diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:08 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:08 -0700 |
| commit | ccb4c85bb9b67984d193c423651660ab1605706f (patch) | |
| tree | 54301090de609b92692bef54db7ad6c4e7f09e25 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 37500-8.txt | 21688 | ||||
| -rw-r--r-- | 37500-8.zip | bin | 0 -> 382760 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37500-h.zip | bin | 0 -> 449069 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37500-h/37500-h.htm | 25689 | ||||
| -rw-r--r-- | 37500-h/images/book.png | bin | 0 -> 218 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37500-h/images/card.png | bin | 0 -> 249 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37500-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
10 files changed, 47393 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/37500-8.txt b/37500-8.txt new file mode 100644 index 0000000..fc69080 --- /dev/null +++ b/37500-8.txt @@ -0,0 +1,21688 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Auteursrecht + in het Nederlandsche en internationale recht + +Author: Henri Louis de Beaufort + +Release Date: September 21, 2011 [EBook #37500] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive) + + + + + + + + + HET AUTEURSRECHT + in het Nederlandsche en internationale recht + + Proefschrift + + Ter verkrijging van den graad van Doctor in de + Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te + Utrecht na machtiging van den Rector Magnificus + Dr. H. Zwaardemaker hoogleeraar in de Faculteit + der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat + der Universiteit tegen de bedenkingen van de + Faculteit der Rechtsgeleerdheid te verdedigen + op vrijdag 17 december 1909 des namiddags te + 4 uur door + + HENRI LOUIS DE BEAUFORT + + Geboren te Leusden + + + + P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus + et Librorum Editor Utrecht 1909 + + + + + + + + Aan mijne Ouders + + + + + + + +Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten voorbijgaan, die mij hier +is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen aan U, Hooggeachte +Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid waarmede U, +tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit proefschrift +terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke belangstelling, +die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen. + +Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het voorrecht +heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne +erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik +van hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan +de verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb +tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters +van dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden deelnam. + +Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten, +het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen +uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het +is mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en +zijne Academie bestaat. + + + + + + + +INHOUD + + + P. + +BRONNEN EN LITERATUUR XIII + +HOOFDSTUK I + +HISTORISCHE INLEIDING + + § 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het + einde der achttiende eeuw 1 + § 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der + achttiende eeuw tot dezen tijd 39 + § 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal + auteursrecht 52 + + +HOOFDSTUK II + +GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER + + § 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën 70 + § 2 Recht of doelmatigheid? 78 + § 3 Economische theorieën 95 + § 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed 108 + + +HOOFDSTUK III + +DE OBJECTEN + + § 1 Algemeen overzicht en groepeering 126 + § 2 Geschriften + a Kenmerkende eigenschappen 137 + b Vorm en inhoud 143 + c Practische toepassingen van het voorgaande 169 + I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen + om object van auteursrecht te zijn 170 + II Het recht van den vertaler 176 + III Het uitsluitend vertalingsrecht 180 + IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend + bewerkingsrecht 186 + § 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten 195 + § 4 Werken der toonkunst 202 + § 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes 211 + § 6 Werken van beeldende kunst 219 + § 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst 228 + + +HOOFDSTUK IV + +OMVANG EN DUUR + + § 1 Omvang 234 + I Het door den druk gemeen maken van geschriften en + muziekwerken 236 + II Het maken van afschriften 238 + III Vervaardiging en verspreiding van mechanische + muziek-instrumenten en phonografen 240 + IV Reproductie door den kinematograaf 244 + V Op- en uitvoering 246 + VI Voordracht 251 + VII Reproductie van werken van beeldende kunst 252 + § 2 Duur 254 + + +HOOFDSTUK V + +VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN 261 + + +HOOFDSTUK VI + +EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN 275 + + I Recht op brieven 278 + II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op + auteursrecht 281 + III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden + staat wordt publiek gemaakt 288 + IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam 291 + V Recht van den afgebeelden persoon 299 + + +HOOFDSTUK VII + +INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT + + § 1 Algemeene opmerkingen 305 + § 2 De Berner Conventie 319 + a Algemeene regelen betreffende het internationale + auteursrecht in het Verbond + I Doel en strekking van het Verbond 321 + II De werken waarop de Conventie van toepassing is 322 + III Aard en omvang der bescherming 343 + IV Duur der bescherming 366 + b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen + I Het uitsluitend vertalingsrecht 370 + II Dagbladen en tijdschriften 383 + III Bloemlezingen 395 + IV Op- en uitvoeringsrecht 398 + V Bewerkingsrecht 403 + VI Mechanische muziek-instrumenten 406 + VII Kinematograaf 413 + c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht + I Legitimatie voor den rechter 417 + II Beslag op nadruk 420 + d Uitvoerings- en overgangsbepalingen + I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding + of uitstalling van geschriften en kunstwerken 423 + II Overgangsbepalingen 424 + III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband + met de Conventie 434 + IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond 436 + V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën 436 + VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging 439 + + +BIJLAGEN + +I Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van + het auteursrecht 443 +II Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht + op werken van beeldende kunst 452 +III A Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la + création d'une Union internationale pour la protection + des oeuvres littéraires et artistiques 459 + Article additionnel 464 + Protocole de clôture 465 + B Acte additionnel du 4 Mai 1896 467 + Déclaration du 4 Mai 1896 469 + C Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres + littéraires et artistiques du 13 Novembre 1908 471 +IV Association littéraire et artistique internationale Projet + de Loi-Type 481 + + +STELLINGEN 487 + + + + + + + +BRONNEN EN LITERATUUR + + +Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor dit +proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan. + +Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht +van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en +oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen, +geraadpleegd. + +Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van +de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste +bron in de Resolutiën van de Staten van Holland en de Resolutiën van de +Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste in handschrift) +berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik achtte het echter +niet noodig alle jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk +te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende, +dat nergens eene periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef. + +Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan het +Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van +Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; van de "Resolutiën +der Generale Staten uit de XVIIde eeuw meer onmiddellijk betreffende +de geschiedenis der beschaving", die in de deelen IV, V, VI en VII van +dit werk zijn opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp +betrekking te hebben. + +Van verscheidene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, doordat +zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt. + +Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden +genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel in de +Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, waarvan de +eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een zelfstandig +onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn ingesteld; +zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het genoemde +werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden. + +Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde uit +den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te +worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt +door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz., +uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des +Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten, +tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in +Nederland en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede +Gedeelte, 's Gravenhage 1867). + +Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en +voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen +der Conferenties. + +Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in +de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der +verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn +het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie, +die aan de handelingen hunne waarde verleenen. + +Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van +Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid +zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur, +Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht. + +Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de +eerste plaats het standaard-werk van Prof. Ernst Röthlisberger, +Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und +Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en +zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd, +daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn. + +Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de +Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het +maandblad Le Droit d'Auteur, officieel orgaan van het Internationale +Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee en +twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde +tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving +en jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld. + +Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft, +nog het volgende: + +De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is +wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk +geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van +eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen +en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het +auteursrecht slechts terloops wordt besproken. + +Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds +toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne +beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk +niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen. + +Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust: +ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste +behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de +volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik +aan dezen schrijver verschuldigd ben. + + + +Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche werken, +alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs. + + +J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever, +Proefschr. Groningen 1889. + +Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. + +J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de +Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van: De juribus +typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819). Met +de latere bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver. + +J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885. + +Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers +en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt van het +internationale regt, Utrecht 1853. + +Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van +voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856. + +Prof. Mr. H. van der Hoeven, Een verongelukt artikel, Tijdschrift +voor Strafrecht V pp. 99 sqq. + +J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. Leiden +1885. + +Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq. + +J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905. + +-- Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I no. 10. + +Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Het Paleis van +Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. + +Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Over de regten van den uitvinder, +Themis 1862 pp. 213 sqq. + +-- Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de +zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door +mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid +en Wetgeving deel XIV (1864) pp. 140 sqq. + +-- Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, Bijdragen +tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in +Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq. + +J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905. + +Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de +Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie van +Wetensch. Afd. Letterkunde 3de reeks, 12de deel pp. 5 sqq. + +Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Nederland en de Berner Conventie, +de Gids 1896 III pp. 385 sqq. + +-- Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 I +pp. 102 sqq. + +N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. Utrecht +1875. + +Herman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra +serie I no. 10. + +-- De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541 +sqq. + +J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen, +Proefschr. Amsterdam 1896. + +Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht, +Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 no. 1917. + +Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het +auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq. + +A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van +beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891. + +Mr. J. D. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving, +1895. + +-- Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq. + +-- id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de +Nederl. wetgeving, 2de druk Groningen 1898. + +Mr. B. van den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's Gravenhage +1835. + +Mr. J. Freseman Viëtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van +den intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het +Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie +II) pp. 1-49, 113-166. + +-- Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot +regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877. + +-- Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, Handelingen +der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq. + +Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877. + +Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn +1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq. + + + +Dr. Karl Adler, Zur juristischen Konstruktion des Urheberrechtes, +Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq. + +Dr. O. Bähr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen +Vervielfältigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? Archiv +für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq. + +Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5me +ed. Paris 1848 pp. 220 sqq. + +Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kritische +Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft I +pp. 1 sqq. + +Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse +pour le doctorat Paris 1904. + +Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen +und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888. + +Louis Delzons, La propriété artistique et littéraire à la Conférence +de Berlin, Revue des deux mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq. + +Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété +littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq. + +J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Ein +Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 sqq. + +C. F. von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und +Verlegers, Jahrbücher für die Dogmatik III pp. 359 sqq. + +O. Gierke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der Deutschen +Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de afd. IIIde deel), Leipzig +1895 pp. 702 sqq. 756 sqq. + +Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69. + +Prof. Dr. Paul Hinschius, Ueber die Schutzberechtigung von Pantomimen +und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, Jahrbücher für +die Dogmatik XXVI pp. 185 sqq. + +Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen +des deutschen Bundes dargestellt, Beilageheft zum Archiv für die +civilistische Praxis, Band XXXV (1852). + +Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst., +3 Abschn. + +Dr. Joseph Kohler, Das Autorrecht, eine zivilistische Abhandlung, +zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigenthum, +vom Rechtsgeschäft und vom Individualrecht, Jahrbücher für die +Dogmatik XVIII. + +-- Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz, +Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim 1892. + +-- Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906-1907. + +-- Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908. + +-- Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische +Praxis 82 pp. 192 sqq. + +-- Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq. + +-- Autorrechtliche Studien, ibid. 85 pp. 399 sqq. + +-- Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeitschrift für +internationales Privat- und Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en +338 sqq. + +-- Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches Recht +V pp. 77 sqq. + +-- Das Recht an Briefen, ibid. VII pp. 94 sqq. + +-- Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq. + +Paul Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en +Allemagne, Paris 1855. + +Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons on +the 5th of February 1841. + +-- id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two volumes, +vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXXIV). + +Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes, +Kritische Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft +VII pp. 1-55, 242-274, 565-609. + +-- Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, Archiv für die +civilistische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq. + +F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par +Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195-234. + +Aloïs d'Orelli, La Conférence internationale pour la protection des +droits d'auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, Revue de +droit international et de législation comparée 1884 pp. 533 sqq. + +-- La deuxième conférence internationale pour la protection des +oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq. + +Hermann Ortloff, Das Autorrecht als strafrechtlich zu schützendes +Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq. + +Eugène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété +littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879. + +P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de loi +ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes +un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI. + +Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, improprement +désigné sous le titre de propriété littéraire, Genève 1869. + +Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von +Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, geschichtlich +und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906. + +Dr. A. Schäffle, Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer +Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster- +und Markenschuz, Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft Band +23 (1867) pp. 143-219; 291-477. + +-- Ueber die volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung +und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1-70. + +Dr. Schmid, Ueber dingliche Gewerberechte, Archiv für die civilistische +Praxis Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq. + +Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, +Deutschland und andern europäischen Staaten mit Einschluss der +allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt, +München 1891. + + + + + + + +AFKORTINGEN + + +Actes 1884 Actes de la Conférence internationale pour la protection des +droits d'auteur réunie à Berne du 8 au 19 septembre 1884, Berne 1884. + +Actes 1885 Actes de la 2me Conférence internationale pour la protection +des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 7 au 18 +Septembre 1885, Berne 1885. + +Actes 1886 Actes de la 3me Conférence internationale pour la protection +des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 6 au 9 +septembre 1886, Berne 1886. + +Actes 1896 Actes de la Conférence réunie à Paris du 15 avril au 4 +mai 1896, Berne Bureau international de l'Union 1897. + +Actes 1908 Actes de la Conférence réunie à Berlin du 14 octobre au +14 novembre 1908, Berne Bureau de l'Union internationale littéraire +et artistique 1909. + +D. A. Le Droit d'Auteur, organe officiel du Bureau de l'Union +internationale pour la protection des oeuvres littéraires et +artistiques. + +Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht +op werken van beeldende kunst. + +W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van +het auteursrecht. + + + + + + + +HOOFDSTUK I + +HISTORISCHE INLEIDING + + +§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde +der achttiende eeuw + +Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en +letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van +de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de +exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans +vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het +auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift +nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht +en uitgewerkt. + +Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet +in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de +oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken +van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten +geëxploiteerd kunnen worden. + +De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was +de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het +toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele +producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel +verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van +boeken reeds op groote schaal plaats had. + +In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die +honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat +het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten +tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van +de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der +boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1]. + +Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken +door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene +steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen +gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot +werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders +des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den +naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2]. + +De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de +toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het +zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is, +een uitsluitend recht op kopie te scheppen. + +In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk +van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen +niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien +zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen +die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf +staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan +vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste +reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging +door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal +exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat +bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals +bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van +nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden +gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde +boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben +in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer +vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander +ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik +gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste +uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad +van concurrentie. + +De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem +uitgegeven boek veel zwaarder getroffen. + +Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde, +toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een +waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal +exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal +worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen +is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden +gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig +baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De +nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou +zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen +dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar +zich toe. + +Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden, +zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie, +waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen, +aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit +kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand +liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte +te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi +of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met +uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen. + +De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der +achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk +gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der +privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het +auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het +kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën +en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de +ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er +hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen. + + + +Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend +in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt, +Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517 +[3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid +hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op +deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden +de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door +Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik +er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al +niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden +verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570 +komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal +mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen +drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie." + +Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden +de Staten de privilegiën zelf. + +Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die +tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond +tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die +van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel +mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten +als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten +waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten +golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden +waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de +privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën +erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe +van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor +de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van +verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet +konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te +geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door +de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks +niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om +korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy +te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven +octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door +verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7]. + +Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal +verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan +te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting +hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8] +en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de +Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache +[9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij +onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen +met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals +uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken. + +Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het +inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk +werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een +placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde, +dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld; +werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met +één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden +auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er +evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren. + +Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel +vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het +octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles +mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later, +dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon +het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met +de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den +Emile van Rousseau. + +In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd +zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend +voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht +gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht +was voor alle talen [11]. + +Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de +reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor +hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een +ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van +13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van +verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen, +omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar +in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele +andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt +nadeel en prejuditie... etc." [13]. + +Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt +in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de +Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen, +schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige +gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14]. + +Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen; +zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de +Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop +te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen +D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt" +[15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan +b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken +van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens +egeen privilegie en is geaccordeert" [16]. + +Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen, +doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd +werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim +hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van +het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene +resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche +Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de +provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18]. + +De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van +allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken, +gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken, +"schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten, +resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid +was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers, +o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend, +evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de +Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de +Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel +ingesloopen [19]. + +Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende +uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der +Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de +Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen +[21]. + +Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de +privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en +uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook +wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie +grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun +manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam +won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de +eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak +heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, +op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde +boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen +der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten +weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn +(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren +dood is. + +Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie +der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij +o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de +autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve +voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn +gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men +elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen +[23]. + +Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn +verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant +Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was, +gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der +Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel +wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de +Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel +vastgestelden tekst der vertaling hielden [25]. + +Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen +privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners +tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der +bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit +opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van +Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in +twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in, +waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere +Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt, +doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie, +"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of +de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden +geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft +schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben +gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op +request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente +te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor +de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27]. + +Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de +bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook +werken van beeldende kunst. + +De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin +achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam +een centrum van den wereld-muziekhandel was [28]. + +Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo +voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor +privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en +psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding +voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland +een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer +behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en +twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken +werden privilegiën verleend. [30] + +Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf +vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven +ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van +de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden" +meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare +uitgaven, privilegiën werden verleend. + +Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van +27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam, +geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des +suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van +caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, +te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi +dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt +op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken +op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid +de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste +auteursrecht-wetgeving--denken laat. + +Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van +overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften, +noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn +de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor +ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert, +Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland +in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32] +en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van +Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi +verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst, +vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren +van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan +hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen +oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33]. + +De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden, +waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar +schilderijen gemaakte. + +Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn +schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den +portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel, +by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen +nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het +schilderij als object der bescherming te beschouwen. + +Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder" +verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan +Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave +Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven +gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35]. + +Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod +van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen; +het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van +deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar +in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste. + +Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen +zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een +bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals +in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi, +om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van +de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en +in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen +in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt +den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen +voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard +werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn, +die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te +Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen, +portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de +Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen +bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo: +de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een +boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij +te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo: +souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37]. + +Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een +octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld: +"Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie +dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat +anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven" +[38]. + +Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar +tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij +resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar +Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen +maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen +te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van +Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye +jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen +maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere +Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40]. + +Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak +beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603 +octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende +vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen +van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren +te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke +octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde +zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en +marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat +door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de +rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen +eigendom") dan wel met auteursrecht. + +De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen +auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode +onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie +eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin +die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen +de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi +wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren +naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven +een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende +snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken +sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe +hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker +bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten +Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding, +waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds +te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het +request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van +alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen +ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal, +als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43]. + + + +Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat +bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: +n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te +maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, +hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte +exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te +verspreiden. + +Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende +bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam +ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt +werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734 +verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire +du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend +recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen +als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond +de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt +tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in +de Fransche Taale..." etc. [44]. + +Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden +verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde +in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie +werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt; +voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk +privilegie aan drie verschillende personen [45]. + +Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en +werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien +niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur +de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon +men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door +middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door +middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben. + +Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van +het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond +bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst +is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als +tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren +dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende +opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te +laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien, +dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet +in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste +tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls +mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks +het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46]. + +Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der +achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen +een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten. + +In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten +getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier +stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen +zij van het stadsbestuur eene belooning [47]. + +In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd +omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken +ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de +stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene +geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden +geen resultaat [49]. + +Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken +ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 +ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door +tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, +van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide +instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er +werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs +en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der +stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met +enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid +tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede: + +"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een +jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt, +vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel +vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel +van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet +niet meer dan drie Loodjes" [50]. + +Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens +spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de +toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien +tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij, +dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan +door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar: +"De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere, +de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt +daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen, +met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat +er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den +auteur ook. + +Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft +nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling +toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar +muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen) +en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in +de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of +begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53]. + + + +Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was +ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De +termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer +verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door +de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, +4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans +in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere +privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de +oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar. + +Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken, +werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker +aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn +leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de +weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55]. + +Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht +Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts +Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend +zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de +Staten" [56]. + +De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen +gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk +vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete, +waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd. + +Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht; +ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck +Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh +ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar"; +enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland +werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde +resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan +3000 gld. zou bedragen. + +Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën +en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het +auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak +alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of +letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën, +die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot +bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten +dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker +of uitgever, verleend. + +Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie +aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in +het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens +uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen, +die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten +van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen +Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken, +by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers, +&c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken +... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders +gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen +Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte +te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor +eigen rekening zijne werken hebben laten drukken. + +Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe +van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate +weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi +voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had +achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen +reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden +persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius +b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene +by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai +Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven +zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of, +zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt +exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig +werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand, +die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor +Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit, +waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der +Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium +Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden +Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns +swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te +drucken" [59]. + +Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd +verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit +geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In +de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te +Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright" +eigenhandig door den auteur onderteekend: + +"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by +Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam +van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word +/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur: +hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende +hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft; +maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders +dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan +geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self +onderschreven zijn." + +Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen +werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik +vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht +melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche +boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde +meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren +voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins +langer bij stil te staan. + +In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658 +in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie +verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den +Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee +laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius, +den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring, +die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw +had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra +praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur, +fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis, +die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60]. + +Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden +van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange, +Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland +voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek, +Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft +dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, +Boeckverkoper tot Leyden." + +In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt +voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor +notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer +verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor +syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert +heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper +tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere +gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen, +daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken, +als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende +uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis +Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, +Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide +overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de +resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor +"alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude +octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden, +indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl +aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig +schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond. + +Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den +boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te +kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke +somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken +en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure +Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van +21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus +Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger +aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy +Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der +Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van +de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau +wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme, +met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel +Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van +de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier +voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons +vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam, +dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van +Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende +Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau +Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même, +blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van +voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht +daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer +geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef, +terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek +werd ingewilligd [63]. + +Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede +niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte +zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 +wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding; +m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën +toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder +correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten +aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat +daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die +deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is +getransporteerd..." etc. [64]. + +In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald +persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt +verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan +geen twijfel onderhevig. + +Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van +den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat +zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging +toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden +worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon, +of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen, +dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan +worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke, +onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men +dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden, +dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging +door de Staten een einde namen [67]. + +Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen +van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht +wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het +uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond +omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men +zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als: +"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of: +"... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus +behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik +vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval +waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari +1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van +Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost +van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van +Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze +werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68]. + +"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer +zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede +alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde +kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut +recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis, +volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie +vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook +door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde +gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend +recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door +zulk eene overeenkomst niet tot stand komen. + +De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met +de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den +schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar, +want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder +behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren +afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave +van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor +anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69]. + +Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in +het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, +ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als +auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor +meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28 +Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit +niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een +recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën +blijkt in de resolutie niets. + +Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der +privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen +in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst +en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te +verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten, +zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat +zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs +op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden, +maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons +land niet vóór het jaar 1796. + +De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen +tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens +een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en +dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën +berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk +privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot +het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt +daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig +doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen: + +"... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer, +wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest, +hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige +Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick +en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is +gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren +bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van +ons... etc." [71]. + +"Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant +'t sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven +van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum +Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge +ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren, +ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven, +als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende +dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken, +'t welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72]. + +"... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende +menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos +te maken..." [73]. + +"... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek +te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden; +maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten, +ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van +het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht +werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende +schade soude strekken..." [74]. + +Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde +boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers, +die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers +werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun, +dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te +treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen +voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd. + +In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor +o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering +gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden, +om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters +werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven, +o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80], +Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats. + +Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan +met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend +onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden, +zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van +gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's, +die begonnen waren zijne werken na te drukken [85]. + +Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de +verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander +namen, om hem te keeren. + +Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de +boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken; +in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten +tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam, +den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie +der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der +"overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser +Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel +deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van +haare Boecken geleden." + +Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden +zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich +het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke +Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht +[88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten +erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger +boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus +een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal +geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen +nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen, +so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden, +maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen +hebben" [89]. + +Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend +werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen +eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien +letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige +gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden +zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van +elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren +uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord, +zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken, +die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te +geven was vastgesteld. + +De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op +zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men +den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke +de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij +omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf +of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur, +die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene +publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder +zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het +hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt +erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit +laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een +geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden, +hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, +dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient +ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte +openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden. + +Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is +moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel +voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die +er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift +geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is +daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de +gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar +door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag +is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten +drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten. + +Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te +kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als +aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat +ik hier volgen. + +In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste +verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk +gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot +de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk +uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd, +verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt +hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat +anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing +niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk +te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave +buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs +zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium +aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90]. + +Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander +schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig +buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging, +hij noemde het: + + + "'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart, + Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91]. + + +doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien. + +Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert +Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker +braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek +gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker +het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk +uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het +is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven, +weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen, +en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar +hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar +den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging +"aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92]. + +Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der +schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat +van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde +categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden +hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht +uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan +niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den +naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te +Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften, +Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens +daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve, +of van haare Erfgenaamen..." etc. [93]. + +Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het +recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit +placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, +kan blijken uit de overweging: + +"Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op +den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te +Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve +Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare +stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van +deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als +binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc." + +Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der +Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag +of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar +werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was +en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet +is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als +een uitzonderingsmaatregel. + +Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals +bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den +auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest. + +Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen: + +"De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem +winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken, +in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen +gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van +Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer +ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te +baeren staet" [94]. + +Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets +te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze +ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan +mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus +Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin, +meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting +schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in +Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me +volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis +fucum" [95]. + + + +In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in +vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en +geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het +midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk, +ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had +reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het +privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in +den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer +veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97]. + +Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en +toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze +boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond +van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De +groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere +landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in +hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, +hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren +de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht; +de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door +geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne +geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt. + +"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig +verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten +uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken +nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98]. + +De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden +zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen +van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch +boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een +millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De +hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de +Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk +uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen. + +Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van +vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100]. + +Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in +het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen +waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers +als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk +betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs. + +De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend, +mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven +zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf, +vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat +men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan +valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van +hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor +de drukkers en uitgevers was. + +Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk +kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens +meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men +in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een +aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een +aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den +geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586, +leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden +hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest +wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat +exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken +wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate, +die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock +by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om +dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch +een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De +waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd +door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker +en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers, +die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een +aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de +auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan +sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele +gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102]. + +In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs +waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met +hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te +verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria +van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624 +o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van +U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede +te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het +kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt +wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend +schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van +den uitgever voor zich te bedingen [104]. + +De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der +Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de +toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever: + + + "En vloeit er wat gewins uit hunne rymery, + 't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen + Der loozer druckeren en hunner metgezellen; + De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt." + + +De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten +soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten +te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas, +of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een +eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff +mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een +twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers +van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks +12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de +verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten +voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde. + +Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit +het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg +voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder +moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel" +van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen +gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk +gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter, +dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan +"de arme waerde van twee zilvere dukatons". + + + +Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende +landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk +weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten +de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en +merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van +Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht +zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen: +Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant, +Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor +verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie +werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of +te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der +kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden +dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106]. + +Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen +koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius +voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in +Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde +uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van +de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook +blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende +landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]: +"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat +hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk +ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde +Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc." + +Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om +de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te +roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt +melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz", +waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes +Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte +Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog: +geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen, +en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het +voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en +Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den +"Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom +ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109]. + +In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek +tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris +in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling +gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de +Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits +Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de +Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde +verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden +difficulteeren... etc." [110]. + +Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik +niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de +Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen, +als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in +de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat +de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght, +sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het +grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te +Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan +nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn +afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds +de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond. + +Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, +dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het +nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden +zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding +tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen +van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden. + +In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten +van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij +gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe +alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière, +Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met +privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en +onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers +tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de +Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche +Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie +te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele +Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht, +dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich +(onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het +verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier +der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven, +dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert, +om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de +onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende +Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111]. + +Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in +overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de +Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in +1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren +"... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt +omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten +zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de +mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October +1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van +tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken +van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven +om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer +difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in +deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen +"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren +gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden +gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese +Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs +van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie" +aan den dag legden. + +In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland +voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt +uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt +geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule +voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal +worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het +voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar: +"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele +Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven +of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover +buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen +wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het +bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het +enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst +dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming. + +Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het +denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten, +om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende +schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te +Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot +bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle +vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het +vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis +van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke, +voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere +bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is +gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft +het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige +overweging uitgemaakt. + + + + +§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende +eeuw tot dezen tijd + +Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie +Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur +van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel +luidde: + +"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken +en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als +strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke +ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen +regtmatigen eigendom." + +In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de +provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht +had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken +en uit te geven. + +Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong +vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten, +maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door +Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs +vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele +willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat +al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten +grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt +in de geheele publicatie niet gesproken. + +Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne +erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt" +dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe +de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het +geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie +alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming, +die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen. + +Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie +nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende +waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland) +uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs +alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken +beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus +niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van +meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave +eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever +behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave, +den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat +te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd, +een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van +dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7). + +Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers +waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van +staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten +worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht +aan zich (art. 9). + +De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was +de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli +1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak; +er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die +in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens +waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de +Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij +het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf +daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere, +mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2). + +Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben +gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren +aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur +en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen +in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk +product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en +zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar +nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het +Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend +Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast +bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken, +nog genoemd: + +"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons +Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke +Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt +wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over +de schrijvers wordt geen woord gezegd. + +De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van +praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch +werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever +zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het +aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een" +(nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe +benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en +uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van +zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst +te doen... etc." + +Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het +recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men +er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver +of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op +onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De +bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet +overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk. + +De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de +inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het +gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door +de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden +in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog, +hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld, +in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs +van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de +musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des +tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht +nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2). + +Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard +Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe +van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig +jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten. + +De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het +eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur +beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na +dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug. + +De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier +afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1 +(Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en +den eigendom van letterkundige werken. + +Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche +censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter +als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het +een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die +een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken +uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins, +wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld: +"eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze +landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche +vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave +der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in +de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is +medegedeeld, werd gemotiveerd. + +Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige +aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever +eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had +te vervullen. + +Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September +1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere +wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld; +vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het +koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien. + +Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State +aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de +resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen +te hebben gediend [121]. + +Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt +volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend, +waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling, +onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd +onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5), +de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken +en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend. + +Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen +te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan +autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1). + +Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen +hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie +echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene +andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122]. + +Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of +vertaler (art. 3). + +Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene +Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen +uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig +met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van +de woonplaats des uitgevers (art. 6). + +Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken +vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met +het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige +eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken" +beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen +gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot +het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig. + +De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde +producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen +aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst +vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had +op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken" +ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten +ontkennend beantwoord [124]. + +Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en +uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren +wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver +als in den tijd der privilegiën. + +Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van +het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke +inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden +van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig +strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld., +confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den +eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste +van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren +van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk +in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat +de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos +gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen +kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt +in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen +verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was +ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid, +bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel, +om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren +tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten +onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding +berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold +of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete +betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen +van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio +moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval, +dat de nadrukker een vreemdeling was. + +In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme +en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking +van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op +de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar +na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van +laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen +natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap +of den Staat zijn uitgegeven. + +Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het +Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het +drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve +van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve +van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen +of octroijen" aan particulieren werd afgestaan. + +Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek +geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd +hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning +de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met +de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen. + +Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125] +had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen +kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet +kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit +van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van +bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of +aan particulieren verleend, ingetrokken [126]. + +Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake +bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36) +op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche +Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van +dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke +gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen +vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal +verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd +in 1871 ingetrokken. + +De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog +gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen +(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet +voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere +Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig +in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden +herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere +regeling te komen. + +In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter +vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van +toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de +Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal +is ingediend. + +In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van +de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet +te krijgen [130]. + +In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor +eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting +aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat +over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten +en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren +ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor +de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt +erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een +ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen +de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van +de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts +de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9); +dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit +bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a +Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden +op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen +(artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77). + +Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw +was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek- +en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar +van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor +mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend +recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na +de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht +uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar +verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het +auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs, +maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling +dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28). + +Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats, +nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van +zijn voorganger was overgenomen. + +In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het +algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op- +en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig +voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke +wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten, +dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder +zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die +door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet +voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde +wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht: +de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der +overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende +partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen. + +Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom +eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als +minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand, +dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den +22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134]. + +Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het +kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, +werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd +o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover +gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van +het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming +betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op +het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn. + +Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp +ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop +anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2); +de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7); +uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de +uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10). + +Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in +openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen +voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter +van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover +naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en +Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den +"intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der +auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers, +om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister +noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke, +noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt +moest worden onder de absolute vermogensrechten. + +Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats +had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een +amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn +van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd +verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay, +om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk +gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen +verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de +gewone, langere, termijn zou hebben gegolden. + +De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare +inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren +de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het +wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen +aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten +Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van +het Auteursrecht (Staatsblad No. 124). + +Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog +ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen +inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht +naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis, +ter en quater zijn geworden. + +Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering +verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de +beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen +daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke +Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van +wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting +werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit, +o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen +en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881 +gehuldigd waren. + +Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende +kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen +worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der +bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1). + +De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde +of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In +art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem +"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op +wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene +mechanische bewerking namaakt". + +Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst; +dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van +verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van +handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht +(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen. + +Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd +het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend. + +Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet +gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming +niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op +dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees +geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden +gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding. + +Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende +werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten +gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal +vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van +toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel +van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een +product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen +of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar +van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt. + +Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit +gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde +stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog +tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd +ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling +van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement, +meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe +nog steeds onbeschermd gebleven. + +Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de +materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte, +die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in +alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het +auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet +van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen +niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en +twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in +een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin +deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving +zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden +nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken. + + + + +§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht + +In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat +reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was +het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en +dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan, +hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat +bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden +als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere +jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst +in de negentiende eeuw aanvangt. + +In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats +gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming +verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar +als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, +dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt +bleef tot de grenzen van elk land. + +De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel +gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het +onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid +en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het +drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen +geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend +recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde +dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten +te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het +internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die +ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten +tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al +genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale +auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren. + +De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel, +werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen +in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen +vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen +francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche +boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld +geven [141]. + +Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom +bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers +en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden, +zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale +beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd +gehouden. + +Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken, +stonden verschillende wegen open. + +Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen +opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde +van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel +werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852, +hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken +strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond +in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging, +zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar +liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene +volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet +door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd, +dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur +niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling +was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis +niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk, +niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142]. + +Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling +van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting +slaagde men beter. + +Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen +onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van +het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard +gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en +Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk +sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met +Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met +Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten +tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858); +tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869) +en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de +volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten +in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale +bescherming medewerkten. + +Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het +eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor +het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken +ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op +internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte +der systemen, die hierbij gevolgd werden [143]. + +In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land, +waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het +land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de +wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht +werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het +proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden +om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in +combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit +moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. + +In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls +ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als +gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer +rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene +moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van +zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te +kunnen toepassen. + +Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten +te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen +waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het +uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de +daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien +hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming +te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen +die hun eigen wet voorschreef. + +Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van +belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer +eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, +o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in +1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; +ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein +der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken +op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the +codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs +tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit +de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association +littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen +der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te +verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te +werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et +artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen +gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome +in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie +een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale +Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats +te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het +door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een +ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen +Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit +Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene +diplomatieke conferentie zou worden onderworpen. + +De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te +Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der +Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was +door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, +zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde +doel betuigd. + +Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen, +die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen +op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter +zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken +van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat +van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der +verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene +zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens +het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de +toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en +letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als +resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet +in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg +of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in +den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen +wilde brengen, nl.: + +1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming +moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood. + +2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van +het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146]. + +De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door +de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de +verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht, +aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover +definitieve instructies mede te geven. + +Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz +te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen +vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en +weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor +het te sluiten verdrag tot stand. + +Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te +Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van +enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen +en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van: +België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia, +Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de +ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van +het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de +Conventie in werking. + +De Convention concernant la création d'une Union internationale +pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te +lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in +achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel, +regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen, +en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige +artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, +geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht, +doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen +afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen. + +Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk +van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend +vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de +toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien +jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling +had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar +van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling +werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het +oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was, +dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een +reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den +gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide +partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een +langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij +afzonderlijk tractaat vast te stellen. + +De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In +art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden +opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou +staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol +(no. 5) werden geregeld. + +Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling +bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende +wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen +der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien, +dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte, +die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen +tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst +herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover +in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, +dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën, +achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden, +terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste +Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na +de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893. + +Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping +was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden +genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de +Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam. + +Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was +vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen) +waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de +Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan +welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven. + +Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche +Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma +van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte +opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van +letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren +op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der +verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor +gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het +oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen, +daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet +kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu +de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd, +die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.: + +Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5, +7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en + +Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van +enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele +Acte. + +Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei +1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der +officieele stukken opgenomen zijn [151]. + +De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, +de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later +toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie +de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring, +niet de Additionneele Acte. + +De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die +ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen +toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het +auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde +echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn +werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III). + +Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede +dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming +tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft +begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen +aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie +was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en +de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel +hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit: +"dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de +aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152]. + +Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd +van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie +van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld +te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche +Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen. + +Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend, +dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot), +waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger +gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn +zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van +negentien niet-aangesloten landen. + +De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche +Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op +een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en +een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd, +waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog +van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de +reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een +voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling +in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze +officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde +memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding +vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door +verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en +wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had +op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig +herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting +aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook +van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende +Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom, +evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern +eene verzameling was verschenen [159]. + +Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op +de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der +Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten +zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En +hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen +in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp +aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen +(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed +afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van +sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen +konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel +van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken, +werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat +bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde +punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft +daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie +tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een +bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers +iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke +hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven. + +De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn +intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is +volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het +auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn +vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën, +werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde +producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen, +als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht +van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van +muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der +auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote +verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen +en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken +wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet. + +Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering +van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk +ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende +staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der +nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der +nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie +in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat +echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen +overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de +oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en +Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring") +nog bestaan. + +Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er +in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht +in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene +herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten, +die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven, +hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden +en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder +zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt +natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst +noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende +tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome, +op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918. + +Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van +nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen +der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog +zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van +versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn. + +Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen +om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk +genoeg voor om hier te worden vermeld. + +Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren +besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen +van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft +eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het +opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot +grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk +het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop +der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs +in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel +in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog +eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp +niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het, +theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers +hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een +geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers +der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen +kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de +Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op +hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat +de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan); +doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar +acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is +niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor +woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen +worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever +niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan +Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het +geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen. + +Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al +is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in +zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden +onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering +door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen +van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs) +uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds +slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het +voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere +aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik +nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te +verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst +ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen +te moeten opnemen. + + + +De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming +van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden +geweest. + +In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van +tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen +blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met +Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en +weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader +regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf +jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling +aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van +Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd +zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest +(krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld +door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring +[164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de +wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid +tot de muziekwerken. + +Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat +bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk. + +Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd +echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog +enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd, +den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167]. + +Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel +daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van +Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag +door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar +de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet +zou verwerven. + +De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt +zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog +binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen +den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1), +dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van +muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten +in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht +zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou +men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het +auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet +van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het +grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende +denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land +het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar +uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen +echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land +waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu +wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet +uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene +vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in +strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie +in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend +vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen +duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus +hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de +in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen +zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht +een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de +uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is +echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en +met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche +werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het, +m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat +de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning +van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen +hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk +verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg +hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien +van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke +Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen +[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen +geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming, +welke het verleent, in de practijk weinig beteekent. + +Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie +van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van +Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die +van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het +zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten; +het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs +als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder +bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene +nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne) +aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland +geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden +de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning +van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld +als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten. + +Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van +doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in +1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning +van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen +werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij +de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van +Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door +den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde +Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is +echter uitgebleven. + +Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was +uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd. + +Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders +van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde +der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging +gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast +vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke +vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905) +kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich +ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting +[171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt, +die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen +afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd +verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen, +is echter nooit in behandeling gekomen. + +De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk +is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk, +van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door +afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land +is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van +Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom, +Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant, +Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen +en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts +ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne +tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder +van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de +verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te +bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie +af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere +ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat +zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk +met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd +opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe +te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen +zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden. + +Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit +het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening +van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding +van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit +vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen. + + + + + + + +HOOFDSTUK II + +GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER + + +§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën + +In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke +verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het +tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging, +dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht +der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het +auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld +vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw +[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176] +nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of +intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten +invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef +ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur +van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een +eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig +van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar +onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn +te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk +vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft +men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique, +en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een +van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is +nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie +is blijven voortbestaan [177]. + +Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut +recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, +te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens +welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend +beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper +gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins +beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178]. + +Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar +een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie +van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der +persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer +zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een +boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van +den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald +[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of +althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het +auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180]. + +Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie +met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de +auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door +anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen +sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve +rechten kan worden ingedeeld. + +Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex +van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der +auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de +conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische +vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op +wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182]. + +Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie, +met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het +alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel +was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid +te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen +noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze +uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari +1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable +that we should have a supply of good books: we cannot have such a +supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least +objectionable way of remunerating them is by means of copy right" +[183]. + +Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische +beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, +toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort +overzicht moge hiervan volgen. + +De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van +Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar +oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen +des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig +belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden +aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184]. + +Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche +Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de +orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten +van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" + +Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en +Mr. J. Freseman Viëtor. + +Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk +had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht +op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd +zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut, +"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te +verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken" +[186]. + +Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting +met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had +gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde: + +"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice +den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen +kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse +der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde +de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met +economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, +nader werd uitgewerkt. + +In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel +uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging. + +De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen +van de negen en veertig stemmen. + +De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat +de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, +die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot +teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en +de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij +den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben +gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte +onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te +zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd" +vond slechts één enkelen aanhanger. + +Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en +drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: +"dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende +reproductie moet worden gegeven" [188]. + +Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er +geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in +het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting +kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, +dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen +belang" acht? + +Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische +voorlichting op dit gebied ontbreken. + +De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, +waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd +wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne +recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben +gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190] +het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde +af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans +zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef +[191]. + +Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging +het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het +Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning +van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot +van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs: + +"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met +alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien, +hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht +zal worden toegepast" [193]. + +Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote +meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten, +gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht. + +Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze +aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard, +dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht +vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend +op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij +de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort +men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het +auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk +van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland +te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend +zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het +auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is, +naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt +de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen +(auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier +te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt. + +Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons +land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen +het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het +auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is +geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan +den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen +belang" hiermede gediend is. + +Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die +zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot +uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden +stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van +het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming +te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet +eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis" +[196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede +Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar +dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend +recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige +uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het +auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang +ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt +er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in +ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch +het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde +schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken, +dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht. + +Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van +het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk +gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van +ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was, +schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere +onderzoekingen overbodig te achten. + +Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu +eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch +men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In +de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er +meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan +nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen +eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men +het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter +van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, +dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus +sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft +en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil +aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état" +[200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar +toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201]. + + + +Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het +auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland, +hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op +de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van +vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze +materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, +in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen +worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden +aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt. + +Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd +de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne +Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den +letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat +schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht, +daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler +aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat +das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende +construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk +voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier +te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter), +die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden; +de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe +behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele +eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, +wel van de zakelijke rechten te onderscheiden. + +Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag +van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische +constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik +haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in +de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens +gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche +schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel +woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen. + + + + +§ 2 Recht of doelmatigheid? + +In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne +boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of +expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht +op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een, +waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin +dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen? + +Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de +meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben +beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën, +die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt +daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht +te wijden. + +Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, +behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over +auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen +schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot +de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag, +of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de +doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor +om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt +gevraagd, wil hij niet weten [203]. + +Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver +van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo +aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen +te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen +grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich +af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het +auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat +het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang" +heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft +daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals +mr. Viëtor verscheidene malen doet. + +Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, +heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne +nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen +toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet +van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden +van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204]. + +Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig +is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet +rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet +bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig. + +Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn +onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel +duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte +recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom +behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne +nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor +den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om: + +"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen +belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, +maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk +te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de +geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie +tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen +en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar +vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo +durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den +eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat +instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet +"non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht +zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder, +dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207]. + +Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben +aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent +hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat +niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene +onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht +zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of +onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208]. + +Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde +overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en +auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, +dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet. + +In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van +het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het +recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen +kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht +zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten +noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen +te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar +het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang, +in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de +privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel +met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met +evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht +zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd +gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van +het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men +geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg +pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik +dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men +voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van +geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht +dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van +dat recht in onze tegenwoordige maatschappij. + +En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht +met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze +moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven, +dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen +zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin, +dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee +in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking +op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het +algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers, +tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste +menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook +het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen +persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om, +gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De +immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van +rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom, +d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een +reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in +beginsel van minder belang te achten? + +Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan +wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken +belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht +in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar +de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten. + +En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht +niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk +op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die +zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de +belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om +gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk +op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit +mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat +ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het +auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden, +en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen, +niet tot minder ernstige gevolgen leiden. + +Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich +op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën +in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen. + +Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het +een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt +uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van +Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders +[209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag, +of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende +te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de +instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het +algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het +Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht +door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het +volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven +tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is. + +Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde +onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe +tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de +Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, +maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als +maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet +rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten +beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig +gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des +schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben. + +Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte +verklaring op dit punt noodzakelijk. + +Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving +die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de +eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere +menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken, +maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen" +[210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende +kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen, +zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe +meewerken. + +Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene +vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke +omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij +vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene +menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote +overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal +de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen, +het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van +een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle +leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien +eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt. + +Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden +verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten, +of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende +kracht moet worden toegekend. + +Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn, +waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur +onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij, +die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en +oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan +worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn +in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang +is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, +geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met +doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is +allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden +en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen. + +Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het +rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn; +zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij +voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; +doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen +blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met +rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden. + +Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de +fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon +worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in +het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren, +is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene +instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt +daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met +de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders +is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van +den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt +bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus +zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel +werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden, +of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde +van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten, +wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212]. + +Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een +recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een +of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas; +dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met +instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop +of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch +het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt +hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door +niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze +handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal +men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in +twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of +meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van +hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder +zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan +wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen +nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem +Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie, +wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben +Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen, +auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte". + +Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een +"naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop +het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde +in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler +wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de +nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van +auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers +aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch +sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich +raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr +nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe: +"Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am +Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe +schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen +und den artifiziellen Rechtsnormen" [214]. + +Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen +aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den +nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed +vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft +hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der +jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam +maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums", +d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft +voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen. + +Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat +die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang +te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik +uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch, +doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar +de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk +zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der +Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook +nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my +anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des +geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef." + +Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard +uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel +niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, +die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij +zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien +geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel +hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch +hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des +geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk +als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden +het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat +den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit +zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om +beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men +herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat +het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande +inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet +alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen +wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren +is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen, +in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op +voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht +voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen, +een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie +te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden +uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande +houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk +belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet +kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd +worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij +op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom, +ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te +toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland +wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie +is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn +werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, +heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in +een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende +bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie, +ik word begapt!" [217] + +Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken +van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op +het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor, +het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan +men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige +scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene +natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders +toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets +anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht +wordt gehouden. + +Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de +rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner +medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen +belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden +gezegd. + +Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen +rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag +gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming +worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt +bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens +schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder +positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren +op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het: +"er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en +kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de +Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer" +de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne +tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct +of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding +dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse +der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus: +"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den +staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl +het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd +nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker, +dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon +worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden +op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"), +waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten. + +De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk +hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op +het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie, +waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden +kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts +het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar +is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, +welke ik aldus zou willen formuleeren: + +1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen +(dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en +kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun +arbeid. + +2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, +daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is +te brengen. + +De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend +recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in +kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt +in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen +wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de +wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, +dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het +rechtssysteem voor dit recht geen plaats is. + +Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door +de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is +gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, +die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den +letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders +dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het +auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren +als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar +analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom +wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als +eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt +mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; +daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken. + +Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht +hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige +rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken +door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag, +waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer, +of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht) +zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals +bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent +de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de +discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren, +dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime +uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige +daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den +eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog +op zijne medeburgers behoort te handelen" [222]. + +Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog +meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens +werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling +den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer +al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover +kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe +krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert. + +Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de +auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen, +die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, +uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, +dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en +dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze +bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan +worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk +zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op +heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is, +om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken. + +Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers +met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging +van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223]. + +Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401 +zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders +dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman +zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de +rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort, +"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop +kan kort zijn. + +Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht +om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat +slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht +ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden +"in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het +maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in +dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast +of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van +onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen +de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze +woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig +te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225]. + +Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen +geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, +is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud +slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de +bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, +is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter +niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds +toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der +auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, +als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En +dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het +hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag, +welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen +eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den +grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet +te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct +of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan +worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk +is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk +wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars. + +De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is +niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der +in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets +tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen, +die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd +zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de +tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen +van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de +middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het +auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom +niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit +deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of +het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van +een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze +richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip +de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs +de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich +van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een +verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren; +ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een +Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri +debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het +auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de +meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder +door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der +Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner +beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde +»juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, +wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij +dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te +worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht +alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk +geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een +privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding +van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen +dit te hebben gemeend. + +"Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht +romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag" +[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer +toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der +Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd +valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te +constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de +verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren +aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval +geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte +een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een +recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er, +na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of +onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere +of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was +ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het +auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus: +het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen +belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond +voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te +vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische +ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht +gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld, +of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij, +ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd +auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne +bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel +hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert +1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de +wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze +schrijver dus niet te hebben geweten. + + + +Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet +een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke +tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid +der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een +positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt, +niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan +doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze +tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling +met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het +auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats +voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets; +evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op +positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet +in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder +weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk +hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars +op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat +eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier +geen voorlichting weet te schenken. + +Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging +kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot +het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets +anders daarvoor in de plaats te stellen. + +Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te +bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn +prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht +afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden, +wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap, +welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de +leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent +tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, +dat der sociale behoeften" [229]. + +Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle, +welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende +paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische +beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de +plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een +scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden +gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men +tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels +en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht +kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen +in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de +economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar +het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te +verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen +worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste +hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de +conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande +systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht. + + + + +§ 3 Economische theorieën + +De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf, +d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen +waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische +beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor +den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke +wereld manifesteert. + +Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in +economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch +product: + +"L'écrivain, l'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que +son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion +de richesse" [230]. En: "A tous les points de vue, la production +industrielle et la production littéraire nous apparaissent donc +identiques" [231]. + +Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit +op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de +eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas--krijgt +althans pas beteekenis--wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus +in druk verschijnt. Wat nu wel "une portion de richesse" uitmaakt, +is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift +wordt vervaardigd, maar dit is niet "het voortbrengsel" van den +schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van +intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring +van den econoom. + +Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de +zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur +voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver +zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal, +wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen +plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen +recht meer op zijne schepping heeft: + +"Les lois de l'échange sont: que les produits s' échangent les uns +contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un +débat contradictoire et libre, désigné par les mots offre et demande; +que l'échange opéré, chaque échangiste devient maître de ce qu' +il a acquis comme il l'était de son propre produit, en sorte que, la +livraison faite et l'échange consommé, les parties ne se doivent rien" +[232]. + +"Ces lois sont universelles; elles s' appliquent à toutes les espèces +de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt +Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij +"lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven +wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn +aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel +kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde +wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die den +privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg aan +hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker, +zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen +moeilijkheden meer opleveren, of liever: door dit te beweren, plaatst +men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is; immers +het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom op +het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de vraag, +of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. Met +eene "economische" theorie als deze komt men dus niet verder [233]. + +Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over +het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende +argumentatie: "D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans +la pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne +tire de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la +solitude?" ..... "Il n'est donc pas besoin de savoir d'où vient +l'origine des productions de l'esprit, il suffit de savoir d'où vient +leur valeur, pour comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine +de personne. Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est à +la société seule que le droit de propriété appartient. Reconnaître, +au profit de l'individu, un droit de propriété littéraire, ce n'est +pas seulement nuire à la société, c'est la voler" [234]. + +Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. Op +dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van +locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet +afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde +streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij, +welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet +gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond +eiland voor zou worden gegeven! + +Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht +in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle [235]. Deze +schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, maar +als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene vergelijking, +niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar tusschen +wat hij noemt: "Symbolische Güter", "Güter der Darstellung und der +Mittheilung" en "Nüzliche Güter". Beide categorieën van goederen +vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het +onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan +gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen +enz.) het geestelijk element overwegend is. + +De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De +uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene +onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke +andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak +op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische +behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn, +ook ondernemerspremie) [236]. Doch zoolang het ieder vrijstaat het +uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspronkelijken uitgever +niet mogelijk deze vergelding (speciaal de ondernemerspremie) te +genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige eigenschappen +van het voortgebrachte product in het economisch verkeer. Hier komt nu +het onderscheid uit tusschen de "symbolische" of "darstellende Güter" +en de "nüzliche Güter". Beiden vereenigen in zich, zooals gezegd, +een materieel en een geestelijk element en bij beiden wordt het +geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het verschil +is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het "geestelijke") +bij de goederen van de tweede soort langzamerhand geschiedt, bij +de "darstellende Güter" echter in eens. Om een boek na te drukken +behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne arbeiders er +niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: het is niet +noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, die bij +zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de markt +bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker heeft +te beschikken over een "... mechanisch- und chemisch-technischen, +unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung, +wie derjenige des Original-verlegers ist" [237]. + +Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van +het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd +de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de +markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is +dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens +de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever +moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige +eigenschappen van zijn product. + +Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch +verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die "symbolische +Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en +premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het +best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie, +waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in +andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt. + +Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht +aangewezen: het is te beschouwen als een: "vorläufig unentbehrliches +künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs" +[238]. Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie: +het geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed, +maar de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhältniss). + + + +Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den +arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische +zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de +voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven, +vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men +daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten +vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt +met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht. + +Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie +brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch +standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten van kunst +en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband daarmede +het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een goed +maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van goederen +alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de juridische +verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een voortbrengsel +van het intellect geen economisch goed, daarom kan het nog wel object +van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van +deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen opzichzelf +zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, die aan +deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het +wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van zijne +leer schrijven: "Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber +liegt darin, dasz das Recht eben mit einem Gedanken, der aus vielen +Verwirklichungsformen sich ableiten läszt, in Beziehung gesetzt ist, +dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, dasz +es das Geistige in allen seinen Formen und Metamorphosen erfaszt und +erfüllt" [239]. + +Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie, +geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht +uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht +niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men +met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den +grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop +van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt. + +Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als +b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten +als eigendom en auteursrecht is al gewezen [240]. Doch met +dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening +gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde +staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn +is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking +hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd +bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers +de theorie gaat uit van een "vrij" economisch verkeer, waarin de +nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een "künstliches +Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze +"Distributivgerechtigkeit", welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan +zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend +en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan +dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men +nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend +het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan +daartegen geen bezwaar bestaan--er is trouwens bijna geen economische +theorie waarbij dit niet wordt gedaan--; doch bij deze instellingen, +wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het +auteursrecht. In het "vrije" verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt +neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk +te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid +een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene "vrijheid", +waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die +trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat. + +Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle, +maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met +zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het +economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op +bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische +en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk +betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor +te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij +van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen +"kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer +bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is, +evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de +rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer. + +Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt, +een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk +punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel +geestesproduct het licht te laten vallen [241]. Hierdoor wordt de +eenzijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen; +doch niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de +Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht. Volgens zijne +boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te hebben +gevonden: "een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot deszelfs +doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale +behoeften." Dat echter het "beginsel", hetwelk de economische theorie +van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig +houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen, +dan is zijne taak, den auteurs een recht van zoodanige afmetingen +in te ruimen, dat zij een even groote kans op het verkrijgen van +ondernemers-loon en premie hebben als andere ondernemers, of, zooals +mr. de Ridder het uitdrukt: "dat de verhouding tusschen het verdiende +gemiddelde loon en de mogelijke loonsrente behouden blijve" [242]. Met +deze wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en +trachte hij in het "rechte spoor" te blijven, waar vragen zijn op +te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift +het uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het +opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht +mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid +om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk +van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in +het licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing +te komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard, +zal men vergeefs in Schaeffle's theorie zoeken. + +Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar +aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van +Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als +eene "economische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met +de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen +mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best +op hare plaats. + +Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels: +"niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken" +en: "de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit +verschillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te +toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met +zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang +heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan; +het is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele +punten bestreden [243]. + +De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat +ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken, +of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een +juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van +het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te +hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in +het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne +leer geven: + +"Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) "niet gevonden +is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten +verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast +beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat +zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt." + +Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de +auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het +auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond +zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken. + +Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er +mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op +de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van schrijvers en +kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: "Onder "het loon" van +schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers +tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend +ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon, +enz." [244]. Elders drukt de schrijver zich zóó uit: "... het loon, +dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid betaald wordt, moet +den arbeider ten goede komen" [245]. + +Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het +verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede +komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht +worden berekend. + +In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens +reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip +verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers +zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars +geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering +berust dus op eene petitio principii: de "verkeerswaarde", welke de +heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de +waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene +wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom +kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het +auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten. + +Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de +theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs +al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin +die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch +wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer +Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in +staat zou stellen "juist en bepaald te omschrijven wat den auteur +toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden, +niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook +in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver, +hoe lang dit recht moet duren, enz. + +Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt +de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien; +althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij zich als +volgt uit: "Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk deel van +het loon hij" (scil. de auteur) "moet ontvangen voor den arbeid, +dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker moet +hij een deel daarvan hebben" [246]. Met deze verklaring is feitelijk +erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede had +willen bereiken. Want hoe zal het beginsel "de auteur heeft recht +op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een "veilig kompas" +kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt, +hoeveel dit loon bedraagt? + +De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne +meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den +schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product; +in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den +arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft +recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid +maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de +resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit +uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn "waarde" en "loon" +louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog +in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men +naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich +deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken +ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn +arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard +is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem +gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken, +verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met +deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men +zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de "waarde" +geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op +het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel +zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de +foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn; +doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen +recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk +verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden +zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom +maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde +van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt +gehouden dat het woord "ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt, +daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen +ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn. + +Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat +het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd +is gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de +begripsverwarring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt, +aan dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In +zijn betoog merkt de schrijver ergens op: "... wij juristen vragen +slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de +opbrengst?" [247] en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne +beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een recht +niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegenwoordigt! + +De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten; +van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde--ook +waar men met vermogensrechten heeft te doen--slechts van ondergeschikt +belang. Want het recht dient ook ter bescherming van niet op geld +waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de theorie van den +heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden; als eenig doel van +het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars +iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze overweging schijnt bij +den schrijver zoozeer overheerschende te zijn geweest, dat het +eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.l. het auteursrecht, +er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. het geval in de +beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in de vergadering der +Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, wat te verstaan was +onder "het loon" van den schrijver van een boek,--n.l. datgene wat de +verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan drukloon, papier +enz.--ging de heer Lohman na, wat "het loon" is, in het geval, dat die +opbrengst niet meer bedraagt dan de kosten van de vervaardiging der +exemplaren: "Mr Viëtor beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist +bedraagt "den kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten +voor papier, drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het +is alsof men zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen, +omdat men dan juist met de kosten "zal kunnen uitkomen!" M. i. is er, +wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en +is het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan +het boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen, +dat de fabrikant van het papier en de drukker het eerst zullen worden +betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet, +deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" [248]. + +Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd +te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met +deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers +duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver +nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie +van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor +bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend +exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven +dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is +de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht, +dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker +kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of--zooals het +in mr. Lohman's redeneering heet--hen te bewegen, met hem in het +verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een +soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten +aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte +gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt +dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten +enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen +bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn +goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven +sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die "het laatst +betaald wordt." Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over +den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die +op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen. + +Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor +anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het +product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is +niet een recht "om mede te deelen in het loon, dat het publiek bereid +is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd is" [249], maar +een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit denkbeeld moge nu in +de volgende paragraaf eene nadere uitwerking vinden. + + + + +§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed + +De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit +is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten +grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal +niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig +is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan +is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is, +ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met +hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin +ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de "makers" +bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet). + +Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van +een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een +uitsluitend recht kan dienen. + +Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn, +is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van +schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel +van het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze +had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht was, +n. l. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist zijn +noten op heeft geschreven. De eigendom--zoo werd geredeneerd--geeft +het vol genot over eene zaak; waar het dus een handschrift geldt, +omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren, +omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen [250]. + +Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet +in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift +is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts +een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare) +schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het +geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit; +het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van +het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste +is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door +middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van +het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van +het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er +meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen +van verschillende personen komen. + +In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige +wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt +en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht +van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten +het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is +zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig. + +De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een +manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich +kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien +eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn +werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar +eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering +uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van +het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke +vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven. + +Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het +recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht, +dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te +laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met +geestelijke scheppingen; dit geldt--zooals hieronder nog nader zal +worden aangetoond--niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek, +maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht +hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed. + +Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de +eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen +of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen +het begrip "geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze +theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door +werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de +voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het +voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij +moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere +materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect +waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel) +goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier +ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken +eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht, +maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën, +uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie +betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct, +heeft Kohler's Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen +eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige +rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele +goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een +afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere +zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk +een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen. + +In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort +schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik +stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige +voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert +ongeveer als volgt: [251] Als ik een boek koop, word ik eigenaar van +het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, neemt +het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook eigenaar +van kan worden, is van de in het geschrift vervatte gedachten, +doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter van een +exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige moeite geeft, +kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus meerdere eigenaars +naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het boek (in den materieelen +zin van het woord) noch de gedachten voorwerp van het eigendomsrecht, +dat het uitsluitend recht van drukken inhoudt, daar de schrijver bij +de uitgave den uitsluitenden eigendom daarop verliest. + +Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden +genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene +wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met +elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers +eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen +toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik +van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan +hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever +het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik +van eens anders eigendom. + +Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht +niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des +geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift +zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den +auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed +denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt +Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in +de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in +het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen, +dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven, +van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking, +die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer +niets gemeen heeft. + +Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht +als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen, +dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als +een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem +bestaat, moet worden gedacht. + +"Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien +Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches, +aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein äusserliches +Dasein geben und sie veräussern, wodurch sie unter die Bestimmung +von Sachen gesetzt werden" [252]. Deze gedachte wordt echter niet +zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van het +immaterieele object van den eigendom. + +De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten +en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden +van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der +eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder +beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben, +aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde gedachten +openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteursrecht kan zijn, +dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden over den politieken +toestand, die van een historie-vorscher over een of ander tijdperk +der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn van degenen, die +ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, die over hetzelfde +onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen gebruik zouden mogen +maken, behoeft wel geen betoog. Eene dergelijke strekking wordt nergens +aan het auteursrecht toegekend en daarom heeft het ook geen zin om het +te verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert [253]. + +Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden, +die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de +wijze waarop de auteur die denkbeelden in "het kleed der taal heeft +gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, de +vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te definieeren, +komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen reeds de groote +verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige omschrijving +van hetgeen men met "vorm" en "inhoud" bedoelt, noodzakelijk. Men kan +niet zonder meer de onderscheiding toepassen zoowel op een roman als +op een wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een +tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort geschriften +op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden "vorm" en +"inhoud" te hechten, beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de +schrijvers over auteursrecht wordt gedaan. Zooals die termen thans +dikwijls worden gebruikt, zijn zij eerder geschikt om verwarring te +brengen dan om mede te helpen tot eene juiste karakteriseering van het +immaterieele object van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering +van vele schrijvers, die echter wegens hare oppervlakkigheid alle +waarde mist, is b.v. de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen +den vorm; wanneer een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler +er een nieuwen vorm aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten +tegen de uitgave van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht +omvat dus niet het uitsluitend vertalingsrecht [254]. + +Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is +echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren, +schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma +beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar +wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot +bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij +in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond. + +Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen, +mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle +geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler--vooral in +zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und +sein Autorschutz--duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk: +"eine juridisch-ästhetische Studie" en gaf het tot motto een regel, +dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over +auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: "Der richtige +Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz +der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men in +dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over "vorm" en "inhoud" +heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler's +streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende +soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle +methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die +bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den +auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler's +methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog +terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men +werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang +en strekking van het auteursrecht komen, "juridisch-aesthetische" +beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut, +maar beslist onontbeerlijk zijn. + +In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar +hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden, +openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten +op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste +brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de +minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het +gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen +zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de +rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich +kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met +dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk +kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het +geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is +daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet +alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets, +die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van +auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij, +dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit +geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts +indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur +daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken, +die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis +zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen, +zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht +beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan +dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed +voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide +laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen; +doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject +op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht +in beide gevallen aanmerkelijk verschilt. + +Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik +eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip +van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene +bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt, +die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen +niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen +zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene +afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam +"eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou +moeten worden gerangschikt. + +Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen +auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen +vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver +van elkander afwijken. + +Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een +lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht +ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij +het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide +rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt, +de eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele +schrijvers--ook in ons land--reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef +hier slechts in herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij +de behandeling van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte: +"Door het auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te +willen verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn +er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles +ontbreekt wat den eigendom karakteriseert" [255]. + +Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten +slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed +aan één persoon met uitsluiting van ieder ander voorbehouden. Wil men +nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken aard het object +zij, eigendom noemen [256], zoo behoeft daartegen op zichzelf nog +geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts in het oog houdt, +dat men zoodoende aan het woord eigendom eene andere beteekenis geeft, +dan waarin het gewoonlijk in de juridische taal wordt gebruikt. In het +dagelijksch leven gaat men dikwijls met het gebruik van de woorden +"eigendom" en "bezit" nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een +goede gezondheid, eene slechte reputatie enz. bezit of dat hij eene +uitgebreide kennis zijn eigendom kan noemen, zonder dat daarbij +natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden naam. + +Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom, +zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding +te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct +den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft; +terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling +met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele +voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name +Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun +leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van +het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht +op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht, +dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden +zij het, naar het recht kat' exochen eigendom. Dat in de hierboven +vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den +streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat +hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich +bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog, +dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht, +dat tot object zou hebben "de gedachte" en tot subject "de persoon +die haar denkt." Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen, +dat een "geestelijke eigendom" van deze soort (een eigendom dus op +den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is, +welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te +wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt +is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen +de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de +publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten, +daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit +zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers +juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden +van anderen [257]. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd +tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand +beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben, +aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken. + +Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot +ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van: +uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit +mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën +met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de +uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip +eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie, +tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de andere, +geen waarde heeft. "Es ist das ein Begriff", zegt Kohler hierover, +"so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten +besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa mit den Begriffen +Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man ehedem die Dinge der +Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht +nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas als Luft und die flüssige +Kohlensäure als Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf +die Dauer nicht durchkommen" [258]. + +Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De +aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen +die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip +letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling +onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande +reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer van het +Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie +zijn in te brengen, tegemoet komt. + +Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht +de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk +bespreken. + +In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor +sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren, +zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer +beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: "... dasz aber irgend ein +Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen Vorstellung, +an einem lediglich und allein in den Gedanken existirenden Dinge +ohne alles äuszerliche Substrat stattfinden solle, das ist etwas, was +meiner Ansicht nach weder nach irgend einem positiven Rechtssysteme, +noch vom Standpunkte einer philosophischen Rechtsbetrachtung aus +zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit gedacht werden kann" [259]. + +Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag +uitdrukt: "Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op +zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later als +gedrukt exemplaar) een bestaan heeft--laat staan een lichamelijk--dat +den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegenover gesteld?" [260] + +Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten +bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel niet. Iets dat +niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht +zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord +"bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat +eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen +van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in +dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters +heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder +eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de +symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve +onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van +uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt +zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke +wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van +den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van +zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna +de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier, +inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer +exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein +voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of +meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van +de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen, +waardoor zij zijn teweeggebracht. + +Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel +en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden? + +Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de +realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons +op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen, +volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus +gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat +daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan. + +Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen, +dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig +van hetgeen "alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste +wordt onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat +daaraan geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag +worden toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke, +bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling +van hebben gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij +niet in de ervaring zijn gegeven, "maar ondersteld om de ervaring +te helpen begrijpelijk maken" [261]. De voorstelling van het "ding" +of voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen +ons niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het +ding zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest +van zijne aanwezigheid. + +Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de +grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding +bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de +eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de +overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke +dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de +door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens, +opbouwen. + +Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken +als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met +de "werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke +voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het +tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk +werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde +"ding" als bestaande mogen aanmerken? + +Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het +letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen +waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel +ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het +auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet +op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke +verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als +rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde +bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou +kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch +vrijwel algemeen geldende leer, volgens welke rechten als zaken worden +beschouwd; waardoor men komt tot de constructie van een recht, hetwelk +tot object heeft een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk +voor den geest kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht +evenmin eenige moeilijkheid op te leveren [262]. + +Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt +juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de +op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In +plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden, +(kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht +enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men +één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht +nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het +geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke +vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken, +binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch +men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag +stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan +worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle +gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen +dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen, +waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne +rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel +beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze +uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf, +dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft, +die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht +niet toelaten. + +De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken +thuis. + +Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object +heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product +van kunst of letterkunde. Doch--en hiermede kom ik tot het tweede +punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken--niet alle bevoegdheden +der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het +auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op +het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat +nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of +Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral +genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden +met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele +onzer schrijvers wordt gebruikt [263]. Onder persoonlijkheidsrecht +heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging +der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een +bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan +noemen "Recht an der eignen Person" in tegenstelling met de rechten +aan zaken en de rechten aan andere personen [264]. De objecten van +dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die +onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede, +eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer +aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens +als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen +een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht +door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk +gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den +wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken +kring is gezegd of geschreven en vele andere "onrechtmatige daden" +van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken +op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht +waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver +uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte +rekent hij de geestesproducten tot de "Persönlichkeitsgüter"; hetgeen +dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig +bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van +de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar, +dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt, +"iets van zichzelf" in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen +recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit, +dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft, +maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld +treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven, +doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur +met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband: +"eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem +Geschaffenen" [265]. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het +hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van +het auteursrecht is, aanduidt als "ein Geisteswerk, das kraft seiner +Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen +Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als +unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat" [266]. Hiermede is +moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den +auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de +mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming +te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het +auteursrecht, een "von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut" is +[267], waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen +van het "Persönlichkeitsgut" wordt losgelaten. + +Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht [268], maar een +vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand +goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals reeds +is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of minder nauw +verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten als bestanddeel +van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der +persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. Als uitvloeisel +van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men b. v. hebben +te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publicatie van niet +voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, dagboeken, +onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. Hier is werkelijk +een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. l. de vertrouwelijke uiting, +hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten bestemd, +of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de auteur zich +nog niet heeft weten los te maken. + +Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik +van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden +gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen +worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen +verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt +gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn +naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals +wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen, +in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht, +dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der +persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren. + +Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het +openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis +van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt +hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden +vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als +kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen. + +Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur +ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te worden +onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en het +auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als het ware in het +laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer onderscheiding +niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed begrip ook dáár +wenschelijk, de twee rechten uit elkander te houden. Wij hebben in +die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met een Doppelrecht te +doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming +verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog +in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht +(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht +(recht om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal +worden gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht +op eene dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis +b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en +van het persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede) [269]. Practische +beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander +recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk +kan b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht +op het door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen +het persoonlijkheidsrecht, waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook +het persoonlijkheidsrecht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht; +wanneer b.v. dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft, +dat niet tot de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er +in het geheel geen auteursrecht heeft bestaan. + +In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in +verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat +hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien, +dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben +te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking +kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan +uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen +rechtskarakter vertoont. + + + + + + + +HOOFDSTUK III + +DE OBJECTEN + + +§ 1 Algemeen overzicht en groepeering + +In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door +auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook in +verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: werken van kunst +en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt +het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep +van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als "Immaterialgüter" +zijn te beschouwen, vallen er buiten, nl.: uitvindingen en modellen van +nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde "industrieele +eigendomsrecht." + +Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten +van overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde, +nl. bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied +tegen onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en +strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men +echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk +zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling +betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de +Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen eigendom +[270]. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden behoeven te zijn, +om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo +scherp uit elkander te houden; doch naast de practische redenen, die +verschillende voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in +karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip +van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide +rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats +van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan te wijzen. + +Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin hebben +te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van industrieelen +eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver intellectueelen +arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich hebben. Bij de +meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg overwegend zijn +(zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, verzen, romans +en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet het geval is +(b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der bouwkunst), slechts +in zooverre onder de beschermde auteursproducten zijn te rekenen, +als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische schepping +vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus zijn wat +alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend verstand, +ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te pas +gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het +auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der +nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom +heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied. + +Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen +auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op, +minder gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de +grens ligt tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het +woord kunstnijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep +voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe +zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en +luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk, +meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In +de wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige +landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van +kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits +een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord hier +op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens +deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt, +voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het +aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt +men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in +enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het +ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische +kunst "quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination" +(artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze +kwestie terug te komen; hier worde slechts aangestipt, dat men door +het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden, +de moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding +tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft, +maar slechts verplaatst. + +Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot +eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht +kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen, +eenige groepeering te brengen in de bonte menigte "werken van kunst +en letterkunde". + +De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan, +waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is +de onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten, +die met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te +wekken door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster +[271] zou kunnen noemen werken der "sprekende" kunsten, omdat zij +onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens +waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord- [272] en +der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten rekenen +de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, maar met +lijnen, kleuren en figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In +deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten worden: landkaarten, +platte gronden, graphische voorstellingen, doorsnede-teekeningen +van gebouwen en machines enz., vervullen de lijnen en kleuren een +soortgelijke rol als letters en woorden in een geschrift. "Auch +hier"--schrijft Kohler over deze soort werken--"handelt es sich +um eine Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige +Anwendung der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des +Wichtigen aus der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit +und Uebersichtlichkeit entscheidend ist" [273]. Wij hebben hier dus +te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden weergegeven. + +Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard; +nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden +gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens: +gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift +worden gebracht door middel der choregraphie, een woord dat het +eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te +Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert: +Chorégraphie, ou l'art d'écrire la danse par caractères, figures et +signes démonstratifs. Ook ten aanzien van deze werken bestaat er dus +reden te spreken van eene taal, die gedanst kan worden en geschreven, +maar niet gesproken. + +Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij +daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de bouwkunst, de +verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten en +de photographie. + +Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten: + + + I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel: + + a) de woordtaal (geschriften van allerlei aard); + b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van + technischen of wetenschappelijken aard; + c) de taal der muziek (werken der toonkunst); + d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken); + + II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden + vallen: + + a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in + twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen); + b) de kunstnijverheid; + c) de photographie; + d) de bouwkunst. + + +Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder een +van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de +bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In sommige +landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische werken, +terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en de producten +der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde auteursproducten +worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep "werken van +beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter in dit opzicht onder +de beschaafde staten alleen. + +In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende +auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken +zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken +hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het +woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, teekeningen, +inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen dans en muziek +(bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); maar vooral +is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst en muziek +kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding worden +gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van elkander +blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) slechts +de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene zelfstandige +muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft gestreefd +eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander (of +door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen +van programma-muziek in tegenstelling van de dusgenoemde absolute +muziek. De band is reeds nauwer, waar de muziek als begeleiding van +het gesproken woord optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama, +een kunstvorm die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te +komen. De innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in +de vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet met +instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft, de twee +elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van elkander +te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één geheel, +zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziekdrama's +van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. Ten aanzien van +het auteursrecht is dit in verschillende opzichten van belang [274]; +in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat naast het recht +op de muziek en dat op den tekst bij deze werken ook kan bestaan een +recht op het geheel, zoodat dit laatste in het auteursrecht als een +afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen. + +Iets dergelijks is het geval met de "verzamelwerken", +d. w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen, +zooals b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze +samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste +wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit +geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp +van auteursrecht. + + + +Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin +aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die +zich in abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend +exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de +praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers, +instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke +schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de "creatie" +van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van +deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie +in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien +voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe +slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze +kunstpraestaties buiten toedoen van den "auteur" te exploiteeren. Doch +evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopierecht +heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes van +prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op werken +van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmogelijk, +dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soortgelijken aard +zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen van de laatste +jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg zijn gebleven, +n.l. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. De eerste dient, +zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, die door middel van +een naald, die op bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert, +in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale +muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden door middel van +de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven [275]. + +Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige beslissing +van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het "auteursrecht" +van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in +een phonograaf en de door hem "bezongen" rollen waren in den handel +gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door een derde +nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore +brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt +en dat het product van dezen arbeid, evengoed als een geschrift of +eene muzikale compositie, als object van auteursrecht is te beschouwen +volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870 [276]. + +Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, vooral +indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met +eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel +en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt +het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar +en zichtbaar weer te geven. + +Een Congrès de l'art théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds +den wensch uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de reproductie +zijner interpretatie zou worden beschermd [277]. Ook de Association +heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter +sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering, +i. e. w. de "aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend +recht behoort te zijn [278]. Wat dit laatste betreft bestaat er een +arrest van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt +beslist, dat aan het théatre de la Porte-Saint-Martin het auteursrecht +toekomt op de mise-en-scène van het door die schouwburg-onderneming +vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat de decors als +kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming der wet genieten, +wordt in het arrest verder gezegd: "... qu'il en est de même de la mise +en scène, comprenant les costumes et le groupement des personnages, +dont le plan général et la conception, le plus souvent réglés par un +livret manuscrit ou inprimé, sont une oeuvre de l'esprit susceptible +d'être protégée par la loi. Qu'il suit de là que la reproduction +[279], soit des décors, soit de la mise en scène, ne peut être faite +sans le consentement du propriétaire" [280]. + +Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn, +welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende +bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet +van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen, +kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder +de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het +begrip "kunstwerk" in het auteursrecht zoo ver uit te breiden, dat +daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, regisseurs +enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. i. alle +reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. + +Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft, +hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van +een kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op: +"Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Aufzügen +und Gewändern, sondern auch aus dem Arrangement der Zimmer, aus der +Gruppirung der Naturobjecte--diese ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk, +als ähnliche Arrangements im Leben es sind" [281]. Hij maakt dan nog +verder de opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij, +dat in de kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een +gobelin enz. wel als werken van beeldende kunst object van auteursrecht +kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding van het +stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt mij +voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal +zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet +de in beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een +stukje werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel +bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf, +welke zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan +dus niet als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks +de artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om +dezelfde reden vallen ook buiten den kring der kunstwerken in den +hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde optochten [282], +uitstallingen voor winkelruiten of op tentoonstellingen enz. enz. + +Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals reeds +werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in zich +hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen zijn--het +behoeft nauwelijks te worden gezegd--niet maar te beschouwen als +instrumenten in de hand van den schrijver of componist. Het ten +gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in +de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale +hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min +of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor +muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan anderen, +de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet +weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een +drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn +in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van +elkander te onderscheiden. + +In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of +reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene +uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als "... eine +Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten des Augenblicks in +Bezug auf Stimme Betonung, Ausdrucksweise;" doch dat dit nog geen +reden is om het als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook +van sommige "Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij de improvisatie) +hetzelfde kan worden gezegd [283]. Deze verwijzing naar de improvisatie +was m. i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het +algemeen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van +de "scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de +stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en +de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet +met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen +en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische +moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn, +maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking +te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken +in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken +zijn de pianist, die een hem onbekend stuk à vue in de concertzaal +zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo iets echter +niet licht te verwachten. + +Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van +meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler +opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars +niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: "Wohl aber +kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook +b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen, +denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische +Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr hierdurch +dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich die "Gunst" +des Augenblicks." + +In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel +ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht +der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen +auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat +een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping +vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken +van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij +hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog hierop is Kohler's +karakteriseering van de reproductie hunner kunst als "Nachäffung +ihrer Augenblickstätigkeit" zeer goed te aanvaarden. Ik meen echter, +dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De reproductie-middelen, +welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, phonograaf en de +"Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem +of de muziek die zij weergeven hoort men nog storende bijgeluiden, +en de rollen en platen die worden gebruikt zijn te klein, om werken +van eenigszins langeren adem zonder af te breken ten gehoore te +brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen de techniek reeds +heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, dat men ook deze +gebreken in den loop der jaren zal weten te verhelpen. + +Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal +ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der +uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het +woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift +voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars +van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon +te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar +te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar +behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het +phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt +aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven, +dan zal men niet meer kunnen spreken van "mechanische Nachäffung ihrer +Augenblickstätigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing +van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn +werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal het +principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van de +scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn vervallen. Ik +zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en spel dan +niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten rekenen, +als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende kunst. + +Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en verhoudingen, +waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen intreden +en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het zou +dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hiermede +reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voordragers, +tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen was +slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteursrecht +nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals wij die +nú hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen tijd +reeds te eng zullen blijken. + + + + +§ 2 Geschriften + + +a Kenmerkende eigenschappen + +De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteursproducten, +waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de geschriften, +juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want ook daar, waar +niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in taal voorhanden +zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare afbeelding van hetgeen +in de taal is gewrocht en geen essentieel bestanddeel daarvan. Er +bestaat daarom geen reden om onderscheid te maken tusschen de werken, +welke de auteur in schriftvorm waarneembaar heeft gemaakt, en die +welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn +werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner publiek; indien +het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler diens rol +mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al zal het +in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat hij +zijn geestesproduct--een gedicht b.v.--alleen aan den phonograaf heeft +toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk in woordtaal het +aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn +geschreven. Doch men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet +aan de vraag, of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen +zijn. Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze +tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur +bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buiten den +auteur om waargenomen kan worden. + +Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct +worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van +auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot +stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er moet +zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking noemt: +"ein künstlerisches Gebilde der Sprache" [284]. Hiermede wordt +niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de +zoogenaamde "schoone letteren" (belletrie, "literatuur" in engeren +zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben +aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke +verhandelingen), valt eene zekere "woordkunst" niet te miskennen. "Zu +den Kunstwerken,"--schrijft Kohler,--"mindestens zu den Kunstwerken in +thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch diejenigen +literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes sind, auch +diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke verfolgen: +denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der Sprache, +die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: sie ist eine +Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der Freiheit des +Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem bloszen +Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei es auch +nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. Allerdings: die +Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist nicht ästhetisch, +denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf wenigstens direkt +keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber +ist hierbei die Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die +Sprache über ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes, +sich erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und +relativ zwecklos wird" [285]. + +Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt, +b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in +gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht +geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal +zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te +zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: "eine dem ordentlichen +Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung"--zooals +Kohler het elders uitdrukt [286]. + +Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik, +dat van de taal kan worden gemaakt, het "künstlerische" en het +"nicht-künstlerische", heeft Kohler een juist en doeltreffend criterium +aan de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot +de auteursproducten is te rekenen [287]. Vele schrijvers hebben zich +met deze vraag beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of +geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd "geschrift" is, +daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de +kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke +stelt b.v. als eisch: "Um aber ein Schriftwerk (n.l. volgens de +Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merkmale +eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung +individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder: +"Es muss sich als originale geistige Schöpfung offenbaren, die so +nur aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte" +[288]. Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter +van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der +"Persönlichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem +behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor +een geschrift om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist, +al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op datgene, waar het +voornamelijk op aankomt. + +Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder +goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter +beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen +sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen, +welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver +daarvoor zijn bestemd [289]. Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk +moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid +van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, als +b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid +van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze +omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: een +geschrift, dat op het tijdstip zijner voltooiing niet "verlagsfähig" +is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen +vasten grond. + +Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt +als "vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp +van kopierecht te maken." Behalve dat het werk een "individueel +letterkundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet +onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog: +"dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een +geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat "deze verveelvoudiging +een vermogensvoordeel kan opleveren" [290]. Door dit laatste wordt +wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar +eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid +tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die +hierbij wordt gegeven [291], niet volkomen duidelijk geworden, hoe +moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel +te behalen al dan niet bestaat. + +Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch +schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de--door onze wet +beschermde--geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver +zijn "een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt omschreven +als: "product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel, +van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens +vorm of inhoud, waarde hechten kan" [292]. Op deze definitie zijn +verschillende aanmerkingen te maken. De "schriftelijke vorm" is, +zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van +een "geschrift" en had dus in de definitie niet behooren opgenomen +te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van "individueelen +geestelijken arbeid" moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de +uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk "individueel" +in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke +arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol +ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf, +die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten +slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, "wegens vorm of +inhoud" waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking +als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp +omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan +ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis +kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan +het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat +er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen, +dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het +geval is--b.v. bij de uiting van een krankzinnige--kan men moeilijk +spreken van een "product des geestes". De geest heeft zich misschien +wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben +voortgebracht. [293] Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging +van woorden en "zinnen" zonder organisch verband geen "geschrift" is, +in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse +hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had, +dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze +(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou +echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen, +dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking +komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen +aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren +ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of +weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten; +het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden, +waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of +wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing +te worden gelaten [294]; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is, +dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk +kunstmatig bewerkte taal. + +Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven +begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te verkiezen is, +omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de +auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning +van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het +voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, waar +iets is voortgebracht, waar eene schepping--of zoo men liever wil: +een maaksel--van den geest voorhanden is. De meerdere of mindere +volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; evenmin +komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe noodig +is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben wij te +maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te zijn, eene +kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of ontdekking); +en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen hebben: +eene kunstschepping in taal, "ein künstlerisches Gebilde der Sprache". + +Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene +uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede +is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed, +dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer +dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt +uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan +eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij +benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou kunnen +worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, niet minder +belangrijk dan de voorgaande, n.l. hoever reikt in elk geval de +schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal, +als het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze +vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld +vormen van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en +dus tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds +is vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het +zijne kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht. + + + + +b Vorm en inhoud + +Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over auteursrecht +met de woorden "vorm" en "inhoud" omspringen en over de geringe +waarde die daarom aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds +met een enkel woord gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker +wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel--voor zoover mij bekend +het eenige geschrift van zijne hand dat over auteursrecht handelt +[295]--zich aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen +schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op +te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van +groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen, +die zich--om welke reden ook--op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu +de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner Conventie [296]. + +Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de +uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte gedachte +tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort: + +"Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm der +gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. Er bestaat +bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of gedachte en +taal identiek ("spreken is overluid denken, denken is stil spreken"), +dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte en woord +een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend samenstel +zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van +een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te +verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt, +door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart?" + +Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte +(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden, +dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet; +bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van +het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus +tot niets. + +Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder +verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde +onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: "Door den vorm +tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud aan den vorm +ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig reeds juridisch +verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen inhoud en vorm +onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den toon aangeven." + +Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. De +vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van +auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom +wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema +gaat de schrijver nog eenigen tijd door: "... het op den voorgrond +sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor wordt +ontzield".... "Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de meening +te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om den vorm, +het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om den inhoud te doen +is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk +is voor den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener +aanstormende bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl +Apollo het aangezicht zich omsluiert?" + +Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het +auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen +hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als +een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen, +zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het +privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op +dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor de wet nog verder +dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche werken onbeschermd +laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich echter niet tot +het uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook--zij het dan in +beperkte mate--door onze wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of +het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord +gegeven: "Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke +overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht--tegen de wet +in, die ik naleven moet--prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het +beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig +zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een +staketsel van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht +van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter +hanteeren dan den degen der bewijsvoering,--het vertalingsrecht is +eene aanmatiging, een hersenschim." + +Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst +doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898 +pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft +Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist +weer met hetgeen hij erop laat volgen: "Wat hij (scil. Jodl) leert, +is: de vertaler arbeidt met zijn eigen gedachtensfeer, met zijn +eigen voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler, +op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed, +den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een +logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan +bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem, +met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien +arbeid des geestes de eigenschap van eigen te zijn? enz." + +Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen +bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van "vrije vertaling" en "bewerking" +gesproken als van synoniemen en worden beide voor "een logen" +uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien der +"vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der "bewerking" +wederom weersproken door de bewering: "nooit wordt zij anders dan +bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene "bewerking". + +Doch vooral in verband met de beschouwingen over "vorm en inhoud", +die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het vertalingsrecht +opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is eene bescherming +van den inhoud en niet van den vorm, en zou dus door Mr. Levy, +indien deze zich consequent betoond had, als het minst verwerpelijke +bestanddeel van het auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij +zien hier echter juist het tegenovergestelde geschieden. De groote +nadeelen, die uit het "op den voorgrond sleepen van den vorm" ten +koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt +Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft: "Voor "auteursrecht" +klampt men zich vast aan den vorm. Hier ontzinkt u ook deze, want des +vertalers vorm is de vorm van den vertaler. Wat blijft er over?" En +in een naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp +van Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met +een beroep op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt, +herhaald: "Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze +wet den vorm alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg, +naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom +is, wat blijft er dan, in 's hemels naam, te beschermen over?" + +Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. Wat +er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van +zijn opstel den "inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat overblijft, +als men het geschrift "het golvende kleed der zwierige phrase" heeft +uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van "klinkklank en zingzang". + +Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica in +Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt beweerd, +dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar geheel vormen +en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. Terstond daarop +wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets onbestaanbaars +zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) afgekeurd, +op grond dat daardoor de letterkunde wordt "ontzield" enz. En dit +betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling van het uitsluitend +vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument moet dienen, dat +het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van onze wet)... alleen +den vorm beschermt! Wat eerst als iets onmogelijks wordt voorgesteld +en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde is nu plotseling +een vanzelf sprekend feit geworden: "immers een blinde ziet, dat des +vertalers vorm zijn eigendom is..."! + +Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde bewijzen +en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apodictischen +toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En indien het +waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne zijde met den +"degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders +geen ander wapen hebben dan "den knuppel der lompheid", dan kunnen +deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het edele +wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen, +weinig kwaad kan, zoolang er--zooals hier--slechts gaten mee in de +lucht worden geprikt. + +Doch laat ons thans het vraagstuk van "vorm en inhoud" wat meer van +nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de verhouding +tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de wetenschap +één worden verklaard? + +De stelling: "spreken is overluid denken, denken is stil spreken" is +inderdaad door sommige geleerden verdedigd [297], doch door een zeker +niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. Dat +denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken +mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen +van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet +alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor +weerlegging vatbaar zijn. + +Steinthal [298] b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin +gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende +wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren, +en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook +normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand +wordt gephantaseerd--hetgeen ook een intellectueel handelen kan +worden genoemd--zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van +ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij +wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons +opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer +beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder +hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens, +die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen en op het +Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zichtbare teeken +dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms zelfs niet +eens schijnen te kennen. Het denken--schrijft Steinthal--moge ons +met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor; +"weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" [299]. + +Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land +[300]. