summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37117-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37117-8.txt')
-rw-r--r--37117-8.txt2706
1 files changed, 2706 insertions, 0 deletions
diff --git a/37117-8.txt b/37117-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2b14e93
--- /dev/null
+++ b/37117-8.txt
@@ -0,0 +1,2706 @@
+Project Gutenberg's Het toekomend jaar drie duizend, by Arend Fokke Simonsz
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het toekomend jaar drie duizend
+ Eene mijmering
+
+Author: Arend Fokke Simonsz
+
+Release Date: August 17, 2011 [EBook #37117]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET TOEKOMEND JAAR DRIE DUIZEND ***
+
+
+
+
+Produced by Hendrik Weltevreden, André Engels and the
+Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+(produced from scans from Early Dutch Books Online &
+Koninklijke Bibliotheek, The Hague).
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van de |
+ | bijbehorende alinea. |
+ | |
+ | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
+ | Tekst in het grieks en hebreeuw is respectievelijk als |
+ | [Grieks: tekst] en [Hebreeuws: tekst] omgezet. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | De vermelde misstellingen zijn in de tekst doorgevoerd. |
+ | |
+ | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | Voor de productie van dit e-boek is gebruik gemaakt van scans, |
+ | die door Early Dutch Books Online beschikbaar zijn gesteld. |
+ | http://www.earlydutchbooksonline.nl/nl/view/info/ |
+ | id/dpo%3A4928%3Ampeg21%3A0002/page/1/ |
+ | Hierbij diende het boek uit de Koninklijk Bibliotheek (Den |
+ | Haag) als bron. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+ HET
+ TOEKOMEND JAAR
+ DRIE DUIZEND.
+
+ _EENE MIJMERING._
+
+
+
+
+ HET
+ TOEKOMEND JAAR
+ DRIE DUIZEND.
+
+ _EENE MIJMERING._
+
+ VOORGELEEZEN IN EN
+ OPGEDRAAGEN AAN DE
+ MAATSCHAPPIJ DER VERDIENSTEN,
+ TER SPREUKE VOERENDE:
+ FELIX MERITIS,
+
+ DOOR
+
+ AREND FOKKE SIMONSZ.
+
+ _Medelid derzelver Maatschappije, Hoofdlid van het
+ Amsterdamsch Dicht- en Letteroefenend Genootschap;
+ Lid van het Genootschap: Oefening kweekt Kunst; en
+ van het Rotterdamsch Dicht- en Letterlievende
+ Genootschap, ter spreuke voerende:
+ Studium sciëntiarum genitrix._
+
+ Multa renascentur quæ jam cecidere, cadentque
+ Quæ nunc sunt in honore.--
+
+ HORATIUS.
+
+ _Te AMSTERDAM, bij_
+ AREND FOKKE SIMONSZ.
+
+ MDCCXCII.
+
+
+
+
+ AAN DE
+ MAATSCHAPPIJ
+ DER
+ VERDIENSTEN,
+
+ ONDER DE ZINSPREUK:
+ _FELIX MERITIS_
+ VERGADERENDE
+ BINNEN DE STAD
+ AMSTERDAM;
+
+ WORDT DEZE
+ VERHANDELING,
+ BETIJTELD:
+
+ HET
+ TOEKOMEND JAAR
+ DRIE DUIZEND.
+
+ _EENE MIJMERING._
+
+ OPGEDRAAGEN
+ DOOR
+
+ _derzelver Medelid_,
+ A. FOKKE SIMONSZ.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+_Vóór eenigen tijd sommige mijner gedachten, omtrent den hedendaagschen
+smaak in de Poëzij en Versificatie, in een' eenigzins _Ironisch_
+boertigen stijl, onder den tijtel van den _Modernen Helicon, een Droom_,
+voorgedraagen hebbende, viel mij in, om ook sommige mijner bedenkingen
+over meer gewigtige stoffen en ernstiger onderwerpen, en wel over
+den staat der Geleerde- en Huishoudelijke zaaken in nog verre in 't
+toekomende verwijderde Eeuwen, eens, bij wijze van eene Mijmering,
+voortedraagen; doch de aart der zaake liet de _Ironie_ hier niet overal
+toe eenen boertigen rol te speelen, 't welk dit Stukjen een' meer door
+ernst getemperd voorkomen gegeeven heeft.--Immers ernstige dingen
+behooren ernstig behandeld te worden.--Men waardeere dit gewrocht dus
+niet hooger dan als een spel der inbeelding en vermaake 'er zig mede
+even als met de _Republiek van Plato_ of de _Utopia_ van den schranderen
+_Morus_; doch wil men 'er meer moogelijkheid aanhechten, welaan, ik heb
+'er ook niet tegen; want men bevindt daaglijks dat men reden heeft het
+aêloud spreekwoord te herhaalen:_
+
+ _Omnia jam fiunt, fieri quæ posse negabant._
+
+ Men kan zo mal niet kallen
+ Of 't kan zo vallen.
+
+
+
+
+MISSTELLINGEN.
+
+
+ Bladz. Reg. staat lees
+ 5 -- 1 van ond. 2540 -- 2440
+ 14 -- 13 van bov. twee -- dertien
+ 45 -- 16 van bov. _æstetica_ -- _æsthetica_
+ 50 -- 2 -- -- _aliquod_ -- _aliquid_
+ 65 -- 2 -- -- eeuw -- eeuwen.
+
+
+
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+Onlangs bezig zijnde met leezen, in een Werk, 't welk eene
+oordeelkundige geschiedenis der Wijsbegeerte voordroeg, en waarin de
+levens, stellingen, en toevallen der aloude en nieuwere Wijsgeeren
+omstandig verhaald werden, trof ik daar in eene aanmerkelijke plaats
+aan, welke mij tot overdenking bragt, zij was: _'Er is een zekere
+draad in de waereldsche zaaken, die dezelve de eene aan de andere hecht,
+en wanneer men dien behendiglijk vatten kan, dan is men niet verre
+verwijderd van in het toekomende te kunnen doordringen, en men wordt het
+gevolg der dingen, als in 't ruuw, gewaar_[1]. Ik dagt over dit zeggen
+ernstig naa, en mij schoot te binnen dat ook SENECA ergens gezegd hadde,
+spreekende van de kundigheeden zijns tijds[2]: _Laaten wij openhartig
+bekennen, wij weeten dit alles slegts sedert korten tijd. 'Er zal een
+andere tijd komen, waarin men, door moeite en ondervinding, doorgronden
+zal, 't geen wij nog niet eens kennen. Een Eeuw alhoewel vruchtbaar in
+verhevene geniën, is niet volstaande om het groot Schouwtooneel des
+Heeläls te doorgronden. Zonder twijffel zal ons naageslacht verwonderd
+zijn, dat wij zo veel dingen niet geweeten hebben, die hen zeer klaar en
+gemakkelijk voor zullen komen. Men moet daarbij ook gelooven, dat zij,
+die naa hen komen, hen dezelfde verwijtingen zullen doen._ Ook vermaant
+ISOCRATES, de beroemde leerling van PLATO, aan DEMONICUS, dat men zig
+slegts op de analogie der vooraf gebeurde zaaken behoort toeteleggen,
+om een oog in 't toekomende te hebben, als hij zegt: _Bijaldien gij
+het voorbijgegaane herdenkt, zult gij u best voor 't aanstaande kunnen
+beraaden_[3]. Hoe duidelijk heeft de doordringende geest van den
+grooten BACO VAN VERULAMIUS, reeds nog in den nacht der onkunde,
+de gronden gelegen tot den vollen middag van kennis, en als 't ware
+zijnen naaneef aangetoond en voorzegd hoedanig die den weg der Letteren
+bewandelen zoude. Heeft ook niet nog in onzen leeftijd de Koningsberger
+Wijsgeer KANT, bij redeneering, besloten en als 't ware voorzegd,
+'t geen de Sterrekundige BODE, te Berlijn, genoegzaam gelijktijdig,
+bij ondervinding, omtrent ons geheele Planeetgestel besloten en
+waargenoomen heeft; te weeten, dat hetzelve, uit de Vaste Sterren en de
+Planeetstelselen die dezelve waarschijnelijk omringen, zich voor moet
+doen, gelijk die ligte vlekken aan den Hemel, welken wij Nevelvlekken
+noemen, en die ook waarschijnelijk geheele Stelselen zijn, zig aan ons
+oog vertoonen; zo dat men wel eens niet onwaarachtige gissingen en
+voorzieningen doen kan. Dit gewigtig onderwerp al dieper en dieper
+indenkende, trad ik al achterwaards tot dien tijd wanneer men zeggen kan
+dat de Weetenschappen en Kunsten in Griekenland derzelver hoogsten top
+bereikt hadden. Ik doorwandelde in mijnen geest het oude _Atheenen_,
+het Lycæum, de Stoa, de Academie, de Cynofarge of den Tempel van den
+Witten Hond, welke aldaar de vergaderplaatsen der Wijsgeeren en lieden
+van Smaak geweest zijn; Ik zag hen daar, dacht mij, zo druk te samen
+redentwisten als of ze onderling in het hevigste geschil waren, de een
+wilde den ander niet toegeeven; wel, dacht ik, bij mij zelven, goede
+lieden, hoe veel meer weet ik heden alleen, dan gij alle te samen. Ik
+weet dat 'er op den grond, waar op gij zo al leerende en twistende
+verkeert, en waar op uw tempel van Smaak en Wijsheid gegrond is, thands
+eenige domme traage Turken zitten te dampen, of wat op de aarde te
+kijken; en dat uw pragtig _Atheenen_ in het elendig _Setines_, dat
+tegenwoordig naauwlijks in de Courant genoemd wordt, verlooren geraakt
+is. Zoudt gij, oude verstandige mannen! dit wel hebben kunnen voorzien?
+Ja, zeeker! gij zoudt dit hebben kunnen voorzien, en hebt het mooglijk
+wel voorzien; maar nog gemakkelijker kunnen wij, in onze eeuw, iets van
+dien aart voorzien, daar wij meer omwentelingen in de menschelijke
+maatschappij achter den rug hebben, dan gij. Gij immers kondet alleen,
+van het, in uwen tijd, afneemend Egypten en Phæniciën spreeken, en wij
+hebben U, de Romeinen, Carthagers en verscheide andere voorbeelden
+nog daar beneven voor oogen; QUINCTILIAAN zegt, ten tijde van Romens
+verval, reeds op goeden grond, 't geen wij op nog beter grond kunnen
+zeggen, en onze naakomelingen, op een nog beteren grond dan wij, zullen
+kunnen herhaalen. _De oudheid heeft ons met zo veele lessen en zo
+veele voorbeelden onderweezen, dat 'er geene eeuw in eenigen deele
+gelukkiger dan de onze geschat kan worden, om welke te leeren al de
+voorige gearbeid hebben_[4].--Wel, dagt ik verder, het zou toch niet
+onvermaaklijk zijn als men daarover eens wat ernstig naadacht, en
+eens uit den hedendaagschen staat der tegenwoordige menschelijke
+maatschappij, zo in 't ruuw, een besluit trachte op te maaken hoe 't 'er
+toch met de Geleerdheid, Weetenschappen en leefwijze in de dertigste
+Eeuw, op de waereld mooglijk uit zal zien. Dit plan beviel mij terstond
+uitneemend; want de kortzichtige mensch wil gaarne zeer verre zien, hij
+bezigt dus greetig den Telescoop der verbeelding; en zo deze op den voet
+van ondervinding en wijsgeerig in denken gesteld wordt, bedriegt hij ook
+het zielsoog niet geheel; weleer droomde immers zeker groot fransch
+Wijsgeer hoedanig het in _Parys_ in het Jaar 2440 gesteld zoude zijn,
+en het schijnt dat de zaaken zig thands al zo vrij wat daar naar
+beginnen te schikken, immers dat in dat Jaar _Versailles_ welligt
+tot een Puinhoop vervallen zou kunnen zijn, is geene onmooglijke of
+onwaarschijnelijke zaak, even zo min als al het overige wat dien
+schranderen droomer voorgekomen is. Ik nam spoedig dit boek, met
+greetigheid, in handen, las 'er eenige zaaken in; inzonderheid hoedanig
+de Bibliotheek des Konings zig voordeedt, en de Geleidsman dezes
+Schrijvers, gelijk ook al wat deze schrandere Wijsgeer in den droom
+gezien hadt, kwam mij zo aanmerkelijk en weetenswaardig voor, dat ik
+alle moeite inspande om insgelijks zo verrukt, zo geheel ingespannen te
+denken, of mij ook zodanig een mijmering overvallen mogte, ten einde ik
+eenig inzien mogte verkrijgen, hoedanig de gesteldheid der menschelijke
+maatschappij, in het toekomend Jaar drieduizend, zig zal voordoen; ik
+zette mij dan in een zeer gemakkelijke houding tot peinzen, terwijl ik
+eenigen tijd geen verhindering verwagte, met het bewuste boek in de
+hand, en begon eindelijk mij den persoon, die dien Schrijver geleide, zo
+naauwkeurig voor te stellen of ik hem daar zo voor mijne oogen zag.
+
+[1] _Il y a un certain fil dans les affaires du monde, qui les enchaine
+ les unes aux autres; & quand on peut le saisir adroitement on n'est
+ point éloigné de percer dans l'avenir, on apperçoit en gros la
+ suite des choses._
+
+ DESLANDES, _Hist. Crit. de la Philosophie_, Tom. II. _p._ 123.
