meer in de schaduw moeten worden
+gehouden. H&iacute;er zal een voorbeeld of vergelijking dienst moeten
+doen, d&aacute;&aacute;r eene aanhaling van een anderen schrijver; op
+een andere plaats is weer een korte historische terugblik noodig of
+eene herinnering aan de wijsgeerige beginselen, waarvan de schrijver is
+uitgegaan.</p>
+<p>Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante,
+die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden,
+welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst met
+behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van de
+taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het werk
+dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van een
+wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op het
+auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping
+(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6840" href="#xd20e6840" name=
+"xd20e6840">164</a>]</span></p>
+<p>De <i>inhoud</i> van wetenschappelijke werken is echter niet
+beschermd. De waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet
+geschapen maar ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het
+uitsluitend recht van &eacute;&eacute;n persoon staan. Indien het
+tegendeel het geval was, indien dus hij die eene nieuwe theorie over
+een of ander wetenschappelijk vraagstuk heeft uitgedacht of daarover
+het eerst bepaalde opvattingen heeft verkondigd, ieder ander kon
+verhinderen diezelfde denkbeelden, ook in een anderen vorm, te
+publiceeren, dan zou aan het auteursrecht terecht kunnen worden
+verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling der wetenschap in den weg
+stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd zijn om in een economisch leerboek
+eene uiteenzetting te geven van de leer van Ricardo, van het stelsel
+van Marx, van de theorie van Malthus enz. enz., gesteld, dat op de
+werken van deze schrijvers nog auteursrecht bestond; in een boek over
+geschiedenis zou men geen gebruik mogen maken van de navorschingen en
+archiefstudi&euml;n van anderen; bij het maken van geographische
+kaarten van weinig bekende landen zou de eerbiediging van het
+&bdquo;auteursrecht&rdquo; van den ontdekkingsreiziger op de door dezen
+gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot gevolg hebben, dat
+men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte plekken op de kaart
+te laten of er, tegen beter weten in, volgens de oude gegevens eene
+verkeerde teekening van te maken!<a class="noteref" id="xd20e6846src"
+href="#xd20e6846" name="xd20e6846src">54</a></p>
+<p>Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is
+het object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen
+datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in dit
+geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.</p>
+<p>In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming van
+den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud nog niet
+beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den inhoud. De
+hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een &bdquo;op den
+voorgrond sleepen&rdquo; van den vorm zou zijn en dat men hierdoor
+&bdquo;van rechtswege&rdquo; de meening zou doen postvatten, dat het
+slechts <span class="pagenum">[<a id="xd20e6862" href="#xd20e6862"
+name="xd20e6862">165</a>]</span>&bdquo;om den vorm te doen is&rdquo;,
+heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de vraag, wat men het
+belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft, doch slechts: wat
+is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook Louis Blanc haalt
+deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een recht op den vorm,
+terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het volgende voorbeeld:
+&bdquo;<span lang="fr">Charles Fourier a cru devoir formuler en termes
+bizarres et peu intelligibles les id&eacute;es qui composent le fond de
+son syst&egrave;me. Vient un badigeonneur litt&eacute;raire qui
+s&rsquo;empare du syst&egrave;me de Fourier, l&rsquo;expose
+<span class="corr" id="xd20e6866" title="Bron: daus">dans</span> un
+style clair, &eacute;l&eacute;gant si l&rsquo;on veut, et met le tout
+en vente. Vous voyez bien que, &agrave; c&ocirc;t&eacute; de Fourier
+qui va mourir de faim, le badigeonneur s&rsquo;enrichira. Entendue de
+la sorte, qu&rsquo;est-ce que la propri&eacute;t&eacute;? C&rsquo;est
+le vol</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6870src" href=
+"#xd20e6870" name="xd20e6870src">55</a>.</p>
+<p>Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden
+geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den
+&bdquo;badigeonneur&rdquo; meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de
+een nog wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger
+behoeft om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste <i>als
+auteur</i> iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was
+niet een auteursproduct, maar eene <i>uitvinding</i>, en indien men
+uitvindingen van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten
+geschieden door patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik
+reeds meermalen gelegenheid had op te merken, niet het doel van het
+auteursrecht, aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid
+te verzekeren.</p>
+<p>Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van
+wetenschappelijke werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm
+beschermd zijn, en niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking
+&bdquo;wetenschappelijke werken&rdquo; niet te eng op te vatten;
+hetzelfde geldt ook voor geschriften van populairen aard, waarvan het
+hoofddoel is kennis te verspreiden of het oordeel van den schrijver
+mede te deelen over het een of ander onderwerp. Artikelen en
+redevoeringen over de politiek, plaatsbeschrijvingen, verslagen van
+gebeurtenissen van allerlei aard, in sommige gevallen ook kritieken en
+beoordeelingen op het gebied van kunst en letterkunde, behooren ook
+hiertoe te worden gerekend. <span class="pagenum">[<a id="xd20e6889"
+href="#xd20e6889" name="xd20e6889">166</a>]</span></p>
+<p>Anders is het echter gesteld met de <i>letterkundige
+kunstwerken</i>, waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die
+tot de &bdquo;belletrie&rdquo; of &bdquo;schoone letteren&rdquo;
+behooren, dus: po&euml;zie, tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij
+deze werken is niet alleen de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar
+ook de inhoud, de eigenlijke kern, eene aesthetische schepping, en
+daarom reikt het auteursrecht hier verder dan bij de geschriften van
+wetenschappelijken aard. Dien inhoud, ontdaan van alle
+niet-aesthetische elementen, noemt Kohler &bdquo;<i lang="de">das
+imagin&auml;re Bild</i>&rdquo;. Men zou het ook kunnen noemen de
+kunstgedachte, welke de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk
+heeft neergelegd; datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er
+het eigen, persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van
+andere werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk
+kunstwerk&mdash;althans elk kunstwerk in den hoogen zin van het
+woord&mdash;zulk een streng persoonlijk karakter vertoont en zich als
+<i>iets bijzonders</i> voordoet, maakt het zoo moeilijk om van die
+kunstgedachte, van dat &bdquo;Imagin&auml;re Bild&rdquo;&mdash;tenzij
+men &eacute;&eacute;n bepaald werk op het oog heeft&mdash;iets meer te
+geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier&mdash;nog meer dan ten
+aanzien der wetenschappelijke geschriften&mdash;blijven bij het
+aangeven van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te
+weten te komen, wat w&eacute;l en wat niet tot de schepping van den
+auteur behoort.</p>
+<p>Wat hiertoe <i>niet</i> gerekend moet worden is, evenals bij alle
+andere werken, datgene wat alleen de vrucht is van
+zuiver-verstandelijke, ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of
+tooneelstuk de feiten en gebeurtenissen, die tezamen de intrigue
+vormen. Voornamelijk is dit het geval, wanneer deze ontleend zijn aan
+de geschiedenis (men denke b.v. aan de historische romans van van
+Lennep en Bosboom Toussaint) of aan de mythologie; het spreekt vanzelf,
+dat het verhaal, hetwelk de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit
+den Bijbel (zooals Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft
+geput, of wel aan eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als
+zijne schepping is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook
+door meerdere schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat
+zij daardoor in elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver
+zijn verhaal zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn
+uitsluitend recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal
+gebeurtenissen, die den uiterlijken loop van een roman of drama
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6906" href="#xd20e6906" name=
+"xd20e6906">167</a>]</span>bepalen, is geen scheppende arbeid; het is
+slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf geene
+aesthetische waarde heeft. &bdquo;<span lang="de">Wer nichts
+th&auml;te</span>&rdquo;&mdash;schrijft Kohler
+dienaangaande&mdash;&bdquo;<span lang="de">als die Fabel der
+Wahlverwandtschaften erz&auml;hlen, von zwei Paaren, die sich
+kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich so, das andere sich so
+benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser f&auml;llt und eine Dame,
+welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt, sich durch Hunger den
+Tod gibt: der w&uuml;rde nicht in das Autorrecht G&ouml;thes
+eingreifen, auch wenn dieses heute noch
+best&uuml;nde</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e6914src" href=
+"#xd20e6914" name="xd20e6914src">56</a>.</p>
+<p>W&aacute;&aacute;rin de eigenlijke schepping, afgezien van den
+uiterlijken en innerlijken vorm, het &bdquo;Imagin&auml;re Bild&rdquo;
+dus, in een roman of tooneelspel bestaat, is natuurlijk niet met enkele
+woorden te zeggen. In het algemeen kan men m. i. wel met
+Kohler<a class="noteref" id="xd20e6927src" href="#xd20e6927" name=
+"xd20e6927src">57</a> aannemen, dat het de karakter-uitbeelding is der
+personen die in het boek voorkomen en de schildering hunner
+psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel, hetgeen in verband met
+de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen die daarop van invloed zijn,
+tevens kan zijn een karakterbeeld van het tijdperk en van de
+maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch zoodra men dit meer in
+bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop te wijzen&mdash;wat
+Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen&mdash;dat niet alleen
+iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men kan
+bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en een
+eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven
+karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en
+dramatische werken<a class="noteref" id="xd20e6932src" href=
+"#xd20e6932" name="xd20e6932src">58</a> min of meer toepasselijk zijn,
+meer dan eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet
+zijn, daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te
+werken.</p>
+<p>Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever
+de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor de
+oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven; de
+vraag nl. of het zoogenaamde &bdquo;dramatiseeren&rdquo; van een roman,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e6940" href="#xd20e6940" name=
+"xd20e6940">168</a>]</span>d. w. z. de omwerking daarvan tot een
+tooneelstuk, en omgekeerd de bewerking van een tooneelstuk in
+romanvorm, een inbreuk op het auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke
+bewerking k&aacute;n zijn een bijna woordelijk overnemen van het
+origineel, indien nl. de bewerker er zich toe bepaald heeft de zinnen,
+die de romanschrijver zijn helden in den mond legt, eenvoudig over te
+schrijven. De aanhalingsteekens behoeven dan slechts te worden
+weggelaten en in de plaats daarvan de namen der personen te worden
+gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben, terwijl misschien hier en
+daar nog eene verschikking of samenvoeging van enkele tooneelen noodig
+is, en de &bdquo;bewerking voor het tooneel&rdquo; is gereed. Dat men
+door de uitgave van eene dergelijke bewerking in strijd komt met het
+auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier behalve de inhoud en
+de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel of althans voor een
+groot gedeelte is gestolen.</p>
+<p>Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke
+als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard der
+zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een roman. De
+romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen door lyrische
+gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische beschouwingen of
+zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig en ethisch
+gebied. Hij is niet&mdash;althans niet zoo absoluut als de
+drama-schrijver&mdash;aan tijd en plaats gebonden; hij kan
+desverkiezend bij sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder
+vrees den dramatischen loop daardoor te verstoren.</p>
+<p>De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele werk
+in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange uitweidingen
+en beschouwingen is geene plaats; alles moet door de woorden en
+gedragingen van de in het stuk optredende personen worden uitgebeeld.
+Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den inhoud van een roman in
+dramatischen vorm wil weergeven, rekening te houden. Alle
+beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin niet de
+personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten noodzakelijk
+vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende personen,
+die tot typeering van hun karakter of ter verklaring hunner latere
+gedragingen door den romanschrijver ter geschikter plaats zijn
+medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere wijze te pas
+worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e6946" href="#xd20e6946" name=
+"xd20e6946">169</a>]</span>en de historische gebeurtenissen, die op het
+stuk van invloed zijn, door andere middelen moeten worden
+afgeschilderd. Verschillende fijne schakeeringen, die de
+oorspronkelijke schrijver in den roman had weten te doen uitkomen,
+zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden gemist; doch daar
+staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding op het tooneel
+effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet kan geven.</p>
+<p>De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier
+slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk uit
+groeien, dat niet &bdquo;rammelt&rdquo; zooals de technische
+uitdrukking luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een
+andere is geworden. De bewerking gaat niet dieper&mdash;behoeft
+tenminste niet dieper te gaan&mdash;dan den innerlijken vorm, d.w.z. de
+structuur, die <span class="corr" id="xd20e6950" title=
+"Bron: uitteraard">uiteraard</span> in roman en drama verschillend is.
+Doch de inhoud, de karakters en hunne ontwikkeling, zal in de meeste
+gevallen dezelfde zijn gebleven, daar de bewerker er natuurlijk naar
+gestreefd zal hebben, dezen zoo gaaf mogelijk weder te geven.</p>
+<p>En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag gevonden.
+Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als &bdquo;inhoud&rdquo; heb
+gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien dus
+niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue, aan den
+roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling en de
+atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven of
+opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den
+oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan
+immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker
+daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch3.2.3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">c Practische toepassingen van het voorgaande</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In verband met de theoretische beschouwingen, die
+voorafgaan, wensch ik thans enkele vragen, die de geschriften als
+objecten van auteursrecht betreffen, meer uit het oogpunt van de
+practische toepassing door wetgever en rechter te bezien.
+Achtereenvolgens zullen hierbij ter sprake komen:</p>
+<ul>
+<li>I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object van
+auteursrecht te zijn;</li>
+<li>II Het recht van den vertaler; <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e6965" href="#xd20e6965" name="xd20e6965">170</a>]</span></li>
+<li>III Het uitsluitend vertalingsrecht;</li>
+<li>IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend
+bewerkingsrecht.</li>
+</ul>
+<div class="div4" id="ch3.2.3.1">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om
+object van auteursrecht te zijn</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij
+nu ga bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording
+wordt overal overgelaten aan den rechter.</p>
+<p>Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en
+besproken<a class="noteref" id="xd20e6978src" href="#xd20e6978" name=
+"xd20e6978src">59</a>; het is in het kort dit, dat slechts
+d&aacute;&aacute;r van auteursrecht sprake kan zijn, waar eene
+<i>schepping</i> van den auteur valt aan te wijzen; terwijl de
+letterkundige of wetenschappelijke waarde of belangrijkheid dier
+schepping buiten beschouwing moeten blijven.</p>
+<p>In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin
+gevestigd.</p>
+<p>Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets anders
+bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken, geen
+auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als
+&bdquo;geestelijke scheppingen.&rdquo; Dat zij zich tot eene
+winstgevende exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van
+Richard Wagner) doet aan hun karakter niets af, doch is eene
+buitenstaande, toevallige omstandigheid<a class="noteref" id=
+"xd20e6988src" href="#xd20e6988" name="xd20e6988src">60</a>. Ook werd
+bescherming geweigerd, als zijnde geen &bdquo;<i lang=
+"de">Schriftwerke</i>&rdquo; volgens de Duitsche wet, aan
+schouwburg-programma&rsquo;s, die eenvoudig de mededeeling inhouden van
+de stukken, die zullen worden gespeeld, de rolverdeeling, het
+aanvangsuur, de prijzen der plaatsen, enz.<a class="noteref" id=
+"xd20e6997src" href="#xd20e6997" name="xd20e6997src">61</a>. Evenzoo
+werd beslist ten aanzien van formulieren voor het houden van
+kantoorboeken<a class="noteref" id="xd20e7009src" href="#xd20e7009"
+name="xd20e7009src">62</a> en van prijscouranten, die niets anders
+bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor zij te
+koop zijn<a class="noteref" id="xd20e7015src" href="#xd20e7015" name=
+"xd20e7015src">63</a>.</p>
+<p>In Belgi&euml; werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de
+&bdquo;<i lang="fr">&eacute;crits</i>&rdquo; welke de wet op het
+auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e7026" href="#xd20e7026" name=
+"xd20e7026">171</a>]</span>die in de badplaats Oostende waren
+aangekomen (<span lang="fr">Tribunal de Commerce van Brussel</span> 20
+April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1 Dec. 1853);
+programma&rsquo;s van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866) en eene
+handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor
+soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets
+had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden
+(<span lang="fr">Tribunal de Paix</span> van Luik 29 Mei 1896)<a class=
+"noteref" id="xd20e7034src" href="#xd20e7034" name=
+"xd20e7034src">64</a>.</p>
+<p>Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m.
+gewezen ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen
+scheikundige analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige
+ligging en berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen
+industrieele onderneming<a class="noteref" id="xd20e7048src" href=
+"#xd20e7048" name="xd20e7048src">65</a>; mededeelingen omtrent
+rechtspraak en administratie (Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische
+nieuwsberichten (Seine-Rechtbank 12 Juni 1851<a class="noteref" id=
+"xd20e7066src" href="#xd20e7066" name="xd20e7066src">66</a>; Hof van
+Cassatie 18 Maart 1908)<a class="noteref" id="xd20e7071src" href=
+"#xd20e7071" name="xd20e7071src">67</a>; eene lijst van de
+vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een sportblad
+gepubliceerd<a class="noteref" id="xd20e7076src" href="#xd20e7076"
+name="xd20e7076src">68</a>. Ten aanzien van een postzegelcatalogus nam
+de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen d&aacute;n
+auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als &bdquo;<span lang=
+"fr">cr&eacute;ations de l&rsquo;esprit</span>&rdquo; zijn te
+beschouwen, &bdquo;<span lang="fr">&agrave; raison de la conception
+esth&eacute;tique ou scientifique qui ressort de leur plan
+g&eacute;n&eacute;ral, de l&rsquo;&eacute;rudition qui se d&eacute;gage
+des appr&eacute;ciations ou observations, m&ecirc;me sommaires
+qu&rsquo;ils contiennent, ou tout au moins de
+l&rsquo;originalit&eacute; qui imprime un caract&egrave;re personnel
+&agrave; l&rsquo;ensemble de la publication</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e7092src" href="#xd20e7092" name=
+"xd20e7092src">69</a>.</p>
+<p>Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen
+van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd
+gemotiveerd: &bdquo;<span lang="fr">Attendu que le catalogue des
+oeuvres d&rsquo;art expos&eacute;es chaque ann&eacute;e au Palais de
+l&rsquo;industrie constitue, &agrave; raison de son importance et des
+recherches qu&rsquo;il n&eacute;cessite, une oeuvre litt&eacute;raire
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7102" href="#xd20e7102" name=
+"xd20e7102">172</a>]</span>susceptible d&rsquo;une
+propri&eacute;t&eacute; priv&eacute;e et repr&eacute;sentant une valeur
+v&eacute;nale relativement importante,</span> enz.&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e7105src" href="#xd20e7105" name=
+"xd20e7105src">70</a>. N&oacute;ch de belangrijkheid van dezen
+catalogus, n&oacute;ch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd,
+n&oacute;ch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde,
+maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven zin.
+Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het juiste
+beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan niet eene
+&bdquo;cr&eacute;ation de l&rsquo;esprit&rdquo; aanwezig is.</p>
+<p>Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen
+bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In
+Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege de
+historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen,
+auteursrecht bestond<a class="noteref" id="xd20e7113src" href=
+"#xd20e7113" name="xd20e7113src">71</a>; en dat niet als object van
+auteursrecht waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan
+een dagbladartikel was samengesteld<a class="noteref" id="xd20e7119src"
+href="#xd20e7119" name="xd20e7119src">72</a>. In Engeland werd ten
+aanzien van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar
+alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp van
+auteursrecht is<a class="noteref" id="xd20e7125src" href="#xd20e7125"
+name="xd20e7125src">73</a>; ook ten aanzien van een prijscourant eener
+machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist<a class="noteref" id=
+"xd20e7131src" href="#xd20e7131" name="xd20e7131src">74</a>. De
+Zwitsersche Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te
+erkennen: een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de
+uren van aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte<a class=
+"noteref" id="xd20e7137src" href="#xd20e7137" name=
+"xd20e7137src">75</a> en eene alphabetische lijst van de aangeslagenen
+in de belasting te Z&uuml;rich<a class="noteref" id="xd20e7144src"
+href="#xd20e7144" name="xd20e7144src">76</a>. In Itali&euml; eindelijk
+maakte het Hof van Appel van Milaan uit, dat een eenvoudige
+prijscourant niet behoort tot de geestesproducten (<i lang="it">opere
+dell ingegno</i>) in den zin der wet op het auteursrecht, daar hiertoe
+alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden<a class="noteref"
+id="xd20e7153src" href="#xd20e7153" name="xd20e7153src">77</a>.</p>
+<p>Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7161" href="#xd20e7161" name=
+"xd20e7161">173</a>]</span>zouden zijn te noemen, die zich alle vrijwel
+in dezelfde lijn bewegen<a class="noteref" id="xd20e7163src" href=
+"#xd20e7163" name="xd20e7163src">78</a>, valt het op, dat de
+Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch andere richting heeft
+gevolgd.</p>
+<p>Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van den
+Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het
+auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te
+Leiden in 1891<a class="noteref" id="xd20e7196src" href="#xd20e7196"
+name="xd20e7196src">79</a>; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene
+lijst van predikbeurten <a class="noteref" id="xd20e7204src" href=
+"#xd20e7204" name="xd20e7204src">80</a>; door het Hof van den Haag en
+den Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der
+Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam<a class="noteref" id=
+"xd20e7209src" href="#xd20e7209" name="xd20e7209src">81</a>. In geen
+dezer gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den
+boven bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door
+den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend &bdquo;stadsnieuws&rdquo;,
+nl. de vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en
+plaats, waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken
+bestond het &bdquo;auteursproduct&rdquo; uit eene opgave van de namen
+der predikanten, met de kerken waarin en de dagen en uren waarop door
+hen Godsdienstoefening zou worden gehouden.</p>
+<p>Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet
+geen onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften,
+en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene
+&bdquo;letterkundige gedachte behelzen&rdquo;, (arrest H. R. 21 Nov.
+1892 W. 624) &oacute;f, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad
+van 29 April 1895 (W. 6647) werd uitgedrukt: die welke &bdquo;blijvende
+wetenschappelijke of letterkundige waarde&rdquo; missen. Wat met de
+eerste uitdrukking wordt bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat
+ik over de juistheid of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf
+uitspreken. Met de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist
+beginsel uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7217" href="#xd20e7217" name=
+"xd20e7217">174</a>]</span><i>waarde</i> van een geschrift moet bij de
+vraag, of het al dan niet een auteursproduct is, niet in rekening
+worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd, dat een lijst van
+predikbeurten tot de beschermde geschriften behoort. Wie zich
+eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis van het woord
+&bdquo;auteursrecht&rdquo; zal moeten inzien, dat hier n&oacute;ch een
+auteur n&oacute;ch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam
+in zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam
+(die het blaadje &bdquo;de Kerkbode&rdquo; uitgaf) als
+rechtverkrijgende van het ministerie van predikanten bij de
+Nederduitsch-Hervormde gemeente aldaar zich het auteursrecht op de
+bedoelde lijst van predikbeurten kon voorbehouden. Volgens deze
+constructie zou dus het ministerie van predikanten de <i>auteur</i>
+zijn van ... de regeling der preekbeurten, welke die predikanten onder
+elkander hadden vastgesteld! Waarin hier de <i>auteurs-arbeid</i> van
+deze vergadering van predikanten bestond, is moeilijk te zien. Zij
+beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke kerken zij den volgenden
+Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping, ook al vraagt men niet
+naar blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde, was hier ver
+te zoeken.</p>
+<p>Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere
+uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd
+gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.</p>
+<p>In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van
+&bdquo;letterwerken&rdquo;; het woord &bdquo;geschriften&rdquo;, dat in
+de tegenwoordige wet daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler
+oordeel van ruimer strekking zijn en ook &bdquo;geschriften&rdquo; als
+de boven bedoelde omvatten<a class="noteref" id="xd20e7231src" href=
+"#xd20e7231" name="xd20e7231src">82</a>. Dit verschil van beteekenis
+kan ik echter niet inzien en in geen geval heeft men de bedoeling gehad
+den kring der beschermde producten uit te breiden door het woord
+&bdquo;geschrift&rdquo; te gebruiken in plaats van
+&bdquo;letterwerk&rdquo;. Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de
+volgende zinsnede uit de memorie van toelichting<a class="noteref" id=
+"xd20e7249src" href="#xd20e7249" name="xd20e7249src">83</a>:</p>
+<p>&bdquo;De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking
+heeft, stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7256" href="#xd20e7256" name=
+"xd20e7256">175</a>]</span>voorkomen; echter is het min gebruikelijke
+&bdquo;letterwerk&rdquo; door het woord &bdquo;geschrift&rdquo;
+vervangen.&rdquo;</p>
+<p>Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord
+&bdquo;geschrift&rdquo; eene andere beteekenis te geven dan b.v. in
+Oostenrijk en Duitschland het woord &bdquo;Schriftwerk&rdquo; en in
+Belgi&euml; en Frankrijk &bdquo;&eacute;crit&rdquo; hebben. In het
+gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten en
+een programma van feestelijkheden &bdquo;geschriften&rdquo; noemen, dit
+is nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier v&oacute;&oacute;r
+alles in het oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt
+in eene wet tot regeling van het <i>auteursrecht</i>, en dat alleen die
+geschriften bedoeld worden, welke eenen <i>auteur</i> hebben.</p>
+<p>Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet,
+die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud
+van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van
+&bdquo;berichten of opstellen&rdquo;; van welke werken het auteursrecht
+wordt erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is
+dus, of dit woord &bdquo;berichten&rdquo; ook, zooals beweerd wordt,
+eenvoudige mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht
+als scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord
+worden gegeven als boven ten aanzien van het woord
+&bdquo;geschriften&rdquo;. Niet in zijne algemeene beteekenis moet het
+woord worden opgevat, maar in de bijzondere beteekenis, die het verband
+waarin het gebruikt wordt, aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij
+de bedoeling van den wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de
+voorbereiding der bepaling is gezegd en geschreven kan worden
+opgemaakt. In het eerste ontwerp kwam de bepaling niet voor; zij is er
+later door minister Modderman bijgevoegd. In de memorie van antwoord
+(p. 4) wordt ervan gezegd, dat als beginsel is aangenomen, dat de
+inhoud van dag- en weekbladen wordt beschouwd als gemeengoed, en dan
+komt deze verklaring: &bdquo;Er zijn echter uitzonderingen. Niet zelden
+bevatten de nieuwsbladen stukken van meer blijvende wetenschappelijke
+of letterkundige waarde, bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich
+het auteursrecht niet wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp
+ruimte door te bepalen, dat men zich het auteursrecht van een in een
+nieuwsblad gepubliceerd stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het
+hoofd van dat stuk zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar
+make.&rdquo; Hierbij werd dus blijkbaar aan losse berichten, die
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7268" href="#xd20e7268" name=
+"xd20e7268">176</a>]</span>niets anders dan mededeelingen van feiten
+bevatten, in &rsquo;t geheel niet gedacht. Zonder tot verdere
+gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna
+overanderd in de wet opgenomen. Slechts &eacute;&eacute;n enkele
+opmerking, die bij de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd
+gemaakt, zou kunnen doen vermoeden, dat aan het woord
+&bdquo;berichten&rdquo; een ruimere strekking werd toegekend. Het
+kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt uit: &bdquo;Of het niet
+beter geweest ware om voor de gewone korte losse couranten-berigten
+geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal ik niet
+terugkomen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7270src" href="#xd20e7270"
+name="xd20e7270src">84</a>. Deze opmerking werd echter gemaakt toen
+artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit dat
+zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij, wat de
+uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.</p>
+<p>Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt
+van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene
+wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen,
+het juiste beginsel te kunnen toepassen. W&eacute;l kan worden
+toegegeven, dat het woord &bdquo;berichten&rdquo; in artikel 7 lid 2
+niet gelukkig is gekozen, doch de rechter behoeft zich daardoor niet
+gedwongen te gevoelen tot het erkennen van een
+&bdquo;auteursrecht&rdquo;, dat in geen enkel opzicht dezen naam
+verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling:
+&bdquo;auteursrecht voorbehouden&rdquo;, die in de meeste groote
+dagbladen boven de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en
+zonder eenige beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op:
+&bdquo;<span lang="de">An den durch Telegraph berichteten Worten:
+&bdquo;Paris ist ruhig&rdquo; oder &bdquo;5% Rente = 99&frac14;&rdquo;
+kan aber kein vern&uuml;nftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge
+derselben Autorrechte beanspruchen</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e7280src" href="#xd20e7280" name="xd20e7280src">85</a>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch3.2.3.2">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">II Het recht van den vertaler</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van
+auteursrecht zijn te beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht
+geniet voor zijne vertaling, is een regel die vrijwel nergens
+tegenspraak ontmoet. In bijna alle landen wordt het recht van den
+vertaler uitdrukkelijk in <span class="pagenum">[<a id="xd20e7293"
+href="#xd20e7293" name="xd20e7293">177</a>]</span>de wet genoemd. Ook
+onze wet houdt de bepaling in (art. 2<i>c</i>), dat &bdquo;met auteurs
+worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling&rdquo;.</p>
+<p>De &bdquo;gelijkstelling&rdquo; met oorspronkelijke auteurs
+beteekent natuurlijk niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die
+hij zou kunnen doen gelden, indien het door hem geleverde een eigen,
+oorspronkelijk werk was. De vertaler is alleen auteur van den
+uiterlijken vorm<a class="noteref" id="xd20e7300src" href="#xd20e7300"
+name="xd20e7300src">86</a>; het object van zijn recht is&mdash;zooals
+trouwens ook onze wet heel goed doet uitkomen&mdash;niet het vertaalde
+geschrift, maar de vertaling. Op den innerlijken vorm en den inhoud kan
+hij niet het minste recht doen gelden. Het uitgeven van eene andere
+vertaling van hetzelfde geschrift is derhalve geen inbreuk op het recht
+van den eersten vertaler. Evenmin kan deze zich er tegen verzetten, dat
+van zijne vertaling weer eene andere vertaling of bewerking in het
+licht wordt gegeven. Wat dit laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de
+tegenovergestelde meening over te hellen. De gelijkstelling van
+vertalers ten opzichte van hunne vertaling met auteurs pleit er volgens
+dezen schrijver voor, dat de vertaler zich volgens onze wet ook,
+overeenkomstig artikel 5<i>b</i>, het uitsluitend recht tot het
+uitgeven van vertalingen van zijne vertaling in andere talen kan
+voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e7306src" href="#xd20e7306"
+name="xd20e7306src">87</a>. Dit zou echter beteekenen, dat de vertaler
+recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij part noch deel
+heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het Hollandsch vertaald
+en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde weer in het Duitsch
+overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze laatste geen Russisch
+kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling bepaald noodig had om
+zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan nog kan in de uitgave van
+deze Duitsche bewerking niet gezien worden een exploiteeren van het
+werk van den Hollandschen vertaler. Immers wat de bewerker van de
+Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft ontleend beperkt zich tot
+den innerlijken vorm en den inhoud van den roman, tot die bestanddeelen
+dus van het werk, welke de bewerker der Hollandsche vertaling op zijne
+beurt weer van den oorspronkelijken Russischen schrijver had
+overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk worden beschouwd op het
+recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel hieromtrent <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e7311" href="#xd20e7311" name=
+"xd20e7311">178</a>]</span>is naar mijne meening&mdash;ook wanneer
+alleen rekening wordt gehouden met wat onze wet bepaalt&mdash;volkomen
+uitgesloten. Alleen &bdquo;de vertaling&rdquo; is voorwerp van des
+vertalers recht; dit is voldoende om de vraag in den bovengemelden zin
+te beantwoorden.</p>
+<p>Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze
+juiste grenzen gehouden, getuige het &bdquo;regt van
+praeferentie,&rdquo; dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur
+van Holland van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine
+Besluiten van 1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een
+buitenlandsch werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde
+geschrift kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan
+deze gepatenteerde rooverij een einde<a class="noteref" id=
+"xd20e7315src" href="#xd20e7315" name="xd20e7315src">88</a>; doch de
+feitelijke toestand komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw
+geleden. Er bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de
+Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, volgens
+welke elk lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor
+aangewezen commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het
+buitenland uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te
+geven, door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt
+aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna
+alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de
+eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk
+werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796, 1803,
+en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt als
+rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand,
+waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen des
+boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878
+dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring
+van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de
+uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het recht
+van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch alleen
+het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende regeling
+mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van de
+achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7321" href="#xd20e7321" name=
+"xd20e7321">179</a>]</span></p>
+<p>Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem&mdash;het is
+reeds herhaaldelijk gezegd&mdash;niet het minste recht op dat boek
+zelf. De rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het
+bijzonder diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen
+deele verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd
+volkomen vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene
+exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het
+oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud
+daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver
+bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling
+in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren, en
+daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze
+toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht des
+vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in
+<span class="corr" id="xd20e7324" title="Bron: de de">de</span>
+vroegere Duitsche wet &sect; 50 en in de Berner Conventie van 1886 art.
+6) werd het recht van den vertaler alleen verleend voor
+&bdquo;rechtmatige vertalingen&rdquo;, waaronder men dan had te
+verstaan vertalingen, die niet in strijd met het uitsluitend
+vertalingsrecht op het oorspronkelijke werk waren uitgekomen. Men heeft
+dit verdedigd door erop te wijzen, dat het niet aangaat den dief te
+beschermen<a class="noteref" id="xd20e7327src" href="#xd20e7327" name=
+"xd20e7327src">89</a>. Dit argument gaat hier echter niet op. Dat de
+vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt van het werk van een ander
+is nog geen reden om hem het recht op zijn eigen werk te ontnemen. Dit
+laatste heeft hij niet gestolen en het is dus geen &bdquo;bescherming
+van den dief&rdquo; hem dit te laten behouden. Men wil toch niet, dat
+iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn van zijn buurman
+steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?</p>
+<p>Het heeft bovendien geen zin te spreken van
+&bdquo;rechtmatige&rdquo; vertalingen. De vertaling zelf is niet
+&bdquo;rechtmatig&rdquo; of &bdquo;onrechtmatig&rdquo;; w&eacute;l kan
+er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden gemaakt. Of dit
+laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk nooit met zekerheid
+worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene vertaling maakt met
+het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer het uitsluitend
+vertalingsrecht van den auteur zal zijn <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e7338" href="#xd20e7338" name=
+"xd20e7338">180</a>]</span>verstreken, of wanneer diens toestemming tot
+de uitgave zal zijn verkregen<a class="noteref" id="xd20e7340src" href=
+"#xd20e7340" name="xd20e7340src">90</a>.</p>
+<p>Beide rechten&mdash;het recht van den vertaler op zijne vertaling en
+het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk
+werk&mdash;dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De
+vertaler en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein
+en onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er
+bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij
+bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing zou
+kunnen komen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch3.2.3.3">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">III Het uitsluitend vertalingsrecht</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Over het uitsluitend vertalingsrecht is&mdash;vooral
+ook in ons land&mdash;veel geschreven. De strijd loopt voornamelijk
+over de rechtmatigheid en de wenschelijkheid van dit recht, welke hier
+nog door velen worden ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene
+breedvoerige bespreking van de argumenten, die tegen het
+vertalingsrecht zijn ingebracht, ontslagen te rekenen; dat ik ze hier
+niet geheel voorbijga, is vooral terwille van het groote practische
+belang van de vraag, die&mdash;zooals algemeen bekend is&mdash;den
+geheelen strijd over de al of niet aansluiting van ons land bij de
+Berner Conventie beheerscht.</p>
+<p>Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het
+vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door
+zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan de
+gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan op die
+&bdquo;gedachten&rdquo; geen recht meer laten gelden, daar zij door de
+publicatie gemeengoed zijn geworden<a class="noteref" id="xd20e7358src"
+href="#xd20e7358" name="xd20e7358src">91</a>. Wat dit argument heeft te
+beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld bij
+mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De vertaler
+neemt niet maar &bdquo;gedachten&rdquo; over van den oorspronkelijken
+schrijver; wat hij <span class="pagenum">[<a id="xd20e7386" href=
+"#xd20e7386" name="xd20e7386">181</a>]</span>overneemt is de inhoud en
+de innerlijke vorm, welke laatste&mdash;zooals uitvoerig is
+aangetoond&mdash;steeds&mdash;ook bij geschriften van
+wetenschappelijken aard&mdash;als eene aesthetische schepping van den
+auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van
+&bdquo;gedachten&rdquo; door het auteursrecht zou worden belemmerd, is
+hierboven m. i. ook reeds voldoende weerlegd.</p>
+<p>En wat de <i>zelfstandigheid</i> betreft van den arbeid des
+vertalers, waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al
+zeer betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het
+vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste
+uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken
+vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel
+uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal
+wordt toegekend. Doch&mdash;en dit is het eenige wat hier in aanmerking
+mag komen&mdash;<i>met betrekking tot de schepping van den
+oorspronkelijken schrijver</i> houdt alle zelfstandigheid van den
+vertaler op. Het is zijne taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal
+weer te geven, zonder er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe
+men kan volhouden, dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht
+&bdquo;zelfstandig&rdquo; is, is mij een raadsel<a class="noteref" id=
+"xd20e7396src" href="#xd20e7396" name="xd20e7396src">92</a>.</p>
+<p>Een ander argument, dat meestal met het vorige in &eacute;&eacute;n
+adem wordt genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft
+gehad aan de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste
+gevallen zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan
+hiertegen worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur
+of de vertaler <i>in staat</i> zou zijn geweest, maar alleen: wat elk
+van die twee heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan
+k&aacute;n&mdash;dunkt mij&mdash;de oplossing der vraag niet
+twijfelachtig zijn. Het uitsluitend vertalingsrecht is geen recht op de
+vertaling maar een recht op die bestanddeelen van het oorspronkelijke
+werk, welke de vertaler heeft overgenomen. Evenmin als de vertaler
+zonder toestemming van den oorspronkelijken auteur het vertaalde
+geschrift mag exploiteeren, mag deze laatste dit doen zonder
+toestemming van den vertaler. Het zijn&mdash;voor velen schijnt het
+moeilijkheden op te leveren dit in te zien&mdash;twee scherp van
+elkander te onderscheiden <span class="pagenum">[<a id="xd20e7410"
+href="#xd20e7410" name="xd20e7410">182</a>]</span>rechten, waarmede wij
+hier te doen hebben, die n&oacute;ch object, n&oacute;ch subject met
+elkander gemeen hebben. Uitsluitend wat de <i>uitoefening</i> van hun
+recht betreft zijn de auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk,
+omdat het vertaalde geschrift, dat als voorwerp van exploitatie
+&eacute;&eacute;n geheel uitmaakt, de objecten van beider rechten in
+zich bevat.</p>
+<p>Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde
+argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener
+vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder
+hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave van
+vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke uitgave
+doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar zelfs indirect
+voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen vertaald wordt, waarom
+hem dan het recht toe te kennen vertalingen te verbieden? Hierbij doet
+dan geregeld dienst eene indertijd aan Mr. J. N. van Hall gedane
+verklaring door den Franschen uitgever van Fran&ccedil;ois
+Copp&eacute;e&rsquo;s werken, dat sinds Copp&eacute;e in onze taal was
+vertaald, het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal
+belangrijk was toegenomen<a class="noteref" id="xd20e7417src" href=
+"#xd20e7417" name="xd20e7417src">93</a>.</p>
+<p>De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard.
+Wat men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur
+voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel
+te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd
+gezien: ten eerste, dat het &bdquo;indirecte voordeel&rdquo; (nl. het
+grooter debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door
+het feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van
+den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat
+indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel
+bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening kan
+worden gebracht.</p>
+<p>Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht vindt
+aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste argument
+het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In
+overeenstemming met de &bdquo;algemeen belang-theorie&rdquo;,
+die&mdash;zooals wij gezien hebben&mdash;ook onder de juristen in ons
+land vele aanhangers heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever
+gaat het <i>recht</i> der auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt
+uitsluitend gerekend <span class="pagenum">[<a id="xd20e7433" href=
+"#xd20e7433" name="xd20e7433">183</a>]</span>met de verschillende
+<i>belangen</i>, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo wordt
+beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt taalgebied
+het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet kan stellen en
+dat het daarom van het grootste <i>belang</i> is, dat het uitgeven van
+vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest, dat de
+buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend
+vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan
+het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder
+in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote
+schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren, maar
+ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder de
+kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor hen
+het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den
+oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel
+uitgesloten is.</p>
+<p>Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet
+zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn
+<i>rechten</i> in het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van
+buitenlandsche auteurs, moet ge&euml;erbiedigd worden, zelfs al zou dit
+minder voordeelig zijn, hetzij voor enkele kringen, hetzij&mdash;zooals
+beweerd wordt&mdash;voor het volk in zijn geheel.</p>
+<p>Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en zich
+uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in deze
+strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene
+onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,
+dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden
+ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,
+die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan
+vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het
+bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de
+erkenning van dit recht zou worden geschaad. W&eacute;l kan worden
+toegegeven, dat enkele categorie&euml;n van personen (vooral de
+kleinere uitgevers), die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de
+daarop gebaseerde onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter
+bevordering van de belangen des Boekhandels in het leven heeft
+geroepen, gebruik hebben gemaakt, het in hunne financi&euml;n zullen
+gevoelen, wanneer die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan
+zelfs medelijden hebben met het lot, dat deze personen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e7448" href="#xd20e7448" name=
+"xd20e7448">184</a>]</span>wacht, waarvan er vele wegens een weinig
+ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik afgestompt
+rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig bedrijf niet
+inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen, dat in andere
+kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden geleden
+tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht is gemaakt.
+Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de erkenning van het
+vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen te houden
+tevens&mdash;misschien zonder het te willen&mdash;heeft tegengehouden
+de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men alleen
+met &bdquo;belangen&rdquo; te rade gaat, dient men toch ook te letten
+op de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het
+gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in
+het buitenland verstoken blijven.</p>
+<p>Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen
+laten rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog
+gelegenheid zijn erop terug te komen.</p>
+<p>Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de
+verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen en
+voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,
+geleidelijk aan het verdwijnen zijn.</p>
+<p>In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover
+eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een
+bestanddeel van het auteursrecht; in Belgi&euml; (art. 12) en
+Duitschland (&sect; 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet
+volkomen met alle andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt
+meestal aangenomen het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der
+Engelsche auteurs) en Spanje<a class="noteref" id="xd20e7457src" href=
+"#xd20e7457" name="xd20e7457src">94</a>. In vele landen duurt het
+vertalingsrecht even lang als het overige auteursrecht, mits echter van
+dit recht binnen een zeker aantal jaren door den auteur gebruik is
+gemaakt door de uitgave eener vertaling. Dit is b.v. het geval in
+Denemarken (sinds de wet van 29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde
+auteurs), Japan en Luxemburg; in al deze landen moet de geautoriseerde
+vertaling verschijnen binnen tien jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijke geschrift. Andere landen hebben dezelfde bepaling doch
+met een korteren termijn, zoo Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1
+jaar). <span class="pagenum">[<a id="xd20e7466" href="#xd20e7466" name=
+"xd20e7466">185</a>]</span></p>
+<p>Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een
+afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Itali&euml; en Zweden
+duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van het
+oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der
+vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk
+verschijnt.</p>
+<p>In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht
+nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan
+worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen
+tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt voor
+eene wetswijziging in dezen zin<a class="noteref" id="xd20e7471src"
+href="#xd20e7471" name="xd20e7471src">95</a>; evenzoo in Itali&euml;,
+waar in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het
+auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met het
+overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de
+Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de
+Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een
+onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg te
+zijn geruimd.</p>
+<p>Het vertalingsrecht&mdash;dit blijkt reeds uit bovenstaand
+overzicht&mdash;is overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van
+dezen vooruitgang kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die
+de Berner Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan.
+In 1886 werd&mdash;niet zonder moeite&mdash;een vertalingsrecht
+vastgesteld van tien jaar te rekenen van de uitgave van het
+oorspronkelijk werk; op de Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur
+gelijkgesteld met dien van het auteursrecht in het algemeen, doch onder
+voorwaarde, dat de auteur binnen tien jaar eene vertaling liet
+verschijnen; terwijl eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde
+werd afgeschaft, zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.</p>
+<p>Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is
+gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle
+opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de
+tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het
+aanmerkelijk besnoeid.</p>
+<p>Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de
+uitgave van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde
+talen voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e7483" href="#xd20e7483" name=
+"xd20e7483">186</a>]</span>drie jaren na de oorspronkelijke uitgave
+laten verschijnen (art. 5<i>b</i>). Is aan deze voorwaarden voldaan,
+dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf jaren na het tijdstip
+der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16 2<sup>o</sup>). Alleen
+ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken staat het
+vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.</p>
+<p>Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht heeft
+gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken, die
+binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen niet de
+minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich het
+vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed als
+geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een &aacute;l te ijverig
+bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: &bdquo;een bewijs,
+dat het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons
+volksbesef is doorgedrongen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7493src"
+href="#xd20e7493" name="xd20e7493src">96</a>, maar eenvoudig een gevolg
+van het feit, dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze
+wet. &bdquo;Welke schrijver van een in Nederland verschijnend boek
+denkt erover, eene vertaling daarvan <i>in het land zelf</i> te laten
+uitkomen? En zoo dit al een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft
+hij toch zeker niet te vreezen, dat daaraan <i>in ons land</i>
+concurrentie zal worden gedaan door eene andere vertaling in dezelfde
+taal, en dat nog wel binnen vijf jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijke boek.</p>
+<p>De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het
+bijzonder voor een land met &eacute;&eacute;ne taal als het onze, op
+het gebied der internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning
+van het juiste beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet
+de bijzondere voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en
+het volkomen gelijkstelde met elk ander auteursrecht.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch3.2.3.4">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend
+bewerkingsrecht</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het &bdquo;bewerken&rdquo; van geschriften kan met
+betrekking tot het auteursrecht tot soortgelijke verhoudingen
+aanleiding geven als het vertalen. Indien de nieuwe (uiterlijke of
+innerlijke) vorm, die de bewerker aan het geschrift heeft gegeven, eene
+schepping is, dan komt hem ook, evenals den vertaler op zijne
+vertaling, een recht daarop toe. Doch <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e7511" href="#xd20e7511" name="xd20e7511">187</a>]</span>aan den
+anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van het
+oorspronkelijke werk te ontzien.</p>
+<p>Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden:
+het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den
+auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van
+bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.</p>
+<p>Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van
+den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven
+eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken
+auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien van
+het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht, geeft
+hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat, dient de
+rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der bewerking,
+waarmede hij te doen heeft.</p>
+<p>Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen
+hieromtrent in.</p>
+<p>De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming
+tegen &bdquo;<span lang="de">Bearbeitungen</span>&rdquo; en noemt
+uitdrukkelijk als zoodanig: het weergeven van eene vertelling in
+dramatischen vorm of van een tooneelstuk in den vorm eener vertelling
+(&sect; 12). Onverminderd dit recht staat het vrij, het werk van een
+ander te gebruiken, indien daardoor &bdquo;<span lang="de">eine
+eigenth&uuml;mliche Sch&ouml;pfung</span>&rdquo; tot stand komt (&sect;
+13). Deze laatste bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of
+de bewerker al dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest
+hier m. i. geheel buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van
+belang is, is of hij de schepping van den oorspronkelijken auteur in
+zijne bewerking heeft overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt
+niet uit. Overigens wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in
+de Duitsche wet goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne
+bewerking. Dit laatste recht wordt geregeld in &sect; 2, hetwelk
+bepaalt, dat bij eene &bdquo;<span lang="de">Bearbeitung</span>&rdquo;
+de &bdquo;<span lang="de">Bearbeiter</span>&rdquo; als auteur wordt
+aangemerkt, evenzoo dus als de vertaler ten opzichte zijner
+vertaling.</p>
+<p>Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend
+bewerkingsrecht bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot
+uitvoering van de wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht).
+Dit bepaalt, dat plan, onderwerp en titel van dramatische werken den
+auteur toebehooren en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk
+inbreuk op het auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7535" href="#xd20e7535" name=
+"xd20e7535">188</a>]</span>tooneelstuk eene bewerking te maken voor
+eene muzikale compositie, ook als de titel en de namen der personen
+gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd, het onderwerp van een
+roman of ander geschrift te gebruiken voor het maken van een
+tooneelstuk (art. 68).</p>
+<p>Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het
+&bdquo;onderwerp&rdquo;, d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan
+zooals wij gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden
+beschouwd; evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat
+het overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn.
+In sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden
+beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met de
+bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht van den
+auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar het
+persoonlijkheidsrecht.</p>
+<p>De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan
+vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Itali&euml;,
+Belgi&euml;, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk.
+De rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen te
+staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten bewijzen.
+Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen: wat is als de
+schepping van den auteur te beschouwen?&mdash;om langs dezen weg tot
+beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al dan niet
+inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en daar min of
+meer getrouw toegepast.</p>
+<p>In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897<a class=
+"noteref" id="xd20e7543src" href="#xd20e7543" name=
+"xd20e7543src">97</a> werden bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop
+auteursrecht bestond, voor ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen
+grond, dat die bewerkingen inhielden: &bdquo;<span lang="fr">... le
+r&eacute;sum&eacute; fid&egrave;le et l&rsquo;analyse exacte des
+livrets et pi&egrave;ces...</span>&rdquo; en dat daarin waren
+weergegeven: &bdquo;<span lang="fr">la substance de ces oeuvres, leur
+plan g&eacute;n&eacute;ral, le d&eacute;veloppement de leurs
+&eacute;pisodes, les situations, les personnages... etc.</span>&rdquo;
+Hier valt&mdash;zooals men ziet&mdash;een streven waar te nemen om de
+bestanddeelen der auteurs-schepping aan te wijzen, die&mdash;ook zonder
+dat de tekst woordelijk was nagedrukt&mdash;in de bewerking waren
+overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in een vonnis van
+de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897<a class="noteref" id="xd20e7554src"
+href="#xd20e7554" name="xd20e7554src">98</a>. De bewerking in kwestie
+was hier een roman, getrokken <span class="pagenum">[<a id="xd20e7559"
+href="#xd20e7559" name="xd20e7559">189</a>]</span>uit het tooneelstuk
+<i lang="fr">La Tour de Nesle</i> van Alexandre Dumas en Gaillardet. In
+het vonnis wordt verklaard: &bdquo;<span lang="fr">... Que le sujet, le
+plan, son agencement et ses d&eacute;veloppements, la marche de
+l&rsquo;action, le groupement des personnages et les mobiles qui les
+font agir, les passions qu&rsquo;ils ressentent, les sentiments
+qu&rsquo;ils expriment, apparaissent &eacute;galement dans
+l&rsquo;original et dans la copie servile qu&rsquo;ils en ont
+faite,</span>&rdquo; en even verder: &bdquo;<span lang="fr">... Que si,
+dans leur insipide d&eacute;layage en plus de 2000 pages ... les
+d&eacute;fendeurs ont ajout&eacute; d&rsquo;innombrables incidents...,
+ils ont, du moins, pris toute la <i>substance</i> du drame...
+etc.</span>&rdquo; Dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Appel van
+Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna dezelfde
+bewoordingen motiveerde<a class="noteref" id="xd20e7574src" href=
+"#xd20e7574" name="xd20e7574src">99</a>. Wat de Fransche rechter hier
+&bdquo;<span lang="fr">la substance du drame</span>&rdquo; noemde, komt
+vrijwel overeen met Kohler&rsquo;s &bdquo;<span lang=
+"de">Imagin&auml;re Bild</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e7586src" href="#xd20e7586" name="xd20e7586src">100</a>.</p>
+<p>In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken
+van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op het
+auteursrecht aangemerkt<a class="noteref" id="xd20e7591src" href=
+"#xd20e7591" name="xd20e7591src">101</a>. In Engeland is alleen het
+laatste, (&bdquo;<i lang="en">novelisation</i>&rdquo;)
+verboden<a class="noteref" id="xd20e7612src" href="#xd20e7612" name=
+"xd20e7612src">102</a> en om die reden verzette dit land zich in 1896
+op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling in de
+Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren den auteurs
+zou worden voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e7620src" href=
+"#xd20e7620" name="xd20e7620src">103</a>. In 1908 op de Conferentie van
+Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen staat
+tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt<a class="noteref" id=
+"xd20e7625src" href="#xd20e7625" name="xd20e7625src">104</a>; wel een
+bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.</p>
+<p>Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land
+is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze
+wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het
+auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten in
+een Themis-artikel werd uitgesproken<a class="noteref" id=
+"xd20e7633src" href="#xd20e7633" name="xd20e7633src">105</a>, berust
+hierop, <span class="pagenum">[<a id="xd20e7645" href="#xd20e7645"
+name="xd20e7645">190</a>]</span>dat de woorden &bdquo;geheel of
+gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder onderscheid van vorm of
+inkleeding&rdquo;, die in de wet van 1817 voorkwamen, zijn weggelaten
+uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde wet zou dus
+alleen verbieden het &bdquo;in denzelfden vorm&rdquo; weergeven, wat
+ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de
+volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede
+Kamer gemaakt: &bdquo;Het geldt hier niet het regt van denken, maar het
+regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden.&rdquo;
+Er is echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de
+aangehaalde woorden van den minister bij de verdediging der wet in een
+gansch ander verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het
+auteursrecht op mondelinge voordrachten<a class="noteref" id=
+"xd20e7647src" href="#xd20e7647" name="xd20e7647src">106</a>. Doch ook
+al was dit niet het geval, dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog
+niet eene ontkenning van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans
+of tooneelstukken uitdrukken. Dit zou alleen d&aacute;n het geval zijn,
+indien deze werken inderdaad niets meer waren dan &bdquo;gedachten
+gehuld in een vorm&rdquo;, zooals het wel eens is voorgesteld, en er
+dus slechts twee mogelijkheden waren: &oacute;f alleen
+&bdquo;gedachten&rdquo; uit het werk overnemen (wat volgens algemeen
+gevoelen ieder vrij moet staan) &oacute;f het werk reproduceeren in
+denzelfden &bdquo;vorm&rdquo;, d.w.z. letterlijk, zonder eenige
+wijziging.</p>
+<p>Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde
+uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met de
+bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van
+toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond
+voor deze meening. Men leest daar<a class="noteref" id="xd20e7655src"
+href="#xd20e7655" name="xd20e7655src">107</a>: &bdquo;De in de
+tegenwoordige wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen
+&bdquo;geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid
+van vorm of inkleeding&rdquo; zijn weggelaten, deels omdat zij niet van
+onduidelijkheid zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het
+regt van den auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt
+op een gedeelte daarvan boven twijfel te stellen.&rdquo;</p>
+<p>Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van
+toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift
+van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7660" href="#xd20e7660" name=
+"xd20e7660">191</a>]</span>bewerkte compositie van eens anders
+muziekwerk als nadruk te beschouwen is, werd in beginsel als juist
+erkend, doch alleen daarom niet in de wet opgenomen, omdat men geene
+formule ervoor wist te vinden, die niet in de practijk tot
+moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk wordt dan verder
+gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten, in elk geval te
+beslissen &bdquo;of er werkelijk inbreuk op het regt van den componist
+gemaakt, of <i>zijn</i> werk geheel of ten deele door den druk is
+gemeen gemaakt of uitgevoerd&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7665src"
+href="#xd20e7665" name="xd20e7665src">108</a>.</p>
+<p>Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt
+erkend, dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het
+auteursrecht kan zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op
+soortgelijke wijze als muziekwerken &bdquo;bewerkt&rdquo; kunnen
+worden, wel niet voor geheel en al uitgesloten hebben gehouden.</p>
+<p>Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het
+uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In het
+eerste geval betrof het het tooneelstuk &bdquo;Zwarte Griet&rdquo;,
+waarvan zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht
+eene bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den
+schrijver van het oorspronkelijke stuk met dit laatste &bdquo;wat
+betreft handeling, verdeeling, kleeding en typeering der personen,
+alsook het daarin voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel
+overeenkomst had.&rdquo; De tekst week echter geheel van het
+oorspronkelijke stuk af; alleen een paar zinsneden aan het slot van het
+eerste bedrijf waren woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de
+Rechtbank van den Haag aan<a class="noteref" id="xd20e7672src" href=
+"#xd20e7672" name="xd20e7672src">109</a>, dat wel was gebleken, dat de
+beklaagde een tooneelspel had vertoond, overeenkomst hebbende met het
+stuk &bdquo;<i>Zwarte Griet</i>&rdquo; doch niet wat hem ten laste was
+gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou hebben doen opvoeren. De
+vertooning der bewerking werd dus niet als inbreuk op het auteursrecht
+beschouwd.</p>
+<p>Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het
+vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking is
+blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor&mdash;voorzoover
+dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden
+afgeleid&mdash;dat in dit geval inderdaad door de bewerking
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7683" href="#xd20e7683" name=
+"xd20e7683">192</a>]</span>geen inbreuk kon worden gemaakt op het
+auteursrecht. De bewerker had nl. het oorspronkelijke stuk n&oacute;ch
+gelezen n&oacute;ch zien opvoeren, doch zijne bewerking gemaakt naar de
+verslagen, die van het stuk in de dagbladen waren verschenen. Langs
+dezen weg kan&mdash;dunkt mij&mdash;niet veel meer uit het stuk zijn
+overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn hoogst enkele
+fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening der personen. De
+Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet ingegaan op de
+principieele vraag, waar het mij hier om te doen is, nl. of volgens ons
+recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en hoever dit recht zich
+uitstrekt.</p>
+<p>Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen
+over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van de
+Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889<a class="noteref" id=
+"xd20e7687src" href="#xd20e7687" name="xd20e7687src">110</a> en een
+arrest van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891<a class="noteref"
+id="xd20e7692src" href="#xd20e7692" name="xd20e7692src">111</a>.</p>
+<p>Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer
+hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk
+inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De
+schrijver van een tooneelstuk &bdquo;Krates&rdquo;, getrokken uit den
+roman van dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend
+opvoeringsrecht daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem
+aansprak wegens het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe
+bewerking van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van
+de eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: &bdquo;dat de inhoud
+van het tooneelstuk <i>Krates</i>, hetwelk de ged. in den aanvang der
+maand Dec. 1888 heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige
+wijzigingen, als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde
+tooneelstuk &bdquo;Krates&rdquo;. De rechtbank wees dit aangeboden
+bewijs van de hand als te weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te
+weinig omvattend; verklaarde de vordering ontvankelijk doch ontzegde
+haar als onbewezen. Uit de motiveering van dit vonnis blijkt, dat de
+rechtbank in beginsel het inbreuk maken op het auteursrecht door middel
+eener bewerking niet uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene
+namens ged. gemaakte opmerking, dat de eischers met hunne hierboven
+aangehaalde woorden: &bdquo;behoudens eenige wijzigingen&rdquo; zelven
+zouden erkend hebben, dat het door ged. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e7702" href="#xd20e7702" name="xd20e7702">193</a>]</span>opgevoerd
+tooneelstuk &bdquo;Krates&rdquo; niet hetzelfde was, als het in de
+dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:</p>
+<p>&bdquo;dat &rsquo;t toch van den aard der wijzigingen afhangt, of
+men te denken heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;</p>
+<p>dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot
+een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur en
+zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als
+geheel waardeloos zou zijn.&rdquo;</p>
+<p>Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den
+<i>inhoud</i> van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden
+het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: &bdquo;dat
+vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op
+gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, &rsquo;t
+aankomt op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen,
+dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet
+zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht
+der eischers.&rdquo;</p>
+<p>Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet geheel
+blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te
+onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in
+de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping
+van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk
+in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid, die
+deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.</p>
+<p>De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een
+tooneelstuk vooral &bdquo;op aankomt&rdquo;, maar wat daarin als de
+schepping van den auteur is aan te merken. Het is niet meer dan bloot
+toeval, dat de laatste zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald,
+nl. dat &bdquo;al ware ook bewezen, dat de inhoud van beide
+tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou zijn beslist dat de
+ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht der eischers&rdquo; in
+het gegeven geval eene juiste uitspraak bevat. Want in het algemeen
+behoort hetgeen de rechtbank onder den &bdquo;inhoud&rdquo; van een
+tooneelstuk verstond w&eacute;l tot de schepping van den auteur; alleen
+in dit bijzondere geval was dit niet zoo, omdat die inhoud weer aan een
+ander was ontleend, nl. aan Justus van Maurik, den schrijver van den
+roman &bdquo;<a class="pglink xd20e25" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17549">Krates</a>&rdquo;. Het blijkt
+echter niet, dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den
+roman van Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft
+genomen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e7721" href="#xd20e7721"
+name="xd20e7721">194</a>]</span></p>
+<p>Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde den
+geint. om aan de appellanten te betalen de som van &fnof; 100 als
+schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats overwogen, dat
+ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der bewerking genoegzaam
+bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij het opvoeringsrecht aan
+de appellanten was overgedragen, niet te goeder trouw was nagekomen.
+Dit argument schijnt mij zeer juist toe; het laat echter de vraag over
+het al of niet bestaan van een uitsluitend bewerkingsrecht
+onaangeroerd, daar het de verplichting tot schadevergoeding uit de
+tusschen partijen bestaande verbintenis afleidt. Het is intusschen uit
+het arrest moeilijk op te maken, of dit argument bij het Hof den
+doorslag heeft gegeven, en of dus de beslissing in denzelfden zin zou
+zijn uitgevallen, indien de bewerking door een derde ware vertoond, die
+geenerlei overeenkomst betreffende het opvoeringsrecht van het
+tooneelstuk in kwestie met de appellanten had gesloten. Wel werd aan
+het slot van het arrest overwogen, dat &bdquo;al moge de nieuwe
+bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere verschillen, door de
+opvoering van de eerste op het uitsluitend opvoeringsrecht van de
+laatste inbreuk is gemaakt&rdquo;, waarmede dus duidelijk werd te
+kennen gegeven, dat er volgens de meening van het Hof <i>inbreuk op het
+auteursrecht</i> had plaats gehad; doch de argumenten, die hiervoor
+werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat beide
+bewerkingen &bdquo;in hoofdzaak overeenkomen&rdquo; werd hieruit
+afgeleid: &bdquo;dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden
+roman, en dat daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen
+voorkomen&rdquo;. De onjuistheid van deze redeneering springt in het
+oog. Het auteursrecht, dat hier zou geschonden zijn, was het
+auteursrecht van den schrijver der <i>tooneelbewerking</i>, niet dat
+van den romanschrijver. Er moest dus onderzocht worden, of de tweede
+tooneelbewerking bestanddeelen bevatte van de eerste, die <i>niet</i>
+aan den roman ontleend waren. Want wat in beide bewerkingen uit den
+roman was overgenomen, daarop kon de bewerker geen uitsluitend recht
+laten gelden, tenzij hem dit door den romanschrijver was overgedragen.
+Van een dergelijk recht (een uitsluitend recht dus om van den roman
+&bdquo;Krates&rdquo; van Justus van Maurik eene tooneelbewerking te
+maken) was echter in dit geding geen sprake.</p>
+<p>De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de
+rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7735" href="#xd20e7735" name=
+"xd20e7735">195</a>]</span>vast systeem ontbreekt, en ik waag de
+opmerking te maken, dat de theorie over &bdquo;vorm en inhoud&rdquo;,
+die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze gevallen goede diensten zou
+hebben kunnen bewijzen.</p>
+<p>Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak, dat
+n&oacute;ch de Rechtbank, n&oacute;ch het Hof van Amsterdam het bestaan
+van een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel
+geheel uitgesloten achten.</p>
+<p>Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht
+van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er
+herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk &bdquo;Krates&rdquo;
+getrokken was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin
+een reden werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den
+schrijver van het tooneelstuk (van den &bdquo;bewerker&rdquo; dus) in
+twijfel te trekken.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.3"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 3 Wetenschappelijke en technische platen en
+kaarten</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het algemeen overzicht van de
+auteursrechts-objecten is er reeds op gewezen, dat er zekere soorten
+van platen en kaarten bestaan, die niet tot de werken van beeldende
+kunst kunnen worden gerekend, omdat zij niet, zooals deze laatsten, van
+zuiver aesthetischen aard zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die
+hier bedoeld worden, hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om
+door hunne schoonheid kunstindrukken te wekken, maar om
+wetenschappelijke of technische aangelegenheden uiteen te zetten of
+duidelijk te maken. Vandaar dat de rol, die zij vervullen, zooals reeds
+werd opgemerkt, vergeleken kan worden met die van de woorden en letters
+in een geschrift. Evenals deze zijn zij van symbolischen aard; zij
+ontleenen hunne beteekenis uitsluitend aan hetgeen zij
+&bdquo;voorstellen&rdquo;. Men denke b.v. aan eene aardrijkskundige
+kaart, waar het eene land rood, het andere groen is geverfd, waar
+spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door kruisjes of
+stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding van het
+menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk bloed
+blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.</p>
+<p>Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan
+aanduiden met den naam &bdquo;technische en wetenschappelijke platen en
+kaarten&rdquo;, en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land-
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7748" href="#xd20e7748" name=
+"xd20e7748">196</a>]</span>en zeekaarten, anatomische, botanische en
+mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en technische teekeningen,
+schematische voorstellingen van allerlei aard enz. enz., eene
+afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht toekomt, wordt
+algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die der
+geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.</p>
+<p>In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk
+genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (&sect; 1, 3) spreekt van:
+&bdquo;<span lang="de">solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder
+technischer Art, welche nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu
+betrachten sind</span>&rdquo;; de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3)
+van: &bdquo;<span lang="fr">dessins g&eacute;ographiques,
+topographiques, d&rsquo;histoire naturelle, architecturaux, techniques
+et autres analogues</span>&rdquo;; in art. 2 van de wetten van
+Denemarken en Noorwegen vindt men ongeveer dezelfde termen; de
+Zweedsche wet (art. 1) noemt: &bdquo;natuurkundige teekeningen, land-
+en zeekaarten, bouwkundige plannen en andere teekeningen en
+afbeeldingen van dien aard&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7758src"
+href="#xd20e7758" name="xd20e7758src">112</a>.</p>
+<p>Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest,
+dat er werken bestaan, die hoewel geen &bdquo;geschriften&rdquo;
+zijnde, toch zeer nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet
+behooren tot de werken van beeldende kunst, waarvan men het
+auteursrecht later in eene afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men
+volgde daarbij het voorbeeld van Duitschland, waar ook twee wetten op
+het auteursrecht bestonden: die van 1 Juni 1870, &bdquo;<i lang=
+"de">betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken, Abbildungen,
+musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken</i>&rdquo; en die
+van 9 Jan. 1876 &bdquo;<i lang="de">betreffend das Urheberrecht an
+Werken der bildenden K&uuml;nste</i>&rdquo;. De &bdquo;<span lang=
+"de">Abbildungen</span>&rdquo; van de Duitsche wet van 1870 werden in
+onze wet (art. 1): &bdquo;<i>plaat- en kaartwerken</i>&rdquo;. Doch
+zoowel uit de keuze van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede
+in de memorie van toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten
+duidelijkste, dat het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige
+navolging heeft gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed
+bewust geweest van hetgeen hij deed, toen hij de &bdquo;<span lang=
+"de">Abbildungen</span>&rdquo; niet bij de werken van beeldende kunst,
+maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der bedoelde werken werd
+overwogen, of de grond der bescherming, die men ervoor wilde
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7779" href="#xd20e7779" name=
+"xd20e7779">197</a>]</span>verleenen, moest gezocht worden naar
+analogie van dien der geschriften of van dien der kunstwerken<a class=
+"noteref" id="xd20e7781src" href="#xd20e7781" name=
+"xd20e7781src">113</a>. Men kwam tot het eerste op grond van dezelfde
+overwegingen, die hierboven reeds zijn weergegeven, nl. dat deze
+producten meer een wetenschappelijk dan een artistiek doel hebben,
+immers ertoe bestemd zijn &bdquo;<span lang="de">zu
+belehren</span>&rdquo;. In &sect; 43 der wet van 1870 werden zij nader
+aangeduid als: &bdquo;<span lang="de">geographische, topographische,
+naturwissenschaftliche, architektonische, technische und <span class=
+"corr" id="xd20e7795" title="Bron: ahnliche">&auml;hnliche</span>
+Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke nicht als
+Kunstwerke zu betrachten sind</span>&rdquo;. Hieruit blijkt wel, dat
+men op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog
+had en dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst
+eenerzijds, de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar
+stelselmatig heeft getrokken.</p>
+<p>Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding
+hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.</p>
+<p>In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp het
+auteursrecht regelt van: &bdquo;schrijvers van letterkundige werken,
+benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant,
+insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken&rdquo;. Met deze
+laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de
+&bdquo;plaat- en kaartwerken&rdquo;. Verder werd nog opgemerkt:
+&bdquo;Uitgesloten zijn de voortbrengselen van schilder- en
+beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan de vervaardigers van die
+voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt ... behoort (dit) het
+onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke wet&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e7803src" href="#xd20e7803" name=
+"xd20e7803src">114</a>. Van eene onderscheiding naar de innerlijke
+eigenschappen der werken&mdash;zooals die in Duitschland was
+gemaakt&mdash;dus geen spoor. Het eenige wat men in aanmerking scheen
+te nemen was, of een werk al dan niet &bdquo;voorwerp van den
+boekhandel&rdquo; uitmaakte. Daaruit laat zich ook verklaren, dat men
+niet eene bepaling als de boven aangehaalde van &sect; 43 der Duitsche
+wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun hoofddoel betreft
+als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos, misschien zonder
+veel over de zaak na te denken, de woorden &bdquo;plaat- en
+kaartwerken&rdquo;, die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1)
+voorkwamen.</p>
+<p>Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7808" href="#xd20e7808" name=
+"xd20e7808">198</a>]</span>moet gegeven worden? De vraag is moeilijk op
+te lossen en heeft ook reeds tot verschil van opvatting aanleiding
+gegeven.</p>
+<p>In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat de
+wet niet spreekt van &bdquo;kaarten en platen,&rdquo; maar van
+&bdquo;kaart- en plaat-<i>werken</i>&rdquo;. Daarom geloof ik niet,
+dat, zooals Mr. Veegens<a class="noteref" id="xd20e7815src" href=
+"#xd20e7815" name="xd20e7815src">115</a> en Mr. van de
+Kasteele<a class="noteref" id="xd20e7818src" href="#xd20e7818" name=
+"xd20e7818src">116</a> aannemen, daaronder gerekend kunnen worden losse
+etsen, lithographie&euml;n en gravures. Juister schijnt mij, wat Mr.
+Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:</p>
+<p>&bdquo;Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de
+wetgever ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica en
+spraakgebruik juist is): <i>een boek met platen</i>, evenwel met deze
+restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak
+zij&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7828src" href="#xd20e7828" name=
+"xd20e7828src">117</a>. Met uitzondering van de laatste toevoeging,
+waarvoor ik niet den minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen
+eens. Deze uitlegging strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen
+uit de memorie van toelichting. Van ge&iuml;llustreerde boeken laat
+zich met meer recht dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij
+&bdquo;aan letterkundige werken zeer nauw verwant zijn&rdquo; en
+tevens, dat zij evenals dezen &bdquo;een voorwerp van den boekhandel
+uitmaken.&rdquo; De overweging is blijkbaar deze geweest, dat tekst en
+illustratie bij elkaar hooren en daarom ook in dezelfde wet bescherming
+moeten vinden. Toch komt men met deze uitlegging tot zonderlinge
+gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe een boekverkooper, die een
+oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin in den handel had gebracht,
+moest toezien, dat deze straffeloos werd nagedrukt. Doch indien
+diezelfde boekverkooper &bdquo;niet &eacute;&eacute;n ets had laten
+maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende
+kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes
+aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke
+plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille,
+voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als
+door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaat<i>werk</i>
+had tot stand gebracht.&rdquo;</p>
+<p>Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e7841" href="#xd20e7841" name=
+"xd20e7841">199</a>]</span>onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog
+duidelijker komt dit in het licht, indien men zich de vraag stelt, wie
+eigenlijk als auteur moet worden aangemerkt van een &bdquo;plaat- of
+kaartwerk&rdquo;. De werken van beeldende kunst als schilderijen,
+teekeningen enz. vallen buiten de bescherming onzer wet; evenzoo
+photographie&euml;n, zooals nog uitdrukkelijk in de memorie van
+antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze werken is geregeld
+in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is verheven. Schilders,
+teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen &bdquo;auteurs&rdquo;
+volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten tot een
+&bdquo;plaatwerk&rdquo; vereenigd, dan is dit laatste w&eacute;l
+voorwerp van auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als
+auteur van het plaatwerk te beschouwen hem, die de <span class="corr"
+id="xd20e7843" title=
+"Bron: clich&eacute;s">clich&eacute;&rsquo;s</span>&mdash;al of niet
+door hemzelf vervaardigd&mdash;verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus
+den drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen<a class=
+"noteref" id="xd20e7846src" href="#xd20e7846" name=
+"xd20e7846src">118</a>, is er geen sprake van een plaatwerk,
+v&oacute;&oacute;rdat een exemplaar is afgedrukt, en zonder plaatwerk
+geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening van Mr. Veegens te zijn,
+die als object van het auteursrecht noemt: &bdquo;het door den druk
+gemeen gemaakte plaatwerk&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e7849src"
+href="#xd20e7849" name="xd20e7849src">119</a>. Juister ware echter
+geweest &bdquo;gedrukt&rdquo; in plaats van &bdquo;door den druk gemeen
+gemaakt&rdquo;; want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is
+gemaakt doet hier niets ter zake.</p>
+<p>In vele gevallen zal dus de auteur van het &bdquo;plaatwerk&rdquo;
+een ander zijn dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk
+bestaat. Daar deze laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens
+onze wet behoeft hunne toestemming door den samensteller van het
+plaatwerk niet gevraagd te worden. Niet alleen dus dat het ieder
+vrijstaat van schilderijen, teekeningen, etsen, photographie&euml;n
+enz. zonder toestemming van den auteur reproducties te laten maken, om
+daarmede een boek te illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als
+samensteller van een &bdquo;plaatwerk&rdquo; door onze wet tegen
+verdere reproductie beschermd! <span class="pagenum">[<a id="xd20e7855"
+href="#xd20e7855" name="xd20e7855">200</a>]</span></p>
+<p>Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te
+rechtvaardigen, dat de uitdrukking &bdquo;plaat- en kaart-werken&rdquo;
+in onze wet niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit
+is vooral noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de
+omstandigheid, dat deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het
+dubbel noodig dat de grens tusschen deze en de wel beschermde producten
+duidelijk en naar redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch
+ook indien het Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking
+&bdquo;plaat- en kaartwerken&rdquo; in de W. A. R. in de practijk tot
+moeilijkheden aanleiding geven. Het Ontw. B. K. verleent b<span class=
+"corr" id="xd20e7858" title="Niet in bron">.</span> v. een auteursrecht
+van slechts tien jaar aan hem, die een werk van beeldende kunst van een
+ander door eene mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien
+echter op deze wijze een &bdquo;plaatwerk&rdquo; tot stand komt, zou
+diezelfde persoon volgens de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar
+genieten<a class="noteref" id="xd20e7861src" href="#xd20e7861" name=
+"xd20e7861src">120</a>. Ook de verschillende regelingen der voorwaarden
+en formaliteiten in de W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband
+hiermede tot verwarringen aanleiding kunnen geven.</p>
+<p>Welke de werken zijn, die in plaats van de &bdquo;plaat- en
+kaartwerken&rdquo; in de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten
+worden, is hierboven reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met
+welke termen deze werken in sommige buitenlandsche wetten worden
+aangeduid. Vooral de Duitsche wet schijnt mij op dit punt
+navolgingswaard, omdat zij uitdrukkelijk de producten, die als
+kunstwerken zijn bedoeld, uitsluit. Ook de&mdash;hierboven niet door
+mij aangehaalde&mdash;bepaling van &sect; 1 der Duitsche wet van 19
+Juni 1901, dat tot de &bdquo;<span lang="de">Abbildungen</span>&rdquo;
+ook behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden
+nagevolgd. Er bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten,
+voorzoover zij overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische
+afbeeldingen, hiermede niet op &eacute;&eacute;ne lijn te stellen.</p>
+<p>Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik
+spreek nu niet meer over de &bdquo;kaart- en plaatwerken&rdquo; van
+onze wet, maar alleen over de &bdquo;technische en wetenschappelijke
+kaarten en platen&rdquo;, waarvan ik het begrip hierboven heb trachten
+vast te stellen) <span class="pagenum">[<a id="xd20e7874" href=
+"#xd20e7874" name="xd20e7874">201</a>]</span>aan den regel worden
+vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen object van
+auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat kan
+putten&mdash;b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig
+menschelijk of dierlijk orgaan&mdash;is gemeengoed en moet door ieder
+vrij benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt,
+het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al
+waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van
+den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde goed
+bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften, uitsluitend
+uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze van den auteur.
+Dit moet niet z&oacute;&oacute; worden verstaan, dat die vorm op zich
+zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn, zoodat b.v.
+een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde methode om iets
+graphisch voor te stellen of om een landschap in kaart te brengen. Waar
+van den vorm als object van auteursrecht wordt gesproken, wordt
+daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan een concreten
+inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet in het
+vergaderen van kennis, n&oacute;ch in het uitdenken van eene methode om
+die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur is
+slechts hij, die deze denkbeelden en plannen <i>verwezenlijkt</i>, die
+dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing
+brengt.</p>
+<p>De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede
+aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene&mdash;al of niet door
+den auteur gedane&mdash;technische uitvinding. In dat geval kan
+natuurlijk die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat
+dit dan geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de
+kaart of plaat.</p>
+<p>Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische
+afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding, dat m.
+a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te brengen.
+Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het eene
+bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop bevat
+object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen betreft
+waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van
+uitvinders-recht kan zijn<a class="noteref" id="xd20e7883src" href=
+"#xd20e7883" name="xd20e7883src">121</a>. Ook hier valt dus de
+onderscheiding <span class="pagenum">[<a id="xd20e7888" href=
+"#xd20e7888" name="xd20e7888">202</a>]</span>tusschen auteursrecht en
+uitvindersrecht niet moeilijk te maken, indien men maar de objecten van
+ieder recht goed uit elkander houdt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.4"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 4 Werken der toonkunst</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander
+gemeen, dat zij beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar
+tot uiting te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en
+zijn slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer
+te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van
+beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden <i>gezien</i>.</p>
+<p>Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en
+geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten aan
+te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt, is dat
+zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen, waaruit
+een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een geschrift,
+eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk hunne werking
+uit op den hoorder.</p>
+<p>Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen
+muziekstukken en geschriften in verschillende opzichten van belang.</p>
+<p>Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor
+mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke
+oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft
+als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.</p>
+<p>De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met
+de taal, die als &bdquo;voertuig der gedachten&rdquo; ook practische
+diensten bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen
+zal vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit
+hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht te
+zijn.</p>
+<p>Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik
+worden gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en
+vingeroefeningen en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek.
+Daardoor verliezen deze werken echter niet hun karakter van
+kunstschepping. Het komt mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler
+doet, signalen niet tot de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij
+voert hiervoor aan, dat zij buiten den kring der kunst staan<a class=
+"noteref" id="xd20e7908src" href="#xd20e7908" name=
+"xd20e7908src">122</a>. Dit <span class="pagenum">[<a id="xd20e7913"
+href="#xd20e7913" name="xd20e7913">203</a>]</span>betreft echter m. i.
+niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt gemaakt,
+een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch gewild
+heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om er langer
+bij stil te staan<a class="noteref" id="xd20e7915src" href="#xd20e7915"
+name="xd20e7915src">123</a>.</p>
+<p>In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk
+voorwerp van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een
+belangrijk verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van
+den componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn vorm
+en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als bij
+geschriften. Bij geschriften kan men &bdquo;vorm&rdquo; noemen de taal,
+en &bdquo;inhoud&rdquo; datgene, wat door de taal wordt
+uitgedrukt<a class="noteref" id="xd20e7926src" href="#xd20e7926" name=
+"xd20e7926src">124</a>. Doch omdat de muziek het symbolisch karakter
+der taal mist, is eene onderscheiding tusschen de muziek zelve en
+datgene wat erdoor wordt uitgedrukt, niet te maken. De tonen worden
+niet, zooals de woorden, gebruikt als teekens van begrippen, maar zij
+zelf zijn het, die de muzikale aandoening bij den hoorder wekken.
+Daarom is het ook onmogelijk een stuk muziek &bdquo;in andere
+tonen&rdquo; weer te geven.</p>
+<p>Wat echter w&eacute;l mogelijk is, is het ontleenen van
+bestanddeelen aan een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale
+bewerking te geven. Om te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk
+op het auteursrecht wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit
+welke bestanddeelen een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding
+van worden gemaakt op soortgelijke wijze als ten aanzien der
+geschriften is geschied.</p>
+<p>In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie,
+instrumentatie, rhythmus en dynamiek.</p>
+<p>Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime,
+beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de
+combinatie van tegelijk klinkende tonen.</p>
+<p>Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan te
+duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en eene
+karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte
+uitdrukken<a class="noteref" id="xd20e7938src" href="#xd20e7938" name=
+"xd20e7938src">125</a>. De onderscheiding is, zooals zal blijken, ook
+voor het auteursrecht van belang. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e7947" href="#xd20e7947" name="xd20e7947">204</a>]</span></p>
+<p>Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten gehoore
+brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten is geregeld.
+Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van vocaliseering.</p>
+<p>De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in
+tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.</p>
+<p>Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele
+melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat
+men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd
+uit een of meer <i>motieven</i> of <i>thema&rsquo;s</i>. Deze kunnen
+echter niet als eene schepping van den componist worden beschouwd. Zij
+bestaan uit slechts enkele noten in niet meer dan een of twee maten die
+geen zelfstandig geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen
+voor eene verdere muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten
+b.v. de twee eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven,
+terwijl men b.v. de bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in
+de acht eerste maten van het Scherzo in deze symphonie, een
+<i>melodie</i> kan noemen<a class="noteref" id="xd20e7967src" href=
+"#xd20e7967" name="xd20e7967src">126</a>.</p>
+<p>Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord
+&bdquo;motief&rdquo; niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven
+zin, waarin het eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De
+&bdquo;Leitmotive&rdquo; b. v. in de muziek-drama&rsquo;s van Richard
+Wagner zijn bijna alle tevens melodie&euml;n, en niet maar eenvoudige
+thema&rsquo;s zonder zelfstandigen muzikalen zin.</p>
+<p>Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in
+het&mdash;zelden voorkomende&mdash;geval dat de geheele compositie uit
+niets anders bestaat dan die &eacute;&eacute;ne melodie zonder
+harmoniseering, maar ook wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt
+van eene meer uitgewerkte muzikale compositie. Hieruit valt reeds de
+algemeene regel af te leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te
+beschouwen het overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook
+al zouden daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn
+gewijzigd. <span class="pagenum">[<a id="xd20e7977" href="#xd20e7977"
+name="xd20e7977">205</a>]</span></p>
+<p>Meestal bestaat&mdash;zooals gezegd&mdash;eene muzikale compositie
+niet uit &eacute;&eacute;ne enkele melodie zonder meer, maar is zij
+ontstaan uit de bewerking van een of meer melodie&euml;n. Ook dit
+bewerken is een scheppende arbeid; dikwijls zelfs zijn juist hieraan de
+meest waardevolle elementen van een muziekstuk te danken.</p>
+<p>Met het &bdquo;bewerken&rdquo; heb ik voornamelijk op het oog het
+harmoniseeren, d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de
+enkele tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische
+bewerkingen onderscheiden, nl. de <i>polyphonie</i> waarin twee of meer
+op zichzelf verstaanbare melodie&euml;n zijn te hooren, die als het
+ware dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de
+<i>homophonie</i>, bestaande uit &eacute;&eacute;ne melodie met eene
+die melodie steunende en daaraan ondergeschikt blijvende
+begeleiding.</p>
+<p>Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende
+wijzen geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch,
+hetzij homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodie&euml;n
+ontleent en daaraan een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets
+dergelijks als de bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan
+gezegd worden&mdash;al is het in eenigszins anderen zin&mdash;dat hij
+aan een bestaanden inhoud een nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook
+ten aanzien van het auteursrecht soortgelijke gevolgen in. De bewerker
+heeft aan den eenen kant het recht van den oorspronkelijken auteur te
+eerbiedigen en mag dus zonder vergunning van dezen laatste zijne
+bewerking niet exploiteeren; aan den anderen kant vestigt de bewerker
+op zijne beurt een nieuw recht, dat ook door den auteur van het
+oorspronkelijke werk moet worden ontzien.</p>
+<p>Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op
+zichzelf object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel:
+de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve
+onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht op de
+harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig voorwerp
+van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster hieromtrent
+opmerkt: &bdquo;<span lang="de">... an den Harmoniefolgen, der
+Modulation als solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch
+weniger fast als an den einzelnen Accorden, denn dieselben
+Harmoniefolgen k&ouml;nnen bei ganz verschiedenen melodischen und
+rhythmischen Folgen eintreten, sie sind etwas, das an sich nicht
+sinnlich wahrgenommen wird daher keine Wirkung macht, und nicht
+f&uuml;r sich allein die Individualit&auml;t <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e7994" href="#xd20e7994" name=
+"xd20e7994">206</a>]</span>des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben
+Art in den verschiedensten Werken vorkommen kann</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e7997src" href="#xd20e7997" name=
+"xd20e7997src">127</a>. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen zijn
+de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodie&euml;n;
+harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de
+kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk
+maar eene abstractie.</p>
+<p>Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje
+van, hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de
+eerste maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene
+andere, doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad
+nieuw <span class="corr" id="xd20e8003" title=
+"Bron: muziekstnk">muziekstuk</span> doet ontstaan<a class="noteref"
+id="xd20e8006src" href="#xd20e8006" name="xd20e8006src">128</a>. Minder
+juist is echter de beschouwing, die deze zelfde schrijver daarna laat
+volgen, waarmede hij tracht aan te toonen, dat het bovengenoemde
+beginsel in sommige gevallen uitzondering zou kunnen lijden, dat dus
+een recht op de harmonie op zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten.
+Dit zou nl. d&aacute;n het geval zijn, wanneer eene eigenaardige
+harmonische bewerking is gegeven aan eene melodie, die zonder deze
+bewerking geen voorwerp van auteursrecht kon uitmaken. Het woord
+melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in den ruimen zin van:
+opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie in den engeren zin
+is&mdash;zooals hierboven betoogd is&mdash;altijd als een muzikale
+schepping en bijgevolg als object van des componisten auteursrecht te
+beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen, die op zichzelf niets
+uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen componist zouden kunnen
+toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld een neerdalende
+chromatische toonladder, welke de &bdquo;melodie&rdquo; uitmaakt van
+een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde
+bedrijf van &bdquo;die Walk&uuml;re&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e8009src" href="#xd20e8009" name="xd20e8009src">129</a>. Daar hier
+de melodie geen voorwerp van auteursrecht uitmaakt, maar w&eacute;l de
+eigenaardige harmonische bewerking, die Wagner er aan gegeven heeft,
+kan men volgens mr. Viotta in dit geval spreken van een auteursrecht
+ten aanzien der harmonie. Dit is in zooverre juist, dat <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8021" href="#xd20e8021" name=
+"xd20e8021">207</a>]</span>eerst door de harmonische bewerking een
+auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt
+te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht
+zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde
+wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door n.l.
+dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere
+melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel
+nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op
+Wagner&rsquo;s auteursrecht zou uitmaken.</p>
+<p>Wat van de harmonie is gezegd geldt <span class="abbr" title=
+"mijner meening"><abbr title="mijner meening">m.m.</abbr></span> ook
+voor de instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het
+orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die
+zich, dank zij scheppenden genie&euml;n als Beethoven, Berlioz, Wagner
+en in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige
+ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft weten
+op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie een
+organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die werkelijk
+kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die daarna onder
+de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij de eerste
+conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de middelen,
+waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels voor den
+geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin een
+organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie van
+den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor aan de
+aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.</p>
+<p>Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke
+instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt
+natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt het
+maken van &bdquo;transcripties&rdquo; of &bdquo;arrangementen&rdquo;,
+d. z. bewerkingen voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor.
+Men kan deze bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften;
+Kohler noemt ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een
+letterkundig werk den <i>uiterlijken vorm</i><a class="noteref" id=
+"xd20e8032src" href="#xd20e8032" name="xd20e8032src">130</a>.</p>
+<p>Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den
+bewerker van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8039" href="#xd20e8039" name=
+"xd20e8039">208</a>]</span>na het voorgaande geene uiteenzetting meer.
+Het arrangement is aan den eenen kant zelf een auteursproduct, aan den
+anderen kant zou de exploitatie ervan zonder toestemming van den
+oorspronkelijken componist inbreuk op diens auteursrecht zijn. Ik
+behoef er ook verder niet op te wijzen, dat de instrumentatie, evenmin
+als de harmonie of welke andere &bdquo;vorm&rdquo; ook, op zichzelf
+geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus vrijstaan, eenen
+componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor nieuwe
+instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen, mits
+natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke
+muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de
+verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten aan
+te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht der
+componisten reeds genoegzaam afleiden.</p>
+<p>Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder
+begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de melodie dus in
+den engen zin van het woord, als eene muzikale compositie is te
+beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is opgebouwd. Daaruit
+volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van een ander is
+overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden
+ge&euml;xploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin
+alleen het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van
+belang met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op
+thema&rsquo;s of melodie&euml;n van andere componisten<a class=
+"noteref" id="xd20e8047src" href="#xd20e8047" name=
+"xd20e8047src">131</a>. Wij hebben verder gezien, dat ook het
+harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den scheppenden
+arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht toekomt aan hem,
+die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen gelden, eene
+oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven en zelfs aan hem,
+die niets anders gedaan heeft dan een bestaand muziekstuk opnieuw te
+instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd werd, geen recht op de
+harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch een recht op het
+concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering of
+instrumenteering tot stand is <span class="pagenum">[<a id="xd20e8056"
+href="#xd20e8056" name="xd20e8056">209</a>]</span>gekomen. Natuurlijk
+geldt ook hier, dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen,
+die hij uit het werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een
+piano-uittreksel heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen
+verhinderen, dat dit piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd,
+niet dat anderen van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of
+voor andere instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie
+uit het stuk wordt overgenomen.</p>
+<p>In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig
+zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna nooit
+voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt
+overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen
+heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk
+wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen of
+vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien worden
+dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die dan in de
+&bdquo;bewerking&rdquo; worden afgewisseld door meer oorspronkelijke
+stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende
+vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasie&euml;n,
+potpourris, parodie&euml;n enz.</p>
+<p>Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren;
+daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas
+moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een
+oordeel uit te spreken.</p>
+<p>Ik wensch hier nog slechts &eacute;&eacute;ne opmerking van
+algemeenen aard aan het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de
+beoordeeling, of in een bepaald geval door het overnemen van
+bestanddeelen uit eens anders muzikale compositie inbreuk op het
+auteursrecht is gepleegd, de meerdere of mindere artistieke waarde van
+het daardoor ontstane nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag
+worden genomen. Er zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel
+oorspronkelijke muzikale composities, ware meesterwerken aan te wijzen.
+Door verschillende schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de
+variaties die Bach, Mozart en Beethoven op vreemde melodie&euml;n
+hebben geschreven. Dit is echter geen voldoende reden om dergelijke
+bewerkingen voor geoorloofd te houden, indien zij werkelijk
+bestanddeelen van een nog beschermd werk van een ander bevatten. Volgde
+men deze opvatting<a class="noteref" id="xd20e8064src" href=
+"#xd20e8064" name="xd20e8064src">132</a>, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e8070" href="#xd20e8070" name="xd20e8070">210</a>]</span>dan zou
+elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts eene
+kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.</p>
+<p>Ik meen dus&mdash;om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene
+nadere omgeving dan de bovengenoemde&mdash;dat een werk als de bekende
+<i>Piet Hein-Rhapsodie</i> van van Anrooy, waarin de melodie van het
+oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen
+is als eene &bdquo;bewerking&rdquo; van dat lied en dat de exploitatie
+ervan zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat
+diens auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook
+de groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe
+harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van
+de hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de
+Duitsche wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht
+toe, uittreksels (<i lang="de">Ausz&uuml;ge</i>) uit hunne werken te
+maken alsmede bewerkingen voor een of meer instrumenten of stemmen
+(&sect; 12, 4); voorts verbiedt de wet elk gebruik van een muziekwerk,
+waardoor eene melodie aan het werk wordt ontnomen om aan een nieuw werk
+ten grondslag te worden gelegd (&sect; 13 lid 2). Ook in de wetten van
+Spanje en Itali&euml; komen dergelijke bepalingen voor. De Italiaansche
+wet van 19 Sept. 1882 stelt met reproductie gelijk: bewerkingen voor
+verschillende instrumenten, uittreksels en geheele of gedeeltelijke
+omwerkingen (<i lang="it">adattamenti</i>), behalve wanneer een motief
+uit een werk tot thema wordt genomen voor eene nieuwe oorspronkelijke
+muzikale compositie (art. 3). De Spaansche wet van 10 Jan. 1879
+verbiedt het geheel of gedeeltelijk overnemen van melodie&euml;n met of
+zonder begeleiding, hetzij bewerkt voor andere instrumenten, hetzij
+voorzien van een anderen tekst of in eenigen anderen vorm, dan die
+welke de auteur eraan heeft gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept.
+1880 tot uitvoering van laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene
+parodie geen melodie van het geparodieerde stuk mag worden opgenomen
+(art. 65).</p>
+<p>In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde,
+die zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts
+d&aacute;n kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan
+gegronde <span class="pagenum">[<a id="xd20e8090" href="#xd20e8090"
+name="xd20e8090">211</a>]</span>vrees bestaat, dat door den rechter de
+juiste beginselen niet zullen worden toegepast, zoodat b.v. alleen het
+exploiteeren van een muziekstuk in ongewijzigden vorm als inbreuk op
+het auteursrecht zou worden aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet
+den rechter in deze materie volkomen vrijheid laat, al of niet het
+geval is, is moeilijk uit te maken, daar jurisprudentie hierover
+ontbreekt en ook van eene wetenschappelijke communis opinio moeilijk
+kan gesproken worden. Er kan hier echter gewezen worden op de boven
+reeds aangehaalde zinsnede uit de memorie van toelichting onzer wet,
+waaruit ten duidelijkste blijkt, dat onze wetgever geenszins de
+bedoeling heeft gehad, het maken van bewerkingen van muziekstukken
+zonder toestemming des auteurs in alle gevallen vrij te laten. Er is
+dus, nog minder dan ten aanzien der geschriften, eenige reden om de
+erkenning van een bewerkingsrecht van auteurs van muziekstukken in
+strijd met de wet te achten. Daarom meen ik ook, dat de hierboven
+ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens ons bestaande recht in
+allen deele toepassing zouden kunnen vinden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.5"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en
+pantomimes</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale
+werken verstaan tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit
+een geheel of gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten
+tekst. Het eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door
+eene samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen
+geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren bij
+elkander en vormen &eacute;&eacute;n geheel. Die organische samenhang
+van woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of
+operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als &eacute;&eacute;n
+geheel te beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om
+deze werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als
+&eacute;&eacute;n rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende
+bestanddeelen bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen
+woorden en een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien
+van het auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De
+moeilijkheid bij het bepalen, wat in elk geval object van het
+auteursrecht is, bestaat, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8097"
+href="#xd20e8097" name="xd20e8097">212</a>]</span>zooals na het
+bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk in de ontleding, die
+van geschriften en kunstwerken moet worden gemaakt. Deze ontleding valt
+bij dramatisch-muzikale werken al heel gemakkelijk. Want tekst en
+muziek mogen tezamen een organisch geheel vormen, evenals b.v. melodie
+en harmonie, eene onderscheiding te maken tusschen de twee zal niemand
+eenige moeite kosten. Wat de tekst is in een opera, en wat de muziek,
+daarover behoeft geen woord te worden vuil gemaakt. En is eenmaal deze
+onderscheiding gemaakt, dan is voor &rsquo;t overige op elk der twee
+bestanddeelen van het dramatisch-muzikale werk slechts toe te passen,
+wat hierboven over de geschriften en de muziekwerken is gezegd. Het
+libretto, het moge op zichzelf, dus afgescheiden van de muziek, eenige
+zelfstandige waarde hebben of niet, valt onder de regels die voor alle
+geschriften en in het bijzonder voor de tooneelstukken gelden. Het zal
+dus b.v. niet vertaald mogen worden zonder toestemming van den auteur;
+evenmin zal er een roman of novelle uit getrokken mogen worden, tenzij
+het natuurlijk zelf eene dramatiseering is van een bestaande roman.
+Eveneens zullen, wat het muzikale gedeelte betreft, de beginselen
+toepassing kunnen vinden die hierboven over het auteursrecht der
+componisten zijn ontwikkeld.</p>
+<p>Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan
+een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit is
+vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens de
+auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van den
+librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te
+oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster
+b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een
+componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen bezielt
+en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet kunnen
+beschikken<a class="noteref" id="xd20e8101src" href="#xd20e8101" name=
+"xd20e8101src">133</a>. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid
+uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt
+blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken, die
+niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist te
+dienen (wet van 19 Juni 1901 &sect; 20). Dit artikel heeft dus meer
+liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval
+schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans
+geschriften gerechtvaardigd. <span class="pagenum">[<a id="xd20e8107"
+href="#xd20e8107" name="xd20e8107">213</a>]</span></p>
+<p>Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn werk
+door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt
+uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend
+zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval
+kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen
+van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten
+maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men
+door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke
+werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou
+bemoeilijken&mdash;zooals Schuster schijnt te vreezen<a class="noteref"
+id="xd20e8110src" href="#xd20e8110" name=
+"xd20e8110src">134</a>&mdash;meen ik te moeten betwijfelen. De
+componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming van
+den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat deze
+toestemming bijna nooit&mdash;en in &rsquo;t bijzonder niet aan
+talentvolle componisten&mdash;zal worden geweigerd<a class="noteref"
+id="xd20e8113src" href="#xd20e8113" name="xd20e8113src">135</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de
+dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk
+niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten
+zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook de
+niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en tekst
+bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat echter
+geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der
+dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken
+niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het
+verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer
+voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken
+slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden)
+wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale
+werken niet aan deze voorwaarde is gebonden<a class="noteref" id=
+"xd20e8126src" href="#xd20e8126" name="xd20e8126src">136</a>. Onze wet
+bevat ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim
+toe; uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet;
+opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken w&eacute;l, al is het
+slechts voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15).
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8129" href="#xd20e8129" name=
+"xd20e8129">214</a>]</span></p>
+<p>Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de
+niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik hier
+in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel aan te
+toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de genoemde
+rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan bij de
+vraag, wat in den zin der wet onder een &bdquo;dramatisch-muzikaal
+werk&rdquo; te verstaan is.</p>
+<p>Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera&rsquo;s en
+operettes, werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden
+opgevoerd; men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die
+wel dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg
+zijn bestemd, zooals oratoria en cantate&rsquo;s, tot de
+dramatisch-muzikale werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van
+niet, op grond, dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit
+moet hier, volgens hem, den doorslag geven: &bdquo;<span lang="de">da
+das Recht, und somit auch das Urheberrecht als &auml;ussere Ordnung
+seiner Unterscheidung &auml;ussere Momente zu Grunde legen
+muss</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8137src" href=
+"#xd20e8137" name="xd20e8137src">137</a>.</p>
+<p>Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale
+ontgaat, doch ik wil er in &eacute;&eacute;n adem bijvoegen dat er voor
+de meening, die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus
+het al of niet &bdquo;dramatische&rdquo; van een werk naar zijne meer
+innerlijke eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden
+beoordeeld) al evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de
+vraag meer van opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler
+o. a. deed. Deze redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet
+maakt (zijn betoog had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu
+vervangen door die van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische
+muzikale werken is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed
+bescherming verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te
+verdedigen als een overgangsmaatregel, zoolang tegen een
+onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht van muziekstukken nog practische
+bezwaren worden gemaakt, die echter bestemd is te verdwijnen (in dit
+opzicht heeft Kohler goed gezien); en zijn slotsom is deze:
+&bdquo;<span lang="de">in Zweifel ist darum ein Musikst&uuml;ck als
+dramatisch-musikalisch zu betrachten</span>&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e8145src" href="#xd20e8145" name="xd20e8145src">138</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8150" href="#xd20e8150" name=
+"xd20e8150">215</a>]</span></p>
+<p>Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking
+&bdquo;dramatisch-muzikale werken&rdquo; van onze wet worden gegeven;
+temeer daar in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe
+behoorende worden genoemd<a class="noteref" id="xd20e8153src" href=
+"#xd20e8153" name="xd20e8153src">139</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen
+en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling tot
+uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken kunnen
+gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel aan te nemen.
+Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven drama&rsquo;s tot
+de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die door auteursrecht
+beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna door niemand meer
+ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern tot voorbereiding van
+de internationale Conventie werd dit door den Italiaanschen
+gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken: &bdquo;<span lang=
+"fr">... il ne s&rsquo;agit pas seulement de prot&eacute;ger le
+libretto, qui n&rsquo;est qu&rsquo;un canevas, ou la musique, qui
+n&rsquo;est qu&rsquo;un accessoire, mais aussi <i>l&rsquo;action
+chor&eacute;graphique</i>, qui est une cr&eacute;ation de
+l&rsquo;auteur. Le chor&eacute;graphe digne de ce nom est po&egrave;te
+et artiste: il cr&eacute;e le sujet; il ordonne les sc&egrave;nes, les
+d&eacute;cors, les costumes, les tableaux, les couleurs; la suite,
+l&rsquo;intrigue, le d&eacute;veloppement des pantomimes et des danses,
+qui expriment le drame fantastique, mythologique ou historique. Tout
+cela constitue une v&eacute;ritable oeuvre d&rsquo;art, et
+l&rsquo;ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre, il
+y a donc lieu de prot&eacute;ger <i>l&rsquo;action
+chor&eacute;graphique</i></span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e8173src" href="#xd20e8173" name="xd20e8173src">140</a>.</p>
+<p>Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat dan
+Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen, zal men
+het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping
+vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals wij
+gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te
+rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden
+gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt
+aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen, waarvan
+den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren hiertoe
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8180" href="#xd20e8180" name=
+"xd20e8180">216</a>]</span>vertooningen, die tot eenig doel hebben de
+handigheid, vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen
+bewonderen of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en
+dergelijken<a class="noteref" id="xd20e8182src" href="#xd20e8182" name=
+"xd20e8182src">141</a>.</p>
+<p>Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de
+auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het
+choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In de
+tweede plaats&mdash;en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer
+gebruikelijke middel zijn&mdash;door eene <i>beschrijving</i> van de
+standen, gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime
+optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve
+deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren
+van groote beteekenis is geworden, nl. de <i>kinematograaf</i>. Met
+behulp hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste
+bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een middel
+in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te stellen.
+Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats treden van
+eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers enz.
+Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de
+vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk
+hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de
+aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer en
+meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette
+&bdquo;drama&rsquo;s&rdquo; en kluchten door den kinematograaf
+vertoonen. Indien pantomimes in het algemeen tot de beschermde
+auteursproducten kunnen worden gerekend, dan bestaat er niet de minste
+reden om aan deze bijzondere soort bescherming te ontzeggen. Al zal men
+den naam &bdquo;drama&rdquo; voor deze werken misschien niet geheel
+passend achten; het kan toch niet ontkend worden, dat zij door de
+snelle opeenvolging en groote verscheidenheid der tafereelen, die zich
+achtereenvolgens op de meest verschillende plaatsen kunnen afspelen,
+nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich leenen, om dramatische
+conflicten tot uitdrukking te brengen.</p>
+<p>De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als
+photographie&euml;n beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel
+anderen aard, dat niet verward moet worden met dat op het door den
+kinematograaf <span class="pagenum">[<a id="xd20e8205" href=
+"#xd20e8205" name="xd20e8205">217</a>]</span>vertoonde stuk, waarover
+hier gesproken wordt. Dit laatste recht is van veel wijder strekking:
+niet alleen het maken van afdrukken der oorspronkelijke films zou een
+inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het opnieuw laten vertoonen van
+hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij door dezelfde personen, om
+daarvan weer eene nieuwe kinematographische afbeelding te maken. Het
+behoeft geen betoog, dat er alleen d&aacute;n voor dit recht grond
+bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig in elkander zijn
+gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans eenigszins een
+dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen, die zich in de
+werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp van een
+uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende personen
+zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen die ze in
+beeld bracht.</p>
+<p>In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig
+proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had
+in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen van
+door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder zijne
+toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek
+vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank
+toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische
+afbeeldingen als <i>werken van beeldende kunst</i> beschermd waren en
+dat als auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden
+aangemerkt, daar deze het was geweest, &bdquo;<span lang="fr">qui a
+dispos&eacute; d&rsquo;abord son sujet, ses aides, ses instruments;
+qu&rsquo;il s&rsquo;est assur&eacute; de la mise en plaque, c&rsquo;est
+&agrave; dire si le point important de la sc&egrave;ne &agrave;
+reproduire se trouvait bien dans le centre du verre d&eacute;poli; qui
+a &eacute;t&eacute; en un mot le principal auteur des
+films</span>&rdquo; etc.<a class="noteref" id="xd20e8215src" href=
+"#xd20e8215" name="xd20e8215src">142</a>). Doch &bdquo;<span lang=
+"fr">la sc&egrave;ne &agrave; reproduire</span>&rdquo; zelf werd niet
+als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene
+operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als
+wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht
+kan daardoor niet worden gevestigd.</p>
+<p>Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal
+voor den kinematograaf vervaardigde &bdquo;stuk&rdquo;, wordt,
+voorzoover mij bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de
+wet omschreven <span class="pagenum">[<a id="xd20e8226" href=
+"#xd20e8226" name="xd20e8226">218</a>]</span>of door de jurisprudentie
+erkend. De eenige stellige bepaling, die mij hierover bekend is, is die
+van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner Conventie, welke hieronder
+nog besproken zal worden. In een geval, waar voor de erkenning van dit
+recht wellicht eenige grond bestond (het betrof hier kinematographische
+tafereelen die tot titel voerden: &bdquo;<i lang="fr">Apparitions de la
+tr&egrave;s Sainte Vierge &agrave; Bernadette</i>&rdquo;) werd het
+bestaan ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren
+o.a.:</p>
+<p lang="fr">&bdquo;Attendu qu&rsquo;une oeuvre cinematographique, de
+quelque valeur artistique qu&rsquo; elle puisse &ecirc;tre, ne peut, en
+aucune mani&egrave;re, &ecirc;tre assimil&eacute;e aux oeuvres
+dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible
+d&rsquo;interpr&eacute;tation, purement m&eacute;canique, ne saurait
+&ecirc;tre l&rsquo;objet d&rsquo;une repr&eacute;sentation dans le sens
+donn&eacute; &agrave; ce mot par la loi des 13&ndash;19 Janvier 1791 et
+par les articles 428 et 429 du Code P&eacute;nal;</p>
+<p lang="fr">Que, s&rsquo;il est exact de pr&eacute;tendre que
+l&rsquo;agencement et la composition des tableaux
+repr&eacute;sent&eacute;s peuvent offrir un caract&egrave;re
+artistique, le mouvement dont sont dou&eacute;es les projections
+cinematographiques n&rsquo;est pas d&ucirc; soit &agrave;
+l&rsquo;auteur, soit &agrave; des ex&eacute;cutants, mais bien &agrave;
+la machine sp&eacute;ciale au moyen de laquelle ce mouvement est
+obtenu, etc.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8235src" href=
+"#xd20e8235" name="xd20e8235src">143</a></p>
+<p>Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte nog
+eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni 1903. Hier
+waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel, maar eenvoudig
+een serie van tien prentbriefkaarten, die echter, in bepaalde volgorde
+gelegd, eene soort van &bdquo;dramatische&rdquo; handeling lieten zien,
+op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen, als een
+kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij o.a.:
+&bdquo;<span lang="fr">... qu&rsquo;il existe entre les dix
+sc&egrave;nes de la composition un encha&icirc;nement qui indique la
+pens&eacute;e de l&rsquo; auteur; qu&rsquo;en outre, la position des
+personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie, leur attitude
+pr&eacute;cisent et r&eacute;alisent cette conception; ... qu&rsquo;on
+n&rsquo;a pas cherch&eacute; &agrave; reproduire les traits de telle ou
+telle personne d&eacute;termin&eacute;e, mais &agrave; figurer par une
+s&eacute;rie de petits tableaux une id&eacute;e que la mimique des
+personnages fait comprendre; que sans rechercher quel peut &ecirc;tre
+le m&eacute;rite ou la valeur artistique d&rsquo;une telle oeuvre, il
+est certain qu&rsquo;elle b&eacute;n&eacute;ficie de la protection de
+la loi du 10 Juillet 1793</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e8246src" href="#xd20e8246" name="xd20e8246src">144</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8254" href="#xd20e8254" name=
+"xd20e8254">219</a>]</span></p>
+<p>Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien
+prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht erkend.
+De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank inbreuk
+op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie van de
+oorspronkelijke photographie&euml;n, maar in de reproductie van de tien
+<i>tafereelen</i>; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor
+andere personen geposeerd hadden.</p>
+<p>Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in
+het erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht
+werd beschouwd, was niet veel meer dan &bdquo;une id&eacute;e&rdquo; in
+den zin, waarin ons woord &bdquo;idee&rdquo; wel wordt gebruikt, nl.
+eene invallende gedachte, en niet eene schepping, die aanspraak geeft
+op auteursbescherming. Het vonnis geeft overigens een eigenaardig
+staaltje van de vrijheid, waarmede de rechtspraak in Frankrijk zich
+beweegt bij het interpreteeren van de wettelijke bepalingen op het
+auteursrecht. Met het oog hierop meen ik ook te kunnen zeggen, dat er
+tenminste in d&aacute;t land geen speciale wet noodig zal zijn, om de
+bescherming, die in de voorgaande bladzijden werd bepleit (voor de
+stukken nl. die aan den kinematograaf hun aanzijn hebben te danken),
+daadwerkelijk in te voeren.</p>
+<p>Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even
+groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes,
+waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale
+werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk
+uitgesloten. &bdquo;Geschriften&rdquo; zijn zij al evenmin; dus zou er
+niets anders overblijven dan ze te rangschikken onder de
+&bdquo;tooneelwerken&rdquo;, waarvan onze wet spreekt. Met eene
+dergelijke interpretatie zou men echter de grenzen, die de wetgever
+voor oogen heeft gehad, te ver overschrijden. Naar ons bestaande recht
+meen ik dus, dat de bedoelde werken onbeschermd zijn. Bij eene
+toekomstige herziening zou daarom het opnemen eener bepaling als die
+van art. 14 tweede en derde lid der Berner Conventie, ook in verband
+met eene aansluiting van ons land bij het internationale Verbond, wel
+aanbeveling verdienen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.6"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 6 Werken van beeldende kunst</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn,
+als alle kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z.
+de stof <span class="pagenum">[<a id="xd20e8269" href="#xd20e8269"
+name="xd20e8269">220</a>]</span>is slechts middel van uitdrukking en
+geen bestanddeel van het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de
+beeldende kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift
+of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat&mdash;wat men zou kunnen
+noemen&mdash;: de <i>verwerkelijking</i> van het werk in de stoffelijke
+wereld, door schrijvers en componisten aan anderen (zangers,
+orkestspelers, tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in
+het schrift (letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne
+schepping door symbolische teekens weer te geven. De beeldende
+kunstenaar daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen;
+hij moet, zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken.
+Daarom kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en
+uitvoerend kunstenaar is.</p>
+<p>Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden
+kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf, heeft
+dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een schrijver of
+componist. Het eerste is de verwerkelijking van een kunstwerk, het
+tweede is niet meer dan een middel, waardoor de verwerkelijking, ook
+door anderen dan de auteur, mogelijk wordt gemaakt. Doch men moet
+daarom niet bij een werk van beeldende kunst de schepping van den
+kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk voorwerp, waarin de
+schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is niet aan dat
+&eacute;&eacute;ne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk
+aan &eacute;&eacute;ne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van
+den schilder ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de
+uitvoering van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het
+kunstwerk voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste
+van meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan, dat
+beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen richten.
+Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het oor worden
+waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd; de werken
+van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden <i>gezien</i>,
+hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een
+bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de
+ruimte.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar
+is&mdash;het zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd&mdash;niet
+het lichamelijke <span class="pagenum">[<a id="xd20e8283" href=
+"#xd20e8283" name="xd20e8283">221</a>]</span>voorwerp, dat de schepping
+verwerkelijkt, maar de onlichamelijke schepping zelve. Om hiervan een
+goed denkbeeld te krijgen, moeten wij ons het kunstwerk denken ontdaan
+van de materieele hulpmiddelen die de kunstenaar heeft gebruikt om
+zijne conceptie aanschouwelijk te maken. &bdquo;<span lang="de">Wir
+m&uuml;ssen</span>,&rdquo;&mdash;zooals Kohler het
+uitdrukt&mdash;&bdquo;<span lang="de">von der concreten Darstellung
+abziehen einmal die &auml;uszere Form <span lang="nl-1900">(d. w. z.
+het proc&eacute;d&eacute;: krijtteekening, olieverf, aquarel enz.
+enz.)</span> m&uuml;ssen uns daher vergegenw&auml;rtigen, was das
+gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in verschiedenen Kunstformen
+wiedergeben</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8294src" href=
+"#xd20e8294" name="xd20e8294src">145</a>.</p>
+<p>Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn recht)
+onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is het
+gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in <i>denzelfden
+kunstvorm</i> meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder
+wanneer het aangewende proc&eacute;d&eacute; toelaat, dat meerdere
+exemplaren worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te
+onderscheiden. Dit is b.v. het geval met etsen en <span class="corr"
+id="xd20e8304" title="Bron: hontsneden">houtsneden</span>; elke afdruk
+die van het door den kunstenaar vervaardigde clich&eacute; is gemaakt,
+is eene even volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den
+laatsten tijd is men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het
+oorspronkelijke clich&eacute; reproducties te maken van prenten van
+allerlei aard, die z&oacute;&oacute; getrouw het origineel weergeven,
+dat slechts door deskundigen het onderscheid kan worden gezien. Er zijn
+echter kunstwerken, waarvan het zeer moeilijk is eene reproductie te
+maken, die volkomen met het origineel overeenstemt. Van een schilderij
+b. v. kan men zich wel eene kopie denken, die, zoover ons
+waarnemingsvermogen gaat, in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis
+met het gekopieerde vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke
+kopie&euml;n niet<a class="noteref" id="xd20e8307src" href="#xd20e8307"
+name="xd20e8307src">146</a>. Doch dat de mogelijkheid in abstracto kan
+worden aangenomen, is ons hier genoeg. In de practijk, d. w. z. in de
+practijk van het auteursrecht, komt het er niet op aan, of men met eene
+gebrekkige kopie heeft te maken dan wel met de meest volmaakte, die
+zich denken laat.</p>
+<p>Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken
+kunstvorm <span class="pagenum">[<a id="xd20e8318" href="#xd20e8318"
+name="xd20e8318">222</a>]</span>hebben wij nu ook te doen met die in
+een anderen kunstvorm. Naar eene schilderij kan b.v. een ets, of eene
+houtsnede of eene krijtteekening worden gemaakt; eene aquarel kan door
+middel der chromo-lithographie worden gereproduceerd, enz. enz.; al
+deze reproducties of kopie&euml;n in andere kunstvormen zijn min of
+meer volmaakte en min of meer getrouwe verwerkelijkingen van de
+oorspronkelijke schepping.</p>
+<p>Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den
+beeldende kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht,
+eenigszins nader te karakteriseeren.</p>
+<p>Het begrip &bdquo;beeldende kunst&rdquo; staat&mdash;er is reeds op
+gewezen&mdash;algemeen vast. In het bijzonder bestaat verschil van
+meening hierover, of tot de werken van beeldende kunst, die voorwerp
+zijn van auteursrecht, ook gerekend moeten worden: photographie&euml;n,
+werken der bouwkunst en de producten van kunstnijverheid of toegepaste
+kunst. Over deze drie categorie&euml;n van werken zal ik hieronder
+afzonderlijk nog spreken; ik laat ze daarom voorloopig buiten
+beschouwing en neem dus het woord beeldende kunst in de meer enge
+beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk gegeven wordt.</p>
+<p>Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede
+eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe
+behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische
+scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene
+innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.</p>
+<p>De grondslag&mdash;of zoo men wil: de <i>inhoud</i>&mdash;van elk
+werk van beeldende kunst is de innerlijke voorstelling van den
+kunstenaar. Waar deze ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen
+zijn te zien, die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd
+kunnen worden iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een
+werk van beeldende kunst te doen<a class="noteref" id="xd20e8331src"
+href="#xd20e8331" name="xd20e8331src">147</a>. Kohler bedoelt
+waarschijnlijk niets anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het
+werk van beeldende kunst karakteriseert als: &bdquo;<span lang=
+"de">Darstellung einer Weltsch&ouml;pfungsidee</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e8340src" href="#xd20e8340" name=
+"xd20e8340src">148</a>. Men zou ook, om eene meer eenvoudige
+uitdrukking te gebruiken, kunnen zeggen, dat een vereischte voor een
+werk van beeldende kunst is, dat het &bdquo;iets voorstelt.&rdquo; De
+voorstelling, d. w. z. <span class="pagenum">[<a id="xd20e8345" href=
+"#xd20e8345" name="xd20e8345">223</a>]</span>datgene wat de kunstenaar
+min of meer bewust voor den geest heeft gestaan, kan ontleend zijn aan
+wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch waar de beeldende
+kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid na te bootsen of eene
+nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is eene aesthetische
+aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking van zijne
+persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is b.v. de
+voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel geen werk
+van beeldende kunst<a class="noteref" id="xd20e8348src" href=
+"#xd20e8348" name="xd20e8348src">149</a>. Evenmin zijn als zoodanig te
+beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling
+hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid
+nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de
+poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan
+den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor
+realiteit te laten doorgaan, vreemd.</p>
+<p>Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil
+zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen,
+beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid is
+te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en zelfs
+iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou kunnen
+voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de herinnering
+aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of teekening,
+waarvan niemand kan zeggen &bdquo;wat het voorstelt&rdquo;, is niet als
+werk van beeldende kunst te beschouwen.</p>
+<p>Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van
+volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het
+oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit is
+een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt, en die
+na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring zal
+behoeven<a class="noteref" id="xd20e8356src" href="#xd20e8356" name=
+"xd20e8356src">150</a>.</p>
+<p>Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den
+beeldenden kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet,
+bestaat?</p>
+<p>Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt
+niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8366" href="#xd20e8366" name=
+"xd20e8366">224</a>]</span>het niet aangaat, aan &eacute;&eacute;n
+persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te geven
+(wat&mdash;zooals wij gezien hebben&mdash;in den tijd der
+privilegi&euml;n wel voorkwam)<a class="noteref" id="xd20e8368src"
+href="#xd20e8368" name="xd20e8368src">151</a>, zal nu wel nergens
+tegenspraak ontmoeten. Dit geldt niet alleen voor portretten,
+landschappen, stillevens enz. maar ook voor de zoogenaamde
+<i>genre</i>-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige tafereelen,
+waarbij het tafereel op zich zelf eene&mdash;zij het ook geheel
+uiterlijke&mdash;beteekenis heeft<a class="noteref" id="xd20e8374src"
+href="#xd20e8374" name="xd20e8374src">152</a>.</p>
+<p>Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook
+al is het reeds door anderen v&oacute;&oacute;r hem gebruikt. Het
+onderwerp is echter iets anders dan wat ik hierboven noemde de
+&bdquo;innerlijke voorstelling&rdquo; van den kunstenaar. Afgezien van
+de techniek en afgezien ook van de compositie zal hetzelfde onderwerp
+door twee schilders niet op dezelfde wijze behandeld worden.</p>
+<p>In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken
+kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij den
+een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij den ander
+en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk leiden.
+Kohler spreekt te dien aanzien van &bdquo;die individuelle Weise, in
+welcher der K&uuml;nstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise
+gebildet hat&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8387src" href=
+"#xd20e8387" name="xd20e8387src">153</a>. Dit kan natuurlijk op
+verschillende wijzen en door verschillende middelen worden bereikt;
+elke kunstenaar volgt hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn
+werk op enkele punten verwantschap met dat van anderen toonen.</p>
+<p>Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud
+zijner schepping noemen. Zij is het &bdquo;imagin&auml;re
+Bild&rdquo;,&mdash;de &bdquo;<i>innerlijke visie</i>&rdquo; zou men
+hier zeggen&mdash;die in verschillende vormen aanschouwelijk kan worden
+gemaakt.</p>
+<p>De &bdquo;vorm&rdquo; is hier weer te onderscheiden in een
+innerlijken en een uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men
+voornamelijk hebben te zoeken in wat gewoonlijk genoemd wordt de
+<i>compositie</i>, d.w.z<span class="corr" id="xd20e8402" title=
+"Niet in bron">.</span> de wijze waarop de verschillende onderdeelen
+worden gerangschikt, op den voorgrond of op den achtergrond, in licht
+of in schaduw worden gezet, z&oacute;&oacute; dat zich daaruit
+&eacute;&eacute;n harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het
+bijzonder de begrenzing van <span class="pagenum">[<a id="xd20e8405"
+href="#xd20e8405" name="xd20e8405">225</a>]</span>het stuk<a class=
+"noteref" id="xd20e8407src" href="#xd20e8407" name=
+"xd20e8407src">154</a>; zoo kan bij landschappen of zeegezichten de
+hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel een belangrijke factor
+zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een menschengroep kan worden
+verhoogd, door de figuren, die zich aan de uiteinden bevinden, slechts
+voor de helft te doen zien, zoodat zij uit de lijst in het schilderij
+schijnen te stappen<a class="noteref" id="xd20e8416src" href=
+"#xd20e8416" name="xd20e8416src">155</a>.</p>
+<p>Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft te
+zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan &eacute;&eacute;n enkele
+wijze van compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars
+dikwijls beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan
+weer een andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat
+voor de definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.</p>
+<p>Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, d.
+w. z. het wordt in een bepaald proc&eacute;d&eacute; (olieverf,
+aquarel, crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is
+dus voornamelijk de <i>techniek</i>. Ook deze is een element van den
+scheppenden arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische
+vaardigheid bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het
+bijzonder voor de schilderkunst: het is dikwijls vooral de
+&bdquo;manier van schilderen&rdquo; waaraan de werken van een grooten
+meester zijn te herkennen. Doch ook in de behandeling van andere
+kunstvormen kan de kunstenaar zijne persoonlijkheid, zijn eigen stijl
+toonen. Men denke zich bij voorbeeld twee etsen naar dezelfde
+schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen, dat men daartusschen niet
+belangrijke verschilpunten ontdekt, die natuurlijk alleen zijn te
+verklaren uit het verschil in werkwijze der twee kunstenaars.</p>
+<p>Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden
+kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke
+voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat
+hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met:
+melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen
+ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten
+opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat
+zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden
+gesteld.</p>
+<p>Object van auteursrecht is&mdash;zooals altijd&mdash;alleen datgene,
+wat <span class="pagenum">[<a id="xd20e8433" href="#xd20e8433" name=
+"xd20e8433">226</a>]</span>de schepping van den auteur uitmaakt. Bij
+volkomen oorspronkelijke werken heeft dus de auteur recht, niet alleen
+op den uiterlijken en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de
+&bdquo;innerlijke voorstelling&rdquo;. Wanneer deze door een ander
+wordt overgenomen, is dit een inbreuk op het auteursrecht; ook al
+verschijnt de voorstelling in een anderen kunstvorm. Het is dus b.v.
+niet geoorloofd een ets naar een schilderij te maken of eene
+staalgravure naar eene potloodteekening enz. enz.; dit is ook
+d&aacute;n niet het geval, indien in de compositie wijzigingen zijn
+aangebracht.</p>
+<p>Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen
+innerlijken of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe,
+onverschillig of het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is.
+Hiervoor geldt, wat boven over het recht van den vertaler en van den
+bewerker van muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een
+schilderij kan dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne
+toestemming gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde
+schilderij een andere ets wordt gemaakt.</p>
+<p>Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de
+abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in
+verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen
+van den stijl of de &bdquo;manier&rdquo; van een ander, voorzoover dit
+op nieuwe onderwerpen wordt toegepast.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven
+behandelde categorie&euml;n auteursproducten gedaan heb, na de
+theoretische beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in
+ons land, en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat
+in andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende
+kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene
+bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag
+daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de
+Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw oud
+is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een groot deel
+verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige bespreking ervan
+af<a class="noteref" id="xd20e8444src" href="#xd20e8444" name=
+"xd20e8444src">156</a>, en bepaal mij tot eene enkele <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8450" href="#xd20e8450" name=
+"xd20e8450">227</a>]</span>opmerking, die met mijne hierboven gehouden
+beschouwingen verband houdt. Deze opmerking geldt het vierde artikel
+van het Ontwerp, dat aldus luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander
+vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of
+door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het
+recht, bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een
+kunstwerk toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij
+art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.</p>
+</div>
+<p>Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een
+ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de
+voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten
+zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu in
+het volgende even te wijzen.</p>
+<p>In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die
+reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is, waar
+het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de &bdquo;mechanische
+bewerking&rdquo; te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar
+het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van
+&bdquo;werken van beeldende kunst&rdquo; wordt gesproken. Het gevolg
+zou dus zijn, dat b.v. eene photographie van een schilderij w&eacute;l,
+doch die van een natuurtafereel of van personen n&iacute;et beschermd
+zou zijn. Een redelijke grond hiervoor is niet aan te wijzen<a class=
+"noteref" id="xd20e8460src" href="#xd20e8460" name=
+"xd20e8460src">157</a>.</p>
+<p>Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt
+verleend, indien de reproductie &bdquo;op wettige wijze&rdquo; is
+gemaakt. Dit beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk
+wordt gemaakt op het recht van den auteur van het origineel, hetzij
+omdat dit recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende
+toestemming heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht
+op het oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen
+reden voor, om alleen de &bdquo;wettige&rdquo; reproductie te
+beschermen. Ik kan hier verwijzen naar hetgeen dienaangaande is
+opgemerkt bij de bespreking van het recht van den vertaler op zijne
+vertaling. De vertaler&mdash;is daar betoogd (p. 179)&mdash;heeft
+aanspraak op bescherming, onverschillig of zijne vertaling al dan niet
+&bdquo;rechtmatig&rdquo;, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8467"
+href="#xd20e8467" name="xd20e8467">228</a>]</span>d. w. z. niet in
+strijd met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken
+schrijver, is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te
+doen. Het recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op
+het oorspronkelijke werk.</p>
+<p>Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook
+uit de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de
+bepaling, dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor
+op zijne reproductie) duurt: &bdquo;tien jaren of zooveel langer als
+het auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht
+blijft&rdquo;. Vooreerst is de bijzondere termijn van korten duur (het
+auteursrecht op oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp
+vijftig jaar) hier misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit
+verdedigd met een beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten
+aanzien van het recht van de vertalers op hunne vertaling: &bdquo;de
+duur van dit recht is echter hier op tien jaren en dus veel langer dan
+dat van den vertaler op zijne vertaling gesteld ...
+enz.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8471src" href="#xd20e8471" name=
+"xd20e8471src">158</a>. Duidelijk blijkt hieruit, dat men het recht van
+den vertaler verwarde met het uitsluitend vertalingsrecht; immers
+alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan den korten termijn van
+vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van dezelfde soort blijkt ook
+uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens welke het auteursrecht op
+de reproductie even lang duurt als dat op het oorspronkelijke
+kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter wille van den
+auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den navolger van een
+w&eacute;l beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan hem, die
+een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De
+oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg, daar
+dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch3.7"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 7 Kunstnijverheid, photographie en
+bouwkunst</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken
+als met de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in
+&eacute;&eacute;n paragraaf tezamen behandel, zal voldoende blijken,
+dat ik mij niet voorstel eene diepgaande studie van elk van deze drie
+te leveren. Over elk <span class="pagenum">[<a id="xd20e8481" href=
+"#xd20e8481" name="xd20e8481">229</a>]</span>dezer onderwerpen&mdash;en
+in het bijzonder over de kunstnijverheid&mdash;zou in verband met het
+auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter om verschillende
+redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet meer dan enkele
+korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid niet achterwege
+meende te kunnen laten.</p>
+<p>Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder meen
+ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van
+kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.</p>
+<p>Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste
+groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische
+afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen,
+plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere
+voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze
+categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van
+beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere
+beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen
+object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij
+of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet
+van een &bdquo;werk van beeldende kunst&rdquo; zou kunnen worden
+gesproken, alleen omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het
+kunstwerk, een ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de
+zoogenaamde &bdquo;zuivere kunstwerken&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e8487src" href="#xd20e8487" name="xd20e8487src">159</a>.</p>
+<p>De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel
+beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze
+werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar zij
+niets in beeld brengen. Zij missen een &bdquo;geestelijken
+inhoud&rdquo;; hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de
+vormschoonheid, die mede bepaald wordt door het practische gebruik,
+waartoe zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van
+overigens geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen,
+tapijten, handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren
+luxe-voorwerpen, boekbanden, lettertypen, borden en schotels van
+porcelein en aardewerk enz. enz. Terwijl de producten van deze soort
+vroeger in de meeste landen als nijverheidsproducten tegen namaak
+beschermd waren, zoodat zij dus onder het gebied van den industrieelen
+eigendom <span class="pagenum">[<a id="xd20e8495" href="#xd20e8495"
+name="xd20e8495">230</a>]</span>vielen, is in de laatste jaren meer en
+meer een streven waar te nemen, om ze tot de kunstwerken en bijgevolg
+tot de voorwerpen van auteursrecht te rekenen. In beginsel kan m. i.
+hiertegen geen bezwaar zijn; ongetwijfeld kunnen ook deze werken de
+verwerkelijking zijn van oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al
+zijn zij overigens niet met de eigenlijke kunstwerken op
+&eacute;&eacute;ne lijn te stellen.</p>
+<p>In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het
+auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de
+laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van 9
+Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902; in
+Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er echter
+nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en industrieelen
+eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp getrokken kan
+worden<a class="noteref" id="xd20e8499src" href="#xd20e8499" name=
+"xd20e8499src">160</a>.</p>
+<p>Voor ons land, waar n&oacute;ch het een n&oacute;ch het ander
+bestaat, is dit vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men
+kan echter aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van
+auteursrecht op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook
+over bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht
+worden, daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk
+heeft doen gevoelen<a class="noteref" id="xd20e8507src" href=
+"#xd20e8507" name="xd20e8507src">161</a>. Of volgens het Ontw. B. K.
+dat in het algemeen spreekt van &bdquo;werken van beeldende
+kunst&rdquo; ook enkele producten van kunstnijverheid zouden vallen, is
+eene vraag, waarover getwist zou kunnen worden. M. i. zou men zich
+hierbij moeten houden aan de begripsbepaling, die ik hierboven van de
+werken van beeldende kunst heb trachten te geven. Doch in elk geval zal
+het gewenscht zijn, dat eene toekomstige wet zich over deze vraag
+duidelijker uitspreke.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan, of
+deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare producten
+onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van beeldende kunst
+verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft, hier <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8517" href="#xd20e8517" name=
+"xd20e8517">231</a>]</span>over deze vraag in beschouwingen te
+treden<a class="noteref" id="xd20e8519src" href="#xd20e8519" name=
+"xd20e8519src">162</a>. Iedereen zal het er wel over eens zijn, dat de
+photographie niet op eene lijn is te stellen met teeken-, schilder- en
+beeldhouwkunst; daarvoor is zij te weinig persoonlijk, te veel
+mechanisch. Een gedeelte van het werk wordt niet door den photograaf,
+maar door het toestel gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden
+ontkend, dat met behulp der photographie afbeeldingen zijn te
+verkrijgen, die wat het aesthetisch effect betreft, dat ermede is
+bereikt, niet behoeven onder te doen voor menige teekening. Nu is het
+zeker waar, dat bij het photographeeren veel van toevallige
+omstandigheden kan afhangen, die geheel buiten den photograaf omgaan.
+Het is b.v. mogelijk, dat iemand, die nooit een toestel in handen heeft
+gehad, geheel en al &bdquo;bij ongeluk&rdquo;, eene welgeslaagde opname
+doet. Zulke gevallen zijn echter uitzonderingen. In het algemeen kan
+worden aangenomen, dat de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt)
+eener <span class="corr" id="xd20e8541" title=
+"Bron: photoprahie">photographie</span> <i>het werk</i> zijn van den
+photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het volste recht gesproken
+worden van eene aesthetische schepping. En waar de photographie
+overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft, dat zij blootstaat aan
+ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar bestaat er alle reden om
+ook den photograaf evenals den beeldenden kunstenaar het auteursrecht
+op zijne schepping te verleenen.</p>
+<p>In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De
+photographie&euml;n worden in de wet op het auteursrecht met name onder
+de beschermde producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken
+in engeren zin niet volkomen op &eacute;&eacute;ne lijn gesteld,
+hetgeen dan voornamelijk hieruit blijkt, dat het auteursrecht op
+photographie&euml;n veel korter duurt dan dat op andere werken. Zoo
+hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan voor dit recht een termijn van
+tien jaar; Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland een van slechts
+vijf jaar na de vervaardiging of het eerste verschijnen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij
+heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8553" href="#xd20e8553" name=
+"xd20e8553">232</a>]</span>niet een zuiver aesthetisch karakter hebben,
+maar ook, en dikwijls wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten
+dienen. Dit is zeker een van de voornaamste redenen, waarom de werken
+der bouwkunst nog niet algemeen tot de beschermde auteursproducten
+worden gerekend. Een afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge
+waar zijn, dat men bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene
+origineele aesthetische schepping, waarvan zij de belichaming zouden
+zijn; men kan zelfs toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste
+woningen vrijwel uitsluitend met de practische eischen, waaraan het
+huis moet voldoen, rekening wordt gehouden en de schoonheid van het
+geheel slechts in de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen
+reden om nu ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst,
+welke w&eacute;l de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn,
+de bescherming van het auteursrecht te onthouden.</p>
+<p>Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het
+argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was,
+daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze
+mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht op
+de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het
+auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de
+&bdquo;technische en wetenschappelijke kaarten en platen&rdquo;
+waarover hierboven in &sect; 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op
+de reproductie dier teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud
+(d. i. dus hier: de schepping van den bouwmeester) is object van het
+auteursrecht<a class="noteref" id="xd20e8557src" href="#xd20e8557"
+name="xd20e8557src">163</a>. De bouwkundige teekening is niet de
+verwerkelijking van het bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen,
+die tot de verwerkelijking in staat stellen. Het onderscheid tusschen
+auteursrecht op bouwkundige teekeningen en dat op de bouwkundige werken
+zelf bestaat dus hierin, dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid
+geeft tot reproductie of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen
+het uitsluitend reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het
+recht, het gebouw naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het
+eenmaal uitgevoerde gebouw weer op andere wijze, b.v. door
+photographie, te reproduceeren.</p>
+<p>Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan
+worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8563" href="#xd20e8563" name=
+"xd20e8563">233</a>]</span>werden gemaakt, minder beginnen te worden.
+Bouwkundige werken worden met name onder de auteursproducten genoemd in
+de wetten van: Duitschland (art<span class="corr" id="xd20e8565" title=
+"Niet in bron">.</span> 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover
+zij met een artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11
+Maart 1902<a class="noteref" id="xd20e8568src" href="#xd20e8568" name=
+"xd20e8568src">164</a> en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen
+de bouwwerken, voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder
+de bescherming der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In
+Belgi&euml; bestaat het recht volgens eene vaste
+jurisprudentie<a class="noteref" id="xd20e8580src" href="#xd20e8580"
+name="xd20e8580src">165</a>; in Spanje en Itali&euml; is het
+twijfelachtig<a class="noteref" id="xd20e8595src" href="#xd20e8595"
+name="xd20e8595src">166</a>.</p>
+<p>Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der
+bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8606" href="#xd20e8606" name=
+"xd20e8606">234</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5778" href="#xd20e5778src" name="xd20e5778">1</a></span> Ik blijf
+mij van den gebruikelijken term &bdquo;industrieele eigendom&rdquo;
+bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen de
+uitdrukking &bdquo;letterkundige eigendom&rdquo;.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5809" href="#xd20e5809src" name="xd20e5809">2</a></span> Dr.
+<span class="sc">Heinrich M. Schuster</span>, <i lang="de">Das
+Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, Deutschland und andern
+europ&auml;ischen Staaten</i> p. 1.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5818" href="#xd20e5818src" name="xd20e5818">3</a></span> Hier en
+in het vervolg gebruik ik het woord <i>woordkunst</i> in den ruimen zin
+van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel gebruikt. Cf.
+hierover: Dr. <span class="sc">J. te Winkel</span>, <i>De
+ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde</i> Haarlem 1907
+<i>Inleiding</i> p. XLII.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5845" href="#xd20e5845src" name="xd20e5845">4</a></span> <i lang=
+"de">Urheberrecht</i> p. 131.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5921" href="#xd20e5921src" name="xd20e5921">5</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Schuster</span> t. a. p. pp. 74 sqq. en 241
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5935" href="#xd20e5935src" name="xd20e5935">6</a></span> Men zie
+over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf in
+verschillende opzichten voor het recht kan hebben: <span class="sc">J.
+Wolterbeek Muller</span>, <i>De Phonograaf in het rechtsleven</i>,
+Proefschr. Leiden 1895.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5949" href="#xd20e5949src" name="xd20e5949">7</a></span> <i lang=
+"fr">Droit d&rsquo;Auteur</i> 1901 p. 128.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5961" href="#xd20e5961src" name="xd20e5961">8</a></span> Men zie:
+<i>D. A.</i> 1900 p. 111.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5970" href="#xd20e5970src" name="xd20e5970">9</a></span> Congres
+van Vevey, Aug. 1901, <i>D. A.</i> 1901 p. 104. Op het congres van
+Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming der
+uitvoerende kunstenaars wederom door <span class="sc">Osterrieth</span>
+ter sprake gebracht en werd tot nadere bestudeering ervan besloten.
+<i>D. A.</i> 1907 p. 117.</p>
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e5996" href="#xd20e5996src" name=
+"xd20e5996">10</a></span> De reproductie was in dit geval geschied door
+de photographie. Een ge&iuml;llustreerd tijdschrift had afbeeldingen
+opgenomen van enkele tafereelen uit het stuk.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6000" href="#xd20e6000src" name="xd20e6000">11</a></span> <i>D.
+A.</i> 1899 p. 20.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6012" href="#xd20e6012src" name="xd20e6012">12</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein
+Autorschutz</i> p. 61 noot.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6022" href="#xd20e6022src" name="xd20e6022">13</a></span> Dat een
+gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan zijn volgens het
+Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van Cassatie te
+Z&uuml;rich 27 Aug. 1890, <i>D. A.</i> 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook:
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Kunstwerkrecht</i> pp. 31
+en 32.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6049" href="#xd20e6049src" name="xd20e6049">14</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 137.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6115" href="#xd20e6115src" name="xd20e6115">15</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 128.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6127" href="#xd20e6127src" name="xd20e6127">16</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein
+Autorschutz</i> p. 7.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6137" href="#xd20e6137src" name="xd20e6137">17</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 138.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6152" href="#xd20e6152src" name="xd20e6152">18</a></span> De
+onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht van
+belang. Men zie b.v. <span class="sc">Gustav Gerber</span>, <i lang=
+"de">Die Sprache als Kunst</i>, 2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar
+onderscheiden wordt tusschen: &bdquo;<span lang="de">die Sprache des
+Bed&uuml;rfnisses</span>&rdquo; en &bdquo;<span lang="de">die der
+freien Darstellung</span>&rdquo;. Van de eerstgenoemde zegt Gerber:
+&bdquo;<span lang="de">Diese Sprache des Bed&uuml;rfnisses, die Prosa
+der Sprachkunst, geh&ouml;rt aber gar nicht in der Litteratur: sie
+wird, wenn nicht scharf, doch gen&uuml;gend, als <i lang="de">Sprache
+des gew&ouml;hnlichen Lebens</i> bezeichnet.</span>&rdquo;</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6180" href="#xd20e6180src" name="xd20e6180">19</a></span>
+<span class="sc">Gierke</span> t. a. p. p. 770.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6190" href="#xd20e6190src" name="xd20e6190">20</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Daude</span>, <i lang="de">Lehrbuch des
+Deutschen Urheberrechts</i> p. 13; <span class="sc">Mandry</span>,
+<i lang="de">Kritische Vierteljahrschrift</i> VII pp. 40 sqq.;
+<span class="sc">Jolly</span> t. a. p. pp. 115 sqq.; <span class=
+"sc">Beseler</span>, <i lang="de">System des gemeinen deutschen
+Privatrechts</i> III p. 335.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6222" href="#xd20e6222src" name="xd20e6222">21</a></span>
+<span class="sc">N. de Ridder</span>, <i>Eenige beschouwingen over
+kopierecht</i> pp. 95, 96.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6230" href="#xd20e6230src" name="xd20e6230">22</a></span> T. a.
+p. pp. 102 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6235" href="#xd20e6235src" name="xd20e6235">23</a></span>
+<span class="sc">J. G. Robbers</span> Jr., <i>Het Auteursrecht,
+Opmerkingen en beschouwingen</i>, Amsterdam 1896 p. 13.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6251" href="#xd20e6251src" name="xd20e6251">24</a></span> Als
+voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een brief van een
+krankzinnige, medegedeeld door dr. <span class="sc">J. P. N.
+Land</span>, <i>Inleiding tot de Wijsbegeerte</i> 2e druk p. 460 noot
+1: &bdquo;Aangezien ik tot heden geene constitutioneele honig ontving,
+vermeen ik, dat de gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te
+veronderstellen, dat er eene honige constitutie bestaat.&rdquo; Eene
+dergelijke zin, of eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan
+geen voorwerp van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in
+voor tegen de taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met
+eene gebrekkige, maar met eene mislukte uiting in woordvorm.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6263" href="#xd20e6263src" name="xd20e6263">25</a></span> Mr.
+Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet spreekt van
+<i>letterkundige</i> waarde, daar hij dit een te subjectief begrip
+acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen duidelijk
+geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier dan
+w&eacute;l in aanmerking wenscht te zien genomen.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6280" href="#xd20e6280src" name="xd20e6280">26</a></span>
+<i>Nederland en de Berner Conventie</i> in: <i>Het Paleis van
+Justitie</i> 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het
+debat op de bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging.
+Cf. hierboven pp. 88 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6288" href="#xd20e6288src" name="xd20e6288">27</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">J. H. Kok</span>, <i>Auteursrecht en Berner
+Conventie</i>, Rotterdam 1905 p. 42.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6383" href="#xd20e6383src" name="xd20e6383">28</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Ludwig Noir&eacute;</span>, <i lang="de">Max
+M&uuml;ller und die Sprach-Philosophie</i>, Mainz 1879 pp. 36 en
+81.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6394" href="#xd20e6394src" name="xd20e6394">29</a></span> Dr.
+<span class="sc">H. Steinthal</span>, <i lang="de">Abriss der
+Sprachwissenschaft</i> (<i lang="de">erster Teil, Die Sprache im
+Allgemeinen</i>) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6411" href="#xd20e6411src" name="xd20e6411">30</a></span> T. a.
+p. p. 51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6416" href="#xd20e6416src" name="xd20e6416">31</a></span> Dr.
+<span class="sc">J. P. N. Land</span>, <i>Inleiding tot de
+Wijsbegeerte</i> 2e druk. &rsquo;s Gravenhage 1900 p. 457.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6425" href="#xd20e6425src" name="xd20e6425">32</a></span> T. a.
+p. p. 459.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6430" href="#xd20e6430src" name="xd20e6430">33</a></span> <i>Het
+woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij de
+overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October 1908
+door</i> Dr. <span class="sc">J. Woltjer</span>, Hoogleeraar in de
+faculteit der Letteren en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6443" href="#xd20e6443src" name="xd20e6443">34</a></span> T. a.
+p. p. 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6448" href="#xd20e6448src" name="xd20e6448">35</a></span> T. a.
+p. p. 62.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6476" href="#xd20e6476src" name="xd20e6476">36</a></span> T. a.
+p. p. 54.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6488" href="#xd20e6488src" name="xd20e6488">37</a></span>
+<i lang="de">Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena</i> II
+(<span class="sc">Arthur Schopenhauer</span>&rsquo;s <i lang=
+"de">s&auml;mmtliche Werke, herausg. v.</i> <span class="sc">Eduard
+Grisebach</span> V p. 602, variante).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6512" href="#xd20e6512src" name="xd20e6512">38</a></span>
+<span class="sc">Willem Kloos</span>, <i>Nieuwere
+Literatuur-Geschiedenis</i> I p. 197.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6528" href="#xd20e6528src" name="xd20e6528">39</a></span>
+<span class="sc">L. van Deyssel</span>, <i>Verzamelde Opstellen</i> 4de
+Bundel p. 260.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6548" href="#xd20e6548src" name="xd20e6548">40</a></span>
+<span class="sc">Frederik van Eeden</span> in <i>de Nieuwe Gids</i>
+(Tweemaandelijksch tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en
+wetenschap) 4de Jaargang, 1889 deel II p. 118.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6560" href="#xd20e6560src" name="xd20e6560">41</a></span>
+<span class="sc">F. van der Goes</span>, <i>De opleiding van
+Tooneelspelers</i> in: <i>de Nieuwe Gids</i> enz. Jaarg. 5 (1890) deel
+II p. 279.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6573" href="#xd20e6573src" name="xd20e6573">42</a></span> Dat met
+name het begrip &bdquo;klankexpressie&rdquo; niet eene uitvinding was
+van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. <span class=
+"sc">Is. van Dijk</span> in eene voordracht getiteld
+&bdquo;<i>Stijl</i>&rdquo;, opgenomen in: <i>Handelingen en
+Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te
+Leiden over het jaar 1907&ndash;1908</i>, Leiden 1908 pp. 69, 70.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6597" href="#xd20e6597src" name="xd20e6597">43</a></span>
+<span class="sc">Gustav Gerber</span>, <i>Die Sprache als Kunst</i> II
+p. 345.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6621" href="#xd20e6621src" name="xd20e6621">44</a></span> T. a.
+p. p. 346.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6645" href="#xd20e6645src" name="xd20e6645">45</a></span> Cf.:
+<span class="sc">L. v. Deyssel</span>, <i>Verzamelde Opstellen</i> IV
+pp. 257, 258. Men zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6679" href="#xd20e6679src" name="xd20e6679">46</a></span> T. a.
+p. p. 259.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6696" href="#xd20e6696src" name="xd20e6696">47</a></span> Cf. de
+boven (p. 151) aangehaalde woorden van <span class=
+"sc">Kloos</span>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6703" href="#xd20e6703src" name="xd20e6703">48</a></span> Men zie
+het boven aangehaalde van <span class="sc">L. van Deyssel</span> (p.
+152).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6720" href="#xd20e6720src" name="xd20e6720">49</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein
+Autorschutz</i> pp. 33, 34.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6737" href="#xd20e6737src" name="xd20e6737">50</a></span> <i>De
+vertaling van Ak&euml;dyss&eacute;ril</i>, <span class="sc">L. van
+Deyssel</span>, <i>Verzamelde opstellen</i> IV pp. 181 sqq. Het artikel
+van prof. <span class="sc">van Hamel</span> is te vinden in <i>de
+Gids</i> 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel:
+&bdquo;<i>Aanteekeningen en opmerkingen</i>&rdquo; pp. 567 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6757" href="#xd20e6757src" name="xd20e6757">51</a></span> T. a.
+p. p. 183.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6767" href="#xd20e6767src" name="xd20e6767">52</a></span> T. a.
+p. p. 187.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6774" href="#xd20e6774src" name="xd20e6774">53</a></span> Men
+vergelijke ook, wat <span class="sc">Willem Kloos</span> opmerkt naar
+aanleiding eener Virgilius-vertaling, <i>Nieuwere
+Literatuur-geschiedenis</i> IV pp. 12 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6846" href="#xd20e6846src" name="xd20e6846">54</a></span> In eene
+Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk uitgemaakt, dat
+iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt eiland
+&bdquo;<span lang="en">... must go through the whole process of
+triangulation, just if he had never seen any former
+maps;...</span>&rdquo; etc., medegedeeld door: <span class=
+"sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische Kunstwerk</i>
+p. 12.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6870" href="#xd20e6870src" name="xd20e6870">55</a></span>
+<span class="sc">Louis Blanc</span>, <i lang="fr">De la
+propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire</i> t. a. p. p. 234.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6914" href="#xd20e6914src" name="xd20e6914">56</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 83. Men
+zie ook de beschouwingen van <span class="sc">Av. Henri Rosmini</span>
+in denzelfden zin, <i>D. A.</i> 1895 pp. 21 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6927" href="#xd20e6927src" name="xd20e6927">57</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 96,
+97.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6932" href="#xd20e6932src" name="xd20e6932">58</a></span> Alleen
+de voortbrengselen der lyrische po&euml;zie, waarvan de inhoud bestaat
+ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter, vallen
+hier buiten. Men zie daarover nog: <span class="sc">Kohler</span> t. a.
+p. pp. 122 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6978" href="#xd20e6978src" name="xd20e6978">59</a></span> Men zie
+pp. 137 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6988" href="#xd20e6988src" name="xd20e6988">60</a></span>
+Reichsgericht 28 Febr. 1898, <i>D. A.</i> 1903 pp. 29 en 30.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e6997" href="#xd20e6997src" name="xd20e6997">61</a></span>
+Reichsgericht 27 Nov. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 49, <i lang=
+"de">B&ouml;rsenblatt</i> 12 Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907,
+<i>D. A.</i> 1908 pp. 151, 152.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7009" href="#xd20e7009src" name="xd20e7009">62</a></span> Hoog
+Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, <i>D. A.</i> 1907 p. 140.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7015" href="#xd20e7015src" name="xd20e7015">63</a></span>
+Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, <i>D. A.</i> 1899 p.
+79.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7034" href="#xd20e7034src" name="xd20e7034">64</a></span>
+Medegedeeld door: <span class="sc">P. Wauwermans</span>, <i>D. A.</i>
+1894 p. 73 en 1896 p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: <i>D.
+A.</i> 1901 p. 121.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7048" href="#xd20e7048src" name="xd20e7048">65</a></span> Hof van
+Parijs 2 April 1896 (<i>Droit</i> 2 Juni, <i lang="fr">Gazette du
+Palais</i> 16 Juni, <i lang="fr">Gazette des Tribunaux</i> 18 Sept.
+&rsquo;96), medegedeeld door: <span class="sc">A. Darras</span> <i>D.
+A.</i> 1897 p. 16.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7066" href="#xd20e7066src" name="xd20e7066">66</a></span> <i>D.
+A.</i> 1894 p. 73.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7071" href="#xd20e7071src" name="xd20e7071">67</a></span> <i>D.
+A.</i> 1908 p. 152.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7076" href="#xd20e7076src" name="xd20e7076">68</a></span>
+Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum) door
+<span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 151.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e7092" href="#xd20e7092src" name="xd20e7092">69</a></span>
+Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, <i>D. A.</i> 1896 pp. 42 en
+84.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e7105" href="#xd20e7105src" name="xd20e7105">70</a></span>
+Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, <i>D. A.</i> 1892 p.
+130.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7113" href="#xd20e7113src" name="xd20e7113">71</a></span>
+Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. <i>D. A.</i> 1901 p.
+123.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7119" href="#xd20e7119src" name="xd20e7119">72</a></span>
+Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, <i>D. A.</i> 1902 p.
+64.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7125" href="#xd20e7125src" name="xd20e7125">73</a></span> Hoog
+Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, <i>D. A.</i> 1893 p. 98.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7131" href="#xd20e7131src" name="xd20e7131">74</a></span> Hoog
+Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, <i>D. A.</i> 1892 pp.
+64 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7137" href="#xd20e7137src" name="xd20e7137">75</a></span>
+Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, <i>D. A.</i> 1895 pp. 37 en 38.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7144" href="#xd20e7144src" name="xd20e7144">76</a></span>
+Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, <i>D. A.</i> 1906 p. 61.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7153" href="#xd20e7153src" name="xd20e7153">77</a></span> Hof van
+Appel van Milaan 10 Dec. 1895, <i>D. A.</i> 1896 p. 74.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7163" href="#xd20e7163src" name="xd20e7163">78</a></span> Opgave
+van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men nog bij:
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> pp. 160
+sqq., <i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> etc.
+pp. 17 sqq., <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 155 sqq.; <span class=
+"sc">Gierke</span> t. a. p. pp. 770 sqq.; <span class="sc">A.
+Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 150, 1906 p. 22; <span class=
+"sc">Pouillet</span>, <i lang="fr">Trait&eacute; th&eacute;orique et
+pratique de la propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et artistique
+et du droit de repr&eacute;sentation</i>, Paris 1879 pp. 34, 37, 39 en
+46.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7196" href="#xd20e7196src" name="xd20e7196">79</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 624, <i>Paleis van Justitie</i> 1893 no. 6.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7204" href="#xd20e7204src" name="xd20e7204">80</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 5512.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7209" href="#xd20e7209src" name="xd20e7209">81</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> nos. 6646 en 6647.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7231" href="#xd20e7231src" name="xd20e7231">82</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>,
+<i>Kantteekeningen</i> enz. p. 27, <span class="sc">Veegens</span>, t.
+a. p. p. 70, <span class="sc">van de Kasteele</span> t. a. p. p. 61,
+mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span> t. a. p. pp. 22 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7249" href="#xd20e7249src" name="xd20e7249">83</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1876&ndash;1877. Bijlage 202.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7270" href="#xd20e7270src" name="xd20e7270">84</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881 p. 1648.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7280" href="#xd20e7280src" name="xd20e7280">85</a></span>
+<span class="sc">Jolly</span>, <i lang="de">Die Lehre vom Nachdruck</i>
+p. 112.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7300" href="#xd20e7300src" name="xd20e7300">86</a></span> Cf.
+boven p. 162.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7306" href="#xd20e7306src" name="xd20e7306">87</a></span> <i>Het
+auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving</i> p. 112.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7315" href="#xd20e7315src" name="xd20e7315">88</a></span> Men zie
+hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam van 27 Dec. 1843,
+<i>W. v. h. R.</i> no. 464.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7327" href="#xd20e7327src" name="xd20e7327">89</a></span> Dit
+argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van het bovengenoemde
+art. 6 der Berner Conventie op het Congres der <i lang=
+"fr">Association</i> te Neuchatel (26&ndash;29 Aug. 1907). <i>D. A.</i>
+1907 pp. 115, 116.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7340" href="#xd20e7340src" name="xd20e7340">90</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische
+Kunstwerk</i> enz. p. 183.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7358" href="#xd20e7358src" name="xd20e7358">91</a></span> Zoo
+b.v.: mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>de Gids</i> 1896
+III p. 4; <span class="sc">J. H. Kok</span>, <i>Auteursrecht en Berner
+Conventie</i> p. 41, en dezelfde schrijver in: &bdquo;<i>Pro en
+Contra</i>&rdquo; serie 1 no. 10 (<i>Aansluiting bij de Berner
+Conventie</i>) Baarn 1905 pp. 25 en 26; <span class="sc">J. D.
+Doorman</span>, <i>Het vrije vertalingsrecht verdedigd</i> Leiden 1885
+p. 9.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7396" href="#xd20e7396src" name="xd20e7396">92</a></span> Men zie
+b.v. in denzelfden zin: <span class="sc">Mandry</span>, <i lang=
+"de">Kritische Vierteljahrschrift</i> VII p. 249.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7417" href="#xd20e7417src" name="xd20e7417">93</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Doorman</span> t. a. p. p. 10, <span class=
+"sc">Kok</span>, t. a. p. resp. p. 43 en p.27.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7457" href="#xd20e7457src" name="xd20e7457">94</a></span> Cf.:
+Prof. <span class="sc">Ernst R&ouml;thlisberger</span>, <i lang=
+"de">Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und
+Kunst und die Zusatzabkommen</i>, Bern 1906 pp. 183, 184.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7471" href="#xd20e7471src" name="xd20e7471">95</a></span> Men
+zie: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 184.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7493" href="#xd20e7493src" name="xd20e7493">96</a></span>
+<span class="sc">J. D. Doorman</span>, t. a. p. p. 14.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7543" href="#xd20e7543src" name="xd20e7543">97</a></span> <i>D.
+A.</i> 1899 pp. 52, 53.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7554" href="#xd20e7554src" name="xd20e7554">98</a></span> <i>D.
+A.</i> 1899 pp. 53, 54.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7574" href="#xd20e7574src" name="xd20e7574">99</a></span> <i>D.
+A.</i> 1900 p. 28.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7586" href="#xd20e7586src" name="xd20e7586">100</a></span> Cf.
+hierboven pp. 166 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7591" href="#xd20e7591src" name="xd20e7591">101</a></span> Cf.
+<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1895 p. 22; <span class=
+"sc">Kohler</span>, <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 152 sqq.; men zie
+voor Oostenrijk: <i>D. A.</i> 1901 p. 124.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7612" href="#xd20e7612src" name="xd20e7612">102</a></span> <i>D.
+A.</i> 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; <span class=
+"sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 235.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7620" href="#xd20e7620src" name="xd20e7620">103</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 173.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7625" href="#xd20e7625src" name="xd20e7625">104</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 257.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7633" href="#xd20e7633src" name="xd20e7633">105</a></span> Mr.
+<span class="sc">Ph. W. Scholten</span>, <i>Eene leemte in de wet
+betreffende het auteursrecht</i>, <i>Themis</i> 1884 pp. 154 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7647" href="#xd20e7647src" name="xd20e7647">106</a></span> Men
+zie: Mr. <span class="sc">Veegens</span> t. a. p. pp. 90 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7655" href="#xd20e7655src" name="xd20e7655">107</a></span> T. a.
+p. p. 6.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7665" href="#xd20e7665src" name="xd20e7665">108</a></span> M. v.
+T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van muziekwerken
+gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het Ontwerp
+geschrapt.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7672" href="#xd20e7672src" name="xd20e7672">109</a></span>
+Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, <i>W. v. h. R.</i> no. 4970.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7687" href="#xd20e7687src" name="xd20e7687">110</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 5785.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7692" href="#xd20e7692src" name="xd20e7692">111</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 6019.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7758" href="#xd20e7758src" name="xd20e7758">112</a></span> Cf.
+ook art. 2 der herziene Berner Conventie.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7781" href="#xd20e7781src" name="xd20e7781">113</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Daude</span>, <i lang="de">Lehrbuch des Deutschen
+Urheberrechts</i> (Stuttgart 1888) p. 78.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7803" href="#xd20e7803src" name="xd20e7803">114</a></span> M. v.
+T. t. a. p. &sect; 2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7815" href="#xd20e7815src" name="xd20e7815">115</a></span> T. a.
+p. p. 79.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7818" href="#xd20e7818src" name="xd20e7818">116</a></span>
+<span class="sc">J. van de Kasteele</span>, t. a. p. p. 80.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7828" href="#xd20e7828src" name="xd20e7828">117</a></span> <i>J.
+G. Robbers</i> Jr. <i>Het auteursrecht. Opmerkingen en
+beschouwingen</i>. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7846" href="#xd20e7846src" name="xd20e7846">118</a></span> Ik
+denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften, zooals door
+sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran d&rsquo;Ache,
+Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur zoowel den
+tekst als de&mdash;opzettelijk daarvoor gemaakte&mdash;illustraties
+heeft geleverd. Hier is werkelijk het &bdquo;plaatwerk&rdquo; een
+auteursproduct in den waren zin van het woord, n.l. eene
+geestesschepping, die &eacute;&eacute;n geheel vormt.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7849" href="#xd20e7849src" name="xd20e7849">119</a></span> T. a.
+p. p. 79.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7861" href="#xd20e7861src" name="xd20e7861">120</a></span> Men
+zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. <span class=
+"sc">Swart</span> t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag.
+moet echter in plaats van &bdquo;vijfentwintigjarige&rdquo; gelezen
+worden: &bdquo;vijftigjarige&rdquo;.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7883" href="#xd20e7883src" name="xd20e7883">121</a></span>
+<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 132.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7908" href="#xd20e7908src" name="xd20e7908">122</a></span>
+<i lang="de">Autorrecht</i> p. 189.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7915" href="#xd20e7915src" name="xd20e7915">123</a></span> Men
+zie ook: <span class="sc">Schuster</span>, <i>Das Urheberrecht der
+Tonkunst</i>, enz. pp. 59 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7926" href="#xd20e7926src" name="xd20e7926">124</a></span> Men
+zie boven pp. 149 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7938" href="#xd20e7938src" name="xd20e7938">125</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Viotta</span>, <i>Het auteursrecht van den
+componist</i> pp. 19 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7967" href="#xd20e7967src" name="xd20e7967">126</a></span> Cf.
+<span class="sc">Viotta</span> t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde
+muziekstukken staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de
+Eroica-symphonie.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e7997" href="#xd20e7997src" name="xd20e7997">127</a></span> T. a.
+p. p. 80.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8006" href="#xd20e8006src" name="xd20e8006">128</a></span> T. a.
+p. pp. 24 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8009" href="#xd20e8009src" name="xd20e8009">129</a></span>
+Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:</p>
+<div class="q">
+<div class="body">
+<div lang="de" class="lgouter footnote">
+<p class="line">&bdquo;Denn so kehrt der Gott sich dir ab,</p>
+<p class="line xd20e2545">So k&uuml;sst er die Gottheit von
+dir!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8032" href="#xd20e8032src" name="xd20e8032">130</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 148.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8047" href="#xd20e8047src" name="xd20e8047">131</a></span> Men
+zie hierover de belangrijke beschouwingen van <span class=
+"sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische Kunstwerk</i>
+pp. 150 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8064" href="#xd20e8064src" name="xd20e8064">132</a></span> Zij
+wordt o. a. door <span class="sc">Schuster</span> verkondigd t. a. p.
+p. 195.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8101" href="#xd20e8101src" name="xd20e8101">133</a></span> T. a.
+p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: <span class="sc">Viotta</span> pp. 55
+sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8110" href="#xd20e8110src" name="xd20e8110">134</a></span> T. a.
+p. pp. 244 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8113" href="#xd20e8113src" name="xd20e8113">135</a></span> Cf. in
+denzelfden zin: <span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p.
+198.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8126" href="#xd20e8126src" name="xd20e8126">136</a></span> Zoo
+b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8137" href="#xd20e8137src" name="xd20e8137">137</a></span> T. a.
+p. p. 228.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8145" href="#xd20e8145src" name="xd20e8145">138</a></span>
+<i lang="de">Autorrechtliche Studi&euml;n, Archiv f&uuml;r
+civilistische Praxis</i> 85 p. 397.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8153" href="#xd20e8153src" name="xd20e8153">139</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880&ndash;1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook:
+Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span> t. a. p. p. 86.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8173" href="#xd20e8173src" name="xd20e8173">140</a></span>
+<i lang="fr">Actes de la Conf&eacute;rence de Berne</i> 1885 p. 21.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8182" href="#xd20e8182src" name="xd20e8182">141</a></span> Cf.:
+<i>D. A.</i> 1899 p. 15; <span class="sc">Kohler</span>, <i>Das
+literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 167 sqq.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e8215" href="#xd20e8215src" name="xd20e8215">142</a></span>
+Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 f&eacute;vrier 1905,
+<i>D. A.</i> 1905 p. 76.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8235" href="#xd20e8235src" name="xd20e8235">143</a></span> Cour
+d&rsquo;appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, <i>D. A.</i> 1905 p.