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen +schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen +werkzaamheid van den hoorder of lezer. "Reeds dat schetsachtige van +alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming van +den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en spreken, +als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaannemelijk". Ook +deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht der gewoonte, wel +meestal met spreken of althans met voor zichzelf in woorden brengen, +gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog geen "denken in" +de eene of andere taal beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet +wenschen verschillende talen door elkander te mogen gebruiken, om +elk deel van hetgeen men denkt goed tot zijn recht te laten komen, +en hoe dikwijls moet men niet iets van de schakeering zijner gedachten +opofferen om de taal zuiver te houden [301]. + +En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan +te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede +[302] over de vraag: "Is denken zonder woorden mogelijk?" aldus uit: +"Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: denken +zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch iederen +dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust en onbewust +denken; alleen van het eerste kan gezegd worden dat het meestal--dus +niet eens nog altijd--met woorden geschiedt. "Dat er echter"--gaat +dr. Woltjer voort--"een denken zonder woorden is en in en door +ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls voorkomende geval, +dat wij naar een woord of naar het juiste woord voor een gedachte +of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat +wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen +daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie of op eenige +andere wijze voor het bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den +maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat wij uitdrukken willen; +passen ze niet, dan zoeken wij een ander woord, totdat wij het juiste +gevonden hebben en zeggen: dát is het. We hebben dus de gedachte, +maar het symbool voor de gedachte, het woord hebben we niet" [303]. + +Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig +zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om +op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende +rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één en +hetzelfde; met Steinthal [304] meen ik te moeten onderscheiden +tusschen den "darzustellenden Gegenstand" en de taal, die "den +Gegenstand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft +te zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd +heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm van +het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat +de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, maar +dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, dat het +niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen vorm te +vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd terugvindt. + +Het "geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt voornamelijk +bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met +hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere +woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere +gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke +schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk +zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke +vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn +blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in +ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften, +waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij +bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat +hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en +reeds uit het feit, dat men deze geschriften "onvertaalbaar" pleegt +te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het +getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal; +indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk +geschrift "vertaald" kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of +moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als +algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten +en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken, +nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels- +of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover, +dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft +weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die +aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid +en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt, +is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden +genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt +beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat +de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het +origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te +beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument +gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: "Die Fähigkeit +der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl +klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen +lebt als in seinem Leibe" [305]. Eigenaardig is het, hiernaast eene +opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der +door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot +de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en +gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt +afgeschilderd: "Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het +Latijn en in de moderne talen) "kann man sehr selten eine bedeutende +Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen: +sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen, +gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle +Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem +neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn +in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch +Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w." [306]. Wat +hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting uitkomt, is dat--ondanks +het groote verschil in constructie--toch de nieuwe, latijnsche zin +denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens +zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander +lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk +nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine +onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven, +doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept. + +Er zijn echter--zooals ik reeds opmerkte--geschriften, waarop +het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is, +n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te +zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf: +de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in +poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand +willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door de +letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens welke +bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee factoren +rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen inhoud bestaan, +die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo dit al mogelijk is, +dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, zonder eenige waarde +zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing van deze, ook voor +het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele aanhalingen van hare +meest bekende voorstanders. + +"Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in +geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der +woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van +Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, als de +dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel, +is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging verloren. Wel +een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de klankexpressie, +'t gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met de woordbeteekenis" +[307]. + +"De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van Kloos +en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der "klankexpressie", +door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de stelling dat +als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen zonder waarde +is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, dan zou er niet een +essentiëel onderscheid zijn tusschen een slechte vertaling en een goed +origineel, tusschen een schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en +het werk van Dante zelf, tusschen een leelijk fotografiesch portret +en den levenden mensch" [308]. + +"Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het minst +symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauwkeurigste +expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat melodie en +zielstoestand éénzelfde ding is. + +Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden +zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan +verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden--zoo +goed als melodieën--en enkel door hun geluid en hun rhythme kunnen +zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een woordenreeks +expressiever zijn naarmate zij minder zinnebeeld en meer muziek is. + +Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en innig zijn, dat deze +schijnen als melodieën, geen symboliek, maar zielstoestanden zelf" +[309]. + +"Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) "is alleen +op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten +hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt, +en het geluid van de klanken... Ik spreek nu gemakshalve van den vorm, +om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de +geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm +kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk +bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van +inhoud en van vorm spreken in het abstracte" [310]. + +Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen +laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat +zij grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de +dichters zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe +Gids-school bracht niet alleen nieuwe--of althans in ons land te +dien tijde ongewone [311]--begrippenover de poëzie, maar zij gaf ook +verzen, waarin het "nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren +voor hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy, +die het had over "... den klinkkank en den zingzang, onvoldragen +vruchten eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets +anders dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over +dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst +hier. Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene +verhandeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich +over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald +soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het, +dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans kunne +verklaren. Indien men als een volslagen vreemde tegenover het werk +staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te passen, +die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwijzen, welke +tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. Geen kritisch +oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in de kunstwaarde +en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag ligt. Dit objectieve +standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, welke ik over de leer +in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog te verliezen. + +Vorm en inhoud--dit kan terstond worden toegegeven--verhouden zich +in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een wetenschappelijk +geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie der taal in het +eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd +is het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te +beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen +iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen, +te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet +worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op +ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter +volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is, +maar muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel +verschil tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit +enkele der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou +kunnen worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen +uitsluitend aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien dit +waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn, +niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou, +evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden. + +Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden +geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft te +maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber [312] aldus genoemde +"naiven Lautspiele", dat zijn: "... die jenigen Lautspiele... welche +entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur als Laute +bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, dat door de +Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde "aftikken" wordt gebruikt: + + + Ene mene men + Ti tukken tukken ten + Karabutte, karabutte + Witsch Watsch + Ab, dran! + + +Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld [313], waarin meer +bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen, +is nog het volgende: + + + Thaler + Maler + Kühchen + Kälbchen + Schwänzchen + Dideldideldänzchen. + + +Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de +poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te +bereiken. De taal--indien dit woord hier nog kan worden gebruikt--is +aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter +wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede tot +uitdrukking te brengen. + +Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie, +die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken der +poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet voor hetzelfde +houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, alliteratie enz., +die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk gehoor aandoen +[314]. Het is iets veel hoogers en "geestelijkers"; in dien zin, dat er +niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering +door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel, +dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor +eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met +een voorbeeld gedemonstreerd: + +"Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverheffingen +ten einde vloeit: + + + "Als alles wat héél vèr is en héél schoon" + + +Men weet, dat als er stond: + + + "Als alles wat zeer ver is en zeer schoon" + + +de regel heel zijn leven had verloren. + +Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn +indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje "heel" is zacht van +klank en "zeer" is hard, "heel" is bekoorlijk door natuurlijkheid, +"zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht +ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft, +klinkt 't woordje "heel" alleen. + +Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen zelf +der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" [315]. + +Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische +uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de +verwisseling van de woordjes "heel" en "zeer", die in wetenschappelijk +proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan +te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot +gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt +nu nog niet, dat het woord "héél" in dit vers uitsluitend terwille +van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het +verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het +het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid) +zou ontleenen. De woorden "heel" en "zeer" gelden wel voor synoniemen, +maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis, +daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men +tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van "héél" +door "zeer" zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen +in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de +beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm = +taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). "De naakte +gedachte, het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde +gebleven [316], maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet; +de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en +zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie, +niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den +vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer +der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder "inhoud" iets +anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene "slechte +vertaling" of in een "schooljongens-inhoudsverslag" van een werk als +Dante's Comedia [317] niet--of slechts deerlijk gehavend--terugvinden. + +Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere +geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene +voorstelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide +moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den +inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen +reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den +vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens opmerkt: "... Die +darstellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het +algemeen te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van +den vorm) "ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns +auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos "darzustellen"; +ebenso wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich +wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben +für sich allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu +lösen"... "Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein +darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste +kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch +wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer +dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung kommt" +[318]. + +Nu moge het--zooals reeds werd opgemerkt--niet gemakkelijk zijn den +inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, onmogelijk is +het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet denzelfden indruk +maken als de eigen woorden van den dichter, is nog geen bewijs van +het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de vele zware +en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar vooral moet +men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische werking van +een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen alles +overwegend deel, berust op de taal, d.i. dus den vorm. De uiterlijke +welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk waarneembare +geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in de vertaling +eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht bij het +oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan het +niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minderwaardigheid +van den nieuwen vorm in vergelijking met den oorspronkelijken. + +Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de +"klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig +bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat +ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke, +onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken, +"geestelijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het +oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere +taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische +gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens +vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in +een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door +hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige +bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie +heeft uitgelaten [319]. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen, +dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit +het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die +van Prof. van Hamel noemt hij de "linguistiesch-aesthetische", die +van hemzelf de "alleen-aesthetische". Het verschil, dat trouwens +volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt +vooral hierin uit, dat de "kunstige geleerde", zooals van Hamel, die +den "linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, bij het spreken +over "klankgehalte van den volzin", "beweging van rhythme" enz. iets +anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste +uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. "De kunstenaar +zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen +vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen +en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door +de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot +het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich +tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van +den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal" +[320]. + +Die innerlijke klank, "het psychiesch geluid van den steller", +kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit in +zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te +bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst +niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen +gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der +oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan "zeker niet om +het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat +een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza +zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen" +[321]. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich +"in de beteekenis der woorden" wel eens "vergist" zou hebben, wordt +als volgt beantwoord: + +"Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen; +maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending +heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere +beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven." + +Die "andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank van +de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische verstand +niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening van van +Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel blijkt, +niet met de vertaling verloren te gaan [322]. Wat in een geschrift +alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen zin tot +een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal. + + + +Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik meen, +genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische taal +en de "klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote practische +belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. Want in +dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschriften van +anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel grootere waarden +vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd +te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende goed te doen juist +aan deze werken de meeste aandacht te wijden, omdat te hunnen +aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de grootste moeilijkheden +meebrengt en den meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne +zienswijze. Het is daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens +aan te herinneren, dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen +regel van de splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich +slechts tot zeer enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid +van geschriften, waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en +populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en +verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de +inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden, +maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal) +zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht. + +Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het +auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den +"inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene nadere +beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten worden, of die +inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping van den schrijver +kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van auteursrecht kan +zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren van den inhoud +in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene vertaling) een inbreuk +op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar met het beantwoorden van +deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding +tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog +geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één +onverbreekbaar geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te +onderscheiden, die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in +andere werken kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den +inhoud van het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven, +bestaan ook bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin +het origineel niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een +roman tot een tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven +tot een in drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden, +maar ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den +inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu +dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen, +zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van +den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn? + +Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan +worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse, +die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden +gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonderheden moeten +afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden vastgesteld, om +voor alle werken, of ook maar voor alle werken van eenzelfde soort, +gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, die reeds bestaan +of nog geschreven moeten worden, zou men moeten vaststellen, welke +bestanddeelen wél en welke niet als schepping van den schrijver zijn +aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten van letterkundige +producten, die elk toch een meer of minder individueel karakter +vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk in te zien. + +Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene +stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet +mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven +te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed +te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij het +zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de groote +verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben aangewezen +en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk systematische +behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, al moge de +toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn. + +Hij onderscheidt aan alle werken: + +1o Den uiterlijken vorm, d.i. wat ik hierboven kortweg den "vorm" +heb genoemd, dus de taal. + +2o Den innerlijken vorm, waaronder men in het algemeen te verstaan +heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt; +de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische +indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop de +gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van den aard +van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver verschillende +middelen kunnen worden gebruikt als b.v.: beeldspraak, vergelijkingen, +dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant enz. enz.). + +3o Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken +en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur +had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich +bediend heeft. + +Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men heeft +te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de schepping van +den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden uitgemaakt, welk van +de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke vorm, innerlijke vorm +en inhoud) als auteurs-schepping en dus als object van auteursrecht +is aan te merken. + +Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen hierover +reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der taal, +wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt +aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te +beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten +en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op +eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar +waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het +vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven +van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het +algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle +geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen +toebehoort. Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken +vorm is derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs +daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is, +moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop +berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den +innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden, +daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk van +een ander in zijne eigen taal. + +Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk +van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler +met dien "innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele soorten +van geschriften afzonderlijk te beschouwen. + +Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de +schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden +waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de +gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van +het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit +de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent dat zij zich +hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in +een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische constructie +of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust +enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën zoover heeft +volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder +voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen, +dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid +bestaat niet alleen in het stellen van de reeks van volzinnen waaruit +zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven aanvangt (voor een +deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of +meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de vrucht is van zijn +studie en overdenking, nog eene andere bewerking ondergaan. Er moet +gerangschikt en geordend worden; uit den overvloed van gedachten en +feitenkennis, waarmede de schrijver over zijn onderwerp vervuld is, +moet eene keus worden gedaan, en uit wat na deze schifting voor +opneming geschikt schijnt, moet nu het werk tot een zoo harmonisch +mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt het niet alleen aan +op eene doelmatige systematische indeeling en groepeering van de +onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende bewerking van die +onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en tegen-argumenten en +de conclusies, die daaruit telkens worden getrokken, moeten zoodanig +tegenover elkander worden gesteld, dat op alles het juiste licht valt; +de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk in het oog vallen, terwijl +de bijzaken meer in de schaduw moeten worden gehouden. Híer zal een +voorbeeld of vergelijking dienst moeten doen, dáár eene aanhaling +van een anderen schrijver; op een andere plaats is weer een korte +historische terugblik noodig of eene herinnering aan de wijsgeerige +beginselen, waarvan de schrijver is uitgegaan. + +Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante, +die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden, +welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst +met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van +de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het +werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van +een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op +het auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping +(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm. + +De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. De +waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen maar +ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend recht +van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, indien +dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander wetenschappelijk +vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde opvattingen +heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde denkbeelden, +ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan het auteursrecht +terecht kunnen worden verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling +der wetenschap in den weg stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd +zijn om in een economisch leerboek eene uiteenzetting te geven van +de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, van de theorie van +Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van deze schrijvers +nog auteursrecht bestond; in een boek over geschiedenis zou men geen +gebruik mogen maken van de navorschingen en archiefstudiën van anderen; +bij het maken van geographische kaarten van weinig bekende landen zou +de eerbiediging van het "auteursrecht" van den ontdekkingsreiziger +op de door dezen gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot +gevolg hebben, dat men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte +plekken op de kaart te laten of er, tegen beter weten in, volgens de +oude gegevens eene verkeerde teekening van te maken! [323] + +Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is het +object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen +datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in +dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud. + +In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming +van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud +nog niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den +inhoud. De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een +"op den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor +"van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts "om +den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de +vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft, +doch slechts: wat is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook +Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een +recht op den vorm, terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het +volgende voorbeeld: "Charles Fourier a cru devoir formuler en termes +bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de son +système. Vient un badigeonneur littéraire qui s'empare du système +de Fourier, l'expose dans un style clair, élégant si l'on veut, et +met le tout en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier qui va +mourir de faim, le badigeonneur s'enrichira. Entendue de la sorte, +qu'est-ce que la propriété? C'est le vol" [324]. + +Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden +geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den +"badigeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog +wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger behoeft +om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als auteur +iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was niet +een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men uitvindingen +van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten geschieden door +patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik reeds meermalen +gelegenheid had op te merken, niet het doel van het auteursrecht, +aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid te verzekeren. + +Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschappelijke +werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd zijn, en +niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking "wetenschappelijke +werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook voor geschriften +van populairen aard, waarvan het hoofddoel is kennis te verspreiden +of het oordeel van den schrijver mede te deelen over het een +of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over de politiek, +plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van allerlei aard, +in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen op het gebied +van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te worden gerekend. + +Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken, +waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot +de "belletrie" of "schoone letteren" behooren, dus: poëzie, +tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij deze werken is niet alleen +de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke +kern, eene aesthetische schepping, en daarom reikt het auteursrecht +hier verder dan bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien +inhoud, ontdaan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohler "das +imaginäre Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke +de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd; +datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen, +persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere +werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk--althans +elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord--zulk een streng +persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet, +maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat "Imaginäre +Bild"--tenzij men één bepaald werk op het oog heeft--iets meer te +geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier--nog meer dan ten +aanzien der wetenschappelijke geschriften--blijven bij het aangeven +van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te weten +te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den auteur behoort. + +Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere +werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke, +ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en +gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit +het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke +b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint) +of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk +de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals +Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan +eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping +is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere +schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in +elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal +zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend +recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den +uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende +arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf +geene aesthetische waarde heeft. "Wer nichts thäte"--schrijft Kohler +dienaangaande--"als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von +zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich +so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser +fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt, +sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht +Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" [325]. + +Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en +innerlijken vorm, het "Imaginäre Bild" dus, in een roman of tooneelspel +bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In het +algemeen kan men m. i. wel met Kohler [326] aannemen, dat het de +karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen en de +schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel, +hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen +die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld van +het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch +zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop +te wijzen--wat Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen--dat niet +alleen iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men +kan bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en +een eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven +karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en +dramatische werken [327] min of meer toepasselijk zijn, meer dan +eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet zijn, +daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te werken. + +Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever +de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor +de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven; +de vraag nl. of het zoogenaamde "dramatiseeren" van een roman, +d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd +de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op het +auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kán zijn een bijna +woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker er +zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn helden +in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalingsteekens +behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats daarvan de +namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben, +terwijl misschien hier en daar nog eene verschikking of samenvoeging +van enkele tooneelen noodig is, en de "bewerking voor het tooneel" +is gereed. Dat men door de uitgave van eene dergelijke bewerking in +strijd komt met het auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier +behalve de inhoud en de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel +of althans voor een groot gedeelte is gestolen. + +Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke +als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard +der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een +roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen +door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische +beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig +en ethisch gebied. Hij is niet--althans niet zoo absoluut als de +drama-schrijver--aan tijd en plaats gebonden; hij kan desverkiezend bij +sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder vrees den dramatischen +loop daardoor te verstoren. + +De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele +werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange +uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door +de woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen +worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den +inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening te +houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin +niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten +noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende +personen, die tot typeering van hun karakter of ter verklaring +hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter geschikter +plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere +wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden +en de historische gebeurtenissen, die op het stuk van invloed zijn, +door andere middelen moeten worden afgeschilderd. Verschillende fijne +schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in den roman had weten +te doen uitkomen, zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden +gemist; doch daar staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding +op het tooneel effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet +kan geven. + +De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier +slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk +uit groeien, dat niet "rammelt" zooals de technische uitdrukking +luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere is +geworden. De bewerking gaat niet dieper--behoeft tenminste niet dieper +te gaan--dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, die uiteraard +in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de karakters en +hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde zijn gebleven, +daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal hebben, dezen zoo +gaaf mogelijk weder te geven. + +En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag +gevonden. Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als "inhoud" heb +gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien +dus niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue, +aan den roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling +en de atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven +of opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den +oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan +immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker +daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven. + + + + +c Practische toepassingen van het voorgaande + +In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, wensch ik +thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van auteursrecht +betreffen, meer uit het oogpunt van de practische toepassing door +wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens zullen hierbij ter +sprake komen: + + + I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object + van auteursrecht te zijn; + II Het recht van den vertaler; + III Het uitsluitend vertalingsrecht; + IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht. + + + +I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om object van +auteursrecht te zijn + +In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga +bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording wordt +overal overgelaten aan den rechter. + +Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en +besproken [328]; het is in het kort dit, dat slechts dáár van +auteursrecht sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt +aan te wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde +of belangrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven. + +In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin +gevestigd. + +Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets +anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken, +geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als +"geestelijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende +exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van Richard Wagner) +doet aan hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige +omstandigheid [329]. Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen +"Schriftwerke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's, +die eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden +gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen, +enz. [330]. Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor +het houden van kantoorboeken [331] en van prijscouranten, die niets +anders bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor +zij te koop zijn [332]. + +In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de "écrits" welke +de wet op het auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen, +die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de Commerce +van Brussel 20 April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1 +Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866) +en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor +soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets +had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden +(Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) [333]. + +Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. gewezen +ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen scheikundige +analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging en +berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen industrieele +onderneming [334]; mededeelingen omtrent rechtspraak en administratie +(Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische nieuwsberichten +(Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 [335]; Hof van Cassatie 18 Maart 1908) +[336]; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een +sportblad gepubliceerd [337]. Ten aanzien van een postzegelcatalogus +nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán +auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als "créations de l'esprit" zijn +te beschouwen, "à raison de la conception esthétique ou scientifique +qui ressort de leur plan général, de l'érudition qui se dégage des +appréciations ou observations, même sommaires qu'ils contiennent, +ou tout au moins de l'originalité qui imprime un caractère personnel +à l'ensemble de la publication" [338]. + +Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen +van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd +gemotiveerd: "Attendu que le catalogue des oeuvres d'art exposées +chaque année au Palais de l'industrie constitue, à raison de son +importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire +susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale +relativement importante, enz." [339]. Nóch de belangrijkheid van +dezen catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd, +nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde, +maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven +zin. Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het +juiste beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan +niet eene "création de l'esprit" aanwezig is. + +Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen +bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In +Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege +de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen, +auteursrecht bestond [340]; en dat niet als object van auteursrecht +waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een +dagbladartikel was samengesteld [341]. In Engeland werd ten aanzien +van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar +alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp +van auteursrecht is [342]; ook ten aanzien van een prijscourant eener +machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist [343]. De Zwitsersche +Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen: +een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren van +aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte [344] en eene +alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting te Zürich +[345]. In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan uit, +dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestesproducten +(opere dell ingegno) in den zin der wet op het auteursrecht, daar +hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden [346]. + +Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer zouden +zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen [347], +valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch +andere richting heeft gevolgd. + +Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van +den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het +auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te +Leiden in 1891 [348]; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene +lijst van predikbeurten [349]; door het Hof van den Haag en den +Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der +Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam [350]. In geen dezer +gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven +bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door +den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend "stadsnieuws", nl. de +vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats, +waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken bestond +het "auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, met +de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Godsdienstoefening +zou worden gehouden. + +Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet geen +onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften, +en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene +"letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 Nov. 1892 W. 624) +óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad van 29 April 1895 +(W. 6647) werd uitgedrukt: die welke "blijvende wetenschappelijke of +letterkundige waarde" missen. Wat met de eerste uitdrukking wordt +bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat ik over de juistheid +of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf uitspreken. Met +de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist beginsel +uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige waarde van een +geschrift moet bij de vraag, of het al dan niet een auteursproduct is, +niet in rekening worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd, +dat een lijst van predikbeurten tot de beschermde geschriften +behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis +van het woord "auteursrecht" zal moeten inzien, dat hier nóch een +auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam in +zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam +(die het blaadje "de Kerkbode" uitgaf) als rechtverkrijgende van het +ministerie van predikanten bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente +aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde lijst van predikbeurten +kon voorbehouden. Volgens deze constructie zou dus het ministerie +van predikanten de auteur zijn van ... de regeling der preekbeurten, +welke die predikanten onder elkander hadden vastgesteld! Waarin hier +de auteurs-arbeid van deze vergadering van predikanten bestond, is +moeilijk te zien. Zij beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke +kerken zij den volgenden Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping, +ook al vraagt men niet naar blijvende wetenschappelijke of +letterkundige waarde, was hier ver te zoeken. + +Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere +uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd +gegeven. M. i. volkomen ten onrechte. + +In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van +"letterwerken"; het woord "geschriften", dat in de tegenwoordige wet +daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel van ruimer +strekking zijn en ook "geschriften" als de boven bedoelde omvatten +[351]. Dit verschil van beteekenis kan ik echter niet inzien en in +geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der beschermde +producten uit te breiden door het woord "geschrift" te gebruiken in +plaats van "letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de +volgende zinsnede uit de memorie van toelichting [352]: + +"De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking heeft, +stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel +voorkomen; echter is het min gebruikelijke "letterwerk" door het woord +"geschrift" vervangen." + +Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord "geschrift" +eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk en Duitschland +het woord "Schriftwerk" en in België en Frankrijk "écrit" hebben. In +het gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten +en een programma van feestelijkheden "geschriften" noemen, dit is +nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór alles in het +oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt in eene +wet tot regeling van het auteursrecht, en dat alleen die geschriften +bedoeld worden, welke eenen auteur hebben. + +Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet, +die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud +van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van +"berichten of opstellen"; van welke werken het auteursrecht wordt +erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus, +of dit woord "berichten" ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige +mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als +scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord +worden gegeven als boven ten aanzien van het woord "geschriften". Niet +in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in +de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt, +aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den +wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling +is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp +kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman +bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd, +dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen +wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: "Er +zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen +stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde, +bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet +wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen, +dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd +stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk +zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make." Hierbij werd dus +blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen +van feiten bevatten, in 't geheel niet gedacht. Zonder tot verdere +gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna +overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij +de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen +doen vermoeden, dat aan het woord "berichten" een ruimere strekking +werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt +uit: "Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse +couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal +ik niet terugkomen" [353]. Deze opmerking werd echter gemaakt toen +artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit +dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij, +wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf. + +Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt +van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene +wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen, +het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven, +dat het woord "berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen, +doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen +tot het erkennen van een "auteursrecht", dat in geen enkel opzicht +dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling: +"auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen boven +de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder eenige +beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: "An den durch Telegraph +berichteten Worten: "Paris ist ruhig" oder "5% Rente = 99 1/4" kan +aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge derselben +Autorrechte beanspruchen" [354]. + + + +II Het recht van den vertaler + +Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn te +beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne +vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In +bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk +in de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat +"met auteurs worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne +vertaling". + +De "gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk +niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen +gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk +was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm [355]; +het object van zijn recht is--zooals trouwens ook onze wet heel goed +doet uitkomen--niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. Op +den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht doen +gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde geschrift +is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten vertaler. Evenmin +kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling weer eene +andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. Wat dit +laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde meening +over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte van hunne +vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver voor, dat de +vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig artikel 5b, het +uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van zijne vertaling +in andere talen kan voorbehouden [356]. Dit zou echter beteekenen, +dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij +part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het +Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde +weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze +laatste geen Russisch kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling +bepaald noodig had om zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan +nog kan in de uitgave van deze Duitsche bewerking niet gezien worden +een exploiteeren van het werk van den Hollandschen vertaler. Immers +wat de bewerker van de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft +ontleend beperkt zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den +roman, tot die bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der +Hollandsche vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken +Russischen schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk +worden beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel +hieromtrent is naar mijne meening--ook wanneer alleen rekening wordt +gehouden met wat onze wet bepaalt--volkomen uitgesloten. Alleen "de +vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is voldoende om +de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden. + +Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze +juiste grenzen gehouden, getuige het "regt van praeferentie," +dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland +van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van +1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch +werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift +kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze +gepatenteerde rooverij een einde [357]; doch de feitelijke toestand +komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er +bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter +bevordering van de belangen des boekhandels, volgens welke elk +lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen +commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland +uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven, +door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt +aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna +alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de +eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk +werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796, +1803, en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt +als rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand, +waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen +des boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878 +dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring +van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de +uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het +recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch +alleen het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende +regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van +de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming. + +Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem--het is reeds +herhaaldelijk gezegd--niet het minste recht op dat boek zelf. De +rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder +diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele +verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen +vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene +exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het +oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud +daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver +bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling +in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren, +en daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze +toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht +des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de +vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. 6) +werd het recht van den vertaler alleen verleend voor "rechtmatige +vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalingen, die niet +in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijke +werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door erop te wijzen, +dat het niet aangaat den dief te beschermen [358]. Dit argument gaat +hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt +van het werk van een ander is nog geen reden om hem het recht op zijn +eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft hij niet gestolen en het is +dus geen "bescherming van den dief" hem dit te laten behouden. Men wil +toch niet, dat iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn +van zijn buurman steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt? + +Het heeft bovendien geen zin te spreken van "rechtmatige" +vertalingen. De vertaling zelf is niet "rechtmatig" of "onrechtmatig"; +wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden +gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk +nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene +vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer +het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn verstreken, +of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn verkregen [359]. + +Beide rechten--het recht van den vertaler op zijne vertaling en het +uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk +werk--dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De vertaler +en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein en +onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er +bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij +bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing +zou kunnen komen. + + + +III Het uitsluitend vertalingsrecht + +Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel +geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en +de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden +ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking +van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht, +ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral +terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals +algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting +van ons land bij de Berner Conventie beheerscht. + +Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het +vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door +zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan +de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan +op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de +publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te +beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld +bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De +vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken +schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke +laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften +van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den +auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten" +door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook +reeds voldoende weerlegd. + +En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers, +waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer +betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het +vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste +uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken +vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel +uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal +wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking +mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken +schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne +taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder +er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden, +dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is, +is mij een raadsel [361]. + +Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt +genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan +de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen +zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen +worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de +vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee +heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt +mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend +vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die +bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft +overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den +oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren, +mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het +zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te +zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij +hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen +hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de +auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde +geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt, +de objecten van beider rechten in zich bevat. + +Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde +argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener +vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder +hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave +van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke +uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar +zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen +vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen +te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan +Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van +François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald, +het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk +was toegenomen [362]. + +De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat +men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur +voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel +te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd +gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter +debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het +feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van +den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat +indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel +bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening +kan worden gebracht. + +Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht +vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste +argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In +overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij +gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers +heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der +auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met +de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo +wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt +taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet +kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het +uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest, +dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend +vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan +het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder +in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote +schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren, +maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder +de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor +hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den +oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel +uitgesloten is. + +Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet +zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in +het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs, +moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn, +hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het +volk in zijn geheel. + +Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en +zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in +deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene +onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen, +dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden +ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen, +die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan +vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het +bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de +erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven, +dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers), +die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde +onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van +de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik +hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer +die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden +hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens +een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik +afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig +bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen, +dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden +geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht +is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de +erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen +te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden +de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men +alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op +de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het +gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in +het buitenland verstoken blijven. + +Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten +rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid +zijn erop terug te komen. + +Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de +verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen +en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld, +geleidelijk aan het verdwijnen zijn. + +In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover +eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een +bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland +(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle +andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen +het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs) +en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang +als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een +zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave +eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van +29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg; +in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen +tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere +landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo +Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar). + +Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een +afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden +duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van +het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der +vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk +verschijnt. + +In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht +nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan +worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen +tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt +voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar +in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het +auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met +het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de +Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de +Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een +onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg +te zijn geruimd. + +Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is +overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang +kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner +Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886 +werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien +jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de +Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien +van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de +auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl +eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft, +zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen. + +Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is +gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle +opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de +tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het +aanmerkelijk besnoeid. + +Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave +van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen +voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na +de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze +voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf +jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16 +2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken +staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk. + +Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht +heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken, +die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen +niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich +het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed +als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig +bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat +het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef +is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit, +dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke +schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene +vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al +een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te +vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door +eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf +jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek. + +De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het +bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der +internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste +beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere +voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen +gelijkstelde met elk ander auteursrecht. + + + +IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht + +Het "bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteursrecht +tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. Indien +de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan het +geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, evenals +den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch aan den +anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van +het oorspronkelijke werk te ontzien. + +Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden: +het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den +auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van +bewerkingen van zijn geschrift te verzetten. + +Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van +den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven +eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken +auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien +van het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht, +geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat, +dient de rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der +bewerking, waarmede hij te doen heeft. + +Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen hieromtrent +in. + +De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming +tegen "Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig: +het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een +tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit recht +staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien daardoor +"eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§ 13). Deze laatste +bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of de bewerker al +dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest hier m. i. geheel +buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van belang is, is of hij +de schepping van den oorspronkelijken auteur in zijne bewerking heeft +overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt niet uit. Overigens +wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in de Duitsche wet +goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne bewerking. Dit +laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk bepaalt, dat bij eene +"Bearbeitung" de "Bearbeiter" als auteur wordt aangemerkt, evenzoo +dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling. + +Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkingsrecht +bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van de +wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, dat +plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur toebehooren +en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk inbreuk op het +auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een tooneelstuk eene +bewerking te maken voor eene muzikale compositie, ook als de titel en +de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd, +het onderwerp van een roman of ander geschrift te gebruiken voor het +maken van een tooneelstuk (art. 68). + +Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het +"onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij +gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd; +evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het +overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In +sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden +beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met +de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht +van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar +het persoonlijkheidsrecht. + +De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan +vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië, +België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. De +rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen +te staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten +bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen: +wat is als de schepping van den auteur te beschouwen?--om langs dezen +weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al +dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en +daar min of meer getrouw toegepast. + +In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 [366] werden +bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor +ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen +inhielden: "... le résumé fidèle et l'analyse exacte des livrets +et pièces..." en dat daarin waren weergegeven: "la substance de ces +oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les +situations, les personnages... etc." Hier valt--zooals men ziet--een +streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schepping aan te +wijzen, die--ook zonder dat de tekst woordelijk was nagedrukt--in de +bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in +een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897 [367]. De bewerking +in kwestie was hier een roman, getrokken uit het tooneelstuk La Tour de +Nesle van Alexandre Dumas en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard: +"... Que le sujet, le plan, son agencement et ses développements, +la marche de l'action, le groupement des personnages et les mobiles +qui les font agir, les passions qu'ils ressentent, les sentiments +qu'ils expriment, apparaissent également dans l'original et dans +la copie servile qu'ils en ont faite," en even verder: "... Que si, +dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les défendeurs +ont ajouté d'innombrables incidents..., ils ont, du moins, pris toute +la substance du drame... etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof +van Appel van Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna +dezelfde bewoordingen motiveerde [368]. Wat de Fransche rechter hier +"la substance du drame" noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's +"Imaginäre Bild" [369]. + +In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken +van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op +het auteursrecht aangemerkt [370]. In Engeland is alleen het laatste, +("novelisation") verboden [371] en om die reden verzette dit land zich +in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling +in de Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren +den auteurs zou worden voorbehouden [372]. In 1908 op de Conferentie +van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen +staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt [373]; wel een +bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt. + +Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land +is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze +wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het +auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten +in een Themis-artikel werd uitgesproken [374], berust hierop, +dat de woorden "geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder +onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voorkwamen, +zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde +wet zou dus alleen verbieden het "in denzelfden vorm" weergeven, wat +ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de +volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede +Kamer gemaakt: "Het geldt hier niet het regt van denken, maar het +regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden." Er is +echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde +woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander +verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht +op mondelinge voordrachten [375]. Doch ook al was dit niet het geval, +dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning +van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken +uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken +inderdaad niets meer waren dan "gedachten gehuld in een vorm", zooals +het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden +waren: óf alleen "gedachten" uit het werk overnemen (wat volgens +algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren +in denzelfden "vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging. + +Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde +uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met +de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van +toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond +voor deze meening. Men leest daar [376]: "De in de tegenwoordige +wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen "geheel of +gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of +inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid +zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den +auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een +gedeelte daarvan boven twijfel te stellen." + +Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van +toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift +van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig bewerkte +compositie van eens anders muziekwerk als nadruk te beschouwen is, +werd in beginsel als juist erkend, doch alleen daarom niet in de wet +opgenomen, omdat men geene formule ervoor wist te vinden, die niet +in de practijk tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk +wordt dan verder gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten, +in elk geval te beslissen "of er werkelijk inbreuk op het regt van +den componist gemaakt, of zijn werk geheel of ten deele door den druk +is gemeen gemaakt of uitgevoerd" [377]. + +Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt erkend, +dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het auteursrecht kan +zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op soortgelijke +wijze als muziekwerken "bewerkt" kunnen worden, wel niet voor geheel +en al uitgesloten hebben gehouden. + +Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het +uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In +het eerste geval betrof het het tooneelstuk "Zwarte Griet", waarvan +zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene +bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver +van het oorspronkelijke stuk met dit laatste "wat betreft handeling, +verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin +voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst +had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af; +alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren +woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den +Haag aan [378], dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel +had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk "Zwarte Griet" doch +niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou +hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als +inbreuk op het auteursrecht beschouwd. + +Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het +vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking +is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor--voorzoover +dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden +afgeleid--dat in dit geval inderdaad door de bewerking geen inbreuk +kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker had nl. het +oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne +bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk in de dagbladen +waren verschenen. Langs dezen weg kan--dunkt mij--niet veel meer +uit het stuk zijn overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn +hoogst enkele fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening +der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet +ingegaan op de principieele vraag, waar het mij hier om te doen is, +nl. of volgens ons recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en +hoever dit recht zich uitstrekt. + +Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen +over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van +de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 [379] en een arrest +van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 [380]. + +Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer +hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk +inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De +schrijver van een tooneelstuk "Krates", getrokken uit den roman van +dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoeringsrecht +daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem aansprak wegens +het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe bewerking +van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van de +eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: "dat de inhoud van het +tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den aanvang der maand Dec. 1888 +heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige wijzigingen, +als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde tooneelstuk +"Krates". De rechtbank wees dit aangeboden bewijs van de hand als te +weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde +de vordering ontvankelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de +motiveering van dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het +inbreuk maken op het auteursrecht door middel eener bewerking niet +uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte +opmerking, dat de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden: +"behoudens eenige wijzigingen" zelven zouden erkend hebben, dat het +door ged. opgevoerd tooneelstuk "Krates" niet hetzelfde was, als het +in de dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.: + +"dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te denken +heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander; + +dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot +een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur +en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als +geheel waardeloos zou zijn." + +Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den +inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden +het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: "dat +vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op +gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt +op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat de +inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou +zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht +der eischers." + +Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet +geheel blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te +onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in +de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping +van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk +in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid, +die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist. + +De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneelstuk +vooral "op aankomt", maar wat daarin als de schepping van den auteur +is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat de laatste +zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat "al ware +ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, +daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan +het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste +uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank +onder den "inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping +van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo, +omdat die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van +Maurik, den schrijver van den roman "Krates". Het blijkt echter niet, +dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van +Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen. + +Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde +den geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100 +als schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats +overwogen, dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der +bewerking genoegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij +het opvoeringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te +goeder trouw was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist +toe; het laat echter de vraag over het al of niet bestaan van een +uitsluitend bewerkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting +tot schadevergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis +afleidt. Het is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken, +of dit argument bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de +beslissing in denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking +door een derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende +het opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten +had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, dat +"al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere +verschillen, door de opvoering van de eerste op het uitsluitend +opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waarmede dus +duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de meening van het +Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad; doch de argumenten, +die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat +beide bewerkingen "in hoofdzaak overeenkomen" werd hieruit afgeleid: +"dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden roman, en dat +daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen voorkomen". De +onjuistheid van deze redeneering springt in het oog. Het auteursrecht, +dat hier zou geschonden zijn, was het auteursrecht van den schrijver +der tooneelbewerking, niet dat van den romanschrijver. Er moest +dus onderzocht worden, of de tweede tooneelbewerking bestanddeelen +bevatte van de eerste, die niet aan den roman ontleend waren. Want +wat in beide bewerkingen uit den roman was overgenomen, daarop kon +de bewerker geen uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door +den romanschrijver was overgedragen. Van een dergelijk recht (een +uitsluitend recht dus om van den roman "Krates" van Justus van Maurik +eene tooneelbewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake. + +De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de +rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een vast +systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de theorie +over "vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze +gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen. + +Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak, +dat nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan van +een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel geheel +uitgesloten achten. + +Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht +van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er +herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk "Krates" getrokken +was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin een reden +werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den schrijver +van het tooneelstuk (van den "bewerker" dus) in twijfel te trekken. + + + + +§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten + +In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds +op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan, +die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend, +omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard +zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden, +hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om door hunne schoonheid +kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of technische +aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar dat de +rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken kan +worden met die van de woorden en letters in een geschrift. Evenals +deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne beteekenis +uitsluitend aan hetgeen zij "voorstellen". Men denke b.v. aan eene +aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere groen is +geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door +kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding +van het menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk +bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz. + +Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan aanduiden +met den naam "technische en wetenschappelijke platen en kaarten", +en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- en zeekaarten, +anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en +technische teekeningen, schematische voorstellingen van allerlei aard +enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht +toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die +der geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen. + +In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk +genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van: +"solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche +nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind"; +de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: "dessins géographiques, +topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et +autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en Noorwegen +vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet (art. 1) noemt: +"natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, bouwkundige plannen +en andere teekeningen en afbeeldingen van dien aard" [381]. + +Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest, +dat er werken bestaan, die hoewel geen "geschriften" zijnde, toch zeer +nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet behooren tot de +werken van beeldende kunst, waarvan men het auteursrecht later in eene +afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men volgde daarbij het voorbeeld +van Duitschland, waar ook twee wetten op het auteursrecht bestonden: +die van 1 Juni 1870, "betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken, +Abbildungen, musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken" +en die van 9 Jan. 1876 "betreffend das Urheberrecht an Werken der +bildenden Künste". De "Abbildungen" van de Duitsche wet van 1870 werden +in onze wet (art. 1): "plaat- en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze +van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede in de memorie van +toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat +het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige navolging heeft +gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed bewust geweest van +hetgeen hij deed, toen hij de "Abbildungen" niet bij de werken van +beeldende kunst, maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der +bedoelde werken werd overwogen, of de grond der bescherming, die men +ervoor wilde verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien +der geschriften of van dien der kunstwerken [382]. Men kwam tot het +eerste op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn +weergegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een +artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn "zu belehren". In § +43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als: "geographische, +topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische +und ähnliche Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke +nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit blijkt wel, dat men +op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog had en +dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst eenerzijds, +de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar stelselmatig +heeft getrokken. + +Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding +hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd. + +In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp +het auteursrecht regelt van: "schrijvers van letterkundige werken, +benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant, +insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". Met deze +laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de "plaat- +en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt: "Uitgesloten zijn de +voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan +de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt +... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke +wet" [383]. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen +der werken--zooals die in Duitschland was gemaakt--dus geen spoor. Het +eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan +niet "voorwerp van den boekhandel" uitmaakte. Daaruit laat zich ook +verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van § +43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun +hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos, +misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden "plaat- +en kaartwerken", die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen. + +Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet moet +gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft ook reeds +tot verschil van opvatting aanleiding gegeven. + +In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat +de wet niet spreekt van "kaarten en platen," maar van "kaart- en +plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens [384] +en Mr. van de Kasteele [385] aannemen, daaronder gerekend kunnen +worden losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij, +wat Mr. Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt: + +"Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wetgever +ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica +en spraakgebruik juist is): een boek met platen, evenwel met +deze restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij" +[386]. Met uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den +minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging +strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie +van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht +dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij "aan letterkundige +werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen "een +voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar +deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom +ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men met deze +uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe +een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin +in den handel had gebracht, moest toezien, dat deze straffeloos werd +nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper "niet één ets had laten +maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende +kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes +aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke +plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille, +voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als +door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaatwerk had +tot stand gebracht." + +Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige +onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in +het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur +moet worden aangemerkt van een "plaat- of kaartwerk". De werken van +beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de +bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk +in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze +werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is +verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen +"auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten +tot een "plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van +auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van +het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché's--al of niet door +hemzelf vervaardigd--verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den +drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen [387], is +er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt, +en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening +van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt: +"het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk" [388]. Juister ware +echter geweest "gedrukt" in plaats van "door den druk gemeen gemaakt"; +want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier +niets ter zake. + +In vele gevallen zal dus de auteur van het "plaatwerk" een ander zijn +dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar deze +laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet behoeft hunne +toestemming door den samensteller van het plaatwerk niet gevraagd te +worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat van schilderijen, +teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toestemming van +den auteur reproducties te laten maken, om daarmede een boek te +illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als samensteller van +een "plaatwerk" door onze wet tegen verdere reproductie beschermd! + +Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te +rechtvaardigen, dat de uitdrukking "plaat- en kaart-werken" in onze wet +niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral +noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht +op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat +deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de +grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar +redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het +Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking "plaat- en kaartwerken" +in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het +Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar +aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene +mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze +wijze een "plaatwerk" tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens +de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten [389]. Ook +de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de +W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen +aanleiding kunnen geven. + +Welke de werken zijn, die in plaats van de "plaat- en kaartwerken" in +de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is hierboven +reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met welke termen deze +werken in sommige buitenlandsche wetten worden aangeduid. Vooral +de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navolgingswaard, omdat +zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken zijn bedoeld, +uitsluit. Ook de--hierboven niet door mij aangehaalde--bepaling van +§ 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de "Abbildungen" ook +behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden nagevolgd. Er +bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, voorzoover zij +overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische afbeeldingen, +hiermede niet op ééne lijn te stellen. + +Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik +spreek nu niet meer over de "kaart- en plaatwerken" van onze wet, maar +alleen over de "technische en wetenschappelijke kaarten en platen", +waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) aan +den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen +object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat +kan putten--b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig +menschelijk of dierlijk orgaan--is gemeengoed en moet door ieder vrij +benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt, +het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al +waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van +den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde +goed bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften, +uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze +van den auteur. Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op +zich zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn, +zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde +methode om iets graphisch voor te stellen of om een landschap in +kaart te brengen. Waar van den vorm als object van auteursrecht wordt +gesproken, wordt daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan +een concreten inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet +in het vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode +om die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur +is slechts hij, die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die +dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt. + +De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede +aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene--al of niet door den +auteur gedane--technische uitvinding. In dat geval kan natuurlijk +die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit dan +geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de kaart +of plaat. + +Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische +afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding, +dat m. a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te +brengen. Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het +eene bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop +bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen +betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van +uitvinders-recht kan zijn [390]. Ook hier valt dus de onderscheiding +tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te maken, +indien men maar de objecten van ieder recht goed uit elkander houdt. + + + + +§ 4 Werken der toonkunst + +Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat zij +beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot uiting +te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en zijn +slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer +te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van +beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien. + +Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en +geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten +aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt, +is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen, +waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een +geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk +hunne werking uit op den hoorder. + +Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziekstukken +en geschriften in verschillende opzichten van belang. + +Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor +mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke +oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft +als zoodanig aanspraak op auteursbescherming. + +De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met +de taal, die als "voertuig der gedachten" ook practische diensten +bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal +vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit +hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht +te zijn. + +Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik worden +gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vingeroefeningen +en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. Daardoor verliezen +deze werken echter niet hun karakter van kunstschepping. Het komt +mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler doet, signalen niet tot +de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij voert hiervoor aan, +dat zij buiten den kring der kunst staan [391]. Dit betreft echter +m. i. niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt +gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch +gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om +er langer bij stil te staan [392]. + +In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk voorwerp +van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een belangrijk +verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van den +componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn +vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als +bij geschriften. Bij geschriften kan men "vorm" noemen de taal, en +"inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt [393]. Doch omdat +de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onderscheiding +tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt uitgedrukt, +niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, gebruikt +als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de muzikale +aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook onmogelijk een +stuk muziek "in andere tonen" weer te geven. + +Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen aan +een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking te geven. Om +te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op het auteursrecht +wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit welke bestanddeelen +een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding van worden gemaakt +op soortgelijke wijze als ten aanzien der geschriften is geschied. + +In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie, +instrumentatie, rhythmus en dynamiek. + +Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime, +beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de +combinatie van tegelijk klinkende tonen. + +Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan +te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en +eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale +gedachte uitdrukken [394]. De onderscheiding is, zooals zal blijken, +ook voor het auteursrecht van belang. + +Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten +gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten +is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van +vocaliseering. + +De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in +tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden. + +Dynamiek eindelijk is de klanksterkte. + + + +Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele +melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat +men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd +uit een of meer motieven of thema's. Deze kunnen echter niet als eene +schepping van den componist worden beschouwd. Zij bestaan uit slechts +enkele noten in niet meer dan een of twee maten die geen zelfstandig +geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen voor eene verdere +muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten b.v. de twee +eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de +bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste +maten van het Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen [395]. + +Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord "motief" +niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, waarin het +eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De "Leitmotive" +b. v. in de muziek-drama's van Richard Wagner zijn bijna alle tevens +melodieën, en niet maar eenvoudige thema's zonder zelfstandigen +muzikalen zin. + +Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in +het--zelden voorkomende--geval dat de geheele compositie uit niets +anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar ook +wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer uitgewerkte +muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene regel af te +leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te beschouwen het +overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook al zouden +daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn gewijzigd. + +Meestal bestaat--zooals gezegd--eene muzikale compositie niet uit +ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de bewerking +van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een scheppende arbeid; +dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waardevolle elementen van +een muziekstuk te danken. + +Met het "bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmoniseeren, +d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele +tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische +bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer +op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware +dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie, +bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan +ondergeschikt blijvende begeleiding. + +Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende wijzen +geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, hetzij +homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ontleent en daaraan +een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets dergelijks als de +bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan gezegd worden--al +is het in eenigszins anderen zin--dat hij aan een bestaanden inhoud een +nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook ten aanzien van het auteursrecht +soortgelijke gevolgen in. De bewerker heeft aan den eenen kant het +recht van den oorspronkelijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder +vergunning van dezen laatste zijne bewerking niet exploiteeren; aan den +anderen kant vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat +ook door den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien. + +Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op zichzelf +object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel: +de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve +onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht +op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig +voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster +hieromtrent opmerkt: "... an den Harmoniefolgen, der Modulation als +solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast als +an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können bei +ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen eintreten, +sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird daher +keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individualität +des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben Art in den verschiedensten +Werken vorkommen kann" [396]. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen +zijn de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën; +harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de +kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk +maar eene abstractie. + +Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje van, +hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de eerste +maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene andere, +doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad nieuw +muziekstuk doet ontstaan [397]. Minder juist is echter de beschouwing, +die deze zelfde schrijver daarna laat volgen, waarmede hij tracht +aan te toonen, dat het bovengenoemde beginsel in sommige gevallen +uitzondering zou kunnen lijden, dat dus een recht op de harmonie op +zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. Dit zou nl. dán het geval +zijn, wanneer eene eigenaardige harmonische bewerking is gegeven aan +eene melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteursrecht +kon uitmaken. Het woord melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in +den ruimen zin van: opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie +in den engeren zin is--zooals hierboven betoogd is--altijd als een +muzikale schepping en bijgevolg als object van des componisten +auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen, +die op zichzelf niets uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen +componist zouden kunnen toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld +een neerdalende chromatische toonladder, welke de "melodie" uitmaakt +van een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde +bedrijf van "die Walküre" [398]. Daar hier de melodie geen voorwerp van +auteursrecht uitmaakt, maar wél de eigenaardige harmonische bewerking, +die Wagner er aan gegeven heeft, kan men volgens mr. Viotta in dit +geval spreken van een auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit +is in zooverre juist, dat eerst door de harmonische bewerking een +auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt +te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht +zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde +wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door +n.l. dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere +melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel +nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op +Wagner's auteursrecht zou uitmaken. + +Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de +instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het +orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die +zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner en +in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige +ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft +weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie +een organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die +werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die +daarna onder de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij +de eerste conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de +middelen, waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels +voor den geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin +een organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie +van den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor +aan de aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen. + +Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke +instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt +natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt +het maken van "transcripties" of "arrangementen", d. z. bewerkingen +voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan deze +bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; Kohler noemt +ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een letterkundig +werk den uiterlijken vorm [399]. + +Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den bewerker +van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft na het +voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is aan den eenen +kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant zou de exploitatie +ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken componist inbreuk +op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder niet op te wijzen, +dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie of welke andere "vorm" +ook, op zichzelf geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus +vrijstaan, eenen componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor +nieuwe instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen, +mits natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke +muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen. + + + +Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de +verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten +aan te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht +der componisten reeds genoegzaam afleiden. + +Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder +begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de +melodie dus in den engen zin van het woord, als eene muzikale +compositie is te beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is +opgebouwd. Daaruit volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van +een ander is overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden +geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin alleen +het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang +met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's +of melodieën van andere componisten [400]. Wij hebben verder gezien, +dat ook het harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den +scheppenden arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht +toekomt aan hem, die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen +gelden, eene oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven +en zelfs aan hem, die niets anders gedaan heeft dan een bestaand +muziekstuk opnieuw te instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd +werd, geen recht op de harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch +een recht op het concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering +of instrumenteering tot stand is gekomen. Natuurlijk geldt ook hier, +dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, die hij uit het +werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel +heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit +piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen +van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of voor andere +instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie uit het +stuk wordt overgenomen. + +In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig +zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna +nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt +overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen +heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk +wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen +of vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien +worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die +dan in de "bewerking" worden afgewisseld door meer oorspronkelijke +stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende +vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën, +potpourris, parodieën enz. + +Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren; +daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas +moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een +oordeel uit te spreken. + +Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard aan +het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de beoordeeling, +of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit eens +anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is gepleegd, +de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor ontstane +nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden genomen. Er +zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelijke muzikale +composities, ware meesterwerken aan te wijzen. Door verschillende +schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die Bach, +Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven. Dit is +echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor geoorloofd +te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog beschermd +werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting [401], dan +zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts +eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht. + +Ik meen dus--om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene nadere +omgeving dan de bovengenoemde--dat een werk als de bekende +Piet Hein-Rhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie van het +oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen +is als eene "bewerking" van dat lied en dat de exploitatie ervan +zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat diens +auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook de +groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe +harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie. + + + +Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van de +hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de Duitsche +wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht toe, +uittreksels (Auszüge) uit hunne werken te maken alsmede bewerkingen +voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12, 4); voorts verbiedt de +wet elk gebruik van een muziekwerk, waardoor eene melodie aan het werk +wordt ontnomen om aan een nieuw werk ten grondslag te worden gelegd +(§ 13 lid 2). Ook in de wetten van Spanje en Italië komen dergelijke +bepalingen voor. De Italiaansche wet van 19 Sept. 1882 stelt met +reproductie gelijk: bewerkingen voor verschillende instrumenten, +uittreksels en geheele of gedeeltelijke omwerkingen (adattamenti), +behalve wanneer een motief uit een werk tot thema wordt genomen +voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale compositie (art. 3). De +Spaansche wet van 10 Jan. 1879 verbiedt het geheel of gedeeltelijk +overnemen van melodieën met of zonder begeleiding, hetzij bewerkt +voor andere instrumenten, hetzij voorzien van een anderen tekst +of in eenigen anderen vorm, dan die welke de auteur eraan heeft +gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van +laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene parodie geen melodie van +het geparodieerde stuk mag worden opgenomen (art. 65). + +In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, die +zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts dán +kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan gegronde vrees +bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen worden +toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziekstuk +in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou worden +aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in deze +materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk +uit te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene +wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden. Er kan +hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde zinsnede uit +de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten duidelijkste blijkt, +dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad, het maken van +bewerkingen van muziekstukken zonder toestemming des auteurs in alle +gevallen vrij te laten. Er is dus, nog minder dan ten aanzien der +geschriften, eenige reden om de erkenning van een bewerkingsrecht van +auteurs van muziekstukken in strijd met de wet te achten. Daarom meen +ik ook, dat de hierboven ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens +ons bestaande recht in allen deele toepassing zouden kunnen vinden. + + + + +§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes + +In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken verstaan +tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een geheel of +gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten tekst. Het +eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door eene +samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen +geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren +bij elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang van +woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of +operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één geheel te +beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om deze +werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als +één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende bestanddeelen +bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen woorden en +een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van het +auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De moeilijkheid bij +het bepalen, wat in elk geval object van het auteursrecht is, bestaat, +zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk +in de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden +gemaakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel +gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch geheel +vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding te maken +tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat de tekst is +in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen woord te worden +vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding gemaakt, dan is voor +'t overige op elk der twee bestanddeelen van het dramatisch-muzikale +werk slechts toe te passen, wat hierboven over de geschriften en +de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het moge op zichzelf, dus +afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige waarde hebben of niet, +valt onder de regels die voor alle geschriften en in het bijzonder +voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b.v. niet vertaald mogen +worden zonder toestemming van den auteur; evenmin zal er een roman of +novelle uit getrokken mogen worden, tenzij het natuurlijk zelf eene +dramatiseering is van een bestaande roman. Eveneens zullen, wat het +muzikale gedeelte betreft, de beginselen toepassing kunnen vinden +die hierboven over het auteursrecht der componisten zijn ontwikkeld. + +Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan +een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit +is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens +de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van +den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te +oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster +b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een +componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen +bezielt en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet +kunnen beschikken [402]. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid +uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt +blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken, +die niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist +te dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer +liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval +schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans +geschriften gerechtvaardigd. + +Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn +werk door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt +uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend +zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval +kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen +van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten +maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men +door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke +werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou bemoeilijken--zooals +Schuster schijnt te vreezen [403]--meen ik te moeten betwijfelen. De +componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming +van den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat +deze toestemming bijna nooit--en in 't bijzonder niet aan talentvolle +componisten--zal worden geweigerd [404]. + + + +Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de +dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk +niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten +zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook +de niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en +tekst bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat +echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der +dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken +niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het +verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer +voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken +slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden) +wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale +werken niet aan deze voorwaarde is gebonden [405]. Onze wet bevat +ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim toe; +uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet; +opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het slechts +voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15). + +Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de +niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik +hier in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel +aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de +genoemde rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan +bij de vraag, wat in den zin der wet onder een "dramatisch-muzikaal +werk" te verstaan is. + +Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera's en operettes, +werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd; +men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die wel +dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg +zijn bestemd, zooals oratoria en cantate's, tot de dramatisch-muzikale +werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van niet, op grond, +dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit moet hier, +volgens hem, den doorslag geven: "da das Recht, und somit auch das +Urheberrecht als äussere Ordnung seiner Unterscheidung äussere Momente +zu Grunde legen muss" [406]. + +Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale +ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor de meening, +die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus het +al of niet "dramatische" van een werk naar zijne meer innerlijke +eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden beoordeeld) al +evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de vraag meer van +opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler o. a. deed. Deze +redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet maakt (zijn betoog +had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu vervangen door die +van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische muzikale werken +is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed bescherming +verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te verdedigen als een +overgangsmaatregel, zoolang tegen een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht +van muziekstukken nog practische bezwaren worden gemaakt, die echter +bestemd is te verdwijnen (in dit opzicht heeft Kohler goed gezien); +en zijn slotsom is deze: "in Zweifel ist darum ein Musikstück als +dramatisch-musikalisch zu betrachten" [407]. + +Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking +"dramatisch-muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar +in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoorende +worden genoemd [408]. + + + +Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen +en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling +tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken +kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel +aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven +drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die +door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna +door niemand meer ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern +tot voorbereiding van de internationale Conventie werd dit door den +Italiaanschen gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken: +"... il ne s'agit pas seulement de protéger le libretto, qui n'est +qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un accessoire, mais +aussi l'action chorégraphique, qui est une création de l'auteur. Le +chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste: il crée le sujet; +il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les tableaux, les +couleurs; la suite, l'intrigue, le développement des pantomimes +et des danses, qui expriment le drame fantastique, mythologique +ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre d'art, +et l'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre, +il y a donc lieu de protéger l'action chorégraphique" [409]. + +Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat +dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen, +zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping +vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals +wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te +rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden +gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt +aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen, +waarvan den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren +hiertoe vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid, +vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen +of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken +[410]. + +Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de +auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het +choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In +de tweede plaats--en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer +gebruikelijke middel zijn--door eene beschrijving van de standen, +gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime +optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve +deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren +van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp +hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste +bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een +middel in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te +stellen. Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats +treden van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers +enz. Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de +vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk +hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de +aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer +en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette "drama's" +en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes +in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden +gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere +soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam "drama" voor deze +werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch niet ontkend +worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote verscheidenheid +der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest verschillende +plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich +leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking te brengen. + +De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën +beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard, +dat niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf +vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is +van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der +oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het +opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij +door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kinematographische +afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor +dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig +in elkander zijn gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans +eenigszins een dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen, +die zich in de werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp +van een uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende +personen zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen +die ze in beeld bracht. + +In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig +proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had +in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen +van door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder +zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek +vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank +toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische +afbeeldingen als werken van beeldende kunst beschermd waren en dat als +auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden aangemerkt, +daar deze het was geweest, "qui a disposé d'abord son sujet, ses aides, +ses instruments; qu'il s'est assuré de la mise en plaque, c'est à dire +si le point important de la scène à reproduire se trouvait bien dans +le centre du verre dépoli; qui a été en un mot le principal auteur +des films" etc. [411]). Doch "la scène à reproduire" zelf werd niet +als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene +operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als +wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht +kan daardoor niet worden gevestigd. + +Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal +voor den kinematograaf vervaardigde "stuk", wordt, voorzoover mij +bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven +of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij +hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner +Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval, +waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond +(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden: +"Apparitions de la très Sainte Vierge à Bernadette") werd het bestaan +ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a.: + +"Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur artistique +qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être assimilée aux +oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible +d'interprétation, purement mécanique, ne saurait être l'objet d'une +représentation dans le sens donné à ce mot par la loi des 13-19 +Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal; + +Que, s'il est exact de prétendre que l'agencement et la composition +des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le +mouvement dont sont douées les projections cinematographiques n'est +pas dû soit à l'auteur, soit à des exécutants, mais bien à la machine +spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est obtenu, etc." [412] + +Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte +nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni +1903. Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel, +maar eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter, +in bepaalde volgorde gelegd, eene soort van "dramatische" handeling +lieten zien, op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen, +als een kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij +o.a.: "... qu'il existe entre les dix scènes de la composition un +enchaînement qui indique la pensée de l' auteur; qu'en outre, la +position des personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie, +leur attitude précisent et réalisent cette conception; ... qu'on +n'a pas cherché à reproduire les traits de telle ou telle personne +déterminée, mais à figurer par une série de petits tableaux une idée +que la mimique des personnages fait comprendre; que sans rechercher +quel peut être le mérite ou la valeur artistique d'une telle oeuvre, +il est certain qu'elle bénéficie de la protection de la loi du 10 +Juillet 1793" [413]. + +Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien +prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht +erkend. De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank +inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie +van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van +de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor +andere personen geposeerd hadden. + +Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in het +erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht werd +beschouwd, was niet veel meer dan "une idée" in den zin, waarin ons +woord "idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende gedachte, en niet +eene schepping, die aanspraak geeft op auteursbescherming. Het vonnis +geeft overigens een eigenaardig staaltje van de vrijheid, waarmede de +rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bij het interpreteeren van de +wettelijke bepalingen op het auteursrecht. Met het oog hierop meen ik +ook te kunnen zeggen, dat er tenminste in dát land geen speciale wet +noodig zal zijn, om de bescherming, die in de voorgaande bladzijden +werd bepleit (voor de stukken nl. die aan den kinematograaf hun +aanzijn hebben te danken), daadwerkelijk in te voeren. + +Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even +groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes, +waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale +werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk +uitgesloten. "Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er niets +anders overblijven dan ze te rangschikken onder de "tooneelwerken", +waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie zou men +echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, te ver +overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de bedoelde +werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening zou daarom +het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede en derde lid +der Berner Conventie, ook in verband met eene aansluiting van ons +land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling verdienen. + + + + +§ 6 Werken van beeldende kunst + +De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle +kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de +stof is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van +het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende +kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift +of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat--wat men zou kunnen +noemen--: de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld, +door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers, +tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift +(letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping +door symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar +daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet, +zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom +kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend +kunstenaar is. + +Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden +kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf, +heeft dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een +schrijver of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een +kunstwerk, het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de +verwerkelijking, ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt +gemaakt. Doch men moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst +de schepping van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk +voorwerp, waarin de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is +niet aan dat ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk +aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van den schilder +ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering +van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk +voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van +meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan, +dat beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen +richten. Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het +oor worden waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd; +de werken van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien, +hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een +bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de ruimte. + + + +Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is--het +zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd--niet het lichamelijke +voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichamelijke +schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten +wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmiddelen +die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschouwelijk te +maken. "Wir müssen,"--zooals Kohler het uitdrukt--"von der concreten +Darstellung abziehen einmal die äuszere Form (d. w. z. het procédé: +krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) müssen uns daher +vergegenwärtigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in +verschiedenen Kunstformen wiedergeben" [414]. + +Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn +recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is +het gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden +kunstvorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder +wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren +worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. Dit +is b.v. het geval met etsen en houtsneden; elke afdruk die van het +door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene even +volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd is +men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspronkelijke +cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, die zóó +getrouw het origineel weergeven, dat slechts door deskundigen het +onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, waarvan +het zeer moeilijk is eene reproductie te maken, die volkomen met +het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan men zich +wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsvermogen gaat, +in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het gekopieerde +vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën niet [415]. Doch +dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aangenomen, is ons hier +genoeg. In de practijk, d. w. z. in de practijk van het auteursrecht, +komt het er niet op aan, of men met eene gebrekkige kopie heeft te +maken dan wel met de meest volmaakte, die zich denken laat. + +Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunstvorm +hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. Naar eene +schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene krijtteekening +worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der chromo-lithographie +worden gereproduceerd, enz. enz.; al deze reproducties of kopieën in +andere kunstvormen zijn min of meer volmaakte en min of meer getrouwe +verwerkelijkingen van de oorspronkelijke schepping. + +Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beeldende +kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, eenigszins +nader te karakteriseeren. + +Het begrip "beeldende kunst" staat--er is reeds op gewezen--algemeen +vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening hierover, of tot +de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van auteursrecht, +ook gerekend moeten worden: photographieën, werken der bouwkunst en +de producten van kunstnijverheid of toegepaste kunst. Over deze drie +categorieën van werken zal ik hieronder afzonderlijk nog spreken; +ik laat ze daarom voorloopig buiten beschouwing en neem dus het woord +beeldende kunst in de meer enge beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk +gegeven wordt. + +Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede +eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe +behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische +scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene +innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken. + +De grondslag--of zoo men wil: de inhoud--van elk werk van beeldende +kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze +ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien, +die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden +iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van +beeldende kunst te doen [416]. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets +anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende +kunst karakteriseert als: "Darstellung einer Weltschöpfungsidee" +[417]. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken, +kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst +is, dat het "iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. datgene +wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan, +kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch +waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid +na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is +eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking +van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is +b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel +geen werk van beeldende kunst [418]. Evenmin zijn als zoodanig te +beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling +hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid +nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de +poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan +den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor +realiteit te laten doorgaan, vreemd. + +Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil +zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen, +beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid +is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en +zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou +kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de +herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of +teekening, waarvan niemand kan zeggen "wat het voorstelt", is niet +als werk van beeldende kunst te beschouwen. + +Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van +volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het +oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit +is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt, +en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring +zal behoeven [419]. + +Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden +kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat? + +Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt +niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet +aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te +geven (wat--zooals wij gezien hebben--in den tijd der privilegiën wel +voorkwam) [420], zal nu wel nergens tegenspraak ontmoeten. Dit geldt +niet alleen voor portretten, landschappen, stillevens enz. maar ook +voor de zoogenaamde genre-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige +tafereelen, waarbij het tafereel op zich zelf eene--zij het ook geheel +uiterlijke--beteekenis heeft [421]. + +Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al +is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter +iets anders dan wat ik hierboven noemde de "innerlijke voorstelling" +van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van +de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op +dezelfde wijze behandeld worden. + +In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken +kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij +den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij +den ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk +leiden. Kohler spreekt te dien aanzien van "die individuelle Weise, +in welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise +gebildet hat" [422]. Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en +door verschillende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt +hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten +verwantschap met dat van anderen toonen. + +Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud +zijner schepping noemen. Zij is het "imaginäre Bild",--de "innerlijke +visie" zou men hier zeggen--die in verschillende vormen aanschouwelijk +kan worden gemaakt. + +De "vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een +uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken +in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z. de wijze waarop +de verschillende onderdeelen worden gerangschikt, op den voorgrond +of op den achtergrond, in licht of in schaduw worden gezet, zóó dat +zich daaruit één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het +bijzonder de begrenzing van het stuk [423]; zoo kan bij landschappen +of zeegezichten de hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel +een belangrijke factor zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een +menschengroep kan worden verhoogd, door de figuren, die zich aan de +uiteinden bevinden, slechts voor de helft te doen zien, zoodat zij +uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen [424]. + +Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft +te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van +compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls +beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een +andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de +definitieve verwerkelijking passend wordt geacht. + +Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, +d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel, +crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus +voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden +arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid +bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor +de schilderkunst: het is dikwijls vooral de "manier van schilderen" +waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch +ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne +persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld +twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen, +dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die +natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze +der twee kunstenaars. + +Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden +kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke +voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat +hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met: +melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen +ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten +opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat +zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld. + +Object van auteursrecht is--zooals altijd--alleen datgene, wat de +schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke +werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken +en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de "innerlijke +voorstelling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit +een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in +een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een +schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening +enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie +wijzigingen zijn aangebracht. + +Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken +of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of +het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt, +wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van +muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan +dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming +gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een +andere ets wordt gemaakt. + +Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de +abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in +verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen +van den stijl of de "manier" van een ander, voorzoover dit op nieuwe +onderwerpen wordt toegepast. + + + +Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven +behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische +beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in ons land, +en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat in +andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende +kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene +bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag +daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de +Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw +oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een +groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige +bespreking ervan af [425], en bepaal mij tot eene enkele opmerking, +die met mijne hierboven gehouden beschouwingen verband houdt. Deze +opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, dat aldus luidt: + + + Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, + op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door + eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht, + bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk + toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 + bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet. + + +Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een +ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de +voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten +zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu +in het volgende even te wijzen. + +In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die +reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is, +waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de "mechanische +bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar +het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van "werken +van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn, +dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een +natuurtafereel of van personen níet beschermd zou zijn. Een redelijke +grond hiervoor is niet aan te wijzen [426]. + +Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt +verleend, indien de reproductie "op wettige wijze" is gemaakt. Dit +beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt +op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit +recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming +heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het +oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden +voor, om alleen de "wettige" reproductie te beschermen. Ik kan hier +verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van +het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler--is daar +betoogd (p. 179)--heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of +zijne vertaling al dan niet "rechtmatig", d. w. z. niet in strijd met +het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver, +is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het +recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het +oorspronkelijke werk. + +Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit +de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling, +dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor op zijne +reproductie) duurt: "tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht +op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft". Vooreerst +is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht op +oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) hier +misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd met een +beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten aanzien van het +recht van de vertalers op hunne vertaling: "de duur van dit recht is +echter hier op tien jaren en dus veel langer dan dat van den vertaler +op zijne vertaling gesteld ... enz." [427]. Duidelijk blijkt hieruit, +dat men het recht van den vertaler verwarde met het uitsluitend +vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan +den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van +dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens +welke het auteursrecht op de reproductie even lang duurt als dat op het +oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter +wille van den auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den +navolger van een wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan +hem, die een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De +oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg, +daar dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt. + + + + +§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst + +Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met +de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf +tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel +eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk +dezer onderwerpen--en in het bijzonder over de kunstnijverheid--zou in +verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter +om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet +meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid +niet achterwege meende te kunnen laten. + +Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder +meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van +kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen. + +Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste +groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische +afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen, +plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere +voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze +categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van +beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere +beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen +object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij +of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet +van een "werk van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen +omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een +ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de zoogenaamde +"zuivere kunstwerken" [428]. + +De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel +beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze +werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar +zij niets in beeld brengen. Zij missen een "geestelijken inhoud"; +hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid, +die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe +zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens +geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten, +handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen, +boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk +enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste +landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat +zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is +in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze +tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht +te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn; +ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van +oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet +met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen. + +In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het +auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de +laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van +9 Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902; +in Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er +echter nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en +industrieelen eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp +getrokken kan worden [429]. + +Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit +vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter +aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van auteursrecht +op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook over +bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht worden, +daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk heeft +doen gevoelen [430]. Of volgens het Ontw. B. K. dat in het algemeen +spreekt van "werken van beeldende kunst" ook enkele producten van +kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag, waarover getwist +zou kunnen worden. M. i. zou men zich hierbij moeten houden aan de +begripsbepaling, die ik hierboven van de werken van beeldende kunst +heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenscht zijn, +dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duidelijker uitspreke. + + + +Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan, +of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare +producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van +beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft, +hier over deze vraag in beschouwingen te treden [431]. Iedereen zal +het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn +is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor +is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van +het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel +gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met +behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat +het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven +onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij +het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen, +die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat +iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al +"bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn +echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat +de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie +het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het +volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En +waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft, +dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar +bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden +kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen. + +In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën +worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde +producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin +niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit +blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan +dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan +voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen, +Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging +of het eerste verschijnen. + + + +De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij +heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken +niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls +wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker +een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog +niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een +afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men +bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische +schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs +toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel +uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen, +rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in +de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu +ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél +de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming +van het auteursrecht te onthouden. + +Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het +argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was, +daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze +mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht +op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het +auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de +"technische en wetenschappelijke kaarten en platen" waarover hierboven +in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op de reproductie dier +teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud (d. i. dus hier: +de schepping van den bouwmeester) is object van het auteursrecht +[432]. De bouwkundige teekening is niet de verwerkelijking van het +bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, die tot de verwerkelijking +in staat stellen. Het onderscheid tusschen auteursrecht op bouwkundige +teekeningen en dat op de bouwkundige werken zelf bestaat dus hierin, +dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid geeft tot reproductie +of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen het uitsluitend +reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het recht, het gebouw +naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het eenmaal uitgevoerde +gebouw weer op andere wijze, b.v. door photographie, te reproduceeren. + +Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan +worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden +gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken worden met +name onder de auteursproducten genoemd in de wetten van: Duitschland +(art. 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover zij met een +artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 Maart 1902 +[433] en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de bouwwerken, +voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder de bescherming +der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In België bestaat +het recht volgens eene vaste jurisprudentie [434]; in Spanje en Italië +is het twijfelachtig [435]. + +Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der +bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten. + + + + + + + +HOOFDSTUK IV + +OMVANG EN DUUR + + +§ 1 Omvang + +Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als +een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed, +nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit +sluit--zooals daarbij reeds werd opgemerkt--het beginsel in, dat den +auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de +economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent +tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het +recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie +waartoe het geestesproduct zich leent. + +In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk +op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door +het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het +geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op +andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken +van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid; +ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen +en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den +materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke +schepping van den bouwkundige. + +In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen, +uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer +blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het +geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt +voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel- +en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van +proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van +kinematograaf en phonograaf. + +Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel +noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het +auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen +vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in +het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende +werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit +uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat +b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht +of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat +hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen, +evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp +van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook +in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem +genoemd met opvoeringsrecht, die dan als "bijzondere" of "afgeleide" +rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht +(kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de +verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht +iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer +in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets +anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te +oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen, +zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden, +enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een +uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende +bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den +omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om +die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden: +1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van +zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met +betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden? + +De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld; +daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden +besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als +uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen +de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit +betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de +orde is gesteld. + +De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds +en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu +duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den +inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog, +dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden +gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk +in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling +of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een +muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit, +na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich, +dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk +op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze +geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook het +bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. Zoo +is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een uitsluitend +opvoeringsrecht kan doen gelden [436], daar de opvoering zonder zijne +toestemming van eene tooneelbewerking van zijn roman een inbreuk op +zijn auteursrecht uitmaakt. + +Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende +exploitatie-middelen. + + + + +I Het door den druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken + +De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften en muziekwerken +is die door middel van den druk; het uitsluitend recht dat hierop +betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke +bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren, dat de +uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding is geweest voor +het ontstaan van het auteursrecht. + +Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan worden, +geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange jaren +van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde +staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate +van standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het +auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er +slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover +ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen. + +Het "recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken", zooals +onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen, +welke aangemerkt kunnen worden als een daad van exploitatie van +het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. Wie een van +deze handelingen pleegt zonder toestemming van den rechthebbende, +maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, die zonder +toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook degeen, die +deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel uitstalt of in +voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van exemplaren behoort +hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van huisgenooten of +vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. Eveneens zou +men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van exemplaren, +wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet b.v. onder +kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk het +"Verleihen" vrij (Urheberrechtsgesetz § 11 eerste lid); dit slaat +volgens Kohler alleen op eene "unentgeltliche Gebrauchsüberlassung" +[437]; het verhuren zou dus ook in Duitschland verboden zijn. + +Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als eene daad +van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het doel ze +onder het publiek te brengen [438]. Het is dus geen inbreuk op het +auteursrecht een boek te drukken alleen ten gebruike voor zich en +zijne huisgenooten of als typographische oefening; wél echter indien +de gedrukte exemplaren, al worden ze zelf niet onder het publiek +verspreid, moeten dienen voor eene openbare op- of uitvoering. + +Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een +door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd +exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de exploitatie voorhad, +heeft bereikt, m. a. w. wanneer het een kooper heeft gevonden, door +verdere verspreiding ervan geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt +gepleegd [439]. Vandaar b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken +de toestemming van den auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook +wordt b.v. geen inbreuk op het auteursrecht gepleegd door hem, +die ongebonden exemplaren opkoopt en deze gebonden, als ware het een +nieuwe uitgave, in den handel brengt. Dit laatste werd ten aanzien van +de werken van Kipling door het Hof van Appel van New York uitgemaakt +[440]. + + + + +II Het maken van afschriften + +In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den +druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk +met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs +mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden, +b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien +van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt; +de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: "met of +zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst", +werd overbodig geacht. + +Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men +achtte het onnoodig dit te verbieden: "slechts die ongeoorloofde +vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken, in +hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur een +vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om door de +wet te worden gekeerd" [441]. Zoo oordeelde onze wetgever. Men zou +hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het meerdere of +mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt toegebracht, +niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden genomen. Al +is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft het nog niet +alleen op die handelingen betrekking te hebben, waarmede uitsluitend +geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien is het niet waar, +dat door het afschrijven zonder toestemming van den auteur, aan dezen +geen noemenswaardige schade kan worden toegebracht. Het maken van +afschriften behoort volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens +Rosmini [442] is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest +gebruikelijke reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke +rol of elke partij een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der +tooneelspelers of orkestleden. Dit levert boven het laten drukken +het voordeel op, dat de auteur nog in de gelegenheid blijft na de +repetities wijzigingen in het werk aan te brengen. Over het zonder +toestemming van den auteur maken en verspreiden van afschriften, +laat Rosmini zich dan als volgt uit: "Mais si un tiers reproduit en +manuscrit l'oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des réductions +pour divers instruments, pour louer ou débiter ces copies, celles-ci +non seulement présentent tous les caractères de la contrefaçon, +frappée par les expressions générales de la loi dans toute son étendue, +mais elles constituent, de tous les procédés de reproduction le plus +grave, le plus préjudiciable à l'auteur." Om deze meening te staven, +wijst Rosmini er op, dat het afschrijven (voornamelijk van muziek) +goedkooper is dan de reproductie door lithographie of een ander procédé +van dien aard, terwijl het bovendien meer in stilte kan geschieden +en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: "... le vendeur de +copies exerce une concurrence plus étendue et plus fatale, parce qu'il +s'adresse, avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs +de spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en présentant +sa marchandise sous une forme plus commode; de cette façon, il s' +approprie, en l'écartant de l'auteur et de ses ayants cause, toute la +clientèle des acheteurs." Ook in andere landen dan Italië (waarop de +aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking hebben) +wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van afschriften +dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In Frankrijk +b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van orkest-partituren +zonder toestemming van den auteur afschriften werden gemaakt, die dan +door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur werden afgestaan +[443]. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met tooneelstukken [444]. In +Zwitserland, waar het maken van afschriften door de wet is verboden, +kwam het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig voor--hier +waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich aan schuldig +maakten--dat door de auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden +gepubliceerd, waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging [445]. + +Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo +onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende +en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging +naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te +behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de +onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder +toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32, +Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van +reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat +daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19 +Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid +maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden; +verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje). + + + + +III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten +en phonografen + +Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele +jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging +van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog +betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de +Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door +hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een +of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen +en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene +exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het +niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden +meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale +genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden +misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten +of muziek-uitgevers. + +Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van +deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten +zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het +geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik +van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet +van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner +Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland, +het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor +de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van +deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866 +was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat +laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van +het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid +verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen +worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie +was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland. + +Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste +jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten +tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men +vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die +bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te +vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven +konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door +hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht +was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders, +metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende +puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele +exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten +zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer +ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de +eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig +jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions, +orchestrions, phonola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men +ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen +instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten +van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen. + +Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen +of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene +exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming +van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht +verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts +een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek +b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van +eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan +worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en +platen reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de +Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat +gevormd van de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen +over een kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te +beschikken [446]. + +Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke +geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de +toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt +eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten +en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun +werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken +wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van +muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie +met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het +auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter +bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten +aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en +muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond, +dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland +b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van +geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in +beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de +mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze +bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd +verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel +uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige +bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging +men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op +het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor +mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting +der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de +Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de +concurrentie met de buitenlandsche. + +Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten +laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te +vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het algemeen +nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt verleend. Dat +in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs ook in dit +opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen te worden +toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in verschillende +landen, die in de meeste gevallen de bestaande wetsbepalingen zooveel +mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt [447]. Doch wat de eenige +afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande misbruiken een +einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, die het recht +der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu toe nog geen +enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie van Berlijn +van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is opgenomen, +die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans binnen zekere +grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat aan dezen +toestand spoedig een einde zal komen. + + + +De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van +muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of +platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van +den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het +vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk +noemen een "door den druk gemeen maken", al worden misschien bij de +verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote verwantschap +met den druk vertoonen. + +Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der +wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik +hunner werken beschermd zijn. "Wat is het wezen van het regt dat +men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2) +gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: "Het is de uitsluitende +bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu +een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet +op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht +geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen +de materiele waarde aan van het werk." Men kan aannemen, dat voor +de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn +gemaakt, indien zij toen reeds--wat nu ongetwijfeld het geval is--had +behoord tot diegene, welke "inderdaad van beteekenis zijn". Had men +het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om +in plaats van: "door den druk gemeen te maken" in de wet te lezen: +"langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te +brengen" of: "door den druk of op andere wijze gemeen te maken", +dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men +achtte echter--met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd--de +oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan +is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het +juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd. + + + + +IV Reproductie door den kinematograaf + +Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in +toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken +over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun +ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken +met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of +de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten, +pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus, +indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk +op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze +vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen +zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel +de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde +bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de +gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer +algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen +(waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht +nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van +de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De +ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de +eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk +weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen, +die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren; +waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes, +balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing +van den kinematograaf is--het moet worden toegegeven--tot nu toe nog +weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat +zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke, +binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder +huis heeft veroverd! + +Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en +pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele +wet uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene +Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen +voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de +Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt: +"Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle sont +reproduites à l'aide d'une succession de photographies les diverses +péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une +pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de +l'adaption à un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible pour +tous, doit être considérée comme une édition tombant sous l'application +de la loi des 19-24 juillet 1793;... etc." [448] + +In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige +wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan +hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking +"door den druk gemeen maken" is gezegd in verband met de mechanische +muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook +de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk +op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede +klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van +plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het +behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie +van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen +daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan +brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te +volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige +wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel, +waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is, +den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden. + + + + +V Op- en uitvoering + +De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken +behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin +zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover +zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het +tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen +het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld +het werk volkomen te genieten. + +Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus +het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn +voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval; +slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit- +of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in +tijdsduur bij het kopierecht achterstellen. + +Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor +muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht +van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave, +tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde +voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15). + +De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht +worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstelling, +alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders zou zijn +dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te +maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering +b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, indien hun uit- +en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht zouden genieten, +hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn tegenover schrijvers van +stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn [449], vindt in het +voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou men ook +kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk én als rij- +én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en +dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren, +wier paarden alleen kunnen trekken! + +Men heeft ook beweerd--en dit betreft in het bijzonder het uit- en +opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen--dat juist +datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze +te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke +uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd, +daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven +te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd, +dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in +het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel +hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin +een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer +men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het +eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de +uitgave zijne toestemming te hebben gegeven. + + + +Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden, +geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde +kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler gestelde, +die eene op- of uitvoering openbaar noemt, "wenn sie über das Häusliche +hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier huis het geval +zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd "dasz die Gesellschaft +die häusliche Wesenheit einbüszt" [450]. + +Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang +voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel +algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen [451]. Op een feest, +dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit of +andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn +[452]. + +Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: "elke +uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, +toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd +wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen, +dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze +bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche +contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap +recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling. + +Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers +van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin +mag het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking +worden genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij +gebruik van stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor +weldadigheidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk +is voorgesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen +wil en dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede +te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars +van zalen gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen af +te staan [453]. Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten, +waarvan de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag +is uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen +medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen +en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem +nog geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te +beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 no. 10) die +het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan +het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring [454]. + +De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht +uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkige +opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden [455]. Daarom zal men +ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen van den +kinematograaf en "concerten", waar zich phonograaf, grammophoon, +pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze +instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden gepleegd +(nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf-films en +van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstrumenten en +phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker +niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen door middel van +deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar plaats hebben in +den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- of uitvoeringsrecht +aan te merken. Wat de kinematographische voorstelling betreft, +heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat zij wel degelijk +eene "voorstelling" is in den zin der wet, omdat de figuren, die +de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk maken van levende +personen [456]. M. i. zal men ook volgens onze wet hetzelfde mogen +aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet aan kinematographische +voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen grond zijn voor het +tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene "opvoering", die in die +jaren nog niet bekend was, doch die thans evengoed dezen naam verdient +als die, waarbij tooneelspelers of dansers in levenden lijve optreden. + +Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door +muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover +de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden +(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare +uitvoering gelijk gesteld [457]. In België werd ook als inbreuk op +het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van theatrophonen, +eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of +concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen +doen hooren. De vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899), +dat het niet geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te +geven dan door den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van +den auteur toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg +ten gehoore te brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met +behulp der genoemde instrumenten ook elders te doen weerklinken [458]. + +In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek +in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten, +waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de +muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen, +waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook +hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde "strijkjes" in koffiehuizen +en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten +en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de +muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn +van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder +toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het +laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de +verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers +der verboden uitvoering aangemerkt [459]. Dit schijnt mij ook juist, +al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen +regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel- +of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen, +dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het +is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen, +die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren, +hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten, +zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan [460], in de +meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door een bezadigd +en tactvol optreden van de vereenigingen van componisten, die zich +met het innen der tantièmes voor hunne leden belasten. + + + + +VI Voordracht + +Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna +overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in +het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele wetten aan de +auteurs verleend [461]. De reden zal men waarschijnlijk grootendeels +hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van de +letterkundige producten wordt gemaakt, van te weinig belang achtte +voor de auteurs, om het te verbieden. + +Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te +erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig +voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van +muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van +eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren--in het +bijzonder hier te lande--kan worden waargenomen, behooren openbare +voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van +declameeren en verzen-"zeggen" is--naar het mij voorkomt--tegenwoordig +weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk +hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert +Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel--hetzij geheel, hetzij +gedeeltelijk--door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote +onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt, +elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken, +terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te +eerbiedigen. + +Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van +voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de +openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid +kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering. + + + + +VII Reproductie van werken van beeldende kunst + +Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het +voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een +werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe +"verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder +te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm, +mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan +het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden +teruggevonden. + +Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen +dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor +gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging +en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken +zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden. + +In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar +omschreven als "het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te +beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen" +(art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook +die, waarbij geene verspreiding of "gemeen making" het doel is. Het +Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor +eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch +winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling +wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie +op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer +voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging +kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden [462]. + +Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten +rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling +hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907 +art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het +"afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming van den auteur +verbiedt. + +Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen +het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen +ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen +zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien; +het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht +te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het +recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is +belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel +worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming +van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder "exemplaar" +ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere +verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is. + +Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de +waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele +verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan, +nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur, +om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat +speculanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als +gevolg van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen +zijn te danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor +zijn naam meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op +een deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel +van het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de +onlichamelijke kunstschepping tot object heeft [463]. + + + +Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt +m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en +werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met +de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen +der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins +andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het +uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten +aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten +aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der +bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den +auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer +werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat +het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien +het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping +van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt. + + + + +§ 2 Duur + +Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur +beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een +eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen +in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van +Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche +Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen, +te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders +is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden. + +Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd +om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een +recht--zoo wordt soms geredeneerd--dat de wetgever op een gegeven +oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schadeloosstelling in +de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van "recht" niet +te dragen [464]. + +Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen +met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom +is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet +zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan; +een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou +verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den +eigendom missen. + +Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is, +maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten +op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die +eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde +rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard +van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de +tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen +(geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een +aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan +bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij +geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en +dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men +kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur +of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben. + +Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten, +zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt +een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het, +zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer "zum Eigengut des ganzen Volkes, +ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" [465] geworden, dat men het +aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking erover +aan één persoon te laten. + +Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun +ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te +doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht +waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft +trouwens geen reden van bestaan. + +Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd +geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend +auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk, +maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare, +Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men +behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat +b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat +dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen +worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men +van--op zichzelf misschien even waardevolle--werken van tijdgenooten +niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er +meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou--wat het anders niet +heeft--hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort. + +Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het +recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen; +dat het--wat bij een ander recht niet dan met toekenning van +schadeloosstelling geschiedt--na verloop van zekeren tijd eenvoudig +"in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid van het +recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van "algemeen belang", +doch zij is niet het resultaat van een compromis tusschen een van +nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant en het algemeen belang, +dat zich tegen de voortdurendheid van het recht verzet, aan den +anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, dat "das öffentliche +Interesse die Natur des Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts +mitbestimmt" [466]. + + + +Het is--eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht +aangenomen--terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur +door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk +geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien +waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller +voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een +maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere +die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te +behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken +die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig +erkend worden. + +Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen +volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer +te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al +te willekeurig gekozen schijnt. + +Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt +men--behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier +hierboven reeds genoemde staten geldt--dat er twee hoofdsystemen +hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem +duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs, +volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het +werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt +het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken, +Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg, +Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador, +Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts +enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije +en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een +gemengd stelsel. + +De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds +dikwijls--ook in ons land--uitvoerig besproken [467]; ik meen daarom +daarover kort te kunnen zijn. + +Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat +van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is, +terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer +de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat +alle werken evenlang beschermd zijn, en niet--zooals volgens het +andere stelsel--de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis +zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs +zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote +sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek +krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft +geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken +waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat +een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur +der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep, +waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van +zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als +zijn mede-auteur te laten optreden. + +Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus +tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van +het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen--waarvan ik de beteekenis +niet wil ontkennen--zijn echter ook enkele nadeelen te stellen, +die het andere stelsel niet heeft. + +Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip +der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor +elk werk--liefst volgens officieele gegevens--vaststa. Onze wet +(art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van +ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem, +die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven +formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke +regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel +van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van +verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen +en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van +het stelsel, daar--zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te +toonen--voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan +van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing +daarvan zeer gewenscht is. + +Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht +op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een +bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor +ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe +lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te +maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk +maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur. + +Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet +geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen +het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op +de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der +verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van +het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden +landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend +naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding +van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de +groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden, +nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij +zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo +practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt. + +In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal +ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt +kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken of van +die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt, +onbesproken [468]. Evenmin zal ik mij ophouden met de afzonderlijke +termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van enkele +bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz. worden +gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de bespreking van +elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere beperkingen, +hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat. + +Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur +van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken +om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren +is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de +normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood +des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze +het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is +hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang +genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te +beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting +te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen: +tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het +oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening +is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel +zou men wellicht nog verder willen gaan. + +Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den +dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst +verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene +verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij +m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het +verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken +der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het +gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd +noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan +er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt, +binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal +worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor +steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook +weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de +exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel +korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk, +dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht, +hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo +volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten, +eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge +genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene +verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang +en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een +vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des +auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden, +schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of +honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een +enkelen staat erkenning vindt. + + + + + + + +HOOFDSTUK V + +VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN + + +Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht, +zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is, +op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een +auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt +vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht. + +Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de +nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij +het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van +het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van +bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in +meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen +is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde +stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig +als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard +door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen +kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit +meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den +wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht, +dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd, +afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig +achtte. + +Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid +bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht +wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en meest +eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten +als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het +tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat +dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn, +hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen. + + + +Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden +(formaliteiten) en materieele voorwaarden [469]. + +Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren +aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende +tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het +werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles +kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt +wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet +voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet +de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke +voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die +de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te +verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op- +en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van +een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard. + +Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna +alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd +of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum +beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in +België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen +beperkt [470]. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven +zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is +het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische +gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van +de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten +verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk +verschenen werken gemiddeld slechts 5-1/2% behoorlijk ingezonden, +met het gevolg, dat dus alle overige 94-1/2% van de bescherming +der wet verstoken bleven [471]. Zooals te verwachten was, zijn in +het door eene commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van +de tegenwoordige Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en +ingewikkelde formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd: +wel zijn daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens +enkele uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen +invloed heeft op het voortbestaan van het auteursrecht. + +Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een +klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder +schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele +of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale +verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur +bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen, +waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven +formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het +auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom +in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden. + +Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de +belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te +stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of +van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de +identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving +in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid +opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet +auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het +tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving +in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden. + +Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk +geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere +sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de +bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K., +die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden +aangetoond. + + + +Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze +wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge +voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die +zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen +der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de +meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar +geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar +zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt +opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze +werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter +niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door +den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten, +weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn. + +Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10), +dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave +worden ingezonden aan het Departement van Justitie: + +a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke +daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker +onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave, + +b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op +zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt. + +Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het +reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld +het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden +exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand +enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt. + +Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen +enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te +stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan +ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht +in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke +Bibliotheek te 's Gravenhage. + +Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land +uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd +worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze +verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een +exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden, +dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het +doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de +bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het +Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf +pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar +(Wet van 1 Juli 1842). + +Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de +materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat +het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die +aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder +internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede +hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet +nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan: +inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is +dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten +in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien +de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te +zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan +het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is, +omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door +(of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste +gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook +al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn +te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel +opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier +bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht +te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij +achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten, +dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde +doel even goed kunnen bereiken. + +Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit, +dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving +geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of +voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht +genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel, +dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten +aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende +goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar +is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene +onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch +of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met +zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde +vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog +minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht, +op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt +aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van +het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers +staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk, +dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven, +hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat +het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van +het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast, +heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met +de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien. + +Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden +bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven +formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen derden zijn door +deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; evenals van het +stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving der hypotheken +kan ervan gezegd worden: "de openbaarheid geeft aan iedereen het +middel, althans den leiddraad om zich op vrij voldoende wijze van +den stand van zaken op de hoogte te stellen" [472]. Een vrij pover +resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het verkregen wordt [473]. + +De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig +bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten +als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere +onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht +dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk +werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de +beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de +meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal +jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming +ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook +heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar +slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg- +en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te +zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen +nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak +zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door +de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en +niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars, +die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken +en te administreeren. + +Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn +zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen; +in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij--mits met kennis +van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend--in +staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen +dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle +werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging +nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het +auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan +wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen +zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven, +op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op +eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren, +vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te +weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten. + +Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in +art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11 +bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een +gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van +dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht +als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13, +15 2o en 16 2o). + +Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele +gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum +te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal +staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de +dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of--hoewel +dit wel zelden zal voorkomen--opzettelijk er een verkeerd jaartal +op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het +auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien, +wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke +tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van +Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het +auteursrecht te loopen. + +Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van +zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending, +dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De +voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de +duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave; +laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood +des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht +uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang +neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit +de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij +gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den +duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts +in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als +aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor +die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam +verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van +het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs, +bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig +jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op +den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze +bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste +uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar +het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te +kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de +meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven, +is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de +Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs +in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem +voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en +dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als +uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan. + + + +Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur +willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als +rechthebbenden moeten doen kennen "op den voet in de artikelen 10 en +11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf van naam +en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom twee +exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip der +uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens [474] neemt het +laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen ontheffing van +den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof ook wel, dat +dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten geven, al laat +m.i. de uitdrukking "op den voet van" eenige ruimte tot twijfel. Hoe +dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met Mr. Veegens eens, +dat deze vereischten hier "doelloos" zijn te achten. + +De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige +formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden, +blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook +zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan +van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den +toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf, +de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel +geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht +van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar +na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending +niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van +het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval +behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een +ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13). + +Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer +zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending +om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch +niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van +belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid +bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals +gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch +als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar +den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van +de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in +den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht, +dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis +van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni +1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het +auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts +dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den +auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone +beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den +auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen +geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere +uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren +naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den +auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer +verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58). + +Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de +belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring +is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere +wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis +had kunnen krijgen. + + + +Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze +wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van +het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-, +opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte +werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen. + +Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft: +neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan, +dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht +uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht, +dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste +recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door +hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft +de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze +bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat +zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den +auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting +bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte +van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen +grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn +werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft, +tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart. + +Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het +publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of +niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen, +dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten, +worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door +de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn +werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder +toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan. + +Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs +zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschen +te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner toestemming +gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede helft der +vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder voorbehoud +tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen had +zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten +te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen, +die--meestal te goeder trouw--deze werken in het openbaar uitvoerden, +voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat hij +weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan van +een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij +men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± f268) betaalde. Om aan +deze wijze van "exploitatie", waarbij natuurlijk ook de belangen der +componisten werden geschaad, een einde te maken, werd in de wet van +10 Augustus 1882, gewoonlijk genoemd de Wall Act, bepaald, dat de +auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner muziekwerken kan +verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht +heeft laten drukken [475]. + +In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische +maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de +noodzakelijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel +is er niet mee bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de +hand misbruiken als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen +hunner rechten aan anderen hieromtrent in het contract de noodige +voorwaarden kunnen bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is, +dat hierbij op het spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit +in de meeste gevallen ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij +tijdig op de gevaren worden gewezen waaraan zij zich blootstellen, +door hunne rechten zonder voorwaarden aan den eersten den besten +over te doen. Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die, +zooals in het buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen +bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging behoeft nu niet voor +elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen, +daarover met den auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich +slechts te wenden tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens +den auteur toestemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met +het innen der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond, +het nut van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en +zij heeft er ook op doelmatige wijze partij van weten te trekken. De +"Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich +verbonden, aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven +van al hare leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in +rechten op te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant +op zich heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Belge te publiceeren +[476]. Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt +over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen, +daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de +auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten, +dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat de +auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk eene +beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen. + +Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings- +en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het +overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het +nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee, +dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin +is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden +aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge +toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier +misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel +worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door +andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel +verklaart [477]. + + + +Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het +Ontw. B. K. voorschrijft. + +Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk +dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd, +tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden +door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te +wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden: + +a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe +gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens +door K. B. vast te stellen model; + +b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures, +photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de +beschrijving een exemplaar van het werk. + +De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending +zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate. + +Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één +exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er +twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar +bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere +waarde vertegenwoordigt. + +Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet, +waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van +schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties +worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of +tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of +ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden +volstaan met het inzenden der "beschrijving". Of hiervan nu een druk +gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang +geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk +zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken +hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te +exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen +getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te +zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te +laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken. + +Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij +wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders +dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk +kunnen zijn. + + + + + + + +HOOFDSTUK VI + +EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN + + +Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het +gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan, +die zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het +recht op het geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de +persoonlijkheidsrechten, omdat zij tot bescherming strekken van een +goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt. + +Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteursrecht +en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche schrijvers +spreken daarbij meestal van "le droit moral", dat dan gesteld +wordt tegenover "le droit pécuniaire" [478]. Deze termen komen mij +echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het +verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar +zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen +moreele of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel +is dit niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou +b.v. in sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen +vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit +geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke +belangen dient [479]. Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers +met hunne "droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het oog, die +de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlichkeitsrechte +noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheidsrechten worden +behandeld. + +Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de meeste +wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat zij +geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de +wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar +tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst +een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische +constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook +worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen, +hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter +op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend. + +In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in +theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten +in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het +positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen +en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis +wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der Association +over het "droit moral" rapporten uitgebracht; de volgende stellingen +werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 1899 aangenomen: + +"De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid +van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder, +die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen. + +"Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de +bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen +eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan +wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt +of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet +voorziet" [480]. + +In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type +(artt. 10, 11, 12 en 14). + +Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en vergaderingen +van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden geuit [481], +bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog niet +in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als de +vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belanghebbenden +er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogensrechtelijke +bescherming. + +Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het +auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten +tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal +meestal samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het +auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig +bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de +auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer +het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan +(b.v. bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het +'t persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van +het auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het +uitdrukt, krachtens het persoonlijkheidsrecht "verklammert" [482]. + +Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die +het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen +te verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten +of door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de +integriteit van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het +werk ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, +publiek wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand +vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft +de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn +persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dán de +twee rechten tegenover elkander staan. + +Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met +persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld +het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend +uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen +met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking +zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets +dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk +hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande +personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor in +een minder gunstig daglicht komen te staan. + +In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hierboven +genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voorzoover het +in verband met het auteursrecht van belang is te achten, meer in +bijzonderheden worden nagegaan. + + + + +I Recht op brieven + +Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te verlangen, "dasz +das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden +der persoonlijkheid "nicht in einer der menschlichen Lebensführung +widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden" +[483]. Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband +staande bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht +op geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor +openbaarmaking is bestemd. + +Dit is vooral van belang met het oog op brieven [484]. In de meeste +gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een +auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders +dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin +aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke +mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling +in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de +schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft, +afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de +meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de +eerste plaats voor die brieven, waarvan juist wegens hun vertrouwelijk +of intiem karakter eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst +kan zijn. + +Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdrukkelijk +genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier besproken +persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt +toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. Wel +is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie erkend +[485], doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op dit +punt gewenscht blijft. + +Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een +vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in +elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch +daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner +brieven overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe +lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier +is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de +wet kan worden gegeven [486]. + +Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag wordt +dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland gedaan +door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake gebracht, +arrest van 28 Februari 1898 [487]. Het betrof een aantal brieven van +Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens overlijden +uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, dat er een +persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich tegen de +publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich daarop niet +beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het met den dood +van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen uitdrukkelijke +wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze opvatting +m. i. wel iets te zeggen [488]; in jure constituendo echter ben ik +van de meening van Kohler, die dit recht niet met het overlijden, +maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn +niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohler voorstelt [489], of hoogstens +tien schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de +algeheele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat +de beoordeeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten +invloed van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie +enz. die hij bij zijn leven heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou +men kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het +volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort. + +Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met +het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van +eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de +uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger +te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende, +vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit +volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner +brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten; +tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der +brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt, +als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming geniet. + +De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke +schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te +beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven +auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een +anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht +voor sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen +auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos +te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam +blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische +gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht +op publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na, +den dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan +een uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver +nog dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt +m. i. geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de +bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste. + + + + +II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op auteursrecht + +Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te +beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming +tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard, +die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken, +komt hier nog eene andere overweging bij. + +Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend, +beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke +nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of +kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar +zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor +den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de +volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook +in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen +kunnen worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid +niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat, +hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel +eens werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is, +al maken zij ook overigens den indruk "af" te zijn. Men hoort soms +van schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat +zij eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun +zin is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van +beeldende kunst en muziek. + +Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch +van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja +wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal +zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht +op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden; +er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij +nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van +des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit +te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie +geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft gelaten, kan +het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het +nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk ander deel van +het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou +daarmede tevens den auteur uit handen worden genomen het bovenbesproken +persoonlijkheidsrecht om over de eerste openbaarmaking te beslissen. + +Hier dienen--en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie, +die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft--de +belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen +beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het +persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast. + +De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op +auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet, +dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst +komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding +van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking, +verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4) +zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der "meeste leden", dat +het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht toe te laten. Van +geen van beide zijden werd dit echter nader gemotiveerd. + +Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5 +derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent +opgemerkt: "Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal van +moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van 1881 +tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben geleid." + +Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor +een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees +voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht +mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen. + +Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De "moeilijkheden", +waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig zijn, +onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het beslag +in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop kom ik zoo +aanstonds nog terug. + +De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, zooals +de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, bestaat +hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel geen +rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder door +den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan bestaat +er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om het verder op +dezelfde wijze te exploiteeren niet aan zijn schuldeischers zou mogen +worden toegewezen. Nog sterker komt de onbillijkheid der bepaling uit, +als men denkt aan het geval, dat het auteursrecht niet meer in handen +is van den auteur. In den boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld +zullen juist de auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen +van de aanwezige baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de +schuldeischers hierover niet zouden kunnen beschikken [490]. + +Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die +gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht +tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als +algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten +wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer +het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek +gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen voor. + +In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden +over de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk +nog niet is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor +openbaarmaking bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript +naar een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift +aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder +de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen +over beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen +van beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een +uitgevershuis was toegezonden [491]. In Frankrijk werd evenzoo beslist +door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof het +kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was +[492]. Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor: +in beide gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn +werk wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van +uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep op zijn +persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden gekrenkt, +misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling verdienen +bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het beslag, behalve +bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het blijkt, dat de +auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, zijn werk voor +publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende kunst betreft geeft +o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die navolging verdient: +geen beslag kan worden gelegd, zoolang een werk niet voor verkoop of +publicatie gereed is. + +Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier sprake +is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. Indien +deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de vraag +niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet openbaar +zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander overdragen. Maar +wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne erfgenamen, en in 't +bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den dood des auteurs eene +publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze bij zijn leven niet +heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze vraag bevestigend +te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven bij de bespreking +van het recht op brieven is aangevoerd. Op de naastbestaanden van den +auteur gaat bij diens overlijden de verantwoordelijkheid van hetgeen +er van hem uitkomt min of meer over; zij hebben er, althans in de +eerste jaren na het overlijden, voor te waken, dat de naam, dien +hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, ongeschonden blijft. Doch ook +hier bestaat er geen grond, dit recht der erfgenamen lang te laten +voortduren. De bescherming van de persoonlijkheid des overledenen +krijgt na verloop van tijd een ander karakter; zij behoeft dan niet +meer aan één persoon, of aan een kleine groep van personen te worden +overgelaten. De zuiver persoonlijke elementen, die het oordeel +over den nog in leven zijnden schrijver of kunstenaar mee hielpen +vormen, doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden +slechts beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de +beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor +om hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die +daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden. + +De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op +onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit [493], +zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater +in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een +termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohler +voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd, +schijnt mij ook voor dit geval meer passend. + +Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie, +dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover +den auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn +goedvinden zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn +bestemd; tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht +van niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf) +jaren na het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige +rechtverkrijgenden in alle gevallen. + +Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de +verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een +auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog +niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken, +wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist +zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere, +die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel niet op eene +vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan +het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het +publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een +rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt, +doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing +niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid +voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd; +en moet als beginsel aangenomen worden, dat het beslag slechts die +middelen van exploitatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds +heeft aangewend. + +In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden, +dat het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant +een onbepaald beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of +kunstwerk. Naast de reeds behandelde bestaan er nog verschillende +andere persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie +van zijn werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft +geen betoog dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van +het auteursrecht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in +beslagneming van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat +het werk met wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin +aangebracht, wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen +worden gebruikt, die met het karakter of de kunstwaarde van het werk +niet in overeenstemming zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk +door daartoe ontoereikende krachten; reproductie van een werk van +beeldende kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook +zal de nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit +hebben te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel +brengen van exemplaren moeten houden aan de--hieronder nog nader te +bespreken--beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam. + +Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den aard +der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het is +wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening +wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu +eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw +mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere +vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit +voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute +onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het +oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te +staan en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze +moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de +algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving. + +Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van +gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of +meer schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het +Wetb. v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij +op het geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag +wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten +van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de +vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit +doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop +het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop +deze realiseering der goederen tot stand komt. + +Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463 +sqq. B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en +aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer +bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking +zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer +hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten +van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen, +dat met het recht ook de daarmede verband houdende verplichtingen op +den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het recht +krijgt, om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men +het bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier +heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk, +door wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt +het dus geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen; +in de practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal +er niet zoo spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het +persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een +beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele +moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de +schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt, +zal toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet +doen. Het verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins +mogelijk is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden, +en dit zou ook bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht +kunnen geschieden, indien het mogelijk was, toewijziging van het +auteursrecht te weigeren aan personen, in wier handen men het in dit +opzicht niet veilig acht. Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden, +dat een derderangs operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht +van een ernstig en bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama +krijgt, of een uitgever van prentbriefkaarten het reproductierecht +van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze +van verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden +voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle +verdere exploitatie van het werk te verhinderen. + +Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige +gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de +uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan +worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt +moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden +gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens +kunnen worden. + +Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op +den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den +rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid +van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel +staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174 +F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist +gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk +met de wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden. + + + + +III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden staat +wordt publiek gemaakt + +Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar +mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook +dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft, +zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt +aan het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in +dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na +het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen +ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur, +na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven, +lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen +of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien +verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf +volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal +zonder gevolg blijven: want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel +naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar zooals +de exploitanten het gelieven te publiceeren. + +Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen +beginsel, dat den auteur het recht toekomt--ook als het uitsluitend +reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat--om +zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne +toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het +publiek wordt voorgezet. + +In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de +erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een +schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij +het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij +in den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd +[494]; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens +teekeningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven +[495]. + +In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea, +voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt, +alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde "en +faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vierge consolatrice +qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit; +qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de l'ensemble de l'oeuvre +de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne permet plus +de comprendre l'attitude ni l'expression qu'explique d'une manière +complète le reste du tableau représentant une mère affligée pleurant +la mort de son enfant, la pensée de l'auteur se trouve complètement +dénaturée, qu'elle devient absolument incompréhensible pour celui +qui n'aura sous les yeux que la reproduction partielle effectuée sur +l'émail saisi." En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht +niet meer bestaat: "peut exiger que sa pensée et son oeuvre qui +n'en est que la traduction ne soient pas altérées; qu'elles soient +reproduites comme il les a lui-même enfantées; qu'il a, en dehors de +tout avantage matériel auquel il a renoncé, le droit de sauvegarder sa +réputation artistique et qu'il est fondé à réclamer la réparation du +préjudice à lui causé par toute atteinte qui y est portée ..." [496]. + +De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling van +vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschriftartikel, +dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en derhalve +nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overgenomen, dat +de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin onjuist +en onvolledig waren weergegeven [497]. Vier jaar later werd door +hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht +van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs +schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Fransche +vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van +eigen maaksel aan het werk had toegevoegd [498]. + +Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval +betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar +de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel +van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer had +het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige voorwaarde +daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de bedoeling van den +auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder zijne toestemming +ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit laatste voor +onrechtmatig [499]. In een analoog geval, dat zich enkele jaren later +voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het reproductierecht +aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen was overgedragen, +die enkele ervan ook in marmer had laten reproduceeren), werd de eisch, +voorzoover deze het aangewende reproductie-middel betrof, afgewezen, op +grond dat de reproductie in marmer, waartegen de auteur zich verzette, +het origineel volkomen zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het +origineel vervaardigde bronzen beelden als lampen ingericht in den +handel werden gebracht, leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk +op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht +was overgedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond +en de auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie +genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie +van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de +naam, dien de auteur er aan had gegeven ("Gloria") was zonder zijne +toestemming vervangen door een anderen ("la Renommée"); op deze beide +punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch [500]. + +De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van +de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde +recht plaats kan hebben [501] en van de wijze, waarop daartegen in +Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht +wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende +bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou +kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer +af van de uitlegging van het woord "onrechtmatige daad" in art. 1401 +B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het voorbeeld +te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht gegeven, +waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt toegekend +[502]. + + + + +IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam + +De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, is met betrekking +tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. Ik zal +mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van den +auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne werken te +verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder zijn naam of +onder een anderen naam gepubliceerd wordt. + +Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van +den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet +zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding +van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en +den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat +hunne producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden; +de band tusschen producent en product is bij de laatsten in het +algemeen nog veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het +kenmerk van elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf +in zijn werk, is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van +naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de +laatstgenoemde soort,--in het algemeen: voor alle handelswaren--geldt +voor werken van kunst en letterkunde, dat het publiek er belang bij +heeft omtrent hunne herkomst juist te worden ingelicht: wie een +schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef Israëls maakt +niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, +maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het publiek. + +Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van +bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende [503], +bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide berusten, +zijn ook grootendeels dezelfde. + +Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam in +dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde ook, +zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar zelfs +onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers ten +aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en +ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt +ook voor den auteursnaam [504]. + +De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat +en object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een +onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen, +en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden [505]. Daarom +is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik, +waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het +persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook door de Fransche +jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt gesproken van +"eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die +strekte om aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem "J. R. Rosny" +artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon de +Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd erkend +"... qu'en principe, une revendication de cette nature est légitime, +et qu'un tiers ne peut s'approprier le nom d'autrui,..." doch slechts +onder voorwaarde "... que cette usurpation aura eu pour résultat de +créer une confusion qui serait, soit moralement, soit matériellement, +préjudiciable au propriétaire du nom" [506]. Dat mogelijke verwarring +in dit geval uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat +de geschriften van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard +waren, terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny +verschenen, een meer "litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd +bekrachtigd door het Hof van Appèl te Parijs, waarin o. m. wordt +overwogen: "que la confusion entre "Léon de Rosny" et "J. H. Rosny" +ne s'est pas produite dans le monde des sciences et des lettres" [507]. + +In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen met +dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne geschriften +wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, o.a. op +dezen grond; dat: "... les demandeurs ont intérêt à revendiquer le +droit à la propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour éviter +la confusion qui pourrait naître de la création de travaux similaires" +[508]. + +Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling +mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven +dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het +zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt +door gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den +schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, maakt geen +verschil. Het kiezen van een "nom de plume" is eene gewoonte, die zoo +lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, dat daartegen +geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene misleiding van +het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer treft men iets +soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is dikwijls een +andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken stand +staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of +kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne +werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam +niet geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-) +naam. Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen +dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden +(al of niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden) +auteur van die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het +dagelijksch leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler +het eigenaardig uitdrukt: "der Autor kann als unbekanntes X gelten; +aber es musz eben dieses X als der Träger schriftstellerischer Werke +von den übrigen Schriftstellern unterschieden werden; es ist ein +Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei die eine Maske von allen anderen +unterschieden bleiben soll und das Recht hat, unterschieden zu bleiben" +[509]. + +De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van +een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen +kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder +een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het +beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de +Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning van +zijn auteurschap. + +Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in +verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers +en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en +overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook +in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting +door de jurisprudentie aangenomen [510]. + +In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron +voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag- +en weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen +uit andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt, +niet eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit +opzicht veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend +gesteld bij elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk +makend) gebruik, dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie +tegen dit verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne +civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding, +waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ 44). + +Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te verdienen. + +Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat men +hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat niet +als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het noemen +van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten of +opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden, +waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur eischen, +dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier wordt dus +ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht +erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is gegaan. + +Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op +de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen, +die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen +en andere werken van beeldende kunst. + +In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen +van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken +echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs, +doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke +bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van +een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk +op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om +bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het +geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt +stuk van den meester, wiens naam het draagt, te laten doorgaan en er +op deze wijze den kooper meer voor te laten betalen dan het waard is. + +In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. strafbaar +gesteld: "... l'application méchante ou frauduleuse sur un objet d'art, +un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un auteur, ou de +tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son oeuvre." Ook +is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in een magazijn +in voorraad hebben of binnen België invoeren van werken waarvan men +weet, dat zij van een valschen naam of een valsch merk zijn voorzien +(art. 25 3de lid). + +In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi sur +les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen. + +Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn +gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat +zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding +kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld +eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit +blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet +op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft, +is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men +ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den +zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteursrecht een +einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4 +dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk +is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat [511]. Deze laatste +bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) gevolg, +dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, indien +men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet [512]. + +Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen de +tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke strafbepalingen +moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of verwisseling van +den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover daarin is te zien +een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in +de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van +den auteur ten behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling +van den Franschen wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van +de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk: +het recht met betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als +het auteursrecht. In de Belgische bepaling wordt alleen gesproken +van vervalschingen enz. met den naam "van een auteur". Verstaat men +hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die +tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd, +dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven, +niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen, +niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere +personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam +Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op +een subjectief recht, dan zal het begrip "auteur" hier enger dienen +te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er onder +te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der +wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom, +dat het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht. + +Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil +ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het +hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen, +die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde +zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven +hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam +gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen +standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in +het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden +geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het +recht op eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn, +eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te +langen duur na het overlijden van den auteur voorschreef [513]. + +Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn +het bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet +straffeloos behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen +subjectief recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de +persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te +zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is. + +Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel +als bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het +persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk: +dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder +dat daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal +echter wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of +weglaten van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn, +den onwaren naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor +zich of voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke +inbreuk op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam +uit een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie +te schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te +laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor is +toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien men +ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepalingen +heeft als de boven besproken Belgische en Fransche. + +Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke +hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel +stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop +aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in +voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een +ander recht heeft. Onder "waren" zijn volgens de M. v. T. [514] alle +roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilderijen enz. + +Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een +valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België, +strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden +medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handelingen +[515]. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: "het bedrog, gepleegd door +het in den handel brengen en verder verhandelen van met een valsch +certificaat van oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet +in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den naam of het +merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat +een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het +geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden +gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan +de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat, +de bezwaren, waarop reeds is gewezen. + +Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking +hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld +overtreding van het verbod, vervat in art. 3b tweede zinsnede van +het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of +eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van +een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk +of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar, +indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men +m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van +den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat +deze copie voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch +juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is, +schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd. + + + + +V Recht van den afgebeelden persoon + +In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, al +of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn kant +heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen rekening +te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteursrecht in +botsing kan komen. + +Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt +aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke of +stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen spreken +zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, van +een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder nog +zal worden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan worden +toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon +het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden. + +Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men +deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat +tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide +toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan één +persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van den +auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij +andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde. + +Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit +voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op +het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876) +en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging +het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den +besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den +auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen, +zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch +zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij +verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van +mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm +stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog +geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden, +waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen, +die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van +den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten +koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch +bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet +in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de +bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken +van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor +photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de +reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden +dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen, +terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos +verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de +duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk +dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen. + +Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht +van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den +geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit +afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking +als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het +beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven. + +In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze +samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet +meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20) +dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben, +dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming +van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden +tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan +den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn +recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld. + +Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken +van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit +beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon +om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan +wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen, +gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner +naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22, +23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het +auteursrecht te onderscheiden, recht te doen. + +In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt +men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is +herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht +toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten, +ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na +den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518]. + +Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken +op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus +art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou +kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd, +dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad" +en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen +wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven +staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit +vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden. + +Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming +zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt +gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend +beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene +uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar +Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol +eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne +beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den +naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht +of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands +afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men +m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret +wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming +van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet +men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten, +wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving, +welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon +niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler +[520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met +was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken +van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine +Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel +verwendet wird" [521]. + +Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken +draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de +termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons +Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van +afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging +van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van +afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de +wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen, +werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522]. + +Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het +in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie +van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft +vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop +te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling +gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf +zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het +negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling +van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren +geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De +gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin +moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen +of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben +willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de +levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de +prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene +afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige +landen aantreft, komt mij echter overbodig voor. + +Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het +auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt +het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich +kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of +tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen +is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters, +met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch +schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken +uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben +schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen +uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te +pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te +leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de +omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze +gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik +hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de +rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale +wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht +hiervoor m. i. niet de plaats zijn. + + + + + + + +HOOFDSTUK VII + +INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT + + +§ 1 Algemeene opmerkingen + +Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het +auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de +verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch +bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze +moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden +gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast; +ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere +vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan +beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er +strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de +rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich +bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt +gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij, +nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid +ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het +gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust +op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen +op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen +ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen. + +Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan +het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander +van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over +de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare +geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht +stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale +grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander, +ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons +privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat +dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt, +straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling, +zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche +drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt +van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven +alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een +Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste +illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een +absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht, +cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij +niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526]. + +Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied" +misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze +beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer +wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad +eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht +een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527], +dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed +gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt +de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden. + +Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd +het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche +werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik +heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen +die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien +vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een +groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het +stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen +mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te +moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd +heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als +integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is +van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten +en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder +eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van +sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen, +niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen +geen gewicht in de schaal. + +Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming +van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat +vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, +daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou +worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er +zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om +in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, +dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van +moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte +ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk +illustreerde hij met de volgende vergelijking: + +"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der +holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm +dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da +holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper +auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe +abnähmen?" [529] + +De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan +bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt +in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot +onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd, +dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op +het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is +en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen +dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken +zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel +het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht, +dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer +van eenige beteekenis is. + +Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou +met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze +toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde +woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld +"Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen +vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van +onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te +zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in +hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht +is gevestigd. + +Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze +aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt, +wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee +in getal. + +In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner +Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een +anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk +zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen, +en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der +internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de +wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16 +van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle +auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook +het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal +nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig +zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit +stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten +het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke +verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt +op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld +geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten +opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking +tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht +verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is +met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de +"beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie, +vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in +volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog +veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen +over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen, +dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden +toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen +onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de +onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten. + +Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft +het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op +grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft +voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier +niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, +dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit +andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote +meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van +het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen" +over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook +in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, +want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur +van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets, +evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den +Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos +zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te +laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij +erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet +meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb, +is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een +dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren: +in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen +het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt? + +Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van +uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied +van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel, +dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht +en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als +voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg +vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu +eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat +en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen +weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land +als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden. + +De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het +geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten +eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis +van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de +vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich +en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid +der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich +hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze +materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin +mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die +onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten +grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen +zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog +is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en +later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het +zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle +aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht +bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer, +om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is +geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich +in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten, +zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe +moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om +invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal +auteursrecht. + +Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de +jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden, +mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie +te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan +de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven, +kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel +uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe +beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog +op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de +bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld. + +Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan, +is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze +wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt. + + + +Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der +toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen +worden. + +Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium +aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt +dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het +Rijk woonachtig zijn. + +Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar +de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit +of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la +nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer +op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten +afhangen van: + +a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen; + +b) de plaats, waar het werk is ontstaan; + +c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op- +of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden. + +Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen +te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881. + +Het beginsel van de "nationaliteit van het werk" geldt in de eerste +plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is +alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en +door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den +auteur doet dus niet ter zake. + +Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel +gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig +zijn van in Nederland woonachtige auteurs. + +Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke +regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige +auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in +Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot +van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door +Mr. Veegens gewezen [531]. Met dezen schrijver ben ik van oordeel, +dat de uitdrukking "daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag +leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden onder +de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer zij +aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve afkomstig van +een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in Nederland gehouden +zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan één der beide +vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een in Nederland wonend +auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over +deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver +alleen het laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten +komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden +voordracht, van iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn +door onze wet. Naar mijne meening is echter de andere, boven gegeven +interpretatie juister: is de voordracht in het buitenland gehouden, +dan wordt zij behandeld als alle andere niet door den druk gemeen +gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uitdrukking "daaronder begrepen" +althans eenigen zin. + +Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide +bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de +plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken +bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden +bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het +uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste +op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer +wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een +voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de +plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor +gaat behooren tot de groep "door den druk gemeen gemaakte werken". + +Er doet zich hier nog eene--ook door Mr. Veegens +besproken--moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en +uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in +Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer +wet. Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven, +dan beschouwt onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens +Mr. Veegens zal nu een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen +opvoering beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht +bij het in druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk +wordt voorbehouden. "Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die +uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag +haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" [532]. + +Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die +een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht +zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk +behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het +ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een +voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend +vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden, +en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen +doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud +schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt +het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor +alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook +het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht, +hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan, +het voortbestaan mogelijk te maken. + +Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de +wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil +van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van "in Nederland +of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte +werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave +in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in +het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland +geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave +in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht +niet opheffen. + +De eerste uitgave beslist dus over de "nationaliteit" van het werk +en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het +auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald +[533]; eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden +voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin +van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus) +geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan. + +Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië; +waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van "Nederland" +heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië +worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën +vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied; +het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat +de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie +moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie +te Batavia. + +In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het +auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van +11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet +is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als +met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in +West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao +gelijk met het buitenland. + + + +De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet +van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen +gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet +gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende +kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië +woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen +voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt. + +Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van +het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in +Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn. + +Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de +Oost-Indische koloniën met het moederland. + + + +Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het +duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons +land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze +tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men deze +tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht erkend +dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. Moltzer +[534] opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene uitzondering +op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; want al is de +nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht volgens onze +wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch van dien aard, +dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn uitgesloten. Ik heb +er reeds op gewezen, dat de loi-type van de Association eene regeling +geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal +privaatrecht in overeenstemming is [535], doch dat deze regeling in het +stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog verkeert, +weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de meeste +wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt tot +een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of van +de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en zoolang +de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, onverschillig +waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur behoort, voorloopig +tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel +genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar, +hetwelk trouwens door internationale overeenkomsten grootendeels +kan worden opgeheven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot +enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen. + +In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat +voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het +uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze +bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in +het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In +laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat +de uitgever Nederlander was (art. 6b). Men nam de bepaling tenslotte +nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking "door +den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aanleiding +zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland moet +zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch schrijver +of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen door een +gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een Nederlandsch +uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in Nederland zou zijn +uitgegeven of "door den druk gemeen gemaakt." [536] + +De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen +genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij +echter voor, dat het "gevaar", dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig +was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het +titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek +te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk +boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien; +indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen +voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk +tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom +zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou +hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten +zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der +wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen. + +Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de +vereischten "in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen +gemaakt" en "gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk +van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden +niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men +stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou +worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens +bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden +als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in +het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden +aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen +dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn +voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de +letters en cliché's, waarvan men zich bij het drukken bedient, in +het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten +is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde +manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers +over auteursrecht ten scherpste afgekeurd. + +Wil men dus het stelsel van de "nationaliteit van het werk" voor +door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient +deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschijnen, +d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar +het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. "Het feit der +vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer +terecht, "is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen, +die tot het "in het licht verschijnen" leiden kunnen" [537]. + +Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk +stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium +genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats +hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor, +dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen +Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming +vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf +houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen +hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de +Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen, +zooals hieronder nader zal worden uiteengezet. + +Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet +gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar +criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats +tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit +verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet +aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen +tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne +nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens +het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven. + + + +Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van +het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in +Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een +kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal +dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk +dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft +gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land +ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden +beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor +in dit opzicht van geene beteekenis te zijn. + +Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn +de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden, +photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften--in +één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging--zijn in +dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen. + +Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie +zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen +zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere +beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie +is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet +kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een +Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar +tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken, +ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het +boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst +reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal +zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan. + + + + +§ 2 De Berner Conventie + +Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste +herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats +gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de +Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen +alle kracht te ontnemen. + +De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het +Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te +bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. Zij +kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel blijven +uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze staten blijft +de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. Bovendien kunnen +alle staten--ook degenen die zich eerst ná de Berlijnsche conferentie +aansluiten--bij de bekrachtiging der nieuwe Conventie verklaren, dat +zij op bepaalde punten niet door de nieuwe maar door de oude bepalingen +gebonden wenschen te zijn. Voor de nieuw-toetredende staten bestaat dus +ook de mogelijkheid om géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden +en uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet +met de wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid +te worden van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen, +dat eene dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in +strijd zou zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling +in Berlijn: "il faut espérer que les États adhérants n'abuseront pas +de ce pouvoir de faire des réserves" wordt in het commissie-rapport +[538] dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die men zeker niet +onredelijk kan noemen. + +Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs +zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen +zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie. + +Wij hebben dus te onderscheiden: + + + I De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit: + + a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen; + b) een additionneel artikel; + c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde + onderwerpen eene nadere regeling inhoudt; + + II De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in + vier artikelen: + + art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20 + der Berner Conventie; + art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4); + artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen; + + III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging + geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der + Additionneele Acte van Parijs; + IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande + uit dertig artikelen. + + +Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde +der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik +verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit +de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol, +Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake +komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben. + +Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie +1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen +verdeeld, als volgt: + + + +a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in +het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop +de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk +omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7); +b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht +art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10; +op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische +muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14); +c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie +voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16); +d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van +iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of +kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de +geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie +artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21-24; +toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26; +bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27-30). + + + + +a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in +het Verbond + + +I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886 +art. 1) + +Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is +gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als +een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het +doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt. + +Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene +hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zou +geven [539]. Als voorbeelden werden daarbij verscheidene malen genoemd +de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van den industrieelen +eigendom. + +Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent, +is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging +eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de +"bescherming van de werken van letterkunde en kunst." De term droits +d'auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat +het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning +van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk +gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder +juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van +de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen +geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen +uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques) +dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique +bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het +Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht. + +In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van "protection des +droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc." dus: van de verschillende +den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook +ons woord auteursrecht de juiste vertaling. + + + + +II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2 +en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896 +art. 2, I) + +De algemeene uitdrukking "werken van letterkunde en kunst", waarmede +in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden +aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer +verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving, +die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij +de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1 +geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke +categorieën van werken de Conventie toepasselijk is. + +De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen +uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle +even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt +beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is +aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens +is geweest, dat zijn: + +1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook +hierboven heb gebruikt); + +2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard; + +3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst; + +4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen, +beeldhouwwerk enz.). + +Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie +1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van +alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie +onvoorwaardelijk toepasselijk was. + +Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding +tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken +der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van +kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels +in 't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale +bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij +geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld. + +In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook +bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen +alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar +reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de +opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan +een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van +de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere +bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom. + +De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek +auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde +stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn +vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede +lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf +in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier, +maar onder artikel 14 bespreken. + + + +Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de +Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden +worden beschouwd. + +In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde +producten zijn gerekend, dus: + + + +Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van +beeldende kunst--Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de +volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen: + + + De uitdrukking "werken van letterkunde en kunst" omvat: + boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische + of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder + tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures; + lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische, + topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke + ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ... + + +Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding: + + + "... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of + kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk + of van eenige andere wijze van reproductie. + + +De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding +heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of +de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er +in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten +beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming +voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten +onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste +meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde [540], vernomen; +er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan +de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld, +nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken, +niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor +afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat +artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere +schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien +van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien +van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het +artikel worden aangeduid [541]. + +Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is +niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat +in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers +indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd, +in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd +volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land, +waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen +van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel +staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de +bescherming wordt genoten "welke de betreffende wetten den inlandschen +auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de +vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening +van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd +artikel naar "de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig +is". Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder +nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor +werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar +men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende +bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen +algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in +sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend +vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook +met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog +des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een +bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van +auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken, +die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen +dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet +worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage, +begrip dat de woorden "werken van letterkunde en kunst" in den titel +en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons, +welke de werken zijn die--volgens de regelen en onder de voorwaarden, +welke de twee voorgaande artikelen stellen--in het Verbond beschermd +zullen worden. + +Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot +degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg +om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden; +het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als +land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming +wordt ingeroepen, beschermd zijn. + +Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist, +en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij +de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige +verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk +kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel +in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen +kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan. + +Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de +Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel +van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van +artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie +1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden, +"die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten, +die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan dus +worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is, +welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel +4 genoemde werken niet beschermd zijn. + +Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou +worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou +moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche, +die de geheele rubriek "werken van beeldende kunst" onbeschermd +laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op +dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a: + +"So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union +beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich +verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem +Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze +auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien." + +Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij: + +"Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige +Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren +sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie +Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne +Erfindungsschutz zu besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar" +[542]. + +Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het +toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken +van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken +betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 der Conventie +1886. De "boeken, brochures en alle andere geschriften" van dit +artikel zouden alle vallen onder de "geschriften" van artikel 1 +onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: "dramatische of +dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" [543]. + +Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is +verheven, dan zou ook de uitdrukking "werk van beeldende kunst" in +artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie wordt +aangeduid met de woorden: "teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken +en gravures" en waarschijnlijk ook de "lithographieën" (waaronder +ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) [544] en +"illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de +"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het +algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen" +zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, zooals ik +in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van beeldende +kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. (§ 2 p. 4) +wordt wel gezegd: "Het spreekt echter van zelf, dat de namaak van +bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet valt; immers +bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch dit is eene +verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed zeggen (al gaat +natuurlijk overigens de vergelijking niet op): "een huisschilder is +een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en dergelijke moge +men teekeningen kunnen noemen, werken van beeldende kunst zijn +zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen bescherming, dan +zouden zij nog kunnen behooren tot de "plaat- en kaartwerken" van +art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen uitdrukking onzer wet +is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg gezegd. Indien men +haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding tot de Conventie +uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling verdienen, in +de plaats daarvan de--misschien wat omslachtige, maar in elk geval +duidelijke en volledige--termen der Conventie over te nemen, dus: +"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het +algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen". + +Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten +die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in +hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie +1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken, +uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt: + + + De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der + bovengenoemde werken te verzekeren. + + +Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel +zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het +geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk +was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met +goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú +een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste +in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht. + +Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten +van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen, +slechts als voorbeelden zijn genoemd van "producten op letterkundig, +wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze +gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk tot de laatstgenoemde +producten gerekend worden, dan geniet het ook de bescherming der +Conventie, al is het niet onder een van de met name genoemde rubrieken +onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft men deze bedoeling +(die men trouwens van den aanvang af ook met het oude artikel 4 gehad +heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker uitgesproken. Van groot +practisch belang is dit echter niet, want in de eerste plaats blijft +er na de vrij volledige opsomming niet veel meer over, dat gerekend +zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk +of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze gereproduceerd +kunnen worden [545] (behoudens natuurlijk de werken, die hierboven +afzonderlijk zijn genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen +worden: photographieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst +en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze +min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding +m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor +een staat (om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om +tegen de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen). + + + +Photographieën--Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4 +Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat +zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men +echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél +door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te +maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen: + + + Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de + verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken + niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der + heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede + te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog + te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde + werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat. + + +Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt, +om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het +niet bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die +aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen, +worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie, +ook aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen, +zelfs aan degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit +laatste is eene uitzondering op het stelsel der Conventie 1886, +volgens hetwelk de internationale bescherming slechts aan die werken +ten goede komt, welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar +zij het eerst gepubliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort) +tot de beschermde producten worden gerekend. Voor het overige is +echter de photographie-bescherming aan dezelfde regels gebonden, +die de Conventie 1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt +(b.v. wat betreft de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in +het land van herkomst en de berekening van den duur van het recht); +daar er niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in +het leven geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun +"de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" [546]. + +De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling +van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden +tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere +Verbondslanden te beschermen, die daaraan "het karakter van kunstwerken +niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar +vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren, +doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst +(dus niet als "kunstwerken"), niet verplicht aan de photographieën uit +andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de +bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan +alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze +al dan niet als kunstwerken worden beschouwd. + +Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën +op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring +(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel, +dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het +land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën +toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze +uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op, +om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken. + +Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in +de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in, +dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming +van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in +het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus +niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter +bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers +het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen +gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van +den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is +overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht +van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare +plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet +bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke +photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk +nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want +men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie--van een +schilderij b.v.--ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer +zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is +met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie. + +De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat +aldus luidt: + + + De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en + op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende + Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren. + + +De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en +Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten. + +Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der +photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht +zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid +van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar +opgesomde "werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat +men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken +gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat +wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil, +mits hij ze maar beschermt. + +De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield +de vervulling in van een der "wenschen" welke op de Conferentie van +Parijs waren uitgesproken, nl.: "dat in alle Verbondslanden de wet +bescherming moge verleenen aan photographieën en aan werken, die met +een soortgelijk procédé zijn verkregen." [547] Doch het tweede deel +van dezen wensch: "dat de duur dezer bescherming minstens vijftien +jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche Conferentie niet +kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut inzag van een uniformen +termijn, heeft men zich toch genoodzaakt gezien de beslissing over +den duur der bescherming aan de wet van elk land over te laten. De +desbetreffende bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie +1908; ik laat haar daarom hier verder onbesproken. + +De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt +ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort +aldus worden samengevat. + +Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie +1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende +staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te +beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet, +óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten +invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de +photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden. + +Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de +eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van +Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting +op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren, +doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het +vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere +Verbondslanden gelden. + +Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de +wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die +wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de +internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar +de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken +worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is +of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij +toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van +het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch +wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen +zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die +bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen +de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van +niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou +schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd +kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908 +aan de staten die wenschen toe te treden, laat! + +Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de +Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de +Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats +te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën +van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in +de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd +(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in +Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht +daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en +Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken genoemd); +terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het ontbreken van +uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht +op photographieën wordt erkend [548]. Hoogstwaarschijnlijk zullen +dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het Verbond, +het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de Berlijner +Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen heeft verklaard) +[549]; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onderdanen dus in +de geheele Unie de photographie-bescherming zullen kunnen inroepen, +brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting +mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij +zich in te voeren. + + + +Choregraphische werken--Ten aanzien der choregraphische werken +bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten +aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in +de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2 +waren de Verbondslanden "wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale +werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden ze van "de +voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst" te laten +genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene +groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming +in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel +te Bern [550] als te Parijs [551] stuitten deze pogingen op bezwaren +af van de andere mogendheden. Het begrip "choregraphisch werk" stond +nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de +grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te +worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn, +bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de +verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de +landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een +tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe +te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd +verzekerd. + +Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel: +choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde +producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen der +Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch +alleen op diegenen, "waarvan de dramatische actie schriftelijk was +vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren vorm +ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al te +vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking [552]. + +Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe +bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel +2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle +landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten +was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in +overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld, +dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm +van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal +zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de +"dramatisch-muzikale werken" en de "muziekstukken" prijken dus nu in +het nieuwe artikel de "choregraphische werken en pantomimes, waarvan +de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd." + +Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet +de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal +hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In +plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1 +jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2 +ten aanzien van dien staat van kracht blijven. + + + +Werken der bouwkunst--In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet +(p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken +der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en +dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier +niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht +op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin +zij zijn openbaar gemaakt. + +De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op +de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond +ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de +Add. Acte art. 2, I, A.: + + + In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend + niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige + werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van + de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte. + + +Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de +photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus +om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan +alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche +auteurs bestond. + +Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende +Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men +er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den +algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden) +toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen +verzette zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde +auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt +[553]. + +Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat, +terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming +uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie +óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk +verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt. + + + +Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst--Deze werken bieden +voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote +moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als +in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar, +om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die +werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere +kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke +werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn, +die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer +verschillend gedacht. + +Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern, +nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is, +eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In +de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel +in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt: + + + De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d'art + appliqué à l'industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche + wetgeving van elk land dit toelaat. + + +Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk, +Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling +met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten +slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die +alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der +kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche +wetgeving overlaat. + +Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de +oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren zij +niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie +1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is: +"... ten slotte ("enfin") elk product op letterkundig, wetenschappelijk +of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk +of van eenige andere wijze van reproductie". + +Het woord "enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend +te moeten vertalen door "ten slotte" en niet door "kortom", zooals +door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen tekst: +"et en général"; dit is veranderd in "enfin" uitsluitend terwille +der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het +voorafgaande woord, de uitdrukking "en général" tweemaal kort achtereen +in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast, +dat met het Fransche woord "enfin" niet is bedoeld de opsomming, die +eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts eene +resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem is, +zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard [554], niet +"en somme" maar "en outre". + +Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus +weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor +photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders +in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet +veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de +werken der kunstnijverheid. + +Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog +niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats +is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel +uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over +den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden +toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in +het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten +behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar +geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien +der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale +bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat +zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het ééne land +als kunstwerken, en in het andere land als objecten van industrieelen +eigendom werden beschermd. Men stond dan voor de moeilijke vraag, +of een dergelijk werk al dan niet als een "kunstwerk" in den zin der +Conventie was te beschouwen. Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere +moeilijkheid voor in verband met de te vervullen voorwaarden en +formaliteiten, die in verscheidene landen voor industrie-producten wél, +doch voor kunstwerken niet werden geëischt. Had men eenmaal in zijn +eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld, +dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk +alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd geweigerd +[555]. + +Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in +het Verbond--al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten--toch +van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er +in de meeste gevallen niet op te rekenen. + +Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering +gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in +werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de +inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken, +waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de +rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu +ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele +Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor +de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten, +waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar +niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er +aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit--vooral waar +het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht +bestaat--niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog. + + + +Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken--Het tweede lid van artikel +2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd: + + + Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de + rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen, + bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere + reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées) + van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van + verschillende werken. + + +Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie +beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen, +dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden, +kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van +volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd. + +De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel +geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig +uitgevallen. Het luidt als volgt: + + + Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken + beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie + ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld + in de artikelen 2 en 3. + + Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid + tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen + verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald + wordt. + + +Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel--wat +zoo dikwijls geschiedt--niet scherp genoeg van elkander heeft +weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den +auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op +zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven +(nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht +in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf. + +Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites), +waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in +strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken +auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is +opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne +vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening +van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van +het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van +elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het +woordje "licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij +de toepassing. Tot de "geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk +ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend +vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene +toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886 +is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk +dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de +auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land +"geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht +was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog +voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten +worden, "ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in het Verbond +beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig +op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren +van het besproken artikel de aandacht te vestigen [556]. + +Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door +uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler +alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde +opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en +uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9; +hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een +tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van +het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den +vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie. + +Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de +Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te +laten vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval, +waarop de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen +voordoen, wanneer--wat deze Regeering eveneens voorstelde--het +uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou +zijn gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een +werk wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond [557]. Doch ook +al was deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand +gekomen, bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het +spreekt vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het +uitgeven van andere vertalingen te verzetten, daar het object van +zijn recht is: de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om +zich tegen de uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het +uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het +oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben +overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te +laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op +zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling +van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was. + +Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn +een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In +de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de +plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie +beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat +noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: "onverminderd de +rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", hetgeen evengoed +had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze +woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben. + +Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele +Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze +wet, die, zeer juist, "vertalers ten opzichte van hunne vertaling" +met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op +dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het +toetreden van ons land tot de Conventie. + +Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen +en verzamelwerken. + +Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst +(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman +tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een +ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling +toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen +beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden +arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het +origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet, +een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker +op auteursrecht aanspraak kunnen maken. + +De bepaling laat echter--wat trouwens in deze materie niet anders +kan--eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en +jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal +in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De +inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere--min of meer +van elkaar afwijkende--bepalingen bevatten, die voorzoover zij met +het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit +andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden. + +Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich +(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te +beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet noodig, +mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voorkomende +gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land bij de +bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De wet +zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij bekend, +nog nooit duidelijk hierover uitgesproken [558]. Wil derhalve ons +land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen, +dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in +onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben) +gewenscht zijn. + +Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in +artikel 4 eene bepaling, die--eenmaal tot wet verheven--volkomen +aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk +van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere +beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt +daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt +door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige +auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen +aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter, +zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd. + +Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog: +verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault +wordt hierover o. a. opgemerkt: "Ce que l'on veut protéger, c'est +le travail qui a consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan +déterminé, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux" +[559]. Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor +de verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een +auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap, +blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en +men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf +zal worden gebruikt. + +Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken "gevormd +door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). Geen +bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van verschillende +werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van +"verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de woorden +"van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, waaraan +de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat men ook +verzamelingen van werken, die van een en denzelfden auteur afkomstig +zijn, onder de bepaling wilde begrijpen [560]. Op dit--trouwens niet +zeer belangrijke--punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met +de Conventie. + + + + +III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6; +Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring +1896 1o en 2o) + +De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele +systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust. + +Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke +werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten +van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee +voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle +geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit +de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt +zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats +van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een +van de Verbondslanden thuis behooren. + +De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft +den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken +ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de +internationale betrekkingen moeten worden toegepast. + +Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is +van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit +beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen +het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht +toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel +bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur, +om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die +hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel +mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de +lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de +wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van +Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886 +was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel +weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve +met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land, +waaruit het werk afkomstig is. + +Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd +worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende +opzichten van belang is. Het "land van herkomst" (pays d'origine) moet, +wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden +staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van +bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet. + +Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig +vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3 +en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en +niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst +dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de +nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur +behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze +beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en +"gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd. + + + +1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur +ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de +Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden +"sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende +wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884 +als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking +"ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie +1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1, +art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant" +(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als: +"qui ont l'indigénat". + +Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke +verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men +wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De +band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het +onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de +termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt +[564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan +eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk, +daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe +behooren en welke daarvan de gevolgen zijn. + +De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot +criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats; +op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze +aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik +wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de +Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen +staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen +de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268), +maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen, +hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen" +behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche +en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In +een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp +wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van +Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór +onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord +"ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met +"Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar +ons recht niet tot de vreemdelingen behooren. + + + +2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de +Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de +uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder +verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook +door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime +opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den +afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding +van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende +te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van +het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze +opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in +1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de +Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi +aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation" +[569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking +van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie +eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk +niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking +"publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen" +en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571]. + +In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben +geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de +Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld, +waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication" +nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in +de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is +weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie +1908 (art. 4 laatste lid). + +Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in +druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een +"door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde +(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel- +en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge +voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang +zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn +gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie +in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van +plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke +vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw +geene publicatie uitmaakt. + + + +Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na +bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het +het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort; +voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats +gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen, +die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene +als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn +heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de +behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk +nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en +buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin +de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; +de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming +daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor +in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen, +dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist. + +Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk +gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, +alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het +auteursrecht uitgaat [573]. + +Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden +samengevat. + +De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen +gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond +behooren, en + +2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke +nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de +landen van het Verbond heeft plaats gehad. + +Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den +druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen +van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken, +waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad. + +De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie +van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het +volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de +wet aldaar verleent; + +in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten +voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van +enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien +de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het +vertalingsrecht). + +In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als +ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig +enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens +gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is. + + + +Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden, +is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op +de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet. + +Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen +bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer +niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die +de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het +auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land +van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid). + +Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten" +(conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met +"conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het +voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige +gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele +voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574]. + +Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de +andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en +formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in +het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten +mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds +over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af +heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het +vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden, +hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden +gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie +van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention +de Berne" [575]. + +Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk +te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens +uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van +herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden +en formaliteiten. + +Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land +van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor +de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2 +Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder") +dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door +deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd, +geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst +heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien +deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming +stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het +lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het, +meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest, +dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den +Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving, +hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te +breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs, +van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen +van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration, +waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig +werd geacht [576]. + +De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, +d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt, +kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst +verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van +herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig +jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht +vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig +jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook +buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar. + +De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede, +dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd +is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de +Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het +ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van +het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten +(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend +is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien +men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut +van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende +wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste +wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk +eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag +in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van +herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land +geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet +ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge +gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met +een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.), +in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien +het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd +is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming +genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn +van het land van herkomst zou moeten gerekend worden. + +Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat +er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien +de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor +het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen, +behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie +zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een +auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die +de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming +betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden) +en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten +dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen +de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming +wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen +van de laatstgenoemde wet van toepassing. + + + +De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel +eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 +Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van +art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt: + + + Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid + van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit + onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk + van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het + werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst, + de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den + auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend + bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt + ingeroepen. + + +Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op +dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn +was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en +strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden +niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van +herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld, +en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar +wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming +betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen +onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de +Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel, +zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken +van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst +geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen. + +De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen, +nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming +wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten", +niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in +het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met +"formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde: +"conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de +oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt +niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord +"condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de +mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting +harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend +worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht +zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn +verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om +een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen, +had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten" +willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions +extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan +b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere +verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren +van het werk. + +Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de +Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in +het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt +van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke +voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor +een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in +het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer +heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen +twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar +niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden +en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is +medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de +Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene +belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger +niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel +der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld, +durven beweren. + +Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de +Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond +een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel +4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, +die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is +alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden +behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve +in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets +ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden +behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk; +en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet +tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land +van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende +bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide +artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden. + +Artikel 5 is als volgt geredigeerd: + + + Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne + werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland, + hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche + auteurs. + + +Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men +achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land +van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig, +dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde. + +De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der +bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de +motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke +de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde +stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat +aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te +zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle +Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580], +kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat +de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen. + +Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op +het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat +is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet +met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor +zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land +zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel +der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene +bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet +op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht, +daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door +de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is +dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden +waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom. + +De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt +eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als +voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus +van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche +auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in +de Conventie zelve omschreven zijn. + + + +De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het +Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen +dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen +zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886, +met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling +(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur, +maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was +vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot +het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken, +daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog +toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs +zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de +uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd +zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581]. + +De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde, +is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij +de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen +het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever +het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit +recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had +meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den +auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met +de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag +liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling +alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had +verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever +overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de +auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden +kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht +dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur, +kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den +uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het +auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl +hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch +ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht +direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke +hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij, +om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract +met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk +geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid +was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur, +het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook +moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht. + +Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder +uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden +[582]. Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er +aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam; +de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle, +om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs +te verleenen [583]. In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896 +bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3: + + + Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren, + maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst + in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren, + genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de + tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming. + + +De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele +veranderingen gebracht. Alleen werd--evenals ten aanzien van de tot het +Verbond behoorende auteurs was geschied--onderscheid gemaakt tusschen +de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land +waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd +heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als +volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908): + + + De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die + hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren, + genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs, + en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige + Overeenkomst verleent. + + +De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken +binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een +der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben +zij in het land van herkomst "dezelfde rechten als de inlandsche +auteurs"--eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting +meer behoeft--en in de overige Verbondslanden "de rechten, welke de +tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit: behandeling +in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel +voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2) +benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft. + + + +Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na +te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van +ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen +tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en +van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit +kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit +theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een +of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals +zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis, +die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat +de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt +van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden +en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven +te worden. + +Indien--wat te hopen is--de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt, +vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen +aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand +bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er +evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het +gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen +verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend +aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit +de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg +de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland +herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de +door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier, +maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen. + +Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft +gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking +reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en +verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze +door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze +nog even opsommen: + +1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt +tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die +in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de +Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd +zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3). + +2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere +Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden +gemaakt, ook: "de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige +Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend +terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886 +konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in +art. 2 genoemd. + +3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van "auteurs of hunne +rechtverkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen +in de hier besproken artikelen) veranderd in "auteurs". De toevoeging +"of hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers de +vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist wordt +[584]. + +4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond +en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie +1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van +het Verbond alleen als land van herkomst geldt. + +Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan, +om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan +dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in +de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het +Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3) +aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds +is gezegd, geene toelichting meer. + +Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding +tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908 +zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit +zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het +Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt +tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen +gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze +twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd. + + + +1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken--Artikel 27 van de +W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den +druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in +Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling +bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie +in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op +alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot +een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve +zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland +de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig +zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de +Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet +door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die +in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet) +woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt, +beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven +gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming +van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het +gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in +Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn, +terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland +herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen +zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland +wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval +niet Nederland, maar Duitschland het "land van herkomst" zou wezen en +dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou +zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer +wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou +leiden en dat het dus beter ware daarbij--of in de plaats daarvan--het +nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om +andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient. + +De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien +der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de +voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is gehouden) [585] kan +hier buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden is, is +op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen invloed. Is +een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de Conventie +eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van herkomst), +al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in Nederland +gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens de +Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst heeft. + +Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen +rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt +tusschen twee gevallen: + +a) Nederland is volgens de Conventie het "land van herkomst". De +Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland +zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de +Nederlandsche wet. + +b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot "land van +herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der +Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op: + +1o alle rechten, die onze wet toekent, en + +2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent +(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij +in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft, +de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land +van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover +zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie, +worden medegedeeld. + + + +2 Door den druk gemeen gemaakte werken--Deze werken vinden volgens +onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien +zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk +gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men +haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben, +goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden +het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens +de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land +van herkomst heeft. + +Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen +gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit +Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere +Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland +zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen +Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven +dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is, +wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de +Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van +art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te +zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt +moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt +(inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van +Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op +zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10) +vervuld moeten worden. + +De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de +bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte +werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel +de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5) +als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6) +genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door +den druk wordt gemeen gemaakt, "dezelfde rechten als de inlandsche +auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten +aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie +eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en +eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet, +daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen +onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve +zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven, +aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet +gebonden blijven. + +Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond +door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere +Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de +volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent +en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten), +maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn +(art. 4 lid 2, art. 6). + +Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch, +dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending +bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de +Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de, +toch al twijfelachtige [586], reden van bestaan dezer bepalingen nog +aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden hier +beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbondslanden +zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Nederland zelf +laten verschijnen, zouden--voor de bescherming in Nederland--zich +de vervulling der formaliteiten hebben te getroosten. En wat het +vereischte betreft, dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, dit +zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat er tegen het laten +drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar bestaat en men toch op +bescherming van het werk in ons land prijsstelt, dan zal de aangewezen +weg zijn, ook de uitgave in het buitenland (mits binnen het Verbond) +te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt, +zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland +niet beschermd zijn; wél echter, indien het ook in Duitschland werd +uitgegeven. Uitgave in Duitschland in plaats van in Nederland zou +bovendien nog het voordeel opleveren, dat de bescherming--ook die +in Nederland--van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl +ook de uitgebreidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen, +daar het werk dan als "uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de +uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds +nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn +er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland, +maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de +bescherming in het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog +hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming in Nederland +zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons land bij het +Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel: +hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch werk, +d.w.z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in Nederland nog beter +beschermd zijn dan indien het in Nederland was uitgegeven. + +Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft, +deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de +in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de +bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land +van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen +verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland +als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien +ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude +regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een +uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts +tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig +uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard, +zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En +behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen +kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte +"land van herkomst" van hunne werken zullen beschouwen. + +Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het +bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien +ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde +bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter +beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze +wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden +zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere +Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat +in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans +reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit +van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde, +dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn, +te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat +des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er +na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland +om zal worden gedrukt. + +Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in +verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het +bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881, +met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er +wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk +gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op: + +a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs +(hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien +der analoge bepaling in W. A. R.); + +b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. + +Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn: + +a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot +een der Verbondslanden behooren; + +b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst +door den druk zijn gemeen gemaakt. + +Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn: + +c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in +Nederland door den druk gemeen lieten maken. + +De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder +eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c +genoemde auteurs. + +Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven +tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene +beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk +dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, +of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe +van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is +(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid +dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel +voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare +handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding +tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het +land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te +zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle +andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch +werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een +Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van +hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt +gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk +met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de +bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of +formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies +hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd +zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den +druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch +stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar +in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de +bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland +het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens +art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland +op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten, +hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken +te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben +verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door +de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan! + + + +De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de +volgende. + +De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot +het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het +Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen +of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met +bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en +7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der +Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien +van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn) +terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan +de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in +den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs +en uitgevers de slachtoffers zouden worden. + +Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen +in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle +opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen: + +1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en +beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning +dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen +gemaakte werken zonder eenige formaliteit; + +2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn +gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op: + +a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche +onderdanen; + +b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn +gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou +ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid +W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker +onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde +drukkerij is gedrukt. + + + + +IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2) + +De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886 +is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop +de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van +invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere +landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet +van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den +kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den +duur van het auteursrecht door hem worden toegepast. + +Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de +bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar +geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het +land van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een +amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht +betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond +zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd opgemerkt, +dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen, +eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land +met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van den +langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog beschermd +zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds een einde had +genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde land de vreemde +auteurs zich met de bescherming van korten duur tevreden zouden moeten +stellen. Dit zou--zoo meende de Fransche delegatie--voor sommige landen +eene aanleiding kunnen zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van +korten duur in te voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun +nationaal standpunt alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren +[587]. + +De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het +Duitsche en het Fransche voorstel. + +In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond +aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid +van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt: + + + De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst + wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren + na zijn dood. + + +Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede +lid van het artikel luidt: + + + Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen + van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden + door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen + en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet + mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg + slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen + voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is. + + +De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van +vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet, +slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het +auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van +deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie +worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij +de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden +voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is--zooals ik reeds +opmerkte--niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat +de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den +dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet +de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming te +brengen. De Engelsche Regeering heeft zich zelfs op de Berlijnsche +Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle +vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden [588]. + +Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele +eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden +en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de +bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu +men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen +worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst +der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den +dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de +officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat +niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een +door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste +staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan. + +Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden +hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor +enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn +van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het +recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen [589]), zijn met +het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene regel +van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op: photographieën +en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en anonieme of +pseudonieme werken. De duur van het recht op deze werken zal geregeld +worden door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, +doch zal niet langer kunnen zijn dan die, welke de wet van het land +van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3). + +Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de +Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven +(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur +der bescherming dien van het land van herkomst "niet kan overtreffen" +(ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der Conventie +1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer bescherming +te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan +de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt verleend, stelt. Op +rechten, die buiten de Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de +bepaling dus niet toepasselijk [590]. + +De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de +berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming +in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het +land van herkomst in het geheel niet beschermd is--hetgeen trouwens +ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet +dikwijls meer zal voorkomen--dan kan dit niet meer, zooals onder +de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen +bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het +tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen +"onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van +herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen +twijfel over. + + + +Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar +aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige +overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar +na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit +het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij +ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet, +waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor +de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de +Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook +nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een +vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was, +dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een +boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen +de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel +die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter +bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat +trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven, +een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal +integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit +zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van +onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van +ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood +des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze +aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van +het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd +zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden +kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier, +maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij +aan deze werken een beter "land van herkomst" zouden kunnen bezorgen. + + + + +b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen + + +I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886 +art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III) + +Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend +vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer +gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Conventie was men +hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: "la disposition +capitale et essentielle du projet" [591] en later, op de Conferentie +van Parijs: "la question internationale par excellence" [592], en dat +dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de lange +beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berlijn over deze +kwestie gehouden. + +In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht +met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in +art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter +subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: "indien van +dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt." + +Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake +bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde +vraagpunten. Een dezer vragen luidde: + +"Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die +van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan +die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?" + +De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een +vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden +en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk +zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van +eenstemmigheid van alle staten op dit punt [593]. + +Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel +van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren +geformuleerd: + +1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn +van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te +beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling, +en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het +oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van +dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. + +2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig +voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het +oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal, +waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die +uitgave verschijnt. + +3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van +vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken. + +Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie +onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie +aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht +uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave +der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk +werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze +voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van +haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar +oordeel, dat "la tendance de l'époque est à l'assimilation de la +durée du droit exclusif de traduction à celle du droit sur l'oeuvre +originale" [594], doch dat de voorgestelde redactie alleen gekozen +was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet +zoover gevorderd was, mogelijk te maken. + +In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche +zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen, +terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid werd verklaard +om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te verleenen dan +een vertalingsrecht van tien jaar [595]. + +Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie +vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche +wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en +Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door +den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen, +weg te laten, óf--indien men hiertoe niet kon besluiten--in elk +geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest +verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te +verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen +kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou +volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden +gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie +te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel +werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel +werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met +het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming +hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie +zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van +overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten, +dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie +reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd. + +Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld, +in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na +de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet +binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen. + +Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie +1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn +van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als +een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden, +omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de +stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het +juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover +alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch, +zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken: + +"Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers +l'assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction +en général" [596]. + +Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie +van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken +zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van +"assimilation complète". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog +niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van +Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling +in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van +het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling +verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen. + +Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat +zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen +[597]. Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der Conventie +gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling zoodanig +gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel (volkomen +gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder meer is +vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende voorwaarde +inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. "Nos successeurs +n'auront qu'à supprimer tout ce qui suit cette phrase", merkte Renault +in zijn rapport daarbij op [598]. + +En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer +de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van +zijne in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang +gekoesterden wensch constateeren [599]. Het voorstel was uitgegaan van +Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner Bureau +de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel +(art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt: + + + De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van + niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor + de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in + de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht + op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken + te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen. + + +Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van +Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel +ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend +vertalingsrecht--doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en +de overige Verbondslanden--geheel te doen vervallen. Als argument +voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche +taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen, +dat daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en +zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de +andere beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig +letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg +werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu +ook het uitsluitend vertalingsrecht te moeten rekenen [600]. + +Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel +niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke +termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van +aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt +te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van de +grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien werd +opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht in +Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van hetgeen de +Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige vertalers door +onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij komen er juist +eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij de zekerheid +hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen zijn [601]. + +Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich +bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds +toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er--tenzij het +geheel uit de Unie wil treden--geen andere weg voor dit land over, +dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van +het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige +auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring +van den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908 +werd bij de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den +Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien +zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan +[602]. Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging der Conventie +1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan de bepaling van +art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte van Parijs. + +Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de +twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben +bekrachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog +slechts een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het +ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908 +onvoorwaardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede +plotseling in de voorste rij zullen komen te staan [603]. + + + +Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend +vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht, +dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste +werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie +1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte +maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch +onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling +verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking +wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde. + +Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die +zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over +deze keus--speciaal in verband met de toetreding van ons land--zal +zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter +eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde +Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet--of +tenminste niet terstond bij de aansluiting--het nieuwe art. 8 +onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van +1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan. + +Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort +tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of +zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de +rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement +accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden +dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend +materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele +Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld +heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten +op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk, +voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8 +Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als +"het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de +inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den +duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans +meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op +het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie +geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel +door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten +voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604]. + +Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een +minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit +de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond, +zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen +vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908 +(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij +de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie +1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang +ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte, +daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908, +het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen. + +De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel +getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat +aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren +duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs +minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen, +indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De +grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie +in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, +in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden +zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval +is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is +en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken +uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover +zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter +van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de +Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de +Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland +tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te +bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan +zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd +zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien +jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met +het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het +uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, +dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche +auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond +niet worden opgeheven of verkort. + +Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude +art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken. + +Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de +wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus: + + + De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne + rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend + recht hunne werken te vertalen, enz. + + +Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende +auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling +niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken +van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908 +en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig +"de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk +verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd +wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de +Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder +is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie +1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de +tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter +alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden +ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908). + +De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het +vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de +zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar +het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van +onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden +en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De +redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene +andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft +zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling +in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is +vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter +moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van +de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor +de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven +werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken +een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor +de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt, +zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet. + +In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin +de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden +nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den +termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn +nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten +aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften" +(bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van +1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage +paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même +une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de +l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique, +que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage +incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering" +geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter +ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de +"livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen. + +Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de +meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende +interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken +van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven +werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats +gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4 +lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt +tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige +Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het +artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar +het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt, +konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886 +geheel vervallen. + +Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht +der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons +land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van +onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit +slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg +korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven +worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen +het toetreden van ons land maken. + +Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd, +dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten +eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht +zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de +internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de +erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van +eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen +de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen +doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond, +bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt +te denken. + +Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond +blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886, +een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat +toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de +tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche +Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen +deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige +internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men +heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland +op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken, +door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden, +waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het +Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling, +waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de +internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de +gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde +ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer +eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om +in dezelfde richting verder te gaan. + +Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde +Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie +is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen +onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een +vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie +1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook +onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier +nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat, +slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte +goedkeuring verleenen. + +Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in +dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij +zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal +auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle +andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed +is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere +landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht +van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht +nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot +invoering van den langeren termijn kunnen overgaan. + +Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te +groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch +eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even +langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat +er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want, +ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard, +zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie +1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de +oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit +laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land +slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat +voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte +termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland +uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs) +zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken +uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde, +gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland +(en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden, +hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België +of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe +kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij +hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer +het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield. + +Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor +pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908 +onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande +den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar +"om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als +een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu, +dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou +kunnen hebben. + + + +Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de +Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige +auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor +uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de +belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave +en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij +voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij +(art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt, +geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op +in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen +beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er +zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche +wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het +vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901; +Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en +eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde; +Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een +"Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele +Acte hebben bekrachtigd). + +Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is +uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche +wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de +Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook +niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen +[608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de +inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming +zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond +toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen, +die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale +betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar +(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even +langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene +geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd +door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het +vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908). + + + + +II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7; +Add. Acte 1896 art. 1, IV) + +De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen +voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde +stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale +verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en +ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het +van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de +internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij +de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien. + +Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den +Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam, +werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885 +aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een +Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen +aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve +wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp +van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden +voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de +quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden +gerekend die over de politiek [609]. + +In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen +verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine +redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie +is opgenomen. + +Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit +dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van +elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft +verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour) +en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een +verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming +van auteur of uitgever worden overgenomen. + +Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring; +het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf +verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig +van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De +Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie, +waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening +gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen +neerlegden [611]. + +Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen: + +a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn; + +b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen +worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren, +dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen +in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het +artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron; + +c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten, +waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden. + +Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid +over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom +verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland, +België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat +men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had, +tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort +het volgende. + +In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene +regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften +("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige, +wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan +is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden. + +Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van +tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen +feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie +niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd. + +Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is +op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige +persinformaties dragen. + + + +De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie +achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men +de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden, +een oogenblik afzonderlijk beschouwt. + +Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op +het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting: +het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander +overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren +van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op +het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei +aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van +werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten +tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval +worden uitgestrekt? + +Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat +de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten +en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de +reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze +werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht +betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat +hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in +het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour +et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On +ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire, +ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu +de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts +peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et +non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser +cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière" +[614]. + +Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdrukking +gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat "de bescherming der +Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde berichten, +die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. Er is op de +Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene bepaling op te +nemen tegen het overnemen van telegraphische berichten uit dagbladen +[615]. Doch men heeft ingezien, dat men daarmede buiten het gebied van +het auteursrecht zou treden. Daarom is ook de bovengenoemde redactie +gekozen van art. 9 laatste lid, waarin duidelijk staat uitgedrukt, dat +de Conventie zich met de bedoelde berichten in het geheel niet inlaat +en zich over het al of niet rechtmatige van het overnemen ervan niet +uitspreekt [616]. Dit is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de +Add. Acte 1896 op dit punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten +(en ook op politieke artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk, +dat de auteur of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon +stellen, niet toepasselijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de +verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de +Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder +toestemming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin +b.v. een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak +echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en +Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer +hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen +geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten +beschouwing blijven. + +Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van +journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen +noodig zijn. + +Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt +tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en +de Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in +het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in +tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwijl de Conventie +1908 uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten +aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn, +dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting, +waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich +rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling +der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een +publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver, +het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere +bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook +voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van +een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal gevoelen, +om stukken uit andere bladen over te nemen. + +De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe bepaling +der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd. + +Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk +na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden +gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn, +geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie +1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen, +die der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan. + +Wij hebben dan te onderscheiden: + +1) feuilleton-romans en novellen, + +2) artikelen over de politiek, + +3) alle andere artikelen. + +De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886 +niet genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de +journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden [617], wordt veelal +aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en +dat dus ook vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen +voorbehoud behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit +ook te Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben +geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op +de Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde, +doch later weer ingetrokken "Verklaring", waarin deze interpretatie +uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over +voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar +slechts eene uitlegging der bepaling bracht [618]. + +Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke +bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van +oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene +wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; "... il n'y +a pas vraiment innovation; la disposition est seulement explicative", +merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op [619]. + +Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat +feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren, +waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten +(art. 9 lid 2). + +Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste +gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport +van 1896 worden de novellen ("nouvelles") omschreven als: "de petits +romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent +dans un seul article de journal ou de revue" [620]. De Engelsche +vertaling is "works of fiction" en de Duitsche "Novellen". Hier +is dus ook ons woord "novellen" op zijne plaats. De rapporteur van +1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving, +dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar +als tot deze soort werken behoorende genoemd: "de petits dialogues, +de petits récits historiques, etc." [621]. + + + +Onder artikelen over de politiek (articles de discussion politique), +die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886 +en Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan, +welke de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen +over staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin +heeft men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming +met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken [622]. + +Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en +gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen, +ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had, +vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten +aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche +bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op +de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet +aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een +auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk +van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908 +de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen +laten vallen. + + + +De, hierboven in de derde plaats genoemde, "alle andere artikelen", +waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn +dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken +in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde +berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek, +en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitgezonderd: +"nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige +pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen. + +Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog +voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen +voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel, +dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer +ingetrokken [623]. + + + +Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid, +die voor de genoemde werken wordt verleend? + +In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen +van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit +uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin +stemmen de regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen), +dat het auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den +rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven +te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door +het stellen van een verbod. + +Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen, +ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen +of verduidelijkingen hebben gebracht. + +In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet +worden onder het overnemen of "reproduceeren" van een artikel +in dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt +het reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de +uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de +Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar +er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het +auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van +reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor +iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De +Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is +alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude bepaling +(Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1) +liet het overnemen toe "in de andere Verbondslanden"; vrij algemeen +wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het overnemen in +andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel in geen geval +toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm te publiceeren. Zoowel +op de Berner Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie +van 1896 was men het over deze uitlegging der bepaling eens [624], +en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn +werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: "C'est une +précision, et non une innovation" [625]. + +Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die +betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd +voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie +opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van +het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van +den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld +[626]. Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel +duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het +voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens +de theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld, +geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam +de Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij +zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van +"de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde +en kunst"; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van +den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen +van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan, +"mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat het overnemen van +dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te voldoen, als +inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit doctrinair +oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te maken, +dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed onderscheidt. + +Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift +betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk +bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald +wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen +(Conventie 1908 art. 9 lid 2). + +De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der besproken +regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog het +minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het +volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken. + + +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ + |Van alle bescherming |Voorwaardelijk beschermd |Onvoorwaardelijk + |uitgesloten: |d. w. z. mits door uitgever |beschermd: + | |of schrijver een verbod van | + | |nadruk is gesteld: | +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ +Conventie |artikelen over de |dagblad- en |(feuilleton-romans +1886 |politiek, nieuwtjes en |tijdschriftartikelen |en novellen)[627] +art. 7 |gemengde berichten. | | +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ +Add. Acte | id. |id. behalve feuilleton- |feuilleton-romans +1896 | |romans en novellen. |en novellen. +art. 1, IV| |De bron moet worden genoemd.| +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ +Conventie |nieuwtjes en gemengde |dagblad-artikelen, behalve | id. +1908 |berichten, die het |feuilleton-romans en |benevens alle +art. 9 |karakter van eenvoudige|novellen. |artikelen in + |pers-informatie dragen.|De bron moet worden genoemd.|tijdschriften. +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ +W. A. R. | [628] |berichten en opstellen uit | +art. 7 | |dag- en weekbladen. | +lid 2 | |De bron moet worden genoemd.| +----------+-----------------------+----------------------------+------------------ + + +De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral met +den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding +van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien +in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier +uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte +werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit +"door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië is +geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn, +in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen +toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in andere +Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen +rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch +(d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te +beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier +te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede +lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou +hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit +de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven, +daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend de +plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats +waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist. + +Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze +toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in +overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit +niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter, +dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van +dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet +volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche +pers--eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan--dan bestaat +er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk ten +aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard, +ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich +aan de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze +verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de +Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en +de buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie +behoeven--zooals wij gezien hebben--geen aanleiding te geven tot +verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij +eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging +werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op +alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in +druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een +Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens +de Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en +de rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene +vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen +te kunnen toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk +zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en +tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het +overnemen van stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen. + +Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de +Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze +aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk +worde aanvaard. In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd, +dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie +1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen +laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen +den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de +beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk +van feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de +Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896. + +Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient +het nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat +hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, +het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen. + +Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal +zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele +Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw +toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat +dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen +beweren. + +Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe bepaling, +volgens welke de sanctie op het niet nakomen der verplichting, de +bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van het land, waar +de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 3). Eene +bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er staat daar +(art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen maken van +berichten enz. vrijstaat "mits de bron genoemd worde", doch de wet laat +zich niet uit over de gevolgen van de overtreding van dit verbod. Het +ware wellicht wenschelijk om--zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd +heb--op dit punt de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet +noemen van de bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit +(eene overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart. + + + + +III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art. 8) + +Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland +een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde, +waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het +belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het volgend +jaar van verschillende zijde bestrijding [629] en werd tenslotte in de +Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen [630]. Toen de poging, +om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele Verbond tot +stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de Commissie van 1885 +in de plaats van het afgestemde artikel de volgende bepaling voor, +die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd is blijven bestaan +(art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908): + + + Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of + kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk + karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de + bepalingen van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen + dezen bestaande of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten + gehandhaafd. + + +Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die +bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer +bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie +1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling +nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en +bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat +ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden +verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld. + + + +Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt +in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen "ter aankondiging +of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk +iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. Bij +de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de vrijheid van +citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van alle landen +werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne wetgeving +binnen zekere grenzen wordt erkend [631]. Aan deze verklaringen werd in +het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd [632]. Het mag dus +als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de Conventie +in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende bepalingen +der landswetten ook tegenover werken uit andere Verbondslanden van +kracht blijven. + +Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke +onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft, +gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding +tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken +van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen. + +Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast +artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen +Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt: + + + De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën, + samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers, + zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd + zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of + vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten. + + +Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk zijn +[633], en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook +b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden geacht, +zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding van ons +land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, van de vrijheid die +artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten en afzonderlijke +tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan volgens de thans +bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene bepaling, in den +zin van de bovengenoemde uit ons tractaat met Frankrijk, in onze wet +op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, welke +art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk zijn +op alle bloemlezingen, die in Nederland zouden worden verspreid, +waarin werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn +opgenomen. Het behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie +zijne tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs +dezen weg (nl. door eene bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen, +die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger +is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst +te sluiten. + +Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier +nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor +schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie, +althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door +tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van +17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot +de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het +bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken +van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de +bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt": +(volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het +geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze" +en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend +verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft +met den reus!" [634] + +Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg +en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in +'t geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de +wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche +rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk +moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie +worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften +in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van +andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen +zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten +bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid +van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling +van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers +gerust zijn. + + + + +IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. 1886 art. 9) + +Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en +uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene +afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie +1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel +reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand +gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar +werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan, +in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht. + +Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen +het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken +en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden +de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard; +het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk +waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden, +eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken +niet gold. + +Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken +was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van +Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs, +ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd +ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het +niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen +der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de +volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven +werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde +uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van +een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden +vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog +van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering +zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt, +zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen +door dilettanten, en dergelijke. + +Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig +den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden +en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt, +dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De +wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen +een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels +in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen +opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren +hun grond hadden verloren. + +Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van +muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken +en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de +oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele +andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis, +zooals hieronder zal blijken. + +In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering +door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer +vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten +van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van +1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2" +hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan +gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in +wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze, +dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden, +volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale +bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7 +Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het +uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien +hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de +landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het +afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd, +maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming +in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die +van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis +hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop +neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de +wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit +een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van +eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur +van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid +2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet +mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend, +dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van +het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn", +en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van +korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op- +of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land +verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, +doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal +het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere +landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten +termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig +jaar na den dood des auteurs [638]. + +Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie +1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de +boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van +tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier +valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe +bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang +het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen +ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het +uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld) +omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908 +hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het +recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld +(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien +van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het +evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil +is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten +opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan. + +Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne +lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in +dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de +artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering +eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8. + + + +Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op +onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en +uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15, +1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende +tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk +wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12). + +Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet. + +Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn +om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het +Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van +muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst +uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op +heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar +als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn +betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een +land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten +gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten, +dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden +om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de +wet worde erkend. + +Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben, +toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn, +dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen +uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming +nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden +verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze +zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze +toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken +in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet +te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal +blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien +van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is +het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de +erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het +muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit +wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908 +art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen +wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886. + +Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale +werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar +in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen +gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden +ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht +een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des +auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië +(tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens +het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige +auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet +dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere +Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen +maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt, +zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd +bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van +Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens +onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van +den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het +buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud, +dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk +zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit +niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden. + +Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen +voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht +zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten +worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In +dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het +opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding +tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te +worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige +bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is. + +Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal +(waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend +recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij +gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908, +de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht +van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen +over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten +toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen +van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere +landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve +uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der +Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen. + + + + +V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring +van Parijs 3o) + +De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk +van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het +samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij +met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet +worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het +op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit +vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886, +dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten +gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet +minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639]. + +Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de +min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het +werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt, +stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk +op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de +bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het +bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent: +"pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere +smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding +zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij +"omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als +voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in +veranderden vorm uit te sluiten. + +Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde +"dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling +van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag +bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft +men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het +artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt: + + + Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige + Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder + de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk + van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden + aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming + van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd, + enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een + dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen, + toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets + afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw, + oorspronkelijk werk. + + +In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van +dezen inhoud: + + + Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der + verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de + bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten. + + +Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te +schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette +[640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel +zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het +artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste +lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met +de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten +houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten +punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig +uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht +blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook +in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie, +die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het +recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht, +maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige +Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept +hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen, +arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft, +evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang +der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de +verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating +van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12 +Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op +dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling +mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn +land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het +artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642]. + + + +In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet +voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over +de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, +ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, +ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen +eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met +de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een +uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; +het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het +reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over +deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de +redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189 +sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid; +met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan +te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter +bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht +[643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na +onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou +kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land +zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te +verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen +van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en +dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan +kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene +dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid +worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene +uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde +interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2 +Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld. + + + + +VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886 +Slotpr. no. 3) + +In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886) +had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den +graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht +der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar +hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel +worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts +een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en +die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol +vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren, +die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het +verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets +over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in +de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De +bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt: + + + Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van + instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken + weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet + wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken. + + +Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven, +wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling, +welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk +te bespreken. + +Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886 +moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt +aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en +draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij +het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van +reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de +later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista, +phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél +inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij, +die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van +Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties, +die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in +1889 in dezen zin uitliet [644]. + +Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter +der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij +toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische +muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar +zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek +zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts +het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg, +dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd, +dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort +instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in +1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor +de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging +van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking +werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de +bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op +alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken +weer te geven" [645]. + +Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze +geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken +reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis +van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden +over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk +Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que +les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886) +marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments +de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition +aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires." + +De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en +verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van +muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar +omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus +in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646]. + +Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs +in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te +herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de +handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's, +elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van +muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten +reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen +notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds +luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan +de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming +te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle +muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op +aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te +vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde +toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was. + +Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner +Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook +geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen +(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en +Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens +was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische +muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken; +alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van +no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de +bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het +onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar +overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte, +nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13 +Conventie 1908 is voortgekomen. + +De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der +componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen, +zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken +spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van +die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche +wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde +lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene +bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten, +waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd. + +Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij +houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het +terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten +op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3 +Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat +dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde +instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering +noemt. + +De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste +staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing +hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men +ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen +rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de +auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner +werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou +kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen +ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er +voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over +nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan +deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling +opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten +gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder +derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van +strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het +bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem +bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland, +het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig +mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo +kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke +Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen, +waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van +art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden +of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden. + +Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd +te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit +het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft +voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten +van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs +zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik +te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog +uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een +staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht +zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten +minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens +deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van +instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder +voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden +mogen worden [650]. + +Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden +erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren +(cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is +gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een +bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel +bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste +lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden +der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor +mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid +3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen +gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die +muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die +wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens +zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de +beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden +vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport +wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit +artikel betreffen [651]. + +Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid +van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene +Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten, +rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde +voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den +componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft +men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13 +toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de +landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen +gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel +van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het +auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste +bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie, +die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den +aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld +schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652]. + + + +De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13 +Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig +toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door +eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol +1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd +komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn, +moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden +en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de +bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden, +tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol +1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt. + +Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet +bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der +componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het +auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen +meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen +eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding +tot de Conventie. + +Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne +meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik +reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te +lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts +voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het +auteursrecht ten grondslag hebben gelegen. + +Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied +van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend +tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden +van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor +bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder +gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen, +waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald +zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een +afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken +van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne +grenzen ervoor gesloten houden. + + + + +VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14) + +De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908; +het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische +voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan +behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de +Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit +reproductie-middel is gesproken. + +De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats +betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans +werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de +bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den +kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van +het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf +is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze +bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien +nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog +wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder +buiten beschouwing te kunnen laten. + +Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om +werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt +weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den +kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging +van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering +met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten +worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van +"letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet +alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie +op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook +de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen +uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede +vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in +het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde +dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en +gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend. + +Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van +wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft +kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt +in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan +eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling +te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld +is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte +operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel, +dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals +reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve +m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken" +in art. 14 als niet geschreven te beschouwen. + +Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door +middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds +opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar +in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is, +opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden +gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft +in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den +systematischen weg. + +De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in +art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische +voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de +auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der +voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk +karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel +van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of +kunst-werk". + +Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen +zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.), +geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit +een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor +kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik +van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een +oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben +verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle +"werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is. + +Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld, +is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch +de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk +[654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende +tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend, +ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met +betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der +kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang +van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant +is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking, +welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze +bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering" +kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde +auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van +den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk +werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen, +analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt +is het recht van den bewerker op zijne bewerking. + +Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling +verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen +zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken, +d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte, +"stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door +middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen +denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen +echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding +geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling +noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën +valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het +afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op +meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet +alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie, +maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere +acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt. + +Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de +inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting +op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het +omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te +verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene +regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan +de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel, +de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te +verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen, +die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen +vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den +kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer +korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de +auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen +aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven +natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van +het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf" +aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet +voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave +van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden), +zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken +van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2) +vrijgesteld zijn. + + + + +c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht + +In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908) +geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke +dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In +de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het +auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren +(art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten +leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd +(art. 16). + + + + +I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11) + +Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie +1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog +eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van +voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit +door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt, +kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder +onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante. + +De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee +categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van +den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den +naam van den uitgever dragen. + +Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur +vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook +als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio +juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet +hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de +tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is. + +Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme +werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er +worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat +de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende +is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend +te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de +uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch +het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft +overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat +geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs +als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal +worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware +naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden. + +Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam dragen +van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter niet--zooals in +enkele rechterlijke uitspraken werd gedaan [656]--worden afgeleid, dat +werken, waarop geen naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware +dit zoo, dan zou de Conventie hier voor eene bepaalde categorie +van werken (nl. door den druk gemeen gemaakte geschriften) eene +afzonderlijke voorwaarde voor de bescherming hebben voorgeschreven; +iets wat allerminst in de bedoeling lag en wat ook met het beginsel, +dat voorwaarden en formaliteiten buiten het land van herkomst niet +vervuld behoeven te worden (art. 4 lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid +2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. Het doel van het artikel is, +zooals duidelijk uit de daarover gehouden beraadslagingen blijkt +[657], den rechthebbenden het ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk +te maken. Met de vraag, of zekere werken al dan niet beschermd zijn, +hebben deze bepalingen dus niet te maken; zij hebben uitsluitend +betrekking op de rechtsmiddelen die dengene, op wiens recht inbreuk +is gemaakt, voor de rechtbanken der Verbondslanden ten dienste +staan. [658] + + + +Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief +karakter worden toegekend [659], in dien zin, dat zij moeten worden +toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei bepaling +van dezelfde strekking. Eene andere uitlegging zou aan het artikel +allen zin ontnemen. + +Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de +auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen +van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort +zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht eenigermate +bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf uitgekomen +werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste lid niet +kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus gedwongen +kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur is, +terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op +het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom +m. i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste +lid der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van +een in het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen +gelijkgesteld zou worden. + +In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking +vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der +Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken "wordt de uitgever, +en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan +op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt". In dit +opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden +zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun +naam bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet +worden de bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur +aangemerkt wordt, nader uiteengezet: hij kan "het werk inzenden bij het +departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en +doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte +exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de +auteur zelf bevoegd is". Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het indienen +van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, in de +M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke inbreuk +op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. Al +deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden of +formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld), +zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde +rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht +kunnen worden. + + + + +II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 art. 12; Add. Acte +1896 art. 1, V) + +Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie 1908 (dat in +de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) om den +auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond gemakkelijker +te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op door +ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden +gelegd. + +Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de +Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen +van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te +verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe opent [660]. + +De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor +de laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar +de tekst werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde +Lagerheim uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene +louter facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet +de verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond +het beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent, +bij zich in te voeren [661]. Tegen deze verklaring werd door geen der +andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het +Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op +dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene +eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de +woorden "bij den invoer", zoodat het ook toepasselijk werd op beslag +in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard, +doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens +in het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld +werd op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de +verplichting oplegt [662]. Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat +ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit +is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan +ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den +eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel mogelijk. + +Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in +het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van +de Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel +degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van +beslaglegging bij zich te erkennen [663]. Speciaal wordt er daar nog +op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen +ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt, +dat beslag gelegd kan worden; doch dit maakt de bepaling niet tot +eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan +de belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te +maken; doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te +zorgen dat deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat. + +Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste verklaring, +die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de gepubliceerde +handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit te lokken is +aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond meer bestaat. + +De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken +uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten, +ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan +deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene +wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden +door de daartoe "bevoegde autoriteiten" (art. 16 eerste lid) en +"overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche wetgeving van elk +land" (art. 16 derde lid). Waar de wet geen bepaling hierover inhoudt +en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, zal derhalve van de +naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht komen. Trouwens op +een punt van formeel recht als dit, waar "de wijze waarop" van zoo +groot belang is, is eene eenvoudige bepaling als die van de Conventie: +"... Er kan beslag gelegd worden ... enz." niet voldoende om zonder +nadere regeling eenig effect te kunnen hebben. + +In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke +regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze +regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude +artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag +bij invoer in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij voornamelijk +aan het geval, dat een werk in een land, waar de bescherming heeft +opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze nadruk in een +ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is verstreken, wordt +ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde exemplaren zouden +daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding ervan inbreuk op het +auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den auteur beschermen +door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, waardoor reeds +aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. Doch daar de +woorden "bij den invoer" tot de, niet gewilde, gevolgtrekking zouden +kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland niet meer mogelijk +was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk weggelaten. Op de +Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in het artikel +ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk het +beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het +redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren, +die afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet +beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet +ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele--overigens weinig +twijfelachtige--punten. + + + +Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land +bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in +deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord "beslag" +("saisie") gebruikt in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring +van het recht, conservatoir beslag dus [664]. Art. 22 W. A. R. verleent +aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid om beslag +te laten leggen op "exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht +door den druk zijn gemeen gemaakt". Hieronder zijn ongetwijfeld ook +begrepen de exemplaren, die in een ander land, waar dit geen inbreuk +op het auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd +met het aldaar bestaande auteursrecht, worden "gemeen gemaakt". In +dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16 +der Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de +bijna gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16). + +Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag +toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook +door de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen +aard, (rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en +phonografen, kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht +kan worden gepleegd. Artikel 16 der Conventie, dat het recht van +beslag toekent op "toute oeuvre contrefaite", is zonder eenigen +twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op +muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie +1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op +gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen +overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die +art. 16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23 +W. A. R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen, +waarvan de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons +land tot de Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht. + + + + +d Uitvoerings- en overgangsbepalingen + + +I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling +van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. 1886 art. 13) + +De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere Verbondslanden +sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit recht onder alle +omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, ook dan wanneer +hierdoor andere rechten worden geschonden of politie-maatregelen worden +overtreden. Elke staat behoudt daarom het recht, maatregelen te nemen +tegen de verspreiding, opvoering of uitstalling van sommige werken, +wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit wordt in art. 17 Conventie 1908 +uitdrukkelijk erkend; men mag echter aannemen, dat ook zonder deze +bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou trekken. + + + + +II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 art. 14 en +Slotpr. no. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II) + +Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de bescherming in +de verschillende Verbondslanden berust, deels op de bepalingen +der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, deels +ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land, +waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene +geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was +de vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding +toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat tijdstip reeds +bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der Association +en later op alle volgende diplomatieke Conferenties in bevestigenden +zin beantwoord. Doch daarmede was de grootste moeilijkheid nog niet +uit den weg geruimd. Er moest ook rekening worden gehouden met de +belangen dergenenen, die van de vrijheid van reproductie, waaraan door +het in werking treden der Conventie een einde zou komen, reeds gebruik +gemaakt zouden hebben. Indien men deze personen niet wilde dwingen, +de door hen, op volkomen geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie +plotseling te staken, waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen +lijden, dan moesten daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch +in de Conventie zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden +opgenomen, daar zij dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond +zouden moeten gelden. + +Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op +te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip +van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed +zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie +1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten +het vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886 +Slotprotocol no. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3). + +De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen overgangsbepaling +worden genoemd, d. w. z. hij schept geen overgangstijdperk, waarin de +bepalingen der Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die +werken worden van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken +van bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen +volgens het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij +kan worden gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van +art. 18 eerste lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886, +dat in verband staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in +1908 heeft ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in +de andere Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming +in het land van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908 +het ontbreken van bescherming in het land van herkomst geen beletsel +meer is, dat het werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt +(art. 4 lid 2), behalve wat betreft den duur van het recht, die dien +van het land van herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In +verband hiermede is nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders +geredigeerd dan art. 14 Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd +artikel de Conventie bij hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op +alle werken, die op dat tijdstip "nog geen gemeengoed waren geworden +in hun land van herkomst", is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd: +"als gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn". Immers +het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst +is het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in +de andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals +vroeger, ook het "gemeengoed worden" door een andere reden, b.v. omdat +de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld. + +Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het luidt: + + + Indien echter een werk wegens het verstrijken van den + beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld, + gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt + ingeroepen, zal dat werk daar niet opnieuw beschermd worden. + + +Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van nieuwe +Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet van +een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een +geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook +toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een beschermingstermijn +van dertig jaar na den dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig +jaar. Het gevolg hiervan is, dat de uit dat land afkomstige werken +nu ook in de andere landen, waar de termijn van vijftig jaar geldt, +twintig jaar langer bescherming vinden dan voorheen. De strekking der +hierboven afgeschreven bepaling is nu deze, dat in zulk een geval +de bescherming in die andere landen niet herleeft, indien zij daar +reeds, doordat de auteur voor meer dan dertig jaar gestorven was, +had opgehouden te bestaan. + +Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den +algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij +betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe +regeling "gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als gevolg +van het verstrijken van den beschermingstermijn". + +Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie +zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze +onder elkander of ieder voor zich vast te stellen. + +In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen +van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze +bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie +(art. 18 derde lid eerste zinsnede). + +Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten vrij, +over de invoering der Conventie op hun gebied in de binnenlandsche +wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, waarop deze +laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste zinsnede; +Conventie 1886 Slotprotocol no. 4 derde lid) is geredigeerd, en ook +uit hetgeen bij de daarover gehouden beraadslagingen is opgemerkt, +moet worden afgeleid, dat hier alleen die wettelijke bepalingen +worden bedoeld, welke ná het tot standkomen der Conventie, speciaal +met het oog op dit artikel, zouden worden gemaakt, en dat dus niet +(zooals ten opzichte der verdragen) de in de wetgevingen voorkomende +overgangsbepalingen bij analogie toepasselijk worden verklaard +[665]. Tevens, dat deze wetten wél de wijze waarop het beginsel van +art. 18 zal worden toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit +beperkingen of voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar +dat zij dit beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; dat dus de +staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit beginsel +in strijd is [666]. + +Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, binnen +de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft een +toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de +verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk +op te lossen vragen aanleiding heeft gegeven [667]. + +Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met +het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan +worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van +art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing +worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze +bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan +toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling +zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18 +(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben +aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde, +dat sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden +worden afgeschrikt [668]. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen welken +van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te stellen, +moet worden gebruik gemaakt. + +Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling van +art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van het +oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking treedt, +zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in aanmerking +komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit andere +landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat +de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze +zullen, behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds +een tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door +den Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de bescherming, +die vreemde werken hier zullen genieten); deels door de wetgevers +der verschillende Verbondslanden (ten aanzien der bescherming van de +Nederlandsche werken aldaar). + +Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, dat +vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in werking treden +dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter verboden nieuwe +uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren van buiten in te +voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger aangevangen bestellingen +of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling zal dus krachtens het +derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op de, onder de bepalingen +der Berner Conventie vallende, Nederlandsche werken in Frankrijk en +België en op de Fransche en Belgische werken alhier. Dit zal b.v. ook +gelden voor vertalingen, die wél volgens de Berner Conventie, doch +niet volgens de bovengenoemde twee tractaten een inbreuk op het +auteursrecht uitmaken. De vóór het in werking treden der Conventie +alhier zonder toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een +Fransch boek zal ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet +geoorloofd zijn er een nieuwe druk van te laten verschijnen. + +Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen +tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op +afzonderlijke wetten moeten berusten. + +Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten heeft +te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche werken +in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer landen, +te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat eene +wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. Alle +overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18 +eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe [669]. De +Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra de Conventie ten aanzien +van ons land in werking is getreden, de volle bescherming genieten. + +Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een +stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening +van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670], +die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de +Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer, +dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland +verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt, +verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen +drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet +geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan +dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn +vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze +verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de +auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal +werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald, +opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste +bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook +eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der +inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens +deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou +dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland +vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het +geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen +opvoering beschermd zijn. + +In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903 +en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus +ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden +toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de +inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet +geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des +auteurs te verspreiden [673]. + +Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt +op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in +het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder +verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door +degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg +op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend +hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken +worden gemaakt. + +In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van +25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het +auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit +van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe +staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk +besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn +verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer +ons land zich aansluit. + +De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche +werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht +was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de +desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan +daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel +18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met +rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de +bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en +belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een +nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen +aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674]. + +Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van +hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds +vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende +Verbondslanden te wachten staat. + +Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier +te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen. + +Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de +bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk +zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming +niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt +moeten worden. + +Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde +staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te +volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie +van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat +worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor +een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is +dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der +exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een +tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft, +dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn +ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd, +dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche +systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient +hierbij wellicht navolging. + +De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan, +mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde +doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te +blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie +jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk +aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal, +eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die, +zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat +m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van +bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die +reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen +moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele +maatregelen niet noodig. + + + +De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het +voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene +herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal +hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan +de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding +mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht, +(een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge +art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het +laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het +waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat +de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over +de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van +art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons +land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn +in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs: +dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland, +waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken +vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar +hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die +Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het +verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed +waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in +de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het +tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het +geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de +bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie +toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de +andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de +verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie +had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de +bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten, +die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij +b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is +van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar +na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar) +op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het +Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche +werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet +meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden +genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond +aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken, +die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde +landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat +zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten. + +Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering +in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke, +zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding +tot het Verbond. + +Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet +geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig +dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of +openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten +aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde, +in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg +zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst, +die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden +blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond +wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het +nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het +land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen +doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van +den beschermingstermijn. + +Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere +Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen, +in Nederland wél beschermd zijn. + +Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene +bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste +lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp +ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het +inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht +ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in +omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke +ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen +worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van +Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land +doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten +uit andere landen. + + + + +III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie +(Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.) + +Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake +geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken +beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming +waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten +haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten +kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere +tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten. + +Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft, +daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling +voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de +Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een +minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand +is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens +de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de +Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene +uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676]. + +Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om +aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke +bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der +Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat +de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet, +voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de +auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door +de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan +[677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van +de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel +(art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit +andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze +inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der +bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste. + +Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening +niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie +alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar +zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden +worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders +is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende +Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer +ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn +omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens +diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren, +maatstaf zouden moeten worden toegemeten. + +Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den +omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden +stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo +heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er +waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk +de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer +bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam +tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard +(art. 19 Conventie 1908): + + + De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de + toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in + de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten + gunste van vreemdelingen in het algemeen. + + +Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn +van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen +zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn +vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus, +als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche +auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der +Conventie. + +Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel +gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in +art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel +artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu +in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden +zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te +sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking +verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd +zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze +voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing. + +Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der +wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak +nooit voorgedaan. + +Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van +weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met +Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het +minimum der Conventie verheffen. + + + + +IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24; +Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6) + +De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke +inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van +het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt +geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende +Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties. + +Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen +bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding. + + + + +V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25 +en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19) + +Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen +afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te +nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij +aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen +[679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het +auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet +moet ook aan zekere eischen voldoen. + +Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is +hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel +het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van +uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen +worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op- +en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken +en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf +waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot +het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele +andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft, +voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal +hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten, +het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en +van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk +besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden +zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het +Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een +toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven. + +In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er +prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar +ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze +wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de +Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen +van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn. + +Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan +de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de +bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de +Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds +op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid +een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet +dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet +zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union, +nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault +opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig +maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied, +waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten +blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot +eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond, +zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden, +mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden +worden verstoord. + + + +Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen +worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven +geene nadere verklaring. + +Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige +verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao +ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt +het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél +in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze +koloniën in het moederland. + +Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën +bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand +nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een +land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding +zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval +zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als +een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3 +der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het +echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver +een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop +toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge +daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk +te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname. + +Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën, +die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan +de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van +beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal +dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden. + + + + +VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908 +artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte +1896 art. 20) + +De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking +noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard. + +Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de +Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de +staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid +te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval +blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten +van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél +aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten +verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven. + +Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding +en de opzegging. + +Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband +staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in +1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien +hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond +wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der +Conventie wordt veranderd. + +Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving +den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de +uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd +kunnen zijn. + +In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat, +die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op +een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896 +gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk +een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de +andere Verbondslanden. + +Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat +van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling +aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de +andere staten daarmede in kennis stelt. + + + + + + + +BIJLAGEN + + +BIJLAGE I + + +Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het +auteursrecht + + + + +§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht + + +Artikel 1 + +Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneelwerken en +mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om +dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of +op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden +toe. + +Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke +uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, +toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd +wordt. + + + +Artikel 2 + +Met auteurs worden gelijkgesteld: + +a. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen +van onderscheidene mede-arbeiders; + +b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en +vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken; + +c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling. + +Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders +behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door +hem geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen. + +Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden +blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing. + + + +Artikel 3 + +Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door +den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet +op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de +drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende +heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald, +met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending. + + + +Artikel 4 + +Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er geen +auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen +verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht +ter algemeene kennis gebracht is [682]. + + + +Artikel 5 + +Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door +den druk gemeen te maken vertalingen van: + +a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen +zijne mondelinge voordrachten; + +b. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij +de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan +op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer +bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en zijne vertaling +binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft +gemeen gemaakt. + +Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, +wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk +berekend. + + + +Artikel 6 + +Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen +wordt slechts ééne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden +de overige als vertalingen. + +De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op +den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke +beschouwt. + +Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal +des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt. + + + +Artikel 7 + +Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet, +dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, aanhalingen in andere +werken worden opgenomen. + +Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit +dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het +auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk +is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10. + + + +Artikel 8 + +Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak. + +Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over +bij erfopvolging. + +Het is niet vatbaar voor beslag. + + + + +§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door den druk +gemeen gemaakte werken + + +Artikel 10 + +Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt, +zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk, +op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig +onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der +uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement +van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van +den in art. 5b gestelden termijn. + +Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker +onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde +drukkerij is gedrukt. + + + +Artikel 11 + +Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een gedagteekend +bewijs van ontvangst af. + +Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in +een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen. + +Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgaaf +gedaan in de Nederlandsche Staatscourant. + + + +Artikel 12 + +De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of +tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die +werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de +oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den +omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt. + + + + +§ 3 Duur van het auteursrecht + + +Artikel 13 + +Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt +vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening +van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11. + +Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een +ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang. + + + +Artikel 14 + +Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken, +mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven +van den auteur en dertig jaren na zijn dood. + + + +Artikel 15 + +De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of +tooneelwerken uit- of op te voeren duurt: + +1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven +van den auteur en dertig jaren na zijn dood; + +2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende +bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de +dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst. + + + +Artikel 16 + +De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van +vertalingen duurt: + +1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge +voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat; + +2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren +sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van +ontvangst. + + + +Artikel 17 + +Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, +wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering +afzonderlijk berekend. + + + + +§ 4 Handhaving van het auteursrecht + + +Artikel 18 + +Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke +inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die opzettelijk inbreuk maakt +op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste +vijftig cents en ten hoogste tweeduizend gulden. + +De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de +den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het +plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den +Staat verbeurd verklaard. + + + Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari + 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 bis van het Wetboek + van Strafrecht: + + Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, + wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden. + + De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede + de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, + die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden + verbeurdverklaard. + + + +Artikel 19 + +Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op +eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, +wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten +hoogste zeshonderd gulden. + +De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren +worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard. + + + Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari + 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349ter van het Wetboek + van Strafrecht: + + Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op + eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, + wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. + + De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren + worden verbeurdverklaard. + + + +Artikel 20 + +De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd +dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. + + + Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari + 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 quater van het + Wetboek van Strafrecht: + + De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden + niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. + + + +Artikel 21 + +De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde exemplaren worden +aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze +zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis +in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze +exemplaren vernietigd. + +Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering +tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den +rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening. + + + +Artikel 22 + +Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en +afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met +hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt. + +Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen +berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze +tot eigen gebruik hebben verkregen. + +De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke +Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing. + + + +Artikel 23 + +Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot +vergoeding van kosten, schaden en interessen. + + + + +§ 5 Overgangsbepalingen + + +Artikel 24 + +Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard verkregen onder eene +vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één +jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring +inzendt bij het Departement van Justitie. + +De artt. 18-23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing. + + + +Artikel 25 + +Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door +den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet +voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds +vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen, +kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker +binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren, +op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig +onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf +van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave. + +Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur +van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs. + +Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen +tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn +aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren. + + + +Artikel 26 + +Het Departement van Justitie geeft aan de in de artikelen 24 en 25 +bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af. + +Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in +een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen. + +Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave +gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door +den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de +ingezonden werken. + + + + +§ 6 Slotbepalingen + + +Artikel 27 + +Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië +gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door +den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of +in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in +Nederland of in Nederlandsch-Indië gehouden mondelinge voordrachten. + + + +Artikel 28 + +Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië. + +De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden +ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan +opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de +verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie +opgedragen. + +De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig +de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over. + +In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indië van +toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende +reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen +de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die +voor de inlanders en met deze gelijkgestelden. + +Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in +Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden +uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt +overeenkomstig art. 25. + + + +Artikel 29 + +Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij, +van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken. + + + +Artikel 30 + +Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882. + + + + + + + +BIJLAGE II + + +Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken +van beeldende kunst + +(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884-1855 tweede +zitting 72-5.) + + + +§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op werken van beeldende kunst + + +Artikel 1 + +Het recht om een werk van beeldende kunst op oorspronkelijke grootte, +op grooter of op verkleinde schaal, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk +te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen +of dit door anderen te laten doen, hetzij door middel van dezelfde +of door eene andere beeldende kunst, of langs mechanischen weg, +komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken vervaardiger van het +kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden. + +Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve +op bouwkundige teekeningen en modellen. + + + +Artikel 2 + +Met den oorspronkelijken vervaardiger worden gelijkgesteld: + +a. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in art. 1 +bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van onderscheidene +kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen; + +b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen +ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte kunstwerken. + +Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder mede-arbeider +het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage afzonderlijk, +voor zoover niet het tegendeel is bedongen. + +Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden +blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten toepassing. + + + +Artikel 3 + +Als nabootsing wordt niet beschouwd: + +a. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het scheppen van +een nieuw kunstwerk; + +b. het maken van eene copie voor eigen studie van een kunstwerk, mits +dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel van winstbejag +geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat het eene +copie is. + +In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig +ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk +voorkomende, na te maken; + +c. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere afbeeldingen +van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst dienende, en + +d. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten. + + + +Artikel 4 + +Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, +op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door +eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht +bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk +toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 +bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet. + + + +Artikel 5 + +Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt beschouwd als +eene onlichamelijke roerende zaak. + +Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte +overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over +bij erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag. + + + +Artikel 6 + +De levering van een kunstwerk, waarvan het auteursrecht is gewaarborgd +volgens § 2 dezer wet, geldt niet als eigendomsverkrijging van +het auteursrecht voor den bezitter, die niet de oorspronkelijke +vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk bewijs kan +aantoonen, het auteursrecht met het kunstwerk te hebben verkregen +van den oorspronkelijken vervaardiger of diens rechtverkrijgende. + +Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende +zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een +kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten +maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten +aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen. + +Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet verkregen, +kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in zijne +woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, nabootsingen +of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het tegendeel +is overeengekomen. + + + + +§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op werken van +beeldende kunst + + +Artikel 7 + +Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst vervalt, indien +de oorspronkelijke vervaardiger of zijn rechtverkrijgende niet +vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste +maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter +bezichtiging is aangeboden, eene geschrevene en door hem of eenen bij +authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van +het kunstwerk, volgens door Ons vast te stellen model, inzendt bij een +der Departementen van algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat +het kunstwerk in platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere +verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving +een exemplaar ingezonden. + + + +Artikel 8 + +De betrokken Minister geeft aan den inzender een gedagteekend bewijs +van ontvangst van de beschrijving en van het exemplaar af. + +De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn +ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel. + +Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in +een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen. + +De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in Rijksverzamelingen +worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, aanduidende +dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van ontvangst +is afgegeven. + +Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave gedaan +in de Nederlandsche Staatscourant. + + + + +§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van beeldende kunst + + +Artikel 9 + +Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, te rekenen +van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 8. + +Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet aan +een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht levenslang. + + + +Artikel 10 + +Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of afleveringen bestaan, +wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering +afzonderlijk berekend. + + + +Artikel 11 + +Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn de artt. 7 en +8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het bewijs van +ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer als het +auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft. + + + + +§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van beeldende kunst + + +Artikel 12 + +Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van +door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, wordt hij die +opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, bedoeld in +art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig cents en +ten hoogste vijf duizend gulden. + +De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de +ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn, +alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen +en andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van +het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat +verbeurdverklaard. + + + +Artikel 13 + +Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens +anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, verkoopt, verspreidt of +openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste +vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden. + +De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten +behoeve van den Staat verbeurdverklaard. + + + +Artikel 14 + +De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden niet vervolgd, dan +op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. Gaan die misdrijven +gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar bedrog, +dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen ten aanzien der +strafvervolging. + + + +Artikel 15 + +De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde exemplaren, platen, +steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen worden +aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is gemaakt, of aan zijn +rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie +aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het veroordeelend vonnis in +kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van zoodanige aanmelding +worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen +en gereedschappen vernietigd. + +Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering +tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den +rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening. + + + +Artikel 16 + +Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in art. 1 of 4 bedoeld, +toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van +exemplaren welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd, +ook zelfs wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of +nagelvast zijn gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken +worden begrepen. + +Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het losmaken +der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren vastgehecht, +toegebracht. + +Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen +berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze +tot eigen gebruik hebben verkregen. + +De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke +Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing. + + + +Artikel 17 + +Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd heeft, worden +veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. + + + +Artikel 18 + +Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede zinsnede, +wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten +hoogste duizend gulden. + + + + +§ 5 Slotbepalingen + + +Artikel 19 + +Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië +vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken vervaardigd door in +Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars. + + + +Artikel 20 + +Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië. + +De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede +bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in +Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de +oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig +zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door +den Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de zorg van dezen +hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de Javasche Courant, +en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer wet aan den +betrokken Minister in Nederland opgedragen. + +De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig +de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over. + +In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor Nederlandsch-Indië +van toepassing de overeenkomstige bepalingen van de aldaar geldende +reglementen, met inachtneming van het verschil, dat bestaat tusschen +de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die +voor de inlanders en met deze gelijkgestelden. + + + +Artikel 21 + +Deze wet treedt in werking ........ + + + + + + + +BIJLAGE III + + +A + +Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la création d'une +Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires +et artistiques + + + +Article premier + +Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la +protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires +et artistiques. + + + +Article 2 + +Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs +ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres, +soit publiées dans un de ces pays, soit non publiées, des droits que +les lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la +suite aux nationaux. + +La jouissance de ces droits est subordonnée à l'accomplissement +des conditions et formalités prescrites par la législation du pays +d'origine de l'oeuvre; elle ne peut excéder, dans les autres pays, +la durée de la protection accordée dans ledit pays d'origine. + +Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre, celui de la première +publication, ou, si cette publication a lieu simultanément dans +plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont la législation +accorde la durée de protection la plus courte. + +Pour les oeuvres non publiées, le pays auquel appartient l'auteur +est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre. + + + +Article 3 + +Les stipulations de la présente Convention s'appliquent également +aux éditeurs d'oeuvres littéraires ou artistiques publiées dans un +des pays de l'Union, et dont l'auteur appartient à un pays qui n'en +fait pas partie. + + + +Article 4 + +L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend les +livres, brochures ou tous autres écrits; les oeuvres dramatiques ou +dramatico-musicales, les compositions musicales avec ou sans paroles; +les oeuvres de dessin, de peinture, de sculpture, de gravure; les +lithographies, les illustrations, les cartes géographiques; les +plans, croquis et ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à +la topographie, à l'architecture ou aux sciences en général; enfin +toute production quelconque du domaine littéraire, scientifique +ou artistique, qui pourrait être publiée par n'importe quel mode +d'impression ou de reproduction. + + + +Article 5 + +Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs ayants +cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif de faire +ou d'autoriser la traduction de leurs ouvrages jusqu'à l'expiration +de dix années à partir de la publication de l'oeuvre originale dans +l'un des pays de l'Union. + +Pour les ouvrages publiés par livraisons, le délai de dix années +ne compte qu'à dater de la publication de la dernière livraison de +l'oeuvre originale. + +Pour les oeuvres composées de plusieurs volumes publiés par +intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers publiés par +des sociétés littéraires ou savantes ou par des particuliers, chaque +volume, bulletin ou cahier est, en ce qui concerne le délai de dix +années, considéré comme ouvrage séparé. + +Dans les cas prévus au présent article, est admis comme date de +publication, pour le calcul des délais de protection, le 31 décembre +de l'année dans laquelle l'ouvrage a été publié. + + + +Article 6 + +Les traductions licites sont protégées comme des ouvrages +originaux. Elles jouissent, en conséquence, de la protection stipulée +aux articles 2 et 3 en ce qui concerne leur reproduction non autorisée +dans les pays de l'Union. + +Il est entendu que, s'il s'agit d'une oeuvre pour laquelle le droit +de traduction est dans le domaine public, le traducteur ne peut pas +s'opposer à ce que la même oeuvre soit traduite par d'autres écrivains. + + + +Article 7 + +Les articles de journaux ou de recueils périodiques publiés dans +l'un des pays de l'Union peuvent être reproduits, en original ou en +traduction, dans les autres pays de l'Union, à moins que les auteurs +ou éditeurs ne l'aient expressément interdit. Pour les recueils, il +peut suffire que l'interdiction soit faite d'une manière générale en +tête de chaque numéro du recueil. + +En aucun cas, cette interdiction ne peut s'appliquer aux articles de +discussion politique ou à la reproduction des nouvelles du jour et +des faits divers. + + + +Article 8 + +En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des +oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées +à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des +chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de +l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure +entre eux. + + + +Article 9 + +Les stipulations de l'article 2 s'appliquent à la représentation +publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces +oeuvres soient publiées ou non. + +Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou leurs +ayants cause, sont, pendant la durée de leur droit exclusif de +traduction, réciproquement protégés contre la représentation publique +non autorisée de la traduction de leurs ouvrages. + +Les stipulations de l'article 2 s'appliquent également à l'exécution +publique des oeuvres musicales non publiées ou de celles qui ont été +publiées, mais dont l'auteur a expressément déclaré sur le titre ou +en tête de l'ouvrage qu'il en interdit l'exécution publique. + + + +Article 10 + +Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites +auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations +indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique, +désignées sous des noms divers, tels que: adaptations, arrangements +de musique, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction d'un +tel ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des +changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans +présenter d'ailleurs le caractère d'une nouvelle oeuvre originale. + +Il est entendu que, dans l'application du présent article, les +tribunaux des divers pays de l'Union tiendront compte, s'il y a lieu, +des réserves de leurs lois respectives. + + + +Article 11 + +Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention +soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis, +en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union à +exercer des poursuites contre les contrefaçons, il suffit que leur +nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée. + +Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est +indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à +l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur +anonyme ou pseudonyme. + +Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le +cas échéant, la production d'un certificat délivré par l'autorité +compétente, constatant que les formalités prescrites, dans le sens +de l'article 2, par la législation du pays d'origine ont été remplies. + + + +Article 12 + +Toute oeuvre contrefaite peut être saisie à l'importation dans ceux des +pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection légale. + +La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque +pays. + + + +Article 13 + +Il est entendu que les dispositions de la présente Convention ne +peuvent porter préjudice, en quoi que ce soit, au droit qui appartient +au Gouvernement de chacun des pays de l'Union de permettre, de +surveiller, d'interdire, par des mesures de législation ou de police +intérieure, la circulation, la représentation, l'exposition de tout +ouvrage ou production à l'égard desquels l'autorité compétente aurait +à exercer ce droit. + + + +Article 14 + +La présente Convention, sous les réserves et conditions à déterminer +d'un commun accord, s'applique à toutes les oeuvres qui, au moment +de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le domaine +public dans leur pays d'origine. + + + +Article 15 + +Il est entendu que les Gouvernements des pays de l'Union se réservent +respectivement le droit de prendre séparément, entre eux, des +arrangements particuliers, en tant que ces arrangements conféreraient +aux auteurs ou à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux +accordés par l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations +non contraires à la présente Convention. + + + +Article 16 + +Un office international est institué sous le nom de Bureau de +l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires +et artistiques. + +Ce Bureau, dont les frais sont supportés par les Administrations +de tous les pays de l'Union, est placé sous la haute autorité de +l'Administration supérieure de la Confédération Suisse, et fonctionne +sous sa surveillance. Les attributions en sont déterminées d'un commun +accord entre les pays de l'Union. + + + +Article 17 + +La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y +introduire les améliorations de nature à perfectionner le système +de l'Union. + +Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à +d'autres points de vue le développement de l'Union, seront traitées +dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de +l'Union entre les délégués desdits pays. + +Il est entendu qu'aucun changement à la présente Convention ne sera +valable pour l'Union que moyennant l'assentiment unanime des pays +qui la composent. + + + +Article 18 + +Les pays qui n'ont point pris part à la présente Convention et qui +assurent chez eux la protection légale des droits faisant l'objet de +cette Convention, seront admis à y accéder sur leur demande. + +Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la +Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres. + +Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses et +admission à tous les avantages stipulés dans la présente Convention. + + + +Article 19 + +Les pays accédant à la présente Convention ont aussi le droit d'y +accéder en tout temps pour leurs colonies ou possessions étrangères. + +Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par +laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans +l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises, +soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues. + + + +Article 20 + +La présente Convention sera mise à exécution trois mois après +l'échange des ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps +indéterminé, jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la +dénonciation en aura été faite. + +Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement chargé de recevoir +les accessions. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui +l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays +de l'Union. + + + +Article 21 + +La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront +échangées à Berne, dans le délai d'un an au plus tard. + +En foi de quoi, etc. + + + +Article additionnel + +La Convention conclue à la date de ce jour n'affecte en rien le +maintien des Conventions actuellement existantes entre les pays +contractants, en tant que ces Conventions confèrent aux auteurs ou +à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux accordés par +l'Union, ou qu'elles renferment d'autres stipulations qui ne sont +pas contraires à cette Convention. + +En foi de quoi, etc. + + + +Protocole de clôture + +1 Au sujet de l'article 4, il est convenu que ceux des pays de l'Union +où le caractère d'oeuvres artistiques n'est pas refusé aux oeuvres +photographiques s'engagent à les admettre, à partir de la mise en +vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au bénéfice de ses +dispositions. Ils ne sont, d'ailleurs, tenus de protéger les auteurs +desdites oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou +à conclure, que dans la mesure où leur législation permet de le faire. + +Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art +protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection +légale, au sens de ladite Convention, aussi longtemps que dure le +droit principal de reproduction de cette oeuvre même, et dans les +limites des conventions privées entre les ayants droit. + + +2 Au sujet de l'article 9, il est convenu que ceux des pays de +l'Union dont la législation comprend implicitement, parmi les +oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques, admettent +expressément lesdites oeuvres au bénéfice des dispositions de la +Convention conclue en date de ce jour. + +Il est d'ailleurs entendu que les contestations qui s'élèveraient sur +l'application de cette clause demeurent réservées à l'appréciation +des tribunaux respectifs. + + +3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments +servant à reproduire mécaniquement des airs de musique empruntés au +domaine privé ne sont pas considérées comme constituant le fait de +contrefaçon musicale. + + +4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est déterminé +ainsi qu'il suit: + +L'application de la Convention aux oeuvres non tombées dans le +domaine public au moment de sa mise en vigueur aura lieu suivant les +stipulations y relatives contenues dans les conventions spéciales +existantes ou à conclure à cet effet. + +A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les +pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la +législation intérieure, les modalités relatives à l'application du +principe contenu à l'article 14. + + +5 L'organisation du Bureau international prévu à l'article 16 de +la Convention sera fixée par un règlement que le Gouvernement de la +Confédération Suisse est chargé d'élaborer. + +La langue officielle etc. [683] + + +6 La prochaine Conférence aura lieu à Paris, dans le délai de quatre +à six ans à partir de l'entrée en vigueur de la Convention. + +Le Gouvernement français en fixera la date dans ces limites, après +avoir pris l'avis du Bureau international. + + +7 Il est convenu que, pour l'échange des ratifications prévu +à l'article 21, chaque Partie contractante remettra un seul +instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux archives +du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en +retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des ratifications, +signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part. + +Le présent Protocole de clôture, qui sera ratifié en même temps que +la Convention conclue à la date de ce jour, sera considéré comme +faisant partie intégrante de cette Convention, et aura même force, +valeur et durée. + +En foi de quoi, etc. + + + + +B + +Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles 2, 3, 5, 7, +12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les numéros 1 et 4 du +Protocole de clôture y annexé + + + +Article premier + +La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est modifiée ainsi +qu'il suit: + +I--Article 2--Le premier alinéa de l'article 2 aura la teneur suivante: + + + "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs + ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres, + soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans + un de ces pays, des droits que les lois respectives accordent + actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux." + + +Il est, en outre, ajouté un cinquième alinéa ainsi conçu: + + + "Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les oeuvres protégées." + + +II--Article 3--L'article 3 aura la teneur suivante: + + + "Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union, + mais qui auront publié ou fait publier, pour la première fois, + leurs oeuvres littéraires ou artistiques dans l'un de ces pays, + jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accordée par la + Convention de Berne et par le présent Acte additionnel." + + +III--Article 5--Le premier alinéa de l'article 5 aura la teneur +suivante: + + + "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs + ayants cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif + de faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres pendant + toute la durée du droit sur l'oeuvre originale. Toutefois, le + droit exclusif de traduction cessera d'exister lorsque l'auteur + n'en aura pas fait usage dans un délai de dix ans à partir de + la première publication de l'oeuvre originale, en publiant ou en + faisant publier, dans un des pays de l'Union, une traduction dans + la langue pour laquelle la protection sera réclamée." + + +IV--Article 7--L'article 7 aura la teneur suivante: + + + "Les romans-feuilletons, y compris les nouvelles, publiés dans + les journaux ou recueils périodiques d'un des pays de l'Union, + ne pourront être reproduits, en original ou en traduction, dans + les autres pays, sans l'autorisation des auteurs ou de leurs + ayants cause. + + "Il en sera de même pour les autres articles de journaux ou + de recueils périodiques, lorsque les auteurs ou éditeurs auront + expressément déclaré, dans le journal ou le recueil même où ils les + auront fait paraître, qu'ils en interdisent la reproduction. Pour + les recueils, il suffit que l'interdiction soit faite d'une + manière générale en tête de chaque numéro. + + "A défaut d'interdiction, la reproduction sera permise à la + condition d'indiquer la source. + + "En aucun cas, l'interdiction ne pourra s'appliquer aux articles de + discussion politique, aux nouvelles du jour et aux faits divers." + + +V--Article 12--L'article 12 aura la teneur suivante: + + + "Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités + compétentes des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à + la protection légale. + + "La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de + chaque pays." + + +VI--Article 20--Le deuxième alinéa de l'article 20 aura la teneur +suivante: + + + "Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la + Confédération Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du + pays qui l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les + autres pays de l'Union." + + + +Article 2 + +Le Protocole de Clôture annexé à la Convention du 9 Septembre 1886 +est modifié ainsi qu'il suit: + +I--Numéro 1--Ce numéro aura la teneur suivante: + + + "1 Au sujet de l'article 4, il est convenu ce qui suit: + + "A--Dans les pays de l'Union où la protection est accordée non + seulement aux plans d'architecture, mais encore aux oeuvres + d'architecture elles-mêmes, ces oeuvres sont admises au bénéfice + des dispositions de la Convention de Berne et du présent Acte + additionnel. + + "B--Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un + procédé analogue sont admises au bénéfice des dispositions de ces + actes, en tant que la législation intérieure permet de le faire, + et dans la mesure de la protection qu'elle accorde aux oeuvres + nationales similaires. + + "Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art + protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection + légale, au sens de la Convention de Berne et du présent Acte + additionnel, aussi longtemps que dure le droit principal de + reproduction de cette oeuvre même, et dans les limites des + conventions privées entre les ayants droit." + + +II--Numéro 4--Ce numéro aura la teneur suivante: + + + "4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est + déterminé ainsi qu'il suit: + + "L'application de la Convention de Berne et du présent Acte + additionnel aux oeuvres non tombées dans le domaine public dans + leur pays d'origine au moment de la mise en vigueur de ces actes, + aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans + les Conventions spéciales existantes ou à conclure à cet effet. + + "A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les + pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la + législation intérieure, les modalités relatives à l'application + du principe contenu dans l'article 14. + + "Les stipulations de l'article 14 de la Convention de Berne et du + présent numéro du Protocole de clôture s'appliquent également au + droit exclusif de traduction, tel qu'il est assuré par le présent + Acte additionnel. + + "Les dispositions transitoires mentionnées ci-dessus sont + applicables en cas de nouvelles accessions à l'Union." + + + +Article 3 + +Les pays de l'Union qui n'ont point participé au présent Acte +additionnel seront admis à y accéder en tout temps sur leur demande. Il +en sera de même pour les Pays qui accéderont ultérieurement à la +Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, à cet effet, d'une +notification adressée par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui +notifiera à son tour cette accession aux autres Gouvernements. + + + +Article 4 + +Le présent Acte additionnel aura même valeur et durée que la Convention +du 9 Septembre 1886. + +Il sera ratifié et les ratifications en seront échangées à Paris dans +la forme adoptée pour cette Convention, aussitôt que faire se pourra, +et au plus tard dans le délai d'une année. + +Il entrera en vigueur, trois mois après cet échange, entre les Pays +qui l'auront ratifié. + +En foi de quoi, etc. + + + +Déclaration du 4 Mai 1896 interprétant certaines dispositions de +la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel +signé à Paris le 4 Mai 1896 + +Les Plénipotentiaires soussignés de l'Allemagne, de la Belgique, +de l'Espagne, de la France, de l'Italie, du Luxembourg, de Monaco, +du Monténégro, de la Norvège, de la Suisse et de la Tunisie, dûment +autorisés à cet effet par leurs Gouvernements respectifs, sont convenu +de ce qui suit, en ce qui concerne l'interprétation de la Convention +de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel de ce jour: + + + 1o Aux termes de l'article 2, alinéa 2, de la Convention, la + protection assurée par les actes précités dépend uniquement + de l'accomplissement, dans le pays d'origine de l'oeuvre, des + conditions et formalités qui peuvent être prescrites par la + législation de ce pays. Il en sera de même pour la protection + des oeuvres photographiques mentionnées dans le no. 1, lettre B, + du Protocole de clôture modifié. + + 2o Par oeuvres publiées il faut entendre les oeuvres éditées + dans un des pays de l'Union. En conséquence, la représentation + d'une oeuvre dramatique ou dramatico-musicale, l'exécution d'une + oeuvre musicale, l'exposition d'une oeuvre d'art, ne constituent + pas une publication dans le sens des actes précités. + + 3o La transformation d'un roman en pièce de théâtre, ou d'une pièce + de théâtre en roman, rentre dans les stipulations de l'article 10. + + +Les pays de l'Union qui n'ont point participé à la présente Déclaration +seront admis à y accéder en tout temps, sur leur demande. Il en +sera de même pour les Pays qui accéderont, soit à la Convention du +9 Septembre 1886, soit à cette Convention et à l'Acte additionnel +du 4 Mai 1896. Il suffira, à cet effet, d'une notification adressée +par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour cette +accession aux autres Gouvernements. + +La présente Déclaration aura même valeur et durée que les actes +auxquels elle se rapporte. + +Elle sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Paris +dans la forme adoptée pour ces actes, aussitôt que faire se pourra, +et au plus tard dans le délai d'une année. + +En foi de quoi, etc. + + + + +C + +Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres littéraires +et artistiques du 13 Novembre 1908 + + + +Article premier + +Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la +protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires +et artistiques. + + + +Article 2 + +L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend toute +production du domaine littéraire, scientifique ou artistique, +quel qu'en soit le mode ou la forme de reproduction, telle que: +les livres, brochures, et autres écrits; les oeuvres dramatiques ou +dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques et les pantomimes, +dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; les +compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de +peinture, d'architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie; +les illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et +ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à la topographie, +à l'architecture ou aux sciences. + +Sont protégés comme des ouvrages originaux, sans préjudice des droits +de l'auteur de l'oeuvre originale, les traductions, adaptations, +arrangements de musique et autres reproductions transformées d'une +oeuvre littéraire ou artistique, ainsi que les recueils de différentes +oeuvres. + +Les Pays contractants sont tenus d'assurer la protection des oeuvres +mentionnées ci-dessus. + +Les oeuvres d'art appliqué à l'industrie sont protégées autant que +permet de le faire la législation intérieure de chaque pays. + + + +Article 3 + +La présente Convention s'applique aux oeuvres photographiques et aux +oeuvres obtenues par un procédé analogue à la photographie. Les Pays +contractants sont tenus d'en assurer la protection. + + + +Article 4 + +Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union jouissent, +dans les pays autres que le pays d'origine de l'oeuvre, pour leurs +oeuvres, soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans +un pays de l'Union, des droits que les lois respectives accordent +actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux, ainsi que +des droits spécialement accordés par la présente Convention. + +La jouissance et l'exercice de ces droits ne sont subordonnés à aucune +formalité; cette jouissance et cet exercice sont indépendants de +l'existence de la protection dans le pays d'origine de l'oeuvre. Par +suite, en dehors des stipulations de la présente Convention, l'étendue +de la protection ainsi que les moyens de recours garantis à l'auteur +pour sauvegarder ses droits se règlent exclusivement d'après la +législation du pays où la protection est réclamée. + +Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre: pour les oeuvres non +publiées, celui auquel appartient l'auteur; pour les oeuvres publiées, +celui de la première publication, et pour les oeuvres publiées +simultanément dans plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont +la législation accorde la durée de protection la plus courte. Pour +les oeuvres publiées simultanément dans un pays étranger à l'Union et +dans un pays de l'Union, c'est ce dernier pays qui est exclusivement +considéré comme pays d'origine. + +Par oeuvres publiées, il faut, dans le sens de la présente Convention, +entendre les oeuvres éditées. La représentation d'une oeuvre dramatique +ou dramatico-musicale, l'exécution d'une oeuvre musicale, l'exposition +d'une oeuvre d'art et la construction d'une oeuvre d'architecture ne +constituent pas une publication. + + + +Article 5 + +Les ressortissants de l'un des pays de l'Union, qui publient pour +la première fois leurs oeuvres dans un autre pays de l'Union, ont, +dans ce dernier pays, les mêmes droits que les auteurs nationaux. + + + +Article 6 + +Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union, qui +publient pour la première fois leurs oeuvres dans l'un de ces pays, +jouissent, dans ce pays, des mêmes droits que les auteurs nationaux, +et dans les autres pays de l'Union, des droits accordés par la +présente Convention. + + + +Article 7 + +La durée de la protection accordée par la présente Convention comprend +la vie de l'auteur et cinquante ans après sa mort. + +Toutefois, dans le cas où cette durée ne serait pas uniformément +adoptée par tous les pays de l'Union, la durée sera réglée par la loi +du pays où la protection sera réclamée et elle ne pourra excéder la +durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre. Les Pays contractants +ne seront, en conséquence, tenus d'appliquer la disposition de +l'alinéa précédent que dans la mesure où elle se concilie avec leur +droit interne. + +Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un +procédé analogue à la photographie, pour les oeuvres posthumes, pour +les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la durée de la protection est +réglée par la loi du pays où la protection est réclamée, sans que cette +durée puisse excéder la durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre. + + + +Article 8 + +Les auteurs d'oeuvres non publiées, ressortissant à l'un des pays de +l'Union, et les auteurs d'oeuvres publiées pour la première fois dans +un de ces pays jouissent, dans les autres pays de l'Union, pendant +toute la durée du droit sur l'oeuvre originale, du droit exclusif de +faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres. + + + +Article 9 + +Les romans-feuilletons, les nouvelles et toutes autres oeuvres, +soit littéraires, soit scientifiques, soit artistiques, quel qu'en +soit l'objet, publiés dans les journaux ou recueils périodiques d'un +des pays de l'Union, ne peuvent être reproduits dans les autres pays +sans le consentement des auteurs. + +A l'exclusion des romans-feuilletons et des nouvelles, tout article de +journal peut être reproduit par un autre journal, si la reproduction +n'en est pas expressément interdite. Toutefois, la source doit être +indiquée; la sanction de cette obligation est déterminée par la +législation du pays où la protection est réclamée. + +La protection de la présente Convention ne s'applique pas aux +nouvelles du jour ou aux faits divers qui ont le caractère de simples +informations de presse. + + + +Article 10 + +En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des +oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées +à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des +chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de +l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure +entre eux. + + + +Article 11 + +Les stipulations de la présente Convention s'appliquent à la +représentation publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, +et à l'exécution publique des oeuvres musicales, que ces oeuvres +soient publiées ou non. + +Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales sont, +pendant la durée de leur droit sur l'oeuvre originale, protégés +contre la représentation publique non autorisée de la traduction de +leurs ouvrages. + +Pour jouir de la protection du présent article, les auteurs, +en publiant leurs oeuvres, ne sont pas tenus d'en interdire la +représentation ou l'exécution publique. + + + +Article 12 + +Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites +auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations +indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique, +telles que adaptations, arrangements de musique, transformations +d'un roman, d'une nouvelle ou d'une poésie en pièce de théâtre et +réciproquement, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction de +cet ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des +changements, additions ou retranchements, non essentiels, et sans +présenter le caractère d'une nouvelle oeuvre originale. + + + +Article 13 + +Les auteurs d'oeuvres musicales ont le droit exclusif d'autoriser: 1o +l'adaptation de ces oeuvres à des instruments servant à les reproduire +mécaniquement; 2o l'exécution publique des mêmes oeuvres au moyen de +ces instruments. + +Des réserves et conditions relatives à l'application de cet article +pourront être déterminées par la législation intérieure de chaque +pays, en ce qui le concerne; mais toutes réserves et conditions de +cette nature n'auront qu'un effet strictement limité au pays qui les +aurait établies. + +La disposition de l'alinéa 1er n'a pas d'effet rétroactif et, par +suite, n'est pas applicable, dans un pays de l'Union, aux oeuvres +qui, dans ce pays, auront été adaptées licitement aux instruments +mécaniques avant la mise en vigueur de la présente Convention. + +Les adaptations faites en vertu des alinéas 2 et 3 du présent article +et importées, sans autorisation des parties intéressées, dans un pays +où elles ne seraient pas licites, pourront y être saisies. + + + +Article 14 + +Les auteurs d'oeuvres littéraires, scientifiques ou artistiques ont +le droit exclusif d'autoriser la reproduction et la représentation +publique de leurs oeuvres par la cinématographie. + +Sont protégées comme oeuvres littéraires ou artistiques les productions +cinématographiques lorsque, par les dispositifs de la mise en scène +ou les combinaisons des incidents représentés, l'auteur aura donné +à l'oeuvre un caractère personnel et original. + +Sans préjudice des droits de l'auteur de l'oeuvre originale, +la reproduction par la cinématographie d'une oeuvre littéraire, +scientifique ou artistique est protégée comme une oeuvre originale. + +Les dispositions qui précèdent s'appliquent à la reproduction +ou production obtenue par tout autre procédé analogue à la +cinématographie. + + + +Article 15 + +Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention +soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis, +en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union, +à exercer des poursuites contre les contrefacteurs, il suffit que +leur nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée. + +Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est +indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à +l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur +anonyme ou pseudonyme. + + + +Article 16 + +Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités compétentes +des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection +légale. + +Dans ces pays, la saisie peut aussi s'appliquer aux reproductions +provenant d'un pays où l'oeuvre n'est pas protégée ou a cessé de +l'être. + +La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque +pays. + + + +Article 17 + +Les dispositions de la présente Convention ne peuvent porter préjudice, +en quoi que ce soit, au droit qui appartient au Gouvernement de chacun +des pays de l'Union de permettre, de surveiller, d'interdire, par des +mesures de législation ou de police intérieure, la circulation, la +représentation, l'exposition de tout ouvrage ou production à l'égard +desquels l'autorité compétente aurait à exercer ce droit. + + + +Article 18 + +La présente Convention s'applique à toutes les oeuvres qui, au +moment de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le +domaine public de leur pays d'origine par l'expiration de la durée +de la protection. + +Cependant, si une oeuvre, par l'expiration de la durée de protection +qui lui était antérieurement reconnue, est tombée dans le domaine +public du pays où la protection est réclamée, cette oeuvre n'y sera +pas protégée à nouveau. + +L'application de ce principe aura lieu suivant les stipulations +contenues dans les conventions spéciales existantes ou à conclure à +cet effet entre pays de l'Union. A défaut de semblables stipulations, +les pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, les +modalités relatives à cette application. + +Les dispositions qui précèdent s'appliquent également en cas de +nouvelles accessions à l'Union et dans le cas où la durée de la +protection serait étendue par application de l'article 7. + + + +Article 19 + +Les dispositions de la présente Convention n'empêchent pas de +revendiquer l'application de dispositions plus larges qui seraient +édictées par la législation d'un pays de l'Union en faveur des +étrangers en général. + + + +Article 20 + +Les Gouvernements des pays de l'Union se réservent le droit de prendre +entre eux des arrangements particuliers, en tant que ces arrangements +conféreraient aux auteurs des droits plus étendus que ceux accordés par +l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations non contraires +à la présente Convention. Les dispositions des arrangements existants +qui répondent aux conditions précitées restent applicables. + + + +Article 21 + +Est maintenu l'office international institué sous le nom de "Bureau +de l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires +et artistiques". + +Ce Bureau est placé sous la haute autorité du Gouvernement de la +Confédération Suisse, qui en règle l'organisation et en surveille +le fonctionnement. + +La langue officielle du Bureau est la langue française. + + + +Article 22 + +Le Bureau international centralise les renseignements de toute nature +relatifs à la protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres +littéraires et artistiques. Il les coordonne et les publie. Il +procède aux études d'utilité commune intéressant l'Union et rédige, +à l'aide des documents qui sont mis à sa disposition par les diverses +Administrations, une feuille périodique, en langue française, sur +les questions concernant l'objet de l'Union. Les Gouvernements des +pays de l'Union se réservent d'autoriser, d'un commun accord, le +Bureau à publier une édition dans une ou plusieurs autres langues, +pour le cas où l'expérience en aurait démontré le besoin. + +Le Bureau international doit se tenir en tout temps à la disposition +des membres de l'Union pour leur fournir, sur les questions +relatives à la protection des oeuvres littéraires et artistiques, +les renseignements spéciaux dont ils pourraient avoir besoin. + +Le Directeur du Bureau international fait sur sa gestion un rapport +annuel qui est communiqué à tous les membres de l'Union. + + + +Article 23 + +Les dépenses du Bureau de l'Union internationale sont supportées +en commun par les Pays contractants. Jusqu'à nouvelle décision, +elles ne pourront pas dépasser la somme de soixante mille francs par +année. Cette somme pourra être augmentée au besoin par simple décision +d'une des Conférences prévues à l'article 24. + +Pour déterminer la part contributive de chacun des pays dans cette +somme totale des frais, les Pays contractants et ceux qui adhéreront +ultérieurement à l'Union sont divisés en six classes contribuant +chacune dans la proportion d'un certain nombre d'unités, savoir: + + + 1re classe .... 25 unités + 2me classe .... 20 unités + 3me classe .... 15 unités + 4me classe .... 10 unités + 5me classe .... 5 unités + 6me classe .... 3 unités + + +Ces coefficients sont multipliés par le nombre des pays de chaque +classe, et la somme des produits ainsi obtenus fournit le nombre +d'unités par lequel la dépense totale doit être divisée. Le quotient +donne le montant de l'unité de dépense. + +Chaque pays déclarera, au moment de son accession, dans laquelle des +susdites classes il demande à être rangé. + +L'Administration suisse prépare le budget du Bureau et en surveille +les dépenses, fait les avances nécessaires et établit le compte annuel +qui sera communiqué à toutes les autres Administrations. + + + +Article 24 + +La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y +introduire les améliorations de nature à perfectionner le système +de l'Union. + +Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à +d'autres points de vue le développement de l'Union, sont traitées +dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de +l'Union entre les délégués desdits pays. L'Administration du pays +où doit siéger une Conférence prépare, avec le concours du Bureau +international, les travaux de celle-ci. Le Directeur du Bureau assiste +aux séances des Conférences et prend part aux discussions sans voix +délibérative. + +Aucun changement à la présente Convention n'est valable pour l'Union +que moyennant l'assentiment unanime des pays qui la composent. + + + +Article 25 + +Les États étrangers à l'Union et qui assurent la protection légale des +droits faisant l'objet de la présente Convention, peuvent y accéder +sur leur demande. + +Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la +Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres. + +Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses +et admission à tous les avantages stipulés dans la présente +Convention. Toutefois, elle pourra contenir l'indication des +dispositions de la Convention du 9 septembre 1886 ou de l'Acte +additionnel du 4 mai 1896 qu'ils jugeraient nécessaire de substituer, +provisoirement au moins, aux dispositions correspondantes de la +présente Convention. + + + +Article 26 + +Les Pays contractants ont le droit d'accéder en tout temps à la +présente Convention pour leurs colonies ou possessions étrangères. + +Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par +laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans +l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises, +soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues. + +Cette déclaration sera notifiée par écrit au Gouvernement de la +Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres. + + + +Article 27 + +La présente Convention remplacera, dans les rapports entre les +États contractants, la Convention de Berne du 9 septembre 1886, +y compris l'Article additionnel et le Protocole de clôture du même +jour, ainsi que l'Acte additionnel et la Déclaration interprétative +du 4 mai 1896. Les actes conventionnels précités resteront en vigueur +dans les rapports avec les États qui ne ratifieraient pas la présente +Convention. + +Les États signataires de la présente Convention pourront, lors de +l'échange des ratifications, déclarer qu'ils entendent, sur tel ou +tel point, rester encore liés par les dispositions des Conventions +auxquelles ils ont souscrit antérieurement. + + + +Article 28 + +La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront +échangées à Berlin au plus tard le 1er juillet 1910. + +Chaque Partie contractante remettra, pour l'échange des ratifications, +un seul instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux +archives du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie +recevra en retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des +ratifications, signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part. + + + +Article 29 + +La présente Convention sera mise à exécution trois mois après l'échange +des ratifications et demeurera en vigueur pendant un temps indéterminé, +jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la dénonciation +en aura été faite. + +Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la Confédération +Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui l'aura +faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays de +l'Union. + + + +Article 30 + +Les États qui introduiront dans leur législation la durée de protection +de cinquante ans prévue par l'article 7, alinéa 1er, de la présente +Convention, le feront connaître au Gouvernement de la Confédération +Suisse par une notification écrite qui sera communiquée aussitôt par +ce Gouvernement à tous les autres États de l'Union. + +Il en sera de même pour les États qui renonceront aux réserves faites +par eux en vertu des articles 25, 26 et 27. + +En foi de quoi, etc. + + + + + + + +BIJLAGE IV + +Association littéraire et artistique internationale + +Projet de Loi-Type adopté par le Congrès de Paris, 16-21 Juillet 1900 + + + +Article Premier + +L'auteur d'une oeuvre de l'intelligence a le droit exclusif de la +rendre publique et de la reproduire par quelque procédé, sous quelque +forme et pour quelque destination que ce soit. + +Sont ainsi protégées toutes manifestations de la pensée écrites +ou orales, les oeuvres dramatiques, musicales et chorégraphiques et +toutes les oeuvres des arts graphiques et plastiques, quels que soient +leur mérite, leur emploi et leur destination. Il en est de même des +oeuvres qui ont paru dans les journaux ou recueils périodiques. + +Les actes officiels des autorités publiques et les décisions +judiciaires ne peuvent faire l'objet d'un droit privatif. + + + +Article 2 + +L'exercice du droit de l'auteur n'est subordonné à l'accomplissement +d'aucunes conditions ni formalités. + + + +Article 3 + +Le droit exclusif prévu à l'article 1er se continue pendant +quatre-vingts ans à dater de la première publication licite de +l'oeuvre. Il est exercé par l'éditeur tant que l'auteur véritable ne +s'est pas fait connaître. + +Lorsque l'auteur s'est fait connaître avant l'expiration de ce +délai, la durée du droit se continue pendant la vie de l'auteur et +quatre-vingts ans après sa mort. + +Les oeuvres qui paraissent sous le nom d'une personne morale sont +assimilées aux oeuvres anonymes. + + + +Article 5 + +Les collaborateurs ont des droits égaux sur l'oeuvre commune, à moins +de stipulations contraires. + +Les droits des ayants cause d'un collaborateur prédécédé subsistent +jusqu'à l'expiration du délai de quatre-vingts ans après la mort du +dernier survivant des collaborateurs. + +A défaut d'ayants cause d'un des collaborateurs sa part accroît aux +autres collaborateurs ou à leurs ayants cause. + + + +Article 6 + +Quiconque fait éditer une oeuvre posthume dont il est en droit +de disposer, jouit d'un droit exclusif de reproduction pendant +quatre-vingts ans à dater de cette première publication. + +Sont considérées comme oeuvres posthumes les oeuvres qui, du vivant +de l'auteur, n'ont pas reçu, avec le consentement de l'auteur, la +publicité normale que leur nature comporte. + + + +Article 7 + +Toute reproduction, intégrale ou partielle, faite sans le consentement +de l'auteur ou de ses ayants cause, est illicite. + +Il en est ainsi de la traduction et aussi de la représentation et de +l'exécution publiques. + +Sont également illicites: les reproductions qui comportent des +retranchements, additions et remaniements, telles que: adaptations, +transformations de pièces de théâtre en romans et, réciproquement, +de romans en pièces de théâtre, arrangements de musique, reproduction +par un autre art, illustration d'un ouvrage. + +Il en est de même des reproductions d'oeuvres musicales par les +instruments de musique mécaniques. + + + +Article 8 + +L'auteur, une fois son oeuvre publiée, ne peut interdire les analyses +et courtes citations qui, faites dans un but de critique, de polémique +ou d'enseignement, portent l'indication du nom de l'auteur et de +la source. + +Les discours prononcés dans les assemblées délibérantes ou dans les +réunions publiques peuvent être reproduits dans un but d'information +ou de discussion. + + + +Article 9 + +Le droit de reproduction est indépendant du droit de propriété sur +l'objet matériel (manuscrit ou original); la cession de l'objet +matériel n'emporte donc pas, par elle même, cession des droits de +reproduction et réciproquement. + +La cession des droits appartenant à l'auteur (droit de publier, +de représenter, d'exécuter, de traduire, d'illustrer, etc.) doit +toujours être interprétée restrictivement. + + + +Article 10 + +L'auteur de toute oeuvre de l'intelligence a le droit de faire +reconnaître sa qualité d'auteur et d'agir en justice contre quiconque +s'attribuerait cette qualité. + +L'auteur qui a cédé ses droits de reproduction conserve le droit +de poursuivre les contrefacteurs, de surveiller la reproduction de +son oeuvre et de s'opposer à toutes modifications faites sans son +consentement. + + + +Article 11 + +Après la mort de l'auteur, c'est à ses héritiers, à défaut d'un +mandataire spécial désigné par lui, qu'il appartient de faire respecter +les droits prévus à l'article 10. + + + +Article 12 + +Aucune modification ne doit être faite à l'oeuvre, même par les +héritiers ou ayants droits de l'auteur, sans que cette modification +soit portée, d'une façon apparente, à la connaissance du public. + + + +Article 13 + +Toute atteinte portée au droit de l'auteur, tel qu'il est défini +par le présent projet de loi-type, donne ouverture à une action en +dommages-intérêts; si l'atteinte a été portée sciemment, elle peut +donner ouverture à une action pénale. + + + +Article 14 + +Il en est de même de l'usurpation du nom d'un auteur, ainsi que de +l'imitation frauduleuse de sa signature ou de tout signe distinctif, +monogramme ou autre, adopté par lui. + + + +Article 15 + +L'auteur ou ses ayants cause peuvent requérir les agents de police +judiciaire pour procéder à la saisie des objets argués de contrefaçon +et à celle des planches, moules ou matrices et autres ustensiles +ayant servi ou destinés à servir spécialement à la fabrication +desdits objets. + +S'il s'agit d'une représentation ou exécution, les auteurs peuvent +fair procéder, dans les mêmes formes, à la saisie de la totalité de +la recette. + +L'éditeur ou l'entrepreneur de spectacles doit justifier par écrit +du consentement préalable de l'auteur ou de ses ayants cause. + +La confiscation des objets contrefaits, de même que celle des planches, +moules ou matrices et autres ustensiles ayant servi ou destinés à +servir spécialement à la fabrication desdits objets, sera prononcée +au profit de l'auteur ou de ses ayants cause. + +En cas d'exécution ou de représentation illicite, les recettes saisies +seront allouées au plaignant. + + + +Article 16 + +La loi s'applique à tous les auteurs, quelle que soit leur nationalité +et en quelque lieu que l'ouvrage ait paru pour la première fois. + + + + + + + +STELLINGEN + + +I + +Onjuist is de meening, dat de boekdrukkers-privilegiën, die in ons +land in de zeventiende en achttiende eeuw werden verleend, niet voor +overdracht vatbaar waren en met den dood van den bevoorrechten persoon +tenietgingen. (Proefschr. pp. 20 sqq.) + + +II + +In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegiën heeft men ten +onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen eigendom der +schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.). + + +III + +Het auteursrecht is te beschouwen als een vermogensrecht, dat tot +object heeft een onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping +van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp. 108 sqq.) + + +IV + +Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het +auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor +den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen +en Telegrafie, Staatsblad no. 213, berust op eene onjuiste opvatting +van den aard van het auteursrecht. + + +V + +Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een integreerend bestanddeel +van het auteursrecht worden beschouwd. (Proefschr. pp. 143 sqq. en +180 sqq.) + + +VI + +Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht te komen is +het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner Conventie +ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst. + + +VII + +Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet voldeed niet aan +den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene dergelijke wet +wordt gesteld. + + +VIII + +De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene wet is in strijd +met de Grondwet. + + +IX + +Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn stembiljetten, die +volgens een vroeger model zijn gedrukt, van onwaarde. + + +X + +Het recht van preferentie, toegekend door de artt. 1185 3o en 1190 +B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde goederen, die zich in handen +van den kooper bevinden, eene dusdanige bewerking hebben ondergaan, +dat zij zich niet meer in denzelfden staat bevinden. + + +XI + +Het is voor de totstandkoming van een geldige hypotheek krachtens +art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de hypotheekgever op het oogenblik +der inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het +artikel eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de +hypotheek verleend wordt. + + +XII + +Om "getuige" te zijn ingevolge art. 50 B. W. bij het opmaken van eene +akte van overlijden is niet noodig, dat men de vereischten bezit, +die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke men bij de akten +van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden gesteld. + + +XIII + +De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst ingevolge art. 37 der +Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de wederpartij van den +gefailleerde mocht toekomen, niet op. + + +XIV + +De uitdrukking "te berde brengen" in het eerste lid van art. 41 +R. O. is niet in dien beperkten zin op te vatten, dat het schriftelijk +bewijs van huur aan den kantonrechter zou moeten worden overgelegd +om diens bevoegdheid uit te sluiten. + + +XV + +Van de beschikking van den president der Rechtbank ingevolge art. 821 +Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het Hof open. + + +XVI + +Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v. Strafr. kan gepleegd +worden door middel eener afbeelding, zonder telastlegging van een +bepaald feit. + + +XVII + +Diefstal van electrische energie is mogelijk. + + +XVIII + +Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub 2o der Leerplichtwet +wordt niet strafbaar, doordat zij gepleegd is binnen een jaar na +eene andere overtreding, hetzelfde kind betreffende, waarvoor de +overtreder ingevolge art. 23 § 1 sub 4o onherroepelijk is veroordeeld +of de boete vrijwillig heeft betaald. + + +XIX + +Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de Overheid bij de +bepaling der prijzen van de door haar geleverde goederen en diensten, +rekening moet houden met de ongelijke koopkracht van hare verschillende +afnemers. + + +XX + +Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van hen, die in Lex +7 § 1 D. 13, 1 willen lezen: "habet actionem furti et condictionem +aut vindicationem". + + + + + + + +NOTEN + + +[1] Op verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche +schrijvers van verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en +meer exemplaren, gewag gemaakt, o. a.: Cicero Pro Sulla XV, 42, 43; +Suetonius Div. Aug. c. 31; Plinius Epistolae IV, 7. Ook werden soms +hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne manuscripten. Men +zie hierover: Dr. J. Kohler, Das Autorrecht, Jahrbücher f. d. Dogmatik +XVIII, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver: Urheberrecht an +Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906 pp. 27 sqq. + +[2] Men zie voor de vervaardiging en verspreiding van boeken vóór de +uitvinding der boekdrukkunst o. a.: Zur Erinnerung an die Erfindung +der Buchdruckerkunst van Georg Steinhausen in die Nation van 2 Juni +1900, p. 492. + +[3] Dit privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: Over het kopy-regt +in Nederland door Mr. B. van den Velden, 1835. p. 290. + +[4] Privilegiën door Karel V verleend: in 1538 voor Dye Cronijcke van +Hollat, Zeelant en Vrieslant etc. (misschien een overdruk of vervolg +van het zooeven genoemde boek) in: De Amsterdamsche boekdrukkers en +uitgevers in de zestiende eeuw door E. W. Moes, I p. 136. Privilegiën +van 1546 en 1547 in: Memoriael Boeck van den Hove van Holland (het +eerste door den Griffier Jan van Dam gehouden) 1543-1548 fol. 231 +en 287. + +Privilegiën van Philips II: bij Moes t. a. p. I p. 352, waar melding +wordt gemaakt van een kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door +"Coe. Mats. Octroije" en ibidem II p. 58, waar een werk wordt genoemd +voorzien van "privileg. Reg. Matis. // et Cancellarie Brabantie". In +de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van dr. Jan ten Brink +vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het titelblad +gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o. a. de +afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282. + +[5] Lieuwe van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh in ende omtrent +de Vereenigde Nederlanden (1633-1644) (fol. uitg. bij Joh. Veely, +Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde deel p. 552. + +[6] Ibid. p. 660. + +[7] Men zie hierover: Resolutiën Staten van Holland 1639 pp. 38, 105, +144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; Resolutiën Staten-Generaal 23 +dec. 1639. + +[8] B.v. in een privilegie van 6 Nov. 1656, Resolutiën Staten-Generaal +1656 fol. 719. + +[9] T. a. p. p. 552. + +[10] Cau en Scheltus, Groot Placaatboek IV p. 361. + +[11] Men zie b.v. de Resolutiën der Staten van Holland 23 Sept. 1734 +pp. 628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal +Res. van 29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het Archief voor kerkelijke en +wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, uitgegeven door +J. J. Dodt van Flensburg VI pp. 360, 361. + +[12] Voorbeelden hiervan o.a. in Dodt V pp. 235, 251, 258, 274, +VII p. 2 en Resolutiën Staten van Holland, 18 Jan. 1737 p. 48. + +[13] Resolutiën Staten van Holland 13 Maart 1749 p. 163. + +[14] Men zie hierover: Robert Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot +de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften deel VIII +pp. 21 sqq. + +[15] Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. Dodt VI p. 359. + +[16] Dodt V. p. 15. Een dergelijk geval in: Resolutiën Staten van +Holland 17 Jan. 1585 p. 46. + +[17] Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd +door die van 30 April 1728 (Groot Placaetboek III p. 552 en VI p. 598.) + +[18] Groot Geldersch Placaet-boek III p. 644. + +[19] Medegedeeld door mr. N. de Ridder in diens proefschrift: Eenige +beschouwingen over kopierecht, Utrecht 1875 p. 31. + +[20] Cf. hierover: A. C. Kruseman, Aanteekeningen betr. den Boekhandel +van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw p. 317. + +[21] Resolutiën Staten van Holland 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April 1580 +p. 59. + +[22] De tekst der Resolutie is te vinden in het Groot Placcaatboek +van Cau en Scheltus V p. 603 en: Wiltens Kerkelijk Placcaat-Boek III +p. 262. + +[23] In Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei +bereikte, in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan +uitsluitend privilegiën zouden worden gegeven "pro libris et operibus +novis, nunquam antea impressis, et non pro aliis". D. A. 1889 p. 8), +in Frankrijk sedert 1578; Cf. Kohler Autorrecht p. 85. + +[24] Het privilegie is afgedrukt in Groot Placcaatboek I p. 190. + +[25] Men zie hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19 +Maart 1655 in het Groot Placcaatboek II p. 3029. + +[26] Res. Staten van Holland 1724 p. 944. + +[27] Res. Staten van Holland 29 Sept. 1752 p. 1378. + +[28] Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven door D. F. Scheurleer +p. 83. + +[29] Res. Staten van Holland 2 April 1746 pp. 217, 218. + +[30] Zie o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4 +Nov. 1615 bij Dodt VI pp. 374 en 380. + +[31] Dodt VII p. 22. + +[32] Res. St. v. Holl. 3 Sept. 1585 p. 531. + +[33] Dodt VI p. 393. + +[34] Dodt V p. 2. Zie ook: l'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff par +D. Franken Dz. Amst. 1872 pp. 9, 10. + +[35] Dodt V p. 17. + +[36] Dodt IV p. 11. + +[37] Medegedeeld door dr. A. Bredius in Oud Holland 1890 pp. 75 sqq. + +[38] Dodt VII p. 53. + +[39] Dodt VII p. 13. + +[40] Dodt VII p. 66. + +[41] Dodt IV p. 110. + +[42] Dodt VI p. 380. + +[43] Dodt VII pp. 10, 11. + +[44] Res. Staten van Holl. 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog +geval: ibid 1740 pp. 261, 262. + +[45] Resolutie van 15 Mei 1619, Dodt VII p. 64. + +[46] Zoo ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland +ten tijde van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot +in de 18de eeuw toe. Cf. Kohler, Autorrecht pp. 463 sqq. + +[47] Cf. Dr. J. A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel +in Nederland I p. 172. + +[48] Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam in de zeventiende +eeuw p. 29. Cf. dezelfde schrijver in Amsterdam in de 17de eeuw. De +Letterkunde en het Tooneel p. 16. + +[49] Cf. Worp t. a. p. II p. 228. + +[50] J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, enz. II p. 400. + +[51] In: Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective +Godshuyzen,... wegens de tegenwoordige directie over den Schouwburg, +enz. van 1699, medegedeeld door Worp t. a. p. II p. 89. + +[52] Wagenaar t. a. p. p. 404. + +[53] Men zie hierover: D. F. Scheurleer t. a. p. pp. 7 sqq. en 79 +sqq. en: Worp t. a. p. II p. 270. + +[54] Men zie b.v. in de Res. Staten van Holl. 1580 pp. 79, 113, 146, +166, 197 en 1581 pp. 414 en 570. + +[55] Zie speciaal voor de Deventer Almanak: Dodt IV p. 124, VI p. 358, +VII pag. 71; Res. Staten v. Holl. 1749 pp. 122, 123, 1750 pp. 888, +976. Het is duidelijk, dat de privilegiën waarvan hier sprake is, nog +iets anders gaven dan alleen het kopierecht. Het was er niet zoozeer om +te doen, dat zulk een almanak niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen +niet eene onderneming in denzelfden geest op touw zouden zetten. + +[56] Res. Staten v. Holl. 1582 p. 575. + +[57] Ress. St. v. Holl. 6 Juli 1585 pp. 339, 340. + +[58] Dodt V p. 262. + +[59] Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, Dodt VII p. 57. + +[60] Of dit, ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een +goed voorbeeld is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar +onder het hier bedoelde octrooi in de Resolutiën der Staten-Generaal +staat bijgeschreven: "Bij resolutie van den 23 Febr. 1657" (dus vóór +de overdracht aan Blaauw) "is het octroy in dese resolutie genoemd +ingetrocken." (Res. St.-Gen. 6 Nov. 1656 fol. 719.) + +[61] Dodt V pp. 22, 23. + +[62] Res. Staten v. Holl. 16 Juli 1749 pp. 537 sqq. + +[63] Het privilegie staat afgedrukt in: Oeuvres de Nicolas Boileau +Despréaux avec des Eclaircissemens historiques donnez par lui-même, +à Amsterdam chez François Chanquion MDCCXXIX, Tome Ier. + +[64] Hollandse Consultatien en Advysen III p. 509, Consult CLXXXVII, 1 + +[65] Voorbeelden hiervan: Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, +192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887. + +[66] T. a. p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij de Ridder +t. a. p. p. 29; J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie. Rotterdam +1905 p. 18. + +[67] Men zie de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den +Deventer almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der +Staten van Holland. + +[68] Cf. J. H. W. Unger, Bibliographie van Vondels +werken. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11. + +[69] Cf. L'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff p. 12. + +[70] J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel +in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw, (vertaling +van: Dissertatio historico-juridica de juribus typographorum et +bibliopolarum in regno Belgico, Leid. 1819), p.2. + +[71] Uit het reeds genoemde privilegie van Karel V. + +[72] Res. St. v. Holl. 1612 p. 192. + +[73] Priv. v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts Historie der Reformatie. + +[74] Priv. v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens +Stichtelijke Rijmen. + +[75] Cf. de voorrede van den uitgever Lodewyx van der Plasse in het +Groot Liedboeck van G. A. Bredero (uitg. 1622). + +[76] T. a. p. p. 53. + +[77] T. a. p. p. 33. + +[78] Zie o.a.: dr. Kalff in Amsterdam in de 17de eeuw, t. a. p. p. 17. + +[79] De gedichten van Constantyn Huygens, uitgeg. door dr. J. A. Worp +1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den nadruk geen zeldzaam +verschijnsel te hebben gevonden; in een "Aen den Drucker" vóór zijn +"Hofwyck" zegt hij: + + + "Van dusend tegen een + De nadruck sal ons beurt zijn." + + +[80] Cf. Scheurleer in Amsterdam in de 17de eeuw t. a. p. p. 85. + +[81] Zie het bovengenoemde voorbericht van zijn Groot Liedboeck. + +[82] Men zie het "Berecht aen den Lezer" in: Gedichten van Hubert +Kornelisz. Poot, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet). + +[83] Dr. J. ten Brink t. a. p. p. 478. + +[84] Men zie b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot's +Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid: Rob. Fruin, Verspreide +Geschriften VIII pp. 26 sqq. + +[85] Kruseman t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere gevallen van nadruk: +ibid. pp. 346, 80 sqq. + +[86] T. a. p. p. 63. + +[87] Men vindt den tekst dezer overeenkomst in: Bouwstoffen voor een +geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel door A. C. Kruseman +I p. 821. + +[88] Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 471. + +[89] Medegedeeld door: Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 86. + +[90] "Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius... volare per manus +multorum nostras Institutiones Juris Batavici; in exquirendo eius +plagii fonte ... se tibi adiutorem fore... etc." Cf. hierover: +R. Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot de Hollandsche +Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In +denzelfden bundel (p. 272) maakt Fruin melding van een soortgelijk +geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus overkomen. In het +voorbericht van zijn De contemptu mundi schreef deze: "Typographi +palam minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse." + +[91] Scheurleer t. a. p. p. 85. + +[92] Gedichten van Hubert Kornelisz. Poot, 2de druk 1724, bij Reinier +Boitet te Delf, "Berecht aen den Lezer." + +[93] Res. St. van Holland 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te +vinden in: Kerkelijk Placaatboek II pp. 522 sqq. + +[94] J. v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem, +gestelt voor den Hollantschen Parnas. (De werken van Vondel in verband +gebracht met zijn leven door mr. J. v. Lennep IX p. 143.) + +[95] Medegedeeld door dr. Hermann Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht +als strafrechtlich zu schützendes Recht. Jahrbücher für die Dogmatik +V p. 295. + +[96] Zie hierover en over de ontwikkeling van het begrip "geestelijke +eigendom" in Duitschland: "Die Idee des geistigen Eigenthums" door +dr. J. Kohler in Archiv für die civilistische Praxis, Band 82 pp. 166 +sqq. Men zie ook: Paul Laboulaye, Etude sur le droit de propriété +littéraire en Allemagne. Paris 1855 pp. 9 sqq. + +[97] O.a. in een bekend arrest van het Conseil du roi van 14 +Sept. 1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht +op de werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.: +mr. J. Heemskerk, Voordragten over den eigendom van voortbrengselen +van den geest. Haarlem 1856 p. 53. + +[98] Hollands Rykdom door mr. Elias Luzac (de Nederl. vertaling, +Leiden 1781) II p. 530. + +[99] T. a. p. p. 529. + +[100] Scheurleer t. a. p. p. 75. + +[101] Te vinden in: Fruin, Verspreide Geschriften VII p. 401. + +[102] Max Rooses, Christophe Plantin, Imprimeur Anversois, 2me +ed. Anvers 1890, pp. 228 sqq. + +[103] Brieven van Maria van Reigersbergh, uitg. door mr. H. Vollenhoven +en dr. G. D. J. Schotel. Middelburg 1857 p. 35. + +[104] T. a. p. p. 42. + +[105] In: Amsterdam in de XVIIde eeuw, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar +ook het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld. + +[106] Cf. Max Rooses, Christophe Plantin, imprimeur Anversois, 2me +ed. p. 133. + +[107] T. a. p. p. 27 noot 2. + +[108] Dodt V p. 15. + +[109] Res. der Staten-Generaal 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook +Res. Staten v. Holl. 1703 p. 472. + +[110] Res. St. v. Holl. 20 Nov. 1745 pp. 937, 938. + +[111] Res. Staten v. Holl. 18 Maart 1722 pp. 131, 132. + +[112] Res. St. v. Holl. 17 Aug. 1730 p. 718. + +[113] Res. St. v. Holl. 5 Oct. 1735 p. 572. + +[114] Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, 192. + +[115] Res. St. v. Holl. 17 Dec. 1738 p. 704. + +[116] Ik doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der +Nederlandsche gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder +en die tusschen den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den +griffier Fagel, berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage +(Legatie-archief nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor +genoemd vond, is: Pütter, Der Büchernachdruck, Göttingen 1774 p. 117. + +[117] De tekst is te vinden in: Decreeten van de vergadering van het +provinciaal bestuur van Holland, 6 Dec. 1796-6 Jan. 1797 p. 21. Ook +bij van den Velden t. a. p. p. 294. + +[118] T. a. p. 47 noot 1. + +[119] De wet is in haar geheel afgedrukt bij van den Velden +t. a. p. pp. 308 sqq. en de Ridder t. a. p. pp. 266 sqq. + +[120] Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het +Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij +1803 aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest. Te +vinden bij Bodel Nyenhuis t. a. p. pp. 353 sqq. + +[121] Men zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 83 sqq. + +[122] Zie hierover ook de juiste uitspraak van de +Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 27 December 1843. In: +Het Letterkundig Eigendomsregt in Nederland, wetten, traktaten, +regtspraak enz. 's Gravenhage 1865 pp. 135 sqq. + +[123] Cf.: Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van +schrijvers en kunstenaars op hunne werken. Utrecht 1853 pp. 83 sqq. + +[124] O.a. door: Evertsen de Jonge t. a. p. pp. 168 sqq., de Ridder +t. a. p. p. 125, mr. J. Heemskerk t. a. p. p. 56 en in een arrest +van den Hoogen Raad van 22 Mei 1850 (Weekbl. v. h. Recht no. 1136). + +[125] W. v. h. R. no. 122. + +[126] Men zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel +van 13 Febr. 1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840, +alsmede de adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. Dirk Donker Curtius, +W. C. B. Wintgens en S. P. Lipman in: Het Letterkundig Eigendomsregt +in Nederland II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van mr. S. P. Lipman, +Onderzoek omtrent de wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en +30 Juli 1822 en 18 Juni 1829. Cf. ook: G. K. van Hogendorp, Bijdragen +tot de Huishouding van Staat, 2de uitg. VIII pp. 282, 283. + +[127] Het belangrijkste hiervan is medegedeeld in: Het Letterkundig +Eigendomsregt in Nederland II pp. 138 sqq. + +[128] Men zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. J. van der +Linden, M. C. van Hall, N. Sinderam, S. A. E. Verburg en F. A. van Hall +van 31 Maart 1817 in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 83 sqq. en een +arrest van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in W. v. h. R. no. 67. + +[129] Zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 94 sqq. + +[130] Cf. Kruseman, Bouwstoffen enz. II pp. 578 sqq. + +[131] Beiden te vinden in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 247 sqq. + +[132] Hand. Staten-Generaal 1876-1877. Bijlage 202. + +[133] Hand. Tweede Kamer der St.-Gen. 1877-1878. Bijlage 25. + +[134] Handel. Tweede Kamer 1880-1881. Bijlage 15. + +[135] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1627 sqq. + +[136] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1637 sqq. + +[137] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166. + +[138] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 3. + +[139] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 4. + +[140] Men zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden van der +Vlugt en Bos bij de behandeling van de begrooting van Justitie in 1904, +Hand. Tweede Kamer 1904/05 pp. 831-833, 880. + +[141] Eene uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die +jaren vindt men bij: Kruseman, Bouwstoffen enz. I pp. 526 sqq. + +[142] Men zie hierover de uitspraken van het Tribunal civil de la +Seine (28 Maart 1884) en van het Cour de Cassation (25 Juli 1887) +in Droit d'Auteur 1888 p. 126 en 1889 pp. 8 sqq. en de meening van +Darras en Pouillet in hetzelfde tijdschrift 1902 p. 51. + +[143] Cf. hierover o.a.: de Martens, Traité de Droit international +(traduit du Russe par Alfred Léo), Paris 1886 II pp. 222 sqq. + +[144] Actes de la Conférence internationale pour la protection des +droits d'auteur, Berne 1884 pp. 28, 29. + +[145] Actes p. 77. + +[146] Actes p. 89. + +[147] Men zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, Actes +pp. 47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen +afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32. + +[148] Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden. + +[149] De tekst dezer stukken is te vinden in: Actes de la Conférence +de Paris 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq. + +[150] Cf. het door Renault opgestelde rapport van de werkzaamheden +der Commissie, Actes p. 179. + +[151] Te vinden: Actes p. 229. + +[152] Actes p. 229. + +[153] Actes p. 146. + +[154] Actes de la Conférence de Berlin de 1908 p. 153. + +[155] Actes pp. 37 sqq. + +[156] Actes pp. 71 sqq. + +[157] Actes pp. 77 en 78. + +[158] Men zie: D. A. 1907 pp. 113 sqq. + +[159] Tableau des voeux émis par divers congrès et assemblées en vue du +développement de la protection des oeuvres littéraires et artistiques, +deuxième série 1896-1907. Berne 1908. Ook te vinden: Actes pp. 79 sqq. + +[160] Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la +propriété littéraire et artistique, Revue des deux mondes 15 Dec. 1908 +p. 905. + +[161] Droit d'Auteur 1900 pp. 98 sqq. + +[162] Dit is ook ingezien door de Commissie, belast met de +voorbereiding van eene nieuwe wet op het auteursrecht in +Italië. D. A. 1907 p. 72. + +[163] Het werd goedgekeurd door de Wet van 22 Juli 1855 (Staatsblad +no. 101) en in het Staatsblad geplaatst bij K. B. van 22 Juli 1855 +(Staatsblad no. 107). + +[164] Men vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van +de Verklaring resp. in: K. B. van 22 Mei 1860 (Staatsblad no. 19) +en K. B. van 16 Augustus 1855 (Staatsblad no. 176). + +[165] Goedgekeurd door de Wet van 28 Dec. 1858 (Staatsblad no. 119); +in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 4 Maart 1859 (Staatsblad +no. 11). + +[166] Goedgekeurd door de Wet van 27 Juni 1863(Staatsblad no. 86); +in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 9 Juli 1863 (Staatsblad +no. 115). + +[167] Staatscourant 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30 +en 264. In het werkje van mr. Veegens, Het auteursrecht volgens de +Nederlandsche wetgeving, dat in 1895 uitkwam, wordt het tractaat met +Spanje abusievelijk als nog van kracht zijnde behandeld. pp. 178 sqq. + +[168] Cf.: Droit d'Auteur 1895 pp. 50, 51. + +[169] Men zie de: Memorie van Beantwoording van den minister van Hall, +Bijlagen Tweede Kamer 1854-1855 p. 795; en zijne rede in de vergadering +van 22 Juni 1855, Bijblad Tweede Kamer 1854-1855 p. 1012. Cf. ook: +Bijblad Eerste Kamer 1854-1855 p. 1909 en Bijblad Tweede Kamer +1855-1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in: +Het letterkundig eigendomsregt in Nederland I pp. 67 sqq. + +[170] Actes 1885 p. 81. + +[171] Men zie o.a. het Rapport der Commissie, benoemd door de +vergadering van 15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te +dienen inzake de Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der +Vereeniging van Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905. Opgenomen in +het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1905 nos. 87, 88 en 89 en in de +Kroniek 1905 nos 564, 565 en 566. + +[172] Handel. Tweede Kamer 1905-1906 p. 1070. + +[173] Actes 1908 pp. 150, 151 en 217. + +[174] Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909 +door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor +openbaarmaking geschikte aangelegenheden p. 68. + +[175] Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für +civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. + +[176] Cf. Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, +Genève 1869 pp. 38 sqq. + +[177] Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, +Thèse pour le doctorat. Paris 1904 p. 29: "Toutefois, malgré +les arguments juridiques invoqués par le second système (dat den +letterkundigen eigendom bestrijdt), il ne peut être contesté à notre +avis, que l'auteur ait sur son oeuvre un véritable droit de propriété." + +[178] Men zie hierover o.a.: Dr. H. Ortloff, Das Autor- und +Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher +für die Dogmatik V pp. 323 sqq. + +[179] Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1. Theil, +II Haupst., 3 Abschn., § 31 II. + +[180] Men zie o.a. Otto Gierke, Deutsches Privatrecht I (systematisches +Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding, +2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq. + +[181] Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und +Verlegers in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq. + +[182] Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck nach den Beschlüssen +des deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für +civ. Praxis Bnd. XXXV (1852) p. 91. + +[183] Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277. + +[184] Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van +Wetenschappen. Afd. Letterkunde, deel VI p. 349. + +[185] Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en +Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 sqq. en +113 sqq. + +[186] Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35. + +[187] Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97. + +[188] Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 II pp. 70, 71. + +[189] De verschillende opstellen van den heer de Savornin Lohman, +waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis +1862 pp. 213 sqq., Rechtsgeleerde Bijdragen 1864 pp. 140 sqq., +Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en Gemeentebestuur in +Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 6 sqq. en 72 sqq. Men zie ook: +Weekbl. v. h. Recht, no. 2916 en Hand. Ned. Jur.-Ver. 1877 II pp. 5 +sqq. en 43 sqq. + +[190] Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877 +pp. 204a sqq. + +[191] Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van +mrs. de Ridder en Freseman Viëtor, nog van den laatste: Kantteekeningen +op het ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht. Utrecht +1877 pp. 6 sqq. + +[192] Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I +pp. 311 sqq. + +[193] T. a. p. p. 328. + +[194] Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids +1896 III pp. 411 sqq. + +[195] T. a. p. p. 413. + +[196] Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644. + +[197] Ibid. pp. 1628, 1642. + +[198] Men zie o.a.: mr. Henry Viotta, Het auteursrecht van den +componist. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. J. van de Kasteele, Het +auteursrecht in Nederland. Leiden 1885 pp. 8 sqq.; Mr. A. G. N. Swart, +Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van beeldende +kunst. Leiden 1891 pp. 27 sqq. + +[199] Men zie b.v.: Opzoomer, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III +p. 205; Asser en van Heusde, Handleiding tot de beoefening van het +Nederl. Burg. Recht II p. 57; Land, Verklaring van het Burgerlijk +Wetboek II p. 2 (2de druk). + +[200] Edouard Laboulaye, geciteerd door Fern. Renouard t. a. p. p. 29. + +[201] Zoo o.a. Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het +auteursrecht volgens de Nederlandsche wet in Verslagen en Mededeelingen +der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3de reeks, +deel XII pp. 5 sqq.; de Ridder t. a. p. p. 92; Land t. a. p. p. 2. + +[202] Autorrecht p. 98. + +[203] Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in +Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV +(nieuwe serie II) pp. 1 sqq. + +[204] T. a. p. p. 6. + +[205] T. a. p. p. 9. + +[206] T. a. p. p. 22. + +[207] T. a. p. pp. 22, 23. + +[208] T. a. p. p. 23. + +[209] In: Themis IX pp. 213 sqq. + +[210] H. J. Hamaker, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in: +Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, +Afd. Letterkunde, vierde reeks, deel IX p. 33. + +[211] Cf. Hamaker t. a. p. p. 36. + +[212] Heinrich Heine, Ideen. Das Buch le Grand. Kap. XIV. + +[213] Cf. Kohler, Autorrecht pp. 209, 210. + +[214] Autorrecht p. 211. + +[215] Autorrecht pp. 212 sqq. + +[216] Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: Jolly, +Die Lehre vom Nachdruck pp. 7 sqq. p. 87. + +[217] Amsterdamsch Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan, +1907, Avondblad, 3de blad. + +[218] Freseman Viëtor t. a. p. p. 112. + +[219] Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniging 1877 I p. 14. + +[220] Hand. Jur. Ver. 1877 I pp. 96, 97. + +[221] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20. + +[222] Prof. W. L. P. A. Molengraaff in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887 +p. 386. + +[223] O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341. + +[224] Bijdragen enz. XV p. 20. + +[225] Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390. + +[226] Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756. + +[227] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57. + +[228] Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het +Paleis van Justitie 9 Aug. 1898. + +[229] Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68. + +[230] P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires (Oeuvres complètes, +tome XVI) p. 11. + +[231] T. a. p. p. 13. + +[232] T. a. p. p. 17. + +[233] Behalve zijne economische beschouwingen gaf Proudhon over het +auteursrechtvraagstuk nog: "Considérations morales et esthétiques" +en "conséquences sociales". + +[234] Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail, +5me ed. Paris 1848 pp. 234, 235. + +[235] De door mij geraadpleegde werken van Schaeffle zijn: +Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer Rücksicht auf +litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster- und Markenschuz +in Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft 1867 (Band 23) +pp. 113-218 en 291-476, en: Ueber die volkswirtschaftliche Natur der +Güter der Darstellung und der Mittheilung in hetzelfde tijdschrift 1873 +(Band 29) pp. 1-70. + +[236] Ik heb gemeend het woord "Unternehmer-Rente" dat Schaeffle +hier gebruikt, te moeten vertalen door "ondernemerspremie" +en niet door "ondernemersrente", zooals b.v. mr. de Ridder +deed. Cf. mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde I +pp. 230 sqq. + +[237] T. a. p. Band 23 p. 346. + +[238] T. a. p. Band 23 p. 347. + +[239] Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 208. + +[240] Cf. hierboven pp. 85 sqq. + +[241] Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en: +Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq. + +[242] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8. + +[243] Men zie o.a.: Freseman Viëtor in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en +Mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq. + +[244] Bijdragen enz. XVI p. 58. + +[245] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47. + +[246] T. a. p. p. 10. + +[247] Bijdragen enz. XVI p. 51. + +[248] T. a. p. p. 10. + +[249] T. a. p. 11. + +[250] In dezen zin o.a. reeds: Edouard Laboulaye, Etudes sur +la propriété littéraire en France et en Angleterre, aangehaald +door Fernand Renouard, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de +eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. G. Belinfante, Het +recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. Eenigszins afwijkend is +de leer, door dr. O. Bähr verkondigd in Archiv für Bürgerliches Recht +VII pp. 150 sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel +van het eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt, +dat daar waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van +een reeds lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift +het recht toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken. + +[251] Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Sämmtliche +Werke 8 pp. 224 sqq. + +[252] Hegel's Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie +ook §§ 68 en 69. + +[253] Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2: +"Genoeg, dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van +kleinzielige opvatting, er in geslaagd zijt haar, de gedachte, ten +halve te kortwieken..." enz. + +[254] Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens, +De Gids 1896 III p. 416; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht +verdedigd (Leiden 1885) p. 9; J. H. Kok, Auteursrecht en de Berner +Conventie (Rotterdam 1905) p. 41. + +[255] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1629. + +[256] Cf. in dezen zin: Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, +Rechtsgeleerd Magazijn VI pp. 376, 377. + +[257] Men zie b.v. in dezen zin: Evertsen de Jonge t. a. p. p. 23; +Freseman Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levy in +Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II p. 15. + +[258] Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis +82 pp. 141 sqq. + +[259] Die Lehre vom Nachdruck pp. 37, 38. + +[260] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 77. + +[261] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte 2de druk +'s Gravenhage 1900 p. 109. + +[262] Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een +recht op een onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf +als object aan te nemen, maar "het recht van reproduceeren" of "de +reproductie". Zoo b.v. mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het +auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der +Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterk. 3de reeks 12de deel p. 17, +die schrijft: + +"Tot die rechten" (n.l. rechten op onlichamelijke zaken) "behoort nu +ongetwijfeld... het auteursrecht, waarvan het object, de reproductie +van een werk, is onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk +zelf reeds een materieel bestaan heeft." Juister en duidelijker is +het m. i. in plaats van "de reproductie van het werk" het werk zelf +als object te beschouwen. De reproductie is de handeling, waartoe het +recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de inhoud van het recht. + +[263] O.a. Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn +1887 p. 393; Prof. mr. D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche +Strafrecht II p. 65. + +[264] O. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq. + +[265] Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1. + +[266] T. a. p. p. 765. + +[267] T. a. p. p. 767. + +[268] Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende +andere bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv +für bürgerliches Recht X pp. 246 sqq. + +[269] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 16. + +[270] Ik blijf mij van den gebruikelijken term "industrieele eigendom" +bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen +de uitdrukking "letterkundige eigendom". + +[271] Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in +Oesterreich, Deutschland und andern europäischen Staaten p. 1. + +[272] Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in +den ruimen zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel +gebruikt. Cf. hierover: Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der +Nederlandsche Letterkunde Haarlem 1907 Inleiding p. XLII. + +[273] Urheberrecht p. 131. + +[274] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq. + +[275] Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf +in verschillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Wolterbeek +Muller, De Phonograaf in het rechtsleven, Proefschr. Leiden 1895. + +[276] Droit d'Auteur 1901 p. 128. + +[277] Men zie: D. A. 1900 p. 111. + +[278] Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres +van Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming +der uitvoerende kunstenaars wederom door Osterrieth ter sprake gebracht +en werd tot nadere bestudeering ervan besloten. D. A. 1907 p. 117. + +[279] De reproductie was in dit geval geschied door de +photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen +van enkele tafereelen uit het stuk. + +[280] D. A. 1899 p. 20. + +[281] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz +p. 61 noot. + +[282] Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan +zijn volgens het Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van +Cassatie te Zürich 27 Aug. 1890, D. A. 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook: +Kohler, Kunstwerkrecht pp. 31 en 32. + +[283] Urheberrecht p. 137. + +[284] Urheberrecht p. 128. + +[285] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz +p. 7. + +[286] Urheberrecht p. 138. + +[287] De onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht +van belang. Men zie b.v. Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst, +2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar onderscheiden wordt tusschen: +"die Sprache des Bedürfnisses" en "die der freien Darstellung". Van +de eerstgenoemde zegt Gerber: "Diese Sprache des Bedürfnisses, die +Prosa der Sprachkunst, gehört aber gar nicht in der Litteratur: sie +wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als Sprache des gewöhnlichen +Lebens bezeichnet." + +[288] Gierke t. a. p. p. 770. + +[289] Men zie b.v.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts +p. 13; Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly +t. a. p. pp. 115 sqq.; Beseler, System des gemeinen deutschen +Privatrechts III p. 335. + +[290] N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96. + +[291] T. a. p. pp. 102 sqq. + +[292] J. G. Robbers Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en +beschouwingen, Amsterdam 1896 p. 13. + +[293] Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een +brief van een krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land, +Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk p. 460 noot 1: "Aangezien ik +tot heden geene constitutioneele honig ontving, vermeen ik, dat de +gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te veronderstellen, +dat er eene honige constitutie bestaat." Eene dergelijke zin, of +eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan geen voorwerp +van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in voor tegen de +taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met eene gebrekkige, +maar met eene mislukte uiting in woordvorm. + +[294] Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet +spreekt van letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief +begrip acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen +duidelijk geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier +dan wél in aanmerking wenscht te zien genomen. + +[295] Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie +9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de +bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging. Cf. +hierboven pp. 88 sqq. + +[296] Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, +Rotterdam 1905 p. 42. + +[297] Men zie b.v.: Ludwig Noiré, Max Müller und die +Sprach-Philosophie, Mainz 1879 pp. 36 en 81. + +[298] Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachwissenschaft (erster Teil, +Die Sprache im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq. + +[299] T. a. p. p. 51. + +[300] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. 's +Gravenhage 1900 p. 457. + +[301] T. a. p. p. 459. + +[302] Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij +de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October +1908 door Dr. J. Woltjer, Hoogleeraar in de faculteit der Letteren +en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14. + +[303] T. a. p. p. 15. + +[304] T. a. p. p. 62. + +[305] T. a. p. p. 54. + +[306] Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena II (Arthur +Schopenhauer's sämmtliche Werke, herausg. v. Eduard Grisebach V +p. 602, variante). + +[307] Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197. + +[308] L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260. + +[309] Frederik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch +tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang, +1889 deel II p. 118. + +[310] F. van der Goes, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe +Gids enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279. + +[311] Dat met name het begrip "klankexpressie" niet eene uitvinding +was van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van +Dijk in eene voordracht getiteld "Stijl", opgenomen in: Handelingen +en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde +te Leiden over het jaar 1907-1908, Leiden 1908 pp. 69, 70. + +[312] Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345. + +[313] T. a. p. p. 346. + +[314] Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men +zie ook: ibid. V pp. 5 sqq. + +[315] T. a. p. p. 259. + +[316] Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos. + +[317] Men zie het boven aangehaalde van L. van Deyssel (p. 152). + +[318] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz +pp. 33, 34. + +[319] De vertaling van Akëdysséril, L. van Deyssel, Verzamelde +opstellen IV pp. 181 sqq. Het artikel van prof. van Hamel is te +vinden in de Gids 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel: +"Aanteekeningen en opmerkingen" pp. 567 sqq. + +[320] T. a. p. p. 183. + +[321] T. a. p. p. 187. + +[322] Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding +eener Virgilius-vertaling, Nieuwere Literatuur-geschiedenis IV +pp. 12 sqq. + +[323] In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk +uitgemaakt, dat iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt +eiland "... must go through the whole process of triangulation, just +if he had never seen any former maps;..." etc., medegedeeld door: +Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 12. + +[324] Louis Blanc, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234. + +[325] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook +de beschouwingen van Av. Henri Rosmini in denzelfden zin, D. A. 1895 +pp. 21 sqq. + +[326] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97. + +[327] Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud +bestaat ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter, +vallen hier buiten. Men zie daarover nog: Kohler t. a. p. pp. 122 sqq. + +[328] Men zie pp. 137 sqq. + +[329] Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30. + +[330] Reichsgericht 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, Börsenblatt 12 +Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152. + +[331] Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140. + +[332] Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79. + +[333] Medegedeeld door: P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896 +p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121. + +[334] Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais +16 Juni, Gazette des Tribunaux 18 Sept. '96), medegedeeld door: +A. Darras D. A. 1897 p. 16. + +[335] D. A. 1894 p. 73. + +[336] D. A. 1908 p. 152. + +[337] Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum) +door A. Darras, D. A. 1892 p. 151. + +[338] Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84. + +[339] Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130. + +[340] Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123. + +[341] Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64. + +[342] Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98. + +[343] Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892 +pp. 64 sqq. + +[344] Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38. + +[345] Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61. + +[346] Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74. + +[347] Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men +nog bij: Kohler, Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und +artistische Kunstwerk etc. pp. 17 sqq., Urheberrecht pp. 155 sqq.; +Gierke t. a. p. pp. 770 sqq.; A. Darras, D. A. 1892 p. 150, 1906 p. 22; +Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété littéraire +et artistique et du droit de représentation, Paris 1879 pp. 34, 37, +39 en 46. + +[348] W. v. h. R. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6. + +[349] W. v. h. R. no. 5512. + +[350] W. v. h. R. nos. 6646 en 6647. + +[351] Men zie b.v.: Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. p. 27, +Veegens, t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de +Pinto t. a. p. pp. 22 sqq. + +[352] Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijlage 202. + +[353] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1648. + +[354] Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112. + +[355] Cf. boven p. 162. + +[356] Het auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112. + +[357] Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam +van 27 Dec. 1843, W. v. h. R. no. 464. + +[358] Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van +het bovengenoemde art. 6 der Berner Conventie op het Congres der +Association te Neuchatel (26-29 Aug. 1907). D. A. 1907 pp. 115, 116. + +[359] Cf.: Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk +enz. p. 183. + +[360] Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p. 4; J. H. Kok, +Auteursrecht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in: +"Pro en Contra" serie 1 no. 10 (Aansluiting bij de Berner Conventie) +Baarn 1905 pp. 25 en 26; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht +verdedigd Leiden 1885 p. 9. + +[361] Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische +Vierteljahrschrift VII p. 249. + +[362] Men zie b.v.: Doorman t. a. p. p. 10, Kok, t. a. p. resp. p. 43 +en p.27. + +[363] Cf.: Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum +Schutze von Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, +Bern 1906 pp. 183, 184. + +[364] Men zie: Röthlisberger t. a. p. p. 184. + +[365] J. D. Doorman, t. a. p. p. 14. + +[366] D. A. 1899 pp. 52, 53. + +[367] D. A. 1899 pp. 53, 54. + +[368] D. A. 1900 p. 28. + +[369] Cf. hierboven pp. 166 sqq. + +[370] Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohler, Urheberrecht pp. 152 sqq.; +men zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124. + +[371] D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisberger t. a. p. p. 235. + +[372] Actes 1896 p. 173. + +[373] Actes 1908 p. 257. + +[374] Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het +auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq. + +[375] Men zie: Mr. Veegens t. a. p. pp. 90 sqq. + +[376] T. a. p. p. 6. + +[377] M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van +muziekwerken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het +Ontwerp geschrapt. + +[378] Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970. + +[379] W. v. h. R. no. 5785. + +[380] W. v. h. R. no. 6019. + +[381] Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie. + +[382] Cf.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts (Stuttgart 1888) +p. 78. + +[383] M. v. T. t. a. p. § 2. + +[384] T. a. p. p. 79. + +[385] J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80. + +[386] J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingen en +beschouwingen. Proefschr. Amst. 1896 p. 19. + +[387] Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften, +zooals door sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran +d'Ache, Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur +zoowel den tekst als de--opzettelijk daarvoor gemaakte--illustraties +heeft geleverd. Hier is werkelijk het "plaatwerk" een auteursproduct +in den waren zin van het woord, n.l. eene geestesschepping, die één +geheel vormt. + +[388] T. a. p. p. 79. + +[389] Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart +t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in +plaats van "vijfentwintigjarige" gelezen worden: "vijftigjarige". + +[390] Urheberrecht p. 132. + +[391] Autorrecht p. 189. + +[392] Men zie ook: Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst, +enz. pp. 59 sqq. + +[393] Men zie boven pp. 149 sqq. + +[394] Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq. + +[395] Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken +staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie. + +[396] T. a. p. p. 80. + +[397] T. a. p. pp. 24 sqq. + +[398] Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden: + + + "Denn so kehrt der Gott sich dir ab, + So küsst er die Gottheit von dir!" + + +[399] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148. + +[400] Men zie hierover de belangrijke beschouwingen van Kohler, +Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 150 sqq. + +[401] Zij wordt o. a. door Schuster verkondigd t. a. p. p. 195. + +[402] T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: Viotta pp. 55 sqq. + +[403] T. a. p. pp. 244 sqq. + +[404] Cf. in denzelfden zin: Kohler, Urheberrecht p. 198. + +[405] Zoo b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876. + +[406] T. a. p. p. 228. + +[407] Autorrechtliche Studiën, Archiv für civilistische Praxis 85 +p. 397. + +[408] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook: +Mr. J. D. Veegens t. a. p. p. 86. + +[409] Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21. + +[410] Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische +Kunstwerk pp. 167 sqq. + +[411] Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905, +D. A. 1905 p. 76. + +[412] Cour d'appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76. + +[413] Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63. + +[414] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46. + +[415] Cf. Prof. Dr. W. Vogelsang, Aesthetiek en Kunstgeschiedenis +aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het +hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te Utrecht 23 Sept. 1907 +pp. 19, 20. + +[416] Cf. Swart t. a. p. p. 58. + +[417] Kunstwerkrecht p. 27. + +[418] Cf. boven pp. 133, 134. + +[419] Cf. ook: Swart t. a. p. pp. 58, 59. + +[420] Men zie boven p. 12. + +[421] Cf. Kohler. Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 38 +sqq. + +[422] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 48. + +[423] Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47. + +[424] Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26. + +[425] Eene stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. Swart +in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift. + +[426] Swart t. a. p. p. 86. + +[427] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166-3 p. 5. Cf. ook: +pp. 6 en 7 ad art. 11. + +[428] Eenigszins in denzelfden zin: Swart, t. a. p. pp. 69 sqq. + +[429] Men zie hierover o.a.: D. A. 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113 +sqq. en 125 sqq. + +[430] Men kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: Verslag van de +Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de +namaak hier te lande (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam). + +[431] Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer, +Scheveningen z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare +beteekenis als kunst, rede van W. H. Idzerda bij het aanvaarden van +het ambt van privaat-docent voor het onderwijs in de photographie +aan de Technische Hoogeschool, 29 Jan. 1908; Swart t. a. p. pp. 84 sqq. + +[432] Cf. boven p. 201. + +[433] Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie meestal +aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 voortvloeide; +zie o.a.: Pouillet t. a. p. p. 90; Darras, D. A. 1892 p. 128 en p. 150. + +[434] Men zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, D. A. 1891 +p. 21; Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door +P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 25; Tribunal civil van Luik 7 Juni 1902, +D. A. 1902 p. 118. + +[435] Men zie voor Italië: Amar in D. A. 1902 p. 62. + +[436] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 209. + +[437] Urheberrecht p. 177 noot 10. + +[438] Men zie het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29 +Sept. 1891 Paleis van Justitie 1891 no. 93. + +[439] Kohler, Urheberrecht pp. 181, 182. + +[440] Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62. + +[441] Memorie van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6. + +[442] Av. Rosmini, Lettre d'Italie, D. A. 1894 p. 74. + +[443] Medegedeeld door: Darras, D. A. 1890 p. 77. + +[444] Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130. + +[445] D. A. 1897 p. 45. + +[446] D. A. 1908 p. 107. + +[447] Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook +het arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908, +medegedeeld door Prof. M. Amar in D. A. 1909 p. 27. + +[448] Tribunal Civil de la Seine 1re ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908 +p. 118. + +[449] Deze bewering, afkomstig van "vele leden", vindt men in het +voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2. + +[450] Urheberrecht p. 185. + +[451] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans, +D. A. 1893 p. 19; Rosmini, D. A. 1893 pp. 60 sqq. + +[452] In dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892, +D. A. 1892 pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter +de muziek, die op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare +uitvoeringen. Cf. Darras, D. A. 1903 p. 46. Men zie over de Belgische +jurisprudentie: Wauwermans, D. A. 1901 p. 122. + +[453] Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste +overwegingen van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar +vonnis van 19 Juni 1889, D. A. 1890 p. 28. + +[454] Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling +van Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de +Duitsche wet v. 19 Juni 1901. + +[455] Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61. + +[456] D. A. 1908 p. 110. + +[457] Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq. + +[458] D. A. 1901 p. 32. + +[459] In dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908 +p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55; +Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een +koffiehuis), D. A. 1901 p. 16. + +[460] Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156. + +[461] Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement +van 3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk +is verschenen (Urheberrechtsgesetz § 11); terwijl het in Noorwegen +(art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de uitgave in +druk kan worden voorbehouden. + +[462] Cf. Swart t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijvers. + +[463] In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht +soms meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.: +Het Land van Mauve (Bulletin van den Larenschen Kunsthandel) no. 6, +5 Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. Louis +Israëls hierover in hetzelfde blaadje no. 8, 5 Jan. 1907. + +[464] Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner +Conventie pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde +van Mr. Freseman Viëtor. + +[465] Urheberrecht p. 232. + +[466] Kohler, Autorrecht p. 51. + +[467] Men zie b.v.: de Ridder t. a. p. p. 248; +M. v. T. W. A. R. Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijl. 202 § 4; +Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. t. a. p. p. 44; Macaulay, +Speeches t. a. p. pp. 273 sqq. + +[468] Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog +enkele opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij +te pas komen. + +[469] Cf. Röthlisberger t. a. p. p. 107. + +[470] Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association: "De uitoefening +van het auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden +of formaliteiten gebonden." + +[471] Cf. La question des formalités en Italie, D. A. 1897 p. 65. + +[472] Mr. C. Asser, Handleiding tot de beoefening +v. h. Nederl. Burgerl. Recht II (3e druk) p. 347. + +[473] Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als +een drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de +heer W. P. van Stockum Jr. daaromtrent mededeelt in: Kort overzicht der +organisatie van den Nederlandschen Boekhandel, uitg. door de Ver. ter +bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 pp. 10 sqq. + +[474] T. a. p. p. 123. + +[475] Men zie hierover: D. A. 1908 p. 30. + +[476] D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel +hebben geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129. + +[477] Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht +zullen hieronder bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie +nog ter sprake komen. + +[478] Men zie b.v.: A. Darras, D. A. 1897 pp. 79 sqq.; G. Huard, +De divers droits qu'il ne faut pas confondre avec la propriété +intellectuelle, D. A. 1899 pp. 102 sqq.; Jules Charreyron, De la +propriété littéraire et artistique p. 38. + +[479] Cf. hierover: Mr. H. L. Drucker, Bescherming van rechten die +niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn 1889 pp. 1 sqq. + +[480] Te vinden in: D. A. 1899 p. 127. + +[481] Men zie het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven: +Tableau des Voeux etc. (2me série 1896-1907) pp. 33, 36, 37. + +[482] Urheberrecht p. 455. + +[483] Archiv für Bürgerliches Recht X p. 261. + +[484] Zie hierover vooral: Kohler, Das Recht an Briefen, Archiv für +bürgerliches Recht VII pp. 94 sqq. en van denzelfden schrijver: +Du droit sur les lettres missives ordinaires et confidentielles, +D. A. 1906, p. 18, waarvan de Duitsche tekst is te vinden in: +Deutsche Juristenzeitung XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook: +Gierke t. a. p. p. 772 en: Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, +Weekbl. v. Privaatr., Notaris-ambt en Reg. 22 Sept. 1906 no. 1917. + +[485] Een aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland +en Engeland worden door Kohler genoemd, Urheberrecht p. 442. + +[486] Cf. Kohler, D. A. 1906 p. 19. + +[487] D. A. 1903 pp. 28 sqq. + +[488] De Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende +brieven van George Sand. Een der overwegingen was: "... que ce droit, +tout personnel qu'il soit, passe aux héritiers représentants de la +personne et des biens ... etc.", zitting van 11 Maart 1897, D. A. 1899 +p. 43; Annales de la Propr. ind., litt. et art. 1898 Nos. 9-10 p. 311, +art. 4020. + +[489] D. A. 1906 p. 19. + +[490] Reeds door verschillende schrijvers werd de bepaling op +soortgelijke gronden afgekeurd. Men zie: Mr. W. L. P. A. Molengraaff, +De Faillissementswet verklaard pp. 243 sqq.; Swart t. a. p. pp. 122 +sqq.; Mr. B. M. de Vos, Rechtsgeleerd Magazijn 1908 p. 60. + +[491] Arrest van 1 Dec. 1892, besproken door Kohler, D. A. 1894 p. 82. + +[492] Medegedeeld door A. Darras, D. A. 1900 p, 41. De tekst is te +vinden in: Gazette des Tribunaux 14 Febr. 1900. + +[493] Art. 10 wet van 1901. + +[494] Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, Gazette du Palais +3 Febr. 1897, Annales de la propriété industrielle 1897 p. 126, +D. A. 1897 p. 80. + +[495] Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, D. A. 1900 p. 42. + +[496] Trib. de la Seine 4 Mei 1903, D. A. 1903 p. 105, France +judiciaire No. 17 van 9 Mei 1903. + +[497] D. A. 1902 p. 136. + +[498] Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, D. A. 1907 p. 100, +La Loi 30 Mei 1907. + +[499] Trib. de la Seine 3 April 1897 (Le Droit 5 en 6 April 1897) +medegedeeld door A. Darras, D. A. 1897 p. 80. + +[500] Trib. de la Seine 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, D. A. 1905 p. 7; +men zie ook de bespreking van dit vonnis door A. Darras in D. A. 1904 +pp. 135, 136. + +[501] Ook tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk +maken, door nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en +zinnen in te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: H. Rosmini, +D. A. 1891 p. 142. + +[502] Men zie b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche +wet van 1901 §§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het +Italiaansche Ontwerp art. 22 en de loi-type der Association art. 10 +lid 2 en 3. + +[503] Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en +besproken door Prof. Molengraaff in Rechtsgeleerd Magazijn 1887 +pp. 375 sqq. + +[504] Cf. Molengraaff t. a. p. pp. 382 sqq. + +[505] Cf. Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. p. 77. + +[506] Trib. civil de la Seine 1 Aug. 1903, Gazette des Tribunaux 2 +Aug. 1903, La Loi 6, 7, 8 Aug. 1903, D. A. 1904 p. 63. + +[507] Cour d'Appel de Paris 24 Mei 1905, D. A. 1905 p. 132. + +[508] Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, D. A. 1905 pp. 100, 101. + +[509] Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. pp. 79, 80; +Cf. ook: Av. Henri Rosmini, Droits des auteurs sur leur pseudonyme, +D. A. 1888 pp. 16 sqq. + +[510] Cf.: Huard, D. A. 1899 p. 103, die zich echter zelf tegen deze +verplichting verklaart. + +[511] Cf. hierover: A. Darras, D. A. 1895 p. 32, die op de verwarring +tusschen persoonlijkheidsrecht (droit moral) en auteursrecht (droit +pécuniaire), welke hier in het spel was, de aandacht vestigt. + +[512] Dit is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich +verplicht zien aan dit artikel te geven. Cf.: Darras, D. A. 1895 p. 32; +Kohler is van eene andere opinie D. A. 1896 pp. 12, 13; men zie echter +wat de redactie hierbij aanteekent, noot 2, p. 13. + +[513] Cf. ook: Kohler, D. A. 1896 p. 12. + +[514] Handel. Tweede Kamer 1879-1880, Bijlage 110 No. 3 p. 174. + +[515] M. v. T. p. 174. + +[516] Kohler, Archiv für bürgerliches Recht X p. 277. + +[517] O. a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, Droit 1 en 2 +Juni 1896, Gazette des Tribunaux 4 Juni 1896, Gazette du Palais 9 Juni +1896; id. 31 Dec. 1896, Droit en Gazette des Tribunaux 1 Jan. 1897, +D. A. 1897 p. 17; 3 Aug 1899, Loi 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26 +Juli 1900, Loi 22 Nov. 1900, D. A. 1900 p. 154. Men zie ook: Darras, +D. A. 1895 pp. 96, 168. Een aantal beslissingen van ouderen datum +worden meegedeeld door: Rosmini, D. A. 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor +een recent geval: Journal des Débats (édition hebdomadaire) 17 April +1908 p. 738. + +[518] Zoo werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858 +in eene destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de +beroemde tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie +hierover: Rosmini, D. A. 1893 p. 10. Hetzelfde college gaf nog enkele +jaren geleden eene beslissing in soortgelijken zin, 20 Jan. 1906, +D. A. 1907 p. 136. + +[519] In eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court +Boston 19 Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen +particulieren en publieke personen: "Terwijl een privaat persoon +beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit +ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen +dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder +die er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden, +dit recht aan het publiek heeft afgestaan." De grondgedachte dezer +redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al +te absoluut gesteld en verklaard. (D. A. 1895 p. 142). + +[520] Archiv für civ. Praxis 82 p. 206. + +[521] Kunstwerkrecht p. 164. + +[522] Men zie hierover in 't bijzonder: J. H. G. Cohen, Beleediging +door Caricaturen, Proefschr. 1896 pp. 118 sqq. + +[523] Zoo b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en +13 Nov. 1889. Men zie hierover: Rosmini, D. A. 1891 pp. 41 sqq.; +men zie ook: D. A. 1907 p. 137. + +[524] Cf.: Darras, D. A. 1897 p. 80. + +[525] Men zie hierover de beschouwingen van Darras, D. A. 1897, pp. 17 +en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar geciteerde Fransche +jurisprudentie; en: Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht, +Archiv für Bürgerliches Recht V. pp. 83 sqq. + +[526] Paleis van Justitie 9 Aug. 1898. + +[527] Mr. J. P. Moltzer, W. v. h. R. no. 7154. + +[528] De voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover +reeds is geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men +zie hierover o. a.: Mr. L. J. Plemp van Duiveland, de Gids 1896 III +pp. 385 sqq. en Onze Eeuw 1909 I pp. 102 sqq.: Herman Robbers, Pro en +Contra, serie 1 no. 10; en de Gids 1908 IV pp. 541 sqq.; J. G. Robbers +Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde geschriften van +Mr. J. D. Veegens, J. H. Kok en J. Mosmans, en het, eveneens reeds +genoemde, Rapport der Commissie aan de Vereeniging van Letterkundigen. + +[529] J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks +t. a. p. p. 238. + +[530] Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd +(art. 39). + +[531] T.a.p. p. 169. + +[532] T.a.p. p. 170. + +[533] Wél b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 §35, wet van +1907 §30). + +[534] W. v. h. R. no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene +andere opinie (no. 7149). + +[535] Reeds in 1853 noemde Bluntschli de volkomen gelijkstelling +van vreemde auteurs en werken met de nationale "die einfachste +und gerechteste Lösung" welke aan dit vraagstuk kan worden +gegeven. Kritische Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und +Rechtswissenschaft I p. 26. + +[536] Cf. het Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer 1877-1878, +Bijlage 25 no. 7 p. 9. + +[537] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 214. + +[538] Actes 1908 p. 273. + +[539] Cf.: Actes 1885 p. 20. + +[540] Cf. o.a.: A d'Orelli, D. A. 1889 p. 2; 1891 p. 15. + +[541] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 149 en de daar genoemde +schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van 1885 van +de afgevaardigden Reichardt, d'Orelli, Renault, Lavollée en Lagerheim, +Actes 1885 p. 22. + +[542] Röthlisberger t. a. p. p. 150. + +[543] Over het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze +wet onbreekt, wordt hieronder bij de behandeling van art. 11 der +Conventie gesproken. + +[544] Dit werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. D. A. 1899 pp. 130 +sqq.) maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de +besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche +herzieningsvoorstellen, Actes 1908 p. 41. + +[545] Het eenige zou misschien kunnen zijn: mondelinge voordrachten, +voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is +dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de "geschriften", +die in het artikel worden genoemd. + +[546] Men zie hierover: Röthlisberger t. a. p. pp. 150 en 169; +D. A. 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65. + +[547] Actes 1896 p. 145. + +[548] Men zie voor Frankrijk: Pouillet t. a. p. pp. 91 sqq. en +D. A. 1889 p. 54; Darras ibid. 1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België: +P. Wauwermans, D. A. 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. 24 +en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3 +Febr. 1904, D. A. 1905 p. 61; voor Italië: Rosmini, D. A. 1889 pp. 19 +en 30, 1891 p. 114. + +[549] Het Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: "On est tombé +assez facilement d'accord que les photographies devaient être protégées +dans tous les pays de l'Union". Actes 1908 p. 235. + +[550] Actes 1885 p. 43. + +[551] Actes 1896 pp. 114 en 166. + +[552] Men zie: Actes 1908 pp. 50, 51. + +[553] Men zie het verslag van Renault, Actes 1908 p. 232. + +[554] Men zie: D. A. 1895 p. 92. + +[555] In dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch +album met schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover: +Röthlisberger t. a. p. p. 154; Darras, D. A. 1898 p. 43. Cf. over +een soortgelijke vraag: D. A. 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq. + +[556] De vraag werd o. a. besproken op het Congres der Association +te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: D. A. 1907 pp. 115, 116. + +[557] Actes 1908 p. 44. + +[558] Men zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende +erkenning van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam. + +[559] Actes 1908 p. 232. + +[560] Men zie het rapport van Renault, Actes 1908 p. 232. + +[561] Actes 1884 p. 41. + +[562] Actes 1885 p. 42. + +[563] Cf. voor het gebruik van de woorden nationaliteit en +onderdaanschap als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: A. van +de Sande Bakhuyzen, Nederlandsch onderdaanschap, Proefschr. Leiden +1900 pp. 7 sqq. + +[564] Men zie b. v.: Röthlisberger t. a. p., p. 83; Kohler, +Urheberrecht p. 403. + +[565] O. a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 2. + +[566] Cf.: van de Sande Bakhuyzen t. a. p. pp. 22 sqq. + +[567] Handel. Tweede Kamer 1908-1909 Bijlage 266. + +[568] Actes 1884 p. 44. + +[569] Actes 1896 p. 113. + +[570] Actes 1885 p. 21. + +[571] Anders: d'Orelli, D. A. 1899 p. 2. + +[572] Actes 1896 pp. 189 en 191. + +[573] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 92; D. A. 1902 p. 54. + +[574] Men zie de verklaring van Dr. Meyer dienaangaande op de +Conferentie van 1884, Actes p. 43. + +[575] Actes 1896 p. 111. + +[576] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1896 p. 161; het Zwitsersche +voorstel is te vinden ibid. p. 112. + +[577] Actes 1908 p. 237. + +[578] Actes 1908 p. 39. + +[579] Actes 1908 p. 39. + +[580] Actes 1908 p. 241. + +[581] Actes 1884 pp. 29, 43. + +[582] Actes 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen in +D. A. 1896 pp. 36 sqq. + +[583] Cf. het rapport der Commissie Actes 1896 p. 164. + +[584] Cf. het rapport van Renault op de Conferentie van Berlijn Actes +1908 p. 236. + +[585] Cf. hierboven p. 312. + +[586] Cf. boven pp. 264 sqq. + +[587] Actes 1908 p. 200. + +[588] Actes 1908 pp. 214, 215. + +[589] Cf. wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt, +Actes 1908 p. 244. + +[590] Men vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908. + +[591] Actes 1885 p. 28. + +[592] Actes 1896 p. 168. + +[593] Actes 1884 pp. 31, 32. + +[594] Actes 1884 p. 49. + +[595] Actes 1885 pp. 26 sqq. + +[596] Actes 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de rede +van den Franschen gedelegeerde Lavollée op de Conferentie van 1885, +Actes pp. 62, 63. + +[597] Actes 1896 p. 133. + +[598] Actes 1896 p. 169. + +[599] Actes 1908 p. 246. + +[600] Men zie de toelichting van het voorstel: Actes 1908 pp. 201 sqq. + +[601] Actes 1908 pp. 247 en 248. + +[602] Actes 1908 p. 215. + +[603] Men zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde Klaus +Hoel, Actes 1908 pp. 213 en 214 en die van den Zweedschen gedelegeerde +Graaf Taube ibid. p. 218. + +[604] Men zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport +van Renault aan de Conferentie van Parijs, Actes 1896 pp. 168 sqq. De +Rechtbank van Brussel (10 Jan. 1903) wees ten onrechte een eisch af, +op grond dat aan de voorwaarden voor het vertalingsrecht, die de wet +van het land van herkomst (in dit geval Duitschland) eischte, niet +was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar in dit vonnis verwezen werd, +was bovendien toen al niet meer van kracht en vervangen door die van +19 Juni 1901, welke in 't geheel geen voorwaarden of formaliteiten +voorschrijft. (D. A. 1904 pp. 56 sqq.) + +[605] Men zie ook het rapport van Renault, Actes 1896 p. 170. + +[606] Actes 1885 p. 44. + +[607] Actes 1908 p. 217. + +[608] Niet geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door +Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Onze Eeuw 1909 I pp. 123 en 124. + +[609] Men zie hierover: Actes 1884 pp. 31 en 52 sqq. + +[610] Actes 1896 pp. 115, 116. + +[611] Actes 1896 pp. 136 sqq. + +[612] De tekst dezer voorstellen is te vinden: Actes 1908 pp. 287 +sqq. De toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en +die van het Belgische pp. 203 sqq. + +[613] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 249 sqq. + +[614] Actes 1896 p. 137. + +[615] Men zie het Duitsche voorstel, Actes 1908 pp. 44, 45 en het +Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207. + +[616] Cf. hierover het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 251, 252 en +de verklaring van de Borchgrave op de vergadering van 13 Nov. 1908, +Actes 1908 p. 215. + +[617] Men zie hierover o.a.: La reproduction des romans feuilletons +dans les journaux, D. A. 1893 pp. 13 sqq., en: Du droit de reproduction +en matière de journaux et de publications périodiques, D. A. 1896 +pp. 8 sqq. + +[618] Actes 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie Röthlisberger +t. a. p. p. 203. + +[619] Actes 1896 p. 171. + +[620] Actes 1896 p. 171. + +[621] Actes 1908 p. 251. + +[622] Actes 1885 p. 46. + +[623] Men zie het Commissie-rapport Actes 1908 p. 251. + +[624] Men zie: Actes 1885 p. 46 en Actes 1896 p. 171. + +[625] Actes 1908 p. 254. + +[626] Actes 1896 p. 171. + +[627] Zij werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388. + +[628] Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige +nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq. + +[629] Actes 1885 pp. 29, 30. + +[630] Actes 1885 p. 47. + +[631] Actes 1885 p. 47. + +[632] Actes 1908 p. 254. + +[633] In een ingezonden stuk van den heer A. de Jager in het Nieuwsblad +voor den Boekhandel 1898 no. 100 worden een zestigtal titels van +dergelijke uitgaven genoemd, die door den schrijver worden aangeduid +als: "eenige, die mij het eerst voor de hand kwamen". + +[634] Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver +van het bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel +overgenomen. Het een en ander is opgenomen in: Nederland en de Berner +Conventie door Mr. J. D. Veegens, met bijlagen, 2de vermeerderde druk, +Groningen, P. Noordhoff 1898. + +[635] Actes 1896 p. 172. + +[636] Actes 1896 p. 229. + +[637] Actes 1908 p. 256. + +[638] Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. Röthlisberger +t. a. p. p. 222. + +[639] Men zie: Actes 1885 pp. 48 sqq. + +[640] Actes 1896 pp. 172, 173. + +[641] Men zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van +Duitschland, Spanje en Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs +van geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210. + +[642] Cf. het Commissie-verslag Actes 1908 p. 258. + +[643] Tot nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over +deze vraag uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq. + +[644] Evenzoo: Rosmini, D. A. 1890 pp. 93 sqq.; hoofdartikel +in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts verscheidene +rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland: Reichsgericht 31 +Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels, speeldoozen en +andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal muziekstukken spelen +en ten tijde van het tot stand komen der Conventie algemeen bekend +waren, D. A. 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden zin: Reichsgericht +24 Febr. 1899, D. A. 1901 p. 5; Sächsisches Oberlandsgericht 29 +Oct. 1894. In België werd uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk +is op phonograaf-rollen door: Tribunal de 1re instance te Brussel +13 Juli 1904, D. A. 1904 pp. 93 sqq.; Tribunal de paix Brussel 10 +Aug. 1903, D. A. 1903 pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen +in tegengestelden zin. + +[645] Dit is ook de meening van Röthlisberger, die overigens +de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: "dura lex sed lex" +t. a. p. p. 246. Rechterlijke beslissingen in dezen zin: Landgericht +Leipzig 31 Dec. 1891 (symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix); +Landgericht Gera 23 Mei 1890 (clariophone), D. A. 1890 pp. 119 sqq., +1895 pp. 59 sqq.; Cour d'Appel Brussel 29 Dec. 1905, D. A. 1906 p. 46. + +[646] Zoo deed ook terecht: Tribunal de paix van Laeken 5 Juli 1906, +D. A. 1907 p. 7. + +[647] Men zie hierover: Actes 1896 pp. 46, 47, 199, 200. + +[648] Zoo o. a. door de Association op hare congressen van Monaco 1897, +Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het internationale +uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. Tableau des Voeux etc. 1896-1907 +pp. 14, 15. + +[649] Men zie het Duitsche voorstel met de toelichting Actes 1908 +pp. 51, 52. + +[650] Men zie hierover het verslag der Commissie Actes 1908 pp. 260, +261. + +[651] Actes 1908 p. 262. + +[652] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 p. 262. + +[653] Actes 1908 p. 264. + +[654] Actes 1908 p. 266. + +[655] Cf.: Actes 1885 p. 50. + +[656] Hof van Brescia 20-22 Dec. 1897, D. A. 1898 p. 83; Hof van +Appel Milaan 10 Jan. 1899, D. A. 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa 23 +Juni 1903, D. A. 1904 p. 98. + +[657] Actes 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50. + +[658] Men zie ook: Des moyens de prouver l'existence du droit d'auteur +d'après la Convention de Berne, D. A. 1899 pp. 50 sqq. en een arrest +van het Hof van Cassatie van Rome van 7 Juni 1900, D. A. 1900 p. 145. + +[659] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 252. + +[660] Men zie over deze kwestie o.a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 14; een +hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq. en 25 sqq.; Röthlisberger +t. a. p. pp. 264, 265. + +[661] Actes 1885 p. 35. + +[662] Actes 1896 p. 139. + +[663] Actes 1896 p. 173; 1908 p. 267. + +[664] Cf.: D. A. 1904 p. 14. + +[665] Cf.: D. A. 1905 p. 94. + +[666] Cf.: Actes 1885 p. 52; D. A. 1905 pp. 93, 94; Actes 1908 p. 269. + +[667] Men zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen +Duitschland en Engeland: D. A. 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen +Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van +Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): D. A. 1894 pp. 61 sqq. + +[668] Actes 1896 pp. 174, 175. + +[669] Dit belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen, +die reeds reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te +houden. Cf., speciaal voor Italië: M. Amar, De l'application de la +Convention de Berne revisée aux oeuvres publiées avant son entrée en +vigueur, D. A. 1900 pp. 89 sqq. + +[670] De tekst is o.a. te vinden in D. A. 1888 pp. 76 en 90 en bij +Röthlisberger t. a. p. pp. 348 sqq. + +[671] Zeitschrift für internationales Privat- und Strafrecht VI p. 388. + +[672] D. A. 1905 p. 94; Röthlisberger t. a. p. p. 273. + +[673] Men zie de verklaring der Deensche Regeering, D. A. 1905 p. 95. + +[674] Men zie hierover o.a.: J. F. Iselin, L'effet rétroactif de la +Convention de Berne en Angleterre, D. A. 1899 p. 38; Röthlisberger +t. a. p. p. 278; La question de la Rétroactivité devant les tribunaux +Anglais, (hoofdartikel) D. A. 1891 pp. 49 sqq. en: D. A. 1905 +p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te vinden in: +D. A. 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101; 1899 p. 39. + +[675] Men zie: Actes 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; Actes 1885 pp. 27 +en 45. + +[676] Men zie het Commissie-rapport Actes 1896 pp. 160, 161. + +[677] D. A. 1895 p. 163. + +[678] Cf. ook in dezen zin: Röthlisberger t. a. p. pp. 29 sqq. + +[679] Actes 1884 p. 36. + +[680] Actes 1908 p. 277. + +[681] Cf.: Röthlisberger t. a. p. pp. 300, 301. + +[682] Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van +het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor +den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen +en Telegrafie, Staatsblad no. 213. + + + Wij Wilhelmina, enz. + + Overwegende, dat het wenschelijk is het auteursrecht op de + Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur + der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden; + + Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881 (Staatsblad + no. 124) tot regeling van het auteursrecht, gewijzigd bij de wet + van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64); + + Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Waterstaat + en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling Posterijen + en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A. S.; + + Hebben goedgevonden en verstaan: + + te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de tweemaal per jaar + verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door + het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie. + + Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn belast met + de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden + geplaatst. + + +[683] De overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die +voornamelijk de inrichting en den werkkring van het Internationale +Bureau betreffen, stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en +artt. 22 en 23 Conventie 1908. + + + + + +End of Project Gutenberg's Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT *** + +***** This file should be named 37500-8.txt or 37500-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/5/0/37500/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/37500-8.zip b/37500-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d2d1f6e --- /dev/null +++ b/37500-8.zip diff --git a/37500-h.zip b/37500-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..232667b --- /dev/null +++ b/37500-h.zip diff --git a/37500-h/37500-h.htm b/37500-h/37500-h.htm new file mode 100644 index 0000000..c58843d --- /dev/null +++ b/37500-h/37500-h.htm @@ -0,0 +1,25689 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>Het auteursrecht in het Nederlandsche en internationale +recht</title> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=us-ascii"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content= +"Henri Louis de Beaufort (1880–1960)"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content= +"Henri Louis de Beaufort (1880–1960)"> +<meta name="DC.Title" content= +"Het auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="Copyright"> +<style type="text/css"> +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedtext td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second +{ +padding-left: 10px; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.hangq +{ +text-indent: -0.35em; +} +.hangqq +{ +text-indent: -0.44em; +} +.hangqqq +{ +text-indent: -0.78em; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 10%; +border-width: 0; +} +td.tocDivNum +{ +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +} +td.tocPageNum +{ +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +} +td.tocDivTitle +{ +width: auto; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/* External Links */ +.pglink, .catlink, .exlink +{ +background-repeat: no-repeat; +background-position: right center; +} +.pglink +{ +background-image: url(images/book.png); +padding-right: 18px; +} +.catlink +{ +background-image: url(images/card.png); +padding-right: 17px; +} +.exlink +{ +background-image: url(images/external.png); +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, .pseudoh1 +{ +padding-bottom: 5em; +} +h1, h2, .pseudoh1, .pseudoh2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.tablecaption +{ +text-align: center; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd20e113 +{ +text-align:center; +} +.xd20e2545 +{ +text-indent:2em; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Auteursrecht + in het Nederlandsche en internationale recht + +Author: Henri Louis de Beaufort + +Release Date: September 21, 2011 [EBook #37500] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive) + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">Het Auteursrecht</div> +<div class="mainTitle"></div> +<div class="subTitle">in het Nederlandsche en internationale +recht</div> +<div class="subTitle">Proefschrift</div> +<div class="subTitle">Ter verkrijging van den graad van Doctor in de +Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te Utrecht na machtiging van +den Rector Magnificus <i>Dr.</i> H. Zwaardemaker hoogleeraar in de +Faculteit der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat der +Universiteit tegen de bedenkingen van de Faculteit der +Rechtsgeleerdheid te verdedigen op vrijdag 17 december 1909 des +namiddags te 4 uur door</div> +</div> +<div class="byline"><span class="docAuthor">Henri Louis de +Beaufort</span><br> +Geboren te Leusden</div> +<div class="docImprint">P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus et +Librorum Editor Utrecht 1909</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e111" href="#xd20e111" name= +"xd20e111">V</a>]</span></p> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e113">Aan mijne Ouders <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e115" href="#xd20e115" name= +"xd20e115">VI</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"><i>Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten +voorbijgaan, die mij hier is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen +aan U, Hooggeachte Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid +waarmede U, tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit +proefschrift terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke +belangstelling, die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen.</i></p> +<p><i>Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het +voorrecht heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne +erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik van +hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan de +verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb +tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters van +dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden +deelnam.</i></p> +<p><i>Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten, +het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen +uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het is +mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en zijne +Academie bestaat.</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e130" href= +"#xd20e130" name="xd20e130">IX</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Inhoud</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first"> <span class= +"tocPagenum">P.</span></p> +<p class="tocChapter"><a href="#bronnen">Bronnen en literatuur</a> + <span class="tocPagenum">XIII</span></p> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk I</p> +<p class="tocChapter"><b><a href="#ch1">Historische +inleiding</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 1</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.1">De bescherming +tegen den nadruk in ons land tot aan het einde der achttiende +eeuw</a></td> +<td class="tocPageNum">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 2</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.2">Onze wetgeving op +het auteursrecht van het einde der achttiende eeuw tot dezen +tijd</a></td> +<td class="tocPageNum">39</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 3</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.3">Geschiedkundige +ontwikkeling van het internationaal auteursrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">52</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk II</p> +<p class="tocChapter"><b><a href="#ch2">Grondslag en +rechtskarakter</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 1</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.1">Algemeen overzicht +der verschillende theorieën</a></td> +<td class="tocPageNum">70</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 2</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.2">Recht of +doelmatigheid?</a></td> +<td class="tocPageNum">78</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 3</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.3">Economische +theorieën</a></td> +<td class="tocPageNum">95</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 4</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.4">Het auteursrecht +als recht op een onlichamelijk goed</a></td> +<td class="tocPageNum">108</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk III</p> +<p class="tocChapter"><b><a href="#ch3">De objecten</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 1</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.1">Algemeen overzicht +en groepeering</a></td> +<td class="tocPageNum">126</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 2</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.2">Geschriften</a> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e334" href="#xd20e334" name= +"xd20e334">X</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">a</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.1">Kenmerkende +eigenschappen</a></td> +<td class="tocPageNum">137</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">b</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.2">Vorm en +inhoud</a></td> +<td class="tocPageNum">143</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">c</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch3.2.3">Practische +toepassingen van het voorgaande</a></td> +<td class="tocPageNum">169</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.1">Vereischten +waaraan een geschrift moet voldoen om object van auteursrecht te +zijn</a></td> +<td class="tocPageNum">170</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.2">Het recht van +den vertaler</a></td> +<td class="tocPageNum">176</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.3">Het +uitsluitend vertalingsrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">180</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch3.2.3.4">Het recht van +den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">186</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 3</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.3">Wetenschappelijke +en technische platen en kaarten</a></td> +<td class="tocPageNum">195</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 4</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.4">Werken der +toonkunst</a></td> +<td class="tocPageNum">202</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 5</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href= +"#ch3.5">Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes</a></td> +<td class="tocPageNum">211</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 6</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.6">Werken van +beeldende kunst</a></td> +<td class="tocPageNum">219</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 7</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.7">Kunstnijverheid, +photographie en bouwkunst</a></td> +<td class="tocPageNum">228</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk IV</p> +<p class="tocChapter"><b><a href="#ch4">Omvang en duur</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 1</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.1">Omvang</a></td> +<td class="tocPageNum">234</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.1">Het door den +druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken</a></td> +<td class="tocPageNum">236</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.2">Het maken van +afschriften</a></td> +<td class="tocPageNum">238</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.3">Vervaardiging en +verspreiding van mechanische muziek-instrumenten en +phonografen</a></td> +<td class="tocPageNum">240</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.4">Reproductie door +den kinematograaf</a></td> +<td class="tocPageNum">244</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">V</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.5">Op- en +uitvoering</a></td> +<td class="tocPageNum">246</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">VI</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href= +"#ch4.1.6">Voordracht</a></td> +<td class="tocPageNum">251</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">VII</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch4.1.7">Reproductie van +werken van beeldende kunst</a></td> +<td class="tocPageNum">252</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 2</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.2">Duur</a></td> +<td class="tocPageNum">254</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk V</p> +<p><b><a href="#ch5">Voorwaarden en formaliteiten</a></b> + <span class="tocPagenum">261</span></p> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk VI</p> +<p class="tocChapter"><b><a href="#ch6">Eenige met het auteursrecht in +verband staande rechten</a></b> <span class= +"tocPagenum">275</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.1">Recht op +brieven</a></td> +<td class="tocPageNum">278</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href= +"#ch6.2">Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op +auteursrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">281</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.3">Het recht van den +auteur dat zijn werk in ongeschonden staat wordt publiek +gemaakt</a></td> +<td class="tocPageNum">288</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.4">Het recht met +betrekking tot den auteursnaam</a></td> +<td class="tocPageNum">291</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.5">Recht van den +afgebeelden persoon</a></td> +<td class="tocPageNum">299</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter">Hoofdstuk VII</p> +<p><b><a href="#ch7">Internationaal auteursrecht</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 1</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.1">Algemeene +opmerkingen</a> <span class="pagenum">[<a id="xd20e578" href= +"#xd20e578" name="xd20e578">XI</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum">305</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">§ 2</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.2">De Berner +Conventie</a></td> +<td class="tocPageNum">319</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">a</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.1">Algemeene +regelen betreffende het internationale auteursrecht in het +Verbond</a></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.1">Doel en +strekking van het Verbond</a></td> +<td class="tocPageNum">321</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.2">De werken +waarop de Conventie van toepassing is</a></td> +<td class="tocPageNum">322</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.3">Aard en omvang +der bescherming</a></td> +<td class="tocPageNum">343</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.1.4">Duur der +bescherming</a></td> +<td class="tocPageNum">366</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">b</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.2">Bijzondere +regelen omtrent sommige onderdeelen</a></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.1">Het +uitsluitend vertalingsrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">370</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.2">Dagbladen en +tijdschriften</a></td> +<td class="tocPageNum">383</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href= +"#ch7.2.2.3">Bloemlezingen</a></td> +<td class="tocPageNum">395</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.4">Op- en +uitvoeringsrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">398</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">V</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href= +"#ch7.2.2.5">Bewerkingsrecht</a></td> +<td class="tocPageNum">403</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">VI</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.2.6">Mechanische +muziek-instrumenten</a></td> +<td class="tocPageNum">406</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">VII</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href= +"#ch7.2.2.7">Kinematograaf</a></td> +<td class="tocPageNum">413</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">c</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.3">Rechtsmiddelen +tot handhaving van het auteursrecht</a></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.3.1">Legitimatie +voor den rechter</a></td> +<td class="tocPageNum">417</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.3.2">Beslag op +nadruk</a></td> +<td class="tocPageNum">420</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">d</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#ch7.2.4">Uitvoerings- en +overgangsbepalingen</a></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.1">Maatregelen +der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling van geschriften en +kunstwerken</a></td> +<td class="tocPageNum">423</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href= +"#ch7.2.4.2">Overgangsbepalingen</a></td> +<td class="tocPageNum">424</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.3">De wetten en +afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie</a></td> +<td class="tocPageNum">434</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.4">Huishoudelijke +inrichting van het Verbond</a></td> +<td class="tocPageNum">436</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">V</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.5">Toetreding van +nieuwe staten en hunne koloniën</a></td> +<td class="tocPageNum">436</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum">VI</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#ch7.2.4.6">Bekrachtiging, +inwerkingtreding en opzegging</a></td> +<td class="tocPageNum">439</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><b><a href="#bijlagen">Bijlagen</a></b></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b1">Wet van 28 Juni 1881 +(Staatsblad n<sup>o</sup>. 124) tot regeling van het auteursrecht</a> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e837" href="#xd20e837" name= +"xd20e837">XII</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum">443</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b2">Gewijzigd ontwerp van +wet tot regeling van het auteursrecht op werken van beeldende +kunst</a></td> +<td class="tocPageNum">452</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td> +<td class="tocPageNum"></td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">A</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.1">Convention de Berne +du 9 Septembre 1886 concernant la création d’une Union +internationale pour la protection des oeuvres littéraires et +artistiques</a></td> +<td class="tocPageNum">459</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#b3.1.additionnel">Article +additionnel</a></td> +<td class="tocPageNum">464</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href="#b3.1.protocol">Protocole +de clôture</a></td> +<td class="tocPageNum">465</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">B</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.2">Acte additionnel du +4 Mai 1896</a></td> +<td class="tocPageNum">467</td> +</tr> +<tr> +<td colspan="2"></td> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="3"><a href= +"#b3.2.declaration">Déclaration du 4 Mai 1896</a></td> +<td class="tocPageNum">469</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td class="tocDivNum">C</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="4"><a href="#b3.3">Convention de Berne +revisée pour la protection des oeuvres littéraires et +artistiques du 13 Novembre 1908</a></td> +<td class="tocPageNum">471</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#b4">Association +littéraire et artistique internationale Projet de +Loi-Type</a></td> +<td class="tocPageNum">481</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><a href="#stellingen">Stellingen</a> + <span class="tocPagenum">487</span> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e927" href="#xd20e927" name= +"xd20e927">XIII</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="bronnen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Bronnen en literatuur</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, +waarvan voor dit proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier +voorafgaan.</p> +<p>Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht +van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en +oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen, +geraadpleegd.</p> +<p>Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van +de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste +bron in de <i>Resolutiën van de Staten van Holland</i> en de +<i>Resolutiën van de Staten-Generaal</i>, beide (de eerste +gedrukt, de laatste in handschrift) berustende in het Rijksarchief te +’s Gravenhage. Ik achtte het echter niet noodig <i>alle</i> +jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk te doorzoeken; hier +en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende, dat nergens eene +periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.</p> +<p>Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan +het <i>Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, +inzonderheid van Utrecht</i>, uitgegeven door <span class="sc">J. J. +Dodt van Flensburg</span>; van de „Resolutiën der Generale +Staten uit de XVIIde eeuw meer <span class="corr" id="xd20e955" title= +"Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> betreffende de geschiedenis der +beschaving”, die in de deelen IV, V, VI en VII van dit werk zijn +opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp betrekking te +hebben.</p> +<p>Van <span class="corr" id="xd20e960" title= +"Bron: verscheidenene">verscheidene</span> privilegiën heb ik ook +kennis kunnen nemen, doordat zij in het geprivilegieerde boek zelf +stonden afgedrukt.</p> +<p>Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te +worden <span class="pagenum">[<a id="xd20e965" href="#xd20e965" name= +"xd20e965">XIV</a>]</span>genoemd <span class="sc">Bodel +Nyenhuis</span> (<i>De wetgeving op drukpers en boekhandel in de +Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw</i>). Na dit boek, waarvan +de eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een +zelfstandig onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn +ingesteld; zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het +genoemde werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.</p> +<p>Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde +uit den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te +worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt door +eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz., uitgegeven +door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels. +(<i>Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten, tractaten, +regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in Nederland en +Nederlandsch-Indië</i>, ’s-Gravenhage 1865; id. Tweede +Gedeelte, ’s Gravenhage 1867).</p> +<p>Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en +voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen der +Conferenties.</p> +<p>Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in +de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der +verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn het +niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie, die aan +de handelingen hunne waarde verleenen.</p> +<p>Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van +Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid +zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur, Prof. +<span class="sc">Louis Renault</span>, terecht algemeen lof is +gebracht.</p> +<p>Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de +eerste plaats het standaard-werk van Prof. <span class="sc">Ernst +Röthlisberger</span>, <i>Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von +Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen</i>. (Bern 1906). +Deze voortreffelijke en zeer volledige commentaar is echter reeds +eenigermate verouderd, daar hij geschreven is vóór de +herziening van Berlijn.</p> +<p>Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de +Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het +maandblad <i>Le Droit d’Auteur</i>, officieel orgaan van het +Internationale Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten +de twee en twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk +geredigeerde <span class="pagenum">[<a id="xd20e1001" href="#xd20e1001" +name="xd20e1001">XV</a>]</span>tijdschrift zijn verschenen, een schat +van gegevens over wetgeving en jurisprudentie op het auteursrecht van +bijna alle landen der wereld.</p> +<p>Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft, nog +het volgende:</p> +<p>De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is +wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk geval +meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van eenigen +omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen en korte +stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het auteursrecht +slechts terloops wordt besproken.</p> +<p>Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds +toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne +beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk +niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.</p> +<p>Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet +ongerust: ik bedoel <span class="sc">Kohler</span>, wiens werken +ongetwijfeld tot het belangrijkste behooren van hetgeen over het +auteursrecht is geschreven. Uit de volgende bladzijden zal men +herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik aan dezen schrijver verschuldigd +ben.</p> +<hr class="tb"> +<p>Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche +werken, alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.</p> +<p><span class="sc">J. Aikes van Kregten</span>, Het contract tusschen +schrijver en uitgever, Proefschr. Groningen 1889.</p> +<p>Mr. <span class="sc">G. Belinfante</span>, Het recht van den auteur, +<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq.</p> +<p><span class="sc">J. T. Bodel Nyenhuis</span>, De wetgeving op +drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in het begin der XIXde +eeuw. (Vertaling van: <span lang="la">De juribus typographorum et +bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819</span>). Met de latere +bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.</p> +<p><span class="sc">J. D. Doorman</span>, Het vrije vertalingsrecht +verdedigd, Leiden 1885.</p> +<p>Mr. <span class="sc">Evertsen de Jonge</span>, Verhandeling over de +regten van schrijvers en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit +het oogpunt van het internationale regt, Utrecht 1853.</p> +<p>Mr. <span class="sc">J. Heemskerk Azn.</span>, Voordragten over den +eigendom van voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e1055" href="#xd20e1055" name= +"xd20e1055">XVI</a>]</span></p> +<p>Prof. Mr. <span class="sc">H. van der Hoeven</span>, Een verongelukt +artikel, <i>Tijdschrift voor Strafrecht</i> V pp. 99 sqq.</p> +<p><span class="sc">J. van de Kasteele</span>, Het auteursrecht in +Nederland, Proefschr. Leiden 1885.</p> +<p>Mr. <span class="sc">S. Katz</span>, Het auteursrecht, +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> I pp. 311 sqq.</p> +<p><span class="sc">J. H. Kok</span>, Auteursrecht en Berner Conventie, +Rotterdam 1905.</p> +<p>— Aansluiting bij de Berner Conventie, <i>Pro en Contra</i> +serie I n<sup>o</sup>. 10.</p> +<p>Mr. <span class="sc">J. A. Levy</span>, Nederland en de Berner +Conventie, <i>Het Paleis van Justitie</i>, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.</p> +<p>Jhr. Mr. <span class="sc">A. F. de Savornin Lohman</span>, Over de +regten van den uitvinder, <i>Themis</i> 1862 pp. 213 sqq.</p> +<p>— Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de +zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door mr. T. +van Hettinga Tromp), <i>Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid en +Wetgeving</i> deel XIV (1864) pp<span class="corr" id="xd20e1109" +title="Niet in bron">.</span> 140 sqq.</p> +<p>— Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, +<i>Bijdragen tot de kennis van het Staats-Provinciaal en +Gemeente-Bestuur in Nederland</i> XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.</p> +<p><span class="sc">J. Mosmans</span>, Diefstal? Nederland en de Berner +Conventie, Venloo 1905.</p> +<p>Mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span>, Begrip en omvang van het +auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, <i>Verslagen en +Mededeelingen der Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterkunde</i> +3<sup>de</sup> reeks, 12<sup>de</sup> deel pp. 5 sqq.</p> +<p>Mr. <span class="sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, Nederland en +de Berner Conventie, <i>de Gids</i> 1896 III pp. 385 sqq.</p> +<p>— Nederland en de (herziene) Berner Conventie, <i>Onze +Eeuw</i> 1909 I pp. 102 sqq.</p> +<p><span class="sc">N. de Ridder</span>, Eenige beschouwingen over +kopierecht, Proefschr. Utrecht 1875.</p> +<p><span class="sc">Herman Robbers</span>, Aansluiting bij de Berner +Conventie, <i>Pro en Contra</i> serie I n<sup>o</sup>. 10.</p> +<p>— De Berner Conventie, te Berlijn herzien, <i>de Gids</i> 1908 +IV pp. 541 sqq.</p> +<p><span class="sc">J. G. Robbers</span> Jr., Het auteursrecht. +Opmerkingen en beschouwingen, Proefschr. Amsterdam 1896.</p> +<p>Mr. <span class="sc">Paul Scholten</span>, Recht op brieven, +<i>Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie</i> 22 Sept. +1906 n<sup>o</sup>. 1917.</p> +<p>Mr. <span class="sc">Ph. W. Scholten</span>, Eene leemte in de wet +betreffende het auteursrecht, <i>Themis</i> 1884 pp. 154 sqq. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e1191" href="#xd20e1191" name= +"xd20e1191">XVII</a>]</span></p> +<p><span class="sc">A. G. N. Swart</span>, Opmerkingen betreffende +auteursrecht op werken van beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.</p> +<p>Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, Het auteursrecht volgens +de Nederlandsche wetgeving, 1895.</p> +<p>— Nederland en de Berner Conventie, <i>de Gids</i>, 1896 III +pp. 411 sqq.</p> +<p>— id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de +Nederl. wetgeving, 2<sup>de</sup> druk Groningen 1898.</p> +<p>Mr. <span class="sc">B. van den Velden</span>, Over het kopyregt in +Nederland, ’s Gravenhage 1835.</p> +<p>Mr. <span class="sc">J. Freseman Viëtor</span>, Eene bijdrage +tot het leerstuk van den intellectueelen eigendom, <i>Bijdragen tot de +kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland</i> +XV (nieuwe serie II) pp. 1–49, 113–166.</p> +<p>— Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot +regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.</p> +<p>— Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, +<i>Handelingen der Nederl. Juristen Vereeniging</i> 1877 I pp. 34 +sqq.</p> +<p><span class="sc">Henry Viotta</span>, Het auteursrecht van den +componist, Proefschr. 1877.</p> +<p>Mr. <span class="sc">B. M. de Vos</span>, Het auteursrecht in actie, +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.</p> +<hr class="tb"> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">Karl Adler</span>, Zur juristischen +Konstruktion des Urheberrechtes, <i>Archiv für Bürgerliches +Recht</i> X pp. 104 sqq.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">O. Bähr</span>, Hat der +Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen Vervielfältigung +eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? <i>Archiv für +Bürgerliches Recht</i> VIII pp. 150 sqq.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Louis Blanc</span>, De la +propriété littéraire, Organisation du Travail +5<sup>me</sup> ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">Bluntschli</span>, Das sogenannte +Schrifteigenthum, Das Autorrecht, <i>Kritische Ueberschau der deutschen +Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> I pp. 1 sqq.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Jules Charreyron</span>, De la +propriété littéraire et artistique, Thèse +pour le doctorat Paris 1904.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">P. Daude</span>, Lehrbuch des +Deutschen litterarischen, künstlerischen und gewerblichen +Urheberrechts, Stuttgart 1888.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Louis Delzons</span>, La +propriété artistique et littéraire à la +Conférence de Berlin, <i>Revue des deux mondes</i> Octobre 1908 +pp. 667 sqq. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1293" href="#xd20e1293" +name="xd20e1293">XVIII</a>]</span></p> +<p lang="fr"><span class="sc">Louis Delzons</span>, L’oeuvre de +la Conférence de Berlin sur la propriété +littéraire et artistique, <i>ibid.</i> Dec. 1908 pp. 895 +sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">J. G. Fichte</span>, Beweis der +Unrechtmässigkeit des <span class="corr" id="xd20e1305" title= +"Bron: Büchernachdruks">Büchernachdrucks</span>. Ein +Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 +sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">C. F. von Gerber</span>, Ueber die Natur +der Rechte des Schriftstellers und Verlegers, <i>Jahrbücher +für die Dogmatik</i> III pp. 359 sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">O. Gierke</span>, Deutsches Privatrecht +(Systematisches Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl +Binding 2<sup>de</sup> afd. III<sup>de</sup> deel), Leipzig 1895 pp. +702 sqq. 756 sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">Hegel</span>, Grundlinien der Philosophie +des Rechts §§ 43, 68, 69.</p> +<p lang="de">Prof. Dr. <span class="sc">Paul Hinschius</span>, Ueber +die Schutzberechtigung von Pantomimen und Ballets gegen unbefugte +öffentliche Aufführung, <i>Jahrbücher für die +Dogmatik</i> XXVI pp. 185 sqq.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">Julius Jolly</span>, Die Lehre vom +Nachdruck, nach den Beschlüssen des deutschen Bundes dargestellt, +<i>Beilageheft zum Archiv für die civilistische Praxis</i>, Band +XXXV (1852).</p> +<p lang="de"><span class="sc">Im. Kant</span>, Metaphysik der Sitten I, +Rechtslehre, I Theil, II Hauptst., 3 Abschn.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">Joseph Kohler</span>, Das Autorrecht, +eine zivilistische Abhandlung, zugleich ein Beitrag zur Lehre vom +Eigenthum, vom Miteigenthum, vom Rechtsgeschäft und vom +Individualrecht, <i>Jahrbücher für die Dogmatik</i> +XVIII.</p> +<p lang="de">— Das literarische und artistische Kunstwerk und +sein Autorschutz, Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim +1892.</p> +<p lang="de">— Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, +Stuttgart 1906–1907.</p> +<p lang="de">— Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.</p> +<p lang="de">— Die Idee des geistigen Eigenthums, <i>Archiv +für die civilistische Praxis</i> 82 pp. 192 sqq.</p> +<p lang="de">— Das Recht an Fahrtenbüchern, <i>ibid.</i> 85 +pp. 98 sqq.</p> +<p lang="de">— Autorrechtliche Studien, <i>ibid.</i> 85 pp. 399 +sqq.</p> +<p lang="de">— Die Immaterialgüter im internationalen Recht, +<i>Zeitschrift für internationales Privat- und Strafrecht</i> VI +(1896) pp. 236 sqq. en 338 sqq.</p> +<p lang="de">— Das Individualrecht als Namenrecht, <i>Archiv +für Bürgerliches Recht</i> V pp. 77 sqq.</p> +<p lang="de">— Das Recht an Briefen, <i>ibid.</i> VII pp. 94 +sqq.</p> +<p lang="de">— Zur Konstruktion des Urheberrechts, <i>ibid.</i> X +pp. 241 sqq. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1400" href="#xd20e1400" +name="xd20e1400">XIX</a>]</span></p> +<p lang="fr"><span class="sc">Paul Laboulaye</span>, Étude sur +le droit de propriété littéraire en Allemagne, +Paris 1855.</p> +<p lang="en"><span class="sc">Macaulay</span>, Copyright, A speech +delivered in The House of Commons on the 5th of February 1841.</p> +<p lang="en">— id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay +in two volumes, vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. +CCLXXXIV).</p> +<p lang="de"><span class="sc">Mandry</span>, Der Entwurf eines +gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes, <i>Kritische +Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> VII +pp. 1–55, 242–274, 565–609.</p> +<p lang="de">— Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, +<i>Archiv für die civilistische Praxis</i> 60 (neue Folge 10) pp. +228 sqq.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">F. de Martens</span>, Traité de +droit international, traduit du Russe par Alfred Léo, Paris 1886 +II pp. 195–234.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Aloïs d’Orelli</span>, La +Conférence internationale pour la protection des droits +d’auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, +<i>Revue de droit international et de législation +comparée</i> 1884 pp. 533 sqq.</p> +<p lang="fr">— La deuxième conférence +internationale pour la protection des oeuvres littéraires et +artistiques, <i>ibid.</i> 1886 pp. 35 sqq.</p> +<p lang="de"><span class="sc">Hermann Ortloff</span>, Das Autorrecht +als strafrechtlich zu schützendes Recht, <i>Jahrbücher +für die Dogmatik</i> V pp. 263 sqq.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Eugène Pouillet</span>, +Traité théorique et pratique de la +propriété littéraire et artistique et du droit de +représentation, Paris 1879.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">P. J. Proudhon</span>, Les Majorats +littéraires, Examen d’un projet de loi ayant pour but de +créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes un monopole +perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI.</p> +<p lang="fr"><span class="sc">Fernand Renouard</span>, Essai sur la +nature du droit d’auteur, improprement désigné sous +le titre de propriété littéraire, Genève +1869.</p> +<p lang="de">Prof. <span class="sc">Ernst Röthlisberger</span>, +Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und Kunst +und die Zusatzabkommen, geschichtlich und rechtlich beleuchtet und +kommentiert, Bern 1906.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">A. Schäffle</span>, Die +ausschliessenden „Verhältnisse” mit besonderer +Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, +Muster- und Markenschuz, <i>Zeitschrift für die gesammte +Staatswissenschaft</i> Band 23 (1867) pp. 143–219; +291–477.</p> +<p lang="de">— Ueber die volkswirtschaftliche Natur der +Güter der Darstellung und der Mittheilung, <i>ibid.</i> Band 29 +(1873) pp. 1–70. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1480" href= +"#xd20e1480" name="xd20e1480">XX</a>]</span></p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">Schmid</span>, Ueber dingliche +Gewerberechte, <i>Archiv <span class="corr" id="xd20e1488" title= +"Bron: fur">für</span> die civilistische Praxis</i> Band 4 pp. 1 +sqq.; 174 sqq.</p> +<p lang="de">Dr. <span class="sc">Heinrich M. Schuster</span>, Das +Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, Deutschland und andern +europäischen Staaten mit Einschluss der allgemeinen +Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt, München +1891.</p> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">Afkortingen</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p lang="fr" class="first"><b>Actes 1884</b> Actes de la +Conférence internationale pour la protection des droits +d’auteur réunie à Berne du 8 au 19 septembre 1884, +Berne 1884.</p> +<p lang="fr"><b>Actes 1885</b> Actes de la 2<sup>me</sup> +Conférence internationale pour la protection des oeuvres +littéraires et artistiques réunie à Berne du 7 au +18 Septembre 1885, Berne 1885.</p> +<p lang="fr"><b>Actes 1886</b> Actes de la 3<sup>me</sup> +Conférence internationale pour la protection des oeuvres +littéraires et artistiques réunie à Berne du 6 au +9 septembre 1886, Berne 1886.</p> +<p lang="fr"><b>Actes 1896</b> Actes de la Conférence +réunie à Paris du 15 avril au 4 mai 1896, Berne Bureau +international de l’Union 1897.</p> +<p lang="fr"><b>Actes 1908</b> Actes de la Conférence +réunie à Berlin du 14 octobre au 14 novembre 1908, Berne +Bureau de l’Union internationale littéraire et +<span class="corr" id="xd20e1526" title= +"Bron: artististique">artistique</span> 1909.</p> +<p lang="fr"><b>D. A.</b> Le Droit d’Auteur, organe officiel du +Bureau de l’Union internationale pour la protection des oeuvres +littéraires et artistiques.</p> +<p><b>Ontw. B. K.</b> Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst.</p> +<p><b>W. A. R.</b> Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot +regeling van het auteursrecht. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1541" +href="#xd20e1541" name="xd20e1541">1</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk I</h2> +<h2 class="main">Historische inleiding</h2> +<div class="div2" id="ch1.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land +tot aan het einde der achttiende eeuw</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den voortbrengers van intellectueele producten (werken +van kunst en letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije +genot van de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het +recht, over de exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit +is de thans vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de +regeling van het auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit +proefschrift nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden +toegelicht en uitgewerkt.</p> +<p>Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet +in de auteursproducten zelf—het is algemeen bekend, dat reeds in +de oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken +van grooten bloei hebben gehad—maar in de wijzen, waarop die +producten geëxploiteerd kunnen worden.</p> +<p>De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, +was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat +daarvóór van het toekennen van uitsluitende rechten op de +exploitatie van intellectueele producten nooit sprake is geweest. Men +heeft zich hierover wel verwonderd, omdat ook vóór de +boekdrukkunst verveelvoudiging van boeken reeds op groote schaal plaats +had.</p> +<p>In het oude Rome b.v. waren reeds „<span lang= +"la">bibliopolae</span>” gevestigd, die honderden slaven als +overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat het aantal afschriften, dat +van eenzelfde boek—soms in zeer korten <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e1563" href="#xd20e1563" name= +"xd20e1563">2</a>]</span>tijd—verspreid kon worden, zeker niet +geringer was dan dat van de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort +na de uitvinding der boekdrukkunst in denzelfden tijd kon +afleveren<a class="noteref" id="xd20e1565src" href="#xd20e1565" name= +"xd20e1565src">1</a>.</p> +<p>Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar +boeken door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in +verscheidene steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, +waren huizen gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in +het groot werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke +Broeders des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan +zelfs den naam „Broeders van de penne” te danken +hadden<a class="noteref" id="xd20e1601src" href="#xd20e1601" name= +"xd20e1601src">2</a>.</p> +<p>De exploitatie van letterkundige producten was dus ook +vóór de toepassing der boekdrukkunst reeds van +beteekenis; toch laat het zich wel verklaren, dat men er in die tijden +niet toe gekomen is, een uitsluitend recht op kopie te scheppen.</p> +<p>In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk +van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen niet +mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien zou het +uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen die een groot +aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande personen, +die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, zou het +onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden moet gezocht +worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door overschrijvers de te +behalen winst niet afhangt van het aantal exemplaren, dat van hetzelfde +boek verkocht kan worden, zooals dat bij toepassing van den druk het +geval is. Er worden niet, zooals bij het drukken, bijzondere kosten +vereischt voor de bewerking van nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene +vergelding behoeft te worden gezocht in den verkoop van zooveel +mogelijk exemplaren van hetzelfde <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e1617" href="#xd20e1617" name="xd20e1617">3</a>]</span>boek. Het +vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben in +overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer vond, +kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander ter hand +worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik gemaakt om +afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste uitgever +hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad van +concurrentie.</p> +<p>De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem +uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.</p> +<p>Het in druk uitgeven van een geschrift is—en was vooral te +dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was—altijd min +of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast +aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies +zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór +alles om te doen is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke +oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed +zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te +drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede +winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager +te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste +koopers naar zich toe.</p> +<p>Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden, +zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie, +waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen, +aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit +kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand +liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte te +doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek <i>octrooi</i> of +<i>privilegie</i> krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met +uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.</p> +<p>De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der +achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk +gebleven. Het recht—al was het dan een +uitzonderingsrecht—der privilegie-houders heeft vele punten van +gemeenschap met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel +overeen met het kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk +der privilegiën en octrooien is dus te beschouwen als de eerste +periode <span class="pagenum">[<a id="xd20e1634" href="#xd20e1634" +name="xd20e1634">4</a>]</span>in de ontwikkelingsgeschiedenis van het +auteursrecht. Om die reden moge er hier, voorzoover ons land betreft, +eene bespreking van volgen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend +in het jaar 1516 door Karel V voor <i>Die Cronycke van Hollandt, +Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare +1517</i><a class="noteref" id="xd20e1642src" href="#xd20e1642" name= +"xd20e1642src">3</a>. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de +gelegenheid hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om +zich op deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk +werden de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze +landen: door Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd +heb ik er slechts enkele kunnen ontdekken<a class="noteref" id= +"xd20e1651src" href="#xd20e1651" name="xd20e1651src">4</a>, doch het +schijnt toen al niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat +zij werden verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 +Mei 1570 komt de bepaling voor (art. 13): „dat geen Printer eenig +boek zal mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, +binnen drie maanden na den dag van expiratie van ’t +privilegie.”</p> +<p>Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden +de Staten de privilegiën zelf.</p> +<p>Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die +tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond +tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die van +Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel +mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e1701" href="#xd20e1701" name= +"xd20e1701">5</a>]</span>Provinciale Staten als door de Generaliteit +werden privilegiën verleend; de eersten waren natuurlijk slechts +in ééne provincie van kracht, de laatsten golden, +voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden waren +bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de +privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle +provinciën erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 +aan de weduwe van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden +verleend voor de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten +uitlokte van verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, +„... als niet konnende verstaen dat de Staten Generael macht +hadden om Octroy te geven aen d’eene, ende verbot te doen aen +d’andere...” enz.<a class="noteref" id="xd20e1703src" href= +"#xd20e1703" name="xd20e1703src">5</a>. Door de Steden van Holland werd +tegen dit octrooi aangevoerd, „dat sulcks niet konde prejudiceren +aen de Provinciën of Leden van dien, of om korter te spreken, dat +haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy te +gheven.”<a class="noteref" id="xd20e1711src" href="#xd20e1711" +name="xd20e1711src">6</a> Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het +gegeven octrooi „geconfirmeert,” maar dit belette niet, dat +de bijbel door verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd +nagedrukt<a class="noteref" id="xd20e1714src" href="#xd20e1714" name= +"xd20e1714src">7</a>.</p> +<p>Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal +verleende privilegiën in de verschillende provinciën +<i>attache</i> aan te vragen; in sommige privilegiën vindt men +zelfs de verplichting hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal +voorgeschreven<a class="noteref" id="xd20e1730src" href="#xd20e1730" +name="xd20e1730src">8</a> en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd +geen octrooi van de Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest +zonder attache<a class="noteref" id="xd20e1738src" href="#xd20e1738" +name="xd20e1738src">9</a>. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo +is gebleven, is mij onbekend; in elk geval staat vast, dat de +Staten-Generaal doorgingen met het verleenen van privilegiën voor +de geheele Republiek, zooals uit het onderstaande herhaaldelijk zal +blijken.</p> +<p>Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het +<span class="pagenum">[<a id="xd20e1743" href="#xd20e1743" name= +"xd20e1743">6</a>]</span>inzenden van een request, waarin titel en +schrijver van het werk werden vermeld, soms met eene korte aanduiding +van den inhoud. Een placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari +1686<a class="noteref" id="xd20e1745src" href="#xd20e1745" name= +"xd20e1745src">10</a> bepaalde, dat in een dergelijk request de naam +van het boek moest worden vermeld; werd voor meerdere boeken tegelijk +octrooi aangevraagd, dan kon met één request worden +volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden auteur waren en zij voor +den druk gereed waren; anders moesten er evenveel requesten worden +ingestuurd als er auteurs waren.</p> +<p>Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel +vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal +stond in het octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen +deele alles mede werd „geapprobeerd” wat in het boek te +lezen stond. Bleek later, dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke +zaken inhield, dan kon het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals +o. a. in 1677 met de <i>Historie der Reformatie</i> van Brandt +geschiedde en in 1762 met den <i>Emile</i> van Rousseau.</p> +<p>In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet +altijd zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd +het b.v. verleend voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd +slechts het recht gegeven voor het drukken van het boek in +ééne taal, hoewel het verzocht was voor alle +talen<a class="noteref" id="xd20e1766src" href="#xd20e1766" name= +"xd20e1766src">11</a>.</p> +<p>Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd<a class= +"noteref" id="xd20e1780src" href="#xd20e1780" name= +"xd20e1780src">12</a>; de reden hiervoor is niet altijd na te gaan. +Soms was het, omdat voor hetzelfde werk of een van soortgelijken aard +reeds octrooi aan een ander was verleend. In de vergadering der Staten +van Holland van 13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor +afbeeldingen van verschillende verlichtingen en versieringen in den +Haag afgewezen, omdat het gevraagde octrooi was „sonder eenige +bepaalinge, maar in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het +vervolg <span class="pagenum">[<a id="xd20e1789" href="#xd20e1789" +name="xd20e1789">7</a>]</span>veele andere Ingezeetenen van deese +Provincie souden konnen werden toegebragt nadeel en prejuditie... +etc.”<a class="noteref" id="xd20e1791src" href="#xd20e1791" name= +"xd20e1791src">13</a>.</p> +<p>Dat voor Hugo de Groots <i>Inleydinge tot de Hollantsche +rechtsgeleertheyt</i> in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd +zoowel bij de Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te +verkrijgen, schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de +vijandige gezindheid der Staten-leden jegens den auteur<a class= +"noteref" id="xd20e1801src" href="#xd20e1801" name= +"xd20e1801src">14</a>.</p> +<p>Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen; +zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de Groots +<i>De vrye seevaert</i>, etc.: „Is goetgevonden, alvoeren hierop +te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen D. +Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem +gevalt”<a class="noteref" id="xd20e1815src" href="#xd20e1815" +name="xd20e1815src">15</a>. Een andere maal werd het octrooi +voorwaardelijk toegestaan b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor +eene vertaling van de werken van Will. Perkinsy: „... indien den +predicant Mensevoet hiertoe vorens egeen privilegie en is +geaccordeert”<a class="noteref" id="xd20e1821src" href= +"#xd20e1821" name="xd20e1821src">16</a>.</p> +<p>Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen, +doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd +werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim +hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van het +octrooi<a class="noteref" id="xd20e1832src" href="#xd20e1832" name= +"xd20e1832src">17</a>. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in +eene resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de +Geldersche Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek +van de provinciale academie te Harderwijk moest worden +afgestaan<a class="noteref" id="xd20e1838src" href="#xd20e1838" name= +"xd20e1838src">18</a>.</p> +<p>De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van +allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken, gedichten, +reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken, +„schrijfkonstboucken”, officieele stukken, zooals +placcaten, resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e1845" href="#xd20e1845" name= +"xd20e1845">8</a>]</span>oorspronkelijkheid of nieuwheid was geen +vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers, o. a. de +klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend, evenzoo +voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de Staten-Generaal in +1654 een privilegie voor de <i>Correcture van de Druck-fouten, by +in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel +ingesloopen</i><a class="noteref" id="xd20e1849src" href="#xd20e1849" +name="xd20e1849src">19</a>.</p> +<p>Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende +uitgaven het licht zagen<a class="noteref" id="xd20e1860src" href= +"#xd20e1860" name="xd20e1860src">20</a>, werden—althans tot aan +de uitgave der Staten-vertaling in 1637—herhaaldelijk +privilegiën verleend, door de Staten van Holland zelfs in +één jaar aan twee verschillende personen<a class= +"noteref" id="xd20e1869src" href="#xd20e1869" name= +"xd20e1869src">21</a>.</p> +<p>Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de +privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en +uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook +wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie +grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun +manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam won +de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de eerste +plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak heeft, +en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, op +zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde +boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen der +privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten +weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn +(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren +dood is.</p> +<p>Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie der +Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij o. a. +werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de <i lang= +"la">autores classici</i> geen octrooien meer zouden worden verleend, +behalve voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij +zouden zijn gemaakt.<a class="noteref" id="xd20e1881src" href= +"#xd20e1881" name="xd20e1881src">22</a> Uit analoge bepalingen in +andere landen blijkt, dat <span class="pagenum">[<a id="xd20e1899" +href="#xd20e1899" name="xd20e1899">9</a>]</span>men elders reeds veel +vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen<a class="noteref" +id="xd20e1901src" href="#xd20e1901" name="xd20e1901src">23</a>.</p> +<p>Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn +verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant +Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was, +gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der +Statenvertaling (1637)<a class="noteref" id="xd20e1915src" href= +"#xd20e1915" name="xd20e1915src">24</a>. Na dien tijd was voor wie den +bijbel wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de +Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel +vastgestelden tekst der vertaling hielden<a class="noteref" id= +"xd20e1921src" href="#xd20e1921" name="xd20e1921src">25</a>.</p> +<p>Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel +geen privilegiën meer verleend werden, niet, dat de +privilegie-verleeners tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den +grond der bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van +1715 in dit opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de +Staten van Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de <i lang= +"la">auctores classici</i> in twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat +jaar een tweetal requesten in, waarin octrooi werd gevraagd voor werken +van Cicero, Cato en andere Latijnsche schrijvers; op deze requesten +werd niet afwijzend beschikt, doch zij werden in handen gesteld eener +afzonderlijke commissie, „om de selve te examineeren, en daar +beneevens te overweegen, of de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen +of behooren te werden geëlucedeert of geamplieert... +etc.”<a class="noteref" id="xd20e1932src" href="#xd20e1932" name= +"xd20e1932src">26</a>. Wat de kerkboeken betreft schijnen de Staten +zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben gehouden, althans +in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen—op request van de +„Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente te +Amsterdam”—dat geen privilegiën meer zouden worden +verleend voor de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in +gebruik<a class="noteref" id="xd20e1937src" href="#xd20e1937" name= +"xd20e1937src">27</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e1942" href= +"#xd20e1942" name="xd20e1942">10</a>]</span></p> +<p>Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de +bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook +werken van beeldende kunst.</p> +<p>De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin +achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam +een centrum van den wereld-muziekhandel was<a class="noteref" id= +"xd20e1947src" href="#xd20e1947" name="xd20e1947src">28</a>.</p> +<p>Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo +voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor +privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- +en psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met +begeleiding voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten +van Holland een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder +meer behoorden „tagtig a honderd Italiaansche Ariën met +Instrumenten” en twee geheele Italiaansche opera’s<a class= +"noteref" id="xd20e1957src" href="#xd20e1957" name= +"xd20e1957src">29</a>. Ook voor muziek- <span class="corr" id= +"xd20e1962" title="Niet in bron">en</span> leerboeken werden +privilegiën verleend.<a class="noteref" id="xd20e1965src" href= +"#xd20e1965" name="xd20e1965src">30</a></p> +<p>Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en +uitgeversbedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied +werden hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, +zooals de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of +liever „nasnijden” meermalen voor, hoewel herhaaldelijk +voor deze, dikwijls kostbare uitgaven, privilegiën werden +verleend.</p> +<p>Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van 27 Jan. +1618: „Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam, +geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des +suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van +caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, te +copieren ofte divulgeren,...” etc.<a class="noteref" id= +"xd20e1976src" href="#xd20e1976" name="xd20e1976src">31</a>. Dit is het +eenige octrooi dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich +ook uitstrekt op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook +het namaken op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in +waarheid de meest volledige bescherming, die zich—ook onder de +modernste auteursrecht-wetgeving—denken laat. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e1981" href="#xd20e1981" name= +"xd20e1981">11</a>]</span></p> +<p>Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van +overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften, +noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn de +voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor ook +meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert, +Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland +in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde „Capitale +Letteren”<a class="noteref" id="xd20e1984src" href="#xd20e1984" +name="xd20e1984src">32</a> en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan +Davidt Roelandts van Antwerpen „francoyschen schoolmeyster binnen +Vlissingen” een octrooi verleend voor: „’t magasyn +oft packhuys der loffelycker penneconst, vol subtile ende lustige +trecken, percken, beelden ende fiegueren van menschen, van beesten, +vogelen ende visschen, ende noch meer dan hondert onderscheyden +geschriften, verciert met diversche capitalen oraculen ende gulden +sententiën...” etc.<a class="noteref" id="xd20e1989src" +href="#xd20e1989" name="xd20e1989src">33</a>.</p> +<p>De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend +werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als +naar schilderijen gemaakte.</p> +<p>Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn +schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den +portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor „...het +contrefeytsel, by hem gemaeckt van syn Exc<sup>tie</sup>, hetwelk hy +van meeninge is te doen nasnyden in een copere plate... +etc.”<a class="noteref" id="xd20e2001src" href="#xd20e2001" name= +"xd20e2001src">34</a>. In dit geval is dus het schilderij als object +der bescherming te beschouwen.</p> +<p>Een andere maal werd het privilegie direct aan den +„plaetsnyder” verleend. Een voorbeeld hiervan is het +octrooi van 21 Jan. 1610 aan Jac. Matham verleend voor „het +contrefeytsel van den Hooch geb. grave Hendrik van Nassauw, by Mr. +Michiel van Mierevelt naer het leven gedaen ende by den suppleant in +coper gesneden”<a class="noteref" id="xd20e2014src" href= +"#xd20e2014" name="xd20e2014src">35</a>.</p> +<p>Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het +verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te +zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen +van deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, +maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e2021" href="#xd20e2021" name= +"xd20e2021">12</a>]</span></p> +<p>Soms werd—wat met de beginselen van het auteursrecht niet te +rijmen zou zijn—aan één persoon de uitsluitende +bevoegdheid verleend, een bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen +en te verspreiden, zooals in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar +Florisz. verleende octrooi, om „voor 4 jaren alleen te mogen +drucken de intogt vanden leger van de heren staten generael der vereen. +Nederlanden in Vlaenderen” en in een denzelfden dag aan Herm. Rem +verleend „voor 4 jaren alleen in ’t coper te mogen snyden +ende uytgeven de victorie, die Godt den lande gelieft heeft te verlenen +thegen des vijants galleyen voor het Gat vander Sluys.”<a class= +"noteref" id="xd20e2024src" href="#xd20e2024" name= +"xd20e2024src">36</a> Een privilegie van dezen aard werd blijkbaar ook +verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn, die van de +afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te Munster voor +het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen, portretten in den +handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de Staten-Generaal +wordt o. a. aangevoerd, dat hij „...sijn voornemen bijnae ten +eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo: de +perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz<span class="corr" id= +"xd20e2029" title="Niet in bron">.</span> Heeren Plemp<sup>en</sup> in +een boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder +mij te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo: +souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... +enz.”<a class="noteref" id="xd20e2035src" href="#xd20e2035" name= +"xd20e2035src">37</a>.</p> +<p>Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een +octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld: +„Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met +interdictie dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet +privative dat anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende +vuytgeven”<a class="noteref" id="xd20e2046src" href="#xd20e2046" +name="xd20e2046src">38</a>.</p> +<p>Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar +tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij +resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar +Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om „alleene te +mogen maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem +daerentusschen te inventeren en te boutseren”<a class="noteref" +id="xd20e2053src" href="#xd20e2053" name="xd20e2053src">39</a> en in +1619 werd <span class="pagenum">[<a id="xd20e2058" href="#xd20e2058" +name="xd20e2058">13</a>]</span>aan Willem van Byler, ysersnyder, +octrooi verleend om „... voor den tyt van drye jaeren +naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen +maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere +Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode +nationael...”<a class="noteref" id="xd20e2060src" href= +"#xd20e2060" name="xd20e2060src">40</a>.</p> +<p>Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen +namaak beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen <i>e. soc.</i> in +het jaar 1603 octrooi voor 6 jaren verleend om „... alleene etc. +te mogen backen ende vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken +ofte vloertichelen van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op +dezelve manieren te maecken seecker gepatroneerde papieren ... +etc.”<a class="noteref" id="xd20e2070src" href="#xd20e2070" name= +"xd20e2070src">41</a>. Dergelijke octrooien werden ook gegeven voor +beschilderd porcelein, geborduurde zijden en fluweelen stoffen, +kunstvoorwerpen van zilver, goud en marmer enz.; het is dikwijls +moeilijk uit te maken, of het recht, dat door deze privilegiën +wordt toegekend het meeste overeenkomt met de rechten op uitvindingen +en modellen (den zoogenaamden „industrieelen eigendom”) dan +wel met auteursrecht.</p> +<p>De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen +auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de +privilegiën-periode onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat +soms in eenzelfde privilegie eene uitvinding wordt beschermd tegelijk +met het geschrift, waarin die uitvinding wordt uiteengezet. Als +voorbeeld hiervan kan dienen de resolutie der Staten-Generaal van 4 +Nov. 1615, waarbij octrooi wordt verleend aan Willem Swart „... +omme voor den tyt van 8 jaeren naestcommende alleene <i>etc.</i> te +moegen doen drucken ende vuytgeven een nyeuwe conste, daerby alle +menschen, hoewel in musycque ende snarenspel gansch ongeleert ende +onervaren, alderhande musicale stucken sullen kunnen spelen op +violoncen ende violen de gambe, daertoe hy tot volcommen leeringe ende +instructie heeft gemaeckt zeecker bouck... enz.”<a class= +"noteref" id="xd20e2080src" href="#xd20e2080" name= +"xd20e2080src">42</a>. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten +Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding, +waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds +te zien „hoe hooch den polus boven den horizont verheven +is”. In het request wordt gevraagd „... octroy, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2085" href="#xd20e2085" name= +"xd20e2085">14</a>]</span>omme alleene met seclusie van alle andere de +voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen ende leeren, hetsy +met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal, als met eenige gedruckte +exemplaren... etc.”<a class="noteref" id="xd20e2087src" href= +"#xd20e2087" name="xd20e2087src">43</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat +bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: n.l. +het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te maken. Het +was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, hetzij in zijn +geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte exemplaren in te +voeren, te verkoopen of op andere wijze te verspreiden.</p> +<p>Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende +bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam ook +voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt werd, +zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734 verleend +aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor <i lang= +"fr">l’Histoire du President J. E. du Thou</i>. Zij hadden +aangevraagd het uitsluitend recht om dit boek te mogen drukken +„in soodaanige Formaaten en Taalen als sy dienstig souden +oordeelen”, doch in het verleende octrooi stond de clausule: +„... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt tot het +drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in de +Fransche Taale...” etc.<a class="noteref" id="xd20e2102src" href= +"#xd20e2102" name="xd20e2102src">44</a>.</p> +<p>Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden +verleend voor „de sententie, gepronuncieert aan de +geëxecuteerde in den persoon van Mr. Johan van +Oldenbarnevelt”. Deze sententie werd in het Latijn, in het +Nederlandsch en in het Fransch gedrukt; voor elk dezer talen verleenden +de Staten-Generaal een afzonderlijk privilegie aan drie verschillende +personen<a class="noteref" id="xd20e2109src" href="#xd20e2109" name= +"xd20e2109src">45</a>.</p> +<p>Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en +werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien +niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur de +heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon men +zich er rekenschap van te geven, dat over de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e2117" href="#xd20e2117" name= +"xd20e2117">15</a>]</span>exploitatie door middel van op- of uitvoering +evengoed als over de exploitatie door middel van den druk de auteur +alleen moet te beschikken hebben.</p> +<p>Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van +het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond +bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst is +de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als tusschen +boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren dikwijls ook +zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende opvoering van een +stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te laten, dat het stuk in +druk uitkwam en er streng op toe te zien, dat de enkele afschriften, +die voor de spelers moesten dienen, niet in handen kwamen van derden. +Op deze wijze werd reeds van de vroegste tijden af in verschillende +landen gehandeld en het was daarbij dikwijls mogelijk om aan de +schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks het ontbreken van +opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen<a class="noteref" id= +"xd20e2121src" href="#xd20e2121" name="xd20e2121src">46</a>.</p> +<p>Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der +achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen een +eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.</p> +<p>In de „Kamers van rhetorica”, die van de 15de eeuw af in +grooten getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier +stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen +zij van het stadsbestuur eene belooning<a class="noteref" id= +"xd20e2134src" href="#xd20e2134" name="xd20e2134src">47</a>.</p> +<p>In het Amsterdamsche Dichtgenootschap „<span lang="la">Nil +volentibus arduum</span>” werd omstreeks het jaar 1680 een +voorstel, om voor het afstaan van stukken ter opvoering iets in +rekening te brengen, verworpen<a class="noteref" id="xd20e2148src" +href="#xd20e2148" name="xd20e2148src">48</a>. Ook de stemmen, die zich +in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene geldelijke belooning +voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden geen resultaat<a class= +"noteref" id="xd20e2160src" href="#xd20e2160" name= +"xd20e2160src">49</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2166" href= +"#xd20e2166" name="xd20e2166">16</a>]</span></p> +<p>Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken ter +opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 ingewijden +Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door tooneelspelers van +beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, van 1699 af voorgoed, +direct gevoerd door de Regenten der beide instellingen van +liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er werd jaarlijks +eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs en <span class= +"corr" id="xd20e2169" title="Bron: atrices">actrices</span> redelijk +goed werden betaald en aan de monteering der stukken geen kosten +gespaard werden, moesten de auteurs zich met enkele <i>loodjes</i>, d. +w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid tevreden stellen. +Wagenaar deelt hieromtrent mede:</p> +<p>„Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den +tijd van een jaar en zes weken, schoon ’t, doorgaands, langer +toegelaaten wordt, vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, +wanneer zijn Spel vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits +het een voorspel van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel +krijgt de Poëet niet meer dan drie Loodjes”<a class= +"noteref" id="xd20e2177src" href="#xd20e2177" name= +"xd20e2177src">50</a>.</p> +<p>Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens +spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de +toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien tijde +reeds aan de Regenten werd verweten<a class="noteref" id="xd20e2187src" +href="#xd20e2187" name="xd20e2187src">51</a>. Daar kwam nog bij, dat de +auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan door +middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar: +„De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere, +de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt +daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen, +met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan”<a class= +"noteref" id="xd20e2199src" href="#xd20e2199" name= +"xd20e2199src">52</a>. Wat er dus op deze wijze nog aan het stuk was te +verdienen, ontging den auteur ook.</p> +<p>Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, +behoeft nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen +betaling toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2207" href="#xd20e2207" name= +"xd20e2207">17</a>]</span>openbaar muziek ten gehoore werd gebracht, +waren de kerk (orgelbespelingen) en herbergen, danszalen enz. Ook in +den schouwburg werd, vooral in de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, +doch alleen als aanvulling of begeleiding van hetgeen op het tooneel +vertoond werd<a class="noteref" id="xd20e2209src" href="#xd20e2209" +name="xd20e2209src">53</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was ook het +recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De termijnen, +waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer verschillend. +Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door de +Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, 4, 5, +6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten—althans in +het begin—hierin niet minder afwisseling<a class="noteref" id= +"xd20e2222src" href="#xd20e2222" name="xd20e2222src">54</a>; van de +latere privilegiën (in ’t bijzonder die uit de 18de eeuw), +die mij onder de oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 +jaar.</p> +<p>Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer <i>almanach +boexken</i>, werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een +zeker aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker +„syn leven lanck geduyrende”. Na diens overlijden werd dan, +dikwijls aan de weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard +verleend<a class="noteref" id="xd20e2233src" href="#xd20e2233" name= +"xd20e2233src">55</a>.</p> +<p>Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht +Hendricksz., drukker van de Staten, voor „<i>alle de gemeene +Landts Edicten, Mandamenten, opene Brieven...</i> etc.”, werd +eveneens verleend zonder bepaalden termijn, maar: „tot kennelijck +wederseggen van de Staten”<a class="noteref" id="xd20e2247src" +href="#xd20e2247" name="xd20e2247src">56</a>.</p> +<p>De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte +bepalingen gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de +wederrechtelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e2254" href= +"#xd20e2254" name="xd20e2254">18</a>]</span>vervaardigde of ingevoerde +exemplaren en het betalen eener boete, waarvan het bedrag meestal in +het privilegie was genoemd.</p> +<p>Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht; +ik vond er b.v. van: „25 Goude Realen”; „20 Caroli +guldens van elck Boeck”; „50 kronen ’t elcken reyse +te verbeuren”; „vijf en twintigh ponden van veertigh +grooten”; „drie guldens voor elck Exemplaar”; enz. +enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland werd het +gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde resolutie +van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan 3000 gld. +zou bedragen.</p> +<p>Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de +privilegiën en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van +het recht. Het auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den +aard der zaak alleen aan den auteur, den schepper van het product van +kunst of letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de +privilegiën, die niet tot bescherming van het geestelijk werk +zelf, maar tot bescherming van de onderneming tot exploitatie van het +werk moesten dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den +exploitant, drukker of uitgever, verleend.</p> +<p>Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie +aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in +het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens +uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan +personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de +Staten van Holland in 1587 „den Eersamen ende wel geoeffenden +Adriaen Anthonisz.” om te mogen drukken en uitgeven +„seecker Boecksken, by hem gemaeckt, geïntituleert, +<i>Redenen van het verloop des Jaers</i>, &c. met een <i>Nieuwen +altijdt geduyrenden Calendrier</i>, noch een Boeksken ... etc.” +zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt „nochte elders +gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen +Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte +te koop gestelt.. etc.” Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver +voor eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.</p> +<p>Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe van +den schrijver; in 1585 kreeg „Alijt Meynaerts, arme desolate +weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens” octrooi +voor de „kaerten, Instrumenten ende Practijcquen” die haar +man <span class="pagenum">[<a id="xd20e2270" href="#xd20e2270" name= +"xd20e2270">19</a>]</span>had achtergelaten<a class="noteref" id= +"xd20e2272src" href="#xd20e2272" name="xd20e2272src">57</a>. Doch er +zijn ook gevallen, waar volstrekt geen reden is te vinden, waarom het +privilegie nu juist aan dien bepaalden persoon en niet aan een ander +wordt verleend. Aan Johannes Lydius b.v. werd in 1611 door de +Staten-Generaal toegestaan „omme alleene by Loys Elsevier te +mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai Clemangii, die voor +twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven zyn”<a class= +"noteref" id="xd20e2277src" href="#xd20e2277" name= +"xd20e2277src">58</a>. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift +of, zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt +exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig +werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand, +die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor +<i lang="la">Johannis Drusii annotationes in Genesin</i> etc. Onder het +besluit, waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de +Resolutiën der Staten-Generaal: „Is voorts geaccordeert te +schrijven aan Abelium Curiandrum, schoonsoone van wylen den +wytberoemden hoochgeleerden Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. +boeckvercooper tot Aernhem, zyns swaegers, in handen stelle het +origineel vant voors. bouck om dat te drucken”<a class="noteref" +id="xd20e2285src" href="#xd20e2285" name="xd20e2285src">59</a>.</p> +<p>Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd +verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit +geschiedde o. a. met <i>de Betoverde Weereld</i> van Balthasar Bekker. +In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te +Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend +„Beright” eigenhandig door den auteur onderteekend:</p> +<p>„Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks +in 8<sup>o</sup> by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie +staat / op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende +daar in gemeld word / dat hy besig was met dat Boek te drukken: so +verklaart den Auteur: hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek +niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te +drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken in +4<sup>o</sup> aan niemant anders dan aan Daniel van den Dalen +toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne / +dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn.” +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2304" href="#xd20e2304" name= +"xd20e2304">20</a>]</span></p> +<p>Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde +personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te +dragen. Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke +overdracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de +Nederlandsche boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de +tegenovergestelde meening heb aangetroffen, n.l. dat de +privilegiën onvatbaar waren voor overdracht, schijnt het mij de +moeite waard, hier eenigszins langer bij stil te staan.</p> +<p>In Hugo de Groots <i lang="fr">Annales et Historiae de Rebus +Belgicis</i>, in 1658 in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, +vindt men vóórin drie verschillende privilegiën: een +van de Staten van Holland, een van den Duitschen Keizer Ferdinand III +en een van de Staten-Generaal. De twee laatstgenoemden waren +oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius, den zoon van Hugo de Groot, +die blijkens de volgende verklaring, die onder deze privilegiën +staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw had overgedragen: +„<span lang="la">Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. +supra praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum +utatur, fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae +Comitis, die 25 Septembris, Anno MDCLVII</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e2316src" href="#xd20e2316" name= +"xd20e2316src">60</a>.</p> +<p>Een ander voorbeeld vond ik in het boekje „<i>Het Godtsaligh +overlijden van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince +van Orange, Grave van Nassau</i> etc.”, waarin een privilegie van +de Staten van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den +schrijver van het boek, Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: +„Johannes Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en +getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot +Leyden.”</p> +<p>In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610<a class= +"noteref" id="xd20e2329src" href="#xd20e2329" name= +"xd20e2329src">61</a> wordt voorgelezen eene „acte van +verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor notaris ende +getuigen” waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer verklaart, +dat haar man „... in syn leven ende sekere jaren voor syn +overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e2334" href="#xd20e2334" name= +"xd20e2334">21</a>]</span>ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis +Claesz., in syn leven bouckvercoper tot Amsterdam, alle die platen, +caerten, toebehoerten ende andere gereetschappen mette gerechticheden, +privilegiën ende octroyen, daerby synde, van alle ende ieghelyke +sodanige wercken ende boucken, als die voorn. haer man saliger in syn +leven in ’t licht gebracht ende uitgegeven laten heeft, +etc.” Na den dood van den voornoemden Cornelis Claesz. verkocht +diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, Jacob Leonartsz. +Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide overdrachten van +privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de resolutie op te +maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor „alle de +wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer,” zonder het oude octrooi +in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden, indien de +Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl aan den +anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig schijnt, +indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.</p> +<p>Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den +boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: „... te +kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke +somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken en +uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert <i>Mercure +Historique & Politique...</i> etc.”<a class="noteref" id= +"xd20e2341src" href="#xd20e2341" name="xd20e2341src">62</a>. Voorts in +een privilegie van 21 Juli 1702 voor het boek „<i>Manier van +Procederen</i> enz.” van Paulus Merula ten name van Adriaan +Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger aan een ander uitgever +privilegie was verleend, „wiens Regt hy Suppliant in de maand +April deses Jaars 1702 met den eygendom der Copie, ende Privilegie aan +sig gekogt hadde;” en in de Resolutie van de Staten van Holland, +waarbij het octrooi op den <i>Emile</i> van Rousseau wordt ingetrokken: +„... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme, met het +zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel Rey... +etc.” Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van de +Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier voor +de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: „... Alsoo Ons +vertoont is by <i>David Mortier</i>, Burger en Boekverkooper binnen +Amsterdam, dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van <i>Susanne +Pelt</i>, weduwe van <i>Hendrik <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e2361" href="#xd20e2361" name= +"xd20e2361">22</a>]</span>Schelte</i>, hadde gekogt, alle de +Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie van seecker Boek, genaemt +<i lang="fr">Les Oeuvres de Nicolas Boileau Despréaux, avec des +Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même</i>, blyckende by +de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van voornemens +was, het selve te herdrucken... etc.” Mortier verzocht daarom een +nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer geldig zou +zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef, terwijl hij +de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek werd +ingewilligd<a class="noteref" id="xd20e2367src" href="#xd20e2367" name= +"xd20e2367src">63</a>.</p> +<p>Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede niet +bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte zaak. In +een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 wordt de +vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding; m. i. kan +deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën +toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: „Dunkt (onder +correctie) dat alsoo ’t voorsz. Octroy is verleent niet ten +aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat daarom +het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die deselve +inventie in ’t werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is +getransporteerd...” etc.<a class="noteref" id="xd20e2378src" +href="#xd20e2378" name="xd20e2378src">64</a>.</p> +<p>In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een +bepaald persoon „en syne Regt verkrygende” of: „en +sijne Erven, of Regt verkrygende”<a class="noteref" id= +"xd20e2385src" href="#xd20e2385" name="xd20e2385src">65</a>. Van dezen +is de geldigheid der overdracht dus aan geen twijfel onderhevig.</p> +<p>Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. +van den Velden<a class="noteref" id="xd20e2393src" href="#xd20e2393" +name="xd20e2393src">66</a>, dat de „privilegiën +<i>persoonlijk</i> waren, dat is: dat zij slechts aan eenen bepaalden +persoon of eene bepaalde vereeniging toegestaan werden, zoodat zij niet +door koop of anderszins, konden worden overgedragen en met den dood van +den bevooregten persoon, of de ontbinding van de vereeniging, te niet +gingen.” Ik meen, dat na de genoemde voorbeelden eerder het +tegendeel als regel <span class="pagenum">[<a id="xd20e2408" href= +"#xd20e2408" name="xd20e2408">23</a>]</span>kan worden aangenomen en +dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke, onvervreemdbare +privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men dan +wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden, dat +zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging door +de Staten een einde namen<a class="noteref" id="xd20e2410src" href= +"#xd20e2410" name="xd20e2410src">67</a>.</p> +<p>Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen van +privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord <i>kopierecht</i> +wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het +uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond +omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men zou +geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als: +„... alle de Exemplaeren en Copie Regt, <i>ende</i> +Privilegie...” of: „... met den eygendom der Copie, +<i>ende</i> Privilegie...”, alsof er dus behalve het privilegie +nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik vond zelfs een +voorbeeld van „kopie-recht”-overdracht in een geval waar +geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari 1718 +kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van Johannes +de Wees „alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost van +Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het <i>volle recht van +Copyen</i>”, terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor +deze werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) +verkreeg<a class="noteref" id="xd20e2427src" href="#xd20e2427" name= +"xd20e2427src">68</a>.</p> +<p>„Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, +wanneer zij verklaarden aan anderen het „kopierecht” af te +staan, daarmede alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie +der bedoelde kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een +absoluut recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke +verbintenis, volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der +kopie vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook +door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van +eenzelfde gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een +uitsluitend recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon +natuurlijk door zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.</p> +<p>De privilegiën voor prenten en gravures werden, in +tegenstelling <span class="pagenum">[<a id="xd20e2440" href= +"#xd20e2440" name="xd20e2440">24</a>]</span>met de +boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den +schilder of „plaetsnyder”, verleend. Dit is ook zeer +verklaarbaar, want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon +zonder behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché +exemplaren afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de +uitgave van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat +graveurs voor anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie +aanvroegen<a class="noteref" id="xd20e2442src" href="#xd20e2442" name= +"xd20e2442src">69</a>.</p> +<p>Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in het +algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook +privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als +auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor +meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28 Juni +1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. In +hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een recht der +schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën blijkt in +de resolutie niets.</p> +<p>Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der +privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde +verhoudingen in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der +boekdrukkunst en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene +bescherming te verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden +genoten. Wel werkten, zoowel hier als in andere landen, de +privilegiën ertoe mede, dat zoowel de grond als de materieele +waarde van het recht der auteurs op hunne producten meer dan vroeger +gekend en gewaardeerd werden, maar tot het in practijk brengen van het +beginsel kwam het in ons land niet vóór het jaar +1796.</p> +<p>De uitspraak van Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id="xd20e2455src" +href="#xd20e2455" name="xd20e2455src">70</a>, dat onze vaderen ten +allen tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens +een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en dat dit +het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën berustte, +mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk privilegie vindt +men meestal de motieven en overwegingen, die tot het verleenen hebben +geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e2466" href="#xd20e2466" name= +"xd20e2466">25</a>]</span>daarin steeds de bescherming van den drukker +of uitgever als eenig doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier +volgen:</p> +<p>„... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan +zevers’ Printer, wonende binnen onser stede van Leyden Is ons +verthoent gheweest, hoe dat gaerne Imprimeren en̄ in prīte +leggē soude dit teghenwoerdige Boeck ēn is een Cronycke +vā Hollandt En̄ also hem datselve costelick ēn moijelic +vallen sal, en̄ dat dit selve Boeck noyt gheprint en̄ is +gheweest soe en soude hi die selve Printe en̄ Inpressie niet +durren bestaen sonder te hebben brieven vā Octroye en̄ +privilegie van ons... etc.”<a class="noteref" id="xd20e2470src" +href="#xd20e2470" name="xd20e2470src">71</a>.</p> +<p>„Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy +Suppliant ’t sijnen koste hadde doen translateren het Boeck +genaemt het leven van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn +door Quintum Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van +meyninge ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te +proffijteren, ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt +te geven, als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan +vresende dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te +Drucken, ’t welck tot sijne schade ende bederf soude +redunderen...” etc.<a class="noteref" id="xd20e2475src" href= +"#xd20e2475" name="xd20e2475src">72</a>.</p> +<p>„... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende +menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos te +maken...”<a class="noteref" id="xd20e2482src" href="#xd20e2482" +name="xd20e2482src">73</a>.</p> +<p>„... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. +Liederboek te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen +werden; maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te +kosten, ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren +van het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht +werden nagedruckt, ’t gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel +ende schade soude strekken...”<a class="noteref" id= +"xd20e2490src" href="#xd20e2490" name="xd20e2490src">74</a><span class= +"corr" id="xd20e2495" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van +niet-geprivilegieerde boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan +meestal <span class="pagenum">[<a id="xd20e2500" href="#xd20e2500" +name="xd20e2500">26</a>]</span>van uitgevers, die er zelf de nadeelige +gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers werden gescholden voor +„baetsoeckende menschen”, en men verweet hun, dat zij het +onbehoorlijke niet inzagen van „in eens anders doent te +treden”<a class="noteref" id="xd20e2502src" href="#xd20e2502" +name="xd20e2502src">75</a>, doch eene erkenning van een recht van den +intellectueelen voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel +vreemd.</p> +<p>In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id= +"xd20e2516src" href="#xd20e2516" name="xd20e2516src">76</a>, en op +diens voetspoor o.a. ook Mr. de Ridder<a class="noteref" id= +"xd20e2519src" href="#xd20e2519" name="xd20e2519src">77</a>, verklaren, +meen ik tot de bewering gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk +veel voorkwam. Zoo werden, om enkele voorbeelden te noemen, van bijna +alle Nederlandsche dichters werken nagedrukt of buiten toestemming van +den auteur uitgegeven, o.a. van: Vondel<a class="noteref" id= +"xd20e2522src" href="#xd20e2522" name="xd20e2522src">78</a>, +Constantijn Huygens<a class="noteref" id="xd20e2532src" href= +"#xd20e2532" name="xd20e2532src">79</a>, Starter<a class="noteref" id= +"xd20e2548src" href="#xd20e2548" name="xd20e2548src">80</a>, +Brederode<a class="noteref" id="xd20e2558src" href="#xd20e2558" name= +"xd20e2558src">81</a>, Poot<a class="noteref" id="xd20e2564src" href= +"#xd20e2564" name="xd20e2564src">82</a>, Jeremias de Decker<a class= +"noteref" id="xd20e2570src" href="#xd20e2570" name= +"xd20e2570src">83</a>, Jacob Cats.</p> +<p>Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan +met dichtwerken, ging het evenzoo;<a class="noteref" id="xd20e2578src" +href="#xd20e2578" name="xd20e2578src">84</a> het waren ook niet +uitsluitend onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken +bezondigden, zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet +vrij van gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere +firma’s, die begonnen waren zijne werken na te drukken<a class= +"noteref" id="xd20e2590src" href="#xd20e2590" name= +"xd20e2590src">85</a>.</p> +<p>Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2597" href="#xd20e2597" name= +"xd20e2597">27</a>]</span>uit de verschillende maatregelen, die +drukkers en uitgevers onder elkander namen, om hem te keeren.</p> +<p>Bodel Nyenhuis vermeldt<a class="noteref" id="xd20e2602src" href= +"#xd20e2602" name="xd20e2602src">86</a>, dat tusschen 1671 en 1674 +onder de boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het +nadrukken; in 1710 werd met hetzelfde doel eene „Willige +overeenkomst” gesloten tusschen drukkers en uitgevers uit +Amsterdam, Leiden, Rotterdam, den Haag en Utrecht<a class="noteref" id= +"xd20e2605src" href="#xd20e2605" name="xd20e2605src">87</a>. De reeds +meer dan eens genoemde resolutie der Staten van Holland van 1715 was +het gevolg van een request der „overluyden” van „de +Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser Provincie,” waarbij +als bijlage was gevoegd „een Vertoogh, ampel deduceerende de +grieven bij de Supplianten door het nadrucken van haare Boecken +geleden.”</p> +<p>Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden +zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich het +Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke Regeering, +waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht<a class="noteref" +id="xd20e2616src" href="#xd20e2616" name="xd20e2616src">88</a>. Dat men +in dezen strijd alleen belangen en geen rechten erkende, moge blijken +uit de volgende bepaling van een Groninger +boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: „so wanneer +aldus een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, +so sal geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude +willen nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen +doen, so geen andere leeden wilden dat het <i>in compagnie</i> gedaan +soude worden, maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht +toe mogen hebben”<a class="noteref" id="xd20e2627src" href= +"#xd20e2627" name="xd20e2627src">89</a>.</p> +<p>Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande +verleend werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den +letterkundigen eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook +zonder dien letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in +sommige gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet +zouden zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van +elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën +waren <span class="pagenum">[<a id="xd20e2638" href="#xd20e2638" name= +"xd20e2638">28</a>]</span>uitsluitend gericht tegen nadruk in den +letterlijken zin van het woord, zij werden slechts verleend, zooals wij +gezien hebben, voor de boeken, die in druk uitkwamen, of waarvan +tenminste het plan om ze uit te geven was vastgesteld.</p> +<p>De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op +zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men +den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke de +auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij omdat +zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf of van +andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur, die een naam +in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene publicatie met +zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder zijne +toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het +hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt +erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit +laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een +geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden, +hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, dat +niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient ter +bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte +openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.</p> +<p>Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd +erkend, is moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een +schrijver er wel voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt +van personen, die er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom +van het handschrift geeft dan al de gewenschte bescherming en een +afzonderlijk recht is daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts +beteekenis in de gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door +ontvreemding maar door toevallige omstandigheden een ander in handen +komt; de vraag is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval +tegen het laten drukken en uitgeven van het geschrift kon +verzetten.</p> +<p>Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te kunnen +geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als +aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat ik +hier volgen.</p> +<p>In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2648" href="#xd20e2648" name= +"xd20e2648">29</a>]</span>naaste verwanten en vrienden in de jaren 1623 +en volgende wordt herhaaldelijk gesproken van de omstandigheid, dat van +de Groot’s <i>Inleydinge tot de Hollandsche +rechtsgeleertheid</i>, welke de schrijver oorspronkelijk uitsluitend +voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd, verschillende +afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt hij aangemaand zelf +tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat anderen +hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze +waarschuwing niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden +zijn werk te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene +uitgave buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets +onrechtmatigs zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven +met <i>plagium</i> aan het feit, dat afschriften in handen van anderen +waren gekomen<a class="noteref" id="xd20e2656src" href="#xd20e2656" +name="xd20e2656src">90</a>.</p> +<p>Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een +ander schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens +<i>Lusthof</i> arglistig buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel +zijne verontwaardiging, hij noemde het:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„’t Onredelijckste stuck, d’ +onlydelijckste smart,</p> +<p class="line">Die immermeer aen my betoond is of +bewezen”<a class="noteref" id="xd20e2691src" href="#xd20e2691" +name="xd20e2691src">91</a>.</p> +</div> +<p class="first">doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij +daarin niet te zien.</p> +<p>Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert +Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht „op zeker +braef en kunstryk Heer” gemaakt, dat hij niet door den druk +publiek gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de +drukker het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in +druk uit te geven, kreeg hij tot bescheid: „Ik zal ’t +evenwel drukken; het is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om +vrienden te blijven, weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; +dien waeg ik er aen, en anders zal ik evenwel met drukken +voortvaren.” <span class="pagenum">[<a id="xd20e2700" href= +"#xd20e2700" name="xd20e2700">30</a>]</span>Poot moest, naar hij zelf +verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar den dukaton +in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging „aen +veelerlei soort van ander gelt” werd uitgeteld<a class="noteref" +id="xd20e2702src" href="#xd20e2702" name="xd20e2702src">92</a>.</p> +<p>Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der +schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat van de +Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde categorie +van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden hunne +werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht +uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: „dat van nu +voortaan niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op +den naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te +Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften, +Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij +alvoorens daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van +deselve, of van haare Erfgenaamen...” etc.<a class="noteref" id= +"xd20e2719src" href="#xd20e2719" name="xd20e2719src">93</a>.</p> +<p>Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het +recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit placcaat +ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, kan blijken uit +de overweging:</p> +<p>„Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van +Boeken op den naam van Professoren en andere Leedematen van onse +Universiteyt te Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en +abuisen in deselve Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse +en onwaare stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein +agting van deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo +buiten als binnen ’s Lands, ook tot groot nadeel der goede +Weetenschappen... etc.”</p> +<p>Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der +Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag of +dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar werd +erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e2733" href="#xd20e2733" name= +"xd20e2733">31</a>]</span>was en dat dus het hier besproken placcaat, +evenals de privilegiën niet is te beschouwen als de erkenning van +een bestaand recht, maar als een uitzonderingsmaatregel.</p> +<p>Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals +bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den +auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn +geweest.</p> +<p>Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:</p> +<p>„De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen +naem winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in +boecken, in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij +anderen gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel +van Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, +daer ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch +te baeren staet”<a class="noteref" id="xd20e2741src" href= +"#xd20e2741" name="xd20e2741src">94</a>.</p> +<p>Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets te +beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: „Tegens deze +ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan +mijn gedult over.” Dit blijkt ook uit de volgende woorden van +Justus Lipsius, (in de voorrede van <i>De Cruce</i>, Amstel. 1670) +hoewel daarin, meer dan in die van Vondel, een gekrenkt +rechtsbewustzijn tot uiting schijnt te zijn gekomen: „<span lang= +"la">Ego semel et serio testor, audite qui in Europa: Nihil meum est +aut erit, quod non de autographo meo et me volente sit expressum. +Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis +fucum</span>”<a class="noteref" id="xd20e2760src" href= +"#xd20e2760" name="xd20e2760src">95</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in +vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en +geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het +midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk, ook +van niet-geprivilegieerde werken, verboden<a class="noteref" id= +"xd20e2773src" href="#xd20e2773" name="xd20e2773src">96</a>. Engeland +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2793" href="#xd20e2793" name= +"xd20e2793">32</a>]</span>had reeds in 1709 eene wet op het +auteursrecht en in Frankrijk, waar het privilegie-stelsel tot aan de +revolutie in stand bleef, won toch in den loop der achttiende eeuw de +letterkundige eigendom meer en meer veld en vond zelfs bij rechterlijke +beslissingen toepassing<a class="noteref" id="xd20e2795src" href= +"#xd20e2795" name="xd20e2795src">97</a>.</p> +<p>Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en +toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze +boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond +van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De +groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere +landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in +hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, hun +toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren de +voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht; de +namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, <span class="corr" id="xd20e2809" +title="Bron: Bleau">Blaeu</span> en anderen waren door geheel Europa +bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne geschriften door +een van die beroemde huizen te zien gedrukt.</p> +<p>„De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, +zig verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de +<i>manuscripten</i> uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de +fransche drukken nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid +werden”<a class="noteref" id="xd20e2817src" href="#xd20e2817" +name="xd20e2817src">98</a>.</p> +<p>De schrijver van <i>Hollands Rijkdom</i> waaraan bovenstaande +woorden zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk<a class="noteref" id= +"xd20e2831src" href="#xd20e2831" name="xd20e2831src">99</a> enkele +uitlatingen van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: „...een +amsterdamsch boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, +won een millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode +schreven.” „De hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks +een millioen, omdat de Franschen vlug van geest zijn.” Al drukt +Voltaire zich hier wat <span class="pagenum">[<a id="xd20e2834" href= +"#xd20e2834" name="xd20e2834">33</a>]</span>sterk uit, een grond van +waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.</p> +<p>Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van +vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt<a class="noteref" +id="xd20e2838src" href="#xd20e2838" name="xd20e2838src">100</a>.</p> +<p>Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in +het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen +waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers +als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk +betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.</p> +<p>De „schatten”, die door de drukkers en uitgevers werden +verdiend, mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer +overdreven zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun +bedrijf, vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. +Gaat men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan +valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van +hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor de +drukkers en uitgevers was.</p> +<p>Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk +kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens +meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men in +den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een aantal +„loodjes”, de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium +een aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan +den geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586, +leest men o. a.: „My dunckt, so veele als ick in onzen tyt +bevonden hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, +want meest wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel +gemeynlijcken wat exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten +se gemeynlijcken wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni +liberalitate, die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick +hebber oock by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den +aucteur, om dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu +corts noch een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal +hebben”<a class="noteref" id="xd20e2849src" href="#xd20e2849" +name="xd20e2849src">101</a>. De waarheid dezer mededeelingen omtrent +Plantijn vindt men bevestigd door Max Rooses in diens bekende werk +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2858" href="#xd20e2858" name= +"xd20e2858">34</a>]</span>over den Antwerpschen drukker en uitgever. +Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers, die een som +gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een aantal +exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de auteurs +niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan sommige +gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele gevallen +gaf hij eene renumeratie in geld<a class="noteref" id="xd20e2860src" +href="#xd20e2860" name="xd20e2860src">102</a>.</p> +<p>In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs +waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met +hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te +verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria van +Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624 o. +a.: „Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van +U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede te +doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het kompt +altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt wt de +bouckverkoopers handen te crigen is”<a class="noteref" id= +"xd20e2873src" href="#xd20e2873" name="xd20e2873src">103</a>. In een +volgend schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren +van den uitgever voor zich te bedingen<a class="noteref" id= +"xd20e2884src" href="#xd20e2884" name="xd20e2884src">104</a>.</p> +<p>De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn <i>Lof der +Geldzucht</i> over de poëten geven een soortgelijken indruk van de +toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,</p> +<p class="line">’t Valt hunnen buidel mis en doet de borze +zwellen</p> +<p class="line">Der loozer druckeren en hunner metgezellen;</p> +<p class="line">De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en +pluckt.”</p> +</div> +<p class="first">De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, +dat de poëten soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit +hun verzen trachtten te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen +van een Maecenas, of door het vervaardigen op bestelling van +gelegenheidsgedichten. Een eigenaardig voorbeeld van exploitatie der +dichtkunst deelt Prof. <span class="pagenum">[<a id="xd20e2903" href= +"#xd20e2903" name="xd20e2903">35</a>]</span>Kalff mede:<a class= +"noteref" id="xd20e2905src" href="#xd20e2905" name= +"xd20e2905src">105</a> de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met +een twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze +„lyefhebbers van de Nederduytsche poësy” zich +verbonden, aan Starter wekelijks 12 carolus-guldens uit te keeren; +daartegenover nam Starter de verplichting op zich, in Amsterdam te +blijven wonen en o. a. gedichten voor hen te schrijven tegen drie +stuivers de bladzijde.</p> +<p>Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit het +begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg voor de +eerste uitgave zijner gedichten—en dat nog niet zonder +moeite—zes exemplaren van zijn werk en een „Grootmediaen +Bybel” van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem +„dat er langer geen gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, +of daer most een stuk gelts voor zyn”; in antwoord op dit verwijt +verklaarde Poot echter, dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem +had losgekregen dan „de arme waerde van twee zilvere +dukatons”.</p> +<hr class="tb"> +<p>Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende +landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk +weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten de +landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en +merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van +Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569–1572 te Antwerpen het +licht zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de +volgende landen: Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, +de Nederlanden, Brabant, Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V +er een privilegie voor verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe +van excommunicatie werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na +te drukken of te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de +inwoners der kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van +2000 gouden dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte +exemplaren<a class="noteref" id="xd20e2917src" href="#xd20e2917" name= +"xd20e2917src">106</a>.</p> +<p>Bodel Nyenhuis<a class="noteref" id="xd20e2932src" href="#xd20e2932" +name="xd20e2932src">107</a> maakt melding van een octrooi, door den +Franschen koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2935" href="#xd20e2935" name= +"xd20e2935">36</a>]</span>Raphelengius voor <i lang="la">Cyclometrica +Elementa</i> van Justus Scaliger, een werk, dat ook in Nederland +geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde uitgave +van de <i lang="fr">Annales</i> van Hugo Grotius, voorzien van +privilegiën van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en +keizer Ferdinand III. Ook blijkt van eene dergelijke gelijktijdige +bescherming in verschillende landen uit de resolutie der +Staten-Generaal van 10 Sept. 1609<a class="noteref" id="xd20e2943src" +href="#xd20e2943" name="xd20e2943src">108</a>: „Is Octavio van +Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat hem gelyk octroy is +gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk ende Spangien, mitsgaders +die ertshertogen, alleene inde Vereenichde Provinciën te mogen +snyden in ’t coper of hout,... etc.”</p> +<p>Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om +de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te +roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt +melding gemaakt van „een missive van den Heere Churfurst van de +Paltz”, waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor +Johannes Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd <i>Het +ontdeckte Jodendom</i>, en waarin den Staten verzocht wordt: „dat +Haer Ho: Mog: geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te +stellen, en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van +het voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt +en Landen mogte werden verboden”. Een brief van gelijke strekking +van den „Churfurst van Mentz”, handelende over hetzelfde +boek <i>Het Jodendom ontdeckt</i> werd eenige weken later in de +vergadering besproken<a class="noteref" id="xd20e2956src" href= +"#xd20e2956" name="xd20e2956src">109</a>.</p> +<p>In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek +tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris +in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling +gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland +„de Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne +Majesteits Residentie geëtablisseert” zou nadrukken en +richtte zich tot de Staten „... in die ongetwyffelde hoope, dat +deselve het verlangde verbod tot verhindering van de gevreesde +nadrukking niet souden difficulteeren... etc.”<a class="noteref" +id="xd20e2966src" href="#xd20e2966" name="xd20e2966src">110</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e2971" href="#xd20e2971" name= +"xd20e2971">37</a>]</span></p> +<p>Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik +niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de Staten +der Provinciën „om daer omtrent sodanige ordre te stellen, +als sullen oordeelen te behooren.” De Staten van Holland hadden +in de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: +„Dat de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden +versoght, sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor +het grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te +Lande gedruckt sullen moeten zijn.” Indien zij zich in 1745 +hieraan nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen +zijn afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen +reeds de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk +ondervond.</p> +<p>Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, dat +men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het +nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden +zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf +aanleiding tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren +en verkoopen van de origineele buitenlandsche uitgave werd +verboden.</p> +<p>In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten van +Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij gaven er +o.a. in te kennen: „... dat niettegenstaande tot noch toe alle de +origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière, +Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met +privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en +onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers tot +Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de Engelsche +en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche Taale overgeset, +te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie te verkrygen, om daar +door het inkomen en vertieren der origineele Hollandtsche Drucken te +weeren, en sulcks tegen het voorrecht, dat sy hier te Lande genooten... +Dat dewyl nu de Supplianten sich (onder reverentie) verbeelden, dat de +intentie van Vranckrijck in het verleenen van des selfs +Privilegiën niet geweest was, om het vertier der Hollandtsche +Drucken te verbieden... versoeckende derhalven, dat de saake ter +Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert, om aan het Hof van +Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de onderdaanen van +deesen Staat <span class="pagenum">[<a id="xd20e2978" href="#xd20e2978" +name="xd20e2978">38</a>]</span>door de interpretatie van de voorgewende +Privilegiën aangedaan wierdt... etc.”<a class="noteref" id= +"xd20e2980src" href="#xd20e2980" name="xd20e2980src">111</a>.</p> +<p>Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in +overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de +Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in +1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren +„... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden +uitgedagt omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten ’s Lands +gedrukt mogten zijn”<a class="noteref" id="xd20e2987src" href= +"#xd20e2987" name="xd20e2987src">112</a><span class="corr" id= +"xd20e2991" title="Niet in bron">.</span> Met dezelfde kwestie had +waarschijnlijk ook te maken de mededeeling van den Raadpensionaris in +de vergadering van 5 October 1735: „... dat aan hem is +voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van tyd tot tyd door haar Edele +Groot Mog. verleent worden tot het drukken van Boeken, geïnsereert +zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven om het debit der Boeken +hier te Lande gedrukt buiten ’s Lands seer difficil te maaken, +tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in deese +provincie.” Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen +„of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en +behooren gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen +werden gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in +deese Landen”<a class="noteref" id="xd20e2994src" href= +"#xd20e2994" name="xd20e2994src">113</a>. Men ziet uit deze laatste +toevoeging weer een bewijs van de groote zorg, die de Staten voor +„Drukkerye en Boeknegotie” aan den dag legden.</p> +<p>In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland +voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt +uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt +geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule +voor: „...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand +sal worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van +het voorschreeven Werk...”<a class="noteref" id="xd20e3001src" +href="#xd20e3001" name="xd20e3001src">114</a> en in een van het +daaropvolgend jaar: „...doch door dit octrooi zal niet worden +belet, dat de origineele Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt +ingevoerd, uitgegeven of verkocht”<a class="noteref" id= +"xd20e3006src" href="#xd20e3006" name="xd20e3006src">115</a>. Hieruit +blijkt, dat men de billijkheid <span class="pagenum">[<a id="xd20e3011" +href="#xd20e3011" name="xd20e3011">39</a>]</span>tegenover +buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen wij +volgens de thans geldende begrippen, hierin niet—zooals in het +bovengenoemd request wordt gedaan—een „voorrecht” +voor hen zien. Het enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën +werden verleend, bewijst dat men nog ver afstond van eene +internationale bescherming.</p> +<p>Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander +het denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende +staten, om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. +Verschillende schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het +Vredescongres te Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een +voorstel tot bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het +verzoek, dat alle vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het +daartoe in het vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de +geschiedenis van het internationale auteursrecht voorzeker zeer +belangrijke, voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet +gelukt meerdere bijzonderheden te weten te komen<a class="noteref" id= +"xd20e3015src" href="#xd20e3015" name="xd20e3015src">116</a>. Dat het +niet tot uitvoering is gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; +waarschijnlijk heeft het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een +punt van ernstige overweging uitgemaakt.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het +einde der achttiende eeuw tot dezen tijd</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het +eerst in de provincie Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het +Provinciaal Bestuur van dit gewest eene Publicatie<a class="noteref" +id="xd20e3032src" href="#xd20e3032" name="xd20e3032src">117</a> uit, +waarvan het eerste artikel luidde: <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e3041" href="#xd20e3041" name="xd20e3041">40</a>]</span></p> +<p>„Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot +het drukken en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden +verleend, als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, +volgens welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van +zijnen regtmatigen eigendom.”</p> +<p>In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de +provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht +had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken en +uit te geven.</p> +<p>Men erkende dus een „eigendomsregt” op geschriften, dat +zijn oorsprong vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan +deze laatsten, maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, +zooals o.a. door Mr. de Ridder wordt opgemerkt<a class="noteref" id= +"xd20e3048src" href="#xd20e3048" name="xd20e3048src">118</a>, in de +gevolgen voor de auteurs vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij +contract tegen eventueele willekeur der uitgevers konden beveiligen, er +blijkt toch uit, dat al waren de privilegiën afgeschaft, het +beginsel, dat er aan ten grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. +Over de schrijvers wordt in de geheele publicatie niet gesproken.</p> +<p>Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne +erfgenamen over en was—in overeenstemming met den naam +„eigendomsregt” dien men er aan gaf—eeuwigdurend +(art. 2); er behoorde ook toe de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen +en verkortingen van het geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar +echter de publicatie alleen in de provincie Holland van kracht was, had +de bescherming, die zij verleende, niet zoo heel veel te +beteekenen.</p> +<p>Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie +nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende +waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland) +uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs alsof +het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken beschermd +(art. 5). De „regtmatige eigendom” van vreemdelingen werd +dus niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het +eerst van meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor +de uitgave eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De +uitgever behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de +uitgave, den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3055" href="#xd20e3055" name= +"xd20e3055">41</a>]</span>het voornemen om dat te doen verschafte, mits +behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd, een „<i>regt van +praeferentie</i>”, waardoor anderen verhinderd werden van +dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).</p> +<p>Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en +tijdwijzers waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. +8); van staatsstukken, „welke als den eigendom van het Volk van +Holland moeten worden beschouwd”, behield het Provinciaal Bestuur +het kopierecht aan zich (art. 9).</p> +<p>De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle +provinciën, was de <i>Publicatie van het Staatsbewind der +Bataafsche Republiek van 3 Juli 1803</i><a class="noteref" id= +"xd20e3066src" href="#xd20e3066" name="xd20e3066src">119</a>. Ook +hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak; er werd nu +echter ook van de „opstellers” der boeken gesproken, die in +de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens waren +genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die „in de +Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij het +gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf +daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere, +mits wettige wijze, bekomen heeft” (art. 2).</p> +<p>Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, +indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren +aangewezen—zooals in art. 1 van onze tegenwoordige +wet—„de auteur en zijne rechtverkrijgenden.” Het +verschil ligt echter niet alleen in de meer omslachtige formuleering. +Van een recht op het geestelijk product, toekomende aan den auteur +onafhankelijk van de vraag of, en zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te +exploiteeren, had men blijkbaar nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook +uit de overwegingen, die het Staatsbewind der Bataafsche Republiek over +deze wet aan het Wetgevend Lichaam deed toekomen<a class="noteref" id= +"xd20e3077src" href="#xd20e3077" name="xd20e3077src">120</a>. Daarin +wordt als doel van de wet, naast bevordering van den boekhandel, +waarvan het eerst wordt gesproken, nog genoemd:</p> +<p>„1<sup>o</sup>. de bevordering der verlichting en der +wetenschappen in ons <span class="pagenum">[<a id="xd20e3090" href= +"#xd20e3090" name="xd20e3090">42</a>]</span>Vaderland en 2<sup>o</sup>. +de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke Wet, hun vrije +handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt wordt, tot +maintien van een ieders wettig regt van Eigendom.” Over de +schrijvers wordt geen woord gezegd.</p> +<p>De wet erkende naast het recht van eigendom ook een <i>recht van +praeferentie</i>, toekomende aan den uitgever, die van een +buitenlandsch werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht +verwierf de uitgever zich dus geheel buiten den auteur om. In de +„Consideransen” wordt het aldus gemotiveerd: „het +valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een” (nl. de uitgever +der vertaling) „moet gehouden worden, de daartoe benoodigde +moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en uitgelegd, en +alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van zijn werk, zich +zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst te doen... +etc.”</p> +<p>Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het +recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men +er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver of +uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op +onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De +bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet +overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.</p> +<p>De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de +inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het +gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door de +Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden in de +<i lang="fr">Décret-Loi des 19–24 Juillet 1793</i>. Deze +wet, die nu nog, hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere +wetten aangevuld, in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht +aan de auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: +„<span lang="fr">compositeurs de musique</span>” en aan: +„<span lang="fr">peintres et dessinateurs qui feront graver des +tableaux ou dessins</span>” (art. 1). Na hun dood bleef het +auteursrecht nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).</p> +<p>Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir +verklaard <i>Keizerlijk Decreet van 1810</i> in dier voege aangevuld, +dat de weduwe van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen +tot twintig jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden +genieten. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3119" href="#xd20e3119" +name="xd20e3119">43</a>]</span></p> +<p>De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor +het eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1<sup>o</sup>. +<i>in tijdsduur beperkt</i> auteursrecht, en dat 2<sup>o</sup>. +<i>direct</i> aan de auteurs, vindt men na dien tijd in de wetgevingen +van bijna alle landen terug.</p> +<p>De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier +afgeschaft door het <i>Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. +1</i> (Staatsblad No. 17), <i>houdende bepalingen omtrent den +boekhandel en den eigendom van letterkundige werken</i>.</p> +<p>Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche +censuur afschafte; uit <span class="corr" id="xd20e3144" title= +"Bron: det">het</span> oogpunt van auteursrecht is het echter als een +stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het een +eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan „... elk die +een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen +of stukken uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of +anderszins, wettig bezit” (art. 6). Ook werd in het besluit +strafbaar gesteld: „eenigerlei nadruk van de Nederduitsche +vertaling eens buiten deze landen uitgekomen werks, of het debiteren +eener andere Nederduitsche vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie +eerste jaren na de uitgave der eerste vertaling” (art. 9), eene +bepaling, die ook voorkwam in de wet van 1803 en die toen op de +eigenaardige wijze, die boven is medegedeeld, werd gemotiveerd.</p> +<p>Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige +aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever +eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had te +vervullen.</p> +<p>Intusschen was in België—vreemd genoeg—bij Besluit +van 28 September 1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op +geheel andere wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, +geregeld; vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen +van het koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.</p> +<p>Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State +aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de +resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen +te hebben gediend<a class="noteref" id="xd20e3153src" href="#xd20e3153" +name="xd20e3153src">121</a>.</p> +<p>Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3161" href="#xd20e3161" name= +"xd20e3161">44</a>]</span>omgewerkt volgens de nieuwere opvattingen, +bij de Staten-Generaal ingediend, waar het, zonder aanleiding te geven +tot gedachtenwisseling, onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te +worden afgekondigd onder den naam van: <i>Wet van den 25 Januari +1817</i> (Staatsblad No. 5), <i>de regten bepalende, die in de +Nederlanden, ten opzigte van het drukken en uitgeven van letter- en +kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend</i>.</p> +<p>Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen +te maken en te verkoopen werd verleend aan „diegenen, welke +daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden” (art. 1).</p> +<p>Vertalers van in het buitenland uitgekomen <span class="corr" id= +"xd20e3174" title="Bron: lettewerken">letterwerken</span> kregen +hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie +echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene +andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet +voor<a class="noteref" id="xd20e3177src" href="#xd20e3177" name= +"xd20e3177src">122</a>.</p> +<p>Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of +vertaler (art. 3).</p> +<p>Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene +Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen +uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of +gelijktijdig met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het +gemeentebestuur van de woonplaats des uitgevers (art. 6).</p> +<p>Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet +aanmerkelijken vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de +auteurs; met het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de +letterkundige eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook +„kunstwerken” beschermd en op het punt van vertalingen +waren gezondere beginselen gevolgd. Doch op zeer vele punten was de +nieuwe regeling, die tot het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog +gebrekkig en onvolledig.</p> +<p>De uitdrukking „letter- en kunstwerken”, waarmede de +beschermde producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele +gevallen aanleiding tot twijfel<a class="noteref" id="xd20e3194src" +href="#xd20e3194" name="xd20e3194src">123</a><span class="corr" id= +"xd20e3202" title="Niet in bron">.</span> Werken van plastische +beeldende kunst vielen <span class="pagenum">[<a id="xd20e3205" href= +"#xd20e3205" name="xd20e3205">45</a>]</span>buiten de +„kunstwerken”, daar de wet alleen betrekking had op het +drukken en uitgeven. De vraag of onder de „letterwerken” +ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten +ontkennend beantwoord<a class="noteref" id="xd20e3207src" href= +"#xd20e3207" name="xd20e3207src">124</a>.</p> +<p>Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en +uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren +wij dus—in tegenstelling met de meeste andere landen—nog +even ver als in den tijd der privilegiën.</p> +<p>Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van +het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke +inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden van +nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig +strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10–1000 gld., +confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den +eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste +van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren van +het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk in de +meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat de +oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos +gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen +kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt in +zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen verkregen +worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was ingesteld +en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid, bestond +er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel, om het +verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren tegen te +gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten onvolledig; +er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding berekend moest +worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold of een werk, +waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete betreft, deze +moest strekken „ten behoeve van de algemeene armen van de +woonplaats des nadrukkers”; eene bepaling waarvan de ratio +moeilijk is te <span class="pagenum">[<a id="xd20e3226" href= +"#xd20e3226" name="xd20e3226">46</a>]</span>vatten en die daarenboven +niet voorzag in het geval, dat de nadrukker een vreemdeling was.</p> +<p>In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme en +posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking van +meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op de +berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar na den +dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van +laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen +natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap +of den Staat zijn uitgegeven.</p> +<p>Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het +<i>Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822</i> (Staatsblad No. 16), waarbij +het drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve +van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve +van de landsdrukkerij werd voorbehouden of „bij speciale +vergunningen of octroijen” aan particulieren werd afgestaan.</p> +<p>Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek geweest. +Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd hier een +kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning de +bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met de +vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te +verleenen.</p> +<p>Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September +1840<a class="noteref" id="xd20e3240src" href="#xd20e3240" name= +"xd20e3240src">125</a> had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het +genoemde K. B. van geen kracht waren, daar de wet van 1817 een +kopierecht van den Staat niet kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 +(Staatsblad No. 11) het besluit van 1822 en de daarop berustende +besluiten, waarbij het uitgeven van bepaalde staatsstukken aan de +landsdrukkerij werd voorbehouden of aan particulieren verleend, +ingetrokken<a class="noteref" id="xd20e3245src" href="#xd20e3245" name= +"xd20e3245src">126</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3273" href= +"#xd20e3273" name="xd20e3273">47</a>]</span></p> +<p>Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake bij +de behandeling van de <i>Wet van 12 Aug. 1849</i> (Staatsblad No. 36) +<i>op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche +Apotheek</i>, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van +dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke +gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen +<span class="corr" id="xd20e3282" title="Bron: vond">vonden</span> de +genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal verzet<a class= +"noteref" id="xd20e3285src" href="#xd20e3285" name= +"xd20e3285src">127</a>; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet +zelf werd in 1871 ingetrokken.</p> +<p>De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog +gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen +(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet +voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere +Nederlandsche wetten was verkregen)<a class="noteref" id="xd20e3293src" +href="#xd20e3293" name="xd20e3293src">128</a>, deden zich al spoedig in +de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden +herhaaldelijk pogingen in het <span class="corr" id="xd20e3318" title= +"Niet in bron">werk</span> werden gesteld om tot eene betere regeling +te komen.</p> +<p>In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter +vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van +toelichting aan de Regeering aangeboden<a class="noteref" id= +"xd20e3323src" href="#xd20e3323" name="xd20e3323src">129</a>. Twee jaar +later had de Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de +Staten-Generaal is ingediend.</p> +<p>In latere jaren is, vooral door de <i>Vereeniging tot bevordering +van de belangen des boekhandels</i> gedurig moeite gedaan, om een +betere wet te krijgen<a class="noteref" id="xd20e3334src" href= +"#xd20e3334" name="xd20e3334src">130</a>.</p> +<p>In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp +voor eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting +aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden<a class="noteref" +id="xd20e3345src" href="#xd20e3345" name="xd20e3345src">131</a>. Nadat +over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3351" href="#xd20e3351" name= +"xd20e3351">48</a>]</span>kunsten en bij de koninklijke Academie van +Wetenschappen adviezen waren ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 +een Regeerings-ontwerp. Voor de voorbereiding hiervan was, zooals ook +in de M. v. T.<a class="noteref" id="xd20e3353src" href="#xd20e3353" +name="xd20e3353src">132</a> wordt erkend, behalve van de belangrijkste +buitenlandsche wetgevingen, een ruim gebruik gemaakt van het Ontw. +Boekh. Er was o.a. uit overgenomen de nauwkeuriger omschrijving der +auteursproducten in plaats van de vage term „letter- en +kunstwerken” van de wet van 1817; voorts de bepaling, dat het +auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9); dat met auteurs worden +gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit bijdragen van meerdere +auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a Ontw. ’77); en de +bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden op wederrechtelijk +gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen (artt. 14–17 Ontw. +Boekh., artt. 20–22 Ontw. ’77).</p> +<p>Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. +Nieuw was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor +muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van +<i>kopierecht</i> maar van <i>auteursrecht</i> gesproken) en het +toekennen van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1); de +beperking van het uitsluitend recht om vertalingen van een werk uit te +geven tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder +voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de +vertaling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2<sup>o</sup>); +de berekening van den duur van het auteursrecht niet meer naar het +tijdstip van overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste +uitgave van het werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor +Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).</p> +<p>Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats, +nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van +zijn voorganger was overgenomen.</p> +<p>In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878<a class="noteref" id= +"xd20e3373src" href="#xd20e3373" name="xd20e3373src">133</a> werd het +over het algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen +golden: het op- en uitvoeringsrecht, dat „velen leden” +naast het kopie-recht overbodig voorkwam, terwijl „zeer vele +leden” dit liever in eene afzonderlijke wet wilden geregeld zien; +het auteursrecht op mondelinge voordrachten, dat sommige leden niet +toegekend wilden zien, andere <span class="pagenum">[<a id="xd20e3378" +href="#xd20e3378" name="xd20e3378">49</a>]</span>niet dan onder zekere +voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die door de +groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet voor +alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde wijze +van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht: de +meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der +overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende +partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.</p> +<p>Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom +eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als minister +van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand, dat, op +enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den 22sten +September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden<a class="noteref" +id="xd20e3382src" href="#xd20e3382" name="xd20e3382src">134</a>.</p> +<p>Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het +kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, +werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd o. a. de +systematische indeeling en volgorde tegen de daarover gemaakte +opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van het recht +werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming betoogd en +tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op het +auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.</p> +<p>Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp +ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop +anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2); de +bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7); +uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de +uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).</p> +<p>Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in openbare +behandeling<a class="noteref" id="xd20e3394src" href="#xd20e3394" name= +"xd20e3394src">135</a>. De algemeene beraadslagingen liepen +voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter van het +auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover naar aanleiding +van de opmerkingen van de heeren Schaepman en Oldenhuis Gratama in het +midden bracht, bleek, dat de Regeering den „intellectueelen +eigendom” verwierp, maar niettemin een recht der auteurs op +bescherming <span class="pagenum">[<a id="xd20e3399" href="#xd20e3399" +name="xd20e3399">50</a>]</span>erkende en daarmede den plicht des +wetgevers, om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De +minister noemde het auteursrecht een <i>jus sui generis</i>, noch tot +de zakelijke, noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat +gerangschikt moest worden onder de absolute vermogensrechten.</p> +<p>Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats +had<a class="noteref" id="xd20e3406src" href="#xd20e3406" name= +"xd20e3406src">136</a>, werd o. a. de duur van het auteursrecht +besproken. Een amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den +hoofdtermijn van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde +brengen, werd verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van +der Kaay, om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door +den druk gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te +doen verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht +de gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.</p> +<p>De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare +inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren de +Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het +wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene +stemmen aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den +28sten Juni afgekondigd als: <i>Wet van den 28sten Juni 1881 tot +regeling van het Auteursrecht</i> (Staatsblad No. 124).</p> +<p>Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog +ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18–20, die de +strafbepalingen inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek +van Strafrecht naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de +artt. 349 bis, ter en quater zijn geworden.</p> +<p>Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering +verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de +beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen +daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke +Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van wet +bij de Tweede Kamer ingediend<a class="noteref" id="xd20e3420src" href= +"#xd20e3420" name="xd20e3420src">137</a>. In de memorie van toelichting +werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit, o. a. +met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3425" href="#xd20e3425" name= +"xd20e3425">51</a>]</span>en met een beroep op de beginselen, die bij +de wet van 28 Juni 1881 gehuldigd waren.</p> +<p>Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle „werken der +beeldende kunsten”; hieronder moesten volgens de M. v. T. +hoofdzakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en +beeldhouwkunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de +bescherming uitgesloten (art. 1).</p> +<p>De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door +dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. +In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem +„die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op +wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene +mechanische bewerking namaakt”.</p> +<p>Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van +overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de +regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de +middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van +het recht (art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge +bepalingen.</p> +<p>Daar het in de zitting 1883–1884 niet in behandeling was +gekomen, werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, +ingediend.</p> +<p>Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885<a class="noteref" +id="xd20e3437src" href="#xd20e3437" name="xd20e3437src">138</a>, luidde +niet gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden +bescherming niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze +bescherming op dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook +werd de vrees geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap +zou worden gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van +uitvinding.</p> +<p>Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende +werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten +gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal +vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van +toelichting ingediend<a class="noteref" id="xd20e3445src" href= +"#xd20e3445" name="xd20e3445src">139</a>. Onder meer werd hierin als +grondbeginsel van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3450" href="#xd20e3450" name= +"xd20e3450">52</a>]</span>voortbrenger van een product des geestes het +uitsluitend recht dient te hebben te bepalen of, wanneer en in welken +vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar van nadruk of nabootsing +blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.</p> +<p>Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit +gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde +stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog +tweemaal (27 Juli <span class="corr" id="xd20e3454" title= +"Bron: 1876">1886</span> en 7 October <span class="corr" id="xd20e3457" +title="Bron: 1877">1887</span>) bij de Tweede Kamer werd ingediend. En +hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling van het artistieke +auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement, meermalen is +geuit<a class="noteref" id="xd20e3460src" href="#xd20e3460" name= +"xd20e3460src">140</a>, zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe nog +steeds onbeschermd gebleven.</p> +<p>Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in +de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte, +die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in +alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het +auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet van +1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen niet +behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en +twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in +een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin +deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving +zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden +nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch1.3"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het +internationaal auteursrecht</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te +merken, dat reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen +nadruk—al was het dan bij uitzondering—zich over meerdere +landen kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3479" href="#xd20e3479" name= +"xd20e3479">53</a>]</span>eene poging is gedaan, hierover in een +tusschen verschillende staten gesloten tractaat bepalingen te doen +opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden als voorboden van de +internationale regeling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en +waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw +aanvangt.</p> +<p>In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen +plaats gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming +verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar als +een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, dat deze +bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt bleef tot de +grenzen van elk land.</p> +<p>De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel +gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het +onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid +en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het +drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen +geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend +recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde dan +voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten te +verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het +internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die +ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten +tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al +genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale +auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw +verklaren.</p> +<p>De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch +verschijnsel, werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het +feit, dat alleen in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf +groote huizen vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een +half millioen francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van +buitenlandsche boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad +eenig denkbeeld geven<a class="noteref" id="xd20e3487src" href= +"#xd20e3487" name="xd20e3487src">141</a>.</p> +<p>Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom +bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e3498" href="#xd20e3498" name= +"xd20e3498">54</a>]</span>uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden, +had hiervan het meest te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is, +dat vooral dáár de internationale beweging tot +bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd gehouden.