+
+[2] _Veniet tempus, quo ista, quæ nunc latent, in lucem dies extrahat
+ & longioris ævi diligentia. Ad inquisitionem tantorum ætas una non
+ sufficit, ut tota cælo vacet..... Veniet tempus quo posteri nostri
+ tam aperta nos nescisse mirentur._
+
+ SENECÆ, _Nat. Quæst._ L. VII. Cap. 25.
+
+[3] [Grieks: Ean gar ta parelêlythota mnêmoneuês, ameinon kai peri tôn
+ mellontôn bouleusê.]
+
+[4] _Tot nos præceptis, tot nos exemplis instruxit Antiquitas, ut non
+ possit videri ulla sorte ætas felicior, quam nostra, cui docendi
+ priores elaboraverunt._
+
+ QUINCT. _Instit. Orat._ Lib. XII.
+
+Ik zal genoodzaakt zijn mijn onderhoud met dit denkbeeldig wezen
+samenspraaksgewijze voortedraagen.
+
+_Och! goede Vader, gelei mij toch, wat ik u bidden mag, eens naar de
+Academie_, vroeg ik aan den Eerwaardigen Ouden, die voor mij stondt.
+O, die is 'er niet meer; was zijn antwoord, wat zouden wij met eene
+Academie doen?
+
+_Ik._ Geen Academie..!?
+
+_Geleider._ Wel neen! zeg ik nog eens, wat zouden wij 'er mede doen?
+
+_Ik._ Wel! zo als voortijds, Jongelingen tot Theologanten, Philosoophen,
+Artsen, enz. vormen.
+
+_Geleider._ Dat alles wordt nu thuis door een bekwaam' Meester geleerd!
+
+_Ik._ Hoe is dat mooglijk? Dat is immers al te omslagtig om door een'
+Meester geleerd te worden!
+
+_Geleider._ Waarom! O wij hebben thands veel van dien omslag
+weggenoomen, en het is alles dood eenvouwig geworden.--Bij voorbeeld,
+in de Rechten worden bij ons de Wetten die de Romeinen en andere Volken
+in hunne Regeeringsvormen en voor hunne Zeden uitvonden, als geheel
+ontoepasselijk op onze tegenwoordige behoeften en leefwijze, in 't
+geheel niet meer geraadpleegd; het gebrekkig _Corpus Juris_ en de
+_Pandecten_ worden daarom niet meer aangehaald; wijl onze Lands en
+Stedelijke wetten in meest alle gevallen zo klaar als beslissend zijn;
+en men 'er een beknopt Wetboek van in druk heeft, waarna elk Burger zig
+kan regelen, zo dat 'er nu ook zo veel niet gepleit of getwist wordt,
+als weleer pleeg te geschieden. Zo gaat het ook met de Geneeskunst; onze
+Apotheeken zijn thands slegts met weinige dingen voorzien; want men
+heeft nu geheele andere en inlandsche _Materia Medica_, en elk mensch
+kent de Geneesmiddelen die hem dienen, en zoekt die buiten de Stad,
+op 't veld, op, of laat die voor hem zoeken; want daar toe zijn de
+Apotheekers eigenlijk nog in gebruik, om die kruiden te mengen voor
+lieden die deze moeite zelve niet willen neemen. Wij hebben ook ontdekt,
+dat in elk land die geneeskruiden wassen, welke deszelfs inwooners best
+in hunne ziekten kunnen baaten; want thands wast 'er geen grasjen waar
+van wij de eigenschap, zo wel geneeskundig als tot voedsel, niet
+verstaan. Wij eeten thands bijna al wat in ons land groeit, met veel
+smaak, en hebben dus altijd een overvloed van voedsel.--O! 'er is zo
+een groot aantal nieuwe en onbekende Classen van Planten ontdekt; dat
+het geheele Systema van den ouden LINNÆUS thands geheel agter de bank
+geworpen ligt; het is zeer onvolledig: zo gaat het thands met alle de
+stelselen der voorige eeuwen, zij zijn valsch of onvolledig en geheel
+gebrekkig bevonden.
+
+Ik zal u eens, als 't u gevalt, bij eenige onzer tegenwoordige
+Geleerden, omvoeren en u als een vreemdeling aanmelden, dan kunt ge u
+terstond zelve van de gesteldheid dezer dingen overtuigen.
+
+_Ik._ Allerbest! Kom, laat ons zo terstond op weg gaan.
+
+_Geleider._ Welaan! wilt ge 't eerst bij een Theologant of bij een'
+Philosooph zijn?
+
+_Ik._ Liefst eerst bij een' Philosooph.
+
+Wij gingen op weg, doch het verlangen, waar in ik was, om met een zo
+vreemd wezen, als mij een Philosooph van de XXXe. Eeuw scheen te zyn,
+in gesprek te komen, deedt my, in mijne mijmering, naauwlijks opletten,
+dat de meeste huizen, langs welken wij voorbij gingen, meestäl meer naar
+boeren wooningen dan naar voortreffelijke Paleizen geleeken, gelijk ik
+eertijds in een stad van handel en rijkdom, gelijk deze, gewoon was
+aantetreffen; naa een weinig met mijnen Geleidsman voort gewandeld te
+hebben, kwamen wij aan een groote diepte, waaraf wij langs een gebaanden
+weg neder klommen, in een dal, 't welk tusschen twee hoogten, of
+bergjens, gevormd werdt.--Dit moeten wij langs, zeide mijn Leidsman;
+want op gindsche hoogte woont een thands zeer vermaard Wijsgeer!
+
+_Ik._ Dit langs! Lieve deugd! zijn wij dan op een' berg geweest?
+
+_Geleider._ Wel Ja! Hoe zouden wij hier anders kunnen woonen, 't land
+ligt 'swinters meestal onder water, en daarom hebben wij deze hoogten
+opgeworpen; want zo hoog komt het water niet.
+
+_Ik._ Maar hebt gij dan geen dijken meer?
+
+_Geleider._ ô Neen, die vielen ons op den duur veel te kostbaar, zij
+werden overal te gelijk bouvallig en schraal, en terwijl we, met groote
+kosten, aan den eenen wat lapten, brak er weder een andere door, 't
+schijnt den mensch toch onmooglijk, om op den duur tegen de natuur te
+worstelen: wij leeven nu ook veel geruster en laaten stormen wat 'er
+stormt; want als 't water des zomers weder afgeloopen is, zijn deze
+kleine tusschenruimten weêr droog, en draagen zelfs vruchten; want dat
+moet ik 'er nog bijvoegen, elk is hier Landbouwer, van den grootsten tot
+den kleinsten toe; elk heeft zijn' grond, die hem voedt.
+
+_Ik._ Maar, waar zijn die trotsche Kooplieden, die zelfs Vorsten in
+vermogen pleegen te evenaaren?
+
+_Geleider._ Ja, waar zijn die? vraag dat mij? daar
+
+ _Quo pius Eneas, quo Tullus dives et Ancus._
+
+Waar Ancus, Tullus en de vroome Eneas zijn.
+
+_Ik._ Ja, maar in ernst! zijn 'er dan geene Kooplieden meer hier te
+lande?
+
+_Geleider._ Zeer weinigen. Er wordt nog wel eenigen Koophandel
+gedreeven; maar hij is van geen belang, en bestaat meestal in
+Boeknegotie; want die is nog al redenlijk bloeijende, en aanmerkelijk
+in uitgebreidheid. Wij krijgen thands de beste werken van smaak, uit
+_Siberiën_, _Kamtschatka_, _Japan_, _Nieuw Holland_, _Het vuur Eiland_,
+_California_, _Canada_, en zo langs de uiterste kusten der aarde.
+
+_Ik._ Heden, Mijn Heer! breng mij dan vooral eens bij een'
+Boekverkooper; want daar ben ik nog al 't meeste mede gewoon.
+
+_Geleider._ Dat wil ik gaarne doen, maar noem mij, zoo 't u blieft, niet
+uw' Heer; want dat ben ik niet. Wij hooren hier liever het veel meer
+beteekenende en veel zoetluidender woord: Vriend! 't Woord Heer, is
+thands hier geheel buiten gebruik; alzo de eene inwooner des lands zig
+thands hoegenoemd geen heerschappij over den ander aanmaatigt of
+aanmaatigen kan.
+
+_Ik._ Neem mij niet kwalijk, Vriend! als ge 't dan zo gelieft, 't is bij
+ons nog zo in 't gebruik; schoon wij ook eigenlijk die woorden meer als
+klanken dan als betekenende woorden bezigen.
+
+Ik geloof zeker, dat ze van tijden afkomstig zijn, toen er nog meer
+slaavernij heerschte en de meerder zijnen minder meer verdrukte! terwijl
+de minder zijnen meerder met de laagste en kruipendste vleijerij moest
+bejegenen, zig telkens zijn Dienaar, ootmoedige, onderdaanige, geheel
+aan hem overgegeeven, Dienaar noemde, geduurig hem zijn dienstaanbod
+hernieuwende. Men doet dit thands nog met even zo veel vaardigheid met
+mond en pen; doch elk hart weet wel, wat men 'er thands van gevoelen
+moet: men hoort het naauwlijks en spreekt en schrijft het, zonder 'er op
+te letten.
+
+_Geleider._ Wel laat ons die overblijfselen van voorige woestheid en
+slaavernij, dan toch geheel vergeeten, en elkander, met hart en mond,
+Vrienden noemen; maar wij zijn hier reeds bij den Philosooph, treed
+slegts in.
+
+_Ik._ Hoe! sluit men hier dan geen deuren meer?
+
+_Geleider._ Och neen! wie zou 'er in koomen om overlast te doen, elk
+heeft voor zig genoeg, en, gelijk gij ziet, de pracht lokt tot geen
+begeerte.
+
+Naa dat wij in getreeden waren, vond ik de hut; want anders kan ik het
+niet wel noemen, zeer lugtig ruim en licht, en van al het noodige, zo
+mij voorkwam, tot nooddruft der menschen voorzien; alleen ik zag 'er
+geen Bed of Ledikant, en dagt bij mij zelven, daar moet ik toch straks
+eens naar vraagen. De Wijsgeer was een eerwaardig bejaard man, met een
+grooten baard, en met eene soort van lossen en om den midden gegordelden
+rok bekleed, even gelijk men veel de aartsvaders afgebeeld ziet. Hij
+tradt ons terstond te gemoed, en vroeg mijnen _Geleider_, wie ik ware,
+en, zo dra hij gehoord hadt, dat ik mij voor een' vreemdeling op gave,
+vroeg hij niet verder; 't scheen hem genoeg dat mijn leidsman bij hem
+bekend ware, althands, in mijne mijmering, sloeg ik geen acht op deze
+gaaping van 't waarschijnlijke. Ik vroeg hem terstond naar den staat der
+geleerdheid; en wel voornaamlijk naar dien der Wijsbegeerte daar ter
+plaatse; voorgeevende dat ik uit een land kwam waar dezelve nog even
+eens gesteld was als vóór dertien eeuwen.
+
+_De Wijsgeer._ ô, Dan zult ge hier groote veranderingen daaromtrent
+gewaar worden; Het spijt mij slegts dat ik thands zo weinig tijd hebbe,
+om u van alles te onderrichten, alzo ik op den sprong staa om op reis te
+gaan, en nog eenige beschikkingen daar toe maaken moet. Doch ik zal u
+kortelijk over 't een en ander voornaam stuk trachten te voldoen, onze
+geliefdste Studie dan is thands de Wijsbegeerte; maar wij studeeren nu
+geheel anders dan vóór dertien eeuwen; ô veel gemaklijker; Ik zal u
+zeggen hoe het in het vak der geleerdheid thands met ons toegaat; maar
+ga bij mij zitten, en laaten wij te samen onzen morgen drank nuttigen,
+zo veel tijd moet 'er af. Hij kreeg terstond een kruik voor den dag,
+waar in hij ons in eenige glasen een' aangenaamen en verfrisschenden
+drank, voordiende.--Toe vriend! zeide hij, drink, het verstrekke
+ons tot gezondheid en worde gezegend. Dit is een drank dien wij uit
+verscheide nieuw ontdekte inlandsche planten bereiden, en die tevens
+een allerheilzaamst en versterkend voedsel te wege brengt; maar om dan
+voorttegaan: de Latijnsche Taal is heden de algemeene Taal van de meeste
+geleerden, waarmede wij correspondeeren, geworden; daarin worden alle
+werken over wetenschappen en kunsten geschreeven; want wij hebben voor
+eenige Jaaren gezien, dat de mode van elk in zijn Landtaal te schrijven,
+slegts eene elendige geestverspilling zij; want, wilt ge wel gelooven,
+dat de Duitschers bijvoorbeeld, die vóór dertien eeuwen zo veele werken
+in de Wysbegeerte en andere Weetenschappen vervaardigd hebben, thands
+hunne eigene gewrochten van dien tijd niet meer verstaan; zo zeer
+is hunne taal, door daaglijks gebruik, veranderd en versleeten.--Ik
+bemerkte ondertusschen niet eens, hoe wonderlijk kan men toch beuselen!