+76.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8246" href="#xd20e8246src" name="xd20e8246">144</a></span>
+<span lang="fr">Tribunal de la Seine</span> 3e ch. 9 Juni 1903, <i>D.
+A.</i> 1904 pp. 62, 63.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8294" href="#xd20e8294src" name="xd20e8294">145</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 45,
+46.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8307" href="#xd20e8307src" name="xd20e8307">146</a></span> Cf.
+Prof. Dr. <span class="sc">W. Vogelsang</span>, <i>Aesthetiek en
+Kunstgeschiedenis aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de
+aanvaarding van het hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te
+Utrecht 23 Sept. 1907</i> pp. 19, 20.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8331" href="#xd20e8331src" name="xd20e8331">147</a></span> Cf.
+<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 58.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8340" href="#xd20e8340src" name="xd20e8340">148</a></span>
+<i lang="de">Kunstwerkrecht</i> p. 27.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8348" href="#xd20e8348src" name="xd20e8348">149</a></span> Cf.
+boven pp. 133, 134.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8356" href="#xd20e8356src" name="xd20e8356">150</a></span> Cf.
+ook: <span class="sc">Swart</span> t. a. p. pp. 58, 59.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8368" href="#xd20e8368src" name="xd20e8368">151</a></span> Men
+zie boven p. 12.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8374" href="#xd20e8374src" name="xd20e8374">152</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>. <i lang="de">Das literarische und
+artistische Kunstwerk</i> pp. 38 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8387" href="#xd20e8387src" name="xd20e8387">153</a></span>
+<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 48.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8407" href="#xd20e8407src" name="xd20e8407">154</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Das literarische und
+artistische Kunstwerk</i> p. 47.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8416" href="#xd20e8416src" name="xd20e8416">155</a></span> Cf.
+Prof. Dr. <span class="sc">Vogelsang</span> t. a. p. pp. 25, 26.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8444" href="#xd20e8444src" name="xd20e8444">156</a></span> Eene
+stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. <span class=
+"sc">Swart</span> in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8460" href="#xd20e8460src" name="xd20e8460">157</a></span>
+<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 86.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8471" href="#xd20e8471src" name="xd20e8471">158</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1883&ndash;1884. Bijlage 166&ndash;3 p. 5.
+Cf. ook: pp. 6 en 7 ad art. 11.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8487" href="#xd20e8487src" name="xd20e8487">159</a></span>
+Eenigszins in denzelfden zin: <span class="sc">Swart</span>, t. a. p.
+pp. 69 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8499" href="#xd20e8499src" name="xd20e8499">160</a></span> Men
+zie hierover o.a.: <i>D. A.</i> 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113 sqq. en
+125 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8507" href="#xd20e8507src" name="xd20e8507">161</a></span> Men
+kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: <i>Verslag van de
+Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de
+namaak hier te lande</i> (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8519" href="#xd20e8519src" name="xd20e8519">162</a></span> Men
+zie hierover o.a.: <i>Is Fotografie kunst?</i> door <span class="sc">H.
+de Boer</span>, Scheveningen z. j.; <i>De Photographie in dienst der
+wetenschap en hare beteekenis als kunst, rede van</i> <span class=
+"sc">W. H. Idzerda</span> <i>bij het aanvaarden van het ambt van
+privaat-docent voor het onderwijs in de photographie aan de Technische
+Hoogeschool</i>, 29 Jan. 1908; <span class="sc">Swart</span> t. a. p.
+pp. 84 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8557" href="#xd20e8557src" name="xd20e8557">163</a></span> Cf.
+boven p. 201.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8568" href="#xd20e8568src" name="xd20e8568">164</a></span>
+V&oacute;&oacute;r het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie
+meestal aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793
+voortvloeide; zie o.a.: <span class="sc">Pouillet</span> t. a. p. p.
+90; <span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 128 en p.
+150.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8580" href="#xd20e8580src" name="xd20e8580">165</a></span> Men
+zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, <i>D. A.</i> 1891 p. 21;
+Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door <span class=
+"sc">P. Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1894 p. 25; Tribunal civil van
+Luik 7 Juni 1902, <i>D. A</i>. 1902 p. 118.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8595" href="#xd20e8595src" name="xd20e8595">166</a></span> Men
+zie voor Itali&euml;: <span class="sc">Amar</span> in <i>D. A.</i> 1902
+p. 62.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk IV</h2>
+<h2 class="main">Omvang en duur</h2>
+<div class="div2" id="ch4.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Omvang</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk
+gekenschetst als een vermogensrecht, dat tot object heeft een
+onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping van den schrijver of
+kunstenaar. Dit sluit&mdash;zooals daarbij reeds werd
+opgemerkt&mdash;het beginsel in, dat den auteur de uitsluitende
+beschikking toekomt over het werk naar de economische bestemming
+daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent tot exploitatie in het
+maatschappelijk verkeer. De inhoud van het recht wordt dus bepaald door
+de verschillende wijzen van exploitatie waartoe het geestesproduct zich
+leent.</p>
+<p>In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk op
+twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door het
+vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het
+geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op
+andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken
+van beeldende kunst, photographie&euml;n en werken der kunstnijverheid;
+ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen
+en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den
+materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke
+schepping van den bouwkundige.</p>
+<p>In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen,
+uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer
+blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8622" href="#xd20e8622" name=
+"xd20e8622">235</a>]</span>werkingen, het geestesproduct voor een
+bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt voor het publiek. Hiertoe
+behooren: op- en uitvoeringen van tooneel- en muziekstukken en van
+balletten en pantomimes, voordrachten van proza of po&euml;zie;
+vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van kinematograaf en
+phonograaf.</p>
+<p>Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel noodig
+afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het
+auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen
+vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in
+het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende
+werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit
+uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat
+b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht of
+een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat hetgeen
+in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen, evengoed als
+het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp van zijn
+uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook in
+wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem genoemd
+met opvoeringsrecht, die dan als &bdquo;bijzondere&rdquo; of
+&bdquo;afgeleide&rdquo; rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke
+auteursrecht (kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld
+gegeven van de verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is
+het auteursrecht iets anders dan kopierecht plus eenige andere,
+daarmede min of meer in verband staande rechten; evenzoo als b.v.
+grondeigendom iets anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te
+planten en te oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout
+sprokkelen, zich het wild toe&euml;igenen, aan anderen den toegang
+verbieden, enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te
+zien een uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de
+verschillende bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald,
+deels door den omvang van het goed, deels door de economische
+bestemming daarvan. Om die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen
+te beantwoorden: 1<sup>o</sup>. <i>waarop</i> heeft de auteur recht, d.
+w. z. wat is het voorwerp van zijn recht? en 2<sup>o</sup>. <i>waarin
+bestaat</i> zijn recht, welke handelingen met betrekking tot zijn werk
+zijn hem uitsluitend voorbehouden?</p>
+<p>De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld; daar
+moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden besproken,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8640" href="#xd20e8640" name=
+"xd20e8640">236</a>]</span>doch deze rechten werden niet verder
+gedefinieerd dan als uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze
+en met welke middelen de exploitatie kon plaats hebben werd in het
+midden gelaten, daar dit betrekking heeft op de tweede vraag, die pas
+in dit hoofdstuk aan de orde is gesteld.</p>
+<p>De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds
+en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu duidelijk
+zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den inhoud van het
+auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog, dat wat hieronder
+van de verschillende exploitatiewijzen zal worden gezegd, niet alleen
+betrekking heeft op de exploitatie van een werk in zijne
+oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling of
+bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een
+muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit,
+na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich,
+dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk op
+het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze
+ge&euml;xploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook
+het bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten.
+Zoo is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een
+uitsluitend opvoeringsrecht kan doen gelden<a class="noteref" id=
+"xd20e8644src" href="#xd20e8644" name="xd20e8644src">1</a>, daar de
+opvoering zonder zijne toestemming van eene tooneelbewerking van zijn
+roman een inbreuk op zijn auteursrecht uitmaakt.</p>
+<p>Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende
+exploitatie-middelen.</p>
+<div class="div3" id="ch4.1.1">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">I Het door den druk gemeen maken van geschriften en
+muziekwerken</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften
+en muziekwerken is die door middel van den druk; het uitsluitend recht
+dat hierop betrekking heeft is ook het eerst van alle
+auteursrechtelijke bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te
+herinneren, dat de uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding
+is geweest voor het ontstaan van het auteursrecht.</p>
+<p>Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8662" href="#xd20e8662" name=
+"xd20e8662">237</a>]</span>worden, geldt w&eacute;l voor dit bijzondere
+recht: het is, na de lange jaren van ontwikkeling, die het achter zich
+heeft, in alle beschaafde staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen
+hebben eene mate van standvastigheid gekregen, die op het overige
+gebied van het auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de
+reden, waarom ik er slechts een oogenblik bij zal stilstaan;
+belangrijke vragen, waarover ernstig verschil van meening kan bestaan,
+zijn hier niet te behandelen.</p>
+<p>Het &bdquo;recht om uitsluitend door den druk gemeen te
+maken&rdquo;, zooals onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al
+die handelingen, welke aangemerkt kunnen worden als een daad van
+exploitatie van het geschrift of muziekwerk door middel van den druk.
+Wie een van deze handelingen pleegt zonder toestemming van den
+rechthebbende, maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij,
+die zonder toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook
+degeen, die deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel
+uitstalt of in voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van
+exemplaren behoort hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van
+huisgenooten of vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame.
+Eveneens zou men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van
+exemplaren, wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet
+b.v. onder kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk
+het &bdquo;<i lang="de">Verleihen</i>&rdquo; vrij (Urheberrechtsgesetz
+&sect; 11 eerste lid); dit slaat volgens Kohler alleen op eene
+&bdquo;<span lang="de">unentgeltliche
+Gebrauchs&uuml;berlassung</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e8672src" href="#xd20e8672" name="xd20e8672src">2</a>; het
+<i>verhuren</i> zou dus ook in Duitschland verboden zijn.</p>
+<p>Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen d&aacute;n als
+eene daad van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het
+doel ze onder het publiek te brengen<a class="noteref" id=
+"xd20e8682src" href="#xd20e8682" name="xd20e8682src">3</a>. Het is dus
+geen inbreuk op het auteursrecht een boek te drukken alleen ten
+gebruike voor zich en zijne huisgenooten of als typographische
+oefening; w&eacute;l echter indien de gedrukte exemplaren, al worden ze
+zelf niet onder het publiek verspreid, moeten dienen voor eene openbare
+op- of uitvoering.</p>
+<p>Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een
+door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd
+exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8690" href="#xd20e8690" name=
+"xd20e8690">238</a>]</span>exploitatie voorhad, heeft bereikt, m. a. w.
+wanneer het een kooper heeft gevonden, door verdere verspreiding ervan
+geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt gepleegd<a class="noteref"
+id="xd20e8692src" href="#xd20e8692" name="xd20e8692src">4</a>. Vandaar
+b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken de toestemming van den
+auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook wordt b.v. geen inbreuk op
+het auteursrecht gepleegd door hem, die ongebonden exemplaren opkoopt
+en deze gebonden, als ware het een nieuwe uitgave, in den handel
+brengt. Dit laatste werd ten aanzien van de werken van Kipling door het
+Hof van Appel van New York uitgemaakt<a class="noteref" id=
+"xd20e8700src" href="#xd20e8700" name="xd20e8700src">5</a>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.2">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">II Het maken van afschriften</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het voorgaande was alleen sprake van reproductie
+door den druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk
+met losse lettertypen, maar ook elk ander proc&eacute;d&eacute;,
+waardoor langs mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd
+kan worden, b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd
+ten aanzien van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord
+opgemerkt; de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam:
+&bdquo;met of zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere
+tusschenkomende kunst&rdquo;, werd overbodig geacht.</p>
+<p>Het maken van <i>afschriften</i> is echter volgens onze wet
+geoorloofd. Men achtte het onnoodig dit te verbieden: &bdquo;slechts
+die ongeoorloofde vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch
+<i>afdrukken</i>, in hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in
+staat, den auteur een vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame
+beteekenis om door de wet te worden gekeerd&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e8719src" href="#xd20e8719" name="xd20e8719src">6</a>. Zoo
+oordeelde onze wetgever. Men zou hiertegen in de eerste plaats kunnen
+opmerken, dat het meerdere of mindere vermogensnadeel, dat door de
+handeling wordt toegebracht, niet het eenige is wat hier in aanmerking
+moet worden genomen. Al is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom
+behoeft het nog niet alleen op die handelingen betrekking te hebben,
+waarmede uitsluitend geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien
+is het niet waar, dat door het afschrijven zonder toestemming van
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8722" href="#xd20e8722" name=
+"xd20e8722">239</a>]</span>den auteur, aan dezen geen noemenswaardige
+schade kan worden toegebracht. Het maken van afschriften behoort
+volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens Rosmini<a class=
+"noteref" id="xd20e8724src" href="#xd20e8724" name="xd20e8724src">7</a>
+is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest gebruikelijke
+reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke rol of elke partij
+een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der tooneelspelers of
+orkestleden. Dit levert boven het laten drukken het voordeel op, dat de
+auteur nog in de gelegenheid blijft na de repetities wijzigingen in het
+werk aan te brengen. Over het zonder toestemming van den auteur maken
+en verspreiden van afschriften, laat Rosmini zich dan als volgt uit:
+&bdquo;<span lang="fr">Mais si un tiers reproduit en manuscrit
+l&rsquo;oeuvre musicale ou des morceaux d&eacute;tach&eacute;s, ou des
+r&eacute;ductions pour divers instruments, pour louer ou d&eacute;biter
+ces copies, celles-ci non seulement pr&eacute;sentent tous les
+caract&egrave;res de la contrefa&ccedil;on, frapp&eacute;e par les
+expressions g&eacute;n&eacute;rales de la loi dans toute son
+&eacute;tendue, mais elles constituent, de tous les
+proc&eacute;d&eacute;s de reproduction le plus grave, le plus
+pr&eacute;judiciable &agrave; l&rsquo;auteur.</span>&rdquo; Om deze
+meening te staven, wijst Rosmini er op, dat het afschrijven
+(voornamelijk van muziek) goedkooper is dan de reproductie door
+<span class="corr" id="xd20e8739" title=
+"Bron: litographie">lithographie</span> of een ander
+proc&eacute;d&eacute; van dien aard, terwijl het bovendien meer in
+stilte kan geschieden en dus moeilijker is te ontdekken. En verder:
+&bdquo;<span lang="fr">... le vendeur de copies exerce une concurrence
+plus &eacute;tendue et plus fatale, parce qu&rsquo;il s&rsquo;adresse,
+avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs de
+spectacles, aux soci&eacute;t&eacute;s philharmoniques, etc., en
+pr&eacute;sentant sa marchandise sous une forme plus commode; de cette
+fa&ccedil;on, il s&rsquo; approprie, en l&rsquo;&eacute;cartant de
+l&rsquo;auteur et de ses ayants cause, toute la client&egrave;le des
+acheteurs.</span>&rdquo; Ook in andere landen dan Itali&euml; (waarop
+de aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking
+hebben) wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van
+afschriften dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In
+Frankrijk b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van
+orkest-partituren zonder toestemming van den auteur afschriften werden
+gemaakt, die dan door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur
+werden afgestaan<a class="noteref" id="xd20e8745src" href="#xd20e8745"
+name="xd20e8745src">8</a>. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met
+tooneelstukken<a class="noteref" id="xd20e8754src" href="#xd20e8754"
+name="xd20e8754src">9</a>. In Zwitserland, waar het maken van
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8763" href="#xd20e8763" name=
+"xd20e8763">240</a>]</span>afschriften door de wet is verboden, kwam
+het toch een aantal jaren geleden z&oacute;&oacute; veelvuldig
+voor&mdash;hier waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich
+aan schuldig maakten&mdash;dat door de auteurs daartegen eene
+waarschuwing moest worden gepubliceerd, waarin gedreigd werd met
+rechterlijke vervolging<a class="noteref" id="xd20e8766src" href=
+"#xd20e8766" name="xd20e8766src">10</a>.</p>
+<p>Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo
+onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende en
+dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging
+naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te
+behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de
+onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder
+toestemming van den auteur (zoo Itali&euml; wet v. 19 Sept. 1882 art.
+32, Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van
+reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat
+daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19
+Juni 1901 &sect; 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen
+onderscheid maakt of er &eacute;&eacute;n dan wel meerdere exemplaren
+vervaardigd worden; verder: o. a. Frankrijk, Belgi&euml;, Zwitserland
+en Spanje).</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">III Vervaardiging en verspreiding van mechanische
+muziek-instrumenten en phonografen</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat
+sinds enkele jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de
+vervaardiging van instrumenten, die muziekstukken automatisch
+weergeven. Nog betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen
+bekend de Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z.
+instrumenten, die door hun bouw en inrichting slechts berekend waren op
+het weergeven van een of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen
+omvang. Het vervaardigen en verspreiden van deze instrumenten was
+daarom niet te noemen eene <i>exploitatie</i> van de werken der
+componisten; in elk geval was het niet eene exploitatie van groote
+beteekenis. De speeldoozen werden meer als curiositeiten gekocht dan
+wel terwille van het muzikale genot, dat zij verschaften; en wat de
+draaiorgels betreft, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8781" href=
+"#xd20e8781" name="xd20e8781">241</a>]</span>deze deden misschien
+concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten of
+muziek-uitgevers.</p>
+<p>Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van
+deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten zag.
+In de oudere wetten op het auteursrecht wordt &ograve;f hierover in het
+geheel niet gesproken, &ograve;f men vindt er de bepaling, dat het
+gebruik van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk
+wet van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner
+Conventie van 1886, Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3). Het was vooral in
+Zwitserland, het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden,
+dat voor de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten
+bate van deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet
+van 1866 was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen,
+omdat laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming
+van het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid
+verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen
+worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie
+was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.</p>
+<p>Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste
+jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten
+tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men vond
+middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die bij de
+oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te
+vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven
+konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door
+hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht
+was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders,
+metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende
+puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele
+exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten
+zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer
+ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de
+eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig jaar
+in den handel zijn gebracht, zooals <i>aristons</i>,
+<i>symphonions</i>, <i>orchestrions</i>, <i>phonola&rsquo;s</i>,
+<i>pianista&rsquo;s</i>, <i>pianola&rsquo;s</i> enz. enz., heeft men
+ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen
+instrumentale muziek, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8809" href=
+"#xd20e8809" name="xd20e8809">242</a>]</span>maar ook zangstukken,
+voordrachten, fragmenten van tooneelstukken enz. ten gehoore
+brengen.</p>
+<p>Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de
+rollen of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven,
+eene exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming
+van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht
+verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts
+een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek b.v.
+om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van eenige
+bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan worden
+gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en platen
+reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de Vereenigde
+Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat gevormd van
+de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen over een
+kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te
+beschikken<a class="noteref" id="xd20e8813src" href="#xd20e8813" name=
+"xd20e8813src">11</a>.</p>
+<p>Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke
+geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de toepassing
+van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt eenigermate
+tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten en
+muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun werd
+aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken wordt
+gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van
+muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie
+met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het
+auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter
+bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten aan de
+in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en
+muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond, dat
+in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland b.v. is
+bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van
+geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in
+beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de
+mechanische muziekinstrumenten erkent (&sect; 22); doch tegelijk met
+deze bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering
+werd verzocht in overleg te treden met de <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e8820" href="#xd20e8820" name="xd20e8820">243</a>]</span>andere
+mogendheden, die deel uitmaken van het internationaal Verbond, ten
+einde tot een volledige bescherming der auteurs op dit punt te komen.
+In Oostenrijk ging men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe
+bepaling in de wet op het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van
+muziekstukken voor mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de
+uiteenzetting der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een
+middel om de Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen
+in de concurrentie met de buitenlandsche.</p>
+<p>Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te
+moeten laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is
+te vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het
+algemeen nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt
+verleend. Dat in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs
+ook in dit opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen
+te worden toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in
+verschillende landen, die in de meeste gevallen de bestaande
+wetsbepalingen zooveel mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt<a class=
+"noteref" id="xd20e8824src" href="#xd20e8824" name=
+"xd20e8824src">12</a>. Doch wat de eenige afdoende maatregel zou zijn
+om aan de bestaande misbruiken een einde te maken nl. eene stellige
+bepaling in de wet, die het recht der auteurs buiten twijfel stelt;
+daartoe heeft tot nu toe nog geen enkele staat willen overgaan. Nu
+echter op de Conferentie van Berlijn van 1908 eene bepaling in de
+internationale Conventie is opgenomen, die de bescherming der auteurs
+in dit opzicht, althans binnen zekere grenzen, verplichtend stelt, is
+het te verwachten, dat aan dezen toestand spoedig een einde zal
+komen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van
+muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of platen
+van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van den auteur
+verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het vervaardigen
+en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk noemen een
+&bdquo;door den druk gemeen maken&rdquo;, al worden misschien bij de
+verveelvoudiging ervan proc&eacute;d&eacute;&rsquo;s gevolgd, die
+groote verwantschap met den druk vertoonen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8840" href="#xd20e8840" name=
+"xd20e8840">244</a>]</span></p>
+<p>Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der
+wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik
+hunner werken beschermd zijn. &bdquo;Wat is het wezen van het regt dat
+men aan de auteurs toekent?&rdquo; wordt in de M. v. T. onzer wet (p.
+2) gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: &bdquo;Het is de
+uitsluitende bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek.
+Indien nu een werk zich tot verschillende soorten van reproductie
+leent, moet op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn,
+worden acht geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst
+te zamen de materiele waarde aan van het werk.&rdquo; Men kan aannemen,
+dat voor de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering
+zou zijn gemaakt, indien zij toen reeds&mdash;wat nu ongetwijfeld het
+geval is&mdash;had behoord tot diegene, welke &bdquo;inderdaad van
+beteekenis zijn&rdquo;. Had men het in het voorloopig verslag (p. 5)
+geopperde voorstel gevolgd, om in plaats van: &bdquo;door den druk
+gemeen te maken&rdquo; in de wet te lezen: &bdquo;langs mechanischen
+weg te vermenigvuldigen en in den handel te brengen&rdquo; of:
+&bdquo;door den druk of op andere wijze gemeen te maken&rdquo;, dan zou
+de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men achtte
+echter&mdash;met het oog op de reproductiemiddelen van dien
+tijd&mdash;de oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het
+gevolg hiervan is, dat thans slechts door eene wetswijziging de
+toepassing van het juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden
+verzekerd.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.4">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">IV Reproductie door den kinematograaf</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten
+tijd in toepassing is gebracht, is de <i>kinematograaf</i>. Er is reeds
+gesproken over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf
+hun ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken met
+den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of de
+vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten,
+pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus,
+indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk op
+diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze vraag
+in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen zal de
+kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel de films te
+gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8852" href="#xd20e8852" name=
+"xd20e8852">245</a>]</span>bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld
+eene exploitatie van de gereproduceerde werken te zien en wel eene die
+hoe langer hoe meer algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van
+openbare vertooningen (waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en
+uitvoeringsrecht nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en
+verspreiden van de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn
+gelegen. De ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt
+niet de eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met
+betrekkelijk weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes
+aanschaffen, die de kinematographische beelden op de vereischte wijze
+projecteeren; waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke
+pantomimes, balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze
+toepassing van den kinematograaf is&mdash;het moet worden
+toegegeven&mdash;tot nu toe nog weinig algemeen, doch de voorspelling
+is m. i. niet te gewaagd, dat zij dit in de eerstkomende jaren meer en
+meer zal worden. Men bedenke, binnen hoe korten tijd de phonograaf zich
+eene plaats in bijna ieder huis heeft veroverd!</p>
+<p>Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en
+pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele wet
+uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (w&eacute;l in de herziene
+Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen voor
+den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de
+Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt:
+&bdquo;<span lang="fr">Attendu que la bande cin&eacute;matographique,
+ou film, sur laquelle sont reproduites &agrave; l&rsquo;aide
+d&rsquo;une succession de photographies les diverses
+p&eacute;rip&eacute;ties, soit d&rsquo;une oeuvre dramatique, soit
+d&rsquo;une f&eacute;eerie, d&rsquo;une pantomime ou d&rsquo;un
+op&eacute;ra, et qui est par elle-m&ecirc;me, en dehors de
+l&rsquo;adaption &agrave; un m&eacute;canisme quelconque, lisible et
+compr&eacute;hensible pour tous, doit &ecirc;tre
+consid&eacute;r&eacute;e comme une &eacute;dition tombant sous
+l&rsquo;application de la loi des 19&ndash;24 juillet 1793;...
+etc.</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8859src" href=
+"#xd20e8859" name="xd20e8859src">13</a></p>
+<p>In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de
+tegenwoordige wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden
+gewezen. Ik kan hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de
+uitdrukking &bdquo;door den druk gemeen maken&rdquo; is gezegd in
+verband met de mechanische muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de
+voorbereiding der wet ook de photographie genoemd onder de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8872" href="#xd20e8872" name=
+"xd20e8872">246</a>]</span>reproductie-middelen waarmede inbreuk op het
+auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede
+klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van
+plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het
+behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie
+van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen
+daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan
+brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te
+volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige wet
+duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel, waartoe een
+werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is, den auteur
+uitsluitend moet zijn voorbehouden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.5">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">V Op- en uitvoering</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken
+en muziekstukken behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden
+gesteld. Evenmin zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of
+uitvoering, voor zoover zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie
+uitmaakt van het tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de
+meeste gevallen het eenige middel is, waardoor het publiek in staat
+wordt gesteld het werk volkomen te genieten.</p>
+<p>Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus
+het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn
+voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval;
+slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit- of
+opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in
+tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.</p>
+<p>Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht
+voor muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het
+opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt
+bij de uitgave, tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan
+deze voorwaarde voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art.
+15).</p>
+<p>De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het
+auteursrecht worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde
+voorstelling, alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders
+zou zijn dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te
+maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8885" href="#xd20e8885" name=
+"xd20e8885">247</a>]</span>b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en
+componisten, indien hun uit- en opvoeringsrecht erkend wordt, een
+dubbel recht zouden genieten, hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn
+tegenover schrijvers van stukken, die niet voor opvoering vatbaar
+zijn<a class="noteref" id="xd20e8887src" href="#xd20e8887" name=
+"xd20e8887src">14</a>, vindt in het voorgaande reeds voldoende
+weerlegging. Op dezen grond zou men ook kunnen beweren, dat de eigenaar
+van een paard, hetwelk &eacute;n als rij- &eacute;n als koetspaard
+gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en dat hij op onbillijke
+wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren, wier paarden alleen kunnen
+trekken!</p>
+<p>Men heeft ook beweerd&mdash;en dit betreft in het bijzonder het uit-
+en opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen&mdash;dat
+juist datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze
+te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke
+uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd,
+daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven te
+zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd, dat
+het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering <i>in het
+openbaar</i>. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel hij
+wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin een
+inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer men
+het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het eene
+exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de uitgave
+zijne toestemming te hebben gegeven.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Dat de auteur alleen <i>openbare</i> uit- en opvoeringen kan
+verbieden, geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter
+dezelfde kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler
+gestelde, die eene op- of uitvoering openbaar noemt, &bdquo;wenn sie
+&uuml;ber das H&auml;usliche hinausgeht.&rdquo; Dit kan dus b.v. ook in
+een particulier huis het geval zijn, indien nl. zooveel gasten zijn
+gevraagd &bdquo;dasz die Gesellschaft die h&auml;usliche Wesenheit
+einb&uuml;szt&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e8902src" href=
+"#xd20e8902" name="xd20e8902src">15</a>.</p>
+<p>Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de
+toegang voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e8909" href="#xd20e8909" name=
+"xd20e8909">248</a>]</span>vrijwel algemeen, in wetenschap en practijk
+aangenomen<a class="noteref" id="xd20e8911src" href="#xd20e8911" name=
+"xd20e8911src">16</a>. Op een feest, dat toegankelijk is voor leden en
+genoodigden van eene <span class="corr" id="xd20e8929" title=
+"Bron: societeit">soci&euml;teit</span> of andere vereeniging, zal dus
+de uitvoering eene openbare kunnen zijn<a class="noteref" id=
+"xd20e8932src" href="#xd20e8932" name="xd20e8932src">17</a>.</p>
+<p>Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk:
+&bdquo;elke uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor
+meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage
+gevorderd wordt&rdquo; (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan
+kunnen aannemen, dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in
+den zin van deze bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm
+eener jaarlijksche contributie van de leden der vereeniging; terwijl
+dan het lidmaatschap recht geeft op een of meer plaatsen bij de
+voorstelling.</p>
+<p>Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers van
+beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin mag het
+doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking worden genomen.
+Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij gebruik van stukken zonder
+toestemming des auteurs toe te laten voor weldadigheidsvoorstellingen,
+zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk is voorgesteld. Terecht is
+hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen wil en dank gedwongen moet
+kunnen worden, aan een weldadig doel mede te werken. Men zou dan
+evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars van zalen gedwongen werden
+deze gratis voor zulke voorstellingen af te staan<a class="noteref" id=
+"xd20e8954src" href="#xd20e8954" name="xd20e8954src">18</a>. Hetzelfde
+geldt voor voorstellingen of concerten, waarvan de toegang vrij is, en
+waarbij ook overigens elk winstbejag is uitgesloten. Het moge een
+loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen medeburgers een avond van
+genoegen of kunstgenot wil verschaffen en daarvoor eene
+gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem nog geen recht, om voor
+dit doel ongevraagd over andermans goed te beschikken. De bepaling van
+de Zwitsersche wet (art. 11 n<sup>o</sup>. 10) die <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e8966" href="#xd20e8966" name=
+"xd20e8966">249</a>]</span>het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en
+uitvoeringen, waarvan het doel niet is winst te behalen, verdient
+daarom afkeuring<a class="noteref" id="xd20e8968src" href="#xd20e8968"
+name="xd20e8968src">19</a>.</p>
+<p>De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het
+auteursrecht uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen.
+Ook gebrekkige opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden<a class=
+"noteref" id="xd20e8979src" href="#xd20e8979" name=
+"xd20e8979src">20</a>. Daarom zal men ook als op- of uitvoering hebben
+aan te merken vertooningen van den kinematograaf en
+&bdquo;concerten&rdquo;, waar zich phonograaf, grammophoon, pianola en
+dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze instrumenten inbreuk
+op het reproductie-recht kan worden gepleegd (nl. door de vervaardiging
+en verspreiding van kinematograaf-films en van rollen en platen, die
+bij de mechanische muziekinstrumenten en phonografen behooren) is
+hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker niet minder reden, om ook de
+op- en uitvoeringen door middel van deze instrumenten, voorzoover zij
+in het openbaar plaats hebben in den bovenaangegeven zin, als inbreuk
+op het op- of uitvoeringsrecht aan te merken. Wat de kinematographische
+voorstelling betreft, heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt,
+dat zij wel degelijk eene &bdquo;voorstelling&rdquo; is in den zin der
+wet, omdat de figuren, die de kinematograaf laat zien, volkomen den
+indruk maken van levende personen<a class="noteref" id="xd20e8988src"
+href="#xd20e8988" name="xd20e8988src">21</a>. M. i. zal men ook volgens
+onze wet hetzelfde mogen aannemen. Dat men bij het tot standkomen der
+wet aan kinematographische voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen
+grond zijn voor het tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene
+&bdquo;opvoering&rdquo;, die in die jaren nog niet bekend was, doch die
+thans evengoed dezen naam verdient als die, waarbij tooneelspelers of
+dansers in levenden lijve optreden.</p>
+<p>Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door
+muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover
+de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden
+(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare
+uitvoering gelijk gesteld<a class="noteref" id="xd20e8996src" href=
+"#xd20e8996" name="xd20e8996src">22</a>. In Belgi&euml; werd ook als
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9002" href="#xd20e9002" name=
+"xd20e9002">250</a>]</span>inbreuk op het uitvoeringsrecht aangemerkt
+het gebruik maken van <i>theatrophonen</i>, eene soort van
+telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of concertzalen,
+de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen doen hooren. De
+vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899), dat het niet
+geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te geven dan door
+den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van den auteur
+toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg ten gehoore te
+brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met behulp der genoemde
+instrumenten ook elders te doen weerklinken<a class="noteref" id=
+"xd20e9007src" href="#xd20e9007" name="xd20e9007src">23</a>.</p>
+<p>In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek in
+het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten, waar
+men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de muziek
+te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen, waardoor
+inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook hiertoe te
+rekenen zijn de zoogenaamde &bdquo;strijkjes&rdquo; in koffiehuizen en
+hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten en
+dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de muzikanten
+dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn van het
+uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder toestemming
+van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het laatste
+aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de verhuurder
+der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers der verboden
+uitvoering aangemerkt<a class="noteref" id="xd20e9014src" href=
+"#xd20e9014" name="xd20e9014src">24</a>. Dit schijnt mij ook juist, al
+kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen regel in
+sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel- of
+koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen, dat
+geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het is daarom
+wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen, die zich vroeger
+nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren, hier en daar
+protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten, zooals die zich
+b.v. in Duitschland hebben voorgedaan<a class="noteref" id=
+"xd20e9026src" href="#xd20e9026" name="xd20e9026src">25</a>,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9032" href="#xd20e9032" name=
+"xd20e9032">251</a>]</span>in de meeste gevallen wel zullen kunnen
+worden vermeden door een bezadigd en tactvol optreden van de
+vereenigingen van componisten, die zich met het innen der
+tanti&egrave;mes voor hunne leden belasten.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.6">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">VI Voordracht</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en
+tooneelwerken bijna overal erkend wordt, wordt het recht om
+letterkundige werken in het openbaar voor te dragen, nog slechts door
+enkele wetten aan de auteurs verleend<a class="noteref" id=
+"xd20e9039src" href="#xd20e9039" name="xd20e9039src">26</a>. De reden
+zal men waarschijnlijk grootendeels hierin moeten zoeken, dat men het
+gebruik, dat op deze wijze van de letterkundige producten wordt
+gemaakt, van te weinig belang achtte voor de auteurs, om het te
+verbieden.</p>
+<p>Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te
+erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig
+voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van
+muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van
+eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren&mdash;in
+het bijzonder hier te lande&mdash;kan worden waargenomen, behooren
+openbare voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De
+kunst van declameeren en verzen-&bdquo;zeggen&rdquo; is&mdash;naar het
+mij voorkomt&mdash;tegenwoordig weer meer in eere dan eenigen tijd
+geleden het geval was. (Ik denk hier b.v. aan de voordracht-avonden van
+Willem Royaards, Albert Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden
+wel&mdash;hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk&mdash;door
+&eacute;&eacute;n persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote
+onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt,
+elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken,
+terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te
+eerbiedigen.</p>
+<p>Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van
+voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de
+<i>openbare</i> voordracht verboden te zijn; de kenmerken der
+openbaarheid kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9052" href="#xd20e9052" name=
+"xd20e9052">252</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch4.1.7">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">VII Reproductie van werken van beeldende kunst</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft
+na het voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een
+werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe
+&bdquo;verwerkelijkingen&rdquo;. In het vorige hoofdstuk is betoogd,
+dat daaronder te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een
+anderen kunstvorm, mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling,
+welke aan het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan
+worden teruggevonden.</p>
+<p>Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij
+alleen dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden.
+Hiervoor gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de
+vervaardiging en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften
+en muziekwerken zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken
+behoeft te worden.</p>
+<p>In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden
+kunstenaar omschreven als &bdquo;het recht om ... te copieeren, na te
+bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te
+laten doen&rdquo; (art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke
+vervaardiging; ook die, waarbij geene <span class="corr" id="xd20e9063"
+title="Bron: verspeiding">verspreiding</span> of &bdquo;gemeen
+making&rdquo; het doel is. Het Ontwerp laat echter in een ander artikel
+het maken van eene kopie voor eigen studie, mits dit zonder eenig
+rechtstreeksch of zijdelingsch winstbejag geschiedt, geheel vrij (art.
+3, b) en door deze bepaling wordt aan het beginsel, dat door de
+<i>vervaardiging</i> eener reproductie op zichzelf geen inbreuk op het
+auteursrecht wordt gepleegd, weer voldoende eer bewezen. Immers bij de
+<i>mechanische</i> verveelvoudiging kan de bedoeling om te verspreiden
+steeds gepraesumeerd worden<a class="noteref" id="xd20e9072src" href=
+"#xd20e9072" name="xd20e9072src">27</a>.</p>
+<p>Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten
+rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling
+hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907 art.
+15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het
+&bdquo;afbeelden langs mechanischen weg&rdquo; zonder toestemming van
+den auteur verbiedt.</p>
+<p>Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te
+beschouwen <span class="pagenum">[<a id="xd20e9082" href="#xd20e9082"
+name="xd20e9082">253</a>]</span>het tentoonstellen van een kunstwerk,
+voor zoover daarvoor geen ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad.
+In sommige gevallen zou men weliswaar in de tentoonstelling eene
+exploitatie kunnen zien; het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor
+een uitsluitend recht te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden
+ingegrepen in het recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het
+kunstwerk is belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus
+als regel worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met
+toestemming van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder
+&bdquo;exemplaar&rdquo; ook te verstaan het origineel) een kooper heeft
+gevonden, de verdere verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd
+is.</p>
+<p>Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de
+waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele
+verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan, nooit
+eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur, om daarvan
+zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat speculanten in
+schilderijen soms groote winsten kunnen maken als gevolg van
+prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen zijn te danken
+aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor zijn naam meer in
+aanzien is gekomen; een <i>recht</i> van den schilder op een deel van
+die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel van het
+auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de
+onlichamelijke kunstschepping tot object heeft<a class="noteref" id=
+"xd20e9089src" href="#xd20e9089" name="xd20e9089src">28</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd,
+geldt m. m. ook voor photographie&euml;n, voortbrengselen der
+kunstnijverheid en werken der bouwkunst. Photographie&euml;n zijn in
+dit opzicht volkomen met de werken van beeldende kunst gelijk te
+stellen. De voortbrengselen der kunstnijverheid worden weliswaar in den
+regel op eenigszins andere wijze gereproduceerd, dit maakt met
+betrekking tot het uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend
+verschil uit. Ten aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9105" href="#xd20e9105" name=
+"xd20e9105">254</a>]</span>regels als ten aanzien van een gekopieerd
+schilderij. Wat eindelijk de werken der bouwkunst betreft, de
+verschillende reproductiemiddelen, welke den auteur dienen te zijn
+voorbehouden, werden bij de bespreking dezer werken reeds genoemd.
+Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat het <i>bouwen</i> steeds
+als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien het geschiedt voor
+eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping van den kunstenaar
+altijd min of meer openbaar gemaakt.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch4.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Duur</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het
+in tijdsduur beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een
+einde. Een eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste
+regelingen in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur
+van Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche
+Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen, te
+weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders is het
+auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.</p>
+<p>Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument
+aangevoerd om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten.
+Een recht&mdash;zoo wordt soms geredeneerd&mdash;dat de wetgever op een
+gegeven oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene
+schadeloosstelling in de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam
+van &bdquo;recht&rdquo; niet te dragen<a class="noteref" id=
+"xd20e9117src" href="#xd20e9117" name="xd20e9117src">29</a>.</p>
+<p>Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht
+volkomen met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen.
+Eigendom is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet
+zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan; een
+eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou
+verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den
+eigendom missen.</p>
+<p>Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is,
+maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten op
+lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die
+eigenaardigheden, <span class="pagenum">[<a id="xd20e9133" href=
+"#xd20e9133" name="xd20e9133">255</a>]</span>waardoor het auteursrecht
+zich van laatstgenoemde rechten onderscheidt en die voortkomen uit den
+verschillenden aard van lichamelijke en onlichamelijke goederen,
+behoort nu ook de tijdelijkheid van het recht. De aard der
+onlichamelijke goederen (geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat
+zij na verloop van een aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten
+tijd na hun ontstaan bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag
+&ograve;f en zoo ja h&ograve;e zij ge&euml;xploiteerd zullen worden aan
+een persoon staat te beantwoorden, en dat dus hun lot min of meer van
+dien &eacute;&eacute;nen persoon afhankelijk is. Men kan zelfs zeggen,
+dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur of zijne
+rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.</p>
+<p>Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is
+vergeten, zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; &ograve;f
+het blijkt een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is
+het, zooals Kohler het uitdrukt, z&oacute;&oacute;zeer &bdquo;zum
+Eigengut des ganzen Volkes, ja zum Kulturgut der ganzen
+Menschheit&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9137src" href="#xd20e9137"
+name="xd20e9137src">30</a> geworden, dat men het aan deze bestemming
+niet mag onttrekken door de beschikking erover aan &eacute;&eacute;n
+persoon te laten.</p>
+<p>Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun
+ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te
+doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht
+waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft
+trouwens geen reden van bestaan.</p>
+<p>Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd
+geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend
+auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk,
+maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. <span class=
+"corr" id="xd20e9146" title="Bron: Shakespaere">Shakespeare</span>,
+Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men
+behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat b.v. op
+den <i>Faust</i> of op <i>Hamlet</i> nu nog auteursrecht bestond,
+zoodat dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou
+mogen worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat
+men van&mdash;op zichzelf misschien even waardevolle&mdash;werken van
+tijdgenooten niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd
+mensch kan er meer buiten. Een erop gevestigd <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9155" href="#xd20e9155" name=
+"xd20e9155">256</a>]</span>auteursrecht zou&mdash;wat het anders niet
+heeft&mdash;hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste
+soort.</p>
+<p>Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het
+recht der auteurs moet <i>wijken</i> voor rechten en belangen van
+anderen; dat het&mdash;wat bij een ander recht niet dan met toekenning
+van schadeloosstelling geschiedt&mdash;na verloop van zekeren tijd
+eenvoudig &bdquo;in het algemeen belang&rdquo; wordt opgeheven. De
+tijdelijkheid van het recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen
+van &bdquo;algemeen belang&rdquo;, doch zij is niet het resultaat van
+een compromis tusschen een van nature eeuwigdurend recht aan den eenen
+kant en het algemeen belang, dat zich tegen de voortdurendheid van het
+recht verzet, aan den anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij,
+dat &bdquo;<span lang="de">das &ouml;ffentliche Interesse die Natur des
+Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts
+mitbestimmt</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9165src" href=
+"#xd20e9165" name="xd20e9165src">31</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Het is&mdash;eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het
+auteursrecht aangenomen&mdash;terwille der rechtszekerheid
+noodzakelijk, dat de duur door de wet eens voor al wordt vastgesteld.
+Daarbij kan natuurlijk geen rekening worden gehouden met afzonderlijke
+werken, ten aanzien waarvan zich het hierboven beschreven proces
+langzamer of wel sneller voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die
+niet langer duren dan een maand of zelfs dan &eacute;&eacute;n enkelen
+dag (b.v. dagblad-artikelen), andere die het veertig, vijftig jaar
+uithouden zonder tot de meesterwerken te behooren die de eeuwen
+trotseeren en verder bestaan er meesterwerken die terstond, andere die
+eerst na honderden jaren als zoodanig erkend worden.</p>
+<p>Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen
+volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer
+te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al te
+willekeurig gekozen schijnt.</p>
+<p>Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt
+men&mdash;behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier
+hierboven reeds genoemde staten geldt&mdash;dat er twee hoofdsystemen
+hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem duurt
+het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs, volgens het
+tweede een aantal jaren na <span class="pagenum">[<a id="xd20e9182"
+href="#xd20e9182" name="xd20e9182">257</a>]</span>de eerste uitgave van
+het werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men
+vindt het in: Belgi&euml;, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica,
+Denemarken, Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Ha&iuml;ti, Hongarije,
+Japan, Luxemburg, Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal,
+Roemeni&euml;, Rusland, Salvador, Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland.
+Daarentegen hebben slechts enkele landen het tweede systeem nl.:
+Griekenland, Brazili&euml;, Turkije en ons land. Engeland, Itali&euml;
+en de Vereenigde Staten volgen een gemengd stelsel.</p>
+<p>De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds
+dikwijls&mdash;ook in ons land&mdash;uitvoerig besproken<a class=
+"noteref" id="xd20e9186src" href="#xd20e9186" name=
+"xd20e9186src">32</a>; ik meen daarom daarover kort te kunnen zijn.</p>
+<p>Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat van
+den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is, terwijl
+natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer de auteur zal
+sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat alle werken
+evenlang beschermd zijn, en niet&mdash;zooals volgens het andere
+stelsel&mdash;de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis zijn,
+langer dan degene die enkele jaren v&oacute;&oacute;r den dood des
+auteurs zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote
+sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek
+krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft
+geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken
+waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat
+een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur
+der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep,
+waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van
+zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als zijn
+mede-auteur te laten optreden.</p>
+<p>Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de
+keus tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste
+van het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen&mdash;waarvan ik de
+beteekenis niet wil ontkennen&mdash;zijn echter ook enkele nadeelen te
+stellen, die het andere stelsel niet heeft.</p>
+<p>Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9214" href="#xd20e9214" name=
+"xd20e9214">258</a>]</span>tijdstip der eerste publicatie, is het
+gewenscht dat dit tijdstip voor elk werk&mdash;liefst volgens
+officieele gegevens&mdash;vaststa. Onze wet (art. 13) neemt daarvoor
+aan de dagteekening van het bewijs van ontvangst door het Departement
+van Justitie afgegeven aan hem, die de voor de vestiging van het
+auteursrecht voorgeschreven formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en
+11); eene soortgelijke regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9).
+Het gevolgde stelsel van tijdsduurberekening is op deze wijze
+samengekoppeld met dat van verplichte inzending van exemplaren,
+verklaringen, beschrijvingen en dergelijke. Dit schijnt mij een niet
+onbelangrijk bezwaar van het stelsel, daar&mdash;zooals ik in een
+volgend hoofdstuk hoop aan te toonen&mdash;voor deze verplichte (d. w.
+z. op straffe van tenietgaan van het auteursrecht) inzendingen geen
+grond bestaat en afschaffing daarvan zeer gewenscht is.</p>
+<p>Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het
+auteursrecht op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht
+echter een bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het
+voor ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot
+hoe lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te
+maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk maar
+met slechts &eacute;&eacute;n: het sterfjaar van den auteur.</p>
+<p>Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet
+geven, al betreft het niet de <i>waarde</i> van het stelsel, maar
+alleen het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog
+op de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der
+verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van
+het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden
+landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend
+naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding
+van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de
+groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden, nu het
+hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij zijn
+betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo practisch
+en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.</p>
+<p>In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal
+ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt
+kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9225" href="#xd20e9225" name=
+"xd20e9225">259</a>]</span>of van die werken, waarvan een rechtspersoon
+als auteur wordt aangemerkt, onbesproken<a class="noteref" id=
+"xd20e9227src" href="#xd20e9227" name="xd20e9227src">33</a>. Evenmin
+zal ik mij ophouden met de afzonderlijke termijnen, die in sommige
+wetten nog ten aanzien van enkele bevoegdheden als: vertalingsrecht,
+op- en uitvoeringsrecht enz. worden gesteld. Hier kan slechts worden
+herhaald, wat bij de bespreking van elk dezer rechten is gezegd, dat
+nl. voor bijzondere beperkingen, hetzij in tijdsduur, hetzij in ander
+opzicht, geen grond bestaat.</p>
+<p>Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur
+van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken om
+dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren is dit
+eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de normale
+termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood des auteurs;
+in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze het meest
+aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is hij opgenomen
+(art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang genoeg; naar
+hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te beschouwen.
+Dit schijnt b.v. in de <i lang="fr">Association</i> de heerschende
+opvatting te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn
+gekozen: tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan
+nog in het oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan
+rekening is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In
+beginsel zou men wellicht nog verder willen gaan.</p>
+<p>Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den
+dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst
+verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene
+verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij m. i.
+rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het verkeer, ook
+op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken der aarde zich
+steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het gevolg is, dat
+geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd noodig hebben om
+over de geheele wereld bekend te worden. Men kan er zeker van zijn, dat
+een boek dat in Europa eenigen opgang maakt, binnen enkele maanden of
+zelfs weken ook in Amerika door ieder zal worden gelezen. Het leven van
+geschriften en kunstwerken wordt daardoor steeds korter, d. w. z. zij
+zijn veel eerder <span class="pagenum">[<a id="xd20e9237" href=
+"#xd20e9237" name="xd20e9237">260</a>]</span>algemeen bekend maar ook
+weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de
+exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel
+korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk, dat
+het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht, hiermede
+gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo volledig
+mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten, eene
+bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge genieten; in
+dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene verbetering te
+beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang en uitgebreidheid
+wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een vol auteursrecht,
+dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des auteurs, maar dan ook
+in de geheele wereld ge&euml;erbiedigd zou worden, schijnt mij
+redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of honderd jaar na
+den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een enkelen staat
+erkenning vindt. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9239" href=
+"#xd20e9239" name="xd20e9239">261</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8644" href="#xd20e8644src" name="xd20e8644">1</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p. 209.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8672" href="#xd20e8672src" name="xd20e8672">2</a></span>
+<i>Urheberrecht</i> p. 177 noot 10.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8682" href="#xd20e8682src" name="xd20e8682">3</a></span> Men zie
+het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29 Sept. 1891 <i>Paleis
+van Justitie</i> 1891 no. 93.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8692" href="#xd20e8692src" name="xd20e8692">4</a></span>
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 181,
+182.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8700" href="#xd20e8700src" name="xd20e8700">5</a></span> Hof van
+Appel New York 8 Jan. 1903, <i>D. A.</i> 1904 p. 62.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8719" href="#xd20e8719src" name="xd20e8719">6</a></span> Memorie
+van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8724" href="#xd20e8724src" name="xd20e8724">7</a></span>
+<span class="sc">Av. Rosmini</span>, <i lang="fr">Lettre
+d&rsquo;Italie</i>, <i>D. A.</i> 1894 p. 74.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8745" href="#xd20e8745src" name="xd20e8745">8</a></span>
+Medegedeeld door: <span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1890 p.
+77.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8754" href="#xd20e8754src" name="xd20e8754">9</a></span> Men zie:
+<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1891 p. 8; 1893 p. 48;
+1895 pp. 129, 130.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8766" href="#xd20e8766src" name="xd20e8766">10</a></span> <i>D.
+A.</i> 1897 p. 45.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8813" href="#xd20e8813src" name="xd20e8813">11</a></span> <i>D.
+A.</i> 1908 p. 107.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8824" href="#xd20e8824src" name="xd20e8824">12</a></span> Men zie
+het overzicht hiervan in <i>D. A.</i> 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook het
+arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908, medegedeeld
+door Prof. <span class="sc">M. Amar</span> in <i>D. A.</i> 1909 p.
+27.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8859" href="#xd20e8859src" name="xd20e8859">13</a></span>
+<span lang="fr">Tribunal Civil de la Seine 1<sup>re</sup> ch.</span> 7
+Juli 1908, <i>D. A.</i> 1908 p. 118.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8887" href="#xd20e8887src" name="xd20e8887">14</a></span> Deze
+bewering, afkomstig van &bdquo;vele leden&rdquo;, vindt men in het
+voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8902" href="#xd20e8902src" name="xd20e8902">15</a></span>
+<i>Urheberrecht</i> p. 185.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8911" href="#xd20e8911src" name="xd20e8911">16</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">Schuster</span> t. a. p. pp. 224, 225;
+<span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 19;
+<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 60 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8932" href="#xd20e8932src" name="xd20e8932">17</a></span> In
+dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892, <i>D. A.</i> 1892
+pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter de muziek, die
+op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare uitvoeringen. Cf.
+<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1903 p. 46. Men zie over
+de Belgische jurisprudentie: <span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D.
+A.</i> 1901 p. 122.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8954" href="#xd20e8954src" name="xd20e8954">18</a></span> Men zie
+hierover: <i>D. A.</i> 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste overwegingen
+van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar vonnis van 19
+Juni 1889, <i>D. A.</i> 1890 p. 28.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8968" href="#xd20e8968src" name="xd20e8968">19</a></span> Over
+deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling van Prof.
+<span class="sc">Alex Reichel</span> in <i>D. A.</i> 1893 pp. 14 sqq.
+Cf. ook &sect; 27 van de Duitsche wet v. 19 Juni 1901.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8979" href="#xd20e8979src" name="xd20e8979">20</a></span> Cf.
+<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 61.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8988" href="#xd20e8988src" name="xd20e8988">21</a></span> <i>D.
+A.</i> 1908 p. 110.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e8996" href="#xd20e8996src" name="xd20e8996">22</a></span> Cf.
+<i>D. A.</i> 1908 pp. 108 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9007" href="#xd20e9007src" name="xd20e9007">23</a></span> <i>D.
+A.</i> 1901 p. 32.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9014" href="#xd20e9014src" name="xd20e9014">24</a></span> In
+dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, <i>D. A.</i> 1908
+p. 156; Gemengde Rechtb. van Ca&iuml;ro 26 Nov. 1892, <i>D. A.</i> 1894
+p. 55; Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een
+koffiehuis), <i>D. A.</i> 1901 p. 16.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9026" href="#xd20e9026src" name="xd20e9026">25</a></span> Men zie
+hierover: <i>D. A.</i> 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9039" href="#xd20e9039src" name="xd20e9039">26</a></span> Een
+uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement van 3
+Sept. 1880 art. 62); in Duitschland v&oacute;&oacute;rdat het werk in
+druk is verschenen (<i>Urheberrechtsgesetz</i> &sect; 11); terwijl het
+in Noorwegen (art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de
+uitgave in druk kan worden voorbehouden.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9072" href="#xd20e9072src" name="xd20e9072">27</a></span> Cf.
+<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde
+schrijvers.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9089" href="#xd20e9089src" name="xd20e9089">28</a></span> In
+kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht soms
+meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.: <i>Het Land
+van Mauve</i> (<i>Bulletin van den Larenschen Kunsthandel</i>) no. 6, 5
+Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr.
+<span class="sc">Louis Isra&euml;ls</span> hierover in hetzelfde
+blaadje no. 8, 5 Jan. 1907.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9117" href="#xd20e9117src" name="xd20e9117">29</a></span> Zoo
+b.v.: <span class="sc">J. Mosmans</span>, <i>Diefstal? Nederland en de
+Berner Conventie</i> pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80)
+aangehaalde van Mr. <span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9137" href="#xd20e9137src" name="xd20e9137">30</a></span>
+<i>Urheberrecht</i> p. 232.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9165" href="#xd20e9165src" name="xd20e9165">31</a></span>
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> p. 51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9186" href="#xd20e9186src" name="xd20e9186">32</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. p. 248; M. v. T. W. A.
+R. <i>Handel. Tweede Kamer</i> 1876&ndash;1877. Bijl. 202 &sect; 4;
+<span class="sc">Freseman Vi&euml;tor</span>, <i>Kantteekeningen</i>
+enz. t. a. p. p. 44; <span class="sc">Macaulay</span>, <i>Speeches</i>
+t. a. p. pp. 273 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9227" href="#xd20e9227src" name="xd20e9227">33</a></span> Men kan
+hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog enkele
+opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij te pas
+komen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk V</h2>
+<h2 class="main">Voorwaarden en formaliteiten</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat
+het auteursrecht, zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object
+van is, op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een
+auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt
+vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde
+recht.</p>
+<p>Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de
+nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij het
+ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van het
+auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van
+bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in
+meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen
+is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde
+stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig als
+andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard door
+den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen kant
+werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit
+meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den
+wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht,
+dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd,
+afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig
+achtte.</p>
+<p>Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of
+doelmatigheid bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor
+beheerscht wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het &rsquo;t meest
+deugdelijke en <span class="pagenum">[<a id="xd20e9252" href=
+"#xd20e9252" name="xd20e9252">262</a>]</span>meest eerbiedwaardige
+recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten als de hier
+bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het tenietgaan van
+het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat dergelijke
+redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn, hoop ik in dit
+hoofdstuk aan te toonen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden
+(formaliteiten) en materieele voorwaarden<a class="noteref" id=
+"xd20e9258src" href="#xd20e9258" name="xd20e9258src">1</a>.</p>
+<p>Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren
+aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende
+tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het
+werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles
+kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt
+wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet
+voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet de
+uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de
+<i>uiterlijke</i> voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde
+handelingen, die de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn
+recht niet te verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings-
+en op- en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen
+van een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.</p>
+<p>Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna
+alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd of
+hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum beperkt.
+In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in
+Belgi&euml;, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele
+gevallen beperkt<a class="noteref" id="xd20e9271src" href="#xd20e9271"
+name="xd20e9271src">2</a>. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in
+Itali&euml;, geven zij voortdurend aanleiding tot klachten van
+belanghebbenden; ook is het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land
+door statistische gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote
+meerderheid van de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven
+formaliteiten verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de
+in druk verschenen werken gemiddeld slechts 5&ndash;1/2% behoorlijk
+ingezonden, met het gevolg, <span class="pagenum">[<a id="xd20e9280"
+href="#xd20e9280" name="xd20e9280">263</a>]</span>dat dus alle overige
+94&ndash;1/2% van de bescherming der wet verstoken bleven<a class=
+"noteref" id="xd20e9282src" href="#xd20e9282" name=
+"xd20e9282src">3</a>. Zooals te verwachten was, zijn in het door eene
+commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van de tegenwoordige
+Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en ingewikkelde
+formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd: wel zijn daarin
+verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens enkele
+uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen invloed
+heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.</p>
+<p>Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls
+een klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms
+zonder schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het
+geheele of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de
+internationale verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor
+een auteur bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle
+landen, waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de
+voorgeschreven formaliteiten in acht te nemen; eene internationale
+regeling van het auteursrecht, die de verplichting daartoe laat
+bestaan, zal daarom in de practijk slechts ten halve aan haar doel
+beantwoorden.</p>
+<p>Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de
+belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te stellen.
+Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of van eene
+omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de identiteit van
+dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving in een openbaar
+register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid opent zich ervan te
+vergewissen of op een bepaald werk al dan niet auteursrecht bestaat.
+Daar waar de duur van het auteursrecht naar het tijdstip der eerste
+uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving in het register steeds
+de juiste datum daarvan geconstateerd worden.</p>
+<p>Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk
+geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere
+sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de
+bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K.,
+die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden
+aangetoond.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze wet
+geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9302" href="#xd20e9302" name=
+"xd20e9302">264</a>]</span>voordrachten, tooneelstukken, die zijn
+opgevoerd en muziekwerken, die zijn uitgevoerd. Voor al deze werken,
+waarvan juist het vaststellen der identiteit en de oplossing van de
+vraag, wie auteur is, de meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft
+de wetgever blijkbaar geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon
+geschieden. Weliswaar zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de
+wet (pp. 9 en 11) wordt opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende
+bepalingen voor deze werken practische moeilijkheden meebrengen;
+onmogelijk was het echter niet. In elk geval geeft het feit, dat het
+auteursrecht op niet door den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk
+is van formaliteiten, weder een doorslaand bewijs, dat deze niet
+onmisbaar zijn.</p>
+<p>Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10),
+dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave
+worden ingezonden aan het Departement van Justitie:</p>
+<p><i>a</i>) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij
+gebreke daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of
+drukker onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der
+uitgave,</p>
+<p><i>b</i>) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het
+werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.</p>
+<p>Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het reeds
+genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld het
+weglaten van de woonplaats des auteurs op &eacute;&eacute;n der
+ingezonden exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand
+enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.</p>
+<p>Bovendien is voor de verplichte inzending van <i>twee</i> exemplaren
+geen enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te
+stellen is natuurlijk &eacute;&eacute;n exemplaar voldoende; het tweede
+wordt dan ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het
+auteursrecht in geenerlei verband staat, nl. completeering van de
+Koninklijke Bibliotheek te &rsquo;s Gravenhage.</p>
+<p>Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons
+land uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd
+worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze
+verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een
+exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden,
+dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9323" href="#xd20e9323" name=
+"xd20e9323">265</a>]</span>is dan het doen tenietgaan van het
+auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de bepaling, dat van elk
+daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het Britsch Museum moet
+worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf pond, vermeerderd met
+de waarde van het niet-ingezonden exemplaar (Wet van 1 Juli 1842).</p>
+<p>Het onder <i>b</i> genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met
+de materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat
+het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die
+aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder
+internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede
+hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet nu ook
+nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan: inzending
+van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is dus het werk
+in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten in acht
+genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien de drukker
+nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te zenden.
+Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan het
+auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is, omdat het
+hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door (of in ieder
+geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste gevallen wel
+niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook al wenschte men
+het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn te behouden (wat,
+zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel opzicht is aan te
+bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier bedoelde
+verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht te eischen.
+Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij achterwege blijft,
+ook langs anderen weg het bewijs toe te laten, dat aan het vereischte
+van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde doel even goed kunnen
+bereiken.</p>
+<p>Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit, dat
+wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving geschiedt,
+het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of voor een
+bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen. Meer
+kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel, dat hier is
+gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten aanzien van
+vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende goederen,
+het zoogenaamde <i>negatieve stelsel van openbaarheid</i>. Ook daar is
+de inschrijving in de daartoe aangewezen <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e9335" href="#xd20e9335" name="xd20e9335">266</a>]</span>openbare
+registers eene onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het
+recht. Doch of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan
+niet met zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de
+laatstgenoemde vraag betreft heeft men uit de registers van het
+auteursrecht nog minder kans juist te worden ingelicht, omdat
+overdracht van het recht, op welke wijze die ook plaats heeft, niet in
+de registers wordt aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of
+niet bestaan van het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in
+de registers staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel
+mogelijk, dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge
+ingeschreven, hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke
+bescherming omdat het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De
+ambtenaar van het departement van Justitie, die met de inschrijving is
+belast, heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te
+laten met de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving
+voortvloeien.</p>
+<p>Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne
+rechtverkrijgenden bij de uitoefening van hun recht van de door onze
+wet voorgeschreven formaliteiten slechts last en geen nut hebben.
+Alleen derden zijn door deze bepalingen gebaat, doch slechts
+betrekkelijk; evenals van het stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de
+inschrijving der hypotheken kan ervan gezegd worden: &bdquo;de
+openbaarheid geeft aan iedereen het middel, althans den leiddraad om
+zich op vrij voldoende wijze van den stand van zaken op de hoogte te
+stellen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9339src" href="#xd20e9339"
+name="xd20e9339src">4</a>. Een vrij pover resultaat, als men bedenkt
+ten koste waarvan het verkregen wordt<a class="noteref" id=
+"xd20e9348src" href="#xd20e9348" name="xd20e9348src">5</a>.</p>
+<p>De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig bewijs
+ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten als de
+bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere
+onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht
+dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9359" href="#xd20e9359" name=
+"xd20e9359">267</a>]</span>dat op elk werk auteursrecht bestaat,
+behalve natuurlijk op diegene, waarvan de beschermingstermijn is
+verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de meeste wetgevingen het
+auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal jaren na den dood des
+auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming ophoudt in de meeste
+gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook heeft men te bedenken,
+dat het niet voor het geheele publiek, maar slechts voor eene bepaalde
+klasse van personen (uitgevers, schouwburg- en orkest-directeuren enz.)
+van belang is, over auteursrecht-zaken te zijn ingelicht. Men kan dus
+verwachten dat deze personen maatregelen nemen om zich geregeld op de
+hoogte te houden van hetgeen met hun vak zoo nauw samenhangt. In de
+practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door de, in bijna alle landen
+bestaande, vereenigingen van uitgevers en niet minder door de
+vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars, die zich ten doel
+stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken en te
+administreeren.</p>
+<p>Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen
+zijn zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen;
+in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij&mdash;mits met
+kennis van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden
+omvattend&mdash;in staat zijn meer volledige en betrouwbare
+inlichtingen te verschaffen dan hier de officieele openbare registers
+kunnen doen. Van alle werken harer leden moet in de boeken eener
+dergelijke vereeniging nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het
+tijdstip, waarop het auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook
+of, en zoo ja aan wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en
+of toestemmingen zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van
+uit te geven, op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand,
+die dus op eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil
+exploiteeren, vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig
+heeft te weten en kan aldaar tevens de noodige contracten
+afsluiten.</p>
+<p>Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in
+art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11
+bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een
+gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van
+dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht
+als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13, 15
+2<sup>o</sup> en 16 2<sup>o</sup>). <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e9372" href="#xd20e9372" name="xd20e9372">268</a>]</span></p>
+<p>Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele
+gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum
+te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal
+staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de
+dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten
+of&mdash;hoewel dit wel zelden zal voorkomen&mdash;opzettelijk er een
+verkeerd jaartal op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het
+tijdstip waarop het auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou
+kunnen voortvloeien, wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet
+van het werkelijke tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het
+Departement van Justitie het bewijs van ontvangst der inzending
+afgeeft, begint het auteursrecht te loopen.</p>
+<p>Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van
+zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending, dat
+er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De
+voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de duur
+van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave; laat men
+het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood des
+auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht uitgaande
+vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang neemt,
+onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit de registers
+van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij gezien hebben is
+laatstgemeld stelsel voor de berekening van den duur van het
+auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts in enkele gevallen
+komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als aanvangspunt in
+aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor die welke zonder
+naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam verschijnen.
+Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van het auteursrecht
+vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs, bedraagt deze voor de
+bovengenoemde drie categorie&euml;n werken dertig jaar na de eerste
+uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op den dag der
+uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze bepaling heeft
+het voordeel, dat men den juisten datum der eerste uitgave nu niet
+behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar het boek is
+verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te kunnen bepalen,
+waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de meeste boeken alleen
+het jaar der verschijning staat aangegeven, is dus volgens dit stelsel
+geen bezwaar. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9377" href=
+"#xd20e9377" name="xd20e9377">269</a>]</span>Ik meen dan ook, dat de
+Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs in het
+geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem voor de
+berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en dus de
+uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als
+uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur
+willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als
+rechthebbenden moeten doen kennen &bdquo;op den voet in de artikelen 10
+en 11 bepaald&rdquo;. Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf
+van naam en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom
+twee exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip
+der uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens<a class=
+"noteref" id="xd20e9383src" href="#xd20e9383" name="xd20e9383src">6</a>
+neemt het laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen
+ontheffing van den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof
+ook wel, dat dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten
+geven, al laat m.i. de uitdrukking &bdquo;op den voet van&rdquo; eenige
+ruimte tot twijfel. Hoe dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met
+Mr. Veegens eens, dat deze vereischten hier &bdquo;doelloos&rdquo; zijn
+te achten.</p>
+<p>De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de
+overige formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is
+gebonden, blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen
+geschieden. Ook zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft
+geen tenietgaan van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts
+aan den toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur
+zelf, de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een
+enkel geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het
+recht van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar
+na de eerste uitgave. Heeft daarv&oacute;&oacute;r de voorgeschreven
+inzending niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming
+van het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval
+behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een
+ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).</p>
+<p>Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9390" href="#xd20e9390" name=
+"xd20e9390">270</a>]</span>zeer zelden zal voordoen, kan gezegd worden
+dat de voorgeschreven inzending om zich als auteur te doen erkennen zoo
+niet noodzakelijk, dan toch niet volkomen doelloos is. Want voor derden
+is het slechts daarom van belang te weten wie als auteur wordt
+aangemerkt, omdat de mogelijkheid bestaat, dat dit den duur van het
+recht be&iuml;nvloedt. Dit zal, zooals gezegd, onder het stelsel onzer
+wet eene uitzondering blijven, doch als regel gelden daar waar de duur
+van het auteursrecht steeds naar den leeftijd, dien de auteur bereikt,
+wordt afgemeten. Opheffing van de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft
+daar steeds wijziging in den duur van het auteursrecht tengevolge en
+daarom is het gewenscht, dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden,
+dat ieder er kennis van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche
+wet van 19 Juni 1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te
+noemen. Het auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar
+slechts dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den
+auteur v&oacute;&oacute;r dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de
+gewone beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den
+auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen
+geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1<sup>o</sup>. door eene
+latere uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den
+waren naam des auteurs; en 2<sup>o</sup>. door eene verklaring, in te
+zenden door den auteur aan den <i>Stadtrath</i> te Leipzig, die voor de
+inschrijving dezer verklaringen in een openbaar register zorg draagt
+(&sect;&sect; 7, 31, 56&ndash;58).</p>
+<p>Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de
+belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring
+is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere
+wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis had
+kunnen krijgen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze wet
+in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van het
+auteursrecht het <i>voorbehoud</i>. Dit komt te pas bij vertalings-,
+opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte
+werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.</p>
+<p>Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft: neemt
+men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan, dat deze
+rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht uitmaken,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9412" href="#xd20e9412" name=
+"xd20e9412">271</a>]</span>die evenveel reden van bestaan hebben als
+het kopierecht, dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit
+laatste recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk
+door hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft
+de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze
+bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat zij
+slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den auteur
+kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting bestaat,
+zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte van het
+uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen grondige
+reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn werk in
+druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft, tenzij hij
+uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.</p>
+<p>Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het
+publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of
+niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen, dat
+de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten,
+worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door de
+instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn werk
+zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder
+toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan
+gaan.</p>
+<p>Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de
+auteurs zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken
+wenschen te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner
+toestemming gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede
+helft der vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder
+voorbehoud tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen
+had zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten
+te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen,
+die&mdash;meestal te goeder trouw&mdash;deze werken in het openbaar
+uitvoerden, voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat
+hij weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan
+van een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij
+men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (&plusmn; &fnof;268)
+betaalde. Om aan deze wijze van &bdquo;exploitatie&rdquo;, waarbij
+natuurlijk ook de belangen der componisten werden geschaad, een einde
+te maken, werd in de wet van 10 Augustus 1882, gewoonlijk <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9419" href="#xd20e9419" name=
+"xd20e9419">272</a>]</span>genoemd de <i lang="en">Wall Act</i>,
+bepaald, dat de auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner
+muziekwerken kan verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud
+van zijn recht heeft laten drukken<a class="noteref" id="xd20e9424src"
+href="#xd20e9424" name="xd20e9424src">7</a>.</p>
+<p>In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische maatregel
+om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de noodzakelijkheid of
+wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel is er niet mee bewezen.
+Immers de auteurs hebben het altijd in de hand misbruiken als deze te
+voorkomen, daar zij bij het overdragen hunner rechten aan anderen
+hieromtrent in het contract de noodige voorwaarden kunnen bedingen. En
+daar het vooral hun eigen belang is, dat hierbij op het spel staat, is
+van hen te verwachten dat zij dit in de meeste gevallen ook werkelijk
+zullen doen, vooral indien zij tijdig op de gevaren worden gewezen
+waaraan zij zich blootstellen, door hunne rechten zonder voorwaarden
+aan den eersten den besten over te doen. Hier zijn het weer de
+vereenigingen van auteurs, die, zooals in het buitenland is gebleken,
+uitstekende diensten kunnen bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging
+behoeft nu niet voor elk nieuw stuk, dat zij op haar r&eacute;pertoire
+wenscht te plaatsen, daarover met den auteur in onderhandeling te
+treden; zij heeft zich slechts te wenden tot het bureau der
+auteurs-vereeniging, dat namens den auteur toestemming tot op- of
+uitvoering verleent en zich ook met het innen der tanti&egrave;mes
+belast. De Belgische Regeering heeft getoond, het nut van de
+auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en zij heeft er ook op
+doelmatige wijze partij van weten te trekken. De &bdquo;<i lang=
+"fr">Soci&eacute;t&eacute; des auteurs, compositeurs et &eacute;diteurs
+de musique</i>&rdquo; heeft zich verbonden, aan de Belgische Regeering
+eene volledige lijst te geven van al hare leden, voor wie zij in
+auteursrecht-zaken bevoegd is in rechten op te treden, terwijl de
+Belgische Regeering van haar kant op zich heeft genomen, deze lijst in
+de <i lang="fr">Moniteur Belge</i> te publiceeren<a class="noteref" id=
+"xd20e9438src" href="#xd20e9438" name="xd20e9438src">8</a>. Waar het
+belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt over nog
+beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen, daar is het
+vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de auteur de
+exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten, dan kan
+ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9449" href="#xd20e9449" name=
+"xd20e9449">273</a>]</span>de auteur gedwongen is, dadelijk bij de
+verschijning van zijn werk eene beslissing te nemen, waarop nooit meer
+kan worden teruggekomen.</p>
+<p>Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-,
+opvoerings- en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van
+het overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het
+nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee,
+dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin
+is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden
+aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge
+toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier
+misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel
+worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door
+andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel
+verklaart<a class="noteref" id="xd20e9453src" href="#xd20e9453" name=
+"xd20e9453src">9</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het Ontw.
+B. K. voorschrijft.</p>
+<p>Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet v&oacute;&oacute;r
+of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is
+geleverd, tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is
+aangeboden door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K.
+B. aan te wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:</p>
+<p><i>a</i>) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte
+daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk,
+volgens door K. B. vast te stellen model;</p>
+<p><i>b</i>) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels,
+gravures, photographie&euml;n of andere verveelvuldigde exemplaren,
+tegelijk met de beschrijving een exemplaar van het werk.</p>
+<p>De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending
+zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.</p>
+<p>Wel is hier, voor de onder <i>b</i> genoemde werken, inzending van
+&eacute;&eacute;n exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor
+geschriften er twee eischt, doch de financieele last is er niet minder
+om, daar bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een
+grootere waarde vertegenwoordigt. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e9477" href="#xd20e9477" name="xd20e9477">274</a>]</span></p>
+<p>Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet,
+waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van
+schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties
+worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of
+tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of ter
+bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden
+volstaan met het inzenden der &bdquo;beschrijving&rdquo;. Of hiervan nu
+een druk gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen.
+Zoolang geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht
+inbreuk zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan
+denken hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te
+exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen
+getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te
+zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te
+laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.</p>
+<p>Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij
+w&eacute;l wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet
+anders dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het
+kunstwerk kunnen zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9482" href=
+"#xd20e9482" name="xd20e9482">275</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9258" href="#xd20e9258src" name="xd20e9258">1</a></span> Cf.
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 107.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9271" href="#xd20e9271src" name="xd20e9271">2</a></span> Cf. ook
+art. 2 van de <i lang="fr">loi-type</i> der <i lang=
+"fr">Association</i>: &bdquo;De uitoefening van het auteursrecht is aan
+de vervulling van geenerlei voorwaarden of formaliteiten
+gebonden.&rdquo;</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9282" href="#xd20e9282src" name="xd20e9282">3</a></span> Cf.
+<i lang="fr">La question des formalit&eacute;s en Italie</i>, <i>D.
+A.</i> 1897 p. 65.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9339" href="#xd20e9339src" name="xd20e9339">4</a></span> Mr.
+<span class="sc">C. Asser</span>, <i>Handleiding tot de beoefening v.
+h. Nederl. Burgerl. Recht II</i> (3e druk) p. 347.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9348" href="#xd20e9348src" name="xd20e9348">5</a></span> Dat de
+formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als een drukkende
+last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de heer <span class=
+"sc">W. P. van Stockum</span> Jr. daaromtrent mededeelt in: <i>Kort
+overzicht der organisatie van den Nederlandschen Boekhandel</i>, uitg.
+door de Ver. ter bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908
+pp. 10 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9383" href="#xd20e9383src" name="xd20e9383">6</a></span> T. a. p.
+p. 123.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9424" href="#xd20e9424src" name="xd20e9424">7</a></span> Men zie
+hierover: <i>D. A.</i> 1908 p. 30.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9438" href="#xd20e9438src" name="xd20e9438">8</a></span> <i>D.
+A.</i> 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel hebben
+geleid: <span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1898 p.
+129.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9453" href="#xd20e9453src" name="xd20e9453">9</a></span> Meerdere
+bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht zullen hieronder
+bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie nog ter sprake
+komen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk VI</h2>
+<h2 class="main">Eenige met het auteursrecht in verband staande
+rechten</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op
+het gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan, die
+zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het recht op het
+geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de
+<i>persoonlijkheidsrechten</i>, omdat zij tot bescherming strekken van
+een goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.</p>
+<p>Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen
+auteursrecht en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche
+schrijvers spreken daarbij meestal van &bdquo;<i lang="fr">le droit
+moral</i>&rdquo;, dat dan gesteld wordt tegenover &bdquo;<i lang=
+"fr">le droit p&eacute;cuniaire</i>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e9502src" href="#xd20e9502" name="xd20e9502src">1</a>. Deze termen
+komen mij echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat
+het verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar
+zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen moreele
+of ide&euml;ele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel is dit
+niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou b.v. in
+sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen
+vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit
+geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9524" href="#xd20e9524" name=
+"xd20e9524">276</a>]</span>belangen dient<a class="noteref" id=
+"xd20e9526src" href="#xd20e9526" name="xd20e9526src">2</a>. Overigens
+hebben de bedoelde Fransche schrijvers met hunne &bdquo;<span lang=
+"fr">droits moraux</span>&rdquo; in hoofdzaak dezelfde rechten op het
+oog, die de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of
+Pers&ouml;nlichkeitsrechte noemen en die hier onder den naam van
+persoonlijkheidsrechten worden behandeld.</p>
+<p>Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de
+meeste wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat
+zij geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de
+wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar
+tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst
+een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische
+constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook
+worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen, hoewel
+de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter op grond
+van algemeene rechtsbeginselen erkend.</p>
+<p>In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in
+theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten in
+verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het
+positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen
+en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis wordt
+gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der <i lang=
+"fr">Association</i> over het &bdquo;droit moral&rdquo; rapporten
+uitgebracht; de volgende stellingen werden o. a. op het Congres van
+Heidelberg van 1899 aangenomen:</p>
+<p>&bdquo;De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne
+hoedanigheid van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden
+tegen ieder, die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.</p>
+<p>&bdquo;Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de
+bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen
+eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan
+wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt
+of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet
+voorziet&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9550src" href="#xd20e9550"
+name="xd20e9550src">3</a>.</p>
+<p>In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der
+<i>loi-type</i> (artt. 10, 11, 12 en 14). <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e9561" href="#xd20e9561" name="xd20e9561">277</a>]</span></p>
+<p>Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en
+vergaderingen van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden
+geuit<a class="noteref" id="xd20e9564src" href="#xd20e9564" name=
+"xd20e9564src">4</a>, bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor
+zoover zij nog niet in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen
+bestaan als de vruchten van wetenschappelijke theorie&euml;n, maar dat
+de belanghebbenden er evenzeer aanspraak op maken, als op de
+vermogensrechtelijke bescherming.</p>
+<p>Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het
+auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten
+tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal meestal
+samengaan, d. w. z. in &eacute;&eacute;n hand vereenigd zijn, met het
+auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig
+bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de
+auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer
+het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan (b.v.
+bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het &rsquo;t
+persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van het
+auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het uitdrukt,
+krachtens het persoonlijkheidsrecht &bdquo;verklammert&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e9575src" href="#xd20e9575" name=
+"xd20e9575src">5</a>.</p>
+<p>Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die
+het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen te
+verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten of door een
+anderen vervangen, en het zoogenaamde <i>recht op de integriteit van
+het werk</i>, d. w. z. het recht te verlangen, dat het werk
+ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, publiek
+wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in &eacute;&eacute;ne
+hand vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen;
+heeft de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens
+zijn persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat
+d&aacute;n de twee rechten tegenover elkander staan.</p>
+<p>Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met
+persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld
+het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend
+uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9588" href="#xd20e9588" name=
+"xd20e9588">278</a>]</span>met het recht van den geportretteerde, om
+zich tegen openbaarmaking zijner beeltenis onder bepaalde
+omstandigheden te verzetten. Iets dergelijks kan zich voordoen, indien
+in een roman of tooneelstuk hetzij door den naam, hetzij door de
+karakterteekening, bestaande personen worden aangeduid, in het
+bijzonder wanneer zij daardoor in een minder gunstig daglicht komen te
+staan.</p>
+<p>In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende
+hierboven genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander,
+voorzoover het in verband met het auteursrecht van belang is te achten,
+meer in bijzonderheden worden nagegaan.</p>
+<div class="div2" id="ch6.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I Recht op brieven</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te
+verlangen, &bdquo;dasz das Internum (seines) Lebens geschont
+wird&rdquo;; dat de intieme zijden der persoonlijkheid &bdquo;nicht in
+einer der menschlichen Lebensf&uuml;hrung widersprechenden Weise an die
+Oeffentlichkeit gezogen werden&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e9597src" href="#xd20e9597" name="xd20e9597src">6</a>. Hieruit
+vloeien verschillende met het auteursrecht in verband staande
+bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht op
+geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor
+openbaarmaking is bestemd.</p>
+<p>Dit is vooral van belang met het oog op brieven<a class="noteref"
+id="xd20e9604src" href="#xd20e9604" name="xd20e9604src">7</a>. In de
+meeste gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan
+een auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders
+dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin
+aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke
+mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling
+in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de
+schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft,
+afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de
+meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de
+eerste plaats voor die brieven, waarvan juist <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9629" href="#xd20e9629" name=
+"xd20e9629">279</a>]</span>wegens hun vertrouwelijk of intiem karakter
+eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst kan zijn.</p>
+<p>Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven
+uitdrukkelijk genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier
+besproken persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht
+wordt toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet.