</p> +<p>Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken, +stonden verschillende wegen open.</p> +<p>Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen +opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde +van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel +werd door Frankrijk beproefd met het <i>Decreet van 28 Maart 1852</i>, +hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken +strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond in +andere landen—althans te dien tijde—niet de gewenschte +navolging, zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in +Frankrijk gevaar liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. +Bovendien was eene volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de +Fransche er niet door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo +geïnterpreteerd, dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer +de vreemde auteur niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet +de bedoeling was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die +hij thuis niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op +nadruk, niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht<a class= +"noteref" id="xd20e3507src" href="#xd20e3507" name= +"xd20e3507src">142</a>.</p> +<p>Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling +van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting +slaagde men beter.</p> +<p>Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen +onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van het +auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard gesloten +tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en +Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. +Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in +1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e3529" href="#xd20e3529" name= +"xd20e3529">55</a>]</span>Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met +Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de +tractaten tusschen België en Nederland (1858); tusschen +Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869) en +tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de +volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten in +Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale +bescherming medewerkten.</p> +<p>Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het +eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor het +meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken +ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op +internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte +der systemen, die hierbij gevolgd werden<a class="noteref" id= +"xd20e3533src" href="#xd20e3533" name="xd20e3533src">143</a>.</p> +<p>In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het +land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van +het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel +de wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht +werd gemaakt, óf—wat practisch op hetzelfde +neerkomt—waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori). +Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng +doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de verschillende +tractaten toegepast. Dit moest natuurlijk in de practijk tot +moeilijkheden aanleiding geven.</p> +<p>In sommige gevallen, moest de rechter het—dikwijls +ingewikkelde—vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als +gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer rechten +kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame +vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn eigen +land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen +toepassen.</p> +<p>Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten +te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen waren +beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het +uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen +óf in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3552" href="#xd20e3552" name= +"xd20e3552">56</a>]</span>golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in +andere landen de internationale bescherming te kunnen inroepen, +allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen die hun eigen wet +voorschreef.</p> +<p>Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van +belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer +eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, +o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in +1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; ook +werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de <i lang= +"de">Börsenverein der deutschen Buchhändler</i> te Leipzig en +werd het vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres +van de <i lang="en">Association for the codification and reform of the +law of nations.</i> Toen in 1878 te Parijs tijdens de +wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit de geheele +wereld bijeen waren, werd daar opgericht de <i lang="fr">Association +littéraire internationale</i>, voornamelijk met het doel, de +beginselen der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en +te verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te +werken. Deze vereeniging, later herdoopt in <i lang="fr">Association +littéraire et artistique internationale</i>, heeft tot +verwezenlijking van de door velen gewenschte unificatie krachtig +medegewerkt. Op haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene +door haar te beleggen conferentie een plan zou worden uitgewerkt tot +stichting van eene internationale Unie tot bescherming van het +auteursrecht. Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13 +September 1883, onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen +Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien +<span class="corr" id="xd20e3568" title= +"Bron: artiken">artikelen</span> kwam tot stand, dat aan den +Zwitserschen Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een +door dit Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van +eene diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.</p> +<p>De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te +Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der +Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was door +twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden, zonder +afgevaardigden te sturen, <span class="corr" id="xd20e3573" title= +"Bron: huune">hunne</span> instemming met het beoogde doel betuigd.</p> +<p>Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3578" href="#xd20e3578" name= +"xd20e3578">57</a>]</span>die de geheele materie, onafhankelijk van de +bestaande wetgevingen op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig +onuitvoerbaar was ter zijde gesteld<a class="noteref" id="xd20e3580src" +href="#xd20e3580" name="xd20e3580src">144</a>, hield de Conferentie +zich bezig met het uitwerken van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat +van de <i lang="fr">Association</i> en dat van den Zwitserschen +Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der verschillende wetgevingen +steunde en slechts op enkele punten eene zelfstandige regeling inhield. +Behalve dit ontwerp, dat volgens het oordeel der Conferentie het +minimum van rechten inhield, die de toetredende landen wederzijds aan +de auteurs van werken van kunst en letterkunde zouden kunnen +verleenen<a class="noteref" id="xd20e3588src" href="#xd20e3588" name= +"xd20e3588src">145</a>, gaf de Conferentie nog als resultaat van haar +onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet in het ontwerp had +opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg of laat in te voeren +algemeene codificatie van het auteursrecht, in den vorm van +„wenschen” onder de aandacht van alle landsregeeringen +wilde brengen, nl.:</p> +<p>1<sup>o</sup>. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te +verleenen bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens +dertig jaar na hun dood.</p> +<p>2<sup>o</sup>. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen +gelijkstelling van het vertalingsrecht met het recht op het +oorspronkelijke werk<a class="noteref" id="xd20e3603src" href= +"#xd20e3603" name="xd20e3603src">146</a>.</p> +<p>De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door de +zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de +verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht, +aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover +definitieve instructies mede te geven.</p> +<p>Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz te +Bern plaats (7–18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen +vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en weer +vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor het te +sluiten verdrag tot stand.</p> +<p>Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te +Bern (6–9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van +enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3614" href="#xd20e3614" name= +"xd20e3614">58</a>]</span>en door de vertegenwoordigers van tien staten +onderteekend, nl. van: België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, +Haïti, Italië, Liberia, Spanje, Tunis en Zwitserland. Den +7den September 1887 volgde de ratificatie (behalve die van Liberia, dat +eerst veel later lid van het Verbond is geworden) en 5 December van +hetzelfde jaar trad de Conventie in werking.</p> +<p>De <i lang="fr">Convention concernant la création d’une +Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires +et artistiques</i>, hier te lande algemeen bekend onder den naam +<i>Berner Conventie</i>, is verdeeld in achttien artikelen, waaraan +zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende de verhouding der +Conventie tot de bestaande verdragen, en een Slotprotocol (nos. +1–7), waarin de bepalingen van sommige artikelen nader worden +verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de Conventie geen +algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat zij de +internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen van de +wetgevingen der aangesloten landen.</p> +<p>Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk +van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend +vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de +toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien +jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling had +men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar van +ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen +gelijkstelling werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht +op het oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar +was, dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten +een reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden<a class= +"noteref" id="xd20e3627src" href="#xd20e3627" name= +"xd20e3627src">147</a>. Met den gekozen termijn van 10 jaar hoopte men +aan de wenschen van beide partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; +aan staten die een langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit +onderling bij afzonderlijk tractaat vast te stellen.</p> +<p>De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In +art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden +opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3635" href="#xd20e3635" name= +"xd20e3635">59</a>]</span>zou staan, en waarvan inrichting en werkkring +nader in het Slotprotocol (no. 5) werden geregeld.</p> +<p>Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve +regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de +verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn +de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te +voorzien, dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten +bevatte, die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij +eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst +herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover in +de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze +herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën, +achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden, +terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste +Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na de +inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December +1893.</p> +<p>Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de +bijeenroeping was overgelaten, zag zich door verschillende +omstandigheden genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, +zoodat de Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 +bijeenkwam.</p> +<p>Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was +vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro<a class="noteref" id= +"xd20e3643src" href="#xd20e3643" name="xd20e3643src">148</a> en +Noorwegen) waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door +de Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan +welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden +gegeven.</p> +<p>Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche +Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma van +wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte opgave +van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van +letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren +op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der +verschillende landen was toegezonden<a class="noteref" id= +"xd20e3648src" href="#xd20e3648" name="xd20e3648src">149</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3654" href="#xd20e3654" name= +"xd20e3654">60</a>]</span>Doch ondanks alle daarvoor gedane moeite is +men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het oorspronkelijke te Bern +gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen, daar de hiervoor in art. +17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet kon worden verkregen. Op +het voorstel der Commissie<a class="noteref" id="xd20e3656src" href= +"#xd20e3656" name="xd20e3656src">150</a> werden nu de resultaten der +Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd, die het elken staat +vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:</p> +<p>Eene <i>Additionneele Acte</i>, die wijzigingen brengt in de artt. +2, 3, 5, 7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het +Slotprotocol, en</p> +<p>Eene „<i>Verklaring</i>” (<i lang= +"fr">Déclaration</i>), die eene interpretatie geeft van enkele +bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele Acte.</p> +<p>Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei +1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der +officieele stukken opgenomen zijn<a class="noteref" id="xd20e3680src" +href="#xd20e3680" name="xd20e3680src">151</a>.</p> +<p>De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, de +Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later +toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie +de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring, niet +de Additionneele Acte.</p> +<p>De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die +ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen +toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het +auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde +echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn +werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).</p> +<p>Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede dus +een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming tot stand +gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft +begrijpelijkerwijze het resultaat <span class="corr" id="xd20e3693" +title="Bron: vsn">van</span> de Conferentie van Parijs geen aanleiding +gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie was er door de +nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en de gedelegeerden +te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel hiervan te erkennen; +althans zij spraken de wenschelijkheid uit: <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e3696" href="#xd20e3696" name= +"xd20e3696">61</a>]</span>„dat de beraadslagingen van de +eerstvolgende Conferentie tot de aanneming van één +enkelen tekst der Conventie zouden leiden”<a class="noteref" id= +"xd20e3698src" href="#xd20e3698" name="xd20e3698src">152</a>.</p> +<p>Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd +van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie +van Parijs<a class="noteref" id="xd20e3705src" href="#xd20e3705" name= +"xd20e3705src">153</a>. Doch ook nu bleek men den termijn te kort +gesteld te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de +Berlijnsche Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.</p> +<p>Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend, +dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot), waren +er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger +gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn +zou worden besloten<a class="noteref" id="xd20e3712src" href= +"#xd20e3712" name="xd20e3712src">154</a>. Bovendien waren er +vertegenwoordigers van negentien niet-aangesloten landen.</p> +<p>De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche +Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op +een veertiental punten werden <span class="corr" id="xd20e3719" title= +"Bron: wijziglngen">wijzigingen</span> voorgesteld<a class="noteref" +id="xd20e3722src" href="#xd20e3722" name="xd20e3722src">155</a> en een +ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd +geredigeerd, waarin deze wijzigingen waren opgenomen<a class="noteref" +id="xd20e3727src" href="#xd20e3727" name="xd20e3727src">156</a>. +Bovendien was nog van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen +betreffende de reproductie door middel van photographie en +kinematograaf en een voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om +de vertaling in en uit het Japansch volkomen vrij te laten<a class= +"noteref" id="xd20e3732src" href="#xd20e3732" name= +"xd20e3732src">157</a>. Naast deze officieele herzieningsvoorstellen, +die met de daarbij gevoegde memoriën van toelichting als het ware +de schriftelijke inleiding vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, +waren ook nu weer door verschillende vereenigingen en congressen +wenschen uitgesproken en wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De +onvermoeide <i lang="fr">Association</i> had op haar congres in +Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig herzieningsontwerp +samengesteld, dat met eene memorie van toelichting aan de Regeeringen +van alle Verbondslanden was toegezonden<a class="noteref" id= +"xd20e3741src" href="#xd20e3741" name="xd20e3741src">158</a>. Ook van +de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende +Regeeringen zich <span class="pagenum">[<a id="xd20e3747" href= +"#xd20e3747" name="xd20e3747">62</a>]</span>op de hoogte kunnen +stellen, daar hiervan wederom, evenals in 1896, door de zorgen van het +internationale Bureau te Bern eene verzameling was verschenen<a class= +"noteref" id="xd20e3749src" href="#xd20e3749" name= +"xd20e3749src">159</a>.</p> +<p>Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den +op de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één +enkelen tekst der Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle +aangesloten staten zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te +voorspellen. En hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook +niet volkomen in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een +herzieningsontwerp aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte +bepalingen (dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch +voorgoed afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve +van sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen +hervormingen konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog +geen deel van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te +bemoeilijken, werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, +dat elke staat bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, +op bepaalde punten nog gebonden te blijven door de oude +Conventieteksten. Men heeft daarom niet geheel zonder recht, van +hetgeen de Berlijnsche Conferentie tot stand heeft gebracht kunnen +zeggen, dat het niet zoozeer is een bindend verdrag dan wel eene +Model-Conventie<a class="noteref" id="xd20e3759src" href="#xd20e3759" +name="xd20e3759src">160</a>, daar het immers iederen staat vrijstaat er +alleen die bepalingen uit te kiezen, welke hem bevallen, terwijl hij +voor het overige bij het oude kan blijven.</p> +<p>De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn +intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is +volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het +auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme +hoofdtermijn vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; +photographieën, werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn +onder de beschermde producten opgenomen en op verschillende belangrijke +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3769" href="#xd20e3769" name= +"xd20e3769">63</a>]</span>onderdeelen, als bv. het journalistiek +auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken, +de reproductie door middel van muziekinstrumenten en van den +kinematograaf, zijn de grenzen der auteursbescherming deels uitgebreid, +deels scherper getrokken. Groote verbetering is ook gebracht in de +stelselmatige volgorde der artikelen en in de redactie van sommige +bepalingen, die in de vroegere stukken wel eens aan duidelijkheid en +beknoptheid te wenschen overliet.</p> +<p>Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering +van al deze hervormingen slechts <i>mogelijk</i> gemaakt; of ze +werkelijk ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de +verschillende staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om +sommige der nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote +meerderheid der nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de +nieuwe Conventie in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen +bekrachtigen; het staat echter vast dat <i>allen</i> hiertoe +niet—tenminste niet binnen kort—zullen overgaan. Zoolang +dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de oude Berner +Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en Slotprotocol +benevens de Parijzer Additionneele Acte en „Verklaring”) +nog bestaan.</p> +<p>Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er in de +komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht in den +toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene +herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten, +die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven, +hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden en +telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder zijn +gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt +natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de +toekomst noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de +eerstvolgende tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden +te Rome, op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.</p> +<p>Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van +nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen +der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog zooveel +belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van versterking +der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.</p> +<p>Ook hieraan heeft de <i lang="fr">Association</i> haar aandacht +gewijd en hare <span class="pagenum">[<a id="xd20e3788" href= +"#xd20e3788" name="xd20e3788">64</a>]</span>pogingen om in deze +richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk genoeg voor om +hier te worden vermeld.</p> +<p>Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen +waren besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de +wetgevingen van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te +brengen, heeft eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden +met het opstellen van een ontwerp model-wet (<i lang="fr">loi-type</i>) +met deze beginselen tot grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende +congressen herhaaldelijk het onderwerp van belangrijke besprekingen uit +en werd in den loop der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het +Congres te Parijs in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een +belangrijk aandeel in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en +strekking hiervan nog eens uiteengezet<a class="noteref" id= +"xd20e3796src" href="#xd20e3796" name="xd20e3796src">161</a>. Hij heeft +er toen op gewezen, dat het ontwerp niet moet beschouwd worden als eene +model-wet in dien zin, dat het, theoretisch gesproken, eene +ideaal-regeling zou geven. De samenstellers hebben slechts de bedoeling +gehad, de voornaamste elementen tot een geheel te vereenigen, waarover +h. i. kans bestaat, dat de wetgevers der beschaafde staten het binnen +afzienbaren tijd eens zullen kunnen worden. Het geeft dus niet die mate +van bescherming, welke de <i lang="fr">Association</i> in het algemeen +wel zou wenschen (uit de besprekingen op hare congressen van +verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat de meerderheid +harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan); doch het minimum, +dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar acht. Wat den vorm en +het systeem van dit ontwerp betreft: het is niet de bedoeling der +samenstellers geweest, dat de tekst woord voor woord in alle landen tot +wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen worden er in geregeld; +waar men de beslissing van sommige punten liever niet aan den rechter +overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan Duitschland), zullen de +meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het geheele ontwerp bestaat +dan ook slechts uit zestien artikelen.</p> +<p>Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al is +de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in zijn +geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden +onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3806" href="#xd20e3806" name= +"xd20e3806">65</a>]</span>door bij uitstek daartoe bevoegden en +eenerzijds aan de wenschen van een groote groep schrijvers en +kunstenaars (d. w. z. <i>auteurs</i>) uit verschillende landen +uitdrukking geeft, terwijl andererzijds slechts wat practisch +bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het voor de wetgevers een +aantal wenken, die in elk geval bijzondere aandacht verdienen<a class= +"noteref" id="xd20e3811src" href="#xd20e3811" name= +"xd20e3811src">162</a>. In den loop van dit proefschrift zal ik nog +verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te +verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst +ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen te +moeten opnemen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming +van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden +geweest.</p> +<p>In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van +tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen +blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met +Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en +weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader +regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855<a class= +"noteref" id="xd20e3823src" href="#xd20e3823" name= +"xd20e3823src">163</a>. Vijf jaar later werd er door eene +<i>Additionneele Overeenkomst</i> de bepaling aan toegevoegd, dat de +uitgave in Nederland van bloemlezingen van Fransche schrijvers, welke +bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd zou zijn. In 1884 is het, +na korten tijd buiten werking te zijn geweest (krachtens de bepaling +van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld door eene tusschen +Nederlanden Frankrijk uitgewisselde <i>Verklaring</i><a class="noteref" +id="xd20e3837src" href="#xd20e3837" name="xd20e3837src">164</a>. +Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de +wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd +uitgebreid tot de muziekwerken.</p> +<p>Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten<a class= +"noteref" id="xd20e3848src" href="#xd20e3848" name= +"xd20e3848src">165</a>, dat bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met +Frankrijk. <span class="pagenum">[<a id="xd20e3857" href="#xd20e3857" +name="xd20e3857">66</a>]</span></p> +<p>Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862<a class= +"noteref" id="xd20e3860src" href="#xd20e3860" name= +"xd20e3860src">166</a>; dit werd echter reeds tegen 4 Februari 1880 +opgezegd, waarna het, na eerst nog enkele malen, telkens voor zes tot +acht maanden, te zijn verlengd, den 4den October 1882 voorgoed buiten +werking is gesteld<a class="noteref" id="xd20e3869src" href= +"#xd20e3869" name="xd20e3869src">167</a>.</p> +<p>Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel +daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van +Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag +door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar de +Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet zou +verwerven.</p> +<p>De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt +zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming +is nog binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen +alleen den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. +1), dat met Frankrijk, krachtens de <i>Verklaring</i> van 1884, ook +dien van muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze +tractaten in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is +in dit opzicht zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het +Fransche zou men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt +bepaald, dat het auteursrecht („het recht van eigendom of van +kopij”), hetwelk de wet van het ééne land waarborgt +of in het vervolg zal waarborgen, op het grondgebied van het andere +land kan worden uitgeoefend „gedurende denzelfden tijd en binnen +dezelfde grenzen als in dat andere land het recht wordt uitgeoefend, +’twelk aan de schrijvers van de aldaar uitkomende werken van +gelijken aard is toegekend”. Deze rechten kunnen echter niet +uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land waartoe de +schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu wordt in +Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet uitdrukkelijk +in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene vaste +jurisprudentie, volgens welke onder de <i lang= +"fr">réproduction</i>, die in strijd is met het auteursrecht, +ook <span class="pagenum">[<a id="xd20e3890" href="#xd20e3890" name= +"xd20e3890">67</a>]</span>moet verstaan worden reproductie in eene +andere taal.<a class="noteref" id="xd20e3892src" href="#xd20e3892" +name="xd20e3892src">168</a> Feitelijk bestaat dus een uitsluitend +vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen +duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus +hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de in +dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen zijn +beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht een +vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de +uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is +echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en met +nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche werken in +ons land door het tractaat <i>niet</i> wordt verboden. Het, m. i. +sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat de +Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning van het +uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen hiertegen +van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk verklaard +heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg hiervan +werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien van het +voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke Frankrijk +met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet +opgenomen<a class="noteref" id="xd20e3902src" href="#xd20e3902" name= +"xd20e3902src">169</a>. Men mag het er dus voor houden, dat het +tractaat het vertalen geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat +de bescherming, welke het verleent, in de practijk weinig +beteekent.</p> +<p>Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene +<i>Proclamatie van 20 November 1899</i> van den President der +Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 +(nu vervangen door die van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt +toepasselijk verklaard. Het zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan +volledig uiteen te zetten; het zij voldoende hierbij aan te stippen, +dat de Nederlandsche auteurs als gevolg hiervan voor hunne hier te +lande verschenen werken onder bepaalde voorwaarden <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e3932" href="#xd20e3932" name= +"xd20e3932">68</a>]</span>(o. a. die dat binnen een zekeren termijn +eene nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne) +aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland geenerlei +verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden de onderdanen +der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning van hun +auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld als die van +alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.</p> +<p>Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van +doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in +1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning +van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen +werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij +de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën +van Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. +door den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde +Ontwerp heeft onderteekend<a class="noteref" id="xd20e3936src" href= +"#xd20e3936" name="xd20e3936src">170</a>. De bekrachtiging van +Nederland is echter uitgebleven.</p> +<p>Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was +uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.</p> +<p>Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders van +onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde der +eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging gevoerd. +In 1898 werd opgericht een <i>Berner Conventie Bond</i>, die naast vele +letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke +vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905) kwam +de <i>Vereeniging van Letterkundigen</i> tot stand, welk lichaam zich +ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze +aansluiting<a class="noteref" id="xd20e3952src" href="#xd20e3952" name= +"xd20e3952src">171</a>. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van +der Vlugt, die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door +dezen afgevaardigde werd ingediend<a class="noteref" id="xd20e3964src" +href="#xd20e3964" name="xd20e3964src">172</a>, waarin aan de Regeering +<span class="pagenum">[<a id="xd20e3969" href="#xd20e3969" name= +"xd20e3969">69</a>]</span>werd verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de +noodige stappen te doen, is echter nooit in behandeling gekomen.</p> +<p>De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk is +niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk, van onze +aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door afgevaardigden +te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land is aldaar +vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke, +directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom, Mr. L. J. +Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant, Herman +Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen en W. P. van +Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts <i lang="la">ad +audiendum</i> de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne +tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder +van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de +verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te +bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie +af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen<a class="noteref" +id="xd20e3976src" href="#xd20e3976" name="xd20e3976src">173</a>. De +andere ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, +dat zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld +voornamelijk met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de +bepaling werd opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond +wenschen toe te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij +gedwongen zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.</p> +<p>Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit +het in dit najaar verschenen Oranjeboek<a class="noteref" id= +"xd20e3983src" href="#xd20e3983" name="xd20e3983src">174</a>, waarin de +indiening van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de +toetreding van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk +dit vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e3988" href="#xd20e3988" name= +"xd20e3988">70</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1565" href="#xd20e1565src" name="xd20e1565">1</a></span> Op +verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche schrijvers van +verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en meer exemplaren, gewag +gemaakt, o. a.: <span class="sc">Cicero</span> <i>Pro Sulla</i> XV, 42, +43; <span class="sc">Suetonius</span> <i>Div. Aug.</i> c. 31; +<span class="sc">Plinius</span> <i lang="la">Epistolae</i> IV, 7. Ook +werden soms hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne +manuscripten. Men zie hierover: Dr. <span class="sc">J. Kohler</span>, +<i lang="de">Das Autorrecht</i>, <span lang="de">Jahrbücher f. d. +Dogmatik XVIII</span>, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver: +<i lang="de">Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht</i>, +Stuttgart 1906 pp. 27 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1601" href="#xd20e1601src" name="xd20e1601">2</a></span> Men zie +voor de vervaardiging en verspreiding van boeken vóór de +uitvinding der boekdrukkunst o. a.: <i lang="de">Zur Erinnerung an die +Erfindung der Buchdruckerkunst</i> van <span class="sc">Georg +Steinhausen</span> in <i lang="de">die Nation</i> van 2 Juni 1900, p. +492.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1642" href="#xd20e1642src" name="xd20e1642">3</a></span> Dit +privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: <i>Over het kopy-regt in +Nederland</i> door Mr. <span class="sc">B. van den Velden</span>, 1835. +p. 290.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1651" href="#xd20e1651src" name="xd20e1651">4</a></span> +Privilegiën door Karel V verleend: in 1538 voor <i>Dye Cronijcke +van Hollāt, Zeelant en̄ Vrieslant</i> etc. (misschien een +<span class="corr" id="xd20e1657" title= +"Bron: overdrnk">overdruk</span> of vervolg van het zooeven genoemde +boek) in: <i>De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de zestiende +eeuw</i> door <span class="sc">E. W. Moes</span><span class="corr" id= +"xd20e1665" title="Bron: .">,</span> I p. 136. Privilegiën van +1546 en 1547 in: <i>Memoriael Boeck van den Hove van Holland</i> (het +eerste door den Griffier <span class="sc">Jan van Dam</span> gehouden) +1543–1548 fol. 231 en 287.</p> +<p class="footnote">Privilegiën van Philips II: bij <span class= +"sc">Moes</span> t. a. p. I p. 352, waar melding wordt gemaakt van een +kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door „Co<sup>e</sup>. +Ma<sup>ts</sup>. Octroije” en ibidem II p. 58, waar een werk +wordt genoemd voorzien van „privileg. Reg. Ma<sup>tis</sup>. // +et Cancellarie Brabantie”. In de <i>Geschiedenis der +Nederlandsche Letterkunde</i> van dr. <span class="sc">Jan ten +Brink</span> vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het +titelblad gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o. +a. de afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1703" href="#xd20e1703src" name="xd20e1703">5</a></span> +<span class="sc">Lieuwe van Aitzema</span>, <i>Saken van Staet en +Oorlogh in ende omtrent de Vereenigde Nederlanden</i> (1633–1644) +(fol. uitg. bij Joh. Veely, Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde +deel p. 552.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1711" href="#xd20e1711src" name="xd20e1711">6</a></span> Ibid. p. +660.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1714" href="#xd20e1714src" name="xd20e1714">7</a></span> Men zie +hierover: <i>Resolutiën Staten van Holland</i> 1639 pp. 38, 105, +144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; <i><span class="corr" id= +"xd20e1720" title="Bron: Resolutïen">Resolutiën</span> +Staten-Generaal</i> 23 dec. 1639.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1730" href="#xd20e1730src" name="xd20e1730">8</a></span> B.v. in +een privilegie van 6 Nov. 1656, <i><span class="corr" id="xd20e1733" +title="Bron: Resolutïen">Resolutiën</span> +Staten-Generaal</i> 1656 fol. 719.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1738" href="#xd20e1738src" name="xd20e1738">9</a></span> T. a. p. +p. 552.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1745" href="#xd20e1745src" name="xd20e1745">10</a></span> +<span class="sc">Cau</span> en <span class="sc">Scheltus</span>, +<i>Groot Placaatboek</i> IV p. 361.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1766" href="#xd20e1766src" name="xd20e1766">11</a></span> Men zie +b.v. de <i>Resolutiën der Staten van Holland</i> 23 Sept. 1734 pp. +628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal Res. van +29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het <i>Archief voor kerkelijke en wereldsche +geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht</i>, uitgegeven door +<span class="sc">J. J. Dodt van Flensburg</span> VI pp. 360, 361.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1780" href="#xd20e1780src" name="xd20e1780">12</a></span> +Voorbeelden hiervan o.a. in <span class="sc">Dodt</span> V pp. 235, +251, 258, 274, VII p. 2 en <i>Resolutiën Staten van Holland</i>, +18 Jan. 1737 p. 48.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1791" href="#xd20e1791src" name="xd20e1791">13</a></span> +<i>Resolutiën Staten van Holland</i> 13 Maart 1749 p. 163.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1801" href="#xd20e1801src" name="xd20e1801">14</a></span> Men zie +hierover: <span class="sc">Robert Fruin</span>, <i>Hugo de +Groot’s Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid</i>, +Verspreide Geschriften deel VIII pp. 21 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1815" href="#xd20e1815src" name="xd20e1815">15</a></span> +Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. <span class= +"sc">Dodt</span> VI p. 359.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1821" href="#xd20e1821src" name="xd20e1821">16</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V. p. 15. Een dergelijk geval in: +<i>Resolutiën Staten van Holland</i> 17 Jan. 1585 p. 46.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1832" href="#xd20e1832src" name="xd20e1832">17</a></span> +Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd door die +van 30 April 1728 (<i>Groot Placaetboek</i> III p. 552 en VI p. +598.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1838" href="#xd20e1838src" name="xd20e1838">18</a></span> +<i>Groot Geldersch Placaet-boek</i> III p. 644.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1849" href="#xd20e1849src" name="xd20e1849">19</a></span> +Medegedeeld door mr. <span class="sc">N. de Ridder</span> in diens +proefschrift: <i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i>, Utrecht 1875 +p. 31.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1860" href="#xd20e1860src" name="xd20e1860">20</a></span> Cf. +hierover: <span class="sc">A. C. Kruseman</span>, <i>Aanteekeningen +betr. den Boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw</i> p. +317.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1869" href="#xd20e1869src" name="xd20e1869">21</a></span> +<i>Resolutiën Staten van Holland</i> 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April +1580 p. 59.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1881" href="#xd20e1881src" name="xd20e1881">22</a></span> De +tekst der Resolutie is te vinden in het <i>Groot Placcaatboek</i> van +<span class="sc">Cau</span> en <span class="sc">Scheltus</span> V p. +603 en: <span class="sc">Wiltens</span> <i>Kerkelijk Placcaat-Boek</i> +III p. 262.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1901" href="#xd20e1901src" name="xd20e1901">23</a></span> In +Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei bereikte, +in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan +uitsluitend privilegiën zouden worden gegeven „<span lang= +"la">pro libris et operibus novis, nunquam antea impressis, et non pro +aliis</span>”. D. A. 1889 p. 8), in Frankrijk sedert 1578; Cf. +<span class="sc">Kohler</span> <i lang="de">Autorrecht</i> p. 85.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1915" href="#xd20e1915src" name="xd20e1915">24</a></span> Het +privilegie is afgedrukt in <i>Groot Placcaatboek</i> I p. 190.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1921" href="#xd20e1921src" name="xd20e1921">25</a></span> Men zie +hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19 Maart 1655 in +het <i>Groot Placcaatboek</i> II p. 3029.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1932" href="#xd20e1932src" name="xd20e1932">26</a></span> <i>Res. +Staten van Holland</i> 1724 p. 944.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1937" href="#xd20e1937src" name="xd20e1937">27</a></span> <i>Res. +Staten van Holland</i> 29 Sept. 1752 p. 1378.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1947" href="#xd20e1947src" name="xd20e1947">28</a></span> +<i>Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven</i> door <span class= +"sc">D. F. Scheurleer</span> p. 83.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1957" href="#xd20e1957src" name="xd20e1957">29</a></span> <i>Res. +Staten van Holland</i> 2 April 1746 pp. 217, 218.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1965" href="#xd20e1965src" name="xd20e1965">30</a></span> Zie +o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4 Nov. 1615 bij +<span class="sc">Dodt</span> VI pp. 374 en 380.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1976" href="#xd20e1976src" name="xd20e1976">31</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VII p. 22.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1984" href="#xd20e1984src" name="xd20e1984">32</a></span> <i>Res. +St. v. Holl.</i> 3 Sept. 1585 p. 531.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1989" href="#xd20e1989src" name="xd20e1989">33</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VI p. 393.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2001" href="#xd20e2001src" name="xd20e2001">34</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V p. 2. Zie ook: <i>l’Oeuvre de +Willem Jacobsz. Delff</i> par <span class="sc">D. Franken Dz.</span> +Amst. 1872 pp. 9, 10.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2014" href="#xd20e2014src" name="xd20e2014">35</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V p. 17.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2024" href="#xd20e2024src" name="xd20e2024">36</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> IV p. 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2035" href="#xd20e2035src" name="xd20e2035">37</a></span> +Medegedeeld door dr. <span class="sc">A. Bredius</span> in <i>Oud +Holland</i> 1890 pp. 75 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2046" href="#xd20e2046src" name="xd20e2046">38</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VII p. 53.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2053" href="#xd20e2053src" name="xd20e2053">39</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VII p. 13.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2060" href="#xd20e2060src" name="xd20e2060">40</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VII p. 66.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2070" href="#xd20e2070src" name="xd20e2070">41</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> IV p. 110.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2080" href="#xd20e2080src" name="xd20e2080">42</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VI p. 380.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2087" href="#xd20e2087src" name="xd20e2087">43</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> VII pp. 10, 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2102" href="#xd20e2102src" name="xd20e2102">44</a></span> <i>Res. +Staten van Holl.</i> 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog geval: +ibid 1740 pp. 261, 262.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2109" href="#xd20e2109src" name="xd20e2109">45</a></span> +Resolutie van 15 Mei 1619, <span class="sc">Dodt</span> VII p. 64.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2121" href="#xd20e2121src" name="xd20e2121">46</a></span> Zoo +ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland ten tijde +van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot in de 18de +eeuw toe. Cf. <span class="sc">Kohler</span>, <i lang= +"de">Autorrecht</i> pp. 463 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2134" href="#xd20e2134src" name="xd20e2134">47</a></span> Cf. Dr. +<span class="sc">J. A. Worp</span>, <i>Geschiedenis van het drama en +van het tooneel in Nederland</i> I p. 172.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2148" href="#xd20e2148src" name="xd20e2148">48</a></span> Dr. +<span class="sc">G. Kalff</span>, <i>Literatuur en tooneel te Amsterdam +in de zeventiende eeuw</i> p. 29. Cf. dezelfde schrijver in +<i>Amsterdam in de 17de eeuw. De Letterkunde en het Tooneel</i> p. +16.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2160" href="#xd20e2160src" name="xd20e2160">49</a></span> Cf. +<span class="sc">Worp</span> t. a. p. II p. 228.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2177" href="#xd20e2177src" name="xd20e2177">50</a></span> +<span class="sc">J. Wagenaar</span>, <i>Amsterdam in zijne opkomst, +aanwas,</i> enz. II p. 400.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2187" href="#xd20e2187src" name="xd20e2187">51</a></span> In: +<i>Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective +Godshuyzen,<span class="corr" id="xd20e2191" title= +"Bron: ..">...</span> wegens de tegenwoordige directie over den +Schouwburg,</i> enz. van 1699, medegedeeld door <span class= +"sc">Worp</span> t. a. p. II p. 89.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2199" href="#xd20e2199src" name="xd20e2199">52</a></span> +<span class="sc">Wagenaar</span> t. a. p. p. 404.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2209" href="#xd20e2209src" name="xd20e2209">53</a></span> Men zie +hierover: <span class="sc">D. F. Scheurleer</span> t. a. p. pp. 7 sqq. +en 79 sqq. en: <span class="sc">Worp</span> t. a. p. II p. 270.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2222" href="#xd20e2222src" name="xd20e2222">54</a></span> Men zie +b.v. in de <i>Res. Staten van Holl.</i> 1580 pp. 79, 113, 146, 166, 197 +en 1581 pp. 414 en 570.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2233" href="#xd20e2233src" name="xd20e2233">55</a></span> Zie +speciaal voor de Deventer Almanak: <span class="sc">Dodt</span> IV p. +124, VI p. 358, VII pag. 71; <i>Res. Staten v. Holl.</i> 1749 pp. 122, +123, 1750 pp. 888, 976. Het is duidelijk, dat de privilegiën +waarvan hier sprake is, nog iets anders gaven dan alleen het +kopierecht. Het was er niet zoozeer om te doen, dat zulk een almanak +niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen niet eene onderneming in +denzelfden geest op touw zouden zetten.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2247" href="#xd20e2247src" name="xd20e2247">56</a></span> <i>Res. +Staten v. Holl.</i> 1582 p. 575.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2272" href="#xd20e2272src" name="xd20e2272">57</a></span> +<i>Ress. St. v. Holl.</i> 6 Juli 1585 pp. 339, 340.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2277" href="#xd20e2277src" name="xd20e2277">58</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V p. 262.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2285" href="#xd20e2285src" name="xd20e2285">59</a></span> +Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, <span class= +"sc">Dodt</span> VII p. 57.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2316" href="#xd20e2316src" name="xd20e2316">60</a></span> Of dit, +ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een goed voorbeeld +is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar onder het hier +bedoelde octrooi in de Resolutiën der Staten-Generaal staat +bijgeschreven: „Bij resolutie van den 23 Febr. 1657” (dus +vóór de overdracht aan Blaauw) „is het octroy in +dese resolutie genoemd ingetrocken.” (<i>Res. St.-Gen.</i> 6 Nov. +1656 fol. 719.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2329" href="#xd20e2329src" name="xd20e2329">61</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V pp. 22, 23.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2341" href="#xd20e2341src" name="xd20e2341">62</a></span> <i>Res. +Staten v. Holl.</i> 16 Juli 1749 pp. 537 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2367" href="#xd20e2367src" name="xd20e2367">63</a></span> Het +privilegie staat afgedrukt in: <i lang="fr">Oeuvres de Nicolas Boileau +Despréaux avec des Eclaircissemens historiques donnez par +lui-même, à Amsterdam chez François Chanquion</i> +MDCCXXIX, Tome I<sup>er</sup>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2378" href="#xd20e2378src" name="xd20e2378">64</a></span> +<i>Hollandse Consultatien en Advysen</i> III p. 509, Consult CLXXXVII, +1</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2385" href="#xd20e2385src" name="xd20e2385">65</a></span> +Voorbeelden hiervan: <i>Res. St. v. Holl.</i> 4 April 1737 pp. 191, +192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2393" href="#xd20e2393src" name="xd20e2393">66</a></span> T. a. +p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij <span class="sc">de +Ridder</span> t. a. p. p. 29; <span class="sc">J. H. Kok</span>, +<i>Auteursrecht en Berner Conventie</i>. Rotterdam 1905 p. 18.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2410" href="#xd20e2410src" name="xd20e2410">67</a></span> Men zie +de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den Deventer +almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der Staten van +Holland.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2427" href="#xd20e2427src" name="xd20e2427">68</a></span> Cf. +<span class="sc">J. H. W. Unger</span>, <i>Bibliographie van Vondels +werken</i>. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2442" href="#xd20e2442src" name="xd20e2442">69</a></span> Cf. +<i lang="fr">L’Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff</i> p. 12.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2455" href="#xd20e2455src" name="xd20e2455">70</a></span> +<span class="sc">J. T. Bodel Nyenhuis</span>, <i>De wetgeving op +drukpers en boekhandel in de Nederlanden tot in het begin der XIXde +eeuw</i>, (vertaling van: <i lang="la">Dissertatio historico-juridica +de juribus typographorum et bibliopolarum in regno Belgico</i>, Leid. +1819), p.2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2470" href="#xd20e2470src" name="xd20e2470">71</a></span> Uit het +reeds genoemde privilegie van Karel V.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2475" href="#xd20e2475src" name="xd20e2475">72</a></span> <i>Res. +St. v. Holl.</i> 1612 p. 192.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2482" href="#xd20e2482src" name="xd20e2482">73</a></span> Priv. +v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts <i>Historie der Reformatie</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2490" href="#xd20e2490src" name="xd20e2490">74</a></span> Priv. +v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens <i>Stichtelijke +Rijmen</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2502" href="#xd20e2502src" name="xd20e2502">75</a></span> Cf. de +voorrede van den uitgever <span class="sc">Lodewyx van der +Plasse</span> in het <i>Groot Liedboeck</i> van <span class="sc">G. A. +Bredero</span> (uitg. 1622).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2516" href="#xd20e2516src" name="xd20e2516">76</a></span> T. a. +p. p. 53.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2519" href="#xd20e2519src" name="xd20e2519">77</a></span> T. a. +p. p. 33.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2522" href="#xd20e2522src" name="xd20e2522">78</a></span> Zie +o.a.: dr. <span class="sc">Kalff</span> in <i>Amsterdam in de 17de +eeuw</i>, t. a. p. p. 17.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2532" href="#xd20e2532src" name="xd20e2532">79</a></span> <i>De +gedichten van Constantyn Huygens</i>, uitgeg. door dr. <span class= +"sc">J. A. Worp</span> 1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den +nadruk geen zeldzaam verschijnsel te hebben gevonden; in een „Aen +den Drucker” vóór zijn „Hofwyck” zegt +hij:</p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div class="lgouter footnote"> +<p class="line">„Van dusend tegen een</p> +<p class="line xd20e2545">De nadruck sal ons beurt zijn.”</p> +</div> +</div> +</div> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2548" href="#xd20e2548src" name="xd20e2548">80</a></span> Cf. +<span class="sc">Scheurleer</span> in <i>Amsterdam in de 17de eeuw</i> +t. a. p. p. 85.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2558" href="#xd20e2558src" name="xd20e2558">81</a></span> Zie het +bovengenoemde voorbericht van zijn <i>Groot Liedboeck</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2564" href="#xd20e2564src" name="xd20e2564">82</a></span> Men zie +het „Berecht aen den Lezer” in: <i>Gedichten van Hubert +Kornelisz. Poot</i>, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2570" href="#xd20e2570src" name="xd20e2570">83</a></span> Dr. +<span class="sc">J. ten Brink</span> t. a. p. p. 478.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2578" href="#xd20e2578src" name="xd20e2578">84</a></span> Men zie +b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot’s <i>Inleidinge +tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid</i>: <span class="sc">Rob. +Fruin</span>, <i>Verspreide Geschriften</i> VIII pp. 26 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2590" href="#xd20e2590src" name="xd20e2590">85</a></span> +<span class="sc">Kruseman</span> t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere +gevallen van nadruk: ibid. pp. 346, 80 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2602" href="#xd20e2602src" name="xd20e2602">86</a></span> T. a. +p. p. 63.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2605" href="#xd20e2605src" name="xd20e2605">87</a></span> Men +vindt den tekst dezer overeenkomst in: <i>Bouwstoffen voor een +geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel</i> door <span class= +"sc">A. C. Kruseman</span> I p. 821.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2616" href="#xd20e2616src" name="xd20e2616">88</a></span> +<span class="sc">Kruseman</span>, <i>Aanteekeningen</i> etc. p. +471.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2627" href="#xd20e2627src" name="xd20e2627">89</a></span> +Medegedeeld door: <span class="sc">Kruseman</span>, +<i>Aanteekeningen</i> etc. p. 86.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2656" href="#xd20e2656src" name="xd20e2656">90</a></span> +„<span lang="la">Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius... +volare per manus multorum nostras <i>Institutiones Juris Batavici</i>; +in exquirendo eius plagii fonte ... se tibi adiutorem fore... +etc.</span>” Cf. hierover: <span class="sc">R. Fruin</span>, +<i>Hugo de Groot’s Inleidinge tot de Hollandsche +Rechtsgeleerdheid</i>, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In +denzelfden bundel (p. 272) maakt <span class="sc">Fruin</span> melding +van een soortgelijk geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus +overkomen. In het voorbericht van zijn <i lang="la">De contemptu +mundi</i> schreef deze: „<span lang="la">Typographi palam +minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse.</span>”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2691" href="#xd20e2691src" name="xd20e2691">91</a></span> +<span class="sc">Scheurleer</span> t. a. p. p. 85.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2702" href="#xd20e2702src" name="xd20e2702">92</a></span> +<i>Gedichten van</i> <span class="sc">Hubert Kornelisz. Poot</span>, +2de druk 1724, bij Reinier Boitet te Delf, „<i>Berecht aen den +Lezer</i>.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2719" href="#xd20e2719src" name="xd20e2719">93</a></span> <i>Res. +St. van Holland</i> 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te vinden in: +<i>Kerkelijk Placaatboek</i> II pp. 522 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2741" href="#xd20e2741src" name="xd20e2741">94</a></span> <i>J. +v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem, gestelt +voor den Hollantschen Parnas</i>. (<i>De werken van Vondel in verband +gebracht met zijn leven</i> door mr. <span class="sc">J. v. +Lennep</span> IX p. 143.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2760" href="#xd20e2760src" name="xd20e2760">95</a></span> +Medegedeeld door dr. <span class="sc">Hermann Ortloff</span>, <i lang= +"de">Das Autor- und Verlagsrecht als strafrechtlich zu schützendes +Recht. Jahrbücher für die Dogmatik</i> V p. 295.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2773" href="#xd20e2773src" name="xd20e2773">96</a></span> Zie +hierover en over de ontwikkeling van het begrip „geestelijke +eigendom” in Duitschland: <i lang="de">„Die Idee des +geistigen Eigenthums</i>” door dr. <span class="sc">J. +Kohler</span> in <i lang="de">Archiv für die civilistische +Praxis</i>, Band 82 pp. 166 sqq. Men zie ook: <span class="sc">Paul +Laboulaye</span>, <i lang="fr">Etude sur le droit de +propriété littéraire en Allemagne</i>. Paris 1855 +pp. 9 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2795" href="#xd20e2795src" name="xd20e2795">97</a></span> O.a. in +een bekend arrest van het <i lang="fr">Conseil du roi</i> van 14 Sept. +1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht op de +werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.: mr. +<span class="sc">J. Heemskerk</span>, <i>Voordragten over den eigendom +van voortbrengselen van den geest</i>. Haarlem 1856 p. 53.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2817" href="#xd20e2817src" name="xd20e2817">98</a></span> +<i>Hollands Rykdom</i> door mr. <span class="sc">Elias Luzac</span> (de +Nederl. vertaling, Leiden 1781) II p. 530.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2831" href="#xd20e2831src" name="xd20e2831">99</a></span> T. a. +p. p. 529.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2838" href="#xd20e2838src" name="xd20e2838">100</a></span> +<span class="sc">Scheurleer</span> t. a. p. p. 75.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2849" href="#xd20e2849src" name="xd20e2849">101</a></span> Te +vinden in: <span class="sc">Fruin</span>, <i>Verspreide Geschriften</i> +VII p. 401.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2860" href="#xd20e2860src" name="xd20e2860">102</a></span> +<span class="sc">Max Rooses</span>, <i lang="fr">Christophe Plantin, +Imprimeur Anversois</i>, 2<sup>me</sup> ed. Anvers 1890, pp. 228 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2873" href="#xd20e2873src" name="xd20e2873">103</a></span> +<i>Brieven van Maria van Reigersbergh</i>, uitg. door mr. <span class= +"sc">H. Vollenhoven</span> en dr. <span class="sc">G. D. J. +Schotel</span>. Middelburg 1857 p. 35.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2884" href="#xd20e2884src" name="xd20e2884">104</a></span> T. a. +p. p. 42.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2905" href="#xd20e2905src" name="xd20e2905">105</a></span> In: +<i>Amsterdam in de XVIIde eeuw</i>, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar ook +het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2917" href="#xd20e2917src" name="xd20e2917">106</a></span> Cf. +<span class="sc">Max Rooses</span>, <i lang="fr">Christophe Plantin, +imprimeur Anversois</i>, 2<sup>me</sup> ed. p. 133.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2932" href="#xd20e2932src" name="xd20e2932">107</a></span> T. a. +p. p. 27 noot 2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2943" href="#xd20e2943src" name="xd20e2943">108</a></span> +<span class="sc">Dodt</span> V p. 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2956" href="#xd20e2956src" name="xd20e2956">109</a></span> +<i>Res. der Staten-Generaal</i> 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook +<i>Res. Staten v. Holl.</i> 1703 p. 472.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2966" href="#xd20e2966src" name="xd20e2966">110</a></span> +<i>Res. St. v. Holl.</i> 20 Nov. 1745 pp. 937, 938.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2980" href="#xd20e2980src" name="xd20e2980">111</a></span> +<i>Res. Staten v. Holl.</i> 18 Maart 1722 pp. 131, 132.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2987" href="#xd20e2987src" name="xd20e2987">112</a></span> +<i>Res. St. v. Holl.</i> 17 Aug. 1730 p. 718.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2994" href="#xd20e2994src" name="xd20e2994">113</a></span> +<i>Res. St. v. Holl.</i> 5 Oct. 1735 p. 572.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3001" href="#xd20e3001src" name="xd20e3001">114</a></span> +<i>Res. St. v. Holl.</i> 4 April 1737 pp. 191, 192.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3006" href="#xd20e3006src" name="xd20e3006">115</a></span> +<i>Res. St. v. Holl.</i> 17 Dec. 1738 p. 704.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3015" href="#xd20e3015src" name="xd20e3015">116</a></span> Ik +doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der Nederlandsche +gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder en die tusschen +den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den griffier Fagel, +berustende in het Rijksarchief te ’s Gravenhage +(<i>Legatie-archief</i> nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor +genoemd vond, is: <span class="sc">Pütter</span>, <i lang="de">Der +Büchernachdruck</i>, Göttingen 1774 p. 117.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3032" href="#xd20e3032src" name="xd20e3032">117</a></span> De +tekst is te vinden in: <i>Decreeten van de vergadering van het +provinciaal bestuur van Holland</i>, 6 Dec. 1796–6 Jan. 1797 p. +21. Ook bij <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. p. 294.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3048" href="#xd20e3048src" name="xd20e3048">118</a></span> T. a. +p. 47 noot 1.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3066" href="#xd20e3066src" name="xd20e3066">119</a></span> De wet +is in haar geheel afgedrukt bij <span class="sc">van den Velden</span> +t. a. p. pp. 308 sqq. en <span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. pp. +266 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3077" href="#xd20e3077src" name="xd20e3077">120</a></span> +<i>Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het +Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij 1803 +aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest</i>. Te vinden +bij <span class="sc">Bodel Nyenhuis</span> t. a. p. pp. 353 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3153" href="#xd20e3153src" name="xd20e3153">121</a></span> Men +zie hierover: <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. pp. 83 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3177" href="#xd20e3177src" name="xd20e3177">122</a></span> Zie +hierover ook de juiste uitspraak van de <span class="corr" id= +"xd20e3179" title= +"Bron: Arrondissements-Regtbank">Arrondissements-Rechtbank</span> te +Amsterdam van 27 December 1843. In: <i>Het Letterkundig Eigendomsregt +in Nederland, wetten, traktaten, regtspraak</i> enz. ’s +Gravenhage 1865 pp. 135 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3194" href="#xd20e3194src" name="xd20e3194">123</a></span> Cf.: +<span class="sc">Evertsen de Jonge</span>, <i>Verhandeling over de +regten van schrijvers en kunstenaars op hunne werken</i>. Utrecht 1853 +pp. 83 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3207" href="#xd20e3207src" name="xd20e3207">124</a></span> O.a. +door: <span class="sc">Evertsen de Jonge</span> t. a. p. pp. 168 sqq., +<span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. p. 125, mr. <span class= +"sc">J. Heemskerk</span> t. a. p. p. 56 en in een arrest van den Hoogen +Raad van 22 Mei 1850 (<i>Weekbl. v. h. Recht</i> no. 1136).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3240" href="#xd20e3240src" name="xd20e3240">125</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 122.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3245" href="#xd20e3245src" name="xd20e3245">126</a></span> Men +zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel van 13 Febr. +1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840, alsmede de +adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. <span class="sc">Dirk Donker +Curtius</span>, <span class="sc">W. C. B. Wintgens</span> en +<span class="sc">S. P. Lipman</span> in: <i>Het Letterkundig +Eigendomsregt in Nederland</i> II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van +mr. <span class="sc">S. P. Lipman</span>, <i>Onderzoek omtrent de +wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en 30 Juli 1822 en 18 Juni +1829</i>. Cf. ook: <span class="sc">G. K. van Hogendorp</span>, +<i>Bijdragen tot de Huishouding van Staat</i>, 2de uitg. VIII pp. 282, +283.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3285" href="#xd20e3285src" name="xd20e3285">127</a></span> Het +belangrijkste hiervan is medegedeeld in: <i>Het Letterkundig +Eigendomsregt in Nederland</i> II pp. 138 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3293" href="#xd20e3293src" name="xd20e3293">128</a></span> Men +zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. <span class="sc">J. +van der Linden</span>, <span class="sc">M. C. van Hall</span>, +<span class="sc">N. Sinderam</span>, <span class="sc">S. A. E. +Verburg</span> en <span class="sc">F. A. van Hall</span> van 31 Maart +1817 in: <i>Het Letterk. Eigendomsregt</i> pp. 83 sqq. en een arrest +van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in <i>W. v. h. R.</i> no. +67.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3323" href="#xd20e3323src" name="xd20e3323">129</a></span> Zie +hierover: <span class="sc">van den Velden</span> t. a. p. pp. 94 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3334" href="#xd20e3334src" name="xd20e3334">130</a></span> Cf. +<span class="sc">Kruseman</span>, <i>Bouwstoffen</i> enz. II pp. 578 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3345" href="#xd20e3345src" name="xd20e3345">131</a></span> Beiden +te vinden in: <i>Het Letterk. Eigendomsregt</i> pp. 247 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3353" href="#xd20e3353src" name="xd20e3353">132</a></span> +<i>Hand. Staten-Generaal</i> 1876–1877. Bijlage 202.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3373" href="#xd20e3373src" name="xd20e3373">133</a></span> +<i>Hand. Tweede Kamer der St.-Gen.</i> 1877–1878. Bijlage 25.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3382" href="#xd20e3382src" name="xd20e3382">134</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881. Bijlage 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3394" href="#xd20e3394src" name="xd20e3394">135</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881 pp. 1627 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3406" href="#xd20e3406src" name="xd20e3406">136</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881 pp. 1637 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3420" href="#xd20e3420src" name="xd20e3420">137</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1883–1884. Bijlage 166.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3437" href="#xd20e3437src" name="xd20e3437">138</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1884–1885. Bijlage 72 no. 3.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3445" href="#xd20e3445src" name="xd20e3445">139</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1884–1885. Bijlage 72 no. 4.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3460" href="#xd20e3460src" name="xd20e3460">140</a></span> Men +zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden <span class="sc">van +der Vlugt</span> en <span class="sc">Bos</span> bij de behandeling van +de begrooting van Justitie in 1904, <i>Hand. Tweede Kamer</i> 1904/05 +pp. 831–833, 880.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3487" href="#xd20e3487src" name="xd20e3487">141</a></span> Eene +uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die jaren +vindt men bij: <span class="sc">Kruseman</span>, <i>Bouwstoffen</i> +enz. I pp. 526 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3507" href="#xd20e3507src" name="xd20e3507">142</a></span> Men +zie hierover de uitspraken van het <i lang="fr">Tribunal civil de la +Seine</i> (28 Maart 1884) en van het <i lang="fr">Cour de Cassation</i> +(25 Juli 1887) in <i lang="fr">Droit d’Auteur</i> 1888 p. 126 en +1889 pp. 8 sqq. en de meening van <span class="sc">Darras</span> en +<span class="sc">Pouillet</span> in hetzelfde tijdschrift 1902 p. +51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3533" href="#xd20e3533src" name="xd20e3533">143</a></span> Cf. +hierover o.a.: <span class="sc">de Martens</span>, <i lang= +"fr">Traité de Droit international (traduit du Russe par</i> +<span class="sc">Alfred Léo</span>), Paris 1886 II pp. 222 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3580" href="#xd20e3580src" name="xd20e3580">144</a></span> +<i lang="fr">Actes de la Conférence internationale pour la +protection des droits d’auteur</i>, Berne 1884 pp. 28, 29.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3588" href="#xd20e3588src" name="xd20e3588">145</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> p. 77.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3603" href="#xd20e3603src" name="xd20e3603">146</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> p. 89.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3627" href="#xd20e3627src" name="xd20e3627">147</a></span> Men +zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, <i lang="fr">Actes</i> pp. +47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen +afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3643" href="#xd20e3643src" name="xd20e3643">148</a></span> +Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3648" href="#xd20e3648src" name="xd20e3648">149</a></span> De +tekst dezer stukken is te vinden in: <i>Actes de la Conférence +de Paris</i> 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3656" href="#xd20e3656src" name="xd20e3656">150</a></span> Cf. +het door <span class="sc">Renault</span> opgestelde rapport van de +werkzaamheden der Commissie, <i>Actes</i> p. 179.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3680" href="#xd20e3680src" name="xd20e3680">151</a></span> Te +vinden: <i lang="fr">Actes</i> p. 229.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3698" href="#xd20e3698src" name="xd20e3698">152</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> p. 229.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3705" href="#xd20e3705src" name="xd20e3705">153</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> p. 146.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3712" href="#xd20e3712src" name="xd20e3712">154</a></span> +<i lang="fr">Actes de la Conférence de Berlin de</i> 1908 p. +153.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3722" href="#xd20e3722src" name="xd20e3722">155</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> pp. 37 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3727" href="#xd20e3727src" name="xd20e3727">156</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> pp. 71 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3732" href="#xd20e3732src" name="xd20e3732">157</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> pp. 77 en 78.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3741" href="#xd20e3741src" name="xd20e3741">158</a></span> Men +zie: <i>D. A.</i> 1907 pp. 113 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3749" href="#xd20e3749src" name="xd20e3749">159</a></span> +<i lang="fr">Tableau des voeux émis par divers congrès et +assemblées en vue du développement de la protection des +oeuvres littéraires et artistiques, deuxième +série</i> 1896–1907. Berne 1908. Ook te vinden: <i lang= +"fr">Actes</i> pp. 79 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3759" href="#xd20e3759src" name="xd20e3759">160</a></span> +<span class="sc">Louis Delzons</span>, <i lang="fr">L’oeuvre de +la Conférence de Berlin sur la propriété +littéraire et artistique, Revue des deux mondes</i> 15 Dec. 1908 +p. 905.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3796" href="#xd20e3796src" name="xd20e3796">161</a></span> +<i lang="fr">Droit d’Auteur</i> 1900 pp. 98 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3811" href="#xd20e3811src" name="xd20e3811">162</a></span> Dit is +ook ingezien door de Commissie, belast met de voorbereiding van eene +nieuwe wet op het auteursrecht in Italië. <i>D. A.</i> 1907 p. +72.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3823" href="#xd20e3823src" name="xd20e3823">163</a></span> Het +werd goedgekeurd door de <i>Wet van 22 Juli 1855</i> (Staatsblad no. +101) en in het Staatsblad geplaatst bij <i>K. B. van 22 Juli 1855</i> +(Staatsblad no. 107).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3837" href="#xd20e3837src" name="xd20e3837">164</a></span> Men +vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van de Verklaring +resp. in: <i>K. B. van 22 Mei 1860</i> (Staatsblad no. 19) en <i>K. B. +van 16 Augustus 1855</i> (Staatsblad no. 176).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3848" href="#xd20e3848src" name="xd20e3848">165</a></span> +Goedgekeurd door de <i>Wet van 28 Dec. 1858</i> (Staatsblad no. 119); +in het Staatsblad geplaatst door het <i>K. B. van 4 Maart 1859</i> +(Staatsblad no. 11).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3860" href="#xd20e3860src" name="xd20e3860">166</a></span> +Goedgekeurd door de <i>Wet van 27 Juni 1863</i>(Staatsblad no. 86); in +het Staatsblad geplaatst door het <i>K. B. van 9 Juli 1863</i> +(Staatsblad no. 115).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3869" href="#xd20e3869src" name="xd20e3869">167</a></span> +<i>Staatscourant</i> 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30 en +264. In het werkje van mr. <span class="sc">Veegens</span>, <i>Het +auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving</i>, dat in 1895 +uitkwam, wordt het tractaat met Spanje abusievelijk als nog van kracht +zijnde behandeld. pp. 178 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3892" href="#xd20e3892src" name="xd20e3892">168</a></span> Cf.: +<i lang="fr">Droit d’Auteur</i> 1895 pp. 50, 51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3902" href="#xd20e3902src" name="xd20e3902">169</a></span> Men +zie de: <i>Memorie van Beantwoording</i> van den minister <span class= +"sc">van Hall</span>, <i>Bijlagen Tweede Kamer</i> 1854–1855 p. +795; en zijne rede in de vergadering van 22 Juni 1855, <i>Bijblad +Tweede Kamer</i> 1854–1855 p. 1012. Cf. ook: <i>Bijblad Eerste +Kamer</i> 1854–1855 p. 1909 en <i>Bijblad Tweede Kamer</i> +1855–1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in: +<i>Het letterkundig eigendomsregt in Nederland</i> I pp. 67 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3936" href="#xd20e3936src" name="xd20e3936">170</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 81.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3952" href="#xd20e3952src" name="xd20e3952">171</a></span> Men +zie o.a. het <i>Rapport der Commissie, benoemd door de vergadering van +15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te dienen inzake de +Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der Vereeniging van +Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905</i>. Opgenomen in het +<i>Nieuwsblad voor den Boekhandel</i> 1905 nos. 87, 88 en 89 en in +<i>de Kroniek</i> 1905 nos 564, 565 en 566.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3964" href="#xd20e3964src" name="xd20e3964">172</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1905–1906 p. 1070.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3976" href="#xd20e3976src" name="xd20e3976">173</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 150, 151 en 217.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3983" href="#xd20e3983src" name="xd20e3983">174</a></span> +<i>Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909 door het +Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor openbaarmaking +geschikte aangelegenheden</i> p. 68.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk II</h2> +<h2 class="main">Grondslag en rechtskarakter</h2> +<div class="div2" id="ch2.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Algemeen overzicht der verschillende +theorieën</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een +wetenschappelijke verklaring en motiveering van het auteursrecht. De +reeds in het tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken +overtuiging, dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in +het recht der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde +ertoe het auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit +denkbeeld vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de +zeventiende eeuw<a class="noteref" id="xd20e4000src" href="#xd20e4000" +name="xd20e4000src">1</a> en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis +d’Héricourt<a class="noteref" id="xd20e4012src" href= +"#xd20e4012" name="xd20e4012src">2</a> nader uitgewerkt. Later heeft de +theorie van den <i>letterkundigen</i> of <i>intellectuelen eigendom</i> +talrijke aanhangers gevonden en ook grooten invloed op de wetgevingen +uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef ik slechts te herinneren +aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur van Holland van 1796 en +aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een eeuwigdurend kopierecht +toekenden. De theorie vond echter al spoedig van verschillende kanten +heftige bestrijding; in Duitschland, waar onder de voornaamste +voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn te noemen, kon zij toch +niet lang de heerschende blijven; <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e4027" href="#xd20e4027" name="xd20e4027">71</a>]</span>in +Frankrijk vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; +toch blijft men daar nog steeds spreken van <i lang= +"fr">propriété littéraire et artistique</i>, en al +heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een van +eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is nog wel +iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie is blijven +voortbestaan<a class="noteref" id="xd20e4033src" href="#xd20e4033" +name="xd20e4033src">3</a>.</p> +<p>Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut +recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, te +construeeren. Dit is de zoogenaamde <i>contracts-theorie</i>, volgens +welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend +beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar <span class="corr" id= +"xd20e4050" title="Bron: yan">van</span> een boek de kooper gebonden +zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins +beteekenenden aanhang kunnen verwerven<a class="noteref" id= +"xd20e4053src" href="#xd20e4053" name="xd20e4053src">4</a>.</p> +<p>Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar +een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie van +iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene <i>krenking der +persoonlijkheid</i> zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer +zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een +boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van +den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden +herhaald<a class="noteref" id="xd20e4070src" href="#xd20e4070" name= +"xd20e4070src">5</a>. In den laatsten tijd komen de theorieën, die +uitsluitend of althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen +van het auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den +voorgrond<a class="noteref" id="xd20e4094src" href="#xd20e4094" name= +"xd20e4094src">6</a>.</p> +<p>Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie met +bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de +auteursbescherming <span class="pagenum">[<a id="xd20e4111" href= +"#xd20e4111" name="xd20e4111">72</a>]</span>uit het gemeene recht te +verklaren, werd door anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk +privaatrecht geen sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen +subjectieve rechten kan worden ingedeeld.</p> +<p>Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex +van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der +auteurs ten grondslag kon worden gelegd<a class="noteref" id= +"xd20e4115src" href="#xd20e4115" name="xd20e4115src">7</a>. Ook Jolly +kwam tot de conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere +juridische vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er +inbreuk op wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt +verklaard<a class="noteref" id="xd20e4126src" href="#xd20e4126" name= +"xd20e4126src">8</a>.</p> +<p>Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie, +met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het +alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel was, +om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid te +verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen +noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze +uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari +1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: +„<span lang="en">It is desirable that we should have a supply of +good books: we cannot have such a supply unless men of letters are +liberally remunerated; and the least objectionable way of remunerating +them is by means of copy right</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e4140src" href="#xd20e4140" name="xd20e4140src">9</a>.</p> +<p>Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische +beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, +toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort +overzicht moge hiervan volgen.</p> +<p>De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van +Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar +oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen +des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4152" href="#xd20e4152" name= +"xd20e4152">73</a>]</span>spreken, leverden weinig belangrijks op. Het +hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden aangeroerd en maakte +„geen bepaald voorwerp van redetwist” uit<a class="noteref" +id="xd20e4154src" href="#xd20e4154" name="xd20e4154src">10</a>.</p> +<p>Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche +Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de +orde was gesteld: „Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de +rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid +regelen?”</p> +<p>Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en Mr. J. +Freseman Viëtor.</p> +<p>Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit +vraagstuk had uiteengezet<a class="noteref" id="xd20e4166src" href= +"#xd20e4166" name="xd20e4166src">11</a>, ontzegde schrijvers en +kunstenaars alle <i>recht</i> op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde +het auteursrecht beschouwd zien als een soort privilegie, alleen +steunende op het algemeen nut, „op de noodzakelijkheid om +schrijvers en uitgevers eenig voordeel te verzekeren, ten einde het +uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken”<a class="noteref" +id="xd20e4177src" href="#xd20e4177" name="xd20e4177src">12</a>.</p> +<p>Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting +met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had +gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:</p> +<p>„Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of +analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding +dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse +der bedoelde auteurs”<a class="noteref" id="xd20e4186src" href= +"#xd20e4186" name="xd20e4186src">13</a>. Ook volgens dezen schrijver +steunde de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met +economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, nader +werd uitgewerkt.</p> +<p>In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel +uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.</p> +<p>De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen +van de negen en veertig stemmen.</p> +<p>De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4197" href="#xd20e4197" name= +"xd20e4197">74</a>]</span>„dat de arbeider recht heeft op het +loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens +anders loon verrijkt, verplicht is tot teruggave” werd verworpen +met twee en veertig tegen zeven stemmen en de leer van het +„stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij den verkoop +van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, +krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte onder +voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te zullen +bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd” vond +slechts één enkelen aanhanger.</p> +<p>Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en +drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: +„dat in het <i>algemeen belang</i> door de wet een recht tot +uitsluitende reproductie moet worden gegeven”<a class="noteref" +id="xd20e4204src" href="#xd20e4204" name="xd20e4204src">14</a>.</p> +<p>Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er +geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in +het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting +kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, dat +een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht „in het algemeen +belang” acht?</p> +<p>Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte +juridische voorlichting op dit gebied ontbreken.</p> +<p>De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, +waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt, +zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne +recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben +gevonden<a class="noteref" id="xd20e4215src" href="#xd20e4215" name= +"xd20e4215src">15</a>, en Mr. G. Belinfante, die in een +Themis-artikel<a class="noteref" id="xd20e4240src" href="#xd20e4240" +name="xd20e4240src">16</a> het recht der schrijvers uit den eigendom +van het manuscript poogde af te leiden, vonden van verschillende zijden +krachtige en doorgaans zóó afdoende bestrijding, dat er +van hunne theorieën weinig overbleef<a class="noteref" id= +"xd20e4255src" href="#xd20e4255" name="xd20e4255src">17</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4269" href="#xd20e4269" name= +"xd20e4269">75</a>]</span></p> +<p>Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging het +laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het +Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz<a class="noteref" id= +"xd20e4272src" href="#xd20e4272" name="xd20e4272src">18</a> werd van de +overwinning van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag +gemaakt; het slot van dit opstel klonk niet geruststellend voor de +auteurs:</p> +<p>„Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt +met <i>alle</i> privilegies en <i>alle</i> monopoliën, en het +voorbeeld der octrooien, hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op +’t gebied van ’t <i>auteursrecht</i> zal worden +toegepast”<a class="noteref" id="xd20e4296src" href="#xd20e4296" +name="xd20e4296src">19</a>.</p> +<p>Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote +meerderheid toch nog altijd „het algemeen belang” zich +verzetten, gevaarlijker was de theorie in zake internationaal +auteursrecht.</p> +<p>Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in <i>de Gids</i> +over onze aansluiting bij de Berner Conventie<a class="noteref" id= +"xd20e4306src" href="#xd20e4306" name="xd20e4306src">20</a>. Na te +hebben verklaard, dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor +het auteursrecht vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het +auteursrecht uitsluitend op overwegingen van algemeen belang steunt, +gaat deze schrijver bij de bespreking der internationale bescherming +aldus voort: „Behoort men nu verder te gaan en ook eene +internationale regeling van het auteursrecht te helpen verwezenlijken? +M. a. w. behoort nadruk van werken, die in het buitenland zijn +uitgegeven in Nederland te worden geweerd? Deze vraag zou +onvoorwaardelijk bevestigend zijn te beantwoorden, indien een algemeen +rechtsbeginsel van het auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, +gelijk U gebleken is, naar mijne meening niet het +geval”.<a class="noteref" id="xd20e4318src" href="#xd20e4318" +name="xd20e4318src">21</a> Langs deze redeneering komt de schrijver dan +tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen (auteurs van in +het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier te lande dient te +onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.</p> +<p>Aan dezen raad heeft men zich—zooals bekend is—tot nu +toe in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4323" href="#xd20e4323" name= +"xd20e4323">76</a>]</span>zich tegen het deelnemen van Nederland aan de +internationale regeling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde +argument terug: het auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat, +derhalve kan de wetgever het aan den een onthouden en den ander +toekennen, al naar mate het „algemeen belang” hiermede +gediend is.</p> +<p>Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die +zich met de uitspraak „dat in het algemeen belang een recht tot +uitsluitende reproductie moet worden gegeven” niet tevreden +konden stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging +van het wetsontwerp van den <i>plicht</i> des wetgevers om deze +bescherming te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: +„niet eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui +generis”<a class="noteref" id="xd20e4330src" href="#xd20e4330" +name="xd20e4330src">22</a>; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde +gelegenheid in de Tweede Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet +had te scheppen, maar dat het een bestaand, op redelijkheid en +rechtvaardigheid steunend recht was, waaraan door de wet slechts eene +vormelijke en stellige uitdrukking moest worden gegeven;<a class= +"noteref" id="xd20e4335src" href="#xd20e4335" name= +"xd20e4335src">23</a> en in sommige aan het auteursrecht gewijde +monographieën worden naast het algemeen belang ook gronden van +billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt er op gewezen, dat +het auteursrecht in overeenstemming is met de in ons geheele +privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen<a class="noteref" id= +"xd20e4338src" href="#xd20e4338" name="xd20e4338src">24</a>. Doch het +bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde +schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken, dat men +zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.</p> +<p>Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van het +auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk gegaan. +Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van ouds bekende +rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was, schenen velen +met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere onderzoekingen +overbodig te achten. <span class="pagenum">[<a id="xd20e4362" href= +"#xd20e4362" name="xd20e4362">77</a>]</span></p> +<p>Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu +eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch men +schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In de +voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er meestal +slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan nog +hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het <i>geen</i> +eigendom is<a class="noteref" id="xd20e4368src" href="#xd20e4368" name= +"xd20e4368src">25</a>; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men +het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter +van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, dan +maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een <i>jus sui +generis</i>; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft en +waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: „<span lang= +"fr">un pareil aveu est peu compromettant et laisse la question dans le +même état</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e4399src" href="#xd20e4399" name="xd20e4399src">26</a>; anderen +voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar toch nog te +weinig zeggend étiquet: „<i>absoluut +vermogensrecht</i>”<a class="noteref" id="xd20e4411src" href= +"#xd20e4411" name="xd20e4411src">27</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het +auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland, +hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op de +taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van vaste +regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze materie +eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, in +overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen worden +vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden +aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.</p> +<p>Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche +hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne <i lang= +"de">Immaterialgüterrechts-theorie</i>. Evenals de theorie van den +letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat +schrijvers en kunstenaars, die een origineel <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4438" href="#xd20e4438" name= +"xd20e4438">78</a>]</span>werk hebben voortgebracht, daarop een +uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler aldus kort +en krachtig geformuleerd: „<span lang="de">Wer ein neues Gut +schafft, hat das natürliche Anrecht daran</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e4443src" href="#xd20e4443" name= +"xd20e4443src">28</a>. Op dit beginsel voortbouwende construeert hij +het auteursrecht als een recht op het geestelijk voortbrengsel. Naast +de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier te doen met eene +nieuwe categorie rechtsobjecten (<i lang= +"de">Immaterialgüter</i>), die zich door hun eigenaardig karakter +van de overige onderscheiden; de rechten op immaterieele goederen +(<i lang="de">Immaterialrechte</i>), waartoe behalve het auteursrecht +ook behoort de zoogenaamde industrieele eigendom, vormen een +afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, wel van de zakelijke +rechten te onderscheiden.</p> +<p>Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de +grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de +juridische constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur +die ik haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, +zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal +tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche +schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel +woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Recht of doelmatigheid?</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die +Macaulay in zijne boven aangehaalde rede aldus formuleerde: „Is +this a question of expediency or is it a question of right?” +Hebben de auteurs <i>recht</i> op bescherming, of is het vraagstuk der +auteursbescherming er een, waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te +worden gerekend, waarin dus alleen de doelmatigheid, „het +algemeen belang”, heeft te beslissen?</p> +<p>Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de +meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben +beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele +conclusiën, die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen +trekken. Het schijnt daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste +argumenten eenige aandacht te wijden. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e4467" href="#xd20e4467" name="xd20e4467">79</a>]</span></p> +<p>Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, +behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over +auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen +schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot de +school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag, of iets +recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de +doelmatigheid te laten beslissen, van „abstracte rechten”, +waarvoor om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning +wordt gevraagd, wil hij niet weten<a class="noteref" id="xd20e4470src" +href="#xd20e4470" name="xd20e4470src">29</a>.</p> +<p>Het ligt niet in mijne bedoeling—het zou mij trouwens ook te +ver van mijn onderwerp afvoeren—deze zienswijze hier te +bespreken; zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele +opmerkingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor +geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt +men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien +van het auteursrecht nog eens in ’t bijzonder in het licht te +stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het +„algemeen belang” heeft het dan immers met alle andere +rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het een +privilegie te noemen, zooals mr. Viëtor verscheidene malen +doet.</p> +<p>Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, heb +ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne +nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen +toepassen: „Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik +niet van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel +afgescheiden van de gevolgen zou ik ze willen handhaven”<a class= +"noteref" id="xd20e4486src" href="#xd20e4486" name= +"xd20e4486src">30</a>.</p> +<p>Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig +is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek „naar het al of +niet rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet +bestaan van eenig ander recht van schrijvers”<a class="noteref" +id="xd20e4491src" href="#xd20e4491" name="xd20e4491src">31</a> niet +overbodig.</p> +<p>Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4496" href="#xd20e4496" name= +"xd20e4496">80</a>]</span>onderzoek naar den rechtsgrond van het +auteursrecht, is niet geheel duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet +zou weten „hoe het abstracte recht van den eigendom aan te +toonen”<a class="noteref" id="xd20e4498src" href="#xd20e4498" +name="xd20e4498src">32</a>, hoewel toch de eigendom behoort tot de +rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne nuttigheid wil +doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor den eigendom te +vinden buiten de doelmatigheid om:</p> +<p>„Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen +belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, maar +ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk te kunnen +heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de geheele +maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie tusschen +recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen en in +verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar +vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig +is,—zoo durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan +van den eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut +van dat instituut. Ik buig mijne knie voor het „<span lang= +"fr">fait accompli</span>”, dat zich niet „<span lang= +"fr">non accompli</span>” laat denken. Het nut is hier, zooals +Stuart Mill terecht zegt (<i lang="en">Utilitarianism</i> p. 79), +zooveel grooter en zooveel tastbaarder, dat het verschil in graad een +werkelijk verschil in soort wordt”<a class="noteref" id= +"xd20e4512src" href="#xd20e4512" name="xd20e4512src">33</a>.</p> +<p>Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te +hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, +meent hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. +„Dat niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht +zelf eene onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat +recht zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn +of onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken”<a class= +"noteref" id="xd20e4517src" href="#xd20e4517" name= +"xd20e4517src">34</a>.</p> +<p>Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde +overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en +auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat het +mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van +niet.</p> +<p>In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van het +auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4525" href="#xd20e4525" name= +"xd20e4525">81</a>]</span>van den auteur niet ten allen tijde ten bate +zijner erfgenamen kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid +van het recht zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn +werkelijk geen pretexten noodig om dit te verklaren, zooals ik +hieronder nog nader hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet +alleen niet onbestaanbaar, maar het bestaat in alle beschaafde staten +nu al meer dan een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En +daarvóór had men dan toch de privilegiën, die eene +wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel met het auteursrecht +overeenkomende bescherming boden. Bijna met evenveel recht als van den +eigendom kan men ook van het auteursrecht zeggen, dat het +„algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd +gequalificeerd”. Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid +van het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men +geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg pas +reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik dat in +mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men voor dien +tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van geschriften +en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan +nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in +onze tegenwoordige maatschappij.</p> +<p>En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het +auteursrecht met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men +zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne +toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere +belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels +hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk +mee in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking op +verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het +algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers, +tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste +menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook het +gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen +persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om, +gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De +immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van +rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom, +d. i. ongeveer de geheele stoffelijke <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e4529" href="#xd20e4529" name="xd20e4529">82</a>]</span>wereld. +Maar is dit nu een reden om de erkenning van het <i>mijn en dijn</i> op +geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten?</p> +<p>Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan +wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken +belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht +in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar de +diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.</p> +<p>En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht +niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. +Inbreuk op auteursrecht wordt—misschien niet door de groote +menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft—maar +wel door de belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het +hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als +inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom—gesteld +dat dit mogelijk ware—de geheele maatschappij in wanorde zou +brengen, omdat ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, +afschaffing van het auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal +belanghebbenden, en binnen den kleinen kring, dien deze in de +maatschappij vormen, niet tot minder ernstige gevolgen leiden.</p> +<p>Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men +zich op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens +conclusiën in zake het auteursrecht wel iets valt af te +dingen<span class="corr" id="xd20e4540" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het een en +ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt uiteen te +zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van Jhr. Mr. A. +F. de Savornin Lohman: <i>Over de rechten der uitvinders</i><a class= +"noteref" id="xd20e4547src" href="#xd20e4547" name= +"xd20e4547src">35</a>. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor +hem de vraag, of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd +diende te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de +instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het +algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het +<i>Recht</i> mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet +beheerscht door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft +het in het volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een +gegeven tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, <i>omdat</i> +het recht is. <span class="pagenum">[<a id="xd20e4559" href= +"#xd20e4559" name="xd20e4559">83</a>]</span></p> +<p>Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde +onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe +tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de +Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, maar +waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als maatstaf +verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet +rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten +beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig +gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des +schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.</p> +<p>Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte +verklaring op dit punt noodzakelijk.</p> +<p>Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de +omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: +„...de eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover +andere menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te +bereiken, maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht +nemen”<a class="noteref" id="xd20e4566src" href="#xd20e4566" +name="xd20e4566src">36</a>. Het doet zich aan ons voor als een in den +mensch werkende kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van +handelingen, zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen +gedragslijn daartoe meewerken.</p> +<p>Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene +vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke +omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij +vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene +menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote +overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal +de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen, +het grootst zijn<a class="noteref" id="xd20e4579src" href="#xd20e4579" +name="xd20e4579src">37</a>. Men kan daarom in vele gevallen spreken van +een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle +leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien eener +zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.</p> +<p>Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4587" href="#xd20e4587" name= +"xd20e4587">84</a>]</span>verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik +de vraag laten rusten, of aan zijne uitspraken in het algemeen eene +absolute verbindende kracht moet worden toegekend.</p> +<p>Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het +volks-rechtsbewustzijn, waar het zich laat gelden, een krachtigen en op +den duur onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom +zij, die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag +en oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan +worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn in +de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang is, +m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, geleid +door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met +doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is +allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden en +het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te +verwerpen.</p> +<p>Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het +rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd +zijn; zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen +zij voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; +doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen +blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te +stellen met rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn +hun grondslag vinden.</p> +<p>Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de +fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon +worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in het +algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren, is +dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene +instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt +daardoor den indruk—en dit is ook blijkbaar in overeenstemming +met de bedoeling van den schrijver—dat het auteursrecht niet +anders is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping +van den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt +bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus +zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel +werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden, of +indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde van Heine +waarheid bevat: „<span lang="de">Autoren und <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4598" href="#xd20e4598" name= +"xd20e4598">85</a>]</span>Mispeln gedeihen am besten, wenn sie einige +Zeit auf dem Stroh liegen</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e4601src" href="#xd20e4601" name="xd20e4601src">38</a>.</p> +<p>Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een +recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een of +andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas; dan +zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen +stellen met instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den +tabaksverkoop of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde +waren<a class="noteref" id="xd20e4611src" href="#xd20e4611" name= +"xd20e4611src">39</a>. Doch het groote verschil, dat m. i. niemand zal +kunnen ontkennen, ligt hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer +van goederen door niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de +wet, die deze handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En +daarom zal men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet +in twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of +meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van +hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder +zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan +wien ik dit voorbeeld heb ontleend: „<span lang="de">...dasz +diese Rechtsschöpfungen nur artifizieller Natur sind, dasz sie +nicht an sich schon in dem Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des +Volkes wurzeln, dasz sie, wie überhaupt artifizielle <span class= +"corr" id="xd20e4622" title= +"Bron: schöpfungen">Schöpfungen</span>, sich nicht mit +derselben Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, +naturwüchsigen, auf unmittelbarer natürlicher Initiative +beruhenden Rechte</span>”.</p> +<p>Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een +„<i>naturwüchsiges Recht</i>” is, al heeft het dan +natuurlijk als bodem waarop het kan groeien, noodig eene maatschappij, +die al een goed einde in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden +ontkend. Kohler wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen +waarin de nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, +dat van auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele +schrijvers aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: +„<span lang="de">Was soll das doch sein, meine lieben +Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich raubt und stilt das +seine und <span class="corr" id="xd20e4633" title= +"Bron: uuter">unter</span> einander euch verderbt? Seid ihr nu +Straszenräuber und Diebe worden?...</span>” enz. Kohler +voegt hieraan toe: „<span lang="de">Wenn Jemand so über den +Tabakhandel sich äuszerte, <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e4639" href="#xd20e4639" name="xd20e4639">86</a>]</span>auch wenn +man am Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur +ungläubig die Köpfe schütteln—das ist eben der +Unterschied zwischen den naturwüchsigen und den artifiziellen +Rechtsnormen</span>”<a class="noteref" id="xd20e4642src" href= +"#xd20e4642" name="xd20e4642src">40</a>.</p> +<p>Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen +aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den +nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed +vergrijpt<a class="noteref" id="xd20e4649src" href="#xd20e4649" name= +"xd20e4649src">41</a>; in zijn <i lang="de">Idee des geistigen +Eigenthums</i><a class="noteref" id="xd20e4656src" href="#xd20e4656" +name="xd20e4656src">42</a> heeft hij bovendien aangetoond, hoe dit +rechtsbewustzijn in den loop der jaren luider en duidelijker is gaan +spreken en hoe zich langzaam maar zeker heeft ontwikkeld die +„<span lang="de">Idee des geistigen Eigenthums</span>”, +d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft +voortgebracht, dat hij het <i>het zijne</i> kan noemen.</p> +<p>Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat +die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang te +vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik uit +dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch, doch +geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar +de—boven reeds genoemde—voorrede van Poot voor den tweeden +druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: +„...van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, +gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten +zy men my anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het +vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn +bleef.”</p> +<p>Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard uit +de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel niet +alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, die tusschen +den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij zoo eigenaardig noemt +„het vaderrecht”; anderen vonden misschien geene +aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel hetgeen +zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch hoe dit ook +zij, ten slotte vond ook in ons land „die Idee des geistigen +Eigenthums” ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk als in +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4677" href="#xd20e4677" name= +"xd20e4677">87</a>]</span>andere landen. En dat in onzen tijd door +belanghebbenden het auteursrecht niet wordt beschouwd als een +buitenkansje, dat den auteurs toevallig ten deel valt omdat het +algemeen belang dit zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel +aanspraak heeft om beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, +daarvan kan men herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang +geduurd, voordat het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs +hier te lande inzagen, dat ook voor hen een <i>Kampf um ’s +Recht</i> te voeren is, niet alleen om te verdedigen wat zij hebben, +maar ook om te verkrijgen wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. +Doch in de laatste jaren is hierin verandering gekomen. In dagblad- en +tijdschriftartikelen, in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers +en kunstenaars op voor hunne rechten; een <i>Vereeniging van +Letterkundigen</i> is opgericht voornamelijk met het doel het +auteursrecht harer leden te beveiligen, een <i>Berner Conventie +Bond</i> om onze toetreding tot de internationale Unie te helpen +bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden uitsluitend +als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande houdt, wat +daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk belang bij +hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet kan gedoogen, +dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd worden +tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij op te +merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun <i>eigendom</i>, +ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te +toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland wordt +een <i>roofstaat</i> genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie is +aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn werk +vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, heet +een <i>dief</i> en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in +een <i>Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie</i> over de +onvoldoende bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: +„Excellentie, ik word begapt!”<a class="noteref" id= +"xd20e4701src" href="#xd20e4701" name="xd20e4701src">43</a></p> +<p>Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven +spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt +op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4714" href="#xd20e4714" name= +"xd20e4714">88</a>]</span>Viëtor, het volks-rechtsbewustzijn niet +„als rechter in hoogste ressort”, kan men toch niet blind +blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige scheppingen van den +wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene natuurlijke instelling +als deze, welke den auteurs niets anders toekent dan hetgeen hun +volgens ieders oordeel toekomt en welke niets anders verbiedt, dan wat +ook zonder wettelijk verbod voor onrecht wordt gehouden.</p> +<p>Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de +rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner +medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor „het +algemeen belang” stemden, daarvan kan nog in het kort het +volgende worden gezegd.</p> +<p>Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen +rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag +gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming +worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt +bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens schijnt +het, dat men alleen wil bewijzen, „dat de schrijver.... zonder +positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren op +grond van algemeene rechtsbeginselen”<a class="noteref" id= +"xd20e4720src" href="#xd20e4720" name="xd20e4720src">44</a>; dan weer +heet het: „er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen +schrijvers en kunstenaars de rechten van hun arbeid te +verzekeren”<a class="noteref" id="xd20e4725src" href="#xd20e4725" +name="xd20e4725src">45</a>; mr. de Ridder stelt, dat „uit oorzaak +der toestanden in het vrij verkeer” de auteurs in het verwerven +van hun loon niet kunnen slagen en zijne tweede stelling is: +„Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct of analogice +den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan +als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde +auteurs”<a class="noteref" id="xd20e4733src" href="#xd20e4733" +name="xd20e4733src">46</a>. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus: +„Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den +staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl het +dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd nog +niet aangetoond”<a class="noteref" id="xd20e4738src" href= +"#xd20e4738" name="xd20e4738src">47</a>. En hieruit volgde, naar dezen +spreker, dat aan het auteursrecht geen „civilistische +grondslag” tot basis kon <span class="pagenum">[<a id="xd20e4743" +href="#xd20e4743" name="xd20e4743">89</a>]</span>worden gegeven, zoodat +er niets anders overbleef dan het te gronden op economisch-politische +overwegingen (dus: „het algemeen belang”), waarvan trouwens +mr. Levy evenmin iets wilde weten.</p> +<p>De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: +„Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers +en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?” En nu meen +ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de +meerderheid hunner medeleden kwamen, dat nl. <i>de Staat daarbij geen +rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen</i>, +voor <span class="corr" id="xd20e4751" title= +"Bron: tweëerlei">tweeërlei</span> uitlegging vatbaar is of +liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, welke ik +aldus zou willen formuleeren:</p> +<p>1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk +toekennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en +kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun +arbeid.</p> +<p>2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, +daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te +brengen.</p> +<p>De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar <i>ons +geldend recht</i> (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt +in kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt in +verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op +het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de +wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, dat +de <i>rechtswetenschap</i> het auteursrecht niet kent, dat er in het +rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.</p> +<p>Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door de +leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is gehouden, +is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, die zij +bestreden en wel in ’t bijzonder aan de theorie van den +letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer +leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het +auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren +als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar +analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom wordt +gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar +van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij +wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4768" href="#xd20e4768" name= +"xd20e4768">90</a>]</span>daarom wil ik de beide bovenstaande +stellingen afzonderlijk bespreken.</p> +<p>Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht +hadden, zou—hierover zal ieder het wel eens zijn—het eenige +rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken +door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag, +waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer, of +nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht) zou +zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals bekend +bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent de beteekenis +van den term „onrechtmatige daad”; zonder mij in de +discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren, +dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime +uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige +daad door anders te handelen „dan in het maatschappelijk verkeer +den eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het +oog op zijne medeburgers behoort te handelen”<a class="noteref" +id="xd20e4772src" href="#xd20e4772" name="xd20e4772src">48</a>.</p> +<p>Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog +meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens +werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling +den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer al +dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover kan +alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe +krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten +reageert.</p> +<p>Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de +auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen, +die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, uit- +en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat zij +eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en dat dus de +wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze bescherming +zich zou kunnen uitstrekken en—wat hier ook gevraagd kan +worden—hoever in onze jurisprudentie die bescherming +waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar +ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling +noodig is, om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e4785" href="#xd20e4785" name= +"xd20e4785">91</a>]</span></p> +<p>Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der +schrijvers met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime +uitlegging van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers +vond<a class="noteref" id="xd20e4788src" href="#xd20e4788" name= +"xd20e4788src">49</a>.</p> +<p>Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op +art. 1401 zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet +anders dan door—met blijkbare instemming—eene zinsnede, die +Mr. Lohman zich had laten ontvallen aan te halen: „dat het +kopijrecht „de rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van +den mensch” verkort, „het recht namelijk om boeken te +drukken””<a class="noteref" id="xd20e4799src" href= +"#xd20e4799" name="xd20e4799src">50</a>. Het antwoord hierop kan kort +zijn.</p> +<p>Er bestaat geen „recht om boeken te drukken” evenmin als +een recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er +bestaat slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het +recht ze toelaat. Maar „natuurlijke vrijheid” moet niet +opgevat worden „in den zin van het recht om alles te doen wat men +wil, mits het maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar +veeleer in dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen +aangetast of beschadigd te worden, in dien van het recht op +eerbiediging van onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen +arbeid.” „Alleen de vrijheid dus opgevat”—voegt +prof. Molengraaff, aan wien ik deze woorden ontleen, hieraan +toe—„mag gezegd worden geen erkenning noodig te hebben om +te gelden, maar een verbod om niet te gelden”<a class="noteref" +id="xd20e4806src" href="#xd20e4806" name="xd20e4806src">51</a>.</p> +<p>Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen +geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, is dat +deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud slechts in +verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de bovengenoemde +ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, is zij waard +bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet om wat de +stelling uitdrukt maar om de vraag—hierboven reeds toestemmend +door mij beantwoord—of eerbiediging van de rechten der auteurs, +ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, als een plicht +wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En dit is ten slotte +de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4814" href="#xd20e4814" name= +"xd20e4814">92</a>]</span>hierover maar eens, dan kan nog gestreden +worden over de vraag, welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht +door ieder te doen eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander +terrein: met den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht +heeft dit niet te maken<span class="corr" id="xd20e4816" title= +"Niet in bron">.</span> Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te +zijn, direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het +algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even +onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons +burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de +eigenaars.</p> +<p>De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: „Het +auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het +onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te +brengen.” Er is niets tegen in te brengen, indien men aanneemt, +dat de rechtsbegrippen, die de Romeinsche juristen ons hebben +nagelaten, eens en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede +voor alle tijden toekunnen. In de tijden, dat de Romeinsche juristen +zich bezighielden met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren +van rechtsregels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften +en kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog +niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen door +logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen antwoord kan +vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders boek na te +drukken of reproducties van een anders schilderij of teekening te +vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg beproefd: men +probeerde uit het eigendomsbegrip de bevoegdheden der auteurs te +deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio bij te pas; +anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie van een +geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis voortvloeiend +uit een stilzwijgend beding te construeeren; ook de theorie van de +Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romeinschen rechtsregel: +„<span lang="la">nemo cum damno alterius locupletior fieri +debet.</span>” Doch geen dezer theorieën is steekhoudend +gebleken; het auteursrecht liet zich langs dezen weg niet +„bewijzen”. Dit is door de meeste Nederlandsche schrijvers +over ’t auteursrecht en in ’t bijzonder door de meerderheid +in de reeds meermalen genoemde vergadering der Juristen-Vereeniging ook +zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner beschouwingen strekte juist, +om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e4824" href="#xd20e4824" name= +"xd20e4824">93</a>]</span>»juridische” theorieën aan +te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel +niet alle argumenten, welke daarbij dienst deden, mij even juist +voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede +nog niet was bewezen, dat het auteursrecht alleen op +utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk geen recht +is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een privilegie, om +redenen van „algemeen belang” (d.i. instandhouding van +kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen dit te +hebben gemeend.</p> +<p>„Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich +nicht romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen +vermag”<a class="noteref" id="xd20e4828src" href="#xd20e4828" +name="xd20e4828src">52</a>. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier +min of meer toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden +der Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd valt de +begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te constateeren. +De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de verschillende +pogingen om het recht „romanistisch” te construeeren aan +het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval geen +dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte een +vierde vraag opgesteld: of in het <i>algemeen belang</i> door de wet +een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er, +na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of +onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere of +mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was ook de +redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het +<span class="corr" id="xd20e4839" title= +"Bron: autersrecht">auteursrecht</span> is geen zakelijk recht, geen +persoonlijk recht, dus: het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy +evenmin het algemeen belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen +enkele grond voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling +dus te vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische +ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht +gewijd<a class="noteref" id="xd20e4842src" href="#xd20e4842" name= +"xd20e4842src">53</a>; trouwens wat het laatste betreft mag worden +betwijfeld, of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. +Toen hij, ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het +„zoogenaamd auteursrecht” nog eens ontvouwde, voegde hij +daaraan toe: <span class="pagenum">[<a id="xd20e4847" href="#xd20e4847" +name="xd20e4847">94</a>]</span>„Deze mijne bedenkingen +dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel hebben zij +thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert 1881 +bezitten wij eene wet op het auteursrecht”<span class="corr" id= +"xd20e4850" title="Niet in bron">.</span><a class="noteref" id= +"xd20e4852src" href="#xd20e4852" name="xd20e4852src">54</a> Van de +wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 +scheen deze schrijver dus niet te hebben geweten.</p> +<hr class="tb"> +<p>Wat nu de stelling betreft, „dat in het algemeen belang door +de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden +gegeven,” welke tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe +de meerderheid der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, +een positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt, +niet bereikt. Indien men onder „algemeen belang” dient te +verstaan <i>doelmatigheid</i>, <i>utiliteit</i> (dus: <i lang= +"en">expediency</i>, zooals Macaulay deze tegenover <i lang= +"en">right</i> stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling +met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het +auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats voor +wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets; evenmin de +bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op positieve +wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet in de +bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder weinig +zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: „naar welk +hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op +het product van hun arbeid regelen?” Het is een antwoord, dat +eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier +geen voorlichting weet te schenken.</p> +<p>Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de +Juristen-vereeniging kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men +bepaalde zich tot het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde +theorieën, zonder iets anders daarvoor in de plaats te +stellen.</p> +<p>Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te +bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn +prae-advies schreef mr. de Ridder: „...al moeten we ook met een +zucht afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te +vinden, wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap, +welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4883" href="#xd20e4883" name= +"xd20e4883">95</a>]</span>onderzoekt en de leemten daarin aanwijst, een +beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem +tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale +behoeften”<a class="noteref" id="xd20e4885src" href="#xd20e4885" +name="xd20e4885src">55</a>.</p> +<p>Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle, +welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende paragraaf +spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische +beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de +plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een +scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden +gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men tot +de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels en +rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht kon +dienen, had men niet „met een zucht” van alle verdere +pogingen in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in +de economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, +maar het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet +te verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te +kunnen worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit +laatste hebben te herzien, zoodat de plaats worde <i>gemaakt</i>. Doch +nooit mag de conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds +bestaande systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een +recht.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.3"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 3 Economische theorieën</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op +zichzelf, d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen +waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische +beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor den +econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke +wereld manifesteert.</p> +<p>Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver +in economischen zin <i>voortbrenger</i> te noemen en zijn werk een +<i>economisch product</i>:</p> +<p>„<span lang="fr">L’écrivain, l’homme de +génie, est un producteur, ni plus ni moins <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e4912" href="#xd20e4912" name= +"xd20e4912">96</a>]</span>que son épicier et son boulanger; son +oeuvre est un produit, une portion de richesse</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e4915src" href="#xd20e4915" name= +"xd20e4915src">56</a>. En: „<span lang="fr">A tous les points de +vue, la production industrielle et la <span class="corr" id="xd20e4928" +title="Bron: poduction">production</span> littéraire nous +apparaissent donc identiques</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e4932src" href="#xd20e4932" name="xd20e4932src">57</a>.</p> +<p>Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit op de +voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de eigenlijke +voortbrenging in economischen zin begint pas—krijgt althans pas +beteekenis—wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus in +druk verschijnt. Wat nu wel „<span lang="fr">une portion de +richesse</span>” uitmaakt, is het duizendtal gedrukte exemplaren, +dat van het geschrift wordt vervaardigd, maar dit is niet „het +voortbrengsel” van den schrijver. Wat de schrijver heeft +voortgebracht is een product van intellectueelen aard en staat als +zoodanig buiten den beschouwingskring van den econoom.</p> +<p>Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de +zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur +voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver +zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal, +wanneer hij <i>op dien grond</i> (dus <i>omdat</i> hier ruiling van +voortbrengselen plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de +publicatie geen recht meer op zijne schepping heeft:</p> +<p lang="fr">„Les lois de l’échange sont: que les +produits s’ échangent les uns contre les autres; que leur +évaluation ou compensation a lieu dans un débat +contradictoire et libre, désigné par les mots +<i>offre</i> et <i>demande</i>; que l’échange +opéré, chaque échangiste devient maître de +ce <span class="corr" id="xd20e4956" title= +"Bron: qu ’il">qu’ il</span> a acquis comme il +l’était de son propre produit, en sorte que, la livraison +faite et l’échange consommé, les parties ne se +doivent rien”<a class="noteref" id="xd20e4959src" href= +"#xd20e4959" name="xd20e4959src">58</a>.</p> +<p>„<span lang="fr">Ces lois sont universelles; elles s’ +appliquent à toutes les espèces de produits et de +service, et ne souffrent pas d’exception,</span>” voegt +Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij +„lois d’échange” noemt, geen bindende regels +zijn, die voorschrijven wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en +de boer die zijn aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun +voortbrengsel <span class="pagenum">[<a id="xd20e4967" href= +"#xd20e4967" name="xd20e4967">97</a>]</span>kunnen doen gelden, is niet +omdat de door de economen opgespeurde wetten van het ruilverkeer dat +zoo willen, maar omdat de wet, die den privaten eigendom van brood en +aardappelen erkent, dit gevolg aan hunne handeling verbindt. Indien de +schrijver, evenals de bakker, zijn product kon inruilen, dan zou het +auteursrecht-vraagstuk geen moeilijkheden meer opleveren, of liever: +door dit te beweren, plaatst men zich op het standpunt, dat het +vraagstuk al opgelost is; immers het begrip ruiling veronderstelt de +erkenning van privaten eigendom op het voorwerp, dat verruild wordt, en +het gaat hier juist om de vraag, of er een recht op het intellectueele +product verleend zal worden. Met eene „economische” theorie +als deze komt men dus niet verder<a class="noteref" id="xd20e4969src" +href="#xd20e4969" name="xd20e4969src">59</a>.</p> +<p>Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over +het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende +argumentatie: „<span lang="fr">D’ailleurs, quelle que soit +la part de tous dans la pensée de chacun, on ne niera pas du +moins que la pensée ne tire de la publicité toute sa +valeur. Que <i>vaut</i> la pensée dans la solitude?” ..... +„Il n’est donc pas besoin de savoir d’où vient +<i>l’origine</i> des productions de l’esprit, il suffit de +savoir d’où vient leur <i>valeur</i>, pour comprendre +qu’elles ne sauraient être le patrimoine de personne. Si +c’est la société qui leur confère une +<i>valeur</i>, c’est à la société seule que +le droit de propriété appartient. Reconnaître, au +profit de l’individu, un droit de propriété +littéraire, ce n’est pas seulement nuire à la +société, c’est la voler</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e4998src" href="#xd20e4998" name= +"xd20e4998src">60</a>.</p> +<p>Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. +Op dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van +locomotieven of van piano’s zijne producten aan ieder gratis moet +afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde +streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij, +welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet +gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond +eiland voor zou worden gegeven! <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e5011" href="#xd20e5011" name="xd20e5011">98</a>]</span></p> +<p>Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht +in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle<a class= +"noteref" id="xd20e5014src" href="#xd20e5014" name= +"xd20e5014src">61</a>. Deze schrijver beschouwt den auteur niet als +zelfstandig voortbrenger, maar als mede-arbeider in eene onderneming, +en hij maakt eene vergelijking, niet tusschen geestelijke en +stoffelijke producten, maar tusschen wat hij noemt: „<i lang= +"de">Symbolische Güter</i>”, „<i lang="de">Güter +der Darstellung und der Mittheilung</i>” en „<i lang= +"de">Nüzliche Güter</i>”. Beide categorieën van +goederen vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; +het onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan +gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen enz.) +het geestelijk element overwegend is.</p> +<p>De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. +De uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene +onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke +andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak +op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische +behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn, ook +ondernemerspremie)<a class="noteref" id="xd20e5043src" href= +"#xd20e5043" name="xd20e5043src">62</a>. Doch zoolang het ieder +vrijstaat het uitgekomen boek na te drukken, is het den +oorspronkelijken uitgever niet mogelijk deze vergelding (speciaal de +ondernemerspremie) te genieten. De oorzaak hiervan ligt in de +eigenaardige eigenschappen van het voortgebrachte product in het +economisch verkeer. Hier komt nu het onderscheid uit tusschen de +„<span lang="de">symbolische</span>” of „<span lang= +"de">darstellende Güter</span>” en de „<span lang= +"de">nüzliche Güter</span>”. Beiden vereenigen in zich, +zooals gezegd, een materieel en een geestelijk element en bij beiden +wordt het geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het +verschil is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het +„geestelijke”) bij de goederen van de tweede soort +langzamerhand <span class="pagenum">[<a id="xd20e5077" href= +"#xd20e5077" name="xd20e5077">99</a>]</span>geschiedt, bij de +„<span lang="de">darstellende Güter</span>” echter in +eens. Om een boek na te drukken behoeft men geene proeven te doen, men +behoeft zijne arbeiders er niet afzonderlijk voor te doen africhten, in +één woord: het is niet noodig de tijd en geld kostende +voorbereidselen te maken, die bij zuiver industrieele producten dengeen +die ze het eerst op de markt bracht een voorsprong op de namakers +geven. De nadrukker heeft te beschikken over een „<span lang= +"de">... mechanisch- und chemisch-technischen, unmittelbar +schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung, wie +derjenige des Original-verlegers ist</span>”<a class="noteref" +id="xd20e5086src" href="#xd20e5086" name="xd20e5086src">63</a>.</p> +<p>Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden +van het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van +tijd de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op +de markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, +is dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die +volgens de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten +uitgever moest toevloeien, ontgaat hem wegens de +exceptionneel-ongunstige eigenschappen van zijn product.</p> +<p>Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het +economisch verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de +ondernemer, die „symbolische Güter” voortbrengt, +dezelfde kans op het verkrijgen van loon en premie hebbe als de +voortbrenger van andere goederen. Dit is het best te bereiken door het +verleenen van een tijdelijk monopolie, waardoor kunstmatig de toestand +in het leven wordt geroepen, die in andere takken van economische +voortbrenging vanzelf intreedt.</p> +<p>Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht +aangewezen: het is te beschouwen als een: „<span lang= +"de">vorläufig unentbehrliches künstliches Surrogat der +Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e5098src" href="#xd20e5098" name= +"xd20e5098src">64</a>. Wat het karakter van het recht betreft, het is +een monopolie: het geeft niet de uitsluitende beschikking over een +bepaald goed, maar de beheersching van eene bepaalde markt (<span lang= +"de">Absatz-Verhältniss</span>).</p> +<hr class="tb"> +<p>Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den arbeid +van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische zijde wil +beschouwen, kan men met Schaeffle’s leer, waarvan ik de +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5108" href="#xd20e5108" name= +"xd20e5108">100</a>]</span>voornaamste punten met het bovenstaande heb +trachten weer te geven, vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het +oog houden, dat men daarmede slechts op ééne zijde van +het vraagstuk het licht heeft laten vallen en dat de theorie zonder +meer geene conclusiën rechtvaardigt met betrekking tot den omvang +en den aard van het auteursrecht.</p> +<p>Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in +kwestie brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van +economisch standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten +van kunst en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband +daarmede het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een +goed maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van +goederen alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de +juridische verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een +voortbrengsel van het intellect geen economisch goed, daarom kan het +nog wel object van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op +voorbeeld van deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen +opzichzelf zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, +die aan deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht +in het wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van +zijne leer schrijven: „<span lang="de">Die hohe Bedeutung der +Immaterialrechtstheorie aber liegt darin, dasz das Recht eben mit einem +Gedanken, der aus vielen Verwirklichungsformen sich ableiten +läszt, in Beziehung gesetzt ist, dasz es mithin nicht an eine +Verwirklichungsform gekettet wird, dasz es das Geistige in allen seinen +Formen und Metamorphosen erfaszt und +erfüllt</span>”<a class="noteref" id="xd20e5115src" href= +"#xd20e5115" name="xd20e5115src">65</a>.</p> +<p>Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie, +geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht +uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht +niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men met +den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den +grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop +van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.</p> +<p>Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als +b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5124" href="#xd20e5124" name= +"xd20e5124">101</a>]</span>als eigendom en auteursrecht is al +gewezen<a class="noteref" id="xd20e5126src" href="#xd20e5126" name= +"xd20e5126src">66</a>. Doch met dit verschil wordt in de theorie van +Schaeffle geene rekening gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang +in alle beschaafde staten wordt erkend, dat het een eisch van het +rechtsbewustzijn is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende +beschikking hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan +werd bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers +de theorie gaat uit van een „vrij” economisch verkeer, +waarin de nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een +„<span lang="de">künstliches Surrogat der +Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs</span>”. Doch deze +„Distributivgerechtigkeit”, welke Schaeffle waarneemt, zou +niet bestaan zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom +wordt erkend en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men +iemand kan dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. +enz. Wil men nu, sprekende over het <i>vrije</i> economische verkeer, +daarbij stilzwijgend het bestaan van al deze rechtsinstellingen +veronderstellen, dan kan daartegen geen bezwaar bestaan—er is +trouwens bijna geen economische theorie waarbij dit niet wordt +gedaan—; doch bij deze instellingen, wier bestaan om zoo te +zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het auteursrecht. In het +„vrije” verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt neemt, is +het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk te +exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid een +algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene +„vrijheid”, waarbij met begrippen van recht geen rekening +is gehouden en die trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.</p> +<p>Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle, +maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met zijne +theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het +economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op +bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische +en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk +betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor +te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij +van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen +„kunstmatig surrogaat” van de gerechtigheid, die in het +vrije verkeer bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch +het <span class="pagenum">[<a id="xd20e5137" href="#xd20e5137" name= +"xd20e5137">102</a>]</span>is, evenals de andere bovengenoemde +rechtsinstellingen, een van de, door de rechtsorde geëischte, +<i>voorwaarden</i> voor een vrij en regelmatig verkeer.</p> +<p>Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt, +een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één +belangrijk punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een +individueel geestesproduct het licht te laten vallen<a class="noteref" +id="xd20e5144src" href="#xd20e5144" name="xd20e5144src">67</a>. +Hierdoor wordt de eenzijdigheid van Schaeffle’s theorie wel +eenigszins weggenomen; doch niettemin wordt aan diens economische +beschouwingen door mr. de Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis +gehecht. Volgens zijne boven aangehaalde woorden meende deze schrijver +in de theorie te hebben gevonden: „een beginsel, dat zoo de +wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in +het rechte spoor, dat der sociale behoeften.” Dat echter het +„beginsel”, hetwelk de economische theorie van Schaeffle +aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig houvast geeft, zal +niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen, dan is zijne taak, +den auteurs een recht van zoodanige afmetingen in te ruimen, dat zij +een even groote kans op het verkrijgen van ondernemers-loon en premie +hebben als andere ondernemers, of, zooals mr. de Ridder het uitdrukt: +„dat de verhouding tusschen het verdiende gemiddelde loon en de +mogelijke loonsrente behouden blijve”<a class="noteref" id= +"xd20e5153src" href="#xd20e5153" name="xd20e5153src">68</a>. Met deze +wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en trachte +hij in het „rechte spoor” te blijven, waar vragen zijn op +te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift het +uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het +opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht +mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid +om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk +van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in het +licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing te +komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard, zal men +vergeefs in Schaeffle’s theorie zoeken. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5158" href="#xd20e5158" name= +"xd20e5158">103</a>]</span></p> +<p>Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken +naar aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van +Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als +eene „<span class="corr" id="xd20e5161" title= +"Bron: ecomische">economische</span>” bedoeld; toch meen ik er +eenige verwantschap met de economische theorieën in te ontdekken +en om deze reden schijnen mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan +wilde wijden, hier het best op hare plaats.</p> +<p>Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels: +„niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander +verrijken” en: „de arbeider heeft recht op het loon van +zijn arbeid.” Uit verschillende bepalingen uit ons positieve +recht tracht hij aan te toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, +al zijn zij niet met zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds +in hun vollen omvang heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal +ik niet ingaan; het is trouwens reeds door meerdere schrijvers +besproken en op vele punten bestreden<a class="noteref" id= +"xd20e5167src" href="#xd20e5167" name="xd20e5167src">69</a>.</p> +<p>De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, +laat ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te +onderzoeken, of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk +aankomt, een juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den +grondslag van het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende +gevonden te hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den +wetgever in het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman +met zijne leer geven:</p> +<p>„Zoolang de ware grondslag” (scil. van het auteursrecht) +„niet gevonden is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van +billijkheid moeten verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. +Maar mogt een vast beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan +zal hij in staat zijn juist en bepaald te omschrijven wat den +auteur.... toekomt.”</p> +<p>Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de +auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het +auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond +zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.</p> +<p>Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5190" href="#xd20e5190" name= +"xd20e5190">104</a>]</span>er mede wilde bereiken, dan dient zij een +volledig antwoord te geven op de vraag, wat moet worden verstaan onder +<i>het loon</i> van schrijvers en kunstenaars. Dit wordt als volgt +gedefinieerd: „Onder „het loon” van schrijvers en +uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers tezamen voor het +nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend ter vervaardiging +van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon, enz.”<a class= +"noteref" id="xd20e5195src" href="#xd20e5195" name= +"xd20e5195src">70</a>. Elders drukt de schrijver zich zóó +uit: „<span class="corr" id="xd20e5200" title= +"Bron: ..">...</span> het loon, dat voor een verkeerswaarde bezittenden +arbeid betaald wordt, moet den arbeider ten goede komen”<a class= +"noteref" id="xd20e5203src" href="#xd20e5203" name= +"xd20e5203src">71</a>.</p> +<p>Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar <i>waard</i> is, wat hij +in het verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den <span class= +"corr" id="xd20e5213" title="Bron: ateur">auteur</span> ten goede +komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht worden +berekend.</p> +<p>In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens +reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip +verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers +zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars +geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering +berust dus op eene petitio principii: de „verkeerswaarde”, +welke de heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, +is de waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene +wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom kan +die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het +auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.</p> +<p>Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de +theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de +auteurs al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, +waarin die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. +Doch wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De +heer Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem +in staat zou stellen „juist en bepaald te omschrijven wat den +auteur toekomt.” Met behulp der theorie moest dus aangetoond +kunnen worden, niet alleen <i>dat</i> er auteursrecht dient verleend te +worden, maar ook <i>in welken omvang</i>; dus welke de bevoegdheden +zijn van een schrijver, hoe lang dit recht moet duren, enz. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5226" href="#xd20e5226" name= +"xd20e5226">105</a>]</span></p> +<p>Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit +schijnt de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben +ingezien; althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij +zich als volgt uit: „Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk +deel van het loon hij” (scil. de auteur) „moet ontvangen +voor den arbeid, dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer +zeker moet hij een deel daarvan hebben”<a class="noteref" id= +"xd20e5229src" href="#xd20e5229" name="xd20e5229src">72</a>. Met deze +verklaring is feitelijk erkend, dat de theorie niet kan geven wat de +heer Lohman ermede had willen bereiken. Want hoe zal het beginsel +„de auteur heeft recht op het loon van zijn arbeid” den +wetgever als een „veilig kompas” kunnen dienen, indien +eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt, hoeveel dit loon +bedraagt?</p> +<p>De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne +meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den +schrijver of kunstenaar wordt gesteld de <i>waarde</i> van het product; +in plaats van de <i>resultaten</i> van den arbeid het <i>loon</i> voor +den arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft +recht op de <i>waarde</i> van zijn product, op het <i>loon</i> voor +zijn arbeid maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet +over de resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. +Zoolang dit uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn +„waarde” en „loon” louter fictief, evenzoo als +de waarde fictief is van visschen die nog in de zee rondzwemmen en aan +niemand toebehooren. Gesteld dat men naar een beginsel vroeg, waarop +het recht berust van hem die zich deze visschen heeft toegeëigend, +dan zou toch niemand eraan denken ten antwoord te geven: de visscher +heeft recht op het loon van zijn arbeid, het loon is datgene wat die +arbeid in het verkeer waard is, derhalve heeft de visscher recht op de +<i>waarde</i> van de door hem gevangen visch en opdat anderen zich niet +met deze waarde verrijken, verleent de wet hem het eigendomsrecht. +Ieder zou inzien, dat met deze redeneering een noodelooze omweg wordt +gemaakt, en dat men zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien +men de „waarde” geheel buiten beschouwing liet en dadelijk +sprak van een recht op het door den arbeid verworven goed, in casu de +gevangen visch. Wel zou in dit geval de practische conclusie +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5255" href="#xd20e5255" name= +"xd20e5255">106</a>]</span>uit de leer, ondanks de foutieve +redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn; doch de +oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen recht +wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk +verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden +zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom maakt +het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde van den +visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt gehouden +dat het woord „ruilwaarde” bij anticipatie wordt gebruikt, +daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is +van geen ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan +zijn.</p> +<p>Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat het +uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd is gekozen. +Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de begripsverwarring die +het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt, aan dezelfde +eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In zijn +betoog merkt de schrijver ergens op: „... wij juristen vragen +slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de +opbrengst?”<a class="noteref" id="xd20e5259src" href="#xd20e5259" +name="xd20e5259src">73</a> en het schijnt wel of deze regel hem steeds +bij zijne beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in +een recht niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het +vertegenwoordigt!</p> +<p>De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten; +van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere +geldswaarde—ook waar men met vermogensrechten heeft te +doen—slechts van ondergeschikt belang. Want het recht dient ook +ter bescherming van niet op geld waardeerbare belangen. Met deze +laatste wordt in de theorie van den heer de Savornin Lohman geene +rekening gehouden; als eenig doel van het auteursrecht wordt +vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars iets met hun arbeid zullen +verdienen. Deze overweging schijnt bij den schrijver zoozeer +overheerschende te zijn geweest, dat het eigenlijke onderwerp zijner +beschouwingen, n.l. het auteursrecht, er soms door op den achtergrond +geraakt. Dit was b.v. het geval in de beschouwing, die ik hier laat +volgen, gehouden in de vergadering der Juristen-Vereeniging. Na te +hebben uiteengezet, wat te verstaan was onder „het loon” +van den schrijver van een <span class="pagenum">[<a id="xd20e5267" +href="#xd20e5267" name="xd20e5267">107</a>]</span>boek,—n.l. +datgene wat de verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan +drukloon, papier enz.—ging de heer Lohman na, wat „het +loon” is, in het <span class="corr" id="xd20e5269" title= +"Bron: gaval">geval</span>, dat die opbrengst niet meer bedraagt dan de +kosten van de vervaardiging der exemplaren: „Mr Viëtor +beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist bedraagt „den +kostenden prijs”, (waaronder hij dan verstaat kosten voor papier, +drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het is alsof men +zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen, omdat men dan +juist met de kosten „zal kunnen uitkomen!” M. i. is er, +wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en is +het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan het +boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen, dat de +<span class="corr" id="xd20e5272" title= +"Bron: fabriekant">fabrikant</span> van het papier en de drukker het +eerst zullen worden betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den +auteur overschiet, deze eenvoudig ledig huiswaarts kan +gaan”<a class="noteref" id="xd20e5275src" href="#xd20e5275" name= +"xd20e5275src">74</a>.</p> +<p>Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd te +houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met deze +redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers duidelijk, +dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver nooit eenig +geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie van het +geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor bedragen; +derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend +exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven dan +de <i>mogelijkheid</i>, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is +de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht, dat +men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en <span class= +"corr" id="xd20e5283" title="Bron: drukkker">drukker</span> kunnen +dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of—zooals het in +mr. Lohman’s redeneering heet—hen te bewegen, met hem in +het verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een +soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten +aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte +gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt +dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten enz. +bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen +bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn goed +kunnen trekken; evenals de ongelukkige <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e5286" href="#xd20e5286" name="xd20e5286">108</a>]</span>auteur, +waarvan hierboven sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, +die „het laatst betaald wordt.” Doch evenmin als in het +eene geval de bepalingen over den eigendom op onroerende goederen, +kunnen in het andere geval die op het auteursrecht aan deze +omstandigheid iets veranderen.</p> +<p>Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor +anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het +product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is +niet een recht „om mede te deelen in het loon, dat het publiek +bereid is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd +is”<a class="noteref" id="xd20e5290src" href="#xd20e5290" name= +"xd20e5290src">75</a>, maar een recht op de geestelijke schepping zelf. +Dit denkbeeld moge nu in de volgende paragraaf eene nadere uitwerking +vinden.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch2.4"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 4 Het auteursrecht als recht op een +onlichamelijk goed</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft +voortgebracht. Dit is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het +auteursrecht ten grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen +regel zal niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een +<i>goed</i> aanwezig is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend +recht kan zijn, dan is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er +de maker van is, ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en +kunstenaars met hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, +zal evenmin ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de +„makers” bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van +het woord <i>poëet</i>).</p> +<p>Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van +een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een +uitsluitend recht kan dienen.</p> +<p>Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn, +is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van +schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel van +het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5308" href="#xd20e5308" name= +"xd20e5308">109</a>]</span>had men dus wel eene lichamelijke zaak, die +object van het recht was, n. l. het papier waar de schrijver zijn +letters en de componist zijn noten op heeft geschreven. De +eigendom—zoo werd geredeneerd—geeft het vol genot over eene +zaak; waar het dus een handschrift geldt, omvat dit genot ook de +uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren, omdat hierin juist de +waarde ervan is gelegen<a class="noteref" id="xd20e5310src" href= +"#xd20e5310" name="xd20e5310src">76</a>.</p> +<p>Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet +in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift is +niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts een +middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare) schepping +binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het geschrift +alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit; het +handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van het +bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste is min +of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door middel van +leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van het handschrift +ook in zekeren zin de beschikking over het lot van het geestesproduct +zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er meerdere exemplaren van +het geschrift zijn vervaardigd, die in handen van verschillende +personen komen.</p> +<p>In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige +wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt en +in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht van +den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten het +handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is zelfs +voor den nadrukker totaal onverschillig.</p> +<p>De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een +manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5347" href="#xd20e5347" name= +"xd20e5347">110</a>]</span>kunnen beroepen op een eigendomsrecht, +terwijl het voorwerp van dien eigendom niet meer bestaat? En hoe zal +het gaan, wanneer de auteur zijn werk niet heeft opgeschreven, maar +voorgedragen? Wordt een redenaar eigenaar van het stuk papier, waarop +de stenograaf zijne redevoering uit zijn mond opteekent; of heeft nu de +stenograaf, als eigenaar van het handschrift, het reproductierecht? Op +deze en andere dergelijke vragen kan deze leer geen bevredigend +antwoord geven.</p> +<p>Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het +recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht, +dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te +laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met +geestelijke scheppingen; dit geldt—zooals hieronder nog nader zal +worden aangetoond—niet alleen voor de scheppingen in taal en +muziek, maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het +auteursrecht hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk +goed.</p> +<p>Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de +eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den +<i>intellectueelen</i> of <i>geestelijken eigendom</i>, is verkondigd; +en hoeveel er ook tegen het begrip „geestelijken eigendom” +in te brengen moge zijn, deze theorie had althans dit voordeel, dat de +kern der kwestie er door werd geraakt. Door een geestelijken eigendom +aan te nemen waren de voorstanders van deze leer gedwongen het +geestesproduct, dat het voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te +karakteriseeren; zij moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift +en buiten de andere materieele middelen, die dienen om het +voortbrengsel van het intellect waarneembaar te maken, een (uit den +aard der zaak <i>immaterieel</i>) <i>goed</i> aanwezig is, geschikt om +voorwerp van een recht te zijn. Hier ligt de groote moeilijkheid, die +de theorie van den geestelijken eigendom wel niet tot een bevredigende +oplossing heeft gebracht, maar waarvoor zij tenminste niet, zooals +zooveel andere theorieën, uit den weg is gegaan. In dit opzicht, +n.l. wat de constructie betreft van het auteursrecht als een recht op +het geestesproduct, heeft Kohler’s Immaterialrecht-theorie de +leer van den intellectueelen eigendom tot voorbeeld genomen; de +eigenaardige en van die der overige rechtsobjecten op vele punten +afwijkende hoedanigheden der immaterieele goederen leidden er echter +toe, de erop gevestigde rechten als een afzonderlijke groep, niet +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5365" href="#xd20e5365" name= +"xd20e5365">111</a>]</span>onder, maar naast eigendom en de andere +zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk +een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.</p> +<p>In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort +schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik stil +te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige +voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert +ongeveer als volgt:<a class="noteref" id="xd20e5369src" href= +"#xd20e5369" name="xd20e5369src">77</a> Als ik een boek koop, word ik +eigenaar van het bedrukte papier en daar dit maar één +eigenaar kan hebben, neemt het recht van den schrijver daarop een +einde. Waar ik ook eigenaar van <i>kan</i> worden, is van de in het +geschrift vervatte gedachten, doch dit is geen uitsluitende eigendom, +want ieder bezitter van een exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich +de noodige moeite geeft, kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten +kunnen dus meerdere eigenaars naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch +het boek (in den materieelen zin van het woord) noch de gedachten +voorwerp van het eigendomsrecht, dat het uitsluitend recht van drukken +inhoudt, daar de schrijver bij de uitgave den uitsluitenden eigendom +daarop verliest.</p> +<p>Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af <i>kan</i> +worden genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen +eigene wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met +elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers +eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen +toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik +van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan hij +niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever het +boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik van +eens anders eigendom.</p> +<p>Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht +niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des geestes +is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift zijn +uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den auteur +bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed denkbeeld. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5388" href="#xd20e5388" name= +"xd20e5388">112</a>]</span>Het voorwerp van den intellectueelen +eigendom schijnt Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete +schepping, maar meer in de wijze van denken en schrijven; niet in het +voortbrengsel maar in het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet +kan worden ontnomen, dat hij met het volste recht kan spreken van +<i>zijn</i> manier van schrijven, van zijn stijl, zal niemand +betwisten, doch dit is eene betrekking, die met eigendom in de +juridische beteekenis van het woord ongeveer niets gemeen heeft.</p> +<p>Hegel, die ook in zijne <i>Philosophie des Rechts</i> het +auteursrecht als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte +uitkomen, dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, +niet als een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat +buiten hem bestaat, moet worden gedacht.</p> +<p>„<span lang="de">Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. +sind freilich dem freien Geiste eigen und ein Innerliches desselben, +nicht ein Aeusserliches, aber ebenso sehr kann er ihnen durch die +Aeusserung ein äusserliches Dasein geben und sie veräussern, +wodurch sie unter die Bestimmung von Sachen gesetzt +werden</span>”<a class="noteref" id="xd20e5406src" href= +"#xd20e5406" name="xd20e5406src">78</a>. Deze gedachte wordt echter +niet zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van +het immaterieele object van den eigendom.</p> +<p>De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten +en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden van +groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der +eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder +beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben, +aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen +bepaalde gedachten openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het +auteursrecht kan zijn, dat b.v. de door een staatsman geuite +denkbeelden over den politieken toestand, die van een historie-vorscher +over een of ander tijdperk der geschiedenis niet het uitsluitend +eigendom zijn van degenen, die ze het eerst verkondigd hebben, zoodat +anderen, die over hetzelfde onderwerp schrijven, van die denkbeelden +geen gebruik zouden mogen maken, behoeft wel geen betoog. Eene +dergelijke strekking wordt nergens aan het auteursrecht toegekend en +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5416" href="#xd20e5416" name= +"xd20e5416">113</a>]</span>daarom heeft het ook geen zin om het te +verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert<a class= +"noteref" id="xd20e5418src" href="#xd20e5418" name= +"xd20e5418src">79</a>.</p> +<p>Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden, +die in een geschrift geuit worden, te noemen den <i>inhoud</i> en de +wijze waarop de auteur die denkbeelden in „het kleed der taal +heeft gestoken” den <i>vorm</i> en dan te zeggen: de inhoud is +gemeen goed, de vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader +te definieeren, komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen +reeds de groote verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige +omschrijving van hetgeen men met „vorm” en +„inhoud” bedoelt, noodzakelijk. Men kan niet zonder meer de +onderscheiding toepassen zoowel op een roman als op een +wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een +tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort +geschriften op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden +„vorm” en „inhoud” te hechten, beter vast te +stellen, dan gewoonlijk door de schrijvers over auteursrecht wordt +gedaan. Zooals die termen thans dikwijls worden gebruikt, zijn zij +eerder geschikt om verwarring te brengen dan om mede te helpen tot eene +juiste karakteriseering van het immaterieele object van het +auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering van vele schrijvers, die +echter wegens hare oppervlakkigheid alle waarde mist, is b.v. de +volgende: Het auteursrecht beschermt alleen den vorm; wanneer een +geschrift wordt vertaald geeft de vertaler er een nieuwen vorm aan; +derhalve kan de auteur zich niet verzetten tegen de uitgave van eene +vertaling van zijn werk; het auteursrecht omvat dus niet het +uitsluitend vertalingsrecht<a class="noteref" id="xd20e5435src" href= +"#xd20e5435" name="xd20e5435src">80</a>.</p> +<p>Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is +echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren, +schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma +beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5462" href="#xd20e5462" name= +"xd20e5462">114</a>]</span>wel op den vorm, moge in bepaalden zin +opgevat en met betrekking tot bepaalde categorieën van geschriften +waarheid bevatten, zoo als hij in dit verband te pas wordt gebracht, +mist hij elken grond.</p> +<p>Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan +bewijzen, mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet +alle geschriften over één kam worden geschoren, heeft +Kohler—vooral in zijn merkwaardig boek: <i lang="de">Das +literarische und artistische Kunstwerk und sein +Autorschutz</i>—duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit +werk: „eine juridisch-ästhetische Studie” en gaf het +tot motto een regel, dien vóór hem naar mijn weten nog +geen der vele schrijvers over auteursrecht zich tot richtsnoer had +gesteld, nl.: „<span lang="de">Der richtige Weg zur Erkenntnisz +des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz der Kunst +hindurch</span>”. Hieruit valt reeds op te maken, dat men in dit +boek geene oppervlakkige beschouwingen over „vorm” en +„inhoud” heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake +was. Het is Kohler’s streven geweest, zoo diep mogelijk tot het +wezen van de verschillende soorten kunstwerken en geschriften door te +dringen en eene waardevolle methode te vinden om ze te analyseeren en +zoodoende in elk werk die bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke +tezamen de schepping van den auteur en dus tevens het object van zijn +recht uitmaken. Op Kohler’s methode en hetgeen ermede kan worden +bereikt, kom ik hieronder nog terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is +alleen dit: dat, wil men werkelijk langs systematischen weg tot de +vaststelling van omvang en strekking van het auteursrecht komen, +„juridisch-aesthetische” beschouwingen als de hier bedoelde +niet alleen van zeer veel nut, maar beslist onontbeerlijk zijn.</p> +<p>In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar hunne +innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden, openbaart zich +reeds het groote verschil tusschen de rechten op stoffelijke en die op +onstoffelijke goederen. Bij de eerste brengt de vraag, wat object van +het recht is, in den regel niet de minste moeilijkheid mee; het +stoffelijk goed, zóó als het in het gewone leven kan +worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen zin. Bij de rechten op +onstoffelijke goederen daarentegen zijn de rechtsobjecten niet +eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich kan vormen van een +geschrift of een kunstwerk is niet identiek met dat van het +immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk kan +vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het geheel +geen voorwerpen van <span class="pagenum">[<a id="xd20e5474" href= +"#xd20e5474" name="xd20e5474">115</a>]</span>auteursrecht, van een +immaterieel goed is daarbij dus geen sprake; en degenen die het +wél zijn, zijn het niet alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een +voorbeeld te noemen, een ets, die eene getrouwe copie is van een andere +ets, geen voorwerp van auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt +naar eene schilderij, dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen +zijn; doch in dit geval is het recht van den etser van beperkte +strekking. Slechts indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, +heeft de auteur daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie +werken, die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde +beteekenis zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten +vertoonen, zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd +auteursrecht beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet +anders gedaan dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus +geen nieuw goed voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht +gevestigd. In de beide laatste gevallen is er wel een immaterieel goed +tot stand gekomen; doch de ets naar de schilderij levert een geheel +ander rechtsobject op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud +van het recht in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.</p> +<p>Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik +eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip van +het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene +bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt, +die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen +niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen zijn, +om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene +afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam +„eigendom” te geven, waardoor het onder de zakelijke +rechten zou moeten worden gerangschikt.</p> +<p>Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er +tusschen auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) +niet alleen vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in +rechtskarakter ver van elkander afwijken.</p> +<p>Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een +lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht +ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij het +eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide rechten +verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt, de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5482" href="#xd20e5482" name= +"xd20e5482">116</a>]</span>eigendom niet. Op deze belangrijke +verschilpunten is door vele schrijvers—ook in ons +land—reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef hier slechts in +herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij de behandeling +van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte: „Door het +auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te willen +verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn er +onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles +ontbreekt wat den eigendom karakteriseert”<a class="noteref" id= +"xd20e5484src" href="#xd20e5484" name="xd20e5484src">81</a>.</p> +<p>Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten +slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed +aan één persoon met uitsluiting van ieder ander +voorbehouden. Wil men nu elk uitsluitend recht, onverschillig van +welken aard het object zij, eigendom noemen<a class="noteref" id= +"xd20e5492src" href="#xd20e5492" name="xd20e5492src">82</a>, zoo +behoeft daartegen op zichzelf nog geen bezwaar te worden gemaakt, +indien men slechts in het oog houdt, dat men zoodoende aan het woord +eigendom eene andere beteekenis geeft, dan waarin het gewoonlijk in de +juridische taal wordt gebruikt. In het dagelijksch leven gaat men +dikwijls met het gebruik van de woorden „eigendom” en +„bezit” nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een goede +gezondheid, eene slechte reputatie enz. <i>bezit</i> of dat hij eene +uitgebreide kennis zijn <i>eigendom</i> kan noemen, zonder dat daarbij +natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden +naam.</p> +<p>Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom, +zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding te +geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct den +schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft; +terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling met +andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele +voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name +Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun +leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van +het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, <i>dat</i> de auteurs +recht op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit +recht, dat aanvankelijk door menigeen ontkend <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5512" href="#xd20e5512" name= +"xd20e5512">117</a>]</span>werd, ernstig meenden, noemden zij het, naar +<i>het</i> recht <span class="trans" title= +"kat’ exochēn"><span class="Greek" lang= +"el">κατ’ +εξοχην</span></span> eigendom. Dat in de +hierboven vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet +in den streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, +dat hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men +zich bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen +betoog, dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht, +dat tot object zou hebben „de gedachte” en tot subject +„de persoon die haar denkt.” Trouwens Fichte doet duidelijk +genoeg uitkomen, dat een „geestelijke eigendom” van deze +soort (een eigendom dus op den schat van kennis, die men zich heeft +verworven) niet die is, welke hij voor de auteurs opeischt, en het is +zeker niet aan hem te wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel +verwarring op dit punt is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens +als argument tegen de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de +auteur na de publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de +gedachten, daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en +dit zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers +juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden van +anderen<a class="noteref" id="xd20e5525src" href="#xd20e5525" name= +"xd20e5525src">83</a>. Met dergelijke redeneeringen voert men een +strijd tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit +iemand beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou +hebben, aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te +maken.</p> +<p>Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot +ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van: +uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit +mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën +met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de +uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip +eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als +categorie, tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van +de andere, geen waarde heeft. „<span lang="de">Es ist das ein +Begriff</span>”, zegt Kohler hierover, „<span lang="de">so +vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten +besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5550" href="#xd20e5550" name= +"xd20e5550">118</a>]</span>mit den Begriffen Wasser, Feuer, Luft und +Erde, durch welche man ehedem die Dinge der Welt begreifen und erfassen +wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht nimmt sich etwa so aus, wie +das Leuchtgas als Luft und die flüssige Kohlensäure als +Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf die Dauer nicht +durchkommen</span>”<a class="noteref" id="xd20e5553src" href= +"#xd20e5553" name="xd20e5553src">84</a>.</p> +<p>Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De +aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen +die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip +letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling +onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande reeds +eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler’s leer van het +Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de +eigendomstheorie zijn in te brengen, tegemoet komt.</p> +<p>Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht de +meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk +bespreken.</p> +<p>In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor +sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren, +zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer +beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: „<span lang= +"de">... dasz aber irgend <span class="corr" id="xd20e5569" title= +"Bron: een">ein</span> Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an +einer bloszen Vorstellung, an einem lediglich und allein in den +Gedanken existirenden Dinge ohne alles äuszerliche Substrat +stattfinden solle, das ist etwas, was meiner Ansicht nach weder nach +irgend einem positiven Rechtssysteme, noch vom Standpunkte einer +philosophischen Rechtsbetrachtung aus zugegeben oder auch nur mit +voller Klarheit gedacht werden kann</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e5573src" href="#xd20e5573" name="xd20e5573src">85</a>.</p> +<p>Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag +uitdrukt: „Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product +op zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later +als gedrukt exemplaar) een bestaan heeft—laat staan een +lichamelijk—dat den auteur, om zóó te zeggen, kan +worden tegenover gesteld?”<a class="noteref" id="xd20e5580src" +href="#xd20e5580" name="xd20e5580src">86</a> <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5585" href="#xd20e5585" name= +"xd20e5585">119</a>]</span></p> +<p>Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de +gedachten bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in ’t geheel +niet. Iets dat niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een +uitsluitend recht zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die +men aan het woord „bestaan” geeft. Indien men alleen +datgene als bestaande aanmerkt, wat eene plaats in de ruimte inneemt, +dan moet inderdaad van de scheppingen van den geest worden getuigd, dat +zij niet bestaan. Een bestaan in dezen zin hebben dan alleen het +papier, waarop de schrijver letters heeft geschreven of laten drukken +en het doek, waarop de schilder eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd +(dus wat Schaeffle noemde de <i lang="de">symbolische Güter</i>), +maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve onbelangrijke, +verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van uitdrukking +zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt zoo herleid +tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke wereld +voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van den +auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van zijn +lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna de +vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier, +inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer +exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein +voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of meer +met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van de +materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen, +waardoor zij zijn teweeggebracht.</p> +<p>Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel +en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?</p> +<p>Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de +realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons op +grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen, +volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus +gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat +daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.</p> +<p>Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te +erkennen, dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als +zoodanig van hetgeen „alleen in de voorstelling bestaat” +ten scherpste wordt onderscheiden, nog geen <i>absolute</i> +werkelijkheid is, d.w.z. dat daaraan geen zelfstandig bestaan, +onafhankelijk van ons denken, mag worden <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e5600" href="#xd20e5600" name= +"xd20e5600">120</a>]</span>toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke +als onlichamelijke, bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons +eene voorstelling van hebben gevormd; van beide soorten geldt +gelijkelijk, dat zij niet in de ervaring zijn gegeven, „maar +ondersteld om de ervaring te helpen begrijpelijk maken”<a class= +"noteref" id="xd20e5602src" href="#xd20e5602" name= +"xd20e5602src">87</a>. De voorstelling van het „ding” of +voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen ons +niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het ding +zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest van zijne +aanwezigheid.</p> +<p>Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de grens +tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding bestaat +zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot +de eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de +overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke +dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de door +de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens, +opbouwen.</p> +<p>Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken +als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met +de „werkelijkheid” overeenstemmend zijn dan die van de +lichamelijke voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet +en in het tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze +natuurlijk werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) +geconstrueerde „ding” als bestaande mogen aanmerken?</p> +<p>Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het +letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen +waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel +ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het +auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet op +eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke +verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als +rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde +bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou +kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch +vrijwel algemeen geldende <span class="pagenum">[<a id="xd20e5618" +href="#xd20e5618" name="xd20e5618">121</a>]</span>leer, volgens welke +rechten als zaken worden beschouwd; waardoor men komt tot de +constructie van een recht, hetwelk tot object heeft een ander recht. +Indien men zich dit begrip duidelijk voor den geest kan stellen, dan +behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht evenmin eenige moeilijkheid +op te leveren<a class="noteref" id="xd20e5620src" href="#xd20e5620" +name="xd20e5620src">88</a>.</p> +<p>Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, +maakt juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht +in de op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste +gemakkelijk. In plaats van een aantal los van elkander bestaande +bevoegdheden, (kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en +uitvoeringsrecht enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, +verkrijgt men één recht waaruit al deze bevoegdheden +vanzelf voortvloeien, het recht nl. om binnen bepaalde grenzen met +uitsluiting van ieder ander over het geestesproduct te beschikken. +Weliswaar blijft dan nog de moeilijke vraag te beantwoorden, +wáár de grenzen dienen te worden getrokken, binnen welke +het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch men heeft +althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag +stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan +worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle +gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen +dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen, waarvoor +het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne rechtverkrijgenden +mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel beperkende +uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze +uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf, dat +immers <span class="pagenum">[<a id="xd20e5640" href="#xd20e5640" name= +"xd20e5640">122</a>]</span>naast zijne economische nog andere +bestemmingen heeft, die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur +onbeperkt) auteursrecht niet toelaten.</p> +<p>De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende +hoofdstukken thuis.</p> +<p>Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object +heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product van +kunst of letterkunde. Doch—en hiermede kom ik tot het tweede +punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken—niet alle +bevoegdheden der auteurs met betrekking tot hunne werken, die +gewoonlijk tot het auteursrecht worden gerekend, zijn als een +uitvloeisel van het recht op het geestelijk product te verklaren. Naast +het vermogensrecht bestaat nog een ander recht, door de Duitsche +schrijvers <i lang="de">Individualrecht</i> of <i lang= +"de">Persönlichkeitsrecht</i>, door de Franschen minder juist +<i lang="fr">droit moral</i> genoemd, en dat ik in onze taal het best +meen te kunnen aanduiden met den naam <i>persoonlijkheidsrecht</i>, een +term, die reeds door enkele onzer schrijvers wordt gebruikt<a class= +"noteref" id="xd20e5658src" href="#xd20e5658" name= +"xd20e5658src">89</a>. Onder persoonlijkheidsrecht heeft men in het +algemeen te verstaan het recht op eerbiediging der persoonlijkheid; +Gierke karakteriseert het als het recht op een bestanddeel van de eigen +persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan noemen „Recht an der +eignen Person” in tegenstelling met de rechten aan zaken en de +rechten aan andere personen<a class="noteref" id="xd20e5674src" href= +"#xd20e5674" name="xd20e5674src">90</a>. De objecten van dit recht +noemt Gierke <i lang="de">Persönlichkeitsgüter</i>, d. w. z. +goederen, die onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. +huisvrede, eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. +zeer aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat +tevens als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming +tegen een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons +recht door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het +wederrechtelijk gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een +huis tegen den wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in +vertrouwelijken kring is gezegd of geschreven en vele andere +„onrechtmatige daden” van dien aard zal men dus hebben te +beschouwen als zoovele inbreuken op het persoonlijkheidsrecht van +dengeen, tegen wien zij gericht waren. Doch Gierke breidt <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5685" href="#xd20e5685" name= +"xd20e5685">123</a>]</span>den kring der persoonlijkheidsrechten te ver +uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte +rekent hij de geestesproducten tot de <i lang= +"de">„Persönlichkeitsgüter”</i>; hetgeen dus zou +moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig bestaan +hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van de +persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar, dat +schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt, +„iets van zichzelf” in hunne werken leggen, doch dit geeft +nog geen recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn +één. Reeds het feit, dat hetgeen in het binnenste van den +auteur omgaat, niet daarin blijft, maar tot een kunstwerk wordt +omgeschapen, dat in de buitenwereld treedt en aan de beoordeeling van +het publiek wordt overgegeven, doet de onjuistheid zien van de +vereenzelviging van den auteur met zijn werk. Treffend is de opmerking +van Kohler in dit verband: „eine jede Schöpfung schafft +Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem +Geschaffenen”<a class="noteref" id="xd20e5690src" href= +"#xd20e5690" name="xd20e5690src">91</a>. Dat dit ook door Gierke niet +geheel over het hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen +object van het auteursrecht is, aanduidt als „<span lang="de">ein +Geisteswerk, das kraft seiner Individualisierung einen gesonderten +Bestand, kraft seiner äuszerlichen Fixierung ein unabhängiges +Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als unleibliches Gut einen +selbständigen Werth hat</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e5699src" href="#xd20e5699" name="xd20e5699src">92</a>. Hiermede +is moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van +den auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met +de mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming +te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het +auteursrecht, een „<span lang="de">von der Person ablösbares +Persönlichkeitsgut</span>” is<a class="noteref" id= +"xd20e5705src" href="#xd20e5705" name="xd20e5705src">93</a>, waarmede +m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen van het +„<span lang="de">Persönlichkeitsgut</span>” wordt +losgelaten.</p> +<p>Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht<a class="noteref" +id="xd20e5713src" href="#xd20e5713" name="xd20e5713src">94</a>, maar +een vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand +goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5728" href="#xd20e5728" name= +"xd20e5728">124</a>]</span>reeds is opgemerkt, een aantal, met het +auteursrecht in meer of minder nauw verband staande, rechten, die men +vergeefs zou trachten als bestanddeel van dit vermogensrecht te +verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der persoonlijkheidsrechten goede +diensten bewijzen. Als uitvloeisel van het persoonlijkheidsrecht van +den auteur zal men b. v. hebben te beschouwen de bevoegdheid om zich +tegen de publicatie van niet voor het publiek bestemde geschriften +(zooals brieven, dagboeken, onvoltooide letterkundige werken, enz.) te +verzetten. Hier is werkelijk een <i lang= +"de">Persönlichkeitsgut</i> te beschermen, n. l. de vertrouwelijke +uiting, hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten +bestemd, of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de +auteur zich nog niet heeft weten los te maken.</p> +<p>Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik +van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden +gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen +worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen +verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt +gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn +naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals wij +hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen, in de +laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht, dat het tot +de taak van het recht behoort, de eerbiediging der persoonlijkheid ook +in dit opzicht te helpen verzekeren.</p> +<p>Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het +openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis +van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt +hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden vorm +niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als +kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.</p> +<p>Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den +auteur ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te +worden onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en +het auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als +het ware in het laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer +onderscheiding niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed +begrip ook dáár wenschelijk, de twee rechten uit elkander +te houden. Wij hebben in die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5739" href="#xd20e5739" name= +"xd20e5739">125</a>]</span>een <i lang="de">Doppelrecht</i> te doen, +d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming +verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog +in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht +(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht (recht +om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal worden +gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht op eene +dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis b.v. kan +tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en van het +persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede)<a class="noteref" id= +"xd20e5744src" href="#xd20e5744" name="xd20e5744src">95</a>. Practische +beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander +recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk kan +b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht op het +door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen het +<span class="corr" id="xd20e5753" title= +"Bron: persoolijkheidsrecht">persoonlijkheidsrecht</span>, waarop +inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook het persoonlijkheidsrecht van den +auteur voorkomen zonder auteursrecht; wanneer b.v. dit laatste is +vervreemd of indien het een werk betreft, dat niet tot de beschermde +auteursproducten is te rekenen, zoodat er in het geheel geen +auteursrecht heeft bestaan.</p> +<p>In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in +verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat hier +voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien, dat wij +het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben te +beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking kan +hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan +uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen +rechtskarakter vertoont. <span class="pagenum">[<a id="xd20e5758" href= +"#xd20e5758" name="xd20e5758">126</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4000" href="#xd20e4000src" name="xd20e4000">1</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Die Idee des geistigen +Eigenthums</i>, <i lang="de">Archiv für civilistische Praxis</i> +82 pp. 166 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4012" href="#xd20e4012src" name="xd20e4012">2</a></span> Cf. +<span class="sc">Fernand Renouard</span>, <i lang="fr">Essai sur la +nature du droit d’auteur</i>, Genève 1869 pp. 38 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4033" href="#xd20e4033src" name="xd20e4033">3</a></span> Cf. o.a. +<span class="sc">Charreyron</span>, <i lang="fr">De la +propriété littéraire et artistique, Thèse +pour le doctorat</i>. Paris 1904 p. 29: „<span lang= +"fr">Toutefois, malgré les arguments juridiques invoqués +par le second système (dat den letterkundigen eigendom +bestrijdt), il ne peut être contesté à notre avis, +que l’auteur ait sur son oeuvre un véritable droit de +propriété.</span>”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4053" href="#xd20e4053src" name="xd20e4053">4</a></span> Men zie +hierover o.a.: Dr. <span class="sc">H. Ortloff</span>, <i lang="de">Das +Autor- und Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht</i> +in <i lang="de">Jahrbücher für die Dogmatik</i> V pp. 323 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4070" href="#xd20e4070src" name="xd20e4070">5</a></span> +<span class="sc">Im. Kant</span>, <i lang="de">Metaphysik der +Sitten</i> I, <i lang="de">Rechtslehre</i>, 1<span class="corr" id= +"xd20e4080" title="Niet in bron">.</span> <i lang="de">Theil</i>, II +<i lang="de">Haupst.</i>, 3 <i lang="de">Abschn.</i>, § 31 II.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4094" href="#xd20e4094src" name="xd20e4094">6</a></span> Men zie +o.a. <span class="sc">Otto Gierke</span>, <i lang="de">Deutsches +Privatrecht</i> I (<i lang="de">systematisches Handbuch der Deutschen +Rechtswissenschaft von</i> dr. <span class="sc">Karl Binding</span>, +2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4115" href="#xd20e4115src" name="xd20e4115">7</a></span> +<span class="sc">Von Gerber</span>, <i lang="de">Ueber die Natur der +Rechte des Schriftstellers und Verlegers</i> in: <i>Jahrbücher f. +d. Dogmatik</i> II pp. 359 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4126" href="#xd20e4126src" name="xd20e4126">8</a></span> Dr. +<span class="sc">Julius Jolly</span>, <i lang="de">Die Lehre vom +Nachdruck nach den Beschlüssen des deutschen Bundes dargestellt. +Beilageheft zum Archiv für civ. Praxis</i> Bnd. XXXV (1852) p. +91.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4140" href="#xd20e4140src" name="xd20e4140">9</a></span> +<span class="sc">Macaulay</span>, <i lang="en">Speeches</i> (Tauchnitz +Edition) vol. 1 p. 277.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4154" href="#xd20e4154src" name="xd20e4154">10</a></span> +<i>Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van +Wetenschappen. Afd. Letterkunde</i>, deel VI p. 349.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4166" href="#xd20e4166src" name="xd20e4166">11</a></span> +<i>Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en +Gemeente-Bestuur in Nederland</i> XV (<i>nieuwe serie</i> II) pp. 1 +sqq. en 113 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4177" href="#xd20e4177src" name="xd20e4177">12</a></span> +<i>Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging</i> 1877 I p. 35.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4186" href="#xd20e4186src" name="xd20e4186">13</a></span> +<i>Hand. Ned. Juristen-Vereeniging</i> 1877 I p. 97.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4204" href="#xd20e4204src" name="xd20e4204">14</a></span> +<i>Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging</i> 1877 II pp. 70, 71.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4215" href="#xd20e4215src" name="xd20e4215">15</a></span> De +verschillende opstellen van den heer <span class="sc">de Savornin +Lohman</span>, waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: +<i>Themis</i> 1862 pp. 213 sqq., <i>Rechtsgeleerde Bijdragen</i> 1864 +pp. 140 sqq., <i>Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en +Gemeentebestuur in Nederland</i> XVI (<i>nieuwe serie</i> III) pp. 6 +sqq. en 72 sqq. Men zie ook: <i>Weekbl. v. h. Recht</i>, no. 2916 en +<i>Hand. Ned. Jur.-Ver.</i> 1877 II pp. 5 sqq. en 43 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4240" href="#xd20e4240src" name="xd20e4240">16</a></span> Mr. +<span class="sc">G. Belinfante</span>, <i>Het recht van den auteur</i>. +<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4255" href="#xd20e4255src" name="xd20e4255">17</a></span> Men zie +hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van mrs. <span class= +"sc">de Ridder</span> en <span class="sc">Freseman Viëtor</span>, +nog van den laatste: <i>Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot +regeling van het auteursrecht</i>. Utrecht 1877 pp. 6 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4272" href="#xd20e4272src" name="xd20e4272">18</a></span> Mr. +<span class="sc">S. Katz</span>, <i>Het Auteursrecht</i>. +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> I pp. 311 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4296" href="#xd20e4296src" name="xd20e4296">19</a></span> T. a. +p. p. 328.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4306" href="#xd20e4306src" name="xd20e4306">20</a></span> Mr. +<span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>Nederland en de Berner +Conventie</i>. <i>De Gids</i> 1896 III pp. 411 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4318" href="#xd20e4318src" name="xd20e4318">21</a></span> T. a. +p. p. 413.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4330" href="#xd20e4330src" name="xd20e4330">22</a></span> +<i>Handelingen Tweede Kamer</i> 1880/81 pp. 1628, 1644.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4335" href="#xd20e4335src" name="xd20e4335">23</a></span> Ibid. +pp. 1628, 1642.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4338" href="#xd20e4338src" name="xd20e4338">24</a></span> Men zie +o.a.: mr. <span class="sc">Henry Viotta</span>, <i>Het auteursrecht van +den componist</i>. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. <span class="sc">J. van +de Kasteele</span>, <i>Het auteursrecht in Nederland</i>. Leiden 1885 +pp. 8 sqq.; Mr. <span class="sc">A. G. N. Swart</span>, <i>Opmerkingen +betreffende auteursrecht op werken van beeldende kunst</i>. Leiden 1891 +pp. 27 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4368" href="#xd20e4368src" name="xd20e4368">25</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Opzoomer</span>, <i>Het Burgerlijke Wetboek +verklaard</i> III p. 205; <span class="sc">Asser</span> en <span class= +"sc">van Heusde</span>, <i>Handleiding tot de beoefening van het +Nederl. Burg. Recht</i> II p. 57; <span class="sc">Land</span>, +<i>Verklaring van het Burgerlijk Wetboek</i> II p. 2 (2de druk).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4399" href="#xd20e4399src" name="xd20e4399">26</a></span> +<span class="sc">Edouard Laboulaye</span>, geciteerd door <span class= +"sc">Fern. Renouard</span> t. a. p. p. 29.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4411" href="#xd20e4411src" name="xd20e4411">27</a></span> Zoo +o.a. Mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span>, <i>Begrip en omvang +van het auteursrecht volgens de Nederlandsche wet</i> in <i>Verslagen +en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. +Letterkunde</i> 3de reeks, deel XII pp. 5 sqq.; <span class="sc">de +Ridder</span> t. a. p. p. 92; <span class="sc">Land</span> t. a. p. p. +2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4443" href="#xd20e4443src" name="xd20e4443">28</a></span> +<i lang="de">Autorrecht</i> p. 98.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4470" href="#xd20e4470src" name="xd20e4470">29</a></span> Men zie +het reeds genoemde artikel van Mr. <span class="sc">Freseman +Viëtor</span> in <i>Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en +gem.-best. in Nederl.</i> XV (<i>nieuwe serie</i> II) pp. 1 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4486" href="#xd20e4486src" name="xd20e4486">30</a></span> T. a. +p. p. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4491" href="#xd20e4491src" name="xd20e4491">31</a></span> T. a. +p. p. 9.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4498" href="#xd20e4498src" name="xd20e4498">32</a></span> T. a. +p. p. 22.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4512" href="#xd20e4512src" name="xd20e4512">33</a></span> T. a. +p. pp. 22, 23.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4517" href="#xd20e4517src" name="xd20e4517">34</a></span> T. a. +p. p. 23.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4547" href="#xd20e4547src" name="xd20e4547">35</a></span> In: +<i>Themis</i> IX pp. 213 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4566" href="#xd20e4566src" name="xd20e4566">36</a></span> +<span class="sc">H. J. Hamaker</span>, <i>Het rechtsbewustzijn en de +rechtsfilosofie</i> in: <i>Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke +Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde</i>, vierde reeks, deel IX +p. 33.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4579" href="#xd20e4579src" name="xd20e4579">37</a></span> Cf. +<span class="sc">Hamaker</span> t. a. p. p. 36.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4601" href="#xd20e4601src" name="xd20e4601">38</a></span> +<span class="sc">Heinrich Heine</span>, <i lang="de">Ideen. Das Buch le +Grand.</i> Kap. XIV.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4611" href="#xd20e4611src" name="xd20e4611">39</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> pp. 209, +210.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4642" href="#xd20e4642src" name="xd20e4642">40</a></span> +<i lang="de">Autorrecht</i> p. 211.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4649" href="#xd20e4649src" name="xd20e4649">41</a></span> +<i lang="de">Autorrecht</i> pp. 212 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4656" href="#xd20e4656src" name="xd20e4656">42</a></span> +<i lang="de">Archiv für civilistische Praxis</i> 82 pp. 166 sqq. +Cf. ook: <span class="sc">Jolly</span>, <i>Die Lehre vom Nachdruck</i> +pp. 7 sqq. p. 87.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4701" href="#xd20e4701src" name="xd20e4701">43</a></span> +<i>Amsterdamsch Schetsboek</i> door <span class="sc">S. +Falkland</span>, <i>Handelsblad</i> 19 Jan, 1907, Avondblad, 3de +blad.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4720" href="#xd20e4720src" name="xd20e4720">44</a></span> +<span class="sc">Freseman Viëtor</span> t. a. p. p. 112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4725" href="#xd20e4725src" name="xd20e4725">45</a></span> +<span class="sc">Freseman Viëtor</span>, <i>Hand. Nederl. Jur. +Vereeniging</i> 1877 I p. 14.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4733" href="#xd20e4733src" name="xd20e4733">46</a></span> +<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 I pp. 96, 97.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4738" href="#xd20e4738src" name="xd20e4738">47</a></span> +<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 20.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4772" href="#xd20e4772src" name="xd20e4772">48</a></span> Prof. +<span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span> in: <i>Rechtsgeleerd +Magazijn</i> 1887 p. 386.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4788" href="#xd20e4788src" name="xd20e4788">49</a></span> O.a. +mr. <span class="sc">G. Belinfante</span> in <i>Themis</i> 1865 p. +341.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4799" href="#xd20e4799src" name="xd20e4799">50</a></span> +<i>Bijdragen enz.</i> XV p. 20.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4806" href="#xd20e4806src" name="xd20e4806">51</a></span> +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1887 p. 390.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4828" href="#xd20e4828src" name="xd20e4828">52</a></span> +<span class="sc">Otto Gierke</span>, <i>Deutsches Privatrecht</i> t. a. +p. p. 756.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4842" href="#xd20e4842src" name="xd20e4842">53</a></span> +<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 57.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4852" href="#xd20e4852src" name="xd20e4852">54</a></span> +<i>Nederland en de Berner Conventie</i> door mr. <span class="sc">J. A. +Levy</span> in: <i>Het Paleis van Justitie</i> 9 Aug. 1898.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4885" href="#xd20e4885src" name="xd20e4885">55</a></span> +<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 I p. 68.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4915" href="#xd20e4915src" name="xd20e4915">56</a></span> +<span class="sc">P. J. Proudhon</span>, <i lang="fr">Les Majorats +littéraires</i> (<i lang="fr">Oeuvres complètes</i>, tome +XVI) p. 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4932" href="#xd20e4932src" name="xd20e4932">57</a></span> T. a. +p. p. 13.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4959" href="#xd20e4959src" name="xd20e4959">58</a></span> T. a. +p. p. 17.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4969" href="#xd20e4969src" name="xd20e4969">59</a></span> Behalve +zijne economische beschouwingen gaf <span class="sc">Proudhon</span> +over het auteursrechtvraagstuk nog: „<i lang= +"fr">Considérations morales et esthétiques</i>” en +„<i lang="fr">conséquences sociales</i>”.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4998" href="#xd20e4998src" name="xd20e4998">60</a></span> +<span class="sc">Louis Blanc</span>, <i lang="fr">De la +propriété littéraire, Organisation du travail</i>, +5<sup>me</sup> ed. Paris 1848 pp. 234, 235.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5014" href="#xd20e5014src" name="xd20e5014">61</a></span> De door +mij geraadpleegde werken van <span class="sc">Schaeffle</span> zijn: +<i lang="de">Die ausschliessenden „Verhältnisse” mit +besonderer Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, +Patent-, Muster- und Markenschuz</i> in <i lang="de">Zeitschrift +für die gesammte Staatswissenschaft</i> 1867 (Band 23) pp. +113–218 en 291–476, en: <i lang="de">Ueber die +volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung und der +Mittheilung</i> in hetzelfde tijdschrift 1873 (Band 29) pp. +1–70.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5043" href="#xd20e5043src" name="xd20e5043">62</a></span> Ik heb +gemeend het woord „<i lang="de">Unternehmer-Rente</i>” dat +<span class="sc">Schaeffle</span> hier gebruikt, te moeten vertalen +door „<i>ondernemerspremie</i>” en niet door +„<i>ondernemersrente</i>”, zooals b.v. mr. <span class= +"sc">de Ridder</span> deed. Cf. mr. <span class="sc">N. G. +Pierson</span>, <i>Leerboek der Staathuishoudkunde</i> I pp. 230 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5086" href="#xd20e5086src" name="xd20e5086">63</a></span> T. a. +p. Band 23 p. 346.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5098" href="#xd20e5098src" name="xd20e5098">64</a></span> T. a. +p. Band 23 p. 347.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5115" href="#xd20e5115src" name="xd20e5115">65</a></span> +<i lang="de">Archiv für civilistische Praxis</i> Band 82 p. +208.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5126" href="#xd20e5126src" name="xd20e5126">66</a></span> Cf. +hierboven pp. 85 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5144" href="#xd20e5144src" name="xd20e5144">67</a></span> Men +zie: <i>Hand. Ned. Jur. Vereeniging</i> 1877 I pp. 75 sqq. en: +<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> pp. 96 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5153" href="#xd20e5153src" name="xd20e5153">68</a></span> +<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 8.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5167" href="#xd20e5167src" name="xd20e5167">69</a></span> Men zie +o.a.: <span class="sc">Freseman Viëtor</span> in <i>Bijdr.</i> +enz. XV pp. 27 sqq. en Mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in +<i>Hand. Ned. Jur. Ver.</i> 1877 II pp. 16 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5195" href="#xd20e5195src" name="xd20e5195">70</a></span> +<i>Bijdragen</i> enz. XVI p. 58.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5203" href="#xd20e5203src" name="xd20e5203">71</a></span> +<i>Hand. Jur. Ver.</i> 1877 II p. 47.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5229" href="#xd20e5229src" name="xd20e5229">72</a></span> T. a. +p. p. 10<span class="corr" id="xd20e5231" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5259" href="#xd20e5259src" name="xd20e5259">73</a></span> +<i>Bijdragen</i> enz. XVI p. 51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5275" href="#xd20e5275src" name="xd20e5275">74</a></span> T. a. +p. p. 10.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5290" href="#xd20e5290src" name="xd20e5290">75</a></span> T. a. +p. 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5310" href="#xd20e5310src" name="xd20e5310">76</a></span> In +dezen zin o.a. reeds: <span class="sc">Edouard Laboulaye</span>, +<i lang="fr">Etudes sur la propriété littéraire en +France et en Angleterre</i>, aangehaald door <span class="sc">Fernand +Renouard</span>, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de +eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. <span class= +"sc">G. Belinfante</span>, <i>Het recht van den auteur</i>, +<i>Themis</i> 1877 pp. 204<i>a</i> sqq. Eenigszins afwijkend is de +leer, door dr. <span class="sc">O. Bähr</span> verkondigd in +<i lang="de">Archiv für Bürgerliches Recht</i> VII pp. 150 +sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel van het +eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt, dat daar +waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van een reeds +lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift het recht +toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5369" href="#xd20e5369src" name="xd20e5369">77</a></span> +<i lang="de">Beweis der Unrechtmässigkeit des +Büchernachdrucks</i>. <i lang="de">Sämmtliche Werke</i> 8 pp. +224 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5406" href="#xd20e5406src" name="xd20e5406">78</a></span> +<span class="sc">Hegel</span>’s <i lang="de">Grundlinien der +Philosophie des Rechts</i> § 43; men zie ook §§ 68 en +69.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5418" href="#xd20e5418src" name="xd20e5418">79</a></span> Zoo +b.v. mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in <i>Paleis van +Justitie</i> 9 Aug. 1898 p. 2: „Genoeg, dat gij met uw ellendig +auteursrecht, benepen gewrocht van kleinzielige opvatting, er in +geslaagd zijt haar, de gedachte, ten halve te kortwieken...” +enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5435" href="#xd20e5435src" name="xd20e5435">80</a></span> Zoo +b.v. mr. <span class="sc">J. A. Levy</span>, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. +<span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>De Gids</i> 1896 III p. 416; +<span class="sc">J. D. Doorman</span>, <i>Het vrije vertalingsrecht +verdedigd</i> (Leiden 1885) p. 9; <span class="sc">J. H. Kok</span>, +<i>Auteursrecht en de Berner Conventie</i> (Rotterdam 1905) p. 41.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5484" href="#xd20e5484src" name="xd20e5484">81</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881 p. 1629.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5492" href="#xd20e5492src" name="xd20e5492">82</a></span> Cf. in +dezen zin: Prof. mr. <span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span>, +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> VI pp. 376, 377.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5525" href="#xd20e5525src" name="xd20e5525">83</a></span> Men zie +b.v. in dezen zin: <span class="sc">Evertsen de Jonge</span> t. a. p. +p. 23; <span class="sc">Freseman Viëtor</span>, <i>Bijdr.</i> enz. +XV p. 16; mr. <span class="sc">J. A. Levy</span> in <i>Hand. Ned. Jur. +Ver.</i> 1877 II p. 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5553" href="#xd20e5553src" name="xd20e5553">84</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 24. Men zie ook: <i lang="de">Archiv +für civilistische Praxis</i> 82 pp. 141 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5573" href="#xd20e5573src" name="xd20e5573">85</a></span> +<i lang="de">Die Lehre vom Nachdruck</i> pp. 37, 38.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5580" href="#xd20e5580src" name="xd20e5580">86</a></span> +<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 77.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5602" href="#xd20e5602src" name="xd20e5602">87</a></span> Dr. +<span class="sc">J. P. N. Land</span>, <i>Inleiding tot de +wijsbegeerte</i> 2de druk ’s Gravenhage 1900 p. 109.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5620" href="#xd20e5620src" name="xd20e5620">88</a></span> Men +heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een recht op een +onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf als object aan +te nemen, maar „het recht van reproduceeren” of „de +reproductie”. Zoo b.v. mr. <span class="sc">A. A. de +Pinto</span>, <i>Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de +Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der Kon. Akademie van +Wetensch. Afd. Letterk.</i> 3de reeks 12de deel p. 17, die +schrijft:</p> +<p class="footnote">„Tot die rechten” (n.l. rechten op +onlichamelijke zaken) „behoort nu ongetwijfeld... het +auteursrecht, waarvan het object, de reproductie van een werk, is +onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk zelf reeds een +materieel bestaan heeft.” Juister en duidelijker is het m. i. in +plaats van „de reproductie van het werk” <i>het werk +zelf</i> als object te beschouwen. De reproductie is de handeling, +waartoe het recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de +<i>inhoud</i> van het recht.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5658" href="#xd20e5658src" name="xd20e5658">89</a></span> O.a. +Prof. mr. <span class="sc">W. L. P. A. Molengraaff</span>, +<i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1887 p. 393; Prof. mr. <span class= +"sc">D. Simons</span>, <i>Leerboek van het Nederlandsche Strafrecht</i> +II p. 65.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5674" href="#xd20e5674src" name="xd20e5674">90</a></span> +<span class="sc">O. Gierke</span>, <i lang="de">Deutsches +Privatrecht</i> I t. a. p. pp. 260 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5690" href="#xd20e5690src" name="xd20e5690">91</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 5, cf. ook p. 1.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5699" href="#xd20e5699src" name="xd20e5699">92</a></span> T. a. +p. p. 765.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5705" href="#xd20e5705src" name="xd20e5705">93</a></span> T. a. +p. p. 767.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5713" href="#xd20e5713src" name="xd20e5713">94</a></span> Tegen +de leer van <span class="sc">Gierke</span> zijn door <span class= +"sc">Kohler</span> nog verschillende andere bezwaren ingebracht. Men +zie: <i>Urheberrecht</i> pp. 1 sqq., <i lang="de">Archiv für +bürgerliches Recht</i> X pp. 246 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5744" href="#xd20e5744src" name="xd20e5744">95</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p. 16.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk III</h2> +<h2 class="main">De objecten</h2> +<div class="div2" id="ch3.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Algemeen overzicht en groepeering</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het algemeen kunnen de producten, die voor +bescherming door auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met +de, ook in verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: <i>werken +van kunst en letterkunde</i>. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook +opgevat, wordt het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een +belangrijke groep van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als +„Immaterialgüter” zijn te beschouwen, vallen er +buiten, nl.: uitvindingen en modellen van nijverheidsproducten, de +voorwerpen van het zoogenaamde „industrieele +eigendomsrecht.”</p> +<p>Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten van +overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde, nl. +bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied tegen +onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en +strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men +echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk +zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling +betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de +<i>Conventie van Parijs van 20 Maart 1883</i> voor den industrieelen +eigendom<a class="noteref" id="xd20e5778src" href="#xd20e5778" name= +"xd20e5778src">1</a>. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden +behoeven <span class="pagenum">[<a id="xd20e5781" href="#xd20e5781" +name="xd20e5781">127</a>]</span>te zijn, om ook bij eene +wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo scherp uit elkander +te houden; doch naast de practische redenen, die verschillende +voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in karakter van de +rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip van elk dezer +rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide rechtvaardigt. +Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats van deze grenslijn +overal even gemakkelijk is aan te wijzen.</p> +<p>Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin +hebben te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van +industrieelen eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver +intellectueelen arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich +hebben. Bij de meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg +overwegend zijn (zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, +verzen, romans en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet +het geval is (b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der +bouwkunst), slechts in zooverre onder de beschermde auteursproducten +zijn te rekenen, als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische +schepping vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus +zijn wat alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend +verstand, ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te +pas gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het +auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der +nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom +heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.</p> +<p>Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen +auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op, minder +gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de grens ligt +tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het woord +<i>kunstnijverheid</i> wijst reeds op het bestaan van eene groep +voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe +zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en +luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk, +meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In de +wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige landen +door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van +kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits +<span class="pagenum">[<a id="xd20e5790" href="#xd20e5790" name= +"xd20e5790">128</a>]</span>een voortbrengsel een <i>kunstwerk</i> kan +worden genoemd (dit woord hier op te vatten in zijne allerruimste +beteekenis), moet het volgens deze opvatting, indien het ook overigens +daarvoor in de termen valt, voor een object van auteursrecht worden +gehouden, ook indien het aan practische doeleinden dienstbaar is +gemaakt. Dit beginsel vindt men o. a. in de <i lang="fr">loi-type</i> +der <i lang="fr">Association</i>, welke op dit punt reeds in enkele +wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het ontwerp is +toepasselijk op alle werken van plastische of graphische kunst <i lang= +"fr">„quels que soient leur mérite, leur emploi et leur +destination”</i> (artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder +gelegenheid zijn, op deze kwestie terug te komen; hier worde slechts +aangestipt, dat men door het terrein van het auteursrecht in deze +richting uit te breiden, de moeilijkheid, die het vinden van eene +nauwkeurige grensscheiding tusschen auteursrecht en industrieelen +eigendom oplevert, niet opheft, maar slechts verplaatst.</p> +<p>Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot eene +nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht kan zijn, +dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen, eenige +groepeering te brengen in de bonte menigte „werken van kunst en +letterkunde”.</p> +<p>De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan, +waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is de +onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten, die +met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te wekken +door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster<a class= +"noteref" id="xd20e5809src" href="#xd20e5809" name="xd20e5809src">2</a> +zou kunnen noemen werken der „sprekende” kunsten, omdat zij +onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens +waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord-<a class= +"noteref" id="xd20e5818src" href="#xd20e5818" name="xd20e5818src">3</a> +en der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten +rekenen de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, +maar met lijnen, kleuren en <span class="pagenum">[<a id="xd20e5833" +href="#xd20e5833" name="xd20e5833">129</a>]</span>figuren iets wordt +beschreven of uiteengezet. In deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten +worden: landkaarten, platte gronden, graphische voorstellingen, +doorsnede-teekeningen van gebouwen en machines enz., vervullen de +lijnen en kleuren een soortgelijke rol als letters en woorden in een +geschrift. „<span lang="de">Auch +hier</span>”—schrijft Kohler over deze soort +werken—„<span lang="de">handelt es sich um eine +Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige Anwendung +der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des Wichtigen aus +der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit +<span class="corr" id="xd20e5840" title="Bron: and">und</span> +Uebersichtlichkeit entscheidend ist</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e5845src" href="#xd20e5845" name="xd20e5845src">4</a>. Wij hebben +hier dus te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden +weergegeven.</p> +<p>Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard; nl. +pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden +gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens: +gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift worden +gebracht door middel der <i>choregraphie</i>, een woord dat het eerst +schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te Parijs, +die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert: <i lang= +"fr">Chorégraphie, ou l’art d’écrire la danse +par caractères, figures et signes démonstratifs</i>. Ook +ten aanzien van deze werken bestaat er dus reden te spreken van eene +taal, die gedanst kan worden en geschreven, maar niet gesproken.</p> +<p>Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij +daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de +bouwkunst, de verschillende soorten van kunstnijverheid of technische +kunsten en de photographie.</p> +<p>Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:</p> +<ul> +<li>I De werken, waarbij als materiaal eene <i>taal</i> dienst doet, en +wel: +<ul> +<li><i>a</i>) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);</li> +<li><i>b</i>) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van +technischen of wetenschappelijken aard;</li> +<li><i>c</i>) de taal der muziek (werken der toonkunst);</li> +<li><i>d</i>) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische +werken);</li> +</ul> +</li> +<li>II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden +vallen: +<ul> +<li><i>a</i>) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in +twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen); <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5893" href="#xd20e5893" name= +"xd20e5893">130</a>]</span></li> +<li> +<p class="first">b) de kunstnijverheid;</p> +</li> +<li> +<p class="first">c) de photographie;</p> +</li> +<li> +<p class="first">d) de bouwkunst.</p> +</li> +</ul> +</li> +</ul> +<p>Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder +een van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de +bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. +In sommige landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische +werken, terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en +de producten der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde +auteursproducten worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep +„werken van beeldende kunst” onbeschermd is, staat echter +in dit opzicht onder de beschaafde staten alleen.</p> +<p>In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende +auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken +zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken +hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het +woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, +teekeningen, inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen +dans en muziek (bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); +maar vooral is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst +en muziek kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding +worden gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van +elkander blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) +slechts de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene +zelfstandige muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft +gestreefd eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander +(of door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die +gevallen van <i>programma-muziek</i> in tegenstelling van de +dusgenoemde <i>absolute muziek</i>. De band is reeds nauwer, waar de +muziek als begeleiding van het gesproken woord optreedt. Dit voert tot +het zoogenoemde <i>melodrama</i>, een kunstvorm die in de laatste jaren +weer meer in zwang schijnt te komen. De innigste samensmelting van +woord en toon vindt men echter in de vocale muziek, composities voor de +menschelijke stem, al of niet met instrumentale begeleiding. Hoewel het +altijd mogelijk blijft, de twee elementen, waaruit deze werken bestaan, +muziek en tekst, van elkander te scheiden, zijn zij toch meestal te +beschouwen als één geheel, zoowel uit aesthetisch oogpunt +(men denke b.v. aan de muziekdrama’s <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e5919" href="#xd20e5919" name= +"xd20e5919">131</a>]</span>van Richard Wagner) als met het oog op de +exploitatie. Ten aanzien van het auteursrecht is dit in verschillende +opzichten van belang<a class="noteref" id="xd20e5921src" href= +"#xd20e5921" name="xd20e5921src">5</a>; in dit verband is het voldoende +erop te wijzen, dat naast het recht op de muziek en dat op den tekst +bij deze werken ook kan bestaan een recht op het geheel, zoodat dit +laatste in het auteursrecht als een afzonderlijk rechtsobject is te +beschouwen.</p> +<p>Iets dergelijks is het geval met de „verzamelwerken”, d. +w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen, zooals +b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze +samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste +wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit +geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp van +auteursrecht.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin +aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die zich in +abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend +exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de +praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers, +instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke +schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de +„creatie” van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat +zich ten aanzien van deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht +van exploitatie in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, +kan misschien voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot +nu toe slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, +deze kunstpraestaties buiten toedoen van den „auteur” te +exploiteeren. Doch evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de +behoefte aan kopierecht heeft doen ontstaan en de verschillende +reproductie-methodes van prenten en schilderijen tot het verleenen van +auteursrecht op werken van beeldende kunst hebben geleid, is het niet +geheel onmogelijk, dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van +soortgelijken aard zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee +uitvindingen van de laatste jaren, die in dit opzicht niet geheel +zonder gevolg zijn gebleven, n.l. de phonograaf of grammophoon en de +kinematograaf. De eerste dient, zooals bekend, tot het reproduceeren +van klanken, <span class="pagenum">[<a id="xd20e5933" href="#xd20e5933" +name="xd20e5933">132</a>]</span>die door middel van een naald, die op +bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert, in een cylinder of +plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale muziek en ook de +sprekende menschelijke stem worden door middel van de daarvan gemaakte +phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven<a class="noteref" id= +"xd20e5935src" href="#xd20e5935" name="xd20e5935src">6</a>.</p> +<p>Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige +<span class="corr" id="xd20e5946" title= +"Bron: belissing">beslissing</span> van het Hof van Berlijn, waarbij +erkend werd het „auteursrecht” van den zanger op zijne +stem. Een zanger had liederen gezongen in een phonograaf en de door hem +„bezongen” rollen waren in den handel gebracht. Hiervan +werden nu zonder zijne toestemming door een derde nieuwe reproducties +gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore brengen van gezang +voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt en dat het product van +dezen arbeid, evengoed als een geschrift of eene muzikale compositie, +als object van auteursrecht is te beschouwen volgens de (toen nog van +kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870<a class="noteref" id="xd20e5949src" +href="#xd20e5949" name="xd20e5949src">7</a>.</p> +<p>Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, +vooral indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met +eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel en +mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt het +mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar en +zichtbaar weer te geven.</p> +<p>Een <i lang="fr">Congrès de l’art théatral</i>, +gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds den wensch uitgesproken, dat de +tooneelspeler tegen de reproductie zijner interpretatie zou worden +beschermd<a class="noteref" id="xd20e5961src" href="#xd20e5961" name= +"xd20e5961src">8</a>. Ook de <i lang="fr">Association</i> heeft zich +met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter sprake, of +niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering, i. e. +w. de „aankleeding” van een stuk, voorwerp van een +uitsluitend recht behoort te zijn<a class="noteref" id="xd20e5970src" +href="#xd20e5970" name="xd20e5970src">9</a>. Wat dit laatste betreft +bestaat er een arrest <span class="pagenum">[<a id="xd20e5982" href= +"#xd20e5982" name="xd20e5982">133</a>]</span>van 30 Dec. 1898 van het +Cour d’appel van Parijs, waarbij wordt beslist, dat aan het +<i lang="fr">théatre de la Porte-Saint-Martin</i> het +<i>auteursrecht</i> toekomt op de mise-en-scène van het door die +schouwburg-onderneming vertoonde stuk <i>Cyrano de Bergerac</i>. Na de +overweging, dat de decors als kunstwerken zijn te beschouwen, die de +bescherming der wet genieten, wordt in het arrest verder gezegd: +„<span lang="fr">... qu’il en est de même de la mise +en scène, comprenant les costumes et le groupement des +personnages, dont le plan général et la conception, le +plus souvent réglés par un livret manuscrit ou +inprimé, sont une oeuvre de l’esprit susceptible +d’être protégée par la loi. Qu’il suit +de là que la reproduction<a class="noteref" id="xd20e5996src" +href="#xd20e5996" name="xd20e5996src">10</a>, soit des décors, +soit de la mise en scène, ne peut être faite sans le +consentement du propriétaire</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e6000src" href="#xd20e6000" name="xd20e6000src">11</a>.</p> +<p>Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn, +welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende +bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet +van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen, +kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder +de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het +begrip „kunstwerk” in het auteursrecht zoo ver uit te +breiden, dat daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, +regisseurs enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. +i. alle reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.</p> +<p>Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft, +hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van een +kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op: +„<span lang="de">Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht +blosz aus den Aufzügen und Gewändern, sondern auch aus dem +Arrangement der Zimmer, aus der Gruppirung der Naturobjecte—diese +ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk, als ähnliche Arrangements im +Leben es sind</span>”<a class="noteref" id="xd20e6012src" href= +"#xd20e6012" name="xd20e6012src">12</a>. Hij maakt dan nog verder de +opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij, dat in de +kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een gobelin enz. wel +als werken van beeldende <span class="pagenum">[<a id="xd20e6017" href= +"#xd20e6017" name="xd20e6017">134</a>]</span>kunst object van +auteursrecht kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding +van het stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt +mij voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal +zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet de in +beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een stukje +werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel +bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf, welke +zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan dus niet +als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks de +artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om +dezelfde reden vallen ook buiten den kring der <i>kunstwerken</i> in +den hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde +optochten<a class="noteref" id="xd20e6022src" href="#xd20e6022" name= +"xd20e6022src">13</a>, uitstallingen voor winkelruiten of op +tentoonstellingen enz. enz.</p> +<p>Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals +reeds werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in +zich hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen +zijn—het behoeft nauwelijks te worden gezegd—niet maar te +beschouwen als instrumenten in de hand van den schrijver of componist. +Het ten gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in +de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale +hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min of +meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor +muziekwerken); de <i>verwerkelijking</i> hiervan moet hij aan anderen, +de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet weg, +dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een +drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn in dat +geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van elkander te +onderscheiden.</p> +<p>In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of +reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene +uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als „<span lang= +"de">... eine Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten +des Augenblicks in Bezug auf Stimme <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e6043" href="#xd20e6043" name="xd20e6043">135</a>]</span>Betonung, +Ausdrucksweise;</span>” doch dat dit nog geen reden is om het als +object van auteursrecht te verwerpen, daar ook van sommige +„<span lang="de">Autorwerke</span>” (als voorbeeld noemt +hij de improvisatie) hetzelfde kan worden gezegd<a class="noteref" id= +"xd20e6049src" href="#xd20e6049" name="xd20e6049src">14</a>. Deze +verwijzing naar de improvisatie was m. i. niet eens noodzakelijk; ik +zou zelfs meenen, dat in het algemeen het werk van uitvoerende +kunstenaars niet meer dan dat van de „scheppende” in +engeren zin onder toevalligheden als b. v. de stemming van het +oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en de componist komen +ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet met hun werk +onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen en +overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische +moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn, +maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking te +ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken in +mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken zijn +de pianist, die een hem onbekend stuk <i lang="fr">à vue</i> in +de concertzaal zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo +iets echter niet licht te verwachten.</p> +<p>Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van +meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler +opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars +<i>niet</i> als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: +„<span lang="de">Wohl aber kann an allem diesen <span lang= +"nl-1900">(d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook b. v. die van +den orkest-leider)</span> ein Persönlichkeitsrecht bestehen, denn +es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische +Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr +hierdurch dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich +die „Gunst” des Augenblicks.</span>”</p> +<p>In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel +ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht der +uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen +auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat een +zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping +vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken +van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij +hebben <i>gemaakt</i>, maar hetgeen zij <i>doen</i>. Met het oog +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6077" href="#xd20e6077" name= +"xd20e6077">136</a>]</span>hierop is Kohler’s karakteriseering +van de reproductie hunner kunst als „<span lang= +"de">Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit</span>” zeer +goed te aanvaarden. Ik meen echter, dat dit niet steeds zoo behoeft te +blijven. De reproductie-middelen, welke hier ten dienste staan +(speciaal grammophoon, phonograaf en de „Mignon”-piano), +zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem of de muziek die zij +weergeven hoort men nog storende bijgeluiden, en de rollen en platen +die worden gebruikt zijn te klein, om werken van eenigszins langeren +adem zonder af te breken ten gehoore te brengen. Indien men echter +nagaat, welke vorderingen de techniek reeds heeft gemaakt, is de +verwachting niet zonder grond, dat men ook deze gebreken in den loop +der jaren zal weten te verhelpen.</p> +<p>Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal +ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der +uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het +woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift +voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars +van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon +te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar +te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar +behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het +phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt +aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven, +dan zal men niet meer kunnen spreken van „<span lang= +"de">mechanische Nachäffung ihrer +Augenblickstätigkeit</span>.” Het zal dan niet meer zijn +eene nabootsing van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik +<i>deed</i>, maar zijn werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. +En daarmede zal het principieele verschil tusschen werken van dezen +aard en die van de scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels +zijn vervallen. Ik zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang +en spel dan niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten +rekenen, als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende +kunst.</p> +<p>Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en +verhoudingen, waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit +zullen intreden en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. +Het zou dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband +hiermede <span class="pagenum">[<a id="xd20e6092" href="#xd20e6092" +name="xd20e6092">137</a>]</span>reeds nu van een auteursrecht, +toekomende aan zangers, voordragers, tooneelspelers enz. te spreken. +Het doel mijner opmerkingen was slechts, te doen uitkomen, dat de kring +der objecten van auteursrecht nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat +de grenzen, zooals wij die nú hebben te stellen, waarschijnlijk +binnen niet al te langen tijd reeds te eng zullen blijken.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Geschriften</h3> +<div class="div3" id="ch3.2.1"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">a Kenmerkende eigenschappen</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van +auteursproducten, waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van +de geschriften, juister gezegd: van de <i>werken der woordkunst</i>. +Want ook daar, waar niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in +taal voorhanden zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare +afbeelding van hetgeen in de taal is gewrocht en geen essentieel +bestanddeel daarvan. Er bestaat daarom geen reden om onderscheid te +maken tusschen de werken, welke de auteur in schriftvorm waarneembaar +heeft gemaakt, en die welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De +auteur kan zijn werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner +publiek; indien het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler +diens rol mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al +zal het in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat +hij zijn geestesproduct—een gedicht b.v.—alleen aan den +phonograaf heeft toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk +in woordtaal het aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar +één letter behoeft te zijn geschreven. Doch men zal +inzien dat deze omstandigheid niets afdoet aan de vraag, of deze werken +al dan niet object van auteursrecht kunnen zijn. Waar het alleen op +aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen en +dus niet alleen in den geest van den auteur bestaat, maar door anderen +hetzij waargenomen is, hetzij buiten den auteur om waargenomen kan +worden.</p> +<p>Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct +worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van +auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot +stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6107" href="#xd20e6107" name= +"xd20e6107">138</a>]</span>moet zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te +vertalen uitdrukking noemt: „<span lang="de">ein <span class= +"corr" id="xd20e6111" title= +"Bron: künstleriches">künstlerisches</span> Gebilde der +Sprache</span>”<a class="noteref" id="xd20e6115src" href= +"#xd20e6115" name="xd20e6115src">15</a>. Hiermede wordt niet bedoeld, +dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de zoogenaamde +„schoone letteren” (belletrie, „literatuur” in +engeren zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel +hebben aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in +wetenschappelijke verhandelingen), valt eene zekere +„woordkunst” niet te miskennen. „<span lang="de">Zu +den Kunstwerken</span>,”—schrijft +Kohler,—„<span lang="de">mindestens zu den Kunstwerken in +thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch +diejenigen literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes +sind, auch diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke +verfolgen: denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der +Sprache, die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: +sie ist eine Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der +Freiheit des Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem +bloszen Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei +es auch nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. +Allerdings: die Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist +nicht ästhetisch, denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf +wenigstens direkt keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des +Schönen; wohl aber ist hierbei die Benützung der Sprache eine +künstlerische, weil die Sprache über ihre ursprünglichen +Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes, sich erhebt, weil sie dadurch +ihre eigentlichen Zwecke abwirft und relativ zwecklos +wird</span>”<a class="noteref" id="xd20e6127src" href= +"#xd20e6127" name="xd20e6127src">16</a>.</p> +<p>Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt, +b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in +gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht +geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal +zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te +zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: „<span lang= +"de">eine dem ordentlichen Kreis des Lebensverkehrs entzogene +abgerundete Darstellung</span>”—zooals Kohler het elders +uitdrukt<a class="noteref" id="xd20e6137src" href="#xd20e6137" name= +"xd20e6137src">17</a>.</p> +<p>Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik, dat +van <span class="pagenum">[<a id="xd20e6144" href="#xd20e6144" name= +"xd20e6144">139</a>]</span>de taal kan worden gemaakt, het +„<span lang="de">künstlerische</span>” en het +„<span lang="de">nicht-künstlerische</span>”, heeft +Kohler een juist en doeltreffend criterium aan de hand gedaan om te +beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot de auteursproducten is te +rekenen<a class="noteref" id="xd20e6152src" href="#xd20e6152" name= +"xd20e6152src">18</a>. Vele schrijvers hebben zich met deze vraag +beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of geschreven kan +worden een door auteursrecht beschermd „geschrift” is, +daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de +kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke +stelt b.v. als eisch: „<span lang="de">Um aber ein Schriftwerk +(n.l. volgens de Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss +die Merkmale eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch +Formgebung individualisirter Gedanken-inhalt darstellen,</span>” +en eenige regels verder: „<span lang="de">Es muss sich als +originale geistige Schöpfung offenbaren, die so nur aus der Arbeit +eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e6180src" href="#xd20e6180" name= +"xd20e6180src">19</a>. Dat Gierke het kenmerk vooral in het +persoonlijke karakter van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk +met zijne theorie der „<span lang= +"de">Persönlichkeitsrechte</span>”, waartoe ook het +auteursrecht volgens hem behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als +vereischte stelt voor een geschrift om voorwerp van auteursrecht te +zijn, niet onjuist, al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op +datgene, waar het voornamelijk op aankomt.</p> +<p>Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder +goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter +beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen +sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen, +welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver +daarvoor zijn bestemd<a class="noteref" id="xd20e6190src" href= +"#xd20e6190" name="xd20e6190src">20</a>. Doch de eigenschap, welke hier +als kenmerk <span class="pagenum">[<a id="xd20e6215" href="#xd20e6215" +name="xd20e6215">140</a>]</span>moet dienstdoen, vindt niet zoozeer +haar oorsprong in de gesteldheid van het werk zelf, dan wel in +daarbuiten liggende omstandigheden, als b.v. de smaak en de +ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid van het gebied der +taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze omstandigheden zijn +bovendien aan verandering onderhevig: een geschrift, dat op het +tijdstip zijner voltooiing niet „<span lang= +"de">verlagsfähig</span>” is, kan dit later worden en +omgekeerd. Dit criterium mist dus allen vasten grond.</p> +<p>Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt als +„vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp van +kopierecht te maken.” Behalve dat het werk een „individueel +letterkundig geestesproduct” moet zijn (eene omschrijving, die +niet onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver +nog: „dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd” (iets +dat voor een geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat „deze +verveelvoudiging een vermogensvoordeel kan opleveren”<a class= +"noteref" id="xd20e6222src" href="#xd20e6222" name= +"xd20e6222src">21</a>. Door dit laatste wordt wederom niet eene +blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar eene veranderlijke, +van andere factoren afhankelijke omstandigheid tot criterium genomen. +Het is mij bovendien uit de toelichting, die hierbij wordt +gegeven<a class="noteref" id="xd20e6230src" href="#xd20e6230" name= +"xd20e6230src">22</a>, niet volkomen duidelijk geworden, hoe moet +worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel te +behalen al dan niet bestaat.</p> +<p>Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch +schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de—door onze wet +beschermde—geschriften. Een geschrift moet volgens dezen +schrijver zijn „een letterkundig geestesproduct” en dit +laatste wordt omschreven als: „product des geestes, in +schriftelijken vorm, dat, als geheel, van individueelen geestelijken +arbeid getuigt en waaraan men, wegens vorm of inhoud, waarde hechten +kan”<a class="noteref" id="xd20e6235src" href="#xd20e6235" name= +"xd20e6235src">23</a>. Op deze definitie zijn verschillende +aanmerkingen te maken. De „schriftelijke vorm” is, zooals +boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van een +„geschrift” en had dus in de definitie niet behooren +opgenomen te worden. Dat een werk, om beschermd te <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6243" href="#xd20e6243" name= +"xd20e6243">141</a>]</span>zijn, van „individueelen geestelijken +arbeid” moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de uitdrukking +is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk „individueel” in +dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke +arbeid nog geen <i>auteursarbeid</i> is; men denke bv. aan het +moeitevol ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den +stenograaf, die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te +brengen. Ten slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, +„wegens vorm of inhoud” waarde kunnen worden gehecht. Dat +eene onbestemde uitdrukking als deze niet bevorderlijk is tot het +verkrijgen van een scherp omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden +gezegd. M. i. ware dan ook deze laatste zinsnede beter geheel +weggelaten. De beteekenis kan niet anders zijn dan deze, dat de +geestelijke arbeid, die aan het werk is besteed, althans eenig +resultaat moet hebben gehad, dat er iets, al is het nog zoo weinig, +door tot stand moet zijn gekomen, dat door een redelijk wezen +gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het geval is—b.v. bij de +uiting van een krankzinnige—kan men moeilijk spreken van een +„product des geestes”. De geest heeft zich misschien wel +afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben +<i>voortgebracht</i>.<a class="noteref" id="xd20e6251src" href= +"#xd20e6251" name="xd20e6251src">24</a> Het behoeft geen betoog, dat +eene opeenvolging van woorden en „zinnen” zonder organisch +verband geen „geschrift” is, in den zin waarin dit woord +hier wordt gebruikt, evenmin als een losse hoop steenen een gebouw +vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had, dit met de laatste zinsnede +zijner definitie uit te drukken, had deze (scil. die laatste zinsnede) +dus achterwege kunnen blijven. Men zou echter de uitdrukking ook enger +kunnen opvatten en er uit kunnen lezen, dat alleen die geschriften als +objecten van auteursrecht in aanmerking komen, die aan zekere eischen +van wetenschappelijken of aesthetischen aard voldoen. Indien dit de +bedoeling is geweest, <span class="pagenum">[<a id="xd20e6261" href= +"#xd20e6261" name="xd20e6261">142</a>]</span>zijn de bezwaren ertegen +van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of weinig +belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten; het zou +trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden, waarnaar de +beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of +wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing te +worden gelaten<a class="noteref" id="xd20e6263src" href="#xd20e6263" +name="xd20e6263src">25</a>; de eenige eisch, die mag worden gesteld, +is, dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe +opzettelijk kunstmatig bewerkte taal.</p> +<p>Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven +begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te +verkiezen is, omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat +aan de auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: +belooning van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht +op het voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, +waar iets is voortgebracht, waar eene schepping—of zoo men liever +wil: een maaksel—van den geest voorhanden is. De meerdere of +mindere volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; +evenmin komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe +noodig is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben +wij te maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te +zijn, eene kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of +ontdekking); en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen +hebben: eene kunstschepping in taal, „ein künstlerisches +Gebilde der Sprache”.</p> +<p>Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene +uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede is +nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed, dat +object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer dan +enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt +hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan eene aesthetische +schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij benadering, ook met +andere woorden of in eene andere taal zou kunnen worden uitgedrukt. Dit +stelt ons voor eene andere vraag, niet minder belangrijk dan de +voorgaande, n.l. hoever reikt in elk <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e6273" href="#xd20e6273" name="xd20e6273">143</a>]</span>geval de +schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal, als +het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze vraag +naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld vormen +van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en dus +tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds is +vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het zijne +kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch3.2.2"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">b Vorm en inhoud</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers +over auteursrecht met de woorden „vorm” en +„inhoud” omspringen en over de geringe waarde die daarom +aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds met een enkel woord +gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker wel mr. J. A. Levy, die +in een kort opstel—voor zoover mij bekend het eenige geschrift +van zijne hand dat over auteursrecht handelt<a class="noteref" id= +"xd20e6280src" href="#xd20e6280" name="xd20e6280src">26</a>—zich +aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen +schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op +te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van +groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen, +die zich—om welke reden ook—op hetzelfde standpunt +plaatsen, in casu de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner +Conventie<a class="noteref" id="xd20e6288src" href="#xd20e6288" name= +"xd20e6288src">27</a>.</p> +<p>Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de +uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte +<i>gedachte</i> tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:</p> +<p>„Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom <i>van den +vorm der gedachte</i>. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. +Er bestaat bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of +gedachte en taal identiek („spreken is overluid denken, denken is +stil spreken”), dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter +gedachte en woord een innig samenhangend, onverbreekbaar +bijeenbehoorend <span class="pagenum">[<a id="xd20e6307" href= +"#xd20e6307" name="xd20e6307">144</a>]</span>samenstel zijn, daaraan +twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van een rechtsstelsel, +dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te verklaren, niet durft +te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt, door te scheiden, wat de +wetenschap één verklaart?”</p> +<p>Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte +(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander +verbonden, dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander +niet; bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van +het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus tot +niets.</p> +<p>Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder +verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde +onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: „Door den +<i>vorm</i> tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud +aan den vorm ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig +reeds juridisch verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen +inhoud en vorm onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den +toon aangeven.”</p> +<p>Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. +De vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van +auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom +wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema +gaat de schrijver nog eenigen tijd door: „... het op den +voorgrond sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij +daardoor wordt ontzield”.... „Ongeraden blijft het steeds +van rechtswege de meening te doen postvatten, dat het bij de +letterkunde slechts om <i>den vorm</i>, het golvende kleed der zwierige +phrase, en minder om <i>den inhoud</i> te doen is. Wie weet, in +hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk is voor den +klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener aanstormende +bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl Apollo het +aangezicht zich omsluiert?”</p> +<p>Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het +auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen +hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als +een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen, +zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het +privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op +dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6326" href="#xd20e6326" name= +"xd20e6326">145</a>]</span>de wet nog verder dan de wet zelf, die de +meeste buitenlandsche werken onbeschermd laat (artt. 27 en 28). Deze +eerbied strekt zich echter niet tot het uitsluitend vertalingsrecht +uit, dat toch ook—zij het dan in beperkte mate—door onze +wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of het auteursrecht ook het +vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord gegeven: „Neen en +beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke overtuiging nopens de +ijdelheid van alle auteursrecht—tegen de wet in, die ik naleven +moet—prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het beweerd +vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig zij ook +optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een staketsel +van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht van +uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter +hanteeren dan den degen der bewijsvoering,—het vertalingsrecht is +eene aanmatiging, een hersenschim.”</p> +<p>Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst +doen uit het <i>Lehrbuch der Psychologie</i> van F. Jodl (Stuttgart +1898 pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft +Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist weer +met hetgeen hij erop laat volgen: „Wat hij (scil. Jodl) leert, +is: de vertaler arbeidt met <i>zijn eigen</i> gedachtensfeer, met +<i>zijn eigen</i> voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de +vertaler, op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den +invloed, den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking +is een logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders +dan bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem, +met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien +arbeid des geestes de <i>eigen</i>schap van <i>eigen</i> te zijn? +enz.”</p> +<p>Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen +bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van „vrije vertaling” en +„bewerking” gesproken als van synoniemen en worden beide +voor „een logen” uitgemaakt, terwijl in de volgende zin +deze uitspraak ten aanzien der „vrije vertaling” wordt +bevestigd, doch ten aanzien der „bewerking” wederom +weersproken door de bewering: „nooit wordt zij anders dan +bewerkt”, m. a. w. elke vertaling is eene +„bewerking”.</p> +<p>Doch vooral in verband met de beschouwingen over „vorm en +inhoud”, die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het +vertalingsrecht opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is +eene bescherming van den inhoud en niet van den vorm, en zou +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6349" href="#xd20e6349" name= +"xd20e6349">146</a>]</span>dus door Mr. Levy, indien deze zich +consequent betoond had, als het minst verwerpelijke bestanddeel van het +auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij zien hier echter juist +het tegenovergestelde geschieden. De groote nadeelen, die uit het +„op den voorgrond sleepen van den vorm” ten koste van den, +veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt Mr. Levy weer te +zijn vergeten, waar hij schrijft: „Voor +„auteursrecht” klampt men zich vast <i>aan den vorm</i>. +Hier ontzinkt u ook deze, want des vertalers <i>vorm</i> is de vorm +<i>van den vertaler</i>. Wat blijft er over?” En in een +naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp van +Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met een beroep +op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt, herhaald: +„Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze wet +<i>den vorm</i> alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg, +naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm <i>zijn +eigendom</i> is, wat blijft er dan, in ’s hemels naam, te +beschermen over?”</p> +<p>Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. +Wat er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van +zijn opstel den „inhoud” genoemd heeft, dus datgene wat +overblijft, als men het geschrift „het golvende kleed der +zwierige phrase” heeft uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van +„klinkklank en zingzang”.</p> +<p>Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica +in Mr. Levy’s betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt +beweerd, dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar +geheel vormen en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. +Terstond daarop wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets +onbestaanbaars zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) +afgekeurd, op grond dat daardoor de letterkunde wordt +„ontzield” enz. En dit betoog loopt tenslotte uit op eene +veroordeeling van het uitsluitend vertalingsrecht, waarvoor als +voornaamste argument moet dienen, dat het auteursrecht (en speciaal het +auteursrecht van onze wet)... alleen den vorm beschermt! Wat eerst als +iets onmogelijks wordt voorgesteld en daarna ten scherpste wordt +afgekeurd, datzelfde is nu plotseling een vanzelf sprekend feit +geworden: „immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm <i>zijn +eigendom</i> is...”!</p> +<p>Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde +bewijzen en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op +apodictischen <span class="pagenum">[<a id="xd20e6377" href= +"#xd20e6377" name="xd20e6377">147</a>]</span>toon worden verkondigd, is +inderdaad niet te vinden. En indien het waar is, wat mr. Levy beweert: +dat slechts aan zijne zijde met den „degen der +bewijsvoering” wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders geen +ander wapen hebben dan „den knuppel der lompheid”, dan +kunnen deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het +edele wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen, +weinig kwaad kan, zoolang er—zooals hier—slechts gaten mee +in de lucht worden geprikt.</p> +<p>Doch laat ons thans het vraagstuk van „vorm en inhoud” +wat meer van nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de +verhouding tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de +wetenschap één worden verklaard?</p> +<p>De stelling: „spreken is overluid denken, denken is stil +spreken” is inderdaad door sommige geleerden verdedigd<a class= +"noteref" id="xd20e6383src" href="#xd20e6383" name= +"xd20e6383src">28</a>, doch door een zeker niet minder groot aantal met +groote beslistheid tegengesproken. Dat denken en spreken +één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken mogelijk +zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen van grooten +wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet alleen, maar +argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor weerlegging +vatbaar zijn.</p> +<p>Steinthal<a class="noteref" id="xd20e6394src" href="#xd20e6394" +name="xd20e6394src">29</a> b.v. noemt een groot aantal gevallen op, +waarin gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van +denkende wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de +dieren, en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook +normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand wordt +gephantaseerd—hetgeen ook een intellectueel handelen kan worden +genoemd—zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van +ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij wij +een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons +opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer +beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder hulp +der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens, die +in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6406" href="#xd20e6406" name= +"xd20e6406">148</a>]</span>en op het Chineesche schrift, waarbij het +meer aankomt op het zichtbare teeken dan op het klankbeeld, welk +laatste de Chineezen soms zelfs niet eens schijnen te kennen. Het +denken—schrijft Steinthal—moge ons met behulp van woorden +gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor; „<span lang= +"de">weil wir an diese Krücke gewöhnt +sind</span>”<a class="noteref" id="xd20e6411src" href= +"#xd20e6411" name="xd20e6411src">30</a>.</p> +<p>Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. +Land<a class="noteref" id="xd20e6416src" href="#xd20e6416" name= +"xd20e6416src">31</a>. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen +volgens dezen schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de +opgewekte eigen werkzaamheid van den hoorder of lezer. „Reeds dat +schetsachtige van alle spreken en schrijven, en de behoefte aan +tegemoetkoming van den anderen kant, maakt de vereenzelviging van +denken en spreken, als ééne zaak met een binnen- en een +buitenzijde, onaannemelijk”. Ook deze schrijver geeft toe, dat +het denken, uit kracht der gewoonte, wel meestal met spreken of althans +met voor zichzelf in woorden brengen, gepaard gaat. Doch hij wijst +erop, dat dit nog geen „denken in” de eene of andere taal +beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet wenschen verschillende talen +door elkander te mogen gebruiken, om elk deel van hetgeen men denkt +goed tot zijn recht te laten komen, en hoe dikwijls moet men niet iets +van de schakeering zijner gedachten opofferen om de taal zuiver te +houden<a class="noteref" id="xd20e6425src" href="#xd20e6425" name= +"xd20e6425src">32</a>.</p> +<p>En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan te +halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede<a class= +"noteref" id="xd20e6430src" href="#xd20e6430" name= +"xd20e6430src">33</a> over de vraag: „Is denken zonder woorden +mogelijk?” aldus uit: „Ik meen echter, dat het antwoord +zeer beslist moet luiden: denken zonder woorden is mogelijk, geschiedt +zelfs door ieder mensch iederen dag.” Men moet daarbij +onderscheid maken tusschen bewust en onbewust denken; alleen van het +eerste kan gezegd worden dat het <i>meestal</i>—dus niet eens nog +altijd—met woorden geschiedt. „Dat er +echter”—gaat dr. Woltjer voort—„een denken +zonder woorden is en in en door ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo +dikwijls voorkomende geval, dat wij naar een woord of naar het juiste +woord <span class="pagenum">[<a id="xd20e6441" href="#xd20e6441" name= +"xd20e6441">149</a>]</span>voor een gedachte of eene voorstelling +moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat wij de voorstelling of +wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen daarnaar verschillende +woorden, die ons door associatie of op eenige andere wijze voor het +bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den maatstaf, of ze passen om +uit te drukken wat wij uitdrukken willen; passen ze niet, dan zoeken +wij een ander woord, totdat wij het juiste gevonden hebben en zeggen: +dát is het. We hebben dus de gedachte, maar het symbool voor de +gedachte, het woord hebben we niet”<a class="noteref" id= +"xd20e6443src" href="#xd20e6443" name="xd20e6443src">34</a>.</p> +<p>Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig +zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om op +hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende +rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor +één en hetzelfde; met Steinthal<a class="noteref" id= +"xd20e6448src" href="#xd20e6448" name="xd20e6448src">35</a> meen ik te +moeten onderscheiden tusschen den „<span lang= +"de">darzustellenden Gegenstand</span>” en de taal, die +„<span lang="de">den Gegenstand darstellt</span>”; dus +tusschen datgene wat de schrijver heeft te zeggen en de reeks van +woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd heeft. Noemt men nu het +eerste den <i>inhoud</i> en het tweede den <i>vorm</i> van het +geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat de +inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden +is, maar dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, +dat het niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen +vorm te vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd +terugvindt.</p> +<p>Het „geven van een anderen vorm aan den inhoud” +geschiedt voornamelijk bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de +taal één is met hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou +de vertaler, die immers andere woorden en andere zinnen gebruikt, ook +noodzakelijkerwijze andere gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan +de oorspronkelijke schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel +nieuw werk zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het +oorspronkelijke vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van +Mr. Levy te zijn blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. +kan dit niet in ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk +geschriften, waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6465" href="#xd20e6465" name= +"xd20e6465">150</a>]</span>uitmaakt, dat zij bezwaarlijk in eene andere +taal kunnen worden weergegeven zóó dat hun wezen behouden +blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en reeds uit het feit, +dat men deze geschriften „onvertaalbaar” pleegt te noemen, +valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het getrouw en +volkomen weergeven van <i>hetzelfde</i> werk in eene andere taal; +indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk +geschrift „vertaald” kunnen worden. Zonderen wij deze +onvertaalbare of moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik +uit, dan kan als algemeene regel worden gesteld, dat eene goede +vertaling de gedachten en gevoelens, die den inhoud van het +oorspronkelijke werk uitmaken, nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en +daar een enkele gevoels- of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, +daar staat tegenover, dat de vertaler misschien op andere plaatsen +uitdrukkingen heeft weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken +schrijver, die aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in +juistheid en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling +lijdt, is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te +worden genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen +<i>volmaakt</i> beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den +schrijver. Dat de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde +als het origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends +te beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument +gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: +„<span lang="de">Die Fähigkeit der Uebersetzung aus einer +Sprache in die andere zeigt doch wohl klahr, wie der Gedanke nur +über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen lebt als in seinem +Leibe</span>”<a class="noteref" id="xd20e6476src" href= +"#xd20e6476" name="xd20e6476src">36</a>. Eigenaardig is het, hiernaast +eene opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der +door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot de +taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en +gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt +afgeschilderd: „<span lang="de">Daher</span>” (nl. wegens +het verschil van zinsbouw in het Latijn en in de moderne talen) +„<span lang="de">kann man sehr selten eine bedeutende Phrase aus +einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen: +sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen, +gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, +ohne <span class="pagenum">[<a id="xd20e6485" href="#xd20e6485" name= +"xd20e6485">151</a>]</span>alle Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann +aber musz man ihn wieder mit einem neuen ganz andern Leibe bekleiden, +in den Lateinischen Worten, die ihn in ganz andrer Formen wiedergeben; +so dasz z. B. was im Original durch Substantive, jetzt durch Verba +ausgedrückt wird u. s. w.</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e6488src" href="#xd20e6488" name="xd20e6488src">37</a>. Wat hier +duidelijk als Schopenhauer’s opvatting uitkomt, is +dat—ondanks het groote verschil in constructie—toch de +nieuwe, latijnsche zin denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; +de geest is volgens zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij +nu in een ander lichaam. En wat hier van één enkele zin +wordt gezegd, geldt natuurlijk nog in verhoogde mate van een geschrift +in zijn geheel; sommige kleine onderdeelen kunnen in de vertaling +minder zuiver zijn weergegeven, doch in de groote lijnen blijft het +werk ongerept.</p> +<p>Er zijn echter—zooals ik reeds opmerkte—geschriften, +waarop het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is, +n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te +zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf: +de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in +poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel +niemand willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral +door de letterkundige beweging van ’80 op den voorgrond gebracht, +volgens welke bij de beoordeeling van een vers <i>uitsluitend</i> met +deze twee factoren rekening moet worden gehouden. In poëzie zou +dus geen inhoud bestaan, die van den vorm kan worden afgescheiden, of +zoo dit al mogelijk is, dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, +zonder eenige waarde zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing +van deze, ook voor het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele +aanhalingen van hare meest bekende voorstanders.</p> +<p>„Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, +weêrgegeven in geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt +in de beteekenis der woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. +in een vers van Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders +rangschikt, als de dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver +logisch oordeel, is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6510" href="#xd20e6510" name= +"xd20e6510">152</a>]</span>verloren. Wel een bewijs dat de poëzie +niet kan bestaan zonder de klankexpressie, ’t gezongene van +’t vers, in verband natuurlijk met de +woordbeteekenis”<a class="noteref" id="xd20e6512src" href= +"#xd20e6512" name="xd20e6512src">38</a>.