+dat ik hem, schoon naa zo veele eeuwen, nog zeer gemakkelijk verstond en
+hij ook mij.--Maar, ging hij voort, al wat in de zogenoemde doode taalen
+overgebleeven is, kan nog door ons verstaan en aangeleerd worden; wijl
+wij daar onveranderlyke Regels toe hebben, ook kunnen wij, toch maar met
+moeite, nog eenige onzer Schrijvers van den Jaare 2090 à 91. verstaan,
+maar dat zijn ook al de eenigste, daar 't nog zo wat mede gaat, en
+in dien tijd hebben sommige Critici reeds voor het verder verval der
+fraaiste werken gezorgd, en dezelve in 't Latijn overgezet, en met
+den text op den kant doen drukken; inzonderheid veel fraaije Fransche,
+Hoogduitsche, Engelsche en Nederlandsche werken; wier taal wij met hulp
+van die _versiones_, nog al zo wat weder beginnen op te krabben, en 'er
+vrij schoone en der moeite dubbelwaardige plaatsen in aantreffen; gij
+zult zeekerlijk mijn Bibliotheek wel eens willen zien, dan kunt gij 'er
+u zelven van overtuigen.
+
+_Ik._ O, zeer gaarne, mijn vriend; maar staa mij toe, u te moogen
+vraagen; wat men toch hier van de verschilstukken der Wijsgeeren van de
+XVIIIe. eeuw denkt.
+
+_De Wijsgeer._ Wij kunnen ons niet genoeg verwonderen, als wij de werken
+van CARTESIUS, GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, en anderen der eerste
+opdelvers van waarheid, inzien, hoe zeer bedekt de eenvoudige waarheid,
+nog voor hun geweest is; hoe groote omwegen dat hunne verbeelding heeft
+moeten neemen, om slegts een gering deel derzelve te ontdekken; wij,
+die al deze oude kraamerij, slegts vermaakshalven eens inzien, vinden
+thands den weg tot kennis in de natuur der dingen, veel eenvouwiger: wij
+hebben daar toe een zeeker middel uitgevonden, dat alles als in een punt
+samentrekt, eene zekere bestendige werking en wederwerking, zo wel in
+het rijk der natuur als der zeden; een geduurige middenpunt zoeking en
+afwijking; een trachten naar evenwigt, dat altijd verbrooken wordt,
+waardoor de geheele schepping in werking blijft, zo dat wij nu zeer
+gemakkelijk, uit slegts ééne zeker gevonden waarheid, een besluit
+tot verscheidene anderen kunnen maaken: wij doen dat niettemin met
+veel behoedzaamheid, en, zo dra wij onze afleidingen niet zonneklaar
+kunnen betoogen, houden wij dezelve nog voor onbekende zaaken en
+_desiderata_; zonder in de droevige en het menschelijk verstand in een'
+poel van dwaaling stortende, gewoonte te vervallen van stelselen, of
+_Systemata_, te bouwen op de zandgronden van onzeekere onderstellingen,
+of _Hypothesen_; wij komen dus zelden in het zo belachgelijk als
+vernederend geval van den Wijsgeer DEMOCRITUS, dien eens een comcomber,
+van welke vrugt hij een groot liefhebber was, voorgezet wordende, 'er
+zekeren ongewoonen zoeten smaak aan bespeurde; welk verschijnsel hem
+bewoog, om op de oorzaak dezer zonderlinge zoetheid in die vrugt te
+peinzen; hij zogt die in het water, dat dezelve besproeid hadt; in de
+aarde, waar in zij gegroeid was; in de gesteldheid des dampkrings
+geduurende heuren groei en in duizend andere toevallige oorzaaken; maar,
+terwijl hij daarover zig geheel weg gedagt hadt en op 't punt stondt
+om _analytisch_ de oorzaak dezer zoetheid te ontdekken, stoorde een
+slaaf, door zyn onbesuist en verlegen inkomen, al zijn geestverrukking,
+met deze woorden: Och lieve meester! neem het toch niet kwalijk, de
+comcomber die ik u zo even bragt, is bij ongeluk in een pot met honig
+gevallen. De Wijsgeer riep daar op mismoedig uit: Ellendige! hadt ge
+maar gezweegen, weg is nu al de verdienste mijner ontdekking! Zo gaat
+het met het bouwen van Hypothesen. Een groot getal kundigheeden, welke
+de XVIII. eeuw reeds meende verkreegen te hebben, is dus geheel te
+niet gegaan, en in rook verdweenen; zo dat het gene toen zeer klaar en
+baarblijkelijk scheen, thands een diep geheim geworden is; daar ons nu
+dingen allereenvouwigst en klaarst voorkomen, die toen nog in een dikken
+nevel van onzeekerheid gewikkeld lagen; bijvoorbeeld, de aart van de
+menschelijke ziel; wat is over dit leerstuk in de XVIIIe. eeuw niet
+al zonderlings gedagt, hoe heeft men, naar dat stuk, als met verblinde
+oogen in 't ronde getast, en door 't zelve van den verkeerden kant aan
+te grijpen, de wonderlijkste gevoelens te berde gebragt, en eindelijk,
+met een zekere verzeekerdheid, waarover wij thands glimlagchen, voorzegt
+dat dit geheim boven des menschen bevatting liep!--Zo liep het ook, in
+de hoogere oudheid, boven des menschen bevatting, 't geen GALLILEUS
+leerde, dat de aarde _rond_ ware.
+
+Ik stond versteld, hier zodanig een groote ontdekking, als is die van
+den waaren aart der menschelijke ziele, te zullen doen, en zeide, met
+drift: wees zo goed, en deel mij, bid ik u, deze uwe gewigtige
+ontdekking terstond mede!
+
+_De Wijsgeer._ Ja! Vriend; maar de gronden van redeneering waarop deze
+onze stelling rust; zijn voor u, die daar nog niets van weet, zo in
+een oogenblik niet bevattelijk; ik kan u alleen zeggen, dat wij het
+verschil tusschen Stof en Geest, niet meer, gelijk de Geleerden van de
+XVIIIe. eeuw, in een geheel tegenstrijdige wezenheid; maar alleen in
+eene betrekkelijke hoedanigheid, stellen; want het _maximum_ in het
+kleine, is bij ons veel nader bereikt, dan in die vroege tijden; het
+raderdiertjen, dat men toen, door de te dier tijd gebruikelijke
+_microscoopen_, al voor een der kleinste wezens hieldt, is thands,
+in ons microscoopisch rijk, een elephant geworden. Hier uit kunt ge
+naagaan, wat onafzienbaare vorderingen wij in den aart der stoffe hebben
+kunnen maaken, en wat al raadselen wij door deze onbegrensde kleinheid
+van bestaande wezens niet al kunnen oplossen.
+
+Ik gaf den Wijsgeer voords mijn verlangen te kennen, om zodanig een
+microscoop eens te zien. Hij ging daar op in een klein vertrekjen,
+waarin zijne verzameling van Optische Instrumenten scheen geplaatst te
+zijn, en toonde mij, bij zijn' wederkomst, een microscoop, die niet veel
+in inrichting van de onzen verschilde; maar hij hadt 'er een voorwerp
+glaasjen bij, dat mij ledig toescheen; althands ik ontdekte 'er, met het
+bloote oog, geen voorwerp in; ik zeide daarop: wij hebben ook zulke
+microscoopen.
+
+_De Wijsgeer._ Ja, maar de uwen zullen zodanig niet gesleepen en van
+zulk eene stof niet vervaardigd zijn: Daar, zie daar maar eens mede, op
+dit drupjen vochts, dat in dit voorwerp glaasjen geklemd is.
+
+Ik zag door het glas dat de Wijsgeer mij leende; maar, welke een
+heerlijke vertooning voor mij! Ik zag een alleronbedenklykst fijne
+vloeistof in hetzelve bewegen, en vroeg of hij mij niet konde uitleggen
+welke dat voor eene bewegende stof ware, die mij nu zo zichtbaar
+voorkwam; daar zij eerst geheel onzichtbaar voor mij geweest ware? en of
+hij mij de natuur derzelve niet kenbaar konde maaken!
+
+_De Wijsgeer._ Daartoe hebt gij nog geene genoegzaame gronden gelegd; zo
+veel alleen kan ik u zeggen, dat het een drupjen zenuwvocht is, en dat
+wij door de beschouwing dezer stoffe, thands al vrij verre gevorderd
+zijn, met de verklaaring van het wezen der ziele.
+
+_Ik._ Zijn 'er in het groote en uitgebreide rijk der schepping ook even
+zo aanmerkelijke ontdekkingen gedaan, als in het kleine?
+
+_De Wijsgeer._ O! in vergelijking, nog veel meer. Onze tegenwoordige
+Telescoopen dringen nog veel verder door, tot in de verre oorden van
+het uitgebreide Heelal. Wij spreeken nu niet meer van ons stelsel
+alleen; maar, zeer bepaaldelijk, van de rondom ons zig bevindende
+zonnestelselen der vaste sterren, en van de zo ondenkbaar verwijderde
+stelselen in den melkweg; ook zijn wij thands verre gevorderd in de leer
+eener Hoofdstelselzon, om welke alle de mooglijke stelselen en melkwegen
+draaijen. Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, op den voet van den
+ouden HERSCHEL, waar mede wij de vaste sterren zelve zeer duidelijk als
+zonnen kunnen onderscheiden; en ook zulke kleine, waarmede wij onze zon,
+thands zeer klaar als een bewoonbaaren bol en de maan insgelijks als
+zodanig beschouwen kunnen; ook hebben wij thands de, in de XVIII. eeuw
+nog vermiste, Dwaalster, tusschen Mars en Venus, en een nog verder
+dan Uranus afstaande dwaalster ontdekt, en de waare grootte van de
+schijf der zonne bepaald; benevens aanmerkelijke gewigtige en nieuwe
+ontdekkingen, omtrent warmte en licht, gedaan; wijl thands de reizen in
+den dampkring zeer geregeld, gemakkelijk, en buiten gevaar ondernoomen
+kunnen worden; 't welk veel nut aan de weetenschappen toegebragt heeft.
+
+_Ik._ Zijn dan mooglijk de _Aërostatische machinen_, bij u tot een
+meerdere volmaaktheid gebragt?
+
+_De Wijsgeer._ Men heeft middelen uitgedacht om dezelve geregeld
+te bestuuren; ten minsten voor zo verre, dat 'er twee of drie
+persoonen veilig mede kunnen reizen; ten welken einde 'er ook groote
+verschikkingen omtrent het reizen, en wat daar toebehoort, gemaakt zijn.
+Dit bevordert ongemeen den ommegang met de verst afgelegendste volken,
+en heeft veel tot de beschaaving van verscheidene natiën toegebragt;
+want, bijvoorbeeld, zo straks vertrek ik met een balon naar _Guinea_,
+ik moet daar eenige zaaken verrichten; wijl daar een werk van mij
+ter persse is; en zal, denkelijk, in de andere week weder in Holland
+terug komen, als ik niet nog een' uitstap bij een' mijner vrienden
+te _Simbaoe_, in _Monomatapa_, doe; want dat is een zeer ervaaren en
+kundig natuuronderzoeker; hij heeft een uitgeleezene Bibliotheek van de
+nieuwste Africaansche werken, en men kan niet van hem afkomen, als men
+eens in zijn gezelschap is.
+
+_Ik._ Wel is 't mooglijk! reist men thands zo spoedig! en zo zeeker? en
+is de Sterrekunde zo verrijkt? dan zal ook de _aardmeetkunde_, wel
+aanmerkelijk verbeterd zijn.
+
+_De Wijsgeer._ Dat kunt ge naagaan! wij weeten thands den afstand van
+meest alle plaatsen, zeer juist te bepaalen, en onze kaarten zijn daarom
+ook allernaauwkeurigst; daar hangt 'er een van de _Nederlanden_, die is
+nu van de nieuwste.
+
+Ik zag ter loops dezelve eens over; maar vond zo een groot getal andere
+en nieuwe naamen van vlekken, landen en plaatsen, dat ik alleen aan den
+ruuwen omtrek van sommige oorden, eenige, mij bekende, herkennen konde;
+het speet mij, dat ik niet alles naauwkeurig genoeg konde zien; evenwel
+zocht ik terstond naar _Amsterdam_; maar vond het niet, alleen vond
+ik eene kleine aanwijzing, en, op den kant, de woorden: _Hic olim
+Amstelopolis fortasse sita erat_, dat is: _misschien is hier de plaats
+waar Amsterdam wel eer gelegen heeft_. Doch men hadt dit teken gesteld,
+op de hoogte waar men eigenlijk het Dorp _Kudelsteert_ zou moeten
+zoeken. In een woord, ik was 'er maar heel niet thuis, en had wel
+gewenscht deze kaart wat naauwkeuriger te mogen bezichtigen; doch 'er
+was geen tijd toe, wilde ik mij het gesprek met den Wijsgeer nog een
+kleine poos ten nutte maaken.
+
+Ik vroeg hem voords, of 'er geen groote ontdekkingen in de natuurkunde,
+en wel inzonderheid op het voetspeur van LAVOISIER, in de _Scheikunde_,
+gedaan waren.
+
+_De Wijsgeer._ Ja, die voordgangen zijn, geduurende de laatst verloopen
+eeuwen, verbaazend geweest.--Wij hebben niet alleen de stelling van
+dien waarlijk grooten natuuronderzoeker meer en meer bewaarheid
+gevonden; maar ook nader ontdekt, dat 'er werkelijk geene elementen of
+Hoofdstoffelijke beginsels voor den mensch kenbaar zijn; alles hebben
+wij samengesteld bevonden. In de _Electriciteit_ en _magneetkunde_,
+hebben wij reuzen schreeden gedaan, en zijn bijna gevorderd om het
+waare wezen der _Electrieke_ stof en der magneetkragt te ontdekken.