+Wel is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie
+erkend<a class="noteref" id="xd20e9633src" href="#xd20e9633" name=
+"xd20e9633src">8</a>, doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke
+regeling op dit punt gewenscht blijft.</p>
+<p>Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een
+vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in
+elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch daar
+men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner brieven
+overgaat, is het van groot belang te weten &ograve;f, en zoo ja hoe
+lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier is
+behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de wet kan
+worden gegeven<a class="noteref" id="xd20e9644src" href="#xd20e9644"
+name="xd20e9644src">9</a>.</p>
+<p>Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag
+wordt dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland
+gedaan door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake
+gebracht, arrest van 28 Februari 1898<a class="noteref" id=
+"xd20e9655src" href="#xd20e9655" name="xd20e9655src">10</a>. Het betrof
+een aantal brieven van Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren
+na diens overlijden uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd
+aangenomen, dat er een persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver
+om zich tegen de publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men
+zich daarop niet beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat
+het met den dood van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen
+uitdrukkelijke wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze
+opvatting m. i. wel iets te zeggen<a class="noteref" id="xd20e9660src"
+href="#xd20e9660" name="xd20e9660src">11</a>; in jure constituendo
+echter ben <span class="pagenum">[<a id="xd20e9669" href="#xd20e9669"
+name="xd20e9669">280</a>]</span>ik van de meening van Kohler, die dit
+recht niet met het overlijden, maar eenigen tijd daarna, wil doen
+ophouden. Lang behoeft de termijn niet te zijn; vijf jaar, zooals
+Kohler voorstelt<a class="noteref" id="xd20e9671src" href="#xd20e9671"
+name="xd20e9671src">12</a>, of hoogstens tien schijnt daarvoor
+voldoende; het is er slechts om te doen de algeheele vrijheid van
+publicatie zoolang op te schorten, totdat de beoordeeling van den
+overledene objectief kan geschieden, buiten invloed van persoonlijke
+gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie enz. die hij bij zijn leven
+heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou men kunnen zeggen, tusschen
+het tijdstip, waarop de persoon nog in het volle leven staat en dat
+waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.</p>
+<p>Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met
+het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van
+eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de
+uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger
+te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende,
+vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit
+volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner
+brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten;
+tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der
+brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt,
+als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming
+geniet.</p>
+<p>De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke
+schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te
+beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven
+auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een
+anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht voor
+sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen
+auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos
+te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam blijkt,
+dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische
+gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht op
+publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na, den
+dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan een
+uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver nog
+dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt m. i.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9680" href="#xd20e9680" name=
+"xd20e9680">281</a>]</span>geen twijfel, of het eerste is met het oog
+op het doel dat met de bescherming hier moet worden bereikt, te
+verkiezen boven het laatste.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch6.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op
+auteursrecht</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Is het bij brieven, die meestal niet als
+auteursproducten zijn te beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter
+dat de bescherming tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften
+van anderen aard, die daartoe w&eacute;l gerekend moeten worden, en ook
+voor kunstwerken, komt hier nog eene andere overweging bij.</p>
+<p>Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend,
+beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke
+nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of
+kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar zal
+worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor den
+auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de volle
+verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook in
+zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen kunnen
+worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid niet op
+zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat, hij zij
+schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel eens werken in
+portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is, al maken zij ook
+overigens den indruk &bdquo;af&rdquo; te zijn. Men hoort soms van
+schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat zij
+eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun zin is.
+Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van beeldende
+kunst en muziek.</p>
+<p>Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch
+van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, &oacute;f, en zoo ja
+wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal
+zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht op
+hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden; er zijn
+echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij nl., als
+andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van des auteurs
+schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit te verhalen.
+Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie geschikt acht
+en die hij daarom onge&euml;xploiteerd heeft <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9691" href="#xd20e9691" name=
+"xd20e9691">282</a>]</span>gelaten, kan het auteursrecht eene
+geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het nu den schuldeischers
+vrij, dit recht, evenals elk ander deel van het vermogen van hunnen
+debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou daarmede tevens den auteur
+uit handen worden genomen het bovenbesproken persoonlijkheidsrecht om
+over de eerste openbaarmaking te beslissen.</p>
+<p>Hier dienen&mdash;en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie,
+die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft&mdash;de
+belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen
+beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het
+persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.</p>
+<p>De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke <i>elk</i> beslag
+op auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet,
+dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst
+komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding
+van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking,
+verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4)
+zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der &bdquo;meeste
+leden&rdquo;, dat het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht
+toe te laten. Van geen van beide zijden werd dit echter nader
+gemotiveerd.</p>
+<p>Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5
+derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent
+opgemerkt: &bdquo;Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal
+van moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van
+1881 tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben
+geleid.&rdquo;</p>
+<p>Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor
+een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees
+voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht
+mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.</p>
+<p>Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De
+&bdquo;moeilijkheden&rdquo;, waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel
+denkbeeldig zijn, onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere
+landen, waar het beslag in sommige gevallen wel is toegelaten, is
+bewezen. Hierop kom ik zoo aanstonds nog terug.</p>
+<p>De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9708" href="#xd20e9708" name=
+"xd20e9708">283</a>]</span>zooals de wet van 1881 en het Ontw. B. K.
+inhouden, is te maken, bestaat hierin, dat met de rechten der
+schuldeischers in &rsquo;t geheel geen rekening wordt gehouden. Betreft
+het een werk, dat reeds eerder door den auteur gepubliceerd en in
+exploitatie gebracht was, dan bestaat er volstrekt geen reden, waarom
+het uitsluitend recht om het verder op dezelfde wijze te exploiteeren
+niet aan zijn schuldeischers zou mogen worden toegewezen. Nog sterker
+komt de onbillijkheid der bepaling uit, als men denkt aan het geval,
+dat het auteursrecht niet meer in handen is van den auteur. In den
+boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld zullen juist de
+auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen van de aanwezige
+baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de schuldeischers
+hierover niet zouden kunnen beschikken<a class="noteref" id=
+"xd20e9710src" href="#xd20e9710" name="xd20e9710src">13</a>.</p>
+<p>Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die
+gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht
+tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als
+algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten
+wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer
+het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek
+gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen
+voor.</p>
+<p>In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden over
+de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk nog niet is
+uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor openbaarmaking
+bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript naar een
+uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift
+aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder
+de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen over
+beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen van beslag
+toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een
+uitgevershuis was toegezonden<a class="noteref" id="xd20e9733src" href=
+"#xd20e9733" name="xd20e9733src">14</a>. In Frankrijk werd evenzoo
+beslist door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof
+het <span class="pagenum">[<a id="xd20e9742" href="#xd20e9742" name=
+"xd20e9742">284</a>]</span>kopie van een journalist, die reeds in
+handen van den drukker was<a class="noteref" id="xd20e9744src" href=
+"#xd20e9744" name="xd20e9744src">15</a>. Deze beide beslissingen komen
+mij juist en billijk voor: in beide gevallen stond vast, dat de auteur
+tot publicatie van zijn werk wenschte over te gaan en aan zijn
+voornemen reeds een begin van uitvoering had gegeven; in deze
+omstandigheden ware een beroep op zijn persoonlijkheidsrecht, dat door
+de publicatie zou worden gekrenkt, misplaatst. Met het oog hierop zou
+het m. i. aanbeveling verdienen bij eene wijziging van art. 9 derde lid
+onzer wet het beslag, behalve bij uitgegeven werken, ook toe te laten,
+indien het blijkt, dat de auteur op het oogenblik dat het beslag wordt
+gelegd, zijn werk voor publicatie heeft bestemd. Wat werken van
+beeldende kunst betreft geeft o. a. de Belgische wet (art. 9) eene
+regeling, die navolging verdient: geen beslag kan worden gelegd,
+zoolang een werk niet voor verkoop of publicatie gereed is.</p>
+<p>Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier
+sprake is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren.
+Indien deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de
+vraag niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet
+openbaar zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander
+overdragen. Maar w&eacute;l zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne
+erfgenamen, en in &rsquo;t bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den
+dood des auteurs eene publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze
+bij zijn leven niet heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze
+vraag bevestigend te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven
+bij de bespreking van het recht op brieven is aangevoerd. Op de
+naastbestaanden van den auteur gaat bij diens overlijden de
+verantwoordelijkheid van hetgeen er van hem uitkomt min of meer over;
+zij hebben er, althans in de eerste jaren na het overlijden, voor te
+waken, dat de naam, dien hij zich bij zijn leven heeft gemaakt,
+ongeschonden blijft. Doch ook hier bestaat er geen grond, dit recht der
+erfgenamen lang te laten voortduren. De bescherming van de
+persoonlijkheid des overledenen krijgt na verloop van tijd een ander
+karakter; zij behoeft dan niet meer aan &eacute;&eacute;n persoon, of
+aan een kleine groep van personen te worden overgelaten. De zuiver
+persoonlijke elementen, die het oordeel over den nog in leven zijnden
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9758" href="#xd20e9758" name=
+"xd20e9758">285</a>]</span>schrijver of kunstenaar mee hielpen vormen,
+doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden slechts
+beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de
+beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor om
+hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die
+daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.</p>
+<p>De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op
+onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel
+uitsluit<a class="noteref" id="xd20e9762src" href="#xd20e9762" name=
+"xd20e9762src">16</a>, zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken
+van den erflater in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i.
+te ver. Een termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van
+Kohler voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb
+genoemd, schijnt mij ook voor dit geval meer passend.</p>
+<p>Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie, dat
+beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover den
+auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn goedvinden
+zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn bestemd;
+tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht van
+niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf) jaren na
+het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige
+rechtverkrijgenden in alle gevallen.</p>
+<p>Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de
+verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een
+auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog
+niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken,
+wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist
+zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere, die
+hoewel naar den vorm tooneelstukken, in &rsquo;t geheel niet op eene
+vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan
+het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het
+publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een
+rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt,
+doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing
+niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid
+voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd;
+en moet als beginsel <span class="pagenum">[<a id="xd20e9769" href=
+"#xd20e9769" name="xd20e9769">286</a>]</span>aangenomen worden, dat het
+beslag slechts die middelen van exploitatie mag betreffen, welke de
+auteur zelf reeds heeft aangewend.</p>
+<p>In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden, dat het
+beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant een onbepaald
+beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of kunstwerk. Naast de
+reeds behandelde bestaan er nog verschillende andere
+persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie van zijn
+werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft geen betoog
+dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van het auteursrecht
+ge&euml;erbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in beslagneming van
+het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat het werk met
+wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin aangebracht, wordt
+gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen worden gebruikt, die
+met het karakter of de kunstwaarde van het werk niet in overeenstemming
+zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk door daartoe ontoereikende
+krachten; reproductie van een werk van beeldende kunst in een daarvoor
+ongeschikt proc&eacute;d&eacute; enz. enz. Ook zal de nieuwe
+rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit hebben te
+eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel brengen van
+exemplaren moeten houden aan de&mdash;hieronder nog nader te
+bespreken&mdash;beginselen betreffende het gebruik van den
+auteursnaam.</p>
+<p>Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den
+aard der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het
+is wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening
+wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu
+eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw mee
+zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere
+vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit
+voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute
+onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het oog
+hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te staan
+en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze
+moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de
+algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.</p>
+<p>Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van
+gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of meer
+schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het Wetb.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9777" href="#xd20e9777" name=
+"xd20e9777">287</a>]</span>v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het
+faillissement, waarbij op het geheele vermogen ten behoeve van alle
+schuldeischers beslag wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet).
+Beide soorten van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den
+schuldenaar de vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij
+beide wordt dit doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der
+goederen, waarop het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in
+de wijze waarop deze realiseering der goederen tot stand komt.</p>
+<p>Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463 sqq. B.
+Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en aan den
+meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer bepaling
+op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking zijn, daar
+hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer hem eenmaal
+het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten van den auteur
+zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen, dat met het recht
+ook de daarmede verband houdende verplichtingen op den nieuwen
+verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het <i>recht</i> krijgt,
+om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men het
+bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier heb
+gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk, door
+wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt het dus
+geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen; in de
+practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal er niet zoo
+spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een
+beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele
+moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de
+schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt, zal
+toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet doen. Het
+verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins mogelijk
+is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden, en dit zou ook
+bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht kunnen geschieden,
+indien het mogelijk was, toewijziging van het auteursrecht te weigeren
+aan personen, in wier handen men het in dit opzicht niet veilig acht.
+Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden, dat een derderangs
+operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht van een ernstig en
+bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama krijgt, of een
+uitgever van prentbriefkaarten <span class="pagenum">[<a id="xd20e9784"
+href="#xd20e9784" name="xd20e9784">288</a>]</span>het reproductierecht
+van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze van
+verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden
+voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle
+verdere exploitatie van het werk te verhinderen.</p>
+<p>Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige
+gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de
+uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan
+worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt
+moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden
+gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens
+kunnen worden.</p>
+<p>Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op
+den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den
+rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid
+van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel
+staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174 F.
+W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist gebruik
+zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk met de
+wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch6.3"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III Het recht van den auteur dat zijn werk in
+ongeschonden staat wordt publiek gemaakt</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming
+niet openbaar mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang,
+doch ook dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten
+heeft, z&oacute;&oacute; geschiede, dat zijn werk daardoor niet
+gewijzigd of verminkt aan het oordeel van het publiek wordt
+blootgesteld. Dat ook in dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid
+mogelijk is, zal na het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De
+bescherming tegen ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten,
+indien de auteur, na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te
+hebben gegeven, lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen,
+afkortingen of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van
+aanzien verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover
+hijzelf <span class="pagenum">[<a id="xd20e9795" href="#xd20e9795"
+name="xd20e9795">289</a>]</span>volkomen tevreden is, het licht te doen
+zien, zou in dat geval veelal zonder gevolg blijven: want het publiek
+vormt natuurlijk zijn oordeel naar het werk, niet zooals de auteur het
+heeft afgeleverd, maar zooals de exploitanten het gelieven te
+publiceeren.</p>
+<p>Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen
+beginsel, dat den auteur het recht toekomt&mdash;ook als het
+uitsluitend reproductie-recht in andere handen is of in &rsquo;t geheel
+niet bestaat&mdash;om zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn
+werk zonder zijne toestemming met wijzigingen, afkortingen of
+toevoegsels aan het publiek wordt voorgezet.</p>
+<p>In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de
+erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een
+schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij het
+auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij in den
+handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd<a class=
+"noteref" id="xd20e9801src" href="#xd20e9801" name=
+"xd20e9801src">17</a>; evenzoo de teekenaar voor een ge&iuml;llustreerd
+tijdschrift, wiens teekeningen met onderschriften met veranderingen
+werden weergegeven<a class="noteref" id="xd20e9816src" href=
+"#xd20e9816" name="xd20e9816src">18</a>.</p>
+<p>In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea,
+voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt,
+alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde
+&bdquo;<span lang="fr">en faisant reproduire sur &eacute;mail la
+t&ecirc;te seule de la <i>Vierge consolatrice</i> qu&rsquo;il a mise en
+vente chez Ferrand, a d&eacute;pass&eacute; les limites de son droit;
+qu&rsquo;il a en effet, isol&eacute; la t&ecirc;te de la vierge de
+l&rsquo;ensemble de l&rsquo;oeuvre de Bouguereau; que, par suite de
+cette s&eacute;paration, qui ne permet plus de comprendre
+l&rsquo;attitude ni l&rsquo;expression qu&rsquo;explique d&rsquo;une
+mani&egrave;re compl&egrave;te le reste du tableau repr&eacute;sentant
+une m&egrave;re afflig&eacute;e pleurant la mort de son enfant, la
+pens&eacute;e de l&rsquo;auteur se trouve compl&egrave;tement
+d&eacute;natur&eacute;e, qu&rsquo;elle devient absolument
+incompr&eacute;hensible pour celui qui n&rsquo;aura sous les yeux que
+la reproduction partielle effectu&eacute;e sur l&rsquo;&eacute;mail
+saisi.&rdquo; En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht
+niet meer bestaat: &bdquo;peut exiger que sa pens&eacute;e et son
+oeuvre qui n&rsquo;en est que la traduction ne soient pas
+alt&eacute;r&eacute;es; qu&rsquo;elles soient reproduites comme il les
+a lui-m&ecirc;me enfant&eacute;es; qu&rsquo;il a, en dehors de tout
+avantage mat&eacute;riel auquel il a <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e9829" href="#xd20e9829" name=
+"xd20e9829">290</a>]</span>renonc&eacute;, le droit de sauvegarder sa
+r&eacute;putation artistique et qu&rsquo;il est fond&eacute; &agrave;
+r&eacute;clamer la r&eacute;paration du pr&eacute;judice &agrave; lui
+caus&eacute; par toute atteinte qui y est port&eacute;e
+...</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9832src" href="#xd20e9832"
+name="xd20e9832src">19</a>.</p>
+<p>De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling
+van vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een
+tijdschriftartikel, dat zonder voorbehoud van auteursrecht was
+verschenen en derhalve nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had
+overgenomen, dat de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin
+onjuist en onvolledig waren weergegeven<a class="noteref" id=
+"xd20e9845src" href="#xd20e9845" name="xd20e9845src">20</a>. Vier jaar
+later werd door hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend
+vertalingsrecht van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen,
+duizend francs schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der
+Fransche vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk
+van eigen maaksel aan het werk had toegevoegd<a class="noteref" id=
+"xd20e9850src" href="#xd20e9850" name="xd20e9850src">21</a>.</p>
+<p>Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval
+betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar de
+auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel van
+een proc&eacute;d&eacute;, waarvoor het niet was berekend. Een
+beeldhouwer had het reproductierecht van een buste vervreemd zonder
+eenige voorwaarde daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de
+bedoeling van den auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder
+zijne toestemming ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit
+laatste voor onrechtmatig<a class="noteref" id="xd20e9861src" href=
+"#xd20e9861" name="xd20e9861src">22</a>. In een analoog geval, dat zich
+enkele jaren later voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het
+reproductierecht aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen
+was overgedragen, die enkele ervan ook in marmer had laten
+reproduceeren), werd de eisch, voorzoover deze het aangewende
+reproductie-middel betrof, afgewezen, op grond dat de reproductie in
+marmer, waartegen de auteur zich verzette, het origineel volkomen
+zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het origineel vervaardigde
+bronzen beelden als lampen ingericht in den handel werden gebracht,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e9875" href="#xd20e9875" name=
+"xd20e9875">291</a>]</span>leverde volgens de Seine-Rechtbank geen
+inbreuk op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het
+reproductierecht was overgedragen, als fabrikant van dergelijke
+artikelen bekend stond en de auteur dus geacht kon worden met deze
+wijze van exploitatie genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was
+bij de reproductie van een dezer beelden eenigszins van het origineel
+afgeweken en de naam, dien de auteur er aan had gegeven
+(&bdquo;<i lang="fr">Gloria</i>&rdquo;) was zonder zijne toestemming
+vervangen door een anderen (&bdquo;<i lang="fr">la
+Renomm&eacute;e</i>&rdquo;); op deze beide punten werd de auteur
+ontvankelijk verklaard in zijn eisch<a class="noteref" id=
+"xd20e9883src" href="#xd20e9883" name="xd20e9883src">23</a>.</p>
+<p>De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van de
+verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde recht
+plaats kan hebben<a class="noteref" id="xd20e9899src" href="#xd20e9899"
+name="xd20e9899src">24</a> en van de wijze, waarop daartegen in
+Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht
+wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende
+bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou
+kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer af
+van de uitlegging van het woord &bdquo;onrechtmatige daad&rdquo; in
+art. 1401 B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het
+voorbeeld te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht
+gegeven, waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt
+toegekend<a class="noteref" id="xd20e9908src" href="#xd20e9908" name=
+"xd20e9908src">25</a>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch6.4"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam,
+is met betrekking tot het auteursrecht in verschillende opzichten van
+belang. Ik zal mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht
+van den <i>auteur</i> gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan
+hunne werken te verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder
+zijn naam of onder een anderen naam gepubliceerd wordt. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e9925" href="#xd20e9925" name=
+"xd20e9925">292</a>]</span></p>
+<p>Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van
+den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet
+zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding van
+de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en den
+fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat hunne
+producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden; de band
+tusschen producent en product is bij de laatsten in het algemeen nog
+veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het kenmerk van
+elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf in zijn werk,
+is meer &eacute;&eacute;n met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van
+naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de
+laatstgenoemde soort,&mdash;in het algemeen: voor alle
+handelswaren&mdash;geldt voor werken van kunst en letterkunde, dat het
+publiek er belang bij heeft omtrent hunne herkomst juist te worden
+ingelicht: wie een schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef
+Isra&euml;ls maakt niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van
+den schilder, maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het
+publiek.</p>
+<p>Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van
+bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende<a class=
+"noteref" id="xd20e9930src" href="#xd20e9930" name=
+"xd20e9930src">26</a>, bescherming van den handelsnaam. De beginselen
+waarop beide berusten, zijn ook grootendeels dezelfde.</p>
+<p>Vooropgesteld moet worden dat een <i>uitsluitend recht</i> op den
+naam in dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde
+ook, zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar
+zelfs onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers
+ten aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en
+ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt
+ook voor den auteursnaam<a class="noteref" id="xd20e9944src" href=
+"#xd20e9944" name="xd20e9944src">27</a>.</p>
+<p>De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat en
+object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een
+onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen,
+en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden<a class=
+"noteref" id="xd20e9952src" href="#xd20e9952" name=
+"xd20e9952src">28</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9961" href=
+"#xd20e9961" name="xd20e9961">293</a>]</span>Daarom is niet elk gebruik
+van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik, waardoor verwarring
+mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht. Dit
+beginsel wordt o. a. ook door de Fransche jurisprudentie gevolgd,
+hoewel daarin steeds wordt gesproken van &bdquo;eigendom op den
+naam.&rdquo; De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die strekte om
+aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem &bdquo;J. R. Rosny&rdquo;
+artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, L&eacute;on
+de Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd
+erkend &bdquo;<span lang="fr">... qu&rsquo;en principe, une
+revendication de cette nature est l&eacute;gitime, et qu&rsquo;un tiers
+ne peut s&rsquo;approprier le nom d&rsquo;autrui,...</span>&rdquo; doch
+slechts onder voorwaarde &bdquo;<span lang="fr">... que cette
+usurpation aura eu pour r&eacute;sultat de cr&eacute;er une confusion
+qui serait, soit moralement, soit mat&eacute;riellement,
+pr&eacute;judiciable au propri&eacute;taire du
+nom</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9969src" href="#xd20e9969"
+name="xd20e9969src">29</a>. Dat mogelijke verwarring in dit geval
+uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat de geschriften
+van L&eacute;on de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard waren,
+terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny verschenen,
+een meer &bdquo;litterair&rdquo; karakter hadden. Dit vonnis werd
+bekrachtigd door het Hof van <span class="corr" id="xd20e9982" title=
+"Bron: App&eacute;l">App&egrave;l</span> te Parijs, waarin o. m. wordt
+overwogen: &bdquo;<span lang="fr">que la confusion entre
+&bdquo;L&eacute;on de Rosny&rdquo; et &bdquo;J. H. Rosny&rdquo; ne
+s&rsquo;est pas produite dans le monde des sciences et des
+lettres</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e9988src" href=
+"#xd20e9988" name="xd20e9988src">30</a>.</p>
+<p>In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen
+met dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne
+geschriften wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen,
+o.a. op dezen grond; dat: &bdquo;<span lang="fr">... les demandeurs ont
+int&eacute;r&ecirc;t &agrave; revendiquer le droit &agrave; la
+propri&eacute;t&eacute; exclusive de leur nom, ne f&ucirc;t-ce que pour
+&eacute;viter la confusion qui pourrait na&icirc;tre de la
+cr&eacute;ation de travaux similaires</span>&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e9999src" href="#xd20e9999" name="xd20e9999src">31</a>.</p>
+<p>Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling
+mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven dat
+niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat w&eacute;l het zijne
+is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt door
+gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den schuilnaam,
+waaronder hij gewoon is te publiceeren, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e10007" href="#xd20e10007" name="xd20e10007">294</a>]</span>maakt
+geen verschil. Het kiezen van een &bdquo;nom de plume&rdquo; is eene
+gewoonte, die zoo lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen,
+dat daartegen geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene
+misleiding van het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer
+treft men iets soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is
+dikwijls een andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken
+stand staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of
+kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne
+werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam niet
+geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-) naam.
+Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen
+dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden (al of
+niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden) auteur van
+die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het dagelijksch
+leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler het
+eigenaardig uitdrukt: &bdquo;<span lang="de">der Autor kann als
+unbekanntes X gelten; aber es musz eben dieses X als der Tr&auml;ger
+schriftstellerischer Werke von den &uuml;brigen Schriftstellern
+unterschieden werden; es ist ein Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei
+die eine Maske von allen anderen unterschieden bleiben soll und das
+Recht hat, unterschieden zu bleiben</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e10012src" href="#xd20e10012" name="xd20e10012src">32</a>.</p>
+<p>De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van
+een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen
+kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder een
+anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het beginsel
+te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de <i lang=
+"fr">Association</i> ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning
+van zijn auteurschap.</p>
+<p>Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in
+verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers en het
+overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en overnemingen
+zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook in Frankrijk,
+waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting door de
+jurisprudentie aangenomen<a class="noteref" id="xd20e10036src" href=
+"#xd20e10036" name="xd20e10036src">33</a>. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10045" href="#xd20e10045" name=
+"xd20e10045">295</a>]</span></p>
+<p>In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron
+voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag- en
+weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen uit
+andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt, niet
+eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit opzicht
+veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend gesteld bij
+elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk makend) gebruik,
+dat van eens anders werk wordt gemaakt (&sect; 25); wie tegen dit
+verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne
+civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding,
+waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (&sect;
+44).</p>
+<p>Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te
+verdienen.</p>
+<p>Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat
+men hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat
+niet als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het
+noemen van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten
+of opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is
+voorbehouden, waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur
+eischen, dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier
+wordt dus ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig
+recht erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is
+gegaan.</p>
+<p>Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op
+de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen, die
+gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen en
+andere werken van beeldende kunst.</p>
+<p>In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen
+van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken
+echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs,
+doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke
+bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van
+een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk op
+het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om
+bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het
+geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt
+stuk van den meester, wiens naam het draagt, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10057" href="#xd20e10057" name=
+"xd20e10057">296</a>]</span>te laten doorgaan en er op deze wijze den
+kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.</p>
+<p>In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v.
+strafbaar gesteld: &bdquo;<span lang="fr">... l&rsquo;application
+m&eacute;chante ou frauduleuse sur un objet d&rsquo;art, un ouvrage de
+litt&eacute;rature ou de musique, du nom d&rsquo;un auteur, ou de tout
+signe distinctif adopt&eacute; par lui pour d&eacute;signer son
+oeuvre.</span>&rdquo; Ook is strafbaar het verkoopen, ten verkoop
+uitstallen, in een magazijn in voorraad hebben of binnen Belgi&euml;
+invoeren van werken waarvan men weet, dat zij van een valschen naam of
+een valsch merk zijn voorzien (art. 25 3de lid).</p>
+<p>In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (<i lang=
+"fr">Loi sur les fraudes en mati&egrave;re artistique</i>) vrijwel
+gelijkluidende bepalingen.</p>
+<p>Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn
+gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat
+zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding
+kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld
+eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit
+blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet op
+het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft, is deze
+bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men ging zelfs
+zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den zin van deze
+wet kon worden gepleegd, wanneer het <i>auteursrecht</i> een einde had
+genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4 dezer wet
+verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk is op
+werken, waarop nog auteursrecht bestaat<a class="noteref" id=
+"xd20e10074src" href="#xd20e10074" name="xd20e10074src">34</a>. Deze
+laatste bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde)
+gevolg, dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen,
+indien men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet<a class=
+"noteref" id="xd20e10089src" href="#xd20e10089" name=
+"xd20e10089src">35</a>.</p>
+<p>Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen
+de twee&euml;rlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke
+strafbepalingen moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10106" href="#xd20e10106" name=
+"xd20e10106">297</a>]</span>verwisseling van den auteursnaam strafbaar
+te stellen, voor zoover daarin is te zien een inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in de eerste plaats
+vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van den auteur ten
+behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling van den Franschen
+wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van de wet van 1895
+onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk: het recht met
+betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als het auteursrecht. In
+de Belgische bepaling wordt alleen gesproken van vervalschingen enz.
+met den naam &bdquo;van een auteur&rdquo;. Verstaat men hieronder
+<i>ieder</i> auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die
+tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd,
+dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven,
+niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen,
+niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere
+personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam
+Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op een
+subjectief recht, dan zal het begrip &bdquo;auteur&rdquo; hier enger
+dienen te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er
+onder te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der
+wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom, dat
+het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.</p>
+<p>Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil
+ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het
+hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen,
+die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde zijn
+verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven hoever het
+recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam gaat en
+hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen standhoudt. Dat
+de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in het algemeen voor
+de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden geacht, heb ik
+hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het recht op
+eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn, eene
+wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te langen
+duur na het overlijden van den auteur voorschreef<a class="noteref" id=
+"xd20e10113src" href="#xd20e10113" name="xd20e10113src">36</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10122" href="#xd20e10122" name=
+"xd20e10122">298</a>]</span></p>
+<p>Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn het
+bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet straffeloos
+behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen subjectief
+recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de
+persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te
+zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.</p>
+<p>Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel als
+bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het
+persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk:
+dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder dat
+daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal echter
+wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of weglaten van
+den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn, den onwaren naam voor
+echt te laten doorgaan om op deze wijze voor zich of voor anderen een
+vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke inbreuk op het recht van den
+auteur ten aanzien van den auteursnaam uit een ander motief, b.v. uit
+lust om den auteur in zijne reputatie te schaden, of om zichzelf als
+auteur van een werk van een ander te laten aanmerken, is weliswaar niet
+geheel uitgesloten, maar daarvoor is toch m. i. geene afzonderlijke
+strafbepaling noodig, vooral indien men ten aanzien der
+<i>bedriegelijke</i> handelingen zulke volledige bepalingen heeft als
+de boven besproken Belgische en Fransche.</p>
+<p>Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke
+hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel stelt
+o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop aanbieden,
+afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad
+hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een ander
+recht heeft. Onder &bdquo;waren&rdquo; zijn volgens de M. v.
+T.<a class="noteref" id="xd20e10133src" href="#xd20e10133" name=
+"xd20e10133src">37</a> alle roerende goederen begrepen, dus ook boeken,
+platen, schilderijen enz.</p>
+<p>Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een
+valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en Belgi&euml;,
+strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden
+medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde
+handelingen<a class="noteref" id="xd20e10143src" href="#xd20e10143"
+name="xd20e10143src">38</a>. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.:
+&bdquo;het bedrog, gepleegd door het in den handel <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10146" href="#xd20e10146" name=
+"xd20e10146">299</a>]</span>brengen en verder verhandelen van met een
+valsch certificaat van oorsprong gemerkte goederen&rdquo;. Hiermede is
+echter niet in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den
+naam of het merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m.
+a. w. dat een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit
+het geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden
+gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan de
+omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat, de
+bezwaren, waarop reeds is gewezen.</p>
+<p>Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking
+hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld
+overtreding van het verbod, vervat in art. 3<i>b</i> tweede zinsnede
+van het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of
+eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van een
+kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk of opzet
+wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar, indien de
+copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men m. i. in deze
+handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur
+zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat deze copie
+voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch juist omdat
+dit gevaar voor verwisseling bij copie&euml;n zoo groot is, schijnt mij
+deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch6.5"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V Recht van den afgebeelden persoon</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het voorgaande was alleen sprake van rechten die
+den auteur, al of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen.
+Van zijn kant heeft echter ook de auteur met rechten van andere
+personen rekening te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het
+auteursrecht in botsing kan komen.</p>
+<p>Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen
+wordt aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne
+uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd.
+Sommigen spreken zelfs in dit verband van een <i>eigendom op de
+gelaatstrekken</i>, van een <i lang="de">Recht am eigenen Bilde</i>.
+Dit schijnt mij, zooals hieronder nog zal worden aangetoond, minder
+juist toe; wat echter wel kan worden toegegeven, is dat er gevallen
+zijn, waarin de afgebeelde persoon het recht moet hebben, de publicatie
+van zijne beeltenis te verbieden. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e10166" href="#xd20e10166" name="xd20e10166">300</a>]</span></p>
+<p>Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men
+deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat
+tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide toch
+hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan
+&eacute;&eacute;n persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat
+het recht van den auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van
+bestaan heeft als bij andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van
+den geportretteerde.</p>
+<p>Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit
+voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op
+het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876) en
+die tot bescherming der photographie&euml;n (van 10 Januari 1876) ging
+het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den
+besteller. Deze bepalingen werden door Kohler<a class="noteref" id=
+"xd20e10171src" href="#xd20e10171" name="xd20e10171src">39</a>
+verklaard, door den auteur als handelende in naam van den
+geportretteerde voor te stellen, zoodat het auteursrecht ten behoeve
+van dezen gevestigd wordt. Doch zoowel de bepaling zelf als de daaraan
+gegeven constructie komen mij verwerpelijk voor. Het moge waar zijn,
+dat ik bij het laten maken van mijn portret &bdquo;dem Maler das
+Internum meiner Person in Gestalt der ihm stundenlang zugekehrten
+Gesichtsz&uuml;ge darbiete&rdquo;, dit geeft m. i. nog geen grond om
+mij in de rechten van den auteur te laten treden, waaronder dan b.v.
+ook valt het genieten van de materieele voordeelen, die de exploitatie
+zijner schepping kan opleveren. De rechten van den geportretteerde
+worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten koste van die des
+auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch bezwaar van dit
+stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet in overeenstemming is
+met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de bovengenoemde Duitsche
+wetten duurde het auteursrecht voor werken van beeldende kunst dertig
+jaar na den dood des auteurs en dat voor photographie&euml;n vijf jaar
+na het verschijnen of vervaardigen; de reproductie van iemands
+gelaatstrekken naar eene schilderij konden dus zijne erfgenamen nog
+dertig jaren na zijn dood verhinderen, terwijl een photographisch
+portret reeds na vijf jaar straffeloos verveelvoudigd en verspreid kon
+worden. Doch het is duidelijk dat de duur van het hier bedoelde recht
+van den geportretteerde onafhankelijk dient te zijn van de wijze,
+waarop de afbeelding is tot stand gekomen. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10179" href="#xd20e10179" name=
+"xd20e10179">301</a>]</span></p>
+<p>Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht van
+het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den
+geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit
+afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking als
+wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het
+beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.</p>
+<p>In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze
+samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet
+meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20)
+dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben,
+dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming
+van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden
+tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan
+den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn recht
+beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.</p>
+<p>Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken van
+beeldende kunst en photographie&euml;n (van 9 Januari 1907) is dit
+beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon om
+verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan wordt
+hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen, gedurende zijn
+leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner naaste verwanten tien
+jaar na het overlijden voortduren (&sect;&sect; 18, 22, 23 en 24). Ook
+hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het auteursrecht te
+onderscheiden, recht te doen.</p>
+<p>In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt
+men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is
+herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht
+toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten, ook al
+geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen<a class="noteref" id=
+"xd20e10188src" href="#xd20e10188" name="xd20e10188src">40</a>. Ook na
+den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan<a class="noteref"
+id="xd20e10232src" href="#xd20e10232" name="xd20e10232src">41</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10246" href="#xd20e10246" name=
+"xd20e10246">302</a>]</span></p>
+<p>Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken
+op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus art.
+1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou kunnen
+worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd, dat
+zoolang de ruime opvatting van de woorden &bdquo;onrechtmatige
+daad&rdquo; en &bdquo;schade&rdquo;, welke in dit artikel gebezigd
+worden, nog niet algemeen wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op
+zeer losse schroeven staat. Om die reden ware wellicht eene
+opzettelijke regeling van dit vraagstuk in het tot wet te verheffen
+Ontw. B. K. niet ongeraden.</p>
+<p>Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming
+zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en Belgi&euml; wordt
+gedaan, waar&mdash;behoudens dan enkele uitzonderingen&mdash;een
+uitsluitend beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt
+erkend. Eene uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen
+hoogleeraar Amar en door Rosmini aangehaald: &bdquo;ieder mensch heeft
+een vol eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op
+zijne beeltenis ... enz.&rdquo;&mdash;komt mij onjuist voor. Evenmin
+als op den naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken
+gewenscht of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van
+iemands afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan
+men m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret
+wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming van
+den afgebeelden persoon in omloop zijn<a class="noteref" id=
+"xd20e10251src" href="#xd20e10251" name="xd20e10251src">42</a>. Slechts
+dan moet men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen
+verzetten, wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene
+omgeving, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10257" href="#xd20e10257"
+name="xd20e10257">303</a>]</span>welke met de ongereptheid of
+waardigheid van den afgebeelden persoon niet in overeenstemming zijn.
+Als voorbeelden hiervan noemt Kohler<a class="noteref" id=
+"xd20e10259src" href="#xd20e10259" name="xd20e10259src">43</a> b.v. het
+zetten van het portret eener dame op een doosje met was-lucifers en het
+beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken van een professor.
+Ook acht hij het onrechtmatig: &bdquo;<span lang="de">wenn etwa eine
+Beleibte Dame als Reklamebild f&uuml;r ein kr&auml;ftiges
+Nahrungsmittel verwendet wird</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e10267src" href="#xd20e10267" name="xd20e10267src">44</a>.</p>
+<p>Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken draagt
+van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de termen
+der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons Wetboek
+van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van
+afbeeldingen alleen kent in den vorm van <i>smaadschrift</i>
+(telastlegging van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door
+middel van afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar.
+Op de wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te
+vullen, werd reeds door enkele schrijvers gewezen<a class="noteref" id=
+"xd20e10278src" href="#xd20e10278" name="xd20e10278src">45</a>.</p>
+<p>Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het in
+vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie van zijn
+portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft vervaardigd
+contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop te brengen.
+Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling gemaakte
+photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf zijn portret
+laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het negatieve
+clich&eacute;, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling van
+partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren geen andere
+afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De gebruiken zijn
+vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin moet worden
+uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen of op andere
+wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben willen
+afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de levering
+der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de prijs
+volgens het zoogenaamde &bdquo;artiesten-tarief&rdquo; is berekend.
+Eene afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige
+landen aantreft, komt mij echter overbodig voor. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10289" href="#xd20e10289" name=
+"xd20e10289">304</a>]</span></p>
+<p>Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het
+auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt het
+door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich kunne
+verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of tooneelstuk,
+indien zijn naam aan een der daarin optredende personen is verleend.
+Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters, met name in
+Frankrijk, erkend<a class="noteref" id="xd20e10292src" href=
+"#xd20e10292" name="xd20e10292src">46</a>; hetgeen zelfs een Fransch
+schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken
+uitsluitend naar geguillotineerden te noemen!<a class="noteref" id=
+"xd20e10307src" href="#xd20e10307" name="xd20e10307src">47</a> Eveneens
+hebben schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen
+uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te
+pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te
+leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de
+omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze
+gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik hier
+niet verder trachten te onderzoeken<a class="noteref" id=
+"xd20e10316src" href="#xd20e10316" name="xd20e10316src">48</a>. Nog
+minder dan de rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor
+speciale wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het
+auteursrecht hiervoor m. i. niet de plaats zijn. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10331" href="#xd20e10331" name=
+"xd20e10331">305</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9502" href="#xd20e9502src" name="xd20e9502">1</a></span> Men zie
+b.v.: <span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 pp. 79 sqq.;
+<span class="sc">G. Huard</span>, <i lang="fr">De divers droits
+qu&rsquo;il ne faut pas confondre avec la propri&eacute;t&eacute;
+intellectuelle, D. A.</i> 1899 pp. 102 sqq.; <span class="sc">Jules
+Charreyron</span>, <i lang="fr">De la propri&eacute;t&eacute;
+litt&eacute;raire et artistique</i> p. 38.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9526" href="#xd20e9526src" name="xd20e9526">2</a></span> Cf.
+hierover: Mr. <span class="sc">H. L. Drucker</span>, <i>Bescherming van
+rechten die niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn</i>
+1889 pp. 1 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9550" href="#xd20e9550src" name="xd20e9550">3</a></span> Te
+vinden in: <i>D. A.</i> 1899 p. 127.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9564" href="#xd20e9564src" name="xd20e9564">4</a></span> Men zie
+het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven: <i lang=
+"fr">Tableau des Voeux</i> etc. (<span lang="fr">2me s&eacute;rie
+1896&ndash;1907</span>) pp. 33, 36, 37.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9575" href="#xd20e9575src" name="xd20e9575">5</a></span> <i lang=
+"de">Urheberrecht</i> p. 455.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9597" href="#xd20e9597src" name="xd20e9597">6</a></span> <i lang=
+"de">Archiv f&uuml;r B&uuml;rgerliches Recht</i> X p. 261.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9604" href="#xd20e9604src" name="xd20e9604">7</a></span> Zie
+hierover vooral: <span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Das Recht
+an Briefen, Archiv f&uuml;r b&uuml;rgerliches Recht</i> VII pp. 94 sqq.
+en van denzelfden schrijver: <i lang="fr">Du droit sur les lettres
+missives ordinaires et confidentielles, D. A.</i> 1906, p. 18, waarvan
+de Duitsche tekst is te vinden in: <i lang="de">Deutsche
+Juristenzeitung</i> XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook: <span class=
+"sc">Gierke</span> t. a. p. p. 772 en: Mr. <span class="sc">Paul
+Scholten</span>, <i>Recht op brieven, Weekbl. v. Privaatr.,
+Notaris-ambt en Reg.</i> 22 Sept. 1906 no. 1917.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9633" href="#xd20e9633src" name="xd20e9633">8</a></span> Een
+aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland en Engeland
+worden door <span class="sc">Kohler</span> genoemd, <i>Urheberrecht</i>
+p. 442.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9644" href="#xd20e9644src" name="xd20e9644">9</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i>D. A.</i> 1906 p. 19.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9655" href="#xd20e9655src" name="xd20e9655">10</a></span> <i>D.
+A.</i> 1903 pp. 28 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9660" href="#xd20e9660src" name="xd20e9660">11</a></span> De
+Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende brieven
+van George Sand. Een der overwegingen was: &bdquo;... que ce droit,
+tout personnel qu&rsquo;il soit, passe aux h&eacute;ritiers
+repr&eacute;sentants de la personne et des biens ... etc.&rdquo;,
+zitting van 11 Maart 1897, <i>D. A.</i> 1899 p. 43; <i lang=
+"fr">Annales de la Propr. ind., litt. et art.</i> 1898 Nos. 9&ndash;10
+p. 311, art. 4020.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9671" href="#xd20e9671src" name="xd20e9671">12</a></span> <i>D.
+A.</i> 1906 p. 19.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9710" href="#xd20e9710src" name="xd20e9710">13</a></span> Reeds
+door verschillende schrijvers werd de bepaling op soortgelijke gronden
+afgekeurd. Men zie: Mr. <span class="sc">W. L. P. A.
+Molengraaff</span>, <i>De Faillissementswet verklaard</i> pp. 243 sqq.;
+<span class="sc">Swart</span> t. a. p. pp. 122 sqq.; Mr. <span class=
+"sc">B. M. de Vos</span>, <i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1908 p. 60.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9733" href="#xd20e9733src" name="xd20e9733">14</a></span> Arrest
+van 1 Dec. 1892, besproken door <span class="sc">Kohler</span>, <i>D.
+A.</i> 1894 p. 82.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9744" href="#xd20e9744src" name="xd20e9744">15</a></span>
+Medegedeeld door <i>A. Darras</i>, <i>D. A.</i> 1900 p, 41. De tekst is
+te vinden in: <i>Gazette des Tribunaux</i> 14 Febr. 1900.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9762" href="#xd20e9762src" name="xd20e9762">16</a></span> Art. 10
+wet van 1901.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e9801" href="#xd20e9801src" name="xd20e9801">17</a></span>
+Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, <i>Gazette du Palais</i> 3
+Febr. 1897<span class="corr" id="xd20e9806" title=
+"Niet in bron">,</span> <i>Annales de la propri&eacute;t&eacute;
+industrielle</i> 1897 p. 126, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e9816" href="#xd20e9816src" name="xd20e9816">18</a></span>
+Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, <i>D. A.</i> 1900 p.
+42.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9832" href="#xd20e9832src" name="xd20e9832">19</a></span>
+<span lang="fr">Trib. de la Seine 4 Mei 1903, <i>D. A.</i> 1903 p. 105,
+<i>France judiciaire</i> No. 17</span> van 9 Mei 1903.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9845" href="#xd20e9845src" name="xd20e9845">20</a></span> <i>D.
+A.</i> 1902 p. 136.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e9850" href="#xd20e9850src" name="xd20e9850">21</a></span>
+Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 100,
+<i>La Loi</i> 30 Mei 1907.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9861" href="#xd20e9861src" name="xd20e9861">22</a></span>
+<span lang="fr">Trib. de la Seine</span> 3 April 1897 (<i lang="fr">Le
+Droit</i> 5 en 6 April 1897) medegedeeld door <span class="sc">A.
+Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9883" href="#xd20e9883src" name="xd20e9883">23</a></span>
+<span lang="fr">Trib. de la Seine</span> 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904,
+<i>D. A.</i> 1905 p. 7; men zie ook de bespreking van dit vonnis door
+<span class="sc">A. Darras</span> in <i>D. A.</i> 1904 pp. 135,
+136.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9899" href="#xd20e9899src" name="xd20e9899">24</a></span> Ook
+tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk maken, door
+nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en zinnen in
+te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: <span class="sc">H.
+Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1891 p. 142.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9908" href="#xd20e9908src" name="xd20e9908">25</a></span> Men zie
+b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche wet van 1901
+&sect;&sect; 9 en 24 en die van 1907 &sect;&sect; 12 en 21; voorts het
+Italiaansche Ontwerp art. 22 en de <i lang="fr">loi-type</i> der
+<i lang="fr">Association</i> art. 10 lid 2 en 3.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9930" href="#xd20e9930src" name="xd20e9930">26</a></span>
+Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en besproken
+door Prof. <span class="sc">Molengraaff</span> in <i>Rechtsgeleerd
+Magazijn 1887</i> pp. 375 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9944" href="#xd20e9944src" name="xd20e9944">27</a></span> Cf.
+<span class="sc">Molengraaff</span> t. a. p. pp. 382 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9952" href="#xd20e9952src" name="xd20e9952">28</a></span> Cf.
+<span class="sc">Kohler</span>, <i>Das Individualrecht als
+Namenrecht</i> t. a. p. p. 77.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e9969" href="#xd20e9969src" name="xd20e9969">29</a></span> Trib.
+civil de la Seine 1 Aug. 1903, <i>Gazette des Tribunaux</i> 2 Aug.
+1903, <i>La Loi</i> 6, 7, 8 Aug. 1903, <i>D. A. 1904</i> p. 63.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e9988" href="#xd20e9988src" name="xd20e9988">30</a></span> Cour
+d&rsquo;Appel de Paris 24 Mei 1905, <i>D. A.</i> 1905 p. 132.</p>
+<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e9999" href="#xd20e9999src" name="xd20e9999">31</a></span>
+Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, <i>D. A.</i> 1905 pp. 100,
+101.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10012" href="#xd20e10012src" name="xd20e10012">32</a></span>
+<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="fr">Das Individualrecht als
+Namenrecht</i> t. a. p. pp. 79, 80; Cf. ook: Av. <span class="sc">Henri
+Rosmini</span>, <i lang="fr">Droits des auteurs sur leur
+pseudonyme</i>, <i>D. A.</i> 1888 pp. 16 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10036" href="#xd20e10036src" name="xd20e10036">33</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Huard</span>, <i>D. A.</i> 1899 p. 103, die zich
+echter zelf tegen deze verplichting verklaart.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10074" href="#xd20e10074src" name="xd20e10074">34</a></span> Cf.
+hierover: <span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1895 p. 32,
+die op de verwarring tusschen persoonlijkheidsrecht (<i lang="fr">droit
+moral</i>) en auteursrecht (<i lang="fr">droit p&eacute;cuniaire</i>),
+welke hier in het spel was, de aandacht vestigt.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10089" href="#xd20e10089src" name="xd20e10089">35</a></span> Dit
+is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich verplicht zien
+aan dit artikel te geven. Cf.: <span class="sc">Darras</span>, <i>D.
+A.</i> 1895 p. 32; <span class="sc">Kohler</span> is van eene andere
+opinie <i>D. A.</i> 1896 pp. 12, 13; men zie echter wat de redactie
+hierbij aanteekent, noot 2, p. 13.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10113" href="#xd20e10113src" name="xd20e10113">36</a></span> Cf.
+ook: <span class="sc">Kohler</span>, <i>D. A.</i> 1896 p. 12.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10133" href="#xd20e10133src" name="xd20e10133">37</a></span>
+<i>Handel<span class="corr" id="xd20e10136" title=
+"Niet in bron">.</span> Tweede Kamer 1879&ndash;1880</i>, Bijlage 110
+No. 3 p. 174.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10143" href="#xd20e10143src" name="xd20e10143">38</a></span> M.
+v. T. p. 174.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10171" href="#xd20e10171src" name="xd20e10171">39</a></span>
+<i>Kohler</i>, <i lang="de">Archiv f&uuml;r b&uuml;rgerliches Recht</i>
+X p. 277.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10188" href="#xd20e10188src" name="xd20e10188">40</a></span> O.
+a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, <i>Droit</i> 1 en 2 Juni
+1896, <i>Gazette des Tribunaux</i> 4 Juni 1896, <i>Gazette du
+Palais</i> 9 Juni 1896; id. 31 Dec. 1896, <i>Droit en Gazette des
+Tribunaux</i> 1 Jan. 1897, <i>D. A.</i> 1897 p. 17; 3 Aug 1899,
+<i>Loi</i> 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26 Juli 1900, <i>Loi</i> 22
+Nov. 1900, <i>D. A. 1900</i> p. 154. Men zie ook: <span class=
+"sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1895 pp. 96, 168. Een aantal
+beslissingen van ouderen datum worden meegedeeld door: <span class=
+"sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor een
+recent geval: <i lang="fr">Journal des D&eacute;bats (&eacute;dition
+hebdomadaire)</i> 17 April 1908 p. 738.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10232" href="#xd20e10232src" name="xd20e10232">41</a></span> Zoo
+werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858 in eene
+destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de beroemde
+tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie hierover:
+<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 10. Hetzelfde
+college gaf nog enkele jaren geleden eene beslissing in soortgelijken
+zin, 20 Jan. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 136.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10251" href="#xd20e10251src" name="xd20e10251">42</a></span> In
+eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court Boston 19
+Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen
+particulieren en publieke personen: &bdquo;Terwijl een privaat persoon
+beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit
+ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen
+dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder die
+er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden, dit
+recht aan het publiek heeft afgestaan.&rdquo; De grondgedachte dezer
+redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al te
+absoluut gesteld en verklaard. (<i>D. A.</i> 1895 p. 142).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10259" href="#xd20e10259src" name="xd20e10259">43</a></span>
+<i lang="de">Archiv f&uuml;r civ. Praxis</i> 82 p. 206.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10267" href="#xd20e10267src" name="xd20e10267">44</a></span>
+<i lang="de">Kunstwerkrecht</i> p. 164.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10278" href="#xd20e10278src" name="xd20e10278">45</a></span> Men
+zie hierover in &rsquo;t bijzonder: <span class="sc">J. H. G.
+Cohen</span>, <i>Beleediging door Caricaturen</i>, Proefschr. 1896 pp.
+118 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10292" href="#xd20e10292src" name="xd20e10292">46</a></span> Zoo
+b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en 13 Nov. 1889.
+Men zie hierover: <span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1891
+pp. 41 sqq<span class="corr" id="xd20e10300" title=
+"Niet in bron">.</span>; men zie ook: <i>D. A.</i> 1907 p. 137.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10307" href="#xd20e10307src" name="xd20e10307">47</a></span> Cf.:
+<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10316" href="#xd20e10316src" name="xd20e10316">48</a></span> Men
+zie hierover de beschouwingen van <span class="sc">Darras</span>, <i>D.
+A.</i> 1897, pp. 17 en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar
+geciteerde Fransche jurisprudentie; en: <span class="sc">Kohler</span>,
+<i lang="de">Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv f&uuml;r
+B&uuml;rgerliches Recht</i> V. pp. 83 sqq.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Hoofdstuk VII</h2>
+<h2 class="main">Internationaal auteursrecht</h2>
+<div class="div2" id="ch7.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Algemeene opmerkingen</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt
+ook voor het auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer
+tusschen de verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden
+mede. Doch bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht
+deze moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden
+gevonden op de vraag, <i>welk</i> recht in elk geval moet worden
+toegepast; ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene
+andere vraag te stellen, nl. <i>&oacute;f</i> de vreemdeling zich wel
+op eenig recht kan beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke
+zaak, dan kan er strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land,
+waartoe de rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het
+goed zich bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter
+wordt gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook
+zij, nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen
+rechteloosheid ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen.
+Anders is het gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der
+auteurs berust op bijzondere wetten, die, behoudens enkele
+uitzonderingen, alleen op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast
+deze wetten wordt geen ander auteursrecht erkend tenzij dit bij
+tractaat zij bedongen.</p>
+<p>Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan het
+bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander van
+alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over de artt.
+27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10351" href="#xd20e10351" name=
+"xd20e10351">306</a>]</span>geldigheid vaststellen: &bdquo;Zoodra ons
+privaatrecht het auteursrecht stempelt tot een absoluut vermogensrecht,
+moet iedere territoriale grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge,
+<i>ook de niet-Nederlander, ook de ingezetene van een land zonder
+tractaat</i>, door dit ons privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt
+mij zonneklaar. Of, wat dunkt u, zal men een Oostenrijker, die,
+gesteld, in Amsterdam wandelt, straffeloos zijn horloge mogen ontnemen?
+Zoodanig vreemdeling, zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene
+Nederlandsche drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het
+toppunt van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van
+zooeven alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in
+een Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste
+illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een
+absoluut vermogensrecht is <i>diefstal</i>. Wie dit betwijfelen mocht,
+cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij
+niemand, noch binnen noch buiten de landpalen&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e10359src" href="#xd20e10359" name="xd20e10359src">1</a>.</p>
+<p>Afgezien van het woord &bdquo;diefstal&rdquo;, dat den &bdquo;leek
+op rechtsgebied&rdquo; misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen,
+valt er tegen deze beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen
+27 en 28 onzer wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten
+inderdaad eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die
+terecht een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is
+genoemd<a class="noteref" id="xd20e10366src" href="#xd20e10366" name=
+"xd20e10366src">2</a>, dat nl. voor den Nederlandschen rechter
+vreemdelingen met evengoed gevolg als Nederlanders een beroep moeten
+kunnen doen, waar het geldt de bescherming en handhaving van
+privaatrechtelijke bevoegdheden.</p>
+<p>Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt
+aangevoerd het <i>belang</i>, dat ons volk erbij heeft, dat hier de
+buitenlandsche werken vrijelijk ge&euml;xploiteerd kunnen worden. Dit
+belang wordt&mdash;ik heb er al met een enkel woord op gewezen (pp.
+183, 184)&mdash;door degenen die zich erop beroepen doorgaans veel te
+breed uitgemeten; bovendien vergeet men dikwijls daarbij te denken aan
+de <i>schade</i>, die door een groot aantal andere Nederlanders wordt
+geleden tengevolge van het stelsel van &bdquo;vrijheid&rdquo;, dat hier
+tot nu toe gehuldigd is. Ik meen mij echter in den strijd, die op dit
+terrein wordt gevoerd, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10383" href=
+"#xd20e10383" name="xd20e10383">307</a>]</span>niet te moeten
+mengen<a class="noteref" id="xd20e10385src" href="#xd20e10385" name=
+"xd20e10385src">3</a>. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd
+heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als
+integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is van
+utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten en
+wetenschappen aan te wakkeren, maar een <i>recht</i>, niet minder
+eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van
+sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen,
+niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen
+geen gewicht in de schaal.</p>
+<p>Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming
+van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat vele
+dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, daar
+voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou worden
+gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er zijn nog
+wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om in Nederland te
+worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, dan wij er hier voor
+kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van moeten onthouden. Meer
+dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte ook reeds zoo ingezien;
+zijne meening over buitenlandschen nadruk illustreerde hij met de
+volgende vergelijking:</p>
+<p lang="de">&bdquo;Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht,
+die Einfuhr der holl&auml;ndischen H&auml;ringe in seine Staaten zu
+verbieten: wer k&ouml;nnte ihm dies abstreiten? Aber h&auml;tte er
+darum auch wohl das Recht gehabt&mdash;da holl&auml;ndische
+H&auml;ringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen&mdash;Kaper
+auszusenden, welche den Holl&auml;ndern aufpassen und ihnen ihre
+H&auml;ringe abn&auml;hmen?&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e10429src"
+href="#xd20e10429" name="xd20e10429src">4</a></p>
+<p>De naam &bdquo;roofstaat&rdquo;, dien men ons land met het oog op
+het gemis aan bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft
+gegeven, schijnt in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze
+toestand <span class="pagenum">[<a id="xd20e10439" href="#xd20e10439"
+name="xd20e10439">308</a>]</span>nog tot onzen tijd heeft kunnen
+voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd, dan toch verklaard worden
+uit het feit, dat het <i>mijn</i> en <i>dijn</i> op het gebied van
+kunst en letteren nog niet z&oacute;&oacute; algemeen erkend is en nog
+niet z&oacute;&oacute; diep in het volksrechtsbewustzijn is
+doorgedrongen dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons
+omringende volken zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs
+hiervoor is wel het internationale Verbond ter bescherming van het
+auteursrecht, dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk
+ruilverkeer van eenige beteekenis is.</p>
+<p>Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou
+met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze
+toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde
+woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld
+&bdquo;Nederland en de Berner-Conventie&rdquo;, zouden moeilijk kunnen
+doen vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van
+onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet &aacute;l te
+zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in
+hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht is
+gevestigd.</p>
+<p>Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze
+aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt,
+wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee in
+getal.</p>
+<p>In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner
+Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. &bdquo;Het ontzien van
+een anders eigendom of vermogensrecht is niet, en <i>mag</i> niet
+afhankelijk zijn van wederkeerigheid.&rdquo; In beginsel is hier weinig
+tegen te zeggen, en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het
+vraagstuk der internationale auteursbescherming zou zeker hierin
+bestaan, dat in de wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen
+als die van art. 16 van de <i lang="fr">loi-type</i> der <i lang=
+"fr">Association</i>: &bdquo;Deze wet is toepasselijk op alle auteurs,
+onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook het werk
+voor het eerst verschenen zij.&rdquo; Misschien, dat het eenmaal nog
+zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig zijn
+geworden; doch voorloopig blijft er &eacute;&eacute;n groot bezwaar
+tegen dit stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo
+weinig staten het tot nog toe hebben willen aanvaarden<a class=
+"noteref" id="xd20e10462src" href="#xd20e10462" name=
+"xd20e10462src">5</a>, nl. de belangrijke verschilpunten tusschen de
+verschillende <span class="pagenum">[<a id="xd20e10465" href=
+"#xd20e10465" name="xd20e10465">309</a>]</span>wetgevingen. Mr. Levy
+merkt op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde
+wereld geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn
+ten opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking
+tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht
+verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is
+met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de
+&bdquo;beschaafde wereld&rdquo;, d.i. binnen het gebied der Berner
+Conventie, vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet
+overal in volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming
+soms nog veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste
+opvattingen over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te
+verwonderen, dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die
+staten worden toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan
+hun eigen onderdanen verleenen, en dat van hen ge&euml;ischt wordt,
+hiervan ook de onderdanen der andere aangesloten rijken te doen
+genieten.</p>
+<p>Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft het
+vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op grond van
+de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft voortgebracht.
+Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier niet meer in te
+gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, dat de vertaling de
+gewone reproductievorm is voor geschriften uit andere landen en dat het
+uitsluitend vertalingsrecht in de groote meerderheid der beschaafde
+staten als een integreerend bestanddeel van het auteursrecht wordt
+beschouwd. Onder de &bdquo;zonderlinge opvattingen&rdquo; over het
+auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook in de eerste
+plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, want aan auteursrecht
+zonder vertalingsrecht heeft een auteur van een buitenlandsch geschrift
+in ons land zoo goed als niets, evenmin trouwens als een Nederlandsch
+schrijver in den vreemde. Den Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt,
+zal men niet straffeloos zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in
+een winkel om het te laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem
+mogen toevoegen: wij erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw
+horloge krijgt u niet meer terug; door de &bdquo;zelfstandige
+arbeid&rdquo;, die ik er aan verricht heb, is het het mijne geworden?
+En wat te zeggen van iemand, die met een dusdanig begrip van eigendom
+nog den moed zou hebben te verklaren: in mijn land wordt elke eigendom
+ge&euml;erbiedigd, en daarom <span class="pagenum">[<a id="xd20e10470"
+href="#xd20e10470" name="xd20e10470">310</a>]</span>ben ik tegen het
+sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?</p>
+<p>Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van
+uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied
+van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel, dat
+het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht en
+dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als
+voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg
+vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu
+eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat en
+nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen weg
+waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land als
+het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.</p>
+<p>De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het
+geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten eene
+bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis van de
+Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de vrucht is
+van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich en op zijne
+wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid der
+verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich hadden
+vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze materie
+voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin mogelijk.
+Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die
+onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten
+grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen zijn
+de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog is bij
+lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en later bij
+herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het zal
+waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle
+aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht
+bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer, om
+zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is geschied,
+loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich in andere
+richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten, zoodat ons
+deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe moeilijker
+wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om invloed uit
+te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal
+auteursrecht. <span class="pagenum">[<a id="xd20e10476" href=
+"#xd20e10476" name="xd20e10476">311</a>]</span></p>
+<p>Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de
+jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden,
+mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie te
+kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en Belgi&euml;, waarvan de
+algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven, kunnen
+verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel
+uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe
+beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog op
+een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de
+bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden
+vermeld.</p>
+<p>Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan,
+is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze wet
+zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der
+toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen
+worden.</p>
+<p>Het eerste systeem, het <i>nationaliteits</i>-stelsel, neemt als
+criterium aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet
+beschermt dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in
+het Rijk woonachtig zijn.</p>
+<p>Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar de
+objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit of
+woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen <i>la
+nationalit&eacute; de l&rsquo;oeuvre</i>. De &bdquo;nationaliteit van
+het werk&rdquo; kan weer op verschillende wijzen worden vastgesteld;
+men kan deze laten afhangen van:</p>
+<p><i>a</i>) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is
+verschenen;</p>
+<p><i>b</i>) de plaats, waar het werk is ontstaan;</p>
+<p><i>c</i>) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst
+is op- of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is
+gehouden.</p>
+<p>Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen
+te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.</p>
+<p>Het beginsel van de &bdquo;nationaliteit van het werk&rdquo; geldt
+in de eerste plaats voor alle <i>door den druk gemeen gemaakte</i>
+werken. De wet is alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland
+zijn gedrukt en <span class="pagenum">[<a id="xd20e10515" href=
+"#xd20e10515" name="xd20e10515">312</a>]</span>door den druk gemeen
+gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den auteur doet dus niet ter
+zake.</p>
+<p>Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel
+gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig
+zijn van in Nederland <i>woonachtige</i> auteurs.</p>
+<p>Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke
+regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige
+auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in
+Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot
+van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door Mr.
+Veegens gewezen<a class="noteref" id="xd20e10524src" href="#xd20e10524"
+name="xd20e10524src">6</a>. Met dezen schrijver ben ik van oordeel, dat
+de uitdrukking &bdquo;daaronder begrepen&rdquo; niet tot de opvatting
+mag leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden
+onder de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer
+zij aan <i>beide</i> genoemde vereischten voldoen, dus behalve
+afkomstig van een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in
+Nederland gehouden zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan
+&eacute;&eacute;n der beide vereischten voldoet, dus &oacute;f
+afkomstig van een in Nederland wonend auteur, &oacute;f binnen
+Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over deze bepalingen
+opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver alleen het
+laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten komen. Volgens
+deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden voordracht, van
+iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn door onze wet. Naar
+mijne meening is echter de andere, boven gegeven interpretatie juister:
+is de voordracht in het buitenland gehouden, dan wordt zij behandeld
+als alle andere niet door den druk gemeen gemaakte werken. Zoo
+verkrijgt ook de uitdrukking &bdquo;daaronder begrepen&rdquo; althans
+eenigen zin.</p>
+<p>Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide
+bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de
+plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken
+bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden
+bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het uitspreken
+eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste op- en of
+uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer wet van geene
+beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een voordracht,
+tooneel- of <span class="pagenum">[<a id="xd20e10532" href=
+"#xd20e10532" name="xd20e10532">313</a>]</span>muziekwerk in druk
+uitkomt, uitsluitend de plaats waar dit is geschied beslissend wordt,
+daar het werk hierdoor gaat behooren tot de groep &bdquo;door den druk
+gemeen gemaakte werken&rdquo;.</p>
+<p>Er doet zich hier nog eene&mdash;ook door Mr. Veegens
+besproken&mdash;moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en
+uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in
+Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer wet.
+Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven, dan beschouwt
+onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens Mr. Veegens zal nu
+een dergelijk werk w&eacute;l tegen nadruk, maar niet tegen opvoering
+beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht bij het in
+druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk wordt
+voorbehouden. &bdquo;Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die
+uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag
+haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet
+bezit&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e10536src" href="#xd20e10536"
+name="xd20e10536src">7</a>.</p>
+<p>Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie,
+die een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en
+opvoeringsrecht zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een
+tooneelstuk behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is,
+geniet het ook de volle bescherming der wet. Dat voor het
+opvoeringsrecht een voorbehoud ge&euml;ischt wordt, verandert hieraan
+niets; ook het uitsluitend vertalingsrecht moet bij het in druk
+uitkomen worden voorbehouden, en dat de auteur dit in het hier
+besproken geval met vrucht zou kunnen doen, schijnt door Mr. Veegens
+niet te worden betwist. Het voorbehoud schept het opvoeringsrecht niet;
+door de uitgave in Nederland wordt het werk gerangschikt onder de
+beschermde auteursproducten en daardoor alleen ontstaan alle den auteur
+bij de wet toegekende rechten, dus ook het opvoeringsrecht; het
+voorbehoud strekt hier alleen om dit recht, hetwelk in dit geval
+tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan, het voortbestaan
+mogelijk te maken.</p>
+<p>Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de
+wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil van
+meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van &bdquo;in Nederland of
+in Nederlandsch-Indi&euml; gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
+werken&rdquo;. Dit moet natuurlijk z&oacute;&oacute; worden verstaan,
+dat de <span class="pagenum">[<a id="xd20e10543" href="#xd20e10543"
+name="xd20e10543">314</a>]</span><i>eerste</i> uitgave in Nederland of
+Nederlandsch-Indi&euml; plaats heeft gehad. Is een boek in het
+buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland geen
+auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave in het
+buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht niet
+opheffen.</p>
+<p>De eerste uitgave beslist dus over de &bdquo;nationaliteit&rdquo;
+van het werk en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op
+het auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet
+bepaald<a class="noteref" id="xd20e10549src" href="#xd20e10549" name=
+"xd20e10549src">8</a>; eene andere uitlegging zal echter wel door
+niemand worden voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen
+den zin van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus)
+geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.</p>
+<p>Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor
+Nederlandsch-Indi&euml;; waar ik in het voorgaande kortheidshalve
+alleen van &bdquo;Nederland&rdquo; heb gesproken, moet daaronder ook
+steeds Nederlandsch-Indi&euml; worden begrepen. Het Rijk in Europa en
+de Oost-Indische koloni&euml;n vormen dus ten opzichte van het
+auteursrecht &eacute;&eacute;n rechtsgebied; het eenige onderscheid
+tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat de formaliteiten in het
+moederland bij het departement van Justitie moeten worden vervuld en
+die in Indi&euml; bij den directeur van Justitie te Batavia.</p>
+<p>In Suriname en Cura&ccedil;ao bestaat eene afzonderlijke regeling
+van het auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende
+(<i>K. Ben. van 11 Mei 1883</i> nos. 39 en 40). Doch daar het niet
+&eacute;&eacute;n en dezelfde wet is, die het onderwerp regelt, is de
+betrekking niet zoo nauw als met Oost-Indi&euml;. Auteursrecht volgens
+de Nederlandsche wet wordt in West-Indi&euml; wel erkend, doch volgens
+onze wet staan Suriname en Cura&ccedil;ao gelijk met het
+buitenland.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet
+van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen
+gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet
+gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende
+kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in
+Nederlandsch-Indi&euml; <i>woonachtige</i> kunstenaars; het stelsel
+dus, dat de wet van 1881 alleen voor niet door den druk gemeen gemaakte
+werken huldigt. <span class="pagenum">[<a id="xd20e10567" href=
+"#xd20e10567" name="xd20e10567">315</a>]</span></p>
+<p>Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van het
+werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in
+Nederland of Nederlandsch-Indi&euml; <i>vervaardigd</i> zijn.</p>
+<p>Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de
+Oost-Indische koloni&euml;n met het moederland.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het
+duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons
+land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze
+tractaten met Frankrijk en Belgi&euml; van toepassing zijn. Sluit men
+deze tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht
+erkend dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P.
+Moltzer<a class="noteref" id="xd20e10579src" href="#xd20e10579" name=
+"xd20e10579src">9</a> opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene
+uitzondering op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd;
+want al is de nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht
+volgens onze wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch
+van dien aard, dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn
+uitgesloten. Ik heb er reeds op gewezen, dat de <i lang=
+"fr">loi-type</i> van de <i lang="fr">Association</i> eene regeling
+geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal
+privaatrecht in overeenstemming is<a class="noteref" id="xd20e10590src"
+href="#xd20e10590" name="xd20e10590src">10</a>, doch dat deze regeling
+in het stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog
+verkeert, weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de
+meeste wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt
+tot een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of
+van de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en
+zoolang de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken,
+onverschillig waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur
+behoort, voorloopig tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal
+men met dit stelsel genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit
+principieele bezwaar, hetwelk trouwens door internationale
+overeenkomsten grootendeels kan worden opgeheven, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10599" href="#xd20e10599" name=
+"xd20e10599">316</a>]</span>geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding
+tot enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.</p>
+<p>In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat
+voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het
+uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze
+bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, w&eacute;l
+in het Ontw. Boekh. (art. 5<i>a</i>) en in de wet van 1817 (art.
+6<i>a</i>) voor. In laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als
+eisch gesteld, dat de uitgever Nederlander was (art. 6<i>b</i>). Men
+nam de bepaling tenslotte nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde,
+dat de uitdrukking &bdquo;door den druk gemeen gemaakt&rdquo; tot
+verwarring en onzekerheid aanleiding zou geven. Door er bij te voegen,
+dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat
+een buitenlandsch schrijver of uitgever hier auteursrecht zou kunnen
+verwerven, alleen door een gedeelte der oplage op het titelblad van den
+naam van een Nederlandsch uitgever te voorzien; waardoor immers het
+werk in Nederland zou zijn uitgegeven of &bdquo;door den druk gemeen
+gemaakt.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e10612src" href="#xd20e10612"
+name="xd20e10612src">11</a></p>
+<p>De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen
+genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij
+echter voor, dat het &bdquo;gevaar&rdquo;, dat hier dreigde, vrijwel
+denkbeeldig was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op
+het titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek
+te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk
+boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien;
+indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen
+voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk
+tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom zulk
+een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou hebben
+genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten zou hebben
+gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der wet niet
+onder de bescherming der wet zou mogen vallen.</p>
+<p>Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de
+vereischten &bdquo;in Nederland of Nederlandsch-Indi&euml; door den
+druk gemeen gemaakt&rdquo; en &bdquo;gedrukt&rdquo; beide te stellen
+sloot men onherroepelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e10625"
+href="#xd20e10625" name="xd20e10625">317</a>]</span>van de bescherming
+uit alle werken, die om de een of andere reden niet gedrukt kunnen
+worden in het land waar zij verschijnen. Men stelle zich eens voor, dat
+ook in andere landen hetzelfde stelsel zou worden gevolgd, dan zouden
+boeken, waarmee dit het geval was, nergens bescherming kunnen vinden.
+Dat de bepaling niet verdedigd kan worden als een maatregel ter
+bescherming der nationale industrie, springt in het oog. Onthouding van
+auteursrecht mag niet als een straf worden aangewend tegen dengeen die
+zich liever door een buitenlandschen dan door een Nederlandschen
+drukker laat bedienen. In deze lijn voortgaande zou men evengoed als
+vereischte kunnen stellen, dat de letters en <span class="corr" id=
+"xd20e10627" title="Bron: clich&eacute;s">clich&eacute;&rsquo;s</span>,
+waarvan men zich bij het drukken bedient, in het land moeten zijn
+vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten is voorgeschreven. Deze
+Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde <i lang="en">manufacturing
+clause</i>, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers over
+auteursrecht ten scherpste afgekeurd.</p>
+<p>Wil men dus het stelsel van de &bdquo;nationaliteit van het
+werk&rdquo; voor door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden,
+dan dient deze alleen bepaald te worden door de plaats van
+<i>verschijnen</i>, d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt
+gebracht. Waar het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn.
+&bdquo;Het feit der vermenigvuldiging door den druk&rdquo;, schreef Mr.
+de Ridder reeds zeer terecht, &bdquo;is slechts de gewichtigste der
+<i>voorbereidende handelingen</i>, die tot het &bdquo;in het licht
+verschijnen&rdquo; leiden kunnen<span class="corr" id="xd20e10641"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span><a class="noteref" id=
+"xd20e10643src" href="#xd20e10643" name="xd20e10643src">12</a>.</p>
+<p>Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk
+stelt van den staat des auteurs, wordt diens <i>woonplaats</i> als
+criterium genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de
+woonplaats hier de <i>nationaliteit</i> te laten beslissen. Ten eerste
+pleit hiervoor, dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in
+sommige gevallen Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet
+bescherming vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland
+verblijf houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht
+kunnen hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting
+bij de Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling
+verdienen, zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.</p>
+<p>Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet
+gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10658" href="#xd20e10658" name=
+"xd20e10658">318</a>]</span>criterium biedt. Het komt meer voor dat men
+zijne woonplaats tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van
+nationaliteit verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn
+meestal niet aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een
+geruimen tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom
+hunne nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit
+volgens het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan
+geven.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van
+het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in
+Nederland of Nederlandsch-Indi&euml; vervaardigde kunstwerken. Waar een
+kunstwerk <i>vervaardigd</i> is (de terminologie is ook niet gelukkig)
+zal dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk
+dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan &eacute;&eacute;n
+land heeft gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in
+ons land ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten
+worden beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij
+voor in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.</p>
+<p>Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst,
+zijn de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen,
+houtsneden, photographie&euml;n, teekeningen voor ge&iuml;llustreerde
+tijdschriften&mdash;in &eacute;&eacute;n woord: werken die bestemd zijn
+voor verveelvoudiging&mdash;zijn in dit opzicht volkomen met
+geschriften gelijk te stellen.</p>
+<p>Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie zijn
+bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen zijn te
+rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere beteekenis.
+Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie is openbaar
+gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet kunnen
+zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een Nederlandsch
+werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar tegen het
+bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken, ook in de Berner
+Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het boven dat van het
+Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst reproducties zijn
+verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal zijn na te speuren
+dan die, waar het werk is ontstaan. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e10672" href="#xd20e10672" name="xd20e10672">319</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="ch7.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 De Berner Conventie</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt,
+heeft de laatste herzienings-conferentie te Berlijn w&eacute;l
+&eacute;&eacute;n enkelen tekst in de plaats gesteld van de oude Berner
+Conventie met de Additionneele Acte en de Verklaring van Parijs, doch
+zonder aan deze oude Conventie-bepalingen alle kracht te ontnemen.</p>
+<p>De staten, die v&oacute;&oacute;r de herziening van Berlijn reeds
+tot het Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet
+wenschen te bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te
+treden. Zij kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan
+deel blijven uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze
+staten blijft de oude Conventie dus haar volle kracht behouden.
+Bovendien kunnen alle staten&mdash;ook degenen die zich eerst n&aacute;
+de Berlijnsche conferentie aansluiten&mdash;bij de bekrachtiging der
+nieuwe Conventie verklaren, dat zij op bepaalde punten niet door de
+nieuwe maar door de oude bepalingen gebonden wenschen te zijn. Voor de
+nieuw-toetredende staten bestaat dus ook de mogelijkheid om
+g&eacute;&eacute;n der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden en
+uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet met de
+wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid te worden
+van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen, dat eene
+dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in strijd zou
+zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling in Berlijn:
+&bdquo;<span lang="fr">il faut esp&eacute;rer que les &Eacute;tats
+adh&eacute;rants n&rsquo;abuseront pas de ce pouvoir de faire des
+r&eacute;serves</span>&rdquo; wordt in het commissie-rapport<a class=
+"noteref" id="xd20e10684src" href="#xd20e10684" name=
+"xd20e10684src">13</a> dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die
+men zeker niet onredelijk kan noemen.</p>
+<p>&Eacute;&eacute;n ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern
+en Parijs zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom
+verdienen zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene
+Conventie.</p>
+<p>Wij hebben dus te onderscheiden:</p>
+<ul>
+<li>I <i>De Berner Conventie van 9 September 1886</i>, bestaande uit:
+<ul>
+<li><i>a</i>) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;</li>
+<li><i>b</i>) een additionneel artikel;</li>
+<li><i>c</i>) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie
+behandelde onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;</li>
+</ul>
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10713" href="#xd20e10713" name=
+"xd20e10713">320</a>]</span></li>
+<li>II <i>De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896</i>, verdeeld
+in vier artikelen:
+<ul>
+<li><i>art. 1</i> brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20
+der Berner Conventie;</li>
+<li><i>art. 2</i> wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);</li>
+<li><i>artt. 3 en 4</i> geven overgangs- en
+uitvoerings-bepalingen;</li>
+</ul>
+</li>
+<li>III <i>De Verklaring (D&eacute;claration) van Parijs</i>, die eene
+uitlegging geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der
+Additionneele Acte van Parijs;</li>
+<li>IV <i>De herziene Berner Conventie van 13 November 1908</i>,
+bestaande uit dertig artikelen.</li>
+</ul>
+<p>Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde
+der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik
+verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit de
+andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol, Add. Acte
+1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake komen bij het
+onderwerp, waarop zij betrekking hebben.</p>
+<p>Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der
+Conventie 1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een
+viertal groepen verdeeld, als volgt:</p>
+<ul>
+<li><i>a</i> <i>Algemeene beginselen betreffende het internationale
+auteursrecht in het Verbond</i> (doel en strekking van het Verbond art.
+1; de werken waarop de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het
+stelsel, volgens hetwelk omvang en duur der bescherming zijn geregeld
+artt. 4, 5, 6 en 7);</li>
+<li><i>b</i> <i>Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden</i>
+(vertalingsrecht art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9;
+bloemlezingen art. 10; op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht
+art. 12; mechanische muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art.
+14);</li>
+<li><i>c</i> <i>Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht</i>
+(legitimatie voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);</li>
+<li><i>d</i> <i>Uitvoerings- en overgangsbepalingen</i> (erkenning van
+het recht van iederen staat om verspreiding en uitstalling van
+geschriften of kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen
+art. 18; de geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10777" href="#xd20e10777" name=
+"xd20e10777">321</a>]</span>Conventie artt. 19 en 20; huishoudelijke
+inrichting van het Verbond artt. 21&ndash;24; toetreding van nieuwe
+staten en hunne koloni&euml;n artt. 25 en 26; bekrachtiging,
+inwerkingtreding en opzegging artt. 27&ndash;30).</li>
+</ul>
+<div class="div3" id="ch7.2.1">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">a Algemeene regelen betreffende het internationaal
+auteursrecht in het Verbond</h4>
+<div class="div4" id="ch7.2.1.1">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art.
+1; Conv. 1886 art. 1)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886
+onveranderd is gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te
+beschouwen als een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken
+geeft het het doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich
+beweegt.</p>
+<p>Met de vorming van een internationaal <i>Verbond</i> (Union) meende
+men eene hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige
+Conventie zou geven<a class="noteref" id="xd20e10793src" href=
+"#xd20e10793" name="xd20e10793src">14</a>. Als voorbeelden werden
+daarbij verscheidene malen genoemd de Post-Unie en het Verbond tot
+bescherming van den industrieelen eigendom.</p>
+<p>Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent,
+is men het op de Berner Conferenti&euml;n niet dan na lange
+beraadslaging eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt
+gesproken van de &bdquo;bescherming van de werken van letterkunde en
+kunst.&rdquo; De term <i lang="fr">droits d&rsquo;auteur</i> werd
+verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat het recht op
+tanti&egrave;mes van een dramatisch schrijver bij de vertooning van
+zijn stuk, en <i lang="fr">propri&eacute;t&eacute; litt&eacute;raire et
+artistique</i>, de in Frankrijk gebruikelijke benaming voor
+auteursrecht, omdat dit juridisch minder juist werd geacht en tot
+verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van de theorie van den
+letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen geven. Doch er werd
+uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen uitdrukking (<span lang=
+"fr">protection des oeuvres litt&eacute;raires et artistiques</span>)
+dezelfde beteekenis heeft als <i lang="fr">propri&eacute;t&eacute;
+litt&eacute;raire et artistique</i> bij Fransche schrijvers en als b.v.
+het Duitsche <i lang="de">Urheberrecht</i> en het Engelsche <i lang=
+"en">copyright</i>, dus ook als ons <i>auteursrecht</i>. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10825" href="#xd20e10825" name=
+"xd20e10825">322</a>]</span></p>
+<p>In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van
+&bdquo;<span lang="fr">protection des droits des auteurs sur leurs
+oeuvres... etc.</span>&rdquo; dus: van de verschillende den auteurs
+toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook ons woord
+<i>auteursrecht</i> de juiste vertaling.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.1.2">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">II De werken, waarop de Conventie van toepassing is
+(Conv. 1908 artt. 2 en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr.