</p> +<p>„De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek +van Kloos en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der +„klankexpressie”, door hen het eerst aldus genoemd, en +gevestigd op de stelling dat <i>als poëzy</i> de gedachte zonder +den vorm of klank volkomen zonder waarde is. Immers had de gedachte op +zich zelve waarde, dan zou er niet een essentiëel onderscheid zijn +tusschen een slechte vertaling en een goed origineel, tusschen een +schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en het werk van Dante zelf, +tusschen een leelijk fotografiesch portret en den levenden +mensch”<a class="noteref" id="xd20e6528src" href="#xd20e6528" +name="xd20e6528src">39</a>.</p> +<p>„Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is +het minst symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de +allernauwkeurigste expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat +melodie en zielstoestand éénzelfde ding is.</p> +<p>Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden +zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan +verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden—zoo +goed als <span class="corr" id="xd20e6540" title= +"Bron: melodiëen">melodieën</span>—en enkel door hun +geluid en hun rhythme kunnen zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel +zeker zal een woordenreeks expressiever zijn naarmate zij minder +zinnebeeld en meer muziek is.</p> +<p>Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en +innig zijn, dat deze schijnen als <span class="corr" id="xd20e6545" +title="Bron: melodiëen">melodieën</span>, geen symboliek, +maar zielstoestanden zelf”<a class="noteref" id="xd20e6548src" +href="#xd20e6548" name="xd20e6548src">40</a>.</p> +<p>„Wat gij doen moet” (nl. bij het voordragen van verzen) +„is alleen op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen +moet gij laten hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den +rhythmus noemt, en het geluid van de klanken... Ik spreek nu +gemakshalve van den vorm, om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In +rhythmus en geluid zit de geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van +een afzonderlijken vorm kan spreken. Vorm en inhoud van <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6558" href="#xd20e6558" name= +"xd20e6558">153</a>]</span>een gedicht zijn geen twee werkelijk +bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van +inhoud en van vorm spreken in het abstracte”<a class="noteref" +id="xd20e6560src" href="#xd20e6560" name="xd20e6560src">41</a>.</p> +<p>Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen +laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat zij +grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de dichters +zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe Gids-school +bracht niet alleen nieuwe—of althans in ons land te dien tijde +ongewone<a class="noteref" id="xd20e6573src" href="#xd20e6573" name= +"xd20e6573src">42</a>—<i>begrippen</i>over de poëzie, maar +zij gaf ook verzen, waarin het „nieuwe geluid” was te +hooren, voor wie er ooren voor hadden. Tot deze laatsten behoorde +blijkbaar niet mr. Levy, die het had over „... den klinkkank en +den zingzang, onvoldragen vruchten eener aanstormende bent,” +enz., woorden, die moeilijk op iets anders dan op de Nieuwe +Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over dit gebrek aan waardeering +valt niet te strijden, en allerminst hier. Subjectieve opvattingen over +kunst of literatuur zijn in eene verhandeling over auteursrecht van +geen belang. Doch behoeft men zich over de kunstwaarde, die men zelf +aan een werk of aan een bepaald soort van werken hecht, niet uit te +laten; wél noodzakelijk is het, dat men zich de bewondering of +waardeering van anderen althans kunne verklaren. Indien men als een +volslagen vreemde tegenover het werk staat, zal het moeilijk vallen, er +de ontleding op toe te passen, die noodzakelijk is, om de bestanddeelen +te kunnen aanwijzen, welke tezamen het object van des auteurs recht +uitmaken. Geen kritisch oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig +inzicht in de kunstwaarde en het kunstbegrip dat aan de werken ten +grondslag ligt. Dit objectieve standpunt hoop ik bij de enkele +opmerkingen, welke ik over de leer in kwestie nog laat volgen, niet uit +het oog te verliezen.</p> +<p>Vorm en inhoud—dit kan terstond worden +toegegeven—verhouden zich in de poëzie anders tot elkaar dan +b.v. in een wetenschappelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e6590" +href="#xd20e6590" name="xd20e6590">154</a>]</span>geschrift. Het +verschil in de beteekenis en de functie der taal in het eene en in het +andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd is +het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te +beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen +iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen, te +betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet +worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op +ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter +volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is, maar +muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel verschil +tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit enkele +der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou kunnen +worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen +<i>uitsluitend</i> aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien +dit waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn, +niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou, +evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.</p> +<p>Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden +geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft +te maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber<a class="noteref" +id="xd20e6597src" href="#xd20e6597" name="xd20e6597src">43</a> aldus +genoemde „naiven Lautspiele”, dat zijn: „<span class= +"corr" id="xd20e6605" title="Bron: ..">...</span> die jenigen +Lautspiele... welche entweder nur Laute verwenden oder sich doch der +Worte nur als Laute bedienen.” Als voorbeeld noemt hij het +volgende liedje, dat door de Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde +„aftikken” wordt gebruikt:</p> +<div lang="de" class="lgouter"> +<p class="line">Ene mene men</p> +<p class="line">Ti tukken tukken ten</p> +<p class="line">Karabutte, karabutte</p> +<p class="line">Witsch Watsch</p> +<p class="line">Ab, dran!</p> +</div> +<p class="first">Een ander voorbeeld, ook door Gerber +meegedeeld<a class="noteref" id="xd20e6621src" href="#xd20e6621" name= +"xd20e6621src">44</a><span class="corr" id="xd20e6623" title= +"Bron: ;">,</span> waarin meer bestaande woorden voorkomen, zonder +echter eenigen zin te vormen, is nog het volgende: <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6626" href="#xd20e6626" name= +"xd20e6626">155</a>]</span></p> +<div lang="de" class="lgouter"> +<p class="line">Thaler</p> +<p class="line">Maler</p> +<p class="line">Kühchen</p> +<p class="line">Kälbchen</p> +<p class="line">Schwänzchen</p> +<p class="line">Dideldideldänzchen.</p> +</div> +<p class="first">Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele +liedjes tot de poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit +procédé ook niet te bereiken. De taal—indien dit +woord hier nog kan worden gebruikt—is aangewend voor iets dat +buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter wereld iemand gelukken, er +op deze wijze iets waardevols mede tot uitdrukking te brengen.</p> +<p>Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der +klank-expressie, die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de +kenmerken der poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet +voor hetzelfde houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, +alliteratie enz., die als uiterlijke klankmiddelen alleen het +lichamelijk gehoor aandoen<a class="noteref" id="xd20e6645src" href= +"#xd20e6645" name="xd20e6645src">45</a><span class="corr" id= +"xd20e6653" title="Niet in bron">.</span> Het is iets veel hoogers en +„geestelijkers”; in dien zin, dat er niet slechts +zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering door wordt +gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel, dat ieder die oor +heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor eene verklaring +niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met een voorbeeld +gedemonstreerd:</p> +<p>„Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn +sonnetverheffingen ten einde vloeit:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Als alles wat héél vèr is +en héél schoon”</p> +</div> +<p class="first">Men weet, dat als er stond:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">„Als alles wat zeer ver is en zeer +schoon”</p> +</div> +<p class="first">de regel heel zijn leven had verloren.</p> +<p>Nu kan men dit <i>van buiten af</i> wel eenigszins verklaren door +zijn indruk na te gaan en te zeggen: ’t woordje +„heel” is zacht van klank en „zeer” is hard, +„heel” is bekoorlijk door natuurlijkheid, +„zeer” is wijsneuzig deftig en in deez’ regel waar +een liefdeklacht ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars +avondlied versterft, klinkt ’t woordje „heel” alleen. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6673" href="#xd20e6673" name= +"xd20e6673">156</a>]</span></p> +<p>Maar dit is niet met <i>indringend bewijs</i> verklaren hoe ’t +wézen zelf der dichtkunst van dit verschil afhankelijk +is”<a class="noteref" id="xd20e6679src" href="#xd20e6679" name= +"xd20e6679src">46</a>.</p> +<p>Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische +uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de +verwisseling van de woordjes „heel” en „zeer”, +die in wetenschappelijk proza waarschijnlijk overal, zonder eenige +schade aan het geheel aan te brengen, zou kunnen geschieden, heeft +hier, in een sonnet, tot gevolg, dat de versregel totaal wordt +bedorven. Maar hieruit volgt nu nog niet, dat het woord +„héél” in dit vers uitsluitend terwille van +den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het +verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het het +symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid) zou +ontleenen. De woorden „heel” en „zeer” gelden +wel voor synoniemen, maar <i>in dit verband</i> hebben zij zeer zeker +niet dezelfde beteekenis, daar immers de <i>uitdrukkingskracht</i> van +den regel van de keuze die men tusschen beide woorden doet afhankelijk +is. De vervanging van „héél” door +„zeer” zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet +alleen in den <i>vorm</i> maar ook in den <i>inhoud</i> van het gedicht +(scil. volgens de beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb +gebruikt, nl.: vorm = taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt +uitgedrukt). „De naakte gedachte, het zuiver logisch +oordeel”, is weliswaar precies hetzelfde gebleven<a class= +"noteref" id="xd20e6696src" href="#xd20e6696" name= +"xd20e6696src">47</a>, maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht +niet; de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte +gedachten en zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook +in poëzie, niet voor één; ik meen, dat er ook hier +een inhoud is, die van den vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen +tevens, dat dit met de leer der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, +daar ik onder „inhoud” iets anders versta: den inhoud dien +ik bedoel, zal men b.v. in eene „slechte vertaling” of in +een „schooljongens-inhoudsverslag” van een werk als +Dante’s Comedia<a class="noteref" id="xd20e6703src" href= +"#xd20e6703" name="xd20e6703src">48</a> niet—of slechts deerlijk +gehavend—terugvinden.</p> +<p>Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere +geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene +voorstelling <span class="pagenum">[<a id="xd20e6712" href="#xd20e6712" +name="xd20e6712">157</a>]</span>te maken, want vooreerst is de grens +tusschen beide moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls +ondoenlijk den inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar +dit mag geen reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, +onafhankelijk van den vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens +opmerkt: „<span lang="de">... Die darstellungslose +Idee</span>” (hieronder heeft men in dit verband in het algemeen +te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van den vorm) +„<span lang="de">ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn +es uns auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos +„darzustellen”; ebenso wie ein chemischer Stoff existirt +und sich als einheitlich wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht +möglich ist, denselben für sich allein zur Darstellung zu +bringen und aus den Verbindungen zu lösen”... „Die +Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein +darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste +kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch +wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer +dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung +kommt</span>”<a class="noteref" id="xd20e6720src" href= +"#xd20e6720" name="xd20e6720src">49</a>.</p> +<p>Nu moge het—zooals reeds werd opgemerkt—niet gemakkelijk +zijn den inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, +onmogelijk is het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet +denzelfden indruk maken als de eigen woorden van den dichter, is nog +geen bewijs van het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de +vele zware en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar +vooral moet men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische +werking van een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen +alles overwegend deel, berust op de <i>taal</i>, d.i. dus den +<i>vorm</i>. De uiterlijke welluidendheid, teweeggebracht door het +zintuigelijk waarneembare geluid van de woorden, is uit den aard der +zaak in de vertaling eene andere geworden en als de vertaling in dit +opzicht bij het oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te +wijten aan het niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de +minderwaardigheid van den nieuwen vorm in vergelijking met den +oorspronkelijken.</p> +<p>Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is +de „klank-expressie”, waarvan hierboven sprake was. Dit +mag, oppervlakkig <span class="pagenum">[<a id="xd20e6735" href= +"#xd20e6735" name="xd20e6735">158</a>]</span>bezien, vreemd schijnen; +doch indien men het onderscheid, dat ik zooeven heb trachten aan te +toonen, tusschen de uiterlijke, onmiddellijk waarneembare +welluidendheid en den innerlijken, „geestelijken” klank, +waarop de klank-expressie berust, goed in het oog houdt, is het wel +verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere taal wél +aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische gedachten +en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens +vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in een +belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door hemzelf +gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige +bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie +heeft uitgelaten<a class="noteref" id="xd20e6737src" href="#xd20e6737" +name="xd20e6737src">50</a>. In dit opstel tracht van Deyssel aan te +toonen, dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt +uit het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. +Die van Prof. van Hamel noemt hij de +„linguistiesch-aesthetische”, die van hemzelf de +„alleen-aesthetische”. Het verschil, dat trouwens volgens +van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt vooral +hierin uit, dat de „kunstige geleerde”, zooals van Hamel, +die den „linguistiesch-aesthetischen” maatstaf aanlegt, bij +het spreken over „klankgehalte van den volzin”, +„beweging van rhythme” enz. iets anders bedoelt dan de +kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste uiterlijk is, is die +van den laatste geheel innerlijk. „De kunstenaar zal in +zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen vinden dan +in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen en +het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door de +harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot het +geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich tot de +harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van den +steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de +taal”<a class="noteref" id="xd20e6757src" href="#xd20e6757" name= +"xd20e6757src">51</a>.</p> +<p>Die innerlijke klank, „het psychiesch geluid van den +steller”, kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. +Om dit <span class="pagenum">[<a id="xd20e6762" href="#xd20e6762" name= +"xd20e6762">159</a>]</span>in zijne eigen vertaling van Villiers de +L’Isle Adam’s <i>Akëdysséril</i> te bereiken, +heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst niet +letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen gebruikt, +wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der oorspronkelijke +Fransche woorden. Dit geschiedde dan „zeker niet om het proza van +Villiers de l’Isle Adam te verbeteren, maar om dat een niet +letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza zuiverder te +gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen”<a class= +"noteref" id="xd20e6767src" href="#xd20e6767" name= +"xd20e6767src">52</a>. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de +vertaler zich „in de beteekenis der woorden” wel eens +„vergist” zou hebben, wordt als volgt beantwoord:</p> +<p>„Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet +vergissen; maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of +zinswending heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en +hoogere beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor +aangeven.”</p> +<p>Die „andere en hoogere beteekenis”, welke alleen uit den +klank van de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische +verstand niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening +van van Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel +blijkt, niet met de vertaling verloren te gaan<a class="noteref" id= +"xd20e6774src" href="#xd20e6774" name="xd20e6774src">53</a>. Wat in een +geschrift alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen +zin tot een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de +taal.</p> +<hr class="tb"> +<p>Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik +meen, genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de +poëtische taal en de „klankexpressie”, had niet tot +oorzaak het groote practische belang der poëtische werken als +objecten van auteursrecht. Want in dit opzicht is hunne beteekenis, +vergeleken bij de geschriften van anderen aard, waarvan het +auteursrecht meestal veel grootere waarden vertegenwoordigt en daarom +ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd te worden, betrekkelijk +gering. Doch ik meende goed te doen juist aan deze werken de meeste +aandacht te wijden, omdat te hunnen aanzien het vraagstuk van vorm en +inhoud de <span class="pagenum">[<a id="xd20e6787" href="#xd20e6787" +name="xd20e6787">160</a>]</span>grootste moeilijkheden meebrengt en den +meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne zienswijze. Het is +daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens aan te herinneren, +dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen regel van de +splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich slechts tot zeer +enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid van geschriften, +waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en +populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en +verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de +inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden, +maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal) +zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.</p> +<p>Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het +auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den +„inhoud” van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan +eene nadere beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten +worden, of die inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping +van den schrijver kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van +auteursrecht kan zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren +van den inhoud in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene +vertaling) een inbreuk op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar +met het beantwoorden van deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet +opgelost. De onderscheiding tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe +gemaakt heb, geeft nog geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook +de inhoud is niet één onverbreekbaar geheel; ook daarin +zijn verschillende bestanddeelen te onderscheiden, die niet alleen alle +tezamen, maar ook afzonderlijk in andere werken kunnen worden +overgenomen. Naast de vertalingen, die den inhoud van het +oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven, bestaan ook +bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin het origineel +niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een roman tot een +tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven tot een in +drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden, maar ook de +inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den inhoud zijn +uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu dergelijke +bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen, zonder het +karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van den auteur; +zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn? <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6791" href="#xd20e6791" name= +"xd20e6791">161</a>]</span></p> +<p>Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan +worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse, +die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden +gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in +bijzonderheden moeten afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden +vastgesteld, om voor alle werken, of ook maar voor alle werken van +eenzelfde soort, gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, +die reeds bestaan of nog geschreven moeten worden, zou men moeten +vaststellen, welke bestanddeelen wél en welke niet als schepping +van den schrijver zijn aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten +van letterkundige producten, die elk toch een meer of minder +individueel karakter vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt +gemakkelijk in te zien.</p> +<p>Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene +stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet +mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven te +worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed te +hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij +het zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de +groote verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben +aangewezen en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk +systematische behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, +al moge de toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.</p> +<p>Hij onderscheidt aan alle werken:</p> +<p>1<sup>o</sup> Den <i>uiterlijken vorm</i>, d.i. wat ik hierboven +kortweg den „vorm” heb genoemd, dus de <i>taal</i>.</p> +<p>2<sup>o</sup> Den <i>innerlijken vorm</i>, waaronder men in het +algemeen te verstaan heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof +heeft gerangschikt; de structuur van het werk, zoowel in de groote +lijnen (systematische indeeling, periodenbouw), als ook in de +onderdeelen (de wijze waarop de gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, +waarbij naar gelang van den aard van het werk en de eigenaardigheden +van den schrijver verschillende middelen kunnen worden gebruikt als +b.v.: beeldspraak, vergelijkingen, dialoog-vorm, of wel streng-logische +redeneertrant enz. enz.).</p> +<p>3<sup>o</sup> Den <i>inhoud</i> van het geschrift, de kern, die +onder den uiterlijken en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. +datgene wat de auteur <span class="pagenum">[<a id="xd20e6826" href= +"#xd20e6826" name="xd20e6826">162</a>]</span>had te zeggen, los van +alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich bediend heeft.</p> +<p>Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men +heeft te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de +schepping van den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden +uitgemaakt, welk van de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke +vorm, innerlijke vorm en inhoud) als auteurs-schepping en dus als +object van auteursrecht is aan te merken.</p> +<p>Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen +hierover reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der +taal, wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt +aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te +beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten en +gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op eenvoudige +toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar waartoe eenig +scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het vinden van de +gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven van klank en +rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het algemeen kan dus +worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle geschriften eene +schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen toebehoort. +Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken vorm is +derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs daar, waar niets +anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is, moet dezen een +uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop berust de bescherming +van den vertaler, die natuurlijk noch op den innerlijken vorm, noch op +den inhoud eenig recht kan doen gelden, daar zijne schepping zich +beperkt tot de inkleeding van het werk van een ander in zijne eigen +taal.</p> +<p>Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk +van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler met +dien „innerlijken vorm” bedoelt, is het noodig enkele +soorten van geschriften afzonderlijk te beschouwen.</p> +<p>Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de +schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden +waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de gronden +waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van het +geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit de +feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6836" href="#xd20e6836" name= +"xd20e6836">163</a>]</span>dat zij zich hebben voorgedaan en de +omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in een rechtsgeleerd werk kan +de inhoud zijn eene juridische constructie of de uitlegging van +wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust enz. enz. Wanneer nu de +schrijver zijne voorstudiën zoover heeft volbracht, dat de +wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder voor den geest staat, +zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen, dan begint eerst voor hem +de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid bestaat niet alleen in het +stellen van de reeks van volzinnen waaruit zijn werk zal bestaan; +voordat hij met schrijven aanvangt (voor een deel zal het ook onder het +schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of meer onbewust, geschieden) +moet de stof, die de vrucht is van zijn studie en overdenking, nog eene +andere bewerking ondergaan. Er moet gerangschikt en geordend worden; +uit den overvloed van gedachten en feitenkennis, waarmede de schrijver +over zijn onderwerp vervuld is, moet eene keus worden gedaan, en uit +wat na deze schifting voor opneming geschikt schijnt, moet nu het werk +tot een zoo harmonisch mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt +het niet alleen aan op eene doelmatige systematische indeeling en +groepeering van de onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende +bewerking van die onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en +tegen-argumenten en de conclusies, die daaruit telkens worden +getrokken, moeten zoodanig tegenover elkander worden gesteld, dat op +alles het juiste licht valt; de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk +in het oog vallen, terwijl de bijzaken meer in de schaduw moeten worden +gehouden. Híer zal een voorbeeld of vergelijking dienst moeten +doen, dáár eene aanhaling van een anderen schrijver; op +een andere plaats is weer een korte historische terugblik noodig of +eene herinnering aan de wijsgeerige beginselen, waarvan de schrijver is +uitgegaan.</p> +<p>Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante, +die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden, +welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst met +behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van de +taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het werk +dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van een +wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op het +auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping +(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6840" href="#xd20e6840" name= +"xd20e6840">164</a>]</span></p> +<p>De <i>inhoud</i> van wetenschappelijke werken is echter niet +beschermd. De waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet +geschapen maar ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het +uitsluitend recht van één persoon staan. Indien het +tegendeel het geval was, indien dus hij die eene nieuwe theorie over +een of ander wetenschappelijk vraagstuk heeft uitgedacht of daarover +het eerst bepaalde opvattingen heeft verkondigd, ieder ander kon +verhinderen diezelfde denkbeelden, ook in een anderen vorm, te +publiceeren, dan zou aan het auteursrecht terecht kunnen worden +verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling der wetenschap in den weg +stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd zijn om in een economisch leerboek +eene uiteenzetting te geven van de leer van Ricardo, van het stelsel +van Marx, van de theorie van Malthus enz. enz., gesteld, dat op de +werken van deze schrijvers nog auteursrecht bestond; in een boek over +geschiedenis zou men geen gebruik mogen maken van de navorschingen en +archiefstudiën van anderen; bij het maken van geographische +kaarten van weinig bekende landen zou de eerbiediging van het +„auteursrecht” van den ontdekkingsreiziger op de door dezen +gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot gevolg hebben, dat +men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte plekken op de kaart +te laten of er, tegen beter weten in, volgens de oude gegevens eene +verkeerde teekening van te maken!<a class="noteref" id="xd20e6846src" +href="#xd20e6846" name="xd20e6846src">54</a></p> +<p>Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is +het object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen +datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in dit +geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.</p> +<p>In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming van +den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud nog niet +beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den inhoud. De +hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een „op den +voorgrond sleepen” van den vorm zou zijn en dat men hierdoor +„van rechtswege” de meening zou doen postvatten, dat het +slechts <span class="pagenum">[<a id="xd20e6862" href="#xd20e6862" +name="xd20e6862">165</a>]</span>„om den vorm te doen is”, +heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de vraag, wat men het +belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft, doch slechts: wat +is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook Louis Blanc haalt +deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een recht op den vorm, +terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het volgende voorbeeld: +„<span lang="fr">Charles Fourier a cru devoir formuler en termes +bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de +son système. Vient un badigeonneur littéraire qui +s’empare du système de Fourier, l’expose +<span class="corr" id="xd20e6866" title="Bron: daus">dans</span> un +style clair, élégant si l’on veut, et met le tout +en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier +qui va mourir de faim, le badigeonneur s’enrichira. Entendue de +la sorte, qu’est-ce que la propriété? C’est +le vol</span>”<a class="noteref" id="xd20e6870src" href= +"#xd20e6870" name="xd20e6870src">55</a>.</p> +<p>Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden +geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den +„badigeonneur” meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de +een nog wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger +behoeft om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste <i>als +auteur</i> iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was +niet een auteursproduct, maar eene <i>uitvinding</i>, en indien men +uitvindingen van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten +geschieden door patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik +reeds meermalen gelegenheid had op te merken, niet het doel van het +auteursrecht, aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid +te verzekeren.</p> +<p>Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van +wetenschappelijke werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm +beschermd zijn, en niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking +„wetenschappelijke werken” niet te eng op te vatten; +hetzelfde geldt ook voor geschriften van populairen aard, waarvan het +hoofddoel is kennis te verspreiden of het oordeel van den schrijver +mede te deelen over het een of ander onderwerp. Artikelen en +redevoeringen over de politiek, plaatsbeschrijvingen, verslagen van +gebeurtenissen van allerlei aard, in sommige gevallen ook kritieken en +beoordeelingen op het gebied van kunst en letterkunde, behooren ook +hiertoe te worden gerekend. <span class="pagenum">[<a id="xd20e6889" +href="#xd20e6889" name="xd20e6889">166</a>]</span></p> +<p>Anders is het echter gesteld met de <i>letterkundige +kunstwerken</i>, waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die +tot de „belletrie” of „schoone letteren” +behooren, dus: poëzie, tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij +deze werken is niet alleen de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar +ook de inhoud, de eigenlijke kern, eene aesthetische schepping, en +daarom reikt het auteursrecht hier verder dan bij de geschriften van +wetenschappelijken aard. Dien inhoud, ontdaan van alle +niet-aesthetische elementen, noemt Kohler „<i lang="de">das +imaginäre Bild</i>”. Men zou het ook kunnen noemen de +kunstgedachte, welke de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk +heeft neergelegd; datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er +het eigen, persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van +andere werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk +kunstwerk—althans elk kunstwerk in den hoogen zin van het +woord—zulk een streng persoonlijk karakter vertoont en zich als +<i>iets bijzonders</i> voordoet, maakt het zoo moeilijk om van die +kunstgedachte, van dat „Imaginäre Bild”—tenzij +men één bepaald werk op het oog heeft—iets meer te +geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier—nog meer dan ten +aanzien der wetenschappelijke geschriften—blijven bij het +aangeven van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te +weten te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den +auteur behoort.</p> +<p>Wat hiertoe <i>niet</i> gerekend moet worden is, evenals bij alle +andere werken, datgene wat alleen de vrucht is van +zuiver-verstandelijke, ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of +tooneelstuk de feiten en gebeurtenissen, die tezamen de intrigue +vormen. Voornamelijk is dit het geval, wanneer deze ontleend zijn aan +de geschiedenis (men denke b.v. aan de historische romans van van +Lennep en Bosboom Toussaint) of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, +dat het verhaal, hetwelk de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit +den Bijbel (zooals Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft +geput, of wel aan eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als +zijne schepping is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook +door meerdere schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat +zij daardoor in elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver +zijn verhaal zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn +uitsluitend recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal +gebeurtenissen, die den uiterlijken loop van een roman of drama +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6906" href="#xd20e6906" name= +"xd20e6906">167</a>]</span>bepalen, is geen scheppende arbeid; het is +slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf geene +aesthetische waarde heeft. „<span lang="de">Wer nichts +thäte</span>”—schrijft Kohler +dienaangaande—„<span lang="de">als die Fabel der +Wahlverwandtschaften erzählen, von zwei Paaren, die sich +kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich so, das andere sich so +benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser fällt und eine Dame, +welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt, sich durch Hunger den +Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht Göthes +eingreifen, auch wenn dieses heute noch +bestünde</span>”<a class="noteref" id="xd20e6914src" href= +"#xd20e6914" name="xd20e6914src">56</a>.</p> +<p>Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den +uiterlijken en innerlijken vorm, het „Imaginäre Bild” +dus, in een roman of tooneelspel bestaat, is natuurlijk niet met enkele +woorden te zeggen. In het algemeen kan men m. i. wel met +Kohler<a class="noteref" id="xd20e6927src" href="#xd20e6927" name= +"xd20e6927src">57</a> aannemen, dat het de karakter-uitbeelding is der +personen die in het boek voorkomen en de schildering hunner +psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel, hetgeen in verband met +de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen die daarop van invloed zijn, +tevens kan zijn een karakterbeeld van het tijdperk en van de +maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch zoodra men dit meer in +bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop te wijzen—wat +Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen—dat niet alleen +iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men kan +bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en een +eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven +karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en +dramatische werken<a class="noteref" id="xd20e6932src" href= +"#xd20e6932" name="xd20e6932src">58</a> min of meer toepasselijk zijn, +meer dan eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet +zijn, daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te +werken.</p> +<p>Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever +de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor de +oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven; de +vraag nl. of het zoogenaamde „dramatiseeren” van een roman, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e6940" href="#xd20e6940" name= +"xd20e6940">168</a>]</span>d. w. z. de omwerking daarvan tot een +tooneelstuk, en omgekeerd de bewerking van een tooneelstuk in +romanvorm, een inbreuk op het auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke +bewerking kán zijn een bijna woordelijk overnemen van het +origineel, indien nl. de bewerker er zich toe bepaald heeft de zinnen, +die de romanschrijver zijn helden in den mond legt, eenvoudig over te +schrijven. De aanhalingsteekens behoeven dan slechts te worden +weggelaten en in de plaats daarvan de namen der personen te worden +gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben, terwijl misschien hier en +daar nog eene verschikking of samenvoeging van enkele tooneelen noodig +is, en de „bewerking voor het tooneel” is gereed. Dat men +door de uitgave van eene dergelijke bewerking in strijd komt met het +auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier behalve de inhoud en +de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel of althans voor een +groot gedeelte is gestolen.</p> +<p>Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke +als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard der +zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een roman. De +romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen door lyrische +gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische beschouwingen of +zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig en ethisch +gebied. Hij is niet—althans niet zoo absoluut als de +drama-schrijver—aan tijd en plaats gebonden; hij kan +desverkiezend bij sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder +vrees den dramatischen loop daardoor te verstoren.</p> +<p>De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele werk +in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange uitweidingen +en beschouwingen is geene plaats; alles moet door de woorden en +gedragingen van de in het stuk optredende personen worden uitgebeeld. +Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den inhoud van een roman in +dramatischen vorm wil weergeven, rekening te houden. Alle +beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin niet de +personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten noodzakelijk +vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende personen, +die tot typeering van hun karakter of ter verklaring hunner latere +gedragingen door den romanschrijver ter geschikter plaats zijn +medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere wijze te pas +worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e6946" href="#xd20e6946" name= +"xd20e6946">169</a>]</span>en de historische gebeurtenissen, die op het +stuk van invloed zijn, door andere middelen moeten worden +afgeschilderd. Verschillende fijne schakeeringen, die de +oorspronkelijke schrijver in den roman had weten te doen uitkomen, +zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden gemist; doch daar +staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding op het tooneel +effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet kan geven.</p> +<p>De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier +slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk uit +groeien, dat niet „rammelt” zooals de technische +uitdrukking luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een +andere is geworden. De bewerking gaat niet dieper—behoeft +tenminste niet dieper te gaan—dan den innerlijken vorm, d.w.z. de +structuur, die <span class="corr" id="xd20e6950" title= +"Bron: uitteraard">uiteraard</span> in roman en drama verschillend is. +Doch de inhoud, de karakters en hunne ontwikkeling, zal in de meeste +gevallen dezelfde zijn gebleven, daar de bewerker er natuurlijk naar +gestreefd zal hebben, dezen zoo gaaf mogelijk weder te geven.</p> +<p>En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag gevonden. +Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als „inhoud” heb +gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien dus +niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue, aan den +roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling en de +atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven of +opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den +oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan +immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker +daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch3.2.3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">c Practische toepassingen van het voorgaande</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In verband met de theoretische beschouwingen, die +voorafgaan, wensch ik thans enkele vragen, die de geschriften als +objecten van auteursrecht betreffen, meer uit het oogpunt van de +practische toepassing door wetgever en rechter te bezien. +Achtereenvolgens zullen hierbij ter sprake komen:</p> +<ul> +<li>I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object van +auteursrecht te zijn;</li> +<li>II Het recht van den vertaler; <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e6965" href="#xd20e6965" name="xd20e6965">170</a>]</span></li> +<li>III Het uitsluitend vertalingsrecht;</li> +<li>IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend +bewerkingsrecht.</li> +</ul> +<div class="div4" id="ch3.2.3.1"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om +object van auteursrecht te zijn</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij +nu ga bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording +wordt overal overgelaten aan den rechter.</p> +<p>Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en +besproken<a class="noteref" id="xd20e6978src" href="#xd20e6978" name= +"xd20e6978src">59</a>; het is in het kort dit, dat slechts +dáár van auteursrecht sprake kan zijn, waar eene +<i>schepping</i> van den auteur valt aan te wijzen; terwijl de +letterkundige of wetenschappelijke waarde of belangrijkheid dier +schepping buiten beschouwing moeten blijven.</p> +<p>In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin +gevestigd.</p> +<p>Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets anders +bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken, geen +auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als +„geestelijke scheppingen.” Dat zij zich tot eene +winstgevende exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van +Richard Wagner) doet aan hun karakter niets af, doch is eene +buitenstaande, toevallige omstandigheid<a class="noteref" id= +"xd20e6988src" href="#xd20e6988" name="xd20e6988src">60</a>. Ook werd +bescherming geweigerd, als zijnde geen „<i lang= +"de">Schriftwerke</i>” volgens de Duitsche wet, aan +schouwburg-programma’s, die eenvoudig de mededeeling inhouden van +de stukken, die zullen worden gespeeld, de rolverdeeling, het +aanvangsuur, de prijzen der plaatsen, enz.<a class="noteref" id= +"xd20e6997src" href="#xd20e6997" name="xd20e6997src">61</a>. Evenzoo +werd beslist ten aanzien van formulieren voor het houden van +kantoorboeken<a class="noteref" id="xd20e7009src" href="#xd20e7009" +name="xd20e7009src">62</a> en van prijscouranten, die niets anders +bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor zij te +koop zijn<a class="noteref" id="xd20e7015src" href="#xd20e7015" name= +"xd20e7015src">63</a>.</p> +<p>In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de +„<i lang="fr">écrits</i>” welke de wet op het +auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen, <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e7026" href="#xd20e7026" name= +"xd20e7026">171</a>]</span>die in de badplaats Oostende waren +aangekomen (<span lang="fr">Tribunal de Commerce van Brussel</span> 20 +April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1 Dec. 1853); +programma’s van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866) en eene +handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor +soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets +had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden +(<span lang="fr">Tribunal de Paix</span> van Luik 29 Mei 1896)<a class= +"noteref" id="xd20e7034src" href="#xd20e7034" name= +"xd20e7034src">64</a>.</p> +<p>Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. +gewezen ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen +scheikundige analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige +ligging en berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen +industrieele onderneming<a class="noteref" id="xd20e7048src" href= +"#xd20e7048" name="xd20e7048src">65</a>; mededeelingen omtrent +rechtspraak en administratie (Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische +nieuwsberichten (Seine-Rechtbank 12 Juni 1851<a class="noteref" id= +"xd20e7066src" href="#xd20e7066" name="xd20e7066src">66</a>; Hof van +Cassatie 18 Maart 1908)<a class="noteref" id="xd20e7071src" href= +"#xd20e7071" name="xd20e7071src">67</a>; eene lijst van de +vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een sportblad +gepubliceerd<a class="noteref" id="xd20e7076src" href="#xd20e7076" +name="xd20e7076src">68</a>. Ten aanzien van een postzegelcatalogus nam +de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán +auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als „<span lang= +"fr">créations de l’esprit</span>” zijn te +beschouwen, „<span lang="fr">à raison de la conception +esthétique ou scientifique qui ressort de leur plan +général, de l’érudition qui se dégage +des appréciations ou observations, même sommaires +qu’ils contiennent, ou tout au moins de +l’originalité qui imprime un caractère personnel +à l’ensemble de la publication</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e7092src" href="#xd20e7092" name= +"xd20e7092src">69</a>.</p> +<p>Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen +van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd +gemotiveerd: „<span lang="fr">Attendu que le catalogue des +oeuvres d’art exposées chaque année au Palais de +l’industrie constitue, à raison de son importance et des +recherches qu’il nécessite, une oeuvre littéraire +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7102" href="#xd20e7102" name= +"xd20e7102">172</a>]</span>susceptible d’une +propriété privée et représentant une valeur +vénale relativement importante,</span> enz.”<a class= +"noteref" id="xd20e7105src" href="#xd20e7105" name= +"xd20e7105src">70</a>. Nóch de belangrijkheid van dezen +catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd, +nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde, +maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven zin. +Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het juiste +beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan niet eene +„création de l’esprit” aanwezig is.</p> +<p>Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen +bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In +Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege de +historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen, +auteursrecht bestond<a class="noteref" id="xd20e7113src" href= +"#xd20e7113" name="xd20e7113src">71</a>; en dat niet als object van +auteursrecht waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan +een dagbladartikel was samengesteld<a class="noteref" id="xd20e7119src" +href="#xd20e7119" name="xd20e7119src">72</a>. In Engeland werd ten +aanzien van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar +alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp van +auteursrecht is<a class="noteref" id="xd20e7125src" href="#xd20e7125" +name="xd20e7125src">73</a>; ook ten aanzien van een prijscourant eener +machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist<a class="noteref" id= +"xd20e7131src" href="#xd20e7131" name="xd20e7131src">74</a>. De +Zwitsersche Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te +erkennen: een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de +uren van aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte<a class= +"noteref" id="xd20e7137src" href="#xd20e7137" name= +"xd20e7137src">75</a> en eene alphabetische lijst van de aangeslagenen +in de belasting te Zürich<a class="noteref" id="xd20e7144src" +href="#xd20e7144" name="xd20e7144src">76</a>. In Italië eindelijk +maakte het Hof van Appel van Milaan uit, dat een eenvoudige +prijscourant niet behoort tot de geestesproducten (<i lang="it">opere +dell ingegno</i>) in den zin der wet op het auteursrecht, daar hiertoe +alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden<a class="noteref" +id="xd20e7153src" href="#xd20e7153" name="xd20e7153src">77</a>.</p> +<p>Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7161" href="#xd20e7161" name= +"xd20e7161">173</a>]</span>zouden zijn te noemen, die zich alle vrijwel +in dezelfde lijn bewegen<a class="noteref" id="xd20e7163src" href= +"#xd20e7163" name="xd20e7163src">78</a>, valt het op, dat de +Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch andere richting heeft +gevolgd.</p> +<p>Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van den +Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het +auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te +Leiden in 1891<a class="noteref" id="xd20e7196src" href="#xd20e7196" +name="xd20e7196src">79</a>; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene +lijst van predikbeurten <a class="noteref" id="xd20e7204src" href= +"#xd20e7204" name="xd20e7204src">80</a>; door het Hof van den Haag en +den Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der +Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam<a class="noteref" id= +"xd20e7209src" href="#xd20e7209" name="xd20e7209src">81</a>. In geen +dezer gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den +boven bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door +den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend „stadsnieuws”, +nl. de vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en +plaats, waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken +bestond het „auteursproduct” uit eene opgave van de namen +der predikanten, met de kerken waarin en de dagen en uren waarop door +hen Godsdienstoefening zou worden gehouden.</p> +<p>Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet +geen onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften, +en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene +„letterkundige gedachte behelzen”, (arrest H. R. 21 Nov. +1892 W. 624) óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad +van 29 April 1895 (W. 6647) werd uitgedrukt: die welke „blijvende +wetenschappelijke of letterkundige waarde” missen. Wat met de +eerste uitdrukking wordt bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat +ik over de juistheid of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf +uitspreken. Met de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist +beginsel uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7217" href="#xd20e7217" name= +"xd20e7217">174</a>]</span><i>waarde</i> van een geschrift moet bij de +vraag, of het al dan niet een auteursproduct is, niet in rekening +worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd, dat een lijst van +predikbeurten tot de beschermde geschriften behoort. Wie zich +eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis van het woord +„auteursrecht” zal moeten inzien, dat hier nóch een +auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam +in zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam +(die het blaadje „de Kerkbode” uitgaf) als +rechtverkrijgende van het ministerie van predikanten bij de +Nederduitsch-Hervormde gemeente aldaar zich het auteursrecht op de +bedoelde lijst van predikbeurten kon voorbehouden. Volgens deze +constructie zou dus het ministerie van predikanten de <i>auteur</i> +zijn van ... de regeling der preekbeurten, welke die predikanten onder +elkander hadden vastgesteld! Waarin hier de <i>auteurs-arbeid</i> van +deze vergadering van predikanten bestond, is moeilijk te zien. Zij +beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke kerken zij den volgenden +Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping, ook al vraagt men niet +naar blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde, was hier ver +te zoeken.</p> +<p>Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere +uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd +gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.</p> +<p>In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van +„letterwerken”; het woord „geschriften”, dat in +de tegenwoordige wet daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler +oordeel van ruimer strekking zijn en ook „geschriften” als +de boven bedoelde omvatten<a class="noteref" id="xd20e7231src" href= +"#xd20e7231" name="xd20e7231src">82</a>. Dit verschil van beteekenis +kan ik echter niet inzien en in geen geval heeft men de bedoeling gehad +den kring der beschermde producten uit te breiden door het woord +„geschrift” te gebruiken in plaats van +„letterwerk”. Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de +volgende zinsnede uit de memorie van toelichting<a class="noteref" id= +"xd20e7249src" href="#xd20e7249" name="xd20e7249src">83</a>:</p> +<p>„De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking +heeft, stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7256" href="#xd20e7256" name= +"xd20e7256">175</a>]</span>voorkomen; echter is het min gebruikelijke +„letterwerk” door het woord „geschrift” +vervangen.”</p> +<p>Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord +„geschrift” eene andere beteekenis te geven dan b.v. in +Oostenrijk en Duitschland het woord „Schriftwerk” en in +België en Frankrijk „écrit” hebben. In het +gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten en +een programma van feestelijkheden „geschriften” noemen, dit +is nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór +alles in het oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt +in eene wet tot regeling van het <i>auteursrecht</i>, en dat alleen die +geschriften bedoeld worden, welke eenen <i>auteur</i> hebben.</p> +<p>Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet, +die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud +van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van +„berichten of opstellen”; van welke werken het auteursrecht +wordt erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is +dus, of dit woord „berichten” ook, zooals beweerd wordt, +eenvoudige mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht +als scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord +worden gegeven als boven ten aanzien van het woord +„geschriften”. Niet in zijne algemeene beteekenis moet het +woord worden opgevat, maar in de bijzondere beteekenis, die het verband +waarin het gebruikt wordt, aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij +de bedoeling van den wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de +voorbereiding der bepaling is gezegd en geschreven kan worden +opgemaakt. In het eerste ontwerp kwam de bepaling niet voor; zij is er +later door minister Modderman bijgevoegd. In de memorie van antwoord +(p. 4) wordt ervan gezegd, dat als beginsel is aangenomen, dat de +inhoud van dag- en weekbladen wordt beschouwd als gemeengoed, en dan +komt deze verklaring: „Er zijn echter uitzonderingen. Niet zelden +bevatten de nieuwsbladen stukken van meer blijvende wetenschappelijke +of letterkundige waarde, bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich +het auteursrecht niet wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp +ruimte door te bepalen, dat men zich het auteursrecht van een in een +nieuwsblad gepubliceerd stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het +hoofd van dat stuk zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar +make.” Hierbij werd dus blijkbaar aan losse berichten, die +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7268" href="#xd20e7268" name= +"xd20e7268">176</a>]</span>niets anders dan mededeelingen van feiten +bevatten, in ’t geheel niet gedacht. Zonder tot verdere +gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna +overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele +opmerking, die bij de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd +gemaakt, zou kunnen doen vermoeden, dat aan het woord +„berichten” een ruimere strekking werd toegekend. Het +kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt uit: „Of het niet +beter geweest ware om voor de gewone korte losse couranten-berigten +geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal ik niet +terugkomen”<a class="noteref" id="xd20e7270src" href="#xd20e7270" +name="xd20e7270src">84</a>. Deze opmerking werd echter gemaakt toen +artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit dat +zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij, wat de +uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.</p> +<p>Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt +van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene +wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen, +het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden +toegegeven, dat het woord „berichten” in artikel 7 lid 2 +niet gelukkig is gekozen, doch de rechter behoeft zich daardoor niet +gedwongen te gevoelen tot het erkennen van een +„auteursrecht”, dat in geen enkel opzicht dezen naam +verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling: +„auteursrecht voorbehouden”, die in de meeste groote +dagbladen boven de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en +zonder eenige beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: +„<span lang="de">An den durch Telegraph berichteten Worten: +„Paris ist ruhig” oder „5% Rente = 99¼” +kan aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge +derselben Autorrechte beanspruchen</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e7280src" href="#xd20e7280" name="xd20e7280src">85</a>.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch3.2.3.2"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">II Het recht van den vertaler</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van +auteursrecht zijn te beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht +geniet voor zijne vertaling, is een regel die vrijwel nergens +tegenspraak ontmoet. In bijna alle landen wordt het recht van den +vertaler uitdrukkelijk in <span class="pagenum">[<a id="xd20e7293" +href="#xd20e7293" name="xd20e7293">177</a>]</span>de wet genoemd. Ook +onze wet houdt de bepaling in (art. 2<i>c</i>), dat „met auteurs +worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne +vertaling”.</p> +<p>De „gelijkstelling” met oorspronkelijke auteurs +beteekent natuurlijk niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die +hij zou kunnen doen gelden, indien het door hem geleverde een eigen, +oorspronkelijk werk was. De vertaler is alleen auteur van den +uiterlijken vorm<a class="noteref" id="xd20e7300src" href="#xd20e7300" +name="xd20e7300src">86</a>; het object van zijn recht is—zooals +trouwens ook onze wet heel goed doet uitkomen—niet het vertaalde +geschrift, maar de vertaling. Op den innerlijken vorm en den inhoud kan +hij niet het minste recht doen gelden. Het uitgeven van eene andere +vertaling van hetzelfde geschrift is derhalve geen inbreuk op het recht +van den eersten vertaler. Evenmin kan deze zich er tegen verzetten, dat +van zijne vertaling weer eene andere vertaling of bewerking in het +licht wordt gegeven. Wat dit laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de +tegenovergestelde meening over te hellen. De gelijkstelling van +vertalers ten opzichte van hunne vertaling met auteurs pleit er volgens +dezen schrijver voor, dat de vertaler zich volgens onze wet ook, +overeenkomstig artikel 5<i>b</i>, het uitsluitend recht tot het +uitgeven van vertalingen van zijne vertaling in andere talen kan +voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e7306src" href="#xd20e7306" +name="xd20e7306src">87</a>. Dit zou echter beteekenen, dat de vertaler +recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij part noch deel +heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het Hollandsch vertaald +en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde weer in het Duitsch +overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze laatste geen Russisch +kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling bepaald noodig had om +zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan nog kan in de uitgave van +deze Duitsche bewerking niet gezien worden een exploiteeren van het +werk van den Hollandschen vertaler. Immers wat de bewerker van de +Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft ontleend beperkt zich tot +den innerlijken vorm en den inhoud van den roman, tot die bestanddeelen +dus van het werk, welke de bewerker der Hollandsche vertaling op zijne +beurt weer van den oorspronkelijken Russischen schrijver had +overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk worden beschouwd op het +recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel hieromtrent <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e7311" href="#xd20e7311" name= +"xd20e7311">178</a>]</span>is naar mijne meening—ook wanneer +alleen rekening wordt gehouden met wat onze wet bepaalt—volkomen +uitgesloten. Alleen „de vertaling” is voorwerp van des +vertalers recht; dit is voldoende om de vraag in den bovengemelden zin +te beantwoorden.</p> +<p>Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze +juiste grenzen gehouden, getuige het „regt van +praeferentie,” dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur +van Holland van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine +Besluiten van 1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een +buitenlandsch werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde +geschrift kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan +deze gepatenteerde rooverij een einde<a class="noteref" id= +"xd20e7315src" href="#xd20e7315" name="xd20e7315src">88</a>; doch de +feitelijke toestand komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw +geleden. Er bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de +Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, volgens +welke elk lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor +aangewezen commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het +buitenland uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te +geven, door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt +aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna +alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de +eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk +werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796, 1803, +en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt als +rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand, +waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen des +boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878 +dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring +van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de +uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het recht +van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch alleen +het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende regeling +mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van de +achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7321" href="#xd20e7321" name= +"xd20e7321">179</a>]</span></p> +<p>Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem—het is +reeds herhaaldelijk gezegd—niet het minste recht op dat boek +zelf. De rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het +bijzonder diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen +deele verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd +volkomen vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene +exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het +oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud +daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver +bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling +in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren, en +daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze +toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht des +vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in +<span class="corr" id="xd20e7324" title="Bron: de de">de</span> +vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. +6) werd het recht van den vertaler alleen verleend voor +„rechtmatige vertalingen”, waaronder men dan had te +verstaan vertalingen, die niet in strijd met het uitsluitend +vertalingsrecht op het oorspronkelijke werk waren uitgekomen. Men heeft +dit verdedigd door erop te wijzen, dat het niet aangaat den dief te +beschermen<a class="noteref" id="xd20e7327src" href="#xd20e7327" name= +"xd20e7327src">89</a>. Dit argument gaat hier echter niet op. Dat de +vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt van het werk van een ander +is nog geen reden om hem het recht op zijn eigen werk te ontnemen. Dit +laatste heeft hij niet gestolen en het is dus geen „bescherming +van den dief” hem dit te laten behouden. Men wil toch niet, dat +iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn van zijn buurman +steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?</p> +<p>Het heeft bovendien geen zin te spreken van +„rechtmatige” vertalingen. De vertaling zelf is niet +„rechtmatig” of „onrechtmatig”; wél kan +er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden gemaakt. Of dit +laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk nooit met zekerheid +worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene vertaling maakt met +het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer het uitsluitend +vertalingsrecht van den auteur zal zijn <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e7338" href="#xd20e7338" name= +"xd20e7338">180</a>]</span>verstreken, of wanneer diens toestemming tot +de uitgave zal zijn verkregen<a class="noteref" id="xd20e7340src" href= +"#xd20e7340" name="xd20e7340src">90</a>.</p> +<p>Beide rechten—het recht van den vertaler op zijne vertaling en +het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk +werk—dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De +vertaler en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein +en onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er +bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij +bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing zou +kunnen komen.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch3.2.3.3"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">III Het uitsluitend vertalingsrecht</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Over het uitsluitend vertalingsrecht is—vooral +ook in ons land—veel geschreven. De strijd loopt voornamelijk +over de rechtmatigheid en de wenschelijkheid van dit recht, welke hier +nog door velen worden ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene +breedvoerige bespreking van de argumenten, die tegen het +vertalingsrecht zijn ingebracht, ontslagen te rekenen; dat ik ze hier +niet geheel voorbijga, is vooral terwille van het groote practische +belang van de vraag, die—zooals algemeen bekend is—den +geheelen strijd over de al of niet aansluiting van ons land bij de +Berner Conventie beheerscht.</p> +<p>Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het +vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door +zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan de +gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan op die +„gedachten” geen recht meer laten gelden, daar zij door de +publicatie gemeengoed zijn geworden<a class="noteref" id="xd20e7358src" +href="#xd20e7358" name="xd20e7358src">91</a>. Wat dit argument heeft te +beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld bij +mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De vertaler +neemt niet maar „gedachten” over van den oorspronkelijken +schrijver; wat hij <span class="pagenum">[<a id="xd20e7386" href= +"#xd20e7386" name="xd20e7386">181</a>]</span>overneemt is de inhoud en +de innerlijke vorm, welke laatste—zooals uitvoerig is +aangetoond—steeds—ook bij geschriften van +wetenschappelijken aard—als eene aesthetische schepping van den +auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van +„gedachten” door het auteursrecht zou worden belemmerd, is +hierboven m. i. ook reeds voldoende weerlegd.</p> +<p>En wat de <i>zelfstandigheid</i> betreft van den arbeid des +vertalers, waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al +zeer betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het +vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste +uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken +vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel +uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal +wordt toegekend. Doch—en dit is het eenige wat hier in aanmerking +mag komen—<i>met betrekking tot de schepping van den +oorspronkelijken schrijver</i> houdt alle zelfstandigheid van den +vertaler op. Het is zijne taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal +weer te geven, zonder er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe +men kan volhouden, dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht +„zelfstandig” is, is mij een raadsel<a class="noteref" id= +"xd20e7396src" href="#xd20e7396" name="xd20e7396src">92</a>.</p> +<p>Een ander argument, dat meestal met het vorige in één +adem wordt genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft +gehad aan de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste +gevallen zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan +hiertegen worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur +of de vertaler <i>in staat</i> zou zijn geweest, maar alleen: wat elk +van die twee heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan +kán—dunkt mij—de oplossing der vraag niet +twijfelachtig zijn. Het uitsluitend vertalingsrecht is geen recht op de +vertaling maar een recht op die bestanddeelen van het oorspronkelijke +werk, welke de vertaler heeft overgenomen. Evenmin als de vertaler +zonder toestemming van den oorspronkelijken auteur het vertaalde +geschrift mag exploiteeren, mag deze laatste dit doen zonder +toestemming van den vertaler. Het zijn—voor velen schijnt het +moeilijkheden op te leveren dit in te zien—twee scherp van +elkander te onderscheiden <span class="pagenum">[<a id="xd20e7410" +href="#xd20e7410" name="xd20e7410">182</a>]</span>rechten, waarmede wij +hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met +elkander gemeen hebben. Uitsluitend wat de <i>uitoefening</i> van hun +recht betreft zijn de auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, +omdat het vertaalde geschrift, dat als voorwerp van exploitatie +één geheel uitmaakt, de objecten van beider rechten in +zich bevat.</p> +<p>Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde +argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener +vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder +hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave van +vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke uitgave +doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar zelfs indirect +voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen vertaald wordt, waarom +hem dan het recht toe te kennen vertalingen te verbieden? Hierbij doet +dan geregeld dienst eene indertijd aan Mr. J. N. van Hall gedane +verklaring door den Franschen uitgever van François +Coppée’s werken, dat sinds Coppée in onze taal was +vertaald, het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal +belangrijk was toegenomen<a class="noteref" id="xd20e7417src" href= +"#xd20e7417" name="xd20e7417src">93</a>.</p> +<p>De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. +Wat men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur +voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel +te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd +gezien: ten eerste, dat het „indirecte voordeel” (nl. het +grooter debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door +het feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van +den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat +indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel +bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening kan +worden gebracht.</p> +<p>Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht vindt +aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste argument +het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In +overeenstemming met de „algemeen belang-theorie”, +die—zooals wij gezien hebben—ook onder de juristen in ons +land vele aanhangers heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever +gaat het <i>recht</i> der auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt +uitsluitend gerekend <span class="pagenum">[<a id="xd20e7433" href= +"#xd20e7433" name="xd20e7433">183</a>]</span>met de verschillende +<i>belangen</i>, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo wordt +beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt taalgebied +het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet kan stellen en +dat het daarom van het grootste <i>belang</i> is, dat het uitgeven van +vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest, dat de +buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend +vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan +het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder +in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote +schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren, maar +ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder de +kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor hen +het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den +oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel +uitgesloten is.</p> +<p>Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet +zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn +<i>rechten</i> in het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van +buitenlandsche auteurs, moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit +minder voordeelig zijn, hetzij voor enkele kringen, hetzij—zooals +beweerd wordt—voor het volk in zijn geheel.</p> +<p>Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en zich +uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in deze +strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene +onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen, +dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden +ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen, +die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan +vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het +bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de +erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden +toegegeven, dat enkele categorieën van personen (vooral de +kleinere uitgevers), die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de +daarop gebaseerde onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter +bevordering van de belangen des Boekhandels in het leven heeft +geroepen, gebruik hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen +gevoelen, wanneer die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan +zelfs medelijden hebben met het lot, dat deze personen <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e7448" href="#xd20e7448" name= +"xd20e7448">184</a>]</span>wacht, waarvan er vele wegens een weinig +ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik afgestompt +rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig bedrijf niet +inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen, dat in andere +kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden geleden +tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht is gemaakt. +Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de erkenning van het +vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen te houden +tevens—misschien zonder het te willen—heeft tegengehouden +de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men alleen +met „belangen” te rade gaat, dient men toch ook te letten +op de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het +gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in +het buitenland verstoken blijven.</p> +<p>Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen +laten rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog +gelegenheid zijn erop terug te komen.</p> +<p>Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de +verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen en +voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld, +geleidelijk aan het verdwijnen zijn.</p> +<p>In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover +eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een +bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en +Duitschland (§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet +volkomen met alle andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt +meestal aangenomen het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der +Engelsche auteurs) en Spanje<a class="noteref" id="xd20e7457src" href= +"#xd20e7457" name="xd20e7457src">94</a>. In vele landen duurt het +vertalingsrecht even lang als het overige auteursrecht, mits echter van +dit recht binnen een zeker aantal jaren door den auteur gebruik is +gemaakt door de uitgave eener vertaling. Dit is b.v. het geval in +Denemarken (sinds de wet van 29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde +auteurs), Japan en Luxemburg; in al deze landen moet de geautoriseerde +vertaling verschijnen binnen tien jaar na de uitgave van het +oorspronkelijke geschrift. Andere landen hebben dezelfde bepaling doch +met een korteren termijn, zoo Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 +jaar). <span class="pagenum">[<a id="xd20e7466" href="#xd20e7466" name= +"xd20e7466">185</a>]</span></p> +<p>Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een +afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden +duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van het +oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der +vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk +verschijnt.</p> +<p>In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht +nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan +worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen +tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt voor +eene wetswijziging in dezen zin<a class="noteref" id="xd20e7471src" +href="#xd20e7471" name="xd20e7471src">95</a>; evenzoo in Italië, +waar in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het +auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met het +overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de +Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de +Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een +onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg te +zijn geruimd.</p> +<p>Het vertalingsrecht—dit blijkt reeds uit bovenstaand +overzicht—is overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van +dezen vooruitgang kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die +de Berner Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. +In 1886 werd—niet zonder moeite—een vertalingsrecht +vastgesteld van tien jaar te rekenen van de uitgave van het +oorspronkelijk werk; op de Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur +gelijkgesteld met dien van het auteursrecht in het algemeen, doch onder +voorwaarde, dat de auteur binnen tien jaar eene vertaling liet +verschijnen; terwijl eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde +werd afgeschaft, zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.</p> +<p>Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is +gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle +opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de +tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het +aanmerkelijk besnoeid.</p> +<p>Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de +uitgave van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde +talen voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e7483" href="#xd20e7483" name= +"xd20e7483">186</a>]</span>drie jaren na de oorspronkelijke uitgave +laten verschijnen (art. 5<i>b</i>). Is aan deze voorwaarden voldaan, +dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf jaren na het tijdstip +der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16 2<sup>o</sup>). Alleen +ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken staat het +vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.</p> +<p>Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht heeft +gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken, die +binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen niet de +minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich het +vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed als +geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig +bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: „een bewijs, +dat het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons +volksbesef is doorgedrongen”<a class="noteref" id="xd20e7493src" +href="#xd20e7493" name="xd20e7493src">96</a>, maar eenvoudig een gevolg +van het feit, dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze +wet. „Welke schrijver van een in Nederland verschijnend boek +denkt erover, eene vertaling daarvan <i>in het land zelf</i> te laten +uitkomen? En zoo dit al een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft +hij toch zeker niet te vreezen, dat daaraan <i>in ons land</i> +concurrentie zal worden gedaan door eene andere vertaling in dezelfde +taal, en dat nog wel binnen vijf jaar na de uitgave van het +oorspronkelijke boek.</p> +<p>De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het +bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op +het gebied der internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning +van het juiste beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet +de bijzondere voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en +het volkomen gelijkstelde met elk ander auteursrecht.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch3.2.3.4"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend +bewerkingsrecht</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het „bewerken” van geschriften kan met +betrekking tot het auteursrecht tot soortgelijke verhoudingen +aanleiding geven als het vertalen. Indien de nieuwe (uiterlijke of +innerlijke) vorm, die de bewerker aan het geschrift heeft gegeven, eene +schepping is, dan komt hem ook, evenals den vertaler op zijne +vertaling, een recht daarop toe. Doch <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e7511" href="#xd20e7511" name="xd20e7511">187</a>]</span>aan den +anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van het +oorspronkelijke werk te ontzien.</p> +<p>Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden: +het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den +auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van +bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.</p> +<p>Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van +den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven +eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken +auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien van +het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht, geeft +hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat, dient de +rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der bewerking, +waarmede hij te doen heeft.</p> +<p>Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen +hieromtrent in.</p> +<p>De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming +tegen „<span lang="de">Bearbeitungen</span>” en noemt +uitdrukkelijk als zoodanig: het weergeven van eene vertelling in +dramatischen vorm of van een tooneelstuk in den vorm eener vertelling +(§ 12). Onverminderd dit recht staat het vrij, het werk van een +ander te gebruiken, indien daardoor „<span lang="de">eine +eigenthümliche Schöpfung</span>” tot stand komt (§ +13). Deze laatste bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of +de bewerker al dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest +hier m. i. geheel buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van +belang is, is of hij de schepping van den oorspronkelijken auteur in +zijne bewerking heeft overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt +niet uit. Overigens wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in +de Duitsche wet goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne +bewerking. Dit laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk +bepaalt, dat bij eene „<span lang="de">Bearbeitung</span>” +de „<span lang="de">Bearbeiter</span>” als auteur wordt +aangemerkt, evenzoo dus als de vertaler ten opzichte zijner +vertaling.</p> +<p>Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend +bewerkingsrecht bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot +uitvoering van de wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). +Dit bepaalt, dat plan, onderwerp en titel van dramatische werken den +auteur toebehooren en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk +inbreuk op het auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7535" href="#xd20e7535" name= +"xd20e7535">188</a>]</span>tooneelstuk eene bewerking te maken voor +eene muzikale compositie, ook als de titel en de namen der personen +gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd, het onderwerp van een +roman of ander geschrift te gebruiken voor het maken van een +tooneelstuk (art. 68).</p> +<p>Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het +„onderwerp”, d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan +zooals wij gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden +beschouwd; evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat +het overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. +In sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden +beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met de +bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht van den +auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar het +persoonlijkheidsrecht.</p> +<p>De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan +vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië, +België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. +De rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen te +staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten bewijzen. +Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen: wat is als de +schepping van den auteur te beschouwen?—om langs dezen weg tot +beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al dan niet +inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en daar min of +meer getrouw toegepast.</p> +<p>In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897<a class= +"noteref" id="xd20e7543src" href="#xd20e7543" name= +"xd20e7543src">97</a> werden bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop +auteursrecht bestond, voor ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen +grond, dat die bewerkingen inhielden: „<span lang="fr">... le +résumé fidèle et l’analyse exacte des +livrets et pièces...</span>” en dat daarin waren +weergegeven: „<span lang="fr">la substance de ces oeuvres, leur +plan général, le développement de leurs +épisodes, les situations, les personnages... etc.</span>” +Hier valt—zooals men ziet—een streven waar te nemen om de +bestanddeelen der auteurs-schepping aan te wijzen, die—ook zonder +dat de tekst woordelijk was nagedrukt—in de bewerking waren +overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in een vonnis van +de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897<a class="noteref" id="xd20e7554src" +href="#xd20e7554" name="xd20e7554src">98</a>. De bewerking in kwestie +was hier een roman, getrokken <span class="pagenum">[<a id="xd20e7559" +href="#xd20e7559" name="xd20e7559">189</a>]</span>uit het tooneelstuk +<i lang="fr">La Tour de Nesle</i> van Alexandre Dumas en Gaillardet. In +het vonnis wordt verklaard: „<span lang="fr">... Que le sujet, le +plan, son agencement et ses développements, la marche de +l’action, le groupement des personnages et les mobiles qui les +font agir, les passions qu’ils ressentent, les sentiments +qu’ils expriment, apparaissent également dans +l’original et dans la copie servile qu’ils en ont +faite,</span>” en even verder: „<span lang="fr">... Que si, +dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les +défendeurs ont ajouté d’innombrables incidents..., +ils ont, du moins, pris toute la <i>substance</i> du drame... +etc.</span>” Dit vonnis werd bevestigd door het Hof van Appel van +Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna dezelfde +bewoordingen motiveerde<a class="noteref" id="xd20e7574src" href= +"#xd20e7574" name="xd20e7574src">99</a>. Wat de Fransche rechter hier +„<span lang="fr">la substance du drame</span>” noemde, komt +vrijwel overeen met Kohler’s „<span lang= +"de">Imaginäre Bild</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e7586src" href="#xd20e7586" name="xd20e7586src">100</a>.</p> +<p>In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken +van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op het +auteursrecht aangemerkt<a class="noteref" id="xd20e7591src" href= +"#xd20e7591" name="xd20e7591src">101</a>. In Engeland is alleen het +laatste, („<i lang="en">novelisation</i>”) +verboden<a class="noteref" id="xd20e7612src" href="#xd20e7612" name= +"xd20e7612src">102</a> en om die reden verzette dit land zich in 1896 +op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling in de +Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren den auteurs +zou worden voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e7620src" href= +"#xd20e7620" name="xd20e7620src">103</a>. In 1908 op de Conferentie van +Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen staat +tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e7625src" href="#xd20e7625" name="xd20e7625src">104</a>; wel een +bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.</p> +<p>Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land +is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze +wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het +auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten in +een Themis-artikel werd uitgesproken<a class="noteref" id= +"xd20e7633src" href="#xd20e7633" name="xd20e7633src">105</a>, berust +hierop, <span class="pagenum">[<a id="xd20e7645" href="#xd20e7645" +name="xd20e7645">190</a>]</span>dat de woorden „geheel of +gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder onderscheid van vorm of +inkleeding”, die in de wet van 1817 voorkwamen, zijn weggelaten +uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde wet zou dus +alleen verbieden het „in denzelfden vorm” weergeven, wat +ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de +volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede +Kamer gemaakt: „Het geldt hier niet het regt van denken, maar het +regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden.” +Er is echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de +aangehaalde woorden van den minister bij de verdediging der wet in een +gansch ander verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het +auteursrecht op mondelinge voordrachten<a class="noteref" id= +"xd20e7647src" href="#xd20e7647" name="xd20e7647src">106</a>. Doch ook +al was dit niet het geval, dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog +niet eene ontkenning van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans +of tooneelstukken uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, +indien deze werken inderdaad niets meer waren dan „gedachten +gehuld in een vorm”, zooals het wel eens is voorgesteld, en er +dus slechts twee mogelijkheden waren: óf alleen +„gedachten” uit het werk overnemen (wat volgens algemeen +gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren in +denzelfden „vorm”, d.w.z. letterlijk, zonder eenige +wijziging.</p> +<p>Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde +uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met de +bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van +toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond +voor deze meening. Men leest daar<a class="noteref" id="xd20e7655src" +href="#xd20e7655" name="xd20e7655src">107</a>: „De in de +tegenwoordige wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen +„geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid +van vorm of inkleeding” zijn weggelaten, deels omdat zij niet van +onduidelijkheid zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het +regt van den auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt +op een gedeelte daarvan boven twijfel te stellen.”</p> +<p>Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van +toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift +van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7660" href="#xd20e7660" name= +"xd20e7660">191</a>]</span>bewerkte compositie van eens anders +muziekwerk als nadruk te beschouwen is, werd in beginsel als juist +erkend, doch alleen daarom niet in de wet opgenomen, omdat men geene +formule ervoor wist te vinden, die niet in de practijk tot +moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk wordt dan verder +gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten, in elk geval te +beslissen „of er werkelijk inbreuk op het regt van den componist +gemaakt, of <i>zijn</i> werk geheel of ten deele door den druk is +gemeen gemaakt of uitgevoerd”<a class="noteref" id="xd20e7665src" +href="#xd20e7665" name="xd20e7665src">108</a>.</p> +<p>Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt +erkend, dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het +auteursrecht kan zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op +soortgelijke wijze als muziekwerken „bewerkt” kunnen +worden, wel niet voor geheel en al uitgesloten hebben gehouden.</p> +<p>Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het +uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In het +eerste geval betrof het het tooneelstuk „Zwarte Griet”, +waarvan zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht +eene bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den +schrijver van het oorspronkelijke stuk met dit laatste „wat +betreft handeling, verdeeling, kleeding en typeering der personen, +alsook het daarin voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel +overeenkomst had.” De tekst week echter geheel van het +oorspronkelijke stuk af; alleen een paar zinsneden aan het slot van het +eerste bedrijf waren woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de +Rechtbank van den Haag aan<a class="noteref" id="xd20e7672src" href= +"#xd20e7672" name="xd20e7672src">109</a>, dat wel was gebleken, dat de +beklaagde een tooneelspel had vertoond, overeenkomst hebbende met het +stuk „<i>Zwarte Griet</i>” doch niet wat hem ten laste was +gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou hebben doen opvoeren. De +vertooning der bewerking werd dus niet als inbreuk op het auteursrecht +beschouwd.</p> +<p>Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het +vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking is +blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor—voorzoover +dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden +afgeleid—dat in dit geval inderdaad door de bewerking +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7683" href="#xd20e7683" name= +"xd20e7683">192</a>]</span>geen inbreuk kon worden gemaakt op het +auteursrecht. De bewerker had nl. het oorspronkelijke stuk nóch +gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne bewerking gemaakt naar de +verslagen, die van het stuk in de dagbladen waren verschenen. Langs +dezen weg kan—dunkt mij—niet veel meer uit het stuk zijn +overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn hoogst enkele +fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening der personen. De +Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet ingegaan op de +principieele vraag, waar het mij hier om te doen is, nl. of volgens ons +recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en hoever dit recht zich +uitstrekt.</p> +<p>Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen +over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van de +Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889<a class="noteref" id= +"xd20e7687src" href="#xd20e7687" name="xd20e7687src">110</a> en een +arrest van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891<a class="noteref" +id="xd20e7692src" href="#xd20e7692" name="xd20e7692src">111</a>.</p> +<p>Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer +hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk +inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De +schrijver van een tooneelstuk „Krates”, getrokken uit den +roman van dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend +opvoeringsrecht daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem +aansprak wegens het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe +bewerking van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van +de eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: „dat de inhoud +van het tooneelstuk <i>Krates</i>, hetwelk de ged. in den aanvang der +maand Dec. 1888 heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige +wijzigingen, als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde +tooneelstuk „Krates”. De rechtbank wees dit aangeboden +bewijs van de hand als te weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te +weinig omvattend; verklaarde de vordering ontvankelijk doch ontzegde +haar als onbewezen. Uit de motiveering van dit vonnis blijkt, dat de +rechtbank in beginsel het inbreuk maken op het auteursrecht door middel +eener bewerking niet uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene +namens ged. gemaakte opmerking, dat de eischers met hunne hierboven +aangehaalde woorden: „behoudens eenige wijzigingen” zelven +zouden erkend hebben, dat het door ged. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e7702" href="#xd20e7702" name="xd20e7702">193</a>]</span>opgevoerd +tooneelstuk „Krates” niet hetzelfde was, als het in de +dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:</p> +<p>„dat ’t toch van den aard der wijzigingen afhangt, of +men te denken heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;</p> +<p>dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot +een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur en +zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als +geheel waardeloos zou zijn.”</p> +<p>Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den +<i>inhoud</i> van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden +het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: „dat +vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op +gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, ’t +aankomt op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, +dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet +zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht +der eischers.”</p> +<p>Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet geheel +blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te +onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in +de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping +van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk +in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid, die +deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.</p> +<p>De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een +tooneelstuk vooral „op aankomt”, maar wat daarin als de +schepping van den auteur is aan te merken. Het is niet meer dan bloot +toeval, dat de laatste zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, +nl. dat „al ware ook bewezen, dat de inhoud van beide +tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou zijn beslist dat de +ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht der eischers” in +het gegeven geval eene juiste uitspraak bevat. Want in het algemeen +behoort hetgeen de rechtbank onder den „inhoud” van een +tooneelstuk verstond wél tot de schepping van den auteur; alleen +in dit bijzondere geval was dit niet zoo, omdat die inhoud weer aan een +ander was ontleend, nl. aan Justus van Maurik, den schrijver van den +roman „<a class="pglink xd20e25" title= +"Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17549">Krates</a>”. Het blijkt +echter niet, dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den +roman van Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft +genomen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e7721" href="#xd20e7721" +name="xd20e7721">194</a>]</span></p> +<p>Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde den +geint. om aan de appellanten te betalen de som van ƒ 100 als +schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats overwogen, dat +ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der bewerking genoegzaam +bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij het opvoeringsrecht aan +de appellanten was overgedragen, niet te goeder trouw was nagekomen. +Dit argument schijnt mij zeer juist toe; het laat echter de vraag over +het al of niet bestaan van een uitsluitend bewerkingsrecht +onaangeroerd, daar het de verplichting tot schadevergoeding uit de +tusschen partijen bestaande verbintenis afleidt. Het is intusschen uit +het arrest moeilijk op te maken, of dit argument bij het Hof den +doorslag heeft gegeven, en of dus de beslissing in denzelfden zin zou +zijn uitgevallen, indien de bewerking door een derde ware vertoond, die +geenerlei overeenkomst betreffende het opvoeringsrecht van het +tooneelstuk in kwestie met de appellanten had gesloten. Wel werd aan +het slot van het arrest overwogen, dat „al moge de nieuwe +bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere verschillen, door de +opvoering van de eerste op het uitsluitend opvoeringsrecht van de +laatste inbreuk is gemaakt”, waarmede dus duidelijk werd te +kennen gegeven, dat er volgens de meening van het Hof <i>inbreuk op het +auteursrecht</i> had plaats gehad; doch de argumenten, die hiervoor +werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat beide +bewerkingen „in hoofdzaak overeenkomen” werd hieruit +afgeleid: „dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden +roman, en dat daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen +voorkomen”. De onjuistheid van deze redeneering springt in het +oog. Het auteursrecht, dat hier zou geschonden zijn, was het +auteursrecht van den schrijver der <i>tooneelbewerking</i>, niet dat +van den romanschrijver. Er moest dus onderzocht worden, of de tweede +tooneelbewerking bestanddeelen bevatte van de eerste, die <i>niet</i> +aan den roman ontleend waren. Want wat in beide bewerkingen uit den +roman was overgenomen, daarop kon de bewerker geen uitsluitend recht +laten gelden, tenzij hem dit door den romanschrijver was overgedragen. +Van een dergelijk recht (een uitsluitend recht dus om van den roman +„Krates” van Justus van Maurik eene tooneelbewerking te +maken) was echter in dit geding geen sprake.</p> +<p>De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de +rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7735" href="#xd20e7735" name= +"xd20e7735">195</a>]</span>vast systeem ontbreekt, en ik waag de +opmerking te maken, dat de theorie over „vorm en inhoud”, +die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze gevallen goede diensten zou +hebben kunnen bewijzen.</p> +<p>Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak, dat +nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan +van een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel +geheel uitgesloten achten.</p> +<p>Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht +van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er +herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk „Krates” +getrokken was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin +een reden werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den +schrijver van het tooneelstuk (van den „bewerker” dus) in +twijfel te trekken.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.3"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en +kaarten</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het algemeen overzicht van de +auteursrechts-objecten is er reeds op gewezen, dat er zekere soorten +van platen en kaarten bestaan, die niet tot de werken van beeldende +kunst kunnen worden gerekend, omdat zij niet, zooals deze laatsten, van +zuiver aesthetischen aard zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die +hier bedoeld worden, hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om +door hunne schoonheid kunstindrukken te wekken, maar om +wetenschappelijke of technische aangelegenheden uiteen te zetten of +duidelijk te maken. Vandaar dat de rol, die zij vervullen, zooals reeds +werd opgemerkt, vergeleken kan worden met die van de woorden en letters +in een geschrift. Evenals deze zijn zij van symbolischen aard; zij +ontleenen hunne beteekenis uitsluitend aan hetgeen zij +„voorstellen”. Men denke b.v. aan eene aardrijkskundige +kaart, waar het eene land rood, het andere groen is geverfd, waar +spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door kruisjes of +stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding van het +menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk bloed +blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.</p> +<p>Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan +aanduiden met den naam „technische en wetenschappelijke platen en +kaarten”, en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7748" href="#xd20e7748" name= +"xd20e7748">196</a>]</span>en zeekaarten, anatomische, botanische en +mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en technische teekeningen, +schematische voorstellingen van allerlei aard enz. enz., eene +afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht toekomt, wordt +algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die der +geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.</p> +<p>In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk +genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van: +„<span lang="de">solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder +technischer Art, welche nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu +betrachten sind</span>”; de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) +van: „<span lang="fr">dessins géographiques, +topographiques, d’histoire naturelle, architecturaux, techniques +et autres analogues</span>”; in art. 2 van de wetten van +Denemarken en Noorwegen vindt men ongeveer dezelfde termen; de +Zweedsche wet (art. 1) noemt: „natuurkundige teekeningen, land- +en zeekaarten, bouwkundige plannen en andere teekeningen en +afbeeldingen van dien aard”<a class="noteref" id="xd20e7758src" +href="#xd20e7758" name="xd20e7758src">112</a>.</p> +<p>Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest, +dat er werken bestaan, die hoewel geen „geschriften” +zijnde, toch zeer nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet +behooren tot de werken van beeldende kunst, waarvan men het +auteursrecht later in eene afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men +volgde daarbij het voorbeeld van Duitschland, waar ook twee wetten op +het auteursrecht bestonden: die van 1 Juni 1870, „<i lang= +"de">betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken, Abbildungen, +musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken</i>” en die +van 9 Jan. 1876 „<i lang="de">betreffend das Urheberrecht an +Werken der bildenden Künste</i>”. De „<span lang= +"de">Abbildungen</span>” van de Duitsche wet van 1870 werden in +onze wet (art. 1): „<i>plaat- en kaartwerken</i>”. Doch +zoowel uit de keuze van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede +in de memorie van toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten +duidelijkste, dat het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige +navolging heeft gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed +bewust geweest van hetgeen hij deed, toen hij de „<span lang= +"de">Abbildungen</span>” niet bij de werken van beeldende kunst, +maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der bedoelde werken werd +overwogen, of de grond der bescherming, die men ervoor wilde +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7779" href="#xd20e7779" name= +"xd20e7779">197</a>]</span>verleenen, moest gezocht worden naar +analogie van dien der geschriften of van dien der kunstwerken<a class= +"noteref" id="xd20e7781src" href="#xd20e7781" name= +"xd20e7781src">113</a>. Men kwam tot het eerste op grond van dezelfde +overwegingen, die hierboven reeds zijn weergegeven, nl. dat deze +producten meer een wetenschappelijk dan een artistiek doel hebben, +immers ertoe bestemd zijn „<span lang="de">zu +belehren</span>”. In § 43 der wet van 1870 werden zij nader +aangeduid als: „<span lang="de">geographische, topographische, +naturwissenschaftliche, architektonische, technische und <span class= +"corr" id="xd20e7795" title="Bron: ahnliche">ähnliche</span> +Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke nicht als +Kunstwerke zu betrachten sind</span>”. Hieruit blijkt wel, dat +men op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog +had en dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst +eenerzijds, de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar +stelselmatig heeft getrokken.</p> +<p>Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding +hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.</p> +<p>In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp het +auteursrecht regelt van: „schrijvers van letterkundige werken, +benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant, +insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken”. Met deze +laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de +„plaat- en kaartwerken”. Verder werd nog opgemerkt: +„Uitgesloten zijn de voortbrengselen van schilder- en +beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan de vervaardigers van die +voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt ... behoort (dit) het +onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke wet”<a class= +"noteref" id="xd20e7803src" href="#xd20e7803" name= +"xd20e7803src">114</a>. Van eene onderscheiding naar de innerlijke +eigenschappen der werken—zooals die in Duitschland was +gemaakt—dus geen spoor. Het eenige wat men in aanmerking scheen +te nemen was, of een werk al dan niet „voorwerp van den +boekhandel” uitmaakte. Daaruit laat zich ook verklaren, dat men +niet eene bepaling als de boven aangehaalde van § 43 der Duitsche +wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun hoofddoel betreft +als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos, misschien zonder +veel over de zaak na te denken, de woorden „plaat- en +kaartwerken”, die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) +voorkwamen.</p> +<p>Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7808" href="#xd20e7808" name= +"xd20e7808">198</a>]</span>moet gegeven worden? De vraag is moeilijk op +te lossen en heeft ook reeds tot verschil van opvatting aanleiding +gegeven.</p> +<p>In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat de +wet niet spreekt van „kaarten en platen,” maar van +„kaart- en plaat-<i>werken</i>”. Daarom geloof ik niet, +dat, zooals Mr. Veegens<a class="noteref" id="xd20e7815src" href= +"#xd20e7815" name="xd20e7815src">115</a> en Mr. van de +Kasteele<a class="noteref" id="xd20e7818src" href="#xd20e7818" name= +"xd20e7818src">116</a> aannemen, daaronder gerekend kunnen worden losse +etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij, wat Mr. +Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:</p> +<p>„Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de +wetgever ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica en +spraakgebruik juist is): <i>een boek met platen</i>, evenwel met deze +restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak +zij”<a class="noteref" id="xd20e7828src" href="#xd20e7828" name= +"xd20e7828src">117</a>. Met uitzondering van de laatste toevoeging, +waarvoor ik niet den minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen +eens. Deze uitlegging strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen +uit de memorie van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat +zich met meer recht dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij +„aan letterkundige werken zeer nauw verwant zijn” en +tevens, dat zij evenals dezen „een voorwerp van den boekhandel +uitmaken.” De overweging is blijkbaar deze geweest, dat tekst en +illustratie bij elkaar hooren en daarom ook in dezelfde wet bescherming +moeten vinden. Toch komt men met deze uitlegging tot zonderlinge +gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe een boekverkooper, die een +oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin in den handel had gebracht, +moest toezien, dat deze straffeloos werd nagedrukt. Doch indien +diezelfde boekverkooper „niet één ets had laten +maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende +kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes +aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke +plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille, +voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als +door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaat<i>werk</i> +had tot stand gebracht.”</p> +<p>Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige +<span class="pagenum">[<a id="xd20e7841" href="#xd20e7841" name= +"xd20e7841">199</a>]</span>onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog +duidelijker komt dit in het licht, indien men zich de vraag stelt, wie +eigenlijk als auteur moet worden aangemerkt van een „plaat- of +kaartwerk”. De werken van beeldende kunst als schilderijen, +teekeningen enz. vallen buiten de bescherming onzer wet; evenzoo +photographieën, zooals nog uitdrukkelijk in de memorie van +antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze werken is geregeld +in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is verheven. Schilders, +teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen „auteurs” +volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten tot een +„plaatwerk” vereenigd, dan is dit laatste wél +voorwerp van auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als +auteur van het plaatwerk te beschouwen hem, die de <span class="corr" +id="xd20e7843" title= +"Bron: clichés">cliché’s</span>—al of niet +door hemzelf vervaardigd—verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus +den drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen<a class= +"noteref" id="xd20e7846src" href="#xd20e7846" name= +"xd20e7846src">118</a>, is er geen sprake van een plaatwerk, +vóórdat een exemplaar is afgedrukt, en zonder plaatwerk +geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening van Mr. Veegens te zijn, +die als object van het auteursrecht noemt: „het door den druk +gemeen gemaakte plaatwerk”<a class="noteref" id="xd20e7849src" +href="#xd20e7849" name="xd20e7849src">119</a>. Juister ware echter +geweest „gedrukt” in plaats van „door den druk gemeen +gemaakt”; want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is +gemaakt doet hier niets ter zake.</p> +<p>In vele gevallen zal dus de auteur van het „plaatwerk” +een ander zijn dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk +bestaat. Daar deze laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens +onze wet behoeft hunne toestemming door den samensteller van het +plaatwerk niet gevraagd te worden. Niet alleen dus dat het ieder +vrijstaat van schilderijen, teekeningen, etsen, photographieën +enz. zonder toestemming van den auteur reproducties te laten maken, om +daarmede een boek te illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als +samensteller van een „plaatwerk” door onze wet tegen +verdere reproductie beschermd! <span class="pagenum">[<a id="xd20e7855" +href="#xd20e7855" name="xd20e7855">200</a>]</span></p> +<p>Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te +rechtvaardigen, dat de uitdrukking „plaat- en kaart-werken” +in onze wet niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit +is vooral noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de +omstandigheid, dat deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het +dubbel noodig dat de grens tusschen deze en de wel beschermde producten +duidelijk en naar redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch +ook indien het Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking +„plaat- en kaartwerken” in de W. A. R. in de practijk tot +moeilijkheden aanleiding geven. Het Ontw. B. K. verleent b<span class= +"corr" id="xd20e7858" title="Niet in bron">.</span> v. een auteursrecht +van slechts tien jaar aan hem, die een werk van beeldende kunst van een +ander door eene mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien +echter op deze wijze een „plaatwerk” tot stand komt, zou +diezelfde persoon volgens de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar +genieten<a class="noteref" id="xd20e7861src" href="#xd20e7861" name= +"xd20e7861src">120</a>. Ook de verschillende regelingen der voorwaarden +en formaliteiten in de W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband +hiermede tot verwarringen aanleiding kunnen geven.</p> +<p>Welke de werken zijn, die in plaats van de „plaat- en +kaartwerken” in de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten +worden, is hierboven reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met +welke termen deze werken in sommige buitenlandsche wetten worden +aangeduid. Vooral de Duitsche wet schijnt mij op dit punt +navolgingswaard, omdat zij uitdrukkelijk de producten, die als +kunstwerken zijn bedoeld, uitsluit. Ook de—hierboven niet door +mij aangehaalde—bepaling van § 1 der Duitsche wet van 19 +Juni 1901, dat tot de „<span lang="de">Abbildungen</span>” +ook behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden +nagevolgd. Er bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, +voorzoover zij overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische +afbeeldingen, hiermede niet op ééne lijn te stellen.</p> +<p>Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik +spreek nu niet meer over de „kaart- en plaatwerken” van +onze wet, maar alleen over de „technische en wetenschappelijke +kaarten en platen”, waarvan ik het begrip hierboven heb trachten +vast te stellen) <span class="pagenum">[<a id="xd20e7874" href= +"#xd20e7874" name="xd20e7874">201</a>]</span>aan den regel worden +vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen object van +auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat kan +putten—b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig +menschelijk of dierlijk orgaan—is gemeengoed en moet door ieder +vrij benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt, +het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al +waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van +den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde goed +bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften, uitsluitend +uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze van den auteur. +Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op zich +zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn, zoodat b.v. +een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde methode om iets +graphisch voor te stellen of om een landschap in kaart te brengen. Waar +van den vorm als object van auteursrecht wordt gesproken, wordt +daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan een concreten +inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet in het +vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode om +die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur is +slechts hij, die deze denkbeelden en plannen <i>verwezenlijkt</i>, die +dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing +brengt.</p> +<p>De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede +aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene—al of niet door +den auteur gedane—technische uitvinding. In dat geval kan +natuurlijk die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat +dit dan geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de +kaart of plaat.</p> +<p>Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische +afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding, dat m. +a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te brengen. +Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het eene +bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop bevat +object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen betreft +waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van +uitvinders-recht kan zijn<a class="noteref" id="xd20e7883src" href= +"#xd20e7883" name="xd20e7883src">121</a>. Ook hier valt dus de +onderscheiding <span class="pagenum">[<a id="xd20e7888" href= +"#xd20e7888" name="xd20e7888">202</a>]</span>tusschen auteursrecht en +uitvindersrecht niet moeilijk te maken, indien men maar de objecten van +ieder recht goed uit elkander houdt.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.4"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 4 Werken der toonkunst</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander +gemeen, dat zij beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar +tot uiting te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en +zijn slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer +te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van +beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden <i>gezien</i>.</p> +<p>Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en +geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten aan +te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt, is dat +zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen, waaruit +een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een geschrift, +eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk hunne werking +uit op den hoorder.</p> +<p>Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen +muziekstukken en geschriften in verschillende opzichten van belang.</p> +<p>Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor +mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke +oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft +als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.</p> +<p>De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met +de taal, die als „voertuig der gedachten” ook practische +diensten bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen +zal vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit +hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht te +zijn.</p> +<p>Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik +worden gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en +vingeroefeningen en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. +Daardoor verliezen deze werken echter niet hun karakter van +kunstschepping. Het komt mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler +doet, signalen niet tot de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij +voert hiervoor aan, dat zij buiten den kring der kunst staan<a class= +"noteref" id="xd20e7908src" href="#xd20e7908" name= +"xd20e7908src">122</a>. Dit <span class="pagenum">[<a id="xd20e7913" +href="#xd20e7913" name="xd20e7913">203</a>]</span>betreft echter m. i. +niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt gemaakt, +een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch gewild +heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om er langer +bij stil te staan<a class="noteref" id="xd20e7915src" href="#xd20e7915" +name="xd20e7915src">123</a>.</p> +<p>In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk +voorwerp van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een +belangrijk verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van +den componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn vorm +en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als bij +geschriften. Bij geschriften kan men „vorm” noemen de taal, +en „inhoud” datgene, wat door de taal wordt +uitgedrukt<a class="noteref" id="xd20e7926src" href="#xd20e7926" name= +"xd20e7926src">124</a>. Doch omdat de muziek het symbolisch karakter +der taal mist, is eene onderscheiding tusschen de muziek zelve en +datgene wat erdoor wordt uitgedrukt, niet te maken. De tonen worden +niet, zooals de woorden, gebruikt als teekens van begrippen, maar zij +zelf zijn het, die de muzikale aandoening bij den hoorder wekken. +Daarom is het ook onmogelijk een stuk muziek „in andere +tonen” weer te geven.</p> +<p>Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van +bestanddeelen aan een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale +bewerking te geven. Om te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk +op het auteursrecht wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit +welke bestanddeelen een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding +van worden gemaakt op soortgelijke wijze als ten aanzien der +geschriften is geschied.</p> +<p>In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie, +instrumentatie, rhythmus en dynamiek.</p> +<p>Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime, +beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de +combinatie van tegelijk klinkende tonen.</p> +<p>Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan te +duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en eene +karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte +uitdrukken<a class="noteref" id="xd20e7938src" href="#xd20e7938" name= +"xd20e7938src">125</a>. De onderscheiding is, zooals zal blijken, ook +voor het auteursrecht van belang. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e7947" href="#xd20e7947" name="xd20e7947">204</a>]</span></p> +<p>Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten gehoore +brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten is geregeld. +Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van vocaliseering.</p> +<p>De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in +tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.</p> +<p>Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.</p> +<hr class="tb"> +<p>Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele +melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat +men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd +uit een of meer <i>motieven</i> of <i>thema’s</i>. Deze kunnen +echter niet als eene schepping van den componist worden beschouwd. Zij +bestaan uit slechts enkele noten in niet meer dan een of twee maten die +geen zelfstandig geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen +voor eene verdere muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten +b.v. de twee eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, +terwijl men b.v. de bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in +de acht eerste maten van het Scherzo in deze symphonie, een +<i>melodie</i> kan noemen<a class="noteref" id="xd20e7967src" href= +"#xd20e7967" name="xd20e7967src">126</a>.</p> +<p>Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord +„motief” niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven +zin, waarin het eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De +„Leitmotive” b. v. in de muziek-drama’s van Richard +Wagner zijn bijna alle tevens melodieën, en niet maar eenvoudige +thema’s zonder zelfstandigen muzikalen zin.</p> +<p>Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in +het—zelden voorkomende—geval dat de geheele compositie uit +niets anders bestaat dan die ééne melodie zonder +harmoniseering, maar ook wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt +van eene meer uitgewerkte muzikale compositie. Hieruit valt reeds de +algemeene regel af te leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te +beschouwen het overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook +al zouden daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn +gewijzigd. <span class="pagenum">[<a id="xd20e7977" href="#xd20e7977" +name="xd20e7977">205</a>]</span></p> +<p>Meestal bestaat—zooals gezegd—eene muzikale compositie +niet uit ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij +ontstaan uit de bewerking van een of meer melodieën. Ook dit +bewerken is een scheppende arbeid; dikwijls zelfs zijn juist hieraan de +meest waardevolle elementen van een muziekstuk te danken.</p> +<p>Met het „bewerken” heb ik voornamelijk op het oog het +harmoniseeren, d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de +enkele tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische +bewerkingen onderscheiden, nl. de <i>polyphonie</i> waarin twee of meer +op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het +ware dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de +<i>homophonie</i>, bestaande uit ééne melodie met eene +die melodie steunende en daaraan ondergeschikt blijvende +begeleiding.</p> +<p>Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende +wijzen geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, +hetzij homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën +ontleent en daaraan een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets +dergelijks als de bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan +gezegd worden—al is het in eenigszins anderen zin—dat hij +aan een bestaanden inhoud een nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook +ten aanzien van het auteursrecht soortgelijke gevolgen in. De bewerker +heeft aan den eenen kant het recht van den oorspronkelijken auteur te +eerbiedigen en mag dus zonder vergunning van dezen laatste zijne +bewerking niet exploiteeren; aan den anderen kant vestigt de bewerker +op zijne beurt een nieuw recht, dat ook door den auteur van het +oorspronkelijke werk moet worden ontzien.</p> +<p>Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op +zichzelf object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel: +de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve +onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht op de +harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig voorwerp +van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster hieromtrent +opmerkt: „<span lang="de">... an den Harmoniefolgen, der +Modulation als solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch +weniger fast als an den einzelnen Accorden, denn dieselben +Harmoniefolgen können bei ganz verschiedenen melodischen und +rhythmischen Folgen eintreten, sie sind etwas, das an sich nicht +sinnlich wahrgenommen wird daher keine Wirkung macht, und nicht +für sich allein die Individualität <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e7994" href="#xd20e7994" name= +"xd20e7994">206</a>]</span>des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben +Art in den verschiedensten Werken vorkommen kann</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e7997src" href="#xd20e7997" name= +"xd20e7997src">127</a>. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen zijn +de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën; +harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de +kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk +maar eene abstractie.</p> +<p>Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje +van, hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de +eerste maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene +andere, doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad +nieuw <span class="corr" id="xd20e8003" title= +"Bron: muziekstnk">muziekstuk</span> doet ontstaan<a class="noteref" +id="xd20e8006src" href="#xd20e8006" name="xd20e8006src">128</a>. Minder +juist is echter de beschouwing, die deze zelfde schrijver daarna laat +volgen, waarmede hij tracht aan te toonen, dat het bovengenoemde +beginsel in sommige gevallen uitzondering zou kunnen lijden, dat dus +een recht op de harmonie op zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. +Dit zou nl. dán het geval zijn, wanneer eene eigenaardige +harmonische bewerking is gegeven aan eene melodie, die zonder deze +bewerking geen voorwerp van auteursrecht kon uitmaken. Het woord +melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in den ruimen zin van: +opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie in den engeren zin +is—zooals hierboven betoogd is—altijd als een muzikale +schepping en bijgevolg als object van des componisten auteursrecht te +beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen, die op zichzelf niets +uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen componist zouden kunnen +toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld een neerdalende +chromatische toonladder, welke de „melodie” uitmaakt van +een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde +bedrijf van „die Walküre”<a class="noteref" id= +"xd20e8009src" href="#xd20e8009" name="xd20e8009src">129</a>. Daar hier +de melodie geen voorwerp van auteursrecht uitmaakt, maar wél de +eigenaardige harmonische bewerking, die Wagner er aan gegeven heeft, +kan men volgens mr. Viotta in dit geval spreken van een auteursrecht +ten aanzien der harmonie. Dit is in zooverre juist, dat <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8021" href="#xd20e8021" name= +"xd20e8021">207</a>]</span>eerst door de harmonische bewerking een +auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt +te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht +zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde +wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door n.l. +dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere +melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel +nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op +Wagner’s auteursrecht zou uitmaken.</p> +<p>Wat van de harmonie is gezegd geldt <span class="abbr" title= +"mijner meening"><abbr title="mijner meening">m.m.</abbr></span> ook +voor de instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het +orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die +zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner +en in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige +ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft weten +op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie een +organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die werkelijk +kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die daarna onder +de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij de eerste +conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de middelen, +waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels voor den +geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin een +organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie van +den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor aan de +aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.</p> +<p>Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke +instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt +natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt het +maken van „transcripties” of „arrangementen”, +d. z. bewerkingen voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. +Men kan deze bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; +Kohler noemt ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een +letterkundig werk den <i>uiterlijken vorm</i><a class="noteref" id= +"xd20e8032src" href="#xd20e8032" name="xd20e8032src">130</a>.</p> +<p>Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den +bewerker van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8039" href="#xd20e8039" name= +"xd20e8039">208</a>]</span>na het voorgaande geene uiteenzetting meer. +Het arrangement is aan den eenen kant zelf een auteursproduct, aan den +anderen kant zou de exploitatie ervan zonder toestemming van den +oorspronkelijken componist inbreuk op diens auteursrecht zijn. Ik +behoef er ook verder niet op te wijzen, dat de instrumentatie, evenmin +als de harmonie of welke andere „vorm” ook, op zichzelf +geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus vrijstaan, eenen +componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor nieuwe +instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen, mits +natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke +muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de +verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten aan +te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht der +componisten reeds genoegzaam afleiden.</p> +<p>Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder +begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de melodie dus in +den engen zin van het woord, als eene muzikale compositie is te +beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is opgebouwd. Daaruit +volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van een ander is +overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden +geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin +alleen het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van +belang met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op +thema’s of melodieën van andere componisten<a class= +"noteref" id="xd20e8047src" href="#xd20e8047" name= +"xd20e8047src">131</a>. Wij hebben verder gezien, dat ook het +harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den scheppenden +arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht toekomt aan hem, +die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen gelden, eene +oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven en zelfs aan hem, +die niets anders gedaan heeft dan een bestaand muziekstuk opnieuw te +instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd werd, geen recht op de +harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch een recht op het +concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering of +instrumenteering tot stand is <span class="pagenum">[<a id="xd20e8056" +href="#xd20e8056" name="xd20e8056">209</a>]</span>gekomen. Natuurlijk +geldt ook hier, dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, +die hij uit het werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een +piano-uittreksel heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen +verhinderen, dat dit piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, +niet dat anderen van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of +voor andere instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie +uit het stuk wordt overgenomen.</p> +<p>In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig +zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna nooit +voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt +overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen +heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk +wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen of +vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien worden +dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die dan in de +„bewerking” worden afgewisseld door meer oorspronkelijke +stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende +vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën, +potpourris, parodieën enz.</p> +<p>Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren; +daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas +moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een +oordeel uit te spreken.</p> +<p>Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van +algemeenen aard aan het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de +beoordeeling, of in een bepaald geval door het overnemen van +bestanddeelen uit eens anders muzikale compositie inbreuk op het +auteursrecht is gepleegd, de meerdere of mindere artistieke waarde van +het daardoor ontstane nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag +worden genomen. Er zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel +oorspronkelijke muzikale composities, ware meesterwerken aan te wijzen. +Door verschillende schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de +variaties die Bach, Mozart en Beethoven op vreemde melodieën +hebben geschreven. Dit is echter geen voldoende reden om dergelijke +bewerkingen voor geoorloofd te houden, indien zij werkelijk +bestanddeelen van een nog beschermd werk van een ander bevatten. Volgde +men deze opvatting<a class="noteref" id="xd20e8064src" href= +"#xd20e8064" name="xd20e8064src">132</a>, <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e8070" href="#xd20e8070" name="xd20e8070">210</a>]</span>dan zou +elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts eene +kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.</p> +<p>Ik meen dus—om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene +nadere omgeving dan de bovengenoemde—dat een werk als de bekende +<i>Piet Hein-Rhapsodie</i> van van Anrooy, waarin de melodie van het +oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen +is als eene „bewerking” van dat lied en dat de exploitatie +ervan zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat +diens auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook +de groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe +harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van +de hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de +Duitsche wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht +toe, uittreksels (<i lang="de">Auszüge</i>) uit hunne werken te +maken alsmede bewerkingen voor een of meer instrumenten of stemmen +(§ 12, 4); voorts verbiedt de wet elk gebruik van een muziekwerk, +waardoor eene melodie aan het werk wordt ontnomen om aan een nieuw werk +ten grondslag te worden gelegd (§ 13 lid 2). Ook in de wetten van +Spanje en Italië komen dergelijke bepalingen voor. De Italiaansche +wet van 19 Sept. 1882 stelt met reproductie gelijk: bewerkingen voor +verschillende instrumenten, uittreksels en geheele of gedeeltelijke +omwerkingen (<i lang="it">adattamenti</i>), behalve wanneer een motief +uit een werk tot thema wordt genomen voor eene nieuwe oorspronkelijke +muzikale compositie (art. 3). De Spaansche wet van 10 Jan. 1879 +verbiedt het geheel of gedeeltelijk overnemen van melodieën met of +zonder begeleiding, hetzij bewerkt voor andere instrumenten, hetzij +voorzien van een anderen tekst of in eenigen anderen vorm, dan die +welke de auteur eraan heeft gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. +1880 tot uitvoering van laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene +parodie geen melodie van het geparodieerde stuk mag worden opgenomen +(art. 65).</p> +<p>In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, +die zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts +dán kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan +gegronde <span class="pagenum">[<a id="xd20e8090" href="#xd20e8090" +name="xd20e8090">211</a>]</span>vrees bestaat, dat door den rechter de +juiste beginselen niet zullen worden toegepast, zoodat b.v. alleen het +exploiteeren van een muziekstuk in ongewijzigden vorm als inbreuk op +het auteursrecht zou worden aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet +den rechter in deze materie volkomen vrijheid laat, al of niet het +geval is, is moeilijk uit te maken, daar jurisprudentie hierover +ontbreekt en ook van eene wetenschappelijke communis opinio moeilijk +kan gesproken worden. Er kan hier echter gewezen worden op de boven +reeds aangehaalde zinsnede uit de memorie van toelichting onzer wet, +waaruit ten duidelijkste blijkt, dat onze wetgever geenszins de +bedoeling heeft gehad, het maken van bewerkingen van muziekstukken +zonder toestemming des auteurs in alle gevallen vrij te laten. Er is +dus, nog minder dan ten aanzien der geschriften, eenige reden om de +erkenning van een bewerkingsrecht van auteurs van muziekstukken in +strijd met de wet te achten. Daarom meen ik ook, dat de hierboven +ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens ons bestaande recht in +allen deele toepassing zouden kunnen vinden.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.5"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en +pantomimes</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale +werken verstaan tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit +een geheel of gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten +tekst. Het eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door +eene samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen +geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren bij +elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang +van woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of +operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één +geheel te beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om +deze werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als +één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende +bestanddeelen bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen +woorden en een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien +van het auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De +moeilijkheid bij het bepalen, wat in elk geval object van het +auteursrecht is, bestaat, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8097" +href="#xd20e8097" name="xd20e8097">212</a>]</span>zooals na het +bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk in de ontleding, die +van geschriften en kunstwerken moet worden gemaakt. Deze ontleding valt +bij dramatisch-muzikale werken al heel gemakkelijk. Want tekst en +muziek mogen tezamen een organisch geheel vormen, evenals b.v. melodie +en harmonie, eene onderscheiding te maken tusschen de twee zal niemand +eenige moeite kosten. Wat de tekst is in een opera, en wat de muziek, +daarover behoeft geen woord te worden vuil gemaakt. En is eenmaal deze +onderscheiding gemaakt, dan is voor ’t overige op elk der twee +bestanddeelen van het dramatisch-muzikale werk slechts toe te passen, +wat hierboven over de geschriften en de muziekwerken is gezegd. Het +libretto, het moge op zichzelf, dus afgescheiden van de muziek, eenige +zelfstandige waarde hebben of niet, valt onder de regels die voor alle +geschriften en in het bijzonder voor de tooneelstukken gelden. Het zal +dus b.v. niet vertaald mogen worden zonder toestemming van den auteur; +evenmin zal er een roman of novelle uit getrokken mogen worden, tenzij +het natuurlijk zelf eene dramatiseering is van een bestaande roman. +Eveneens zullen, wat het muzikale gedeelte betreft, de beginselen +toepassing kunnen vinden die hierboven over het auteursrecht der +componisten zijn ontwikkeld.</p> +<p>Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan +een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit is +vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens de +auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van den +librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te +oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster +b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een +componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen bezielt +en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet kunnen +beschikken<a class="noteref" id="xd20e8101src" href="#xd20e8101" name= +"xd20e8101src">133</a>. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid +uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt +blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken, die +niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist te +dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer +liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval +schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans +geschriften gerechtvaardigd. <span class="pagenum">[<a id="xd20e8107" +href="#xd20e8107" name="xd20e8107">213</a>]</span></p> +<p>Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn werk +door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt +uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend +zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval +kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen +van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten +maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men +door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke +werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou +bemoeilijken—zooals Schuster schijnt te vreezen<a class="noteref" +id="xd20e8110src" href="#xd20e8110" name= +"xd20e8110src">134</a>—meen ik te moeten betwijfelen. De +componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming van +den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat deze +toestemming bijna nooit—en in ’t bijzonder niet aan +talentvolle componisten—zal worden geweigerd<a class="noteref" +id="xd20e8113src" href="#xd20e8113" name="xd20e8113src">135</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de +dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk +niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten +zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook de +niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en tekst +bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat echter +geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der +dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken +niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het +verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer +voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken +slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden) +wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale +werken niet aan deze voorwaarde is gebonden<a class="noteref" id= +"xd20e8126src" href="#xd20e8126" name="xd20e8126src">136</a>. Onze wet +bevat ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim +toe; uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet; +opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het +slechts voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15). +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8129" href="#xd20e8129" name= +"xd20e8129">214</a>]</span></p> +<p>Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de +niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik hier +in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel aan te +toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de genoemde +rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan bij de +vraag, wat in den zin der wet onder een „dramatisch-muzikaal +werk” te verstaan is.</p> +<p>Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera’s en +operettes, werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden +opgevoerd; men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die +wel dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg +zijn bestemd, zooals oratoria en cantate’s, tot de +dramatisch-muzikale werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van +niet, op grond, dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit +moet hier, volgens hem, den doorslag geven: „<span lang="de">da +das Recht, und somit auch das Urheberrecht als äussere Ordnung +seiner Unterscheidung äussere Momente zu Grunde legen +muss</span>”<a class="noteref" id="xd20e8137src" href= +"#xd20e8137" name="xd20e8137src">137</a>.</p> +<p>Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale +ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor +de meening, die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus +het al of niet „dramatische” van een werk naar zijne meer +innerlijke eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden +beoordeeld) al evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de +vraag meer van opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler +o. a. deed. Deze redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet +maakt (zijn betoog had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu +vervangen door die van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische +muzikale werken is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed +bescherming verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te +verdedigen als een overgangsmaatregel, zoolang tegen een +onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht van muziekstukken nog practische +bezwaren worden gemaakt, die echter bestemd is te verdwijnen (in dit +opzicht heeft Kohler goed gezien); en zijn slotsom is deze: +„<span lang="de">in Zweifel ist darum ein Musikstück als +dramatisch-musikalisch zu betrachten</span>”<a class="noteref" +id="xd20e8145src" href="#xd20e8145" name="xd20e8145src">138</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8150" href="#xd20e8150" name= +"xd20e8150">215</a>]</span></p> +<p>Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking +„dramatisch-muzikale werken” van onze wet worden gegeven; +temeer daar in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe +behoorende worden genoemd<a class="noteref" id="xd20e8153src" href= +"#xd20e8153" name="xd20e8153src">139</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen +en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling tot +uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken kunnen +gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel aan te nemen. +Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven drama’s tot +de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die door auteursrecht +beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna door niemand meer +ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern tot voorbereiding van +de internationale Conventie werd dit door den Italiaanschen +gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken: „<span lang= +"fr">... il ne s’agit pas seulement de protéger le +libretto, qui n’est qu’un canevas, ou la musique, qui +n’est qu’un accessoire, mais aussi <i>l’action +chorégraphique</i>, qui est une création de +l’auteur. Le chorégraphe digne de ce nom est poète +et artiste: il crée le sujet; il ordonne les scènes, les +décors, les costumes, les tableaux, les couleurs; la suite, +l’intrigue, le développement des pantomimes et des danses, +qui expriment le drame fantastique, mythologique ou historique. Tout +cela constitue une véritable oeuvre d’art, et +l’ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre, il +y a donc lieu de protéger <i>l’action +chorégraphique</i></span>”<a class="noteref" id= +"xd20e8173src" href="#xd20e8173" name="xd20e8173src">140</a>.</p> +<p>Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat dan +Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen, zal men +het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping +vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals wij +gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te +rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden +gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt +aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen, waarvan +den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren hiertoe +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8180" href="#xd20e8180" name= +"xd20e8180">216</a>]</span>vertooningen, die tot eenig doel hebben de +handigheid, vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen +bewonderen of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en +dergelijken<a class="noteref" id="xd20e8182src" href="#xd20e8182" name= +"xd20e8182src">141</a>.</p> +<p>Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de +auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het +choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In de +tweede plaats—en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer +gebruikelijke middel zijn—door eene <i>beschrijving</i> van de +standen, gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime +optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve +deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren +van groote beteekenis is geworden, nl. de <i>kinematograaf</i>. Met +behulp hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste +bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een middel +in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te stellen. +Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats treden van +eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers enz. +Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de +vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk +hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de +aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer en +meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette +„drama’s” en kluchten door den kinematograaf +vertoonen. Indien pantomimes in het algemeen tot de beschermde +auteursproducten kunnen worden gerekend, dan bestaat er niet de minste +reden om aan deze bijzondere soort bescherming te ontzeggen. Al zal men +den naam „drama” voor deze werken misschien niet geheel +passend achten; het kan toch niet ontkend worden, dat zij door de +snelle opeenvolging en groote verscheidenheid der tafereelen, die zich +achtereenvolgens op de meest verschillende plaatsen kunnen afspelen, +nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich leenen, om dramatische +conflicten tot uitdrukking te brengen.</p> +<p>De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als +photographieën beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel +anderen aard, dat niet verward moet worden met dat op het door den +kinematograaf <span class="pagenum">[<a id="xd20e8205" href= +"#xd20e8205" name="xd20e8205">217</a>]</span>vertoonde stuk, waarover +hier gesproken wordt. Dit laatste recht is van veel wijder strekking: +niet alleen het maken van afdrukken der oorspronkelijke films zou een +inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het opnieuw laten vertoonen van +hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij door dezelfde personen, om +daarvan weer eene nieuwe kinematographische afbeelding te maken. Het +behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor dit recht grond +bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig in elkander zijn +gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans eenigszins een +dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen, die zich in de +werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp van een +uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende personen +zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen die ze in +beeld bracht.</p> +<p>In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig +proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had +in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen van +door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder zijne +toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek +vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank +toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische +afbeeldingen als <i>werken van beeldende kunst</i> beschermd waren en +dat als auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden +aangemerkt, daar deze het was geweest, „<span lang="fr">qui a +disposé d’abord son sujet, ses aides, ses instruments; +qu’il s’est assuré de la mise en plaque, c’est +à dire si le point important de la scène à +reproduire se trouvait bien dans le centre du verre dépoli; qui +a été en un mot le principal auteur des +films</span>” etc.<a class="noteref" id="xd20e8215src" href= +"#xd20e8215" name="xd20e8215src">142</a>). Doch „<span lang= +"fr">la scène à reproduire</span>” zelf werd niet +als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene +operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als +wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht +kan daardoor niet worden gevestigd.</p> +<p>Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal +voor den kinematograaf vervaardigde „stuk”, wordt, +voorzoover mij bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de +wet omschreven <span class="pagenum">[<a id="xd20e8226" href= +"#xd20e8226" name="xd20e8226">218</a>]</span>of door de jurisprudentie +erkend. De eenige stellige bepaling, die mij hierover bekend is, is die +van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner Conventie, welke hieronder +nog besproken zal worden. In een geval, waar voor de erkenning van dit +recht wellicht eenige grond bestond (het betrof hier kinematographische +tafereelen die tot titel voerden: „<i lang="fr">Apparitions de la +très Sainte Vierge à Bernadette</i>”) werd het +bestaan ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren +o.a.:</p> +<p lang="fr">„Attendu qu’une oeuvre cinematographique, de +quelque valeur artistique qu’ elle puisse être, ne peut, en +aucune manière, être assimilée aux oeuvres +dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible +d’interprétation, purement mécanique, ne saurait +être l’objet d’une représentation dans le sens +donné à ce mot par la loi des 13–19 Janvier 1791 et +par les articles 428 et 429 du Code Pénal;</p> +<p lang="fr">Que, s’il est exact de prétendre que +l’agencement et la composition des tableaux +représentés peuvent offrir un caractère +artistique, le mouvement dont sont douées les projections +cinematographiques n’est pas dû soit à +l’auteur, soit à des exécutants, mais bien à +la machine spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est +obtenu, etc.”<a class="noteref" id="xd20e8235src" href= +"#xd20e8235" name="xd20e8235src">143</a></p> +<p>Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte nog +eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni 1903. Hier +waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel, maar eenvoudig +een serie van tien prentbriefkaarten, die echter, in bepaalde volgorde +gelegd, eene soort van „dramatische” handeling lieten zien, +op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen, als een +kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij o.a.: +„<span lang="fr">... qu’il existe entre les dix +scènes de la composition un enchaînement qui indique la +pensée de l’ auteur; qu’en outre, la position des +personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie, leur attitude +précisent et réalisent cette conception; ... qu’on +n’a pas cherché à reproduire les traits de telle ou +telle personne déterminée, mais à figurer par une +série de petits tableaux une idée que la mimique des +personnages fait comprendre; que sans rechercher quel peut être +le mérite ou la valeur artistique d’une telle oeuvre, il +est certain qu’elle bénéficie de la protection de +la loi du 10 Juillet 1793</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e8246src" href="#xd20e8246" name="xd20e8246src">144</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8254" href="#xd20e8254" name= +"xd20e8254">219</a>]</span></p> +<p>Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien +prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht erkend. +De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank inbreuk +op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie van de +oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van de tien +<i>tafereelen</i>; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor +andere personen geposeerd hadden.</p> +<p>Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in +het erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht +werd beschouwd, was niet veel meer dan „une idée” in +den zin, waarin ons woord „idee” wel wordt gebruikt, nl. +eene invallende gedachte, en niet eene schepping, die aanspraak geeft +op auteursbescherming. Het vonnis geeft overigens een eigenaardig +staaltje van de vrijheid, waarmede de rechtspraak in Frankrijk zich +beweegt bij het interpreteeren van de wettelijke bepalingen op het +auteursrecht. Met het oog hierop meen ik ook te kunnen zeggen, dat er +tenminste in dát land geen speciale wet noodig zal zijn, om de +bescherming, die in de voorgaande bladzijden werd bepleit (voor de +stukken nl. die aan den kinematograaf hun aanzijn hebben te danken), +daadwerkelijk in te voeren.</p> +<p>Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even +groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes, +waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale +werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk +uitgesloten. „Geschriften” zijn zij al evenmin; dus zou er +niets anders overblijven dan ze te rangschikken onder de +„tooneelwerken”, waarvan onze wet spreekt. Met eene +dergelijke interpretatie zou men echter de grenzen, die de wetgever +voor oogen heeft gehad, te ver overschrijden. Naar ons bestaande recht +meen ik dus, dat de bedoelde werken onbeschermd zijn. Bij eene +toekomstige herziening zou daarom het opnemen eener bepaling als die +van art. 14 tweede en derde lid der Berner Conventie, ook in verband +met eene aansluiting van ons land bij het internationale Verbond, wel +aanbeveling verdienen.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.6"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 6 Werken van beeldende kunst</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, +als alle kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. +de stof <span class="pagenum">[<a id="xd20e8269" href="#xd20e8269" +name="xd20e8269">220</a>]</span>is slechts middel van uitdrukking en +geen bestanddeel van het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de +beeldende kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift +of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat—wat men zou kunnen +noemen—: de <i>verwerkelijking</i> van het werk in de stoffelijke +wereld, door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, +orkestspelers, tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in +het schrift (letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne +schepping door symbolische teekens weer te geven. De beeldende +kunstenaar daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; +hij moet, zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. +Daarom kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en +uitvoerend kunstenaar is.</p> +<p>Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden +kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf, heeft +dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een schrijver of +componist. Het eerste is de verwerkelijking van een kunstwerk, het +tweede is niet meer dan een middel, waardoor de verwerkelijking, ook +door anderen dan de auteur, mogelijk wordt gemaakt. Doch men moet +daarom niet bij een werk van beeldende kunst de schepping van den +kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk voorwerp, waarin de +schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is niet aan dat +ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk +aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van +den schilder ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de +uitvoering van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het +kunstwerk voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste +van meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan, dat +beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen richten. +Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het oor worden +waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd; de werken +van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden <i>gezien</i>, +hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een +bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de +ruimte.</p> +<hr class="tb"> +<p>Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar +is—het zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd—niet +het lichamelijke <span class="pagenum">[<a id="xd20e8283" href= +"#xd20e8283" name="xd20e8283">221</a>]</span>voorwerp, dat de schepping +verwerkelijkt, maar de onlichamelijke schepping zelve. Om hiervan een +goed denkbeeld te krijgen, moeten wij ons het kunstwerk denken ontdaan +van de materieele hulpmiddelen die de kunstenaar heeft gebruikt om +zijne conceptie aanschouwelijk te maken. „<span lang="de">Wir +müssen</span>,”—zooals Kohler het +uitdrukt—„<span lang="de">von der concreten Darstellung +abziehen einmal die äuszere Form <span lang="nl-1900">(d. w. z. +het procédé: krijtteekening, olieverf, aquarel enz. +enz.)</span> müssen uns daher vergegenwärtigen, was das +gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in verschiedenen Kunstformen +wiedergeben</span>”<a class="noteref" id="xd20e8294src" href= +"#xd20e8294" name="xd20e8294src">145</a>.</p> +<p>Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn recht) +onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is het +gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in <i>denzelfden +kunstvorm</i> meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder +wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere +exemplaren worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te +onderscheiden. Dit is b.v. het geval met etsen en <span class="corr" +id="xd20e8304" title="Bron: hontsneden">houtsneden</span>; elke afdruk +die van het door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, +is eene even volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den +laatsten tijd is men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het +oorspronkelijke cliché reproducties te maken van prenten van +allerlei aard, die zóó getrouw het origineel weergeven, +dat slechts door deskundigen het onderscheid kan worden gezien. Er zijn +echter kunstwerken, waarvan het zeer moeilijk is eene reproductie te +maken, die volkomen met het origineel overeenstemt. Van een schilderij +b. v. kan men zich wel eene kopie denken, die, zoover ons +waarnemingsvermogen gaat, in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis +met het gekopieerde vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke +kopieën niet<a class="noteref" id="xd20e8307src" href="#xd20e8307" +name="xd20e8307src">146</a>. Doch dat de mogelijkheid in abstracto kan +worden aangenomen, is ons hier genoeg. In de practijk, d. w. z. in de +practijk van het auteursrecht, komt het er niet op aan, of men met eene +gebrekkige kopie heeft te maken dan wel met de meest volmaakte, die +zich denken laat.</p> +<p>Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken +kunstvorm <span class="pagenum">[<a id="xd20e8318" href="#xd20e8318" +name="xd20e8318">222</a>]</span>hebben wij nu ook te doen met die in +een anderen kunstvorm. Naar eene schilderij kan b.v. een ets, of eene +houtsnede of eene krijtteekening worden gemaakt; eene aquarel kan door +middel der chromo-lithographie worden gereproduceerd, enz. enz.; al +deze reproducties of kopieën in andere kunstvormen zijn min of +meer volmaakte en min of meer getrouwe verwerkelijkingen van de +oorspronkelijke schepping.</p> +<p>Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den +beeldende kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, +eenigszins nader te karakteriseeren.</p> +<p>Het begrip „beeldende kunst” staat—er is reeds op +gewezen—algemeen vast. In het bijzonder bestaat verschil van +meening hierover, of tot de werken van beeldende kunst, die voorwerp +zijn van auteursrecht, ook gerekend moeten worden: photographieën, +werken der bouwkunst en de producten van kunstnijverheid of toegepaste +kunst. Over deze drie categorieën van werken zal ik hieronder +afzonderlijk nog spreken; ik laat ze daarom voorloopig buiten +beschouwing en neem dus het woord beeldende kunst in de meer enge +beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk gegeven wordt.</p> +<p>Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede +eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe +behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische +scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene +innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.</p> +<p>De grondslag—of zoo men wil: de <i>inhoud</i>—van elk +werk van beeldende kunst is de innerlijke voorstelling van den +kunstenaar. Waar deze ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen +zijn te zien, die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd +kunnen worden iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een +werk van beeldende kunst te doen<a class="noteref" id="xd20e8331src" +href="#xd20e8331" name="xd20e8331src">147</a>. Kohler bedoelt +waarschijnlijk niets anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het +werk van beeldende kunst karakteriseert als: „<span lang= +"de">Darstellung einer Weltschöpfungsidee</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e8340src" href="#xd20e8340" name= +"xd20e8340src">148</a>. Men zou ook, om eene meer eenvoudige +uitdrukking te gebruiken, kunnen zeggen, dat een vereischte voor een +werk van beeldende kunst is, dat het „iets voorstelt.” De +voorstelling, d. w. z. <span class="pagenum">[<a id="xd20e8345" href= +"#xd20e8345" name="xd20e8345">223</a>]</span>datgene wat de kunstenaar +min of meer bewust voor den geest heeft gestaan, kan ontleend zijn aan +wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch waar de beeldende +kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid na te bootsen of eene +nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is eene aesthetische +aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking van zijne +persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is b.v. de +voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel geen werk +van beeldende kunst<a class="noteref" id="xd20e8348src" href= +"#xd20e8348" name="xd20e8348src">149</a>. Evenmin zijn als zoodanig te +beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling +hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid +nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de +poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan +den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor +realiteit te laten doorgaan, vreemd.</p> +<p>Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil +zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen, +beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid is +te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en zelfs +iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou kunnen +voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de herinnering +aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of teekening, +waarvan niemand kan zeggen „wat het voorstelt”, is niet als +werk van beeldende kunst te beschouwen.</p> +<p>Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van +volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het +oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit is +een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt, en die +na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring zal +behoeven<a class="noteref" id="xd20e8356src" href="#xd20e8356" name= +"xd20e8356src">150</a>.</p> +<p>Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den +beeldenden kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, +bestaat?</p> +<p>Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt +niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8366" href="#xd20e8366" name= +"xd20e8366">224</a>]</span>het niet aangaat, aan één +persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te geven +(wat—zooals wij gezien hebben—in den tijd der +privilegiën wel voorkwam)<a class="noteref" id="xd20e8368src" +href="#xd20e8368" name="xd20e8368src">151</a>, zal nu wel nergens +tegenspraak ontmoeten. Dit geldt niet alleen voor portretten, +landschappen, stillevens enz. maar ook voor de zoogenaamde +<i>genre</i>-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige tafereelen, +waarbij het tafereel op zich zelf eene—zij het ook geheel +uiterlijke—beteekenis heeft<a class="noteref" id="xd20e8374src" +href="#xd20e8374" name="xd20e8374src">152</a>.</p> +<p>Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook +al is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het +onderwerp is echter iets anders dan wat ik hierboven noemde de +„innerlijke voorstelling” van den kunstenaar. Afgezien van +de techniek en afgezien ook van de compositie zal hetzelfde onderwerp +door twee schilders niet op dezelfde wijze behandeld worden.</p> +<p>In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken +kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij den +een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij den ander +en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk leiden. +Kohler spreekt te dien aanzien van „die individuelle Weise, in +welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise +gebildet hat”<a class="noteref" id="xd20e8387src" href= +"#xd20e8387" name="xd20e8387src">153</a>. Dit kan natuurlijk op +verschillende wijzen en door verschillende middelen worden bereikt; +elke kunstenaar volgt hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn +werk op enkele punten verwantschap met dat van anderen toonen.</p> +<p>Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud +zijner schepping noemen. Zij is het „imaginäre +Bild”,—de „<i>innerlijke visie</i>” zou men +hier zeggen—die in verschillende vormen aanschouwelijk kan worden +gemaakt.</p> +<p>De „vorm” is hier weer te onderscheiden in een +innerlijken en een uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men +voornamelijk hebben te zoeken in wat gewoonlijk genoemd wordt de +<i>compositie</i>, d.w.z<span class="corr" id="xd20e8402" title= +"Niet in bron">.</span> de wijze waarop de verschillende onderdeelen +worden gerangschikt, op den voorgrond of op den achtergrond, in licht +of in schaduw worden gezet, zóó dat zich daaruit +één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het +bijzonder de begrenzing van <span class="pagenum">[<a id="xd20e8405" +href="#xd20e8405" name="xd20e8405">225</a>]</span>het stuk<a class= +"noteref" id="xd20e8407src" href="#xd20e8407" name= +"xd20e8407src">154</a>; zoo kan bij landschappen of zeegezichten de +hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel een belangrijke factor +zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een menschengroep kan worden +verhoogd, door de figuren, die zich aan de uiteinden bevinden, slechts +voor de helft te doen zien, zoodat zij uit de lijst in het schilderij +schijnen te stappen<a class="noteref" id="xd20e8416src" href= +"#xd20e8416" name="xd20e8416src">155</a>.</p> +<p>Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft te +zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele +wijze van compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars +dikwijls beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan +weer een andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat +voor de definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.</p> +<p>Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven, d. +w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, +aquarel, crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is +dus voornamelijk de <i>techniek</i>. Ook deze is een element van den +scheppenden arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische +vaardigheid bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het +bijzonder voor de schilderkunst: het is dikwijls vooral de +„manier van schilderen” waaraan de werken van een grooten +meester zijn te herkennen. Doch ook in de behandeling van andere +kunstvormen kan de kunstenaar zijne persoonlijkheid, zijn eigen stijl +toonen. Men denke zich bij voorbeeld twee etsen naar dezelfde +schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen, dat men daartusschen niet +belangrijke verschilpunten ontdekt, die natuurlijk alleen zijn te +verklaren uit het verschil in werkwijze der twee kunstenaars.</p> +<p>Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden +kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke +voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat +hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met: +melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen +ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten +opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat +zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden +gesteld.</p> +<p>Object van auteursrecht is—zooals altijd—alleen datgene, +wat <span class="pagenum">[<a id="xd20e8433" href="#xd20e8433" name= +"xd20e8433">226</a>]</span>de schepping van den auteur uitmaakt. Bij +volkomen oorspronkelijke werken heeft dus de auteur recht, niet alleen +op den uiterlijken en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de +„innerlijke voorstelling”. Wanneer deze door een ander +wordt overgenomen, is dit een inbreuk op het auteursrecht; ook al +verschijnt de voorstelling in een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. +niet geoorloofd een ets naar een schilderij te maken of eene +staalgravure naar eene potloodteekening enz. enz.; dit is ook +dán niet het geval, indien in de compositie wijzigingen zijn +aangebracht.</p> +<p>Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen +innerlijken of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, +onverschillig of het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. +Hiervoor geldt, wat boven over het recht van den vertaler en van den +bewerker van muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een +schilderij kan dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne +toestemming gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde +schilderij een andere ets wordt gemaakt.</p> +<p>Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de +abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in +verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen +van den stijl of de „manier” van een ander, voorzoover dit +op nieuwe onderwerpen wordt toegepast.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven +behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de +theoretische beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in +ons land, en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat +in andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende +kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene +bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag +daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de +Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw oud +is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een groot deel +verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige bespreking ervan +af<a class="noteref" id="xd20e8444src" href="#xd20e8444" name= +"xd20e8444src">156</a>, en bepaal mij tot eene enkele <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8450" href="#xd20e8450" name= +"xd20e8450">227</a>]</span>opmerking, die met mijne hierboven gehouden +beschouwingen verband houdt. Deze opmerking geldt het vierde artikel +van het Ontwerp, dat aldus luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander +vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of +door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het +recht, bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een +kunstwerk toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij +art. 1 bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.</p> +</div> +<p>Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een +ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de +voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten +zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu in +het volgende even te wijzen.</p> +<p>In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die +reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is, waar +het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de „mechanische +bewerking” te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar +het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van +„werken van beeldende kunst” wordt gesproken. Het gevolg +zou dus zijn, dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, +doch die van een natuurtafereel of van personen níet beschermd +zou zijn. Een redelijke grond hiervoor is niet aan te wijzen<a class= +"noteref" id="xd20e8460src" href="#xd20e8460" name= +"xd20e8460src">157</a>.</p> +<p>Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt +verleend, indien de reproductie „op wettige wijze” is +gemaakt. Dit beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk +wordt gemaakt op het recht van den auteur van het origineel, hetzij +omdat dit recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende +toestemming heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht +op het oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen +reden voor, om alleen de „wettige” reproductie te +beschermen. Ik kan hier verwijzen naar hetgeen dienaangaande is +opgemerkt bij de bespreking van het recht van den vertaler op zijne +vertaling. De vertaler—is daar betoogd (p. 179)—heeft +aanspraak op bescherming, onverschillig of zijne vertaling al dan niet +„rechtmatig”, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8467" +href="#xd20e8467" name="xd20e8467">228</a>]</span>d. w. z. niet in +strijd met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken +schrijver, is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te +doen. Het recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op +het oorspronkelijke werk.</p> +<p>Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook +uit de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de +bepaling, dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor +op zijne reproductie) duurt: „tien jaren of zooveel langer als +het auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht +blijft”. Vooreerst is de bijzondere termijn van korten duur (het +auteursrecht op oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp +vijftig jaar) hier misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit +verdedigd met een beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten +aanzien van het recht van de vertalers op hunne vertaling: „de +duur van dit recht is echter hier op tien jaren en dus veel langer dan +dat van den vertaler op zijne vertaling gesteld ... +enz.”<a class="noteref" id="xd20e8471src" href="#xd20e8471" name= +"xd20e8471src">158</a>. Duidelijk blijkt hieruit, dat men het recht van +den vertaler verwarde met het uitsluitend vertalingsrecht; immers +alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan den korten termijn van +vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van dezelfde soort blijkt ook +uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens welke het auteursrecht op +de reproductie even lang duurt als dat op het oorspronkelijke +kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter wille van den +auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den navolger van een +wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan hem, die +een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De +oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg, daar +dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch3.7"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 7 Kunstnijverheid, photographie en +bouwkunst</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken +als met de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in +één paragraaf tezamen behandel, zal voldoende blijken, +dat ik mij niet voorstel eene diepgaande studie van elk van deze drie +te leveren. Over elk <span class="pagenum">[<a id="xd20e8481" href= +"#xd20e8481" name="xd20e8481">229</a>]</span>dezer onderwerpen—en +in het bijzonder over de kunstnijverheid—zou in verband met het +auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter om verschillende +redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet meer dan enkele +korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid niet achterwege +meende te kunnen laten.</p> +<p>Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder meen +ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van +kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.</p> +<p>Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste +groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische +afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen, +plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere +voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze +categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van +beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere +beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen +object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij +of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet +van een „werk van beeldende kunst” zou kunnen worden +gesproken, alleen omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het +kunstwerk, een ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de +zoogenaamde „zuivere kunstwerken”<a class="noteref" id= +"xd20e8487src" href="#xd20e8487" name="xd20e8487src">159</a>.</p> +<p>De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel +beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze +werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar zij +niets in beeld brengen. Zij missen een „geestelijken +inhoud”; hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de +vormschoonheid, die mede bepaald wordt door het practische gebruik, +waartoe zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van +overigens geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, +tapijten, handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren +luxe-voorwerpen, boekbanden, lettertypen, borden en schotels van +porcelein en aardewerk enz. enz. Terwijl de producten van deze soort +vroeger in de meeste landen als nijverheidsproducten tegen namaak +beschermd waren, zoodat zij dus onder het gebied van den industrieelen +eigendom <span class="pagenum">[<a id="xd20e8495" href="#xd20e8495" +name="xd20e8495">230</a>]</span>vielen, is in de laatste jaren meer en +meer een streven waar te nemen, om ze tot de kunstwerken en bijgevolg +tot de voorwerpen van auteursrecht te rekenen. In beginsel kan m. i. +hiertegen geen bezwaar zijn; ongetwijfeld kunnen ook deze werken de +verwerkelijking zijn van oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al +zijn zij overigens niet met de eigenlijke kunstwerken op +ééne lijn te stellen.</p> +<p>In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het +auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de +laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van 9 +Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902; in +Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er echter +nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en industrieelen +eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp getrokken kan +worden<a class="noteref" id="xd20e8499src" href="#xd20e8499" name= +"xd20e8499src">160</a>.</p> +<p>Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander +bestaat, is dit vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men +kan echter aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van +auteursrecht op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook +over bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht +worden, daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk +heeft doen gevoelen<a class="noteref" id="xd20e8507src" href= +"#xd20e8507" name="xd20e8507src">161</a>. Of volgens het Ontw. B. K. +dat in het algemeen spreekt van „werken van beeldende +kunst” ook enkele producten van kunstnijverheid zouden vallen, is +eene vraag, waarover getwist zou kunnen worden. M. i. zou men zich +hierbij moeten houden aan de begripsbepaling, die ik hierboven van de +werken van beeldende kunst heb trachten te geven. Doch in elk geval zal +het gewenscht zijn, dat eene toekomstige wet zich over deze vraag +duidelijker uitspreke.</p> +<hr class="tb"> +<p>Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan, of +deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare producten +onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van beeldende kunst +verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft, hier <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8517" href="#xd20e8517" name= +"xd20e8517">231</a>]</span>over deze vraag in beschouwingen te +treden<a class="noteref" id="xd20e8519src" href="#xd20e8519" name= +"xd20e8519src">162</a>. Iedereen zal het er wel over eens zijn, dat de +photographie niet op eene lijn is te stellen met teeken-, schilder- en +beeldhouwkunst; daarvoor is zij te weinig persoonlijk, te veel +mechanisch. Een gedeelte van het werk wordt niet door den photograaf, +maar door het toestel gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden +ontkend, dat met behulp der photographie afbeeldingen zijn te +verkrijgen, die wat het aesthetisch effect betreft, dat ermede is +bereikt, niet behoeven onder te doen voor menige teekening. Nu is het +zeker waar, dat bij het photographeeren veel van toevallige +omstandigheden kan afhangen, die geheel buiten den photograaf omgaan. +Het is b.v. mogelijk, dat iemand, die nooit een toestel in handen heeft +gehad, geheel en al „bij ongeluk”, eene welgeslaagde opname +doet. Zulke gevallen zijn echter uitzonderingen. In het algemeen kan +worden aangenomen, dat de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) +eener <span class="corr" id="xd20e8541" title= +"Bron: photoprahie">photographie</span> <i>het werk</i> zijn van den +photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het volste recht gesproken +worden van eene aesthetische schepping. En waar de photographie +overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft, dat zij blootstaat aan +ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar bestaat er alle reden om +ook den photograaf evenals den beeldenden kunstenaar het auteursrecht +op zijne schepping te verleenen.</p> +<p>In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De +photographieën worden in de wet op het auteursrecht met name onder +de beschermde producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken +in engeren zin niet volkomen op ééne lijn gesteld, +hetgeen dan voornamelijk hieruit blijkt, dat het auteursrecht op +photographieën veel korter duurt dan dat op andere werken. Zoo +hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan voor dit recht een termijn van +tien jaar; Denemarken, Noorwegen, Zweden en Zwitserland een van slechts +vijf jaar na de vervaardiging of het eerste verschijnen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij +heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8553" href="#xd20e8553" name= +"xd20e8553">232</a>]</span>niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, +maar ook, en dikwijls wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten +dienen. Dit is zeker een van de voornaamste redenen, waarom de werken +der bouwkunst nog niet algemeen tot de beschermde auteursproducten +worden gerekend. Een afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge +waar zijn, dat men bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene +origineele aesthetische schepping, waarvan zij de belichaming zouden +zijn; men kan zelfs toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste +woningen vrijwel uitsluitend met de practische eischen, waaraan het +huis moet voldoen, rekening wordt gehouden en de schoonheid van het +geheel slechts in de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen +reden om nu ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, +welke wél de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, +de bescherming van het auteursrecht te onthouden.</p> +<p>Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het +argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was, +daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze +mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht op +de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het +auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de +„technische en wetenschappelijke kaarten en platen” +waarover hierboven in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op +de reproductie dier teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud +(d. i. dus hier: de schepping van den bouwmeester) is object van het +auteursrecht<a class="noteref" id="xd20e8557src" href="#xd20e8557" +name="xd20e8557src">163</a>. De bouwkundige teekening is niet de +verwerkelijking van het bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, +die tot de verwerkelijking in staat stellen. Het onderscheid tusschen +auteursrecht op bouwkundige teekeningen en dat op de bouwkundige werken +zelf bestaat dus hierin, dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid +geeft tot reproductie of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen +het uitsluitend reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het +recht, het gebouw naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het +eenmaal uitgevoerde gebouw weer op andere wijze, b.v. door +photographie, te reproduceeren.</p> +<p>Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan +worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8563" href="#xd20e8563" name= +"xd20e8563">233</a>]</span>werden gemaakt, minder beginnen te worden. +Bouwkundige werken worden met name onder de auteursproducten genoemd in +de wetten van: Duitschland (art<span class="corr" id="xd20e8565" title= +"Niet in bron">.</span> 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover +zij met een artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 +Maart 1902<a class="noteref" id="xd20e8568src" href="#xd20e8568" name= +"xd20e8568src">164</a> en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen +de bouwwerken, voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder +de bescherming der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In +België bestaat het recht volgens eene vaste +jurisprudentie<a class="noteref" id="xd20e8580src" href="#xd20e8580" +name="xd20e8580src">165</a>; in Spanje en Italië is het +twijfelachtig<a class="noteref" id="xd20e8595src" href="#xd20e8595" +name="xd20e8595src">166</a>.</p> +<p>Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der +bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8606" href="#xd20e8606" name= +"xd20e8606">234</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5778" href="#xd20e5778src" name="xd20e5778">1</a></span> Ik blijf +mij van den gebruikelijken term „industrieele eigendom” +bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen de +uitdrukking „letterkundige eigendom”.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5809" href="#xd20e5809src" name="xd20e5809">2</a></span> Dr. +<span class="sc">Heinrich M. Schuster</span>, <i lang="de">Das +Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich, Deutschland und andern +europäischen Staaten</i> p. 1.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5818" href="#xd20e5818src" name="xd20e5818">3</a></span> Hier en +in het vervolg gebruik ik het woord <i>woordkunst</i> in den ruimen zin +van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel gebruikt. Cf. +hierover: Dr. <span class="sc">J. te Winkel</span>, <i>De +ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde</i> Haarlem 1907 +<i>Inleiding</i> p. XLII.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5845" href="#xd20e5845src" name="xd20e5845">4</a></span> <i lang= +"de">Urheberrecht</i> p. 131.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5921" href="#xd20e5921src" name="xd20e5921">5</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Schuster</span> t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5935" href="#xd20e5935src" name="xd20e5935">6</a></span> Men zie +over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf in +verschillende opzichten voor het recht kan hebben: <span class="sc">J. +Wolterbeek Muller</span>, <i>De Phonograaf in het rechtsleven</i>, +Proefschr. Leiden 1895.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5949" href="#xd20e5949src" name="xd20e5949">7</a></span> <i lang= +"fr">Droit d’Auteur</i> 1901 p. 128.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5961" href="#xd20e5961src" name="xd20e5961">8</a></span> Men zie: +<i>D. A.</i> 1900 p. 111.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5970" href="#xd20e5970src" name="xd20e5970">9</a></span> Congres +van Vevey, Aug. 1901, <i>D. A.</i> 1901 p. 104. Op het congres van +Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming der +uitvoerende kunstenaars wederom door <span class="sc">Osterrieth</span> +ter sprake gebracht en werd tot nadere bestudeering ervan besloten. +<i>D. A.</i> 1907 p. 117.</p> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e5996" href="#xd20e5996src" name= +"xd20e5996">10</a></span> De reproductie was in dit geval geschied door +de photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen +opgenomen van enkele tafereelen uit het stuk.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6000" href="#xd20e6000src" name="xd20e6000">11</a></span> <i>D. +A.</i> 1899 p. 20.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6012" href="#xd20e6012src" name="xd20e6012">12</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein +Autorschutz</i> p. 61 noot.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6022" href="#xd20e6022src" name="xd20e6022">13</a></span> Dat een +gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan zijn volgens het +Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van Cassatie te +Zürich 27 Aug. 1890, <i>D. A.</i> 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook: +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Kunstwerkrecht</i> pp. 31 +en 32.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6049" href="#xd20e6049src" name="xd20e6049">14</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 137.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6115" href="#xd20e6115src" name="xd20e6115">15</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 128.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6127" href="#xd20e6127src" name="xd20e6127">16</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein +Autorschutz</i> p. 7.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6137" href="#xd20e6137src" name="xd20e6137">17</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 138.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6152" href="#xd20e6152src" name="xd20e6152">18</a></span> De +onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht van +belang. Men zie b.v. <span class="sc">Gustav Gerber</span>, <i lang= +"de">Die Sprache als Kunst</i>, 2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar +onderscheiden wordt tusschen: „<span lang="de">die Sprache des +Bedürfnisses</span>” en „<span lang="de">die der +freien Darstellung</span>”. Van de eerstgenoemde zegt Gerber: +„<span lang="de">Diese Sprache des Bedürfnisses, die Prosa +der Sprachkunst, gehört aber gar nicht in der Litteratur: sie +wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als <i lang="de">Sprache +des gewöhnlichen Lebens</i> bezeichnet.</span>”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6180" href="#xd20e6180src" name="xd20e6180">19</a></span> +<span class="sc">Gierke</span> t. a. p. p. 770.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6190" href="#xd20e6190src" name="xd20e6190">20</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Daude</span>, <i lang="de">Lehrbuch des +Deutschen Urheberrechts</i> p. 13; <span class="sc">Mandry</span>, +<i lang="de">Kritische Vierteljahrschrift</i> VII pp. 40 sqq.; +<span class="sc">Jolly</span> t. a. p. pp. 115 sqq.; <span class= +"sc">Beseler</span>, <i lang="de">System des gemeinen deutschen +Privatrechts</i> III p. 335.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6222" href="#xd20e6222src" name="xd20e6222">21</a></span> +<span class="sc">N. de Ridder</span>, <i>Eenige beschouwingen over +kopierecht</i> pp. 95, 96.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6230" href="#xd20e6230src" name="xd20e6230">22</a></span> T. a. +p. pp. 102 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6235" href="#xd20e6235src" name="xd20e6235">23</a></span> +<span class="sc">J. G. Robbers</span> Jr., <i>Het Auteursrecht, +Opmerkingen en beschouwingen</i>, Amsterdam 1896 p. 13.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6251" href="#xd20e6251src" name="xd20e6251">24</a></span> Als +voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een brief van een +krankzinnige, medegedeeld door dr. <span class="sc">J. P. N. +Land</span>, <i>Inleiding tot de Wijsbegeerte</i> 2e druk p. 460 noot +1: „Aangezien ik tot heden geene constitutioneele honig ontving, +vermeen ik, dat de gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te +veronderstellen, dat er eene honige constitutie bestaat.” Eene +dergelijke zin, of eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan +geen voorwerp van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in +voor tegen de taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met +eene gebrekkige, maar met eene mislukte uiting in woordvorm.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6263" href="#xd20e6263src" name="xd20e6263">25</a></span> Mr. +Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet spreekt van +<i>letterkundige</i> waarde, daar hij dit een te subjectief begrip +acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen duidelijk +geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier dan +wél in aanmerking wenscht te zien genomen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6280" href="#xd20e6280src" name="xd20e6280">26</a></span> +<i>Nederland en de Berner Conventie</i> in: <i>Het Paleis van +Justitie</i> 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het +debat op de bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging. +Cf. hierboven pp. 88 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6288" href="#xd20e6288src" name="xd20e6288">27</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">J. H. Kok</span>, <i>Auteursrecht en Berner +Conventie</i>, Rotterdam 1905 p. 42.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6383" href="#xd20e6383src" name="xd20e6383">28</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Ludwig Noiré</span>, <i lang="de">Max +Müller und die Sprach-Philosophie</i>, Mainz 1879 pp. 36 en +81.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6394" href="#xd20e6394src" name="xd20e6394">29</a></span> Dr. +<span class="sc">H. Steinthal</span>, <i lang="de">Abriss der +Sprachwissenschaft</i> (<i lang="de">erster Teil, Die Sprache im +Allgemeinen</i>) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6411" href="#xd20e6411src" name="xd20e6411">30</a></span> T. a. +p. p. 51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6416" href="#xd20e6416src" name="xd20e6416">31</a></span> Dr. +<span class="sc">J. P. N. Land</span>, <i>Inleiding tot de +Wijsbegeerte</i> 2e druk. ’s Gravenhage 1900 p. 457.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6425" href="#xd20e6425src" name="xd20e6425">32</a></span> T. a. +p. p. 459.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6430" href="#xd20e6430src" name="xd20e6430">33</a></span> <i>Het +woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij de +overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October 1908 +door</i> Dr. <span class="sc">J. Woltjer</span>, Hoogleeraar in de +faculteit der Letteren en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6443" href="#xd20e6443src" name="xd20e6443">34</a></span> T. a. +p. p. 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6448" href="#xd20e6448src" name="xd20e6448">35</a></span> T. a. +p. p. 62.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6476" href="#xd20e6476src" name="xd20e6476">36</a></span> T. a. +p. p. 54.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6488" href="#xd20e6488src" name="xd20e6488">37</a></span> +<i lang="de">Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena</i> II +(<span class="sc">Arthur Schopenhauer</span>’s <i lang= +"de">sämmtliche Werke, herausg. v.</i> <span class="sc">Eduard +Grisebach</span> V p. 602, variante).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6512" href="#xd20e6512src" name="xd20e6512">38</a></span> +<span class="sc">Willem Kloos</span>, <i>Nieuwere +Literatuur-Geschiedenis</i> I p. 197.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6528" href="#xd20e6528src" name="xd20e6528">39</a></span> +<span class="sc">L. van Deyssel</span>, <i>Verzamelde Opstellen</i> 4de +Bundel p. 260.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6548" href="#xd20e6548src" name="xd20e6548">40</a></span> +<span class="sc">Frederik van Eeden</span> in <i>de Nieuwe Gids</i> +(Tweemaandelijksch tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en +wetenschap) 4de Jaargang, 1889 deel II p. 118.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6560" href="#xd20e6560src" name="xd20e6560">41</a></span> +<span class="sc">F. van der Goes</span>, <i>De opleiding van +Tooneelspelers</i> in: <i>de Nieuwe Gids</i> enz. Jaarg. 5 (1890) deel +II p. 279.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6573" href="#xd20e6573src" name="xd20e6573">42</a></span> Dat met +name het begrip „klankexpressie” niet eene uitvinding was +van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. <span class= +"sc">Is. van Dijk</span> in eene voordracht getiteld +„<i>Stijl</i>”, opgenomen in: <i>Handelingen en +Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te +Leiden over het jaar 1907–1908</i>, Leiden 1908 pp. 69, 70.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6597" href="#xd20e6597src" name="xd20e6597">43</a></span> +<span class="sc">Gustav Gerber</span>, <i>Die Sprache als Kunst</i> II +p. 345.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6621" href="#xd20e6621src" name="xd20e6621">44</a></span> T. a. +p. p. 346.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6645" href="#xd20e6645src" name="xd20e6645">45</a></span> Cf.: +<span class="sc">L. v. Deyssel</span>, <i>Verzamelde Opstellen</i> IV +pp. 257, 258. Men zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6679" href="#xd20e6679src" name="xd20e6679">46</a></span> T. a. +p. p. 259.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6696" href="#xd20e6696src" name="xd20e6696">47</a></span> Cf. de +boven (p. 151) aangehaalde woorden van <span class= +"sc">Kloos</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6703" href="#xd20e6703src" name="xd20e6703">48</a></span> Men zie +het boven aangehaalde van <span class="sc">L. van Deyssel</span> (p. +152).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6720" href="#xd20e6720src" name="xd20e6720">49</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk und sein +Autorschutz</i> pp. 33, 34.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6737" href="#xd20e6737src" name="xd20e6737">50</a></span> <i>De +vertaling van Akëdysséril</i>, <span class="sc">L. van +Deyssel</span>, <i>Verzamelde opstellen</i> IV pp. 181 sqq. Het artikel +van prof. <span class="sc">van Hamel</span> is te vinden in <i>de +Gids</i> 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel: +„<i>Aanteekeningen en opmerkingen</i>” pp. 567 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6757" href="#xd20e6757src" name="xd20e6757">51</a></span> T. a. +p. p. 183.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6767" href="#xd20e6767src" name="xd20e6767">52</a></span> T. a. +p. p. 187.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6774" href="#xd20e6774src" name="xd20e6774">53</a></span> Men +vergelijke ook, wat <span class="sc">Willem Kloos</span> opmerkt naar +aanleiding eener Virgilius-vertaling, <i>Nieuwere +Literatuur-geschiedenis</i> IV pp. 12 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6846" href="#xd20e6846src" name="xd20e6846">54</a></span> In eene +Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk uitgemaakt, dat +iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt eiland +„<span lang="en">... must go through the whole process of +triangulation, just if he had never seen any former +maps;...</span>” etc., medegedeeld door: <span class= +"sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische Kunstwerk</i> +p. 12.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6870" href="#xd20e6870src" name="xd20e6870">55</a></span> +<span class="sc">Louis Blanc</span>, <i lang="fr">De la +propriété littéraire</i> t. a. p. p. 234.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6914" href="#xd20e6914src" name="xd20e6914">56</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 83. Men +zie ook de beschouwingen van <span class="sc">Av. Henri Rosmini</span> +in denzelfden zin, <i>D. A.</i> 1895 pp. 21 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6927" href="#xd20e6927src" name="xd20e6927">57</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 96, +97.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6932" href="#xd20e6932src" name="xd20e6932">58</a></span> Alleen +de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud bestaat +ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter, vallen +hier buiten. Men zie daarover nog: <span class="sc">Kohler</span> t. a. +p. pp. 122 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6978" href="#xd20e6978src" name="xd20e6978">59</a></span> Men zie +pp. 137 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6988" href="#xd20e6988src" name="xd20e6988">60</a></span> +Reichsgericht 28 Febr. 1898, <i>D. A.</i> 1903 pp. 29 en 30.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6997" href="#xd20e6997src" name="xd20e6997">61</a></span> +Reichsgericht 27 Nov. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 49, <i lang= +"de">Börsenblatt</i> 12 Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, +<i>D. A.</i> 1908 pp. 151, 152.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7009" href="#xd20e7009src" name="xd20e7009">62</a></span> Hoog +Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, <i>D. A.</i> 1907 p. 140.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7015" href="#xd20e7015src" name="xd20e7015">63</a></span> +Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, <i>D. A.</i> 1899 p. +79.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7034" href="#xd20e7034src" name="xd20e7034">64</a></span> +Medegedeeld door: <span class="sc">P. Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> +1894 p. 73 en 1896 p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: <i>D. +A.</i> 1901 p. 121.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7048" href="#xd20e7048src" name="xd20e7048">65</a></span> Hof van +Parijs 2 April 1896 (<i>Droit</i> 2 Juni, <i lang="fr">Gazette du +Palais</i> 16 Juni, <i lang="fr">Gazette des Tribunaux</i> 18 Sept. +’96), medegedeeld door: <span class="sc">A. Darras</span> <i>D. +A.</i> 1897 p. 16.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7066" href="#xd20e7066src" name="xd20e7066">66</a></span> <i>D. +A.</i> 1894 p. 73.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7071" href="#xd20e7071src" name="xd20e7071">67</a></span> <i>D. +A.</i> 1908 p. 152.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7076" href="#xd20e7076src" name="xd20e7076">68</a></span> +Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum) door +<span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 151.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e7092" href="#xd20e7092src" name="xd20e7092">69</a></span> +Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, <i>D. A.</i> 1896 pp. 42 en +84.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e7105" href="#xd20e7105src" name="xd20e7105">70</a></span> +Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, <i>D. A.</i> 1892 p. +130.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7113" href="#xd20e7113src" name="xd20e7113">71</a></span> +Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. <i>D. A.</i> 1901 p. +123.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7119" href="#xd20e7119src" name="xd20e7119">72</a></span> +Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, <i>D. A.</i> 1902 p. +64.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7125" href="#xd20e7125src" name="xd20e7125">73</a></span> Hoog +Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, <i>D. A.</i> 1893 p. 98.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7131" href="#xd20e7131src" name="xd20e7131">74</a></span> Hoog +Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, <i>D. A.</i> 1892 pp. +64 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7137" href="#xd20e7137src" name="xd20e7137">75</a></span> +Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, <i>D. A.</i> 1895 pp. 37 en 38.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7144" href="#xd20e7144src" name="xd20e7144">76</a></span> +Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, <i>D. A.</i> 1906 p. 61.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7153" href="#xd20e7153src" name="xd20e7153">77</a></span> Hof van +Appel van Milaan 10 Dec. 1895, <i>D. A.</i> 1896 p. 74.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7163" href="#xd20e7163src" name="xd20e7163">78</a></span> Opgave +van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men nog bij: +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> pp. 160 +sqq., <i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> etc. +pp. 17 sqq., <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 155 sqq.; <span class= +"sc">Gierke</span> t. a. p. pp. 770 sqq.; <span class="sc">A. +Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 150, 1906 p. 22; <span class= +"sc">Pouillet</span>, <i lang="fr">Traité théorique et +pratique de la propriété littéraire et artistique +et du droit de représentation</i>, Paris 1879 pp. 34, 37, 39 en +46.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7196" href="#xd20e7196src" name="xd20e7196">79</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 624, <i>Paleis van Justitie</i> 1893 no. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7204" href="#xd20e7204src" name="xd20e7204">80</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 5512.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7209" href="#xd20e7209src" name="xd20e7209">81</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> nos. 6646 en 6647.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7231" href="#xd20e7231src" name="xd20e7231">82</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Freseman Viëtor</span>, +<i>Kantteekeningen</i> enz. p. 27, <span class="sc">Veegens</span>, t. +a. p. p. 70, <span class="sc">van de Kasteele</span> t. a. p. p. 61, +mr. <span class="sc">A. A. de Pinto</span> t. a. p. pp. 22 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7249" href="#xd20e7249src" name="xd20e7249">83</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1876–1877. Bijlage 202.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7270" href="#xd20e7270src" name="xd20e7270">84</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881 p. 1648.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7280" href="#xd20e7280src" name="xd20e7280">85</a></span> +<span class="sc">Jolly</span>, <i lang="de">Die Lehre vom Nachdruck</i> +p. 112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7300" href="#xd20e7300src" name="xd20e7300">86</a></span> Cf. +boven p. 162.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7306" href="#xd20e7306src" name="xd20e7306">87</a></span> <i>Het +auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving</i> p. 112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7315" href="#xd20e7315src" name="xd20e7315">88</a></span> Men zie +hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam van 27 Dec. 1843, +<i>W. v. h. R.</i> no. 464.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7327" href="#xd20e7327src" name="xd20e7327">89</a></span> Dit +argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van het bovengenoemde +art. 6 der Berner Conventie op het Congres der <i lang= +"fr">Association</i> te Neuchatel (26–29 Aug. 1907). <i>D. A.</i> +1907 pp. 115, 116.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7340" href="#xd20e7340src" name="xd20e7340">90</a></span> Cf.: +<span class="sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische +Kunstwerk</i> enz. p. 183.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7358" href="#xd20e7358src" name="xd20e7358">91</a></span> Zoo +b.v.: mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, <i>de Gids</i> 1896 +III p. 4; <span class="sc">J. H. Kok</span>, <i>Auteursrecht en Berner +Conventie</i> p. 41, en dezelfde schrijver in: „<i>Pro en +Contra</i>” serie 1 no. 10 (<i>Aansluiting bij de Berner +Conventie</i>) Baarn 1905 pp. 25 en 26; <span class="sc">J. D. +Doorman</span>, <i>Het vrije vertalingsrecht verdedigd</i> Leiden 1885 +p. 9.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7396" href="#xd20e7396src" name="xd20e7396">92</a></span> Men zie +b.v. in denzelfden zin: <span class="sc">Mandry</span>, <i lang= +"de">Kritische Vierteljahrschrift</i> VII p. 249.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7417" href="#xd20e7417src" name="xd20e7417">93</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Doorman</span> t. a. p. p. 10, <span class= +"sc">Kok</span>, t. a. p. resp. p. 43 en p.27.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7457" href="#xd20e7457src" name="xd20e7457">94</a></span> Cf.: +Prof. <span class="sc">Ernst Röthlisberger</span>, <i lang= +"de">Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und +Kunst und die Zusatzabkommen</i>, Bern 1906 pp. 183, 184.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7471" href="#xd20e7471src" name="xd20e7471">95</a></span> Men +zie: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 184.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7493" href="#xd20e7493src" name="xd20e7493">96</a></span> +<span class="sc">J. D. Doorman</span>, t. a. p. p. 14.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7543" href="#xd20e7543src" name="xd20e7543">97</a></span> <i>D. +A.</i> 1899 pp. 52, 53.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7554" href="#xd20e7554src" name="xd20e7554">98</a></span> <i>D. +A.</i> 1899 pp. 53, 54.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7574" href="#xd20e7574src" name="xd20e7574">99</a></span> <i>D. +A.</i> 1900 p. 28.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7586" href="#xd20e7586src" name="xd20e7586">100</a></span> Cf. +hierboven pp. 166 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7591" href="#xd20e7591src" name="xd20e7591">101</a></span> Cf. +<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1895 p. 22; <span class= +"sc">Kohler</span>, <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 152 sqq.; men zie +voor Oostenrijk: <i>D. A.</i> 1901 p. 124.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7612" href="#xd20e7612src" name="xd20e7612">102</a></span> <i>D. +A.</i> 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; <span class= +"sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 235.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7620" href="#xd20e7620src" name="xd20e7620">103</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 173.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7625" href="#xd20e7625src" name="xd20e7625">104</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 257.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7633" href="#xd20e7633src" name="xd20e7633">105</a></span> Mr. +<span class="sc">Ph. W. Scholten</span>, <i>Eene leemte in de wet +betreffende het auteursrecht</i>, <i>Themis</i> 1884 pp. 154 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7647" href="#xd20e7647src" name="xd20e7647">106</a></span> Men +zie: Mr. <span class="sc">Veegens</span> t. a. p. pp. 90 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7655" href="#xd20e7655src" name="xd20e7655">107</a></span> T. a. +p. p. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7665" href="#xd20e7665src" name="xd20e7665">108</a></span> M. v. +T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van muziekwerken +gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het Ontwerp +geschrapt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7672" href="#xd20e7672src" name="xd20e7672">109</a></span> +Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, <i>W. v. h. R.</i> no. 4970.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7687" href="#xd20e7687src" name="xd20e7687">110</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 5785.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7692" href="#xd20e7692src" name="xd20e7692">111</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 6019.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7758" href="#xd20e7758src" name="xd20e7758">112</a></span> Cf. +ook art. 2 der herziene Berner Conventie.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7781" href="#xd20e7781src" name="xd20e7781">113</a></span> Cf.: +<span class="sc">Daude</span>, <i lang="de">Lehrbuch des Deutschen +Urheberrechts</i> (Stuttgart 1888) p. 78.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7803" href="#xd20e7803src" name="xd20e7803">114</a></span> M. v. +T. t. a. p. § 2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7815" href="#xd20e7815src" name="xd20e7815">115</a></span> T. a. +p. p. 79.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7818" href="#xd20e7818src" name="xd20e7818">116</a></span> +<span class="sc">J. van de Kasteele</span>, t. a. p. p. 80.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7828" href="#xd20e7828src" name="xd20e7828">117</a></span> <i>J. +G. Robbers</i> Jr. <i>Het auteursrecht. Opmerkingen en +beschouwingen</i>. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7846" href="#xd20e7846src" name="xd20e7846">118</a></span> Ik +denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften, zooals door +sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran d’Ache, +Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur zoowel den +tekst als de—opzettelijk daarvoor gemaakte—illustraties +heeft geleverd. Hier is werkelijk het „plaatwerk” een +auteursproduct in den waren zin van het woord, n.l. eene +geestesschepping, die één geheel vormt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7849" href="#xd20e7849src" name="xd20e7849">119</a></span> T. a. +p. p. 79.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7861" href="#xd20e7861src" name="xd20e7861">120</a></span> Men +zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. <span class= +"sc">Swart</span> t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. +moet echter in plaats van „vijfentwintigjarige” gelezen +worden: „vijftigjarige”.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7883" href="#xd20e7883src" name="xd20e7883">121</a></span> +<i lang="de">Urheberrecht</i> p. 132.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7908" href="#xd20e7908src" name="xd20e7908">122</a></span> +<i lang="de">Autorrecht</i> p. 189.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7915" href="#xd20e7915src" name="xd20e7915">123</a></span> Men +zie ook: <span class="sc">Schuster</span>, <i>Das Urheberrecht der +Tonkunst</i>, enz. pp. 59 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7926" href="#xd20e7926src" name="xd20e7926">124</a></span> Men +zie boven pp. 149 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7938" href="#xd20e7938src" name="xd20e7938">125</a></span> Cf.: +<span class="sc">Viotta</span>, <i>Het auteursrecht van den +componist</i> pp. 19 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7967" href="#xd20e7967src" name="xd20e7967">126</a></span> Cf. +<span class="sc">Viotta</span> t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde +muziekstukken staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de +Eroica-symphonie.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7997" href="#xd20e7997src" name="xd20e7997">127</a></span> T. a. +p. p. 80.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8006" href="#xd20e8006src" name="xd20e8006">128</a></span> T. a. +p. pp. 24 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8009" href="#xd20e8009src" name="xd20e8009">129</a></span> +Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:</p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="de" class="lgouter footnote"> +<p class="line">„Denn so kehrt der Gott sich dir ab,</p> +<p class="line xd20e2545">So küsst er die Gottheit von +dir!”</p> +</div> +</div> +</div> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8032" href="#xd20e8032src" name="xd20e8032">130</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 148.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8047" href="#xd20e8047src" name="xd20e8047">131</a></span> Men +zie hierover de belangrijke beschouwingen van <span class= +"sc">Kohler</span>, <i>Das literarische und artistische Kunstwerk</i> +pp. 150 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8064" href="#xd20e8064src" name="xd20e8064">132</a></span> Zij +wordt o. a. door <span class="sc">Schuster</span> verkondigd t. a. p. +p. 195.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8101" href="#xd20e8101src" name="xd20e8101">133</a></span> T. a. +p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: <span class="sc">Viotta</span> pp. 55 +sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8110" href="#xd20e8110src" name="xd20e8110">134</a></span> T. a. +p. pp. 244 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8113" href="#xd20e8113src" name="xd20e8113">135</a></span> Cf. in +denzelfden zin: <span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p. +198.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8126" href="#xd20e8126src" name="xd20e8126">136</a></span> Zoo +b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8137" href="#xd20e8137src" name="xd20e8137">137</a></span> T. a. +p. p. 228.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8145" href="#xd20e8145src" name="xd20e8145">138</a></span> +<i lang="de">Autorrechtliche Studiën, Archiv für +civilistische Praxis</i> 85 p. 397.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8153" href="#xd20e8153src" name="xd20e8153">139</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1880–1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook: +Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span> t. a. p. p. 86.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8173" href="#xd20e8173src" name="xd20e8173">140</a></span> +<i lang="fr">Actes de la Conférence de Berne</i> 1885 p. 21.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8182" href="#xd20e8182src" name="xd20e8182">141</a></span> Cf.: +<i>D. A.</i> 1899 p. 15; <span class="sc">Kohler</span>, <i>Das +literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 167 sqq.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e8215" href="#xd20e8215src" name="xd20e8215">142</a></span> +Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905, +<i>D. A.</i> 1905 p. 76.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8235" href="#xd20e8235src" name="xd20e8235">143</a></span> Cour +d’appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, <i>D. A.</i> 1905 p. +76.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8246" href="#xd20e8246src" name="xd20e8246">144</a></span> +<span lang="fr">Tribunal de la Seine</span> 3e ch. 9 Juni 1903, <i>D. +A.</i> 1904 pp. 62, 63.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8294" href="#xd20e8294src" name="xd20e8294">145</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> pp. 45, +46.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8307" href="#xd20e8307src" name="xd20e8307">146</a></span> Cf. +Prof. Dr. <span class="sc">W. Vogelsang</span>, <i>Aesthetiek en +Kunstgeschiedenis aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de +aanvaarding van het hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te +Utrecht 23 Sept. 1907</i> pp. 19, 20.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8331" href="#xd20e8331src" name="xd20e8331">147</a></span> Cf. +<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 58.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8340" href="#xd20e8340src" name="xd20e8340">148</a></span> +<i lang="de">Kunstwerkrecht</i> p. 27.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8348" href="#xd20e8348src" name="xd20e8348">149</a></span> Cf. +boven pp. 133, 134.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8356" href="#xd20e8356src" name="xd20e8356">150</a></span> Cf. +ook: <span class="sc">Swart</span> t. a. p. pp. 58, 59.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8368" href="#xd20e8368src" name="xd20e8368">151</a></span> Men +zie boven p. 12.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8374" href="#xd20e8374src" name="xd20e8374">152</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>. <i lang="de">Das literarische und +artistische Kunstwerk</i> pp. 38 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8387" href="#xd20e8387src" name="xd20e8387">153</a></span> +<i lang="de">Das literarische und artistische Kunstwerk</i> p. 48.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8407" href="#xd20e8407src" name="xd20e8407">154</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Das literarische und +artistische Kunstwerk</i> p. 47.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8416" href="#xd20e8416src" name="xd20e8416">155</a></span> Cf. +Prof. Dr. <span class="sc">Vogelsang</span> t. a. p. pp. 25, 26.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8444" href="#xd20e8444src" name="xd20e8444">156</a></span> Eene +stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. <span class= +"sc">Swart</span> in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8460" href="#xd20e8460src" name="xd20e8460">157</a></span> +<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 86.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8471" href="#xd20e8471src" name="xd20e8471">158</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1883–1884. Bijlage 166–3 p. 5. +Cf. ook: pp. 6 en 7 ad art. 11.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8487" href="#xd20e8487src" name="xd20e8487">159</a></span> +Eenigszins in denzelfden zin: <span class="sc">Swart</span>, t. a. p. +pp. 69 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8499" href="#xd20e8499src" name="xd20e8499">160</a></span> Men +zie hierover o.a.: <i>D. A.</i> 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113 sqq. en +125 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8507" href="#xd20e8507src" name="xd20e8507">161</a></span> Men +kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: <i>Verslag van de +Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de +namaak hier te lande</i> (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8519" href="#xd20e8519src" name="xd20e8519">162</a></span> Men +zie hierover o.a.: <i>Is Fotografie kunst?</i> door <span class="sc">H. +de Boer</span>, Scheveningen z. j.; <i>De Photographie in dienst der +wetenschap en hare beteekenis als kunst, rede van</i> <span class= +"sc">W. H. Idzerda</span> <i>bij het aanvaarden van het ambt van +privaat-docent voor het onderwijs in de photographie aan de Technische +Hoogeschool</i>, 29 Jan. 1908; <span class="sc">Swart</span> t. a. p. +pp. 84 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8557" href="#xd20e8557src" name="xd20e8557">163</a></span> Cf. +boven p. 201.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8568" href="#xd20e8568src" name="xd20e8568">164</a></span> +Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie +meestal aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 +voortvloeide; zie o.a.: <span class="sc">Pouillet</span> t. a. p. p. +90; <span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 128 en p. +150.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8580" href="#xd20e8580src" name="xd20e8580">165</a></span> Men +zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, <i>D. A.</i> 1891 p. 21; +Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door <span class= +"sc">P. Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1894 p. 25; Tribunal civil van +Luik 7 Juni 1902, <i>D. A</i>. 1902 p. 118.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8595" href="#xd20e8595src" name="xd20e8595">166</a></span> Men +zie voor Italië: <span class="sc">Amar</span> in <i>D. A.</i> 1902 +p. 62.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk IV</h2> +<h2 class="main">Omvang en duur</h2> +<div class="div2" id="ch4.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Omvang</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk +gekenschetst als een vermogensrecht, dat tot object heeft een +onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping van den schrijver of +kunstenaar. Dit sluit—zooals daarbij reeds werd +opgemerkt—het beginsel in, dat den auteur de uitsluitende +beschikking toekomt over het werk naar de economische bestemming +daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent tot exploitatie in het +maatschappelijk verkeer. De inhoud van het recht wordt dus bepaald door +de verschillende wijzen van exploitatie waartoe het geestesproduct zich +leent.</p> +<p>In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk op +twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door het +vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het +geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op +andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken +van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid; +ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen +en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den +materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke +schepping van den bouwkundige.</p> +<p>In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen, +uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer +blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8622" href="#xd20e8622" name= +"xd20e8622">235</a>]</span>werkingen, het geestesproduct voor een +bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt voor het publiek. Hiertoe +behooren: op- en uitvoeringen van tooneel- en muziekstukken en van +balletten en pantomimes, voordrachten van proza of poëzie; +vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van kinematograaf en +phonograaf.</p> +<p>Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel noodig +afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het +auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen +vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in +het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende +werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit +uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat +b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht of +een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat hetgeen +in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen, evengoed als +het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp van zijn +uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook in +wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem genoemd +met opvoeringsrecht, die dan als „bijzondere” of +„afgeleide” rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke +auteursrecht (kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld +gegeven van de verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is +het auteursrecht iets anders dan kopierecht plus eenige andere, +daarmede min of meer in verband staande rechten; evenzoo als b.v. +grondeigendom iets anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te +planten en te oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout +sprokkelen, zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang +verbieden, enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te +zien een uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de +verschillende bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, +deels door den omvang van het goed, deels door de economische +bestemming daarvan. Om die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen +te beantwoorden: 1<sup>o</sup>. <i>waarop</i> heeft de auteur recht, d. +w. z. wat is het voorwerp van zijn recht? en 2<sup>o</sup>. <i>waarin +bestaat</i> zijn recht, welke handelingen met betrekking tot zijn werk +zijn hem uitsluitend voorbehouden?</p> +<p>De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld; daar +moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden besproken, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8640" href="#xd20e8640" name= +"xd20e8640">236</a>]</span>doch deze rechten werden niet verder +gedefinieerd dan als uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze +en met welke middelen de exploitatie kon plaats hebben werd in het +midden gelaten, daar dit betrekking heeft op de tweede vraag, die pas +in dit hoofdstuk aan de orde is gesteld.</p> +<p>De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds +en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu duidelijk +zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den inhoud van het +auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog, dat wat hieronder +van de verschillende exploitatiewijzen zal worden gezegd, niet alleen +betrekking heeft op de exploitatie van een werk in zijne +oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling of +bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een +muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit, +na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich, +dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk op +het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze +geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook +het bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. +Zoo is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een +uitsluitend opvoeringsrecht kan doen gelden<a class="noteref" id= +"xd20e8644src" href="#xd20e8644" name="xd20e8644src">1</a>, daar de +opvoering zonder zijne toestemming van eene tooneelbewerking van zijn +roman een inbreuk op zijn auteursrecht uitmaakt.</p> +<p>Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende +exploitatie-middelen.</p> +<div class="div3" id="ch4.1.1"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">I Het door den druk gemeen maken van geschriften en +muziekwerken</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften +en muziekwerken is die door middel van den druk; het uitsluitend recht +dat hierop betrekking heeft is ook het eerst van alle +auteursrechtelijke bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te +herinneren, dat de uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding +is geweest voor het ontstaan van het auteursrecht.</p> +<p>Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8662" href="#xd20e8662" name= +"xd20e8662">237</a>]</span>worden, geldt wél voor dit bijzondere +recht: het is, na de lange jaren van ontwikkeling, die het achter zich +heeft, in alle beschaafde staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen +hebben eene mate van standvastigheid gekregen, die op het overige +gebied van het auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de +reden, waarom ik er slechts een oogenblik bij zal stilstaan; +belangrijke vragen, waarover ernstig verschil van meening kan bestaan, +zijn hier niet te behandelen.</p> +<p>Het „recht om uitsluitend door den druk gemeen te +maken”, zooals onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al +die handelingen, welke aangemerkt kunnen worden als een daad van +exploitatie van het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. +Wie een van deze handelingen pleegt zonder toestemming van den +rechthebbende, maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, +die zonder toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook +degeen, die deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel +uitstalt of in voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van +exemplaren behoort hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van +huisgenooten of vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. +Eveneens zou men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van +exemplaren, wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet +b.v. onder kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk +het „<i lang="de">Verleihen</i>” vrij (Urheberrechtsgesetz +§ 11 eerste lid); dit slaat volgens Kohler alleen op eene +„<span lang="de">unentgeltliche +Gebrauchsüberlassung</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e8672src" href="#xd20e8672" name="xd20e8672src">2</a>; het +<i>verhuren</i> zou dus ook in Duitschland verboden zijn.</p> +<p>Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als +eene daad van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het +doel ze onder het publiek te brengen<a class="noteref" id= +"xd20e8682src" href="#xd20e8682" name="xd20e8682src">3</a>. Het is dus +geen inbreuk op het auteursrecht een boek te drukken alleen ten +gebruike voor zich en zijne huisgenooten of als typographische +oefening; wél echter indien de gedrukte exemplaren, al worden ze +zelf niet onder het publiek verspreid, moeten dienen voor eene openbare +op- of uitvoering.</p> +<p>Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een +door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd +exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8690" href="#xd20e8690" name= +"xd20e8690">238</a>]</span>exploitatie voorhad, heeft bereikt, m. a. w. +wanneer het een kooper heeft gevonden, door verdere verspreiding ervan +geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt gepleegd<a class="noteref" +id="xd20e8692src" href="#xd20e8692" name="xd20e8692src">4</a>. Vandaar +b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken de toestemming van den +auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook wordt b.v. geen inbreuk op +het auteursrecht gepleegd door hem, die ongebonden exemplaren opkoopt +en deze gebonden, als ware het een nieuwe uitgave, in den handel +brengt. Dit laatste werd ten aanzien van de werken van Kipling door het +Hof van Appel van New York uitgemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e8700src" href="#xd20e8700" name="xd20e8700src">5</a>.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.2"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">II Het maken van afschriften</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het voorgaande was alleen sprake van reproductie +door den druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk +met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, +waardoor langs mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd +kan worden, b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd +ten aanzien van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord +opgemerkt; de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: +„met of zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere +tusschenkomende kunst”, werd overbodig geacht.</p> +<p>Het maken van <i>afschriften</i> is echter volgens onze wet +geoorloofd. Men achtte het onnoodig dit te verbieden: „slechts +die ongeoorloofde vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch +<i>afdrukken</i>, in hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in +staat, den auteur een vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame +beteekenis om door de wet te worden gekeerd”<a class="noteref" +id="xd20e8719src" href="#xd20e8719" name="xd20e8719src">6</a>. Zoo +oordeelde onze wetgever. Men zou hiertegen in de eerste plaats kunnen +opmerken, dat het meerdere of mindere vermogensnadeel, dat door de +handeling wordt toegebracht, niet het eenige is wat hier in aanmerking +moet worden genomen. Al is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom +behoeft het nog niet alleen op die handelingen betrekking te hebben, +waarmede uitsluitend geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien +is het niet waar, dat door het afschrijven zonder toestemming van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8722" href="#xd20e8722" name= +"xd20e8722">239</a>]</span>den auteur, aan dezen geen noemenswaardige +schade kan worden toegebracht. Het maken van afschriften behoort +volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens Rosmini<a class= +"noteref" id="xd20e8724src" href="#xd20e8724" name="xd20e8724src">7</a> +is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest gebruikelijke +reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke rol of elke partij +een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der tooneelspelers of +orkestleden. Dit levert boven het laten drukken het voordeel op, dat de +auteur nog in de gelegenheid blijft na de repetities wijzigingen in het +werk aan te brengen. Over het zonder toestemming van den auteur maken +en verspreiden van afschriften, laat Rosmini zich dan als volgt uit: +„<span lang="fr">Mais si un tiers reproduit en manuscrit +l’oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des +réductions pour divers instruments, pour louer ou débiter +ces copies, celles-ci non seulement présentent tous les +caractères de la contrefaçon, frappée par les +expressions générales de la loi dans toute son +étendue, mais elles constituent, de tous les +procédés de reproduction le plus grave, le plus +préjudiciable à l’auteur.</span>” Om deze +meening te staven, wijst Rosmini er op, dat het afschrijven +(voornamelijk van muziek) goedkooper is dan de reproductie door +<span class="corr" id="xd20e8739" title= +"Bron: litographie">lithographie</span> of een ander +procédé van dien aard, terwijl het bovendien meer in +stilte kan geschieden en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: +„<span lang="fr">... le vendeur de copies exerce une concurrence +plus étendue et plus fatale, parce qu’il s’adresse, +avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs de +spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en +présentant sa marchandise sous une forme plus commode; de cette +façon, il s’ approprie, en l’écartant de +l’auteur et de ses ayants cause, toute la clientèle des +acheteurs.</span>” Ook in andere landen dan Italië (waarop +de aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking +hebben) wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van +afschriften dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In +Frankrijk b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van +orkest-partituren zonder toestemming van den auteur afschriften werden +gemaakt, die dan door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur +werden afgestaan<a class="noteref" id="xd20e8745src" href="#xd20e8745" +name="xd20e8745src">8</a>. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met +tooneelstukken<a class="noteref" id="xd20e8754src" href="#xd20e8754" +name="xd20e8754src">9</a>. In Zwitserland, waar het maken van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8763" href="#xd20e8763" name= +"xd20e8763">240</a>]</span>afschriften door de wet is verboden, kwam +het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig +voor—hier waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich +aan schuldig maakten—dat door de auteurs daartegen eene +waarschuwing moest worden gepubliceerd, waarin gedreigd werd met +rechterlijke vervolging<a class="noteref" id="xd20e8766src" href= +"#xd20e8766" name="xd20e8766src">10</a>.</p> +<p>Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo +onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende en +dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging +naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te +behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de +onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder +toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. +32, Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van +reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat +daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19 +Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen +onderscheid maakt of er één dan wel meerdere exemplaren +vervaardigd worden; verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland +en Spanje).</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">III Vervaardiging en verspreiding van mechanische +muziek-instrumenten en phonografen</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat +sinds enkele jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de +vervaardiging van instrumenten, die muziekstukken automatisch +weergeven. Nog betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen +bekend de Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. +instrumenten, die door hun bouw en inrichting slechts berekend waren op +het weergeven van een of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen +omvang. Het vervaardigen en verspreiden van deze instrumenten was +daarom niet te noemen eene <i>exploitatie</i> van de werken der +componisten; in elk geval was het niet eene exploitatie van groote +beteekenis. De speeldoozen werden meer als curiositeiten gekocht dan +wel terwille van het muzikale genot, dat zij verschaften; en wat de +draaiorgels betreft, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8781" href= +"#xd20e8781" name="xd20e8781">241</a>]</span>deze deden misschien +concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten of +muziek-uitgevers.</p> +<p>Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van +deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten zag. +In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het +geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het +gebruik van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk +wet van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner +Conventie van 1886, Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3). Het was vooral in +Zwitserland, het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, +dat voor de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten +bate van deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet +van 1866 was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, +omdat laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming +van het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid +verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen +worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie +was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.</p> +<p>Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste +jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten +tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men vond +middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die bij de +oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te +vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven +konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door +hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht +was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders, +metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende +puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele +exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten +zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer +ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de +eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig jaar +in den handel zijn gebracht, zooals <i>aristons</i>, +<i>symphonions</i>, <i>orchestrions</i>, <i>phonola’s</i>, +<i>pianista’s</i>, <i>pianola’s</i> enz. enz., heeft men +ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen +instrumentale muziek, <span class="pagenum">[<a id="xd20e8809" href= +"#xd20e8809" name="xd20e8809">242</a>]</span>maar ook zangstukken, +voordrachten, fragmenten van tooneelstukken enz. ten gehoore +brengen.</p> +<p>Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de +rollen of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, +eene exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming +van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht +verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts +een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek b.v. +om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van eenige +bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan worden +gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en platen +reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de Vereenigde +Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat gevormd van +de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen over een +kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te +beschikken<a class="noteref" id="xd20e8813src" href="#xd20e8813" name= +"xd20e8813src">11</a>.</p> +<p>Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke +geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de toepassing +van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt eenigermate +tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten en +muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun werd +aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken wordt +gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van +muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie +met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het +auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter +bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten aan de +in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en +muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond, dat +in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland b.v. is +bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van +geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in +beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de +mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met +deze bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering +werd verzocht in overleg te treden met de <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e8820" href="#xd20e8820" name="xd20e8820">243</a>]</span>andere +mogendheden, die deel uitmaken van het internationaal Verbond, ten +einde tot een volledige bescherming der auteurs op dit punt te komen. +In Oostenrijk ging men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe +bepaling in de wet op het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van +muziekstukken voor mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de +uiteenzetting der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een +middel om de Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen +in de concurrentie met de buitenlandsche.</p> +<p>Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te +moeten laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is +te vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het +algemeen nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt +verleend. Dat in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs +ook in dit opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen +te worden toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in +verschillende landen, die in de meeste gevallen de bestaande +wetsbepalingen zooveel mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt<a class= +"noteref" id="xd20e8824src" href="#xd20e8824" name= +"xd20e8824src">12</a>. Doch wat de eenige afdoende maatregel zou zijn +om aan de bestaande misbruiken een einde te maken nl. eene stellige +bepaling in de wet, die het recht der auteurs buiten twijfel stelt; +daartoe heeft tot nu toe nog geen enkele staat willen overgaan. Nu +echter op de Conferentie van Berlijn van 1908 eene bepaling in de +internationale Conventie is opgenomen, die de bescherming der auteurs +in dit opzicht, althans binnen zekere grenzen, verplichtend stelt, is +het te verwachten, dat aan dezen toestand spoedig een einde zal +komen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van +muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of platen +van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van den auteur +verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het vervaardigen +en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk noemen een +„door den druk gemeen maken”, al worden misschien bij de +verveelvoudiging ervan procédé’s gevolgd, die +groote verwantschap met den druk vertoonen. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8840" href="#xd20e8840" name= +"xd20e8840">244</a>]</span></p> +<p>Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der +wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik +hunner werken beschermd zijn. „Wat is het wezen van het regt dat +men aan de auteurs toekent?” wordt in de M. v. T. onzer wet (p. +2) gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: „Het is de +uitsluitende bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. +Indien nu een werk zich tot verschillende soorten van reproductie +leent, moet op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, +worden acht geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst +te zamen de materiele waarde aan van het werk.” Men kan aannemen, +dat voor de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering +zou zijn gemaakt, indien zij toen reeds—wat nu ongetwijfeld het +geval is—had behoord tot diegene, welke „inderdaad van +beteekenis zijn”. Had men het in het voorloopig verslag (p. 5) +geopperde voorstel gevolgd, om in plaats van: „door den druk +gemeen te maken” in de wet te lezen: „langs mechanischen +weg te vermenigvuldigen en in den handel te brengen” of: +„door den druk of op andere wijze gemeen te maken”, dan zou +de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men achtte +echter—met het oog op de reproductiemiddelen van dien +tijd—de oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het +gevolg hiervan is, dat thans slechts door eene wetswijziging de +toepassing van het juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden +verzekerd.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.4"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">IV Reproductie door den kinematograaf</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten +tijd in toepassing is gebracht, is de <i>kinematograaf</i>. Er is reeds +gesproken over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf +hun ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken met +den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of de +vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten, +pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus, +indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk op +diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze vraag +in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen zal de +kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel de films te +gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8852" href="#xd20e8852" name= +"xd20e8852">245</a>]</span>bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld +eene exploitatie van de gereproduceerde werken te zien en wel eene die +hoe langer hoe meer algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van +openbare vertooningen (waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en +uitvoeringsrecht nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en +verspreiden van de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn +gelegen. De ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt +niet de eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met +betrekkelijk weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes +aanschaffen, die de kinematographische beelden op de vereischte wijze +projecteeren; waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke +pantomimes, balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze +toepassing van den kinematograaf is—het moet worden +toegegeven—tot nu toe nog weinig algemeen, doch de voorspelling +is m. i. niet te gewaagd, dat zij dit in de eerstkomende jaren meer en +meer zal worden. Men bedenke, binnen hoe korten tijd de phonograaf zich +eene plaats in bijna ieder huis heeft veroverd!</p> +<p>Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en +pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele wet +uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene +Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen voor +den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de +Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt: +„<span lang="fr">Attendu que la bande cinématographique, +ou film, sur laquelle sont reproduites à l’aide +d’une succession de photographies les diverses +péripéties, soit d’une oeuvre dramatique, soit +d’une féeerie, d’une pantomime ou d’un +opéra, et qui est par elle-même, en dehors de +l’adaption à un mécanisme quelconque, lisible et +compréhensible pour tous, doit être +considérée comme une édition tombant sous +l’application de la loi des 19–24 juillet 1793;... +etc.</span>”<a class="noteref" id="xd20e8859src" href= +"#xd20e8859" name="xd20e8859src">13</a></p> +<p>In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de +tegenwoordige wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden +gewezen. Ik kan hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de +uitdrukking „door den druk gemeen maken” is gezegd in +verband met de mechanische muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de +voorbereiding der wet ook de photographie genoemd onder de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8872" href="#xd20e8872" name= +"xd20e8872">246</a>]</span>reproductie-middelen waarmede inbreuk op het +auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede +klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van +plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het +behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie +van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen +daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan +brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te +volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige wet +duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel, waartoe een +werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is, den auteur +uitsluitend moet zijn voorbehouden.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.5"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">V Op- en uitvoering</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken +en muziekstukken behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden +gesteld. Evenmin zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of +uitvoering, voor zoover zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie +uitmaakt van het tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de +meeste gevallen het eenige middel is, waardoor het publiek in staat +wordt gesteld het werk volkomen te genieten.</p> +<p>Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus +het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn +voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval; +slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit- of +opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in +tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.</p> +<p>Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht +voor muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het +opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt +bij de uitgave, tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan +deze voorwaarde voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. +15).</p> +<p>De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het +auteursrecht worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde +voorstelling, alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders +zou zijn dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te +maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8885" href="#xd20e8885" name= +"xd20e8885">247</a>]</span>b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en +componisten, indien hun uit- en opvoeringsrecht erkend wordt, een +dubbel recht zouden genieten, hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn +tegenover schrijvers van stukken, die niet voor opvoering vatbaar +zijn<a class="noteref" id="xd20e8887src" href="#xd20e8887" name= +"xd20e8887src">14</a>, vindt in het voorgaande reeds voldoende +weerlegging. Op dezen grond zou men ook kunnen beweren, dat de eigenaar +van een paard, hetwelk én als rij- én als koetspaard +gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en dat hij op onbillijke +wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren, wier paarden alleen kunnen +trekken!</p> +<p>Men heeft ook beweerd—en dit betreft in het bijzonder het uit- +en opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen—dat +juist datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze +te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke +uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd, +daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven te +zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd, dat +het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering <i>in het +openbaar</i>. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel hij +wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin een +inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer men +het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het eene +exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de uitgave +zijne toestemming te hebben gegeven.</p> +<hr class="tb"> +<p>Dat de auteur alleen <i>openbare</i> uit- en opvoeringen kan +verbieden, geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter +dezelfde kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler +gestelde, die eene op- of uitvoering openbaar noemt, „wenn sie +über das Häusliche hinausgeht.” Dit kan dus b.v. ook in +een particulier huis het geval zijn, indien nl. zooveel gasten zijn +gevraagd „dasz die Gesellschaft die häusliche Wesenheit +einbüszt”<a class="noteref" id="xd20e8902src" href= +"#xd20e8902" name="xd20e8902src">15</a>.</p> +<p>Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de +toegang voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt +<span class="pagenum">[<a id="xd20e8909" href="#xd20e8909" name= +"xd20e8909">248</a>]</span>vrijwel algemeen, in wetenschap en practijk +aangenomen<a class="noteref" id="xd20e8911src" href="#xd20e8911" name= +"xd20e8911src">16</a>. Op een feest, dat toegankelijk is voor leden en +genoodigden van eene <span class="corr" id="xd20e8929" title= +"Bron: societeit">sociëteit</span> of andere vereeniging, zal dus +de uitvoering eene openbare kunnen zijn<a class="noteref" id= +"xd20e8932src" href="#xd20e8932" name="xd20e8932src">17</a>.</p> +<p>Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: +„elke uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor +meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage +gevorderd wordt” (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan +kunnen aannemen, dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in +den zin van deze bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm +eener jaarlijksche contributie van de leden der vereeniging; terwijl +dan het lidmaatschap recht geeft op een of meer plaatsen bij de +voorstelling.</p> +<p>Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers van +beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin mag het +doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking worden genomen. +Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij gebruik van stukken zonder +toestemming des auteurs toe te laten voor weldadigheidsvoorstellingen, +zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk is voorgesteld. Terecht is +hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen wil en dank gedwongen moet +kunnen worden, aan een weldadig doel mede te werken. Men zou dan +evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars van zalen gedwongen werden +deze gratis voor zulke voorstellingen af te staan<a class="noteref" id= +"xd20e8954src" href="#xd20e8954" name="xd20e8954src">18</a>. Hetzelfde +geldt voor voorstellingen of concerten, waarvan de toegang vrij is, en +waarbij ook overigens elk winstbejag is uitgesloten. Het moge een +loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen medeburgers een avond van +genoegen of kunstgenot wil verschaffen en daarvoor eene +gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem nog geen recht, om voor +dit doel ongevraagd over andermans goed te beschikken. De bepaling van +de Zwitsersche wet (art. 11 n<sup>o</sup>. 10) die <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e8966" href="#xd20e8966" name= +"xd20e8966">249</a>]</span>het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en +uitvoeringen, waarvan het doel niet is winst te behalen, verdient +daarom afkeuring<a class="noteref" id="xd20e8968src" href="#xd20e8968" +name="xd20e8968src">19</a>.</p> +<p>De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het +auteursrecht uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. +Ook gebrekkige opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden<a class= +"noteref" id="xd20e8979src" href="#xd20e8979" name= +"xd20e8979src">20</a>. Daarom zal men ook als op- of uitvoering hebben +aan te merken vertooningen van den kinematograaf en +„concerten”, waar zich phonograaf, grammophoon, pianola en +dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze instrumenten inbreuk +op het reproductie-recht kan worden gepleegd (nl. door de vervaardiging +en verspreiding van kinematograaf-films en van rollen en platen, die +bij de mechanische muziekinstrumenten en phonografen behooren) is +hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker niet minder reden, om ook de +op- en uitvoeringen door middel van deze instrumenten, voorzoover zij +in het openbaar plaats hebben in den bovenaangegeven zin, als inbreuk +op het op- of uitvoeringsrecht aan te merken. Wat de kinematographische +voorstelling betreft, heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, +dat zij wel degelijk eene „voorstelling” is in den zin der +wet, omdat de figuren, die de kinematograaf laat zien, volkomen den +indruk maken van levende personen<a class="noteref" id="xd20e8988src" +href="#xd20e8988" name="xd20e8988src">21</a>. M. i. zal men ook volgens +onze wet hetzelfde mogen aannemen. Dat men bij het tot standkomen der +wet aan kinematographische voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen +grond zijn voor het tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene +„opvoering”, die in die jaren nog niet bekend was, doch die +thans evengoed dezen naam verdient als die, waarbij tooneelspelers of +dansers in levenden lijve optreden.</p> +<p>Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door +muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover +de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden +(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare +uitvoering gelijk gesteld<a class="noteref" id="xd20e8996src" href= +"#xd20e8996" name="xd20e8996src">22</a>. In België werd ook als +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9002" href="#xd20e9002" name= +"xd20e9002">250</a>]</span>inbreuk op het uitvoeringsrecht aangemerkt +het gebruik maken van <i>theatrophonen</i>, eene soort van +telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of concertzalen, +de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen doen hooren. De +vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899), dat het niet +geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te geven dan door +den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van den auteur +toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg ten gehoore te +brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met behulp der genoemde +instrumenten ook elders te doen weerklinken<a class="noteref" id= +"xd20e9007src" href="#xd20e9007" name="xd20e9007src">23</a>.</p> +<p>In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek in +het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten, waar +men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de muziek +te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen, waardoor +inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook hiertoe te +rekenen zijn de zoogenaamde „strijkjes” in koffiehuizen en +hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten en +dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de muzikanten +dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn van het +uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder toestemming +van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het laatste +aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de verhuurder +der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers der verboden +uitvoering aangemerkt<a class="noteref" id="xd20e9014src" href= +"#xd20e9014" name="xd20e9014src">24</a>. Dit schijnt mij ook juist, al +kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen regel in +sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel- of +koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen, dat +geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het is daarom +wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen, die zich vroeger +nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren, hier en daar +protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten, zooals die zich +b.v. in Duitschland hebben voorgedaan<a class="noteref" id= +"xd20e9026src" href="#xd20e9026" name="xd20e9026src">25</a>, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9032" href="#xd20e9032" name= +"xd20e9032">251</a>]</span>in de meeste gevallen wel zullen kunnen +worden vermeden door een bezadigd en tactvol optreden van de +vereenigingen van componisten, die zich met het innen der +tantièmes voor hunne leden belasten.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.6"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">VI Voordracht</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en +tooneelwerken bijna overal erkend wordt, wordt het recht om +letterkundige werken in het openbaar voor te dragen, nog slechts door +enkele wetten aan de auteurs verleend<a class="noteref" id= +"xd20e9039src" href="#xd20e9039" name="xd20e9039src">26</a>. De reden +zal men waarschijnlijk grootendeels hierin moeten zoeken, dat men het +gebruik, dat op deze wijze van de letterkundige producten wordt +gemaakt, van te weinig belang achtte voor de auteurs, om het te +verbieden.</p> +<p>Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te +erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig +voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van +muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van +eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren—in +het bijzonder hier te lande—kan worden waargenomen, behooren +openbare voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De +kunst van declameeren en verzen-„zeggen” is—naar het +mij voorkomt—tegenwoordig weer meer in eere dan eenigen tijd +geleden het geval was. (Ik denk hier b.v. aan de voordracht-avonden van +Willem Royaards, Albert Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden +wel—hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk—door +één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote +onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt, +elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken, +terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te +eerbiedigen.</p> +<p>Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van +voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de +<i>openbare</i> voordracht verboden te zijn; de kenmerken der +openbaarheid kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9052" href="#xd20e9052" name= +"xd20e9052">252</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch4.1.7"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">VII Reproductie van werken van beeldende kunst</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft +na het voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een +werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe +„verwerkelijkingen”. In het vorige hoofdstuk is betoogd, +dat daaronder te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een +anderen kunstvorm, mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, +welke aan het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan +worden teruggevonden.</p> +<p>Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij +alleen dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. +Hiervoor gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de +vervaardiging en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften +en muziekwerken zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken +behoeft te worden.</p> +<p>In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden +kunstenaar omschreven als „het recht om ... te copieeren, na te +bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te +laten doen” (art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke +vervaardiging; ook die, waarbij geene <span class="corr" id="xd20e9063" +title="Bron: verspeiding">verspreiding</span> of „gemeen +making” het doel is. Het Ontwerp laat echter in een ander artikel +het maken van eene kopie voor eigen studie, mits dit zonder eenig +rechtstreeksch of zijdelingsch winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. +3, b) en door deze bepaling wordt aan het beginsel, dat door de +<i>vervaardiging</i> eener reproductie op zichzelf geen inbreuk op het +auteursrecht wordt gepleegd, weer voldoende eer bewezen. Immers bij de +<i>mechanische</i> verveelvoudiging kan de bedoeling om te verspreiden +steeds gepraesumeerd worden<a class="noteref" id="xd20e9072src" href= +"#xd20e9072" name="xd20e9072src">27</a>.</p> +<p>Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten +rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling +hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907 art. +15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het +„afbeelden langs mechanischen weg” zonder toestemming van +den auteur verbiedt.</p> +<p>Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te +beschouwen <span class="pagenum">[<a id="xd20e9082" href="#xd20e9082" +name="xd20e9082">253</a>]</span>het tentoonstellen van een kunstwerk, +voor zoover daarvoor geen ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. +In sommige gevallen zou men weliswaar in de tentoonstelling eene +exploitatie kunnen zien; het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor +een uitsluitend recht te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden +ingegrepen in het recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het +kunstwerk is belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus +als regel worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met +toestemming van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder +„exemplaar” ook te verstaan het origineel) een kooper heeft +gevonden, de verdere verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd +is.</p> +<p>Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de +waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele +verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan, nooit +eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur, om daarvan +zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat speculanten in +schilderijen soms groote winsten kunnen maken als gevolg van +prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen zijn te danken +aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor zijn naam meer in +aanzien is gekomen; een <i>recht</i> van den schilder op een deel van +die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel van het +auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de +onlichamelijke kunstschepping tot object heeft<a class="noteref" id= +"xd20e9089src" href="#xd20e9089" name="xd20e9089src">28</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, +geldt m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der +kunstnijverheid en werken der bouwkunst. Photographieën zijn in +dit opzicht volkomen met de werken van beeldende kunst gelijk te +stellen. De voortbrengselen der kunstnijverheid worden weliswaar in den +regel op eenigszins andere wijze gereproduceerd, dit maakt met +betrekking tot het uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend +verschil uit. Ten aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9105" href="#xd20e9105" name= +"xd20e9105">254</a>]</span>regels als ten aanzien van een gekopieerd +schilderij. Wat eindelijk de werken der bouwkunst betreft, de +verschillende reproductiemiddelen, welke den auteur dienen te zijn +voorbehouden, werden bij de bespreking dezer werken reeds genoemd. +Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat het <i>bouwen</i> steeds +als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien het geschiedt voor +eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping van den kunstenaar +altijd min of meer openbaar gemaakt.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch4.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Duur</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het +in tijdsduur beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een +einde. Een eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste +regelingen in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur +van Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche +Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen, te +weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders is het +auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.</p> +<p>Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument +aangevoerd om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. +Een recht—zoo wordt soms geredeneerd—dat de wetgever op een +gegeven oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene +schadeloosstelling in de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam +van „recht” niet te dragen<a class="noteref" id= +"xd20e9117src" href="#xd20e9117" name="xd20e9117src">29</a>.</p> +<p>Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht +volkomen met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. +Eigendom is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet +zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan; een +eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou +verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den +eigendom missen.</p> +<p>Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is, +maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten op +lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die +eigenaardigheden, <span class="pagenum">[<a id="xd20e9133" href= +"#xd20e9133" name="xd20e9133">255</a>]</span>waardoor het auteursrecht +zich van laatstgenoemde rechten onderscheidt en die voortkomen uit den +verschillenden aard van lichamelijke en onlichamelijke goederen, +behoort nu ook de tijdelijkheid van het recht. De aard der +onlichamelijke goederen (geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat +zij na verloop van een aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten +tijd na hun ontstaan bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag +òf en zoo ja hòe zij geëxploiteerd zullen worden aan +een persoon staat te beantwoorden, en dat dus hun lot min of meer van +dien éénen persoon afhankelijk is. Men kan zelfs zeggen, +dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur of zijne +rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.</p> +<p>Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is +vergeten, zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf +het blijkt een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is +het, zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer „zum +Eigengut des ganzen Volkes, ja zum Kulturgut der ganzen +Menschheit”<a class="noteref" id="xd20e9137src" href="#xd20e9137" +name="xd20e9137src">30</a> geworden, dat men het aan deze bestemming +niet mag onttrekken door de beschikking erover aan één +persoon te laten.</p> +<p>Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun +ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te +doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht +waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft +trouwens geen reden van bestaan.</p> +<p>Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd +geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend +auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk, +maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. <span class= +"corr" id="xd20e9146" title="Bron: Shakespaere">Shakespeare</span>, +Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men +behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat b.v. op +den <i>Faust</i> of op <i>Hamlet</i> nu nog auteursrecht bestond, +zoodat dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou +mogen worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat +men van—op zichzelf misschien even waardevolle—werken van +tijdgenooten niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd +mensch kan er meer buiten. Een erop gevestigd <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9155" href="#xd20e9155" name= +"xd20e9155">256</a>]</span>auteursrecht zou—wat het anders niet +heeft—hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste +soort.</p> +<p>Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het +recht der auteurs moet <i>wijken</i> voor rechten en belangen van +anderen; dat het—wat bij een ander recht niet dan met toekenning +van schadeloosstelling geschiedt—na verloop van zekeren tijd +eenvoudig „in het algemeen belang” wordt opgeheven. De +tijdelijkheid van het recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen +van „algemeen belang”, doch zij is niet het resultaat van +een compromis tusschen een van nature eeuwigdurend recht aan den eenen +kant en het algemeen belang, dat zich tegen de voortdurendheid van het +recht verzet, aan den anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, +dat „<span lang="de">das öffentliche Interesse die Natur des +Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts +mitbestimmt</span>”<a class="noteref" id="xd20e9165src" href= +"#xd20e9165" name="xd20e9165src">31</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het is—eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het +auteursrecht aangenomen—terwille der rechtszekerheid +noodzakelijk, dat de duur door de wet eens voor al wordt vastgesteld. +Daarbij kan natuurlijk geen rekening worden gehouden met afzonderlijke +werken, ten aanzien waarvan zich het hierboven beschreven proces +langzamer of wel sneller voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die +niet langer duren dan een maand of zelfs dan één enkelen +dag (b.v. dagblad-artikelen), andere die het veertig, vijftig jaar +uithouden zonder tot de meesterwerken te behooren die de eeuwen +trotseeren en verder bestaan er meesterwerken die terstond, andere die +eerst na honderden jaren als zoodanig erkend worden.</p> +<p>Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen +volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer +te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al te +willekeurig gekozen schijnt.</p> +<p>Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt +men—behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier +hierboven reeds genoemde staten geldt—dat er twee hoofdsystemen +hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem duurt +het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs, volgens het +tweede een aantal jaren na <span class="pagenum">[<a id="xd20e9182" +href="#xd20e9182" name="xd20e9182">257</a>]</span>de eerste uitgave van +het werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men +vindt het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, +Denemarken, Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, +Japan, Luxemburg, Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, +Roemenië, Rusland, Salvador, Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. +Daarentegen hebben slechts enkele landen het tweede systeem nl.: +Griekenland, Brazilië, Turkije en ons land. Engeland, Italië +en de Vereenigde Staten volgen een gemengd stelsel.</p> +<p>De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds +dikwijls—ook in ons land—uitvoerig besproken<a class= +"noteref" id="xd20e9186src" href="#xd20e9186" name= +"xd20e9186src">32</a>; ik meen daarom daarover kort te kunnen zijn.</p> +<p>Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat van +den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is, terwijl +natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer de auteur zal +sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat alle werken +evenlang beschermd zijn, en niet—zooals volgens het andere +stelsel—de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis zijn, +langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des +auteurs zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote +sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek +krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft +geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken +waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat +een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur +der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep, +waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van +zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als zijn +mede-auteur te laten optreden.</p> +<p>Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de +keus tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste +van het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen—waarvan ik de +beteekenis niet wil ontkennen—zijn echter ook enkele nadeelen te +stellen, die het andere stelsel niet heeft.</p> +<p>Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9214" href="#xd20e9214" name= +"xd20e9214">258</a>]</span>tijdstip der eerste publicatie, is het +gewenscht dat dit tijdstip voor elk werk—liefst volgens +officieele gegevens—vaststa. Onze wet (art. 13) neemt daarvoor +aan de dagteekening van het bewijs van ontvangst door het Departement +van Justitie afgegeven aan hem, die de voor de vestiging van het +auteursrecht voorgeschreven formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en +11); eene soortgelijke regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). +Het gevolgde stelsel van tijdsduurberekening is op deze wijze +samengekoppeld met dat van verplichte inzending van exemplaren, +verklaringen, beschrijvingen en dergelijke. Dit schijnt mij een niet +onbelangrijk bezwaar van het stelsel, daar—zooals ik in een +volgend hoofdstuk hoop aan te toonen—voor deze verplichte (d. w. +z. op straffe van tenietgaan van het auteursrecht) inzendingen geen +grond bestaat en afschaffing daarvan zeer gewenscht is.</p> +<p>Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het +auteursrecht op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht +echter een bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het +voor ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot +hoe lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te +maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk maar +met slechts één: het sterfjaar van den auteur.</p> +<p>Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet +geven, al betreft het niet de <i>waarde</i> van het stelsel, maar +alleen het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog +op de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der +verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van +het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden +landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend +naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding +van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de +groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden, nu het +hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij zijn +betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo practisch +en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.</p> +<p>In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal +ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt +kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9225" href="#xd20e9225" name= +"xd20e9225">259</a>]</span>of van die werken, waarvan een rechtspersoon +als auteur wordt aangemerkt, onbesproken<a class="noteref" id= +"xd20e9227src" href="#xd20e9227" name="xd20e9227src">33</a>. Evenmin +zal ik mij ophouden met de afzonderlijke termijnen, die in sommige +wetten nog ten aanzien van enkele bevoegdheden als: vertalingsrecht, +op- en uitvoeringsrecht enz. worden gesteld. Hier kan slechts worden +herhaald, wat bij de bespreking van elk dezer rechten is gezegd, dat +nl. voor bijzondere beperkingen, hetzij in tijdsduur, hetzij in ander +opzicht, geen grond bestaat.</p> +<p>Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur +van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken om +dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren is dit +eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de normale +termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood des auteurs; +in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze het meest +aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is hij opgenomen +(art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang genoeg; naar +hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te beschouwen. +Dit schijnt b.v. in de <i lang="fr">Association</i> de heerschende +opvatting te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn +gekozen: tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan +nog in het oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan +rekening is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In +beginsel zou men wellicht nog verder willen gaan.