+Dit stuk houdt thands onze natuurkundigen bijkans alleen geheel
+onledig.--Wonderlijke werkingen op ziel en lighaam, zijn daardoor bij
+ons ontdekt, en verbaazende geneezingen, van altijd voor ongeneesbaar
+gehoudene kwaalen, zijn daardoor bij ons bekend geworden. Het _dierlijk
+magnetismus_ is bij ons, op gevestigde gronden, tot een aangenomen
+leerstelsel geworden! Maar wij hebben ook op dezen grooten weg verder
+zo veele nieuwe natuurwonderen ontmoet, dat wij wanhoopen, om, hier op
+aarde, ooit tot de volledige kennis der natuur te kunnen geraaken.
+
+_Ik._ Ja, mijn vriend! dit wil ik gaarne gelooven, zeekerlijk moeten 'er
+werkzaamheeden voor een altoosduurende ziel, oneindig overblijven. Maar
+zijn 'er geen Wijsgeeren bij u, nog aan oude vooroordeelen gehecht
+gebleeven?
+
+_De Wijsgeer._ Neen; onze Wijsgeeren, blijven niet, tegen hunne betere
+overtuiging aan, hartnekkig aan eerst opgenoomen en verdedigde stelselen
+hangen; zij verwerpen, ter liefde der waarheid, gaarne hunne gevestigde
+vooroordeelen, zodra 'er zig iets beters en meer met de waarheid
+overeenkomstig, opdoet; altijd gedagtig aan den regel van CICERO:
+_weinig te weeten is geen schande; maar 't is schande in het weinig
+gekende, dwaasselijk lang te volharden_[5].
+
+[5] _Non enim parum cognosse; sed in parum cognita stulté et diu
+ perseverasse, turpe est._
+
+ CICERO _de Invent._
+
+Ik verzogt hem voords zijn woord te willen houden, en mij zijne
+_Bibliotheek_ nog eens even te willen toonen; 't welk hij bereidwillig
+aangenoomen hebbende, met ons in een fraaije lichte en lugtige kamer
+tradt, doch alles gelijk met den grond. Hier zag ik een groot aantal
+boeken, meest alle in de Latijnsche Taal, behalven eene afzonderlijke
+Collectie in de Grieksche en Oostersche Taalen, alle nieuwe drukken en
+meest in Octavo formaat; folianten en quartijnen, zag ik slegts zeer
+weinige; en zeide daarop:
+
+Dit verschilt ook veel van de inrichting der Boekvertrekken in de XVIII.
+eeuw; want toen hadt men boeken, die men naauwlijks draagen kon.
+
+_De Wijsgeer._ Ja, dit is ons veel gemakkelijker; wij verdeelen liever
+een werk in veele handelbaare deelen; dan zulke lompe stukken te moeten
+torsschen: daarom schijnen 'er ook veele boeken te zijn; doch 'er zijn
+in de daad maar weinige, zeer voornaame werken, maar die in veele
+deelen gesplitst zijn. Bijvoorbeeld; daar staat al wat ons van de
+Hebreen naagebleeven is; wij leezen al die boeken thands zeer gemeenzaam
+in hun eigen taal: gelijk ge ziet, 't is alles Hebreeuwsch; want wij
+zijn in de Oostersche Taal- en oudkunde, aanmerkelijk toegenoomen. Hier
+is een Latijnsche vertaaling derzelve.
+
+Ik zag hier en daar dit werk eens in, doch herkende sommige zeer bekende
+plaatsen, naauwlijks; door de groote veranderingen, die eenige woorden
+ondergaan hadden, en bleef een wijl in stille verwondering staan, welke
+de wijsgeer echter afbrak, met mij de werken van HOMERUS te toonen, als
+ook die van ORPHEUS en LINUS, welke vóór een eeuw, gelijk hij zeide,
+ontdekt en nu geheel volledig, bij elkander gedrukt waren, als ook de
+vermiste _Decaden van_ LIVIUS; ook vond ik 'er verscheiden aucteuren
+der oudheid, dien men slegts bij naam kent, en voor verloorene,
+_deperditi_ houdt, geheel volledig, of ten minsten fragmenten derzelve.
+Bijvoorbeeld; het Tooneelspel, _de Reis_ genoemd, van JULIUS CÆSAR;
+eenigen zijner Brieven aan CICERO en deszelfs verhandeling betijteld:
+_Anti Cato_; eenige fragmenten van Dichtstukken van Keizer AUGUSTUS; de
+klagten over den dood van _Julius Cæsar_, door MARCUS ANTONIUS; eenige
+fragmenten van PYTHAGORAS, PHERECYDES, HECATÆUS en andere verloorene
+Grieksche en oude Latijnsche Dichters, in één woord verscheide andere
+vermiste Schriften, te lange om hier optenoemen.
+
+Ik vroeg voords den eigenaar waar zijne Nederlandsche Aucteuren stonden?
+hij wees mij dezelven terstond. Het eerste werk dat mij in 't oog viel,
+was JACOBI CATZII _Opera omnia poetica, cum notis variorum_. Ik nam
+'er greetig een deel uit, de text was Hollandsch met een Latijnsche
+vertaaling, 'er tegen over en met Latijnsche aanteekeningen voorzien,
+die ik zeer wonderlijk en eenigen geheel tegen den zin des Dichters
+vond. Bijvoorbeeld, bij de uitdrukking _deuzig brein_, vond ik dezen
+noot, _deuzig, olim apud belgas nomen Epidemiæ, constructum e voce
+gallica deux, duo, et Belgica, ziek, morbosus; velut dicetur deux ziek,
+id est in duas partes morbi affectum cerebrum, scilicet in occipitem et
+sincipitem._[6]. Ik moest lagchen over deze geleerdheid, en verzeekerde
+mijnen geleerden vriend, dat deze commentator in eene groote dwaaling
+vervallen was.
+
+[6] Dat is: _Deuzig was eertijds de naam van een volksziekte, het
+ woord is samengesteld uit het Fransche woord, _deux_ twee, en het
+ Hollansche _ziek_, als of men wilde zeggen, _deux ziek brein_, dat
+ is een brein dat aan weêrszijden, in 't voor- en agterhoofds
+ gedeelte, door ziekte aangetast is._
+
+_De Wijsgeer._ Men houdt hem anders nog al voor den besten; hij heeft
+ook den ouden VONDEL, en eenige andere Dichters uitgegeeven; maar hier
+moet ik u een werk toonen, dat het kruis onzer hedendaagsche geleerden
+en Taal onderzoekers is; zie daar, over dit boek zijn nu bereids al
+twintig werken geschreeven, en nog begrijpen wij alles niet.
+
+Ik nam het met vlijt aan, en dacht eerst dat het Hebreeuwsch ware; want
+ik vond den tijtel aldus gesteld: E. WOLFFI _Dominæ eruditissimæ_,
+[Hebreeuws: tav resh sameh] _Cor civicum, ad optimas codices restituta,
+cum lectionibus variantis et notis perpetuis_, Irkutskoi MMCX.[7]
+
+[7] E. WOLFF, SARA BURGERHART, na de beste uitgaven, met verschillende
+ leezingen en doorgaande nooten verrykt, gedrukt te _Irkutskoi_
+ 2110.
+
+Wel nu, dacht ik, dat ziet 'er al heel raar uit! ik bladerde dit werk
+eens door, maar vond dat de geleerde Commentator het allermeest met
+de brieven van Broeder _Benjamin_, want het was de _Sara Burgerhart_,
+van Mejuffrouw de WOLFF, verlegen geweest was; deze waren zo duidelijk
+verklaard, dat ik 'er geen woord van begrijpen kon. Nu zeide ik, dat is
+mij te geleerd!
+
+Maar welke boeken staan daar;
+
+_De Wijsgeer._ Dat zijn de _Opera Rassavi_, (_Rousseau_) en _Voltarii_,
+(_Voltaire_,) doch van de laatste zijn slegts fragmenten overgebleeven;
+gindsch staat, _Klopstocki_, _Messiah_, deze is thands een _auctor
+classicus_, en wordt veel tot onderwijs in het oud germaansch gebezigd;
+wij houden ook veele oude wijsgeeren van vóór dertien eeuwen, nog in
+groote waarde en voornaamlijk studeeren wij nog in de _Opera Mosche
+Ben Mendel_,[8] en het _carmen Philosophicum aureum Alexandri Pope,
+quod Homo dictum est_.[9] Dit wordt thands ten grondslag der Zedelijke
+Wijsbegeerte gelegen; Maar goede vriend! neem mij niet kwaalijk, gelieft
+ge nog eenigen tijd u hier in de boeken te vermaaken, 't zal mij lief
+zijn; maar mijn tijd is verscheenen; alzo de balon op zijn' tijd
+afvliegt en naar geen Passagiers wagt.
+
+[8] MOZES MENDELSZOON.
+
+[9] POPES; _Proeven van den Mensch_.
+
+Ik nam deze waarschouwing voor een heusche vermaaning aan, dat het onze
+tijd werdt om afscheid te neemen, 't welk ik dan ook deed, naa den
+Wijsgeer goede reis gewenscht te hebben. Ik was naauwlijks met mijn'
+Leidsman, dien ik verzogt had mij nu bij een' Boekverkooper te willen
+geleiden, weder op weg, of ik had terstond mijn oog op sommige winkels
+welke wij voorbij gingen, en waarin ik niet dan zeer eenvouwige
+kleederen, en Huisgeraaden ten toon gesteld zag. Waar zijn toch, vroeg
+ik, al die kostbaare _Galanterie_- en _Parfum_-winkels, die voor dertien
+eeuwen, zo rijk onze meeste koopsteeden versierden?
+
+_Geleider._ _Galanterie_-winkels! wat waren dat? Wij verstaan dat woord
+in 't geheel niet meer; wat is dat toch _Galanterie_? Wat is _Parfum_?
+
+_Ik._ Ja! als ge die woorden niet meer verstaat, is 't zeer moeilijk
+'er u den waaren zin van te verklaaren; maar men verstondt 'er, onder
+verscheidene andere beteekenissen, in dien tijd, ook onder die
+kleinigheeden van nagemaakt goud en zilver, welke de _petit maitres_;
+_Jonge Heeren en Dames du Ton_, gebruiken, om zig bevallig voor te doen,
+_Horologien_, kettingen tot dezelve, _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en
+wat al niet meer!
+
+_Geleider._ In oprechtheid, ik verstaa geen enkel woord, van 't gene
+gij daar noemt; maar ik zal 'er het, onlangs, in Japan uitgekomen,
+_Glossarium Linguæ Gallicæ antiquæ_, eens over nazien; want ik denk dat
+al deze woorden over oud en vergeeten Fransch zijn.--Maar dat kan ik u
+intusschen wel zeggen, dat wij zulke winkels niet hebben; onze zoonen
+koopen boeken, en onze dochters lijwaaten en lakenen, om zich eene
+dekking in guur weder te bezorgen.
+
+_Ik._ Wel! Wel! Man; wat is dat alles veranderd! is hier alles dan zo
+verarmd?
+
+_Geleider._ Verarmd! Wel neen! die genoeg bezit, kan men, dunkt mij,
+niet arm noemen; wij bezitten overvloed van alles, wat tot het leven
+noodig is. Weet ge niet, wat JUVENALIS, aan 't einde van zijn XIV.
+Schimpdicht, hier over zegt: _zoo 't mogt gebeuren, dat mij iemand
+vroeg: Hoe veel is 'er dan tot leeven genoeg? Ik zal hem antwoorden:
+drank voor den dorst, spijs voor den honger, brand en klederen voor de
+koude, en 't geen u, ô Epicuur! in uw klein tuintjen, en u, ô Socrates!
+weleer in uw huishouding vergenoegd heeft; Nooit heeft de natuur, ons
+iets anders dan de wijsheid geleerd._[10].
+
+[10] _------ ------ ------ Mensura tamen quæ
+ Sufficiat census, si quis me consulat, edam;
+ In quantum sitis, atque fames & frigora poscunt,
+ Quantum Epicure tibi parvis suffecit in hortis
+ Quantum Socratici ceperunt ante penates.
+ Nunquam aliud natura, aliud sapientia dicit._
+
+_Ik._ Maar hoe toch wordt dan het onderscheid van staat in de kleeding
+gezien!
+
+_Geleider._ Hoe meent ge dat? woudt ge dan dat de deugdzaamsten zig door
+hun kleed onderscheideden?
+
+Hier zweeg ik, en hoeste; wijl ik bemerkte dat deze onnoozele mensch
+niets van den hoogen of laagen rang der klederen wist; ik liet dus dat
+punt steeken en wende ons gesprek tot iets anders, door te vraagen of 't
+hier de gewoonte onder de Wijsgeeren ware, van op den grond te slaapen;
+wijl ik in de wooning van dien, welken wij bezogt hadden, niets dat naar
+een bed geleek gezien hadde.