+n<sup>os</sup>. 1 en 2; Add. Acte 1896 art. 2, I)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De algemeene uitdrukking &bdquo;werken van letterkunde
+en kunst&rdquo;, waarmede in het eerste artikel der Conventie de
+beschermde producten worden aangeduid, zou zonder nadere omschrijving
+natuurlijk voor zeer verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze
+nadere omschrijving, die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel
+gaf, is bij de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel
+1 geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke
+categorie&euml;n van werken de Conventie toepasselijk is.</p>
+<p>De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei
+besprekingen uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt
+niet alle even volledig; wat in het eene land als object van
+auteursrecht wordt beschouwd, vindt soms in het andere land geen
+bescherming, of wel is aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men
+het altijd over eens is geweest, dat zijn:</p>
+<p>1<sup>o</sup>. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik
+dezen term ook hierboven heb gebruikt);</p>
+<p>2<sup>o</sup>. de platen en kaarten van wetenschappelijken of
+technischen aard;</p>
+<p>3<sup>o</sup>. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;</p>
+<p>4<sup>o</sup>. de werken van beeldende kunst (teekeningen,
+schilderijen, beeldhouwwerk enz.).</p>
+<p>Al deze categorie&euml;n van werken worden reeds in art. 4 der
+Conventie 1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring
+van alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie
+onvoorwaardelijk toepasselijk was.</p>
+<p>Daarentegen gaven vooral vier categorie&euml;n van werken aanleiding
+tot verschil van meening, te weten: de photographie&euml;n, de werken
+der <span class="pagenum">[<a id="xd20e10868" href="#xd20e10868" name=
+"xd20e10868">323</a>]</span>bouwkunst, de choregraphische werken en de
+producten van kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze
+werken, deels in &rsquo;t geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de
+internationale bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn
+zijn zij geleidelijk met de overige beschermde werken
+gelijkgesteld.</p>
+<p>In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook
+bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen
+alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar
+reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de
+opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan
+een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van de
+stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere
+bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.</p>
+<p>De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek
+auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde
+stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn
+vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede lid
+van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf in
+verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier, maar
+onder artikel 14 bespreken.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de
+Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden
+worden beschouwd.</p>
+<p>In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de
+beschermde producten zijn gerekend, dus:</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken
+van beeldende kunst</i>&mdash;Artikel 4 Conventie 1886 geeft
+dienaangaande de volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie
+1908 is overgenomen:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De uitdrukking &bdquo;werken van letterkunde en
+kunst&rdquo; omvat: boeken, brochures en alle andere geschriften;
+dramatische of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
+tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures;
+lithographie&euml;n, illustraties, landkaarten; geographische,
+topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke
+ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...</p>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e10891" href="#xd20e10891" name=
+"xd20e10891">324</a>]</span></p>
+<p>Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;... ten slotte elk product op letterkundig,
+wetenschappelijk of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door
+middel van den druk of van eenige andere wijze van reproductie.</p>
+</div>
+<p>De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding
+heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of
+de verschillende <span class="corr" id="xd20e10900" title=
+"Bron: categori&euml;en">categorie&euml;n</span> van geschriften en
+kunstwerken, welke er in genoemd worden, onafhankelijk van de
+bepalingen der landswetten beschermd <i>moeten</i> worden, dan wel of
+de internationale bescherming voor deze werken alleen geldt, voorzoover
+zij ook door de landswetten onder de beschermde auteursproducten moeten
+gerekend worden. De eerste meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende
+zijde<a class="noteref" id="xd20e10906src" href="#xd20e10906" name=
+"xd20e10906src">15</a>, vernomen; er is o.a. voor aan te voeren dat die
+categorie&euml;n van werken, waarvan de bescherming niet in het geheele
+Verbond verplichtend was gesteld, nl. photographie&euml;n, werken der
+bouwkunst en choregraphische werken, niet in het artikel zijn genoemd,
+maar dat de Conventie daarvoor afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit
+heeft men afgeleid, dat artikel 4 alleen die werken noemt, welke
+beschermd <i>moeten</i> zijn. Andere schrijvers nemen aan, dat dit voor
+het minst het geval is ten aanzien van de met name in het artikel
+genoemde werken; niet ten aanzien van die werken, welke met meer
+algemeene termen aan het slot van het artikel worden aangeduid<a class=
+"noteref" id="xd20e10918src" href="#xd20e10918" name=
+"xd20e10918src">16</a>.</p>
+<p>Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij
+is niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals
+dat in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is.
+Immers indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden
+opgesomd, in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet
+beschermd volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van
+het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de
+bepalingen van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit
+artikel staat uitdrukkelijk voorgeschreven <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10945" href="#xd20e10945" name=
+"xd20e10945">325</a>]</span>dat in elk der verbondslanden de
+bescherming wordt genoten &bdquo;welke de <i>betreffende wetten</i> den
+inlandschen auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen
+zullen&rdquo;. Voor de vervulling der voorwaarden en formaliteiten en
+voor de berekening van den duur van het auteursrecht verwijst het
+tweede lid van genoemd artikel naar &bdquo;de <i>wetgeving</i> van het
+land, waaruit het werk herkomstig is&rdquo;. Het stelsel der Conventie
+1886 is dus wel, zooals ook hieronder nog zal worden uiteengezet, dat
+geen bescherming wordt verleend voor werken, die niet zoowel in het
+land van herkomst als in het land, waar men het auteursrecht wenscht
+uit te oefenen, onder de beschermende bepaling der inlandsche wetgeving
+vallen. Natuurlijk zijn op dezen algemeenen regel uitzonderingen
+mogelijk, en men treft deze dan ook in sommige artikelen der Conventie
+aan (o. a. wat betreft het uitsluitend vertalingsrecht, geregeld in
+art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook met artikel 4 van den
+algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog des te minder grond om
+dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een bepaald onderdeel der
+bescherming of op eene bepaalde categorie van auteursproducten
+betrekking heeft, maar integendeel op alle werken, die voor bescherming
+door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen dus, dat in de opsomming
+van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet worden gezien dan eene
+nadere omlijning van het, min of meer vage, begrip dat de woorden
+&bdquo;werken van letterkunde en kunst&rdquo; in den titel en het
+eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons, welke de
+werken zijn die&mdash;volgens de regelen en onder de voorwaarden, welke
+de twee voorgaande artikelen stellen&mdash;in het Verbond beschermd
+zullen worden.</p>
+<p>Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort
+tot degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet
+genoeg om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen
+worden; het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie
+als land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de
+bescherming wordt ingeroepen, beschermd zijn.</p>
+<p>Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis
+mist, en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds
+bij de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene
+stellige verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die
+moeilijk kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit
+artikel in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e10957" href="#xd20e10957" name=
+"xd20e10957">326</a>]</span>in het algemeen kan worden gezegd, dat deze
+overeenstemming ook steeds heeft bestaan.</p>
+<p>Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de
+Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel van niet
+minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van artikel 25 eerste
+lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie 1886). Hier staat, dat
+alle staten tot het Verbond kunnen toetreden, &bdquo;die (op hun
+gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten, die het
+onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken.&rdquo; De toetreding kan dus
+worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is,
+welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel 4
+genoemde werken niet beschermd zijn.</p>
+<p>Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou
+worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou
+moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche, die
+de geheele rubriek &bdquo;werken van beeldende kunst&rdquo; onbeschermd
+laat. Professor R&ouml;thlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit
+op dit gebied, schreef hierover (v&oacute;&oacute;r de herziening van
+Berlijn) o. a:</p>
+<p lang="de">&bdquo;So ist est auch <i lang="la">communis opinio</i>,
+dass ein Land, das der Berner Union beitreten will, den Schutz, den die
+K(onvention) bietet, bei sich verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt
+jedermann an ...., dass vor dem Eintritt in die Union zur Vermeidung
+von Konflicten die Landesgesetze auf die H&ouml;he des Schutzmasses
+speziell von Art. 4 zu bringen seien.&rdquo;</p>
+<p>Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:</p>
+<p lang="de">&bdquo;Man erachtet es in Holland als
+selbstverst&auml;ndlich, dass die dortige Gesetzgebung zuerst im Sinne
+des Schutzes der K&uuml;nstler zu revidieren sei, bevor dieses Land in
+die Union trete. Eine Stellung, wie sie Holland in der gewerblichen
+Union einnimmt, der es angeh&ouml;rt, ohne Erfindungsschutz zu
+besitzen, w&auml;re in der Literarunion nicht denkbar&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e10973src" href="#xd20e10973" name=
+"xd20e10973src">17</a>.</p>
+<p>Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het
+toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken van
+beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken
+betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e10980" href="#xd20e10980" name=
+"xd20e10980">327</a>]</span>der Conventie 1886. De &bdquo;boeken,
+brochures en alle andere geschriften&rdquo; van dit artikel zouden alle
+vallen onder de &bdquo;geschriften&rdquo; van artikel 1 onzer wet.
+Verder zijn ook in onze wet beschermd: &bdquo;dramatische of
+dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
+tekst&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e10982src" href="#xd20e10982"
+name="xd20e10982src">18</a>.</p>
+<p>Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. v&oacute;&oacute;r onze
+toetreding tot wet is verheven, dan zou ook de uitdrukking &bdquo;werk
+van beeldende kunst&rdquo; in artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten,
+wat in de Conventie wordt aangeduid met de woorden: &bdquo;teekeningen,
+schilderijen, beeldhouwwerken en gravures&rdquo; en waarschijnlijk ook
+de &bdquo;lithographie&euml;n&rdquo; (waaronder ook gerekend moeten
+worden de chromo-lithographie&euml;n)<a class="noteref" id=
+"xd20e10987src" href="#xd20e10987" name="xd20e10987src">19</a> en
+&bdquo;illustraties&rdquo;, die de Conventie daarna nog noemt. Alleen
+de &bdquo;landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in
+het algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische
+modellen&rdquo; zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken
+behooren, zooals ik in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de
+werken van beeldende kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw.
+B. K. (&sect; 2 p. 4) wordt wel gezegd: &bdquo;Het spreekt echter van
+zelf, dat de namaak van bouwkundige teekeningen wel in de termen van de
+wet valt; immers bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz.&rdquo;
+Doch dit is eene verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed
+zeggen (al gaat natuurlijk overigens de vergelijking niet op):
+&bdquo;een huisschilder is een schilder enz.&rdquo; Platte gronden,
+doorsneden en dergelijke moge men teekeningen kunnen noemen, werken van
+beeldende kunst zijn zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen
+bescherming, dan zouden zij nog kunnen behooren tot de &bdquo;plaat- en
+kaartwerken&rdquo; van art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen
+uitdrukking onzer wet is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg
+gezegd. Indien men haar, wat te verwachten is, v&oacute;&oacute;r onze
+toetreding tot de Conventie uit de wet verwijdert, dan zou het m. i.
+aanbeveling verdienen, in de plaats daarvan de&mdash;misschien wat
+omslachtige, maar in elk geval duidelijke en volledige&mdash;termen der
+Conventie over te nemen, dus: &bdquo;landkaarten, geographische,
+topographische, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10996" href=
+"#xd20e10996" name="xd20e10996">328</a>]</span>bouwkundige of in het
+algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische
+modellen&rdquo;.</p>
+<p>Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten
+die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in
+hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie 1908
+is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken,
+uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De contracteerende Landen zijn verplicht de
+bescherming der bovengenoemde werken te verzekeren.</p>
+</div>
+<p>Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel
+zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het
+geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk
+was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met
+goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou
+n&uacute; een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten
+spoedigste in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.</p>
+<p>Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten
+van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen,
+slechts als voorbeelden zijn genoemd van &bdquo;producten op
+letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op
+andere wijze gepubliceerd kunnen worden.&rdquo; Kan dus een werk tot de
+laatstgenoemde producten gerekend worden, dan geniet het ook de
+bescherming der Conventie, al is het niet onder een van de met name
+genoemde rubrieken onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft
+men deze bedoeling (die men trouwens van den aanvang af ook met het
+oude artikel 4 gehad heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker
+uitgesproken. Van groot practisch belang is dit echter niet, want in de
+eerste plaats blijft er na de vrij volledige opsomming niet veel meer
+over, dat gerekend zou kunnen worden tot de producten op letterkundig,
+wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze
+gereproduceerd kunnen worden<a class="noteref" id="xd20e11008src" href=
+"#xd20e11008" name="xd20e11008src">20</a> (behoudens natuurlijk de
+werken, die hierboven afzonderlijk zijn <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11014" href="#xd20e11014" name=
+"xd20e11014">329</a>]</span>genoemd en die zoo aanstonds besproken
+zullen worden: photographie&euml;n, choregraphische werken, werken der
+bouwkunst en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou
+uit deze min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare
+aanduiding m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen,
+n&oacute;ch voor een staat (om zijne wetgeving te veranderen)
+n&oacute;ch voor den rechter (om tegen de wet van zijn land in de
+bescherming van een werk te erkennen).</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Photographie&euml;n</i>&mdash;Tegen het opnemen der
+photographie&euml;n in artikel 4 Conventie 1886 werd destijds door
+sommige staten bezwaar gemaakt, omdat zij een auteursrecht van
+photografen in hunne wet niet kenden. Daar men echter de internationale
+bescherming van dit recht, daar waar het w&eacute;l door de inlandsche
+wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te maken, werd in het
+Slotprotocol n<sup>o</sup>. 1 de volgende bepaling opgenomen:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat
+de verbondslanden, die aan photographie&euml;n het karakter van
+kunstwerken niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de
+bepalingen der heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden
+af ten goede te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande
+of nog te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de
+genoemde werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit
+toelaat.</p>
+</div>
+<p>Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt, om
+auteursrecht op photographie&euml;n in te voeren, daar waar het niet
+bestaat. Doch de staten, die dit recht w&eacute;l erkennen en die aan
+photographie&euml;n <i>het karakter van kunstwerken niet ontzeggen</i>,
+worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie, ook
+aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen, zelfs aan
+degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit laatste is eene
+uitzondering op het stelsel der Conventie 1886, volgens hetwelk de
+internationale bescherming slechts aan die werken ten goede komt, welke
+in hun eigen land (d. w. z. het land waar zij het eerst gepubliceerd
+zijn of dat, waartoe de auteur behoort) tot de beschermde producten
+worden gerekend. Voor het overige is echter de photographie-bescherming
+aan dezelfde regels gebonden, die de Conventie 1886 ten aanzien van
+alle andere werken inhoudt (b.v. wat betreft de vervulling der
+voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst en de berekening
+van den duur van het recht); daar er niet een speciaal recht ten
+behoeve der photografen is in het leven <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11034" href="#xd20e11034" name=
+"xd20e11034">330</a>]</span>geroepen, doch slechts de verplichting
+gestipuleerd om hun &bdquo;de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede
+te doen komen&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e11036src" href=
+"#xd20e11036" name="xd20e11036src">21</a>.</p>
+<p>De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling
+van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden
+tekst zijn alleen die staten verplicht de photographie&euml;n uit
+andere Verbondslanden te beschermen, die daaraan &bdquo;het karakter
+van kunstwerken niet ontzeggen&rdquo;. Volgens deze bepaling was dus
+b.v. Duitschland, waar v&oacute;&oacute;r de wet van 9 Jan. 1907 de
+photographie&euml;n wel beschermd waren, doch in eene afzonderlijke
+wet, niet als werken van beeldende kunst (dus niet als
+&bdquo;kunstwerken&rdquo;), niet verplicht aan de photographie&euml;n
+uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu
+de bepaling zoodanig gewijzigd, dat de <span class="corr" id=
+"xd20e11047" title="Bron: veplichting">verplichting</span> wordt
+opgelegd aan alle staten die de photographie&euml;n beschermen,
+onverschillig of deze al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.</p>
+<p>Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der
+photographie&euml;n op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog
+in de Verklaring (onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de
+algemeene regel, dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten
+<i>uitsluitend</i> in het land van herkomst kan ge&euml;ischt worden,
+ook op de photographie&euml;n toepasselijk is, doch men kan aannemen,
+dat dit ook zonder deze uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men
+nam haar slechts op, om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te
+maken.</p>
+<p>Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in
+de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in, dat
+photographie&euml;n van beschermde kunstwerken, die met toestemming van
+den <span class="corr" id="xd20e11058" title=
+"Bron: rechthebbbende">rechthebbende</span> zijn vervaardigd, even lang
+beschermd zijn in het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling
+strekte dus niet ter bescherming der photographie als auteursproduct,
+maar ter bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie.
+Immers het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen
+doen gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat
+van den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is
+overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht
+van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare
+plaats. Bovendien <span class="pagenum">[<a id="xd20e11061" href=
+"#xd20e11061" name="xd20e11061">331</a>]</span>was zij volkomen
+overbodig; ook indien zij niet bestond zou het verspreiden van eene
+reproductie van eene dergelijke photographie tegen de bepalingen der
+Conventie strijden, als inbreuk nl. op het recht van den auteur van het
+oorspronkelijke kunstwerk. Want men is het er algemeen over eens, dat
+eene reproductie&mdash;van een schilderij b.v.&mdash;ook dan inbreuk op
+het auteursrecht uitmaakt, wanneer zij niet direct naar het origineel
+is vervaardigd, maar gemaakt is met behulp van eene andere, reeds
+bestaande reproductie.</p>
+<p>De Conventie 1908 behandelt de photographie&euml;n in artikel 3, dat
+aldus luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op
+photographie&euml;n en op werken met een soortgelijk
+proc&eacute;d&eacute; verkregen. De contracteerende Landen zijn
+gehouden de bescherming ervan te verzekeren.</p>
+</div>
+<p>De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol n<sup>o</sup>. 1 tweede
+lid en Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht,
+weggelaten.</p>
+<p>Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der
+photographie&euml;n in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht
+zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid van
+artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar
+opgesomde &bdquo;werken van kunst en letterkunde&rdquo; willen noemen,
+omdat men de vraag, of de photographie&euml;n al dan niet tot de
+kunstwerken gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten.
+Elke staat wordt vrijgelaten de photographie&euml;n te qualificeeren
+zooals hij wil, mits hij ze maar beschermt.</p>
+<p>De invoering van de verplichte bescherming der photographie&euml;n
+hield de vervulling in van een der &bdquo;wenschen&rdquo; welke op de
+Conferentie van Parijs waren uitgesproken, nl.: &bdquo;dat in alle
+Verbondslanden de wet bescherming moge verleenen aan
+photographie&euml;n en aan werken, die met een soortgelijk
+proc&eacute;d&eacute; zijn verkregen.&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e11078src" href="#xd20e11078" name="xd20e11078src">22</a> Doch het
+tweede deel van dezen wensch: &bdquo;dat de duur dezer bescherming
+minstens vijftien jaren moge bedragen&rdquo;, heeft men op de
+Berlijnsche Conferentie niet kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het
+nut inzag van een uniformen termijn, heeft men zich toch genoodzaakt
+gezien de beslissing over den duur der bescherming aan de wet van
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11083" href="#xd20e11083" name=
+"xd20e11083">332</a>]</span>elk land over te laten. De desbetreffende
+bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie 1908; ik laat haar
+daarom hier verder onbesproken.</p>
+<p>De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat
+stelt ten aanzien der photographie&euml;n, kunnen na het voorgaande in
+het kort aldus worden samengevat.</p>
+<p>Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie
+1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende staat
+krachtens artikel 3 verplicht de photographie&euml;n bij zich te
+beschermen. Nederland zou dus in dit geval &oacute;f in eene speciale
+wet, &oacute;f in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming
+moeten invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de
+photographie&euml;n uit alle andere Verbondslanden gelden.</p>
+<p>Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is
+de eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van
+Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting op
+zich de bescherming der photographie&euml;n onmiddellijk in te voeren,
+doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het
+vorige geval die bescherming ook voor de photographie&euml;n uit de
+andere Verbondslanden gelden.</p>
+<p>Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de
+wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die
+wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de
+internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar de
+photographie&euml;n w&eacute;l beschermd worden, maar niet tot de
+kunstwerken worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit
+het geval is of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te
+voeren, zou het bij toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de
+oude bepaling van het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te
+verkiezen. Doch wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de
+eigen photografen zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere
+Verbondslanden van die bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd
+in die andere landen de eigen photografen w&eacute;l beschermd zouden
+zijn. Een systeem dus van niets geven en alles ontvangen, dat elke
+beschaafde staat zich zou schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een
+misbruik maken genoemd kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3
+der Conventie 1908 aan de staten die wenschen toe te treden, laat!
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11093" href="#xd20e11093" name=
+"xd20e11093">333</a>]</span></p>
+<p>Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de
+Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de
+Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats te
+geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographie&euml;n van
+alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in de wet
+uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd (Zweden,
+Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in Duitschland,
+Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht daarover speciale
+bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en Spanje worden zij in de
+wet met name onder de kunstwerken genoemd); terwijl b.v. in Frankrijk,
+Itali&euml; en Belgi&euml;, ondanks het ontbreken van uitdrukkelijke
+wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht op
+photographie&euml;n wordt erkend<a class="noteref" id="xd20e11096src"
+href="#xd20e11096" name="xd20e11096src">23</a>. Hoogstwaarschijnlijk
+zullen dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het
+Verbond, het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de
+Berlijner Conferentie blijkt niet, dat &eacute;&eacute;n staat zich er
+tegen heeft verklaard)<a class="noteref" id="xd20e11124src" href=
+"#xd20e11124" name="xd20e11124src">24</a>; voor een nieuw toetredenden
+staat, wiens onderdanen dus in de geheele Unie de
+photographie-bescherming zullen kunnen inroepen, brengt deze
+omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting mee om, zoo
+dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij zich in te
+voeren.</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Choregraphische werken</i>&mdash;Ten aanzien der choregraphische
+werken bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten
+aanzien der photographie&euml;n. Evenals deze laatsten waren zij niet
+in de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol
+n<sup>o</sup>. 2 waren de Verbondslanden &bdquo;wier wetgeving onder de
+dramatisch-muzikale werken ook de choregraphische werken
+begrijpt&rdquo; gehouden ze van &bdquo;de voordeelen der bepalingen der
+heden gesloten Overeenkomst&rdquo; te laten genieten. Vooral
+Itali&euml;, waar balletten in de schouwburgzaal <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11142" href="#xd20e11142" name=
+"xd20e11142">334</a>]</span>eene groote plaats innemen, deed telkens
+moeite eene algemeene bescherming in het geheele Verbond voor deze
+werken te verkrijgen; doch zoowel te Bern<a class="noteref" id=
+"xd20e11144src" href="#xd20e11144" name="xd20e11144src">25</a> als te
+Parijs<a class="noteref" id="xd20e11149src" href="#xd20e11149" name=
+"xd20e11149src">26</a> stuitten deze pogingen op bezwaren af van de
+andere mogendheden. Het begrip &bdquo;choregraphisch werk&rdquo; stond
+nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de
+grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te
+worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn, bij
+de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de
+verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de
+landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een
+tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe te
+passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd
+verzekerd.</p>
+<p>Op de Conferentie van Berlijn kwam Itali&euml; weer met het oude
+voorstel: choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de
+beschermde producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen
+der Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch
+alleen op diegenen, &bdquo;waarvan de dramatische actie schriftelijk
+was vastgelegd&rdquo;; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren
+vorm ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al
+te vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking<a class=
+"noteref" id="xd20e11157src" href="#xd20e11157" name=
+"xd20e11157src">27</a>.</p>
+<p>Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe
+bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel 2
+opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle landen
+voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten was
+verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in
+overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld, dat
+niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm van
+fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal zijn, om
+voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de
+&bdquo;dramatisch-muzikale werken&rdquo; en de
+&bdquo;muziekstukken&rdquo; prijken dus nu in het nieuwe artikel de
+&bdquo;choregraphische werken en pantomimes, waarvan de
+mise-en-sc&egrave;ne door schrift of op andere wijze is
+vastgelegd.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="xd20e11165" href=
+"#xd20e11165" name="xd20e11165">335</a>]</span></p>
+<p>Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet de
+verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal
+hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In
+plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1
+j<sup>o</sup> lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner
+Slotprotocol n<sup>o</sup>. 2 ten aanzien van dien staat van kracht
+blijven.</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Werken der bouwkunst</i>&mdash;In een vorig hoofdstuk is reeds
+uiteengezet (p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht
+op werken der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit
+recht en dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft
+hier niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht
+op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin zij
+zijn openbaar gemaakt.</p>
+<p>De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op de
+Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond
+ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de
+Add. Acte art. 2, I, A.:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt
+verleend niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de
+bouwkundige werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der
+bepalingen van de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige
+Additionneele Acte.</p>
+</div>
+<p>Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de
+photographie&euml;n en de choregraphische werken. Geen verplichting dus
+om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan
+alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche
+auteurs bestond.</p>
+<p>Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende
+Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographie&euml;n, is men
+er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den
+algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden)
+toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen verzette
+zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde
+auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves
+gemaakt<a class="noteref" id="xd20e11190src" href="#xd20e11190" name=
+"xd20e11190src">28</a>.</p>
+<p>Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11201" href="#xd20e11201" name=
+"xd20e11201">336</a>]</span>bestaat, terwijl ook het Ontw. B. K. ze
+uitdrukkelijk van de bescherming uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij
+onze toetreding tot de Conventie &oacute;f de wetgeving op dit punt
+moeten aanvullen &oacute;f uitdrukkelijk verklaren, dat men de nieuwe
+Berlijnsche regeling niet aanvaardt.</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst</i>&mdash;Deze
+werken bieden voor eene internationale regeling van het auteursrecht
+nog groote moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de
+schrijvers als in de wetgevingen van verschillende landen, een streven
+merkbaar, om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen
+die werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere
+kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke
+werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn, die
+voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer
+verschillend gedacht.</p>
+<p>Het is daarom verklaarbaar, dat men n&oacute;ch op de Conferenties
+van Bern, n&oacute;ch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in
+geslaagd is, eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen
+opnemen. In de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name
+genoemd, en wel in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst
+(<i lang="fr">oeuvres d&rsquo;art appliqu&eacute; &agrave;
+l&rsquo;industrie</i>) zijn beschermd voor zoover de inlandsche
+wetgeving van elk land dit toelaat.</p>
+</div>
+<p>Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk,
+Duitschland, Belgi&euml; en Itali&euml;) die voor de volkomen
+gelijkstelling met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men
+zich ten slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling,
+die alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der
+kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche
+wetgeving overlaat.</p>
+<p>Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de
+oude Conventie, die deze werken in &rsquo;t geheel niet noemde, waren
+zij niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4
+Conventie 1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk
+is: &bdquo;... ten slotte (&bdquo;<i lang="fr">enfin</i>&rdquo;) elk
+product op letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, dat
+gepubliceerd kan worden door middel van den druk of van eenige andere
+wijze van reproductie&rdquo;.</p>
+<p>Het woord &bdquo;<span lang="fr">enfin</span>&rdquo; waarmede deze
+zin wordt ingeleid, heb ik <span class="pagenum">[<a id="xd20e11231"
+href="#xd20e11231" name="xd20e11231">337</a>]</span>gemeend te moeten
+vertalen door &bdquo;ten slotte&rdquo; en niet door
+&bdquo;kortom&rdquo;, zooals door anderen is gedaan. Oorspronkelijk
+stond in den Franschen tekst: &bdquo;<span lang="fr">et en
+g&eacute;n&eacute;ral</span>&rdquo;; dit is veranderd in
+&bdquo;<span lang="fr">enfin</span>&rdquo; uitsluitend terwille der
+welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het
+voorafgaande woord, de uitdrukking &bdquo;<span lang="fr">en
+g&eacute;n&eacute;ral</span>&rdquo; tweemaal kort achtereen in dezelfde
+zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast, dat met het
+Fransche woord &bdquo;<span lang="fr">enfin</span>&rdquo; niet is
+bedoeld de opsomming, die eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het
+daaropvolgende slechts eene resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat.
+Het Fransche synoniem is, zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is
+verklaard<a class="noteref" id="xd20e11246src" href="#xd20e11246" name=
+"xd20e11246src">29</a>, niet &bdquo;<span lang="fr">en
+somme</span>&rdquo; maar &bdquo;<i lang="fr">en outre</i>&rdquo;.</p>
+<p>Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus weer
+andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor
+photographie&euml;n, werken der bouwkunst en choregraphische werken
+elders in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er
+niet veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de
+werken der kunstnijverheid.</p>
+<p>Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog
+niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats is
+over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel
+uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over den
+invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden
+toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in het
+land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten behooren,
+wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar geldende
+bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien der hier
+bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale
+bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat
+zekere categorie&euml;n van kunstnijverheids-producten in het
+&eacute;&eacute;ne land als kunstwerken, en in het andere land als
+objecten van industrieelen eigendom werden beschermd. Men stond dan
+voor de moeilijke vraag, of een dergelijk werk al dan niet als een
+&bdquo;kunstwerk&rdquo; in den zin der Conventie was te beschouwen.
+Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere moeilijkheid voor in verband
+met de te vervullen voorwaarden en formaliteiten, die in verscheidene
+landen voor industrie-producten w&eacute;l, doch voor kunstwerken niet
+werden <span class="pagenum">[<a id="xd20e11262" href="#xd20e11262"
+name="xd20e11262">338</a>]</span>ge&euml;ischt. Had men eenmaal in zijn
+eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld,
+dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk
+alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd
+geweigerd<a class="noteref" id="xd20e11264src" href="#xd20e11264" name=
+"xd20e11264src">30</a>.</p>
+<p>Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid
+in het Verbond&mdash;al was zij door de Conventie niet geheel
+uitgesloten&mdash;toch van twijfelachtigen aard is geweest; met
+volkomen zekerheid viel er in de meeste gevallen niet op te
+rekenen.</p>
+<p>Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering
+gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in
+werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de
+inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken,
+waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de rechters
+moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu ten aanzien
+van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele Verbond slechts
+de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor de belanghebbenden
+is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten, waar voor een bepaald
+werk op bescherming kan worden gerekend en waar niet, zal men de
+betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er aan wordt gegeven,
+in alle landen moeten kennen. Dat dit&mdash;vooral waar het hier eene
+materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht
+bestaat&mdash;niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het
+oog.</p>
+<hr class="tb">
+<p><i>Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken</i>&mdash;Het tweede
+lid van artikel 2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Als oorspronkelijke werken worden beschermd,
+onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk:
+vertalingen, bewerkingen (<i lang="fr">adaptations</i>),
+muziek-arrangementen en andere reproducties in veranderden vorm
+(<i lang="fr">reproductions transform&eacute;es</i>) van een geschrift
+of kunstwerk, alsmede verzamelingen van verschillende werken.</p>
+</div>
+<p>Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie
+beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11301" href="#xd20e11301" name=
+"xd20e11301">339</a>]</span>dat de bedoelde rechten ook onder de oude
+Conventie bestonden, kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats
+uit een oogpunt van volledigheid en stelselmatigheid als eene
+verbetering worden beschouwd.</p>
+<p>De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel geregeld,
+doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig uitgevallen.
+Het luidt als volgt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke
+werken beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie
+ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld in de
+artikelen 2 en 3.</p>
+<p>Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid tot
+vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen verzetten,
+dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald wordt.</p>
+</div>
+<p>Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit
+artikel&mdash;wat zoo dikwijls geschiedt&mdash;niet scherp genoeg van
+elkander heeft weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht
+van den auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den
+vertaler op zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft
+gegeven (nl. terstond n&aacute; de bepalingen over het uitsluitend
+vertalingsrecht in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de
+bepalingen zelf.</p>
+<p>Het artikel spreekt van <i>geoorloofde</i> vertalingen
+(<i>traductions licites</i>), waarmede bedoeld zijn vertalingen,
+waarvan de verspreiding niet in strijd is met het uitsluitend
+vertalingsrecht van den oorspronkelijken auteur. Er bestaat echter,
+zooals reeds in dit proefschrift is opgemerkt (pp. 179, 180), geen
+grond om den vertaler het recht op zijne vertaling te onthouden in de
+gevallen, dat hij door de uitoefening van dat recht met het uitsluitend
+vertalingsrecht van den auteur van het werk in botsing zou komen. Beide
+rechten dienen onafhankelijk van elkander erkend te worden. Niet alleen
+uit doctrinair oogpunt is het woordje &bdquo;licite&rdquo; af te
+keuren; het bracht ook practische bezwaren bij de toepassing. Tot de
+&bdquo;geoorloofde&rdquo; vertalingen behooren natuurlijk ook degenen,
+die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend vertalingsrecht
+meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene toestemming
+behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886 is de duur
+van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk dezelfde.
+Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de auteur van het
+oorspronkelijke werk niet was gekend, in het &eacute;&eacute;ne land
+&bdquo;geoorloofd&rdquo; was (omdat daar de termijn voor het
+vertalingsrecht was verstreken) en in het andere land, waar het
+vertalingsrecht <span class="pagenum">[<a id="xd20e11321" href=
+"#xd20e11321" name="xd20e11321">340</a>]</span>nog voortduurde, en dus
+de toestemming van den auteur gevraagd had moeten worden,
+&bdquo;ongeoorloofd&rdquo;. Was zulke eene vertaling nu in het Verbond
+beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig op
+aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren van
+het besproken artikel de aandacht te vestigen<a class="noteref" id=
+"xd20e11323src" href="#xd20e11323" name="xd20e11323src">31</a>.</p>
+<p>Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door
+uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler
+alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde
+opvoering, voor &rsquo;t geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en
+uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9; hier
+wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een tooneelstuk
+om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van het stuk te
+verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den vertaler.
+Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.</p>
+<p>Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de
+Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te laten
+vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval, waarop de
+bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen voordoen,
+wanneer&mdash;wat deze Regeering eveneens voorstelde&mdash;het
+uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou zijn
+gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een werk
+w&eacute;l auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond<a class=
+"noteref" id="xd20e11337src" href="#xd20e11337" name=
+"xd20e11337src">32</a>. Doch ook al was deze laatste wijziging in de
+nieuwe Conventie niet tot stand gekomen, bestond er alle reden om de
+bepaling te doen verdwijnen. Het spreekt vanzelf dat een vertaler geen
+recht heeft, zich tegen het uitgeven van andere vertalingen te
+verzetten, daar het object van zijn recht is: de door hemzelf gemaakte
+vertaling. Het recht om zich tegen de uitgave van andere vertalingen te
+verzetten (dus: het uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen
+den auteur van het oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een
+vertaler hebben overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie
+zich niet in te laten, en allerminst in een artikel dat het recht van
+den vertaler op zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde
+dooreenhaspeling van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake
+was. <span class="pagenum">[<a id="xd20e11342" href="#xd20e11342" name=
+"xd20e11342">341</a>]</span></p>
+<p>Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn een
+goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In de
+plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de plaats
+waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie
+beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat
+noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel:
+&bdquo;onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk
+werk&rdquo;, hetgeen evengoed had kunnen wegblijven. Verkeerde
+gevolgtrekkingen zijn uit deze woorden echter niet te maken, en daarom
+kan men er vrede mede hebben.</p>
+<p>Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele
+Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 j<sup>o</sup> lid 3 Conventie 1908).
+Onze wet, die, zeer juist, &bdquo;vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling&rdquo; met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in
+overeenstemming. Op dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden
+met het oog op het toetreden van ons land tot de Conventie.</p>
+<p>Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen
+en verzamelwerken.</p>
+<p>Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst
+(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman
+tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een ets
+naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling toepasselijk.
+De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen beschermd
+worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden arbeid; en niet
+min of meer vermomde namaken of nadrukken van het origineel. Aan dit
+laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet, een nieuwe
+uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker op
+auteursrecht aanspraak kunnen maken.</p>
+<p>De bepaling laat echter&mdash;wat trouwens in deze materie niet
+anders kan&mdash;eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap
+en jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal in
+het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De
+inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere&mdash;min of meer
+van elkaar afwijkende&mdash;bepalingen bevatten, die voorzoover zij met
+het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit
+andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.</p>
+<p>Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich
+(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11358" href="#xd20e11358" name=
+"xd20e11358">342</a>]</span>te beschermen. Eene uitdrukkelijke
+wetsbepaling is hiervoor niet noodig, mits er eenige waarborg zij, dat
+die bescherming in voorkomende gevallen werkelijk zal worden verleend.
+Of dit in ons land bij de bestaande wetgeving het geval is, mag worden
+betwijfeld. De wet zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich
+zoover mij bekend, nog nooit duidelijk hierover uitgesproken<a class=
+"noteref" id="xd20e11360src" href="#xd20e11360" name=
+"xd20e11360src">33</a>. Wil derhalve ons land de verplichting, welke de
+bepaling oplegt, getrouw nakomen, dan zal eene uitdrukkelijke
+vermelding van de genoemde werken in onze wet (waartegen waarschijnlijk
+niemand eenig bezwaar zal hebben) gewenscht zijn.</p>
+<p>Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in
+artikel 4 eene bepaling, die&mdash;eenmaal tot wet
+verheven&mdash;volkomen aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan
+hem, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door
+eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt,
+wordt daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt
+door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige
+auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen
+aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter,
+zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.</p>
+<p>Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog:
+verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault
+wordt hierover o. a. opgemerkt: &bdquo;<span lang="fr">Ce que
+l&rsquo;on veut prot&eacute;ger, c&rsquo;est le travail qui a
+consist&eacute; &agrave; r&eacute;unir divers oeuvres suivant un plan
+d&eacute;termin&eacute;, d&rsquo;apr&egrave;s un mode de groupement
+plus ou moins ing&eacute;nieux</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e11370src" href="#xd20e11370" name="xd20e11370src">34</a>. Wat
+hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor de
+verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een
+<i>auteurs</i>-product. Aan den rechter, voorgelicht door de
+wetenschap, blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval
+is, en men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde
+maatstaf zal worden gebruikt.</p>
+<p>Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken
+&bdquo;gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders&rdquo;
+(art. 2, <i>a</i>). Geen bescherming wordt dus verleend voor
+verzamelingen van verschillende <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11383" href="#xd20e11383" name="xd20e11383">343</a>]</span>werken
+van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van
+&bdquo;verzamelingen van verschillende werken&rdquo;; met opzet zijn de
+woorden &bdquo;van verschillende auteurs&rdquo; die in het Duitsche
+voorstel, waaraan de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten,
+omdat men ook verzamelingen van werken, die van een en denzelfden
+auteur afkomstig zijn, onder de bepaling wilde begrijpen<a class=
+"noteref" id="xd20e11385src" href="#xd20e11385" name=
+"xd20e11385src">35</a>. Op dit&mdash;trouwens niet zeer
+belangrijke&mdash;punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met de
+Conventie.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.1.3">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt.
+4, 5 en 6; Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II;
+Verklaring 1896 1<sup>o</sup> en 2<sup>o</sup>)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in
+hoofdzaak het geheele systeem, waarop de internationale bescherming in
+het Verbond berust.</p>
+<p>Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke
+werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten van
+werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee voorgaande
+artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle geschriften,
+muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit de geheele
+wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt zich alleen
+het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats van
+verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een van de
+Verbondslanden thuis behooren.</p>
+<p>De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft
+den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken ten
+deel valt, dus: w&aacute;&aacute;r men de bepalingen heeft te zoeken
+die in de internationale betrekkingen moeten worden toegepast.</p>
+<p>Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is van
+het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit
+beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen
+het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht toe
+te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel bestond
+het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11411" href="#xd20e11411" name=
+"xd20e11411">344</a>]</span>auteur, om in een ander land rechten van
+wijder strekking te genieten dan die hem door de wet van zijn eigen
+land werden verleend. Om dit zooveel mogelijk te voorkomen heeft men de
+bepaling opgenomen, dat naast de lex fori op sommige punten ook eene
+andere wet zou meetellen en wel de wet van het land waaruit het werk
+afkomstig is. Bij de herziening van Berlijn is de invloed die aan deze
+laatste wet door de Conventie 1886 was toegekend weliswaar weer
+eenigermate ingekort, doch niet geheel weggenomen. Ook volgens de
+Conventie 1908 moet de rechter dus behalve met de wet van zijn eigen
+land rekening houden met die van het land, waaruit het werk afkomstig
+is.</p>
+<p>Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd
+worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende
+opzichten van belang is. Het &bdquo;land van herkomst&rdquo; (<i lang=
+"fr">pays d&rsquo;origine</i>) moet, wil de Conventie van toepassing
+zijn, behooren tot de toegetreden staten; en bovendien is zijne
+wetgeving van <span class="corr" id="xd20e11418" title=
+"Bron: invoed">invloed</span> op de mate van bescherming, die het werk
+in de andere Verbondslanden geniet.</p>
+<p>Het is daarom noodig, dat het begrip &bdquo;land van herkomst&rdquo;
+nauwkeurig vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2
+lid 3 en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde
+en <span class="corr" id="xd20e11423" title=
+"Bron: niet-geplubliceerde">niet-gepubliceerde</span> werken: voor de
+eerste geldt als land van herkomst dat waarin de publicatie heeft
+plaats gehad (het stelsel dus van de nationaliteit van het werk), voor
+de laatste dat waartoe de auteur behoort (nationaliteit van den
+auteur). Over de beteekenis van deze beide uitdrukkingen: &bdquo;tot
+een land van het Verbond behoorend auteur&rdquo; en
+&bdquo;gepubliceerde werken&rdquo; dient eerst het een en ander te
+worden gezegd.</p>
+<hr class="tb">
+<p>1 &bdquo;<i>Tot een Verbondsland behoorend
+auteur</i>&rdquo;&mdash;Deze uitdrukking (<i lang="fr">auteur
+ressortissant &agrave; l&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union</i>) werd
+gekozen door de Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats
+van de woorden &bdquo;<i lang="fr">sujets ou citoyens</i>&rdquo;, die
+niet overeenkwamen met de in de verschillende wetgevingen gebruikte
+termen<a class="noteref" id="xd20e11439src" href="#xd20e11439" name=
+"xd20e11439src">36</a>. Zoowel de Commissie van 1884 als die van
+1885<a class="noteref" id="xd20e11444src" href="#xd20e11444" name=
+"xd20e11444src">37</a> verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11450" href="#xd20e11450" name=
+"xd20e11450">345</a>]</span>&bdquo;<i lang=
+"fr">ressortissant</i>&rdquo;, die in de Conventie herhaaldelijk
+voorkomt (Conventie 1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie
+1908 art. 4 lid 1, art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme
+&bdquo;<i lang="fr">appartenant</i>&rdquo; (C. 1886 art. 3; C. 1908
+art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als: &bdquo;<i lang="fr">qui ont
+l&rsquo;indig&eacute;nat</i>&rdquo;.</p>
+<p>Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke
+verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men wilde
+uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De band, die
+hier wordt bedoeld, is die van de <i>nationaliteit</i> of van het
+<i>onderdaanschap</i><a class="noteref" id="xd20e11468src" href=
+"#xd20e11468" name="xd20e11468src">38</a>. Bij Duitsche schrijvers
+vindt men hiervoor de termen: <i lang="de">staatszugeh&ouml;rig</i> en
+<i lang="de">angeh&ouml;rig</i>, en ook wel:
+<i>heimatberechtigt</i><a class="noteref" id="xd20e11492src" href=
+"#xd20e11492" name="xd20e11492src">39</a>; de Fransche spreken ook van:
+<i>nationaux</i><a class="noteref" id="xd20e11512src" href=
+"#xd20e11512" name="xd20e11512src">40</a>. Dat men zich aan eene
+definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk, daar elke
+staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe behooren en
+welke daarvan de gevolgen zijn.</p>
+<p>De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot
+criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats; op de
+moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze aansluiting
+zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik wil er hier
+slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de Conventie zal zijn
+aangesloten, onder de &bdquo;tot den Nederlandschen staat behoorende
+auteurs&rdquo; gerekend zullen moeten worden niet alleen de
+&bdquo;Nederlanders&rdquo; volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl.
+268), maar daarenboven zij, die sommige schrijvers
+&bdquo;onderdanen&rdquo; noemen, hoewel zij volgens art. 12 van de wet
+van 1892 tot de &bdquo;<span class="corr" id="xd20e11526" title=
+"Bron: vreemdedelingen">vreemdelingen</span>&rdquo; behooren, en
+waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche en daarmede
+gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indi&euml;<a class="noteref"
+id="xd20e11529src" href="#xd20e11529" name="xd20e11529src">41</a>. In
+een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp
+wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van
+Nederlandsch-Indi&euml; uitdrukkelijk erkend<a class="noteref" id=
+"xd20e11535src" href="#xd20e11535" name="xd20e11535src">42</a>. Indien
+dit ontwerp v&oacute;&oacute;r onze toetreding tot de Conventie wet is
+geworden, zal <span class="pagenum">[<a id="xd20e11540" href=
+"#xd20e11540" name="xd20e11540">346</a>]</span>men het woord
+&bdquo;ressortissants&rdquo; met betrekking tot ons land kunnen
+vertalen met &bdquo;Nederlandsche onderdanen&rdquo;, wat dan zal
+beteekenen: allen, die naar ons recht niet tot de vreemdelingen
+behooren.</p>
+<hr class="tb">
+<p>2 <i>Publiceeren</i>&mdash;Over de beteekenis van het woord
+&bdquo;<i lang="fr">publier</i>&rdquo; in de Conventie heerschte
+v&oacute;&oacute;r 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de
+uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder
+verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook
+door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime
+opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den
+afgevaardigde Lavoll&eacute;e op de Conferentie van 1884 naar
+aanleiding van het woord <i lang="fr">&eacute;diteur</i> in art. 3,
+waaronder deze afgevaardigde meende te moeten verstaan niet alleen een
+uitgever in den gewonen zin van het woord, maar ook b.v. een
+schouwburg-ondernemer<a class="noteref" id="xd20e11555src" href=
+"#xd20e11555" name="xd20e11555src">43</a>. Hoewel deze opvatting niet
+werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in 1884 algemeen
+werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de Conferentie van
+Parijs: &bdquo;<span lang="fr">On tenait avant tout &agrave; aboutir,
+c&rsquo;est pourquoi aucune voix ne s&rsquo;&eacute;leva pour
+r&eacute;clamer contre cette
+interpr&eacute;tation</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e11564src" href="#xd20e11564" name="xd20e11564src">44</a>; en deze
+zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking van artikel 2
+opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie eene mondelinge
+publicatie (<i lang="fr">par la parole</i>) van een letterkundig werk
+niet erkent<a class="noteref" id="xd20e11572src" href="#xd20e11572"
+name="xd20e11572src">45</a>. Ik meen daarom, dat ook v&oacute;&oacute;r
+1896 de uitdrukking &bdquo;publier&rdquo; in de Conventie de beteekenis
+had van &bdquo;in druk verschijnen&rdquo; en dat daaronder niet viel
+op- en uitvoering en tentoonstelling<a class="noteref" id=
+"xd20e11577src" href="#xd20e11577" name="xd20e11577src">46</a>.</p>
+<p>In Parijs is echter voor de staten, die de <i>Verklaring</i> hebben
+geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de Duitsche
+afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld, waarin de
+wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip &bdquo;<i lang=
+"fr">publication</i>&rdquo; nauwkeuriger vast te stellen<a class=
+"noteref" id="xd20e11595src" href="#xd20e11595" name=
+"xd20e11595src">47</a>. In aansluiting hiermede werd in de
+<i>Verklaring</i> (sub 2<sup>o</sup>) de interpretatie opgenomen, die
+hierboven is weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de
+Conventie 1908 (art. 4 laatste lid). <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11607" href="#xd20e11607" name="xd20e11607">347</a>]</span></p>
+<p>Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in
+druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een
+&bdquo;door den druk gemeen gemaakt&rdquo; werk; tot de niet
+gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v.
+tooneel- en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd;
+mondelinge voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk,
+zoolang zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn
+gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie in
+den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van plannen
+en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke
+vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de
+<i>bouw</i> geene publicatie uitmaakt.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Wat als &bdquo;land van herkomst&rdquo; van een werk wordt beschouwd
+is na bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is
+het het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort;
+voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats
+gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen,
+die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene als
+land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn
+heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de behandeling
+van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk nog een ander
+geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en buiten het
+Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin de uitgave heeft
+plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; de gelijktijdige uitgave
+buiten het Verbond heft dus de bescherming daarbinnen niet op. Deze
+laatste bepaling komt voor het eerst voor in de Conventie 1908; er
+bestaat echter geen reden om aan te nemen, dat volgens de oude
+Conventie anders zou moeten worden beslist.</p>
+<p>Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk
+gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, alleen
+wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het
+auteursrecht uitgaat<a class="noteref" id="xd20e11619src" href=
+"#xd20e11619" name="xd20e11619src">48</a>.</p>
+<p>Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden
+samengevat.</p>
+<p>De Conventie is toepasselijk op: 1<sup>o</sup> De niet door den druk
+gemeen <span class="pagenum">[<a id="xd20e11635" href="#xd20e11635"
+name="xd20e11635">348</a>]</span>gemaakte werken van auteurs, die tot
+een van de landen van het Verbond behooren, en</p>
+<p>2<sup>o</sup> De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig
+van welke nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een
+van de landen van het Verbond heeft plaats gehad.</p>
+<p>Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen
+van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken,
+waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.</p>
+<p>De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de
+Conventie van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in
+het volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de
+wet aldaar verleent;</p>
+<p>in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende
+wetten voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming
+van enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en
+bovendien de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals
+b.v. het vertalingsrecht).</p>
+<p>In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel
+v&oacute;&oacute;r als n&aacute; de herziening van Berlijn)
+weergegeven. Het is nu echter noodig enkele punten eenigszins
+nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens gewezen kan worden op
+hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil
+bezighouden, is: de invloed van de wet van het land van herkomst van
+een werk op de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden
+geniet.</p>
+<p>Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat:
+1<sup>o</sup> geen bescherming in de overige Verbondslanden wordt
+verleend, wanneer niet in het land van herkomst de voorwaarden en
+formaliteiten, die de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en
+2<sup>o</sup> dat de duur van het auteursrecht in de andere
+Verbondslanden dien van de wet van het land van herkomst niet kan
+overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).</p>
+<p>Over de beteekenis van de woorden &bdquo;voorwaarden en
+formaliteiten&rdquo; (<i lang="fr">conditions et formalit&eacute;s</i>)
+kan geen verschil van meening bestaan. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11668" href="#xd20e11668" name="xd20e11668">349</a>]</span>Met
+&bdquo;conditions&rdquo; zijn bedoeld de materieele voorwaarden als
+b.v. het voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige
+gevallen door de wetten wordt ge&euml;ischt;
+&bdquo;formalit&eacute;s&rdquo; zijn de formeele voorwaarden, zooals
+inzending van exemplaren of verklaringen<a class="noteref" id=
+"xd20e11670src" href="#xd20e11670" name="xd20e11670src">49</a>.</p>
+<p>Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in
+de andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en
+formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat
+<i>alleen</i> in het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en
+formaliteiten mag worden ge&euml;ischt; op zeer enkele uitzonderingen
+na is men het steeds over deze uitlegging der bepaling eens geweest;
+van den aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te
+stellen van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle
+Verbondslanden, hetgeen in de practijk immers slechts door zeer
+weinigen zou worden gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs
+op de Conferentie van Parijs: &bdquo;<span lang="fr">le point de
+d&eacute;part et le but principal de la Convention de
+Berne</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e11687src" href=
+"#xd20e11687" name="xd20e11687src">50</a>.</p>
+<p>Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt
+onmogelijk te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring
+(1<sup>o</sup>) nog eens uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie
+<i>alleen</i> in het land van herkomst de vervulling eischt van de door
+de wet gevorderde voorwaarden en formaliteiten.</p>
+<p>Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land
+van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor de
+berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2 Conventie
+1886 kan de bescherming niet langer duren (&bdquo;<i lang="fr">ne peut
+exc&eacute;der</i>&rdquo;) dan in het land van herkomst. Er is
+gestreden over de vraag, of door deze woorden aan de Verbondsstaten de
+verplichting wordt opgelegd, geen bescherming te verleenen, wanneer
+deze in het land van herkomst heeft opgehouden, dan wel of de
+binnenlandsche wetgeving, indien deze ook voor vreemde werken een
+langeren termijn van bescherming stelt dan die van het land van
+herkomst, mocht worden toegepast. Het lijdt m. i. geen twijfel of de
+laatste opvatting is de juiste. Het, meermalen uitgesproken, beginsel
+van de Conventie <span class="pagenum">[<a id="xd20e11705" href=
+"#xd20e11705" name="xd20e11705">350</a>]</span>is altijd geweest, dat
+zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den
+Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving,
+hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te
+breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs,
+van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen
+van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de <i lang=
+"fr">D&eacute;claration</i>, waartoe de Zwitsersche delegatie een
+voorstel had gedaan, onnoodig werd geacht<a class="noteref" id=
+"xd20e11710src" href="#xd20e11710" name="xd20e11710src">51</a>.</p>
+<p>De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, d. w.
+z. de bescherming die het werk <i>krachtens de Conventie</i> toekomt,
+kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst
+verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van
+herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig
+jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht
+vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig
+jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook buiten
+de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.</p>
+<p>De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede,
+dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd is,
+ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de
+Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het
+ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van
+het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten
+(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend is
+volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien men
+met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut van
+de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende wet
+niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste wordt niet
+algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk eene andere
+oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag in de andere
+Verbondslanden <i>niet langer duren</i> dan in het land van herkomst:
+dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land geen bescherming
+wordt verleend, deze ook in de andere landen moet ontbreken. De
+tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge gevolgtrekking
+moeten <span class="pagenum">[<a id="xd20e11726" href="#xd20e11726"
+name="xd20e11726">351</a>]</span>voeren, dat een werk, afkomstig uit
+een land met een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j.
+p. m. a.), in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn
+indien het in het land van herkomst niet, dan indien het er w&eacute;l
+beschermd is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der
+bescherming genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren
+termijn van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.</p>
+<p>Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus,
+dat er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat.
+Indien de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij
+voor het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen,
+behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie
+zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een
+auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die de
+wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming
+betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden) en
+de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten dienst
+staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen de wetten
+van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming wordt
+ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen van de
+laatstgenoemde wet van toepassing.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel eene
+gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 Conventie
+1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van art. 2
+Conventie 1886, luidt als volgt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het
+eerste lid van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele
+formaliteit onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn
+onafhankelijk van het bestaan van bescherming in het land van herkomst
+van het werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer
+Overeenkomst, de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen,
+welke den auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten,
+uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming
+wordt ingeroepen.</p>
+</div>
+<p>Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op dit
+punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn was
+voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en strekte om
+ook den <i>duur</i> der bescherming in de andere Verbondslanden niet
+langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11743" href="#xd20e11743" name=
+"xd20e11743">352</a>]</span>van herkomst. Dit punt is in de Conventie
+1908 afzonderlijk geregeld, en wel in artikel 7. Ik stel dus de
+bespreking tot later uit, maar wensch hier reeds te vermelden, dat er,
+wat den duur der bescherming betreft, aan den ouden toestand feitelijk
+niets is veranderd. Volkomen onafhankelijkheid van de wet van het land
+van herkomst heeft dus de Conventie 1908 niet gebracht. W&eacute;l
+echter houdt het nieuwe artikel, zooals men ziet, de uitdrukkelijke
+bepaling in, dat het ontbreken van bescherming&mdash;om welke reden dan
+ook&mdash;in het land van herkomst geen beletsel is voor de bescherming
+in de andere landen.</p>
+<p>De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen,
+n&oacute;ch in het land van herkomst, n&oacute;ch in dat waar de
+bescherming wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van
+&bdquo;formaliteiten&rdquo;, niet, zooals vroeger van
+&bdquo;voorwaarden en formaliteiten&rdquo;; doch in het
+commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met
+&bdquo;formalit&eacute;s&rdquo; hetzelfde bedoelde als wat de Conventie
+1886 noemde: &bdquo;conditions et formalit&eacute;s&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e11748src" href="#xd20e11748" name=
+"xd20e11748src">52</a>. Welke reden men had om de oude uitdrukking niet
+meer in haar geheel over te nemen, wordt niet meegedeeld;
+waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord &bdquo;condition&rdquo;
+misschien wat &aacute;l te ruim mocht worden opgevat. Op de
+mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting
+harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend
+worden de &bdquo;innerlijke voorwaarden&rdquo; die als het ware tot het
+recht zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te
+zijn verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht
+om een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen
+uitkomen, had de Duitsche Regeering in plaats van &bdquo;voorwaarden en
+formaliteiten&rdquo; willen lezen &bdquo;formaliteiten en
+<i>uiterlijke</i> voorwaarden&rdquo; (<i lang="fr">conditions
+extrins&egrave;ques</i>)<a class="noteref" id="xd20e11759src" href=
+"#xd20e11759" name="xd20e11759src">53</a>. Tot die uiterlijke
+voorwaarden behooren dan b.v. het voorbehoud, de vermelding van den
+naam des auteurs en andere verklaringen of mededeelingen van dien aard
+op de gedrukte exemplaren van het werk.</p>
+<p>Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds&mdash;en ook op de
+Conferentie van Berlijn&mdash;eens geweest; de moeilijkheid lag slechts
+in het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11766" href="#xd20e11766" name=
+"xd20e11766">353</a>]</span>spreekt van &bdquo;formaliteiten&rdquo;
+zijn daaronder zonder twijfel ook de &bdquo;uiterlijke
+voorwaarden&rdquo;, welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen.
+Voor een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men
+zich in het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit
+meer heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan
+geen twijfel onderhevig, daar immers het <i>bestaan</i> van bescherming
+aldaar niet eens meer wordt ge&euml;ischt. En van het vervullen van
+voorwaarden en formaliteiten in de andere landen was men&mdash;zooals
+hierboven is medegedeeld&mdash;reeds krachtens de Conventie 1886
+vrijgesteld. Dat de Conventie 1908 hierin verandering zou hebben
+gebracht en dus eene belemmering voor de bescherming zou hebben
+ingevoerd, die vroeger niet bestond, zal wel niemand, die zich van de
+beteekenis en het doel der Berlijnsche herziening eenigermate op de
+hoogte heeft gesteld, durven beweren.</p>
+<p>Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de
+Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond een
+einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat
+ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, die in het
+eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is alleen
+sprake van de bescherming, die de <i>tot een der Verbondslanden
+behoorende auteurs</i> genieten in alle landen van het Verbond,
+<i>behalve in het land van herkomst</i> van het werk. Artikel 4 beslist
+dus niets ten aanzien van de bescherming die de tot een der
+Verbondslanden behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van
+het werk; en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke
+niet tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land
+van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende
+bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide
+artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te
+worden.</p>
+<p>Artikel 5 is als volgt geredigeerd:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Zij die tot een der landen van het Verbond behooren,
+en hunne werken voor de eerste maal publiceeren in een ander
+Verbondsland, hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de
+inlandsche auteurs.</p>
+</div>
+<p>Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men
+achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land
+van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig, dat
+de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11787" href="#xd20e11787" name=
+"xd20e11787">354</a>]</span></p>
+<p>De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der
+bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de
+motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke
+de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde
+stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat
+aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te
+zeggen genationaliseerd zou zijn<a class="noteref" id="xd20e11790src"
+href="#xd20e11790" name="xd20e11790src">54</a>. Met deze overweging
+hebben alle Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het
+Commissieverslag<a class="noteref" id="xd20e11795src" href=
+"#xd20e11795" name="xd20e11795src">55</a>, kunnen vereenigen en het
+voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat de redactie eenigszins was
+gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.</p>
+<p>Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op het
+oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk <i>niet</i> dat
+is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet met
+de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor zijne
+onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land zelf
+heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel der
+Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene bepaling
+in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet op de
+bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht, daar
+in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door de wet
+aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is dit echter
+ten aanzien van enkele dezer werken w&eacute;l het geval; reden waarom
+ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.</p>
+<p>De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er
+wordt eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten
+als voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling
+dus van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de
+inlandsche auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere
+rechten, die in de Conventie zelve omschreven zijn.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het
+Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen
+d&aacute;n in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst
+daarbinnen <span class="pagenum">[<a id="xd20e11811" href="#xd20e11811"
+name="xd20e11811">355</a>]</span>zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo
+onder de Conventie 1886, met dit belangrijke verschil echter, dat
+volgens de oude bepaling (Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht
+toekwam niet aan den auteur, maar aan den uitgever. Het motief voor
+deze zonderlinge bepaling was vooral geweest, dat men het den auteurs
+van landen, die nog niet tot het Verbond zouden zijn toegetreden, niet
+te gemakkelijk wilde maken, daar hierdoor het belang, dat die landen
+erbij zouden hebben om alsnog toe te treden, aanzienlijk zou
+verminderen; de werken dezer auteurs zouden wel in het Verbond
+beschermd zijn, maar niet zij, doch de uitgevers, die dan toch in elk
+geval binnen het Verbond gedomicilieerd zouden zijn, zouden van die
+bescherming mogen genieten<a class="noteref" id="xd20e11813src" href=
+"#xd20e11813" name="xd20e11813src">56</a>.</p>
+<p>De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde,
+is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij de
+uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen het
+Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever het
+auteursrecht. Moest men dit z&oacute;&oacute; verstaan, dat de uitgever
+dit recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had
+meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den auteur
+had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met de
+allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag
+liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling alleen
+sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had verleend.
+Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever overdragen, daar
+hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de auteur, wanneer hij
+zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden kon stellen ten aanzien
+van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht dan wel of de uitgever ook
+hierover, onafhankelijk van den auteur, kon beschikken. Neemt men het
+eerste aan (dat dus de auteur den uitgever bij contract kon verplichten
+slechts enkele der uit het auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit
+te oefenen, terwijl hij de overige aan zich kon houden), dan zou de
+bepaling practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien
+het auteursrecht direct aan den auteur ware verleend. De eenige
+moeilijkheid, welke hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou
+dan zijn, dat hij, om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij
+ingewikkeld <span class="pagenum">[<a id="xd20e11820" href=
+"#xd20e11820" name="xd20e11820">356</a>]</span>contract met een binnen
+het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk geval kon m. i.
+de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid was, met dezen
+contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur, het volle
+auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook moge
+geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.</p>
+<p>Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder
+uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden<a class=
+"noteref" id="xd20e11824src" href="#xd20e11824" name=
+"xd20e11824src">57</a>. Hieraan was het zeker voor een goed deel te
+danken, dat er aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in
+bescherming nam; de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld,
+strekten alle, om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan
+de auteurs te verleenen<a class="noteref" id="xd20e11832src" href=
+"#xd20e11832" name="xd20e11832src">58</a>. In dezen zin werd ook
+besloten. De Add. Acte 1896 bracht nu de volgende lezing van het oude
+art. 3:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond
+behooren, maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst
+in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren,
+genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de
+tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.</p>
+</div>
+<p>De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele
+veranderingen gebracht. Alleen werd&mdash;evenals ten aanzien van de
+tot het Verbond behoorende auteurs was geschied&mdash;onderscheid
+gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst (in dit geval
+dus het land waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal
+gepubliceerd heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling
+werd als volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De niet tot een der landen van het Verbond behoorende
+auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen
+publiceeren, genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs, en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de
+tegenwoordige Overeenkomst verleent.</p>
+</div>
+<p>De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken
+binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een der
+Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben zij in het
+land van herkomst &bdquo;dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs&rdquo;&mdash;eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene
+toelichting meer behoeft&mdash;en in de overige Verbondslanden
+&bdquo;de rechten, <span class="pagenum">[<a id="xd20e11851" href=
+"#xd20e11851" name="xd20e11851">357</a>]</span>welke de tegenwoordige
+Overeenkomst verleent&rdquo;, hetgeen dus insluit: behandeling in elk
+land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel
+voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2)
+benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve
+omschrijft.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na te
+gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van ons land
+bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen tot de
+Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en van de Add.
+Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit kan m. i. veilig
+geschieden, daar er n&oacute;ch uit practisch, n&oacute;ch uit
+theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een of
+meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals zij
+in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis, die de
+Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat de
+bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt van
+die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden en
+formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven te
+worden.</p>
+<p>Indien&mdash;wat te hopen is&mdash;de formaliteiten, die onze wet nu
+nog eischt, v&oacute;&oacute;r onze toetreding tot het Verbond zullen
+zijn afgeschaft, zal tegen aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der
+Conventie wel door niemand bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn
+geschied, dan bestaat er evenmin eenige reden, om aan het stelsel der
+Conventie 1886 boven het gewijzigde de voorkeur te geven, daar men
+hiermede toch niet zou kunnen verhinderen, dat hier te lande
+bescherming zou moeten worden verleend aan werken waarvoor geen
+formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit de Verbondslanden, waar
+de wet ze niet eischt, welke landen verreweg de meerderheid vormen);
+terwijl voor de auteurs van uit Nederland herkomstige werken het gevolg
+zou zijn, dat zij bij verzuim van de door onze wet gestelde voorwaarden
+en formaliteiten niet alleen hier, maar ook in het geheele Verbond,
+bescherming zouden moeten missen.</p>
+<p>Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft
+gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking reeds
+gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en
+verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze
+door <span class="pagenum">[<a id="xd20e11861" href="#xd20e11861" name=
+"xd20e11861">358</a>]</span>nieuwe, daarvan afwijkende regels.
+Volledigheidshalve wil ik ze nog even opsommen:</p>
+<p>1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die in
+de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de
+Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd
+zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).</p>
+<p>2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere
+Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden
+gemaakt, ook: &bdquo;de rechten welke uitdrukkelijk door de
+tegenwoordige Overeenkomst worden toegekend&rdquo; (art. 4 lid 1). Dit
+is uitsluitend terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de
+Conventie 1886 konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden
+zij niet in art. 2 genoemd.</p>
+<p>3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van &bdquo;auteurs of hunne
+rechtverkrijgenden&rdquo; is dit in de Conventie 1908 overal (niet
+alleen in de hier besproken artikelen) veranderd in
+&bdquo;auteurs&rdquo;. De toevoeging &bdquo;of hunne
+rechtverkrijgenden&rdquo; werd overbodig geacht, daar immers de
+vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist
+wordt<a class="noteref" id="xd20e11869src" href="#xd20e11869" name=
+"xd20e11869src">59</a>.</p>
+<p>4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond
+en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie 1886
+niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van het
+Verbond alleen als land van herkomst geldt.</p>
+<p>Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan,
+om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan dit
+het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in de
+Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het
+Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3)
+aan de <i>uitgevers</i> verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover
+reeds is gezegd, geene toelichting meer.</p>
+<p>Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding
+tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908
+zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit
+zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het Ontw.
+B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11887" href="#xd20e11887" name=
+"xd20e11887">359</a>]</span>onderscheid maakt tusschen door den druk
+gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen gemaakte werken (<i lang=
+"fr">oeuvres publi&eacute;es</i> en <i lang="fr">oeuvres non
+publi&eacute;es</i>), kunnen deze twee categorie&euml;n ook bij dit
+onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.</p>
+<hr class="tb">
+<p>1 <i>Niet door den druk gemeen gemaakte werken</i>&mdash;Artikel 27
+van de W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in
+<span class="corr" id="xd20e11903" title=
+"Bron: Nederlandsch-Indi&ecirc;">Nederlandsch-Indi&euml;</span>
+woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling bij onze toetreding
+behouden blijft, dan zal zij door de Conventie in zooverre worden
+aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op alle niet door den
+druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een der andere
+Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve zullen in dat
+geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland de
+onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig zijn,
+en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de Conventie
+zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet door den druk
+gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die in een ander
+land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet) woonachtig
+zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt, beschermt deze
+werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven gezien hebben,
+geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming van de
+onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het gestelde
+geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in
+Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande <i>niet</i> beschermd
+zijn, terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een <i>uit
+Nederland herkomstig</i> werk (art. 4 lid 3) w&eacute;l bescherming zou
+vinden. Daarentegen zou het werk ook in Nederland beschermd zijn,
+indien de in Duitschland wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher
+was, daar in dat geval niet Nederland, maar Duitschland het &bdquo;land
+van herkomst&rdquo; zou wezen en dus hier te lande art. 4 lid 1 der
+Conventie erop toepasselijk zou zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van
+het domicilie-stelsel onzer wet bij aansluiting tot de Conventie tot
+onredelijke gevolgen zou leiden en dat het dus beter ware
+daarbij&mdash;of in de plaats daarvan&mdash;het nationaliteitsstelsel
+in te voeren, temeer daar dit laatste ook om andere, reeds door mij
+genoemde redenen, de voorkeur verdient.</p>
+<p>De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11914" href="#xd20e11914" name=
+"xd20e11914">360</a>]</span>aanzien der mondelinge voordrachten (waarop
+zij toepasselijk is indien de voordracht in Nederland of
+Nederlandsch-Indi&euml; is gehouden)<a class="noteref" id=
+"xd20e11916src" href="#xd20e11916" name="xd20e11916src">60</a> kan hier
+buiten beschouwing blijven. W&aacute;&aacute;r eene voordracht gehouden
+is, is op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen
+invloed. Is een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de
+Conventie eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van
+herkomst), al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in
+Nederland gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens
+de Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst
+heeft.</p>
+<p>Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den
+Nederlandschen rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid
+worden gemaakt tusschen twee gevallen:</p>
+<p><i>a</i>) Nederland is volgens de Conventie het &bdquo;land van
+herkomst&rdquo;. De Conventie trekt zich in dat geval het lot van het
+werk in Nederland zelf niet aan; de bescherming berust derhalve
+uitsluitend op de Nederlandsche wet.</p>
+<p><i>b</i>) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot
+&bdquo;land van herkomst&rdquo;. In dat geval kan de auteur krachtens
+art. 4 lid 1 der Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak
+maken op:</p>
+<p>1<sup>o</sup> alle rechten, die onze wet toekent, en</p>
+<p>2<sup>o</sup> de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk
+toekent (vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet
+hierbij in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1<sup>o</sup>
+genoemde rechten betreft, de <i>duur</i> daarvan niet langer kan zijn
+dan die, welke in het land van herkomst van het werk geldt. Meerdere
+bijzonderheden hierover zullen nog hieronder, bij de behandeling van
+art. 7 der Conventie, worden medegedeeld.</p>
+<hr class="tb">
+<p>2 <i>Door den druk gemeen gemaakte werken</i>&mdash;Deze werken
+vinden volgens onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande
+bescherming, indien zij in Nederland of Nederlandsch-Indi&euml; zijn
+gedrukt en door den druk gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze
+bepaling, gesteld dat men haar onveranderd liet, na onze toetreding tot
+de Conventie zou hebben, goed in te zien, is het weer noodig van
+elkander te onderscheiden het geval dat Nederland het land van
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e11952" href="#xd20e11952" name=
+"xd20e11952">361</a>]</span>herkomst van het werk is volgens de
+Conventie en d&aacute;t, waarin het werk een ander Verbondsland tot
+land van herkomst heeft.</p>
+<p>Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen
+gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie <i>uit
+Nederland herkomstige werken</i> zijn en als zoodanig in alle andere
+Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland zelf
+bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen
+Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven dus,
+ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is, wat de
+bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de Nederlandsche
+wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van art. 27 W. A. R.
+zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te zijn, niet alleen
+aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt moeten worden;
+bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt (inzending van
+twee exemplaren van het werk bij het Departement van Justitie benevens
+van eene verklaring van den drukker, dat het werk op zijne in het Rijk
+gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10) vervuld moeten
+worden.</p>
+<p>De Conventie bevat echter w&eacute;l bepalingen, die betrekking
+hebben op de bescherming in het land van herkomst van door den druk
+gemeen gemaakte werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende
+auteurs. Zoowel de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden
+behooren (art. 5) als die, welke tot geen der landen van het Verbond
+behooren (art. 6) genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de
+eerste maal door den druk wordt gemeen gemaakt, &bdquo;dezelfde rechten
+als de inlandsche auteurs.&rdquo; Men ziet, dat deze bepaling in het
+gestelde geval ten aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben.
+Wat de Conventie eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van
+vreemdelingen en eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds
+volgens onze wet, daar zij ten aanzien der door den druk gemeen
+gemaakte werken geen onderscheid maakt tusschen Nederlanders en
+vreemdelingen. Derhalve zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken
+alhier deden uitgeven, aan de bovengenoemde voorwaarden en
+formaliteiten van onze wet gebonden blijven.</p>
+<p>Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond
+door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere
+Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de
+volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11963" href="#xd20e11963" name=
+"xd20e11963">362</a>]</span>wet toekent en daarenboven de uitdrukkelijk
+door de Conventie verleende rechten), maar ook alhier van alle
+voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn (art. 4 lid 2, art.
+6).</p>
+<p>Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de
+eisch, dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending
+bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de, toch
+al twijfelachtige<a class="noteref" id="xd20e11968src" href=
+"#xd20e11968" name="xd20e11968src">61</a>, reden van bestaan dezer
+bepalingen nog aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit
+zouden hier beschermd zijn alle werken, die in een der andere
+Verbondslanden zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in
+Nederland zelf laten verschijnen, zouden&mdash;voor de bescherming in
+Nederland&mdash;zich de vervulling der formaliteiten hebben te
+getroosten. En wat het vereischte betreft, dat het werk in Nederland
+moet zijn gedrukt, dit zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat
+er tegen het laten drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar
+bestaat en men toch op bescherming van het werk in ons land prijsstelt,
+dan zal de aangewezen weg zijn, ook de <i>uitgave</i> in het buitenland
+(mits binnen het Verbond) te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in
+Duitschland is gedrukt, zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever
+uitkwam, in Nederland <i>niet</i> beschermd zijn; w&eacute;l echter,
+indien het ook in Duitschland werd uitgegeven. Uitgave in Duitschland
+in plaats van in Nederland zou bovendien nog het voordeel opleveren,
+dat de bescherming&mdash;ook die in Nederland&mdash;van geene
+formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl ook de uitgebreidheid der
+bescherming in Nederland erdoor zou winnen, daar het werk dan als
+&bdquo;uit een ander Verbondsland herkomstig&rdquo;, ook de
+uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds
+nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn er
+Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland, maar in
+een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de bescherming in
+het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog hiervan weerhoudt,
+is dat zij daardoor de bescherming in Nederland zelf verbeuren. Dit
+laatste zal echter, wanneer ons land bij het Verbond zal zijn
+aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel: hun werk zal,
+zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e11977" href="#xd20e11977" name=
+"xd20e11977">363</a>]</span>werk, d.w.z. uit een ander Verbondsland
+afkomstig, in Nederland nog beter beschermd zijn dan indien het in
+Nederland was uitgegeven.</p>
+<p>Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft,
+deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de in
+Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de
+bescherming overal verleend wordt <i>onafhankelijk</i> van die in het
+land van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht
+geen verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander
+Verbondsland als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin
+vergissen. Indien ons land op het punt van het vertalingsrecht zich
+houdt aan de oude regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg
+zijn, dat een uit Nederland herkomstig werk in alle andere
+Verbondslanden slechts tien jaar tegen vertalingen is beschermd,
+terwijl een werk, afkomstig uit een land dat de Conventie 1908
+onvoorwaardelijk heeft aanvaard, zoolang het auteursrecht duurt tegen
+vertalingen beschermd is. En behalve deze zullen er, zooals hieronder
+zal blijken, nog meer redenen kunnen zijn, waarom de auteurs ons land
+niet als het meest gewenschte &bdquo;land van herkomst&rdquo; van hunne
+werken zullen beschouwen.</p>
+<p>Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het
+bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien ons
+land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde
+bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter
+beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze
+w&eacute;l binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een
+reden zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der
+andere Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans
+bestaat in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze
+kans reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke
+formaliteit van inzending van twee exemplaren van elk werk en de
+voorwaarde, dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt
+moet zijn, te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling
+bestaat des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen,
+dat er na onze aansluiting tot de Conventie niet &eacute;&eacute;n werk
+meer in Nederland om zal worden gedrukt. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e11986" href="#xd20e11986" name="xd20e11986">364</a>]</span></p>
+<p>Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. <span class=
+"corr" id="xd20e11989" title="Bron: R.">B.</span> K. in verband met de
+artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het bovenstaande
+overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881, met het door
+de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er wordt geen
+onderscheid gemaakt tusschen w&eacute;l en niet door den druk gemeen
+gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:</p>
+<p><i>a</i>) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indi&euml;
+<i>woonachtige</i> auteurs (hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is
+opgemerkt ten aanzien der analoge bepaling in W. A. R.);</p>
+<p><i>b</i>) de in Nederland of Nederlandsch-Indi&euml;
+<i>vervaardigde</i> kunstwerken.</p>
+<p>Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd
+zijn:</p>
+<p><i>a</i>) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs,
+die tot een der Verbondslanden behooren;</p>
+<p><i>b</i>) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het
+eerst door den druk zijn gemeen gemaakt.</p>
+<p>Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:</p>
+<p><i>c</i>) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal
+in Nederland door den druk gemeen lieten maken.</p>
+<p>De onder <i>a</i> en <i>b</i> genoemde werken zouden hier beschermd
+zijn zonder eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der
+onder <i>c</i> genoemde auteurs.</p>
+<p>Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven tot
+bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene
+beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk dertig
+dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of wel
+openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe van
+tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is (pp.
+273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid dezer
+bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel voorbeeld
+slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare handhaving in
+het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding tot de Conventie.
+Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het land en verzuimt binnen
+dertig dagen eene beschrijving ervan in te zenden. Gevolg: verlies van
+het auteursrecht in Nederland. In alle andere Verbondslanden echter is
+het schilderij als een Nederlandsch werk (nl. een niet door den druk
+gemeen gemaakt werk van een Nederlandsch auteur) w&eacute;l beschermd.
+Gesteld nu, dat daarna <span class="pagenum">[<a id="xd20e12036" href=
+"#xd20e12036" name="xd20e12036">365</a>]</span>van hetzelfde schilderij
+in Berlijn eene reproductie in het licht wordt gegeven, dan is het
+geworden een door den druk gemeen gemaakt werk met Duitschland als land
+van herkomst, en geniet het derhalve weer de bescherming in Nederland,
+zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of formaliteit mag worden
+gesteld. Een Franschman echter, die precies hetzelfde doet, zou ook
+v&oacute;&oacute;r de publicatie in Nederland beschermd zijn, daar men
+in dat geval te doen zou hebben met een niet door den druk gemeen
+gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch stellen wij nu,
+dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar in Amsterdam door
+den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de bescherming in Nederland
+wederom verliezen. Immers dan zou Nederland het land van herkomst zijn
+geworden en de Fransche auteur zou krachtens art. 5 der Conventie
+slechts aanspraak kunnen maken in Nederland op dezelfde behandeling die
+de Nederlandsche auteurs er genieten, hetgeen in dit geval zou
+beteekenen: van alle bescherming verstoken te zijn. Uitgave in het land
+zelf zou dus hier tengevolge hebben verlies van het auteursrecht,
+terwijl in het eerstgenoemde geval door de uitgave in het buitenland
+het auteursrecht alhier zou ontstaan!</p>
+<hr class="tb">
+<p>De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de
+volgende.</p>
+<p>De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot
+het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het
+Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen of
+te doen vervallen. Ons land <i>kan</i> dus lid worden van het Verbond
+met bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R.
+en 7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien
+van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn)
+terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan de
+bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in den
+weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs en
+uitgevers de slachtoffers zouden worden.</p>
+<p>Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende
+wijzigingen in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in
+alle opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12049" href="#xd20e12049" name=
+"xd20e12049">366</a>]</span></p>
+<p>1<sup>o</sup> Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren
+en beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning
+dus van het auteursrecht zoowel op niet als w&eacute;l door den druk
+gemeen gemaakte werken zonder eenige formaliteit;</p>
+<p>2<sup>o</sup> Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid
+onzer wet zijn gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is
+op:</p>
+<p><i>a</i>) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van
+Nederlandsche onderdanen;</p>
+<p><i>b</i>) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk
+zijn gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou
+ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid W. A. R.
+voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker onderteekende
+verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is
+gedrukt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.1.4">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886
+art. 2 lid 2)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De regeling van den duur der bescherming volgens de
+Conventie 1886 is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de
+punten, waarop de bepalingen van de wet van het land van herkomst van
+een werk van invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in
+de andere landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen
+de wet van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die
+den kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den
+duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.</p>
+<p>Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de
+bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar
+geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het land
+van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een
+amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht
+betreft &eacute;&eacute;n termijn vast te stellen, die in het geheele
+Verbond zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd
+opgemerkt, dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd
+aangenomen, eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van
+een land met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van
+den langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12075" href="#xd20e12075" name=
+"xd20e12075">367</a>]</span>beschermd zijn, wanneer het auteursrecht in
+hun eigen land reeds een einde had genomen, terwijl daartegenover in
+het eerstgenoemde land de vreemde auteurs zich met de bescherming van
+korten duur tevreden zouden moeten stellen. Dit zou&mdash;zoo meende de
+Fransche delegatie&mdash;voor sommige landen eene aanleiding kunnen
+zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van korten duur in te
+voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun nationaal standpunt
+alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren<a class="noteref" id=
+"xd20e12077src" href="#xd20e12077" name="xd20e12077src">62</a>.</p>
+<p>De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het
+Duitsche en het Fransche voorstel.</p>
+<p>In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond
+aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid van
+het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De duur der bescherming, die door de tegenwoordige
+Overeenkomst wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig
+jaren na zijn dood.</p>
+</div>
+<p>Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede
+lid van het artikel luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk
+door alle landen van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur
+geregeld worden door de wet van het land waar de bescherming wordt
+ingeroepen en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst,
+niet mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg
+slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen voor
+zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.</p>
+</div>
+<p>De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van
+vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet,
+slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het
+auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van
+deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie
+worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij de
+bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden
+voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is&mdash;zooals ik reeds
+opmerkte&mdash;niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent,
+dat de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den
+dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet de
+verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12098" href="#xd20e12098" name=
+"xd20e12098">368</a>]</span>te brengen. De Engelsche Regeering heeft
+zich zelfs op de Berlijnsche Conferentie, bij monde van den
+gedelegeerde Askwith, hare volle vrijheid van handelen op dit punt
+uitdrukkelijk voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e12100src" href=
+"#xd20e12100" name="xd20e12100src">63</a>.</p>
+<p>Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het
+geheele eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te
+houden en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de
+bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu men
+het eenmaal in beginsel over &eacute;&eacute;n termijn eens bleek te
+kunnen worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst
+der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den dood
+des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de
+officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat
+niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een
+door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste staten
+ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.</p>
+<p>Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden
+hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor
+enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn van
+drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het
+recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen<a class="noteref"
+id="xd20e12109src" href="#xd20e12109" name=
+"xd20e12109src">64</a><span class="corr" id="xd20e12114" title=
+"Niet in bron">)</span>, zijn met het uitgesproken beginsel niet in
+strijd. Verder is de algemeene regel van het eerste lid van artikel 7
+niet toepasselijk op: photographie&euml;n en daarmede gelijksoortige
+werken, nagelaten werken en anonieme of pseudonieme werken. De duur van
+het recht op deze werken zal geregeld worden door de wet van het land,
+waar de bescherming wordt ingeroepen, doch zal niet langer kunnen zijn
+dan die, welke de wet van het land van herkomst vaststelt (art. 7 lid
+3).</p>
+<p>Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de
+Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven (p.
+350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur der
+bescherming dien van het land van herkomst &bdquo;niet kan
+overtreffen&rdquo; (<i lang="fr">ne peut exc&eacute;der</i>) geldt ook
+voor het nieuwe artikel 7 der Conventie 1908. Er is niet mede bedoeld
+een absoluut verbod om langer bescherming te verleenen; doch het is
+slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan de bescherming, die
+<i>volgens hare bepalingen</i> wordt <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12125" href="#xd20e12125" name=
+"xd20e12125">369</a>]</span>verleend, stelt. Op rechten, die buiten de
+Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de bepaling dus niet
+toepasselijk<a class="noteref" id="xd20e12127src" href="#xd20e12127"
+name="xd20e12127src">65</a>.</p>
+<p>De wet van het land van herkomst blijft dus op dit
+&eacute;&eacute;ne punt: de berekening van den duur der bescherming,
+haar invloed op de bescherming in de andere Verbondslanden behouden.
+Indien echter een werk in het land van herkomst in het geheel niet
+beschermd is&mdash;hetgeen trouwens ingevolge de bepalingen van art. 2
+lid 3 Conventie 1908 wel niet dikwijls meer zal voorkomen&mdash;dan kan
+dit niet meer, zooals onder de oude Conventie, een reden zijn om er ook
+in de andere landen bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke
+bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de
+andere landen &bdquo;onafhankelijk is van het bestaan van bescherming
+in het land van herkomst van het werk&rdquo; laat in dit opzicht geen
+ruimte voor eenigen twijfel over.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld
+naar aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in
+ernstige overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van
+vijftig jaar na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe,
+zooals uit het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch
+schijnt het mij ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel
+van onze wet, waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt
+genomen voor de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven
+dat van de Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan
+ontegenzeggelijk ook nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide
+stelsels is in een vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en
+de slotsom was, dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om
+aan het een boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie
+echter tusschen de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle
+staten, zoowel die reeds aangesloten waren als die zich later
+aansluiten, zich ter bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij
+neer te leggen. Dat trouwens ons land, door het stelsel van onze wet
+prijs te geven, een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen
+beweren. Het zal integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het
+Verbond, ook uit zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het
+auteursrecht van onze <span class="pagenum">[<a id="xd20e12137" href=
+"#xd20e12137" name="xd20e12137">370</a>]</span>wet even lang duurt als
+in de andere Verbondslanden. Behoud van ons systeem (vijftig jaar na de
+uitgave en ten minste tot den dood des auteurs, indien deze zijn recht
+nooit heeft overgedragen) na onze aansluiting zou tot gevolg hebben,
+dat in het grootste gedeelte van het Verbond de uit Nederland
+afkomstige werken veel korter beschermd zouden zijn dan die uit andere
+landen. Dit zou dus alweer een reden kunnen zijn voor Nederlandsche
+auteurs, om hunne werken niet hier, maar in een der andere
+Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij aan deze werken een beter
+&bdquo;land van herkomst&rdquo; zouden kunnen bezorgen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch7.2.2">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen</h4>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.1">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8;
+Conv. 1886 art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van
+het uitsluitend vertalingsrecht in de internationale betrekkingen
+behoeft niet meer gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner
+Conventie was men hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt:
+&bdquo;la disposition capitale et essentielle du projet&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e12147src" href="#xd20e12147" name=
+"xd20e12147src">66</a> en later, op de Conferentie van Parijs:
+&bdquo;la question internationale par excellence&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e12152src" href="#xd20e12152" name=
+"xd20e12152src">67</a>, en dat dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan
+o. a. blijken uit de lange beraadslagingen, zoowel te Bern als te
+Parijs en Berlijn over deze kwestie gehouden.</p>
+<p>In het ontwerp der <i lang="fr">Association</i> was het uitsluitend
+vertalingsrecht met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5);
+evenzoo in art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad,
+waarbij echter subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld:
+&bdquo;indien van dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt
+gebruik gemaakt.&rdquo;</p>
+<p>Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake bij
+de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde
+vraagpunten. Een dezer vragen luidde:</p>
+<p>&bdquo;Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn
+aan die van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen,
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12166" href="#xd20e12166" name=
+"xd20e12166">371</a>]</span>moet dan die duur niet voor het geheele
+Verbond eenvormig worden vastgesteld?&rdquo;</p>
+<p>De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een
+vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden en
+Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk zou
+maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van
+eenstemmigheid van alle staten op dit punt<a class="noteref" id=
+"xd20e12170src" href="#xd20e12170" name="xd20e12170src">68</a>.</p>
+<p>Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel
+van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren
+geformuleerd:</p>
+<p>1<sup>o</sup>. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een
+uniforme termijn van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was
+aangenomen, te beginnen op het tijdstip van de uitgave eener
+geautoriseerde vertaling, en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar
+na de uitgave van het oorspronkelijke werk plaats heeft. Een
+maximumtermijn derhalve van dertien jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijke werk.</p>
+<p>2<sup>o</sup>. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim
+afkomstig voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave
+van het oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de
+taal, waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die
+uitgave verschijnt.</p>
+<p>3<sup>o</sup>. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen
+gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel
+was uitgesproken.</p>
+<p>Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie
+onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie
+aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht
+uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave der
+vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk het
+licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze voorwaarde
+voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van haar voorstel
+verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar oordeel, dat
+&bdquo;<span lang="fr">la tendance de l&rsquo;&eacute;poque est
+&agrave; l&rsquo;assimilation de la dur&eacute;e du droit exclusif de
+traduction &agrave; celle du droit sur l&rsquo;oeuvre
+originale</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e12197src" href=
+"#xd20e12197" name="xd20e12197src">69</a>, doch dat de voorgestelde
+redactie alleen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12202" href=
+"#xd20e12202" name="xd20e12202">372</a>]</span>gekozen was, om de
+toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet zoover gevorderd
+was, mogelijk te maken.</p>
+<p>In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van
+Fransche zijde (Lavoll&eacute;e en Renault) op volkomen gelijkstelling
+aangedrongen, terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid
+werd verklaard om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te
+verleenen dan een vertalingsrecht van tien jaar<a class="noteref" id=
+"xd20e12207src" href="#xd20e12207" name="xd20e12207src">70</a>.</p>
+<p>Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie
+vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche wetgevingen
+over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en Italiaansche
+afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door den auteur
+goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen, weg te laten,
+&oacute;f&mdash;indien men hiertoe niet kon besluiten&mdash;in elk
+geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest
+verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te
+verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen
+kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou
+volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden gelaten
+aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie te zeer
+beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel werden ook
+eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel werd
+verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met het
+beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming
+hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie
+zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van
+overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten,
+dat v&oacute;&oacute;r de verstrijking van den tienjarigen termijn de
+Conventie reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.</p>
+<p>Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had
+voorgesteld, in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien
+jaren na de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al
+of niet binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.</p>
+<p>Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie
+1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn van
+tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e12218" href="#xd20e12218" name=
+"xd20e12218">373</a>]</span>als een overgangsmaatregel beschouwd; men
+stelde zich ermede tevreden, omdat nu eenmaal op het oogenblik niet
+meer was te bereiken, en in de stellige verwachting, dat het slechts
+eene kwestie van tijd was, het juiste beginsel in zijn geheel
+doorgevoerd te krijgen. Dat hierover alle Berner gedelegeerden het eens
+waren, blijkt wel uit den wensch, zoowel in 1884 als in 1885
+uitgesproken:</p>
+<p>&bdquo;<span lang="fr">Il y aurait lieu de favoriser autant que
+possible la tendance vers l&rsquo;assimilation compl&egrave;te du droit
+de traduction au droit de reproduction en
+g&eacute;n&eacute;ral</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e12225src" href="#xd20e12225" name="xd20e12225src">71</a>.</p>
+<p>Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de
+Conferentie van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet
+onbesproken zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den
+eisch van &bdquo;<i lang="fr">assimilation compl&egrave;te</i>&rdquo;.
+Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog niet volkomen rijp te zijn en
+daarom werd, vooral ten gerieve van Engeland en Itali&euml;, weer een
+middenweg gekozen nl. gelijkstelling in duur, doch op voorwaarde dat
+binnen tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk eene door
+den auteur goedgekeurde vertaling verschijnt in de taal, waarvoor de
+bescherming wordt ingeroepen.</p>
+<p>Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat
+zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde
+verklaringen<a class="noteref" id="xd20e12243src" href="#xd20e12243"
+name="xd20e12243src">72</a>. Zelfs werd, om het den toekomstigen
+herzieners der Conventie gemakkelijk te maken, de redactie van de
+nieuwe bepaling zoodanig gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte
+beginsel (volkomen gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht)
+zonder meer is vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de
+beperkende voorwaarde inhoudt, welke men later hoopte te zien
+verdwijnen. &bdquo;<span lang="fr">Nos successeurs n&rsquo;auront
+qu&rsquo;&agrave; supprimer tout ce qui suit cette
+phrase</span>&rdquo;, merkte Renault in zijn rapport daarbij
+op<a class="noteref" id="xd20e12251src" href="#xd20e12251" name=
+"xd20e12251src">73</a><span class="corr" id="xd20e12255" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p>En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer de
+opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van zijne in
+1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang
+gekoesterden wensch constateeren<a class="noteref" id="xd20e12260src"
+href="#xd20e12260" name="xd20e12260src">74</a>. Het voorstel was
+uitgegaan van Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het
+Berner <span class="pagenum">[<a id="xd20e12265" href="#xd20e12265"
+name="xd20e12265">374</a>]</span>Bureau de werkzaamheden der
+Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel (art. 8 Conventie 1908)
+luidt nu als volgt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De tot een der landen van het Verbond behoorende
+auteurs van niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke
+voor de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in
+de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht op het
+oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken te vertalen of
+tot de vertaling toestemming te verleenen.</p>
+</div>
+<p>Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van
+Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel
+ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend
+vertalingsrecht&mdash;doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en
+de overige Verbondslanden&mdash;geheel te doen vervallen. Als argument
+voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche
+taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen, dat
+daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en zelden
+voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de andere
+beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig letterkundig
+ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg werden gelegd. Tot
+deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu ook het uitsluitend
+vertalingsrecht te moeten rekenen<a class="noteref" id="xd20e12273src"
+href="#xd20e12273" name="xd20e12273src">75</a>.</p>
+<p>Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel
+niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke
+termen gewag van gemaakt, doch toch z&oacute;&oacute;, dat wel blijkt,
+dat van aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk
+wordt te kennen gegeven, dat ten gerieve van &eacute;&eacute;n staat
+niet van een van de grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken.
+Bovendien werd opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend
+vertalingsrecht in Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had
+geleerd van hetgeen de Japansche delegatie vreesde. Nergens worden
+ernstige vertalers door onredelijke eischen der auteurs tegengehouden;
+zij komen er juist eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij
+de zekerheid hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen
+zijn<a class="noteref" id="xd20e12281src" href="#xd20e12281" name=
+"xd20e12281src">76</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12286" href=
+"#xd20e12286" name="xd20e12286">375</a>]</span></p>
+<p>Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich
+bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds
+toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er&mdash;tenzij het
+geheel uit de Unie wil treden&mdash;geen andere weg voor dit land over,
+dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van
+het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige
+auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring van
+den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908 werd bij de
+behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den Japanschen
+gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien zin afgelegd.
+Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan<a class=
+"noteref" id="xd20e12289src" href="#xd20e12289" name=
+"xd20e12289src">77</a>. Deze twee staten zullen dus bij de
+bekrachtiging der Conventie 1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich
+houden aan de bepaling van art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de
+Add. Acte van Parijs.</p>
+<p>Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de twee
+eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben bekrachtigd en
+die dus in de internationale betrekkingen nog slechts een
+vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het ongewijzigde art.
+5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908 onvoorwaardelijk
+zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede plotseling in de
+voorste rij zullen komen te staan<a class="noteref" id="xd20e12297src"
+href="#xd20e12297" name="xd20e12297src">78</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend
+vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht, dat
+reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste werd
+erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie 1886
+verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte
+maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch
+onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling
+verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking wegnam
+en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e12313" href="#xd20e12313" name=
+"xd20e12313">376</a>]</span></p>
+<p>Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die
+zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over
+deze keus&mdash;speciaal in verband met de toetreding van ons
+land&mdash;zal zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik
+wensch echter eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis
+der genoemde Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk
+niet&mdash;of tenminste niet terstond bij de aansluiting&mdash;het
+nieuwe art. 8 onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de
+bepalingen van 1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.</p>
+<p>Het vertalingsrecht&mdash;en dit geldt voor alle drie de
+regelingen&mdash;behoort tot die rechten, welke in de Conventie zelve
+gecodificeerd zijn; of zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in
+tegenstelling met de rechten die op de landswetten berusten, noemt:
+&bdquo;<span lang="fr">droits sp&eacute;cialement accord&eacute;s par
+la pr&eacute;sente Convention</span>&rdquo;. De bedoelde bepalingen
+houden dus&mdash;zooals het door sommige schrijvers is
+uitgedrukt&mdash;<i>dwingend materieel recht</i> in; d. w. z. het
+vertalingsrecht geldt in het geheele Verbond binnen de grenzen, welke
+de Conventie zelve daarvoor gesteld heeft, onafhankelijk van de
+bepalingen, welke de inlandsche wetten op dit punt mochten bevatten.
+Deze wetten zijn slechts toepasselijk, voorzoover dit uit de bepalingen
+der Conventie valt op te maken. Art. 8 Conventie 1908 bepaalt b.v. dat
+het vertalingsrecht evenlang duurt als &bdquo;het recht op het
+oorspronkelijke werk&rdquo;; middellijk is dus ook de inlandsche wet
+van het betreffende land van invloed, daar deze den duur van het recht
+op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans meehelpt bepalen. De
+bijzondere bepalingen, die de landswetten <i>op het vertalingsrecht</i>
+mochten bevatten, worden echter door de Conventie geheel terzijde
+gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel door deze wetten
+voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten voor het
+vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen<a class=
+"noteref" id="xd20e12327src" href="#xd20e12327" name=
+"xd20e12327src">79</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12339" href=
+"#xd20e12339" name="xd20e12339">377</a>]</span></p>
+<p>Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een
+minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit
+de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond,
+zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen
+vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908
+(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij
+de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie 1886
+gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang ten
+aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte, daar
+deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908, het
+vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.</p>
+<p>De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel
+getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat
+aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren
+duur der inlandsche wetten alleen d&aacute;n ondanks de voor de auteurs
+minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen,
+indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De grond van
+den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie in geen enkel
+opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, in slechter
+conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden zijn. Indien de
+wet van een land&mdash;zooals b.v. in Luxemburg het geval is&mdash;op
+alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is en waar het
+werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken uit de andere
+Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover zij meer bescherming
+verleenen dan de Conventie, voor den rechter van dit land kunnen worden
+ingeroepen. Als men zich echter op de Conventie moet beroepen, dan moet
+met den beschermingstermijn, dien de Conventie stelt, genoegen worden
+genomen. Gesteld dus, dat Nederland tot de Conventie toetrad zonder het
+nieuwe art. 8 Conventie 1908 te bekrachtigen, doch op den voet van het
+oude art. 5 Conventie 1886, dan zou b.v. in Duitschland, waar de
+Nederlandsche werken n&uacute; onbeschermd zijn, het uitsluitend
+vertalingsrecht van deze werken slechts tien jaren duren, hoewel
+volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met het auteursrecht in
+tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het uitsluitend
+vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, dat n&uacute;
+krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche auteurs
+genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond niet worden
+opgeheven of verkort. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12344" href=
+"#xd20e12344" name="xd20e12344">378</a>]</span></p>
+<p>Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude
+art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.</p>
+<p>Het artikel&mdash;zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de
+wijziging die er te Parijs in is gebracht&mdash;begint aldus:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De tot een der landen van het Verbond behoorende
+auteurs of hunne rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het
+uitsluitend recht hunne werken te vertalen, enz.</p>
+</div>
+<p>Alleen dus de werken van &bdquo;tot een der landen van het Verbond
+behoorende auteurs&rdquo; worden genoemd. Dit beteekent echter niet,
+dat de bepaling niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond
+uitgegeven werken van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6
+Conventie 1908 en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel
+worden eenvoudig &bdquo;de bepalingen dezer Conventie&rdquo; op de
+bedoelde werken toepasselijk verklaard en artikel 1, II Add. Acte,
+waardoor dit artikel gewijzigd wordt, houdt in, dat de auteurs van deze
+werken &bdquo;de bescherming door de Conventie en de Additionneele Acte
+verleend&rdquo; zullen genieten. Hieronder is dus ook het uitsluitend
+vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie 1908 is nog duidelijker en
+spreekt van &bdquo;de rechten, die door de tegenwoordige Conventie
+worden toegekend&rdquo;. Deze rechten kunnen echter alleen in de
+<i>andere</i> landen, niet in het land van herkomst worden ingeroepen
+(cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).</p>
+<p>De termijn van tien jaar (zoowel die voor den <i>duur</i> van het
+vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de
+zoogenaamde &bdquo;<i lang="de">Ben&uuml;tzungsfrist</i>&rdquo; van de
+Add. Acte) wordt berekend naar het tijdstip der <i>uitgave</i>; hieruit
+volgt, dat het vertalingsrecht van onuitgegeven werken niet aan een
+bepaalden termijn wordt gebonden en derhalve evenlang duurt als het
+auteursrecht in het algemeen. De redactie van het gewijzigde artikel
+laat geen ruimte over voor eene andere uitlegging<a class="noteref" id=
+"xd20e12369src" href="#xd20e12369" name="xd20e12369src">80</a>; wat het
+artikel in zijne oude gedaante betreft zou men nog kunnen twijfelen,
+daar hierin niet de gelijkstelling in duur van vertalings- en
+auteursrecht als algemeene regel is vooropgesteld. Eene andere
+uitlegging dan de bovengenoemde is echter moeilijk denkbaar en zou
+hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van de ontwerpers der
+bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor de onderstelling,
+dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e12378" href="#xd20e12378" name=
+"xd20e12378">379</a>]</span>werken toepasselijk zou zijn; en daar het
+alleen voor uitgegeven werken een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt
+het voor de hand, dat voor de andere (dus de niet-uitgegeven) werken
+het <span class="corr" id="xd20e12381" title=
+"Bron: vertalingsrechts">vertalingsrecht</span> duurt, zoolang het werk
+overigens van de bescherming der Conventie geniet.</p>
+<p>In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin
+de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden
+nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den
+termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn
+nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten
+aan de woorden &bdquo;aflevering&rdquo; (<i lang="fr">livraison</i>) en
+&bdquo;verslagen of tijdschriften&rdquo; (<i lang="fr">bulletins ou
+cahiers</i>). Onder &bdquo;livraison&rdquo; verstond de Commissie van
+1885, die het artikel geredigeerd heeft: &bdquo;<span lang="fr">une
+partie d&rsquo;un ouvrage paraissant par fascicules successifs, qui ne
+forme pas en elle m&ecirc;me une publication s&eacute;par&eacute;e,
+mais est si indissolublement li&eacute;e au reste de l&rsquo;ouvrage,
+soit par la pagination, soit par son ensemble typographique, que le
+d&eacute;faut d&rsquo;une seule livraison rendrait l&rsquo;ensemble de
+l&rsquo;ouvrage incomplet et d&eacute;fectueux</span>&rdquo;<a class=
+"noteref" id="xd20e12395src" href="#xd20e12395" name=
+"xd20e12395src">81</a>. Het Nederlandsche woord
+&bdquo;aflevering&rdquo; geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men
+spreekt hier echter ook van afleveringen van een tijdschrift: deze
+zullen niet onder de &bdquo;<span lang="fr">livraisons</span>&rdquo;
+maar onder de &bdquo;<span lang="fr">cahiers ou bulletins</span>&rdquo;
+vallen.</p>
+<p>Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de meer
+nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende interpretatie.
+Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken van auteurs die
+tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven werken, waarvan
+de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats gehad; terwijl
+voorts&mdash;in overeenstemming met de bepalingen van art. 4 lid 1,
+art. 5 en art. 6 Conventie 1908&mdash;onderscheid wordt gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige
+Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het
+artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar het
+artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt, konden
+de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886 geheel
+vervallen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12410" href="#xd20e12410"
+name="xd20e12410">380</a>]</span></p>
+<p>Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend
+vertalingsrecht der Conventie in verband met eene toekomstige
+aansluiting van ons land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de
+tegenstanders van onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht
+gemunt; indien dit slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of
+indien er een n&ograve;g korteren duur dan tien jaar (art<span class=
+"corr" id="xd20e12413" title="Niet in bron">.</span> 5 Conventie 1886)
+aan kon gegeven worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig
+bezwaar tegen het toetreden van ons land maken.</p>
+<p>Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd,
+dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten eerlang
+tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht zullen
+overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de internationale
+betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de erkenning
+gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van eene
+kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen de
+houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen doen
+denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond,
+bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt te
+denken.</p>
+<p>Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond
+blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886, een
+vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat toetreding
+op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de
+tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche
+Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen
+deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige
+internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men
+heeft dezen landen&mdash;en hierbij had men vooral Rusland en Nederland
+op het oog&mdash;het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen
+maken, door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden,
+waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het Verbond
+zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling, waren
+gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de
+internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de
+gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde
+ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer
+eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om in
+dezelfde richting verder te gaan. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12420" href="#xd20e12420" name="xd20e12420">381</a>]</span></p>
+<p>Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen
+gedelegeerde Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche
+Conferentie is afgelegd<a class="noteref" id="xd20e12423src" href=
+"#xd20e12423" name="xd20e12423src">82</a>, mag men aannemen, dat het in
+het voornemen onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om
+met een vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5
+Conventie 1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk
+zal ook onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die
+hier nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat,
+slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte
+goedkeuring verleenen.</p>
+<p>Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond
+in dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg.
+Wij zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van
+internationaal auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij
+bijna alle andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het
+niet goed is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals
+de andere landen v&oacute;&oacute;r ons hebben gedaan, te beginnen met
+een vertalingsrecht van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel.
+Later&mdash;wellicht nog v&oacute;&oacute;rdat de eerste tien jaren
+verstreken zijn&mdash;zou men dan tot invoering van den langeren
+termijn kunnen overgaan.</p>
+<p>Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te
+groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch
+eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even
+langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat er
+geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want, ook
+afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard, zou
+een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie 1908
+verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de oude
+bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit
+laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land
+slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat
+voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte
+termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland
+uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs)
+zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken
+uit andere <span class="pagenum">[<a id="xd20e12432" href="#xd20e12432"
+name="xd20e12432">382</a>]</span>landen. Dit zou waarschijnlijk het,
+reeds door mij genoemde, gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die
+ook in het buitenland (en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen
+en opgevoerd worden, hunne werken niet hier, maar in een ander
+Verbondsland (b.v. Belgi&euml; of Duitschland) zouden uitgeven. Des te
+eerder zouden zij hiertoe kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander
+Verbondsland, zooals wij hierboven gezien hebben, na onze toetreding
+tot de Conventie niet meer het gevolg zou hebben, dat de bescherming in
+Nederland zelf ophield.</p>
+<p>Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor
+pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908
+onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande den
+nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar &bdquo;om
+mee te beginnen&rdquo; waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als
+een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu, dat
+hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou kunnen
+hebben.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de
+Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige
+auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5<i>a</i> j<sup>o</sup> art. 16,
+1<sup>o</sup>); voor uitgegeven werken echter (en deze vormen
+natuurlijk verreweg de belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf
+jaar na de uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het op de
+voorgeschreven wijze zij voorbehouden en dat de vertaling binnen drie
+jaar verschenen zij (art. 5<i>b</i>). Deze bepalingen hebben echter,
+zooals reeds is opgemerkt, geene practische beteekenis, daar onze wet
+alleen toepasselijk is op in het Rijk door den druk gemeen gemaakte
+werken. Zij zouden ook geen beletsel zijn voor de toetreding van ons
+land tot de Conventie. Er zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die
+in hunne binnenlandsche wetgeving onder het minimum bleven, dat de
+Conventie voor het vertalingsrecht vaststelt (Duitschland
+v&oacute;&oacute;r de wet van 19 Juni 1901; Denemarken, dat in 1902 tot
+de Conventie met de Add. Acte toetrad en eerst in 1904 zijne wetgeving
+in overeenstemming hiermede wijzigde; Itali&euml; met een
+vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een
+&bdquo;Ben&uuml;tzungsfrist&rdquo; van vijf jaar, hoewel beide staten
+de Additionneele Acte hebben bekrachtigd).</p>
+<p>Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is
+uiteengezet, <span class="pagenum">[<a id="xd20e12454" href=
+"#xd20e12454" name="xd20e12454">383</a>]</span>onafhankelijk van de
+bijzondere bepalingen der inlandsche wetten op dit punt. Deze wetten
+blijven dus in de gevallen, waar de Conventie toepasselijk is, buiten
+toepassing en behoeven daarom ook niet aan zekere, door de Conventie te
+stellen, eischen te voldoen<a class="noteref" id="xd20e12456src" href=
+"#xd20e12456" name="xd20e12456src">83</a>. Ter wille der rechtseenheid
+is het echter gewenscht, dat de inlandsche wet ook op dit punt met de
+Conventie in overeenstemming zij. Daarom kan worden verwacht, dat
+wanneer Nederland tot het Verbond toetreedt, in onze wet dezelfde
+regeling zal worden overgenomen, die krachtens ons lidmaatschap van het
+Verbond in de internationale betrekkingen zullen gelden, dus: &oacute;f
+een vertalingsrecht van tien jaar (ongewijzigd art. 5 Conventie 1886);
+&oacute;f een vertalingsrecht van even langen duur als het overige
+auteursrecht, mits binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling
+verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd door Add. Acte 1896);
+&oacute;f eindelijk de volkomen gelijkstelling van het vertalingsrecht
+met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.2">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9;
+Conv. 1886 art. 7; Add. Acte 1896 art. 1, IV)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De omstandigheden, die tot het vaststellen van
+bijzondere bepalingen voor het auteursrecht op in tijdschriften en
+dagbladen gepubliceerde stukken aanleiding geven, doen zich ook in de
+internationale verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder
+aanhalingen en ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen
+stellen. Het van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort
+tot de internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche
+bij de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden
+gezien.</p>
+<p>Hoewel n&oacute;ch in het ontwerp der <i lang="fr">Association</i>,
+n&oacute;ch in dat van den Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke
+bepaling hierover voorkwam, werd toch de kwestie op de Conferenties te
+Bern van 1884 en 1885 aan de orde gesteld en langdurig besproken. In
+1884 zegevierde een Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens
+hetwelk ontleeningen aan tijdschriften en dagbladen zouden worden
+vrijgelaten, behalve wat betreft feuilleton-romans en artikelen over
+eenig <span class="pagenum">[<a id="xd20e12475" href="#xd20e12475"
+name="xd20e12475">384</a>]</span>onderwerp van wetenschap of kunst,
+terwijl het auteursrecht zou kunnen worden voorbehouden van andere
+opstellen van eenigen omvang (<i lang="fr">articles de quelque
+&eacute;tendue</i>), onder welke laatste echter niet zouden worden
+gerekend die over de politiek<a class="noteref" id="xd20e12480src"
+href="#xd20e12480" name="xd20e12480src">84</a>.</p>
+<p>In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen
+verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine
+redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie is
+opgenomen.</p>
+<p>Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit
+dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van elken
+aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft verboden.
+Doch voor twee categorie&euml;n, nl. nieuwtjes (<i lang="fr">nouvelles
+du jour</i>) en gemengde berichten (<i lang="fr">faits divers</i>) is
+zelfs het stellen van een verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk
+geval zonder toestemming van auteur of uitgever worden overgenomen.</p>
+<p>Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden
+afkeuring; het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder
+dan vijf verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp.
+afkomstig van: Frankrijk, Duitschland, Belgi&euml;, Noorwegen en
+Monaco<a class="noteref" id="xd20e12498src" href="#xd20e12498" name=
+"xd20e12498src">85</a>. De Commissie kwam na lange beraadslaging ten
+slotte tot eene redactie, waarin zooveel mogelijk met de verschillende
+wenschen was rekening gehouden, doch waarbij zich Belgi&euml; en
+Itali&euml; slechts noodgedrongen neerlegden<a class="noteref" id=
+"xd20e12503src" href="#xd20e12503" name="xd20e12503src">86</a>.</p>
+<p>Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorie&euml;n
+pers-bijdragen:</p>
+<p><i>a</i>) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk
+beschermd zijn;</p>
+<p><i>b</i>) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet
+mogen worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk
+verklaren, dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is
+overnemen in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring,
+dan mag het artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van
+de bron;</p>
+<p><i>c</i>) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde
+berichten, waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12522" href="#xd20e12522" name=
+"xd20e12522">385</a>]</span></p>
+<p>Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid
+over dit vraagstuk als op de vorige Conferenti&euml;n. Er waren wederom
+verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland,
+Belgi&euml;, Engeland en Itali&euml;<a class="noteref" id=
+"xd20e12525src" href="#xd20e12525" name="xd20e12525src">87</a>. Ook
+duurde het lang, voordat men in den boezem der Commissie, die dit alles
+te verwerken had, tot eenstemmigheid was gekomen<a class="noteref" id=
+"xd20e12531src" href="#xd20e12531" name="xd20e12531src">88</a>. Het
+resultaat was in &rsquo;t kort het volgende.</p>
+<p>In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene
+regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften
+(&bdquo;feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij
+letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het
+onderwerp ervan is&rdquo;) niet zonder toestemming der auteurs
+gereproduceerd mag worden.</p>
+<p>Het staat echter aan een <i>dagblad</i> vrij, uit een ander
+<i>dagblad</i> (van tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die
+artikelen (geen feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan
+de reproductie niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij
+worden genoemd.</p>
+<p>Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is op
+nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+persinformaties dragen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie
+achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men de
+verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden, een
+oogenblik afzonderlijk beschouwt.</p>
+<p>Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op het
+auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting: het is
+het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander overnemen van
+artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren van handelingen,
+die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op het auteursrecht
+zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van twee&euml;rlei aard te
+beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van werken en
+bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?&mdash;en ten
+tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval
+worden uitgestrekt? <span class="pagenum">[<a id="xd20e12556" href=
+"#xd20e12556" name="xd20e12556">386</a>]</span></p>
+<p>Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat
+de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten en
+mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de
+reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze
+werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht
+betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat
+hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in
+het midden bracht: &bdquo;<span lang="fr">Le r&eacute;gime
+sp&eacute;cial adopt&eacute; pour les nouvelles du jour et les faits
+divers pourrait &eacute;chapper &agrave; toute critique
+s&eacute;rieuse. On ne con&ccedil;oit pas de droit d&rsquo;auteur
+l&agrave; o&ugrave; il n&rsquo;y a ni oeuvre litt&eacute;raire, ni
+cr&eacute;ation de l&rsquo;esprit dans le sens &eacute;lev&eacute; du
+mot. Si donc il y a lieu de prot&eacute;ger les informations et les
+faits divers contre les emprunts peu scrupuleux de certains journaux,
+c&rsquo;est dans une loi sp&eacute;ciale, et non pas dans une loi
+relative au droit d&rsquo;auteur, qu&rsquo;il faut r&eacute;aliser
+cette protection. Elle &eacute;chappe &agrave; l&rsquo;objet propre de
+notre mati&egrave;re</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e12562src"
+href="#xd20e12562" name="xd20e12562src">89</a>.</p>
+<p>Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot
+uitdrukking gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat &bdquo;de
+bescherming der Conventie&rdquo; niet van toepassing is op nieuwtjes en
+gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige pers-informaties
+dragen. Er is op de Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest,
+eene bepaling op te nemen tegen het overnemen van telegraphische
+berichten uit dagbladen<a class="noteref" id="xd20e12569src" href=
+"#xd20e12569" name="xd20e12569src">90</a>. Doch men heeft ingezien, dat
+men daarmede buiten het gebied van het auteursrecht zou treden. Daarom
+is ook de bovengenoemde redactie gekozen van art. 9 laatste lid, waarin
+duidelijk staat uitgedrukt, dat de Conventie zich met de bedoelde
+berichten in het geheel niet inlaat en zich over het al of niet
+rechtmatige van het overnemen ervan niet uitspreekt<a class="noteref"
+id="xd20e12575src" href="#xd20e12575" name="xd20e12575src">91</a>. Dit
+is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 op dit
+punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten (en ook op politieke
+artikelen, waarover straks) het <i>verbod van nadruk</i>, dat de auteur
+of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon stellen, niet
+toepasselijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e12590" href=
+"#xd20e12590" name="xd20e12590">387</a>]</span>was (art. 7 laatste
+lid). Hieruit zou de verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt,
+dat het krachtens de Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten
+uit dagbladen zonder toestemming van schrijver of uitgever over te
+nemen, ook indien daarin b.v. een daad van deloyale concurrentie was te
+zien. In hoofdzaak echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid
+Conventie 1886 en Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op
+hetzelfde neer hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde
+berichten in geen geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook
+verder buiten beschouwing blijven.</p>
+<p>Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van
+journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen noodig
+zijn.</p>
+<p>Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt
+tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en de
+Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in het
+algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in
+<i>tijdschriften en dagbladen</i> zijn verschenen, terwijl de Conventie
+1908 uitsluitend daartoe rekent wat in <i>dagbladen</i> is verschenen.
+Ten aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn,
+dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting,
+waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich
+rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling der
+journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een
+publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver,
+het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere
+bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook voor
+een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van een
+dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, w&eacute;l zal
+gevoelen, om stukken uit andere bladen over te nemen.</p>
+<p>De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe
+bepaling der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.</p>
+<p>Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk
+na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden
+gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn,
+geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie
+1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen, die der
+Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.</p>
+<p>Wij hebben dan te onderscheiden: <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12609" href="#xd20e12609" name="xd20e12609">388</a>]</span></p>
+<p>1) feuilleton-romans en novellen,</p>
+<p>2) artikelen over de politiek,</p>
+<p>3) alle andere artikelen.</p>
+<p>De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886 niet
+genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de
+journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden<a class="noteref" id=
+"xd20e12618src" href="#xd20e12618" name="xd20e12618src">92</a>, wordt
+veelal aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel
+vielen en dat dus ook v&oacute;&oacute;r de herziening van Parijs de
+romans en novellen geen voorbehoud behoefden om niet te worden
+nagedrukt. Zonder twijfel is dit ook te Bern de bedoeling geweest van
+degenen, die het artikel hebben geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou
+zijn af te leiden, dat eene op de Conferentie van 1886 door de Fransche
+gedelegeerden voorgestelde, doch later weer ingetrokken
+&bdquo;Verklaring&rdquo;, waarin deze interpretatie uitdrukkelijk was
+uitgesproken, door degenen die er het woord over voerden voor overbodig
+werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar slechts eene uitlegging
+der bepaling bracht<a class="noteref" id="xd20e12633src" href=
+"#xd20e12633" name="xd20e12633src">93</a>.</p>
+<p>Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke
+bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van
+oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene
+wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; &bdquo;... il
+n&rsquo;y a pas vraiment innovation; la disposition est seulement
+explicative&rdquo;, merkte Renault dienaangaande in het
+Commissie-rapport op<a class="noteref" id="xd20e12643src" href=
+"#xd20e12643" name="xd20e12643src">94</a>.</p>
+<p>Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat
+feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren,
+waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten (art.
+9 lid 2).</p>
+<p>Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste
+gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport
+van 1896 worden de novellen (&bdquo;<i lang="fr">nouvelles</i>&rdquo;)
+omschreven als: &bdquo;<span lang="fr">de petits romans, de petits
+contes, des oeuvres de fantasie concentr&eacute;es souvent dans un seul
+article de journal ou de revue</span>&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e12658src" href="#xd20e12658" name="xd20e12658src">95</a>.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12663" href="#xd20e12663" name=
+"xd20e12663">389</a>]</span>De Engelsche vertaling is &bdquo;<i lang=
+"en">works of fiction</i>&rdquo; en de Duitsche &bdquo;<i lang=
+"de">Novellen</i>&rdquo;. Hier is dus ook ons woord
+&bdquo;novellen&rdquo; op zijne plaats. De rapporteur van 1908
+verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving, dat de
+Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar als tot deze
+soort werken behoorende genoemd: &bdquo;de petits dialogues, de petits
+r&eacute;cits historiques, etc.&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e12672src" href="#xd20e12672" name="xd20e12672src">96</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Onder artikelen over de politiek (<i lang="fr">articles de
+discussion politique</i>), die afzonderlijk worden genoemd in art. 7
+laatste lid Conventie 1886 en Add. Acte 1896, heeft men alleen die
+geschriften te verstaan, welke de politiek van den dag betreffen; niet
+bijvoorbeeld opstellen over staatkundige of sociaal-economische
+vraagstukken. In dezen zin heeft men zich op de Conferentie van Bern
+van 1885 in overeenstemming met een wensch der Duitsche delegatie
+uitdrukkelijk uitgesproken<a class="noteref" id="xd20e12684src" href=
+"#xd20e12684" name="xd20e12684src">97</a>.</p>
+<p>Deze artikelen werden op &eacute;&eacute;ne lijn gesteld met de
+nieuwtjes en gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle
+gevallen, ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden
+had, vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist
+ten aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit
+buitenlandsche bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs
+onvermijdelijk is. Op de Conferentie van Berlijn heeft men echter
+ingezien, dat het niet aangaat, geschriften, die overigens aan alle
+eischen die men aan een auteursproduct kan stellen, voldoen, om die
+reden onvoorwaardelijk van alle bescherming uit te sluiten. Daarom
+heeft de Conventie 1908 de onderscheiding tusschen de politieke en
+niet-politieke artikelen laten vallen.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De, hierboven in de derde plaats genoemde, &bdquo;alle andere
+artikelen&rdquo;, waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen
+gelden, zijn dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle
+stukken in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en
+gemengde berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de
+politiek, en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen,
+uitgezonderd: &bdquo;nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter
+van eenvoudige pers-informaties dragen&rdquo;, feuilleton-romans en
+novellen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12695" href="#xd20e12695"
+name="xd20e12695">390</a>]</span></p>
+<p>Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog
+voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen
+voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel,
+dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer
+ingetrokken<a class="noteref" id="xd20e12699src" href="#xd20e12699"
+name="xd20e12699src">98</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid,
+die voor de genoemde werken wordt verleend?</p>
+<p>In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen van
+deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit
+uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin stemmen de
+regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen), dat het
+auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den
+rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven te
+zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door het
+stellen van een verbod.</p>
+<p>Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen,
+ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen
+of verduidelijkingen hebben gebracht.</p>
+<p>In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet worden
+onder het overnemen of &bdquo;reproduceeren&rdquo; van een artikel in
+dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt het
+reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de
+uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de
+Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar
+er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het
+auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van
+reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor
+iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De
+Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is
+alleen toegestaan <i>aan andere dagbladen</i> (art 9 lid 2). De oude
+bepaling (Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid
+1) liet het overnemen toe &bdquo;in de andere Verbondslanden&rdquo;;
+vrij algemeen wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het
+overnemen in andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel
+in geen geval toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12718" href="#xd20e12718" name=
+"xd20e12718">391</a>]</span>te publiceeren. Zoowel op de Berner
+Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie van 1896 was men
+het over deze uitlegging der bepaling eens<a class="noteref" id=
+"xd20e12720src" href="#xd20e12720" name="xd20e12720src">99</a>, en op
+grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn werd
+aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: &bdquo;<span lang=
+"fr">C&rsquo;est une pr&eacute;cision, et non une
+innovation</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e12732src" href=
+"#xd20e12732" name="xd20e12732src">100</a>.</p>
+<p>Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die
+betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd
+voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie
+opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van het
+blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van den auteur,
+indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld<a class="noteref"
+id="xd20e12739src" href="#xd20e12739" name="xd20e12739src">101</a>.
+Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel
+duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het
+voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens de
+theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld, geen
+auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam de
+Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij zich
+gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van &bdquo;de
+bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en
+kunst&rdquo;; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van den
+auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen van
+stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan,
+&bdquo;mits de bron wordt genoemd&rdquo;, kan men aannemen dat het
+overnemen van dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te
+voldoen, als inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit
+doctrinair oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te
+maken, dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed
+onderscheidt.</p>
+<p>Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift
+betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk
+bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald
+wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen
+(Conventie 1908 art. 9 lid 2). <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12746" href="#xd20e12746" name="xd20e12746">392</a>]</span></p>
+<p>De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der
+besproken regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog
+het minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het
+volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr valign="top">
+<td></td>
+<td>Van alle bescherming uitgesloten:</td>
+<td>Voorwaardelijk beschermd d. w. z. mits door uitgever of schrijver
+een verbod van nadruk is gesteld:</td>
+<td>Onvoorwaardelijk beschermd:</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Conventie 1886 art. 7</td>
+<td>artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten.</td>
+<td>dagblad- en tijdschriftartikelen</td>
+<td>(feuilleton-romans en novellen)<a class="noteref" id=
+"xd20e12770src" href="#xd20e12770" name="xd20e12770src">102</a></td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Add. Acte 1896 art. 1, IV</td>
+<td>id.</td>
+<td>id. behalve feuilleton-romans en novellen. De bron moet worden
+genoemd.</td>
+<td>feuilleton-romans en novellen.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Conventie 1908 art. 9</td>
+<td>nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+pers-informatie dragen.</td>
+<td>dagblad-artikelen, behalve feuilleton-romans en novellen. De bron
+moet worden genoemd.</td>
+<td>id. benevens alle artikelen in tijdschriften.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>W. A. R. art. 7 lid 2</td>
+<td><a class="noteref" id="xd20e12795src" href="#xd20e12795" name=
+"xd20e12795src">103</a></td>
+<td>berichten en opstellen uit dag- en weekbladen. De bron moet worden
+genoemd.</td>
+<td></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<p>De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral
+met den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding
+van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien in
+onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier uit
+den aard der zaak uitsluitend met <i>door den druk gemeen gemaakte</i>
+werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit
+&bdquo;door den druk gemeen maken&rdquo; in Nederland of
+Nederlandsch-Indi&euml; is geschied. De besproken bepalingen der
+Conventie daarentegen zijn, in overeenstemming met de regeling van art.
+4 Conventie 1908, alleen toepasselijk op het overnemen van stukken uit
+dagbladen, die in <span class="pagenum">[<a id="xd20e12808" href=
+"#xd20e12808" name="xd20e12808">393</a>]</span><i>andere
+Verbondslanden</i> verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen
+rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch (d. w.
+z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te beoordeelen
+zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier te lande (of in
+Ned.-Indi&euml;) verschijnend blad naar art. 7 tweede lid van onze wet.
+Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou hierbij derhalve niet
+te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit de auteur behoort, zou
+geheel buiten beschouwing kunnen blijven, daar zoowel volgens de
+Conventie als volgens onze wet uitsluitend de plaats van het door den
+druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats waar het blad
+verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.</p>
+<p>Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze
+toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in
+overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit niet
+strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter, dat
+ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van dien
+regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet
+volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche
+pers&mdash;eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan&mdash;dan
+bestaat er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk
+ten aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard,
+ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich aan
+de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze
+verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de
+Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en de
+buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie
+behoeven&mdash;zooals wij gezien hebben&mdash;geen aanleiding te geven
+tot verwarring. W&eacute;l zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan,
+indien bij eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27
+wijziging werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard
+op alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in
+druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een
+Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens de
+Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en de
+rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene
+vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen
+te kunnen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12814" href="#xd20e12814"
+name="xd20e12814">394</a>]</span>toepassen. Doch deze moeilijkheden
+zouden gemakkelijk zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen
+voor dagbladen en tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te
+verklaren op het overnemen van stukken uit de binnen het Rijk
+verschijnende bladen.</p>
+<p>Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de
+Conventie geheel na te volgen, w&eacute;l is het gewenscht, dat bij
+onze aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk
+worde aanvaard<span class="corr" id="xd20e12818" title=
+"Niet in bron">.</span> In de eerste plaats kan hiervoor worden
+aangevoerd, dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der
+Conventie 1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste
+bepalingen laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs
+tegen den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de
+beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk van
+feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de
+Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.</p>
+<p>Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient het
+nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat
+hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond,
+het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.</p>
+<p>Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal
+zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele
+Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw
+toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat
+dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen
+beweren.</p>
+<p>Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe
+bepaling, volgens welke de sanctie op het niet nakomen der
+verplichting, de bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van
+het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9
+lid 3). Eene bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er
+staat daar (art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen
+maken van berichten enz. vrijstaat &bdquo;mits de bron genoemd
+worde&rdquo;, doch de wet laat zich niet uit over de gevolgen van de
+overtreding van dit verbod. Het ware wellicht wenschelijk
+om&mdash;zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd heb&mdash;op dit punt
+de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet noemen van de
+bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit (eene
+overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e12828" href="#xd20e12828" name=
+"xd20e12828">395</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.3">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art.
+8)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van
+Duitschland een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen
+opsomde, waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in
+het belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het
+volgend jaar van verschillende zijde bestrijding<a class="noteref" id=
+"xd20e12835src" href="#xd20e12835" name="xd20e12835src">104</a> en werd
+tenslotte in de Commissie met zeven tegen vijf stemmen
+verworpen<a class="noteref" id="xd20e12840src" href="#xd20e12840" name=
+"xd20e12840src">105</a>. Toen de poging, om op dit punt eene eenvormige
+regeling voor het geheele Verbond tot stand te brengen, hiermede was
+mislukt, stelde de Commissie van 1885 in de plaats van het afgestemde
+artikel de volgende bepaling voor, die werd aangenomen en sindsdien
+ongewijzigd is blijven bestaan (art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter-
+of kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk
+karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de bepalingen
+van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen dezen bestaande
+of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten gehandhaafd.</p>
+</div>
+<p>Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die
+bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer
+bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie
+1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling
+nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en
+bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat
+ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden
+verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt
+in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen &bdquo;ter
+aankondiging of beoordeeling&rdquo; uit andere werken vrijgelaten. Dit
+is dus feitelijk iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie
+betrekking heeft. Bij de bespreking van de bepaling te Bern werd echter
+ook de vrijheid van citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden
+van <span class="pagenum">[<a id="xd20e12855" href="#xd20e12855" name=
+"xd20e12855">396</a>]</span>alle landen werd de verklaring afgelegd,
+dat deze vrijheid door hunne wetgeving binnen zekere grenzen wordt
+erkend<a class="noteref" id="xd20e12857src" href="#xd20e12857" name=
+"xd20e12857src">106</a>. Aan deze verklaringen werd in het rapport van
+1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd<a class="noteref" id=
+"xd20e12862src" href="#xd20e12862" name="xd20e12862src">107</a>. Het
+mag dus als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de
+Conventie in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende
+bepalingen der landswetten ook tegenover werken uit andere
+Verbondslanden van kracht blijven.</p>
+<p>Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke
+onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft,
+gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding
+tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken
+van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.</p>
+<p>Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast
+artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen
+Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van
+chrestomathie&euml;n, samengesteld uit fragmenten of uittreksels van
+Fransche schrijvers, zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen
+inzonderheid bestemd zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige
+aanteekeningen of vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.</p>
+</div>
+<p>Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk
+zijn<a class="noteref" id="xd20e12877src" href="#xd20e12877" name=
+"xd20e12877src">108</a>, en voor het onderwijs niet alleen van het
+Fransch, maar ook b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen
+worden geacht, zou het wellicht met het oog op eene toekomstige
+toetreding van ons land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen,
+van de vrijheid die artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten
+en afzonderlijke tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan
+volgens de thans bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene
+bepaling, in den zin van de bovengenoemde uit ons <span class="corr"
+id="xd20e12886" title="Bron: tractraat">tractaat</span> met Frankrijk,
+in onze wet op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven,
+welke art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk
+zijn op alle bloemlezingen, die in <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12889" href="#xd20e12889" name=
+"xd20e12889">397</a>]</span>Nederland zouden worden verspreid, waarin
+werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn opgenomen. Het
+behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie zijne
+tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs dezen weg
+(nl. door eene bepaling in de <i>binnenlandsche wet</i> op te nemen,
+die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger
+is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst te
+sluiten.</p>
+<p>Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier nu
+bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor
+schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie,
+althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door
+tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van 17
+December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: &bdquo;Bij toetreding tot
+de Berner-Conventie&mdash;wij herhalen het&mdash;zal het mogelijk zijn
+het bewerken van dergelijke schoolboeken&rdquo; (boeken nl. waarin
+stukken van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) &bdquo;te weren. Dit
+schijnt de bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie
+zegt&rdquo;: (volgt de tekst van het artikel). &bdquo;Maar &rsquo;t
+spreekt van zelf, dat het geheel van de interpretatie van de
+uitdrukking &bdquo;op geoorloofde wijze&rdquo; en van &bdquo;te sluiten
+overeenkomsten&rdquo; afhangt, hoever de hier welwillend verleende
+bevoegdheid gaat. <i>Wee den dwerg, die te contracteeren heeft met den
+reus!</i>&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e12899src" href=
+"#xd20e12899" name="xd20e12899src">109</a></p>
+<p>Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een
+dwerg en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt,
+in &rsquo;t geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling
+in de wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de
+Nederlandsche rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd
+is. Natuurlijk moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10
+der Conventie worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van
+geschriften in <i>alle mogelijke</i> verzamelingen vrij liet, zou
+tegenover auteurs van andere Verbondslanden niet mogen worden
+toegepast); doch deze grenzen zijn ruim genoeg. De wetgevingen
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12913" href="#xd20e12913" name=
+"xd20e12913">398</a>]</span>van bijna alle Verbondslanden bevatten
+bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid van
+ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling van
+ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers
+gerust zijn.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.4">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv.
+1886 art. 9)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook
+voor op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig
+geacht, eene afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de
+Conventie 1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk
+artikel reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot
+stand gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd
+jaar werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben
+ondergaan, in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.</p>
+<p>Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen
+het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken en
+het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden de
+bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard; het
+uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk
+waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden, eene
+voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken niet
+gold.</p>
+<p>Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken
+was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van
+Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs,
+ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door Belgi&euml; werd
+ondersteund<a class="noteref" id="xd20e12924src" href="#xd20e12924"
+name="xd20e12924src">110</a>, niet weggenomen. De Parijsche Conferentie
+bracht het niet verder dan tot het uitspreken van den wensch:
+&bdquo;dat de wetgevingen der Verbondslanden de grenzen zullen
+vaststellen binnen welke de volgende Conferentie het beginsel zou
+kunnen aanvaarden, dat uitgegeven werken der toonkunst beschermd moeten
+zijn tegen ongeoorloofde uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij
+tot het stellen van een voorbehoud&rdquo;<a class="noteref" id=
+"xd20e12929src" href="#xd20e12929" name="xd20e12929src">111</a>. Met
+die door de wetgevingen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12934" href=
+"#xd20e12934" name="xd20e12934">399</a>]</span>der Verbondslanden vast
+te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog van
+die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering zonder
+toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt, zooals b.v.
+bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen door
+dilettanten, en dergelijke.</p>
+<p>Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig
+den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden
+en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt, dat
+echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven<a class=
+"noteref" id="xd20e12938src" href="#xd20e12938" name=
+"xd20e12938src">112</a>. De wijziging was voorgesteld door Duitschland,
+dat vroeger zich tegen een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had
+verzet, doch dat inmiddels in zijne wetgeving eenige beperkingen als de
+bovenbedoelde had kunnen opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor
+de vroegere bezwaren hun grond hadden verloren.</p>
+<p>Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken op &eacute;&eacute;ne lijn met het opvoeringsrecht van
+tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken. Op dit &eacute;&eacute;ne
+punt wijkt het van de oude bepaling der Conventie 1886 af. W&eacute;l
+zijn in Berlijn nog enkele andere wijzigingen aangebracht, doch deze
+zijn van weinig beteekenis, zooals hieronder zal blijken.</p>
+<p>In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en
+uitvoering door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de
+beantwooding dezer vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde
+verschilpunten van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en
+die van 1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: &bdquo;de bepalingen
+van art. 2&rdquo; hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie
+heeft men hiervan gemaakt: &bdquo;de bepalingen der tegenwoordige
+Overeenkomst&rdquo;. Dit maakt in wezen geen verschil uit. De
+beteekenis van beide artikelen is deze, dat het op- en uitvoeringsrecht
+in het Verbond erkend moet worden, volgens de algemeene regelen, die de
+Conventie voor de internationale bescherming stelt (in art. 2 Conventie
+1886 en artt. 4, 5, 6 en 7 Conventie 1908). De regeling is dus niet
+dezelfde als die van het uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste
+wordt&mdash;zooals wij gezien hebben&mdash;direct door de Conventie
+verleend, onafhankelijk van de landswetten; het uit- en opvoeringsrecht
+daarentegen&mdash;al wordt het afzonderlijk genoemd&mdash;is niet in de
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12947" href="#xd20e12947" name=
+"xd20e12947">400</a>]</span>Conventie zelve gecodificeerd, maar valt
+onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming in het
+algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die van artt.
+4&ndash;7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis
+hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop
+neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, <i>dat de
+wet aldaar verleent</i>, kan worden ingeroepen voor de werken die uit
+een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van
+eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur van
+het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid 2
+Conventie 1908 &bdquo;den duur, vastgesteld in het land van herkomst
+niet mogen overschrijden&rdquo;. Hierbij dient echter te worden
+aangeteekend, dat met den &bdquo;duur&rdquo; in het land van herkomst
+wordt bedoeld de duur van het auteursrecht in het algemeen, de
+zoogenaamde &bdquo;hoofdtermijn&rdquo;, en dat dus niet in aanmerking
+komt de bijzondere termijn van korteren duur, die de wet van het land
+van herkomst voor het op- of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld
+dus de wet van een land verleent een auteursrecht van vijftig jaar na
+den dood des auteurs, doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na
+de uitgave, dan zal het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige
+werken in de andere landen van het Verbond niet gebonden zijn aan
+laatstgenoemden korten termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen
+duren dan vijftig jaar na den dood des auteurs<a class="noteref" id=
+"xd20e12952src" href="#xd20e12952" name="xd20e12952src">113</a>.</p>
+<p>Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie
+1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de
+boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van
+tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier valt
+weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe bepaling te
+wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang het
+<i>vertalingsrecht</i> duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen
+ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het
+uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld)
+omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908
+hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het
+recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld
+(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e12963" href="#xd20e12963" name=
+"xd20e12963">401</a>]</span>van het opvoeringsrecht van vertalingen
+worden bepaald, dat het evenlang duurt als het <i>recht op het
+oorspronkelijke werk</i>. Het verschil is dus uitsluitend het gevolg
+van de wijziging, die de Conventie ten opzichte van het uitsluitend
+vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.</p>
+<p>Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op
+&eacute;&eacute;ne lijn gesteld met het &bdquo;door den druk gemeen
+maken&rdquo;; indien het in dezelfde taal geschiedt zijn daarop de
+algemeene regels van de artt. 4&ndash;7 toepasselijk; heeft men echter
+te doen met de opvoering eener vertaling, dan valt dit onder den
+bijzonderen regel van art. 8.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig.
+Op onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en
+uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15,
+1<sup>o</sup>); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts
+gedurende tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur
+uitdrukkelijk wordt voorbehouden (art. 15, 2<sup>o</sup> j<sup>o</sup>
+art. 12).</p>
+<p>Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.</p>
+<p>Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen
+zijn om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het
+Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken tot &bdquo;de rechten, die het onderwerp dezer
+Overeenkomst uitmaken&rdquo;; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen
+van de tot op heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier
+niet zoo zwaar als die b.v. bij het auteursrecht op werken van
+beeldende kunst zijn betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral
+ten aanzien van een land als het onze, waar veel muziek van
+buitenlandsche componisten ten gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid
+is dus geenszins uitgesloten, dat de Verbondsstaten op grond van art.
+25 als een van de voorwaarden om te mogen toetreden, zouden stellen,
+dat het bedoelde recht in de wet worde erkend.</p>
+<p>Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben, toch
+tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn, dat
+Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden w&eacute;l tegen
+uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming
+n&oacute;ch voor Nederlandsche, n&oacute;ch voor buitenlandsche werken
+zou worden verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van
+onze zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus
+v&oacute;&oacute;r onze toetreding tot de Conventie het
+uitvoeringsrecht van <span class="pagenum">[<a id="xd20e12990" href=
+"#xd20e12990" name="xd20e12990">402</a>]</span>muziekwerken in de wet
+zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet te
+angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal
+blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien van
+opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is het te
+wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de erkenning
+van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het muziekstuk
+uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit wel het geval
+zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908 art. 11 niet
+onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen wij ons moeten
+houden aan art. 9 Conventie 1886.</p>
+<p>Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale
+werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar in
+tijdsduur staat het toch&mdash;tenminste voor de door den druk gemeen
+gemaakte werken&mdash;verre bij dat van alle wetgevingen der
+Verbondslanden ten achter. Slechts twee landen hebben voor het
+opvoeringsrecht een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den
+dood des auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en
+Itali&euml; (tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10;
+volgens het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige
+auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet dat deze
+termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere Verbondslanden
+staat het opvoeren met het door den druk gemeen maken volkomen gelijk.
+Zooals uit de voorgaande bespreking volgt, zou onze kortere termijn,
+zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd bleef, geen invloed hebben op
+den duur van het opvoeringsrecht van Nederlandsche werken in de andere
+Verbondslanden. Zoolang volgens onze wet nog kopierecht bestaat op deze
+werken, zouden zij van den langeren beschermingstermijn voor het
+opvoeringsrecht in het buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor
+het voorbehoud, dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland
+uitgekomen tooneelstuk zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht
+genieten, ook al was dit niet bij de uitgave uitdrukkelijk
+voorbehouden.</p>
+<p>Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen
+voorbehoud kunnen worden ge&euml;ischt; de duur van het opvoeringsrecht
+zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten worden
+berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In dit opzicht
+zouden wij dus, indien de tegenwoordige <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e12996" href="#xd20e12996" name=
+"xd20e12996">403</a>]</span>bepalingen op het opvoeringsrecht in onze
+wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding tot de Conventie meer
+ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat dit
+allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige bescherming tegen
+opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.</p>
+<p>Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde
+taal (waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend
+recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij
+gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908,
+de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht van
+toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen over
+opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten
+toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen van
+Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere landen
+in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve uitsluitend
+af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der Conventie op
+het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.5">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art.
+10; Verklaring van Parijs 3<sup>o</sup>)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren
+op het stuk van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij
+het samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij met
+wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet worden
+gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het op de Berner
+Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit vraagstuk eens
+is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886, dat in Parijs
+niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten gewijzigd is, is te
+danken aan de Commissie van 1885, die uit niet minder dan vier
+verschillende voorstellen te kiezen had gehad<a class="noteref" id=
+"xd20e13008src" href="#xd20e13008" name="xd20e13008src">114</a>.</p>
+<p>Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de
+min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het werk
+veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt, stukken zijn
+weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk op het auteursrecht
+zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13016" href="#xd20e13016" name=
+"xd20e13016">404</a>]</span>bedoelde practijken niet met
+&eacute;&eacute;n woord waren aan te duiden en in het bijzonder het
+Fransche woord <i lang="fr">adaptation</i> (dat eigenlijk beteekent:
+&bdquo;pasklaarmaking&rdquo; dus: omwerking voor een ander doel of eene
+andere smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding
+zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij
+&bdquo;omwerkingen&rdquo; (<i lang="fr">adaptations</i>) en
+&bdquo;muziek-arrangementen&rdquo; slechts als voorbeelden zijn
+genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in veranderden vorm
+uit te sluiten.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook
+het zoogenaamde &bdquo;dramatiseeren&rdquo; (omwerking van roman in
+tooneelstuk) onder de bepaling van dit artikel viel. In de Parijsche
+Verklaring werd deze vraag bevestigend beantwoord (3<sup>o</sup>); op
+de Conferentie van Berlijn heeft men eene uitdrukkelijke bepaling in
+dezen zin in den tekst van het artikel ingelascht. Het artikel luidt nu
+als volgt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de
+tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder
+de indirecte, niet toegestane toe&euml;igeningen van een werk van
+letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden aangeduid als:
+omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming van een roman, novelle of
+gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd, enz., wanneer zij niets anders
+zijn dan de reproductie van een dergelijk werk in denzelfden of in
+anderen vorm, met wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, die tot het
+wezen van het werk niets afdoen, zonder overigens het karakter te
+hebben van een nieuw, oorspronkelijk werk.</p>
+</div>
+<p>In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van dezen
+inhoud:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Bij de toepassing van dit artikel zullen de
+rechtbanken der verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden
+met de bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.</p>
+</div>
+<p>Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te
+schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen
+verzette<a class="noteref" id="xd20e13041src" href="#xd20e13041" name=
+"xd20e13041src">115</a>. Op de Conferentie van Berlijn werd echter
+hetzelfde voorstel zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De
+beteekenis van het artikel is naar mijne meening door het weglaten van
+het laatste lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters
+nog met de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening
+moeten houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die
+wetten punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet
+stellig uitspreekt<a class="noteref" id="xd20e13046src" href=
+"#xd20e13046" name="xd20e13046src">116</a>. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13049" href="#xd20e13049" name=
+"xd20e13049">405</a>]</span>Evenals ten aanzien van het op- en
+uitvoeringsrecht blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt
+ingeroepen, ook in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit
+de redactie, die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: &bdquo;de
+auteurs hebben het recht enz.&rdquo; zooals in art. 8 ten aanzien van
+het vertalingsrecht, maar: &bdquo;Tot de ongeoorloofde reproducties,
+waarop de tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren ..
+enz.&rdquo; De Conventie schept hier dus geen zelfstandig recht tot
+exploitatie van bewerkingen, arrangementen enz. buiten de landswetten
+om; doch het artikel geeft, evenals het vorige, slechts enkele nadere
+bepalingen van den omvang der bescherming, die krachtens de artt.
+4&ndash;7 der Conventie in de verschillende landen van het Verbond
+genoten wordt. Door de weglating van het tweede lid van art. 10
+Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12 Conventie 1908 zijn dus niet de
+bepalingen der inlandsche wetten op dit stuk geheel buiten werking
+gesteld. Men had er alleen de bedoeling mede te verhinderen, dat de
+rechter, steunende op de wet van zijn land, tegen de uitdrukkelijke
+bepalingen van het eerste lid van het artikel in, in sommige gevallen
+bescherming zou kunnen weigeren<a class="noteref" id="xd20e13051src"
+href="#xd20e13051" name="xd20e13051src">117</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde
+niet voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over
+de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, ten
+aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, ware het
+niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen eene uitlegging
+wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met de bepalingen der
+Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een uitsluitend
+bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; het
+auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het
+reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over
+deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de
+redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189
+sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid;
+met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan te
+herinneren, dat <span class="pagenum">[<a id="xd20e13061" href=
+"#xd20e13061" name="xd20e13061">406</a>]</span>deze opvatting bestaat
+en ook door den rechter bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in
+toepassing gebracht<a class="noteref" id="xd20e13063src" href=
+"#xd20e13063" name="xd20e13063src">118</a>. In verband met het vorige
+zal het duidelijk zijn, dat dit na onze toetreding tot de Conventie tot
+moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12
+Conventie 1908 zou ons land zich verbinden, aan de werken uit andere
+Verbondslanden bescherming te verleenen tegen de exploitatie van
+bewerkingen (o. a. arrangementen van muziekstukken en dramatiseeringen
+van romans, novellen en dichtstukken); blijft onze wet echter op dit
+stuk zooals zij is, dan kan het geval zich voordoen, dat door den
+Nederlandschen rechter eene dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik
+meen daarom, dat het lid worden van het Verbond voor ons land de
+verplichting meebrengt, eene uitdrukkelijke bepaling in de wet op te
+nemen, die de bovengenoemde interpretatie te niet doet en waardoor de
+bescherming, die art. 2 Conventie 1908 eischt, in ons land buiten
+twijfel wordt gesteld.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.6">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art.
+13; Conv. 1886 Slotpr. n<sup>o</sup>. 3)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam
+(1884&ndash;1886) had de industrie der mechanische muziek-instrumenten
+nog niet den graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het
+auteursrecht der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen
+nog maar hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in
+Zwitserland veel worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten
+dus, die slechts een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten
+gehoore brengen en die als exploitatiemiddel van muziekwerken een
+hoogst bescheiden rol vervullen. Hierdoor laat zich de weinige
+belangstelling verklaren, die aan dit vraagstuk op de Berner
+Conferenties werd gewijd. In het verslag der handelingen van geen der
+drie Conferenties is er iets over te vinden; men kan dus aannemen, dat
+de bepaling, die erover in de Conventie 1886 werd opgenomen, geene
+bestrijding had ontmoet. De bepaling, te vinden in het Slotprotocol
+(n<sup>o</sup>. 3) luidt als volgt: <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e13077" href="#xd20e13077" name="xd20e13077">407</a>]</span></p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de
+verkoop van instrumenten, dienende om langs mechanischen weg
+muziekstukken weer te geven, die tot de beschermde producten behooren,
+niet wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.</p>
+</div>
+<p>Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven,
+wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling,
+welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk te
+bespreken.</p>
+<p>Over de uitlegging, die aan Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3 Conventie
+1886 moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt
+aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en
+draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij het
+vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van
+reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de
+later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista,
+phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede
+w&eacute;l inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden
+gepleegd. Zij, die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de
+autoriteit van Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner
+Conferenties, die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie
+te Bern in 1889 in dezen zin uitliet<a class="noteref" id=
+"xd20e13089src" href="#xd20e13089" name="xd20e13089src">119</a>.</p>
+<p>Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter der
+Conferenties, &bdquo;<span lang="fr">presque authentique</span>&rdquo;
+heeft genoemd, schijnt mij toch de tegenovergestelde meening, volgens
+welke alle mechanische muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de
+juiste. Het moge waar zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke
+vlucht de techniek zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten,
+en dat men slechts het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13125" href="#xd20e13125" name=
+"xd20e13125">408</a>]</span>neemt niet weg, dat men eene bepaling heeft
+vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd, dat er van een te maken
+onderscheid tusschen de eene en de andere soort instrumenten niets is
+te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in 1896 gelegenheid gehad
+de vrijheid van reproductie in te trekken voor de inmiddels op de markt
+gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging van de betreffende
+bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking werd aldaar echter
+verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de bepaling niet
+woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op alle
+&bdquo;instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
+weer te geven&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e13127src" href=
+"#xd20e13127" name="xd20e13127src">120</a>.</p>
+<p>Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze geen
+muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken reproduceeren. Zeer
+juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis van het Trib. de la
+paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden over
+phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou&rsquo;s tooneelstuk
+<i lang="fr">Madame Sans-G&ecirc;ne</i> reproduceerden. Terecht werd
+overwogen: &bdquo;<span lang="fr">... que les termes employ&eacute;s
+<span lang="nl-1900">(nl. die van Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3
+Conventie 1886)</span> marquent l&rsquo;intention formelle de favoriser
+uniquement des <i>instruments de musique</i> ...; qu&rsquo;on ne peut,
+d&egrave;s lors, &eacute;tendre cette disposition aux instruments
+reproduisant m&eacute;caniquement des oeuvres
+litt&eacute;raires.</span>&rdquo;</p>
+<p>De bepaling spreekt overigens alleen van het &bdquo;vervaardigen en
+verkoopen&rdquo; en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen
+van muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit,
+naar omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus
+in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden
+uitgemaakt<a class="noteref" id="xd20e13164src" href="#xd20e13164"
+name="xd20e13164src">121</a>.</p>
+<p>Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs
+in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te
+herzien, die echter op niets uitliep<a class="noteref" id=
+"xd20e13175src" href="#xd20e13175" name="xd20e13175src">122</a>.
+Intusschen breidde zich de handel in de bedoelde instrumenten, vooral
+phonografen en pianola&rsquo;s, elk jaar meer uit, z&oacute;&oacute;
+zelfs, dat in enkele landen de reproductie van <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13181" href="#xd20e13181" name=
+"xd20e13181">409</a>]</span>muziekstukken door middel van deze zingende
+en spelende instrumenten reeds van meer belang wordt geacht dan die
+door middel van den gewonen notendruk. Dit had tot gevolg, dat
+componisten en uitgevers steeds luider begonnen te klagen over de
+vrijheid, die door de Conventie aan de fabrikanten dier instrumenten
+werd gelaten om zonder toestemming te vragen, en dus natuurlijk ook
+zonder ervoor te betalen, van alle muziekstukken gebruik te maken. Van
+verschillende zijden werd er op aangedrongen, de bepaling geheel te
+laten vervallen<a class="noteref" id="xd20e13183src" href="#xd20e13183"
+name="xd20e13183src">123</a>, of haar te vervangen door eene regeling,
+die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde toestanden en verhoudingen
+beter in overeenstemming was.</p>
+<p>Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner
+Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook
+geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen
+(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Itali&euml; en
+Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens was,
+dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische
+muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken;
+alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van
+n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden.
+Wegens de bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd
+het onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar
+overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte,
+nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13
+Conventie 1908 is voortgekomen.</p>
+<p>De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der
+componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen,
+zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken
+spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van
+die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche
+wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde lid
+bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene
+bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten,
+waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.</p>
+<p>Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13201" href="#xd20e13201" name=
+"xd20e13201">410</a>]</span>Zij houdt&mdash;en hierover waren alle
+staten uitgezonderd Zwitserland het terstond eens geweest&mdash;de
+erkenning in van het recht der componisten op dit stuk; juist het
+tegenovergestelde dus van hetgeen n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886
+inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat dit laatste alleen
+betrekking had op het <i>vervaardigen</i> der bedoelde instrumenten,
+terwijl het nieuwe artikel ook de <i>openbare uitvoering</i> noemt.</p>
+<p>De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de
+meeste staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in
+toepassing hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs,
+had men ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en
+phonografen rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht
+zouden de auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken
+hunner werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen
+zou kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden
+vormen ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal,
+zoodat er voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou
+bestaan om over nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te
+verzekeren. Om aan deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche
+voorstel eene bepaling opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal
+zijn werk had laten gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen
+zou zijn aan ieder derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen
+behoorlijke&mdash;ingeval van strijd door de inlandsche wet vast te
+stellen&mdash;vergoeding<a class="noteref" id="xd20e13215src" href=
+"#xd20e13215" name="xd20e13215src">124</a>. Het bleek echter dat vele
+staten tegen de invoering van dit systeem bezwaren hadden, en daarom
+besloot men, op voorstel van Engeland, het stellen van voorwaarden of
+beperkingen, die elke staat noodig mocht achten, liever aan den
+inlandschen wetgever over te laten. Zoo kwam men tot de bepaling van
+het tweede lid van artikel 13. Elke Verbondsstaat behoudt dus de
+vrijheid, om bepalingen vast te stellen, waardoor het auteursrecht der
+componisten, dat in het eerste lid van art. 13 Conventie 1908 is
+omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden of binnen bepaalde grenzen
+wordt gehouden.</p>
+<p>Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd
+te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit het
+verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13223" href="#xd20e13223" name=
+"xd20e13223">411</a>]</span>heeft voorzien, dat een staat eene regeling
+maakt, welke de fabrikanten van muziek-instrumenten op voor hen zeer
+gunstige en voor de auteurs zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt
+van muziekwerken gebruik te maken. Speciaal met het oog hierop heeft
+men het noodig geacht nog uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen
+en voorwaarden, die een staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat
+land zelf van kracht zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht
+der componisten minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus
+krachtens deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te
+verbieden van instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied
+slechts onder voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden
+vervaardigd hadden mogen worden<a class="noteref" id="xd20e13225src"
+href="#xd20e13225" name="xd20e13225src">125</a>.</p>
+<p>Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden
+erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren
+(cf. wat boven over de uitlegging van n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol
+1886 is gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een
+bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel bestaat
+hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste lid niet
+toepasselijk is op de werken, die v&oacute;&oacute;r het in werking
+treden der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor
+mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid 3). De
+vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen gaan met
+het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die
+muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die
+wijze door henzelven of door anderen ge&euml;xploiteerd werden.
+Overigens zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen
+regelen; de beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2
+mogen worden vastgesteld kunnen&mdash;zooals nog uitdrukkelijk in het
+Commissie-rapport wordt opgemerkt&mdash;ook de regeling van de
+terugwerkende kracht van dit artikel betreffen<a class="noteref" id=
+"xd20e13236src" href="#xd20e13236" name="xd20e13236src">126</a>.</p>
+<p>Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid van
+art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene
+Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten, rollen
+en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde
+voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13243" href="#xd20e13243" name=
+"xd20e13243">412</a>]</span>den componist zou moeten worden aangemerkt.
+Op verzoek van Itali&euml; heeft men met het oog op deze mogelijkheid
+nog een vierde lid aan art. 13 toegevoegd, waarin bepaald is, dat op
+dergelijke voorwerpen in de landen waar de verspreiding ervan niet
+geoorloofd is, beslag zal kunnen gelegd worden. Daar de Conventie 1908
+in art. 16 tweede lid een regel van volkomen dezelfde strekking
+inhoudt, die op alle in strijd met het auteursrecht vervaardigde
+voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste bepaling van art. 13
+geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie, die haar voorstelde,
+zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den aandrang der
+Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld schijnt te zijn
+geweest, dat de bepaling werd opgenomen<a class="noteref" id=
+"xd20e13245src" href="#xd20e13245" name="xd20e13245src">127</a>.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13
+Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig
+toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door
+eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van n<sup>o</sup>. 3
+Slotprotocol 1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de
+Conventie in strijd komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht
+beschermd zijn, moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen
+(voorwaarden en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan
+moet de bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend
+worden, tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van
+n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886 wil houden, die geenerlei
+verplichting oplegt.</p>
+<p>Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet bekend.
+Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der componisten
+op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het auteursrecht
+worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen meedoen. In
+elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen eene
+onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding tot de
+Conventie.</p>
+<p>Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne
+meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik reeds
+kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te lande in
+te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13265" href="#xd20e13265" name=
+"xd20e13265">413</a>]</span>slechts voortbouwen op de beginselen, die
+aan onze tegenwoordige wet op het auteursrecht ten grondslag hebben
+gelegen.</p>
+<p>Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het
+gebied van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij
+bekend tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het
+niet-aanvaarden van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou
+men hierdoor bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier
+onder gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen,
+waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald zou
+moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een
+afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken van
+het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne grenzen
+ervoor gesloten houden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.2.7">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in
+de Conventie 1908; het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat
+kinematographische voorstellingen tot de gewone publieke
+vermakelijkheden zijn gaan behooren, zoodat het geen verwondering kan
+wekken, dat n&oacute;ch op de Conferenties van Bern, n&oacute;ch op de
+Parijzer Conferentie over dit reproductie-middel is gesproken.</p>
+<p>De bepalingen van art. 14 zijn van twee&euml;rlei aard. In de eerste
+plaats betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van
+andermans werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij
+betrekking op de bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met
+behulp van den kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een
+vierde lid van het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent
+den kinematograaf is vastgesteld ook geldt voor elk
+proc&eacute;d&eacute; van soortgelijken aard. Deze bepaling ziet
+voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien nog kan
+brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog wel geen
+practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder buiten
+beschouwing te kunnen laten.</p>
+<p>Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om
+werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt
+weer in twee onderdeelen, nl. 1<sup>o</sup> het recht van reproductie
+door den kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de
+vervaardiging van kinematographische beelden; en 2<sup>o</sup> het
+recht van <span class="pagenum">[<a id="xd20e13284" href="#xd20e13284"
+name="xd20e13284">414</a>]</span>openbare opvoering met den
+kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten worden in
+het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van
+&bdquo;letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken&rdquo;. Het zijn
+dus niet alleen tooneelstukken, opera&rsquo;s, balletten enz. waarvan
+de exploitatie op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden,
+doch ook de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat
+tafereelen uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en
+daarmede vertoond worden. Dit zou&mdash;ook al werd het geval niet
+uitdrukkelijk in het Commissie-verslag genoemd<a class="noteref" id=
+"xd20e13286src" href="#xd20e13286" name=
+"xd20e13286src">128</a>&mdash;reeds volgen uit het zoogenaamde
+dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en
+gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.</p>
+<p>Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van
+<i>wetenschappelijke</i> werken door middel van den kinematograaf heeft
+kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt in
+het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan eene
+vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling te
+denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld is
+den chirurg te beschermen als &bdquo;auteur&rdquo; van de door hem
+verrichte operatie tegen de kinematographische reproductie van het
+tafereel, dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat,
+zooals reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft
+derhalve m. i. niets anders over dan de woorden
+&bdquo;wetenschappelijke werken&rdquo; in art. 14 als niet geschreven
+te beschouwen.</p>
+<p>Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door
+middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds
+opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar in
+artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is,
+opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden
+gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft in
+een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den
+systematischen weg.</p>
+<p>De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in art.
+2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1<sup>o</sup> de kinematographische
+voortbrengselen (&bdquo;<i lang="fr">productions
+cin&eacute;matographiques</i>&rdquo;) voorzoover &bdquo;de auteur door
+de schikking der tooneelen of door de combinatie der <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13306" href="#xd20e13306" name=
+"xd20e13306">415</a>]</span>voorgestelde tafereelen aan het werk een
+persoonlijk en oorspronkelijk karakter zal hebben verleend&rdquo;; en
+2<sup>o</sup> &bdquo;de reproductie door middel van den kinematograaf
+van een letterkundig, wetenschappelijk of kunst-werk&rdquo;.</p>
+<p>Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te
+rekenen zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216
+sqq.), geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit
+een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor
+kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik
+van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een
+oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben
+verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle
+&bdquo;werken van kunst en letterkunde&rdquo; toepasselijk is.</p>
+<p>Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld, is
+op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch de korte
+toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk<a class=
+"noteref" id="xd20e13315src" href="#xd20e13315" name=
+"xd20e13315src">129</a>. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat
+de verschillende tafereelen, welke voor de kinematographische opneming
+hebben gediend, ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een
+ander. Met betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het
+vervaardigen der kinematographische afbeeldingen eene
+<i>reproductie</i>, die naar gelang van omstandigheden ongeoorloofd kan
+zijn. Doch aan den anderen kant is er ook eene nieuwe schepping tot
+stand gekomen, nl. de bewerking, welke de roman moest ondergaan om in
+beeld te worden gebracht. Deze bewerking nu, die men als eene
+bijzondere soort van &bdquo;dramatiseering&rdquo; kan beschouwen, wordt
+door de besproken bepaling onder de beschermde auteursproducten
+gerangschikt; zij is, &bdquo;onverminderd de rechten van den auteur van
+het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk werk
+beschermd.&rdquo; Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen,
+analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt is
+het recht van den bewerker op zijne bewerking.</p>
+<p>Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze
+bepaling verleende recht niet bestaat in de kinematographische
+afbeeldingen zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz.
+getrokken, d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13325" href="#xd20e13325" name=
+"xd20e13325">416</a>]</span>gemaakte, &bdquo;stuk&rdquo;. De in het
+artikel gebezigde uitdrukking &bdquo;reproductie door middel van den
+kinematograaf&rdquo; zou misschien het tegendeel kunnen doen denken en
+schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen echter, dat er
+hier van een recht op de kinematographische afbeelding geen sprake kan
+zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling noodig, daar dit
+onder de bepalingen over het recht op photographie&euml;n valt. Het
+verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het afgebeelde
+komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op meer
+exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet alleen
+de reproductie door middel van kinematograaf of photographie, maar ook
+b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere acteurs dan die
+bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.</p>
+<p>Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de
+inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting op
+aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het
+omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te
+verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene
+regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan
+de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel, de
+vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te verbinden.
+Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen, die zij op dit
+punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen vinden. Het recht van
+uitsluitende exploitatie door middel van den kinematograaf zou b.v. in
+de wet van een Verbondsland tot een zeer korten tijdsduur beperkt
+kunnen worden; in dat geval zouden ook de auteurs van de volgens de
+Conventie beschermde werken uit andere landen aldaar met dien korten
+termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven natuurlijk ook
+bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van het begrip
+&bdquo;openbare uitvoering door middel van den kinematograaf&rdquo; aan
+den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet
+voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave van
+een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden), zullen
+de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken van de
+vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2) vrijgesteld
+zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13329" href="#xd20e13329"
+name="xd20e13329">417</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch7.2.3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">c Rechtsmiddelen tot handhaving van het
+auteursrecht</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16
+Conventie 1908) geeft de Conventie eenige bepalingen over de
+rechtsmiddelen, welke dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt,
+ten dienste staan. In de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de
+rechthebbende op het auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig
+kan legitimeeren (art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om
+beslag te laten leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het
+auteursrecht is gepleegd (art. 16).</p>
+<div class="div4" id="ch7.2.3.1">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15;
+Conv. 1886 art. 11)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan
+artikel 11 Conventie 1886, met uitzondering hiervan, dat in
+laatstgenoemd artikel nog eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft
+op het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in het land van
+herkomst. Daar dit door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer
+wordt ge&euml;ischt, kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar
+daarom ook verder onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in
+zijne nieuwe gedaante.</p>
+<p>De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee
+categorie&euml;n van werken worden onderscheiden: 1<sup>o</sup> zij die
+den naam van den auteur dragen, en 2<sup>o</sup> de pseudonieme en
+anonieme werken, die den naam van den uitgever dragen.</p>
+<p>Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur
+vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook als
+zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio juris
+dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet hij zal
+hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de
+tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.</p>
+<p>Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme
+werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er
+worden hier twee gevallen onderscheiden<a class="noteref" id=
+"xd20e13353src" href="#xd20e13353" name="xd20e13353src">130</a>. In de
+eerste plaats dat de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus
+zelf rechthebbende is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen
+worde <span class="pagenum">[<a id="xd20e13359" href="#xd20e13359"
+name="xd20e13359">418</a>]</span>zich bekend te maken, wanneer op zijn
+recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de uitgever bevoegd is voor
+hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch het is ook mogelijk, dat
+de auteur zijn recht aan den uitgever heeft overgedragen en dat deze
+dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat geval schrijft het artikel
+voor, dat de uitgever zonder nader bewijs als rechtverkrijgende van den
+anoniemen of pseudoniemen auteur zal worden beschouwd, (lid 2 tweede
+zinsnede), zoodat ook d&aacute;n de ware naam van den auteur in het
+proces niet genoemd behoeft te worden.</p>
+<p>Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam
+dragen van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter
+niet&mdash;zooals in enkele rechterlijke uitspraken werd
+gedaan<a class="noteref" id="xd20e13363src" href="#xd20e13363" name=
+"xd20e13363src">131</a>&mdash;worden afgeleid, dat werken, waarop geen
+naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware dit zoo, dan zou de
+Conventie hier voor eene bepaalde categorie van werken (nl. door den
+druk gemeen gemaakte geschriften) eene afzonderlijke voorwaarde voor de
+bescherming hebben voorgeschreven; iets wat allerminst in de bedoeling
+lag en wat ook met het beginsel, dat voorwaarden en formaliteiten
+buiten het land van herkomst niet vervuld behoeven te worden (art. 4
+lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid 2 Conventie 1886) in strijd zou zijn.
+Het doel van het artikel is, zooals duidelijk uit de daarover gehouden
+beraadslagingen blijkt<a class="noteref" id="xd20e13375src" href=
+"#xd20e13375" name="xd20e13375src">132</a>, den rechthebbenden het
+ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk te maken. Met de vraag, of
+zekere werken al dan niet beschermd zijn, hebben deze bepalingen dus
+niet te maken; zij hebben uitsluitend betrekking op de rechtsmiddelen
+die dengene, op wiens recht inbreuk is gemaakt, voor de rechtbanken der
+Verbondslanden ten dienste staan.<a class="noteref" id="xd20e13380src"
+href="#xd20e13380" name="xd20e13380src">133</a><a id="xd20e13391" name=
+"xd20e13391"></a></p>
+<hr class="tb">
+<p>Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief
+karakter worden toegekend<a class="noteref" id="xd20e13397src" href=
+"#xd20e13397" name="xd20e13397src">134</a>, in dien zin, dat zij moeten
+worden toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei
+bepaling <span class="pagenum">[<a id="xd20e13403" href="#xd20e13403"
+name="xd20e13403">419</a>]</span>van dezelfde strekking. Eene andere
+uitlegging zou aan het artikel allen zin ontnemen.</p>
+<p>Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de
+auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen
+van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort
+zullen genieten. Hierdoor zouden zij in &eacute;&eacute;n opzicht
+eenigermate bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf
+uitgekomen werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste
+lid niet kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus
+gedwongen kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur
+is, terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op
+het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom m.
+i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste lid
+der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van een in
+het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen
+gelijkgesteld zou worden.</p>
+<p>In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking
+vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der
+Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken &bdquo;wordt de uitgever,
+en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op
+den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt&rdquo;. In dit
+opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden
+zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun naam
+bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet worden de
+bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur aangemerkt
+wordt, nader uiteengezet: hij kan &bdquo;het werk inzenden bij het
+departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en
+doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte
+exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de
+auteur zelf bevoegd is&rdquo;. Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het
+indienen van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht,
+in de M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke
+inbreuk op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was.
+Al deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden
+of formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld),
+zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde
+rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht
+kunnen worden. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13409" href=
+"#xd20e13409" name="xd20e13409">420</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.3.2">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886
+art. 12; Add. Acte 1896 art. 1, V)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie
+1908 (dat in de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886)
+om den auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond
+gemakkelijker te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op
+door ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden
+gelegd.</p>
+<p>Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de
+Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen
+van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te
+verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe
+opent<a class="noteref" id="xd20e13418src" href="#xd20e13418" name=
+"xd20e13418src">135</a>.</p>
+<p>De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor de
+laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar de tekst
+werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim
+uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene louter
+facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet de
+verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond het
+beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent, bij zich
+in te voeren<a class="noteref" id="xd20e13432src" href="#xd20e13432"
+name="xd20e13432src">136</a>. Tegen deze verklaring werd door geen der
+andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het
+Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op
+dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene
+eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de
+woorden &bdquo;bij den invoer&rdquo;, zoodat het ook <span class="corr"
+id="xd20e13437" title="Bron: toepssselijk">toepasselijk</span> werd op
+beslag in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard,
+doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens in
+het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld werd
+op sommige koloni&euml;n), de voorgenomen wijziging daartoe niet de
+verplichting oplegt<a class="noteref" id="xd20e13440src" href=
+"#xd20e13440" name="xd20e13440src">137</a>. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13445" href="#xd20e13445" name=
+"xd20e13445">421</a>]</span>Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat
+ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit
+is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan
+ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den
+eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel
+mogelijk.</p>
+<p>Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in
+het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van de
+Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel
+degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van
+beslaglegging bij zich te erkennen<a class="noteref" id="xd20e13449src"
+href="#xd20e13449" name="xd20e13449src">138</a>. Speciaal wordt er daar
+nog op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen
+ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt, dat
+beslag gelegd <i>kan</i> worden; doch dit maakt de bepaling niet tot
+eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan de
+belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te maken;
+doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te zorgen dat
+deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.</p>
+<p>Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste
+verklaring, die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de
+gepubliceerde handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit
+te lokken is aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond
+meer bestaat.</p>
+<p>De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken
+uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten,
+ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan
+deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene
+wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden
+door de daartoe &bdquo;bevoegde autoriteiten&rdquo; (art. 16 eerste
+lid) en &bdquo;overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche
+wetgeving van elk land&rdquo; (art. 16 derde lid). Waar de wet geen
+bepaling hierover inhoudt en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst,
+zal derhalve van de naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht
+komen. Trouwens op een punt van formeel recht als dit, waar &bdquo;de
+wijze waarop&rdquo; van zoo groot belang is, is eene eenvoudige
+bepaling als die van de Conventie: &bdquo;... Er kan beslag gelegd
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13461" href="#xd20e13461" name=
+"xd20e13461">422</a>]</span>worden ... enz.&rdquo; niet voldoende om
+zonder nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.</p>
+<p>In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke
+regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze
+regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude
+artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag
+<i>bij invoer</i> in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij
+voornamelijk aan het geval, dat een werk in een land, waar de
+bescherming heeft opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze
+nadruk in een ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is
+verstreken, wordt ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde
+exemplaren zouden daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding
+ervan inbreuk op het auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den
+auteur beschermen door hem een bijzonder wapen in de hand te geven,
+waardoor reeds aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden.
+Doch daar de woorden &bdquo;bij den invoer&rdquo; tot de, niet gewilde,
+gevolgtrekking zouden kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland
+niet meer mogelijk was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk
+weggelaten. Op de Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in
+het artikel ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk
+het beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het
+redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren, die
+afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet
+beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet
+ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele&mdash;overigens
+weinig twijfelachtige&mdash;punten.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land
+bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in
+deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord
+&bdquo;beslag&rdquo; (&bdquo;<i lang="fr">saisie</i>&rdquo;) gebruikt
+in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring van het recht,
+<i>conservatoir</i> beslag dus<a class="noteref" id="xd20e13478src"
+href="#xd20e13478" name="xd20e13478src">139</a>. Art. 22 W. A. R.
+verleent aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid
+om beslag te laten leggen op &bdquo;exemplaren, die in strijd met hun
+uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt&rdquo;. Hieronder
+zijn ongetwijfeld ook begrepen de exemplaren, die in een ander land,
+waar dit geen <span class="pagenum">[<a id="xd20e13484" href=
+"#xd20e13484" name="xd20e13484">423</a>]</span>inbreuk op het
+auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd met het
+aldaar bestaande auteursrecht, worden &bdquo;gemeen gemaakt&rdquo;. In
+dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16 der
+Conventie wordt ge&euml;ischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de bijna
+gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).</p>
+<p>Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag
+toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook door
+de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen aard,
+(rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en phonografen,
+kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht kan worden gepleegd.
+Artikel 16 der Conventie, dat het recht van beslag toekent op
+&bdquo;<i>toute oeuvre contrefaite</i>&rdquo;, is zonder eenigen
+twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op
+muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie
+1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op
+gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen
+overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die art.
+16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23 W. A.
+R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen, waarvan
+de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons land tot de
+Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="ch7.2.4">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">d Uitvoerings- en overgangsbepalingen</h4>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.1">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of
+uitstalling van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv.
+1886 art. 13)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere
+Verbondslanden sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit
+recht onder alle omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten,
+ook dan wanneer hierdoor andere rechten worden geschonden of
+politie-maatregelen worden overtreden. Elke staat behoudt daarom het
+recht, maatregelen te nemen tegen de verspreiding, opvoering of
+uitstalling van sommige werken, wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit
+wordt in art. 17 Conventie 1908 uitdrukkelijk erkend; <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13499" href="#xd20e13499" name=
+"xd20e13499">424</a>]</span>men mag echter aannemen, dat ook zonder
+deze bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou
+trekken.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.2">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886
+art. 14 en Slotpr. n<sup>o</sup>. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de
+bescherming in de verschillende Verbondslanden berust, deels op de
+bepalingen der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet,
+deels ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land,
+waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene
+geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was de
+vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding
+toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke v&oacute;&oacute;r dat
+tijdstip reeds bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der
+<i lang="fr">Association</i> en later op alle volgende diplomatieke
+Conferenties in bevestigenden zin beantwoord. Doch daarmede was de
+grootste moeilijkheid nog niet uit den weg geruimd. Er moest ook
+rekening worden gehouden met de belangen dergenenen, die van de
+vrijheid van reproductie, waaraan door het in werking treden der
+Conventie een einde zou komen, reeds gebruik gemaakt zouden hebben.
+Indien men deze personen niet wilde dwingen, de door hen, op volkomen
+geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie plotseling te staken,
+waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen lijden, dan moesten
+daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch in de Conventie
+zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden opgenomen, daar zij
+dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond zouden moeten
+gelden.</p>
+<p>Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op
+te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip
+van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed
+zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie
+1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten het
+vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886
+Slotprotocol n<sup>o</sup>. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).</p>
+<p>De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen
+overgangsbepaling worden genoemd, d. w. z. hij schept geen
+overgangstijdperk, <span class="pagenum">[<a id="xd20e13519" href=
+"#xd20e13519" name="xd20e13519">425</a>]</span>waarin de bepalingen der
+Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die werken worden
+van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken van
+bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen volgens
+het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij kan worden
+gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van art. 18 eerste
+lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886, dat in verband
+staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in 1908 heeft
+ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in de andere
+Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming in het land
+van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908 het ontbreken
+van bescherming in het land van herkomst geen beletsel meer is, dat het
+werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt (art. 4 lid 2),
+behalve wat betreft den duur van het recht, die dien van het land van
+herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In verband hiermede is
+nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders geredigeerd dan art. 14
+Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd artikel de Conventie bij
+hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op alle werken, die op dat
+tijdstip &bdquo;nog geen gemeengoed waren geworden in hun land van
+herkomst&rdquo;, is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd: &bdquo;als
+gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn&rdquo;. Immers
+het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst is
+het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in de
+andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals
+vroeger, ook het &bdquo;gemeengoed worden&rdquo; door een andere reden,
+b.v. omdat de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.</p>
+<p>Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het
+luidt:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Indien echter een werk wegens het verstrijken van den
+beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld, gemeengoed is
+geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal dat werk
+daar niet opnieuw beschermd worden.</p>
+</div>
+<p>Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van
+nieuwe Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet
+van een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een
+geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook
+toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13529" href="#xd20e13529" name=
+"xd20e13529">426</a>]</span>beschermingstermijn van dertig jaar na den
+dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig jaar. Het gevolg hiervan
+is, dat de uit dat land afkomstige werken nu ook in de andere landen,
+waar de termijn van vijftig jaar geldt, twintig jaar langer bescherming
+vinden dan voorheen. De strekking der hierboven afgeschreven bepaling
+is nu deze, dat in zulk een geval de bescherming in die andere landen
+niet herleeft, indien zij daar reeds, doordat de auteur voor meer dan
+dertig jaar gestorven was, had opgehouden te bestaan.</p>
+<p>Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den
+algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij
+betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe
+regeling &bdquo;gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als
+gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn&rdquo;.</p>
+<p>Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie
+zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze
+onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.</p>
+<p>In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen
+van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze
+bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie
+(art. 18 derde lid eerste zinsnede).</p>
+<p>Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten
+vrij, over de invoering der Conventie op hun gebied in de
+binnenlandsche wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze,
+waarop deze laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste
+zinsnede; Conventie 1886 Slotprotocol n<sup>o</sup>. 4 derde lid) is
+geredigeerd, en ook uit hetgeen bij de daarover gehouden
+beraadslagingen is opgemerkt, moet worden afgeleid, dat hier alleen die
+wettelijke bepalingen worden bedoeld, welke n&aacute; het tot
+standkomen der Conventie, speciaal met het oog op dit artikel, zouden
+worden gemaakt, en dat dus niet (zooals ten opzichte der verdragen) de
+in de wetgevingen voorkomende overgangsbepalingen bij analogie
+toepasselijk worden verklaard<a class="noteref" id="xd20e13542src"
+href="#xd20e13542" name="xd20e13542src">140</a>. Tevens, dat deze
+wetten w&eacute;l de wijze waarop het beginsel van art. 18 zal worden
+toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit beperkingen of
+voorwaarden voor sommige categorie&euml;n van werken, maar dat zij dit
+beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e13548" href="#xd20e13548" name="xd20e13548">427</a>]</span>dat
+dus de staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit
+beginsel in strijd is<a class="noteref" id="xd20e13550src" href=
+"#xd20e13550" name="xd20e13550src">141</a>.</p>
+<p>Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie,
+binnen de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft
+een toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de
+verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk op
+te lossen vragen aanleiding heeft gegeven<a class="noteref" id=
+"xd20e13564src" href="#xd20e13564" name="xd20e13564src">142</a>.</p>
+<p>Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met
+het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan
+worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van
+art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing
+worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze
+bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan
+toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling
+zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18
+(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben
+aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde, dat
+sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden worden
+afgeschrikt<a class="noteref" id="xd20e13576src" href="#xd20e13576"
+name="xd20e13576src">143</a>. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen
+welken van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te
+stellen, moet worden gebruik gemaakt.</p>
+<p>Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling
+van art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van
+het oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking
+treedt, zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in
+aanmerking komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit
+andere landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat
+de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze zullen,
+behalve tegenover Frankrijk en Belgi&euml;, waarmede wij reeds een
+tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door den
+Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13583" href="#xd20e13583" name=
+"xd20e13583">428</a>]</span>bescherming, die vreemde werken hier zullen
+genieten); deels door de wetgevers der verschillende Verbondslanden
+(ten aanzien der bescherming van de Nederlandsche werken aldaar).</p>
+<p>Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en Belgi&euml; bepaalt,
+dat vrij verkocht mogen worden nadrukken, die v&oacute;&oacute;r het in
+werking treden dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter
+verboden nieuwe uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren
+van buiten in te voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger
+aangevangen bestellingen of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling
+zal dus krachtens het derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op
+de, onder de bepalingen der Berner Conventie vallende, Nederlandsche
+werken in Frankrijk en Belgi&euml; en op de Fransche en Belgische
+werken alhier. Dit zal b.v. ook gelden voor vertalingen, die w&eacute;l
+volgens de Berner Conventie, doch niet volgens de bovengenoemde twee
+tractaten een inbreuk op het auteursrecht uitmaken. De
+v&oacute;&oacute;r het in werking treden der Conventie alhier zonder
+toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een Fransch boek zal
+ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet geoorloofd zijn er
+een nieuwe druk van te laten verschijnen.</p>
+<p>Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen
+tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op
+afzonderlijke wetten moeten berusten.</p>
+<p>Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten
+heeft te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche
+werken in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer
+landen, te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat
+eene wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld.
+Alle overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18
+eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe<a class=
+"noteref" id="xd20e13591src" href="#xd20e13591" name=
+"xd20e13591src">144</a>. De Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra
+de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, de volle
+bescherming genieten.</p>
+<p>Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft
+<i>Duitschland</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e13608" href=
+"#xd20e13608" name="xd20e13608">429</a>]</span>een stel zeer uitvoerige
+bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening van 11 Juli 1888 en
+eene <i lang="de">Bekanntmachung</i> van 7 Augustus 1888<a class=
+"noteref" id="xd20e13613src" href="#xd20e13613" name=
+"xd20e13613src">145</a>, die ook toepasselijk zijn voor het geval zich
+nieuwe staten bij de Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze
+bepalingen hierop neer, dat reproducties, die v&oacute;&oacute;rdat de
+Conventie in het nieuwe Verbondsland verbindend is geworden, van werken
+uit dat land afkomstig zijn gemaakt, verder vrij verspreid mogen
+worden, mits men de exemplaren binnen drie maanden door de politie
+heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet geschieden met
+clich&eacute;&rsquo;s van platen, gravures, etsen enz., waarvan dan
+gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn
+vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze
+verder ge&euml;xploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de
+auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal werk
+eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald, opgevoerd,
+dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste bepaling
+wordt verschillend ge&iuml;nterpreteerd. Kohler meent, dat ook eene van
+den auteur uitgaande uit- of opvoering v&oacute;&oacute;r den datum der
+inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen<a class="noteref"
+id="xd20e13622src" href="#xd20e13622" name="xd20e13622src">146</a>.
+Volgens deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt
+gedeeld<a class="noteref" id="xd20e13628src" href="#xd20e13628" name=
+"xd20e13628src">147</a>, zou dus geen der Nederlandsche tooneelstukken,
+die nu reeds in Duitschland vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene
+stukken van Heyermans het geval is) na onze toetreding tot de Conventie
+in Duitschland tegen opvoering beschermd zijn.</p>
+<p>In <i>Denemarken</i> zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni
+1903 en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus
+ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden
+toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie,
+v&oacute;&oacute;r de inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden;
+doch het zal b.v. niet geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder
+toestemming des auteurs te verspreiden<a class="noteref" id=
+"xd20e13641src" href="#xd20e13641" name="xd20e13641src">148</a>.</p>
+<p><i>Zweden</i> heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen
+gemaakt op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13651" href="#xd20e13651" name=
+"xd20e13651">430</a>]</span>in het leven getreden. In Zweden verschenen
+vertalingen mogen verder verspreid en herdrukt worden; muziek- en
+tooneelwerken mogen door degenen, die ze reeds hebben uit- of
+opgevoerd, ook in het vervolg op deze wijze ge&euml;xploiteerd worden;
+ook van <span class="corr" id="xd20e13653" title=
+"Bron: clich&eacute;s">clich&eacute;&rsquo;s</span>, die gediend hebben
+tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken worden
+gemaakt.</p>
+<p>In <i>Engeland</i> eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet
+van 25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het
+auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit
+van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe
+staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk
+besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn
+verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer ons
+land zich aansluit.</p>
+<p>De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche
+werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht was
+reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de desbetreffende
+Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan daarop van
+toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel 18 der
+Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met rechten of
+belangen in strijd zijn van degenen, die v&oacute;&oacute;r dien tijd
+de bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en
+belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een
+nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen
+aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden<a class="noteref" id=
+"xd20e13663src" href="#xd20e13663" name="xd20e13663src">149</a>.</p>
+<p>Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van
+hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds
+v&oacute;&oacute;r dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de
+verschillende Verbondslanden te wachten staat.</p>
+<p>Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier
+te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.</p>
+<p>Tegenover Frankrijk en Belgi&euml; zal, zooals reeds is opgemerkt,
+de <span class="pagenum">[<a id="xd20e13698" href="#xd20e13698" name=
+"xd20e13698">431</a>]</span>bepaling van de met deze staten gesloten
+tractaten hier toepasselijk zijn. Tegenover de andere staten zal,
+indien men de volle bescherming niet terstond wil laten intreden, eene
+afzonderlijke regeling gemaakt moeten worden.</p>
+<p>Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde
+staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te
+volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie
+van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat
+worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor
+een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is
+dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der
+exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een
+tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft, dan
+moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn ter
+reproductie van werken van beeldende kunst clich&eacute;&rsquo;s
+vervaardigd, dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden.
+Het Duitsche systeem van afstempeling der clich&eacute;&rsquo;s en
+gedrukte exemplaren verdient hierbij wellicht navolging.</p>
+<p>De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan,
+mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde doel
+noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te blijven
+vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie jaren. In
+elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk <i>aan
+ieder</i> vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar
+&eacute;&eacute;nmaal, eene vertooning heeft plaats gehad. Eene
+dergelijke vrijheid die, zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet
+wordt verleend, gaat m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben
+alleen reden van bestaan als middel tot bescherming der belangen van
+degenen, die reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen,
+die nog geen moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke
+exceptionneele maatregelen niet noodig.</p>
+<hr class="tb">
+<p>De toetreding van ons land tot de Conventie zal&mdash;zooals uit het
+voorgaande herhaaldelijk is gebleken&mdash;gepaard moeten gaan met eene
+herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal
+hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan de
+verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13711" href="#xd20e13711" name=
+"xd20e13711">432</a>]</span>mocht bestaan in eene verlenging van den
+duur van het auteursrecht, (een maatregel, die weliswaar niet strikt
+noodig maar toch ingevolge art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal
+volgens de bepaling van het laatste lid art. 18 der Conventie
+toepasselijk zijn. Indien&mdash;wat het waarschijnlijkst is&mdash;de
+wijziging in onze wet wordt aangebracht v&oacute;&oacute;rdat de
+Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over de
+al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van art.
+18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons land
+tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn in onze
+wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs: dit zal dan
+tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland, waar deze zelfde
+termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken vijftig jaar na den
+dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar hoe zal in dat geval
+beslist moeten worden ten aanzien van die Nederlandsche werken, welke
+v&oacute;&oacute;r de herziening onzer wet door het verstrijken van den
+ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed waren geworden? Men
+kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in de andere
+Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het tijdstip, dat
+dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het geheel niet
+beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de bepaling van het
+tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie toepasselijk zal
+moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de andere
+Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de verlenging
+van den termijn n&aacute; het in werking treden der Conventie had
+plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de bepaling
+eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten, die zich eerst
+later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij b.v. het geval dat
+in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is van het Verbond, de
+termijn van het auteursrecht op vijftig jaar na den dood des auteurs
+wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar) op hetzelfde tijdstip dat
+dit in Nederland, dat nog geen lid van het Verbond is, ook wordt
+gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche werken, waarvan de auteur
+reeds meer dan dertig jaar dood is, niet meer in de andere
+Verbondslanden van die langere bescherming zouden genieten; doch indien
+Nederland zich een jaar later bij het Verbond aansloot, dan zouden,
+volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken, die onder volkomen
+dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde landen <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13713" href="#xd20e13713" name=
+"xd20e13713">433</a>]</span>w&eacute;l bescherming vinden. Een voordeel
+dus voor het land, dat zich het laatst bij de Conventie heeft
+aangesloten.</p>
+<p>Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering in
+ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke, zooals
+wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding tot het
+Verbond.</p>
+<p>Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal
+wet geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig
+dagen v&oacute;&oacute;r het inwerkingtreden ervan geleverd,
+tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn
+gesteld, daar ten aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan
+aan de voorwaarde, in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming
+gesteld. Het gevolg zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van
+beeldende kunst, die v&oacute;&oacute;r het inwerkingtreden van de wet
+bestonden, onbeschermd zouden blijven. Deze werken zouden echter na
+onze toetreding tot het Verbond w&eacute;l beschermd zijn in de andere
+Verbondslanden, daar volgens het nieuwe systeem der Conventie het
+ontbreken van bescherming in het land van herkomst alleen d&aacute;n
+het auteursrecht in de andere landen doet te nietgaan, indien het het
+gevolg is van het verstrijken van den beschermingstermijn.</p>
+<p>Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere
+Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen,
+in Nederland w&eacute;l beschermd zijn.</p>
+<p>Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene
+bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste lid der
+Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp ook
+toepasselijk is op de werken, die v&oacute;&oacute;r het tijdstip van
+het inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit
+auteursrecht ten bate van degenen, die reeds van deze werken
+reproducties in omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als
+die, welke ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie
+zullen worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie
+van Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land
+doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten uit
+andere landen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13723" href=
+"#xd20e13723" name="xd20e13723">434</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.3">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband
+met de Conventie (Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add.
+art.)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer
+dan eens sprake geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds
+uitgesproken beginsel, dat de Conventie slechts een <i>minimum</i> van
+bescherming waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat
+buiten haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze
+rechten kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op
+bijzondere tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.</p>
+<p>Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft,
+daarover kwam v&oacute;&oacute;r 1908 in de Conventie geen
+afzonderlijke bepaling voor. Het was echter z&oacute;&oacute; dikwijls
+en met zooveel nadruk op de Conferenties van Bern uitgesproken, dat de
+Conventie slechts een minimum van bescherming beoogt te geven<a class=
+"noteref" id="xd20e13735src" href="#xd20e13735" name=
+"xd20e13735src">150</a>, dat nooit door iemand is beweerd, dat het
+toekennen van eene ruimere bescherming volgens de inlandsche wetten in
+strijd met de Conventie zou zijn. Op de Conferentie van Parijs achtte
+men het daarom ook niet noodig eene uitdrukkelijke bepaling in de
+Conventie daarover op te nemen<a class="noteref" id="xd20e13744src"
+href="#xd20e13744" name="xd20e13744src">151</a>.</p>
+<p>Twijfelde dus niemand aan de <i>bevoegdheid</i> van elken
+Verbondsstaat, om aan de auteurs uit andere landen eene meer
+uitgebreide wettelijke bescherming te verleenen dan die welke uit de
+bepalingen der Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en
+beweerden dat de Verbondsstaten <i>verplicht</i> waren de rechten van
+de inlandsche wet, voorzoover zij boven het minimum der Conventie
+uitkwamen, ook aan de auteurs der andere landen te verleenen. Deze
+meening, die o. a. door de redactie van het officieele orgaan van het
+Verbond werd voorgestaan<a class="noteref" id="xd20e13758src" href=
+"#xd20e13758" name="xd20e13758src">152</a>, werd verdedigd met een
+beroep op het bovengenoemde beginsel van de minimum-bescherming der
+Conventie in verband met den hoofdregel (art. 2 Conventie 1886), dat in
+elk Verbondsland op de werken uit andere landen de inlandsche wet
+toepasselijk is. Wanneer dus deze inlandsche wet meer gaf dan de
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13763" href="#xd20e13763" name=
+"xd20e13763">435</a>]</span>Conventie, moest de omvang der bescherming
+worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.</p>
+<p>Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening
+niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie
+alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar zou
+zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden worden
+ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders is uit
+hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende
+Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer
+ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn
+omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, <i>krachtens
+diezelfde Conventie</i> in sommige landen naar een anderen, ruimeren,
+maatstaf zouden moeten worden toegemeten.</p>
+<p>Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den
+omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden
+stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd<a class=
+"noteref" id="xd20e13772src" href="#xd20e13772" name=
+"xd20e13772src">153</a>. Zoo heeft men het blijkbaar ook op de
+Conferentie van Berlijn ingezien. Er waren verschillende voorstellen,
+waarin meer of minder duidelijk de verhouding der Conventie tot de
+verder gaande (d. w. z. meer bescherming gevende) landswetten was
+aangegeven. De Commissie kwam tenslotte met de volgende redactie, die
+ongewijzigd is aanvaard (art. 19 Conventie 1908):</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst
+verhinderen niet de toepassing te eischen van bepalingen van wijder
+strekking die in de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn
+vastgesteld ten gunste van vreemdelingen in het algemeen.</p>
+</div>
+<p>Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn
+van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen
+zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn
+vastgesteld &bdquo;ten gunste van vreemdelingen in het algemeen&rdquo;.
+Alleen dus, als de wet <i>uit zichzelf</i> reeds toepasselijk is, kan
+de buitenlandsche auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van
+op die der Conventie.</p>
+<p>Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel
+gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in
+art. 15 <span class="pagenum">[<a id="xd20e13789" href="#xd20e13789"
+name="xd20e13789">436</a>]</span>(t. a. v. nog te sluiten tractaten) en
+in het additionneel artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide
+bepalingen zijn nu in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De
+Verbondsstaten behouden zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten
+onder elkander te sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van
+wijder strekking verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet
+in strijd zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan
+deze voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.</p>
+<p>Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der
+wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak nooit
+voorgedaan.</p>
+<p>Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van
+weinig practisch belang, daar n&oacute;ch onze wet, n&oacute;ch onze
+tractaten met Frankrijk en Belgi&euml; zich op punten van eenige
+beteekenis boven het minimum der Conventie verheffen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.4">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv.
+1908 artt. 21&ndash;24; Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr.
+n<sup>os</sup>. 5 en 6)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de
+huishoudelijke inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring
+van het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt
+geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende
+Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.</p>
+<p>Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter
+opgenomen bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen
+aanleiding.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.5">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloni&euml;n
+(Conv. 1908 artt. 25 en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van
+den Duitschen afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de
+Conventie op te nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten
+er zich bij aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13810" href="#xd20e13810" name=
+"xd20e13810">437</a>]</span>erkennen<a class="noteref" id=
+"xd20e13812src" href="#xd20e13812" name="xd20e13812src">154</a>.
+Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het auteursrecht
+bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet moet ook aan
+zekere eischen voldoen.</p>
+<p>Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is
+hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel
+het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van
+uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen
+worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op- en
+uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken en
+dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf
+waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot
+het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele
+andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft,
+voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal
+hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten,
+het auteursrecht van photographie&euml;n, werken van kunstnijverheid en
+van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk
+besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden zijn,
+indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het Verbond
+weliswaar niet ge&euml;ischt, maar toch wel min of meer van een
+toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.</p>
+<p>In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er
+prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar
+ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze wet
+zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de
+Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen
+van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden
+zijn.</p>
+<p>Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan
+de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de
+bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de Add.
+Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds op gewezen,
+dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid een ruim gebruik
+worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet dan noodgedrongen
+overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13823" href="#xd20e13823" name=
+"xd20e13823">438</a>]</span>zonder belang, nl. de <i>eenheid</i> in het
+Verbond: &bdquo;si nous avons l&rsquo;Union, nous n&rsquo;avons pas
+l&rsquo;unit&eacute;&rdquo; wordt spijtig in het rapport van Renault
+opgemerkt<a class="noteref" id="xd20e13828src" href="#xd20e13828" name=
+"xd20e13828src">155</a>. Van de staten, die het brengen van dit offer
+noodig maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit
+gebied, waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden
+moeten blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook
+tot eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond,
+zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden, mag
+m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden worden
+verstoord.</p>
+<hr class="tb">
+<p>Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloni&euml;n in de toetreding
+kunnen worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en
+behoeven geene nadere verklaring.</p>
+<p>Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige
+verhouding tusschen ons land en de koloni&euml;n Suriname en
+Cura&ccedil;ao ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is
+vermeld wordt het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande
+auteursrecht w&eacute;l in Suriname en Cura&ccedil;ao erkend; niet
+echter omgekeerd dat van deze koloni&euml;n in het moederland.</p>
+<p>Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle
+koloni&euml;n bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen
+toestand nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie
+wordt een land met zijne koloni&euml;n (voorzoover deze natuurlijk in
+de toetreding zijn begrepen) als een geheel beschouwd<a class="noteref"
+id="xd20e13841src" href="#xd20e13841" name="xd20e13841src">156</a>; in
+het gestelde geval zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in
+het Verbond als een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens
+art. 4 lid 3 der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland
+zelf zou het echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de
+schrijver een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der
+Conventie erop toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de
+Conventie moge daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet
+toepasselijk te verklaren op werken uit Cura&ccedil;ao en Suriname.</p>
+<p>Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de
+koloni&euml;n, die in de toetreding begrepen worden, de wet moet
+beantwoorden aan de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e13849" href="#xd20e13849" name=
+"xd20e13849">439</a>]</span>op werken van beeldende kunst, van
+uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal dus ook in Suriname en
+Cura&ccedil;ao moeten geschieden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div4" id="ch7.2.4.6">
+<div class="divHead">
+<h5 class="main">VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv.
+1908 artt. 27&ndash;30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr.
+n<sup>o</sup>. 7; Add. Acte 1896 art. 20)</h5>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen
+lange bespreking noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van
+formeelen aard.</p>
+<p>Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de
+Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de
+staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid te
+blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval blijven
+dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten van kracht.
+Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie w&eacute;l
+aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten
+verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.</p>
+<p>Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding
+en de opzegging.</p>
+<p>Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband staat
+met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in 1908 is ingevoerd.
+Volgens dit systeem is het&mdash;zooals wij gezien
+hebben&mdash;mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond
+wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der
+Conventie wordt veranderd.</p>
+<p>Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving den
+beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de uit dat
+land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd kunnen
+zijn.</p>
+<p>In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat, die
+eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op een of
+meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896 gebonden
+te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk een nieuwen
+rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de andere
+Verbondslanden.</p>
+<p>Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende
+staat van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke
+mededeeling aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare
+beurt de andere staten daarmede in kennis stelt. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e13871" href="#xd20e13871" name=
+"xd20e13871">441</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10359" href="#xd20e10359src" name="xd20e10359">1</a></span>
+<i>Paleis van Justitie</i> 9 Aug. 1898.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10366" href="#xd20e10366src" name="xd20e10366">2</a></span> Mr.
+J. P. <span class="sc">Moltzer</span>, <i>W. v. h. R.</i> no. 7154.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10385" href="#xd20e10385src" name="xd20e10385">3</a></span> De
+voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover reeds is
+geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men zie hierover o.
+a.: Mr. <span class="sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, <i>de
+Gids</i> 1896 III pp. 385 sqq. en <i>Onze Eeuw</i> 1909 I pp. 102 sqq.:
+<span class="sc">Herman Robbers</span>, <i>Pro en Contra</i>, serie 1
+no. 10; en <i>de Gids</i> 1908 IV pp. 541 sqq.; <span class="sc">J. G.
+Robbers</span> Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde
+geschriften van Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, <span class=
+"sc">J. H. Kok</span> en <span class="sc">J. Mosmans</span>, en het,
+eveneens reeds genoemde, Rapport der Commissie aan de <i>Vereeniging
+van Letterkundigen</i>.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10429" href="#xd20e10429src" name="xd20e10429">4</a></span>
+<span class="sc">J. G. Fichte</span>, <i>Beweis der
+Unrechtm&auml;ssigkeit des B&uuml;chernachdrucks</i> t. a. p. p.
+238.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10462" href="#xd20e10462src" name="xd20e10462">5</a></span>
+Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd (art.
+39).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10524" href="#xd20e10524src" name="xd20e10524">6</a></span>
+T.a.p. p. 169.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10536" href="#xd20e10536src" name="xd20e10536">7</a></span>
+T.a.p. p. 170.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10549" href="#xd20e10549src" name="xd20e10549">8</a></span>
+W&eacute;l b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 &sect;35, wet van
+1907 &sect;30).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10579" href="#xd20e10579src" name="xd20e10579">9</a></span> <i>W.
+v. h. R.</i> no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene andere
+opinie (no. 7149).</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10590" href="#xd20e10590src" name="xd20e10590">10</a></span>
+Reeds in 1853 noemde <span class="sc">Bluntschli</span> de volkomen
+gelijkstelling van vreemde auteurs en werken met de nationale
+&bdquo;die einfachste und gerechteste L&ouml;sung&rdquo; welke aan dit
+vraagstuk kan worden gegeven. <i>Kritische Ueberschau der deutschen
+Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> I p. 26.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10612" href="#xd20e10612src" name="xd20e10612">11</a></span> Cf.
+het <i>Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer</i>
+1877&ndash;1878<span class="corr" id="xd20e10617" title=
+"Niet in bron">,</span> Bijlage 25 no. 7 p. 9.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10643" href="#xd20e10643src" name="xd20e10643">12</a></span>
+<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 214.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10684" href="#xd20e10684src" name="xd20e10684">13</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 273.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10793" href="#xd20e10793src" name="xd20e10793">14</a></span> Cf.:
+<i>Actes</i> 1885 p. 20<span class="corr" id="xd20e10798" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10906" href="#xd20e10906src" name="xd20e10906">15</a></span> Cf.
+o.a.: <span class="sc">A d&rsquo;Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1889 p. 2;
+1891 p. 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10918" href="#xd20e10918src" name="xd20e10918">16</a></span> Cf.:
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 149 en de daar
+genoemde schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van
+1885 van de afgevaardigden <span class="sc">Reichardt</span>,
+<span class="sc">d&rsquo;Orelli</span>, <span class=
+"sc">Renault</span>, <span class="sc">Lavoll&eacute;e</span> en
+<span class="sc">Lagerheim</span>, <i>Actes</i> 1885 p. 22.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10973" href="#xd20e10973src" name="xd20e10973">17</a></span>
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 150.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10982" href="#xd20e10982src" name="xd20e10982">18</a></span> Over
+het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze wet onbreekt, wordt
+hieronder bij de behandeling van art. 11 der Conventie gesproken.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e10987" href="#xd20e10987src" name="xd20e10987">19</a></span> Dit
+werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. <i>D. A.</i> 1899 pp. 130 sqq.)
+maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de
+besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche
+herzieningsvoorstellen, <i>Actes</i> 1908 p. 41.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11008" href="#xd20e11008src" name="xd20e11008">20</a></span> Het
+eenige zou misschien kunnen zijn: <i>mondelinge voordrachten</i>,
+voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is
+dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de
+&bdquo;geschriften&rdquo;, die in het artikel worden genoemd.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11036" href="#xd20e11036src" name="xd20e11036">21</a></span> Men
+zie hierover: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. pp.
+150 en 169; <i>D. A.</i> 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11078" href="#xd20e11078src" name="xd20e11078">22</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 p. 145.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11096" href="#xd20e11096src" name="xd20e11096">23</a></span> Men
+zie voor Frankrijk: <span class="sc">Pouillet</span> t. a. p. pp. 91
+sqq. en <i>D. A.</i> 1889 p. 54; <span class="sc">Darras</span> ibid.
+1894 p. 88, 1895 p. 47; voor Belgi&euml;: <span class="sc">P.
+Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p.
+24 en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3
+Febr. 1904, <i>D. A.</i> 1905 p. 61; voor Itali&euml;: <span class=
+"sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1889 pp. 19 en 30, 1891 p. 114.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11124" href="#xd20e11124src" name="xd20e11124">24</a></span> Het
+Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: &bdquo;<span lang="fr">On
+est tomb&eacute; assez facilement d&rsquo;accord que les photographies
+devaient &ecirc;tre prot&eacute;g&eacute;es dans tous les pays de
+l&rsquo;Union</span>&rdquo;. <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 235.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11144" href="#xd20e11144src" name="xd20e11144">25</a></span>
+<i>Actes</i> 1885 p. 43.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11149" href="#xd20e11149src" name="xd20e11149">26</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 pp. 114 en 166.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11157" href="#xd20e11157src" name="xd20e11157">27</a></span> Men
+zie: <i>Actes</i> 1908 pp. 50, 51.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11190" href="#xd20e11190src" name="xd20e11190">28</a></span> Men
+zie het verslag van <span class="sc">Renault</span>, <i>Actes</i> 1908
+p. 232.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11246" href="#xd20e11246src" name="xd20e11246">29</a></span> Men
+zie: <i>D. A.</i> 1895 p. 92.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11264" href="#xd20e11264src" name="xd20e11264">30</a></span> In
+dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch album met
+schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover:
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 154;
+<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1898 p. 43. Cf. over een
+soortgelijke vraag: <i>D. A.</i> 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11323" href="#xd20e11323src" name="xd20e11323">31</a></span> De
+vraag werd o. a. besproken op het Congres der <i lang=
+"fr">Association</i> te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: <i>D. A.</i>
+1907 pp. 115, 116.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11337" href="#xd20e11337src" name="xd20e11337">32</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 p. 44.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11360" href="#xd20e11360src" name="xd20e11360">33</a></span> Men
+zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende erkenning
+van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11370" href="#xd20e11370src" name="xd20e11370">34</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 232.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11385" href="#xd20e11385src" name="xd20e11385">35</a></span> Men
+zie het rapport van <span class="sc">Renault</span>, <i lang=
+"fr">Actes</i> 1908 p. 232.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11439" href="#xd20e11439src" name="xd20e11439">36</a></span>
+<i>Actes</i> 1884 p. 41.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11444" href="#xd20e11444src" name="xd20e11444">37</a></span>
+<i>Actes</i> 1885 p. 42.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11468" href="#xd20e11468src" name="xd20e11468">38</a></span> Cf.
+voor het gebruik van de woorden <i>nationaliteit</i> en
+<i>onderdaanschap</i> als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip:
+<span class="sc">A. van de Sande Bakhuyzen</span>, <i>Nederlandsch
+onderdaanschap</i>, Proefschr. Leiden 1900 pp. 7 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11492" href="#xd20e11492src" name="xd20e11492">39</a></span> Men
+zie b. v.: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a.
+p<span class="corr" id="xd20e11497" title="Niet in bron">.</span>, p.
+83; <span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p<span class=
+"corr" id="xd20e11506" title="Bron: ,">.</span> 403.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11512" href="#xd20e11512src" name="xd20e11512">40</a></span> O.
+a.: <span class="sc">d&rsquo;Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1889
+p<span class="corr" id="xd20e11520" title="Bron: ,">.</span> 2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11529" href="#xd20e11529src" name="xd20e11529">41</a></span> Cf.:
+<span class="sc">van de Sande Bakhuyzen</span> t. a. p. pp. 22 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11535" href="#xd20e11535src" name="xd20e11535">42</a></span>
+<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1908&ndash;1909 Bijlage 266.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11555" href="#xd20e11555src" name="xd20e11555">43</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 44.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11564" href="#xd20e11564src" name="xd20e11564">44</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 113.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11572" href="#xd20e11572src" name="xd20e11572">45</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 21.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11577" href="#xd20e11577src" name="xd20e11577">46</a></span>
+Anders: <span class="sc">d&rsquo;Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1899 p.
+2.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11595" href="#xd20e11595src" name="xd20e11595">47</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 pp. 189 en 191.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11619" href="#xd20e11619src" name="xd20e11619">48</a></span> Cf.:
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 92; <i>D. A.</i>
+1902 p. 54.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11670" href="#xd20e11670src" name="xd20e11670">49</a></span> Men
+zie de verklaring van <span class="sc">Dr. Meyer</span> dienaangaande
+op de Conferentie van 1884, <i lang="fr">Actes</i> p. 43.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11687" href="#xd20e11687src" name="xd20e11687">50</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 111.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11710" href="#xd20e11710src" name="xd20e11710">51</a></span> Men
+zie het Commissie-rapport, <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 161; het
+Zwitsersche voorstel is te vinden ibid. p. 112.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11748" href="#xd20e11748src" name="xd20e11748">52</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 237.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11759" href="#xd20e11759src" name="xd20e11759">53</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 39.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11790" href="#xd20e11790src" name="xd20e11790">54</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 39.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11795" href="#xd20e11795src" name="xd20e11795">55</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 241.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11813" href="#xd20e11813src" name="xd20e11813">56</a></span>
+<i>Actes</i> 1884 pp. 29, 43.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11824" href="#xd20e11824src" name="xd20e11824">57</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen
+in <i>D. A.</i> 1896 pp. 36 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11832" href="#xd20e11832src" name="xd20e11832">58</a></span> Cf.
+het rapport der Commissie <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 164.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11869" href="#xd20e11869src" name="xd20e11869">59</a></span> Cf.
+het rapport van <span class="sc">Renault</span> op de Conferentie van
+Berlijn <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 236.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11916" href="#xd20e11916src" name="xd20e11916">60</a></span> Cf.
+hierboven p. 312.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e11968" href="#xd20e11968src" name="xd20e11968">61</a></span> Cf.
+boven pp. 264 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12077" href="#xd20e12077src" name="xd20e12077">62</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 p. 200.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12100" href="#xd20e12100src" name="xd20e12100">63</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 pp. 214, 215.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12109" href="#xd20e12109src" name="xd20e12109">64</a></span> Cf.
+wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt, <i>Actes</i>
+1908 p. 244.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12127" href="#xd20e12127src" name="xd20e12127">65</a></span> Men
+vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12147" href="#xd20e12147src" name="xd20e12147">66</a></span>
+<i>Actes</i> 1885 p. 28.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12152" href="#xd20e12152src" name="xd20e12152">67</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 p. 168.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12170" href="#xd20e12170src" name="xd20e12170">68</a></span>
+<i>Actes</i> 1884 pp. 31, 32.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12197" href="#xd20e12197src" name="xd20e12197">69</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 49.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12207" href="#xd20e12207src" name="xd20e12207">70</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 26 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12225" href="#xd20e12225src" name="xd20e12225">71</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de
+rede van den Franschen gedelegeerde <span class=
+"sc">Lavoll&eacute;e</span> op de Conferentie van 1885, <i lang=
+"fr">Actes</i> pp. 62, 63.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12243" href="#xd20e12243src" name="xd20e12243">72</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 133.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12251" href="#xd20e12251src" name="xd20e12251">73</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 169.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12260" href="#xd20e12260src" name="xd20e12260">74</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 246.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12273" href="#xd20e12273src" name="xd20e12273">75</a></span> Men
+zie de toelichting van het voorstel: <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp.
+201 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12281" href="#xd20e12281src" name="xd20e12281">76</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 247 en 248.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12289" href="#xd20e12289src" name="xd20e12289">77</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 215.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12297" href="#xd20e12297src" name="xd20e12297">78</a></span> Men
+zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde <span class=
+"sc">Klaus Hoel</span>, <i>Actes</i> 1908 pp. 213 en 214 en die van den
+Zweedschen gedelegeerde Graaf <span class="sc">Taube</span> ibid. p.
+218.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12327" href="#xd20e12327src" name="xd20e12327">79</a></span> Men
+zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport van
+<span class="sc">Renault</span> aan de Conferentie van Parijs, <i lang=
+"fr">Actes</i> 1896 pp. 168 sqq. De Rechtbank van Brussel (10 Jan.
+1903) wees ten onrechte een eisch af, op grond dat aan de voorwaarden
+voor het vertalingsrecht, die de wet van het land van herkomst (in dit
+geval Duitschland) eischte, niet was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar
+in dit vonnis verwezen werd, was bovendien toen al niet meer van kracht
+en vervangen door die van 19 Juni 1901, welke in &rsquo;t geheel geen
+voorwaarden of formaliteiten voorschrijft. (<i>D. A.</i> 1904 pp. 56
+sqq.)</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12369" href="#xd20e12369src" name="xd20e12369">80</a></span> Men
+zie ook het rapport van <span class="sc">Renault</span>, <i>Actes</i>
+1896 p. 170.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12395" href="#xd20e12395src" name="xd20e12395">81</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 44.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12423" href="#xd20e12423src" name="xd20e12423">82</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 p. 217.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12456" href="#xd20e12456src" name="xd20e12456">83</a></span> Niet
+geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door Mr. <span class=
+"sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, <i>Onze Eeuw</i> 1909 I pp. 123
+en 124.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12480" href="#xd20e12480src" name="xd20e12480">84</a></span> Men
+zie hierover: <i lang="fr">Actes</i> 1884 pp. 31 en 52 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12498" href="#xd20e12498src" name="xd20e12498">85</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 pp. 115, 116.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12503" href="#xd20e12503src" name="xd20e12503">86</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 pp. 136 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12525" href="#xd20e12525src" name="xd20e12525">87</a></span> De
+tekst dezer voorstellen is te vinden: <i>Actes</i> 1908 pp. 287 sqq. De
+toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en die van het
+Belgische pp. 203 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12531" href="#xd20e12531src" name="xd20e12531">88</a></span> Men
+zie het Commissie-rapport, <i>Actes</i> 1908 pp. 249 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12562" href="#xd20e12562src" name="xd20e12562">89</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 137.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12569" href="#xd20e12569src" name="xd20e12569">90</a></span> Men
+zie het Duitsche voorstel, <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 44, 45 en
+het Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12575" href="#xd20e12575src" name="xd20e12575">91</a></span> Cf.
+hierover het Commissie-rapport, <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 251,
+252 en de verklaring van <span class="sc">de Borchgrave</span> op de
+vergadering van 13 Nov. 1908, <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 215.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12618" href="#xd20e12618src" name="xd20e12618">92</a></span> Men
+zie hierover o.a.: <i>La reproduction des romans feuilletons dans les
+journaux</i>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 13 sqq., en: <i>Du droit de
+reproduction en mati&egrave;re de journaux et de publications
+p&eacute;riodiques</i>, <i>D. A.</i> 1896 pp. 8 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12633" href="#xd20e12633src" name="xd20e12633">93</a></span>
+<i>Actes</i> 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie <span class=
+"sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 203.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12643" href="#xd20e12643src" name="xd20e12643">94</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 p. 171.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12658" href="#xd20e12658src" name="xd20e12658">95</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12672" href="#xd20e12672src" name="xd20e12672">96</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 251.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12684" href="#xd20e12684src" name="xd20e12684">97</a></span>
+<i>Actes</i> 1885 p. 46.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12699" href="#xd20e12699src" name="xd20e12699">98</a></span> Men
+zie het Commissie-rapport <i>Actes</i> 1908 p. 251.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12720" href="#xd20e12720src" name="xd20e12720">99</a></span> Men
+zie: <i>Actes</i> 1885 p. 46 en <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12732" href="#xd20e12732src" name="xd20e12732">100</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 254.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12739" href="#xd20e12739src" name="xd20e12739">101</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12770" href="#xd20e12770src" name="xd20e12770">102</a></span> Zij
+werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12795" href="#xd20e12795src" name="xd20e12795">103</a></span>
+Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige
+nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12835" href="#xd20e12835src" name="xd20e12835">104</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 29, 30.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12840" href="#xd20e12840src" name="xd20e12840">105</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 47.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12857" href="#xd20e12857src" name="xd20e12857">106</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 47.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12862" href="#xd20e12862src" name="xd20e12862">107</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 254.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12877" href="#xd20e12877src" name="xd20e12877">108</a></span> In
+een ingezonden stuk van den heer <span class="sc">A. de Jager</span> in
+het <i>Nieuwsblad voor den Boekhandel</i> 1898 no. 100 worden een
+zestigtal titels van dergelijke uitgaven genoemd, die door den
+schrijver worden aangeduid als: &bdquo;eenige, die mij het eerst voor
+de hand kwamen&rdquo;.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12899" href="#xd20e12899src" name="xd20e12899">109</a></span>
+Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver van het
+bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel overgenomen.
+Het een en ander is opgenomen in: <i>Nederland en de Berner
+Conventie</i> door Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, met
+bijlagen, 2de vermeerderde druk, Groningen, P. Noordhoff 1898.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12924" href="#xd20e12924src" name="xd20e12924">110</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 172.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12929" href="#xd20e12929src" name="xd20e12929">111</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 229.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12938" href="#xd20e12938src" name="xd20e12938">112</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 256.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e12952" href="#xd20e12952src" name="xd20e12952">113</a></span>
+Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. <span class=
+"sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 222.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13008" href="#xd20e13008src" name="xd20e13008">114</a></span> Men
+zie: <i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 48 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13041" href="#xd20e13041src" name="xd20e13041">115</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 pp. 172, 173.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13046" href="#xd20e13046src" name="xd20e13046">116</a></span> Men
+zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van Duitschland,
+Spanje en Itali&euml; over het bewerkingsrecht van de auteurs van
+geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13051" href="#xd20e13051src" name="xd20e13051">117</a></span> Cf.
+het Commissie-verslag <i>Actes</i> 1908 p. 258.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13063" href="#xd20e13063src" name="xd20e13063">118</a></span> Tot
+nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over deze vraag
+uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13089" href="#xd20e13089src" name="xd20e13089">119</a></span>
+Evenzoo: <span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1890 pp. 93
+sqq.; hoofdartikel in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts
+verscheidene rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland:
+Reichsgericht 31 Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels,
+speeldoozen en andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal
+muziekstukken spelen en ten tijde van het tot stand komen der Conventie
+algemeen bekend waren, <i>D. A.</i> 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden
+zin: Reichsgericht 24 Febr. 1899, <i>D. A</i>. 1901 p. 5;
+S&auml;chsisches Oberlandsgericht 29 Oct. 1894. In Belgi&euml; werd
+uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk is op phonograaf-rollen
+door: <span lang="fr">Tribunal de 1<sup>re</sup> instance</span> te
+Brussel 13 Juli 1904, <i>D. A.</i> 1904 pp. 93 sqq.; <span lang=
+"fr">Tribunal de paix</span> Brussel 10 Aug. 1903, <i>D. A.</i> 1903
+pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen in tegengestelden
+zin.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13127" href="#xd20e13127src" name="xd20e13127">120</a></span> Dit
+is ook de meening van <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span>, die
+overigens de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: &bdquo;<span lang=
+"la">dura lex sed lex</span>&rdquo; t. a. p. p. 246. Rechterlijke
+beslissingen in dezen zin: Landgericht Leipzig 31 Dec. 1891
+(symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix); Landgericht Gera 23 Mei 1890
+(clariophone), <i>D. A.</i> 1890 pp. 119 sqq., 1895 pp. 59 sqq.;
+<span lang="fr">Cour d&rsquo;Appel</span> Brussel 29 Dec. 1905, <i>D.
+A.</i> 1906 p. 46.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13164" href="#xd20e13164src" name="xd20e13164">121</a></span> Zoo
+deed ook terecht: <span lang="fr">Tribunal de paix</span> van Laeken 5
+Juli 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 7.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13175" href="#xd20e13175src" name="xd20e13175">122</a></span> Men
+zie hierover: <i>Actes</i> 1896 pp. 46, 47, 199, 200.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13183" href="#xd20e13183src" name="xd20e13183">123</a></span> Zoo
+o. a. door de <i lang="fr">Association</i> op hare congressen van
+Monaco 1897, Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het
+internationale uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. <i lang=
+"fr">Tableau des Voeux</i> etc. 1896&ndash;1907 pp. 14, 15.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13215" href="#xd20e13215src" name="xd20e13215">124</a></span> Men
+zie het Duitsche voorstel met de toelichting <i>Actes</i> 1908 pp. 51,
+52.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13225" href="#xd20e13225src" name="xd20e13225">125</a></span> Men
+zie hierover het verslag der Commissie <i>Actes</i> 1908 pp. 260,
+261.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13236" href="#xd20e13236src" name="xd20e13236">126</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 262.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13245" href="#xd20e13245src" name="xd20e13245">127</a></span> Men
+zie het Commissie-rapport, <i>Actes</i> 1908 p. 262.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13286" href="#xd20e13286src" name="xd20e13286">128</a></span>
+<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 264.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13315" href="#xd20e13315src" name="xd20e13315">129</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 p. 266.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13353" href="#xd20e13353src" name="xd20e13353">130</a></span>
+Cf.: <i>Actes</i> 1885 p. 50.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13363" href="#xd20e13363src" name="xd20e13363">131</a></span> Hof
+van Brescia 20&ndash;22 Dec. 1897, <i>D. A.</i> 1898 p. 83; Hof van
+Appel Milaan 10 Jan. 1899, <i>D. A.</i> 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa
+23 Juni 1903, <i>D. A.</i> 1904 p. 98.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13375" href="#xd20e13375src" name="xd20e13375">132</a></span>
+<i>Actes</i> 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13380" href="#xd20e13380src" name="xd20e13380">133</a></span> Men
+zie ook: <i lang="fr">Des moyens de prouver l&rsquo;existence du droit
+d&rsquo;auteur d&rsquo;apr&egrave;s la Convention de Berne</i>, <i>D.
+A.</i> 1899 pp. 50 sqq. en een arrest van het Hof van Cassatie van Rome
+van 7 Juni 1900, <i>D. A.</i> 1900 p. 145.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13397" href="#xd20e13397src" name="xd20e13397">134</a></span>
+Cf.: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 252.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13418" href="#xd20e13418src" name="xd20e13418">135</a></span> Men
+zie over deze kwestie o.a.: <span class="sc">d&rsquo;Orelli</span>,
+<i>D. A.</i> 1889 p. 14; een hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq.
+en 25 sqq.; <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. pp.
+264, 265.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13432" href="#xd20e13432src" name="xd20e13432">136</a></span>
+<i>Actes</i> 1885 p. 35.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13440" href="#xd20e13440src" name="xd20e13440">137</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 p. 139.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13449" href="#xd20e13449src" name="xd20e13449">138</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 p. 173; 1908 p. 267.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13478" href="#xd20e13478src" name="xd20e13478">139</a></span>
+Cf.: <i>D. A.</i> 1904 p. 14.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13542" href="#xd20e13542src" name="xd20e13542">140</a></span>
+Cf.: <i>D. A.</i> 1905 p. 94.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13550" href="#xd20e13550src" name="xd20e13550">141</a></span>
+Cf.: <i>Actes</i> 1885 p. 52; <i>D. A.</i> 1905 pp. 93, 94;
+<i>Actes</i> 1908 p. 269.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13564" href="#xd20e13564src" name="xd20e13564">142</a></span> Men
+zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen Duitschland en
+Engeland: <i>D. A.</i> 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen
+Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van
+Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): <i>D. A.</i> 1894 pp.
+61 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13576" href="#xd20e13576src" name="xd20e13576">143</a></span>
+<i>Actes</i> 1896 pp. 174, 175.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13591" href="#xd20e13591src" name="xd20e13591">144</a></span> Dit
+belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen, die reeds
+reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te houden. Cf.,
+speciaal voor Itali&euml;: <span class="sc">M. Amar</span>, <i lang=
+"fr">De l&rsquo;application de la Convention de Berne revis&eacute;e
+aux oeuvres publi&eacute;es avant son entr&eacute;e en vigueur</i>,
+<i>D. A.</i> 1900 pp. 89 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13613" href="#xd20e13613src" name="xd20e13613">145</a></span> De
+tekst is o.a. te vinden in <i>D. A.</i> 1888 pp. 76 en 90 en bij
+<span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. pp. 348 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13622" href="#xd20e13622src" name="xd20e13622">146</a></span>
+<i lang="de">Zeitschrift f&uuml;r internationales Privat- und
+Strafrecht</i> VI p. 388.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13628" href="#xd20e13628src" name="xd20e13628">147</a></span>
+<i>D. A.</i> 1905 p. 94; <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t.
+a. p. p. 273.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13641" href="#xd20e13641src" name="xd20e13641">148</a></span> Men
+zie de verklaring der Deensche Regeering, <i>D. A.</i> 1905 p. 95.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13663" href="#xd20e13663src" name="xd20e13663">149</a></span> Men
+zie hierover o.a.: <span class="sc">J. F. Iselin</span>, <i lang=
+"fr">L&rsquo;effet r&eacute;troactif de la Convention de Berne en
+Angleterre</i>, <i>D. A.</i> 1899 p. 38; <span class=
+"sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. p. 278; <i lang="fr">La
+question de la R&eacute;troactivit&eacute; devant les tribunaux
+Anglais</i>, (hoofdartikel) <i>D. A.</i> 1891 pp. 49 sqq. en: <i>D.
+A.</i> 1905 p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te
+vinden in: <i>D. A.</i> 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101;
+1899 p. 39.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13735" href="#xd20e13735src" name="xd20e13735">150</a></span> Men
+zie: <i>Actes</i> 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; <i>Actes</i> 1885 pp. 27
+en 45.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13744" href="#xd20e13744src" name="xd20e13744">151</a></span> Men
+zie het Commissie-rapport <i>Actes</i> 1896 pp. 160, 161.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13758" href="#xd20e13758src" name="xd20e13758">152</a></span>
+<i>D. A.</i> 1895 p. 163.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13772" href="#xd20e13772src" name="xd20e13772">153</a></span> Cf.
+ook in dezen zin: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p.
+pp. 29 sqq.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13812" href="#xd20e13812src" name="xd20e13812">154</a></span>
+<i>Actes</i> 1884 p. 36.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13828" href="#xd20e13828src" name="xd20e13828">155</a></span>
+<i>Actes</i> 1908 p. 277.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13841" href="#xd20e13841src" name="xd20e13841">156</a></span>
+Cf.: <span class="sc">R&ouml;thlisberger</span> t. a. p. pp. 300,
+301.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="bijlagen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="super">Bijlagen</h2>
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e13877" href="#xd20e13877" name=
+"xd20e13877">443</a>]</span></p>
+<h2 id="b1" class="main">Bijlage I</h2>
+<h2 class="main">Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n<sup>o</sup>. 124)
+tot regeling van het auteursrecht</h2>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Begrip en omvang van het auteursrecht</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 1</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-,
+tooneelwerken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken,
+alsmede om dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar
+uit- of op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen
+rechtverkrijgenden toe.</p>
+<p>Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke
+uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
+toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
+wordt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Met auteurs worden gelijkgesteld:</p>
+<p><i>a</i>. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door
+bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders;</p>
+<p><i>b</i>. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en
+vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;</p>
+<p><i>c</i><span class="corr" id="xd20e13915" title=
+"Niet in bron">.</span> vertalers ten opzichte van hunne vertaling.</p>
+<p>Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders
+behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door hem
+geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen.</p>
+<p>Ten aanzien van de onder <i>a</i> en <i>b</i> van dit artikel
+vermelde rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 13 buiten
+toepassing.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij werken, zonder naam van auteur of onder een
+verdichten naam door den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo
+ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
+omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander
+zich <span class="pagenum">[<a id="xd20e13935" href="#xd20e13935" name=
+"xd20e13935">444</a>]</span>als rechthebbende heeft doen kennen op den
+voet in de artikelen 10 en 11 bepaald, met uitzondering van den in art.
+10 gestelden termijn van inzending.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 4</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er
+geen auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen
+verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht ter
+algemeene kennis gebracht is<a class="noteref" id="xd20e13944src" href=
+"#xd20e13944" name="xd20e13944src">1</a>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 5</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend
+recht om door den druk gemeen te maken vertalingen van:</p>
+<p><i>a</i>. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder
+begrepen zijne mondelinge voordrachten;</p>
+<p><i>b</i>. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij
+zich bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke
+daarvan <span class="pagenum">[<a id="xd20e13991" href="#xd20e13991"
+name="xd20e13991">445</a>]</span>op den omslag van het werk, dit
+uitsluitend recht voor een of meer bepaald genoemde talen uitdrukkelijk
+voorbehoudt, en zijne vertaling binnen drie jaren na de oorspronkelijke
+uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt.</p>
+<p>Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
+wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk
+berekend.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 6</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in
+onderscheidene talen wordt slechts &eacute;&eacute;ne uitgave als de
+oorspronkelijke aangemerkt en gelden de overige als vertalingen.</p>
+<p>De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
+omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke
+beschouwt.</p>
+<p>Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de
+moedertaal des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 7</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte
+werken belet niet, dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling,
+aanhalingen in andere werken worden opgenomen.</p>
+<p>Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen
+uit dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het
+auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk
+is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 8</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende
+zaak.</p>
+<p>Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over
+bij erfopvolging.</p>
+<p>Het is niet vatbaar voor beslag.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Voorwaarden tot uitoefening van het
+auteursrecht op door den druk gemeen gemaakte werken</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 10</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt
+werk vervalt, zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e14036" href="#xd20e14036" name=
+"xd20e14036">446</a>]</span>van dat werk, op het titelblad of bij
+gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, met opgaaf van
+zijne woonplaats en van het tijdstip der uitgave, binnen eene maand na
+de uitgave inzendt bij het Departement van Justitie, voor zooveel
+vertalingen betreft met inachtneming van den in art. 5<i>b</i>
+gestelden termijn.</p>
+<p>Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker
+onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
+drukkerij is gedrukt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 11</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders
+een gedagteekend bewijs van ontvangst af.</p>
+<p>Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.</p>
+<p>Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene
+opgaaf gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 12</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale
+werken of tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die
+werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de
+oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
+omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk
+voorbehoudt.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 3 Duur van het auteursrecht</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 13</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte
+werken duurt vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de
+dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.</p>
+<p>Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een
+ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 14</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht van niet door den druk gemeen
+gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt
+tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e14083" href="#xd20e14083" name=
+"xd20e14083">447</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 15</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale
+werken of tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:</p>
+<p>1<sup>o</sup>. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken
+tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood;</p>
+<p>2<sup>o</sup>. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij
+die uitsluitende bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren
+sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van
+ontvangst.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 16</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk
+gemeen maken van vertalingen duurt:</p>
+<p>1<sup>o</sup>. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken,
+mondelinge voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht
+bestaat;</p>
+<p>2<sup>o</sup>. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende
+vijf jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs
+van ontvangst.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 17</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij werken, die uit onderscheidene deelen of
+afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel
+of elke aflevering afzonderlijk berekend.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 4 Handhaving van het auteursrecht</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 18</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering,
+voortvloeiende uit elke inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die
+opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, gestraft met
+geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste tweeduizend
+gulden.</p>
+<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den
+schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen
+van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat
+verbeurd verklaard.</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van
+15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349 bis
+van het Wetboek van Strafrecht: <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e14144" href="#xd20e14144" name="xd20e14144">448</a>]</span></p>
+<p>Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, wordt
+gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.</p>
+<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den
+schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen
+van het misdrijf gediend hebben, worden verbeurdverklaard.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 19</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk
+gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te
+koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents
+en ten hoogste zeshonderd gulden.</p>
+<p>De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van
+15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349ter
+van het Wetboek van Strafrecht:</p>
+<p>Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
+eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt
+gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.</p>
+<p>De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+worden verbeurdverklaard.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 20</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden
+niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van
+15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349
+quater van het Wetboek van Strafrecht:</p>
+<p>De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden
+niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 21<a id="xd20e14191"
+name="xd20e14191"></a></h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde
+exemplaren worden aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven,
+indien <span class="pagenum">[<a id="xd20e14194" href="#xd20e14194"
+name="xd20e14194">449</a>]</span>deze zich daartoe ter griffie
+aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde is
+gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze exemplaren vernietigd.</p>
+<p>Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 22</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag
+nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd
+met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.</p>
+<p>Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder
+personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en
+deze tot eigen gebruik hebben verkregen.</p>
+<p>De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 23</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden
+veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 5 Overgangsbepalingen</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 24</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard
+verkregen onder eene vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de
+gerechtigde, binnen &eacute;&eacute;n jaar na het in werking treden
+dezer wet, daaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van
+Justitie.</p>
+<p>De artt. 18&ndash;23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 25</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Geen auteursrecht op een v&oacute;&oacute;r het in
+werking treden dezer wet door den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens
+de vroegere wetgeving niet voor recht van kopij vatbaar was of omtrent
+hetwelk de destijds vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in
+acht genomen, kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of
+drukker binnen &eacute;&eacute;n jaar na het in werking treden dezer
+wet twee exemplaren, <span class="pagenum">[<a id="xd20e14235" href=
+"#xd20e14235" name="xd20e14235">450</a>]</span>op het titelblad of bij
+gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, inzendt bij het
+Departement van Justitie, met opgaaf van zijne woonplaats en van het
+tijdstip der oorspronkelijke uitgave.</p>
+<p>Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur
+van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.</p>
+<p>Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen
+tegen werken, die reeds v&oacute;&oacute;r het in werking treden dezer
+wet zijn aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 26</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het Departement van Justitie geeft aan de in de
+artikelen 24 en 25 bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van
+ontvangst af.</p>
+<p>Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.</p>
+<p>Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene
+opgave gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>, met vermelding
+van het door den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke
+uitgave van de ingezonden werken.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 6 Slotbepalingen</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 27</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet is van toepassing op in Nederland of in
+Nederlandsch-Indi&euml; gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
+werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in
+Nederland of in Nederlandsch-Indi&euml; woonachtige auteurs, daaronder
+begrepen in Nederland of in Nederlandsch-Indi&euml; gehouden mondelinge
+voordrachten.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 28</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet is ook verbindend voor
+Nederlandsch-Indi&euml;.</p>
+<p>De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden
+ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan
+opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de
+verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie
+opgedragen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14274" href=
+"#xd20e14274" name="xd20e14274">451</a>]</span></p>
+<p>De <i>Nederlandsche Staatscourant</i> en de <i>Javasche Courant</i>
+nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander
+over.</p>
+<p>In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indi&euml;
+van toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende
+reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen de
+wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die voor de
+inlanders en met deze gelijkgestelden.</p>
+<p>Geen auteursrecht op een v&oacute;&oacute;r het in werking treden
+dezer wet in Nederlandsch-Indi&euml; door den druk gemeen gemaakt werk
+kan worden uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld
+wordt overeenkomstig art. 25.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 29</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het
+recht van kopij, van vertaling, van uit- en opvoering zijn
+ingetrokken.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 30</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e14301" href="#xd20e14301" name=
+"xd20e14301">452</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e13944" href="#xd20e13944src" name="xd20e13944">1</a></span>
+<i>Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het
+auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor den
+Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en
+Telegrafie, Staatsblad no. 213.</i></p>
+<div class="blockquote">
+<p class="footnote first salute"><span class="sc">Wij Wilhelmina,
+enz.</span></p>
+<p class="footnote">Overwegende, dat het wenschelijk is het
+auteursrecht op de Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door
+het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden;</p>
+<p class="footnote">Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881
+(<i>Staatsblad no. 124</i>) tot regeling van het auteursrecht,
+gewijzigd bij de wet van 15 April 1886 (<i>Staatsblad no. 64</i>);</p>
+<p class="footnote">Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers
+van Waterstaat en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling
+Posterijen en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A.
+S.;</p>
+<p class="footnote">Hebben goedgevonden en verstaan:</p>
+<p class="footnote">te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de
+tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst,
+uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie.</p>
+<p class="footnote">Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn
+belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het <i>Staatsblad</i>
+zal worden geplaatst.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="b2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Bijlage II</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst</p>
+<p>(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884&ndash;1855
+tweede zitting 72&ndash;5.)</p>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op
+werken van beeldende kunst</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 1</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het recht om een werk van beeldende kunst op
+oorspronkelijke grootte, op grooter of op verkleinde schaal, hetzij
+geheel, hetzij gedeeltelijk te copieeren, na te bootsen, af te beelden
+en te verveelvoudigen of dit door anderen te laten doen, hetzij door
+middel van dezelfde of door eene andere beeldende kunst, of langs
+mechanischen weg, komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken
+vervaardiger van het kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.</p>
+<p>Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve
+op bouwkundige teekeningen en modellen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Met den oorspronkelijken vervaardiger worden
+gelijkgesteld:</p>
+<p><i>a</i>. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in
+art. 1 bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van
+onderscheidene kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;</p>
+<p><i>b</i>. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en
+vennootschappen ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte
+kunstwerken<span class="corr" id="xd20e14337" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p>Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder
+mede-arbeider het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage
+afzonderlijk, voor zoover niet het tegendeel is bedongen.</p>
+<p>Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde
+rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten
+toepassing. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14344" href=
+"#xd20e14344" name="xd20e14344">453</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Als nabootsing wordt niet beschouwd:</p>
+<p><i>a</i>. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het
+scheppen van een nieuw kunstwerk;</p>
+<p><i>b</i>. het maken van eene copie voor eigen studie van een
+kunstwerk, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel
+van winstbejag geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat
+het eene copie is.</p>
+<p>In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig
+ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk
+voorkomende, na te maken;</p>
+<p><i>c</i>. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere
+afbeeldingen van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst
+dienende, en</p>
+<p><i>d</i>. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 4</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander
+vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of
+door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht
+bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
+toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
+bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 5</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt
+beschouwd als eene onlichamelijke roerende zaak.</p>
+<p>Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte
+overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over bij
+erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 6</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De levering van een kunstwerk, waarvan het
+auteursrecht is gewaarborgd volgens &sect; 2 dezer wet, geldt niet als
+eigendomsverkrijging van het auteursrecht voor den bezitter, die niet
+de oorspronkelijke vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk
+bewijs kan aantoonen, <span class="pagenum">[<a id="xd20e14394" href=
+"#xd20e14394" name="xd20e14394">454</a>]</span>het auteursrecht met het
+kunstwerk te hebben verkregen van den oorspronkelijken vervaardiger of
+diens rechtverkrijgende.</p>
+<p>Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende
+zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een
+kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten
+maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten
+aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.</p>
+<p>Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet
+verkregen, kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in
+zijne woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copie&euml;n,
+nabootsingen of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het
+tegendeel is overeengekomen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 2 Voorwaarden tot uitoefening van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 7</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst
+vervalt, indien de oorspronkelijke vervaardiger of zijn
+rechtverkrijgende niet v&oacute;&oacute;r of uiterlijk dertig dagen
+nadat het kunstwerk voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of
+wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, eene
+geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe
+gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens door
+Ons vast te stellen model, inzendt bij een der Departementen van
+algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat het kunstwerk in
+platen, afgietsels, gravures, photografie&euml;n of andere
+verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving een
+exemplaar ingezonden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 8</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De betrokken Minister geeft aan den inzender een
+gedagteekend bewijs van ontvangst van de beschrijving en van het
+exemplaar af.</p>
+<p>De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn
+ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.</p>
+<p>Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een
+register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e14421" href="#xd20e14421" name="xd20e14421">455</a>]</span></p>
+<p>De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in
+Rijksverzamelingen worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette,
+aanduidende dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van
+ontvangst is afgegeven.</p>
+<p>Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave
+gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 3 Duur van het auteursrecht op werken van
+beeldende kunst</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 9</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren,
+te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in
+art. 8.</p>
+<p>Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet
+aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht
+levenslang.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 10</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of
+afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel
+of elke aflevering afzonderlijk berekend.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 11</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn
+de artt. 7 en 8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het
+bewijs van ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer
+als het auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht
+blijft.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van
+beeldende kunst</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 12</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot
+vergoeding van door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade,
+wordt hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht,
+bedoeld in art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig
+cents en ten hoogste vijf duizend gulden. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e14465" href="#xd20e14465" name="xd20e14465">456</a>]</span></p>
+<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de
+ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn,
+alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen en
+andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van het
+misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat
+verbeurdverklaard.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 13</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk
+gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4,
+verkoopt, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met
+geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee duizend
+gulden.</p>
+<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten
+behoeve van den Staat verbeurdverklaard.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 14</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden
+niet vervolgd, dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.