</p> +<p>Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den +dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst +verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene +verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij m. i. +rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het verkeer, ook +op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken der aarde zich +steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het gevolg is, dat +geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd noodig hebben om +over de geheele wereld bekend te worden. Men kan er zeker van zijn, dat +een boek dat in Europa eenigen opgang maakt, binnen enkele maanden of +zelfs weken ook in Amerika door ieder zal worden gelezen. Het leven van +geschriften en kunstwerken wordt daardoor steeds korter, d. w. z. zij +zijn veel eerder <span class="pagenum">[<a id="xd20e9237" href= +"#xd20e9237" name="xd20e9237">260</a>]</span>algemeen bekend maar ook +weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de +exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel +korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk, dat +het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht, hiermede +gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo volledig +mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten, eene +bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge genieten; in +dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene verbetering te +beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang en uitgebreidheid +wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een vol auteursrecht, +dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des auteurs, maar dan ook +in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden, schijnt mij +redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of honderd jaar na +den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een enkelen staat +erkenning vindt. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9239" href= +"#xd20e9239" name="xd20e9239">261</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8644" href="#xd20e8644src" name="xd20e8644">1</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p. 209.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8672" href="#xd20e8672src" name="xd20e8672">2</a></span> +<i>Urheberrecht</i> p. 177 noot 10.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8682" href="#xd20e8682src" name="xd20e8682">3</a></span> Men zie +het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29 Sept. 1891 <i>Paleis +van Justitie</i> 1891 no. 93.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8692" href="#xd20e8692src" name="xd20e8692">4</a></span> +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Urheberrecht</i> pp. 181, +182.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8700" href="#xd20e8700src" name="xd20e8700">5</a></span> Hof van +Appel New York 8 Jan. 1903, <i>D. A.</i> 1904 p. 62.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8719" href="#xd20e8719src" name="xd20e8719">6</a></span> Memorie +van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8724" href="#xd20e8724src" name="xd20e8724">7</a></span> +<span class="sc">Av. Rosmini</span>, <i lang="fr">Lettre +d’Italie</i>, <i>D. A.</i> 1894 p. 74.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8745" href="#xd20e8745src" name="xd20e8745">8</a></span> +Medegedeeld door: <span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1890 p. +77.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8754" href="#xd20e8754src" name="xd20e8754">9</a></span> Men zie: +<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1891 p. 8; 1893 p. 48; +1895 pp. 129, 130.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8766" href="#xd20e8766src" name="xd20e8766">10</a></span> <i>D. +A.</i> 1897 p. 45.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8813" href="#xd20e8813src" name="xd20e8813">11</a></span> <i>D. +A.</i> 1908 p. 107.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8824" href="#xd20e8824src" name="xd20e8824">12</a></span> Men zie +het overzicht hiervan in <i>D. A.</i> 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook het +arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908, medegedeeld +door Prof. <span class="sc">M. Amar</span> in <i>D. A.</i> 1909 p. +27.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8859" href="#xd20e8859src" name="xd20e8859">13</a></span> +<span lang="fr">Tribunal Civil de la Seine 1<sup>re</sup> ch.</span> 7 +Juli 1908, <i>D. A.</i> 1908 p. 118.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8887" href="#xd20e8887src" name="xd20e8887">14</a></span> Deze +bewering, afkomstig van „vele leden”, vindt men in het +voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8902" href="#xd20e8902src" name="xd20e8902">15</a></span> +<i>Urheberrecht</i> p. 185.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8911" href="#xd20e8911src" name="xd20e8911">16</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">Schuster</span> t. a. p. pp. 224, 225; +<span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 19; +<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 60 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8932" href="#xd20e8932src" name="xd20e8932">17</a></span> In +dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892, <i>D. A.</i> 1892 +pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter de muziek, die +op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare uitvoeringen. Cf. +<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1903 p. 46. Men zie over +de Belgische jurisprudentie: <span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D. +A.</i> 1901 p. 122.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8954" href="#xd20e8954src" name="xd20e8954">18</a></span> Men zie +hierover: <i>D. A.</i> 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste overwegingen +van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar vonnis van 19 +Juni 1889, <i>D. A.</i> 1890 p. 28.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8968" href="#xd20e8968src" name="xd20e8968">19</a></span> Over +deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling van Prof. +<span class="sc">Alex Reichel</span> in <i>D. A.</i> 1893 pp. 14 sqq. +Cf. ook § 27 van de Duitsche wet v. 19 Juni 1901.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8979" href="#xd20e8979src" name="xd20e8979">20</a></span> Cf. +<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 61.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8988" href="#xd20e8988src" name="xd20e8988">21</a></span> <i>D. +A.</i> 1908 p. 110.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8996" href="#xd20e8996src" name="xd20e8996">22</a></span> Cf. +<i>D. A.</i> 1908 pp. 108 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9007" href="#xd20e9007src" name="xd20e9007">23</a></span> <i>D. +A.</i> 1901 p. 32.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9014" href="#xd20e9014src" name="xd20e9014">24</a></span> In +dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, <i>D. A.</i> 1908 +p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, <i>D. A.</i> 1894 +p. 55; Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een +koffiehuis), <i>D. A.</i> 1901 p. 16.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9026" href="#xd20e9026src" name="xd20e9026">25</a></span> Men zie +hierover: <i>D. A.</i> 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9039" href="#xd20e9039src" name="xd20e9039">26</a></span> Een +uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement van 3 +Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in +druk is verschenen (<i>Urheberrechtsgesetz</i> § 11); terwijl het +in Noorwegen (art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de +uitgave in druk kan worden voorbehouden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9072" href="#xd20e9072src" name="xd20e9072">27</a></span> Cf. +<span class="sc">Swart</span> t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde +schrijvers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9089" href="#xd20e9089src" name="xd20e9089">28</a></span> In +kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht soms +meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.: <i>Het Land +van Mauve</i> (<i>Bulletin van den Larenschen Kunsthandel</i>) no. 6, 5 +Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. +<span class="sc">Louis Israëls</span> hierover in hetzelfde +blaadje no. 8, 5 Jan. 1907.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9117" href="#xd20e9117src" name="xd20e9117">29</a></span> Zoo +b.v.: <span class="sc">J. Mosmans</span>, <i>Diefstal? Nederland en de +Berner Conventie</i> pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) +aangehaalde van Mr. <span class="sc">Freseman Viëtor</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9137" href="#xd20e9137src" name="xd20e9137">30</a></span> +<i>Urheberrecht</i> p. 232.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9165" href="#xd20e9165src" name="xd20e9165">31</a></span> +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Autorrecht</i> p. 51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9186" href="#xd20e9186src" name="xd20e9186">32</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">de Ridder</span> t. a. p. p. 248; M. v. T. W. A. +R. <i>Handel. Tweede Kamer</i> 1876–1877. Bijl. 202 § 4; +<span class="sc">Freseman Viëtor</span>, <i>Kantteekeningen</i> +enz. t. a. p. p. 44; <span class="sc">Macaulay</span>, <i>Speeches</i> +t. a. p. pp. 273 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9227" href="#xd20e9227src" name="xd20e9227">33</a></span> Men kan +hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog enkele +opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij te pas +komen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk V</h2> +<h2 class="main">Voorwaarden en formaliteiten</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat +het auteursrecht, zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object +van is, op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een +auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt +vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde +recht.</p> +<p>Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de +nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij het +ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van het +auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van +bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in +meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen +is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde +stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig als +andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard door +den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen kant +werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit +meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den +wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht, +dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd, +afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig +achtte.</p> +<p>Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of +doelmatigheid bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor +beheerscht wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het ’t meest +deugdelijke en <span class="pagenum">[<a id="xd20e9252" href= +"#xd20e9252" name="xd20e9252">262</a>]</span>meest eerbiedwaardige +recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten als de hier +bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het tenietgaan van +het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat dergelijke +redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn, hoop ik in dit +hoofdstuk aan te toonen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden +(formaliteiten) en materieele voorwaarden<a class="noteref" id= +"xd20e9258src" href="#xd20e9258" name="xd20e9258src">1</a>.</p> +<p>Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren +aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende +tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het +werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles +kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt +wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet +voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet de +uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de +<i>uiterlijke</i> voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde +handelingen, die de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn +recht niet te verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- +en op- en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen +van een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.</p> +<p>Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna +alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd of +hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum beperkt. +In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in +België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele +gevallen beperkt<a class="noteref" id="xd20e9271src" href="#xd20e9271" +name="xd20e9271src">2</a>. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in +Italië, geven zij voortdurend aanleiding tot klachten van +belanghebbenden; ook is het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land +door statistische gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote +meerderheid van de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven +formaliteiten verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de +in druk verschenen werken gemiddeld slechts 5–1/2% behoorlijk +ingezonden, met het gevolg, <span class="pagenum">[<a id="xd20e9280" +href="#xd20e9280" name="xd20e9280">263</a>]</span>dat dus alle overige +94–1/2% van de bescherming der wet verstoken bleven<a class= +"noteref" id="xd20e9282src" href="#xd20e9282" name= +"xd20e9282src">3</a>. Zooals te verwachten was, zijn in het door eene +commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van de tegenwoordige +Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en ingewikkelde +formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd: wel zijn daarin +verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens enkele +uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen invloed +heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.</p> +<p>Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls +een klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms +zonder schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het +geheele of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de +internationale verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor +een auteur bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle +landen, waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de +voorgeschreven formaliteiten in acht te nemen; eene internationale +regeling van het auteursrecht, die de verplichting daartoe laat +bestaan, zal daarom in de practijk slechts ten halve aan haar doel +beantwoorden.</p> +<p>Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de +belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te stellen. +Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of van eene +omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de identiteit van +dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving in een openbaar +register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid opent zich ervan te +vergewissen of op een bepaald werk al dan niet auteursrecht bestaat. +Daar waar de duur van het auteursrecht naar het tijdstip der eerste +uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving in het register steeds +de juiste datum daarvan geconstateerd worden.</p> +<p>Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk +geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere +sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de +bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K., +die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden +aangetoond.</p> +<hr class="tb"> +<p>Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze wet +geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9302" href="#xd20e9302" name= +"xd20e9302">264</a>]</span>voordrachten, tooneelstukken, die zijn +opgevoerd en muziekwerken, die zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, +waarvan juist het vaststellen der identiteit en de oplossing van de +vraag, wie auteur is, de meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft +de wetgever blijkbaar geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon +geschieden. Weliswaar zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de +wet (pp. 9 en 11) wordt opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende +bepalingen voor deze werken practische moeilijkheden meebrengen; +onmogelijk was het echter niet. In elk geval geeft het feit, dat het +auteursrecht op niet door den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk +is van formaliteiten, weder een doorslaand bewijs, dat deze niet +onmisbaar zijn.</p> +<p>Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10), +dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave +worden ingezonden aan het Departement van Justitie:</p> +<p><i>a</i>) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij +gebreke daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of +drukker onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der +uitgave,</p> +<p><i>b</i>) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het +werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.</p> +<p>Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het reeds +genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld het +weglaten van de woonplaats des auteurs op één der +ingezonden exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand +enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.</p> +<p>Bovendien is voor de verplichte inzending van <i>twee</i> exemplaren +geen enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te +stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede +wordt dan ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het +auteursrecht in geenerlei verband staat, nl. completeering van de +Koninklijke Bibliotheek te ’s Gravenhage.</p> +<p>Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons +land uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd +worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze +verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een +exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden, +dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9323" href="#xd20e9323" name= +"xd20e9323">265</a>]</span>is dan het doen tenietgaan van het +auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de bepaling, dat van elk +daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het Britsch Museum moet +worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf pond, vermeerderd met +de waarde van het niet-ingezonden exemplaar (Wet van 1 Juli 1842).</p> +<p>Het onder <i>b</i> genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met +de materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat +het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die +aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder +internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede +hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet nu ook +nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan: inzending +van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is dus het werk +in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten in acht +genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien de drukker +nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te zenden. +Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan het +auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is, omdat het +hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door (of in ieder +geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste gevallen wel +niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook al wenschte men +het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn te behouden (wat, +zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel opzicht is aan te +bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier bedoelde +verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht te eischen. +Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij achterwege blijft, +ook langs anderen weg het bewijs toe te laten, dat aan het vereischte +van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde doel even goed kunnen +bereiken.</p> +<p>Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit, dat +wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving geschiedt, +het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of voor een +bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen. Meer +kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel, dat hier is +gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten aanzien van +vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende goederen, +het zoogenaamde <i>negatieve stelsel van openbaarheid</i>. Ook daar is +de inschrijving in de daartoe aangewezen <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e9335" href="#xd20e9335" name="xd20e9335">266</a>]</span>openbare +registers eene onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het +recht. Doch of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan +niet met zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de +laatstgenoemde vraag betreft heeft men uit de registers van het +auteursrecht nog minder kans juist te worden ingelicht, omdat +overdracht van het recht, op welke wijze die ook plaats heeft, niet in +de registers wordt aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of +niet bestaan van het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in +de registers staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel +mogelijk, dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge +ingeschreven, hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke +bescherming omdat het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De +ambtenaar van het departement van Justitie, die met de inschrijving is +belast, heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te +laten met de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving +voortvloeien.</p> +<p>Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne +rechtverkrijgenden bij de uitoefening van hun recht van de door onze +wet voorgeschreven formaliteiten slechts last en geen nut hebben. +Alleen derden zijn door deze bepalingen gebaat, doch slechts +betrekkelijk; evenals van het stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de +inschrijving der hypotheken kan ervan gezegd worden: „de +openbaarheid geeft aan iedereen het middel, althans den leiddraad om +zich op vrij voldoende wijze van den stand van zaken op de hoogte te +stellen”<a class="noteref" id="xd20e9339src" href="#xd20e9339" +name="xd20e9339src">4</a>. Een vrij pover resultaat, als men bedenkt +ten koste waarvan het verkregen wordt<a class="noteref" id= +"xd20e9348src" href="#xd20e9348" name="xd20e9348src">5</a>.</p> +<p>De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig bewijs +ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten als de +bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere +onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht +dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9359" href="#xd20e9359" name= +"xd20e9359">267</a>]</span>dat op elk werk auteursrecht bestaat, +behalve natuurlijk op diegene, waarvan de beschermingstermijn is +verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de meeste wetgevingen het +auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal jaren na den dood des +auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming ophoudt in de meeste +gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook heeft men te bedenken, +dat het niet voor het geheele publiek, maar slechts voor eene bepaalde +klasse van personen (uitgevers, schouwburg- en orkest-directeuren enz.) +van belang is, over auteursrecht-zaken te zijn ingelicht. Men kan dus +verwachten dat deze personen maatregelen nemen om zich geregeld op de +hoogte te houden van hetgeen met hun vak zoo nauw samenhangt. In de +practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door de, in bijna alle landen +bestaande, vereenigingen van uitgevers en niet minder door de +vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars, die zich ten doel +stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken en te +administreeren.</p> +<p>Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen +zijn zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen; +in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij—mits met +kennis van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden +omvattend—in staat zijn meer volledige en betrouwbare +inlichtingen te verschaffen dan hier de officieele openbare registers +kunnen doen. Van alle werken harer leden moet in de boeken eener +dergelijke vereeniging nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het +tijdstip, waarop het auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook +of, en zoo ja aan wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en +of toestemmingen zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van +uit te geven, op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, +die dus op eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil +exploiteeren, vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig +heeft te weten en kan aldaar tevens de noodige contracten +afsluiten.</p> +<p>Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in +art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11 +bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een +gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van +dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht +als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13, 15 +2<sup>o</sup> en 16 2<sup>o</sup>). <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e9372" href="#xd20e9372" name="xd20e9372">268</a>]</span></p> +<p>Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele +gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum +te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal +staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de +dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten +of—hoewel dit wel zelden zal voorkomen—opzettelijk er een +verkeerd jaartal op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het +tijdstip waarop het auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou +kunnen voortvloeien, wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet +van het werkelijke tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het +Departement van Justitie het bewijs van ontvangst der inzending +afgeeft, begint het auteursrecht te loopen.</p> +<p>Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van +zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending, dat +er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De +voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de duur +van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave; laat men +het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood des +auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht uitgaande +vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang neemt, +onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit de registers +van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij gezien hebben is +laatstgemeld stelsel voor de berekening van den duur van het +auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts in enkele gevallen +komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als aanvangspunt in +aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor die welke zonder +naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam verschijnen. +Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van het auteursrecht +vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs, bedraagt deze voor de +bovengenoemde drie categorieën werken dertig jaar na de eerste +uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op den dag der +uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze bepaling heeft +het voordeel, dat men den juisten datum der eerste uitgave nu niet +behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar het boek is +verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te kunnen bepalen, +waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de meeste boeken alleen +het jaar der verschijning staat aangegeven, is dus volgens dit stelsel +geen bezwaar. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9377" href= +"#xd20e9377" name="xd20e9377">269</a>]</span>Ik meen dan ook, dat de +Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs in het +geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem voor de +berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en dus de +uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als +uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.</p> +<hr class="tb"> +<p>Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur +willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als +rechthebbenden moeten doen kennen „op den voet in de artikelen 10 +en 11 bepaald”. Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf +van naam en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom +twee exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip +der uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens<a class= +"noteref" id="xd20e9383src" href="#xd20e9383" name="xd20e9383src">6</a> +neemt het laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen +ontheffing van den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof +ook wel, dat dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten +geven, al laat m.i. de uitdrukking „op den voet van” eenige +ruimte tot twijfel. Hoe dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met +Mr. Veegens eens, dat deze vereischten hier „doelloos” zijn +te achten.</p> +<p>De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de +overige formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is +gebonden, blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen +geschieden. Ook zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft +geen tenietgaan van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts +aan den toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur +zelf, de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een +enkel geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het +recht van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar +na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven +inzending niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming +van het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval +behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een +ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).</p> +<p>Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9390" href="#xd20e9390" name= +"xd20e9390">270</a>]</span>zeer zelden zal voordoen, kan gezegd worden +dat de voorgeschreven inzending om zich als auteur te doen erkennen zoo +niet noodzakelijk, dan toch niet volkomen doelloos is. Want voor derden +is het slechts daarom van belang te weten wie als auteur wordt +aangemerkt, omdat de mogelijkheid bestaat, dat dit den duur van het +recht beïnvloedt. Dit zal, zooals gezegd, onder het stelsel onzer +wet eene uitzondering blijven, doch als regel gelden daar waar de duur +van het auteursrecht steeds naar den leeftijd, dien de auteur bereikt, +wordt afgemeten. Opheffing van de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft +daar steeds wijziging in den duur van het auteursrecht tengevolge en +daarom is het gewenscht, dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, +dat ieder er kennis van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche +wet van 19 Juni 1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te +noemen. Het auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar +slechts dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den +auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de +gewone beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den +auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen +geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1<sup>o</sup>. door eene +latere uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den +waren naam des auteurs; en 2<sup>o</sup>. door eene verklaring, in te +zenden door den auteur aan den <i>Stadtrath</i> te Leipzig, die voor de +inschrijving dezer verklaringen in een openbaar register zorg draagt +(§§ 7, 31, 56–58).</p> +<p>Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de +belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring +is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere +wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis had +kunnen krijgen.</p> +<hr class="tb"> +<p>Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze wet +in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van het +auteursrecht het <i>voorbehoud</i>. Dit komt te pas bij vertalings-, +opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte +werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.</p> +<p>Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft: neemt +men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan, dat deze +rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht uitmaken, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9412" href="#xd20e9412" name= +"xd20e9412">271</a>]</span>die evenveel reden van bestaan hebben als +het kopierecht, dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit +laatste recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk +door hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft +de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze +bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat zij +slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den auteur +kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting bestaat, +zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte van het +uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen grondige +reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn werk in +druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft, tenzij hij +uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.</p> +<p>Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het +publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of +niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen, dat +de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten, +worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door de +instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn werk +zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder +toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan +gaan.</p> +<p>Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de +auteurs zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken +wenschen te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner +toestemming gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede +helft der vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder +voorbehoud tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen +had zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten +te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen, +die—meestal te goeder trouw—deze werken in het openbaar +uitvoerden, voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat +hij weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan +van een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij +men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± ƒ268) +betaalde. Om aan deze wijze van „exploitatie”, waarbij +natuurlijk ook de belangen der componisten werden geschaad, een einde +te maken, werd in de wet van 10 Augustus 1882, gewoonlijk <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9419" href="#xd20e9419" name= +"xd20e9419">272</a>]</span>genoemd de <i lang="en">Wall Act</i>, +bepaald, dat de auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner +muziekwerken kan verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud +van zijn recht heeft laten drukken<a class="noteref" id="xd20e9424src" +href="#xd20e9424" name="xd20e9424src">7</a>.</p> +<p>In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische maatregel +om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de noodzakelijkheid of +wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel is er niet mee bewezen. +Immers de auteurs hebben het altijd in de hand misbruiken als deze te +voorkomen, daar zij bij het overdragen hunner rechten aan anderen +hieromtrent in het contract de noodige voorwaarden kunnen bedingen. En +daar het vooral hun eigen belang is, dat hierbij op het spel staat, is +van hen te verwachten dat zij dit in de meeste gevallen ook werkelijk +zullen doen, vooral indien zij tijdig op de gevaren worden gewezen +waaraan zij zich blootstellen, door hunne rechten zonder voorwaarden +aan den eersten den besten over te doen. Hier zijn het weer de +vereenigingen van auteurs, die, zooals in het buitenland is gebleken, +uitstekende diensten kunnen bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging +behoeft nu niet voor elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire +wenscht te plaatsen, daarover met den auteur in onderhandeling te +treden; zij heeft zich slechts te wenden tot het bureau der +auteurs-vereeniging, dat namens den auteur toestemming tot op- of +uitvoering verleent en zich ook met het innen der tantièmes +belast. De Belgische Regeering heeft getoond, het nut van de +auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en zij heeft er ook op +doelmatige wijze partij van weten te trekken. De „<i lang= +"fr">Société des auteurs, compositeurs et éditeurs +de musique</i>” heeft zich verbonden, aan de Belgische Regeering +eene volledige lijst te geven van al hare leden, voor wie zij in +auteursrecht-zaken bevoegd is in rechten op te treden, terwijl de +Belgische Regeering van haar kant op zich heeft genomen, deze lijst in +de <i lang="fr">Moniteur Belge</i> te publiceeren<a class="noteref" id= +"xd20e9438src" href="#xd20e9438" name="xd20e9438src">8</a>. Waar het +belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt over nog +beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen, daar is het +vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de auteur de +exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten, dan kan +ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9449" href="#xd20e9449" name= +"xd20e9449">273</a>]</span>de auteur gedwongen is, dadelijk bij de +verschijning van zijn werk eene beslissing te nemen, waarop nooit meer +kan worden teruggekomen.</p> +<p>Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, +opvoerings- en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van +het overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het +nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee, +dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin +is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden +aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge +toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier +misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel +worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door +andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel +verklaart<a class="noteref" id="xd20e9453src" href="#xd20e9453" name= +"xd20e9453src">9</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het Ontw. +B. K. voorschrijft.</p> +<p>Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór +of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is +geleverd, tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is +aangeboden door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. +B. aan te wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:</p> +<p><i>a</i>) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte +daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, +volgens door K. B. vast te stellen model;</p> +<p><i>b</i>) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, +gravures, photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, +tegelijk met de beschrijving een exemplaar van het werk.</p> +<p>De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending +zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.</p> +<p>Wel is hier, voor de onder <i>b</i> genoemde werken, inzending van +één exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor +geschriften er twee eischt, doch de financieele last is er niet minder +om, daar bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een +grootere waarde vertegenwoordigt. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e9477" href="#xd20e9477" name="xd20e9477">274</a>]</span></p> +<p>Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet, +waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van +schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties +worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of +tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of ter +bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden +volstaan met het inzenden der „beschrijving”. Of hiervan nu +een druk gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. +Zoolang geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht +inbreuk zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan +denken hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te +exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen +getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te +zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te +laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.</p> +<p>Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij +wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet +anders dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het +kunstwerk kunnen zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9482" href= +"#xd20e9482" name="xd20e9482">275</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9258" href="#xd20e9258src" name="xd20e9258">1</a></span> Cf. +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 107.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9271" href="#xd20e9271src" name="xd20e9271">2</a></span> Cf. ook +art. 2 van de <i lang="fr">loi-type</i> der <i lang= +"fr">Association</i>: „De uitoefening van het auteursrecht is aan +de vervulling van geenerlei voorwaarden of formaliteiten +gebonden.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9282" href="#xd20e9282src" name="xd20e9282">3</a></span> Cf. +<i lang="fr">La question des formalités en Italie</i>, <i>D. +A.</i> 1897 p. 65.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9339" href="#xd20e9339src" name="xd20e9339">4</a></span> Mr. +<span class="sc">C. Asser</span>, <i>Handleiding tot de beoefening v. +h. Nederl. Burgerl. Recht II</i> (3e druk) p. 347.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9348" href="#xd20e9348src" name="xd20e9348">5</a></span> Dat de +formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als een drukkende +last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de heer <span class= +"sc">W. P. van Stockum</span> Jr. daaromtrent mededeelt in: <i>Kort +overzicht der organisatie van den Nederlandschen Boekhandel</i>, uitg. +door de Ver. ter bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 +pp. 10 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9383" href="#xd20e9383src" name="xd20e9383">6</a></span> T. a. p. +p. 123.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9424" href="#xd20e9424src" name="xd20e9424">7</a></span> Men zie +hierover: <i>D. A.</i> 1908 p. 30.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9438" href="#xd20e9438src" name="xd20e9438">8</a></span> <i>D. +A.</i> 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel hebben +geleid: <span class="sc">Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1898 p. +129.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9453" href="#xd20e9453src" name="xd20e9453">9</a></span> Meerdere +bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht zullen hieronder +bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie nog ter sprake +komen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk VI</h2> +<h2 class="main">Eenige met het auteursrecht in verband staande +rechten</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op +het gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan, die +zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het recht op het +geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de +<i>persoonlijkheidsrechten</i>, omdat zij tot bescherming strekken van +een goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.</p> +<p>Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen +auteursrecht en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche +schrijvers spreken daarbij meestal van „<i lang="fr">le droit +moral</i>”, dat dan gesteld wordt tegenover „<i lang= +"fr">le droit pécuniaire</i>”<a class="noteref" id= +"xd20e9502src" href="#xd20e9502" name="xd20e9502src">1</a>. Deze termen +komen mij echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat +het verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar +zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen moreele +of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel is dit +niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou b.v. in +sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen +vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit +geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9524" href="#xd20e9524" name= +"xd20e9524">276</a>]</span>belangen dient<a class="noteref" id= +"xd20e9526src" href="#xd20e9526" name="xd20e9526src">2</a>. Overigens +hebben de bedoelde Fransche schrijvers met hunne „<span lang= +"fr">droits moraux</span>” in hoofdzaak dezelfde rechten op het +oog, die de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of +Persönlichkeitsrechte noemen en die hier onder den naam van +persoonlijkheidsrechten worden behandeld.</p> +<p>Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de +meeste wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat +zij geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de +wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar +tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst +een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische +constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook +worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen, hoewel +de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter op grond +van algemeene rechtsbeginselen erkend.</p> +<p>In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in +theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten in +verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het +positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen +en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis wordt +gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der <i lang= +"fr">Association</i> over het „droit moral” rapporten +uitgebracht; de volgende stellingen werden o. a. op het Congres van +Heidelberg van 1899 aangenomen:</p> +<p>„De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne +hoedanigheid van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden +tegen ieder, die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.</p> +<p>„Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de +bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen +eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan +wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt +of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet +voorziet”<a class="noteref" id="xd20e9550src" href="#xd20e9550" +name="xd20e9550src">3</a>.</p> +<p>In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der +<i>loi-type</i> (artt. 10, 11, 12 en 14). <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e9561" href="#xd20e9561" name="xd20e9561">277</a>]</span></p> +<p>Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en +vergaderingen van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden +geuit<a class="noteref" id="xd20e9564src" href="#xd20e9564" name= +"xd20e9564src">4</a>, bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor +zoover zij nog niet in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen +bestaan als de vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat +de belanghebbenden er evenzeer aanspraak op maken, als op de +vermogensrechtelijke bescherming.</p> +<p>Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het +auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten +tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal meestal +samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het +auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig +bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de +auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer +het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan (b.v. +bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het ’t +persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van het +auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het uitdrukt, +krachtens het persoonlijkheidsrecht „verklammert”<a class= +"noteref" id="xd20e9575src" href="#xd20e9575" name= +"xd20e9575src">5</a>.</p> +<p>Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die +het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen te +verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten of door een +anderen vervangen, en het zoogenaamde <i>recht op de integriteit van +het werk</i>, d. w. z. het recht te verlangen, dat het werk +ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, publiek +wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne +hand vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; +heeft de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens +zijn persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat +dán de twee rechten tegenover elkander staan.</p> +<p>Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met +persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld +het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend +uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9588" href="#xd20e9588" name= +"xd20e9588">278</a>]</span>met het recht van den geportretteerde, om +zich tegen openbaarmaking zijner beeltenis onder bepaalde +omstandigheden te verzetten. Iets dergelijks kan zich voordoen, indien +in een roman of tooneelstuk hetzij door den naam, hetzij door de +karakterteekening, bestaande personen worden aangeduid, in het +bijzonder wanneer zij daardoor in een minder gunstig daglicht komen te +staan.</p> +<p>In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende +hierboven genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, +voorzoover het in verband met het auteursrecht van belang is te achten, +meer in bijzonderheden worden nagegaan.</p> +<div class="div2" id="ch6.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">I Recht op brieven</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te +verlangen, „dasz das Internum (seines) Lebens geschont +wird”; dat de intieme zijden der persoonlijkheid „nicht in +einer der menschlichen Lebensführung widersprechenden Weise an die +Oeffentlichkeit gezogen werden”<a class="noteref" id= +"xd20e9597src" href="#xd20e9597" name="xd20e9597src">6</a>. Hieruit +vloeien verschillende met het auteursrecht in verband staande +bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht op +geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor +openbaarmaking is bestemd.</p> +<p>Dit is vooral van belang met het oog op brieven<a class="noteref" +id="xd20e9604src" href="#xd20e9604" name="xd20e9604src">7</a>. In de +meeste gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan +een auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders +dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin +aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke +mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling +in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de +schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft, +afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de +meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de +eerste plaats voor die brieven, waarvan juist <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9629" href="#xd20e9629" name= +"xd20e9629">279</a>]</span>wegens hun vertrouwelijk of intiem karakter +eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst kan zijn.</p> +<p>Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven +uitdrukkelijk genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier +besproken persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht +wordt toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. +Wel is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie +erkend<a class="noteref" id="xd20e9633src" href="#xd20e9633" name= +"xd20e9633src">8</a>, doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke +regeling op dit punt gewenscht blijft.</p> +<p>Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een +vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in +elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch daar +men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner brieven +overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe +lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier is +behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de wet kan +worden gegeven<a class="noteref" id="xd20e9644src" href="#xd20e9644" +name="xd20e9644src">9</a>.</p> +<p>Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag +wordt dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland +gedaan door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake +gebracht, arrest van 28 Februari 1898<a class="noteref" id= +"xd20e9655src" href="#xd20e9655" name="xd20e9655src">10</a>. Het betrof +een aantal brieven van Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren +na diens overlijden uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd +aangenomen, dat er een persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver +om zich tegen de publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men +zich daarop niet beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat +het met den dood van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen +uitdrukkelijke wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze +opvatting m. i. wel iets te zeggen<a class="noteref" id="xd20e9660src" +href="#xd20e9660" name="xd20e9660src">11</a>; in jure constituendo +echter ben <span class="pagenum">[<a id="xd20e9669" href="#xd20e9669" +name="xd20e9669">280</a>]</span>ik van de meening van Kohler, die dit +recht niet met het overlijden, maar eenigen tijd daarna, wil doen +ophouden. Lang behoeft de termijn niet te zijn; vijf jaar, zooals +Kohler voorstelt<a class="noteref" id="xd20e9671src" href="#xd20e9671" +name="xd20e9671src">12</a>, of hoogstens tien schijnt daarvoor +voldoende; het is er slechts om te doen de algeheele vrijheid van +publicatie zoolang op te schorten, totdat de beoordeeling van den +overledene objectief kan geschieden, buiten invloed van persoonlijke +gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie enz. die hij bij zijn leven +heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou men kunnen zeggen, tusschen +het tijdstip, waarop de persoon nog in het volle leven staat en dat +waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.</p> +<p>Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met +het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van +eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de +uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger +te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende, +vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit +volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner +brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten; +tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der +brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt, +als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming +geniet.</p> +<p>De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke +schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te +beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven +auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een +anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht voor +sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen +auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos +te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam blijkt, +dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische +gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht op +publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na, den +dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan een +uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver nog +dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt m. i. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9680" href="#xd20e9680" name= +"xd20e9680">281</a>]</span>geen twijfel, of het eerste is met het oog +op het doel dat met de bescherming hier moet worden bereikt, te +verkiezen boven het laatste.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch6.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op +auteursrecht</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Is het bij brieven, die meestal niet als +auteursproducten zijn te beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter +dat de bescherming tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften +van anderen aard, die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook +voor kunstwerken, komt hier nog eene andere overweging bij.</p> +<p>Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend, +beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke +nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of +kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar zal +worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor den +auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de volle +verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook in +zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen kunnen +worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid niet op +zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat, hij zij +schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel eens werken in +portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is, al maken zij ook +overigens den indruk „af” te zijn. Men hoort soms van +schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat zij +eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun zin is. +Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van beeldende +kunst en muziek.</p> +<p>Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch +van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja +wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal +zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht op +hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden; er zijn +echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij nl., als +andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van des auteurs +schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit te verhalen. +Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie geschikt acht +en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9691" href="#xd20e9691" name= +"xd20e9691">282</a>]</span>gelaten, kan het auteursrecht eene +geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het nu den schuldeischers +vrij, dit recht, evenals elk ander deel van het vermogen van hunnen +debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou daarmede tevens den auteur +uit handen worden genomen het bovenbesproken persoonlijkheidsrecht om +over de eerste openbaarmaking te beslissen.</p> +<p>Hier dienen—en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie, +die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft—de +belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen +beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het +persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.</p> +<p>De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke <i>elk</i> beslag +op auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet, +dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst +komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding +van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking, +verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4) +zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der „meeste +leden”, dat het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht +toe te laten. Van geen van beide zijden werd dit echter nader +gemotiveerd.</p> +<p>Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5 +derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent +opgemerkt: „Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal +van moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van +1881 tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben +geleid.”</p> +<p>Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor +een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees +voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht +mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.</p> +<p>Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De +„moeilijkheden”, waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel +denkbeeldig zijn, onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere +landen, waar het beslag in sommige gevallen wel is toegelaten, is +bewezen. Hierop kom ik zoo aanstonds nog terug.</p> +<p>De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9708" href="#xd20e9708" name= +"xd20e9708">283</a>]</span>zooals de wet van 1881 en het Ontw. B. K. +inhouden, is te maken, bestaat hierin, dat met de rechten der +schuldeischers in ’t geheel geen rekening wordt gehouden. Betreft +het een werk, dat reeds eerder door den auteur gepubliceerd en in +exploitatie gebracht was, dan bestaat er volstrekt geen reden, waarom +het uitsluitend recht om het verder op dezelfde wijze te exploiteeren +niet aan zijn schuldeischers zou mogen worden toegewezen. Nog sterker +komt de onbillijkheid der bepaling uit, als men denkt aan het geval, +dat het auteursrecht niet meer in handen is van den auteur. In den +boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld zullen juist de +auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen van de aanwezige +baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de schuldeischers +hierover niet zouden kunnen beschikken<a class="noteref" id= +"xd20e9710src" href="#xd20e9710" name="xd20e9710src">13</a>.</p> +<p>Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die +gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht +tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als +algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten +wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer +het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek +gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen +voor.</p> +<p>In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden over +de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk nog niet is +uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor openbaarmaking +bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript naar een +uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift +aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder +de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen over +beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen van beslag +toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een +uitgevershuis was toegezonden<a class="noteref" id="xd20e9733src" href= +"#xd20e9733" name="xd20e9733src">14</a>. In Frankrijk werd evenzoo +beslist door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof +het <span class="pagenum">[<a id="xd20e9742" href="#xd20e9742" name= +"xd20e9742">284</a>]</span>kopie van een journalist, die reeds in +handen van den drukker was<a class="noteref" id="xd20e9744src" href= +"#xd20e9744" name="xd20e9744src">15</a>. Deze beide beslissingen komen +mij juist en billijk voor: in beide gevallen stond vast, dat de auteur +tot publicatie van zijn werk wenschte over te gaan en aan zijn +voornemen reeds een begin van uitvoering had gegeven; in deze +omstandigheden ware een beroep op zijn persoonlijkheidsrecht, dat door +de publicatie zou worden gekrenkt, misplaatst. Met het oog hierop zou +het m. i. aanbeveling verdienen bij eene wijziging van art. 9 derde lid +onzer wet het beslag, behalve bij uitgegeven werken, ook toe te laten, +indien het blijkt, dat de auteur op het oogenblik dat het beslag wordt +gelegd, zijn werk voor publicatie heeft bestemd. Wat werken van +beeldende kunst betreft geeft o. a. de Belgische wet (art. 9) eene +regeling, die navolging verdient: geen beslag kan worden gelegd, +zoolang een werk niet voor verkoop of publicatie gereed is.</p> +<p>Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier +sprake is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. +Indien deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de +vraag niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet +openbaar zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander +overdragen. Maar wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne +erfgenamen, en in ’t bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den +dood des auteurs eene publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze +bij zijn leven niet heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze +vraag bevestigend te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven +bij de bespreking van het recht op brieven is aangevoerd. Op de +naastbestaanden van den auteur gaat bij diens overlijden de +verantwoordelijkheid van hetgeen er van hem uitkomt min of meer over; +zij hebben er, althans in de eerste jaren na het overlijden, voor te +waken, dat de naam, dien hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, +ongeschonden blijft. Doch ook hier bestaat er geen grond, dit recht der +erfgenamen lang te laten voortduren. De bescherming van de +persoonlijkheid des overledenen krijgt na verloop van tijd een ander +karakter; zij behoeft dan niet meer aan één persoon, of +aan een kleine groep van personen te worden overgelaten. De zuiver +persoonlijke elementen, die het oordeel over den nog in leven zijnden +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9758" href="#xd20e9758" name= +"xd20e9758">285</a>]</span>schrijver of kunstenaar mee hielpen vormen, +doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden slechts +beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de +beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor om +hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die +daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.</p> +<p>De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op +onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel +uitsluit<a class="noteref" id="xd20e9762src" href="#xd20e9762" name= +"xd20e9762src">16</a>, zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken +van den erflater in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. +te ver. Een termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van +Kohler voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb +genoemd, schijnt mij ook voor dit geval meer passend.</p> +<p>Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie, dat +beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover den +auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn goedvinden +zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn bestemd; +tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht van +niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf) jaren na +het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige +rechtverkrijgenden in alle gevallen.</p> +<p>Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de +verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een +auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog +niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken, +wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist +zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere, die +hoewel naar den vorm tooneelstukken, in ’t geheel niet op eene +vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan +het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het +publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een +rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt, +doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing +niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid +voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd; +en moet als beginsel <span class="pagenum">[<a id="xd20e9769" href= +"#xd20e9769" name="xd20e9769">286</a>]</span>aangenomen worden, dat het +beslag slechts die middelen van exploitatie mag betreffen, welke de +auteur zelf reeds heeft aangewend.</p> +<p>In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden, dat het +beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant een onbepaald +beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of kunstwerk. Naast de +reeds behandelde bestaan er nog verschillende andere +persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie van zijn +werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft geen betoog +dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van het auteursrecht +geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in beslagneming van +het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat het werk met +wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin aangebracht, wordt +gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen worden gebruikt, die +met het karakter of de kunstwaarde van het werk niet in overeenstemming +zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk door daartoe ontoereikende +krachten; reproductie van een werk van beeldende kunst in een daarvoor +ongeschikt procédé enz. enz. Ook zal de nieuwe +rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit hebben te +eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel brengen van +exemplaren moeten houden aan de—hieronder nog nader te +bespreken—beginselen betreffende het gebruik van den +auteursnaam.</p> +<p>Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den +aard der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het +is wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening +wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu +eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw mee +zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere +vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit +voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute +onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het oog +hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te staan +en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze +moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de +algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.</p> +<p>Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van +gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of meer +schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het Wetb. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9777" href="#xd20e9777" name= +"xd20e9777">287</a>]</span>v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het +faillissement, waarbij op het geheele vermogen ten behoeve van alle +schuldeischers beslag wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). +Beide soorten van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den +schuldenaar de vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij +beide wordt dit doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der +goederen, waarop het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in +de wijze waarop deze realiseering der goederen tot stand komt.</p> +<p>Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463 sqq. B. +Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en aan den +meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer bepaling +op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking zijn, daar +hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer hem eenmaal +het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten van den auteur +zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen, dat met het recht +ook de daarmede verband houdende verplichtingen op den nieuwen +verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het <i>recht</i> krijgt, +om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men het +bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier heb +gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk, door +wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt het dus +geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen; in de +practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal er niet zoo +spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het +persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een +beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele +moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de +schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt, zal +toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet doen. Het +verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins mogelijk +is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden, en dit zou ook +bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht kunnen geschieden, +indien het mogelijk was, toewijziging van het auteursrecht te weigeren +aan personen, in wier handen men het in dit opzicht niet veilig acht. +Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden, dat een derderangs +operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht van een ernstig en +bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama krijgt, of een +uitgever van prentbriefkaarten <span class="pagenum">[<a id="xd20e9784" +href="#xd20e9784" name="xd20e9784">288</a>]</span>het reproductierecht +van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze van +verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden +voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle +verdere exploitatie van het werk te verhinderen.</p> +<p>Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige +gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de +uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan +worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt +moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden +gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens +kunnen worden.</p> +<p>Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op +den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den +rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid +van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel +staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174 F. +W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist gebruik +zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk met de +wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch6.3"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">III Het recht van den auteur dat zijn werk in +ongeschonden staat wordt publiek gemaakt</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming +niet openbaar mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, +doch ook dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten +heeft, zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet +gewijzigd of verminkt aan het oordeel van het publiek wordt +blootgesteld. Dat ook in dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid +mogelijk is, zal na het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De +bescherming tegen ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, +indien de auteur, na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te +hebben gegeven, lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, +afkortingen of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van +aanzien verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover +hijzelf <span class="pagenum">[<a id="xd20e9795" href="#xd20e9795" +name="xd20e9795">289</a>]</span>volkomen tevreden is, het licht te doen +zien, zou in dat geval veelal zonder gevolg blijven: want het publiek +vormt natuurlijk zijn oordeel naar het werk, niet zooals de auteur het +heeft afgeleverd, maar zooals de exploitanten het gelieven te +publiceeren.</p> +<p>Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen +beginsel, dat den auteur het recht toekomt—ook als het +uitsluitend reproductie-recht in andere handen is of in ’t geheel +niet bestaat—om zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn +werk zonder zijne toestemming met wijzigingen, afkortingen of +toevoegsels aan het publiek wordt voorgezet.</p> +<p>In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de +erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een +schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij het +auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij in den +handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd<a class= +"noteref" id="xd20e9801src" href="#xd20e9801" name= +"xd20e9801src">17</a>; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd +tijdschrift, wiens teekeningen met onderschriften met veranderingen +werden weergegeven<a class="noteref" id="xd20e9816src" href= +"#xd20e9816" name="xd20e9816src">18</a>.</p> +<p>In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea, +voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt, +alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde +„<span lang="fr">en faisant reproduire sur émail la +tête seule de la <i>Vierge consolatrice</i> qu’il a mise en +vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit; +qu’il a en effet, isolé la tête de la vierge de +l’ensemble de l’oeuvre de Bouguereau; que, par suite de +cette séparation, qui ne permet plus de comprendre +l’attitude ni l’expression qu’explique d’une +manière complète le reste du tableau représentant +une mère affligée pleurant la mort de son enfant, la +pensée de l’auteur se trouve complètement +dénaturée, qu’elle devient absolument +incompréhensible pour celui qui n’aura sous les yeux que +la reproduction partielle effectuée sur l’émail +saisi.” En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht +niet meer bestaat: „peut exiger que sa pensée et son +oeuvre qui n’en est que la traduction ne soient pas +altérées; qu’elles soient reproduites comme il les +a lui-même enfantées; qu’il a, en dehors de tout +avantage matériel auquel il a <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e9829" href="#xd20e9829" name= +"xd20e9829">290</a>]</span>renoncé, le droit de sauvegarder sa +réputation artistique et qu’il est fondé à +réclamer la réparation du préjudice à lui +causé par toute atteinte qui y est portée +...</span>”<a class="noteref" id="xd20e9832src" href="#xd20e9832" +name="xd20e9832src">19</a>.</p> +<p>De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling +van vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een +tijdschriftartikel, dat zonder voorbehoud van auteursrecht was +verschenen en derhalve nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had +overgenomen, dat de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin +onjuist en onvolledig waren weergegeven<a class="noteref" id= +"xd20e9845src" href="#xd20e9845" name="xd20e9845src">20</a>. Vier jaar +later werd door hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend +vertalingsrecht van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, +duizend francs schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der +Fransche vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk +van eigen maaksel aan het werk had toegevoegd<a class="noteref" id= +"xd20e9850src" href="#xd20e9850" name="xd20e9850src">21</a>.</p> +<p>Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval +betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar de +auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel van +een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een +beeldhouwer had het reproductierecht van een buste vervreemd zonder +eenige voorwaarde daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de +bedoeling van den auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder +zijne toestemming ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit +laatste voor onrechtmatig<a class="noteref" id="xd20e9861src" href= +"#xd20e9861" name="xd20e9861src">22</a>. In een analoog geval, dat zich +enkele jaren later voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het +reproductierecht aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen +was overgedragen, die enkele ervan ook in marmer had laten +reproduceeren), werd de eisch, voorzoover deze het aangewende +reproductie-middel betrof, afgewezen, op grond dat de reproductie in +marmer, waartegen de auteur zich verzette, het origineel volkomen +zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het origineel vervaardigde +bronzen beelden als lampen ingericht in den handel werden gebracht, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e9875" href="#xd20e9875" name= +"xd20e9875">291</a>]</span>leverde volgens de Seine-Rechtbank geen +inbreuk op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het +reproductierecht was overgedragen, als fabrikant van dergelijke +artikelen bekend stond en de auteur dus geacht kon worden met deze +wijze van exploitatie genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was +bij de reproductie van een dezer beelden eenigszins van het origineel +afgeweken en de naam, dien de auteur er aan had gegeven +(„<i lang="fr">Gloria</i>”) was zonder zijne toestemming +vervangen door een anderen („<i lang="fr">la +Renommée</i>”); op deze beide punten werd de auteur +ontvankelijk verklaard in zijn eisch<a class="noteref" id= +"xd20e9883src" href="#xd20e9883" name="xd20e9883src">23</a>.</p> +<p>De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van de +verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde recht +plaats kan hebben<a class="noteref" id="xd20e9899src" href="#xd20e9899" +name="xd20e9899src">24</a> en van de wijze, waarop daartegen in +Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht +wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende +bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou +kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer af +van de uitlegging van het woord „onrechtmatige daad” in +art. 1401 B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het +voorbeeld te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht +gegeven, waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt +toegekend<a class="noteref" id="xd20e9908src" href="#xd20e9908" name= +"xd20e9908src">25</a>.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch6.4"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, +is met betrekking tot het auteursrecht in verschillende opzichten van +belang. Ik zal mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht +van den <i>auteur</i> gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan +hunne werken te verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder +zijn naam of onder een anderen naam gepubliceerd wordt. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e9925" href="#xd20e9925" name= +"xd20e9925">292</a>]</span></p> +<p>Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van +den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet +zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding van +de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en den +fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat hunne +producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden; de band +tusschen producent en product is bij de laatsten in het algemeen nog +veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het kenmerk van +elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf in zijn werk, +is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van +naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de +laatstgenoemde soort,—in het algemeen: voor alle +handelswaren—geldt voor werken van kunst en letterkunde, dat het +publiek er belang bij heeft omtrent hunne herkomst juist te worden +ingelicht: wie een schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef +Israëls maakt niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van +den schilder, maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het +publiek.</p> +<p>Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van +bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende<a class= +"noteref" id="xd20e9930src" href="#xd20e9930" name= +"xd20e9930src">26</a>, bescherming van den handelsnaam. De beginselen +waarop beide berusten, zijn ook grootendeels dezelfde.</p> +<p>Vooropgesteld moet worden dat een <i>uitsluitend recht</i> op den +naam in dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde +ook, zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar +zelfs onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers +ten aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en +ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt +ook voor den auteursnaam<a class="noteref" id="xd20e9944src" href= +"#xd20e9944" name="xd20e9944src">27</a>.</p> +<p>De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat en +object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een +onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen, +en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden<a class= +"noteref" id="xd20e9952src" href="#xd20e9952" name= +"xd20e9952src">28</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e9961" href= +"#xd20e9961" name="xd20e9961">293</a>]</span>Daarom is niet elk gebruik +van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik, waardoor verwarring +mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht. Dit +beginsel wordt o. a. ook door de Fransche jurisprudentie gevolgd, +hoewel daarin steeds wordt gesproken van „eigendom op den +naam.” De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die strekte om +aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem „J. R. Rosny” +artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon +de Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd +erkend „<span lang="fr">... qu’en principe, une +revendication de cette nature est légitime, et qu’un tiers +ne peut s’approprier le nom d’autrui,...</span>” doch +slechts onder voorwaarde „<span lang="fr">... que cette +usurpation aura eu pour résultat de créer une confusion +qui serait, soit moralement, soit matériellement, +préjudiciable au propriétaire du +nom</span>”<a class="noteref" id="xd20e9969src" href="#xd20e9969" +name="xd20e9969src">29</a>. Dat mogelijke verwarring in dit geval +uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat de geschriften +van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard waren, +terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny verschenen, +een meer „litterair” karakter hadden. Dit vonnis werd +bekrachtigd door het Hof van <span class="corr" id="xd20e9982" title= +"Bron: Appél">Appèl</span> te Parijs, waarin o. m. wordt +overwogen: „<span lang="fr">que la confusion entre +„Léon de Rosny” et „J. H. Rosny” ne +s’est pas produite dans le monde des sciences et des +lettres</span>”<a class="noteref" id="xd20e9988src" href= +"#xd20e9988" name="xd20e9988src">30</a>.</p> +<p>In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen +met dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne +geschriften wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, +o.a. op dezen grond; dat: „<span lang="fr">... les demandeurs ont +intérêt à revendiquer le droit à la +propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour +éviter la confusion qui pourrait naître de la +création de travaux similaires</span>”<a class="noteref" +id="xd20e9999src" href="#xd20e9999" name="xd20e9999src">31</a>.</p> +<p>Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling +mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven dat +niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het zijne +is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt door +gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den schuilnaam, +waaronder hij gewoon is te publiceeren, <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e10007" href="#xd20e10007" name="xd20e10007">294</a>]</span>maakt +geen verschil. Het kiezen van een „nom de plume” is eene +gewoonte, die zoo lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, +dat daartegen geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene +misleiding van het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer +treft men iets soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is +dikwijls een andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken +stand staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of +kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne +werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam niet +geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-) naam. +Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen +dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden (al of +niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden) auteur van +die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het dagelijksch +leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler het +eigenaardig uitdrukt: „<span lang="de">der Autor kann als +unbekanntes X gelten; aber es musz eben dieses X als der Träger +schriftstellerischer Werke von den übrigen Schriftstellern +unterschieden werden; es ist ein Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei +die eine Maske von allen anderen unterschieden bleiben soll und das +Recht hat, unterschieden zu bleiben</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e10012src" href="#xd20e10012" name="xd20e10012src">32</a>.</p> +<p>De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van +een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen +kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder een +anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het beginsel +te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de <i lang= +"fr">Association</i> ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning +van zijn auteurschap.</p> +<p>Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in +verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers en het +overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en overnemingen +zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook in Frankrijk, +waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting door de +jurisprudentie aangenomen<a class="noteref" id="xd20e10036src" href= +"#xd20e10036" name="xd20e10036src">33</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10045" href="#xd20e10045" name= +"xd20e10045">295</a>]</span></p> +<p>In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron +voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag- en +weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen uit +andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt, niet +eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit opzicht +veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend gesteld bij +elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk makend) gebruik, +dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie tegen dit +verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne +civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding, +waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ +44).</p> +<p>Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te +verdienen.</p> +<p>Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat +men hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat +niet als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het +noemen van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten +of opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is +voorbehouden, waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur +eischen, dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier +wordt dus ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig +recht erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is +gegaan.</p> +<p>Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op +de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen, die +gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen en +andere werken van beeldende kunst.</p> +<p>In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen +van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken +echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs, +doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke +bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van +een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk op +het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om +bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het +geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt +stuk van den meester, wiens naam het draagt, <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10057" href="#xd20e10057" name= +"xd20e10057">296</a>]</span>te laten doorgaan en er op deze wijze den +kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.</p> +<p>In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. +strafbaar gesteld: „<span lang="fr">... l’application +méchante ou frauduleuse sur un objet d’art, un ouvrage de +littérature ou de musique, du nom d’un auteur, ou de tout +signe distinctif adopté par lui pour désigner son +oeuvre.</span>” Ook is strafbaar het verkoopen, ten verkoop +uitstallen, in een magazijn in voorraad hebben of binnen België +invoeren van werken waarvan men weet, dat zij van een valschen naam of +een valsch merk zijn voorzien (art. 25 3de lid).</p> +<p>In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (<i lang= +"fr">Loi sur les fraudes en matière artistique</i>) vrijwel +gelijkluidende bepalingen.</p> +<p>Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn +gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat +zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding +kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld +eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit +blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet op +het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft, is deze +bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men ging zelfs +zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den zin van deze +wet kon worden gepleegd, wanneer het <i>auteursrecht</i> een einde had +genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4 dezer wet +verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk is op +werken, waarop nog auteursrecht bestaat<a class="noteref" id= +"xd20e10074src" href="#xd20e10074" name="xd20e10074src">34</a>. Deze +laatste bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) +gevolg, dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, +indien men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet<a class= +"noteref" id="xd20e10089src" href="#xd20e10089" name= +"xd20e10089src">35</a>.</p> +<p>Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen +de tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke +strafbepalingen moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10106" href="#xd20e10106" name= +"xd20e10106">297</a>]</span>verwisseling van den auteursnaam strafbaar +te stellen, voor zoover daarin is te zien een inbreuk op het +persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in de eerste plaats +vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van den auteur ten +behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling van den Franschen +wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van de wet van 1895 +onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk: het recht met +betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als het auteursrecht. In +de Belgische bepaling wordt alleen gesproken van vervalschingen enz. +met den naam „van een auteur”. Verstaat men hieronder +<i>ieder</i> auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die +tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd, +dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven, +niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen, +niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere +personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam +Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op een +subjectief recht, dan zal het begrip „auteur” hier enger +dienen te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er +onder te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der +wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom, dat +het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.</p> +<p>Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil +ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het +hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen, +die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde zijn +verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven hoever het +recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam gaat en +hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen standhoudt. Dat +de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in het algemeen voor +de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden geacht, heb ik +hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het recht op +eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn, eene +wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te langen +duur na het overlijden van den auteur voorschreef<a class="noteref" id= +"xd20e10113src" href="#xd20e10113" name="xd20e10113src">36</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10122" href="#xd20e10122" name= +"xd20e10122">298</a>]</span></p> +<p>Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn het +bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet straffeloos +behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen subjectief +recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de +persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te +zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.</p> +<p>Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel als +bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het +persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk: +dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder dat +daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal echter +wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of weglaten van +den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn, den onwaren naam voor +echt te laten doorgaan om op deze wijze voor zich of voor anderen een +vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke inbreuk op het recht van den +auteur ten aanzien van den auteursnaam uit een ander motief, b.v. uit +lust om den auteur in zijne reputatie te schaden, of om zichzelf als +auteur van een werk van een ander te laten aanmerken, is weliswaar niet +geheel uitgesloten, maar daarvoor is toch m. i. geene afzonderlijke +strafbepaling noodig, vooral indien men ten aanzien der +<i>bedriegelijke</i> handelingen zulke volledige bepalingen heeft als +de boven besproken Belgische en Fransche.</p> +<p>Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke +hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel stelt +o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop aanbieden, +afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad +hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een ander +recht heeft. Onder „waren” zijn volgens de M. v. +T.<a class="noteref" id="xd20e10133src" href="#xd20e10133" name= +"xd20e10133src">37</a> alle roerende goederen begrepen, dus ook boeken, +platen, schilderijen enz.</p> +<p>Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een +valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België, +strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden +medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde +handelingen<a class="noteref" id="xd20e10143src" href="#xd20e10143" +name="xd20e10143src">38</a>. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: +„het bedrog, gepleegd door het in den handel <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10146" href="#xd20e10146" name= +"xd20e10146">299</a>]</span>brengen en verder verhandelen van met een +valsch certificaat van oorsprong gemerkte goederen”. Hiermede is +echter niet in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den +naam of het merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. +a. w. dat een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit +het geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden +gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan de +omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat, de +bezwaren, waarop reeds is gewezen.</p> +<p>Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking +hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld +overtreding van het verbod, vervat in art. 3<i>b</i> tweede zinsnede +van het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of +eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van een +kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk of opzet +wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar, indien de +copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men m. i. in deze +handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur +zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat deze copie +voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch juist omdat +dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is, schijnt mij +deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.</p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch6.5"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">V Recht van den afgebeelden persoon</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het voorgaande was alleen sprake van rechten die +den auteur, al of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. +Van zijn kant heeft echter ook de auteur met rechten van andere +personen rekening te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het +auteursrecht in botsing kan komen.</p> +<p>Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen +wordt aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne +uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. +Sommigen spreken zelfs in dit verband van een <i>eigendom op de +gelaatstrekken</i>, van een <i lang="de">Recht am eigenen Bilde</i>. +Dit schijnt mij, zooals hieronder nog zal worden aangetoond, minder +juist toe; wat echter wel kan worden toegegeven, is dat er gevallen +zijn, waarin de afgebeelde persoon het recht moet hebben, de publicatie +van zijne beeltenis te verbieden. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e10166" href="#xd20e10166" name="xd20e10166">300</a>]</span></p> +<p>Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men +deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat +tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide toch +hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan +één persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat +het recht van den auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van +bestaan heeft als bij andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van +den geportretteerde.</p> +<p>Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit +voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op +het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876) en +die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging +het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den +besteller. Deze bepalingen werden door Kohler<a class="noteref" id= +"xd20e10171src" href="#xd20e10171" name="xd20e10171src">39</a> +verklaard, door den auteur als handelende in naam van den +geportretteerde voor te stellen, zoodat het auteursrecht ten behoeve +van dezen gevestigd wordt. Doch zoowel de bepaling zelf als de daaraan +gegeven constructie komen mij verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, +dat ik bij het laten maken van mijn portret „dem Maler das +Internum meiner Person in Gestalt der ihm stundenlang zugekehrten +Gesichtszüge darbiete”, dit geeft m. i. nog geen grond om +mij in de rechten van den auteur te laten treden, waaronder dan b.v. +ook valt het genieten van de materieele voordeelen, die de exploitatie +zijner schepping kan opleveren. De rechten van den geportretteerde +worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten koste van die des +auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch bezwaar van dit +stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet in overeenstemming is +met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de bovengenoemde Duitsche +wetten duurde het auteursrecht voor werken van beeldende kunst dertig +jaar na den dood des auteurs en dat voor photographieën vijf jaar +na het verschijnen of vervaardigen; de reproductie van iemands +gelaatstrekken naar eene schilderij konden dus zijne erfgenamen nog +dertig jaren na zijn dood verhinderen, terwijl een photographisch +portret reeds na vijf jaar straffeloos verveelvoudigd en verspreid kon +worden. Doch het is duidelijk dat de duur van het hier bedoelde recht +van den geportretteerde onafhankelijk dient te zijn van de wijze, +waarop de afbeelding is tot stand gekomen. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10179" href="#xd20e10179" name= +"xd20e10179">301</a>]</span></p> +<p>Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht van +het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den +geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit +afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking als +wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het +beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.</p> +<p>In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze +samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet +meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20) +dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben, +dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming +van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden +tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan +den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn recht +beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.</p> +<p>Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken van +beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit +beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon om +verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan wordt +hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen, gedurende zijn +leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner naaste verwanten tien +jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22, 23 en 24). Ook +hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het auteursrecht te +onderscheiden, recht te doen.</p> +<p>In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt +men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is +herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht +toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten, ook al +geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen<a class="noteref" id= +"xd20e10188src" href="#xd20e10188" name="xd20e10188src">40</a>. Ook na +den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan<a class="noteref" +id="xd20e10232src" href="#xd20e10232" name="xd20e10232src">41</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10246" href="#xd20e10246" name= +"xd20e10246">302</a>]</span></p> +<p>Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken +op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus art. +1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou kunnen +worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd, dat +zoolang de ruime opvatting van de woorden „onrechtmatige +daad” en „schade”, welke in dit artikel gebezigd +worden, nog niet algemeen wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op +zeer losse schroeven staat. Om die reden ware wellicht eene +opzettelijke regeling van dit vraagstuk in het tot wet te verheffen +Ontw. B. K. niet ongeraden.</p> +<p>Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming +zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt +gedaan, waar—behoudens dan enkele uitzonderingen—een +uitsluitend beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt +erkend. Eene uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen +hoogleeraar Amar en door Rosmini aangehaald: „ieder mensch heeft +een vol eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op +zijne beeltenis ... enz.”—komt mij onjuist voor. Evenmin +als op den naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken +gewenscht of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van +iemands afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan +men m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret +wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming van +den afgebeelden persoon in omloop zijn<a class="noteref" id= +"xd20e10251src" href="#xd20e10251" name="xd20e10251src">42</a>. Slechts +dan moet men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen +verzetten, wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene +omgeving, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10257" href="#xd20e10257" +name="xd20e10257">303</a>]</span>welke met de ongereptheid of +waardigheid van den afgebeelden persoon niet in overeenstemming zijn. +Als voorbeelden hiervan noemt Kohler<a class="noteref" id= +"xd20e10259src" href="#xd20e10259" name="xd20e10259src">43</a> b.v. het +zetten van het portret eener dame op een doosje met was-lucifers en het +beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken van een professor. +Ook acht hij het onrechtmatig: „<span lang="de">wenn etwa eine +Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges +Nahrungsmittel verwendet wird</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e10267src" href="#xd20e10267" name="xd20e10267src">44</a>.</p> +<p>Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken draagt +van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de termen +der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons Wetboek +van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van +afbeeldingen alleen kent in den vorm van <i>smaadschrift</i> +(telastlegging van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door +middel van afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. +Op de wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te +vullen, werd reeds door enkele schrijvers gewezen<a class="noteref" id= +"xd20e10278src" href="#xd20e10278" name="xd20e10278src">45</a>.</p> +<p>Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het in +vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie van zijn +portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft vervaardigd +contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop te brengen. +Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling gemaakte +photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf zijn portret +laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het negatieve +cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling van +partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren geen andere +afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De gebruiken zijn +vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin moet worden +uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen of op andere +wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben willen +afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de levering +der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de prijs +volgens het zoogenaamde „artiesten-tarief” is berekend. +Eene afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige +landen aantreft, komt mij echter overbodig voor. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10289" href="#xd20e10289" name= +"xd20e10289">304</a>]</span></p> +<p>Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het +auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt het +door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich kunne +verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of tooneelstuk, +indien zijn naam aan een der daarin optredende personen is verleend. +Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters, met name in +Frankrijk, erkend<a class="noteref" id="xd20e10292src" href= +"#xd20e10292" name="xd20e10292src">46</a>; hetgeen zelfs een Fransch +schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken +uitsluitend naar geguillotineerden te noemen!<a class="noteref" id= +"xd20e10307src" href="#xd20e10307" name="xd20e10307src">47</a> Eveneens +hebben schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen +uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te +pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te +leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de +omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze +gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik hier +niet verder trachten te onderzoeken<a class="noteref" id= +"xd20e10316src" href="#xd20e10316" name="xd20e10316src">48</a>. Nog +minder dan de rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor +speciale wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het +auteursrecht hiervoor m. i. niet de plaats zijn. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10331" href="#xd20e10331" name= +"xd20e10331">305</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9502" href="#xd20e9502src" name="xd20e9502">1</a></span> Men zie +b.v.: <span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 pp. 79 sqq.; +<span class="sc">G. Huard</span>, <i lang="fr">De divers droits +qu’il ne faut pas confondre avec la propriété +intellectuelle, D. A.</i> 1899 pp. 102 sqq.; <span class="sc">Jules +Charreyron</span>, <i lang="fr">De la propriété +littéraire et artistique</i> p. 38.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9526" href="#xd20e9526src" name="xd20e9526">2</a></span> Cf. +hierover: Mr. <span class="sc">H. L. Drucker</span>, <i>Bescherming van +rechten die niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn</i> +1889 pp. 1 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9550" href="#xd20e9550src" name="xd20e9550">3</a></span> Te +vinden in: <i>D. A.</i> 1899 p. 127.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9564" href="#xd20e9564src" name="xd20e9564">4</a></span> Men zie +het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven: <i lang= +"fr">Tableau des Voeux</i> etc. (<span lang="fr">2me série +1896–1907</span>) pp. 33, 36, 37.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9575" href="#xd20e9575src" name="xd20e9575">5</a></span> <i lang= +"de">Urheberrecht</i> p. 455.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9597" href="#xd20e9597src" name="xd20e9597">6</a></span> <i lang= +"de">Archiv für Bürgerliches Recht</i> X p. 261.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9604" href="#xd20e9604src" name="xd20e9604">7</a></span> Zie +hierover vooral: <span class="sc">Kohler</span>, <i lang="de">Das Recht +an Briefen, Archiv für bürgerliches Recht</i> VII pp. 94 sqq. +en van denzelfden schrijver: <i lang="fr">Du droit sur les lettres +missives ordinaires et confidentielles, D. A.</i> 1906, p. 18, waarvan +de Duitsche tekst is te vinden in: <i lang="de">Deutsche +Juristenzeitung</i> XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook: <span class= +"sc">Gierke</span> t. a. p. p. 772 en: Mr. <span class="sc">Paul +Scholten</span>, <i>Recht op brieven, Weekbl. v. Privaatr., +Notaris-ambt en Reg.</i> 22 Sept. 1906 no. 1917.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9633" href="#xd20e9633src" name="xd20e9633">8</a></span> Een +aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland en Engeland +worden door <span class="sc">Kohler</span> genoemd, <i>Urheberrecht</i> +p. 442.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9644" href="#xd20e9644src" name="xd20e9644">9</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i>D. A.</i> 1906 p. 19.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9655" href="#xd20e9655src" name="xd20e9655">10</a></span> <i>D. +A.</i> 1903 pp. 28 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9660" href="#xd20e9660src" name="xd20e9660">11</a></span> De +Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende brieven +van George Sand. Een der overwegingen was: „... que ce droit, +tout personnel qu’il soit, passe aux héritiers +représentants de la personne et des biens ... etc.”, +zitting van 11 Maart 1897, <i>D. A.</i> 1899 p. 43; <i lang= +"fr">Annales de la Propr. ind., litt. et art.</i> 1898 Nos. 9–10 +p. 311, art. 4020.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9671" href="#xd20e9671src" name="xd20e9671">12</a></span> <i>D. +A.</i> 1906 p. 19.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9710" href="#xd20e9710src" name="xd20e9710">13</a></span> Reeds +door verschillende schrijvers werd de bepaling op soortgelijke gronden +afgekeurd. Men zie: Mr. <span class="sc">W. L. P. A. +Molengraaff</span>, <i>De Faillissementswet verklaard</i> pp. 243 sqq.; +<span class="sc">Swart</span> t. a. p. pp. 122 sqq.; Mr. <span class= +"sc">B. M. de Vos</span>, <i>Rechtsgeleerd Magazijn</i> 1908 p. 60.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9733" href="#xd20e9733src" name="xd20e9733">14</a></span> Arrest +van 1 Dec. 1892, besproken door <span class="sc">Kohler</span>, <i>D. +A.</i> 1894 p. 82.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9744" href="#xd20e9744src" name="xd20e9744">15</a></span> +Medegedeeld door <i>A. Darras</i>, <i>D. A.</i> 1900 p, 41. De tekst is +te vinden in: <i>Gazette des Tribunaux</i> 14 Febr. 1900.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9762" href="#xd20e9762src" name="xd20e9762">16</a></span> Art. 10 +wet van 1901.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e9801" href="#xd20e9801src" name="xd20e9801">17</a></span> +Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, <i>Gazette du Palais</i> 3 +Febr. 1897<span class="corr" id="xd20e9806" title= +"Niet in bron">,</span> <i>Annales de la propriété +industrielle</i> 1897 p. 126, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e9816" href="#xd20e9816src" name="xd20e9816">18</a></span> +Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, <i>D. A.</i> 1900 p. +42.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9832" href="#xd20e9832src" name="xd20e9832">19</a></span> +<span lang="fr">Trib. de la Seine 4 Mei 1903, <i>D. A.</i> 1903 p. 105, +<i>France judiciaire</i> No. 17</span> van 9 Mei 1903.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9845" href="#xd20e9845src" name="xd20e9845">20</a></span> <i>D. +A.</i> 1902 p. 136.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e9850" href="#xd20e9850src" name="xd20e9850">21</a></span> +Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 100, +<i>La Loi</i> 30 Mei 1907.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9861" href="#xd20e9861src" name="xd20e9861">22</a></span> +<span lang="fr">Trib. de la Seine</span> 3 April 1897 (<i lang="fr">Le +Droit</i> 5 en 6 April 1897) medegedeeld door <span class="sc">A. +Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9883" href="#xd20e9883src" name="xd20e9883">23</a></span> +<span lang="fr">Trib. de la Seine</span> 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, +<i>D. A.</i> 1905 p. 7; men zie ook de bespreking van dit vonnis door +<span class="sc">A. Darras</span> in <i>D. A.</i> 1904 pp. 135, +136.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9899" href="#xd20e9899src" name="xd20e9899">24</a></span> Ook +tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk maken, door +nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en zinnen in +te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: <span class="sc">H. +Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1891 p. 142.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9908" href="#xd20e9908src" name="xd20e9908">25</a></span> Men zie +b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche wet van 1901 +§§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het +Italiaansche Ontwerp art. 22 en de <i lang="fr">loi-type</i> der +<i lang="fr">Association</i> art. 10 lid 2 en 3.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9930" href="#xd20e9930src" name="xd20e9930">26</a></span> +Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en besproken +door Prof. <span class="sc">Molengraaff</span> in <i>Rechtsgeleerd +Magazijn 1887</i> pp. 375 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9944" href="#xd20e9944src" name="xd20e9944">27</a></span> Cf. +<span class="sc">Molengraaff</span> t. a. p. pp. 382 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9952" href="#xd20e9952src" name="xd20e9952">28</a></span> Cf. +<span class="sc">Kohler</span>, <i>Das Individualrecht als +Namenrecht</i> t. a. p. p. 77.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9969" href="#xd20e9969src" name="xd20e9969">29</a></span> Trib. +civil de la Seine 1 Aug. 1903, <i>Gazette des Tribunaux</i> 2 Aug. +1903, <i>La Loi</i> 6, 7, 8 Aug. 1903, <i>D. A. 1904</i> p. 63.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e9988" href="#xd20e9988src" name="xd20e9988">30</a></span> Cour +d’Appel de Paris 24 Mei 1905, <i>D. A.</i> 1905 p. 132.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e9999" href="#xd20e9999src" name="xd20e9999">31</a></span> +Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, <i>D. A.</i> 1905 pp. 100, +101.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10012" href="#xd20e10012src" name="xd20e10012">32</a></span> +<span class="sc">Kohler</span>, <i lang="fr">Das Individualrecht als +Namenrecht</i> t. a. p. pp. 79, 80; Cf. ook: Av. <span class="sc">Henri +Rosmini</span>, <i lang="fr">Droits des auteurs sur leur +pseudonyme</i>, <i>D. A.</i> 1888 pp. 16 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10036" href="#xd20e10036src" name="xd20e10036">33</a></span> Cf.: +<span class="sc">Huard</span>, <i>D. A.</i> 1899 p. 103, die zich +echter zelf tegen deze verplichting verklaart.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10074" href="#xd20e10074src" name="xd20e10074">34</a></span> Cf. +hierover: <span class="sc">A. Darras</span>, <i>D. A.</i> 1895 p. 32, +die op de verwarring tusschen persoonlijkheidsrecht (<i lang="fr">droit +moral</i>) en auteursrecht (<i lang="fr">droit pécuniaire</i>), +welke hier in het spel was, de aandacht vestigt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10089" href="#xd20e10089src" name="xd20e10089">35</a></span> Dit +is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich verplicht zien +aan dit artikel te geven. Cf.: <span class="sc">Darras</span>, <i>D. +A.</i> 1895 p. 32; <span class="sc">Kohler</span> is van eene andere +opinie <i>D. A.</i> 1896 pp. 12, 13; men zie echter wat de redactie +hierbij aanteekent, noot 2, p. 13.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10113" href="#xd20e10113src" name="xd20e10113">36</a></span> Cf. +ook: <span class="sc">Kohler</span>, <i>D. A.</i> 1896 p. 12.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10133" href="#xd20e10133src" name="xd20e10133">37</a></span> +<i>Handel<span class="corr" id="xd20e10136" title= +"Niet in bron">.</span> Tweede Kamer 1879–1880</i>, Bijlage 110 +No. 3 p. 174.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10143" href="#xd20e10143src" name="xd20e10143">38</a></span> M. +v. T. p. 174.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10171" href="#xd20e10171src" name="xd20e10171">39</a></span> +<i>Kohler</i>, <i lang="de">Archiv für bürgerliches Recht</i> +X p. 277.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10188" href="#xd20e10188src" name="xd20e10188">40</a></span> O. +a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, <i>Droit</i> 1 en 2 Juni +1896, <i>Gazette des Tribunaux</i> 4 Juni 1896, <i>Gazette du +Palais</i> 9 Juni 1896; id. 31 Dec. 1896, <i>Droit en Gazette des +Tribunaux</i> 1 Jan. 1897, <i>D. A.</i> 1897 p. 17; 3 Aug 1899, +<i>Loi</i> 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26 Juli 1900, <i>Loi</i> 22 +Nov. 1900, <i>D. A. 1900</i> p. 154. Men zie ook: <span class= +"sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1895 pp. 96, 168. Een aantal +beslissingen van ouderen datum worden meegedeeld door: <span class= +"sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor een +recent geval: <i lang="fr">Journal des Débats (édition +hebdomadaire)</i> 17 April 1908 p. 738.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10232" href="#xd20e10232src" name="xd20e10232">41</a></span> Zoo +werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858 in eene +destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de beroemde +tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie hierover: +<span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1893 p. 10. Hetzelfde +college gaf nog enkele jaren geleden eene beslissing in soortgelijken +zin, 20 Jan. 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 136.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10251" href="#xd20e10251src" name="xd20e10251">42</a></span> In +eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court Boston 19 +Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen +particulieren en publieke personen: „Terwijl een privaat persoon +beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit +ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen +dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder die +er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden, dit +recht aan het publiek heeft afgestaan.” De grondgedachte dezer +redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al te +absoluut gesteld en verklaard. (<i>D. A.</i> 1895 p. 142).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10259" href="#xd20e10259src" name="xd20e10259">43</a></span> +<i lang="de">Archiv für civ. Praxis</i> 82 p. 206.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10267" href="#xd20e10267src" name="xd20e10267">44</a></span> +<i lang="de">Kunstwerkrecht</i> p. 164.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10278" href="#xd20e10278src" name="xd20e10278">45</a></span> Men +zie hierover in ’t bijzonder: <span class="sc">J. H. G. +Cohen</span>, <i>Beleediging door Caricaturen</i>, Proefschr. 1896 pp. +118 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10292" href="#xd20e10292src" name="xd20e10292">46</a></span> Zoo +b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en 13 Nov. 1889. +Men zie hierover: <span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1891 +pp. 41 sqq<span class="corr" id="xd20e10300" title= +"Niet in bron">.</span>; men zie ook: <i>D. A.</i> 1907 p. 137.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10307" href="#xd20e10307src" name="xd20e10307">47</a></span> Cf.: +<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1897 p. 80.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10316" href="#xd20e10316src" name="xd20e10316">48</a></span> Men +zie hierover de beschouwingen van <span class="sc">Darras</span>, <i>D. +A.</i> 1897, pp. 17 en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar +geciteerde Fransche jurisprudentie; en: <span class="sc">Kohler</span>, +<i lang="de">Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für +Bürgerliches Recht</i> V. pp. 83 sqq.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Hoofdstuk VII</h2> +<h2 class="main">Internationaal auteursrecht</h2> +<div class="div2" id="ch7.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Algemeene opmerkingen</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt +ook voor het auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer +tusschen de verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden +mede. Doch bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht +deze moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden +gevonden op de vraag, <i>welk</i> recht in elk geval moet worden +toegepast; ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene +andere vraag te stellen, nl. <i>óf</i> de vreemdeling zich wel +op eenig recht kan beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke +zaak, dan kan er strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, +waartoe de rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het +goed zich bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter +wordt gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook +zij, nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen +rechteloosheid ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. +Anders is het gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der +auteurs berust op bijzondere wetten, die, behoudens enkele +uitzonderingen, alleen op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast +deze wetten wordt geen ander auteursrecht erkend tenzij dit bij +tractaat zij bedongen.</p> +<p>Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan het +bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander van +alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over de artt. +27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10351" href="#xd20e10351" name= +"xd20e10351">306</a>]</span>geldigheid vaststellen: „Zoodra ons +privaatrecht het auteursrecht stempelt tot een absoluut vermogensrecht, +moet iedere territoriale grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, +<i>ook de niet-Nederlander, ook de ingezetene van een land zonder +tractaat</i>, door dit ons privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt +mij zonneklaar. Of, wat dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, +gesteld, in Amsterdam wandelt, straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? +Zoodanig vreemdeling, zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene +Nederlandsche drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het +toppunt van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van +zooeven alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in +een Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste +illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een +absoluut vermogensrecht is <i>diefstal</i>. Wie dit betwijfelen mocht, +cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij +niemand, noch binnen noch buiten de landpalen”<a class="noteref" +id="xd20e10359src" href="#xd20e10359" name="xd20e10359src">1</a>.</p> +<p>Afgezien van het woord „diefstal”, dat den „leek +op rechtsgebied” misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, +valt er tegen deze beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen +27 en 28 onzer wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten +inderdaad eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die +terecht een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is +genoemd<a class="noteref" id="xd20e10366src" href="#xd20e10366" name= +"xd20e10366src">2</a>, dat nl. voor den Nederlandschen rechter +vreemdelingen met evengoed gevolg als Nederlanders een beroep moeten +kunnen doen, waar het geldt de bescherming en handhaving van +privaatrechtelijke bevoegdheden.</p> +<p>Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt +aangevoerd het <i>belang</i>, dat ons volk erbij heeft, dat hier de +buitenlandsche werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit +belang wordt—ik heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. +183, 184)—door degenen die zich erop beroepen doorgaans veel te +breed uitgemeten; bovendien vergeet men dikwijls daarbij te denken aan +de <i>schade</i>, die door een groot aantal andere Nederlanders wordt +geleden tengevolge van het stelsel van „vrijheid”, dat hier +tot nu toe gehuldigd is. Ik meen mij echter in den strijd, die op dit +terrein wordt gevoerd, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10383" href= +"#xd20e10383" name="xd20e10383">307</a>]</span>niet te moeten +mengen<a class="noteref" id="xd20e10385src" href="#xd20e10385" name= +"xd20e10385src">3</a>. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd +heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als +integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is van +utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten en +wetenschappen aan te wakkeren, maar een <i>recht</i>, niet minder +eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van +sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen, +niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen +geen gewicht in de schaal.</p> +<p>Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming +van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat vele +dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden, daar +voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou worden +gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er zijn nog +wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om in Nederland te +worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt, dan wij er hier voor +kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van moeten onthouden. Meer +dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte ook reeds zoo ingezien; +zijne meening over buitenlandschen nadruk illustreerde hij met de +volgende vergelijking:</p> +<p lang="de">„Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, +die Einfuhr der holländischen Häringe in seine Staaten zu +verbieten: wer könnte ihm dies abstreiten? Aber hätte er +darum auch wohl das Recht gehabt—da holländische +Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen—Kaper +auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre +Häringe abnähmen?”<a class="noteref" id="xd20e10429src" +href="#xd20e10429" name="xd20e10429src">4</a></p> +<p>De naam „roofstaat”, dien men ons land met het oog op +het gemis aan bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft +gegeven, schijnt in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze +toestand <span class="pagenum">[<a id="xd20e10439" href="#xd20e10439" +name="xd20e10439">308</a>]</span>nog tot onzen tijd heeft kunnen +voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd, dan toch verklaard worden +uit het feit, dat het <i>mijn</i> en <i>dijn</i> op het gebied van +kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is en nog +niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is +doorgedrongen dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons +omringende volken zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs +hiervoor is wel het internationale Verbond ter bescherming van het +auteursrecht, dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk +ruilverkeer van eenige beteekenis is.</p> +<p>Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou +met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze +toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde +woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld +„Nederland en de Berner-Conventie”, zouden moeilijk kunnen +doen vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van +onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te +zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in +hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht is +gevestigd.</p> +<p>Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze +aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt, +wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee in +getal.</p> +<p>In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner +Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. „Het ontzien van +een anders eigendom of vermogensrecht is niet, en <i>mag</i> niet +afhankelijk zijn van wederkeerigheid.” In beginsel is hier weinig +tegen te zeggen, en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het +vraagstuk der internationale auteursbescherming zou zeker hierin +bestaan, dat in de wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen +als die van art. 16 van de <i lang="fr">loi-type</i> der <i lang= +"fr">Association</i>: „Deze wet is toepasselijk op alle auteurs, +onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook het werk +voor het eerst verschenen zij.” Misschien, dat het eenmaal nog +zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig zijn +geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar +tegen dit stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo +weinig staten het tot nog toe hebben willen aanvaarden<a class= +"noteref" id="xd20e10462src" href="#xd20e10462" name= +"xd20e10462src">5</a>, nl. de belangrijke verschilpunten tusschen de +verschillende <span class="pagenum">[<a id="xd20e10465" href= +"#xd20e10465" name="xd20e10465">309</a>]</span>wetgevingen. Mr. Levy +merkt op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde +wereld geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn +ten opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking +tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht +verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is +met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de +„beschaafde wereld”, d.i. binnen het gebied der Berner +Conventie, vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet +overal in volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming +soms nog veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste +opvattingen over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te +verwonderen, dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die +staten worden toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan +hun eigen onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, +hiervan ook de onderdanen der andere aangesloten rijken te doen +genieten.</p> +<p>Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft het +vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op grond van +de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft voortgebracht. +Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier niet meer in te +gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren, dat de vertaling de +gewone reproductievorm is voor geschriften uit andere landen en dat het +uitsluitend vertalingsrecht in de groote meerderheid der beschaafde +staten als een integreerend bestanddeel van het auteursrecht wordt +beschouwd. Onder de „zonderlinge opvattingen” over het +auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook in de eerste +plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht, want aan auteursrecht +zonder vertalingsrecht heeft een auteur van een buitenlandsch geschrift +in ons land zoo goed als niets, evenmin trouwens als een Nederlandsch +schrijver in den vreemde. Den Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, +zal men niet straffeloos zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in +een winkel om het te laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem +mogen toevoegen: wij erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw +horloge krijgt u niet meer terug; door de „zelfstandige +arbeid”, die ik er aan verricht heb, is het het mijne geworden? +En wat te zeggen van iemand, die met een dusdanig begrip van eigendom +nog den moed zou hebben te verklaren: in mijn land wordt elke eigendom +geëerbiedigd, en daarom <span class="pagenum">[<a id="xd20e10470" +href="#xd20e10470" name="xd20e10470">310</a>]</span>ben ik tegen het +sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?</p> +<p>Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van +uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied +van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel, dat +het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht en +dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als +voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg +vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu +eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat en +nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen weg +waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land als +het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.</p> +<p>De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het +geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten eene +bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis van de +Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de vrucht is +van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich en op zijne +wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid der +verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich hadden +vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze materie +voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin mogelijk. +Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die +onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten +grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen zijn +de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog is bij +lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en later bij +herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het zal +waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle +aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht +bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer, om +zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is geschied, +loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich in andere +richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten, zoodat ons +deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe moeilijker +wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om invloed uit +te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal +auteursrecht. <span class="pagenum">[<a id="xd20e10476" href= +"#xd20e10476" name="xd20e10476">311</a>]</span></p> +<p>Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de +jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden, +mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie te +kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan de +algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven, kunnen +verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel +uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe +beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog op +een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de +bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden +vermeld.</p> +<p>Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan, +is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze wet +zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der +toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen +worden.</p> +<p>Het eerste systeem, het <i>nationaliteits</i>-stelsel, neemt als +criterium aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet +beschermt dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in +het Rijk woonachtig zijn.</p> +<p>Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar de +objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit of +woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen <i>la +nationalité de l’oeuvre</i>. De „nationaliteit van +het werk” kan weer op verschillende wijzen worden vastgesteld; +men kan deze laten afhangen van:</p> +<p><i>a</i>) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is +verschenen;</p> +<p><i>b</i>) de plaats, waar het werk is ontstaan;</p> +<p><i>c</i>) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst +is op- of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is +gehouden.</p> +<p>Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen +te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.</p> +<p>Het beginsel van de „nationaliteit van het werk” geldt +in de eerste plaats voor alle <i>door den druk gemeen gemaakte</i> +werken. De wet is alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland +zijn gedrukt en <span class="pagenum">[<a id="xd20e10515" href= +"#xd20e10515" name="xd20e10515">312</a>]</span>door den druk gemeen +gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den auteur doet dus niet ter +zake.</p> +<p>Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel +gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig +zijn van in Nederland <i>woonachtige</i> auteurs.</p> +<p>Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke +regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige +auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in +Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot +van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door Mr. +Veegens gewezen<a class="noteref" id="xd20e10524src" href="#xd20e10524" +name="xd20e10524src">6</a>. Met dezen schrijver ben ik van oordeel, dat +de uitdrukking „daaronder begrepen” niet tot de opvatting +mag leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden +onder de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer +zij aan <i>beide</i> genoemde vereischten voldoen, dus behalve +afkomstig van een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in +Nederland gehouden zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan +één der beide vereischten voldoet, dus óf +afkomstig van een in Nederland wonend auteur, óf binnen +Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over deze bepalingen +opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver alleen het +laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten komen. Volgens +deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden voordracht, van +iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn door onze wet. Naar +mijne meening is echter de andere, boven gegeven interpretatie juister: +is de voordracht in het buitenland gehouden, dan wordt zij behandeld +als alle andere niet door den druk gemeen gemaakte werken. Zoo +verkrijgt ook de uitdrukking „daaronder begrepen” althans +eenigen zin.</p> +<p>Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide +bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de +plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken +bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden +bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het uitspreken +eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste op- en of +uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer wet van geene +beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een voordracht, +tooneel- of <span class="pagenum">[<a id="xd20e10532" href= +"#xd20e10532" name="xd20e10532">313</a>]</span>muziekwerk in druk +uitkomt, uitsluitend de plaats waar dit is geschied beslissend wordt, +daar het werk hierdoor gaat behooren tot de groep „door den druk +gemeen gemaakte werken”.</p> +<p>Er doet zich hier nog eene—ook door Mr. Veegens +besproken—moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en +uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in +Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer wet. +Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven, dan beschouwt +onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens Mr. Veegens zal nu +een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen opvoering +beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht bij het in +druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk wordt +voorbehouden. „Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die +uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag +haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet +bezit”<a class="noteref" id="xd20e10536src" href="#xd20e10536" +name="xd20e10536src">7</a>.</p> +<p>Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, +die een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en +opvoeringsrecht zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een +tooneelstuk behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, +geniet het ook de volle bescherming der wet. Dat voor het +opvoeringsrecht een voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan +niets; ook het uitsluitend vertalingsrecht moet bij het in druk +uitkomen worden voorbehouden, en dat de auteur dit in het hier +besproken geval met vrucht zou kunnen doen, schijnt door Mr. Veegens +niet te worden betwist. Het voorbehoud schept het opvoeringsrecht niet; +door de uitgave in Nederland wordt het werk gerangschikt onder de +beschermde auteursproducten en daardoor alleen ontstaan alle den auteur +bij de wet toegekende rechten, dus ook het opvoeringsrecht; het +voorbehoud strekt hier alleen om dit recht, hetwelk in dit geval +tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan, het voortbestaan +mogelijk te maken.</p> +<p>Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de +wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil van +meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van „in Nederland of +in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte +werken”. Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, +dat de <span class="pagenum">[<a id="xd20e10543" href="#xd20e10543" +name="xd20e10543">314</a>]</span><i>eerste</i> uitgave in Nederland of +Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in het +buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland geen +auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave in het +buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht niet +opheffen.</p> +<p>De eerste uitgave beslist dus over de „nationaliteit” +van het werk en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op +het auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet +bepaald<a class="noteref" id="xd20e10549src" href="#xd20e10549" name= +"xd20e10549src">8</a>; eene andere uitlegging zal echter wel door +niemand worden voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen +den zin van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus) +geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.</p> +<p>Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor +Nederlandsch-Indië; waar ik in het voorgaande kortheidshalve +alleen van „Nederland” heb gesproken, moet daaronder ook +steeds Nederlandsch-Indië worden begrepen. Het Rijk in Europa en +de Oost-Indische koloniën vormen dus ten opzichte van het +auteursrecht één rechtsgebied; het eenige onderscheid +tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat de formaliteiten in het +moederland bij het departement van Justitie moeten worden vervuld en +die in Indië bij den directeur van Justitie te Batavia.</p> +<p>In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling +van het auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende +(<i>K. Ben. van 11 Mei 1883</i> nos. 39 en 40). Doch daar het niet +één en dezelfde wet is, die het onderwerp regelt, is de +betrekking niet zoo nauw als met Oost-Indië. Auteursrecht volgens +de Nederlandsche wet wordt in West-Indië wel erkend, doch volgens +onze wet staan Suriname en Curaçao gelijk met het +buitenland.</p> +<hr class="tb"> +<p>De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet +van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen +gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet +gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende +kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in +Nederlandsch-Indië <i>woonachtige</i> kunstenaars; het stelsel +dus, dat de wet van 1881 alleen voor niet door den druk gemeen gemaakte +werken huldigt. <span class="pagenum">[<a id="xd20e10567" href= +"#xd20e10567" name="xd20e10567">315</a>]</span></p> +<p>Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van het +werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in +Nederland of Nederlandsch-Indië <i>vervaardigd</i> zijn.</p> +<p>Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de +Oost-Indische koloniën met het moederland.</p> +<hr class="tb"> +<p>Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het +duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons +land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze +tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men +deze tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht +erkend dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. +Moltzer<a class="noteref" id="xd20e10579src" href="#xd20e10579" name= +"xd20e10579src">9</a> opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene +uitzondering op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; +want al is de nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht +volgens onze wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch +van dien aard, dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn +uitgesloten. Ik heb er reeds op gewezen, dat de <i lang= +"fr">loi-type</i> van de <i lang="fr">Association</i> eene regeling +geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal +privaatrecht in overeenstemming is<a class="noteref" id="xd20e10590src" +href="#xd20e10590" name="xd20e10590src">10</a>, doch dat deze regeling +in het stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog +verkeert, weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de +meeste wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt +tot een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of +van de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en +zoolang de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, +onverschillig waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur +behoort, voorloopig tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal +men met dit stelsel genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit +principieele bezwaar, hetwelk trouwens door internationale +overeenkomsten grootendeels kan worden opgeheven, <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10599" href="#xd20e10599" name= +"xd20e10599">316</a>]</span>geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding +tot enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.</p> +<p>In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat +voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het +uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze +bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél +in het Ontw. Boekh. (art. 5<i>a</i>) en in de wet van 1817 (art. +6<i>a</i>) voor. In laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als +eisch gesteld, dat de uitgever Nederlander was (art. 6<i>b</i>). Men +nam de bepaling tenslotte nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, +dat de uitdrukking „door den druk gemeen gemaakt” tot +verwarring en onzekerheid aanleiding zou geven. Door er bij te voegen, +dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat +een buitenlandsch schrijver of uitgever hier auteursrecht zou kunnen +verwerven, alleen door een gedeelte der oplage op het titelblad van den +naam van een Nederlandsch uitgever te voorzien; waardoor immers het +werk in Nederland zou zijn uitgegeven of „door den druk gemeen +gemaakt.”<a class="noteref" id="xd20e10612src" href="#xd20e10612" +name="xd20e10612src">11</a></p> +<p>De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen +genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij +echter voor, dat het „gevaar”, dat hier dreigde, vrijwel +denkbeeldig was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op +het titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek +te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk +boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien; +indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen +voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk +tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom zulk +een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou hebben +genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten zou hebben +gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der wet niet +onder de bescherming der wet zou mogen vallen.</p> +<p>Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de +vereischten „in Nederland of Nederlandsch-Indië door den +druk gemeen gemaakt” en „gedrukt” beide te stellen +sloot men onherroepelijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e10625" +href="#xd20e10625" name="xd20e10625">317</a>]</span>van de bescherming +uit alle werken, die om de een of andere reden niet gedrukt kunnen +worden in het land waar zij verschijnen. Men stelle zich eens voor, dat +ook in andere landen hetzelfde stelsel zou worden gevolgd, dan zouden +boeken, waarmee dit het geval was, nergens bescherming kunnen vinden. +Dat de bepaling niet verdedigd kan worden als een maatregel ter +bescherming der nationale industrie, springt in het oog. Onthouding van +auteursrecht mag niet als een straf worden aangewend tegen dengeen die +zich liever door een buitenlandschen dan door een Nederlandschen +drukker laat bedienen. In deze lijn voortgaande zou men evengoed als +vereischte kunnen stellen, dat de letters en <span class="corr" id= +"xd20e10627" title="Bron: clichés">cliché’s</span>, +waarvan men zich bij het drukken bedient, in het land moeten zijn +vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten is voorgeschreven. Deze +Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde <i lang="en">manufacturing +clause</i>, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers over +auteursrecht ten scherpste afgekeurd.</p> +<p>Wil men dus het stelsel van de „nationaliteit van het +werk” voor door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, +dan dient deze alleen bepaald te worden door de plaats van +<i>verschijnen</i>, d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt +gebracht. Waar het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. +„Het feit der vermenigvuldiging door den druk”, schreef Mr. +de Ridder reeds zeer terecht, „is slechts de gewichtigste der +<i>voorbereidende handelingen</i>, die tot het „in het licht +verschijnen” leiden kunnen<span class="corr" id="xd20e10641" +title="Niet in bron">”</span><a class="noteref" id= +"xd20e10643src" href="#xd20e10643" name="xd20e10643src">12</a>.</p> +<p>Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk +stelt van den staat des auteurs, wordt diens <i>woonplaats</i> als +criterium genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de +woonplaats hier de <i>nationaliteit</i> te laten beslissen. Ten eerste +pleit hiervoor, dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in +sommige gevallen Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet +bescherming vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland +verblijf houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht +kunnen hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting +bij de Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling +verdienen, zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.</p> +<p>Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet +gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10658" href="#xd20e10658" name= +"xd20e10658">318</a>]</span>criterium biedt. Het komt meer voor dat men +zijne woonplaats tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van +nationaliteit verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn +meestal niet aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een +geruimen tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom +hunne nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit +volgens het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan +geven.</p> +<hr class="tb"> +<p>Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van +het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in +Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een +kunstwerk <i>vervaardigd</i> is (de terminologie is ook niet gelukkig) +zal dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk +dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één +land heeft gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in +ons land ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten +worden beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij +voor in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.</p> +<p>Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, +zijn de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, +houtsneden, photographieën, teekeningen voor geïllustreerde +tijdschriften—in één woord: werken die bestemd zijn +voor verveelvoudiging—zijn in dit opzicht volkomen met +geschriften gelijk te stellen.</p> +<p>Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie zijn +bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen zijn te +rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere beteekenis. +Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie is openbaar +gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet kunnen +zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een Nederlandsch +werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar tegen het +bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken, ook in de Berner +Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het boven dat van het +Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst reproducties zijn +verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal zijn na te speuren +dan die, waar het werk is ontstaan. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e10672" href="#xd20e10672" name="xd20e10672">319</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2" id="ch7.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 De Berner Conventie</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, +heeft de laatste herzienings-conferentie te Berlijn wél +één enkelen tekst in de plaats gesteld van de oude Berner +Conventie met de Additionneele Acte en de Verklaring van Parijs, doch +zonder aan deze oude Conventie-bepalingen alle kracht te ontnemen.</p> +<p>De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds +tot het Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet +wenschen te bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te +treden. Zij kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan +deel blijven uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze +staten blijft de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. +Bovendien kunnen alle staten—ook degenen die zich eerst ná +de Berlijnsche conferentie aansluiten—bij de bekrachtiging der +nieuwe Conventie verklaren, dat zij op bepaalde punten niet door de +nieuwe maar door de oude bepalingen gebonden wenschen te zijn. Voor de +nieuw-toetredende staten bestaat dus ook de mogelijkheid om +géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden en +uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet met de +wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid te worden +van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen, dat eene +dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in strijd zou +zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling in Berlijn: +„<span lang="fr">il faut espérer que les États +adhérants n’abuseront pas de ce pouvoir de faire des +réserves</span>” wordt in het commissie-rapport<a class= +"noteref" id="xd20e10684src" href="#xd20e10684" name= +"xd20e10684src">13</a> dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die +men zeker niet onredelijk kan noemen.</p> +<p>Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern +en Parijs zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom +verdienen zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene +Conventie.</p> +<p>Wij hebben dus te onderscheiden:</p> +<ul> +<li>I <i>De Berner Conventie van 9 September 1886</i>, bestaande uit: +<ul> +<li><i>a</i>) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;</li> +<li><i>b</i>) een additionneel artikel;</li> +<li><i>c</i>) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie +behandelde onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;</li> +</ul> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10713" href="#xd20e10713" name= +"xd20e10713">320</a>]</span></li> +<li>II <i>De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896</i>, verdeeld +in vier artikelen: +<ul> +<li><i>art. 1</i> brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20 +der Berner Conventie;</li> +<li><i>art. 2</i> wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);</li> +<li><i>artt. 3 en 4</i> geven overgangs- en +uitvoerings-bepalingen;</li> +</ul> +</li> +<li>III <i>De Verklaring (Déclaration) van Parijs</i>, die eene +uitlegging geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der +Additionneele Acte van Parijs;</li> +<li>IV <i>De herziene Berner Conventie van 13 November 1908</i>, +bestaande uit dertig artikelen.</li> +</ul> +<p>Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde +der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik +verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit de +andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol, Add. Acte +1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake komen bij het +onderwerp, waarop zij betrekking hebben.</p> +<p>Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der +Conventie 1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een +viertal groepen verdeeld, als volgt:</p> +<ul> +<li><i>a</i> <i>Algemeene beginselen betreffende het internationale +auteursrecht in het Verbond</i> (doel en strekking van het Verbond art. +1; de werken waarop de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het +stelsel, volgens hetwelk omvang en duur der bescherming zijn geregeld +artt. 4, 5, 6 en 7);</li> +<li><i>b</i> <i>Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden</i> +(vertalingsrecht art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; +bloemlezingen art. 10; op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht +art. 12; mechanische muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. +14);</li> +<li><i>c</i> <i>Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht</i> +(legitimatie voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);</li> +<li><i>d</i> <i>Uitvoerings- en overgangsbepalingen</i> (erkenning van +het recht van iederen staat om verspreiding en uitstalling van +geschriften of kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen +art. 18; de geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10777" href="#xd20e10777" name= +"xd20e10777">321</a>]</span>Conventie artt. 19 en 20; huishoudelijke +inrichting van het Verbond artt. 21–24; toetreding van nieuwe +staten en hunne koloniën artt. 25 en 26; bekrachtiging, +inwerkingtreding en opzegging artt. 27–30).</li> +</ul> +<div class="div3" id="ch7.2.1"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">a Algemeene regelen betreffende het internationaal +auteursrecht in het Verbond</h4> +<div class="div4" id="ch7.2.1.1"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. +1; Conv. 1886 art. 1)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 +onveranderd is gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te +beschouwen als een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken +geeft het het doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich +beweegt.</p> +<p>Met de vorming van een internationaal <i>Verbond</i> (Union) meende +men eene hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige +Conventie zou geven<a class="noteref" id="xd20e10793src" href= +"#xd20e10793" name="xd20e10793src">14</a>. Als voorbeelden werden +daarbij verscheidene malen genoemd de Post-Unie en het Verbond tot +bescherming van den industrieelen eigendom.</p> +<p>Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent, +is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange +beraadslaging eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt +gesproken van de „bescherming van de werken van letterkunde en +kunst.” De term <i lang="fr">droits d’auteur</i> werd +verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat het recht op +tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning van +zijn stuk, en <i lang="fr">propriété littéraire et +artistique</i>, de in Frankrijk gebruikelijke benaming voor +auteursrecht, omdat dit juridisch minder juist werd geacht en tot +verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van de theorie van den +letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen geven. Doch er werd +uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen uitdrukking (<span lang= +"fr">protection des oeuvres littéraires et artistiques</span>) +dezelfde beteekenis heeft als <i lang="fr">propriété +littéraire et artistique</i> bij Fransche schrijvers en als b.v. +het Duitsche <i lang="de">Urheberrecht</i> en het Engelsche <i lang= +"en">copyright</i>, dus ook als ons <i>auteursrecht</i>. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10825" href="#xd20e10825" name= +"xd20e10825">322</a>]</span></p> +<p>In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van +„<span lang="fr">protection des droits des auteurs sur leurs +oeuvres... etc.</span>” dus: van de verschillende den auteurs +toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook ons woord +<i>auteursrecht</i> de juiste vertaling.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.1.2"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">II De werken, waarop de Conventie van toepassing is +(Conv. 1908 artt. 2 en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. +n<sup>os</sup>. 1 en 2; Add. Acte 1896 art. 2, I)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De algemeene uitdrukking „werken van letterkunde +en kunst”, waarmede in het eerste artikel der Conventie de +beschermde producten worden aangeduid, zou zonder nadere omschrijving +natuurlijk voor zeer verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze +nadere omschrijving, die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel +gaf, is bij de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel +1 geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke +categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.</p> +<p>De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei +besprekingen uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt +niet alle even volledig; wat in het eene land als object van +auteursrecht wordt beschouwd, vindt soms in het andere land geen +bescherming, of wel is aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men +het altijd over eens is geweest, dat zijn:</p> +<p>1<sup>o</sup>. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik +dezen term ook hierboven heb gebruikt);</p> +<p>2<sup>o</sup>. de platen en kaarten van wetenschappelijken of +technischen aard;</p> +<p>3<sup>o</sup>. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;</p> +<p>4<sup>o</sup>. de werken van beeldende kunst (teekeningen, +schilderijen, beeldhouwwerk enz.).</p> +<p>Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der +Conventie 1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring +van alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie +onvoorwaardelijk toepasselijk was.</p> +<p>Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding +tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken +der <span class="pagenum">[<a id="xd20e10868" href="#xd20e10868" name= +"xd20e10868">323</a>]</span>bouwkunst, de choregraphische werken en de +producten van kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze +werken, deels in ’t geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de +internationale bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn +zijn zij geleidelijk met de overige beschermde werken +gelijkgesteld.</p> +<p>In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook +bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen +alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar +reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de +opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan +een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van de +stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere +bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.</p> +<p>De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek +auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde +stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn +vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede lid +van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf in +verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier, maar +onder artikel 14 bespreken.</p> +<hr class="tb"> +<p>Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de +Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden +worden beschouwd.</p> +<p>In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de +beschermde producten zijn gerekend, dus:</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken +van beeldende kunst</i>—Artikel 4 Conventie 1886 geeft +dienaangaande de volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie +1908 is overgenomen:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De uitdrukking „werken van letterkunde en +kunst” omvat: boeken, brochures en alle andere geschriften; +dramatische of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder +tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures; +lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische, +topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke +ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e10891" href="#xd20e10891" name= +"xd20e10891">324</a>]</span></p> +<p>Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„... ten slotte elk product op letterkundig, +wetenschappelijk of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door +middel van den druk of van eenige andere wijze van reproductie.</p> +</div> +<p>De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding +heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of +de verschillende <span class="corr" id="xd20e10900" title= +"Bron: categoriëen">categorieën</span> van geschriften en +kunstwerken, welke er in genoemd worden, onafhankelijk van de +bepalingen der landswetten beschermd <i>moeten</i> worden, dan wel of +de internationale bescherming voor deze werken alleen geldt, voorzoover +zij ook door de landswetten onder de beschermde auteursproducten moeten +gerekend worden. De eerste meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende +zijde<a class="noteref" id="xd20e10906src" href="#xd20e10906" name= +"xd20e10906src">15</a>, vernomen; er is o.a. voor aan te voeren dat die +categorieën van werken, waarvan de bescherming niet in het geheele +Verbond verplichtend was gesteld, nl. photographieën, werken der +bouwkunst en choregraphische werken, niet in het artikel zijn genoemd, +maar dat de Conventie daarvoor afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit +heeft men afgeleid, dat artikel 4 alleen die werken noemt, welke +beschermd <i>moeten</i> zijn. Andere schrijvers nemen aan, dat dit voor +het minst het geval is ten aanzien van de met name in het artikel +genoemde werken; niet ten aanzien van die werken, welke met meer +algemeene termen aan het slot van het artikel worden aangeduid<a class= +"noteref" id="xd20e10918src" href="#xd20e10918" name= +"xd20e10918src">16</a>.</p> +<p>Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij +is niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals +dat in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. +Immers indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden +opgesomd, in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet +beschermd volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van +het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de +bepalingen van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit +artikel staat uitdrukkelijk voorgeschreven <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10945" href="#xd20e10945" name= +"xd20e10945">325</a>]</span>dat in elk der verbondslanden de +bescherming wordt genoten „welke de <i>betreffende wetten</i> den +inlandschen auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen +zullen”. Voor de vervulling der voorwaarden en formaliteiten en +voor de berekening van den duur van het auteursrecht verwijst het +tweede lid van genoemd artikel naar „de <i>wetgeving</i> van het +land, waaruit het werk herkomstig is”. Het stelsel der Conventie +1886 is dus wel, zooals ook hieronder nog zal worden uiteengezet, dat +geen bescherming wordt verleend voor werken, die niet zoowel in het +land van herkomst als in het land, waar men het auteursrecht wenscht +uit te oefenen, onder de beschermende bepaling der inlandsche wetgeving +vallen. Natuurlijk zijn op dezen algemeenen regel uitzonderingen +mogelijk, en men treft deze dan ook in sommige artikelen der Conventie +aan (o. a. wat betreft het uitsluitend vertalingsrecht, geregeld in +art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook met artikel 4 van den +algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog des te minder grond om +dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een bepaald onderdeel der +bescherming of op eene bepaalde categorie van auteursproducten +betrekking heeft, maar integendeel op alle werken, die voor bescherming +door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen dus, dat in de opsomming +van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet worden gezien dan eene +nadere omlijning van het, min of meer vage, begrip dat de woorden +„werken van letterkunde en kunst” in den titel en het +eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons, welke de +werken zijn die—volgens de regelen en onder de voorwaarden, welke +de twee voorgaande artikelen stellen—in het Verbond beschermd +zullen worden.</p> +<p>Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort +tot degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet +genoeg om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen +worden; het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie +als land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de +bescherming wordt ingeroepen, beschermd zijn.</p> +<p>Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis +mist, en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds +bij de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene +stellige verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die +moeilijk kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit +artikel in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En +<span class="pagenum">[<a id="xd20e10957" href="#xd20e10957" name= +"xd20e10957">326</a>]</span>in het algemeen kan worden gezegd, dat deze +overeenstemming ook steeds heeft bestaan.</p> +<p>Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de +Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel van niet +minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van artikel 25 eerste +lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie 1886). Hier staat, dat +alle staten tot het Verbond kunnen toetreden, „die (op hun +gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten, die het +onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken.” De toetreding kan dus +worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is, +welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel 4 +genoemde werken niet beschermd zijn.</p> +<p>Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou +worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou +moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche, die +de geheele rubriek „werken van beeldende kunst” onbeschermd +laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit +op dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van +Berlijn) o. a:</p> +<p lang="de">„So ist est auch <i lang="la">communis opinio</i>, +dass ein Land, das der Berner Union beitreten will, den Schutz, den die +K(onvention) bietet, bei sich verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt +jedermann an ...., dass vor dem Eintritt in die Union zur Vermeidung +von Konflicten die Landesgesetze auf die Höhe des Schutzmasses +speziell von Art. 4 zu bringen seien.”</p> +<p>Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:</p> +<p lang="de">„Man erachtet es in Holland als +selbstverständlich, dass die dortige Gesetzgebung zuerst im Sinne +des Schutzes der Künstler zu revidieren sei, bevor dieses Land in +die Union trete. Eine Stellung, wie sie Holland in der gewerblichen +Union einnimmt, der es angehört, ohne Erfindungsschutz zu +besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar”<a class= +"noteref" id="xd20e10973src" href="#xd20e10973" name= +"xd20e10973src">17</a>.</p> +<p>Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het +toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken van +beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken +betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e10980" href="#xd20e10980" name= +"xd20e10980">327</a>]</span>der Conventie 1886. De „boeken, +brochures en alle andere geschriften” van dit artikel zouden alle +vallen onder de „geschriften” van artikel 1 onzer wet. +Verder zijn ook in onze wet beschermd: „dramatische of +dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder +tekst”<a class="noteref" id="xd20e10982src" href="#xd20e10982" +name="xd20e10982src">18</a>.</p> +<p>Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze +toetreding tot wet is verheven, dan zou ook de uitdrukking „werk +van beeldende kunst” in artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, +wat in de Conventie wordt aangeduid met de woorden: „teekeningen, +schilderijen, beeldhouwwerken en gravures” en waarschijnlijk ook +de „lithographieën” (waaronder ook gerekend moeten +worden de chromo-lithographieën)<a class="noteref" id= +"xd20e10987src" href="#xd20e10987" name="xd20e10987src">19</a> en +„illustraties”, die de Conventie daarna nog noemt. Alleen +de „landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in +het algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische +modellen” zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken +behooren, zooals ik in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de +werken van beeldende kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. +B. K. (§ 2 p. 4) wordt wel gezegd: „Het spreekt echter van +zelf, dat de namaak van bouwkundige teekeningen wel in de termen van de +wet valt; immers bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz.” +Doch dit is eene verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed +zeggen (al gaat natuurlijk overigens de vergelijking niet op): +„een huisschilder is een schilder enz.” Platte gronden, +doorsneden en dergelijke moge men teekeningen kunnen noemen, werken van +beeldende kunst zijn zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen +bescherming, dan zouden zij nog kunnen behooren tot de „plaat- en +kaartwerken” van art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen +uitdrukking onzer wet is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg +gezegd. Indien men haar, wat te verwachten is, vóór onze +toetreding tot de Conventie uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. +aanbeveling verdienen, in de plaats daarvan de—misschien wat +omslachtige, maar in elk geval duidelijke en volledige—termen der +Conventie over te nemen, dus: „landkaarten, geographische, +topographische, <span class="pagenum">[<a id="xd20e10996" href= +"#xd20e10996" name="xd20e10996">328</a>]</span>bouwkundige of in het +algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische +modellen”.</p> +<p>Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten +die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in +hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie 1908 +is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken, +uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De contracteerende Landen zijn verplicht de +bescherming der bovengenoemde werken te verzekeren.</p> +</div> +<p>Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel +zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het +geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk +was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met +goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou +nú een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten +spoedigste in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.</p> +<p>Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten +van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen, +slechts als voorbeelden zijn genoemd van „producten op +letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op +andere wijze gepubliceerd kunnen worden.” Kan dus een werk tot de +laatstgenoemde producten gerekend worden, dan geniet het ook de +bescherming der Conventie, al is het niet onder een van de met name +genoemde rubrieken onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft +men deze bedoeling (die men trouwens van den aanvang af ook met het +oude artikel 4 gehad heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker +uitgesproken. Van groot practisch belang is dit echter niet, want in de +eerste plaats blijft er na de vrij volledige opsomming niet veel meer +over, dat gerekend zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, +wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze +gereproduceerd kunnen worden<a class="noteref" id="xd20e11008src" href= +"#xd20e11008" name="xd20e11008src">20</a> (behoudens natuurlijk de +werken, die hierboven afzonderlijk zijn <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11014" href="#xd20e11014" name= +"xd20e11014">329</a>]</span>genoemd en die zoo aanstonds besproken +zullen worden: photographieën, choregraphische werken, werken der +bouwkunst en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou +uit deze min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare +aanduiding m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, +nóch voor een staat (om zijne wetgeving te veranderen) +nóch voor den rechter (om tegen de wet van zijn land in de +bescherming van een werk te erkennen).</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Photographieën</i>—Tegen het opnemen der +photographieën in artikel 4 Conventie 1886 werd destijds door +sommige staten bezwaar gemaakt, omdat zij een auteursrecht van +photografen in hunne wet niet kenden. Daar men echter de internationale +bescherming van dit recht, daar waar het wél door de inlandsche +wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te maken, werd in het +Slotprotocol n<sup>o</sup>. 1 de volgende bepaling opgenomen:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat +de verbondslanden, die aan photographieën het karakter van +kunstwerken niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de +bepalingen der heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden +af ten goede te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande +of nog te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de +genoemde werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit +toelaat.</p> +</div> +<p>Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt, om +auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het niet +bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die aan +photographieën <i>het karakter van kunstwerken niet ontzeggen</i>, +worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie, ook +aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen, zelfs aan +degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit laatste is eene +uitzondering op het stelsel der Conventie 1886, volgens hetwelk de +internationale bescherming slechts aan die werken ten goede komt, welke +in hun eigen land (d. w. z. het land waar zij het eerst gepubliceerd +zijn of dat, waartoe de auteur behoort) tot de beschermde producten +worden gerekend. Voor het overige is echter de photographie-bescherming +aan dezelfde regels gebonden, die de Conventie 1886 ten aanzien van +alle andere werken inhoudt (b.v. wat betreft de vervulling der +voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst en de berekening +van den duur van het recht); daar er niet een speciaal recht ten +behoeve der photografen is in het leven <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11034" href="#xd20e11034" name= +"xd20e11034">330</a>]</span>geroepen, doch slechts de verplichting +gestipuleerd om hun „de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede +te doen komen”<a class="noteref" id="xd20e11036src" href= +"#xd20e11036" name="xd20e11036src">21</a>.</p> +<p>De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling +van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden +tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit +andere Verbondslanden te beschermen, die daaraan „het karakter +van kunstwerken niet ontzeggen”. Volgens deze bepaling was dus +b.v. Duitschland, waar vóór de wet van 9 Jan. 1907 de +photographieën wel beschermd waren, doch in eene afzonderlijke +wet, niet als werken van beeldende kunst (dus niet als +„kunstwerken”), niet verplicht aan de photographieën +uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu +de bepaling zoodanig gewijzigd, dat de <span class="corr" id= +"xd20e11047" title="Bron: veplichting">verplichting</span> wordt +opgelegd aan alle staten die de photographieën beschermen, +onverschillig of deze al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.</p> +<p>Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der +photographieën op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog +in de Verklaring (onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de +algemeene regel, dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten +<i>uitsluitend</i> in het land van herkomst kan geëischt worden, +ook op de photographieën toepasselijk is, doch men kan aannemen, +dat dit ook zonder deze uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men +nam haar slechts op, om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te +maken.</p> +<p>Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in +de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in, dat +photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming van +den <span class="corr" id="xd20e11058" title= +"Bron: rechthebbbende">rechthebbende</span> zijn vervaardigd, even lang +beschermd zijn in het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling +strekte dus niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, +maar ter bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. +Immers het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen +doen gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat +van den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is +overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht +van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare +plaats. Bovendien <span class="pagenum">[<a id="xd20e11061" href= +"#xd20e11061" name="xd20e11061">331</a>]</span>was zij volkomen +overbodig; ook indien zij niet bestond zou het verspreiden van eene +reproductie van eene dergelijke photographie tegen de bepalingen der +Conventie strijden, als inbreuk nl. op het recht van den auteur van het +oorspronkelijke kunstwerk. Want men is het er algemeen over eens, dat +eene reproductie—van een schilderij b.v.—ook dan inbreuk op +het auteursrecht uitmaakt, wanneer zij niet direct naar het origineel +is vervaardigd, maar gemaakt is met behulp van eene andere, reeds +bestaande reproductie.</p> +<p>De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat +aldus luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op +photographieën en op werken met een soortgelijk +procédé verkregen. De contracteerende Landen zijn +gehouden de bescherming ervan te verzekeren.</p> +</div> +<p>De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol n<sup>o</sup>. 1 tweede +lid en Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, +weggelaten.</p> +<p>Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der +photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht +zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid van +artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar +opgesomde „werken van kunst en letterkunde” willen noemen, +omdat men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de +kunstwerken gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. +Elke staat wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren +zooals hij wil, mits hij ze maar beschermt.</p> +<p>De invoering van de verplichte bescherming der photographieën +hield de vervulling in van een der „wenschen” welke op de +Conferentie van Parijs waren uitgesproken, nl.: „dat in alle +Verbondslanden de wet bescherming moge verleenen aan +photographieën en aan werken, die met een soortgelijk +procédé zijn verkregen.”<a class="noteref" id= +"xd20e11078src" href="#xd20e11078" name="xd20e11078src">22</a> Doch het +tweede deel van dezen wensch: „dat de duur dezer bescherming +minstens vijftien jaren moge bedragen”, heeft men op de +Berlijnsche Conferentie niet kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het +nut inzag van een uniformen termijn, heeft men zich toch genoodzaakt +gezien de beslissing over den duur der bescherming aan de wet van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11083" href="#xd20e11083" name= +"xd20e11083">332</a>]</span>elk land over te laten. De desbetreffende +bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie 1908; ik laat haar +daarom hier verder onbesproken.</p> +<p>De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat +stelt ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in +het kort aldus worden samengevat.</p> +<p>Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie +1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende staat +krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te +beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale +wet, óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming +moeten invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de +photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.</p> +<p>Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is +de eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van +Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting op +zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren, +doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het +vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de +andere Verbondslanden gelden.</p> +<p>Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de +wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die +wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de +internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar de +photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de +kunstwerken worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit +het geval is of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te +voeren, zou het bij toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de +oude bepaling van het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te +verkiezen. Doch wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de +eigen photografen zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere +Verbondslanden van die bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd +in die andere landen de eigen photografen wél beschermd zouden +zijn. Een systeem dus van niets geven en alles ontvangen, dat elke +beschaafde staat zich zou schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een +misbruik maken genoemd kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 +der Conventie 1908 aan de staten die wenschen toe te treden, laat! +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11093" href="#xd20e11093" name= +"xd20e11093">333</a>]</span></p> +<p>Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de +Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de +Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats te +geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën van +alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in de wet +uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd (Zweden, +Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in Duitschland, +Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht daarover speciale +bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en Spanje worden zij in de +wet met name onder de kunstwerken genoemd); terwijl b.v. in Frankrijk, +Italië en België, ondanks het ontbreken van uitdrukkelijke +wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht op +photographieën wordt erkend<a class="noteref" id="xd20e11096src" +href="#xd20e11096" name="xd20e11096src">23</a>. Hoogstwaarschijnlijk +zullen dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het +Verbond, het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de +Berlijner Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er +tegen heeft verklaard)<a class="noteref" id="xd20e11124src" href= +"#xd20e11124" name="xd20e11124src">24</a>; voor een nieuw toetredenden +staat, wiens onderdanen dus in de geheele Unie de +photographie-bescherming zullen kunnen inroepen, brengt deze +omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting mee om, zoo +dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij zich in te +voeren.</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Choregraphische werken</i>—Ten aanzien der choregraphische +werken bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten +aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet +in de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol +n<sup>o</sup>. 2 waren de Verbondslanden „wier wetgeving onder de +dramatisch-muzikale werken ook de choregraphische werken +begrijpt” gehouden ze van „de voordeelen der bepalingen der +heden gesloten Overeenkomst” te laten genieten. Vooral +Italië, waar balletten in de schouwburgzaal <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11142" href="#xd20e11142" name= +"xd20e11142">334</a>]</span>eene groote plaats innemen, deed telkens +moeite eene algemeene bescherming in het geheele Verbond voor deze +werken te verkrijgen; doch zoowel te Bern<a class="noteref" id= +"xd20e11144src" href="#xd20e11144" name="xd20e11144src">25</a> als te +Parijs<a class="noteref" id="xd20e11149src" href="#xd20e11149" name= +"xd20e11149src">26</a> stuitten deze pogingen op bezwaren af van de +andere mogendheden. Het begrip „choregraphisch werk” stond +nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de +grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te +worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn, bij +de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de +verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de +landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een +tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe te +passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd +verzekerd.</p> +<p>Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude +voorstel: choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de +beschermde producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen +der Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch +alleen op diegenen, „waarvan de dramatische actie schriftelijk +was vastgelegd”; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren +vorm ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al +te vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking<a class= +"noteref" id="xd20e11157src" href="#xd20e11157" name= +"xd20e11157src">27</a>.</p> +<p>Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe +bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel 2 +opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle landen +voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten was +verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in +overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld, dat +niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm van +fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal zijn, om +voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de +„dramatisch-muzikale werken” en de +„muziekstukken” prijken dus nu in het nieuwe artikel de +„choregraphische werken en pantomimes, waarvan de +mise-en-scène door schrift of op andere wijze is +vastgelegd.” <span class="pagenum">[<a id="xd20e11165" href= +"#xd20e11165" name="xd20e11165">335</a>]</span></p> +<p>Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet de +verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal +hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In +plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1 +j<sup>o</sup> lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner +Slotprotocol n<sup>o</sup>. 2 ten aanzien van dien staat van kracht +blijven.</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Werken der bouwkunst</i>—In een vorig hoofdstuk is reeds +uiteengezet (p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht +op werken der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit +recht en dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft +hier niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht +op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin zij +zijn openbaar gemaakt.</p> +<p>De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op de +Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond +ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de +Add. Acte art. 2, I, A.:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt +verleend niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de +bouwkundige werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der +bepalingen van de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige +Additionneele Acte.</p> +</div> +<p>Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de +photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus +om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan +alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche +auteurs bestond.</p> +<p>Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende +Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men +er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den +algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden) +toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen verzette +zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde +auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves +gemaakt<a class="noteref" id="xd20e11190src" href="#xd20e11190" name= +"xd20e11190src">28</a>.</p> +<p>Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11201" href="#xd20e11201" name= +"xd20e11201">336</a>]</span>bestaat, terwijl ook het Ontw. B. K. ze +uitdrukkelijk van de bescherming uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij +onze toetreding tot de Conventie óf de wetgeving op dit punt +moeten aanvullen óf uitdrukkelijk verklaren, dat men de nieuwe +Berlijnsche regeling niet aanvaardt.</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst</i>—Deze +werken bieden voor eene internationale regeling van het auteursrecht +nog groote moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de +schrijvers als in de wetgevingen van verschillende landen, een streven +merkbaar, om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen +die werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere +kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke +werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn, die +voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer +verschillend gedacht.</p> +<p>Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties +van Bern, nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in +geslaagd is, eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen +opnemen. In de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name +genoemd, en wel in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst +(<i lang="fr">oeuvres d’art appliqué à +l’industrie</i>) zijn beschermd voor zoover de inlandsche +wetgeving van elk land dit toelaat.</p> +</div> +<p>Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk, +Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen +gelijkstelling met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men +zich ten slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, +die alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der +kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche +wetgeving overlaat.</p> +<p>Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de +oude Conventie, die deze werken in ’t geheel niet noemde, waren +zij niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 +Conventie 1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk +is: „... ten slotte („<i lang="fr">enfin</i>”) elk +product op letterkundig, wetenschappelijk of kunstgebied, dat +gepubliceerd kan worden door middel van den druk of van eenige andere +wijze van reproductie”.</p> +<p>Het woord „<span lang="fr">enfin</span>” waarmede deze +zin wordt ingeleid, heb ik <span class="pagenum">[<a id="xd20e11231" +href="#xd20e11231" name="xd20e11231">337</a>]</span>gemeend te moeten +vertalen door „ten slotte” en niet door +„kortom”, zooals door anderen is gedaan. Oorspronkelijk +stond in den Franschen tekst: „<span lang="fr">et en +général</span>”; dit is veranderd in +„<span lang="fr">enfin</span>” uitsluitend terwille der +welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het +voorafgaande woord, de uitdrukking „<span lang="fr">en +général</span>” tweemaal kort achtereen in dezelfde +zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast, dat met het +Fransche woord „<span lang="fr">enfin</span>” niet is +bedoeld de opsomming, die eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het +daaropvolgende slechts eene resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. +Het Fransche synoniem is, zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is +verklaard<a class="noteref" id="xd20e11246src" href="#xd20e11246" name= +"xd20e11246src">29</a>, niet „<span lang="fr">en +somme</span>” maar „<i lang="fr">en outre</i>”.</p> +<p>Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus weer +andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor +photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken +elders in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er +niet veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de +werken der kunstnijverheid.</p> +<p>Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog +niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats is +over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel +uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over den +invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden +toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in het +land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten behooren, +wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar geldende +bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien der hier +bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale +bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat +zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het +ééne land als kunstwerken, en in het andere land als +objecten van industrieelen eigendom werden beschermd. Men stond dan +voor de moeilijke vraag, of een dergelijk werk al dan niet als een +„kunstwerk” in den zin der Conventie was te beschouwen. +Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere moeilijkheid voor in verband +met de te vervullen voorwaarden en formaliteiten, die in verscheidene +landen voor industrie-producten wél, doch voor kunstwerken niet +werden <span class="pagenum">[<a id="xd20e11262" href="#xd20e11262" +name="xd20e11262">338</a>]</span>geëischt. Had men eenmaal in zijn +eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld, +dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk +alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd +geweigerd<a class="noteref" id="xd20e11264src" href="#xd20e11264" name= +"xd20e11264src">30</a>.</p> +<p>Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid +in het Verbond—al was zij door de Conventie niet geheel +uitgesloten—toch van twijfelachtigen aard is geweest; met +volkomen zekerheid viel er in de meeste gevallen niet op te +rekenen.</p> +<p>Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering +gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in +werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de +inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken, +waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de rechters +moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu ten aanzien +van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele Verbond slechts +de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor de belanghebbenden +is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten, waar voor een bepaald +werk op bescherming kan worden gerekend en waar niet, zal men de +betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er aan wordt gegeven, +in alle landen moeten kennen. Dat dit—vooral waar het hier eene +materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht +bestaat—niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het +oog.</p> +<hr class="tb"> +<p><i>Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken</i>—Het tweede +lid van artikel 2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Als oorspronkelijke werken worden beschermd, +onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: +vertalingen, bewerkingen (<i lang="fr">adaptations</i>), +muziek-arrangementen en andere reproducties in veranderden vorm +(<i lang="fr">reproductions transformées</i>) van een geschrift +of kunstwerk, alsmede verzamelingen van verschillende werken.</p> +</div> +<p>Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie +beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11301" href="#xd20e11301" name= +"xd20e11301">339</a>]</span>dat de bedoelde rechten ook onder de oude +Conventie bestonden, kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats +uit een oogpunt van volledigheid en stelselmatigheid als eene +verbetering worden beschouwd.</p> +<p>De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel geregeld, +doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig uitgevallen. +Het luidt als volgt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke +werken beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie +ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld in de +artikelen 2 en 3.</p> +<p>Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid tot +vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen verzetten, +dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald wordt.</p> +</div> +<p>Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit +artikel—wat zoo dikwijls geschiedt—niet scherp genoeg van +elkander heeft weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht +van den auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den +vertaler op zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft +gegeven (nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend +vertalingsrecht in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de +bepalingen zelf.</p> +<p>Het artikel spreekt van <i>geoorloofde</i> vertalingen +(<i>traductions licites</i>), waarmede bedoeld zijn vertalingen, +waarvan de verspreiding niet in strijd is met het uitsluitend +vertalingsrecht van den oorspronkelijken auteur. Er bestaat echter, +zooals reeds in dit proefschrift is opgemerkt (pp. 179, 180), geen +grond om den vertaler het recht op zijne vertaling te onthouden in de +gevallen, dat hij door de uitoefening van dat recht met het uitsluitend +vertalingsrecht van den auteur van het werk in botsing zou komen. Beide +rechten dienen onafhankelijk van elkander erkend te worden. Niet alleen +uit doctrinair oogpunt is het woordje „licite” af te +keuren; het bracht ook practische bezwaren bij de toepassing. Tot de +„geoorloofde” vertalingen behooren natuurlijk ook degenen, +die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend vertalingsrecht +meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene toestemming +behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886 is de duur +van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk dezelfde. +Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de auteur van het +oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land +„geoorloofd” was (omdat daar de termijn voor het +vertalingsrecht was verstreken) en in het andere land, waar het +vertalingsrecht <span class="pagenum">[<a id="xd20e11321" href= +"#xd20e11321" name="xd20e11321">340</a>]</span>nog voortduurde, en dus +de toestemming van den auteur gevraagd had moeten worden, +„ongeoorloofd”. Was zulke eene vertaling nu in het Verbond +beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig op +aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren van +het besproken artikel de aandacht te vestigen<a class="noteref" id= +"xd20e11323src" href="#xd20e11323" name="xd20e11323src">31</a>.</p> +<p>Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door +uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler +alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde +opvoering, voor ’t geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en +uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9; hier +wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een tooneelstuk +om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van het stuk te +verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den vertaler. +Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.</p> +<p>Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de +Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te laten +vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval, waarop de +bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen voordoen, +wanneer—wat deze Regeering eveneens voorstelde—het +uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou zijn +gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een werk +wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond<a class= +"noteref" id="xd20e11337src" href="#xd20e11337" name= +"xd20e11337src">32</a>. Doch ook al was deze laatste wijziging in de +nieuwe Conventie niet tot stand gekomen, bestond er alle reden om de +bepaling te doen verdwijnen. Het spreekt vanzelf dat een vertaler geen +recht heeft, zich tegen het uitgeven van andere vertalingen te +verzetten, daar het object van zijn recht is: de door hemzelf gemaakte +vertaling. Het recht om zich tegen de uitgave van andere vertalingen te +verzetten (dus: het uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen +den auteur van het oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een +vertaler hebben overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie +zich niet in te laten, en allerminst in een artikel dat het recht van +den vertaler op zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde +dooreenhaspeling van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake +was. <span class="pagenum">[<a id="xd20e11342" href="#xd20e11342" name= +"xd20e11342">341</a>]</span></p> +<p>Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn een +goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In de +plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de plaats +waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie +beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat +noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: +„onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijk +werk”, hetgeen evengoed had kunnen wegblijven. Verkeerde +gevolgtrekkingen zijn uit deze woorden echter niet te maken, en daarom +kan men er vrede mede hebben.</p> +<p>Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele +Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 j<sup>o</sup> lid 3 Conventie 1908). +Onze wet, die, zeer juist, „vertalers ten opzichte van hunne +vertaling” met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in +overeenstemming. Op dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden +met het oog op het toetreden van ons land tot de Conventie.</p> +<p>Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen +en verzamelwerken.</p> +<p>Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst +(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman +tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een ets +naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling toepasselijk. +De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen beschermd +worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden arbeid; en niet +min of meer vermomde namaken of nadrukken van het origineel. Aan dit +laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet, een nieuwe +uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker op +auteursrecht aanspraak kunnen maken.</p> +<p>De bepaling laat echter—wat trouwens in deze materie niet +anders kan—eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap +en jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal in +het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De +inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere—min of meer +van elkaar afwijkende—bepalingen bevatten, die voorzoover zij met +het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit +andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.</p> +<p>Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich +(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11358" href="#xd20e11358" name= +"xd20e11358">342</a>]</span>te beschermen. Eene uitdrukkelijke +wetsbepaling is hiervoor niet noodig, mits er eenige waarborg zij, dat +die bescherming in voorkomende gevallen werkelijk zal worden verleend. +Of dit in ons land bij de bestaande wetgeving het geval is, mag worden +betwijfeld. De wet zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich +zoover mij bekend, nog nooit duidelijk hierover uitgesproken<a class= +"noteref" id="xd20e11360src" href="#xd20e11360" name= +"xd20e11360src">33</a>. Wil derhalve ons land de verplichting, welke de +bepaling oplegt, getrouw nakomen, dan zal eene uitdrukkelijke +vermelding van de genoemde werken in onze wet (waartegen waarschijnlijk +niemand eenig bezwaar zal hebben) gewenscht zijn.</p> +<p>Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in +artikel 4 eene bepaling, die—eenmaal tot wet +verheven—volkomen aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan +hem, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door +eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, +wordt daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt +door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige +auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen +aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter, +zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.</p> +<p>Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog: +verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault +wordt hierover o. a. opgemerkt: „<span lang="fr">Ce que +l’on veut protéger, c’est le travail qui a +consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan +déterminé, d’après un mode de groupement +plus ou moins ingénieux</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e11370src" href="#xd20e11370" name="xd20e11370src">34</a>. Wat +hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor de +verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een +<i>auteurs</i>-product. Aan den rechter, voorgelicht door de +wetenschap, blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval +is, en men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde +maatstaf zal worden gebruikt.</p> +<p>Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken +„gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders” +(art. 2, <i>a</i>). Geen bescherming wordt dus verleend voor +verzamelingen van verschillende <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11383" href="#xd20e11383" name="xd20e11383">343</a>]</span>werken +van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van +„verzamelingen van verschillende werken”; met opzet zijn de +woorden „van verschillende auteurs” die in het Duitsche +voorstel, waaraan de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, +omdat men ook verzamelingen van werken, die van een en denzelfden +auteur afkomstig zijn, onder de bepaling wilde begrijpen<a class= +"noteref" id="xd20e11385src" href="#xd20e11385" name= +"xd20e11385src">35</a>. Op dit—trouwens niet zeer +belangrijke—punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met de +Conventie.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.1.3"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. +4, 5 en 6; Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; +Verklaring 1896 1<sup>o</sup> en 2<sup>o</sup>)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in +hoofdzaak het geheele systeem, waarop de internationale bescherming in +het Verbond berust.</p> +<p>Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke +werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten van +werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee voorgaande +artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle geschriften, +muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit de geheele +wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt zich alleen +het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats van +verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een van de +Verbondslanden thuis behooren.</p> +<p>De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft +den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken ten +deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken +die in de internationale betrekkingen moeten worden toegepast.</p> +<p>Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is van +het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit +beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen +het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht toe +te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel bestond +het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11411" href="#xd20e11411" name= +"xd20e11411">344</a>]</span>auteur, om in een ander land rechten van +wijder strekking te genieten dan die hem door de wet van zijn eigen +land werden verleend. Om dit zooveel mogelijk te voorkomen heeft men de +bepaling opgenomen, dat naast de lex fori op sommige punten ook eene +andere wet zou meetellen en wel de wet van het land waaruit het werk +afkomstig is. Bij de herziening van Berlijn is de invloed die aan deze +laatste wet door de Conventie 1886 was toegekend weliswaar weer +eenigermate ingekort, doch niet geheel weggenomen. Ook volgens de +Conventie 1908 moet de rechter dus behalve met de wet van zijn eigen +land rekening houden met die van het land, waaruit het werk afkomstig +is.</p> +<p>Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd +worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende +opzichten van belang is. Het „land van herkomst” (<i lang= +"fr">pays d’origine</i>) moet, wil de Conventie van toepassing +zijn, behooren tot de toegetreden staten; en bovendien is zijne +wetgeving van <span class="corr" id="xd20e11418" title= +"Bron: invoed">invloed</span> op de mate van bescherming, die het werk +in de andere Verbondslanden geniet.</p> +<p>Het is daarom noodig, dat het begrip „land van herkomst” +nauwkeurig vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 +lid 3 en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde +en <span class="corr" id="xd20e11423" title= +"Bron: niet-geplubliceerde">niet-gepubliceerde</span> werken: voor de +eerste geldt als land van herkomst dat waarin de publicatie heeft +plaats gehad (het stelsel dus van de nationaliteit van het werk), voor +de laatste dat waartoe de auteur behoort (nationaliteit van den +auteur). Over de beteekenis van deze beide uitdrukkingen: „tot +een land van het Verbond behoorend auteur” en +„gepubliceerde werken” dient eerst het een en ander te +worden gezegd.</p> +<hr class="tb"> +<p>1 „<i>Tot een Verbondsland behoorend +auteur</i>”—Deze uitdrukking (<i lang="fr">auteur +ressortissant à l’un des pays de l’Union</i>) werd +gekozen door de Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats +van de woorden „<i lang="fr">sujets ou citoyens</i>”, die +niet overeenkwamen met de in de verschillende wetgevingen gebruikte +termen<a class="noteref" id="xd20e11439src" href="#xd20e11439" name= +"xd20e11439src">36</a>. Zoowel de Commissie van 1884 als die van +1885<a class="noteref" id="xd20e11444src" href="#xd20e11444" name= +"xd20e11444src">37</a> verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11450" href="#xd20e11450" name= +"xd20e11450">345</a>]</span>„<i lang= +"fr">ressortissant</i>”, die in de Conventie herhaaldelijk +voorkomt (Conventie 1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie +1908 art. 4 lid 1, art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme +„<i lang="fr">appartenant</i>” (C. 1886 art. 3; C. 1908 +art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als: „<i lang="fr">qui ont +l’indigénat</i>”.</p> +<p>Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke +verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men wilde +uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De band, die +hier wordt bedoeld, is die van de <i>nationaliteit</i> of van het +<i>onderdaanschap</i><a class="noteref" id="xd20e11468src" href= +"#xd20e11468" name="xd20e11468src">38</a>. Bij Duitsche schrijvers +vindt men hiervoor de termen: <i lang="de">staatszugehörig</i> en +<i lang="de">angehörig</i>, en ook wel: +<i>heimatberechtigt</i><a class="noteref" id="xd20e11492src" href= +"#xd20e11492" name="xd20e11492src">39</a>; de Fransche spreken ook van: +<i>nationaux</i><a class="noteref" id="xd20e11512src" href= +"#xd20e11512" name="xd20e11512src">40</a>. Dat men zich aan eene +definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk, daar elke +staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe behooren en +welke daarvan de gevolgen zijn.</p> +<p>De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot +criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats; op de +moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze aansluiting +zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik wil er hier +slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de Conventie zal zijn +aangesloten, onder de „tot den Nederlandschen staat behoorende +auteurs” gerekend zullen moeten worden niet alleen de +„Nederlanders” volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. +268), maar daarenboven zij, die sommige schrijvers +„onderdanen” noemen, hoewel zij volgens art. 12 van de wet +van 1892 tot de „<span class="corr" id="xd20e11526" title= +"Bron: vreemdedelingen">vreemdelingen</span>” behooren, en +waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche en daarmede +gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië<a class="noteref" +id="xd20e11529src" href="#xd20e11529" name="xd20e11529src">41</a>. In +een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp +wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van +Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend<a class="noteref" id= +"xd20e11535src" href="#xd20e11535" name="xd20e11535src">42</a>. Indien +dit ontwerp vóór onze toetreding tot de Conventie wet is +geworden, zal <span class="pagenum">[<a id="xd20e11540" href= +"#xd20e11540" name="xd20e11540">346</a>]</span>men het woord +„ressortissants” met betrekking tot ons land kunnen +vertalen met „Nederlandsche onderdanen”, wat dan zal +beteekenen: allen, die naar ons recht niet tot de vreemdelingen +behooren.</p> +<hr class="tb"> +<p>2 <i>Publiceeren</i>—Over de beteekenis van het woord +„<i lang="fr">publier</i>” in de Conventie heerschte +vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de +uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder +verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook +door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime +opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den +afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar +aanleiding van het woord <i lang="fr">éditeur</i> in art. 3, +waaronder deze afgevaardigde meende te moeten verstaan niet alleen een +uitgever in den gewonen zin van het woord, maar ook b.v. een +schouwburg-ondernemer<a class="noteref" id="xd20e11555src" href= +"#xd20e11555" name="xd20e11555src">43</a>. Hoewel deze opvatting niet +werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in 1884 algemeen +werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de Conferentie van +Parijs: „<span lang="fr">On tenait avant tout à aboutir, +c’est pourquoi aucune voix ne s’éleva pour +réclamer contre cette +interprétation</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e11564src" href="#xd20e11564" name="xd20e11564src">44</a>; en deze +zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking van artikel 2 +opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie eene mondelinge +publicatie (<i lang="fr">par la parole</i>) van een letterkundig werk +niet erkent<a class="noteref" id="xd20e11572src" href="#xd20e11572" +name="xd20e11572src">45</a>. Ik meen daarom, dat ook vóór +1896 de uitdrukking „publier” in de Conventie de beteekenis +had van „in druk verschijnen” en dat daaronder niet viel +op- en uitvoering en tentoonstelling<a class="noteref" id= +"xd20e11577src" href="#xd20e11577" name="xd20e11577src">46</a>.</p> +<p>In Parijs is echter voor de staten, die de <i>Verklaring</i> hebben +geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de Duitsche +afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld, waarin de +wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip „<i lang= +"fr">publication</i>” nauwkeuriger vast te stellen<a class= +"noteref" id="xd20e11595src" href="#xd20e11595" name= +"xd20e11595src">47</a>. In aansluiting hiermede werd in de +<i>Verklaring</i> (sub 2<sup>o</sup>) de interpretatie opgenomen, die +hierboven is weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de +Conventie 1908 (art. 4 laatste lid). <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11607" href="#xd20e11607" name="xd20e11607">347</a>]</span></p> +<p>Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in +druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een +„door den druk gemeen gemaakt” werk; tot de niet +gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. +tooneel- en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; +mondelinge voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, +zoolang zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn +gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie in +den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van plannen +en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke +vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de +<i>bouw</i> geene publicatie uitmaakt.</p> +<hr class="tb"> +<p>Wat als „land van herkomst” van een werk wordt beschouwd +is na bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is +het het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort; +voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats +gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen, +die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene als +land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn +heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de behandeling +van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk nog een ander +geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en buiten het +Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin de uitgave heeft +plaats gehad, als land van herkomst beschouwd; de gelijktijdige uitgave +buiten het Verbond heft dus de bescherming daarbinnen niet op. Deze +laatste bepaling komt voor het eerst voor in de Conventie 1908; er +bestaat echter geen reden om aan te nemen, dat volgens de oude +Conventie anders zou moeten worden beslist.</p> +<p>Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk +gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken, alleen +wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het +auteursrecht uitgaat<a class="noteref" id="xd20e11619src" href= +"#xd20e11619" name="xd20e11619src">48</a>.</p> +<p>Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden +samengevat.</p> +<p>De Conventie is toepasselijk op: 1<sup>o</sup> De niet door den druk +gemeen <span class="pagenum">[<a id="xd20e11635" href="#xd20e11635" +name="xd20e11635">348</a>]</span>gemaakte werken van auteurs, die tot +een van de landen van het Verbond behooren, en</p> +<p>2<sup>o</sup> De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig +van welke nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een +van de landen van het Verbond heeft plaats gehad.</p> +<p>Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den +druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen +van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken, +waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.</p> +<p>De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de +Conventie van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in +het volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de +wet aldaar verleent;</p> +<p>in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende +wetten voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming +van enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en +bovendien de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals +b.v. het vertalingsrecht).</p> +<p>In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel +vóór als ná de herziening van Berlijn) +weergegeven. Het is nu echter noodig enkele punten eenigszins +nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens gewezen kan worden op +hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.</p> +<hr class="tb"> +<p>Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil +bezighouden, is: de invloed van de wet van het land van herkomst van +een werk op de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden +geniet.</p> +<p>Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: +1<sup>o</sup> geen bescherming in de overige Verbondslanden wordt +verleend, wanneer niet in het land van herkomst de voorwaarden en +formaliteiten, die de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en +2<sup>o</sup> dat de duur van het auteursrecht in de andere +Verbondslanden dien van de wet van het land van herkomst niet kan +overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).</p> +<p>Over de beteekenis van de woorden „voorwaarden en +formaliteiten” (<i lang="fr">conditions et formalités</i>) +kan geen verschil van meening bestaan. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11668" href="#xd20e11668" name="xd20e11668">349</a>]</span>Met +„conditions” zijn bedoeld de materieele voorwaarden als +b.v. het voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige +gevallen door de wetten wordt geëischt; +„formalités” zijn de formeele voorwaarden, zooals +inzending van exemplaren of verklaringen<a class="noteref" id= +"xd20e11670src" href="#xd20e11670" name="xd20e11670src">49</a>.</p> +<p>Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in +de andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en +formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat +<i>alleen</i> in het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en +formaliteiten mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen +na is men het steeds over deze uitlegging der bepaling eens geweest; +van den aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te +stellen van het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle +Verbondslanden, hetgeen in de practijk immers slechts door zeer +weinigen zou worden gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs +op de Conferentie van Parijs: „<span lang="fr">le point de +départ et le but principal de la Convention de +Berne</span>”<a class="noteref" id="xd20e11687src" href= +"#xd20e11687" name="xd20e11687src">50</a>.</p> +<p>Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt +onmogelijk te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring +(1<sup>o</sup>) nog eens uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie +<i>alleen</i> in het land van herkomst de vervulling eischt van de door +de wet gevorderde voorwaarden en formaliteiten.</p> +<p>Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land +van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor de +berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2 Conventie +1886 kan de bescherming niet langer duren („<i lang="fr">ne peut +excéder</i>”) dan in het land van herkomst. Er is +gestreden over de vraag, of door deze woorden aan de Verbondsstaten de +verplichting wordt opgelegd, geen bescherming te verleenen, wanneer +deze in het land van herkomst heeft opgehouden, dan wel of de +binnenlandsche wetgeving, indien deze ook voor vreemde werken een +langeren termijn van bescherming stelt dan die van het land van +herkomst, mocht worden toegepast. Het lijdt m. i. geen twijfel of de +laatste opvatting is de juiste. Het, meermalen uitgesproken, beginsel +van de Conventie <span class="pagenum">[<a id="xd20e11705" href= +"#xd20e11705" name="xd20e11705">350</a>]</span>is altijd geweest, dat +zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den +Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving, +hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te +breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs, +van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen +van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de <i lang= +"fr">Déclaration</i>, waartoe de Zwitsersche delegatie een +voorstel had gedaan, onnoodig werd geacht<a class="noteref" id= +"xd20e11710src" href="#xd20e11710" name="xd20e11710src">51</a>.</p> +<p>De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming, d. w. +z. de bescherming die het werk <i>krachtens de Conventie</i> toekomt, +kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst +verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van +herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig +jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht +vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig +jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook buiten +de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.</p> +<p>De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede, +dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd is, +ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de +Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het +ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van +het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten +(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend is +volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien men +met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut van +de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende wet +niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste wordt niet +algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk eene andere +oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag in de andere +Verbondslanden <i>niet langer duren</i> dan in het land van herkomst: +dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land geen bescherming +wordt verleend, deze ook in de andere landen moet ontbreken. De +tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge gevolgtrekking +moeten <span class="pagenum">[<a id="xd20e11726" href="#xd20e11726" +name="xd20e11726">351</a>]</span>voeren, dat een werk, afkomstig uit +een land met een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. +p. m. a.), in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn +indien het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél +beschermd is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der +bescherming genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren +termijn van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.</p> +<p>Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, +dat er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. +Indien de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij +voor het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen, +behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie +zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een +auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die de +wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming +betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden) en +de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten dienst +staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen de wetten +van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming wordt +ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen van de +laatstgenoemde wet van toepassing.</p> +<hr class="tb"> +<p>De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel eene +gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4 Conventie +1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van art. 2 +Conventie 1886, luidt als volgt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het +eerste lid van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele +formaliteit onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn +onafhankelijk van het bestaan van bescherming in het land van herkomst +van het werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer +Overeenkomst, de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, +welke den auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, +uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming +wordt ingeroepen.</p> +</div> +<p>Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op dit +punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn was +voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en strekte om +ook den <i>duur</i> der bescherming in de andere Verbondslanden niet +langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11743" href="#xd20e11743" name= +"xd20e11743">352</a>]</span>van herkomst. Dit punt is in de Conventie +1908 afzonderlijk geregeld, en wel in artikel 7. Ik stel dus de +bespreking tot later uit, maar wensch hier reeds te vermelden, dat er, +wat den duur der bescherming betreft, aan den ouden toestand feitelijk +niets is veranderd. Volkomen onafhankelijkheid van de wet van het land +van herkomst heeft dus de Conventie 1908 niet gebracht. Wél +echter houdt het nieuwe artikel, zooals men ziet, de uitdrukkelijke +bepaling in, dat het ontbreken van bescherming—om welke reden dan +ook—in het land van herkomst geen beletsel is voor de bescherming +in de andere landen.</p> +<p>De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen, +nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de +bescherming wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van +„formaliteiten”, niet, zooals vroeger van +„voorwaarden en formaliteiten”; doch in het +commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met +„formalités” hetzelfde bedoelde als wat de Conventie +1886 noemde: „conditions et formalités”<a class= +"noteref" id="xd20e11748src" href="#xd20e11748" name= +"xd20e11748src">52</a>. Welke reden men had om de oude uitdrukking niet +meer in haar geheel over te nemen, wordt niet meegedeeld; +waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord „condition” +misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de +mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting +harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend +worden de „innerlijke voorwaarden” die als het ware tot het +recht zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te +zijn verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht +om een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen +uitkomen, had de Duitsche Regeering in plaats van „voorwaarden en +formaliteiten” willen lezen „formaliteiten en +<i>uiterlijke</i> voorwaarden” (<i lang="fr">conditions +extrinsèques</i>)<a class="noteref" id="xd20e11759src" href= +"#xd20e11759" name="xd20e11759src">53</a>. Tot die uiterlijke +voorwaarden behooren dan b.v. het voorbehoud, de vermelding van den +naam des auteurs en andere verklaringen of mededeelingen van dien aard +op de gedrukte exemplaren van het werk.</p> +<p>Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds—en ook op de +Conferentie van Berlijn—eens geweest; de moeilijkheid lag slechts +in het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11766" href="#xd20e11766" name= +"xd20e11766">353</a>]</span>spreekt van „formaliteiten” +zijn daaronder zonder twijfel ook de „uiterlijke +voorwaarden”, welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. +Voor een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men +zich in het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit +meer heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan +geen twijfel onderhevig, daar immers het <i>bestaan</i> van bescherming +aldaar niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van +voorwaarden en formaliteiten in de andere landen was men—zooals +hierboven is medegedeeld—reeds krachtens de Conventie 1886 +vrijgesteld. Dat de Conventie 1908 hierin verandering zou hebben +gebracht en dus eene belemmering voor de bescherming zou hebben +ingevoerd, die vroeger niet bestond, zal wel niemand, die zich van de +beteekenis en het doel der Berlijnsche herziening eenigermate op de +hoogte heeft gesteld, durven beweren.</p> +<p>Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de +Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond een +einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat +ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten, die in het +eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is alleen +sprake van de bescherming, die de <i>tot een der Verbondslanden +behoorende auteurs</i> genieten in alle landen van het Verbond, +<i>behalve in het land van herkomst</i> van het werk. Artikel 4 beslist +dus niets ten aanzien van de bescherming die de tot een der +Verbondslanden behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van +het werk; en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke +niet tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land +van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende +bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide +artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te +worden.</p> +<p>Artikel 5 is als volgt geredigeerd:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, +en hunne werken voor de eerste maal publiceeren in een ander +Verbondsland, hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de +inlandsche auteurs.</p> +</div> +<p>Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men +achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land +van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig, dat +de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11787" href="#xd20e11787" name= +"xd20e11787">354</a>]</span></p> +<p>De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der +bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de +motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke +de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde +stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat +aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te +zeggen genationaliseerd zou zijn<a class="noteref" id="xd20e11790src" +href="#xd20e11790" name="xd20e11790src">54</a>. Met deze overweging +hebben alle Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het +Commissieverslag<a class="noteref" id="xd20e11795src" href= +"#xd20e11795" name="xd20e11795src">55</a>, kunnen vereenigen en het +voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat de redactie eenigszins was +gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.</p> +<p>Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op het +oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk <i>niet</i> dat +is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet met +de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor zijne +onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land zelf +heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel der +Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene bepaling +in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet op de +bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht, daar +in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door de wet +aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is dit echter +ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden waarom +ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.</p> +<p>De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er +wordt eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten +als voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling +dus van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de +inlandsche auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere +rechten, die in de Conventie zelve omschreven zijn.</p> +<hr class="tb"> +<p>De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het +Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen +dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst +daarbinnen <span class="pagenum">[<a id="xd20e11811" href="#xd20e11811" +name="xd20e11811">355</a>]</span>zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo +onder de Conventie 1886, met dit belangrijke verschil echter, dat +volgens de oude bepaling (Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht +toekwam niet aan den auteur, maar aan den uitgever. Het motief voor +deze zonderlinge bepaling was vooral geweest, dat men het den auteurs +van landen, die nog niet tot het Verbond zouden zijn toegetreden, niet +te gemakkelijk wilde maken, daar hierdoor het belang, dat die landen +erbij zouden hebben om alsnog toe te treden, aanzienlijk zou +verminderen; de werken dezer auteurs zouden wel in het Verbond +beschermd zijn, maar niet zij, doch de uitgevers, die dan toch in elk +geval binnen het Verbond gedomicilieerd zouden zijn, zouden van die +bescherming mogen genieten<a class="noteref" id="xd20e11813src" href= +"#xd20e11813" name="xd20e11813src">56</a>.</p> +<p>De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde, +is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij de +uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen het +Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever het +auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever +dit recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had +meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den auteur +had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met de +allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag +liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling alleen +sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had verleend. +Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever overdragen, daar +hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de auteur, wanneer hij +zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden kon stellen ten aanzien +van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht dan wel of de uitgever ook +hierover, onafhankelijk van den auteur, kon beschikken. Neemt men het +eerste aan (dat dus de auteur den uitgever bij contract kon verplichten +slechts enkele der uit het auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit +te oefenen, terwijl hij de overige aan zich kon houden), dan zou de +bepaling practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien +het auteursrecht direct aan den auteur ware verleend. De eenige +moeilijkheid, welke hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou +dan zijn, dat hij, om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij +ingewikkeld <span class="pagenum">[<a id="xd20e11820" href= +"#xd20e11820" name="xd20e11820">356</a>]</span>contract met een binnen +het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk geval kon m. i. +de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid was, met dezen +contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur, het volle +auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook moge +geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.</p> +<p>Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder +uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden<a class= +"noteref" id="xd20e11824src" href="#xd20e11824" name= +"xd20e11824src">57</a>. Hieraan was het zeker voor een goed deel te +danken, dat er aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in +bescherming nam; de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, +strekten alle, om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan +de auteurs te verleenen<a class="noteref" id="xd20e11832src" href= +"#xd20e11832" name="xd20e11832src">58</a>. In dezen zin werd ook +besloten. De Add. Acte 1896 bracht nu de volgende lezing van het oude +art. 3:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond +behooren, maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst +in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren, +genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de +tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.</p> +</div> +<p>De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele +veranderingen gebracht. Alleen werd—evenals ten aanzien van de +tot het Verbond behoorende auteurs was geschied—onderscheid +gemaakt tusschen de bescherming in het land van herkomst (in dit geval +dus het land waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal +gepubliceerd heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling +werd als volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De niet tot een der landen van het Verbond behoorende +auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen +publiceeren, genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche +auteurs, en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de +tegenwoordige Overeenkomst verleent.</p> +</div> +<p>De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken +binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een der +Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben zij in het +land van herkomst „dezelfde rechten als de inlandsche +auteurs”—eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene +toelichting meer behoeft—en in de overige Verbondslanden +„de rechten, <span class="pagenum">[<a id="xd20e11851" href= +"#xd20e11851" name="xd20e11851">357</a>]</span>welke de tegenwoordige +Overeenkomst verleent”, hetgeen dus insluit: behandeling in elk +land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel +voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2) +benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve +omschrijft.</p> +<hr class="tb"> +<p>Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na te +gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van ons land +bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen tot de +Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en van de Add. +Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit kan m. i. veilig +geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit +theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een of +meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals zij +in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis, die de +Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat de +bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt van +die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden en +formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven te +worden.</p> +<p>Indien—wat te hopen is—de formaliteiten, die onze wet nu +nog eischt, vóór onze toetreding tot het Verbond zullen +zijn afgeschaft, zal tegen aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der +Conventie wel door niemand bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn +geschied, dan bestaat er evenmin eenige reden, om aan het stelsel der +Conventie 1886 boven het gewijzigde de voorkeur te geven, daar men +hiermede toch niet zou kunnen verhinderen, dat hier te lande +bescherming zou moeten worden verleend aan werken waarvoor geen +formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit de Verbondslanden, waar +de wet ze niet eischt, welke landen verreweg de meerderheid vormen); +terwijl voor de auteurs van uit Nederland herkomstige werken het gevolg +zou zijn, dat zij bij verzuim van de door onze wet gestelde voorwaarden +en formaliteiten niet alleen hier, maar ook in het geheele Verbond, +bescherming zouden moeten missen.</p> +<p>Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft +gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking reeds +gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en +verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze +door <span class="pagenum">[<a id="xd20e11861" href="#xd20e11861" name= +"xd20e11861">358</a>]</span>nieuwe, daarvan afwijkende regels. +Volledigheidshalve wil ik ze nog even opsommen:</p> +<p>1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt +tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die in +de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de +Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd +zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).</p> +<p>2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere +Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden +gemaakt, ook: „de rechten welke uitdrukkelijk door de +tegenwoordige Overeenkomst worden toegekend” (art. 4 lid 1). Dit +is uitsluitend terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de +Conventie 1886 konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden +zij niet in art. 2 genoemd.</p> +<p>3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van „auteurs of hunne +rechtverkrijgenden” is dit in de Conventie 1908 overal (niet +alleen in de hier besproken artikelen) veranderd in +„auteurs”. De toevoeging „of hunne +rechtverkrijgenden” werd overbodig geacht, daar immers de +vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist +wordt<a class="noteref" id="xd20e11869src" href="#xd20e11869" name= +"xd20e11869src">59</a>.</p> +<p>4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond +en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie 1886 +niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van het +Verbond alleen als land van herkomst geldt.</p> +<p>Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan, +om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan dit +het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in de +Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het +Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3) +aan de <i>uitgevers</i> verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover +reeds is gezegd, geene toelichting meer.</p> +<p>Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding +tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908 +zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit +zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het Ontw. +B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11887" href="#xd20e11887" name= +"xd20e11887">359</a>]</span>onderscheid maakt tusschen door den druk +gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen gemaakte werken (<i lang= +"fr">oeuvres publiées</i> en <i lang="fr">oeuvres non +publiées</i>), kunnen deze twee categorieën ook bij dit +onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.</p> +<hr class="tb"> +<p>1 <i>Niet door den druk gemeen gemaakte werken</i>—Artikel 27 +van de W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den +druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in +<span class="corr" id="xd20e11903" title= +"Bron: Nederlandsch-Indiê">Nederlandsch-Indië</span> +woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling bij onze toetreding +behouden blijft, dan zal zij door de Conventie in zooverre worden +aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op alle niet door den +druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot een der andere +Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve zullen in dat +geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland de +onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig zijn, +en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de Conventie +zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet door den druk +gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die in een ander +land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet) woonachtig +zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt, beschermt deze +werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven gezien hebben, +geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming van de +onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het gestelde +geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in +Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande <i>niet</i> beschermd +zijn, terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een <i>uit +Nederland herkomstig</i> werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou +vinden. Daarentegen zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, +indien de in Duitschland wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher +was, daar in dat geval niet Nederland, maar Duitschland het „land +van herkomst” zou wezen en dus hier te lande art. 4 lid 1 der +Conventie erop toepasselijk zou zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van +het domicilie-stelsel onzer wet bij aansluiting tot de Conventie tot +onredelijke gevolgen zou leiden en dat het dus beter ware +daarbij—of in de plaats daarvan—het nationaliteitsstelsel +in te voeren, temeer daar dit laatste ook om andere, reeds door mij +genoemde redenen, de voorkeur verdient.</p> +<p>De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11914" href="#xd20e11914" name= +"xd20e11914">360</a>]</span>aanzien der mondelinge voordrachten (waarop +zij toepasselijk is indien de voordracht in Nederland of +Nederlandsch-Indië is gehouden)<a class="noteref" id= +"xd20e11916src" href="#xd20e11916" name="xd20e11916src">60</a> kan hier +buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden +is, is op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen +invloed. Is een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de +Conventie eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van +herkomst), al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in +Nederland gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens +de Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst +heeft.</p> +<p>Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den +Nederlandschen rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid +worden gemaakt tusschen twee gevallen:</p> +<p><i>a</i>) Nederland is volgens de Conventie het „land van +herkomst”. De Conventie trekt zich in dat geval het lot van het +werk in Nederland zelf niet aan; de bescherming berust derhalve +uitsluitend op de Nederlandsche wet.</p> +<p><i>b</i>) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot +„land van herkomst”. In dat geval kan de auteur krachtens +art. 4 lid 1 der Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak +maken op:</p> +<p>1<sup>o</sup> alle rechten, die onze wet toekent, en</p> +<p>2<sup>o</sup> de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk +toekent (vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet +hierbij in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1<sup>o</sup> +genoemde rechten betreft, de <i>duur</i> daarvan niet langer kan zijn +dan die, welke in het land van herkomst van het werk geldt. Meerdere +bijzonderheden hierover zullen nog hieronder, bij de behandeling van +art. 7 der Conventie, worden medegedeeld.</p> +<hr class="tb"> +<p>2 <i>Door den druk gemeen gemaakte werken</i>—Deze werken +vinden volgens onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande +bescherming, indien zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn +gedrukt en door den druk gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze +bepaling, gesteld dat men haar onveranderd liet, na onze toetreding tot +de Conventie zou hebben, goed in te zien, is het weer noodig van +elkander te onderscheiden het geval dat Nederland het land van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e11952" href="#xd20e11952" name= +"xd20e11952">361</a>]</span>herkomst van het werk is volgens de +Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot +land van herkomst heeft.</p> +<p>Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen +gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie <i>uit +Nederland herkomstige werken</i> zijn en als zoodanig in alle andere +Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland zelf +bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen +Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven dus, +ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is, wat de +bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de Nederlandsche +wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van art. 27 W. A. R. +zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te zijn, niet alleen +aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt moeten worden; +bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt (inzending van +twee exemplaren van het werk bij het Departement van Justitie benevens +van eene verklaring van den drukker, dat het werk op zijne in het Rijk +gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10) vervuld moeten +worden.</p> +<p>De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking +hebben op de bescherming in het land van herkomst van door den druk +gemeen gemaakte werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende +auteurs. Zoowel de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden +behooren (art. 5) als die, welke tot geen der landen van het Verbond +behooren (art. 6) genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de +eerste maal door den druk wordt gemeen gemaakt, „dezelfde rechten +als de inlandsche auteurs.” Men ziet, dat deze bepaling in het +gestelde geval ten aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. +Wat de Conventie eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van +vreemdelingen en eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds +volgens onze wet, daar zij ten aanzien der door den druk gemeen +gemaakte werken geen onderscheid maakt tusschen Nederlanders en +vreemdelingen. Derhalve zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken +alhier deden uitgeven, aan de bovengenoemde voorwaarden en +formaliteiten van onze wet gebonden blijven.</p> +<p>Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond +door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere +Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de +volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11963" href="#xd20e11963" name= +"xd20e11963">362</a>]</span>wet toekent en daarenboven de uitdrukkelijk +door de Conventie verleende rechten), maar ook alhier van alle +voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn (art. 4 lid 2, art. +6).</p> +<p>Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de +eisch, dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending +bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de +Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de, toch +al twijfelachtige<a class="noteref" id="xd20e11968src" href= +"#xd20e11968" name="xd20e11968src">61</a>, reden van bestaan dezer +bepalingen nog aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit +zouden hier beschermd zijn alle werken, die in een der andere +Verbondslanden zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in +Nederland zelf laten verschijnen, zouden—voor de bescherming in +Nederland—zich de vervulling der formaliteiten hebben te +getroosten. En wat het vereischte betreft, dat het werk in Nederland +moet zijn gedrukt, dit zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat +er tegen het laten drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar +bestaat en men toch op bescherming van het werk in ons land prijsstelt, +dan zal de aangewezen weg zijn, ook de <i>uitgave</i> in het buitenland +(mits binnen het Verbond) te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in +Duitschland is gedrukt, zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever +uitkwam, in Nederland <i>niet</i> beschermd zijn; wél echter, +indien het ook in Duitschland werd uitgegeven. Uitgave in Duitschland +in plaats van in Nederland zou bovendien nog het voordeel opleveren, +dat de bescherming—ook die in Nederland—van geene +formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl ook de uitgebreidheid der +bescherming in Nederland erdoor zou winnen, daar het werk dan als +„uit een ander Verbondsland herkomstig”, ook de +uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds +nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn er +Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland, maar in +een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de bescherming in +het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog hiervan weerhoudt, +is dat zij daardoor de bescherming in Nederland zelf verbeuren. Dit +laatste zal echter, wanneer ons land bij het Verbond zal zijn +aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel: hun werk zal, +zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e11977" href="#xd20e11977" name= +"xd20e11977">363</a>]</span>werk, d.w.z. uit een ander Verbondsland +afkomstig, in Nederland nog beter beschermd zijn dan indien het in +Nederland was uitgegeven.</p> +<p>Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft, +deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de in +Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de +bescherming overal verleend wordt <i>onafhankelijk</i> van die in het +land van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht +geen verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander +Verbondsland als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin +vergissen. Indien ons land op het punt van het vertalingsrecht zich +houdt aan de oude regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg +zijn, dat een uit Nederland herkomstig werk in alle andere +Verbondslanden slechts tien jaar tegen vertalingen is beschermd, +terwijl een werk, afkomstig uit een land dat de Conventie 1908 +onvoorwaardelijk heeft aanvaard, zoolang het auteursrecht duurt tegen +vertalingen beschermd is. En behalve deze zullen er, zooals hieronder +zal blijken, nog meer redenen kunnen zijn, waarom de auteurs ons land +niet als het meest gewenschte „land van herkomst” van hunne +werken zullen beschouwen.</p> +<p>Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het +bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien ons +land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde +bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter +beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze +wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een +reden zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der +andere Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans +bestaat in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze +kans reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke +formaliteit van inzending van twee exemplaren van elk werk en de +voorwaarde, dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt +moet zijn, te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling +bestaat des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, +dat er na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk +meer in Nederland om zal worden gedrukt. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e11986" href="#xd20e11986" name="xd20e11986">364</a>]</span></p> +<p>Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. <span class= +"corr" id="xd20e11989" title="Bron: R.">B.</span> K. in verband met de +artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het bovenstaande +overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881, met het door +de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er wordt geen +onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk gemeen +gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:</p> +<p><i>a</i>) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië +<i>woonachtige</i> auteurs (hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is +opgemerkt ten aanzien der analoge bepaling in W. A. R.);</p> +<p><i>b</i>) de in Nederland of Nederlandsch-Indië +<i>vervaardigde</i> kunstwerken.</p> +<p>Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd +zijn:</p> +<p><i>a</i>) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, +die tot een der Verbondslanden behooren;</p> +<p><i>b</i>) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het +eerst door den druk zijn gemeen gemaakt.</p> +<p>Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:</p> +<p><i>c</i>) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal +in Nederland door den druk gemeen lieten maken.</p> +<p>De onder <i>a</i> en <i>b</i> genoemde werken zouden hier beschermd +zijn zonder eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der +onder <i>c</i> genoemde auteurs.</p> +<p>Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven tot +bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene +beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk dertig +dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of wel +openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe van +tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is (pp. +273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid dezer +bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel voorbeeld +slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare handhaving in +het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding tot de Conventie. +Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het land en verzuimt binnen +dertig dagen eene beschrijving ervan in te zenden. Gevolg: verlies van +het auteursrecht in Nederland. In alle andere Verbondslanden echter is +het schilderij als een Nederlandsch werk (nl. een niet door den druk +gemeen gemaakt werk van een Nederlandsch auteur) wél beschermd. +Gesteld nu, dat daarna <span class="pagenum">[<a id="xd20e12036" href= +"#xd20e12036" name="xd20e12036">365</a>]</span>van hetzelfde schilderij +in Berlijn eene reproductie in het licht wordt gegeven, dan is het +geworden een door den druk gemeen gemaakt werk met Duitschland als land +van herkomst, en geniet het derhalve weer de bescherming in Nederland, +zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of formaliteit mag worden +gesteld. Een Franschman echter, die precies hetzelfde doet, zou ook +vóór de publicatie in Nederland beschermd zijn, daar men +in dat geval te doen zou hebben met een niet door den druk gemeen +gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch stellen wij nu, +dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar in Amsterdam door +den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de bescherming in Nederland +wederom verliezen. Immers dan zou Nederland het land van herkomst zijn +geworden en de Fransche auteur zou krachtens art. 5 der Conventie +slechts aanspraak kunnen maken in Nederland op dezelfde behandeling die +de Nederlandsche auteurs er genieten, hetgeen in dit geval zou +beteekenen: van alle bescherming verstoken te zijn. Uitgave in het land +zelf zou dus hier tengevolge hebben verlies van het auteursrecht, +terwijl in het eerstgenoemde geval door de uitgave in het buitenland +het auteursrecht alhier zou ontstaan!</p> +<hr class="tb"> +<p>De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de +volgende.</p> +<p>De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot +het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het +Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen of +te doen vervallen. Ons land <i>kan</i> dus lid worden van het Verbond +met bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. +en 7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der +Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien +van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn) +terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan de +bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in den +weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs en +uitgevers de slachtoffers zouden worden.</p> +<p>Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende +wijzigingen in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in +alle opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen: +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12049" href="#xd20e12049" name= +"xd20e12049">366</a>]</span></p> +<p>1<sup>o</sup> Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren +en beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning +dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk +gemeen gemaakte werken zonder eenige formaliteit;</p> +<p>2<sup>o</sup> Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid +onzer wet zijn gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is +op:</p> +<p><i>a</i>) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van +Nederlandsche onderdanen;</p> +<p><i>b</i>) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk +zijn gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou +ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid W. A. R. +voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker onderteekende +verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is +gedrukt.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.1.4"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 +art. 2 lid 2)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De regeling van den duur der bescherming volgens de +Conventie 1886 is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de +punten, waarop de bepalingen van de wet van het land van herkomst van +een werk van invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in +de andere landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen +de wet van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die +den kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den +duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.</p> +<p>Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de +bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar +geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het land +van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een +amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht +betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele +Verbond zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd +opgemerkt, dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd +aangenomen, eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van +een land met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van +den langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12075" href="#xd20e12075" name= +"xd20e12075">367</a>]</span>beschermd zijn, wanneer het auteursrecht in +hun eigen land reeds een einde had genomen, terwijl daartegenover in +het eerstgenoemde land de vreemde auteurs zich met de bescherming van +korten duur tevreden zouden moeten stellen. Dit zou—zoo meende de +Fransche delegatie—voor sommige landen eene aanleiding kunnen +zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van korten duur in te +voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun nationaal standpunt +alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren<a class="noteref" id= +"xd20e12077src" href="#xd20e12077" name="xd20e12077src">62</a>.</p> +<p>De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het +Duitsche en het Fransche voorstel.</p> +<p>In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond +aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid van +het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De duur der bescherming, die door de tegenwoordige +Overeenkomst wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig +jaren na zijn dood.</p> +</div> +<p>Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede +lid van het artikel luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk +door alle landen van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur +geregeld worden door de wet van het land waar de bescherming wordt +ingeroepen en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, +niet mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg +slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen voor +zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.</p> +</div> +<p>De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van +vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet, +slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het +auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van +deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie +worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij de +bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden +voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is—zooals ik reeds +opmerkte—niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, +dat de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den +dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet de +verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12098" href="#xd20e12098" name= +"xd20e12098">368</a>]</span>te brengen. De Engelsche Regeering heeft +zich zelfs op de Berlijnsche Conferentie, bij monde van den +gedelegeerde Askwith, hare volle vrijheid van handelen op dit punt +uitdrukkelijk voorbehouden<a class="noteref" id="xd20e12100src" href= +"#xd20e12100" name="xd20e12100src">63</a>.</p> +<p>Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het +geheele eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te +houden en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de +bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu men +het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te +kunnen worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst +der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den dood +des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de +officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat +niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een +door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste staten +ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.</p> +<p>Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden +hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor +enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn van +drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het +recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen<a class="noteref" +id="xd20e12109src" href="#xd20e12109" name= +"xd20e12109src">64</a><span class="corr" id="xd20e12114" title= +"Niet in bron">)</span>, zijn met het uitgesproken beginsel niet in +strijd. Verder is de algemeene regel van het eerste lid van artikel 7 +niet toepasselijk op: photographieën en daarmede gelijksoortige +werken, nagelaten werken en anonieme of pseudonieme werken. De duur van +het recht op deze werken zal geregeld worden door de wet van het land, +waar de bescherming wordt ingeroepen, doch zal niet langer kunnen zijn +dan die, welke de wet van het land van herkomst vaststelt (art. 7 lid +3).</p> +<p>Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de +Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven (p. +350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur der +bescherming dien van het land van herkomst „niet kan +overtreffen” (<i lang="fr">ne peut excéder</i>) geldt ook +voor het nieuwe artikel 7 der Conventie 1908. Er is niet mede bedoeld +een absoluut verbod om langer bescherming te verleenen; doch het is +slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan de bescherming, die +<i>volgens hare bepalingen</i> wordt <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12125" href="#xd20e12125" name= +"xd20e12125">369</a>]</span>verleend, stelt. Op rechten, die buiten de +Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de bepaling dus niet +toepasselijk<a class="noteref" id="xd20e12127src" href="#xd20e12127" +name="xd20e12127src">65</a>.</p> +<p>De wet van het land van herkomst blijft dus op dit +ééne punt: de berekening van den duur der bescherming, +haar invloed op de bescherming in de andere Verbondslanden behouden. +Indien echter een werk in het land van herkomst in het geheel niet +beschermd is—hetgeen trouwens ingevolge de bepalingen van art. 2 +lid 3 Conventie 1908 wel niet dikwijls meer zal voorkomen—dan kan +dit niet meer, zooals onder de oude Conventie, een reden zijn om er ook +in de andere landen bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke +bepaling van het tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de +andere landen „onafhankelijk is van het bestaan van bescherming +in het land van herkomst van het werk” laat in dit opzicht geen +ruimte voor eenigen twijfel over.</p> +<hr class="tb"> +<p>Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld +naar aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in +ernstige overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van +vijftig jaar na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, +zooals uit het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch +schijnt het mij ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel +van onze wet, waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt +genomen voor de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven +dat van de Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan +ontegenzeggelijk ook nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide +stelsels is in een vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en +de slotsom was, dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om +aan het een boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie +echter tusschen de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle +staten, zoowel die reeds aangesloten waren als die zich later +aansluiten, zich ter bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij +neer te leggen. Dat trouwens ons land, door het stelsel van onze wet +prijs te geven, een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen +beweren. Het zal integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het +Verbond, ook uit zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het +auteursrecht van onze <span class="pagenum">[<a id="xd20e12137" href= +"#xd20e12137" name="xd20e12137">370</a>]</span>wet even lang duurt als +in de andere Verbondslanden. Behoud van ons systeem (vijftig jaar na de +uitgave en ten minste tot den dood des auteurs, indien deze zijn recht +nooit heeft overgedragen) na onze aansluiting zou tot gevolg hebben, +dat in het grootste gedeelte van het Verbond de uit Nederland +afkomstige werken veel korter beschermd zouden zijn dan die uit andere +landen. Dit zou dus alweer een reden kunnen zijn voor Nederlandsche +auteurs, om hunne werken niet hier, maar in een der andere +Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij aan deze werken een beter +„land van herkomst” zouden kunnen bezorgen.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch7.2.2"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen</h4> +<div class="div4" id="ch7.2.2.1"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; +Conv. 1886 art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van +het uitsluitend vertalingsrecht in de internationale betrekkingen +behoeft niet meer gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner +Conventie was men hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: +„la disposition capitale et essentielle du projet”<a class= +"noteref" id="xd20e12147src" href="#xd20e12147" name= +"xd20e12147src">66</a> en later, op de Conferentie van Parijs: +„la question internationale par excellence”<a class= +"noteref" id="xd20e12152src" href="#xd20e12152" name= +"xd20e12152src">67</a>, en dat dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan +o. a. blijken uit de lange beraadslagingen, zoowel te Bern als te +Parijs en Berlijn over deze kwestie gehouden.</p> +<p>In het ontwerp der <i lang="fr">Association</i> was het uitsluitend +vertalingsrecht met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); +evenzoo in art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, +waarbij echter subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: +„indien van dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt +gebruik gemaakt.”</p> +<p>Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake bij +de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde +vraagpunten. Een dezer vragen luidde:</p> +<p>„Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn +aan die van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12166" href="#xd20e12166" name= +"xd20e12166">371</a>]</span>moet dan die duur niet voor het geheele +Verbond eenvormig worden vastgesteld?”</p> +<p>De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een +vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden en +Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk zou +maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van +eenstemmigheid van alle staten op dit punt<a class="noteref" id= +"xd20e12170src" href="#xd20e12170" name="xd20e12170src">68</a>.</p> +<p>Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel +van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren +geformuleerd:</p> +<p>1<sup>o</sup>. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een +uniforme termijn van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was +aangenomen, te beginnen op het tijdstip van de uitgave eener +geautoriseerde vertaling, en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar +na de uitgave van het oorspronkelijke werk plaats heeft. Een +maximumtermijn derhalve van dertien jaar na de uitgave van het +oorspronkelijke werk.</p> +<p>2<sup>o</sup>. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim +afkomstig voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave +van het oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de +taal, waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die +uitgave verschijnt.</p> +<p>3<sup>o</sup>. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen +gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel +was uitgesproken.</p> +<p>Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie +onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie +aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht +uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave der +vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk het +licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze voorwaarde +voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van haar voorstel +verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar oordeel, dat +„<span lang="fr">la tendance de l’époque est +à l’assimilation de la durée du droit exclusif de +traduction à celle du droit sur l’oeuvre +originale</span>”<a class="noteref" id="xd20e12197src" href= +"#xd20e12197" name="xd20e12197src">69</a>, doch dat de voorgestelde +redactie alleen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12202" href= +"#xd20e12202" name="xd20e12202">372</a>]</span>gekozen was, om de +toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet zoover gevorderd +was, mogelijk te maken.</p> +<p>In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van +Fransche zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling +aangedrongen, terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid +werd verklaard om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te +verleenen dan een vertalingsrecht van tien jaar<a class="noteref" id= +"xd20e12207src" href="#xd20e12207" name="xd20e12207src">70</a>.</p> +<p>Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie +vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche wetgevingen +over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en Italiaansche +afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door den auteur +goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen, weg te laten, +óf—indien men hiertoe niet kon besluiten—in elk +geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest +verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te +verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen +kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou +volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden gelaten +aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie te zeer +beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel werden ook +eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel werd +verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met het +beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming +hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie +zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van +overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten, +dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de +Conventie reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.</p> +<p>Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had +voorgesteld, in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien +jaren na de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al +of niet binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.</p> +<p>Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie +1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn van +tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e12218" href="#xd20e12218" name= +"xd20e12218">373</a>]</span>als een overgangsmaatregel beschouwd; men +stelde zich ermede tevreden, omdat nu eenmaal op het oogenblik niet +meer was te bereiken, en in de stellige verwachting, dat het slechts +eene kwestie van tijd was, het juiste beginsel in zijn geheel +doorgevoerd te krijgen. Dat hierover alle Berner gedelegeerden het eens +waren, blijkt wel uit den wensch, zoowel in 1884 als in 1885 +uitgesproken:</p> +<p>„<span lang="fr">Il y aurait lieu de favoriser autant que +possible la tendance vers l’assimilation complète du droit +de traduction au droit de reproduction en +général</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e12225src" href="#xd20e12225" name="xd20e12225src">71</a>.</p> +<p>Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de +Conferentie van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet +onbesproken zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den +eisch van „<i lang="fr">assimilation complète</i>”. +Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog niet volkomen rijp te zijn en +daarom werd, vooral ten gerieve van Engeland en Italië, weer een +middenweg gekozen nl. gelijkstelling in duur, doch op voorwaarde dat +binnen tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk eene door +den auteur goedgekeurde vertaling verschijnt in de taal, waarvoor de +bescherming wordt ingeroepen.</p> +<p>Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat +zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde +verklaringen<a class="noteref" id="xd20e12243src" href="#xd20e12243" +name="xd20e12243src">72</a>. Zelfs werd, om het den toekomstigen +herzieners der Conventie gemakkelijk te maken, de redactie van de +nieuwe bepaling zoodanig gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte +beginsel (volkomen gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) +zonder meer is vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de +beperkende voorwaarde inhoudt, welke men later hoopte te zien +verdwijnen. „<span lang="fr">Nos successeurs n’auront +qu’à supprimer tout ce qui suit cette +phrase</span>”, merkte Renault in zijn rapport daarbij +op<a class="noteref" id="xd20e12251src" href="#xd20e12251" name= +"xd20e12251src">73</a><span class="corr" id="xd20e12255" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer de +opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van zijne in +1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang +gekoesterden wensch constateeren<a class="noteref" id="xd20e12260src" +href="#xd20e12260" name="xd20e12260src">74</a>. Het voorstel was +uitgegaan van Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het +Berner <span class="pagenum">[<a id="xd20e12265" href="#xd20e12265" +name="xd20e12265">374</a>]</span>Bureau de werkzaamheden der +Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel (art. 8 Conventie 1908) +luidt nu als volgt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De tot een der landen van het Verbond behoorende +auteurs van niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke +voor de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in +de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht op het +oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken te vertalen of +tot de vertaling toestemming te verleenen.</p> +</div> +<p>Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van +Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel +ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend +vertalingsrecht—doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en +de overige Verbondslanden—geheel te doen vervallen. Als argument +voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche +taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen, dat +daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en zelden +voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de andere +beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig letterkundig +ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg werden gelegd. Tot +deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu ook het uitsluitend +vertalingsrecht te moeten rekenen<a class="noteref" id="xd20e12273src" +href="#xd20e12273" name="xd20e12273src">75</a>.</p> +<p>Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel +niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke +termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, +dat van aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk +wordt te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat +niet van een van de grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. +Bovendien werd opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend +vertalingsrecht in Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had +geleerd van hetgeen de Japansche delegatie vreesde. Nergens worden +ernstige vertalers door onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; +zij komen er juist eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij +de zekerheid hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen +zijn<a class="noteref" id="xd20e12281src" href="#xd20e12281" name= +"xd20e12281src">76</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12286" href= +"#xd20e12286" name="xd20e12286">375</a>]</span></p> +<p>Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich +bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds +toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er—tenzij het +geheel uit de Unie wil treden—geen andere weg voor dit land over, +dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van +het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige +auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring van +den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908 werd bij de +behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den Japanschen +gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien zin afgelegd. +Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan<a class= +"noteref" id="xd20e12289src" href="#xd20e12289" name= +"xd20e12289src">77</a>. Deze twee staten zullen dus bij de +bekrachtiging der Conventie 1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich +houden aan de bepaling van art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de +Add. Acte van Parijs.