+
+_Geleider._ Zonder twijfel slaapen wij op den grond; wij leggen ons
+tegen den rusttijd slegts op den grond neder; want ge hebt immers
+gezien, dat onze vloeren alle met hout belegd zijn, en dan hebben wij
+een mat tot dekking, en een omgerolde mat tot hoofdkussen; is dat dan
+anders tot uwent?
+
+_Ik._ Wel zeeker, Ja! wij liggen des nagts op dons van zwaanen, of
+andere zeer zagte vederen; maar ik geloof ook dat wij aan deze
+weekelijke levenswijze veel de verzwakking van ons gestel te danken
+hebben.--Inmiddels waren wij voor den winkel van den Boekverkooper
+genaderd; waar door ons gesprek afgebroken werdt, en mijn geleidsman
+mij verzogt binnen te treeden. De Boekverkooper, die, met een bonte muts
+op 't hoofd, en eenen langen baard en zwarte mantel, zeer veel naar een'
+Joodschen Rabbi geleek, was in zijn' winkel bezig met eenige boeken in
+te pakken; alles zag daar nog al zo uit, als vóór dertien eeuwen de
+gewoonte bereids geweest was. Ik vroeg, naa hem gegroet te hebben, om
+eenige nieuwe Rijmwerken te mogen zien; wijl ik dagt, na de ondervinding
+in mijnen tijd, daarvan de meeste voorhanden te zullen vinden; maar hij
+betuigde mij niet te weeten wat ik met rijmwerken meende; wel, zeide ik,
+zulke boeken wier regels op 't einde dezelfde klanken hebben, gelijk
+als _klaagen_, _schraagen_ enz. De man begon daarop zo te lagchen, dat
+ik 'er kregel over werd, en vroeg of hij mij voor den gek hielde? Hij
+antwoorde daar weder op? Wel vriend! dat zoude ik u haast vraagen, wie
+heeft van zijn leven van zulke raare boeken gehoord, als waar gij van
+spreekt. Hoe kan 't in een gezond menschen verstand vallen, geen regels
+te willen schrijven, dan die juist gelijkluidende of klinkende woorden
+op 't eind hebben; als men dan, bijvoorbeeld, van een huis spreekende,
+eens _gevel_ op 't einde van een' regel hadde, hoe zoude men 'er dan
+toch mede staan, om den gelijkluidenden regel te vinden?
+
+_Ik._ Wel hoe; dan zoude men dien zin zo wenden, dat men, bijvoorbeeld,
+_hevel_ op 't eind van den regel kreeg.
+
+_De Boekverkooper._ Maar, hoe is dat toch mensch mooglijk, deze beide
+zaaken laaten zig immers onmooglijk samenvoegen!
+
+_Ik._ Ja, dat kan ik u ook zo oogenbliklijk niet verklaaren; want dat is
+juist het verhevenste deel der Rijmkunst; 't zij genoeg, dat men dat
+vinden kan, en die schijn onmooglijkheid moogelijk maaken. Ja, dat 'er
+zulke Versenmaakers tot onzent wel eer geweest zijn, die hunne regels
+zodanig konden doen rijmen, dat men niet eens merkte dat zij eenigen
+dwang in hunne denkbeelden daardoor leeden; doch, voegde ik 'er bij,
+dat is ook de hoogste top der rijmkunst, en dan geeft het rijm een
+alleraangenaamste zoetvloeijendheid en welklank aan de Dichtregelen,
+immers op deze wijze tracht men tot onzent de les van HORATIUS in acht
+te neemen: _Non satis est pulchra esse Poemata dulcia sunto_.[11]
+
+[11] _In arte Poetica._
+
+_Een Dicht moet niet slegts schoon, maar ook zoetvloeijend weezen._
+
+Terwijl wij hier nog over twisteden, kwam 'er een eerwaardig grijsaart,
+bijna even eens gekleed als de Wijsgeer, die nu reeds met den luchtbal
+op reis was, den winkel binnen. Op zijn inkomst toonden de Boekverkooper
+en mijn Geleider een grooten eerbied; zij ontdekten zig het hoofd, en de
+Boekverkooper maakte een' zetel gereed, en deedt hem, met tekenen van
+den grootsten eerbied, nevens zig zitten; Hoe hebt ge 't Vader? vroeg de
+Boekverkooper hem. Zeer wel, kind! dank zij den geever der gezondheid;
+zeide de grijsaart; en vervolgde, ik wenschte het onlangs uitgekomen
+werk over de Staatsonlusten in Nederland, in de XVIIIe. eeuw eens te
+mogen zien? Ik heb gehoord dat ge die boeken onlangs ontfangen hebt.
+De Boekverkooper reikte hem daarop een welgebonden octavo boek toe, 't
+welk hij met aandacht, doch zuchtend, doorbladerde. Terwijl hij hierin
+zag, verzocht ik mede zodanig een _exemplaar_ eens te mogen zien; met
+een greetige hand ontfing ik het terstond, en zag dat de Tijtel was
+_Hollandia agonisans restaurata, sive Historia rerum, in foederatis
+provinciis, seculo decimo octavo, gestarum, auctore Ha-ki-ung Chinense.
+Cum figuris æneis. Pekingiis, impensis La-chi-to-ang societatis
+Litterariæ Typographi Ao. MMCL.[12] Ik zag dit werk met graagte door,
+en stond versteld over de zonderlinge aaneenschakeling van sommige
+voorvallen, wier samenhang in de XVIIIe. eeuw zo verborgen scheen.
+Ik bezag ook de plaaten; maar die waren dan wonderlijk, gedeeltelijk
+na waarheid, en gedeeltelijk, geheel mis en tegen de _Costume_,
+bijvoorbeeld: ik zag 'er een voorval te dier tijd op den _Dam_ te
+_Amsterdam_ gebeurd; het Stadhuis was nog al redenlijk wel getroffen,
+doch het stondt ter plaatse, waar de vischmarkt behoorde te weezen,
+en men hadt 'er dicht nevens een breed water verbeeld, waar in groote
+scheepen voeren; de klederdragten waren geheel door elkander verward;
+onder anderen waren 'er beeldjens in, die waarlijk klugtig 'er uit
+zagen, te weeten: met breed gepande rokken, nieuwmodische engelsche
+vesten; maar tevens met kraagen en knevels voorzien. Terwijl ik dit
+met aandacht bezag, rees de Grijsaart op, zeggende het boek te zullen
+behouden en mede neemen; vaartwel mijn kinderen, zeide hij voords tegen
+den Boekverkooper en mijnen Geleider en werdt met dezelfde betooningen
+van eerbied weder uitgeleid.--Ik vroeg, naa hij vertrokken was, aan den
+Boekverkooper, wat de prijs van dit boek ware? Acht stuivers, Vriend!
+was zijn antwoord, 't komt wat hoog om de veele plaaten.--Ik meende dat
+ik hem niet wel verstaan had, en vroeg nog eens; _acht stuivers!?_
+
+[12] Dat is: _Het zieltogend Holland hersteld, of Geschiedverhaal
+ van het gene in de Vereenigde Nederlanden in de XVIIIe eeuw
+ voorgevallen is, door Ha-ki-ung van China, met koperen plaaten,
+ gedrukt te Peking, op kosten van La-chi-to-ang, gewoon drukker van
+ het Letterkundig Genootschap aldaar_ Ao. 2150.
+
+_De Boekverkooper._ Ja zeeker, ik kan het waarlijk niet minder laaten;
+'t zijn al vaste prijzen die op dat nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt
+het achter den Tijtel gedrukt vinden.
+
+_Ik._ Nu ik heb 'er geen woord tegen, Vriend! maar sta zelfs zeer
+verwonderd over den laagen prijs van zodanig een werk, en dat van zo
+verre landen komt.--Ik voldeed hem daarop terstond, stak het boek bij
+mij, en vroeg naar meerdere nieuwigheeden; hij toonde mij voords eenige
+van de nieuwst uitgekomen werken, en verhandelingen de _Wijsbegeerte_,
+_Natuurkunde_ en laatste _Geschiedenissen_ betreffende, doch zij waren
+alle zeer duister voor mij, door de menigvuldige nieuwe naamen van
+Menschen, Landen, Kunsten en Kunstwerktuigen, dat ik 'er geen' regel uit
+begrijpen kon; alhoewel ze anders, waar geen naamen dezer zaaken voor
+kwamen, in goed zuiver Latijn geschreeven waren.
+
+Ik bedankte den Boekverkooper voor het gezicht, en haaste mij om mijn
+afscheid te neemen; wijl ik mijnen Geleidsman zeer veel te vraagen had:
+wij waren ook naauwlijks buiten deur, of ik vroeg hem terstond, of die
+eerwaardige persoon, die in den Boekwinkel was, de vader van den
+Boekverkooper ware.
+
+_Geleider._ Neen! maar hij is ons aller Vader. Dit was nu de Vader van
+Nederland.
+
+_Ik._ Wat is dat te zeggen?--Dat begrijp ik niet!
+
+_Geleider._ Ja, dat kunt ge ook onmooglijk raaden; maar hoor, vóór
+twaalf of dertien eeuwen noemde men die lieden die het oppergezag in
+handen hadden, en de Staaten bestuurden _Keizers_, _Koningen_, _Vorsten_
+enz. maar die naamen zijn thands hier in onbruik geraakt, men noemt dien
+thands _Vaders_. Bijvoorbeeld _Vaders der Nederlanderen_, _der Britten_,
+_der Kaffers_ enz. volgends het gezegde van XENOPHON; een goed Vorst
+verschilt niets van een' goeden Vader.[13]
+
+[13] [Grieks: houden diaphezei archôn agathos agatho patros.]
+
+ BOURSAULT geeft den Koningen, op dien grond, ook deze gewigtige
+ les, in zijn fraai Tooneelstuk _Esope à la Cour_.
+
+ _Sans etre conquerant, un Roi peut etre auguste.
+ Pour aller à la gloire il suffit d'etre juste.
+ Dans le sein de la paix faites de toutes parts,
+ Dispenser la justice & fleurir les beaux arts.
+ Proteger votre peuple autant qu'il vous revere,
+ C'est en etre, Seigneur! le veritable Pere;
+ Et Pere de son peuple est un titre plus grand
+ Que ne le fut jamais celui de Conquerant._
+
+_Ik._ Was dit dan zo veel als een Vorst! nu, daar zag hij 'er evenwel
+niet na uit. Een Vorst zou immers niet alleen bij een' Boekverkooper
+inloopen, en daar een boek vraagen, en met zig neemen.
+
+_Geleider._ Wel! waarom niet? Het was immers met den wil des eigenaars?
+
+_Ik._ Nu, ja, daar heb ik niets tegen, maar! evenwel een Koning pleeg
+een groote Hofhouding, en steeds een' stoet gewapende wachten rond om
+zig te hebben, ten einde zijn gezag te doen eerbiedigen, en zijn persoon
+te bewaaren.
+
+_Geleider._ Wel ja; maar ge moet dezen tijd niet bij de achttiende eeuw
+vergelijken. Onze Landsvaderen houden geen' stoet van Dienaars, zijn
+nooit omringd van gewapende lieden. Dit alles kon goed en noodig zijn,
+in die tijden toen het _Monarchomachismus_ nog in den smaak was. Thands
+is 'er geen de minste reden, om den eersten uitvoerer der wetten uit den
+weg te ruimen, en 'er is daarom ook geen vrees voor zulke wandaaden, en
+daar deze geen plaats heeft, zouden immers al die voorbehoedselen
+overbodig zijn.
+
+_Ik._ Met dat al hebt ge dan toch een Opperbestuurer, een soort van
+Koning, die eindelijk in een willekeurig regeerer zou kunnen ontaarten,
+en dus geen vrijheid.
+
+_Geleider._ Vrijheid! weet ge dat woord wel te bepaalen; _eene
+Vrijheid_, althands gelijk CICERO die bepaalt, bezitten wij volkomen,
+immers, _wat is_, zegt hij, _Vrijheid? De magt om te leeven gelijk men
+wil; maar wie anders leeft waarlijk na zijn' wil, dan hij, die het goede
+opvolgt, die zijn' pligt doet, wiens levenswijze doordacht en berekend
+is._[14]
+
+[14] _Quid est, libertas? Potestas vivendi, ut velis. Quis igitur vivit
+ ut vult, nisi qui recta sequitur, qui gaudet officio, cui vivendi
+ via considerata atque provisa est._
+
+ Parad. V. Cap. I.
+
+_Ik._ Wordt 'er dan thands hier geen land- en zeemagt onderhouden?
+Heeft men hier geen _Sterkten_, _Muuren_, _Schanssen_, _Poorten_; weet
+men van geen' Oorlog of Krijgskunst?
+
+_Geleider._ Waar toe toch zouden wij ons scheiden van onze landgenooten,
+en waarom zouden wij krijgslieden voeden, waar niet te oorlogen valt;
+wie zou ons daartoe noodzaaken? Geheel Europa is in evenwigt; want elk
+heeft genoeg aan zijne eigene bezittingen; al onze nabuuren worden op
+dezelfde wijze, gelijk wij, na wijze wetten bestuurd, hoe toch zoude
+'t hen in gedachten komen, om juist hun land te willen verlaaten, en
+tegen alle recht in 't onze te dringen; neen! dat was wat anders, in de
+tijden van Goud- en Staat-zugt; in die eeuwen toen men even eerst uit de
+barbaarsche tijden ontlook.--Maar in verre afgelegene, en nog kortlings
+beschaafde landen, gelijk _Groenland_, _Canada_, _Siberien_ en ten
+zuiden op de kust van _Magellaan_ en in _Nieuw Zeeland_, daar is de
+krijskunst thands nog in bloei; want van deze volken kan men met PLATO
+zeggen: _dat God hen de helft van hun verstand benoomen heeft, ten einde
+zij minder de hardheid en het onaangenaame van hunnen staat zouden
+gevoelen_.[15]
+
+[15] PLATO de Rep. Lib. 3.