+Gaan die misdrijven gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht
+strafbaar bedrog, dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen
+ten aanzien der strafvervolging.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 15</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde
+exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen en
+gereedschappen worden aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is
+gemaakt, of aan zijn rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich
+daartoe ter griffie aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het
+veroordeelend vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van
+zoodanige aanmelding worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en
+andere werktuigen en gereedschappen vernietigd.</p>
+<p>Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 16</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in
+art. 1 of 4 bedoeld, toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of
+vernietiging <span class="pagenum">[<a id="xd20e14500" href=
+"#xd20e14500" name="xd20e14500">457</a>]</span>vorderen van exemplaren
+welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd, ook zelfs
+wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of nagelvast zijn
+gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken worden begrepen.</p>
+<p>Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het
+losmaken der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren
+vastgehecht, toegebracht.</p>
+<p>Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder
+personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en
+deze tot eigen gebruik hebben verkregen.</p>
+<p>De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 17</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd
+heeft, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en
+interessen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 18</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede
+zinsnede, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en
+ten hoogste duizend gulden.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">&sect; 5 Slotbepalingen</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 19</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet is van toepassing op in Nederland of in
+Nederlandsch-Indi&euml; vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken
+vervaardigd door in Nederland of in Nederlandsch-Indi&euml; woonachtige
+kunstenaars.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 20</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet is ook verbindend voor
+Nederlandsch-Indi&euml;.</p>
+<p>De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede
+bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in
+Nederlandsch-Indi&euml; vervaardigde kunstwerken of die waarvan de
+oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indi&euml; woonachtig
+zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door den
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e14541" href="#xd20e14541" name=
+"xd20e14541">458</a>]</span>Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de
+zorg van dezen hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de
+Javasche Courant, en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer
+wet aan den betrokken Minister in Nederland opgedragen.</p>
+<p>De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen
+wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.</p>
+<p>In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor
+Nederlandsch-Indi&euml; van toepassing de overeenkomstige bepalingen
+van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil,
+dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Europeanen en met deze
+gelijkgestelden en die voor de inlanders en met deze
+gelijkgestelden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 21</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Deze wet treedt in werking ........ <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e14554" href="#xd20e14554" name=
+"xd20e14554">459</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div lang="fr" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 lang="nl-1900" class="main">Bijlage III</h2>
+<div class="div2" id="b3.1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="label">A</h3>
+<h3 class="main">Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la
+cr&eacute;ation d&rsquo;une Union internationale pour la protection des
+oeuvres litt&eacute;raires et artistiques</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article premier</span></h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les pays contractants sont constitu&eacute;s &agrave;
+l&rsquo;&eacute;tat d&rsquo;Union pour la protection des droits des
+auteurs sur leurs oeuvres litt&eacute;raires et artistiques.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs ressortissant &agrave; l&rsquo;un des pays
+de l&rsquo;Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les autres
+pays, pour leurs oeuvres, soit publi&eacute;es dans un de ces pays,
+soit non publi&eacute;es, des droits que les lois respectives accordent
+actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux.</p>
+<p>La jouissance de ces droits est subordonn&eacute;e &agrave;
+l&rsquo;accomplissement des conditions et formalit&eacute;s prescrites
+par la l&eacute;gislation du pays d&rsquo;origine de l&rsquo;oeuvre;
+elle ne peut exc&eacute;der, dans les autres pays, la dur&eacute;e de
+la protection accord&eacute;e dans ledit pays d&rsquo;origine.</p>
+<p>Est consid&eacute;r&eacute; comme pays d&rsquo;origine de
+l&rsquo;oeuvre, celui de la premi&egrave;re publication, ou, si cette
+publication a lieu simultan&eacute;ment dans plusieurs pays de
+l&rsquo;Union, celui d&rsquo;entre eux dont la l&eacute;gislation
+accorde la dur&eacute;e de protection la plus courte.</p>
+<p>Pour les oeuvres non publi&eacute;es, le pays auquel appartient
+l&rsquo;auteur est consid&eacute;r&eacute; comme pays d&rsquo;origine
+de l&rsquo;oeuvre.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les stipulations de la pr&eacute;sente Convention
+s&rsquo;appliquent &eacute;galement aux &eacute;diteurs d&rsquo;oeuvres
+litt&eacute;raires ou artistiques publi&eacute;es dans un des pays de
+l&rsquo;Union, et dont l&rsquo;auteur appartient &agrave; un pays qui
+n&rsquo;en fait pas partie. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14590"
+href="#xd20e14590" name="xd20e14590">460</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;expression &bdquo;oeuvres litt&eacute;raires
+et artistiques&rdquo; comprend les livres, brochures ou tous autres
+&eacute;crits; les oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, les
+compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de
+peinture, de sculpture, de gravure; les lithographies, les
+illustrations, les cartes g&eacute;ographiques; les plans, croquis et
+ouvrages plastiques, relatifs &agrave; la g&eacute;ographie, &agrave;
+la topographie, &agrave; l&rsquo;architecture ou aux sciences en
+g&eacute;n&eacute;ral; enfin toute production quelconque du domaine
+litt&eacute;raire, scientifique ou artistique, qui pourrait &ecirc;tre
+publi&eacute;e par n&rsquo;importe quel mode d&rsquo;impression ou de
+reproduction.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs ressortissant &agrave; l&rsquo;un des pays
+de l&rsquo;Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les autres
+pays, du droit exclusif de faire ou d&rsquo;autoriser la traduction de
+leurs ouvrages jusqu&rsquo;&agrave; l&rsquo;expiration de dix
+ann&eacute;es &agrave; partir de la publication de l&rsquo;oeuvre
+originale dans l&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union.</p>
+<p>Pour les ouvrages publi&eacute;s par livraisons, le d&eacute;lai de
+dix ann&eacute;es ne compte qu&rsquo;&agrave; dater de la publication
+de la derni&egrave;re livraison de l&rsquo;oeuvre originale.</p>
+<p>Pour les oeuvres compos&eacute;es de plusieurs volumes
+publi&eacute;s par intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers
+publi&eacute;s par des soci&eacute;t&eacute;s litt&eacute;raires ou
+savantes ou par des particuliers, chaque volume, bulletin ou cahier
+est, en ce qui concerne le d&eacute;lai de dix ann&eacute;es,
+consid&eacute;r&eacute; comme ouvrage s&eacute;par&eacute;.</p>
+<p>Dans les cas pr&eacute;vus au pr&eacute;sent article, est admis
+comme date de publication, pour le calcul des d&eacute;lais de
+protection, le 31 d&eacute;cembre de l&rsquo;ann&eacute;e dans laquelle
+l&rsquo;ouvrage a &eacute;t&eacute; publi&eacute;.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les traductions licites sont prot&eacute;g&eacute;es
+comme des ouvrages originaux. Elles jouissent, en cons&eacute;quence,
+de la protection stipul&eacute;e aux articles 2 et 3 en ce qui concerne
+leur reproduction non autoris&eacute;e dans les pays de
+l&rsquo;Union.</p>
+<p>Il est entendu que, s&rsquo;il s&rsquo;agit d&rsquo;une oeuvre pour
+laquelle le droit de traduction est dans le domaine public, le
+traducteur ne peut pas s&rsquo;opposer &agrave; ce que la m&ecirc;me
+oeuvre soit traduite par d&rsquo;autres &eacute;crivains. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e14621" href="#xd20e14621" name=
+"xd20e14621">461</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les articles de journaux ou de recueils
+p&eacute;riodiques publi&eacute;s dans l&rsquo;un des pays de
+l&rsquo;Union peuvent &ecirc;tre reproduits, en original ou en
+traduction, dans les autres pays de l&rsquo;Union, &agrave; moins que
+les auteurs ou &eacute;diteurs ne l&rsquo;aient express&eacute;ment
+interdit. Pour les recueils, il peut suffire que l&rsquo;interdiction
+soit faite d&rsquo;une mani&egrave;re g&eacute;n&eacute;rale en
+t&ecirc;te de chaque num&eacute;ro du recueil.</p>
+<p>En aucun cas, cette interdiction ne peut s&rsquo;appliquer aux
+articles de discussion politique ou &agrave; la reproduction des
+nouvelles du jour et des <i>faits divers</i>.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">En ce qui concerne la facult&eacute; de faire
+licitement des emprunts &agrave; des oeuvres litt&eacute;raires ou
+artistiques pour des publications <span class="corr" id="xd20e14642"
+title="Bron: destinees">destin&eacute;es</span> &agrave;
+l&rsquo;enseignement ou ayant un caract&egrave;re scientifique, ou pour
+des chrestomathies, est r&eacute;serv&eacute; l&rsquo;effet de la
+l&eacute;gislation des pays de l&rsquo;Union et des arrangements
+particuliers existants ou &agrave; conclure entre eux.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les stipulations de l&rsquo;article 2
+s&rsquo;appliquent &agrave; la repr&eacute;sentation publique des
+oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces oeuvres soient
+publi&eacute;es ou non.</p>
+<p>Les auteurs d&rsquo;oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou
+leurs ayants cause, sont, pendant la dur&eacute;e de leur droit
+exclusif de traduction, r&eacute;ciproquement prot&eacute;g&eacute;s
+contre la repr&eacute;sentation publique non autoris&eacute;e de la
+traduction de leurs ouvrages.</p>
+<p>Les stipulations de l&rsquo;article 2 s&rsquo;appliquent
+&eacute;galement &agrave; l&rsquo;ex&eacute;cution publique des oeuvres
+musicales non publi&eacute;es ou de celles qui ont &eacute;t&eacute;
+publi&eacute;es, mais dont l&rsquo;auteur a express&eacute;ment
+d&eacute;clar&eacute; sur le titre ou en t&ecirc;te de l&rsquo;ouvrage
+qu&rsquo;il en interdit l&rsquo;ex&eacute;cution publique.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Sont sp&eacute;cialement comprises parmi les
+reproductions illicites auxquelles s&rsquo;applique la pr&eacute;sente
+Convention, les appropriations indirectes non autoris&eacute;es
+d&rsquo;un ouvrage litt&eacute;raire ou artistique,
+d&eacute;sign&eacute;es sous des noms divers, tels que: <i>adaptations,
+arrangements de musique</i>, etc., lorsqu&rsquo;elles ne sont que la
+reproduction d&rsquo;un tel ouvrage, dans la <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e14667" href="#xd20e14667" name=
+"xd20e14667">462</a>]</span>m&ecirc;me forme ou sous une autre forme,
+avec des changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans
+pr&eacute;senter d&rsquo;ailleurs le caract&egrave;re d&rsquo;une
+nouvelle oeuvre originale.</p>
+<p>Il est entendu que, dans l&rsquo;application du pr&eacute;sent
+article, les tribunaux des divers pays de l&rsquo;Union tiendront
+compte, s&rsquo;il y a lieu, des r&eacute;serves de leurs lois
+respectives.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Pour que les auteurs des ouvrages
+prot&eacute;g&eacute;s par la pr&eacute;sente Convention soient,
+jusqu&rsquo;&agrave; preuve contraire, consid&eacute;r&eacute;s comme
+tels et admis, en cons&eacute;quence, devant les tribunaux des divers
+pays de l&rsquo;Union &agrave; exercer des poursuites contre les
+contrefa&ccedil;ons, il suffit que leur nom soit indiqu&eacute; sur
+l&rsquo;ouvrage en la mani&egrave;re usit&eacute;e.</p>
+<p>Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l&rsquo;&eacute;diteur
+dont le nom est indiqu&eacute; sur l&rsquo;ouvrage est fond&eacute;
+&agrave; sauvegarder les droits appartenant &agrave; l&rsquo;auteur. Il
+est, sans autres preuves, r&eacute;put&eacute; ayant cause de
+l&rsquo;auteur anonyme ou pseudonyme.</p>
+<p>Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le cas
+&eacute;ch&eacute;ant, la production d&rsquo;un certificat
+d&eacute;livr&eacute; par l&rsquo;autorit&eacute; comp&eacute;tente,
+constatant que les formalit&eacute;s prescrites, dans le sens de
+l&rsquo;article 2, par la l&eacute;gislation du pays d&rsquo;origine
+ont &eacute;t&eacute; remplies.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toute oeuvre contrefaite peut &ecirc;tre saisie
+&agrave; l&rsquo;importation dans ceux des pays de l&rsquo;Union
+o&ugrave; l&rsquo;oeuvre originale a droit &agrave; la protection
+l&eacute;gale.</p>
+<p>La saisie a lieu conform&eacute;ment &agrave; la l&eacute;gislation
+int&eacute;rieure de chaque pays.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Il est entendu que les dispositions de la
+pr&eacute;sente Convention ne peuvent porter pr&eacute;judice, en quoi
+que ce soit, au droit qui appartient au Gouvernement de chacun des pays
+de l&rsquo;Union de permettre, de surveiller, d&rsquo;interdire, par
+des mesures de l&eacute;gislation ou de police int&eacute;rieure, la
+circulation, la repr&eacute;sentation, l&rsquo;exposition de tout
+ouvrage ou production &agrave; l&rsquo;&eacute;gard desquels
+l&rsquo;autorit&eacute; comp&eacute;tente aurait &agrave; exercer ce
+droit. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14698" href="#xd20e14698"
+name="xd20e14698">463</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention, sous les
+r&eacute;serves et conditions &agrave; d&eacute;terminer d&rsquo;un
+commun accord, s&rsquo;applique &agrave; toutes les oeuvres qui, au
+moment de son entr&eacute;e en vigueur, ne sont pas encore
+tomb&eacute;es dans le domaine public dans leur pays
+d&rsquo;origine.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Il est entendu que les Gouvernements des pays de
+l&rsquo;Union se r&eacute;servent respectivement le droit de prendre
+s&eacute;par&eacute;ment, entre eux, des arrangements particuliers, en
+tant que ces arrangements conf&eacute;reraient aux auteurs ou &agrave;
+leurs ayants cause des droits plus &eacute;tendus que ceux
+accord&eacute;s par l&rsquo;Union, ou qu&rsquo;ils renfermeraient
+d&rsquo;autres stipulations non contraires &agrave; la pr&eacute;sente
+Convention.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Un office international est institu&eacute; sous le
+nom de <i>Bureau de l&rsquo;Union internationale pour la protection des
+oeuvres litt&eacute;raires et artistiques</i>.</p>
+<p>Ce Bureau, dont les frais sont support&eacute;s par les
+Administrations de tous les pays de l&rsquo;Union, est plac&eacute;
+sous la haute autorit&eacute; de l&rsquo;Administration
+sup&eacute;rieure de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse, et
+fonctionne sous sa surveillance. Les attributions en sont
+d&eacute;termin&eacute;es d&rsquo;un commun accord entre les pays de
+l&rsquo;Union.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 17</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention peut &ecirc;tre soumise
+&agrave; des revisions en vue d&rsquo;y introduire les
+am&eacute;liorations de nature &agrave; perfectionner le syst&egrave;me
+de l&rsquo;Union.</p>
+<p>Les questions de cette nature, ainsi que celles qui <span class=
+"corr" id="xd20e14735" title=
+"Bron: int&eacute;rressent">int&eacute;ressent</span> &agrave;
+d&rsquo;autres points de vue le d&eacute;veloppement de l&rsquo;Union,
+seront trait&eacute;es dans des Conf&eacute;rences qui auront lieu
+successivement dans les pays de l&rsquo;Union entre les
+d&eacute;l&eacute;gu&eacute;s desdits pays.</p>
+<p>Il est entendu qu&rsquo;aucun changement &agrave; la pr&eacute;sente
+Convention ne sera valable pour l&rsquo;Union que moyennant
+l&rsquo;assentiment unanime des pays qui la composent. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e14740" href="#xd20e14740" name=
+"xd20e14740">464</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 18</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les pays qui n&rsquo;ont point pris part &agrave; la
+pr&eacute;sente Convention et qui assurent chez eux la protection
+l&eacute;gale des droits faisant l&rsquo;objet de cette Convention,
+seront admis &agrave; y acc&eacute;der sur leur demande.</p>
+<p>Cette accession sera notifi&eacute;e par &eacute;crit au
+Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse, et par celui-ci
+&agrave; tous les autres.</p>
+<p>Elle emportera, de plein droit, adh&eacute;sion &agrave; toutes les
+clauses et admission &agrave; tous les avantages stipul&eacute;s dans
+la pr&eacute;sente Convention.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 19</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les pays acc&eacute;dant &agrave; la pr&eacute;sente
+Convention ont aussi le droit d&rsquo;y acc&eacute;der en tout temps
+pour leurs colonies ou possessions &eacute;trang&egrave;res.</p>
+<p>Ils peuvent, &agrave; cet effet, soit faire une d&eacute;claration
+g&eacute;n&eacute;rale par laquelle toutes leurs colonies ou
+possessions sont comprises dans l&rsquo;accession, soit nommer
+express&eacute;ment celles qui y sont comprises, soit se borner
+&agrave; indiquer celles qui en sont exclues.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 20</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention sera mise &agrave;
+ex&eacute;cution trois mois apr&egrave;s l&rsquo;&eacute;change des
+ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps
+ind&eacute;termin&eacute;, jusqu&rsquo;&agrave; l&rsquo;expiration
+d&rsquo;une ann&eacute;e &agrave; partir du jour o&ugrave; la
+d&eacute;nonciation en aura &eacute;t&eacute; faite.</p>
+<p>Cette d&eacute;nonciation sera adress&eacute;e au Gouvernement
+charg&eacute; de recevoir les accessions. Elle ne produira son effet
+qu&rsquo;&agrave; l&rsquo;&eacute;gard du pays qui l&rsquo;aura faite,
+la Convention restant ex&eacute;cutoire pour les autres pays de
+l&rsquo;Union.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 21</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention sera ratifi&eacute;e, et
+les ratifications en seront &eacute;chang&eacute;es &agrave; Berne,
+dans le d&eacute;lai d&rsquo;un an au plus tard.</p>
+<p>En foi de quoi, etc.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="b3.1.additionnel">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">Article additionnel</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La Convention conclue &agrave; la date de ce jour
+n&rsquo;affecte en rien le maintien des Conventions actuellement
+existantes entre les pays contractants, en tant que ces Conventions
+conf&egrave;rent aux auteurs ou <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e14786" href="#xd20e14786" name=
+"xd20e14786">465</a>]</span>&agrave; leurs ayants cause des droits plus
+&eacute;tendus que ceux accord&eacute;s par l&rsquo;Union, ou
+qu&rsquo;elles renferment d&rsquo;autres stipulations qui ne sont pas
+contraires &agrave; cette Convention.</p>
+<p>En foi de quoi, etc.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="b3.1.protocol">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">Protocole de cl&ocirc;ture</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">1 Au sujet de l&rsquo;article 4, il est convenu que
+ceux des pays de l&rsquo;Union o&ugrave; le caract&egrave;re
+d&rsquo;oeuvres artistiques n&rsquo;est pas refus&eacute; aux oeuvres
+photographiques s&rsquo;engagent &agrave; les admettre, &agrave; partir
+de la mise en vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au
+b&eacute;n&eacute;fice de ses dispositions. Ils ne sont,
+d&rsquo;ailleurs, tenus de prot&eacute;ger les auteurs desdites
+oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou &agrave;
+conclure, que dans la mesure o&ugrave; leur l&eacute;gislation permet
+de le faire.</p>
+<p>Il est entendu que la photographie autoris&eacute;e d&rsquo;une
+oeuvre d&rsquo;art prot&eacute;g&eacute;e jouit, dans tous les pays de
+l&rsquo;Union, de la protection l&eacute;gale, au sens de ladite
+Convention, aussi longtemps que dure le droit principal de reproduction
+de cette oeuvre m&ecirc;me, et dans les limites des conventions
+priv&eacute;es entre les ayants droit.</p>
+<p>2 Au sujet de l&rsquo;article 9, il est convenu que ceux des pays de
+l&rsquo;Union dont la l&eacute;gislation comprend implicitement, parmi
+les oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chor&eacute;graphiques,
+admettent express&eacute;ment lesdites oeuvres au
+b&eacute;n&eacute;fice des dispositions de la Convention conclue en
+date de ce jour.</p>
+<p>Il est d&rsquo;ailleurs entendu que les contestations qui
+s&rsquo;&eacute;l&egrave;veraient sur l&rsquo;application de cette
+clause demeurent r&eacute;serv&eacute;es &agrave;
+l&rsquo;appr&eacute;ciation des tribunaux respectifs.</p>
+<p>3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments
+servant &agrave; reproduire m&eacute;caniquement des airs de musique
+emprunt&eacute;s au domaine priv&eacute; ne sont pas
+consid&eacute;r&eacute;es comme constituant le fait de
+contrefa&ccedil;on musicale.</p>
+<p>4 L&rsquo;accord commun pr&eacute;vu &agrave; l&rsquo;article 14 de
+la Convention est d&eacute;termin&eacute; ainsi qu&rsquo;il suit:</p>
+<p>L&rsquo;application de la Convention aux oeuvres non tomb&eacute;es
+dans le <span class="pagenum">[<a id="xd20e14807" href="#xd20e14807"
+name="xd20e14807">466</a>]</span>domaine public au moment de sa mise en
+vigueur aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans
+les conventions sp&eacute;ciales existantes ou &agrave; conclure
+&agrave; cet effet.</p>
+<p>A d&eacute;faut de semblables stipulations entre pays de
+l&rsquo;Union, les pays respectifs r&eacute;gleront, chacun pour ce qui
+le concerne, par la l&eacute;gislation int&eacute;rieure, les
+modalit&eacute;s relatives &agrave; l&rsquo;application du principe
+contenu &agrave; l&rsquo;article 14.</p>
+<p>5 L&rsquo;organisation du Bureau international pr&eacute;vu &agrave;
+l&rsquo;article 16 de la Convention sera fix&eacute;e par un
+r&egrave;glement que le Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration
+Suisse est charg&eacute; d&rsquo;&eacute;laborer.</p>
+<p>La langue officielle etc.<a class="noteref" id="xd20e14815src" href=
+"#xd20e14815" name="xd20e14815src">1</a></p>
+<hr class="tb">
+<p>6 La prochaine Conf&eacute;rence aura lieu &agrave; Paris, dans le
+d&eacute;lai de quatre &agrave; six ans &agrave; partir de
+l&rsquo;entr&eacute;e en vigueur de la Convention.</p>
+<p>Le Gouvernement fran&ccedil;ais en fixera la date dans ces limites,
+apr&egrave;s avoir pris l&rsquo;avis du Bureau international.</p>
+<p>7 Il est convenu que, pour l&rsquo;&eacute;change des ratifications
+pr&eacute;vu &agrave; l&rsquo;article 21, chaque Partie contractante
+remettra un seul instrument, qui sera d&eacute;pos&eacute;, avec ceux
+des autres pays, aux archives du Gouvernement de la
+Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse. Chaque Partie recevra en retour un
+exemplaire du proc&egrave;s-verbal d&rsquo;&eacute;change des
+ratifications, sign&eacute; par les Pl&eacute;nipotentiaires qui y
+auront pris part.</p>
+<p>Le pr&eacute;sent Protocole de cl&ocirc;ture, qui sera
+ratifi&eacute; en m&ecirc;me temps que la Convention conclue &agrave;
+la date de ce jour, sera consid&eacute;r&eacute; comme faisant partie
+int&eacute;grante de cette Convention, et aura m&ecirc;me force, valeur
+et dur&eacute;e.</p>
+<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14831" href=
+"#xd20e14831" name="xd20e14831">467</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="b3.2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="label">B</h3>
+<h3 class="main">Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles
+2, 3, 5, 7, 12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les
+num&eacute;ros 1 et 4 du Protocole de cl&ocirc;ture y
+annex&eacute;</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">Article premier</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est
+modifi&eacute;e ainsi qu&rsquo;il suit:</p>
+<p>I&mdash;<i>Article 2</i>&mdash;Le premier alin&eacute;a de
+l&rsquo;article 2 aura la teneur suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Les auteurs ressortissant &agrave; l&rsquo;un
+des pays de l&rsquo;Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les
+autres pays, pour leurs oeuvres, soit non publi&eacute;es, soit
+publi&eacute;es pour la premi&egrave;re fois dans un de ces pays, des
+droits que les lois respectives accordent actuellement ou accorderont
+par la suite aux nationaux.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Il est, en outre, ajout&eacute; un cinqui&egrave;me alin&eacute;a
+ainsi con&ccedil;u:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les
+oeuvres prot&eacute;g&eacute;es.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>II&mdash;<i>Article 3</i>&mdash;L&rsquo;article 3 aura la teneur
+suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Les auteurs ne ressortissant pas &agrave;
+l&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union, mais qui auront publi&eacute; ou
+fait publier, pour la premi&egrave;re fois, leurs oeuvres
+litt&eacute;raires ou artistiques dans l&rsquo;un de ces pays,
+jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accord&eacute;e par la
+Convention de Berne et par le pr&eacute;sent Acte
+additionnel.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>III&mdash;<i>Article 5</i>&mdash;Le premier alin&eacute;a de
+l&rsquo;article 5 aura la teneur suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Les auteurs ressortissant &agrave; l&rsquo;un
+des pays de l&rsquo;Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les
+autres pays, du droit exclusif de faire ou d&rsquo;autoriser la
+traduction de leurs oeuvres pendant toute la dur&eacute;e du droit sur
+l&rsquo;oeuvre originale. Toutefois, le droit exclusif de traduction
+cessera d&rsquo;exister lorsque l&rsquo;auteur n&rsquo;en aura pas fait
+usage dans un d&eacute;lai de dix ans &agrave; partir de la
+premi&egrave;re publication de l&rsquo;oeuvre originale, en publiant ou
+en faisant publier, dans un des pays de l&rsquo;Union, une traduction
+dans la langue pour laquelle la protection sera
+r&eacute;clam&eacute;e.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>IV&mdash;<i>Article 7</i>&mdash;L&rsquo;article 7 aura la teneur
+suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Les romans-feuilletons, y compris les
+nouvelles, publi&eacute;s dans les journaux ou recueils
+p&eacute;riodiques d&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union, ne pourront
+&ecirc;tre reproduits, en original ou en traduction, dans les autres
+pays, sans l&rsquo;autorisation des auteurs ou de leurs ayants cause.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e14884" href="#xd20e14884" name=
+"xd20e14884">468</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Il en sera de m&ecirc;me pour les autres articles de journaux
+ou de recueils p&eacute;riodiques, lorsque les auteurs ou
+&eacute;diteurs auront express&eacute;ment d&eacute;clar&eacute;, dans
+le journal ou le recueil m&ecirc;me o&ugrave; ils les auront fait
+para&icirc;tre, qu&rsquo;ils en interdisent la reproduction. Pour les
+recueils, il suffit que l&rsquo;interdiction soit faite d&rsquo;une
+mani&egrave;re g&eacute;n&eacute;rale en t&ecirc;te de chaque
+num&eacute;ro.</p>
+<p>&bdquo;A d&eacute;faut d&rsquo;interdiction, la reproduction sera
+permise &agrave; la condition d&rsquo;indiquer la source.</p>
+<p>&bdquo;En aucun cas, l&rsquo;interdiction ne pourra
+s&rsquo;appliquer aux articles de discussion politique, aux nouvelles
+du jour et aux <i>faits divers.</i>&rdquo;</p>
+</div>
+<p>V&mdash;<i>Article 12</i>&mdash;L&rsquo;article 12 aura la teneur
+suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Toute oeuvre contrefaite peut &ecirc;tre saisie
+par les autorit&eacute;s comp&eacute;tentes des pays de l&rsquo;Union
+o&ugrave; l&rsquo;oeuvre originale a droit &agrave; la protection
+l&eacute;gale.</p>
+<p>&bdquo;La saisie a lieu conform&eacute;ment &agrave; la
+l&eacute;gislation int&eacute;rieure de chaque pays.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>VI&mdash;<i>Article 20</i>&mdash;Le deuxi&egrave;me alin&eacute;a de
+l&rsquo;article 20 aura la teneur suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Cette d&eacute;nonciation sera adress&eacute;e
+au Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse. Elle ne
+produira son effet qu&rsquo;&agrave; l&rsquo;&eacute;gard du pays qui
+l&rsquo;aura faite, la Convention restant ex&eacute;cutoire pour les
+autres pays de l&rsquo;Union.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">Article 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Le Protocole de Cl&ocirc;ture annex&eacute; &agrave;
+la Convention du 9 Septembre 1886 est modifi&eacute; ainsi qu&rsquo;il
+suit:</p>
+<p>I&mdash;<i>Num&eacute;ro 1</i>&mdash;Ce num&eacute;ro aura la teneur
+suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;1 Au sujet de l&rsquo;article 4, il est convenu
+ce qui suit:</p>
+<p>&bdquo;A&mdash;Dans les pays de l&rsquo;Union o&ugrave; la
+protection est accord&eacute;e non seulement aux plans
+d&rsquo;architecture, mais encore aux oeuvres d&rsquo;architecture
+elles-m&ecirc;mes, ces oeuvres sont admises au b&eacute;n&eacute;fice
+des dispositions de la Convention de Berne et du pr&eacute;sent Acte
+additionnel.</p>
+<p>&bdquo;B&mdash;Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues
+par un proc&eacute;d&eacute; analogue sont admises au
+b&eacute;n&eacute;fice des dispositions de ces actes, en tant que la
+l&eacute;gislation int&eacute;rieure permet de le faire, et dans la
+mesure de la protection qu&rsquo;elle accorde aux oeuvres nationales
+similaires.</p>
+<p>&bdquo;Il est entendu que la photographie autoris&eacute;e
+d&rsquo;une oeuvre d&rsquo;art prot&eacute;g&eacute;e jouit, dans tous
+les pays de l&rsquo;Union, de la protection l&eacute;gale, au sens de
+la Convention de Berne et du pr&eacute;sent Acte additionnel, aussi
+longtemps que dure le droit principal de reproduction de cette oeuvre
+m&ecirc;me, et dans les limites des conventions priv&eacute;es entre
+les ayants droit.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>II&mdash;<i>Num&eacute;ro 4</i>&mdash;Ce num&eacute;ro aura la
+teneur suivante:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;4 L&rsquo;accord commun pr&eacute;vu &agrave;
+l&rsquo;article 14 de la Convention est d&eacute;termin&eacute; ainsi
+qu&rsquo;il suit: <span class="pagenum">[<a id="xd20e14943" href=
+"#xd20e14943" name="xd20e14943">469</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;L&rsquo;application de la Convention de Berne et du
+pr&eacute;sent Acte additionnel aux oeuvres non tomb&eacute;es dans le
+domaine public dans leur pays d&rsquo;origine au moment de la mise en
+vigueur de ces actes, aura lieu suivant les stipulations y relatives
+contenues dans les Conventions sp&eacute;ciales existantes ou &agrave;
+conclure &agrave; cet effet.</p>
+<p>&bdquo;A d&eacute;faut de semblables stipulations entre pays de
+l&rsquo;Union, les pays respectifs r&eacute;gleront, chacun pour ce qui
+le concerne, par la l&eacute;gislation int&eacute;rieure, les
+modalit&eacute;s relatives &agrave; l&rsquo;application du principe
+contenu dans l&rsquo;article 14.</p>
+<p>&bdquo;Les stipulations de l&rsquo;article 14 de la Convention de
+Berne et du pr&eacute;sent num&eacute;ro du Protocole de cl&ocirc;ture
+s&rsquo;appliquent &eacute;galement au droit exclusif de traduction,
+tel qu&rsquo;il est assur&eacute; par le pr&eacute;sent Acte
+additionnel.</p>
+<p>&bdquo;Les dispositions transitoires mentionn&eacute;es ci-dessus
+sont applicables en cas de nouvelles accessions &agrave;
+l&rsquo;Union.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les pays de l&rsquo;Union qui n&rsquo;ont point
+particip&eacute; au pr&eacute;sent Acte additionnel seront admis
+&agrave; y acc&eacute;der en tout temps sur leur demande. Il en sera de
+m&ecirc;me pour les Pays qui acc&eacute;deront ult&eacute;rieurement
+&agrave; la Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, &agrave; cet
+effet, d&rsquo;une notification adress&eacute;e par &eacute;crit au
+Conseil f&eacute;d&eacute;ral Suisse, qui notifiera &agrave; son tour
+cette accession aux autres Gouvernements.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Le pr&eacute;sent Acte <span class="corr" id=
+"xd20e14967" title="Bron: aditionnel">additionnel</span> aura
+m&ecirc;me valeur et dur&eacute;e que la Convention du 9 Septembre
+1886.</p>
+<p>Il sera ratifi&eacute; et les ratifications en seront
+&eacute;chang&eacute;es &agrave; Paris dans la forme adopt&eacute;e
+pour cette Convention, aussit&ocirc;t que faire se pourra, et au plus
+tard dans le d&eacute;lai d&rsquo;une ann&eacute;e.</p>
+<p>Il entrera en vigueur, trois mois apr&egrave;s cet &eacute;change,
+entre les Pays qui l&rsquo;auront ratifi&eacute;.</p>
+<p>En foi de quoi, etc.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3" id="b3.2.declaration">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main">D&eacute;claration du 4 Mai 1896 interpr&eacute;tant
+certaines dispositions de la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et
+de l&rsquo;Acte additionnel sign&eacute; &agrave; Paris le 4 Mai
+1896</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les Pl&eacute;nipotentiaires soussign&eacute;s de
+l&rsquo;Allemagne, de la Belgique, de l&rsquo;Espagne, de la France, de
+l&rsquo;Italie, du Luxembourg, de Monaco, <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e14981" href="#xd20e14981" name="xd20e14981">470</a>]</span>du
+Mont&eacute;n&eacute;gro, de la Norv&egrave;ge, de la Suisse et de la
+Tunisie, d&ucirc;ment autoris&eacute;s &agrave; cet effet par leurs
+Gouvernements respectifs, sont convenu de ce qui suit, en ce qui
+concerne l&rsquo;interpr&eacute;tation de la Convention de Berne du 9
+Septembre 1886 et de l&rsquo;Acte additionnel de ce jour:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">1<sup>o</sup> Aux termes de l&rsquo;article 2,
+alin&eacute;a 2, de la Convention, la protection assur&eacute;e par les
+actes pr&eacute;cit&eacute;s d&eacute;pend uniquement de
+l&rsquo;accomplissement, dans le pays d&rsquo;origine de
+l&rsquo;oeuvre, des conditions et formalit&eacute;s qui peuvent
+&ecirc;tre prescrites par la l&eacute;gislation de ce pays. Il en sera
+de m&ecirc;me pour la protection des oeuvres photographiques
+mentionn&eacute;es dans le n<sup>o</sup>. 1, lettre B, du Protocole de
+cl&ocirc;ture modifi&eacute;.</p>
+<p>2<sup>o</sup> Par oeuvres publi&eacute;es il faut entendre les
+oeuvres &eacute;dit&eacute;es dans un des pays de l&rsquo;Union. En
+cons&eacute;quence, la repr&eacute;sentation d&rsquo;une oeuvre
+dramatique ou dramatico-musicale, l&rsquo;ex&eacute;cution d&rsquo;une
+oeuvre musicale, l&rsquo;exposition d&rsquo;une oeuvre d&rsquo;art, ne
+constituent pas une publication dans le sens des actes
+pr&eacute;cit&eacute;s.</p>
+<p>3<sup>o</sup> La transformation d&rsquo;un roman en pi&egrave;ce de
+th&eacute;&acirc;tre, ou d&rsquo;une pi&egrave;ce de
+th&eacute;&acirc;tre en roman, rentre dans les stipulations de
+l&rsquo;article 10.</p>
+</div>
+<p>Les pays de l&rsquo;Union qui n&rsquo;ont point particip&eacute;
+&agrave; la pr&eacute;sente D&eacute;claration seront admis &agrave; y
+acc&eacute;der en tout temps, sur leur demande. Il en sera de
+m&ecirc;me pour les Pays qui acc&eacute;deront, soit &agrave; la
+Convention du 9 Septembre 1886, soit &agrave; cette Convention et
+&agrave; l&rsquo;Acte additionnel du 4 Mai 1896. Il suffira, &agrave;
+cet effet, d&rsquo;une notification adress&eacute;e par &eacute;crit au
+Conseil f&eacute;d&eacute;ral Suisse, qui notifiera &agrave; son tour
+cette accession aux autres Gouvernements.</p>
+<p>La pr&eacute;sente D&eacute;claration aura m&ecirc;me valeur et
+dur&eacute;e que les actes auxquels elle se rapporte.</p>
+<p>Elle sera ratifi&eacute;e et les ratifications en seront
+&eacute;chang&eacute;es &agrave; Paris dans la forme adopt&eacute;e
+pour ces actes, aussit&ocirc;t que faire se pourra, et au plus tard
+dans le d&eacute;lai d&rsquo;une ann&eacute;e.</p>
+<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15011" href=
+"#xd20e15011" name="xd20e15011">471</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div2" id="b3.3"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="label">C</h3>
+<h3 class="main">Convention de Berne revis&eacute;e pour la protection
+des oeuvres litt&eacute;raires et artistiques du 13 Novembre 1908</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article premier</span></h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les pays contractants sont constitu&eacute;s &agrave;
+l&rsquo;&eacute;tat d&rsquo;Union pour la protection des droits des
+auteurs sur leurs oeuvres litt&eacute;raires et artistiques.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;expression &bdquo;oeuvres litt&eacute;raires
+et artistiques&rdquo; comprend toute production du domaine
+litt&eacute;raire, scientifique ou artistique, quel qu&rsquo;en soit le
+mode ou la forme de reproduction, telle que: les livres, brochures, et
+autres &eacute;crits; les <span class="corr" id="xd20e15031" title=
+"Bron: oevres">oeuvres</span> dramatiques ou dramatico-musicales, les
+<span class="corr" id="xd20e15034" title="Bron: oevres">oeuvres</span>
+chor&eacute;graphiques et les pantomimes, dont la mise en sc&egrave;ne
+est fix&eacute;e par &eacute;crit ou autrement; les compositions
+musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de peinture,
+d&rsquo;architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie; les
+illustrations, les cartes g&eacute;ographiques; les plans, croquis et
+ouvrages plastiques, relatifs &agrave; la g&eacute;ographie, &agrave;
+la topographie, &agrave; l&rsquo;architecture ou aux sciences.</p>
+<p>Sont prot&eacute;g&eacute;s comme des ouvrages originaux, sans
+pr&eacute;judice des droits de l&rsquo;auteur de l&rsquo;oeuvre
+originale, les traductions, adaptations, arrangements de musique et
+autres reproductions transform&eacute;es d&rsquo;une oeuvre
+litt&eacute;raire ou artistique, ainsi que les recueils de
+diff&eacute;rentes oeuvres.</p>
+<p>Les Pays contractants sont tenus d&rsquo;assurer la protection des
+oeuvres mentionn&eacute;es ci-dessus.</p>
+<p>Les oeuvres d&rsquo;art appliqu&eacute; &agrave; l&rsquo;industrie
+sont prot&eacute;g&eacute;es autant que permet de le faire la
+l&eacute;gislation int&eacute;rieure de chaque pays.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention s&rsquo;applique aux
+oeuvres photographiques et aux oeuvres obtenues par un
+proc&eacute;d&eacute; analogue &agrave; la photographie. Les Pays
+contractants sont tenus d&rsquo;en assurer la protection.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs ressortissant &agrave; l&rsquo;un des pays
+de l&rsquo;Union jouissent, <span class="pagenum">[<a id="xd20e15057"
+href="#xd20e15057" name="xd20e15057">472</a>]</span>dans les pays
+autres que le pays d&rsquo;origine de l&rsquo;oeuvre, pour leurs
+oeuvres, soit non publi&eacute;es, soit publi&eacute;es pour la
+premi&egrave;re fois dans un pays de l&rsquo;Union, des droits que les
+lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la suite aux
+nationaux, ainsi que des droits sp&eacute;cialement accord&eacute;s par
+la pr&eacute;sente Convention.</p>
+<p>La jouissance et l&rsquo;exercice de ces droits ne sont
+subordonn&eacute;s &agrave; aucune formalit&eacute;; cette jouissance
+et cet exercice sont ind&eacute;pendants de l&rsquo;existence de la
+protection dans le pays d&rsquo;origine de l&rsquo;oeuvre. Par suite,
+en dehors des stipulations de la pr&eacute;sente Convention,
+l&rsquo;&eacute;tendue de la protection ainsi que les moyens de recours
+garantis &agrave; l&rsquo;auteur pour sauvegarder ses droits se
+r&egrave;glent exclusivement d&rsquo;apr&egrave;s la l&eacute;gislation
+du pays o&ugrave; la protection est r&eacute;clam&eacute;e.</p>
+<p>Est consid&eacute;r&eacute; comme pays d&rsquo;origine de
+l&rsquo;oeuvre: pour les oeuvres non publi&eacute;es, celui auquel
+appartient l&rsquo;auteur; pour les oeuvres publi&eacute;es, celui de
+la premi&egrave;re publication, et pour les oeuvres publi&eacute;es
+simultan&eacute;ment dans plusieurs pays de l&rsquo;Union, celui
+d&rsquo;entre eux dont la l&eacute;gislation accorde la dur&eacute;e de
+protection la plus courte. Pour les oeuvres publi&eacute;es
+simultan&eacute;ment dans un pays &eacute;tranger &agrave;
+l&rsquo;Union et dans un pays de l&rsquo;Union, c&rsquo;est ce dernier
+pays qui est exclusivement consid&eacute;r&eacute; comme pays
+d&rsquo;origine.</p>
+<p>Par oeuvres publi&eacute;es, il faut, dans le sens de la
+pr&eacute;sente Convention, entendre les oeuvres &eacute;dit&eacute;es.
+La repr&eacute;sentation d&rsquo;une oeuvre dramatique ou
+dramatico-musicale, l&rsquo;ex&eacute;cution d&rsquo;une oeuvre
+musicale, l&rsquo;exposition d&rsquo;une oeuvre d&rsquo;art et la
+construction d&rsquo;une oeuvre d&rsquo;architecture ne constituent pas
+une publication.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les ressortissants de l&rsquo;un des pays de
+l&rsquo;Union, qui publient pour la premi&egrave;re fois leurs oeuvres
+dans un autre pays de l&rsquo;Union, ont, dans ce dernier pays, les
+m&ecirc;mes droits que les auteurs nationaux.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs ne ressortissant pas &agrave; l&rsquo;un
+des pays de l&rsquo;Union, qui publient pour la premi&egrave;re fois
+leurs oeuvres dans l&rsquo;un de ces pays, jouissent, dans ce pays, des
+m&ecirc;mes droits que les auteurs nationaux, et dans les autres pays
+de l&rsquo;Union, des droits accord&eacute;s par la pr&eacute;sente
+Convention. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15079" href=
+"#xd20e15079" name="xd20e15079">473</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La dur&eacute;e de la protection accord&eacute;e par
+la pr&eacute;sente Convention comprend la vie de l&rsquo;auteur et
+cinquante ans apr&egrave;s sa mort.</p>
+<p>Toutefois, dans le cas o&ugrave; cette dur&eacute;e ne serait pas
+uniform&eacute;ment adopt&eacute;e par tous les pays de l&rsquo;Union,
+la dur&eacute;e sera r&eacute;gl&eacute;e par la loi du pays o&ugrave;
+la protection sera r&eacute;clam&eacute;e et elle ne pourra
+exc&eacute;der la dur&eacute;e fix&eacute;e dans le pays
+d&rsquo;origine de l&rsquo;oeuvre. Les Pays contractants ne seront, en
+cons&eacute;quence, tenus d&rsquo;appliquer la disposition de
+l&rsquo;alin&eacute;a pr&eacute;c&eacute;dent que dans la mesure
+o&ugrave; elle se concilie avec leur droit interne.</p>
+<p>Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
+proc&eacute;d&eacute; analogue &agrave; la photographie, pour les
+oeuvres posthumes, pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la
+dur&eacute;e de la protection est r&eacute;gl&eacute;e par la loi du
+pays o&ugrave; la protection est r&eacute;clam&eacute;e, sans que cette
+dur&eacute;e puisse exc&eacute;der la dur&eacute;e fix&eacute;e dans le
+pays d&rsquo;origine de l&rsquo;oeuvre.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs d&rsquo;oeuvres non publi&eacute;es,
+ressortissant &agrave; l&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union, et les
+auteurs d&rsquo;oeuvres publi&eacute;es pour la premi&egrave;re fois
+dans un de ces pays jouissent, dans les autres pays de l&rsquo;Union,
+pendant toute la dur&eacute;e du droit sur l&rsquo;oeuvre originale, du
+droit exclusif de faire ou d&rsquo;autoriser la traduction de leurs
+oeuvres.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les romans-feuilletons, les nouvelles et toutes autres
+oeuvres, soit litt&eacute;raires, soit scientifiques, soit artistiques,
+quel qu&rsquo;en soit l&rsquo;objet, publi&eacute;s dans les journaux
+ou recueils p&eacute;riodiques d&rsquo;un des pays de l&rsquo;Union, ne
+peuvent &ecirc;tre reproduits dans les autres pays sans le consentement
+des auteurs.</p>
+<p>A l&rsquo;exclusion des romans-feuilletons et des nouvelles, tout
+article de journal peut &ecirc;tre reproduit par un autre journal, si
+la reproduction n&rsquo;en est pas express&eacute;ment interdite.
+Toutefois, la source doit &ecirc;tre indiqu&eacute;e; la sanction de
+cette obligation est d&eacute;termin&eacute;e par la l&eacute;gislation
+du pays o&ugrave; la protection est r&eacute;clam&eacute;e.</p>
+<p>La protection de la pr&eacute;sente Convention ne s&rsquo;applique
+pas aux nouvelles du jour ou aux faits divers qui ont le
+caract&egrave;re de simples informations de presse. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15110" href="#xd20e15110" name=
+"xd20e15110">474</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">En ce qui concerne la facult&eacute; de faire
+licitement des emprunts &agrave; des oeuvres litt&eacute;raires ou
+artistiques pour des publications destin&eacute;es &agrave;
+l&rsquo;enseignement ou ayant un caract&egrave;re scientifique, ou pour
+des chrestomathies, est r&eacute;serv&eacute; l&rsquo;effet de la
+l&eacute;gislation des pays de l&rsquo;Union et des arrangements
+particuliers existants ou &agrave; conclure entre eux.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les stipulations de la pr&eacute;sente Convention
+s&rsquo;appliquent &agrave; la repr&eacute;sentation publique des
+oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, et &agrave;
+l&rsquo;ex&eacute;cution publique des oeuvres musicales, que ces
+oeuvres soient publi&eacute;es ou non.</p>
+<p>Les auteurs d&rsquo;oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales sont,
+pendant la dur&eacute;e de leur droit sur l&rsquo;oeuvre originale,
+prot&eacute;g&eacute;s contre la repr&eacute;sentation publique non
+autoris&eacute;e de la traduction de leurs ouvrages.</p>
+<p>Pour jouir de la protection du pr&eacute;sent article, les auteurs,
+en publiant leurs oeuvres, ne sont pas tenus d&rsquo;en interdire la
+repr&eacute;sentation ou l&rsquo;ex&eacute;cution publique.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Sont sp&eacute;cialement comprises parmi les
+reproductions illicites auxquelles s&rsquo;applique la pr&eacute;sente
+Convention, les appropriations indirectes non autoris&eacute;es
+d&rsquo;un ouvrage litt&eacute;raire ou artistique, telles que
+adaptations, arrangements de musique, transformations d&rsquo;un roman,
+d&rsquo;une nouvelle ou d&rsquo;une po&eacute;sie en pi&egrave;ce de
+th&eacute;&acirc;tre et r&eacute;ciproquement, etc., lorsqu&rsquo;elles
+ne sont que la reproduction de cet ouvrage, dans la m&ecirc;me forme ou
+sous une autre forme, avec des changements, additions ou
+retranchements, non essentiels, et sans pr&eacute;senter le
+caract&egrave;re d&rsquo;une nouvelle oeuvre originale.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs d&rsquo;oeuvres musicales ont le droit
+exclusif d&rsquo;autoriser: 1<sup>o</sup> l&rsquo;adaptation de ces
+<span class="corr" id="xd20e15148" title="Bron: oevres">oeuvres</span>
+&agrave; des instruments servant &agrave; les reproduire
+m&eacute;caniquement; 2<sup>o</sup> l&rsquo;ex&eacute;cution publique
+des m&ecirc;mes oeuvres au moyen de ces instruments. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15154" href="#xd20e15154" name=
+"xd20e15154">475</a>]</span></p>
+<p>Des r&eacute;serves et conditions relatives &agrave;
+l&rsquo;application de cet article pourront &ecirc;tre
+d&eacute;termin&eacute;es par la l&eacute;gislation int&eacute;rieure
+de chaque pays, en ce qui le concerne; mais toutes r&eacute;serves et
+conditions de cette nature n&rsquo;auront qu&rsquo;un effet strictement
+limit&eacute; au pays qui les aurait &eacute;tablies.</p>
+<p>La disposition de l&rsquo;alin&eacute;a 1<sup>er</sup> n&rsquo;a pas
+d&rsquo;effet r&eacute;troactif et, par suite, n&rsquo;est pas
+applicable, dans un pays de l&rsquo;Union, aux oeuvres qui, dans ce
+pays, auront &eacute;t&eacute; adapt&eacute;es licitement aux
+instruments m&eacute;caniques avant la mise en vigueur de la
+pr&eacute;sente Convention.</p>
+<p>Les adaptations faites en vertu des alin&eacute;as 2 et 3 du
+pr&eacute;sent article et import&eacute;es, sans autorisation des
+parties int&eacute;ress&eacute;es, dans un pays o&ugrave; elles ne
+seraient pas licites, pourront y &ecirc;tre saisies.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les auteurs d&rsquo;oeuvres litt&eacute;raires,
+scientifiques ou artistiques ont le droit exclusif d&rsquo;autoriser la
+reproduction et la repr&eacute;sentation publique de leurs oeuvres par
+la cin&eacute;matographie.</p>
+<p>Sont prot&eacute;g&eacute;es comme oeuvres litt&eacute;raires ou
+artistiques les productions cin&eacute;matographiques lorsque, par les
+dispositifs de la mise en sc&egrave;ne ou les combinaisons des
+incidents repr&eacute;sent&eacute;s, l&rsquo;auteur aura donn&eacute;
+&agrave; l&rsquo;oeuvre un caract&egrave;re personnel et original.</p>
+<p>Sans pr&eacute;judice des droits de l&rsquo;auteur de l&rsquo;oeuvre
+originale, la reproduction par la cin&eacute;matographie d&rsquo;une
+oeuvre litt&eacute;raire, scientifique ou artistique est
+prot&eacute;g&eacute;e comme une oeuvre originale.</p>
+<p>Les dispositions qui pr&eacute;c&egrave;dent s&rsquo;appliquent
+&agrave; la reproduction ou production obtenue par tout autre
+proc&eacute;d&eacute; analogue &agrave; la cin&eacute;matographie.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Pour que les auteurs des ouvrages
+prot&eacute;g&eacute;s par la pr&eacute;sente Convention soient,
+jusqu&rsquo;&agrave; preuve contraire, consid&eacute;r&eacute;s comme
+tels et admis, en cons&eacute;quence, devant les tribunaux des divers
+pays de l&rsquo;Union, &agrave; exercer des poursuites contre les
+contrefacteurs, il suffit que leur nom soit indiqu&eacute; sur
+l&rsquo;ouvrage en la mani&egrave;re usit&eacute;e.</p>
+<p>Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l&rsquo;&eacute;diteur
+dont le nom est indiqu&eacute; sur l&rsquo;ouvrage est fond&eacute;
+&agrave; sauvegarder les droits appartenant &agrave; l&rsquo;auteur. Il
+est, sans autres preuves, r&eacute;put&eacute; ayant cause de
+l&rsquo;auteur anonyme ou pseudonyme. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e15186" href="#xd20e15186" name="xd20e15186">476</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toute oeuvre contrefaite peut &ecirc;tre saisie par
+les autorit&eacute;s comp&eacute;tentes des pays de l&rsquo;Union
+o&ugrave; l&rsquo;oeuvre originale a droit &agrave; la protection
+l&eacute;gale.</p>
+<p>Dans ces pays, la saisie peut aussi s&rsquo;appliquer aux
+reproductions provenant d&rsquo;un pays o&ugrave; l&rsquo;oeuvre
+n&rsquo;est pas prot&eacute;g&eacute;e ou a cess&eacute; de
+l&rsquo;&ecirc;tre.</p>
+<p>La saisie a lieu <span class="corr" id="xd20e15199" title=
+"Bron: conform&egrave;ment">conform&eacute;ment</span> &agrave; la
+l&eacute;gislation int&eacute;rieure de chaque pays.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 17</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les dispositions de la pr&eacute;sente Convention ne
+peuvent porter pr&eacute;judice, en quoi que ce soit, au droit qui
+appartient au Gouvernement de chacun des pays de l&rsquo;Union de
+permettre, de surveiller, d&rsquo;interdire, par des mesures de
+l&eacute;gislation ou de police int&eacute;rieure, la circulation, la
+repr&eacute;sentation, l&rsquo;exposition de tout ouvrage ou production
+&agrave; l&rsquo;&eacute;gard desquels l&rsquo;autorit&eacute;
+comp&eacute;tente aurait &agrave; exercer ce droit.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 18</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente <span class="corr" id="xd20e15216"
+title="Bron: Couvention">Convention</span> s&rsquo;applique &agrave;
+toutes les oeuvres qui, au moment de son entr&eacute;e en vigueur, ne
+sont pas encore tomb&eacute;es dans le domaine public de leur pays
+d&rsquo;origine par l&rsquo;expiration de la dur&eacute;e de la
+protection.</p>
+<p>Cependant, si une oeuvre, par l&rsquo;expiration de la dur&eacute;e
+de protection qui lui &eacute;tait ant&eacute;rieurement reconnue, est
+tomb&eacute;e dans le domaine public du pays o&ugrave; la protection
+est r&eacute;clam&eacute;e, cette oeuvre n&rsquo;y sera pas
+prot&eacute;g&eacute;e &agrave; nouveau.</p>
+<p>L&rsquo;application de ce principe aura lieu suivant les
+stipulations contenues dans les conventions sp&eacute;ciales existantes
+ou &agrave; conclure &agrave; cet effet entre pays de l&rsquo;Union. A
+d&eacute;faut de semblables stipulations, les pays respectifs
+r&eacute;gleront, chacun pour ce qui le concerne, les modalit&eacute;s
+relatives &agrave; cette application.</p>
+<p>Les dispositions qui pr&eacute;c&egrave;dent s&rsquo;appliquent
+&eacute;galement en cas de nouvelles accessions &agrave; l&rsquo;Union
+et dans le cas o&ugrave; la dur&eacute;e de la protection serait
+&eacute;tendue par application de l&rsquo;article 7. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15225" href="#xd20e15225" name=
+"xd20e15225">477</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 19</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les dispositions de la pr&eacute;sente Convention
+n&rsquo;emp&ecirc;chent pas de revendiquer l&rsquo;application de
+dispositions plus larges qui seraient &eacute;dict&eacute;es par la
+l&eacute;gislation d&rsquo;un pays de l&rsquo;Union en faveur des
+&eacute;trangers en g&eacute;n&eacute;ral.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 20</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les Gouvernements des pays de l&rsquo;Union se
+r&eacute;servent le droit de prendre entre eux des arrangements
+particuliers, en tant que ces arrangements conf&eacute;reraient aux
+auteurs des droits plus &eacute;tendus que ceux accord&eacute;s par
+l&rsquo;Union, ou qu&rsquo;ils renfermeraient d&rsquo;autres
+stipulations non contraires &agrave; la pr&eacute;sente Convention. Les
+dispositions des arrangements existants qui r&eacute;pondent aux
+conditions pr&eacute;cit&eacute;es restent applicables.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 21</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Est maintenu l&rsquo;office international
+institu&eacute; sous le nom de &bdquo;Bureau de l&rsquo;Union
+internationale pour la protection des oeuvres litt&eacute;raires et
+artistiques&rdquo;.</p>
+<p>Ce Bureau est plac&eacute; sous la haute autorit&eacute; du
+Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse, qui en
+r&egrave;gle l&rsquo;organisation et en surveille le
+fonctionnement.</p>
+<p>La langue officielle du Bureau est la langue fran&ccedil;aise.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 22</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Le Bureau international centralise les renseignements
+de toute nature relatifs &agrave; la protection des droits des auteurs
+sur leurs oeuvres litt&eacute;raires et artistiques. Il les coordonne
+et les publie. Il proc&egrave;de aux &eacute;tudes
+d&rsquo;utilit&eacute; commune int&eacute;ressant l&rsquo;Union et
+r&eacute;dige, &agrave; l&rsquo;aide des documents qui sont mis
+&agrave; sa disposition par les diverses Administrations, une feuille
+p&eacute;riodique, en langue fran&ccedil;aise, sur les questions
+concernant l&rsquo;objet de l&rsquo;Union. Les Gouvernements des pays
+de l&rsquo;Union se r&eacute;servent d&rsquo;autoriser, d&rsquo;un
+commun accord, le Bureau &agrave; publier une &eacute;dition dans une
+ou plusieurs autres langues, pour le cas o&ugrave;
+l&rsquo;exp&eacute;rience en aurait d&eacute;montr&eacute; le
+besoin.</p>
+<p>Le Bureau international doit se tenir en tout temps &agrave; la
+disposition des membres de l&rsquo;Union pour leur fournir, sur les
+questions relatives <span class="pagenum">[<a id="xd20e15262" href=
+"#xd20e15262" name="xd20e15262">478</a>]</span>&agrave; la protection
+des oeuvres litt&eacute;raires et artistiques, les renseignements
+sp&eacute;ciaux dont ils pourraient avoir besoin.</p>
+<p>Le Directeur du Bureau international fait sur sa gestion un rapport
+annuel qui est communiqu&eacute; &agrave; tous les membres de
+l&rsquo;Union.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 23</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les d&eacute;penses du Bureau de l&rsquo;Union
+internationale sont support&eacute;es en commun par les Pays
+contractants. Jusqu&rsquo;&agrave; nouvelle d&eacute;cision, elles ne
+pourront pas d&eacute;passer la somme de soixante mille francs par
+ann&eacute;e. Cette somme pourra &ecirc;tre augment&eacute;e au besoin
+par simple d&eacute;cision d&rsquo;une des Conf&eacute;rences
+pr&eacute;vues &agrave; l&rsquo;article 24.</p>
+<p>Pour d&eacute;terminer la part contributive de chacun des pays dans
+cette somme totale des frais, les Pays contractants et ceux qui
+adh&eacute;reront ult&eacute;rieurement &agrave; l&rsquo;Union sont
+divis&eacute;s en six classes contribuant chacune dans la proportion
+d&rsquo;un certain nombre d&rsquo;unit&eacute;s, savoir:</p>
+<ul>
+<li>1<sup>re</sup> classe .... 25 unit&eacute;s</li>
+<li>2<sup>me</sup> classe .... 20 unit&eacute;s</li>
+<li>3<sup>me</sup> classe .... 15 unit&eacute;s</li>
+<li>4<sup>me</sup> classe .... 10 unit&eacute;s</li>
+<li>5<sup>me</sup> classe .... 5 unit&eacute;s</li>
+<li>6<sup>me</sup> classe .... 3 unit&eacute;s</li>
+</ul>
+<p>Ces coefficients sont multipli&eacute;s par le nombre des pays de
+chaque classe, et la somme des produits ainsi obtenus fournit le nombre
+d&rsquo;unit&eacute;s par lequel la d&eacute;pense totale doit
+&ecirc;tre divis&eacute;e. Le quotient donne le montant de
+l&rsquo;unit&eacute; de d&eacute;pense.</p>
+<p>Chaque pays d&eacute;clarera, au moment de son accession, dans
+laquelle des susdites classes il demande &agrave; &ecirc;tre
+rang&eacute;.</p>
+<p>L&rsquo;Administration suisse pr&eacute;pare le budget du Bureau et
+en surveille les d&eacute;penses, fait les avances n&eacute;cessaires
+et &eacute;tablit le compte annuel qui sera communiqu&eacute; &agrave;
+toutes les autres Administrations.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 24</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention peut &ecirc;tre soumise
+&agrave; des revisions en vue d&rsquo;y introduire les
+am&eacute;liorations de nature &agrave; perfectionner le syst&egrave;me
+de l&rsquo;Union.</p>
+<p>Les questions de cette nature, ainsi que celles qui
+int&eacute;ressent &agrave; d&rsquo;autres points de vue le
+d&eacute;veloppement de l&rsquo;Union, sont trait&eacute;es
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e15352" href="#xd20e15352" name=
+"xd20e15352">479</a>]</span>dans des Conf&eacute;rences qui auront lieu
+successivement dans les pays de l&rsquo;Union entre les
+d&eacute;l&eacute;gu&eacute;s desdits pays. L&rsquo;Administration du
+pays o&ugrave; doit si&eacute;ger une Conf&eacute;rence pr&eacute;pare,
+avec le concours du Bureau international, les travaux de celle-ci. Le
+Directeur du Bureau assiste aux s&eacute;ances des Conf&eacute;rences
+et prend part aux discussions sans voix d&eacute;lib&eacute;rative.</p>
+<p>Aucun changement &agrave; la pr&eacute;sente Convention n&rsquo;est
+valable pour l&rsquo;Union que moyennant l&rsquo;assentiment unanime
+des pays qui la composent.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 25</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les &Eacute;tats &eacute;trangers &agrave;
+l&rsquo;Union et qui assurent la protection l&eacute;gale des droits
+faisant l&rsquo;objet de la pr&eacute;sente Convention, peuvent y
+acc&eacute;der sur leur demande.</p>
+<p>Cette accession sera notifi&eacute;e par &eacute;crit au
+Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse, et par celui-ci
+&agrave; tous les autres.</p>
+<p>Elle emportera, de plein droit, adh&eacute;sion &agrave; toutes les
+clauses et admission &agrave; tous les avantages stipul&eacute;s dans
+la pr&eacute;sente Convention. Toutefois, elle pourra contenir
+l&rsquo;indication des dispositions de la Convention du 9 septembre
+1886 ou de l&rsquo;Acte additionnel du 4 mai 1896 qu&rsquo;ils
+jugeraient n&eacute;cessaire de substituer, provisoirement au moins,
+aux dispositions correspondantes de la pr&eacute;sente Convention.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 26</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les Pays contractants ont le droit
+d&rsquo;acc&eacute;der en tout temps &agrave; la pr&eacute;sente
+Convention pour leurs colonies ou possessions
+&eacute;trang&egrave;res.</p>
+<p>Ils peuvent, &agrave; cet effet, soit faire une d&eacute;claration
+g&eacute;n&eacute;rale par laquelle toutes leurs colonies ou
+possessions sont comprises dans l&rsquo;accession, soit nommer
+express&eacute;ment celles qui y sont comprises, soit se borner
+&agrave; indiquer celles qui en sont exclues.</p>
+<p>Cette d&eacute;claration sera notifi&eacute;e par &eacute;crit au
+Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse, et par celui-ci
+&agrave; tous les autres.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 27</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention remplacera, dans les
+rapports entre les &Eacute;tats contractants, la Convention de Berne du
+9 septembre 1886, y compris l&rsquo;Article additionnel et le Protocole
+de cl&ocirc;ture du m&ecirc;me <span class="pagenum">[<a id=
+"xd20e15385" href="#xd20e15385" name="xd20e15385">480</a>]</span>jour,
+ainsi que l&rsquo;Acte additionnel et la D&eacute;claration
+interpr&eacute;tative du 4 mai 1896. Les actes conventionnels
+pr&eacute;cit&eacute;s resteront en vigueur dans les rapports avec les
+&Eacute;tats qui ne ratifieraient pas la pr&eacute;sente
+Convention.</p>
+<p>Les &Eacute;tats signataires de la pr&eacute;sente Convention
+pourront, lors de l&rsquo;&eacute;change des ratifications,
+d&eacute;clarer qu&rsquo;ils entendent, sur tel ou tel point, rester
+encore li&eacute;s par les dispositions des Conventions auxquelles ils
+ont souscrit ant&eacute;rieurement.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 28</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention sera ratifi&eacute;e, et
+les ratifications en seront &eacute;chang&eacute;es &agrave; Berlin au
+plus tard le 1<sup>er</sup> juillet 1910.</p>
+<p>Chaque Partie contractante remettra, pour l&rsquo;&eacute;change des
+ratifications, un seul instrument, qui sera d&eacute;pos&eacute;, avec
+ceux des autres pays, aux archives du Gouvernement de la
+Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse. Chaque Partie recevra en retour un
+exemplaire du proc&egrave;s-verbal d&rsquo;&eacute;change des
+ratifications, sign&eacute; par les Pl&eacute;nipotentiaires qui y
+auront pris part.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 29</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La pr&eacute;sente Convention sera mise &agrave;
+ex&eacute;cution trois mois apr&egrave;s l&rsquo;&eacute;change des
+ratifications et demeurera en vigueur pendant un temps
+ind&eacute;termin&eacute;, jusqu&rsquo;&agrave; l&rsquo;expiration
+d&rsquo;une ann&eacute;e &agrave; partir du jour o&ugrave; la
+d&eacute;nonciation en aura &eacute;t&eacute; faite.</p>
+<p>Cette d&eacute;nonciation sera adress&eacute;e au Gouvernement de la
+Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse. Elle ne produira son effet
+qu&rsquo;&agrave; l&rsquo;&eacute;gard du pays qui l&rsquo;aura faite,
+la Convention restant ex&eacute;cutoire pour les autres pays de
+l&rsquo;Union.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 30</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les &Eacute;tats qui introduiront dans leur
+l&eacute;gislation la dur&eacute;e de protection de cinquante ans
+pr&eacute;vue par l&rsquo;article 7, alin&eacute;a 1<sup>er</sup>, de
+la pr&eacute;sente Convention, le feront conna&icirc;tre au
+Gouvernement de la Conf&eacute;d&eacute;ration Suisse par une
+notification &eacute;crite qui sera communiqu&eacute;e aussit&ocirc;t
+par ce Gouvernement &agrave; tous les autres &Eacute;tats de
+l&rsquo;Union.</p>
+<p>Il en sera de m&ecirc;me pour les &Eacute;tats qui renonceront aux
+r&eacute;serves faites par eux en vertu des articles 25, 26 et 27.</p>
+<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15424" href=
+"#xd20e15424" name="xd20e15424">481</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e14815" href="#xd20e14815src" name="xd20e14815">1</a></span> De
+overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die voornamelijk de
+inrichting en den werkkring van het Internationale Bureau betreffen,
+stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en artt. 22 en 23
+Conventie 1908.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="b4" lang="fr" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 lang="nl-1900" class="main">Bijlage IV</h2>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">Association litt&eacute;raire et artistique
+internationale</h3>
+<h3 class="main">Projet de Loi-Type adopt&eacute; par le Congr&egrave;s
+de Paris, 16&ndash;21 Juillet 1900</h3>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article Premier</span></h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;auteur d&rsquo;une oeuvre de
+l&rsquo;intelligence a le droit exclusif de la rendre publique et de la
+reproduire par quelque proc&eacute;d&eacute;, sous quelque forme et
+pour quelque destination que ce soit.</p>
+<p>Sont ainsi prot&eacute;g&eacute;es toutes manifestations de la
+pens&eacute;e &eacute;crites ou orales, les oeuvres dramatiques,
+musicales et chor&eacute;graphiques et toutes les oeuvres des arts
+graphiques et plastiques, quels que soient leur m&eacute;rite, leur
+emploi et leur destination. Il en est de m&ecirc;me des oeuvres qui ont
+paru dans les journaux ou recueils p&eacute;riodiques.</p>
+<p>Les actes officiels des autorit&eacute;s publiques et les
+d&eacute;cisions judiciaires ne peuvent faire l&rsquo;objet d&rsquo;un
+droit privatif.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;exercice du droit de l&rsquo;auteur
+n&rsquo;est subordonn&eacute; &agrave; l&rsquo;accomplissement
+d&rsquo;aucunes conditions ni formalit&eacute;s.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Le droit exclusif pr&eacute;vu &agrave;
+l&rsquo;article 1<sup>er</sup> se continue pendant quatre-vingts ans
+&agrave; dater de la premi&egrave;re publication licite de
+l&rsquo;oeuvre. Il est exerc&eacute; par l&rsquo;&eacute;diteur tant
+que l&rsquo;auteur v&eacute;ritable ne s&rsquo;est pas fait
+conna&icirc;tre.</p>
+<p>Lorsque l&rsquo;auteur s&rsquo;est fait conna&icirc;tre avant
+l&rsquo;expiration de ce d&eacute;lai, la dur&eacute;e du droit se
+continue pendant la vie de l&rsquo;auteur et quatre-vingts ans
+apr&egrave;s sa mort.</p>
+<p>Les oeuvres qui paraissent sous le nom d&rsquo;une personne morale
+sont assimil&eacute;es aux oeuvres anonymes. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15465" href="#xd20e15465" name=
+"xd20e15465">482</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Les collaborateurs ont des droits &eacute;gaux sur
+l&rsquo;oeuvre commune, &agrave; moins de stipulations contraires.</p>
+<p>Les droits des ayants cause d&rsquo;un collaborateur
+pr&eacute;d&eacute;c&eacute;d&eacute; subsistent jusqu&rsquo;&agrave;
+l&rsquo;expiration du d&eacute;lai de quatre-vingts ans apr&egrave;s la
+mort du dernier survivant des collaborateurs.</p>
+<p>A d&eacute;faut d&rsquo;ayants cause d&rsquo;un des collaborateurs
+sa part accro&icirc;t aux autres collaborateurs ou &agrave; leurs
+ayants cause.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Quiconque fait &eacute;diter une oeuvre posthume dont
+il est en droit de disposer, jouit d&rsquo;un droit exclusif de
+reproduction pendant quatre-vingts ans &agrave; dater de cette
+premi&egrave;re publication.</p>
+<p>Sont consid&eacute;r&eacute;es comme oeuvres posthumes les oeuvres
+qui, du vivant de l&rsquo;auteur, n&rsquo;ont pas re&ccedil;u, avec le
+consentement de l&rsquo;auteur, la publicit&eacute; normale que leur
+nature comporte.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toute reproduction, int&eacute;grale ou partielle,
+faite sans le consentement de l&rsquo;auteur ou de ses ayants cause,
+est illicite.</p>
+<p>Il en est ainsi de la traduction et aussi de la
+repr&eacute;sentation et de l&rsquo;ex&eacute;cution publiques.</p>
+<p>Sont &eacute;galement illicites: les reproductions qui comportent
+des retranchements, additions et remaniements, telles que: adaptations,
+transformations de pi&egrave;ces de th&eacute;&acirc;tre en romans et,
+r&eacute;ciproquement, de romans en pi&egrave;ces de
+th&eacute;&acirc;tre, arrangements de musique, reproduction par un
+autre art, illustration d&rsquo;un ouvrage.</p>
+<p>Il en est de m&ecirc;me des reproductions d&rsquo;oeuvres musicales
+par les instruments de musique m&eacute;caniques.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;auteur, une fois son oeuvre publi&eacute;e, ne
+peut interdire les analyses et courtes citations qui, faites dans un
+but de critique, de pol&eacute;mique ou d&rsquo;enseignement, portent
+l&rsquo;indication du nom de l&rsquo;auteur et de la source.</p>
+<p>Les discours prononc&eacute;s dans les assembl&eacute;es
+d&eacute;lib&eacute;rantes ou dans les r&eacute;unions publiques
+peuvent &ecirc;tre reproduits dans un but d&rsquo;information ou de
+discussion. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15509" href=
+"#xd20e15509" name="xd20e15509">483</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Le droit de reproduction est ind&eacute;pendant du
+droit de propri&eacute;t&eacute; sur l&rsquo;objet mat&eacute;riel
+(manuscrit ou original); la cession de l&rsquo;objet mat&eacute;riel
+n&rsquo;emporte donc pas, par elle m&ecirc;me, cession des droits de
+reproduction et r&eacute;ciproquement.</p>
+<p>La cession des droits appartenant &agrave; l&rsquo;auteur (droit de
+publier, de repr&eacute;senter, d&rsquo;ex&eacute;cuter, de traduire,
+d&rsquo;illustrer, etc.) doit toujours &ecirc;tre
+interpr&eacute;t&eacute;e restrictivement.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;auteur de toute oeuvre de l&rsquo;intelligence
+a le droit de faire reconna&icirc;tre sa qualit&eacute; d&rsquo;auteur
+et d&rsquo;agir en justice contre quiconque s&rsquo;attribuerait cette
+qualit&eacute;.</p>
+<p>L&rsquo;auteur qui a c&eacute;d&eacute; ses droits de reproduction
+conserve le droit de poursuivre les contrefacteurs, de surveiller la
+reproduction de son oeuvre et de s&rsquo;opposer &agrave; toutes
+modifications faites sans son consentement.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Apr&egrave;s la mort de l&rsquo;auteur, c&rsquo;est
+&agrave; ses h&eacute;ritiers, &agrave; d&eacute;faut d&rsquo;un
+mandataire sp&eacute;cial d&eacute;sign&eacute; par lui, qu&rsquo;il
+appartient de faire respecter les droits pr&eacute;vus &agrave;
+l&rsquo;article 10.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Aucune modification ne doit &ecirc;tre faite &agrave;
+l&rsquo;oeuvre, m&ecirc;me par les h&eacute;ritiers ou ayants droits de
+l&rsquo;auteur, sans que cette modification soit port&eacute;e,
+d&rsquo;une fa&ccedil;on apparente, &agrave; la connaissance du
+public.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toute atteinte port&eacute;e au droit de
+l&rsquo;auteur, tel qu&rsquo;il est d&eacute;fini par le pr&eacute;sent
+projet de loi-type, donne ouverture &agrave; une action en
+dommages-int&eacute;r&ecirc;ts; si l&rsquo;atteinte a &eacute;t&eacute;
+port&eacute;e sciemment, elle peut donner ouverture &agrave; une action
+p&eacute;nale.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Il en est de m&ecirc;me de l&rsquo;usurpation du nom
+d&rsquo;un auteur, ainsi que de l&rsquo;imitation frauduleuse de sa
+signature ou de tout signe distinctif, monogramme ou autre,
+adopt&eacute; par lui. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15558" href=
+"#xd20e15558" name="xd20e15558">484</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">L&rsquo;auteur ou ses ayants cause peuvent
+requ&eacute;rir les agents de police judiciaire pour proc&eacute;der
+&agrave; la saisie des objets argu&eacute;s de contrefa&ccedil;on et
+&agrave; celle des planches, moules ou matrices et autres ustensiles
+ayant servi ou destin&eacute;s &agrave; servir sp&eacute;cialement
+&agrave; la fabrication desdits objets.</p>
+<p>S&rsquo;il s&rsquo;agit d&rsquo;une repr&eacute;sentation ou
+ex&eacute;cution, les auteurs peuvent fair proc&eacute;der, dans les
+m&ecirc;mes formes, &agrave; la saisie de la totalit&eacute; de la
+recette.</p>
+<p>L&rsquo;&eacute;diteur ou l&rsquo;entrepreneur de spectacles doit
+justifier par &eacute;crit du consentement pr&eacute;alable de
+l&rsquo;auteur ou de ses ayants cause.</p>
+<p>La confiscation des objets contrefaits, de m&ecirc;me que celle des
+planches, moules ou matrices et autres ustensiles ayant servi ou
+destin&eacute;s &agrave; servir sp&eacute;cialement &agrave; la
+fabrication desdits objets, sera prononc&eacute;e au profit de
+l&rsquo;auteur ou de ses ayants cause.</p>
+<p>En cas d&rsquo;ex&eacute;cution ou de repr&eacute;sentation
+illicite, les recettes saisies seront allou&eacute;es au plaignant.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div3">
+<div class="divHead">
+<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">La loi s&rsquo;applique &agrave; tous les auteurs,
+quelle que soit leur nationalit&eacute; et en quelque lieu que
+l&rsquo;ouvrage ait paru pour la premi&egrave;re fois. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15582" href="#xd20e15582" name=
+"xd20e15582">485</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="stellingen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Stellingen</h2>
+<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e15587" href="#xd20e15587" name=
+"xd20e15587">487</a>]</span></p>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">I</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Onjuist is de meening, dat de
+boekdrukkers-privilegi&euml;n, die in ons land in de zeventiende en
+achttiende eeuw werden verleend, niet voor overdracht vatbaar waren en
+met den dood van den bevoorrechten persoon tenietgingen. (Proefschr.
+pp. 20 sqq.)</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">II</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegi&euml;n
+heeft men ten onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen
+eigendom der schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.).</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">III</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het auteursrecht is te beschouwen als een
+vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed, nl. de
+geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp.
+108 sqq.)</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IV</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van
+het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
+den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en
+Telegrafie, Staatsblad n<sup>o</sup>. 213, berust op eene onjuiste
+opvatting van den aard van het auteursrecht. <span class=
+"pagenum">[<a id="xd20e15612" href="#xd20e15612" name=
+"xd20e15612">488</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">V</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een
+integreerend bestanddeel van het auteursrecht worden beschouwd.
+(Proefschr. pp. 143 sqq. en 180 sqq.)</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VI</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht
+te komen is het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner
+Conventie ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet
+voldeed niet aan den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene
+dergelijke wet wordt gesteld.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">VIII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene
+wet is in strijd met de Grondwet.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">IX</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn
+stembiljetten, die volgens een vroeger model zijn gedrukt, van
+onwaarde.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">X</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het recht van preferentie, toegekend door de artt.
+1185 3<sup>o</sup> en 1190 B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde
+goederen, die zich in handen van den kooper bevinden, eene dusdanige
+bewerking hebben ondergaan, dat zij zich niet meer in denzelfden staat
+bevinden.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XI</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het is voor de totstandkoming van een geldige
+hypotheek krachtens art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de
+hypotheekgever op het <span class="pagenum">[<a id="xd20e15653" href=
+"#xd20e15653" name="xd20e15653">489</a>]</span>oogenblik der
+inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het artikel
+eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de hypotheek
+verleend wordt.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Om &bdquo;getuige&rdquo; te zijn ingevolge art. 50 B.
+W. bij het opmaken van eene akte van overlijden is niet noodig, dat men
+de vereischten bezit, die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke
+men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden
+gesteld.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XIII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst
+ingevolge art. 37 der Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de
+wederpartij van den gefailleerde mocht toekomen, niet op.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XIV</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De uitdrukking &bdquo;te berde brengen&rdquo; in het
+eerste lid van art. 41 R. O. is niet in dien beperkten zin op te
+vatten, dat het schriftelijk bewijs van huur aan den kantonrechter zou
+moeten worden overgelegd om diens bevoegdheid uit te sluiten.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XV</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Van de beschikking van den president der Rechtbank
+ingevolge art. 821 Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het
+Hof open.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XVI</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v.
+Strafr. kan gepleegd worden door middel eener afbeelding, zonder
+telastlegging van een bepaald feit.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XVII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Diefstal van electrische energie is mogelijk.
+<span class="pagenum">[<a id="xd20e15685" href="#xd20e15685" name=
+"xd20e15685">490</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XVIII</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub
+2<sup>o</sup> der Leerplichtwet wordt niet strafbaar, doordat zij
+gepleegd is binnen een jaar na eene andere overtreding, hetzelfde kind
+betreffende, waarvoor de overtreder ingevolge art. 23 &sect; 1 sub
+4<sup>o</sup> onherroepelijk is veroordeeld of de boete vrijwillig
+heeft betaald.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XIX</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de
+Overheid bij de bepaling der prijzen van de door haar geleverde
+goederen en diensten, rekening moet houden met de ongelijke koopkracht
+van hare verschillende afnemers.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">XX</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van
+hen, die in Lex 7 &sect; 1 D. 13, 1 willen lezen: &bdquo;<span lang=
+"la">habet actionem furti et condictionem <i>aut</i>
+vindicationem</span>&rdquo;.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd20e25" title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd20e25"
+title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink xd20e25" title="Externe link" href=
+"https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen
+poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
+het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd
+met het corr-element.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2011-07-31 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e955">XIII</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">onmiddelijk</td>
+<td class="width40" valign="bottom">onmiddellijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e960">XIII</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">verscheidenene</td>
+<td class="width40" valign="bottom">verscheidene</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1109">XVI</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2029">12</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e2495">25</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e2991">38</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3202">44</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4080">71</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e4540">82</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4816">92</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4850">94</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e5231">105</a>, <a class="pageref" href="#xd20e6653">155</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e7858">200</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e8402">224</a>, <a class="pageref" href="#xd20e8565">233</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e10136">298</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e10300">304</a>, <a class="pageref" href="#xd20e10798">321</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e11497">345</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e12255">373</a>, <a class="pageref" href="#xd20e12413">380</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e12818">394</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e13915">443</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e14337">452</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1305">XVIII</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">B&uuml;chernachdruks</td>
+<td class="width40" valign="bottom">B&uuml;chernachdrucks</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1488">XX</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">fur</td>
+<td class="width40" valign="bottom">f&uuml;r</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1526">XX</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">artististique</td>
+<td class="width40" valign="bottom">artistique</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1657">4</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">overdrnk</td>
+<td class="width40" valign="bottom">overdruk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1665">4</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1720">5</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1733">5</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Resolut&iuml;en</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Resoluti&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1962">10</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2169">16</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">atrices</td>
+<td class="width40" valign="bottom">actrices</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2191">16</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5200">104</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">..</td>
+<td class="width40" valign="bottom">...</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2809">32</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Bleau</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Blaeu</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3144">43</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">det</td>
+<td class="width40" valign="bottom">het</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3174">44</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">lettewerken</td>
+<td class="width40" valign="bottom">letterwerken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3179">44</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Arrondissements-Regtbank</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Arrondissements-Rechtbank</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3282">47</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">vond</td>
+<td class="width40" valign="bottom">vonden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3318">47</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">werk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3454">52</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">1876</td>
+<td class="width40" valign="bottom">1886</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3457">52</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">1877</td>
+<td class="width40" valign="bottom">1887</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3568">56</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">artiken</td>
+<td class="width40" valign="bottom">artikelen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3573">56</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">huune</td>
+<td class="width40" valign="bottom">hunne</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3693">60</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">vsn</td>
+<td class="width40" valign="bottom">van</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3719">61</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">wijziglngen</td>
+<td class="width40" valign="bottom">wijzigingen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4050">71</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">yan</td>
+<td class="width40" valign="bottom">van</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4622">85</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">sch&ouml;pfungen</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Sch&ouml;pfungen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4633">85</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">uuter</td>
+<td class="width40" valign="bottom">unter</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4751">89</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">twe&euml;erlei</td>
+<td class="width40" valign="bottom">twee&euml;rlei</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4839">93</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">autersrecht</td>
+<td class="width40" valign="bottom">auteursrecht</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4928">96</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">poduction</td>
+<td class="width40" valign="bottom">production</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4956">96</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">qu &rsquo;il</td>
+<td class="width40" valign="bottom">qu&rsquo; il</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5161">103</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">ecomische</td>
+<td class="width40" valign="bottom">economische</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5213">104</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">ateur</td>
+<td class="width40" valign="bottom">auteur</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5269">107</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">gaval</td>
+<td class="width40" valign="bottom">geval</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5272">107</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">fabriekant</td>
+<td class="width40" valign="bottom">fabrikant</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5283">107</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">drukkker</td>
+<td class="width40" valign="bottom">drukker</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5569">118</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">een</td>
+<td class="width40" valign="bottom">ein</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5753">125</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">persoolijkheidsrecht</td>
+<td class="width40" valign="bottom">persoonlijkheidsrecht</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5840">129</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">and</td>
+<td class="width40" valign="bottom">und</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5946">132</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">belissing</td>
+<td class="width40" valign="bottom">beslissing</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6111">138</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">k&uuml;nstleriches</td>
+<td class="width40" valign="bottom">k&uuml;nstlerisches</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6540">152</a>, <a class="pageref" href="#xd20e6545">152</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">melodi&euml;en</td>
+<td class="width40" valign="bottom">melodie&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6605">154</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">..</td>
+<td class="width40" valign="bottom">...</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6623">154</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">;</td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6866">165</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">daus</td>
+<td class="width40" valign="bottom">dans</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6950">169</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">uitteraard</td>
+<td class="width40" valign="bottom">uiteraard</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e7324">179</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">de de</td>
+<td class="width40" valign="bottom">de</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e7795">197</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">ahnliche</td>
+<td class="width40" valign="bottom">&auml;hnliche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e7843">199</a>, <a class="pageref" href="#xd20e10627">317</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e13653">430</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">clich&eacute;s</td>
+<td class="width40" valign="bottom">clich&eacute;&rsquo;s</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e8003">206</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">muziekstnk</td>
+<td class="width40" valign="bottom">muziekstuk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e8304">221</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">hontsneden</td>
+<td class="width40" valign="bottom">houtsneden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e8541">231</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">photoprahie</td>
+<td class="width40" valign="bottom">photographie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e8739">239</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">litographie</td>
+<td class="width40" valign="bottom">lithographie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e8929">248</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">societeit</td>
+<td class="width40" valign="bottom">soci&euml;teit</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e9063">252</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">verspeiding</td>
+<td class="width40" valign="bottom">verspreiding</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e9146">255</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Shakespaere</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Shakespeare</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e9806">289</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e10617">316</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e9982">293</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">App&eacute;l</td>
+<td class="width40" valign="bottom">App&egrave;l</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e10641">317</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e10900">324</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">categori&euml;en</td>
+<td class="width40" valign="bottom">categorie&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11047">330</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">veplichting</td>
+<td class="width40" valign="bottom">verplichting</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11058">330</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">rechthebbbende</td>
+<td class="width40" valign="bottom">rechthebbende</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11418">344</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">invoed</td>
+<td class="width40" valign="bottom">invloed</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11423">344</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">niet-geplubliceerde</td>
+<td class="width40" valign="bottom">niet-gepubliceerde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11506">345</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e11520">345</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11526">345</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">vreemdedelingen</td>
+<td class="width40" valign="bottom">vreemdelingen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11903">359</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Nederlandsch-Indi&ecirc;</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Nederlandsch-Indi&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e11989">364</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">R.</td>
+<td class="width40" valign="bottom">B.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e12114">368</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">)</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e12381">379</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">vertalingsrechts</td>
+<td class="width40" valign="bottom">vertalingsrecht</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e12886">396</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">tractraat</td>
+<td class="width40" valign="bottom">tractaat</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e13391">418</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e14191">448</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e13437">420</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">toepssselijk</td>
+<td class="width40" valign="bottom">toepasselijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e14642">461</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">destinees</td>
+<td class="width40" valign="bottom">destin&eacute;es</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e14735">463</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">int&eacute;rressent</td>
+<td class="width40" valign="bottom">int&eacute;ressent</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e14967">469</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">aditionnel</td>
+<td class="width40" valign="bottom">additionnel</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e15031">471</a>, <a class="pageref" href="#xd20e15034">471</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e15148">474</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">oevres</td>
+<td class="width40" valign="bottom">oeuvres</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e15199">476</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">conform&egrave;ment</td>
+<td class="width40" valign="bottom">conform&eacute;ment</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e15216">476</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Couvention</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Convention</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+***** This file should be named 37500-h.htm or 37500-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/5/0/37500/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/37500-h/images/book.png b/37500-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..8c9ee4f
--- /dev/null
+++ b/37500-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/37500-h/images/card.png b/37500-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/37500-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/37500-h/images/external.png b/37500-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/37500-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..0595c68
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #37500 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37500)