</p> +<p>Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de twee +eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben bekrachtigd en +die dus in de internationale betrekkingen nog slechts een +vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het ongewijzigde art. +5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908 onvoorwaardelijk +zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede plotseling in de +voorste rij zullen komen te staan<a class="noteref" id="xd20e12297src" +href="#xd20e12297" name="xd20e12297src">78</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend +vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht, dat +reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste werd +erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie 1886 +verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte +maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch +onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling +verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking wegnam +en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e12313" href="#xd20e12313" name= +"xd20e12313">376</a>]</span></p> +<p>Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die +zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over +deze keus—speciaal in verband met de toetreding van ons +land—zal zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik +wensch echter eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis +der genoemde Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk +niet—of tenminste niet terstond bij de aansluiting—het +nieuwe art. 8 onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de +bepalingen van 1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.</p> +<p>Het vertalingsrecht—en dit geldt voor alle drie de +regelingen—behoort tot die rechten, welke in de Conventie zelve +gecodificeerd zijn; of zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in +tegenstelling met de rechten die op de landswetten berusten, noemt: +„<span lang="fr">droits spécialement accordés par +la présente Convention</span>”. De bedoelde bepalingen +houden dus—zooals het door sommige schrijvers is +uitgedrukt—<i>dwingend materieel recht</i> in; d. w. z. het +vertalingsrecht geldt in het geheele Verbond binnen de grenzen, welke +de Conventie zelve daarvoor gesteld heeft, onafhankelijk van de +bepalingen, welke de inlandsche wetten op dit punt mochten bevatten. +Deze wetten zijn slechts toepasselijk, voorzoover dit uit de bepalingen +der Conventie valt op te maken. Art. 8 Conventie 1908 bepaalt b.v. dat +het vertalingsrecht evenlang duurt als „het recht op het +oorspronkelijke werk”; middellijk is dus ook de inlandsche wet +van het betreffende land van invloed, daar deze den duur van het recht +op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans meehelpt bepalen. De +bijzondere bepalingen, die de landswetten <i>op het vertalingsrecht</i> +mochten bevatten, worden echter door de Conventie geheel terzijde +gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel door deze wetten +voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten voor het +vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen<a class= +"noteref" id="xd20e12327src" href="#xd20e12327" name= +"xd20e12327src">79</a>. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12339" href= +"#xd20e12339" name="xd20e12339">377</a>]</span></p> +<p>Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een +minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit +de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond, +zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen +vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908 +(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij +de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie 1886 +gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang ten +aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte, daar +deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908, het +vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.</p> +<p>De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel +getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat +aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren +duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs +minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen, +indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De grond van +den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie in geen enkel +opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan, in slechter +conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden zijn. Indien de +wet van een land—zooals b.v. in Luxemburg het geval is—op +alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is en waar het +werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken uit de andere +Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover zij meer bescherming +verleenen dan de Conventie, voor den rechter van dit land kunnen worden +ingeroepen. Als men zich echter op de Conventie moet beroepen, dan moet +met den beschermingstermijn, dien de Conventie stelt, genoegen worden +genomen. Gesteld dus, dat Nederland tot de Conventie toetrad zonder het +nieuwe art. 8 Conventie 1908 te bekrachtigen, doch op den voet van het +oude art. 5 Conventie 1886, dan zou b.v. in Duitschland, waar de +Nederlandsche werken nú onbeschermd zijn, het uitsluitend +vertalingsrecht van deze werken slechts tien jaren duren, hoewel +volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met het auteursrecht in +tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het uitsluitend +vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, dat nú +krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche auteurs +genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond niet worden +opgeheven of verkort. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12344" href= +"#xd20e12344" name="xd20e12344">378</a>]</span></p> +<p>Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude +art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.</p> +<p>Het artikel—zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de +wijziging die er te Parijs in is gebracht—begint aldus:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De tot een der landen van het Verbond behoorende +auteurs of hunne rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het +uitsluitend recht hunne werken te vertalen, enz.</p> +</div> +<p>Alleen dus de werken van „tot een der landen van het Verbond +behoorende auteurs” worden genoemd. Dit beteekent echter niet, +dat de bepaling niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond +uitgegeven werken van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 +Conventie 1908 en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel +worden eenvoudig „de bepalingen dezer Conventie” op de +bedoelde werken toepasselijk verklaard en artikel 1, II Add. Acte, +waardoor dit artikel gewijzigd wordt, houdt in, dat de auteurs van deze +werken „de bescherming door de Conventie en de Additionneele Acte +verleend” zullen genieten. Hieronder is dus ook het uitsluitend +vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie 1908 is nog duidelijker en +spreekt van „de rechten, die door de tegenwoordige Conventie +worden toegekend”. Deze rechten kunnen echter alleen in de +<i>andere</i> landen, niet in het land van herkomst worden ingeroepen +(cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).</p> +<p>De termijn van tien jaar (zoowel die voor den <i>duur</i> van het +vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de +zoogenaamde „<i lang="de">Benützungsfrist</i>” van de +Add. Acte) wordt berekend naar het tijdstip der <i>uitgave</i>; hieruit +volgt, dat het vertalingsrecht van onuitgegeven werken niet aan een +bepaalden termijn wordt gebonden en derhalve evenlang duurt als het +auteursrecht in het algemeen. De redactie van het gewijzigde artikel +laat geen ruimte over voor eene andere uitlegging<a class="noteref" id= +"xd20e12369src" href="#xd20e12369" name="xd20e12369src">80</a>; wat het +artikel in zijne oude gedaante betreft zou men nog kunnen twijfelen, +daar hierin niet de gelijkstelling in duur van vertalings- en +auteursrecht als algemeene regel is vooropgesteld. Eene andere +uitlegging dan de bovengenoemde is echter moeilijk denkbaar en zou +hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van de ontwerpers der +bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor de onderstelling, +dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e12378" href="#xd20e12378" name= +"xd20e12378">379</a>]</span>werken toepasselijk zou zijn; en daar het +alleen voor uitgegeven werken een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt +het voor de hand, dat voor de andere (dus de niet-uitgegeven) werken +het <span class="corr" id="xd20e12381" title= +"Bron: vertalingsrechts">vertalingsrecht</span> duurt, zoolang het werk +overigens van de bescherming der Conventie geniet.</p> +<p>In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin +de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden +nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den +termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn +nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten +aan de woorden „aflevering” (<i lang="fr">livraison</i>) en +„verslagen of tijdschriften” (<i lang="fr">bulletins ou +cahiers</i>). Onder „livraison” verstond de Commissie van +1885, die het artikel geredigeerd heeft: „<span lang="fr">une +partie d’un ouvrage paraissant par fascicules successifs, qui ne +forme pas en elle même une publication séparée, +mais est si indissolublement liée au reste de l’ouvrage, +soit par la pagination, soit par son ensemble typographique, que le +défaut d’une seule livraison rendrait l’ensemble de +l’ouvrage incomplet et défectueux</span>”<a class= +"noteref" id="xd20e12395src" href="#xd20e12395" name= +"xd20e12395src">81</a>. Het Nederlandsche woord +„aflevering” geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men +spreekt hier echter ook van afleveringen van een tijdschrift: deze +zullen niet onder de „<span lang="fr">livraisons</span>” +maar onder de „<span lang="fr">cahiers ou bulletins</span>” +vallen.</p> +<p>Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de meer +nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende interpretatie. +Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken van auteurs die +tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven werken, waarvan +de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats gehad; terwijl +voorts—in overeenstemming met de bepalingen van art. 4 lid 1, +art. 5 en art. 6 Conventie 1908—onderscheid wordt gemaakt +tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige +Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het +artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar het +artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt, konden +de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886 geheel +vervallen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12410" href="#xd20e12410" +name="xd20e12410">380</a>]</span></p> +<p>Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend +vertalingsrecht der Conventie in verband met eene toekomstige +aansluiting van ons land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de +tegenstanders van onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht +gemunt; indien dit slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of +indien er een nòg korteren duur dan tien jaar (art<span class= +"corr" id="xd20e12413" title="Niet in bron">.</span> 5 Conventie 1886) +aan kon gegeven worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig +bezwaar tegen het toetreden van ons land maken.</p> +<p>Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd, +dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten eerlang +tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht zullen +overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de internationale +betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de erkenning +gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van eene +kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen de +houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen doen +denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond, +bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt te +denken.</p> +<p>Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond +blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886, een +vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat toetreding +op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de +tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche +Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen +deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige +internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men +heeft dezen landen—en hierbij had men vooral Rusland en Nederland +op het oog—het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen +maken, door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden, +waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het Verbond +zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling, waren +gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de +internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de +gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde +ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer +eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om in +dezelfde richting verder te gaan. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12420" href="#xd20e12420" name="xd20e12420">381</a>]</span></p> +<p>Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen +gedelegeerde Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche +Conferentie is afgelegd<a class="noteref" id="xd20e12423src" href= +"#xd20e12423" name="xd20e12423src">82</a>, mag men aannemen, dat het in +het voornemen onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om +met een vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 +Conventie 1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk +zal ook onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die +hier nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat, +slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte +goedkeuring verleenen.</p> +<p>Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond +in dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. +Wij zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van +internationaal auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij +bijna alle andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het +niet goed is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals +de andere landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met +een vertalingsrecht van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. +Later—wellicht nog vóórdat de eerste tien jaren +verstreken zijn—zou men dan tot invoering van den langeren +termijn kunnen overgaan.</p> +<p>Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te +groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch +eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even +langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat er +geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want, ook +afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard, zou +een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie 1908 +verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de oude +bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit +laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land +slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat +voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte +termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland +uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs) +zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken +uit andere <span class="pagenum">[<a id="xd20e12432" href="#xd20e12432" +name="xd20e12432">382</a>]</span>landen. Dit zou waarschijnlijk het, +reeds door mij genoemde, gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die +ook in het buitenland (en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen +en opgevoerd worden, hunne werken niet hier, maar in een ander +Verbondsland (b.v. België of Duitschland) zouden uitgeven. Des te +eerder zouden zij hiertoe kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander +Verbondsland, zooals wij hierboven gezien hebben, na onze toetreding +tot de Conventie niet meer het gevolg zou hebben, dat de bescherming in +Nederland zelf ophield.</p> +<p>Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor +pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908 +onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande den +nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar „om +mee te beginnen” waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als +een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu, dat +hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou kunnen +hebben.</p> +<hr class="tb"> +<p>Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de +Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige +auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5<i>a</i> j<sup>o</sup> art. 16, +1<sup>o</sup>); voor uitgegeven werken echter (en deze vormen +natuurlijk verreweg de belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf +jaar na de uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het op de +voorgeschreven wijze zij voorbehouden en dat de vertaling binnen drie +jaar verschenen zij (art. 5<i>b</i>). Deze bepalingen hebben echter, +zooals reeds is opgemerkt, geene practische beteekenis, daar onze wet +alleen toepasselijk is op in het Rijk door den druk gemeen gemaakte +werken. Zij zouden ook geen beletsel zijn voor de toetreding van ons +land tot de Conventie. Er zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die +in hunne binnenlandsche wetgeving onder het minimum bleven, dat de +Conventie voor het vertalingsrecht vaststelt (Duitschland +vóór de wet van 19 Juni 1901; Denemarken, dat in 1902 tot +de Conventie met de Add. Acte toetrad en eerst in 1904 zijne wetgeving +in overeenstemming hiermede wijzigde; Italië met een +vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een +„Benützungsfrist” van vijf jaar, hoewel beide staten +de Additionneele Acte hebben bekrachtigd).</p> +<p>Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is +uiteengezet, <span class="pagenum">[<a id="xd20e12454" href= +"#xd20e12454" name="xd20e12454">383</a>]</span>onafhankelijk van de +bijzondere bepalingen der inlandsche wetten op dit punt. Deze wetten +blijven dus in de gevallen, waar de Conventie toepasselijk is, buiten +toepassing en behoeven daarom ook niet aan zekere, door de Conventie te +stellen, eischen te voldoen<a class="noteref" id="xd20e12456src" href= +"#xd20e12456" name="xd20e12456src">83</a>. Ter wille der rechtseenheid +is het echter gewenscht, dat de inlandsche wet ook op dit punt met de +Conventie in overeenstemming zij. Daarom kan worden verwacht, dat +wanneer Nederland tot het Verbond toetreedt, in onze wet dezelfde +regeling zal worden overgenomen, die krachtens ons lidmaatschap van het +Verbond in de internationale betrekkingen zullen gelden, dus: óf +een vertalingsrecht van tien jaar (ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); +óf een vertalingsrecht van even langen duur als het overige +auteursrecht, mits binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling +verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd door Add. Acte 1896); +óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het vertalingsrecht +met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.2"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; +Conv. 1886 art. 7; Add. Acte 1896 art. 1, IV)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De omstandigheden, die tot het vaststellen van +bijzondere bepalingen voor het auteursrecht op in tijdschriften en +dagbladen gepubliceerde stukken aanleiding geven, doen zich ook in de +internationale verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder +aanhalingen en ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen +stellen. Het van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort +tot de internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche +bij de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden +gezien.</p> +<p>Hoewel nóch in het ontwerp der <i lang="fr">Association</i>, +nóch in dat van den Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke +bepaling hierover voorkwam, werd toch de kwestie op de Conferenties te +Bern van 1884 en 1885 aan de orde gesteld en langdurig besproken. In +1884 zegevierde een Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens +hetwelk ontleeningen aan tijdschriften en dagbladen zouden worden +vrijgelaten, behalve wat betreft feuilleton-romans en artikelen over +eenig <span class="pagenum">[<a id="xd20e12475" href="#xd20e12475" +name="xd20e12475">384</a>]</span>onderwerp van wetenschap of kunst, +terwijl het auteursrecht zou kunnen worden voorbehouden van andere +opstellen van eenigen omvang (<i lang="fr">articles de quelque +étendue</i>), onder welke laatste echter niet zouden worden +gerekend die over de politiek<a class="noteref" id="xd20e12480src" +href="#xd20e12480" name="xd20e12480src">84</a>.</p> +<p>In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen +verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine +redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie is +opgenomen.</p> +<p>Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit +dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van elken +aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft verboden. +Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (<i lang="fr">nouvelles +du jour</i>) en gemengde berichten (<i lang="fr">faits divers</i>) is +zelfs het stellen van een verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk +geval zonder toestemming van auteur of uitgever worden overgenomen.</p> +<p>Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden +afkeuring; het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder +dan vijf verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. +afkomstig van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en +Monaco<a class="noteref" id="xd20e12498src" href="#xd20e12498" name= +"xd20e12498src">85</a>. De Commissie kwam na lange beraadslaging ten +slotte tot eene redactie, waarin zooveel mogelijk met de verschillende +wenschen was rekening gehouden, doch waarbij zich België en +Italië slechts noodgedrongen neerlegden<a class="noteref" id= +"xd20e12503src" href="#xd20e12503" name="xd20e12503src">86</a>.</p> +<p>Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën +pers-bijdragen:</p> +<p><i>a</i>) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk +beschermd zijn;</p> +<p><i>b</i>) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet +mogen worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk +verklaren, dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is +overnemen in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, +dan mag het artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van +de bron;</p> +<p><i>c</i>) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde +berichten, waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12522" href="#xd20e12522" name= +"xd20e12522">385</a>]</span></p> +<p>Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid +over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom +verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland, +België, Engeland en Italië<a class="noteref" id= +"xd20e12525src" href="#xd20e12525" name="xd20e12525src">87</a>. Ook +duurde het lang, voordat men in den boezem der Commissie, die dit alles +te verwerken had, tot eenstemmigheid was gekomen<a class="noteref" id= +"xd20e12531src" href="#xd20e12531" name="xd20e12531src">88</a>. Het +resultaat was in ’t kort het volgende.</p> +<p>In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene +regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften +(„feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij +letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het +onderwerp ervan is”) niet zonder toestemming der auteurs +gereproduceerd mag worden.</p> +<p>Het staat echter aan een <i>dagblad</i> vrij, uit een ander +<i>dagblad</i> (van tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die +artikelen (geen feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan +de reproductie niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij +worden genoemd.</p> +<p>Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is op +nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige +persinformaties dragen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie +achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men de +verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden, een +oogenblik afzonderlijk beschouwt.</p> +<p>Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op het +auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting: het is +het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander overnemen van +artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren van handelingen, +die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op het auteursrecht +zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei aard te +beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van werken en +bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?—en ten +tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval +worden uitgestrekt? <span class="pagenum">[<a id="xd20e12556" href= +"#xd20e12556" name="xd20e12556">386</a>]</span></p> +<p>Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat +de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten en +mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de +reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze +werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht +betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat +hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in +het midden bracht: „<span lang="fr">Le régime +spécial adopté pour les nouvelles du jour et les faits +divers pourrait échapper à toute critique +sérieuse. On ne conçoit pas de droit d’auteur +là où il n’y a ni oeuvre littéraire, ni +création de l’esprit dans le sens élevé du +mot. Si donc il y a lieu de protéger les informations et les +faits divers contre les emprunts peu scrupuleux de certains journaux, +c’est dans une loi spéciale, et non pas dans une loi +relative au droit d’auteur, qu’il faut réaliser +cette protection. Elle échappe à l’objet propre de +notre matière</span>”<a class="noteref" id="xd20e12562src" +href="#xd20e12562" name="xd20e12562src">89</a>.</p> +<p>Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot +uitdrukking gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat „de +bescherming der Conventie” niet van toepassing is op nieuwtjes en +gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige pers-informaties +dragen. Er is op de Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, +eene bepaling op te nemen tegen het overnemen van telegraphische +berichten uit dagbladen<a class="noteref" id="xd20e12569src" href= +"#xd20e12569" name="xd20e12569src">90</a>. Doch men heeft ingezien, dat +men daarmede buiten het gebied van het auteursrecht zou treden. Daarom +is ook de bovengenoemde redactie gekozen van art. 9 laatste lid, waarin +duidelijk staat uitgedrukt, dat de Conventie zich met de bedoelde +berichten in het geheel niet inlaat en zich over het al of niet +rechtmatige van het overnemen ervan niet uitspreekt<a class="noteref" +id="xd20e12575src" href="#xd20e12575" name="xd20e12575src">91</a>. Dit +is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 op dit +punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten (en ook op politieke +artikelen, waarover straks) het <i>verbod van nadruk</i>, dat de auteur +of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon stellen, niet +toepasselijk <span class="pagenum">[<a id="xd20e12590" href= +"#xd20e12590" name="xd20e12590">387</a>]</span>was (art. 7 laatste +lid). Hieruit zou de verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, +dat het krachtens de Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten +uit dagbladen zonder toestemming van schrijver of uitgever over te +nemen, ook indien daarin b.v. een daad van deloyale concurrentie was te +zien. In hoofdzaak echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid +Conventie 1886 en Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op +hetzelfde neer hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde +berichten in geen geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook +verder buiten beschouwing blijven.</p> +<p>Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van +journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen noodig +zijn.</p> +<p>Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt +tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en de +Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in het +algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in +<i>tijdschriften en dagbladen</i> zijn verschenen, terwijl de Conventie +1908 uitsluitend daartoe rekent wat in <i>dagbladen</i> is verschenen. +Ten aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn, +dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting, +waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich +rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling der +journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een +publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver, +het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere +bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook voor +een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van een +dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal +gevoelen, om stukken uit andere bladen over te nemen.</p> +<p>De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe +bepaling der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.</p> +<p>Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk +na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden +gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn, +geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie +1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen, die der +Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.</p> +<p>Wij hebben dan te onderscheiden: <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12609" href="#xd20e12609" name="xd20e12609">388</a>]</span></p> +<p>1) feuilleton-romans en novellen,</p> +<p>2) artikelen over de politiek,</p> +<p>3) alle andere artikelen.</p> +<p>De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886 niet +genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de +journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden<a class="noteref" id= +"xd20e12618src" href="#xd20e12618" name="xd20e12618src">92</a>, wordt +veelal aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel +vielen en dat dus ook vóór de herziening van Parijs de +romans en novellen geen voorbehoud behoefden om niet te worden +nagedrukt. Zonder twijfel is dit ook te Bern de bedoeling geweest van +degenen, die het artikel hebben geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou +zijn af te leiden, dat eene op de Conferentie van 1886 door de Fransche +gedelegeerden voorgestelde, doch later weer ingetrokken +„Verklaring”, waarin deze interpretatie uitdrukkelijk was +uitgesproken, door degenen die er het woord over voerden voor overbodig +werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar slechts eene uitlegging +der bepaling bracht<a class="noteref" id="xd20e12633src" href= +"#xd20e12633" name="xd20e12633src">93</a>.</p> +<p>Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke +bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van +oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene +wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; „... il +n’y a pas vraiment innovation; la disposition est seulement +explicative”, merkte Renault dienaangaande in het +Commissie-rapport op<a class="noteref" id="xd20e12643src" href= +"#xd20e12643" name="xd20e12643src">94</a>.</p> +<p>Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat +feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren, +waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten (art. +9 lid 2).</p> +<p>Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste +gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport +van 1896 worden de novellen („<i lang="fr">nouvelles</i>”) +omschreven als: „<span lang="fr">de petits romans, de petits +contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent dans un seul +article de journal ou de revue</span>”<a class="noteref" id= +"xd20e12658src" href="#xd20e12658" name="xd20e12658src">95</a>. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12663" href="#xd20e12663" name= +"xd20e12663">389</a>]</span>De Engelsche vertaling is „<i lang= +"en">works of fiction</i>” en de Duitsche „<i lang= +"de">Novellen</i>”. Hier is dus ook ons woord +„novellen” op zijne plaats. De rapporteur van 1908 +verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving, dat de +Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar als tot deze +soort werken behoorende genoemd: „de petits dialogues, de petits +récits historiques, etc.”<a class="noteref" id= +"xd20e12672src" href="#xd20e12672" name="xd20e12672src">96</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Onder artikelen over de politiek (<i lang="fr">articles de +discussion politique</i>), die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 +laatste lid Conventie 1886 en Add. Acte 1896, heeft men alleen die +geschriften te verstaan, welke de politiek van den dag betreffen; niet +bijvoorbeeld opstellen over staatkundige of sociaal-economische +vraagstukken. In dezen zin heeft men zich op de Conferentie van Bern +van 1885 in overeenstemming met een wensch der Duitsche delegatie +uitdrukkelijk uitgesproken<a class="noteref" id="xd20e12684src" href= +"#xd20e12684" name="xd20e12684src">97</a>.</p> +<p>Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de +nieuwtjes en gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle +gevallen, ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden +had, vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist +ten aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit +buitenlandsche bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs +onvermijdelijk is. Op de Conferentie van Berlijn heeft men echter +ingezien, dat het niet aangaat, geschriften, die overigens aan alle +eischen die men aan een auteursproduct kan stellen, voldoen, om die +reden onvoorwaardelijk van alle bescherming uit te sluiten. Daarom +heeft de Conventie 1908 de onderscheiding tusschen de politieke en +niet-politieke artikelen laten vallen.</p> +<hr class="tb"> +<p>De, hierboven in de derde plaats genoemde, „alle andere +artikelen”, waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen +gelden, zijn dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle +stukken in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en +gemengde berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de +politiek, en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, +uitgezonderd: „nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter +van eenvoudige pers-informaties dragen”, feuilleton-romans en +novellen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e12695" href="#xd20e12695" +name="xd20e12695">390</a>]</span></p> +<p>Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog +voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen +voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel, +dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer +ingetrokken<a class="noteref" id="xd20e12699src" href="#xd20e12699" +name="xd20e12699src">98</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid, +die voor de genoemde werken wordt verleend?</p> +<p>In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen van +deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit +uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin stemmen de +regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen), dat het +auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den +rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven te +zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door het +stellen van een verbod.</p> +<p>Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen, +ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen +of verduidelijkingen hebben gebracht.</p> +<p>In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet worden +onder het overnemen of „reproduceeren” van een artikel in +dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt het +reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de +uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de +Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar +er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het +auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van +reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor +iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De +Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is +alleen toegestaan <i>aan andere dagbladen</i> (art 9 lid 2). De oude +bepaling (Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid +1) liet het overnemen toe „in de andere Verbondslanden”; +vrij algemeen wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het +overnemen in andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel +in geen geval toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12718" href="#xd20e12718" name= +"xd20e12718">391</a>]</span>te publiceeren. Zoowel op de Berner +Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie van 1896 was men +het over deze uitlegging der bepaling eens<a class="noteref" id= +"xd20e12720src" href="#xd20e12720" name="xd20e12720src">99</a>, en op +grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn werd +aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: „<span lang= +"fr">C’est une précision, et non une +innovation</span>”<a class="noteref" id="xd20e12732src" href= +"#xd20e12732" name="xd20e12732src">100</a>.</p> +<p>Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die +betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd +voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie +opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van het +blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van den auteur, +indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld<a class="noteref" +id="xd20e12739src" href="#xd20e12739" name="xd20e12739src">101</a>. +Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel +duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het +voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens de +theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld, geen +auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam de +Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij zich +gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van „de +bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en +kunst”; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van den +auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen van +stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan, +„mits de bron wordt genoemd”, kan men aannemen dat het +overnemen van dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te +voldoen, als inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit +doctrinair oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te +maken, dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed +onderscheidt.</p> +<p>Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift +betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk +bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald +wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen +(Conventie 1908 art. 9 lid 2). <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12746" href="#xd20e12746" name="xd20e12746">392</a>]</span></p> +<p>De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der +besproken regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog +het minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het +volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.</p> +<div class="table"> +<table> +<tr valign="top"> +<td></td> +<td>Van alle bescherming uitgesloten:</td> +<td>Voorwaardelijk beschermd d. w. z. mits door uitgever of schrijver +een verbod van nadruk is gesteld:</td> +<td>Onvoorwaardelijk beschermd:</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Conventie 1886 art. 7</td> +<td>artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten.</td> +<td>dagblad- en tijdschriftartikelen</td> +<td>(feuilleton-romans en novellen)<a class="noteref" id= +"xd20e12770src" href="#xd20e12770" name="xd20e12770src">102</a></td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Add. Acte 1896 art. 1, IV</td> +<td>id.</td> +<td>id. behalve feuilleton-romans en novellen. De bron moet worden +genoemd.</td> +<td>feuilleton-romans en novellen.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Conventie 1908 art. 9</td> +<td>nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige +pers-informatie dragen.</td> +<td>dagblad-artikelen, behalve feuilleton-romans en novellen. De bron +moet worden genoemd.</td> +<td>id. benevens alle artikelen in tijdschriften.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>W. A. R. art. 7 lid 2</td> +<td><a class="noteref" id="xd20e12795src" href="#xd20e12795" name= +"xd20e12795src">103</a></td> +<td>berichten en opstellen uit dag- en weekbladen. De bron moet worden +genoemd.</td> +<td></td> +</tr> +</table> +</div> +<p>De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral +met den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding +van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien in +onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier uit +den aard der zaak uitsluitend met <i>door den druk gemeen gemaakte</i> +werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit +„door den druk gemeen maken” in Nederland of +Nederlandsch-Indië is geschied. De besproken bepalingen der +Conventie daarentegen zijn, in overeenstemming met de regeling van art. +4 Conventie 1908, alleen toepasselijk op het overnemen van stukken uit +dagbladen, die in <span class="pagenum">[<a id="xd20e12808" href= +"#xd20e12808" name="xd20e12808">393</a>]</span><i>andere +Verbondslanden</i> verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen +rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch (d. w. +z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te beoordeelen +zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier te lande (of in +Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede lid van onze wet. +Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou hierbij derhalve niet +te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit de auteur behoort, zou +geheel buiten beschouwing kunnen blijven, daar zoowel volgens de +Conventie als volgens onze wet uitsluitend de plaats van het door den +druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats waar het blad +verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.</p> +<p>Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze +toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in +overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit niet +strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter, dat +ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van dien +regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet +volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche +pers—eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan—dan +bestaat er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk +ten aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard, +ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich aan +de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze +verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de +Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en de +buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie +behoeven—zooals wij gezien hebben—geen aanleiding te geven +tot verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, +indien bij eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 +wijziging werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard +op alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in +druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een +Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens de +Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en de +rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene +vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen +te kunnen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12814" href="#xd20e12814" +name="xd20e12814">394</a>]</span>toepassen. Doch deze moeilijkheden +zouden gemakkelijk zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen +voor dagbladen en tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te +verklaren op het overnemen van stukken uit de binnen het Rijk +verschijnende bladen.</p> +<p>Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de +Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij +onze aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk +worde aanvaard<span class="corr" id="xd20e12818" title= +"Niet in bron">.</span> In de eerste plaats kan hiervoor worden +aangevoerd, dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der +Conventie 1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste +bepalingen laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs +tegen den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de +beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk van +feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de +Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.</p> +<p>Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient het +nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat +hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, +het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.</p> +<p>Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal +zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele +Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw +toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat +dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen +beweren.</p> +<p>Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe +bepaling, volgens welke de sanctie op het niet nakomen der +verplichting, de bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van +het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 +lid 3). Eene bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er +staat daar (art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen +maken van berichten enz. vrijstaat „mits de bron genoemd +worde”, doch de wet laat zich niet uit over de gevolgen van de +overtreding van dit verbod. Het ware wellicht wenschelijk +om—zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd heb—op dit punt +de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet noemen van de +bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit (eene +overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e12828" href="#xd20e12828" name= +"xd20e12828">395</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.3"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art. +8)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van +Duitschland een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen +opsomde, waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in +het belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het +volgend jaar van verschillende zijde bestrijding<a class="noteref" id= +"xd20e12835src" href="#xd20e12835" name="xd20e12835src">104</a> en werd +tenslotte in de Commissie met zeven tegen vijf stemmen +verworpen<a class="noteref" id="xd20e12840src" href="#xd20e12840" name= +"xd20e12840src">105</a>. Toen de poging, om op dit punt eene eenvormige +regeling voor het geheele Verbond tot stand te brengen, hiermede was +mislukt, stelde de Commissie van 1885 in de plaats van het afgestemde +artikel de volgende bepaling voor, die werd aangenomen en sindsdien +ongewijzigd is blijven bestaan (art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- +of kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk +karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de bepalingen +van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen dezen bestaande +of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten gehandhaafd.</p> +</div> +<p>Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die +bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer +bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie +1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling +nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en +bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat +ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden +verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.</p> +<hr class="tb"> +<p>Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt +in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen „ter +aankondiging of beoordeeling” uit andere werken vrijgelaten. Dit +is dus feitelijk iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie +betrekking heeft. Bij de bespreking van de bepaling te Bern werd echter +ook de vrijheid van citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden +van <span class="pagenum">[<a id="xd20e12855" href="#xd20e12855" name= +"xd20e12855">396</a>]</span>alle landen werd de verklaring afgelegd, +dat deze vrijheid door hunne wetgeving binnen zekere grenzen wordt +erkend<a class="noteref" id="xd20e12857src" href="#xd20e12857" name= +"xd20e12857src">106</a>. Aan deze verklaringen werd in het rapport van +1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd<a class="noteref" id= +"xd20e12862src" href="#xd20e12862" name="xd20e12862src">107</a>. Het +mag dus als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de +Conventie in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende +bepalingen der landswetten ook tegenover werken uit andere +Verbondslanden van kracht blijven.</p> +<p>Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke +onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft, +gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding +tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken +van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.</p> +<p>Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast +artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen +Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van +chrestomathieën, samengesteld uit fragmenten of uittreksels van +Fransche schrijvers, zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen +inzonderheid bestemd zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige +aanteekeningen of vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.</p> +</div> +<p>Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk +zijn<a class="noteref" id="xd20e12877src" href="#xd20e12877" name= +"xd20e12877src">108</a>, en voor het onderwijs niet alleen van het +Fransch, maar ook b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen +worden geacht, zou het wellicht met het oog op eene toekomstige +toetreding van ons land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, +van de vrijheid die artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten +en afzonderlijke tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan +volgens de thans bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene +bepaling, in den zin van de bovengenoemde uit ons <span class="corr" +id="xd20e12886" title="Bron: tractraat">tractaat</span> met Frankrijk, +in onze wet op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, +welke art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk +zijn op alle bloemlezingen, die in <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12889" href="#xd20e12889" name= +"xd20e12889">397</a>]</span>Nederland zouden worden verspreid, waarin +werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn opgenomen. Het +behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie zijne +tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs dezen weg +(nl. door eene bepaling in de <i>binnenlandsche wet</i> op te nemen, +die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger +is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst te +sluiten.</p> +<p>Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier nu +bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor +schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie, +althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door +tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van 17 +December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: „Bij toetreding tot +de Berner-Conventie—wij herhalen het—zal het mogelijk zijn +het bewerken van dergelijke schoolboeken” (boeken nl. waarin +stukken van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) „te weren. Dit +schijnt de bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie +zegt”: (volgt de tekst van het artikel). „Maar ’t +spreekt van zelf, dat het geheel van de interpretatie van de +uitdrukking „op geoorloofde wijze” en van „te sluiten +overeenkomsten” afhangt, hoever de hier welwillend verleende +bevoegdheid gaat. <i>Wee den dwerg, die te contracteeren heeft met den +reus!</i>”<a class="noteref" id="xd20e12899src" href= +"#xd20e12899" name="xd20e12899src">109</a></p> +<p>Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een +dwerg en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, +in ’t geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling +in de wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de +Nederlandsche rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd +is. Natuurlijk moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 +der Conventie worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van +geschriften in <i>alle mogelijke</i> verzamelingen vrij liet, zou +tegenover auteurs van andere Verbondslanden niet mogen worden +toegepast); doch deze grenzen zijn ruim genoeg. De wetgevingen +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12913" href="#xd20e12913" name= +"xd20e12913">398</a>]</span>van bijna alle Verbondslanden bevatten +bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid van +ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling van +ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers +gerust zijn.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.4"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. +1886 art. 9)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook +voor op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig +geacht, eene afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de +Conventie 1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk +artikel reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot +stand gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd +jaar werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben +ondergaan, in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.</p> +<p>Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen +het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken en +het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden de +bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard; het +uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk +waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden, eene +voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken niet +gold.</p> +<p>Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken +was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van +Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs, +ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd +ondersteund<a class="noteref" id="xd20e12924src" href="#xd20e12924" +name="xd20e12924src">110</a>, niet weggenomen. De Parijsche Conferentie +bracht het niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: +„dat de wetgevingen der Verbondslanden de grenzen zullen +vaststellen binnen welke de volgende Conferentie het beginsel zou +kunnen aanvaarden, dat uitgegeven werken der toonkunst beschermd moeten +zijn tegen ongeoorloofde uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij +tot het stellen van een voorbehoud”<a class="noteref" id= +"xd20e12929src" href="#xd20e12929" name="xd20e12929src">111</a>. Met +die door de wetgevingen <span class="pagenum">[<a id="xd20e12934" href= +"#xd20e12934" name="xd20e12934">399</a>]</span>der Verbondslanden vast +te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog van +die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering zonder +toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt, zooals b.v. +bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen door +dilettanten, en dergelijke.</p> +<p>Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig +den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden +en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt, dat +echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven<a class= +"noteref" id="xd20e12938src" href="#xd20e12938" name= +"xd20e12938src">112</a>. De wijziging was voorgesteld door Duitschland, +dat vroeger zich tegen een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had +verzet, doch dat inmiddels in zijne wetgeving eenige beperkingen als de +bovenbedoelde had kunnen opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor +de vroegere bezwaren hun grond hadden verloren.</p> +<p>Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van +muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van +tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne +punt wijkt het van de oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél +zijn in Berlijn nog enkele andere wijzigingen aangebracht, doch deze +zijn van weinig beteekenis, zooals hieronder zal blijken.</p> +<p>In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en +uitvoering door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de +beantwooding dezer vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde +verschilpunten van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en +die van 1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: „de bepalingen +van art. 2” hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie +heeft men hiervan gemaakt: „de bepalingen der tegenwoordige +Overeenkomst”. Dit maakt in wezen geen verschil uit. De +beteekenis van beide artikelen is deze, dat het op- en uitvoeringsrecht +in het Verbond erkend moet worden, volgens de algemeene regelen, die de +Conventie voor de internationale bescherming stelt (in art. 2 Conventie +1886 en artt. 4, 5, 6 en 7 Conventie 1908). De regeling is dus niet +dezelfde als die van het uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste +wordt—zooals wij gezien hebben—direct door de Conventie +verleend, onafhankelijk van de landswetten; het uit- en opvoeringsrecht +daarentegen—al wordt het afzonderlijk genoemd—is niet in de +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12947" href="#xd20e12947" name= +"xd20e12947">400</a>]</span>Conventie zelve gecodificeerd, maar valt +onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming in het +algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die van artt. +4–7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis +hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop +neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, <i>dat de +wet aldaar verleent</i>, kan worden ingeroepen voor de werken die uit +een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van +eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur van +het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid 2 +Conventie 1908 „den duur, vastgesteld in het land van herkomst +niet mogen overschrijden”. Hierbij dient echter te worden +aangeteekend, dat met den „duur” in het land van herkomst +wordt bedoeld de duur van het auteursrecht in het algemeen, de +zoogenaamde „hoofdtermijn”, en dat dus niet in aanmerking +komt de bijzondere termijn van korteren duur, die de wet van het land +van herkomst voor het op- of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld +dus de wet van een land verleent een auteursrecht van vijftig jaar na +den dood des auteurs, doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na +de uitgave, dan zal het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige +werken in de andere landen van het Verbond niet gebonden zijn aan +laatstgenoemden korten termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen +duren dan vijftig jaar na den dood des auteurs<a class="noteref" id= +"xd20e12952src" href="#xd20e12952" name="xd20e12952src">113</a>.</p> +<p>Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie +1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de +boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van +tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier valt +weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe bepaling te +wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang het +<i>vertalingsrecht</i> duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen +ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het +uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld) +omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908 +hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het +recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld +(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien +<span class="pagenum">[<a id="xd20e12963" href="#xd20e12963" name= +"xd20e12963">401</a>]</span>van het opvoeringsrecht van vertalingen +worden bepaald, dat het evenlang duurt als het <i>recht op het +oorspronkelijke werk</i>. Het verschil is dus uitsluitend het gevolg +van de wijziging, die de Conventie ten opzichte van het uitsluitend +vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.</p> +<p>Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op +ééne lijn gesteld met het „door den druk gemeen +maken”; indien het in dezelfde taal geschiedt zijn daarop de +algemeene regels van de artt. 4–7 toepasselijk; heeft men echter +te doen met de opvoering eener vertaling, dan valt dit onder den +bijzonderen regel van art. 8.</p> +<hr class="tb"> +<p>Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. +Op onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en +uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15, +1<sup>o</sup>); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts +gedurende tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur +uitdrukkelijk wordt voorbehouden (art. 15, 2<sup>o</sup> j<sup>o</sup> +art. 12).</p> +<p>Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.</p> +<p>Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen +zijn om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het +Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van +muziekwerken tot „de rechten, die het onderwerp dezer +Overeenkomst uitmaken”; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen +van de tot op heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier +niet zoo zwaar als die b.v. bij het auteursrecht op werken van +beeldende kunst zijn betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral +ten aanzien van een land als het onze, waar veel muziek van +buitenlandsche componisten ten gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid +is dus geenszins uitgesloten, dat de Verbondsstaten op grond van art. +25 als een van de voorwaarden om te mogen toetreden, zouden stellen, +dat het bedoelde recht in de wet worde erkend.</p> +<p>Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben, toch +tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn, dat +Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen +uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming +nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken +zou worden verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van +onze zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus +vóór onze toetreding tot de Conventie het +uitvoeringsrecht van <span class="pagenum">[<a id="xd20e12990" href= +"#xd20e12990" name="xd20e12990">402</a>]</span>muziekwerken in de wet +zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet te +angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal +blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien van +opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is het te +wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de erkenning +van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het muziekstuk +uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit wel het geval +zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908 art. 11 niet +onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen wij ons moeten +houden aan art. 9 Conventie 1886.</p> +<p>Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale +werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar in +tijdsduur staat het toch—tenminste voor de door den druk gemeen +gemaakte werken—verre bij dat van alle wetgevingen der +Verbondslanden ten achter. Slechts twee landen hebben voor het +opvoeringsrecht een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den +dood des auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en +Italië (tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; +volgens het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige +auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet dat deze +termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere Verbondslanden +staat het opvoeren met het door den druk gemeen maken volkomen gelijk. +Zooals uit de voorgaande bespreking volgt, zou onze kortere termijn, +zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd bleef, geen invloed hebben op +den duur van het opvoeringsrecht van Nederlandsche werken in de andere +Verbondslanden. Zoolang volgens onze wet nog kopierecht bestaat op deze +werken, zouden zij van den langeren beschermingstermijn voor het +opvoeringsrecht in het buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor +het voorbehoud, dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland +uitgekomen tooneelstuk zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht +genieten, ook al was dit niet bij de uitgave uitdrukkelijk +voorbehouden.</p> +<p>Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen +voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht +zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten worden +berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In dit opzicht +zouden wij dus, indien de tegenwoordige <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e12996" href="#xd20e12996" name= +"xd20e12996">403</a>]</span>bepalingen op het opvoeringsrecht in onze +wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding tot de Conventie meer +ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat dit +allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige bescherming tegen +opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.</p> +<p>Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde +taal (waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend +recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij +gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908, +de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht van +toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen over +opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten +toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen van +Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere landen +in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve uitsluitend +af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der Conventie op +het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.5"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. +10; Verklaring van Parijs 3<sup>o</sup>)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren +op het stuk van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij +het samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij met +wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet worden +gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het op de Berner +Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit vraagstuk eens +is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886, dat in Parijs +niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten gewijzigd is, is te +danken aan de Commissie van 1885, die uit niet minder dan vier +verschillende voorstellen te kiezen had gehad<a class="noteref" id= +"xd20e13008src" href="#xd20e13008" name="xd20e13008src">114</a>.</p> +<p>Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de +min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het werk +veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt, stukken zijn +weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk op het auteursrecht +zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13016" href="#xd20e13016" name= +"xd20e13016">404</a>]</span>bedoelde practijken niet met +één woord waren aan te duiden en in het bijzonder het +Fransche woord <i lang="fr">adaptation</i> (dat eigenlijk beteekent: +„pasklaarmaking” dus: omwerking voor een ander doel of eene +andere smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding +zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij +„omwerkingen” (<i lang="fr">adaptations</i>) en +„muziek-arrangementen” slechts als voorbeelden zijn +genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in veranderden vorm +uit te sluiten.</p> +<p>Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook +het zoogenaamde „dramatiseeren” (omwerking van roman in +tooneelstuk) onder de bepaling van dit artikel viel. In de Parijsche +Verklaring werd deze vraag bevestigend beantwoord (3<sup>o</sup>); op +de Conferentie van Berlijn heeft men eene uitdrukkelijke bepaling in +dezen zin in den tekst van het artikel ingelascht. Het artikel luidt nu +als volgt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de +tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder +de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk van +letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden aangeduid als: +omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming van een roman, novelle of +gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd, enz., wanneer zij niets anders +zijn dan de reproductie van een dergelijk werk in denzelfden of in +anderen vorm, met wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, die tot het +wezen van het werk niets afdoen, zonder overigens het karakter te +hebben van een nieuw, oorspronkelijk werk.</p> +</div> +<p>In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van dezen +inhoud:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Bij de toepassing van dit artikel zullen de +rechtbanken der verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden +met de bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.</p> +</div> +<p>Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te +schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen +verzette<a class="noteref" id="xd20e13041src" href="#xd20e13041" name= +"xd20e13041src">115</a>. Op de Conferentie van Berlijn werd echter +hetzelfde voorstel zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De +beteekenis van het artikel is naar mijne meening door het weglaten van +het laatste lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters +nog met de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening +moeten houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die +wetten punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet +stellig uitspreekt<a class="noteref" id="xd20e13046src" href= +"#xd20e13046" name="xd20e13046src">116</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13049" href="#xd20e13049" name= +"xd20e13049">405</a>]</span>Evenals ten aanzien van het op- en +uitvoeringsrecht blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt +ingeroepen, ook in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit +de redactie, die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: „de +auteurs hebben het recht enz.” zooals in art. 8 ten aanzien van +het vertalingsrecht, maar: „Tot de ongeoorloofde reproducties, +waarop de tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren .. +enz.” De Conventie schept hier dus geen zelfstandig recht tot +exploitatie van bewerkingen, arrangementen enz. buiten de landswetten +om; doch het artikel geeft, evenals het vorige, slechts enkele nadere +bepalingen van den omvang der bescherming, die krachtens de artt. +4–7 der Conventie in de verschillende landen van het Verbond +genoten wordt. Door de weglating van het tweede lid van art. 10 +Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12 Conventie 1908 zijn dus niet de +bepalingen der inlandsche wetten op dit stuk geheel buiten werking +gesteld. Men had er alleen de bedoeling mede te verhinderen, dat de +rechter, steunende op de wet van zijn land, tegen de uitdrukkelijke +bepalingen van het eerste lid van het artikel in, in sommige gevallen +bescherming zou kunnen weigeren<a class="noteref" id="xd20e13051src" +href="#xd20e13051" name="xd20e13051src">117</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde +niet voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over +de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, ten +aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, ware het +niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen eene uitlegging +wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met de bepalingen der +Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een uitsluitend +bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; het +auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het +reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over +deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de +redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189 +sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid; +met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan te +herinneren, dat <span class="pagenum">[<a id="xd20e13061" href= +"#xd20e13061" name="xd20e13061">406</a>]</span>deze opvatting bestaat +en ook door den rechter bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in +toepassing gebracht<a class="noteref" id="xd20e13063src" href= +"#xd20e13063" name="xd20e13063src">118</a>. In verband met het vorige +zal het duidelijk zijn, dat dit na onze toetreding tot de Conventie tot +moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 +Conventie 1908 zou ons land zich verbinden, aan de werken uit andere +Verbondslanden bescherming te verleenen tegen de exploitatie van +bewerkingen (o. a. arrangementen van muziekstukken en dramatiseeringen +van romans, novellen en dichtstukken); blijft onze wet echter op dit +stuk zooals zij is, dan kan het geval zich voordoen, dat door den +Nederlandschen rechter eene dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik +meen daarom, dat het lid worden van het Verbond voor ons land de +verplichting meebrengt, eene uitdrukkelijke bepaling in de wet op te +nemen, die de bovengenoemde interpretatie te niet doet en waardoor de +bescherming, die art. 2 Conventie 1908 eischt, in ons land buiten +twijfel wordt gesteld.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.6"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. +13; Conv. 1886 Slotpr. n<sup>o</sup>. 3)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam +(1884–1886) had de industrie der mechanische muziek-instrumenten +nog niet den graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het +auteursrecht der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen +nog maar hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in +Zwitserland veel worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten +dus, die slechts een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten +gehoore brengen en die als exploitatiemiddel van muziekwerken een +hoogst bescheiden rol vervullen. Hierdoor laat zich de weinige +belangstelling verklaren, die aan dit vraagstuk op de Berner +Conferenties werd gewijd. In het verslag der handelingen van geen der +drie Conferenties is er iets over te vinden; men kan dus aannemen, dat +de bepaling, die erover in de Conventie 1886 werd opgenomen, geene +bestrijding had ontmoet. De bepaling, te vinden in het Slotprotocol +(n<sup>o</sup>. 3) luidt als volgt: <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e13077" href="#xd20e13077" name="xd20e13077">407</a>]</span></p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de +verkoop van instrumenten, dienende om langs mechanischen weg +muziekstukken weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, +niet wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.</p> +</div> +<p>Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven, +wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling, +welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk te +bespreken.</p> +<p>Over de uitlegging, die aan Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3 Conventie +1886 moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt +aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en +draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij het +vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van +reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de +later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista, +phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede +wél inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden +gepleegd. Zij, die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de +autoriteit van Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner +Conferenties, die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie +te Bern in 1889 in dezen zin uitliet<a class="noteref" id= +"xd20e13089src" href="#xd20e13089" name="xd20e13089src">119</a>.</p> +<p>Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter der +Conferenties, „<span lang="fr">presque authentique</span>” +heeft genoemd, schijnt mij toch de tegenovergestelde meening, volgens +welke alle mechanische muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de +juiste. Het moge waar zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke +vlucht de techniek zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, +en dat men slechts het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13125" href="#xd20e13125" name= +"xd20e13125">408</a>]</span>neemt niet weg, dat men eene bepaling heeft +vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd, dat er van een te maken +onderscheid tusschen de eene en de andere soort instrumenten niets is +te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in 1896 gelegenheid gehad +de vrijheid van reproductie in te trekken voor de inmiddels op de markt +gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging van de betreffende +bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking werd aldaar echter +verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de bepaling niet +woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op alle +„instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken +weer te geven”<a class="noteref" id="xd20e13127src" href= +"#xd20e13127" name="xd20e13127src">120</a>.</p> +<p>Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze geen +muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken reproduceeren. Zeer +juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis van het Trib. de la +paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden over +phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou’s tooneelstuk +<i lang="fr">Madame Sans-Gêne</i> reproduceerden. Terecht werd +overwogen: „<span lang="fr">... que les termes employés +<span lang="nl-1900">(nl. die van Slotprotocol n<sup>o</sup>. 3 +Conventie 1886)</span> marquent l’intention formelle de favoriser +uniquement des <i>instruments de musique</i> ...; qu’on ne peut, +dès lors, étendre cette disposition aux instruments +reproduisant mécaniquement des oeuvres +littéraires.</span>”</p> +<p>De bepaling spreekt overigens alleen van het „vervaardigen en +verkoopen” en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen +van muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, +naar omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus +in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden +uitgemaakt<a class="noteref" id="xd20e13164src" href="#xd20e13164" +name="xd20e13164src">121</a>.</p> +<p>Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs +in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te +herzien, die echter op niets uitliep<a class="noteref" id= +"xd20e13175src" href="#xd20e13175" name="xd20e13175src">122</a>. +Intusschen breidde zich de handel in de bedoelde instrumenten, vooral +phonografen en pianola’s, elk jaar meer uit, zóó +zelfs, dat in enkele landen de reproductie van <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13181" href="#xd20e13181" name= +"xd20e13181">409</a>]</span>muziekstukken door middel van deze zingende +en spelende instrumenten reeds van meer belang wordt geacht dan die +door middel van den gewonen notendruk. Dit had tot gevolg, dat +componisten en uitgevers steeds luider begonnen te klagen over de +vrijheid, die door de Conventie aan de fabrikanten dier instrumenten +werd gelaten om zonder toestemming te vragen, en dus natuurlijk ook +zonder ervoor te betalen, van alle muziekstukken gebruik te maken. Van +verschillende zijden werd er op aangedrongen, de bepaling geheel te +laten vervallen<a class="noteref" id="xd20e13183src" href="#xd20e13183" +name="xd20e13183src">123</a>, of haar te vervangen door eene regeling, +die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde toestanden en verhoudingen +beter in overeenstemming was.</p> +<p>Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner +Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook +geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen +(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en +Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens was, +dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische +muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken; +alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van +n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. +Wegens de bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd +het onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar +overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte, +nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13 +Conventie 1908 is voortgekomen.</p> +<p>De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der +componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen, +zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken +spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van +die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche +wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde lid +bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene +bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten, +waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.</p> +<p>Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13201" href="#xd20e13201" name= +"xd20e13201">410</a>]</span>Zij houdt—en hierover waren alle +staten uitgezonderd Zwitserland het terstond eens geweest—de +erkenning in van het recht der componisten op dit stuk; juist het +tegenovergestelde dus van hetgeen n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886 +inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat dit laatste alleen +betrekking had op het <i>vervaardigen</i> der bedoelde instrumenten, +terwijl het nieuwe artikel ook de <i>openbare uitvoering</i> noemt.</p> +<p>De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de +meeste staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in +toepassing hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, +had men ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en +phonografen rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht +zouden de auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken +hunner werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen +zou kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden +vormen ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, +zoodat er voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou +bestaan om over nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te +verzekeren. Om aan deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche +voorstel eene bepaling opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal +zijn werk had laten gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen +zou zijn aan ieder derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen +behoorlijke—ingeval van strijd door de inlandsche wet vast te +stellen—vergoeding<a class="noteref" id="xd20e13215src" href= +"#xd20e13215" name="xd20e13215src">124</a>. Het bleek echter dat vele +staten tegen de invoering van dit systeem bezwaren hadden, en daarom +besloot men, op voorstel van Engeland, het stellen van voorwaarden of +beperkingen, die elke staat noodig mocht achten, liever aan den +inlandschen wetgever over te laten. Zoo kwam men tot de bepaling van +het tweede lid van artikel 13. Elke Verbondsstaat behoudt dus de +vrijheid, om bepalingen vast te stellen, waardoor het auteursrecht der +componisten, dat in het eerste lid van art. 13 Conventie 1908 is +omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden of binnen bepaalde grenzen +wordt gehouden.</p> +<p>Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd +te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit het +verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13223" href="#xd20e13223" name= +"xd20e13223">411</a>]</span>heeft voorzien, dat een staat eene regeling +maakt, welke de fabrikanten van muziek-instrumenten op voor hen zeer +gunstige en voor de auteurs zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt +van muziekwerken gebruik te maken. Speciaal met het oog hierop heeft +men het noodig geacht nog uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen +en voorwaarden, die een staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat +land zelf van kracht zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht +der componisten minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus +krachtens deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te +verbieden van instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied +slechts onder voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden +vervaardigd hadden mogen worden<a class="noteref" id="xd20e13225src" +href="#xd20e13225" name="xd20e13225src">125</a>.</p> +<p>Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden +erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren +(cf. wat boven over de uitlegging van n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol +1886 is gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een +bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel bestaat +hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste lid niet +toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking +treden der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor +mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid 3). De +vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen gaan met +het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die +muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die +wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. +Overigens zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen +regelen; de beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 +mogen worden vastgesteld kunnen—zooals nog uitdrukkelijk in het +Commissie-rapport wordt opgemerkt—ook de regeling van de +terugwerkende kracht van dit artikel betreffen<a class="noteref" id= +"xd20e13236src" href="#xd20e13236" name="xd20e13236src">126</a>.</p> +<p>Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid van +art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene +Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten, rollen +en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde +voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13243" href="#xd20e13243" name= +"xd20e13243">412</a>]</span>den componist zou moeten worden aangemerkt. +Op verzoek van Italië heeft men met het oog op deze mogelijkheid +nog een vierde lid aan art. 13 toegevoegd, waarin bepaald is, dat op +dergelijke voorwerpen in de landen waar de verspreiding ervan niet +geoorloofd is, beslag zal kunnen gelegd worden. Daar de Conventie 1908 +in art. 16 tweede lid een regel van volkomen dezelfde strekking +inhoudt, die op alle in strijd met het auteursrecht vervaardigde +voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste bepaling van art. 13 +geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie, die haar voorstelde, +zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den aandrang der +Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld schijnt te zijn +geweest, dat de bepaling werd opgenomen<a class="noteref" id= +"xd20e13245src" href="#xd20e13245" name="xd20e13245src">127</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13 +Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig +toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door +eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van n<sup>o</sup>. 3 +Slotprotocol 1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de +Conventie in strijd komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht +beschermd zijn, moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen +(voorwaarden en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan +moet de bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend +worden, tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van +n<sup>o</sup>. 3 Slotprotocol 1886 wil houden, die geenerlei +verplichting oplegt.</p> +<p>Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet bekend. +Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der componisten +op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het auteursrecht +worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen meedoen. In +elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen eene +onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding tot de +Conventie.</p> +<p>Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne +meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik reeds +kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te lande in +te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13265" href="#xd20e13265" name= +"xd20e13265">413</a>]</span>slechts voortbouwen op de beginselen, die +aan onze tegenwoordige wet op het auteursrecht ten grondslag hebben +gelegen.</p> +<p>Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het +gebied van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij +bekend tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het +niet-aanvaarden van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou +men hierdoor bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier +onder gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen, +waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald zou +moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een +afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken van +het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne grenzen +ervoor gesloten houden.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.2.7"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in +de Conventie 1908; het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat +kinematographische voorstellingen tot de gewone publieke +vermakelijkheden zijn gaan behooren, zoodat het geen verwondering kan +wekken, dat nóch op de Conferenties van Bern, nóch op de +Parijzer Conferentie over dit reproductie-middel is gesproken.</p> +<p>De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste +plaats betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van +andermans werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij +betrekking op de bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met +behulp van den kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een +vierde lid van het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent +den kinematograaf is vastgesteld ook geldt voor elk +procédé van soortgelijken aard. Deze bepaling ziet +voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien nog kan +brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog wel geen +practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder buiten +beschouwing te kunnen laten.</p> +<p>Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om +werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt +weer in twee onderdeelen, nl. 1<sup>o</sup> het recht van reproductie +door den kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de +vervaardiging van kinematographische beelden; en 2<sup>o</sup> het +recht van <span class="pagenum">[<a id="xd20e13284" href="#xd20e13284" +name="xd20e13284">414</a>]</span>openbare opvoering met den +kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten worden in +het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van +„letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken”. Het zijn +dus niet alleen tooneelstukken, opera’s, balletten enz. waarvan +de exploitatie op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, +doch ook de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat +tafereelen uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en +daarmede vertoond worden. Dit zou—ook al werd het geval niet +uitdrukkelijk in het Commissie-verslag genoemd<a class="noteref" id= +"xd20e13286src" href="#xd20e13286" name= +"xd20e13286src">128</a>—reeds volgen uit het zoogenaamde +dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en +gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.</p> +<p>Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van +<i>wetenschappelijke</i> werken door middel van den kinematograaf heeft +kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt in +het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan eene +vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling te +denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld is +den chirurg te beschermen als „auteur” van de door hem +verrichte operatie tegen de kinematographische reproductie van het +tafereel, dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, +zooals reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft +derhalve m. i. niets anders over dan de woorden +„wetenschappelijke werken” in art. 14 als niet geschreven +te beschouwen.</p> +<p>Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door +middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds +opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar in +artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is, +opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden +gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft in +een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den +systematischen weg.</p> +<p>De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in art. +2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1<sup>o</sup> de kinematographische +voortbrengselen („<i lang="fr">productions +cinématographiques</i>”) voorzoover „de auteur door +de schikking der tooneelen of door de combinatie der <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13306" href="#xd20e13306" name= +"xd20e13306">415</a>]</span>voorgestelde tafereelen aan het werk een +persoonlijk en oorspronkelijk karakter zal hebben verleend”; en +2<sup>o</sup> „de reproductie door middel van den kinematograaf +van een letterkundig, wetenschappelijk of kunst-werk”.</p> +<p>Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te +rekenen zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 +sqq.), geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit +een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor +kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik +van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een +oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben +verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle +„werken van kunst en letterkunde” toepasselijk is.</p> +<p>Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld, is +op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch de korte +toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk<a class= +"noteref" id="xd20e13315src" href="#xd20e13315" name= +"xd20e13315src">129</a>. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat +de verschillende tafereelen, welke voor de kinematographische opneming +hebben gediend, ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een +ander. Met betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het +vervaardigen der kinematographische afbeeldingen eene +<i>reproductie</i>, die naar gelang van omstandigheden ongeoorloofd kan +zijn. Doch aan den anderen kant is er ook eene nieuwe schepping tot +stand gekomen, nl. de bewerking, welke de roman moest ondergaan om in +beeld te worden gebracht. Deze bewerking nu, die men als eene +bijzondere soort van „dramatiseering” kan beschouwen, wordt +door de besproken bepaling onder de beschermde auteursproducten +gerangschikt; zij is, „onverminderd de rechten van den auteur van +het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk werk +beschermd.” Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen, +analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt is +het recht van den bewerker op zijne bewerking.</p> +<p>Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze +bepaling verleende recht niet bestaat in de kinematographische +afbeeldingen zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. +getrokken, d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13325" href="#xd20e13325" name= +"xd20e13325">416</a>]</span>gemaakte, „stuk”. De in het +artikel gebezigde uitdrukking „reproductie door middel van den +kinematograaf” zou misschien het tegendeel kunnen doen denken en +schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen echter, dat er +hier van een recht op de kinematographische afbeelding geen sprake kan +zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling noodig, daar dit +onder de bepalingen over het recht op photographieën valt. Het +verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het afgebeelde +komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op meer +exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet alleen +de reproductie door middel van kinematograaf of photographie, maar ook +b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere acteurs dan die +bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.</p> +<p>Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de +inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting op +aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het +omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te +verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene +regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan +de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel, de +vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te verbinden. +Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen, die zij op dit +punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen vinden. Het recht van +uitsluitende exploitatie door middel van den kinematograaf zou b.v. in +de wet van een Verbondsland tot een zeer korten tijdsduur beperkt +kunnen worden; in dat geval zouden ook de auteurs van de volgens de +Conventie beschermde werken uit andere landen aldaar met dien korten +termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven natuurlijk ook +bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van het begrip +„openbare uitvoering door middel van den kinematograaf” aan +den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet +voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave van +een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden), zullen +de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken van de +vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2) vrijgesteld +zijn. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13329" href="#xd20e13329" +name="xd20e13329">417</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch7.2.3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">c Rechtsmiddelen tot handhaving van het +auteursrecht</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 +Conventie 1908) geeft de Conventie eenige bepalingen over de +rechtsmiddelen, welke dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, +ten dienste staan. In de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de +rechthebbende op het auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig +kan legitimeeren (art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om +beslag te laten leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het +auteursrecht is gepleegd (art. 16).</p> +<div class="div4" id="ch7.2.3.1"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; +Conv. 1886 art. 11)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan +artikel 11 Conventie 1886, met uitzondering hiervan, dat in +laatstgenoemd artikel nog eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft +op het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in het land van +herkomst. Daar dit door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer +wordt geëischt, kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar +daarom ook verder onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in +zijne nieuwe gedaante.</p> +<p>De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee +categorieën van werken worden onderscheiden: 1<sup>o</sup> zij die +den naam van den auteur dragen, en 2<sup>o</sup> de pseudonieme en +anonieme werken, die den naam van den uitgever dragen.</p> +<p>Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur +vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook als +zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio juris +dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet hij zal +hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de +tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.</p> +<p>Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme +werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er +worden hier twee gevallen onderscheiden<a class="noteref" id= +"xd20e13353src" href="#xd20e13353" name="xd20e13353src">130</a>. In de +eerste plaats dat de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus +zelf rechthebbende is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen +worde <span class="pagenum">[<a id="xd20e13359" href="#xd20e13359" +name="xd20e13359">418</a>]</span>zich bekend te maken, wanneer op zijn +recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de uitgever bevoegd is voor +hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch het is ook mogelijk, dat +de auteur zijn recht aan den uitgever heeft overgedragen en dat deze +dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat geval schrijft het artikel +voor, dat de uitgever zonder nader bewijs als rechtverkrijgende van den +anoniemen of pseudoniemen auteur zal worden beschouwd, (lid 2 tweede +zinsnede), zoodat ook dán de ware naam van den auteur in het +proces niet genoemd behoeft te worden.</p> +<p>Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam +dragen van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter +niet—zooals in enkele rechterlijke uitspraken werd +gedaan<a class="noteref" id="xd20e13363src" href="#xd20e13363" name= +"xd20e13363src">131</a>—worden afgeleid, dat werken, waarop geen +naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware dit zoo, dan zou de +Conventie hier voor eene bepaalde categorie van werken (nl. door den +druk gemeen gemaakte geschriften) eene afzonderlijke voorwaarde voor de +bescherming hebben voorgeschreven; iets wat allerminst in de bedoeling +lag en wat ook met het beginsel, dat voorwaarden en formaliteiten +buiten het land van herkomst niet vervuld behoeven te worden (art. 4 +lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid 2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. +Het doel van het artikel is, zooals duidelijk uit de daarover gehouden +beraadslagingen blijkt<a class="noteref" id="xd20e13375src" href= +"#xd20e13375" name="xd20e13375src">132</a>, den rechthebbenden het +ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk te maken. Met de vraag, of +zekere werken al dan niet beschermd zijn, hebben deze bepalingen dus +niet te maken; zij hebben uitsluitend betrekking op de rechtsmiddelen +die dengene, op wiens recht inbreuk is gemaakt, voor de rechtbanken der +Verbondslanden ten dienste staan.<a class="noteref" id="xd20e13380src" +href="#xd20e13380" name="xd20e13380src">133</a><a id="xd20e13391" name= +"xd20e13391"></a></p> +<hr class="tb"> +<p>Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief +karakter worden toegekend<a class="noteref" id="xd20e13397src" href= +"#xd20e13397" name="xd20e13397src">134</a>, in dien zin, dat zij moeten +worden toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei +bepaling <span class="pagenum">[<a id="xd20e13403" href="#xd20e13403" +name="xd20e13403">419</a>]</span>van dezelfde strekking. Eene andere +uitlegging zou aan het artikel allen zin ontnemen.</p> +<p>Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de +auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen +van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort +zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht +eenigermate bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf +uitgekomen werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste +lid niet kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus +gedwongen kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur +is, terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op +het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom m. +i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste lid +der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van een in +het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen +gelijkgesteld zou worden.</p> +<p>In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking +vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der +Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken „wordt de uitgever, +en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op +den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt”. In dit +opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden +zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun naam +bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet worden de +bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur aangemerkt +wordt, nader uiteengezet: hij kan „het werk inzenden bij het +departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en +doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte +exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de +auteur zelf bevoegd is”. Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het +indienen van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, +in de M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke +inbreuk op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. +Al deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden +of formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld), +zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde +rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht +kunnen worden. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13409" href= +"#xd20e13409" name="xd20e13409">420</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.3.2"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 +art. 12; Add. Acte 1896 art. 1, V)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie +1908 (dat in de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) +om den auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond +gemakkelijker te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op +door ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden +gelegd.</p> +<p>Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de +Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen +van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te +verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe +opent<a class="noteref" id="xd20e13418src" href="#xd20e13418" name= +"xd20e13418src">135</a>.</p> +<p>De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor de +laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar de tekst +werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim +uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene louter +facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet de +verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond het +beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent, bij zich +in te voeren<a class="noteref" id="xd20e13432src" href="#xd20e13432" +name="xd20e13432src">136</a>. Tegen deze verklaring werd door geen der +andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het +Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op +dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene +eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de +woorden „bij den invoer”, zoodat het ook <span class="corr" +id="xd20e13437" title="Bron: toepssselijk">toepasselijk</span> werd op +beslag in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard, +doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens in +het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld werd +op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de +verplichting oplegt<a class="noteref" id="xd20e13440src" href= +"#xd20e13440" name="xd20e13440src">137</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13445" href="#xd20e13445" name= +"xd20e13445">421</a>]</span>Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat +ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit +is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan +ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den +eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel +mogelijk.</p> +<p>Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in +het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van de +Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel +degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van +beslaglegging bij zich te erkennen<a class="noteref" id="xd20e13449src" +href="#xd20e13449" name="xd20e13449src">138</a>. Speciaal wordt er daar +nog op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen +ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt, dat +beslag gelegd <i>kan</i> worden; doch dit maakt de bepaling niet tot +eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan de +belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te maken; +doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te zorgen dat +deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.</p> +<p>Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste +verklaring, die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de +gepubliceerde handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit +te lokken is aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond +meer bestaat.</p> +<p>De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken +uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten, +ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan +deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene +wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden +door de daartoe „bevoegde autoriteiten” (art. 16 eerste +lid) en „overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche +wetgeving van elk land” (art. 16 derde lid). Waar de wet geen +bepaling hierover inhoudt en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, +zal derhalve van de naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht +komen. Trouwens op een punt van formeel recht als dit, waar „de +wijze waarop” van zoo groot belang is, is eene eenvoudige +bepaling als die van de Conventie: „... Er kan beslag gelegd +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13461" href="#xd20e13461" name= +"xd20e13461">422</a>]</span>worden ... enz.” niet voldoende om +zonder nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.</p> +<p>In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke +regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze +regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude +artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag +<i>bij invoer</i> in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij +voornamelijk aan het geval, dat een werk in een land, waar de +bescherming heeft opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze +nadruk in een ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is +verstreken, wordt ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde +exemplaren zouden daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding +ervan inbreuk op het auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den +auteur beschermen door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, +waardoor reeds aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. +Doch daar de woorden „bij den invoer” tot de, niet gewilde, +gevolgtrekking zouden kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland +niet meer mogelijk was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk +weggelaten. Op de Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in +het artikel ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk +het beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het +redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren, die +afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet +beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet +ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele—overigens +weinig twijfelachtige—punten.</p> +<hr class="tb"> +<p>Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land +bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in +deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord +„beslag” („<i lang="fr">saisie</i>”) gebruikt +in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring van het recht, +<i>conservatoir</i> beslag dus<a class="noteref" id="xd20e13478src" +href="#xd20e13478" name="xd20e13478src">139</a>. Art. 22 W. A. R. +verleent aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid +om beslag te laten leggen op „exemplaren, die in strijd met hun +uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt”. Hieronder +zijn ongetwijfeld ook begrepen de exemplaren, die in een ander land, +waar dit geen <span class="pagenum">[<a id="xd20e13484" href= +"#xd20e13484" name="xd20e13484">423</a>]</span>inbreuk op het +auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd met het +aldaar bestaande auteursrecht, worden „gemeen gemaakt”. In +dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16 der +Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de bijna +gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).</p> +<p>Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag +toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook door +de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen aard, +(rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en phonografen, +kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht kan worden gepleegd. +Artikel 16 der Conventie, dat het recht van beslag toekent op +„<i>toute oeuvre contrefaite</i>”, is zonder eenigen +twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op +muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie +1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op +gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen +overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die art. +16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23 W. A. +R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen, waarvan +de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons land tot de +Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3" id="ch7.2.4"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">d Uitvoerings- en overgangsbepalingen</h4> +<div class="div4" id="ch7.2.4.1"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of +uitstalling van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. +1886 art. 13)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere +Verbondslanden sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit +recht onder alle omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, +ook dan wanneer hierdoor andere rechten worden geschonden of +politie-maatregelen worden overtreden. Elke staat behoudt daarom het +recht, maatregelen te nemen tegen de verspreiding, opvoering of +uitstalling van sommige werken, wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit +wordt in art. 17 Conventie 1908 uitdrukkelijk erkend; <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13499" href="#xd20e13499" name= +"xd20e13499">424</a>]</span>men mag echter aannemen, dat ook zonder +deze bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou +trekken.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.4.2"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 +art. 14 en Slotpr. n<sup>o</sup>. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de +bescherming in de verschillende Verbondslanden berust, deels op de +bepalingen der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, +deels ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land, +waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene +geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was de +vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding +toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat +tijdstip reeds bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der +<i lang="fr">Association</i> en later op alle volgende diplomatieke +Conferenties in bevestigenden zin beantwoord. Doch daarmede was de +grootste moeilijkheid nog niet uit den weg geruimd. Er moest ook +rekening worden gehouden met de belangen dergenenen, die van de +vrijheid van reproductie, waaraan door het in werking treden der +Conventie een einde zou komen, reeds gebruik gemaakt zouden hebben. +Indien men deze personen niet wilde dwingen, de door hen, op volkomen +geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie plotseling te staken, +waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen lijden, dan moesten +daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch in de Conventie +zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden opgenomen, daar zij +dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond zouden moeten +gelden.</p> +<p>Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op +te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip +van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed +zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie +1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten het +vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886 +Slotprotocol n<sup>o</sup>. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).</p> +<p>De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen +overgangsbepaling worden genoemd, d. w. z. hij schept geen +overgangstijdperk, <span class="pagenum">[<a id="xd20e13519" href= +"#xd20e13519" name="xd20e13519">425</a>]</span>waarin de bepalingen der +Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die werken worden +van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken van +bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen volgens +het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij kan worden +gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van art. 18 eerste +lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886, dat in verband +staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in 1908 heeft +ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in de andere +Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming in het land +van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908 het ontbreken +van bescherming in het land van herkomst geen beletsel meer is, dat het +werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt (art. 4 lid 2), +behalve wat betreft den duur van het recht, die dien van het land van +herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In verband hiermede is +nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders geredigeerd dan art. 14 +Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd artikel de Conventie bij +hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op alle werken, die op dat +tijdstip „nog geen gemeengoed waren geworden in hun land van +herkomst”, is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd: „als +gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn”. Immers +het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst is +het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in de +andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals +vroeger, ook het „gemeengoed worden” door een andere reden, +b.v. omdat de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.</p> +<p>Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het +luidt:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Indien echter een werk wegens het verstrijken van den +beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld, gemeengoed is +geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal dat werk +daar niet opnieuw beschermd worden.</p> +</div> +<p>Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van +nieuwe Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet +van een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een +geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook +toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13529" href="#xd20e13529" name= +"xd20e13529">426</a>]</span>beschermingstermijn van dertig jaar na den +dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig jaar. Het gevolg hiervan +is, dat de uit dat land afkomstige werken nu ook in de andere landen, +waar de termijn van vijftig jaar geldt, twintig jaar langer bescherming +vinden dan voorheen. De strekking der hierboven afgeschreven bepaling +is nu deze, dat in zulk een geval de bescherming in die andere landen +niet herleeft, indien zij daar reeds, doordat de auteur voor meer dan +dertig jaar gestorven was, had opgehouden te bestaan.</p> +<p>Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den +algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij +betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe +regeling „gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als +gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn”.</p> +<p>Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie +zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze +onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.</p> +<p>In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen +van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze +bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie +(art. 18 derde lid eerste zinsnede).</p> +<p>Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten +vrij, over de invoering der Conventie op hun gebied in de +binnenlandsche wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, +waarop deze laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste +zinsnede; Conventie 1886 Slotprotocol n<sup>o</sup>. 4 derde lid) is +geredigeerd, en ook uit hetgeen bij de daarover gehouden +beraadslagingen is opgemerkt, moet worden afgeleid, dat hier alleen die +wettelijke bepalingen worden bedoeld, welke ná het tot +standkomen der Conventie, speciaal met het oog op dit artikel, zouden +worden gemaakt, en dat dus niet (zooals ten opzichte der verdragen) de +in de wetgevingen voorkomende overgangsbepalingen bij analogie +toepasselijk worden verklaard<a class="noteref" id="xd20e13542src" +href="#xd20e13542" name="xd20e13542src">140</a>. Tevens, dat deze +wetten wél de wijze waarop het beginsel van art. 18 zal worden +toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit beperkingen of +voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar dat zij dit +beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e13548" href="#xd20e13548" name="xd20e13548">427</a>]</span>dat +dus de staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit +beginsel in strijd is<a class="noteref" id="xd20e13550src" href= +"#xd20e13550" name="xd20e13550src">141</a>.</p> +<p>Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, +binnen de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft +een toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de +verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk op +te lossen vragen aanleiding heeft gegeven<a class="noteref" id= +"xd20e13564src" href="#xd20e13564" name="xd20e13564src">142</a>.</p> +<p>Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met +het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan +worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van +art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing +worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze +bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan +toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling +zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18 +(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben +aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde, dat +sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden worden +afgeschrikt<a class="noteref" id="xd20e13576src" href="#xd20e13576" +name="xd20e13576src">143</a>. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen +welken van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te +stellen, moet worden gebruik gemaakt.</p> +<p>Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling +van art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van +het oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking +treedt, zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in +aanmerking komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit +andere landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat +de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze zullen, +behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds een +tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door den +Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13583" href="#xd20e13583" name= +"xd20e13583">428</a>]</span>bescherming, die vreemde werken hier zullen +genieten); deels door de wetgevers der verschillende Verbondslanden +(ten aanzien der bescherming van de Nederlandsche werken aldaar).</p> +<p>Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, +dat vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in +werking treden dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter +verboden nieuwe uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren +van buiten in te voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger +aangevangen bestellingen of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling +zal dus krachtens het derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op +de, onder de bepalingen der Berner Conventie vallende, Nederlandsche +werken in Frankrijk en België en op de Fransche en Belgische +werken alhier. Dit zal b.v. ook gelden voor vertalingen, die wél +volgens de Berner Conventie, doch niet volgens de bovengenoemde twee +tractaten een inbreuk op het auteursrecht uitmaken. De +vóór het in werking treden der Conventie alhier zonder +toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een Fransch boek zal +ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet geoorloofd zijn er +een nieuwe druk van te laten verschijnen.</p> +<p>Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen +tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op +afzonderlijke wetten moeten berusten.</p> +<p>Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten +heeft te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche +werken in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer +landen, te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat +eene wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. +Alle overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18 +eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe<a class= +"noteref" id="xd20e13591src" href="#xd20e13591" name= +"xd20e13591src">144</a>. De Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra +de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, de volle +bescherming genieten.</p> +<p>Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft +<i>Duitschland</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e13608" href= +"#xd20e13608" name="xd20e13608">429</a>]</span>een stel zeer uitvoerige +bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening van 11 Juli 1888 en +eene <i lang="de">Bekanntmachung</i> van 7 Augustus 1888<a class= +"noteref" id="xd20e13613src" href="#xd20e13613" name= +"xd20e13613src">145</a>, die ook toepasselijk zijn voor het geval zich +nieuwe staten bij de Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze +bepalingen hierop neer, dat reproducties, die vóórdat de +Conventie in het nieuwe Verbondsland verbindend is geworden, van werken +uit dat land afkomstig zijn gemaakt, verder vrij verspreid mogen +worden, mits men de exemplaren binnen drie maanden door de politie +heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet geschieden met +cliché’s van platen, gravures, etsen enz., waarvan dan +gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn +vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze +verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de +auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal werk +eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald, opgevoerd, +dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste bepaling +wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook eene van +den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der +inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen<a class="noteref" +id="xd20e13622src" href="#xd20e13622" name="xd20e13622src">146</a>. +Volgens deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt +gedeeld<a class="noteref" id="xd20e13628src" href="#xd20e13628" name= +"xd20e13628src">147</a>, zou dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, +die nu reeds in Duitschland vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene +stukken van Heyermans het geval is) na onze toetreding tot de Conventie +in Duitschland tegen opvoering beschermd zijn.</p> +<p>In <i>Denemarken</i> zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni +1903 en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus +ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden +toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, +vóór de inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; +doch het zal b.v. niet geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder +toestemming des auteurs te verspreiden<a class="noteref" id= +"xd20e13641src" href="#xd20e13641" name="xd20e13641src">148</a>.</p> +<p><i>Zweden</i> heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen +gemaakt op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13651" href="#xd20e13651" name= +"xd20e13651">430</a>]</span>in het leven getreden. In Zweden verschenen +vertalingen mogen verder verspreid en herdrukt worden; muziek- en +tooneelwerken mogen door degenen, die ze reeds hebben uit- of +opgevoerd, ook in het vervolg op deze wijze geëxploiteerd worden; +ook van <span class="corr" id="xd20e13653" title= +"Bron: clichés">cliché’s</span>, die gediend hebben +tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken worden +gemaakt.</p> +<p>In <i>Engeland</i> eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet +van 25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het +auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit +van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe +staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk +besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn +verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer ons +land zich aansluit.</p> +<p>De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche +werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht was +reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de desbetreffende +Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan daarop van +toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel 18 der +Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met rechten of +belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd +de bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en +belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een +nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen +aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden<a class="noteref" id= +"xd20e13663src" href="#xd20e13663" name="xd20e13663src">149</a>.</p> +<p>Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van +hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds +vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de +verschillende Verbondslanden te wachten staat.</p> +<p>Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier +te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.</p> +<p>Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, +de <span class="pagenum">[<a id="xd20e13698" href="#xd20e13698" name= +"xd20e13698">431</a>]</span>bepaling van de met deze staten gesloten +tractaten hier toepasselijk zijn. Tegenover de andere staten zal, +indien men de volle bescherming niet terstond wil laten intreden, eene +afzonderlijke regeling gemaakt moeten worden.</p> +<p>Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde +staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te +volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie +van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat +worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor +een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is +dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der +exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een +tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft, dan +moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn ter +reproductie van werken van beeldende kunst cliché’s +vervaardigd, dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. +Het Duitsche systeem van afstempeling der cliché’s en +gedrukte exemplaren verdient hierbij wellicht navolging.</p> +<p>De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan, +mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde doel +noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te blijven +vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie jaren. In +elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk <i>aan +ieder</i> vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar +éénmaal, eene vertooning heeft plaats gehad. Eene +dergelijke vrijheid die, zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet +wordt verleend, gaat m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben +alleen reden van bestaan als middel tot bescherming der belangen van +degenen, die reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, +die nog geen moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke +exceptionneele maatregelen niet noodig.</p> +<hr class="tb"> +<p>De toetreding van ons land tot de Conventie zal—zooals uit het +voorgaande herhaaldelijk is gebleken—gepaard moeten gaan met eene +herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal +hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan de +verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13711" href="#xd20e13711" name= +"xd20e13711">432</a>]</span>mocht bestaan in eene verlenging van den +duur van het auteursrecht, (een maatregel, die weliswaar niet strikt +noodig maar toch ingevolge art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal +volgens de bepaling van het laatste lid art. 18 der Conventie +toepasselijk zijn. Indien—wat het waarschijnlijkst is—de +wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat de +Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over de +al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van art. +18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons land +tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn in onze +wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs: dit zal dan +tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland, waar deze zelfde +termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken vijftig jaar na den +dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar hoe zal in dat geval +beslist moeten worden ten aanzien van die Nederlandsche werken, welke +vóór de herziening onzer wet door het verstrijken van den +ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed waren geworden? Men +kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in de andere +Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het tijdstip, dat +dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het geheel niet +beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de bepaling van het +tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie toepasselijk zal +moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de andere +Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de verlenging +van den termijn ná het in werking treden der Conventie had +plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de bepaling +eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten, die zich eerst +later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij b.v. het geval dat +in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is van het Verbond, de +termijn van het auteursrecht op vijftig jaar na den dood des auteurs +wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar) op hetzelfde tijdstip dat +dit in Nederland, dat nog geen lid van het Verbond is, ook wordt +gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche werken, waarvan de auteur +reeds meer dan dertig jaar dood is, niet meer in de andere +Verbondslanden van die langere bescherming zouden genieten; doch indien +Nederland zich een jaar later bij het Verbond aansloot, dan zouden, +volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken, die onder volkomen +dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde landen <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13713" href="#xd20e13713" name= +"xd20e13713">433</a>]</span>wél bescherming vinden. Een voordeel +dus voor het land, dat zich het laatst bij de Conventie heeft +aangesloten.</p> +<p>Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering in +ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke, zooals +wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding tot het +Verbond.</p> +<p>Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal +wet geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig +dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, +tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn +gesteld, daar ten aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan +aan de voorwaarde, in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming +gesteld. Het gevolg zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van +beeldende kunst, die vóór het inwerkingtreden van de wet +bestonden, onbeschermd zouden blijven. Deze werken zouden echter na +onze toetreding tot het Verbond wél beschermd zijn in de andere +Verbondslanden, daar volgens het nieuwe systeem der Conventie het +ontbreken van bescherming in het land van herkomst alleen dán +het auteursrecht in de andere landen doet te nietgaan, indien het het +gevolg is van het verstrijken van den beschermingstermijn.</p> +<p>Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere +Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen, +in Nederland wél beschermd zijn.</p> +<p>Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene +bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste lid der +Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp ook +toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van +het inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit +auteursrecht ten bate van degenen, die reeds van deze werken +reproducties in omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als +die, welke ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie +zullen worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie +van Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land +doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten uit +andere landen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e13723" href= +"#xd20e13723" name="xd20e13723">434</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.4.3"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband +met de Conventie (Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. +art.)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer +dan eens sprake geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds +uitgesproken beginsel, dat de Conventie slechts een <i>minimum</i> van +bescherming waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat +buiten haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze +rechten kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op +bijzondere tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.</p> +<p>Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft, +daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen +afzonderlijke bepaling voor. Het was echter zóó dikwijls +en met zooveel nadruk op de Conferenties van Bern uitgesproken, dat de +Conventie slechts een minimum van bescherming beoogt te geven<a class= +"noteref" id="xd20e13735src" href="#xd20e13735" name= +"xd20e13735src">150</a>, dat nooit door iemand is beweerd, dat het +toekennen van eene ruimere bescherming volgens de inlandsche wetten in +strijd met de Conventie zou zijn. Op de Conferentie van Parijs achtte +men het daarom ook niet noodig eene uitdrukkelijke bepaling in de +Conventie daarover op te nemen<a class="noteref" id="xd20e13744src" +href="#xd20e13744" name="xd20e13744src">151</a>.</p> +<p>Twijfelde dus niemand aan de <i>bevoegdheid</i> van elken +Verbondsstaat, om aan de auteurs uit andere landen eene meer +uitgebreide wettelijke bescherming te verleenen dan die welke uit de +bepalingen der Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en +beweerden dat de Verbondsstaten <i>verplicht</i> waren de rechten van +de inlandsche wet, voorzoover zij boven het minimum der Conventie +uitkwamen, ook aan de auteurs der andere landen te verleenen. Deze +meening, die o. a. door de redactie van het officieele orgaan van het +Verbond werd voorgestaan<a class="noteref" id="xd20e13758src" href= +"#xd20e13758" name="xd20e13758src">152</a>, werd verdedigd met een +beroep op het bovengenoemde beginsel van de minimum-bescherming der +Conventie in verband met den hoofdregel (art. 2 Conventie 1886), dat in +elk Verbondsland op de werken uit andere landen de inlandsche wet +toepasselijk is. Wanneer dus deze inlandsche wet meer gaf dan de +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13763" href="#xd20e13763" name= +"xd20e13763">435</a>]</span>Conventie, moest de omvang der bescherming +worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.</p> +<p>Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening +niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie +alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar zou +zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden worden +ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders is uit +hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende +Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer +ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn +omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, <i>krachtens +diezelfde Conventie</i> in sommige landen naar een anderen, ruimeren, +maatstaf zouden moeten worden toegemeten.</p> +<p>Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den +omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden +stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd<a class= +"noteref" id="xd20e13772src" href="#xd20e13772" name= +"xd20e13772src">153</a>. Zoo heeft men het blijkbaar ook op de +Conferentie van Berlijn ingezien. Er waren verschillende voorstellen, +waarin meer of minder duidelijk de verhouding der Conventie tot de +verder gaande (d. w. z. meer bescherming gevende) landswetten was +aangegeven. De Commissie kwam tenslotte met de volgende redactie, die +ongewijzigd is aanvaard (art. 19 Conventie 1908):</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst +verhinderen niet de toepassing te eischen van bepalingen van wijder +strekking die in de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn +vastgesteld ten gunste van vreemdelingen in het algemeen.</p> +</div> +<p>Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn +van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen +zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn +vastgesteld „ten gunste van vreemdelingen in het algemeen”. +Alleen dus, als de wet <i>uit zichzelf</i> reeds toepasselijk is, kan +de buitenlandsche auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van +op die der Conventie.</p> +<p>Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel +gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in +art. 15 <span class="pagenum">[<a id="xd20e13789" href="#xd20e13789" +name="xd20e13789">436</a>]</span>(t. a. v. nog te sluiten tractaten) en +in het additionneel artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide +bepalingen zijn nu in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De +Verbondsstaten behouden zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten +onder elkander te sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van +wijder strekking verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet +in strijd zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan +deze voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.</p> +<p>Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der +wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak nooit +voorgedaan.</p> +<p>Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van +weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze +tractaten met Frankrijk en België zich op punten van eenige +beteekenis boven het minimum der Conventie verheffen.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.4.4"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. +1908 artt. 21–24; Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. +n<sup>os</sup>. 5 en 6)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de +huishoudelijke inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring +van het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt +geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende +Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.</p> +<p>Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter +opgenomen bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen +aanleiding.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.4.5"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën +(Conv. 1908 artt. 25 en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van +den Duitschen afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de +Conventie op te nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten +er zich bij aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13810" href="#xd20e13810" name= +"xd20e13810">437</a>]</span>erkennen<a class="noteref" id= +"xd20e13812src" href="#xd20e13812" name="xd20e13812src">154</a>. +Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het auteursrecht +bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet moet ook aan +zekere eischen voldoen.</p> +<p>Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is +hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel +het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van +uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen +worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op- en +uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken en +dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf +waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot +het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele +andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft, +voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal +hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten, +het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en +van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk +besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden zijn, +indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het Verbond +weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een +toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.</p> +<p>In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er +prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar +ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze wet +zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de +Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen +van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden +zijn.</p> +<p>Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan +de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de +bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de Add. +Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds op gewezen, +dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid een ruim gebruik +worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet dan noodgedrongen +overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13823" href="#xd20e13823" name= +"xd20e13823">438</a>]</span>zonder belang, nl. de <i>eenheid</i> in het +Verbond: „si nous avons l’Union, nous n’avons pas +l’unité” wordt spijtig in het rapport van Renault +opgemerkt<a class="noteref" id="xd20e13828src" href="#xd20e13828" name= +"xd20e13828src">155</a>. Van de staten, die het brengen van dit offer +noodig maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit +gebied, waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden +moeten blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook +tot eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond, +zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden, mag +m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden worden +verstoord.</p> +<hr class="tb"> +<p>Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding +kunnen worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en +behoeven geene nadere verklaring.</p> +<p>Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige +verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en +Curaçao ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is +vermeld wordt het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande +auteursrecht wél in Suriname en Curaçao erkend; niet +echter omgekeerd dat van deze koloniën in het moederland.</p> +<p>Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle +koloniën bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen +toestand nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie +wordt een land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in +de toetreding zijn begrepen) als een geheel beschouwd<a class="noteref" +id="xd20e13841src" href="#xd20e13841" name="xd20e13841src">156</a>; in +het gestelde geval zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in +het Verbond als een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens +art. 4 lid 3 der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland +zelf zou het echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de +schrijver een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der +Conventie erop toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de +Conventie moge daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet +toepasselijk te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.</p> +<p>Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de +koloniën, die in de toetreding begrepen worden, de wet moet +beantwoorden aan de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht +<span class="pagenum">[<a id="xd20e13849" href="#xd20e13849" name= +"xd20e13849">439</a>]</span>op werken van beeldende kunst, van +uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal dus ook in Suriname en +Curaçao moeten geschieden.</p> +</div> +</div> +<div class="div4" id="ch7.2.4.6"> +<div class="divHead"> +<h5 class="main">VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. +1908 artt. 27–30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. +n<sup>o</sup>. 7; Add. Acte 1896 art. 20)</h5> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen +lange bespreking noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van +formeelen aard.</p> +<p>Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de +Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de +staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid te +blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval blijven +dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten van kracht. +Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél +aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten +verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.</p> +<p>Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding +en de opzegging.</p> +<p>Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband staat +met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in 1908 is ingevoerd. +Volgens dit systeem is het—zooals wij gezien +hebben—mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond +wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der +Conventie wordt veranderd.</p> +<p>Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving den +beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de uit dat +land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd kunnen +zijn.</p> +<p>In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat, die +eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op een of +meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896 gebonden +te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk een nieuwen +rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de andere +Verbondslanden.</p> +<p>Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende +staat van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke +mededeeling aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare +beurt de andere staten daarmede in kennis stelt. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e13871" href="#xd20e13871" name= +"xd20e13871">441</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10359" href="#xd20e10359src" name="xd20e10359">1</a></span> +<i>Paleis van Justitie</i> 9 Aug. 1898.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10366" href="#xd20e10366src" name="xd20e10366">2</a></span> Mr. +J. P. <span class="sc">Moltzer</span>, <i>W. v. h. R.</i> no. 7154.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10385" href="#xd20e10385src" name="xd20e10385">3</a></span> De +voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover reeds is +geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men zie hierover o. +a.: Mr. <span class="sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, <i>de +Gids</i> 1896 III pp. 385 sqq. en <i>Onze Eeuw</i> 1909 I pp. 102 sqq.: +<span class="sc">Herman Robbers</span>, <i>Pro en Contra</i>, serie 1 +no. 10; en <i>de Gids</i> 1908 IV pp. 541 sqq.; <span class="sc">J. G. +Robbers</span> Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde +geschriften van Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, <span class= +"sc">J. H. Kok</span> en <span class="sc">J. Mosmans</span>, en het, +eveneens reeds genoemde, Rapport der Commissie aan de <i>Vereeniging +van Letterkundigen</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10429" href="#xd20e10429src" name="xd20e10429">4</a></span> +<span class="sc">J. G. Fichte</span>, <i>Beweis der +Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks</i> t. a. p. p. +238.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10462" href="#xd20e10462src" name="xd20e10462">5</a></span> +Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd (art. +39).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10524" href="#xd20e10524src" name="xd20e10524">6</a></span> +T.a.p. p. 169.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10536" href="#xd20e10536src" name="xd20e10536">7</a></span> +T.a.p. p. 170.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10549" href="#xd20e10549src" name="xd20e10549">8</a></span> +Wél b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 §35, wet van +1907 §30).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10579" href="#xd20e10579src" name="xd20e10579">9</a></span> <i>W. +v. h. R.</i> no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene andere +opinie (no. 7149).</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10590" href="#xd20e10590src" name="xd20e10590">10</a></span> +Reeds in 1853 noemde <span class="sc">Bluntschli</span> de volkomen +gelijkstelling van vreemde auteurs en werken met de nationale +„die einfachste und gerechteste Lösung” welke aan dit +vraagstuk kan worden gegeven. <i>Kritische Ueberschau der deutschen +Gesetzgebung und Rechtswissenschaft</i> I p. 26.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10612" href="#xd20e10612src" name="xd20e10612">11</a></span> Cf. +het <i>Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer</i> +1877–1878<span class="corr" id="xd20e10617" title= +"Niet in bron">,</span> Bijlage 25 no. 7 p. 9.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10643" href="#xd20e10643src" name="xd20e10643">12</a></span> +<i>Eenige beschouwingen over kopierecht</i> p. 214.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10684" href="#xd20e10684src" name="xd20e10684">13</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 273.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10793" href="#xd20e10793src" name="xd20e10793">14</a></span> Cf.: +<i>Actes</i> 1885 p. 20<span class="corr" id="xd20e10798" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10906" href="#xd20e10906src" name="xd20e10906">15</a></span> Cf. +o.a.: <span class="sc">A d’Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1889 p. 2; +1891 p. 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10918" href="#xd20e10918src" name="xd20e10918">16</a></span> Cf.: +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 149 en de daar +genoemde schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van +1885 van de afgevaardigden <span class="sc">Reichardt</span>, +<span class="sc">d’Orelli</span>, <span class= +"sc">Renault</span>, <span class="sc">Lavollée</span> en +<span class="sc">Lagerheim</span>, <i>Actes</i> 1885 p. 22.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10973" href="#xd20e10973src" name="xd20e10973">17</a></span> +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 150.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10982" href="#xd20e10982src" name="xd20e10982">18</a></span> Over +het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze wet onbreekt, wordt +hieronder bij de behandeling van art. 11 der Conventie gesproken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10987" href="#xd20e10987src" name="xd20e10987">19</a></span> Dit +werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. <i>D. A.</i> 1899 pp. 130 sqq.) +maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de +besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche +herzieningsvoorstellen, <i>Actes</i> 1908 p. 41.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11008" href="#xd20e11008src" name="xd20e11008">20</a></span> Het +eenige zou misschien kunnen zijn: <i>mondelinge voordrachten</i>, +voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is +dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de +„geschriften”, die in het artikel worden genoemd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11036" href="#xd20e11036src" name="xd20e11036">21</a></span> Men +zie hierover: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. pp. +150 en 169; <i>D. A.</i> 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11078" href="#xd20e11078src" name="xd20e11078">22</a></span> +<i>Actes</i> 1896 p. 145.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11096" href="#xd20e11096src" name="xd20e11096">23</a></span> Men +zie voor Frankrijk: <span class="sc">Pouillet</span> t. a. p. pp. 91 +sqq. en <i>D. A.</i> 1889 p. 54; <span class="sc">Darras</span> ibid. +1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België: <span class="sc">P. +Wauwermans</span>, <i>D. A.</i> 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. +24 en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3 +Febr. 1904, <i>D. A.</i> 1905 p. 61; voor Italië: <span class= +"sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1889 pp. 19 en 30, 1891 p. 114.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11124" href="#xd20e11124src" name="xd20e11124">24</a></span> Het +Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: „<span lang="fr">On +est tombé assez facilement d’accord que les photographies +devaient être protégées dans tous les pays de +l’Union</span>”. <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 235.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11144" href="#xd20e11144src" name="xd20e11144">25</a></span> +<i>Actes</i> 1885 p. 43.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11149" href="#xd20e11149src" name="xd20e11149">26</a></span> +<i>Actes</i> 1896 pp. 114 en 166.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11157" href="#xd20e11157src" name="xd20e11157">27</a></span> Men +zie: <i>Actes</i> 1908 pp. 50, 51.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11190" href="#xd20e11190src" name="xd20e11190">28</a></span> Men +zie het verslag van <span class="sc">Renault</span>, <i>Actes</i> 1908 +p. 232.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11246" href="#xd20e11246src" name="xd20e11246">29</a></span> Men +zie: <i>D. A.</i> 1895 p. 92.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11264" href="#xd20e11264src" name="xd20e11264">30</a></span> In +dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch album met +schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover: +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 154; +<span class="sc">Darras</span>, <i>D. A.</i> 1898 p. 43. Cf. over een +soortgelijke vraag: <i>D. A.</i> 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11323" href="#xd20e11323src" name="xd20e11323">31</a></span> De +vraag werd o. a. besproken op het Congres der <i lang= +"fr">Association</i> te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: <i>D. A.</i> +1907 pp. 115, 116.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11337" href="#xd20e11337src" name="xd20e11337">32</a></span> +<i>Actes</i> 1908 p. 44.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11360" href="#xd20e11360src" name="xd20e11360">33</a></span> Men +zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende erkenning +van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11370" href="#xd20e11370src" name="xd20e11370">34</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 232.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11385" href="#xd20e11385src" name="xd20e11385">35</a></span> Men +zie het rapport van <span class="sc">Renault</span>, <i lang= +"fr">Actes</i> 1908 p. 232.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11439" href="#xd20e11439src" name="xd20e11439">36</a></span> +<i>Actes</i> 1884 p. 41.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11444" href="#xd20e11444src" name="xd20e11444">37</a></span> +<i>Actes</i> 1885 p. 42.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11468" href="#xd20e11468src" name="xd20e11468">38</a></span> Cf. +voor het gebruik van de woorden <i>nationaliteit</i> en +<i>onderdaanschap</i> als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: +<span class="sc">A. van de Sande Bakhuyzen</span>, <i>Nederlandsch +onderdaanschap</i>, Proefschr. Leiden 1900 pp. 7 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11492" href="#xd20e11492src" name="xd20e11492">39</a></span> Men +zie b. v.: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. +p<span class="corr" id="xd20e11497" title="Niet in bron">.</span>, p. +83; <span class="sc">Kohler</span>, <i>Urheberrecht</i> p<span class= +"corr" id="xd20e11506" title="Bron: ,">.</span> 403.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11512" href="#xd20e11512src" name="xd20e11512">40</a></span> O. +a.: <span class="sc">d’Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1889 +p<span class="corr" id="xd20e11520" title="Bron: ,">.</span> 2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11529" href="#xd20e11529src" name="xd20e11529">41</a></span> Cf.: +<span class="sc">van de Sande Bakhuyzen</span> t. a. p. pp. 22 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11535" href="#xd20e11535src" name="xd20e11535">42</a></span> +<i>Handel. Tweede Kamer</i> 1908–1909 Bijlage 266.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11555" href="#xd20e11555src" name="xd20e11555">43</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 44.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11564" href="#xd20e11564src" name="xd20e11564">44</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 113.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11572" href="#xd20e11572src" name="xd20e11572">45</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 21.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11577" href="#xd20e11577src" name="xd20e11577">46</a></span> +Anders: <span class="sc">d’Orelli</span>, <i>D. A.</i> 1899 p. +2.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11595" href="#xd20e11595src" name="xd20e11595">47</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 pp. 189 en 191.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11619" href="#xd20e11619src" name="xd20e11619">48</a></span> Cf.: +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 92; <i>D. A.</i> +1902 p. 54.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11670" href="#xd20e11670src" name="xd20e11670">49</a></span> Men +zie de verklaring van <span class="sc">Dr. Meyer</span> dienaangaande +op de Conferentie van 1884, <i lang="fr">Actes</i> p. 43.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11687" href="#xd20e11687src" name="xd20e11687">50</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 111.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11710" href="#xd20e11710src" name="xd20e11710">51</a></span> Men +zie het Commissie-rapport, <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 161; het +Zwitsersche voorstel is te vinden ibid. p. 112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11748" href="#xd20e11748src" name="xd20e11748">52</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 237.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11759" href="#xd20e11759src" name="xd20e11759">53</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 39.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11790" href="#xd20e11790src" name="xd20e11790">54</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 39.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11795" href="#xd20e11795src" name="xd20e11795">55</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 241.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11813" href="#xd20e11813src" name="xd20e11813">56</a></span> +<i>Actes</i> 1884 pp. 29, 43.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11824" href="#xd20e11824src" name="xd20e11824">57</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen +in <i>D. A.</i> 1896 pp. 36 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11832" href="#xd20e11832src" name="xd20e11832">58</a></span> Cf. +het rapport der Commissie <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 164.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11869" href="#xd20e11869src" name="xd20e11869">59</a></span> Cf. +het rapport van <span class="sc">Renault</span> op de Conferentie van +Berlijn <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 236.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11916" href="#xd20e11916src" name="xd20e11916">60</a></span> Cf. +hierboven p. 312.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11968" href="#xd20e11968src" name="xd20e11968">61</a></span> Cf. +boven pp. 264 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12077" href="#xd20e12077src" name="xd20e12077">62</a></span> +<i>Actes</i> 1908 p. 200.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12100" href="#xd20e12100src" name="xd20e12100">63</a></span> +<i>Actes</i> 1908 pp. 214, 215.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12109" href="#xd20e12109src" name="xd20e12109">64</a></span> Cf. +wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt, <i>Actes</i> +1908 p. 244.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12127" href="#xd20e12127src" name="xd20e12127">65</a></span> Men +vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12147" href="#xd20e12147src" name="xd20e12147">66</a></span> +<i>Actes</i> 1885 p. 28.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12152" href="#xd20e12152src" name="xd20e12152">67</a></span> +<i>Actes</i> 1896 p. 168.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12170" href="#xd20e12170src" name="xd20e12170">68</a></span> +<i>Actes</i> 1884 pp. 31, 32.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12197" href="#xd20e12197src" name="xd20e12197">69</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 49.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12207" href="#xd20e12207src" name="xd20e12207">70</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 26 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12225" href="#xd20e12225src" name="xd20e12225">71</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de +rede van den Franschen gedelegeerde <span class= +"sc">Lavollée</span> op de Conferentie van 1885, <i lang= +"fr">Actes</i> pp. 62, 63.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12243" href="#xd20e12243src" name="xd20e12243">72</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 133.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12251" href="#xd20e12251src" name="xd20e12251">73</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 169.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12260" href="#xd20e12260src" name="xd20e12260">74</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 246.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12273" href="#xd20e12273src" name="xd20e12273">75</a></span> Men +zie de toelichting van het voorstel: <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. +201 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12281" href="#xd20e12281src" name="xd20e12281">76</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 247 en 248.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12289" href="#xd20e12289src" name="xd20e12289">77</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 215.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12297" href="#xd20e12297src" name="xd20e12297">78</a></span> Men +zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde <span class= +"sc">Klaus Hoel</span>, <i>Actes</i> 1908 pp. 213 en 214 en die van den +Zweedschen gedelegeerde Graaf <span class="sc">Taube</span> ibid. p. +218.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12327" href="#xd20e12327src" name="xd20e12327">79</a></span> Men +zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport van +<span class="sc">Renault</span> aan de Conferentie van Parijs, <i lang= +"fr">Actes</i> 1896 pp. 168 sqq. De Rechtbank van Brussel (10 Jan. +1903) wees ten onrechte een eisch af, op grond dat aan de voorwaarden +voor het vertalingsrecht, die de wet van het land van herkomst (in dit +geval Duitschland) eischte, niet was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar +in dit vonnis verwezen werd, was bovendien toen al niet meer van kracht +en vervangen door die van 19 Juni 1901, welke in ’t geheel geen +voorwaarden of formaliteiten voorschrijft. (<i>D. A.</i> 1904 pp. 56 +sqq.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12369" href="#xd20e12369src" name="xd20e12369">80</a></span> Men +zie ook het rapport van <span class="sc">Renault</span>, <i>Actes</i> +1896 p. 170.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12395" href="#xd20e12395src" name="xd20e12395">81</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 44.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12423" href="#xd20e12423src" name="xd20e12423">82</a></span> +<i>Actes</i> 1908 p. 217.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12456" href="#xd20e12456src" name="xd20e12456">83</a></span> Niet +geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door Mr. <span class= +"sc">L. J. Plemp van Duiveland</span>, <i>Onze Eeuw</i> 1909 I pp. 123 +en 124.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12480" href="#xd20e12480src" name="xd20e12480">84</a></span> Men +zie hierover: <i lang="fr">Actes</i> 1884 pp. 31 en 52 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12498" href="#xd20e12498src" name="xd20e12498">85</a></span> +<i>Actes</i> 1896 pp. 115, 116.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12503" href="#xd20e12503src" name="xd20e12503">86</a></span> +<i>Actes</i> 1896 pp. 136 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12525" href="#xd20e12525src" name="xd20e12525">87</a></span> De +tekst dezer voorstellen is te vinden: <i>Actes</i> 1908 pp. 287 sqq. De +toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en die van het +Belgische pp. 203 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12531" href="#xd20e12531src" name="xd20e12531">88</a></span> Men +zie het Commissie-rapport, <i>Actes</i> 1908 pp. 249 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12562" href="#xd20e12562src" name="xd20e12562">89</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 137.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12569" href="#xd20e12569src" name="xd20e12569">90</a></span> Men +zie het Duitsche voorstel, <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 44, 45 en +het Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12575" href="#xd20e12575src" name="xd20e12575">91</a></span> Cf. +hierover het Commissie-rapport, <i lang="fr">Actes</i> 1908 pp. 251, +252 en de verklaring van <span class="sc">de Borchgrave</span> op de +vergadering van 13 Nov. 1908, <i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 215.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12618" href="#xd20e12618src" name="xd20e12618">92</a></span> Men +zie hierover o.a.: <i>La reproduction des romans feuilletons dans les +journaux</i>, <i>D. A.</i> 1893 pp. 13 sqq., en: <i>Du droit de +reproduction en matière de journaux et de publications +périodiques</i>, <i>D. A.</i> 1896 pp. 8 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12633" href="#xd20e12633src" name="xd20e12633">93</a></span> +<i>Actes</i> 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie <span class= +"sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 203.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12643" href="#xd20e12643src" name="xd20e12643">94</a></span> +<i>Actes</i> 1896 p. 171.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12658" href="#xd20e12658src" name="xd20e12658">95</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12672" href="#xd20e12672src" name="xd20e12672">96</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 251.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12684" href="#xd20e12684src" name="xd20e12684">97</a></span> +<i>Actes</i> 1885 p. 46.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12699" href="#xd20e12699src" name="xd20e12699">98</a></span> Men +zie het Commissie-rapport <i>Actes</i> 1908 p. 251.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12720" href="#xd20e12720src" name="xd20e12720">99</a></span> Men +zie: <i>Actes</i> 1885 p. 46 en <i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12732" href="#xd20e12732src" name="xd20e12732">100</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 254.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12739" href="#xd20e12739src" name="xd20e12739">101</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 171.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12770" href="#xd20e12770src" name="xd20e12770">102</a></span> Zij +werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12795" href="#xd20e12795src" name="xd20e12795">103</a></span> +Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige +nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12835" href="#xd20e12835src" name="xd20e12835">104</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 29, 30.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12840" href="#xd20e12840src" name="xd20e12840">105</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 47.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12857" href="#xd20e12857src" name="xd20e12857">106</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1885 p. 47.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12862" href="#xd20e12862src" name="xd20e12862">107</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 254.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12877" href="#xd20e12877src" name="xd20e12877">108</a></span> In +een ingezonden stuk van den heer <span class="sc">A. de Jager</span> in +het <i>Nieuwsblad voor den Boekhandel</i> 1898 no. 100 worden een +zestigtal titels van dergelijke uitgaven genoemd, die door den +schrijver worden aangeduid als: „eenige, die mij het eerst voor +de hand kwamen”.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12899" href="#xd20e12899src" name="xd20e12899">109</a></span> +Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver van het +bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel overgenomen. +Het een en ander is opgenomen in: <i>Nederland en de Berner +Conventie</i> door Mr. <span class="sc">J. D. Veegens</span>, met +bijlagen, 2de vermeerderde druk, Groningen, P. Noordhoff 1898.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12924" href="#xd20e12924src" name="xd20e12924">110</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 172.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12929" href="#xd20e12929src" name="xd20e12929">111</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1896 p. 229.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12938" href="#xd20e12938src" name="xd20e12938">112</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 256.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12952" href="#xd20e12952src" name="xd20e12952">113</a></span> +Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. <span class= +"sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 222.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13008" href="#xd20e13008src" name="xd20e13008">114</a></span> Men +zie: <i lang="fr">Actes</i> 1885 pp. 48 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13041" href="#xd20e13041src" name="xd20e13041">115</a></span> +<i>Actes</i> 1896 pp. 172, 173.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13046" href="#xd20e13046src" name="xd20e13046">116</a></span> Men +zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van Duitschland, +Spanje en Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs van +geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13051" href="#xd20e13051src" name="xd20e13051">117</a></span> Cf. +het Commissie-verslag <i>Actes</i> 1908 p. 258.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13063" href="#xd20e13063src" name="xd20e13063">118</a></span> Tot +nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over deze vraag +uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13089" href="#xd20e13089src" name="xd20e13089">119</a></span> +Evenzoo: <span class="sc">Rosmini</span>, <i>D. A.</i> 1890 pp. 93 +sqq.; hoofdartikel in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts +verscheidene rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland: +Reichsgericht 31 Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels, +speeldoozen en andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal +muziekstukken spelen en ten tijde van het tot stand komen der Conventie +algemeen bekend waren, <i>D. A.</i> 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden +zin: Reichsgericht 24 Febr. 1899, <i>D. A</i>. 1901 p. 5; +Sächsisches Oberlandsgericht 29 Oct. 1894. In België werd +uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk is op phonograaf-rollen +door: <span lang="fr">Tribunal de 1<sup>re</sup> instance</span> te +Brussel 13 Juli 1904, <i>D. A.</i> 1904 pp. 93 sqq.; <span lang= +"fr">Tribunal de paix</span> Brussel 10 Aug. 1903, <i>D. A.</i> 1903 +pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen in tegengestelden +zin.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13127" href="#xd20e13127src" name="xd20e13127">120</a></span> Dit +is ook de meening van <span class="sc">Röthlisberger</span>, die +overigens de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: „<span lang= +"la">dura lex sed lex</span>” t. a. p. p. 246. Rechterlijke +beslissingen in dezen zin: Landgericht Leipzig 31 Dec. 1891 +(symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix); Landgericht Gera 23 Mei 1890 +(clariophone), <i>D. A.</i> 1890 pp. 119 sqq., 1895 pp. 59 sqq.; +<span lang="fr">Cour d’Appel</span> Brussel 29 Dec. 1905, <i>D. +A.</i> 1906 p. 46.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13164" href="#xd20e13164src" name="xd20e13164">121</a></span> Zoo +deed ook terecht: <span lang="fr">Tribunal de paix</span> van Laeken 5 +Juli 1906, <i>D. A.</i> 1907 p. 7.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13175" href="#xd20e13175src" name="xd20e13175">122</a></span> Men +zie hierover: <i>Actes</i> 1896 pp. 46, 47, 199, 200.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13183" href="#xd20e13183src" name="xd20e13183">123</a></span> Zoo +o. a. door de <i lang="fr">Association</i> op hare congressen van +Monaco 1897, Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het +internationale uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. <i lang= +"fr">Tableau des Voeux</i> etc. 1896–1907 pp. 14, 15.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13215" href="#xd20e13215src" name="xd20e13215">124</a></span> Men +zie het Duitsche voorstel met de toelichting <i>Actes</i> 1908 pp. 51, +52.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13225" href="#xd20e13225src" name="xd20e13225">125</a></span> Men +zie hierover het verslag der Commissie <i>Actes</i> 1908 pp. 260, +261.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13236" href="#xd20e13236src" name="xd20e13236">126</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 262.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13245" href="#xd20e13245src" name="xd20e13245">127</a></span> Men +zie het Commissie-rapport, <i>Actes</i> 1908 p. 262.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13286" href="#xd20e13286src" name="xd20e13286">128</a></span> +<i lang="fr">Actes</i> 1908 p. 264.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13315" href="#xd20e13315src" name="xd20e13315">129</a></span> +<i>Actes</i> 1908 p. 266.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13353" href="#xd20e13353src" name="xd20e13353">130</a></span> +Cf.: <i>Actes</i> 1885 p. 50.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13363" href="#xd20e13363src" name="xd20e13363">131</a></span> Hof +van Brescia 20–22 Dec. 1897, <i>D. A.</i> 1898 p. 83; Hof van +Appel Milaan 10 Jan. 1899, <i>D. A.</i> 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa +23 Juni 1903, <i>D. A.</i> 1904 p. 98.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13375" href="#xd20e13375src" name="xd20e13375">132</a></span> +<i>Actes</i> 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13380" href="#xd20e13380src" name="xd20e13380">133</a></span> Men +zie ook: <i lang="fr">Des moyens de prouver l’existence du droit +d’auteur d’après la Convention de Berne</i>, <i>D. +A.</i> 1899 pp. 50 sqq. en een arrest van het Hof van Cassatie van Rome +van 7 Juni 1900, <i>D. A.</i> 1900 p. 145.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13397" href="#xd20e13397src" name="xd20e13397">134</a></span> +Cf.: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 252.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13418" href="#xd20e13418src" name="xd20e13418">135</a></span> Men +zie over deze kwestie o.a.: <span class="sc">d’Orelli</span>, +<i>D. A.</i> 1889 p. 14; een hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq. +en 25 sqq.; <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. pp. +264, 265.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13432" href="#xd20e13432src" name="xd20e13432">136</a></span> +<i>Actes</i> 1885 p. 35.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13440" href="#xd20e13440src" name="xd20e13440">137</a></span> +<i>Actes</i> 1896 p. 139.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13449" href="#xd20e13449src" name="xd20e13449">138</a></span> +<i>Actes</i> 1896 p. 173; 1908 p. 267.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13478" href="#xd20e13478src" name="xd20e13478">139</a></span> +Cf.: <i>D. A.</i> 1904 p. 14.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13542" href="#xd20e13542src" name="xd20e13542">140</a></span> +Cf.: <i>D. A.</i> 1905 p. 94.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13550" href="#xd20e13550src" name="xd20e13550">141</a></span> +Cf.: <i>Actes</i> 1885 p. 52; <i>D. A.</i> 1905 pp. 93, 94; +<i>Actes</i> 1908 p. 269.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13564" href="#xd20e13564src" name="xd20e13564">142</a></span> Men +zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen Duitschland en +Engeland: <i>D. A.</i> 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen +Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van +Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): <i>D. A.</i> 1894 pp. +61 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13576" href="#xd20e13576src" name="xd20e13576">143</a></span> +<i>Actes</i> 1896 pp. 174, 175.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13591" href="#xd20e13591src" name="xd20e13591">144</a></span> Dit +belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen, die reeds +reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te houden. Cf., +speciaal voor Italië: <span class="sc">M. Amar</span>, <i lang= +"fr">De l’application de la Convention de Berne revisée +aux oeuvres publiées avant son entrée en vigueur</i>, +<i>D. A.</i> 1900 pp. 89 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13613" href="#xd20e13613src" name="xd20e13613">145</a></span> De +tekst is o.a. te vinden in <i>D. A.</i> 1888 pp. 76 en 90 en bij +<span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. pp. 348 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13622" href="#xd20e13622src" name="xd20e13622">146</a></span> +<i lang="de">Zeitschrift für internationales Privat- und +Strafrecht</i> VI p. 388.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13628" href="#xd20e13628src" name="xd20e13628">147</a></span> +<i>D. A.</i> 1905 p. 94; <span class="sc">Röthlisberger</span> t. +a. p. p. 273.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13641" href="#xd20e13641src" name="xd20e13641">148</a></span> Men +zie de verklaring der Deensche Regeering, <i>D. A.</i> 1905 p. 95.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13663" href="#xd20e13663src" name="xd20e13663">149</a></span> Men +zie hierover o.a.: <span class="sc">J. F. Iselin</span>, <i lang= +"fr">L’effet rétroactif de la Convention de Berne en +Angleterre</i>, <i>D. A.</i> 1899 p. 38; <span class= +"sc">Röthlisberger</span> t. a. p. p. 278; <i lang="fr">La +question de la Rétroactivité devant les tribunaux +Anglais</i>, (hoofdartikel) <i>D. A.</i> 1891 pp. 49 sqq. en: <i>D. +A.</i> 1905 p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te +vinden in: <i>D. A.</i> 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101; +1899 p. 39.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13735" href="#xd20e13735src" name="xd20e13735">150</a></span> Men +zie: <i>Actes</i> 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; <i>Actes</i> 1885 pp. 27 +en 45.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13744" href="#xd20e13744src" name="xd20e13744">151</a></span> Men +zie het Commissie-rapport <i>Actes</i> 1896 pp. 160, 161.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13758" href="#xd20e13758src" name="xd20e13758">152</a></span> +<i>D. A.</i> 1895 p. 163.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13772" href="#xd20e13772src" name="xd20e13772">153</a></span> Cf. +ook in dezen zin: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. +pp. 29 sqq.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13812" href="#xd20e13812src" name="xd20e13812">154</a></span> +<i>Actes</i> 1884 p. 36.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13828" href="#xd20e13828src" name="xd20e13828">155</a></span> +<i>Actes</i> 1908 p. 277.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13841" href="#xd20e13841src" name="xd20e13841">156</a></span> +Cf.: <span class="sc">Röthlisberger</span> t. a. p. pp. 300, +301.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="bijlagen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="super">Bijlagen</h2> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e13877" href="#xd20e13877" name= +"xd20e13877">443</a>]</span></p> +<h2 id="b1" class="main">Bijlage I</h2> +<h2 class="main">Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n<sup>o</sup>. 124) +tot regeling van het auteursrecht</h2> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 1</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, +tooneelwerken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, +alsmede om dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar +uit- of op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen +rechtverkrijgenden toe.</p> +<p>Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke +uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen, +toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd +wordt.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Met auteurs worden gelijkgesteld:</p> +<p><i>a</i>. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door +bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders;</p> +<p><i>b</i>. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en +vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;</p> +<p><i>c</i><span class="corr" id="xd20e13915" title= +"Niet in bron">.</span> vertalers ten opzichte van hunne vertaling.</p> +<p>Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders +behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door hem +geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen.</p> +<p>Ten aanzien van de onder <i>a</i> en <i>b</i> van dit artikel +vermelde rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 13 buiten +toepassing.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij werken, zonder naam van auteur of onder een +verdichten naam door den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo +ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op den +omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander +zich <span class="pagenum">[<a id="xd20e13935" href="#xd20e13935" name= +"xd20e13935">444</a>]</span>als rechthebbende heeft doen kennen op den +voet in de artikelen 10 en 11 bepaald, met uitzondering van den in art. +10 gestelden termijn van inzending.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 4</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er +geen auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen +verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht ter +algemeene kennis gebracht is<a class="noteref" id="xd20e13944src" href= +"#xd20e13944" name="xd20e13944src">1</a>.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 5</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend +recht om door den druk gemeen te maken vertalingen van:</p> +<p><i>a</i>. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder +begrepen zijne mondelinge voordrachten;</p> +<p><i>b</i>. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij +zich bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke +daarvan <span class="pagenum">[<a id="xd20e13991" href="#xd20e13991" +name="xd20e13991">445</a>]</span>op den omslag van het werk, dit +uitsluitend recht voor een of meer bepaald genoemde talen uitdrukkelijk +voorbehoudt, en zijne vertaling binnen drie jaren na de oorspronkelijke +uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt.</p> +<p>Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, +wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk +berekend.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 6</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in +onderscheidene talen wordt slechts ééne uitgave als de +oorspronkelijke aangemerkt en gelden de overige als vertalingen.</p> +<p>De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op den +omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke +beschouwt.</p> +<p>Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de +moedertaal des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 7</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte +werken belet niet, dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, +aanhalingen in andere werken worden opgenomen.</p> +<p>Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen +uit dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het +auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk +is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 8</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende +zaak.</p> +<p>Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over +bij erfopvolging.</p> +<p>Het is niet vatbaar voor beslag.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het +auteursrecht op door den druk gemeen gemaakte werken</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 10</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt +werk vervalt, zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren +<span class="pagenum">[<a id="xd20e14036" href="#xd20e14036" name= +"xd20e14036">446</a>]</span>van dat werk, op het titelblad of bij +gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, met opgaaf van +zijne woonplaats en van het tijdstip der uitgave, binnen eene maand na +de uitgave inzendt bij het Departement van Justitie, voor zooveel +vertalingen betreft met inachtneming van den in art. 5<i>b</i> +gestelden termijn.</p> +<p>Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker +onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde +drukkerij is gedrukt.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 11</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders +een gedagteekend bewijs van ontvangst af.</p> +<p>Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in +een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen.</p> +<p>Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene +opgaaf gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 12</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale +werken of tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die +werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de +oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den +omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk +voorbehoudt.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 3 Duur van het auteursrecht</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 13</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte +werken duurt vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de +dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.</p> +<p>Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een +ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 14</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht van niet door den druk gemeen +gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt +tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e14083" href="#xd20e14083" name= +"xd20e14083">447</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 15</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale +werken of tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:</p> +<p>1<sup>o</sup>. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken +tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood;</p> +<p>2<sup>o</sup>. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij +die uitsluitende bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren +sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van +ontvangst.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 16</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk +gemeen maken van vertalingen duurt:</p> +<p>1<sup>o</sup>. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, +mondelinge voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht +bestaat;</p> +<p>2<sup>o</sup>. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende +vijf jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs +van ontvangst.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 17</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij werken, die uit onderscheidene deelen of +afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel +of elke aflevering afzonderlijk berekend.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 4 Handhaving van het auteursrecht</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 18</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, +voortvloeiende uit elke inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die +opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, gestraft met +geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste tweeduizend +gulden.</p> +<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den +schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen +van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat +verbeurd verklaard.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van +15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349 bis +van het Wetboek van Strafrecht: <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e14144" href="#xd20e14144" name="xd20e14144">448</a>]</span></p> +<p>Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, wordt +gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.</p> +<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den +schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen +van het misdrijf gediend hebben, worden verbeurdverklaard.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 19</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk +gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te +koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents +en ten hoogste zeshonderd gulden.</p> +<p>De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren +worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van +15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349ter +van het Wetboek van Strafrecht:</p> +<p>Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op +eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt +gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.</p> +<p>De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren +worden verbeurdverklaard.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 20</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden +niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van +15 Januari 1886 (Stbl. n<sup>o</sup>. 6) vervangen door artikel 349 +quater van het Wetboek van Strafrecht:</p> +<p>De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden +niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 21<a id="xd20e14191" +name="xd20e14191"></a></h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde +exemplaren worden aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, +indien <span class="pagenum">[<a id="xd20e14194" href="#xd20e14194" +name="xd20e14194">449</a>]</span>deze zich daartoe ter griffie +aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde is +gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze exemplaren vernietigd.</p> +<p>Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering +tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den +rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 22</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag +nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd +met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.</p> +<p>Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder +personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en +deze tot eigen gebruik hebben verkregen.</p> +<p>De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke +Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 23</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden +veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 5 Overgangsbepalingen</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 24</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard +verkregen onder eene vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de +gerechtigde, binnen één jaar na het in werking treden +dezer wet, daaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van +Justitie.</p> +<p>De artt. 18–23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 25</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Geen auteursrecht op een vóór het in +werking treden dezer wet door den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens +de vroegere wetgeving niet voor recht van kopij vatbaar was of omtrent +hetwelk de destijds vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in +acht genomen, kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of +drukker binnen één jaar na het in werking treden dezer +wet twee exemplaren, <span class="pagenum">[<a id="xd20e14235" href= +"#xd20e14235" name="xd20e14235">450</a>]</span>op het titelblad of bij +gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, inzendt bij het +Departement van Justitie, met opgaaf van zijne woonplaats en van het +tijdstip der oorspronkelijke uitgave.</p> +<p>Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur +van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.</p> +<p>Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen +tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer +wet zijn aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 26</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het Departement van Justitie geeft aan de in de +artikelen 24 en 25 bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van +ontvangst af.</p> +<p>Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in +een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen.</p> +<p>Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene +opgave gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>, met vermelding +van het door den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke +uitgave van de ingezonden werken.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 6 Slotbepalingen</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 27</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet is van toepassing op in Nederland of in +Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte +werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in +Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs, daaronder +begrepen in Nederland of in Nederlandsch-Indië gehouden mondelinge +voordrachten.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 28</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet is ook verbindend voor +Nederlandsch-Indië.</p> +<p>De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden +ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan +opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de +verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie +opgedragen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14274" href= +"#xd20e14274" name="xd20e14274">451</a>]</span></p> +<p>De <i>Nederlandsche Staatscourant</i> en de <i>Javasche Courant</i> +nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander +over.</p> +<p>In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indië +van toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende +reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen de +wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die voor de +inlanders en met deze gelijkgestelden.</p> +<p>Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden +dezer wet in Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt werk +kan worden uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld +wordt overeenkomstig art. 25.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 29</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het +recht van kopij, van vertaling, van uit- en opvoering zijn +ingetrokken.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 30</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e14301" href="#xd20e14301" name= +"xd20e14301">452</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e13944" href="#xd20e13944src" name="xd20e13944">1</a></span> +<i>Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het +auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor den +Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en +Telegrafie, Staatsblad no. 213.</i></p> +<div class="blockquote"> +<p class="footnote first salute"><span class="sc">Wij Wilhelmina, +enz.</span></p> +<p class="footnote">Overwegende, dat het wenschelijk is het +auteursrecht op de Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door +het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden;</p> +<p class="footnote">Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881 +(<i>Staatsblad no. 124</i>) tot regeling van het auteursrecht, +gewijzigd bij de wet van 15 April 1886 (<i>Staatsblad no. 64</i>);</p> +<p class="footnote">Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers +van Waterstaat en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling +Posterijen en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A. +S.;</p> +<p class="footnote">Hebben goedgevonden en verstaan:</p> +<p class="footnote">te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de +tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, +uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie.</p> +<p class="footnote">Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn +belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het <i>Staatsblad</i> +zal worden geplaatst.</p> +</div> +</div> +</div> +<div id="b2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Bijlage II</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst</p> +<p>(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884–1855 +tweede zitting 72–5.)</p> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op +werken van beeldende kunst</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 1</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het recht om een werk van beeldende kunst op +oorspronkelijke grootte, op grooter of op verkleinde schaal, hetzij +geheel, hetzij gedeeltelijk te copieeren, na te bootsen, af te beelden +en te verveelvoudigen of dit door anderen te laten doen, hetzij door +middel van dezelfde of door eene andere beeldende kunst, of langs +mechanischen weg, komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken +vervaardiger van het kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.</p> +<p>Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve +op bouwkundige teekeningen en modellen.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Met den oorspronkelijken vervaardiger worden +gelijkgesteld:</p> +<p><i>a</i>. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in +art. 1 bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van +onderscheidene kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;</p> +<p><i>b</i>. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en +vennootschappen ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte +kunstwerken<span class="corr" id="xd20e14337" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder +mede-arbeider het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage +afzonderlijk, voor zoover niet het tegendeel is bedongen.</p> +<p>Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde +rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten +toepassing. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14344" href= +"#xd20e14344" name="xd20e14344">453</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Als nabootsing wordt niet beschouwd:</p> +<p><i>a</i>. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het +scheppen van een nieuw kunstwerk;</p> +<p><i>b</i>. het maken van eene copie voor eigen studie van een +kunstwerk, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel +van winstbejag geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat +het eene copie is.</p> +<p>In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig +ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk +voorkomende, na te maken;</p> +<p><i>c</i>. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere +afbeeldingen van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst +dienende, en</p> +<p><i>d</i>. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 4</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander +vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of +door eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht +bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk +toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1 +bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 5</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt +beschouwd als eene onlichamelijke roerende zaak.</p> +<p>Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte +overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over bij +erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 6</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De levering van een kunstwerk, waarvan het +auteursrecht is gewaarborgd volgens § 2 dezer wet, geldt niet als +eigendomsverkrijging van het auteursrecht voor den bezitter, die niet +de oorspronkelijke vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk +bewijs kan aantoonen, <span class="pagenum">[<a id="xd20e14394" href= +"#xd20e14394" name="xd20e14394">454</a>]</span>het auteursrecht met het +kunstwerk te hebben verkregen van den oorspronkelijken vervaardiger of +diens rechtverkrijgende.</p> +<p>Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende +zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een +kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten +maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten +aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.</p> +<p>Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet +verkregen, kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in +zijne woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, +nabootsingen of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het +tegendeel is overeengekomen.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het +auteursrecht op werken van beeldende kunst</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 7</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst +vervalt, indien de oorspronkelijke vervaardiger of zijn +rechtverkrijgende niet vóór of uiterlijk dertig dagen +nadat het kunstwerk voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld, of +wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, eene +geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe +gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens door +Ons vast te stellen model, inzendt bij een der Departementen van +algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat het kunstwerk in +platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere +verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving een +exemplaar ingezonden.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 8</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De betrokken Minister geeft aan den inzender een +gedagteekend bewijs van ontvangst van de beschrijving en van het +exemplaar af.</p> +<p>De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn +ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.</p> +<p>Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een +register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening +uittreksel of afschrift kan ontvangen. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e14421" href="#xd20e14421" name="xd20e14421">455</a>]</span></p> +<p>De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in +Rijksverzamelingen worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, +aanduidende dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van +ontvangst is afgegeven.</p> +<p>Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave +gedaan in de <i>Nederlandsche Staatscourant</i>.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van +beeldende kunst</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 9</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, +te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in +art. 8.</p> +<p>Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet +aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht +levenslang.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 10</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of +afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel +of elke aflevering afzonderlijk berekend.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 11</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn +de artt. 7 en 8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het +bewijs van ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer +als het auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht +blijft.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van +beeldende kunst</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 12</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot +vergoeding van door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, +wordt hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, +bedoeld in art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig +cents en ten hoogste vijf duizend gulden. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e14465" href="#xd20e14465" name="xd20e14465">456</a>]</span></p> +<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de +ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn, +alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen en +andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van het +misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat +verbeurdverklaard.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 13</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk +gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, +verkoopt, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met +geldboete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee duizend +gulden.</p> +<p>De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten +behoeve van den Staat verbeurdverklaard.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 14</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden +niet vervolgd, dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. +Gaan die misdrijven gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht +strafbaar bedrog, dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen +ten aanzien der strafvervolging.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 15</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde +exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen en +gereedschappen worden aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is +gemaakt, of aan zijn rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich +daartoe ter griffie aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het +veroordeelend vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van +zoodanige aanmelding worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en +andere werktuigen en gereedschappen vernietigd.</p> +<p>Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering +tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den +rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 16</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in +art. 1 of 4 bedoeld, toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of +vernietiging <span class="pagenum">[<a id="xd20e14500" href= +"#xd20e14500" name="xd20e14500">457</a>]</span>vorderen van exemplaren +welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd, ook zelfs +wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of nagelvast zijn +gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken worden begrepen.</p> +<p>Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het +losmaken der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren +vastgehecht, toegebracht.</p> +<p>Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder +personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en +deze tot eigen gebruik hebben verkregen.</p> +<p>De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke +Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 17</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd +heeft, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en +interessen.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 18</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede +zinsnede, wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en +ten hoogste duizend gulden.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">§ 5 Slotbepalingen</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 19</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet is van toepassing op in Nederland of in +Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken +vervaardigd door in Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige +kunstenaars.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 20</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet is ook verbindend voor +Nederlandsch-Indië.</p> +<p>De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede +bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in +Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de +oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig +zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door den +<span class="pagenum">[<a id="xd20e14541" href="#xd20e14541" name= +"xd20e14541">458</a>]</span>Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de +zorg van dezen hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de +Javasche Courant, en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer +wet aan den betrokken Minister in Nederland opgedragen.</p> +<p>De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen +wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.</p> +<p>In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor +Nederlandsch-Indië van toepassing de overeenkomstige bepalingen +van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil, +dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Europeanen en met deze +gelijkgestelden en die voor de inlanders en met deze +gelijkgestelden.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Artikel</span> 21</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze wet treedt in werking ........ <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e14554" href="#xd20e14554" name= +"xd20e14554">459</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div lang="fr" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 lang="nl-1900" class="main">Bijlage III</h2> +<div class="div2" id="b3.1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="label">A</h3> +<h3 class="main">Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la +création d’une Union internationale pour la protection des +oeuvres littéraires et artistiques</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article premier</span></h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les pays contractants sont constitués à +l’état d’Union pour la protection des droits des +auteurs sur leurs oeuvres littéraires et artistiques.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs ressortissant à l’un des pays +de l’Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les autres +pays, pour leurs oeuvres, soit publiées dans un de ces pays, +soit non publiées, des droits que les lois respectives accordent +actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux.</p> +<p>La jouissance de ces droits est subordonnée à +l’accomplissement des conditions et formalités prescrites +par la législation du pays d’origine de l’oeuvre; +elle ne peut excéder, dans les autres pays, la durée de +la protection accordée dans ledit pays d’origine.</p> +<p>Est considéré comme pays d’origine de +l’oeuvre, celui de la première publication, ou, si cette +publication a lieu simultanément dans plusieurs pays de +l’Union, celui d’entre eux dont la législation +accorde la durée de protection la plus courte.</p> +<p>Pour les oeuvres non publiées, le pays auquel appartient +l’auteur est considéré comme pays d’origine +de l’oeuvre.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les stipulations de la présente Convention +s’appliquent également aux éditeurs d’oeuvres +littéraires ou artistiques publiées dans un des pays de +l’Union, et dont l’auteur appartient à un pays qui +n’en fait pas partie. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14590" +href="#xd20e14590" name="xd20e14590">460</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’expression „oeuvres littéraires +et artistiques” comprend les livres, brochures ou tous autres +écrits; les oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, les +compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de +peinture, de sculpture, de gravure; les lithographies, les +illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et +ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à +la topographie, à l’architecture ou aux sciences en +général; enfin toute production quelconque du domaine +littéraire, scientifique ou artistique, qui pourrait être +publiée par n’importe quel mode d’impression ou de +reproduction.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs ressortissant à l’un des pays +de l’Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les autres +pays, du droit exclusif de faire ou d’autoriser la traduction de +leurs ouvrages jusqu’à l’expiration de dix +années à partir de la publication de l’oeuvre +originale dans l’un des pays de l’Union.</p> +<p>Pour les ouvrages publiés par livraisons, le délai de +dix années ne compte qu’à dater de la publication +de la dernière livraison de l’oeuvre originale.</p> +<p>Pour les oeuvres composées de plusieurs volumes +publiés par intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers +publiés par des sociétés littéraires ou +savantes ou par des particuliers, chaque volume, bulletin ou cahier +est, en ce qui concerne le délai de dix années, +considéré comme ouvrage séparé.</p> +<p>Dans les cas prévus au présent article, est admis +comme date de publication, pour le calcul des délais de +protection, le 31 décembre de l’année dans laquelle +l’ouvrage a été publié.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les traductions licites sont protégées +comme des ouvrages originaux. Elles jouissent, en conséquence, +de la protection stipulée aux articles 2 et 3 en ce qui concerne +leur reproduction non autorisée dans les pays de +l’Union.</p> +<p>Il est entendu que, s’il s’agit d’une oeuvre pour +laquelle le droit de traduction est dans le domaine public, le +traducteur ne peut pas s’opposer à ce que la même +oeuvre soit traduite par d’autres écrivains. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e14621" href="#xd20e14621" name= +"xd20e14621">461</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les articles de journaux ou de recueils +périodiques publiés dans l’un des pays de +l’Union peuvent être reproduits, en original ou en +traduction, dans les autres pays de l’Union, à moins que +les auteurs ou éditeurs ne l’aient expressément +interdit. Pour les recueils, il peut suffire que l’interdiction +soit faite d’une manière générale en +tête de chaque numéro du recueil.</p> +<p>En aucun cas, cette interdiction ne peut s’appliquer aux +articles de discussion politique ou à la reproduction des +nouvelles du jour et des <i>faits divers</i>.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">En ce qui concerne la faculté de faire +licitement des emprunts à des oeuvres littéraires ou +artistiques pour des publications <span class="corr" id="xd20e14642" +title="Bron: destinees">destinées</span> à +l’enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour +des chrestomathies, est réservé l’effet de la +législation des pays de l’Union et des arrangements +particuliers existants ou à conclure entre eux.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les stipulations de l’article 2 +s’appliquent à la représentation publique des +oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces oeuvres soient +publiées ou non.</p> +<p>Les auteurs d’oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou +leurs ayants cause, sont, pendant la durée de leur droit +exclusif de traduction, réciproquement protégés +contre la représentation publique non autorisée de la +traduction de leurs ouvrages.</p> +<p>Les stipulations de l’article 2 s’appliquent +également à l’exécution publique des oeuvres +musicales non publiées ou de celles qui ont été +publiées, mais dont l’auteur a expressément +déclaré sur le titre ou en tête de l’ouvrage +qu’il en interdit l’exécution publique.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Sont spécialement comprises parmi les +reproductions illicites auxquelles s’applique la présente +Convention, les appropriations indirectes non autorisées +d’un ouvrage littéraire ou artistique, +désignées sous des noms divers, tels que: <i>adaptations, +arrangements de musique</i>, etc., lorsqu’elles ne sont que la +reproduction d’un tel ouvrage, dans la <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e14667" href="#xd20e14667" name= +"xd20e14667">462</a>]</span>même forme ou sous une autre forme, +avec des changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans +présenter d’ailleurs le caractère d’une +nouvelle oeuvre originale.</p> +<p>Il est entendu que, dans l’application du présent +article, les tribunaux des divers pays de l’Union tiendront +compte, s’il y a lieu, des réserves de leurs lois +respectives.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Pour que les auteurs des ouvrages +protégés par la présente Convention soient, +jusqu’à preuve contraire, considérés comme +tels et admis, en conséquence, devant les tribunaux des divers +pays de l’Union à exercer des poursuites contre les +contrefaçons, il suffit que leur nom soit indiqué sur +l’ouvrage en la manière usitée.</p> +<p>Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l’éditeur +dont le nom est indiqué sur l’ouvrage est fondé +à sauvegarder les droits appartenant à l’auteur. Il +est, sans autres preuves, réputé ayant cause de +l’auteur anonyme ou pseudonyme.</p> +<p>Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le cas +échéant, la production d’un certificat +délivré par l’autorité compétente, +constatant que les formalités prescrites, dans le sens de +l’article 2, par la législation du pays d’origine +ont été remplies.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toute oeuvre contrefaite peut être saisie +à l’importation dans ceux des pays de l’Union +où l’oeuvre originale a droit à la protection +légale.</p> +<p>La saisie a lieu conformément à la législation +intérieure de chaque pays.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Il est entendu que les dispositions de la +présente Convention ne peuvent porter préjudice, en quoi +que ce soit, au droit qui appartient au Gouvernement de chacun des pays +de l’Union de permettre, de surveiller, d’interdire, par +des mesures de législation ou de police intérieure, la +circulation, la représentation, l’exposition de tout +ouvrage ou production à l’égard desquels +l’autorité compétente aurait à exercer ce +droit. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14698" href="#xd20e14698" +name="xd20e14698">463</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention, sous les +réserves et conditions à déterminer d’un +commun accord, s’applique à toutes les oeuvres qui, au +moment de son entrée en vigueur, ne sont pas encore +tombées dans le domaine public dans leur pays +d’origine.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Il est entendu que les Gouvernements des pays de +l’Union se réservent respectivement le droit de prendre +séparément, entre eux, des arrangements particuliers, en +tant que ces arrangements conféreraient aux auteurs ou à +leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux +accordés par l’Union, ou qu’ils renfermeraient +d’autres stipulations non contraires à la présente +Convention.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Un office international est institué sous le +nom de <i>Bureau de l’Union internationale pour la protection des +oeuvres littéraires et artistiques</i>.</p> +<p>Ce Bureau, dont les frais sont supportés par les +Administrations de tous les pays de l’Union, est placé +sous la haute autorité de l’Administration +supérieure de la Confédération Suisse, et +fonctionne sous sa surveillance. Les attributions en sont +déterminées d’un commun accord entre les pays de +l’Union.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 17</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention peut être soumise +à des revisions en vue d’y introduire les +améliorations de nature à perfectionner le système +de l’Union.</p> +<p>Les questions de cette nature, ainsi que celles qui <span class= +"corr" id="xd20e14735" title= +"Bron: intérressent">intéressent</span> à +d’autres points de vue le développement de l’Union, +seront traitées dans des Conférences qui auront lieu +successivement dans les pays de l’Union entre les +délégués desdits pays.</p> +<p>Il est entendu qu’aucun changement à la présente +Convention ne sera valable pour l’Union que moyennant +l’assentiment unanime des pays qui la composent. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e14740" href="#xd20e14740" name= +"xd20e14740">464</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 18</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les pays qui n’ont point pris part à la +présente Convention et qui assurent chez eux la protection +légale des droits faisant l’objet de cette Convention, +seront admis à y accéder sur leur demande.</p> +<p>Cette accession sera notifiée par écrit au +Gouvernement de la Confédération Suisse, et par celui-ci +à tous les autres.</p> +<p>Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les +clauses et admission à tous les avantages stipulés dans +la présente Convention.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 19</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les pays accédant à la présente +Convention ont aussi le droit d’y accéder en tout temps +pour leurs colonies ou possessions étrangères.</p> +<p>Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration +générale par laquelle toutes leurs colonies ou +possessions sont comprises dans l’accession, soit nommer +expressément celles qui y sont comprises, soit se borner +à indiquer celles qui en sont exclues.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 20</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention sera mise à +exécution trois mois après l’échange des +ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps +indéterminé, jusqu’à l’expiration +d’une année à partir du jour où la +dénonciation en aura été faite.</p> +<p>Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement +chargé de recevoir les accessions. Elle ne produira son effet +qu’à l’égard du pays qui l’aura faite, +la Convention restant exécutoire pour les autres pays de +l’Union.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 21</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention sera ratifiée, et +les ratifications en seront échangées à Berne, +dans le délai d’un an au plus tard.</p> +<p>En foi de quoi, etc.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="b3.1.additionnel"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">Article additionnel</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La Convention conclue à la date de ce jour +n’affecte en rien le maintien des Conventions actuellement +existantes entre les pays contractants, en tant que ces Conventions +confèrent aux auteurs ou <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e14786" href="#xd20e14786" name= +"xd20e14786">465</a>]</span>à leurs ayants cause des droits plus +étendus que ceux accordés par l’Union, ou +qu’elles renferment d’autres stipulations qui ne sont pas +contraires à cette Convention.</p> +<p>En foi de quoi, etc.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="b3.1.protocol"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">Protocole de clôture</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">1 Au sujet de l’article 4, il est convenu que +ceux des pays de l’Union où le caractère +d’oeuvres artistiques n’est pas refusé aux oeuvres +photographiques s’engagent à les admettre, à partir +de la mise en vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au +bénéfice de ses dispositions. Ils ne sont, +d’ailleurs, tenus de protéger les auteurs desdites +oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou à +conclure, que dans la mesure où leur législation permet +de le faire.</p> +<p>Il est entendu que la photographie autorisée d’une +oeuvre d’art protégée jouit, dans tous les pays de +l’Union, de la protection légale, au sens de ladite +Convention, aussi longtemps que dure le droit principal de reproduction +de cette oeuvre même, et dans les limites des conventions +privées entre les ayants droit.</p> +<p>2 Au sujet de l’article 9, il est convenu que ceux des pays de +l’Union dont la législation comprend implicitement, parmi +les oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques, +admettent expressément lesdites oeuvres au +bénéfice des dispositions de la Convention conclue en +date de ce jour.</p> +<p>Il est d’ailleurs entendu que les contestations qui +s’élèveraient sur l’application de cette +clause demeurent réservées à +l’appréciation des tribunaux respectifs.</p> +<p>3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments +servant à reproduire mécaniquement des airs de musique +empruntés au domaine privé ne sont pas +considérées comme constituant le fait de +contrefaçon musicale.</p> +<p>4 L’accord commun prévu à l’article 14 de +la Convention est déterminé ainsi qu’il suit:</p> +<p>L’application de la Convention aux oeuvres non tombées +dans le <span class="pagenum">[<a id="xd20e14807" href="#xd20e14807" +name="xd20e14807">466</a>]</span>domaine public au moment de sa mise en +vigueur aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans +les conventions spéciales existantes ou à conclure +à cet effet.</p> +<p>A défaut de semblables stipulations entre pays de +l’Union, les pays respectifs régleront, chacun pour ce qui +le concerne, par la législation intérieure, les +modalités relatives à l’application du principe +contenu à l’article 14.</p> +<p>5 L’organisation du Bureau international prévu à +l’article 16 de la Convention sera fixée par un +règlement que le Gouvernement de la Confédération +Suisse est chargé d’élaborer.</p> +<p>La langue officielle etc.<a class="noteref" id="xd20e14815src" href= +"#xd20e14815" name="xd20e14815src">1</a></p> +<hr class="tb"> +<p>6 La prochaine Conférence aura lieu à Paris, dans le +délai de quatre à six ans à partir de +l’entrée en vigueur de la Convention.</p> +<p>Le Gouvernement français en fixera la date dans ces limites, +après avoir pris l’avis du Bureau international.</p> +<p>7 Il est convenu que, pour l’échange des ratifications +prévu à l’article 21, chaque Partie contractante +remettra un seul instrument, qui sera déposé, avec ceux +des autres pays, aux archives du Gouvernement de la +Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en retour un +exemplaire du procès-verbal d’échange des +ratifications, signé par les Plénipotentiaires qui y +auront pris part.</p> +<p>Le présent Protocole de clôture, qui sera +ratifié en même temps que la Convention conclue à +la date de ce jour, sera considéré comme faisant partie +intégrante de cette Convention, et aura même force, valeur +et durée.</p> +<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e14831" href= +"#xd20e14831" name="xd20e14831">467</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="b3.2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="label">B</h3> +<h3 class="main">Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles +2, 3, 5, 7, 12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les +numéros 1 et 4 du Protocole de clôture y +annexé</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">Article premier</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est +modifiée ainsi qu’il suit:</p> +<p>I—<i>Article 2</i>—Le premier alinéa de +l’article 2 aura la teneur suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Les auteurs ressortissant à l’un +des pays de l’Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les +autres pays, pour leurs oeuvres, soit non publiées, soit +publiées pour la première fois dans un de ces pays, des +droits que les lois respectives accordent actuellement ou accorderont +par la suite aux nationaux.”</p> +</div> +<p>Il est, en outre, ajouté un cinquième alinéa +ainsi conçu:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les +oeuvres protégées.”</p> +</div> +<p>II—<i>Article 3</i>—L’article 3 aura la teneur +suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Les auteurs ne ressortissant pas à +l’un des pays de l’Union, mais qui auront publié ou +fait publier, pour la première fois, leurs oeuvres +littéraires ou artistiques dans l’un de ces pays, +jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accordée par la +Convention de Berne et par le présent Acte +additionnel.”</p> +</div> +<p>III—<i>Article 5</i>—Le premier alinéa de +l’article 5 aura la teneur suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Les auteurs ressortissant à l’un +des pays de l’Union, ou leurs ayants cause, jouissent, dans les +autres pays, du droit exclusif de faire ou d’autoriser la +traduction de leurs oeuvres pendant toute la durée du droit sur +l’oeuvre originale. Toutefois, le droit exclusif de traduction +cessera d’exister lorsque l’auteur n’en aura pas fait +usage dans un délai de dix ans à partir de la +première publication de l’oeuvre originale, en publiant ou +en faisant publier, dans un des pays de l’Union, une traduction +dans la langue pour laquelle la protection sera +réclamée.”</p> +</div> +<p>IV—<i>Article 7</i>—L’article 7 aura la teneur +suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Les romans-feuilletons, y compris les +nouvelles, publiés dans les journaux ou recueils +périodiques d’un des pays de l’Union, ne pourront +être reproduits, en original ou en traduction, dans les autres +pays, sans l’autorisation des auteurs ou de leurs ayants cause. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e14884" href="#xd20e14884" name= +"xd20e14884">468</a>]</span></p> +<p>„Il en sera de même pour les autres articles de journaux +ou de recueils périodiques, lorsque les auteurs ou +éditeurs auront expressément déclaré, dans +le journal ou le recueil même où ils les auront fait +paraître, qu’ils en interdisent la reproduction. Pour les +recueils, il suffit que l’interdiction soit faite d’une +manière générale en tête de chaque +numéro.</p> +<p>„A défaut d’interdiction, la reproduction sera +permise à la condition d’indiquer la source.</p> +<p>„En aucun cas, l’interdiction ne pourra +s’appliquer aux articles de discussion politique, aux nouvelles +du jour et aux <i>faits divers.</i>”</p> +</div> +<p>V—<i>Article 12</i>—L’article 12 aura la teneur +suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Toute oeuvre contrefaite peut être saisie +par les autorités compétentes des pays de l’Union +où l’oeuvre originale a droit à la protection +légale.</p> +<p>„La saisie a lieu conformément à la +législation intérieure de chaque pays.”</p> +</div> +<p>VI—<i>Article 20</i>—Le deuxième alinéa de +l’article 20 aura la teneur suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Cette dénonciation sera adressée +au Gouvernement de la Confédération Suisse. Elle ne +produira son effet qu’à l’égard du pays qui +l’aura faite, la Convention restant exécutoire pour les +autres pays de l’Union.”</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">Article 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Le Protocole de Clôture annexé à +la Convention du 9 Septembre 1886 est modifié ainsi qu’il +suit:</p> +<p>I—<i>Numéro 1</i>—Ce numéro aura la teneur +suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„1 Au sujet de l’article 4, il est convenu +ce qui suit:</p> +<p>„A—Dans les pays de l’Union où la +protection est accordée non seulement aux plans +d’architecture, mais encore aux oeuvres d’architecture +elles-mêmes, ces oeuvres sont admises au bénéfice +des dispositions de la Convention de Berne et du présent Acte +additionnel.</p> +<p>„B—Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues +par un procédé analogue sont admises au +bénéfice des dispositions de ces actes, en tant que la +législation intérieure permet de le faire, et dans la +mesure de la protection qu’elle accorde aux oeuvres nationales +similaires.</p> +<p>„Il est entendu que la photographie autorisée +d’une oeuvre d’art protégée jouit, dans tous +les pays de l’Union, de la protection légale, au sens de +la Convention de Berne et du présent Acte additionnel, aussi +longtemps que dure le droit principal de reproduction de cette oeuvre +même, et dans les limites des conventions privées entre +les ayants droit.”</p> +</div> +<p>II—<i>Numéro 4</i>—Ce numéro aura la +teneur suivante:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„4 L’accord commun prévu à +l’article 14 de la Convention est déterminé ainsi +qu’il suit: <span class="pagenum">[<a id="xd20e14943" href= +"#xd20e14943" name="xd20e14943">469</a>]</span></p> +<p>„L’application de la Convention de Berne et du +présent Acte additionnel aux oeuvres non tombées dans le +domaine public dans leur pays d’origine au moment de la mise en +vigueur de ces actes, aura lieu suivant les stipulations y relatives +contenues dans les Conventions spéciales existantes ou à +conclure à cet effet.</p> +<p>„A défaut de semblables stipulations entre pays de +l’Union, les pays respectifs régleront, chacun pour ce qui +le concerne, par la législation intérieure, les +modalités relatives à l’application du principe +contenu dans l’article 14.</p> +<p>„Les stipulations de l’article 14 de la Convention de +Berne et du présent numéro du Protocole de clôture +s’appliquent également au droit exclusif de traduction, +tel qu’il est assuré par le présent Acte +additionnel.</p> +<p>„Les dispositions transitoires mentionnées ci-dessus +sont applicables en cas de nouvelles accessions à +l’Union.”</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les pays de l’Union qui n’ont point +participé au présent Acte additionnel seront admis +à y accéder en tout temps sur leur demande. Il en sera de +même pour les Pays qui accéderont ultérieurement +à la Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, à cet +effet, d’une notification adressée par écrit au +Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour +cette accession aux autres Gouvernements.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Le présent Acte <span class="corr" id= +"xd20e14967" title="Bron: aditionnel">additionnel</span> aura +même valeur et durée que la Convention du 9 Septembre +1886.</p> +<p>Il sera ratifié et les ratifications en seront +échangées à Paris dans la forme adoptée +pour cette Convention, aussitôt que faire se pourra, et au plus +tard dans le délai d’une année.</p> +<p>Il entrera en vigueur, trois mois après cet échange, +entre les Pays qui l’auront ratifié.</p> +<p>En foi de quoi, etc.</p> +</div> +</div> +<div class="div3" id="b3.2.declaration"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main">Déclaration du 4 Mai 1896 interprétant +certaines dispositions de la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et +de l’Acte additionnel signé à Paris le 4 Mai +1896</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les Plénipotentiaires soussignés de +l’Allemagne, de la Belgique, de l’Espagne, de la France, de +l’Italie, du Luxembourg, de Monaco, <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e14981" href="#xd20e14981" name="xd20e14981">470</a>]</span>du +Monténégro, de la Norvège, de la Suisse et de la +Tunisie, dûment autorisés à cet effet par leurs +Gouvernements respectifs, sont convenu de ce qui suit, en ce qui +concerne l’interprétation de la Convention de Berne du 9 +Septembre 1886 et de l’Acte additionnel de ce jour:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">1<sup>o</sup> Aux termes de l’article 2, +alinéa 2, de la Convention, la protection assurée par les +actes précités dépend uniquement de +l’accomplissement, dans le pays d’origine de +l’oeuvre, des conditions et formalités qui peuvent +être prescrites par la législation de ce pays. Il en sera +de même pour la protection des oeuvres photographiques +mentionnées dans le n<sup>o</sup>. 1, lettre B, du Protocole de +clôture modifié.</p> +<p>2<sup>o</sup> Par oeuvres publiées il faut entendre les +oeuvres éditées dans un des pays de l’Union. En +conséquence, la représentation d’une oeuvre +dramatique ou dramatico-musicale, l’exécution d’une +oeuvre musicale, l’exposition d’une oeuvre d’art, ne +constituent pas une publication dans le sens des actes +précités.</p> +<p>3<sup>o</sup> La transformation d’un roman en pièce de +théâtre, ou d’une pièce de +théâtre en roman, rentre dans les stipulations de +l’article 10.</p> +</div> +<p>Les pays de l’Union qui n’ont point participé +à la présente Déclaration seront admis à y +accéder en tout temps, sur leur demande. Il en sera de +même pour les Pays qui accéderont, soit à la +Convention du 9 Septembre 1886, soit à cette Convention et +à l’Acte additionnel du 4 Mai 1896. Il suffira, à +cet effet, d’une notification adressée par écrit au +Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour +cette accession aux autres Gouvernements.</p> +<p>La présente Déclaration aura même valeur et +durée que les actes auxquels elle se rapporte.</p> +<p>Elle sera ratifiée et les ratifications en seront +échangées à Paris dans la forme adoptée +pour ces actes, aussitôt que faire se pourra, et au plus tard +dans le délai d’une année.</p> +<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15011" href= +"#xd20e15011" name="xd20e15011">471</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="b3.3"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="label">C</h3> +<h3 class="main">Convention de Berne revisée pour la protection +des oeuvres littéraires et artistiques du 13 Novembre 1908</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article premier</span></h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les pays contractants sont constitués à +l’état d’Union pour la protection des droits des +auteurs sur leurs oeuvres littéraires et artistiques.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’expression „oeuvres littéraires +et artistiques” comprend toute production du domaine +littéraire, scientifique ou artistique, quel qu’en soit le +mode ou la forme de reproduction, telle que: les livres, brochures, et +autres écrits; les <span class="corr" id="xd20e15031" title= +"Bron: oevres">oeuvres</span> dramatiques ou dramatico-musicales, les +<span class="corr" id="xd20e15034" title="Bron: oevres">oeuvres</span> +chorégraphiques et les pantomimes, dont la mise en scène +est fixée par écrit ou autrement; les compositions +musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de peinture, +d’architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie; les +illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et +ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à +la topographie, à l’architecture ou aux sciences.</p> +<p>Sont protégés comme des ouvrages originaux, sans +préjudice des droits de l’auteur de l’oeuvre +originale, les traductions, adaptations, arrangements de musique et +autres reproductions transformées d’une oeuvre +littéraire ou artistique, ainsi que les recueils de +différentes oeuvres.</p> +<p>Les Pays contractants sont tenus d’assurer la protection des +oeuvres mentionnées ci-dessus.</p> +<p>Les oeuvres d’art appliqué à l’industrie +sont protégées autant que permet de le faire la +législation intérieure de chaque pays.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention s’applique aux +oeuvres photographiques et aux oeuvres obtenues par un +procédé analogue à la photographie. Les Pays +contractants sont tenus d’en assurer la protection.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 4</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs ressortissant à l’un des pays +de l’Union jouissent, <span class="pagenum">[<a id="xd20e15057" +href="#xd20e15057" name="xd20e15057">472</a>]</span>dans les pays +autres que le pays d’origine de l’oeuvre, pour leurs +oeuvres, soit non publiées, soit publiées pour la +première fois dans un pays de l’Union, des droits que les +lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la suite aux +nationaux, ainsi que des droits spécialement accordés par +la présente Convention.</p> +<p>La jouissance et l’exercice de ces droits ne sont +subordonnés à aucune formalité; cette jouissance +et cet exercice sont indépendants de l’existence de la +protection dans le pays d’origine de l’oeuvre. Par suite, +en dehors des stipulations de la présente Convention, +l’étendue de la protection ainsi que les moyens de recours +garantis à l’auteur pour sauvegarder ses droits se +règlent exclusivement d’après la législation +du pays où la protection est réclamée.</p> +<p>Est considéré comme pays d’origine de +l’oeuvre: pour les oeuvres non publiées, celui auquel +appartient l’auteur; pour les oeuvres publiées, celui de +la première publication, et pour les oeuvres publiées +simultanément dans plusieurs pays de l’Union, celui +d’entre eux dont la législation accorde la durée de +protection la plus courte. Pour les oeuvres publiées +simultanément dans un pays étranger à +l’Union et dans un pays de l’Union, c’est ce dernier +pays qui est exclusivement considéré comme pays +d’origine.</p> +<p>Par oeuvres publiées, il faut, dans le sens de la +présente Convention, entendre les oeuvres éditées. +La représentation d’une oeuvre dramatique ou +dramatico-musicale, l’exécution d’une oeuvre +musicale, l’exposition d’une oeuvre d’art et la +construction d’une oeuvre d’architecture ne constituent pas +une publication.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les ressortissants de l’un des pays de +l’Union, qui publient pour la première fois leurs oeuvres +dans un autre pays de l’Union, ont, dans ce dernier pays, les +mêmes droits que les auteurs nationaux.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs ne ressortissant pas à l’un +des pays de l’Union, qui publient pour la première fois +leurs oeuvres dans l’un de ces pays, jouissent, dans ce pays, des +mêmes droits que les auteurs nationaux, et dans les autres pays +de l’Union, des droits accordés par la présente +Convention. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15079" href= +"#xd20e15079" name="xd20e15079">473</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La durée de la protection accordée par +la présente Convention comprend la vie de l’auteur et +cinquante ans après sa mort.</p> +<p>Toutefois, dans le cas où cette durée ne serait pas +uniformément adoptée par tous les pays de l’Union, +la durée sera réglée par la loi du pays où +la protection sera réclamée et elle ne pourra +excéder la durée fixée dans le pays +d’origine de l’oeuvre. Les Pays contractants ne seront, en +conséquence, tenus d’appliquer la disposition de +l’alinéa précédent que dans la mesure +où elle se concilie avec leur droit interne.</p> +<p>Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un +procédé analogue à la photographie, pour les +oeuvres posthumes, pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la +durée de la protection est réglée par la loi du +pays où la protection est réclamée, sans que cette +durée puisse excéder la durée fixée dans le +pays d’origine de l’oeuvre.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs d’oeuvres non publiées, +ressortissant à l’un des pays de l’Union, et les +auteurs d’oeuvres publiées pour la première fois +dans un de ces pays jouissent, dans les autres pays de l’Union, +pendant toute la durée du droit sur l’oeuvre originale, du +droit exclusif de faire ou d’autoriser la traduction de leurs +oeuvres.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les romans-feuilletons, les nouvelles et toutes autres +oeuvres, soit littéraires, soit scientifiques, soit artistiques, +quel qu’en soit l’objet, publiés dans les journaux +ou recueils périodiques d’un des pays de l’Union, ne +peuvent être reproduits dans les autres pays sans le consentement +des auteurs.</p> +<p>A l’exclusion des romans-feuilletons et des nouvelles, tout +article de journal peut être reproduit par un autre journal, si +la reproduction n’en est pas expressément interdite. +Toutefois, la source doit être indiquée; la sanction de +cette obligation est déterminée par la législation +du pays où la protection est réclamée.</p> +<p>La protection de la présente Convention ne s’applique +pas aux nouvelles du jour ou aux faits divers qui ont le +caractère de simples informations de presse. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15110" href="#xd20e15110" name= +"xd20e15110">474</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">En ce qui concerne la faculté de faire +licitement des emprunts à des oeuvres littéraires ou +artistiques pour des publications destinées à +l’enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour +des chrestomathies, est réservé l’effet de la +législation des pays de l’Union et des arrangements +particuliers existants ou à conclure entre eux.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les stipulations de la présente Convention +s’appliquent à la représentation publique des +oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, et à +l’exécution publique des oeuvres musicales, que ces +oeuvres soient publiées ou non.</p> +<p>Les auteurs d’oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales sont, +pendant la durée de leur droit sur l’oeuvre originale, +protégés contre la représentation publique non +autorisée de la traduction de leurs ouvrages.</p> +<p>Pour jouir de la protection du présent article, les auteurs, +en publiant leurs oeuvres, ne sont pas tenus d’en interdire la +représentation ou l’exécution publique.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Sont spécialement comprises parmi les +reproductions illicites auxquelles s’applique la présente +Convention, les appropriations indirectes non autorisées +d’un ouvrage littéraire ou artistique, telles que +adaptations, arrangements de musique, transformations d’un roman, +d’une nouvelle ou d’une poésie en pièce de +théâtre et réciproquement, etc., lorsqu’elles +ne sont que la reproduction de cet ouvrage, dans la même forme ou +sous une autre forme, avec des changements, additions ou +retranchements, non essentiels, et sans présenter le +caractère d’une nouvelle oeuvre originale.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs d’oeuvres musicales ont le droit +exclusif d’autoriser: 1<sup>o</sup> l’adaptation de ces +<span class="corr" id="xd20e15148" title="Bron: oevres">oeuvres</span> +à des instruments servant à les reproduire +mécaniquement; 2<sup>o</sup> l’exécution publique +des mêmes oeuvres au moyen de ces instruments. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15154" href="#xd20e15154" name= +"xd20e15154">475</a>]</span></p> +<p>Des réserves et conditions relatives à +l’application de cet article pourront être +déterminées par la législation intérieure +de chaque pays, en ce qui le concerne; mais toutes réserves et +conditions de cette nature n’auront qu’un effet strictement +limité au pays qui les aurait établies.</p> +<p>La disposition de l’alinéa 1<sup>er</sup> n’a pas +d’effet rétroactif et, par suite, n’est pas +applicable, dans un pays de l’Union, aux oeuvres qui, dans ce +pays, auront été adaptées licitement aux +instruments mécaniques avant la mise en vigueur de la +présente Convention.</p> +<p>Les adaptations faites en vertu des alinéas 2 et 3 du +présent article et importées, sans autorisation des +parties intéressées, dans un pays où elles ne +seraient pas licites, pourront y être saisies.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les auteurs d’oeuvres littéraires, +scientifiques ou artistiques ont le droit exclusif d’autoriser la +reproduction et la représentation publique de leurs oeuvres par +la cinématographie.</p> +<p>Sont protégées comme oeuvres littéraires ou +artistiques les productions cinématographiques lorsque, par les +dispositifs de la mise en scène ou les combinaisons des +incidents représentés, l’auteur aura donné +à l’oeuvre un caractère personnel et original.</p> +<p>Sans préjudice des droits de l’auteur de l’oeuvre +originale, la reproduction par la cinématographie d’une +oeuvre littéraire, scientifique ou artistique est +protégée comme une oeuvre originale.</p> +<p>Les dispositions qui précèdent s’appliquent +à la reproduction ou production obtenue par tout autre +procédé analogue à la cinématographie.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Pour que les auteurs des ouvrages +protégés par la présente Convention soient, +jusqu’à preuve contraire, considérés comme +tels et admis, en conséquence, devant les tribunaux des divers +pays de l’Union, à exercer des poursuites contre les +contrefacteurs, il suffit que leur nom soit indiqué sur +l’ouvrage en la manière usitée.</p> +<p>Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l’éditeur +dont le nom est indiqué sur l’ouvrage est fondé +à sauvegarder les droits appartenant à l’auteur. Il +est, sans autres preuves, réputé ayant cause de +l’auteur anonyme ou pseudonyme. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e15186" href="#xd20e15186" name="xd20e15186">476</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par +les autorités compétentes des pays de l’Union +où l’oeuvre originale a droit à la protection +légale.</p> +<p>Dans ces pays, la saisie peut aussi s’appliquer aux +reproductions provenant d’un pays où l’oeuvre +n’est pas protégée ou a cessé de +l’être.</p> +<p>La saisie a lieu <span class="corr" id="xd20e15199" title= +"Bron: conformèment">conformément</span> à la +législation intérieure de chaque pays.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 17</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les dispositions de la présente Convention ne +peuvent porter préjudice, en quoi que ce soit, au droit qui +appartient au Gouvernement de chacun des pays de l’Union de +permettre, de surveiller, d’interdire, par des mesures de +législation ou de police intérieure, la circulation, la +représentation, l’exposition de tout ouvrage ou production +à l’égard desquels l’autorité +compétente aurait à exercer ce droit.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 18</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente <span class="corr" id="xd20e15216" +title="Bron: Couvention">Convention</span> s’applique à +toutes les oeuvres qui, au moment de son entrée en vigueur, ne +sont pas encore tombées dans le domaine public de leur pays +d’origine par l’expiration de la durée de la +protection.</p> +<p>Cependant, si une oeuvre, par l’expiration de la durée +de protection qui lui était antérieurement reconnue, est +tombée dans le domaine public du pays où la protection +est réclamée, cette oeuvre n’y sera pas +protégée à nouveau.</p> +<p>L’application de ce principe aura lieu suivant les +stipulations contenues dans les conventions spéciales existantes +ou à conclure à cet effet entre pays de l’Union. A +défaut de semblables stipulations, les pays respectifs +régleront, chacun pour ce qui le concerne, les modalités +relatives à cette application.</p> +<p>Les dispositions qui précèdent s’appliquent +également en cas de nouvelles accessions à l’Union +et dans le cas où la durée de la protection serait +étendue par application de l’article 7. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15225" href="#xd20e15225" name= +"xd20e15225">477</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 19</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les dispositions de la présente Convention +n’empêchent pas de revendiquer l’application de +dispositions plus larges qui seraient édictées par la +législation d’un pays de l’Union en faveur des +étrangers en général.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 20</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les Gouvernements des pays de l’Union se +réservent le droit de prendre entre eux des arrangements +particuliers, en tant que ces arrangements conféreraient aux +auteurs des droits plus étendus que ceux accordés par +l’Union, ou qu’ils renfermeraient d’autres +stipulations non contraires à la présente Convention. Les +dispositions des arrangements existants qui répondent aux +conditions précitées restent applicables.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 21</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Est maintenu l’office international +institué sous le nom de „Bureau de l’Union +internationale pour la protection des oeuvres littéraires et +artistiques”.</p> +<p>Ce Bureau est placé sous la haute autorité du +Gouvernement de la Confédération Suisse, qui en +règle l’organisation et en surveille le +fonctionnement.</p> +<p>La langue officielle du Bureau est la langue française.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 22</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Le Bureau international centralise les renseignements +de toute nature relatifs à la protection des droits des auteurs +sur leurs oeuvres littéraires et artistiques. Il les coordonne +et les publie. Il procède aux études +d’utilité commune intéressant l’Union et +rédige, à l’aide des documents qui sont mis +à sa disposition par les diverses Administrations, une feuille +périodique, en langue française, sur les questions +concernant l’objet de l’Union. Les Gouvernements des pays +de l’Union se réservent d’autoriser, d’un +commun accord, le Bureau à publier une édition dans une +ou plusieurs autres langues, pour le cas où +l’expérience en aurait démontré le +besoin.</p> +<p>Le Bureau international doit se tenir en tout temps à la +disposition des membres de l’Union pour leur fournir, sur les +questions relatives <span class="pagenum">[<a id="xd20e15262" href= +"#xd20e15262" name="xd20e15262">478</a>]</span>à la protection +des oeuvres littéraires et artistiques, les renseignements +spéciaux dont ils pourraient avoir besoin.</p> +<p>Le Directeur du Bureau international fait sur sa gestion un rapport +annuel qui est communiqué à tous les membres de +l’Union.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 23</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les dépenses du Bureau de l’Union +internationale sont supportées en commun par les Pays +contractants. Jusqu’à nouvelle décision, elles ne +pourront pas dépasser la somme de soixante mille francs par +année. Cette somme pourra être augmentée au besoin +par simple décision d’une des Conférences +prévues à l’article 24.</p> +<p>Pour déterminer la part contributive de chacun des pays dans +cette somme totale des frais, les Pays contractants et ceux qui +adhéreront ultérieurement à l’Union sont +divisés en six classes contribuant chacune dans la proportion +d’un certain nombre d’unités, savoir:</p> +<ul> +<li>1<sup>re</sup> classe .... 25 unités</li> +<li>2<sup>me</sup> classe .... 20 unités</li> +<li>3<sup>me</sup> classe .... 15 unités</li> +<li>4<sup>me</sup> classe .... 10 unités</li> +<li>5<sup>me</sup> classe .... 5 unités</li> +<li>6<sup>me</sup> classe .... 3 unités</li> +</ul> +<p>Ces coefficients sont multipliés par le nombre des pays de +chaque classe, et la somme des produits ainsi obtenus fournit le nombre +d’unités par lequel la dépense totale doit +être divisée. Le quotient donne le montant de +l’unité de dépense.</p> +<p>Chaque pays déclarera, au moment de son accession, dans +laquelle des susdites classes il demande à être +rangé.</p> +<p>L’Administration suisse prépare le budget du Bureau et +en surveille les dépenses, fait les avances nécessaires +et établit le compte annuel qui sera communiqué à +toutes les autres Administrations.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 24</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention peut être soumise +à des revisions en vue d’y introduire les +améliorations de nature à perfectionner le système +de l’Union.</p> +<p>Les questions de cette nature, ainsi que celles qui +intéressent à d’autres points de vue le +développement de l’Union, sont traitées +<span class="pagenum">[<a id="xd20e15352" href="#xd20e15352" name= +"xd20e15352">479</a>]</span>dans des Conférences qui auront lieu +successivement dans les pays de l’Union entre les +délégués desdits pays. L’Administration du +pays où doit siéger une Conférence prépare, +avec le concours du Bureau international, les travaux de celle-ci. Le +Directeur du Bureau assiste aux séances des Conférences +et prend part aux discussions sans voix délibérative.</p> +<p>Aucun changement à la présente Convention n’est +valable pour l’Union que moyennant l’assentiment unanime +des pays qui la composent.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 25</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les États étrangers à +l’Union et qui assurent la protection légale des droits +faisant l’objet de la présente Convention, peuvent y +accéder sur leur demande.</p> +<p>Cette accession sera notifiée par écrit au +Gouvernement de la Confédération Suisse, et par celui-ci +à tous les autres.</p> +<p>Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les +clauses et admission à tous les avantages stipulés dans +la présente Convention. Toutefois, elle pourra contenir +l’indication des dispositions de la Convention du 9 septembre +1886 ou de l’Acte additionnel du 4 mai 1896 qu’ils +jugeraient nécessaire de substituer, provisoirement au moins, +aux dispositions correspondantes de la présente Convention.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 26</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les Pays contractants ont le droit +d’accéder en tout temps à la présente +Convention pour leurs colonies ou possessions +étrangères.</p> +<p>Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration +générale par laquelle toutes leurs colonies ou +possessions sont comprises dans l’accession, soit nommer +expressément celles qui y sont comprises, soit se borner +à indiquer celles qui en sont exclues.</p> +<p>Cette déclaration sera notifiée par écrit au +Gouvernement de la Confédération Suisse, et par celui-ci +à tous les autres.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 27</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention remplacera, dans les +rapports entre les États contractants, la Convention de Berne du +9 septembre 1886, y compris l’Article additionnel et le Protocole +de clôture du même <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e15385" href="#xd20e15385" name="xd20e15385">480</a>]</span>jour, +ainsi que l’Acte additionnel et la Déclaration +interprétative du 4 mai 1896. Les actes conventionnels +précités resteront en vigueur dans les rapports avec les +États qui ne ratifieraient pas la présente +Convention.</p> +<p>Les États signataires de la présente Convention +pourront, lors de l’échange des ratifications, +déclarer qu’ils entendent, sur tel ou tel point, rester +encore liés par les dispositions des Conventions auxquelles ils +ont souscrit antérieurement.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 28</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention sera ratifiée, et +les ratifications en seront échangées à Berlin au +plus tard le 1<sup>er</sup> juillet 1910.</p> +<p>Chaque Partie contractante remettra, pour l’échange des +ratifications, un seul instrument, qui sera déposé, avec +ceux des autres pays, aux archives du Gouvernement de la +Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en retour un +exemplaire du procès-verbal d’échange des +ratifications, signé par les Plénipotentiaires qui y +auront pris part.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 29</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La présente Convention sera mise à +exécution trois mois après l’échange des +ratifications et demeurera en vigueur pendant un temps +indéterminé, jusqu’à l’expiration +d’une année à partir du jour où la +dénonciation en aura été faite.</p> +<p>Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la +Confédération Suisse. Elle ne produira son effet +qu’à l’égard du pays qui l’aura faite, +la Convention restant exécutoire pour les autres pays de +l’Union.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 30</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les États qui introduiront dans leur +législation la durée de protection de cinquante ans +prévue par l’article 7, alinéa 1<sup>er</sup>, de +la présente Convention, le feront connaître au +Gouvernement de la Confédération Suisse par une +notification écrite qui sera communiquée aussitôt +par ce Gouvernement à tous les autres États de +l’Union.</p> +<p>Il en sera de même pour les États qui renonceront aux +réserves faites par eux en vertu des articles 25, 26 et 27.</p> +<p>En foi de quoi, etc. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15424" href= +"#xd20e15424" name="xd20e15424">481</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e14815" href="#xd20e14815src" name="xd20e14815">1</a></span> De +overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die voornamelijk de +inrichting en den werkkring van het Internationale Bureau betreffen, +stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en artt. 22 en 23 +Conventie 1908.</p> +</div> +</div> +<div id="b4" lang="fr" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 lang="nl-1900" class="main">Bijlage IV</h2> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">Association littéraire et artistique +internationale</h3> +<h3 class="main">Projet de Loi-Type adopté par le Congrès +de Paris, 16–21 Juillet 1900</h3> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article Premier</span></h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’auteur d’une oeuvre de +l’intelligence a le droit exclusif de la rendre publique et de la +reproduire par quelque procédé, sous quelque forme et +pour quelque destination que ce soit.</p> +<p>Sont ainsi protégées toutes manifestations de la +pensée écrites ou orales, les oeuvres dramatiques, +musicales et chorégraphiques et toutes les oeuvres des arts +graphiques et plastiques, quels que soient leur mérite, leur +emploi et leur destination. Il en est de même des oeuvres qui ont +paru dans les journaux ou recueils périodiques.</p> +<p>Les actes officiels des autorités publiques et les +décisions judiciaires ne peuvent faire l’objet d’un +droit privatif.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 2</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’exercice du droit de l’auteur +n’est subordonné à l’accomplissement +d’aucunes conditions ni formalités.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 3</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Le droit exclusif prévu à +l’article 1<sup>er</sup> se continue pendant quatre-vingts ans +à dater de la première publication licite de +l’oeuvre. Il est exercé par l’éditeur tant +que l’auteur véritable ne s’est pas fait +connaître.</p> +<p>Lorsque l’auteur s’est fait connaître avant +l’expiration de ce délai, la durée du droit se +continue pendant la vie de l’auteur et quatre-vingts ans +après sa mort.</p> +<p>Les oeuvres qui paraissent sous le nom d’une personne morale +sont assimilées aux oeuvres anonymes. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15465" href="#xd20e15465" name= +"xd20e15465">482</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 5</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Les collaborateurs ont des droits égaux sur +l’oeuvre commune, à moins de stipulations contraires.</p> +<p>Les droits des ayants cause d’un collaborateur +prédécédé subsistent jusqu’à +l’expiration du délai de quatre-vingts ans après la +mort du dernier survivant des collaborateurs.</p> +<p>A défaut d’ayants cause d’un des collaborateurs +sa part accroît aux autres collaborateurs ou à leurs +ayants cause.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 6</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Quiconque fait éditer une oeuvre posthume dont +il est en droit de disposer, jouit d’un droit exclusif de +reproduction pendant quatre-vingts ans à dater de cette +première publication.</p> +<p>Sont considérées comme oeuvres posthumes les oeuvres +qui, du vivant de l’auteur, n’ont pas reçu, avec le +consentement de l’auteur, la publicité normale que leur +nature comporte.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 7</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toute reproduction, intégrale ou partielle, +faite sans le consentement de l’auteur ou de ses ayants cause, +est illicite.</p> +<p>Il en est ainsi de la traduction et aussi de la +représentation et de l’exécution publiques.</p> +<p>Sont également illicites: les reproductions qui comportent +des retranchements, additions et remaniements, telles que: adaptations, +transformations de pièces de théâtre en romans et, +réciproquement, de romans en pièces de +théâtre, arrangements de musique, reproduction par un +autre art, illustration d’un ouvrage.</p> +<p>Il en est de même des reproductions d’oeuvres musicales +par les instruments de musique mécaniques.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 8</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’auteur, une fois son oeuvre publiée, ne +peut interdire les analyses et courtes citations qui, faites dans un +but de critique, de polémique ou d’enseignement, portent +l’indication du nom de l’auteur et de la source.</p> +<p>Les discours prononcés dans les assemblées +délibérantes ou dans les réunions publiques +peuvent être reproduits dans un but d’information ou de +discussion. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15509" href= +"#xd20e15509" name="xd20e15509">483</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 9</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Le droit de reproduction est indépendant du +droit de propriété sur l’objet matériel +(manuscrit ou original); la cession de l’objet matériel +n’emporte donc pas, par elle même, cession des droits de +reproduction et réciproquement.</p> +<p>La cession des droits appartenant à l’auteur (droit de +publier, de représenter, d’exécuter, de traduire, +d’illustrer, etc.) doit toujours être +interprétée restrictivement.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 10</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’auteur de toute oeuvre de l’intelligence +a le droit de faire reconnaître sa qualité d’auteur +et d’agir en justice contre quiconque s’attribuerait cette +qualité.</p> +<p>L’auteur qui a cédé ses droits de reproduction +conserve le droit de poursuivre les contrefacteurs, de surveiller la +reproduction de son oeuvre et de s’opposer à toutes +modifications faites sans son consentement.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 11</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Après la mort de l’auteur, c’est +à ses héritiers, à défaut d’un +mandataire spécial désigné par lui, qu’il +appartient de faire respecter les droits prévus à +l’article 10.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 12</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Aucune modification ne doit être faite à +l’oeuvre, même par les héritiers ou ayants droits de +l’auteur, sans que cette modification soit portée, +d’une façon apparente, à la connaissance du +public.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 13</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toute atteinte portée au droit de +l’auteur, tel qu’il est défini par le présent +projet de loi-type, donne ouverture à une action en +dommages-intérêts; si l’atteinte a été +portée sciemment, elle peut donner ouverture à une action +pénale.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 14</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Il en est de même de l’usurpation du nom +d’un auteur, ainsi que de l’imitation frauduleuse de sa +signature ou de tout signe distinctif, monogramme ou autre, +adopté par lui. <span class="pagenum">[<a id="xd20e15558" href= +"#xd20e15558" name="xd20e15558">484</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 15</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">L’auteur ou ses ayants cause peuvent +requérir les agents de police judiciaire pour procéder +à la saisie des objets argués de contrefaçon et +à celle des planches, moules ou matrices et autres ustensiles +ayant servi ou destinés à servir spécialement +à la fabrication desdits objets.</p> +<p>S’il s’agit d’une représentation ou +exécution, les auteurs peuvent fair procéder, dans les +mêmes formes, à la saisie de la totalité de la +recette.</p> +<p>L’éditeur ou l’entrepreneur de spectacles doit +justifier par écrit du consentement préalable de +l’auteur ou de ses ayants cause.</p> +<p>La confiscation des objets contrefaits, de même que celle des +planches, moules ou matrices et autres ustensiles ayant servi ou +destinés à servir spécialement à la +fabrication desdits objets, sera prononcée au profit de +l’auteur ou de ses ayants cause.</p> +<p>En cas d’exécution ou de représentation +illicite, les recettes saisies seront allouées au plaignant.</p> +</div> +</div> +<div class="div3"> +<div class="divHead"> +<h4 class="main"><span class="sc">Article</span> 16</h4> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">La loi s’applique à tous les auteurs, +quelle que soit leur nationalité et en quelque lieu que +l’ouvrage ait paru pour la première fois. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15582" href="#xd20e15582" name= +"xd20e15582">485</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="stellingen" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Stellingen</h2> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e15587" href="#xd20e15587" name= +"xd20e15587">487</a>]</span></p> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">I</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Onjuist is de meening, dat de +boekdrukkers-privilegiën, die in ons land in de zeventiende en +achttiende eeuw werden verleend, niet voor overdracht vatbaar waren en +met den dood van den bevoorrechten persoon tenietgingen. (Proefschr. +pp. 20 sqq.)</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">II</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegiën +heeft men ten onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen +eigendom der schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.).</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">III</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het auteursrecht is te beschouwen als een +vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed, nl. de +geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp. +108 sqq.)</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">IV</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van +het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor +den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en +Telegrafie, Staatsblad n<sup>o</sup>. 213, berust op eene onjuiste +opvatting van den aard van het auteursrecht. <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e15612" href="#xd20e15612" name= +"xd20e15612">488</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">V</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een +integreerend bestanddeel van het auteursrecht worden beschouwd. +(Proefschr. pp. 143 sqq. en 180 sqq.)</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">VI</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht +te komen is het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner +Conventie ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">VII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet +voldeed niet aan den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene +dergelijke wet wordt gesteld.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">VIII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene +wet is in strijd met de Grondwet.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">IX</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn +stembiljetten, die volgens een vroeger model zijn gedrukt, van +onwaarde.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">X</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het recht van preferentie, toegekend door de artt. +1185 3<sup>o</sup> en 1190 B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde +goederen, die zich in handen van den kooper bevinden, eene dusdanige +bewerking hebben ondergaan, dat zij zich niet meer in denzelfden staat +bevinden.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XI</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het is voor de totstandkoming van een geldige +hypotheek krachtens art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de +hypotheekgever op het <span class="pagenum">[<a id="xd20e15653" href= +"#xd20e15653" name="xd20e15653">489</a>]</span>oogenblik der +inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het artikel +eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de hypotheek +verleend wordt.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om „getuige” te zijn ingevolge art. 50 B. +W. bij het opmaken van eene akte van overlijden is niet noodig, dat men +de vereischten bezit, die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke +men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden +gesteld.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XIII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst +ingevolge art. 37 der Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de +wederpartij van den gefailleerde mocht toekomen, niet op.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XIV</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De uitdrukking „te berde brengen” in het +eerste lid van art. 41 R. O. is niet in dien beperkten zin op te +vatten, dat het schriftelijk bewijs van huur aan den kantonrechter zou +moeten worden overgelegd om diens bevoegdheid uit te sluiten.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XV</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Van de beschikking van den president der Rechtbank +ingevolge art. 821 Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het +Hof open.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XVI</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v. +Strafr. kan gepleegd worden door middel eener afbeelding, zonder +telastlegging van een bepaald feit.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XVII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Diefstal van electrische energie is mogelijk. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e15685" href="#xd20e15685" name= +"xd20e15685">490</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XVIII</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub +2<sup>o</sup> der Leerplichtwet wordt niet strafbaar, doordat zij +gepleegd is binnen een jaar na eene andere overtreding, hetzelfde kind +betreffende, waarvoor de overtreder ingevolge art. 23 § 1 sub +4<sup>o</sup> onherroepelijk is veroordeeld of de boete vrijwillig +heeft betaald.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XIX</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de +Overheid bij de bepaling der prijzen van de door haar geleverde +goederen en diensten, rekening moet houden met de ongelijke koopkracht +van hare verschillende afnemers.</p> +</div> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">XX</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van +hen, die in Lex 7 § 1 D. 13, 1 willen lezen: „<span lang= +"la">habet actionem furti et condictionem <i>aut</i> +vindicationem</span>”.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +<a class="exlink xd20e25" title="Externe link" href= +"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg +Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd20e25" +title="Externe link" href= +"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink xd20e25" title="Externe link" href= +"https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen +poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2011-07-31 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e955">XIII</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">onmiddelijk</td> +<td class="width40" valign="bottom">onmiddellijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e960">XIII</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">verscheidenene</td> +<td class="width40" valign="bottom">verscheidene</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1109">XVI</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2029">12</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2495">25</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e2991">38</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3202">44</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e4080">71</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e4540">82</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4816">92</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e4850">94</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e5231">105</a>, <a class="pageref" href="#xd20e6653">155</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e7858">200</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e8402">224</a>, <a class="pageref" href="#xd20e8565">233</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e10136">298</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e10300">304</a>, <a class="pageref" href="#xd20e10798">321</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e11497">345</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e12255">373</a>, <a class="pageref" href="#xd20e12413">380</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e12818">394</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e13915">443</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e14337">452</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1305">XVIII</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Büchernachdruks</td> +<td class="width40" valign="bottom">Büchernachdrucks</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1488">XX</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fur</td> +<td class="width40" valign="bottom">für</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1526">XX</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">artististique</td> +<td class="width40" valign="bottom">artistique</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1657">4</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">overdrnk</td> +<td class="width40" valign="bottom">overdruk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1665">4</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1720">5</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1733">5</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Resolutïen</td> +<td class="width40" valign="bottom">Resolutiën</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1962">10</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">en</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2169">16</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">atrices</td> +<td class="width40" valign="bottom">actrices</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2191">16</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5200">104</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">..</td> +<td class="width40" valign="bottom">...</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2809">32</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Bleau</td> +<td class="width40" valign="bottom">Blaeu</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3144">43</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">det</td> +<td class="width40" valign="bottom">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3174">44</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">lettewerken</td> +<td class="width40" valign="bottom">letterwerken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3179">44</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Arrondissements-Regtbank</td> +<td class="width40" valign="bottom">Arrondissements-Rechtbank</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3282">47</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vond</td> +<td class="width40" valign="bottom">vonden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3318">47</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">werk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3454">52</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">1876</td> +<td class="width40" valign="bottom">1886</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3457">52</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">1877</td> +<td class="width40" valign="bottom">1887</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3568">56</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">artiken</td> +<td class="width40" valign="bottom">artikelen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3573">56</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">huune</td> +<td class="width40" valign="bottom">hunne</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3693">60</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vsn</td> +<td class="width40" valign="bottom">van</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3719">61</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">wijziglngen</td> +<td class="width40" valign="bottom">wijzigingen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4050">71</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">yan</td> +<td class="width40" valign="bottom">van</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4622">85</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">schöpfungen</td> +<td class="width40" valign="bottom">Schöpfungen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4633">85</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">uuter</td> +<td class="width40" valign="bottom">unter</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4751">89</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">tweëerlei</td> +<td class="width40" valign="bottom">tweeërlei</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4839">93</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">autersrecht</td> +<td class="width40" valign="bottom">auteursrecht</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4928">96</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">poduction</td> +<td class="width40" valign="bottom">production</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4956">96</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">qu ’il</td> +<td class="width40" valign="bottom">qu’ il</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5161">103</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ecomische</td> +<td class="width40" valign="bottom">economische</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5213">104</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ateur</td> +<td class="width40" valign="bottom">auteur</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5269">107</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">gaval</td> +<td class="width40" valign="bottom">geval</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5272">107</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fabriekant</td> +<td class="width40" valign="bottom">fabrikant</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5283">107</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">drukkker</td> +<td class="width40" valign="bottom">drukker</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5569">118</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">een</td> +<td class="width40" valign="bottom">ein</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5753">125</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">persoolijkheidsrecht</td> +<td class="width40" valign="bottom">persoonlijkheidsrecht</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5840">129</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">and</td> +<td class="width40" valign="bottom">und</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5946">132</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">belissing</td> +<td class="width40" valign="bottom">beslissing</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6111">138</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">künstleriches</td> +<td class="width40" valign="bottom">künstlerisches</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6540">152</a>, <a class="pageref" href="#xd20e6545">152</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">melodiëen</td> +<td class="width40" valign="bottom">melodieën</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6605">154</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">..</td> +<td class="width40" valign="bottom">...</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6623">154</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">;</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6866">165</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">daus</td> +<td class="width40" valign="bottom">dans</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6950">169</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">uitteraard</td> +<td class="width40" valign="bottom">uiteraard</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e7324">179</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">de de</td> +<td class="width40" valign="bottom">de</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e7795">197</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ahnliche</td> +<td class="width40" valign="bottom">ähnliche</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e7843">199</a>, <a class="pageref" href="#xd20e10627">317</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e13653">430</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">clichés</td> +<td class="width40" valign="bottom">cliché’s</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e8003">206</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">muziekstnk</td> +<td class="width40" valign="bottom">muziekstuk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e8304">221</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">hontsneden</td> +<td class="width40" valign="bottom">houtsneden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e8541">231</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">photoprahie</td> +<td class="width40" valign="bottom">photographie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e8739">239</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">litographie</td> +<td class="width40" valign="bottom">lithographie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e8929">248</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">societeit</td> +<td class="width40" valign="bottom">sociëteit</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e9063">252</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">verspeiding</td> +<td class="width40" valign="bottom">verspreiding</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e9146">255</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Shakespaere</td> +<td class="width40" valign="bottom">Shakespeare</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e9806">289</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e10617">316</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e9982">293</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Appél</td> +<td class="width40" valign="bottom">Appèl</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e10641">317</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e10900">324</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">categoriëen</td> +<td class="width40" valign="bottom">categorieën</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11047">330</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">veplichting</td> +<td class="width40" valign="bottom">verplichting</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11058">330</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">rechthebbbende</td> +<td class="width40" valign="bottom">rechthebbende</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11418">344</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">invoed</td> +<td class="width40" valign="bottom">invloed</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11423">344</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">niet-geplubliceerde</td> +<td class="width40" valign="bottom">niet-gepubliceerde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11506">345</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e11520">345</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11526">345</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vreemdedelingen</td> +<td class="width40" valign="bottom">vreemdelingen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11903">359</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Nederlandsch-Indiê</td> +<td class="width40" valign="bottom">Nederlandsch-Indië</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e11989">364</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">R.</td> +<td class="width40" valign="bottom">B.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e12114">368</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">)</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e12381">379</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vertalingsrechts</td> +<td class="width40" valign="bottom">vertalingsrecht</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e12886">396</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">tractraat</td> +<td class="width40" valign="bottom">tractaat</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e13391">418</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e14191">448</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e13437">420</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">toepssselijk</td> +<td class="width40" valign="bottom">toepasselijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e14642">461</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">destinees</td> +<td class="width40" valign="bottom">destinées</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e14735">463</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">intérressent</td> +<td class="width40" valign="bottom">intéressent</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e14967">469</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">aditionnel</td> +<td class="width40" valign="bottom">additionnel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e15031">471</a>, <a class="pageref" href="#xd20e15034">471</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e15148">474</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">oevres</td> +<td class="width40" valign="bottom">oeuvres</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e15199">476</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">conformèment</td> +<td class="width40" valign="bottom">conformément</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e15216">476</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Couvention</td> +<td class="width40" valign="bottom">Convention</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT *** + +***** This file should be named 37500-h.htm or 37500-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/5/0/37500/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/37500-h/images/book.png b/37500-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8c9ee4f --- /dev/null +++ b/37500-h/images/book.png diff --git a/37500-h/images/card.png b/37500-h/images/card.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ffbe1a --- /dev/null +++ b/37500-h/images/card.png diff --git a/37500-h/images/external.png b/37500-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/37500-h/images/external.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0595c68 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #37500 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37500) |