+
+_Ik._ Wel nu, dat laat zig hooren; maar zijn 'er thands op den
+aardbodem volstrekt geene Landen, die door Koningen, oppermagtig,
+beheerscht worden?
+
+_Geleider._ Ja, dat zijn juist dezelfde Landen waarin nog steden
+bemuurd, vlooten bemand en krijgsvolk gehouden wordt; Staaten die
+nu eerst sedert een eeuw beschaafd zijn geworden; bijvoorbeeld de
+_Patagoniërs_, de _Zuidlanders_ en diergelijke volken, hebben nog zulke
+oppermagtige Koningen.
+
+_Ik._ Zo! zo!--Maar zeg mij toch eens hoe is 't mooglijk, dat de
+Boekverkooper mij dit werk zo zeer goedkoop kon laaten?
+
+_Geleider._ Wel, dat is juist zo zeer goedkoop niet; want sedert wij ons
+van al het volstrekt onnoodige onthouden, en weinig of geen' Koophandel
+drijven, is het geld sterk onder ons, en veelen onzer nabuuren
+verminderd, en hooger in prijs gesteegen: een stuiver is nu bijkans zo
+veel waardig als vóór dertien eeuwen tien; en men kan thands voor acht
+stuivers al vrij veel koopen. Daar bij komt nog, dat, door het groot
+vertier van boeken, de menigte den winst aanbrengt.
+
+_Ik._ Is 'er dan zeeker, thands zo groot een trek in boeken?
+
+_Geleider._ Dat kunt ge ligtelijk naagaan, daar 'er thands ieder mensch
+op valt; oud en jong leest even vlijtig.
+
+_Ik._ Maar de smaak viel vóór dertien eeuwen veel op Paarden en
+Rijdtuigen, zijn die thands zo zeer niet meer getrokken?
+
+_Geleider._ Paarden en Rijdtuigen! waren dat liefhebberijen? thands
+dankt men den Hemel, voor den zegen te genieten, van zijn voeten tot
+zijn' wil te hebben; wij beklaagen nu die lieden, die genoodzaakt zijn,
+zig van beesten te laaten trekken; want het zijn meest stoköude,
+kreupele of zieke menschen; en daar gebruiken wij meest al ezels toe,
+dat gaat zacht en stil in zijn werk; gelijk ge daar gindsch ziet, die
+vrouw welke daar in dien wagen rijdt is verlamd, en waarlijk een
+voorwerp van beklag. Maar een kabinet van ezels, neen! dat houden onze
+liefhebbers niet naa. 'Er worden egter wel Paarden gebruikt, zelfs door
+gezonde lieden; maar dat gebeurt alleen ingevalle men naar plaatsen
+reizen moet, die te ver om te beloopen, en te dicht bij, om met den
+Balon te bevliegen, zijn.
+
+_Ik._ 'Er is hier ook zo een zindelijkheid en stilte langs den weg, dat
+het mij ook al verwonderd heeft, hoe dat in zo een volkrijk oord plaats
+kan hebben; want, om u de waarheid te zeggen, in vroegere eeuwen,
+kon men geen straat in een drukke koopstad betreeden, zonder bespat,
+bemorst, gestooten en door het schrikkelijk geweld der rijdtuigen over
+de steenen bedwelmd, en half zinneloos te worden; menschen en beesten
+krielden toen daar zo verward onder een, dat men iemand ter vlugts
+willende groeten, dikwijls aan een tusschen rennend paard zijn' eerbied
+bewees.
+
+_Geleider._ Dat moet al zeer zonderling geweest zijn!
+
+_Ik._ Zijn wij nu op weg naar den Kunstkenner? ik ben zeer verlangende,
+iets over de hedendaagsche _æsthetica_ te verneemen.
+
+_Geleider._ Ik heb u juist op den weg tot een groot liefhebber en kenner
+der oudheid en fraaije kunsten gebragt, ik hoop slegts dat hij tot
+zijnent zal zijn; want hij reist veel. Zie daar gindsch zijn wooning
+reeds.
+
+_Ik._ Maar hoe kan 't toch mooglijk zijn, dat 'er nog zo groot een
+aftrek in boeken is; daar toch de Geleerdheid en oeffeningen van schoone
+kunsten en weetenschappen altijd alleen gebloeid hebben in landen, waar
+veel koophandel en rijkdom gevonden werden?
+
+_Geleider._ Gij spreekt hier zeekerlijk van zulk eene geleerdheid,
+welke de ondersteuning van vermoogende lieden behoeft; deze is bij
+ons thands ook niet zeer in gebruik: Maar, behalven dat moet ge deze
+onze zeden niet bij de aloude vergelijken. In de achttiende eeuw,
+bijvoorbeeld, zag men een' berg van overtolligheeden voor behoeften aan;
+dezen berg heeft men sedert al langzamerhand geslegt en bevonden, dat,
+bijvoorbeeld, tot gezond voedsel, geen uitheemsche moeijelijk bereide
+spijzen; tot dekking geen bont gecouleurd, verzilverd of verguld, kleed,
+en tot wooning geen hardsteenen Paleis noodig ware; men is tot deze
+zonderlinge ontdekking gekomen, door dien het gebrek aan geld, waar door
+men zig die middelen moest verschaffen, zo algemeen werdt, dat alle
+handel begon te verminderen, en elk volk langzamerhand het overtollige
+agterwegen liet. Dit langzamerhand verminderen der noodelooze zaaken,
+was van dat gevolg, dat men hier te lande, allengskens het gevaar der
+zee voorziende, hoogten begon optewerpen, waarop zig eenige van de eerst
+in levenswijze verminderde lieden ter neder sloegen, de aarde begonnen
+te bebouwen, en hunne weinige behoeften uit den schoot der aarde
+dubbelvouwdig ontfingen. Dit voorbeeld werdt allengs door de overige
+inwooners, die het gevaar van overstrooming voorzagen, gevolgd, en men
+begon zig weinig aan het gevaar der zwakke dijken te steuren; wijl
+men toch voorbehoedselen gemaakt hadde, om de zee eenen doortocht te
+bezorgen; 't welk ook weldra het verwagt uitwerksel hadt, zo dat, bij
+herhaalde geweldige stormen de dijken wel eindelijk geheel weggeslagen
+werden, maar de zee zig terstond in den voor haar bereiden weg ontlaste,
+en de heuvelbewooners, zig thands vrij gezonder, en zeekerer zonder
+eenige vrees voor hun weleer geduchten vijandigen vriend, of
+vriendelijken vijand, bevinden.[16]
+
+[16] _Idem Protector et Hostis._
+
+_Ik._ Zoo dat zo is, dan kan ik mij niet voorstellen, welke van onze
+oude kunsten thands bij u nog in gebruik zouden zijn; want de kunsten
+worden uit den schoot der weelde gebooren, en door rijkdom gevoed.
+
+_Geleider._ 'Er zijn echter nog veelen bij ons aanweezig, bijvoorbeeld;
+de Tekenende kunsten, de Toonkunst, de Boekdrukkunst en meer andere, die
+ge bij den Kunstkenner, wiens wooning wij naderen, beter zult leeren
+kennen, dan ik u die opnoemen kan.
+
+_Ik._ De Bouwkunst toch schijnt niet meer in den smaak te zijn.
+
+_Geleider._ Ten minsten niet die Bouwkunst van de eeuwen der weelde en
+pragt; 'er is echter thands nog wel een bouwkunst, die enkel het nuttige
+beoogt, aanweezig, en elk ontfangt daarin het onderwijs in zijne jeugd;
+want dit moet ik 'er bijvoegen, elk is thands meestal zijn eigen
+Bouwmeester, Kleerenmaaker, Landbouwer, enz. Dit geeft ons geen klein
+gemak, en houdt elk in eene gezonde werkzaamheid; al wat de geleerdheid
+en beoefening der letteren aangaat, wordt door elk voor uitspanning en
+vermaaks wille geoefend.
+
+_Ik._ 'Er schijnt toch nog geld bij u in gebruik te zijn; want dat
+blijkt uit onze ontmoeting bij den Boekverkooper.
+
+_Geleider._ Wel zonder twijfel, is 'er nog geld in gebruik; want 'er
+wordt ook nog handel gedreeven; maar, doordien wij oneindig minder
+behoeften hebben, en de hoogstnoodige zaaken, zonder geld, en alleen
+door arbeid, te verkrijgen zijn, heeft men het zo onontbeerlijk niet
+noodig, als in voorige eeuwen; dat maakt dat iemand, welke thands een
+weinig meer gelds dan anderen bezit, 'er niet veel meer vermogen op
+anderen door bekomt; alzo men 't geld thands meer voor een liefhebberij,
+dan voor een behoefte aanziet, en elk van die liefhebberij wel zo veel
+bekomen kan, dat hij geenen anderen daarom behoeft te vlijen, of te
+dienen; want ik moet zeggen, dat wij thands, door onze behoeften zo
+ongemeen te verminderen, waarlijk het middel gevonden hebben, om gerust,
+vrolijk, zonder zorg, haat, afgunst of nijd, overweldiging of dwang, te
+leeven. Wat toch zou men elkander benijden? Wij hebben allen wooning,
+voedsel en deksel, en worden allen even eens in de kennis van geleerde
+en andere zaaken op geleid; want in het Letterschool alhier, zendt de
+geheele stad zijn kinderen; die daar allen dezelfde lessen ontfangen, en
+het Zedeschool wordt door de bejaarden dagelijks bezocht; ja ik kan 'er
+bijvoegen, dat wij de woorden _afgunst_, _nijd_, _bedrog_, _diefstal_,
+en van alle ondeugden, die de overvloed en weelde geteeld hebben, in
+onze taal, niet eens regt kunnen overbrengen, en daarom de Latijnsche
+benaamingen dier zaaken, als 't eens voorkomt dat wij die in oude
+geschiedenissen moeten gebruiken, genoodzaakt zijn, bij omschrijving te
+moeten noemen; bijvoorbeeld deze plaats van JUVENALIS:
+
+ _Cantabit vacuus coram Latrone viator._[17]
+
+[17] _De schaamle Reiziger, zal voor den Roover zingen._
+
+Zouden wij niet verstaan, zoo onze uitleggers dit woord _Latro_ niet
+uit de oudheidkunde opgehelderd, en aldus omschreeven hadden; _Homo
+cujus crimen erat aliquid a viatoribus, absque eorum voluntate, vi
+sumere._[18] Op deze wijze kunnen wij ons nog eenig denkbeeld van deze
+bij ons onbekende zaak maaken.
+
+[18] Dat is: _Een man wiens misdaad bestondt, in iets van de Reizigers,
+ tegen hunnen wil, te neemen._
+
+_Ik._ Maar heb ik u niet van schoolen hooren spreeken? O, geleid mij
+toch ook eens in deze uwe Leerplaatsen der jeugd en des ouderdoms.
+
+_Geleider._ Ik zal gaarne, zodra wij den Kunstkenner verlaaten; maar zie
+daar zijn wooning reeds.
+
+Wij gingen, zonder door eenige afsluiting belet te worden, in
+dit weder zeer eenvouwig en hutsgewijze ingerichte verblijf des
+Kunstkenners binnen, en vernamen daar van zijn vrouw, dat hij zo even
+op 't land gegaan was, om te melken; maar zij verzocht ons echter
+allervriendelijkst, zo lang te willen vertoeven, tot heur man terug
+gekomen zoude zijn; tevens zeggende, dat zij ons terstond eenige spijs
+zoude voorzetten; want dat zij begreep, dat wij nog geen middagmaal
+gedaan hadden; ik stond verzet over de groote gastvrijheid en
+vriendelijkheid dezer vrouwe, en wilde dankzeggen; maar dit was reeds
+te laat, wijl zij bereids met een schotel versche melk, boter, brood,
+kaas, en eenige vruchten aan kwam draagen; wij gebruikten ook daadelijk
+iets daarvan, althands in mijne mijmerende verrukking, meende ik 'er
+iets van te smaaken; en juist dit onthaal gaf mij gelegenheid, om de
+frisheid en zindelijkheid dezer spijze te roemen, zeggende dat ik
+geloofde dat het vleesch dier beesten, welke zo een zoete melk gaven,
+mede niet onsmaakelijk zoude zijn?
+
+_De Vrouw._ Vleesch van leevendige beesten, Vriend!
+
+_Ik._ Neen, goede vrouw! van doode? slagt men hier dan geen vee?
+
+Mijn Geleidsman hielp mij spoedig uit den droom; zeggende: neen vriend!
+niemand zou thands eenig beest willen dooden, veel minder het vleesch
+der dieren eeten. Wij dooden geene andere dieren, dan die ons
+beschadigen; doch derzelver aart is, door eene meer gezellige
+bijwooning, aanmerkelijk minder wild geworden, en zo veel als in een tam
+ras ontaart; zo hebben wij thands, in Africa bijvoorbeeld, Leeuwkatten,
+welke de gestalte van een' Leeuw hebben, en echter voor huisdieren
+gebruikt en door den mensch tot huisselijke diensten gebezigd worden.
+
+Wij dooden alleen alsdan het tamme vee, wanneer hetzelve zodanig
+toeneemt, dat het toch geen bekwaam voedsel zoude kunnen aantreffen; dat
+toch zeldzaam voorvalt, alzo de jaarlijksche overstroomingen veel vee
+weg neemen; echter wij eeten die, uit noodzaaklijkheid gedoode, dieren
+niet; daar voor zouden wij een' afschuw hebben.
+
+_Ik._ Maar, waar blijft dan toch al dat vee van schaapen, verkens,
+ossen, koeijen en veele andere leevende schepselen die men tot voedsel
+pleeg te gebruiken.
+
+_Geleider._ Daarvan zijn ten deele veele soorten, althands die welke ons
+geen nut kunnen doen, geheel onder ons vergeeten, en wat de kudden van
+tam vee betreft, daar weeten wij, geduurende hun leven, schoonen dienst
+van te trekken, en gebruiken hunne vellen, als zij gestorven zijn, tot
+kleeding.
+
+_De Vrouw._ Heden ja, zouden wij die goede beesten vermoorden, en dan
+nog verslinden; wel foei! zij doen ons immers geen leed, en wat hebben
+zij toch dierbaarer dan hun leven, dit immers hebben wij hun niet
+gegeeven; zouden wij hen dat ontneemen!
+
+_Ik._ Goede vrouw, gij spreekt met veel reden; egter in mijn land
+begrijpt men deze zaak nog geheel anders; de overoude gewoonte heeft
+aldaar het slagten en eeten van dieren zo gewoon doen worden, dat de
+tederste en medelijdendste menschen het vleesch van hunne vermoorde
+medeschepselen tot een smaaklijk voedsel bezigen: juist niet uit een
+beginsel van wreedheid; maar uit een voortgeplant begrip dat alle
+schepselen om des menschen wille, hun aanzijn bekomen, en dat de
+redenlooze dieren geen gevoel van hun bestaan hebben.--
+
+Geduurende dit ons gesprek, kwam de man binnen, en verwelkomde
+mij in zijne wooning, mij met de inneemendste vriendelijkheid
+betuigende, dat het hem leed deede een' reiziger zo lang naar zijn
+komst te hebben moeten ophouden; allereenvouwigst was zijn kleeding;
+de beenen en het hoofd bloot, en een schapenvel om de leden geslagen, en
+om den midden toegegord. Hoe zeer mij het voorkomen van dien Kunstkenner
+ook verwonderde, konde ik echter niet naalaaten eene gunstige
+vooringenoomenheid ten opzichte van zijne kennis voor hem te gevoelen,
+daar zijn leevendig en doordringend uitzicht mij de vlugheid van zijnen
+geest, ondanks zijne geheel eenvouwige kleeding, verraade. Ik begon dan
+aldus mijn gesprek: goede vriend, ik heb van mijn' Leidsman vernoomen,
+dat ge een groot liefhebber der schoone kunsten en weetenschappen zijt
+en ook veele liefhebberijen van dien aart bezit; zoude 't u ook beletten
+als ik mij daarover een poosjen met u onderhielde? Mijne liefhebberij is
+mede, bij uitzondering, op de _æsthetica_ gevallen; zo dat ik wel eenige
+bijzonderheeden daarover wenschte te verneemen, te weeten: hoedanig
+dezelve in dit land waar in ik zo veele en groote verscheidenheid met de
+zeden mijnes lands bespeure, beoefend wordt? Hebt ge hier geen teken- of
+schilder-academiën?
+
+_De Kunstkenner._ Och neen! vriend, die zijn voorlang al uit het gebruik
+geraakt; want men bevondt dat op dezelve weinig vorderingen gemaakt
+werden; alzo in de laatste jaaren, dat zij nog onder ons in zwang
+gingen, de smaak in de schilderkunst ten eenemaal begon te veranderen;
+want in plaats dat men eerst gewoon was, gestadig naakte beelden te
+tekenen, ten einde tafereelen uit de oudheid te kunnen voorstellen, 't
+welk ook zeer noodig was, in die eeuwen, toen men de vergaderhuizen der
+Christenen overal met Tafereelen, verbeeldende voorvallen uit het Oude
+en Nieuwe Testament, versierde, worden deze thands niet sterk meer
+gezogt; daar wij alle denkbeeldige Tafereelen misachten; wijl 'er geen
+waarheid in plaats kan hebben, zo dat ze, door telkens, in het een
+of ander deel, tegen de Costume te zondigen, een' verkeerden indruk
+in de beschouwers dier verdichte tafereelen maaken. Wij tekenen het
+menschbeeld zeekerlijk wel af; waartoe wij daaglijks gelegenheid hebben,
+daar wij, althands des zomers, meestal half naakt en slegts met eenig
+beestenvel om den midden gegord gaan; doch wij houden ons niet bepaald
+bij 't menschbeeld alleen op; maar neemen de natuur in heur geheel ten
+voorbeeld, zo dat wij ons even zeer toeleggen, op het naauwkeurig
+navolgen van boomen, beesten, wolken, water, enz. als van menschen; daar
+bij komt nog, dat wij de tekenende kunsten meest bezigen, om tafereelen
+van afgelegene oorden en voorvallen, onder ons en andere volken, te
+vereeuwigen, zo dat 'er geen aanmerklijk voorval gebeurt, of 'er wordt
+opzettelijk een' Schilder of Tekenaar bij gevraagd, om het zelve na het
+leven aftebeelden; ten einde de afwezenden en den naakomeling, met geen
+verdichte schetsen, voor waare afbeeldingen, te misleiden.
+
+_Ik._ Maar dan kunt ge ook niet anders, dan voorbereide plegtigheeden en
+gebeurtenissen die men voorzien kan, afbeelden.
+
+_De Kunstkenner._ Somtijds geeven ons de Tekenaars ook wel schetsen van
+gebeurtenissen, waar bij zij gevallig tegenwoordig zijn geweest, en die
+zijn ons even aangenaam; maar geheel verdichte stukken bevallen ons
+niet; wij hebben liever geene afbeelding dan eene geheel verdichte.
+
+_Ik._ Ik heb toch zo even bij een' Boekverkooper prenten in een boek
+gezien van geschiedenissen die in de XVIIIe. eeuw gebeurd zijn en waarin
+de Costume, na mijn gedagte, zeekerlijk ook niet juist getroffen was.
+
+_De Kunstkenner._ Dat zal mogelijk een boek geweest zijn, dat uit zeer
+ver afgelegen en nog zo niet beschaafde landen, hier verkogt wordt.
+
+_Ik._ Ja, 't was te _Peking_ gedrukt.
+
+_De Kunstkenner._ Wel, dat wilde ik ook zeggen; men is daar nog aan
+veele oude gewoonten te zeer gehecht, om dien smaak geheel te kunnen
+verlaaten; maar hier gebeurt het alleen nog maar tot oefening van den
+geest voor de leerlingen, en dan laaten wij hen niet meer dan enkele
+schetsen maaken; ten einde te kunnen zien, in hoe verre zij de
+geschiedenissen en de gewoonten der oude volken, na onze meening, wel
+getroffen hebben; doch nooit wordt dit hun werk gemeen gemaakt of
+verkocht.
+
+_Ik._ Ja, in mijn land heeft men 'er juist ook niet veel mede op;
+doch of de oorzaak van die onverschilligheid voor 't ordonneeren van
+ontwerpen uit de Geschiedenissen, uit een gebrek aan kunde in dezelve,
+en van oefening van het verdichtend vermoogen, ontstaat, dan of de reden
+die gij 'er voor opgeeft, bij ons mede de oorzaak van het verval in
+dezen is, wil ik niet bepaalen.
+
+_De Kunstkenner._ Wij zijn juist ook door het groot verval in de kunst
+tot onzen nieuwen smaak overgehaald; want in de laatste jaaren van het
+verval der aloude Kunstoefening hier te lande, verborgen de Schilders
+hunne onkunde en armoede van geest, onder het masker van _eene edele
+eenvouwigheid_, waar in zij _het wezen der schoonheid_ stelden; dat, wat
+de stelling aanbelangt, juist niet valsch was; want het is opmerkelijk,
+na maate de Practische oefening der kunst verminderde begon de
+Theoretische ongemeen in wijsgeerige kragt te bloeijen; zo dat eindelijk
+hij, die geen' vinger goed tekenen konde, echter over de twee uuren
+lang, tot verbaazing der toehoorers, kon redeneeren, over de wijze op
+welke een vinger, zoude die schoon zijn, getekend behoorde te worden;
+van waar denkt ge dat deze bekwaame onbekwaamheid en kundige onkunde
+ontstondt; een door mij dikwijls door en door bestudeerd schrijver,
+die over het verval der kunst in de negentiende eeuw, een uitvoerig
+werk samengesteld heeft, dat nu nog onlangs met veel aantekeningen,
+te _Cusco_ in _Peru_, herdrukt is, geeft 'er deze reden van: men hadt
+de voorbereidselen tot de beoefening der kunst in dien tijd te zeer
+vermeerderd; zo dat de leerling, eer hij de tekenpen of 't penceel
+in de hand kreeg, eerst een _Cursus_ in de _Philosophie_, _Physica_,
+_natuurlijke Historie_, en inzonderheid in de _Anatomie_ van het
+menschelijke lighaam, moest doen; om eerst als 't ware vooraf te leeren,
+hoe hij de zaaken bij de naauwkeurige beschouwing der natuur, naaderhand
+zoude bevinden; dit nam hem dus een al te grooten tijd weg, om zig op
+het bestudeeren der natuur zelve toeteleggen; en versmoorde de vinding
+in den geest der leerlingen; zo dat zij niet bekwaam werden, iets zelve
+te ordonneeren, of met smaak te plaatsen. Dit niet kunnende, gebruikten
+zij hunne geleerdheid, om hunne tijdgenooten te overtuigen, dat hunne
+voorgangers, die rijk geordonneerde tafereelen geleverd hadden, het
+waare schoon niet gekend hadden, en men bewees eindelijk, dat dit schoon
+in eene de natuuroverstijgende uitdrukking bestonde. Als zij, om slegts
+een voorbeeld van dien smaak te geeven, den slag van _Alexander_ tegen
+_Porus_ wilden verbeelden, tekenden ze slegts twee strijdende Helden
+te paard, en deze moesten, op grond der edele eenvouwigheids leer,
+de beide heirlegers, met hunne opperhoofden, voorstellen; want zij
+redeneerden dus: _Alexander_ en _Porus_ waren beide krijgshelden;
+wij hebben nu krijgshelden van beide hun legers verbeeld, of wij dien
+nu nog duizendmaalen vermenigvuldigden, zouden wij toch niet anders
+dan krijgshelden 'er van kunnen maaken, en wij gingen te zeer af
+van het edele eenvouwige, en zouden onze tafereelen te veel, buiten
+noodzaaklijkheid, overlaaden; 'er was te dier tijde nog een oude, doch
+merkwaardige, afbeelding van dien slag, door een zeer voornaam meester,
+in weezen, deze was rijk in beelden, verheven in uitdrukking en
+verstandig in ordonnantie; hier ging men geweldig op los, wijzende
+geduurig met den vinger op dit tafereel, daar was dit beeld niet wel
+gesteld, hier was deze arm niet mooglijk zo te houden; weder elders
+tekende de _deltois_ te zwak. Gindsch was de _pronator_, daar weder
+de _supinator_ niet in behoorlijke werking geplaatst; hier hadt de
+Schilder de munnikskap spier te breed, weder elders de _pectorales_
+te zwak aangeduid. Daar weder hadt men op de Paarden veel te zeggen;
+terwijl het eenvouwig schoon afbeeldsel dier Schilderhelden wel een
+bataille van _gevilde menschen_ geleek; want men hadt zeer angstig
+het doortekenen van het geringste spiertjen, dat slegts even onder
+de opperhuid zichtbaar kon zijn, waargenomen, en was zelfs, om de kunde
+in de _anatomie_ te toonen, zo verre gegaan, dat men, als door een
+doorschijnende huid, ook de verborgen deelen des lighaams aanwees. Dit
+alles hebbe ik, gelijk ik gezegd hebbe, in een' schrijver van de XIXe.
+eeuw, die over 't verval der kunst schreef, met verwondering, geleezen.
+
+_Ik._ Is 't mooglijk, is de kunst zo zeer boven de navolging der natuur
+gesteegen?
+
+_De Kunstkenner._ ô Ja, en die ging in alle uitbeeldende kunsten over:
+zelfs de Tooneelspelkunstenaar hieldt het voor schande de eenvouwige
+natuur na te bootsen. Hij wrong zijn lighaam doorgaands, immers als ik
+dien schrijver gelooven mag, in zulke wonderlijke bogten, dat hij,
+althands in sommige hevige rollen, eer een serpent dan een mensch
+geleek. De toejuiching, die daar opvolgde, heeft zelfs veelen hals
+en beenen doen breeken; want de lighaamen konden die schrikkelijke
+verdraaijingen niet weder staan. 'Er moest ook, te dier tijde, volgends
+dien schrijver, altijd een Ledenzetter op het tooneel bij de hand zijn,
+om de verminkte kunstenaars terstond te kunnen verbinden.
+
+De Tooneel dichters gaven ook niet weinig aanleiding tot dit verminken
+der kunst en der kunstenaars, daar hun gewrochten mede characters
+voorstelden die verre boven de natuur getrokken waren; zo dat de
+navolgende kunstenaar niet anders kon doen dan de natuur overschreiden,
+zoude hij zijn' rol maar even lijdelijk uitvoeren; men bragt de
+schriklijkste tafereelen der lijdende menschheid en de ondenkbaarste
+ellenden op het tooneel; dit ging zo ver, dat men dezelve niet meer,
+door den gewoonen toon der spraak, kon afbeelden; men moest dus de stem
+mede geheel boven de natuur verheffen, en zingende uitdrukken, 't geen
+men spreekende geen behoorlijke kragt kon geeven; dit kunt ge denken dat
+het natuurlijke der voorstelling nog meer verminderde; dit alles werdt
+nogthands op _æsthetische_ gronden in dien tijd verdedigd; immers
+zodanig redeneert die schrijver van de XIXe. eeuw over deze zaak;
+men bragt den aanschouwer de ijsselijkste voorvallen voor oogen; men
+vertoonde 'er vrouwen en kinderen, die in onderaardsche gevangenissen
+van honger en gebrek, verkwijnden; en eindelijk, onder het zingen van
+eenige aria's, stierven. Beroemde Mannen der deftige Oudheid voerde men
+integendeel weder zeer luchtig ten Tooneele, daar men onder anderen,
+aloude vermaarde Helden te samen dansende, en bij wijze van een Ballet,
+liet strijden; terwijl de overwonnene in een soort van dans, welken men
+toen _Hornpijp_ noemde, op de vlucht huppelde.
+
+_Ik._ Maar, gij spreekt daar van zingen, hoe is 't toch eindelijk met de
+muziek gegaan? Hier van zal die schrijver ook wel gewaagen. Bij ons is
+die kunst thands op een' trap van hoogte die haar met sterke afneeming
+dreigt.
+
+_De Kunstkenner._ Zij is ook, volgends dien schrijver, mede op zulk een'
+trap in de achttiende eeuw hier te lande geweest; in de negentiende
+begon ze tevens met alle kunsten ongemeen te verbasteren; want zij, eene
+kunst zijnde, die slegts van het wisselziek gebruik in den tijd pleeg
+aftehangen, moest men telkens iets nieuws in dezelve uitvinden, om den
+verflaauwenden lust weder te prikkelen en de zatheid in graagte te
+veranderen; naa dat men dan eerst de voor ieder aangenaame _Harmonie_,
+waarin men het schoon der Toonkunst pleeg te stellen, doch waarvan men
+nu zat was geworden, in eene onbegrijpelijk vlugge behandeling der speel
+instrumenten, of in eene de uiterste grenzen der mooglijkheid naderende
+hoogte in de stem en plotslijke daaling derzelve, gezogt hadde, begon
+men eindelijk in het laatst der XIXe eeuw ook dat zat te worden en
+men ging een' geheel anderen, en tegenstrijdigen, weg in; men maakte
+elkander diets, dat het geen men weleer welluidend gevonden hadde, juist
+onwelluidend ware en omgekeerd, zo dat men zig nu toelag op de kunst der
+_Kakophonie_ of kwalijkluidenheid. Deze werdt nu alom de smaak, en men
+hoorde in de Concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zo dat
+veelen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden
+uitstaan. 'Er kwamen van alle oorden, virtuosen, in deze _Antimelodia_
+uitmuntende, aan, elk trachte zo veel mooglijk, zo door de stem als
+speel instrumenten, een gevoel van onwelluidenheid in 't gehoor
+optewekken; men hieldt dit, op wijsgeerige gronden, die men 'er voor
+opgaf, voor eene schoonheid; doch ook deze smaak duurde niet lang, maar
+sloeg weldra weder tot het geheel tegen gestelde over; de _Harmonie_
+werdt nu weder ten sterksten behartigd; maar men zocht het nieuwe in
+het uitdrukken van zaaken, welke door geen klanken kunnen uitgedrukt
+worden; deze dwaasheid ging zo verre, dat men eindelijk de Vaderlandsche
+Historie, in eenige achtereenvolgende muziekstukken, door geluiden,
+trachte uittedrukken; kortom, dit werdt mede welhaast weder oud. Thands
+wordt de toonkunst, immers hier te lande, slegts bij weinigen geoefend;
+want men vindt hier weinig nuttigheid in oogenbliklijk vervliegende en
+niets in de ziel naalaatende klanken; maar de Kaffers zijn heden zeer
+verre in de muziek; alle de kunstnaamen zo van Instrumenten, als van
+muziek, die eerst Italiaansch of Fransch, waren, zijn nu Hottentotsch;
+want deze natie is thands op den hoogsten trap van weelde en
+beschaaving; maar zij is in lange nog niet in wijsgeerigen smaak
+verlicht geworden.
+
+Men legt 'er zig thands op toe om nieuwe instrumenten te vervaardigen en
+uittedenken; want heden hebben wij geen enkel instrument van de XVIIIe.
+eeuw meer in gebruik, ook is 'er in de muziektekens, of nooten, een
+groote verandering voorgevallen; wij kunnen die der voorige eeuwen
+volstrekt niet meer verstaan; schoon 'er enkele groote geleerden
+gevonden worden, die meenen dat zij 'er nog al wat van weeten; immers is
+'er onlangs een werk uitgekomen, _de Musica proavia, sive de veterum
+musicis organis_, dat is: _van de Toonkunst onzer voorouderen of van
+de speeltuigen der ouden_, daarin is de beschrijving der oude muziek
+instrumenten, gelijk ook een of twee voorbeelden van de nooten onzer
+voorvaderen, met veel geleerdheid en studie bijeengebragt; ik moet dit
+boek u eens laaten zien; wijl wij toch over dit onderwerp handelen.
+Hij ging in een naabij zijnde vertrekjen, en kwam met dit boek terug,
+toonende mij het zelve. Ik zag dat het door een Hottentots geleerden
+zeer omstandig in de Latijnsche taal geschreeven was, en herkende
+ook een of twee muziekstukjens, welke egter zeer gebrekkig, en, met
+uitlaating en wonderlijke stelling van eenige nooten, die allen naauw
+kenbaar waren, gesneden waren. Zo veel zag ik echter, dat een der
+zangstukjens het choor uit de _Belle Arsene_, _Thriomphez_, enz. en het
+andere de vois van _Jaapjen staa stil_ was; de aanmerkingen van dien
+geleerden Kaffer, waren bij uitstek uitgebreid, en men hadt 'er de toen
+in gebruik zijnde muziek- en speel- instrumenten bij vergeleeken, en ook
+in plaat gebragt. Onder dezen zag ik 'er een welks maaksel mij zo vreemd
+en wonderlijk voorkwam, dat ik niet naalaaten kon, den Kunstkenner te
+vraagen, of hij mij zulk een instrument niet eens in wezen zou kunnen
+toonen? ô Ja, was zijn antwoord; dat instrument heet _Gom Gom_, en is nu
+zo veel als onze fluit, ik kan u zelfs wel eens het geluid van dezelve
+doen hooren; hij ging daarop weder heen, kwam met het wonderbaarlijk
+maaksel zelve ook weldra voor den dag, en begon 'er op te blaasen;
+maar maakte een voor mij zo erbarmelijk geluid, even of 'er eenige
+jonge honden tjankten, dat ik hem voor zijne beleefdheid bedankte,
+voorgeevende nog iets over 't een en ander met hem te willen spreeken.
+
+_De Kunstkenner._ De _Gom-Gom_ schijnt u toch niet zeer te bevallen?
+
+_Ik._ Wel, wat zal ik u zeggen! Ja of neen, 't is ongewoonte! en elk
+landaart, ja bijkans elk mensch schijnt voor de gewaarwording des
+geluids, anders _georganiseerd_ te zijn. Ik wende voords, zo schielijk
+mij mooglijk was, het gesprek, zeggende: maar zeg mij toch eens, hoe
+komt het, dat al de boeken die ik nog gezien heb, in vreemde gewesten
+gedrukt zijn, worden hier geen boeken gedrukt?
+
+_De Kunstkenner._ Weinig of geen! want schoon de geheele waereld thands
+bijna boeken maakt, worden 'er in alle landen maar zeer weinige gedrukt,
+en echter hebben wij overvloed van boeken; ook gaan 'er jaaren mêe
+heen, eer een aucteur zijn werk voor de pers gereed gemaakt heeft; zij
+arbeiden zeer langzaam, en volgen dan nog de les van HORATIUS: _nonum
+prematur in annum_, laatende hun werk negen jaaren stil liggen; dat
+verschilt veel bij ons, vóór dertien eeuwen, toen 'er duizenden
+daaglijks opgezet, en binnen weinig dagen afgewerkt, en ter waereld
+ingezonden werden; althands die aucteur, waarvan ik u zo even sprak,
+verhaalt dat 'er in het laatst van de achttiende eeuw, in Duitschland
+alleen, meer dan duizend aucteurs te gelijk aan den arbeid waren, en dat
+de overige landen, en inzonderheid Nederland, maar de handen vol werks
+hadden, om deze duitsche producten, in hunne moedertaal, somtijds geheel
+tegen den waaren zin des schrijvers overtegieten, en geheel misvormd, in
+hun taal te doen verschijnen.--
+
+Ik zuchte hier eens, en dacht vriend! uw schrijver heeft het zeer wel,
+en na waarheid verhaald.--Thands is dat vertaalen en verminken niet
+noodig; want daar alles in het latijn geschreeven wordt, en elk die
+taal leert, kan elk mensch, het werk van de verstäfgelegene schrijvers,
+in al deszelfs kragt, en zo als het uit hun pen gevloeid is, leezen
+en verstaan, zo dat wij nu na gelang meer en beter doordagte boeken
+ontfangen, dan in die tijden; want elk is origineel, en legt zig op
+zijne eigene navorschingen toe.
+
+Ja, ging hij voord, ik vermaak mij menigmaal met dien ouden schrijver;
+want hij verhaalt dan klugtige dingen, die in het laatst der achttiende
+eeuw, in de letter waereld, en althands in den Boekhandel, voorvielen.
+Begrijp eens, men gaf eindelijk naauwlijks vier of zes regels op een
+blad; en al de waarde der boeken bestondt eindelijk daarin, dat zij op
+het keurigst fijnst papier, en met overschoon gesneden letters, gedrukt
+waren; want zo zeer was in 't begin der XIXe. eeuw de smaak reeds
+vervallen, dat men niet vroeg _wat nut eenig boek behelsde_, maar _met
+wat letter, en op welk papier 't gedrukt ware_? ook werden 'er daaglijks
+in de nieuwspapieren de belagchelijkste advertentiën aangekondigd,
+verscheide Boekverkoopers schreeuwden in de nieuwspapieren, als
+kwakzalvers op de markt: _Hier moet ge weezen! Is 'er iets dat in een
+Christelijk Huisgezin onontbeerlijk is, het is dit of dat werk, dat voor
+zo veel te bekomen is_, of _daar in deze tijden, elk mensch niet leeven
+kan, zonder eenige kennis, van vreemde landen te hebben, zo is die
+of die Boekhandelaar teraade geworden, deze of die Reisbeschrijving
+uittegeeven_, eindelijk ging 't zo ver dat dit hevig dringend noodigen
+krachteloos geworden zijnde, men ten laatsten de menschen met geweld de
+boeken opdrong, en in huis wierp, en op 't eind des jaars de reekening
+'er van dwong te betaalen; ja de boeknegotie werdt, op 't laatst, van
+eene bedelaarij een rooverij; maar toen begon 't geldgebrek ook algemeen
+toe te neemen, en wij geraakten allengskens in de gesteldheid waarin wij
+ons thands bevinden.
+
+_Ik._ Maar zijn 'er thands geen geleerden, die de werken van andere
+schrijvers beoordeelen; het fraaije daarin aanwijzen, en het gebrekkige
+berispen?
+
+_De Kunstkenner._ Waartoe zou dit toch dienen?
+
+_Ik._ Wel, om den bekwaamen schrijveren aantemoedigen, en den
+onbekwaamen te leeren.
+
+_De Kunstkenner._ Maar wie zou dat toch beslissend durven onderneemen;
+die zoude zig dan immers voor den bekwaamsten moeten houden?
+
+_Ik._ Ja; maar zo een werk zoude juist niet door één' schrijver alleen
+vervaardigd moeten worden: men neemt in zo een geval, een geheel
+gezelschap geleerden, die elk voor het vak, waarin hij door geleerd is,
+oordeelen; althands zo gaat het bij ons.
+
+_De Kunstkenner._ Kunnen de lieden tot uwent dan zelve niet verstaan of
+beoordeelen, wat zij leezen? Dat moeten wel botte lieden zijn, die
+noodig hebben, dat anderen hun zeggen, _wat ge daar nu leest is goed;
+maar wat ge daar leest deugt niet_. Zij kunnen dit immers zelve wel
+zien.
+
+_Ik._ Neen vriend! daar scheelt 't hem juist aan; de groote hoop van
+leezers weeten tot onzent niet of 't geen zij leezen, gezond menschen
+verstand bevatte, ten zij, dat ze dat door gezag van anderen hooren
+bevestigen.
+
+_De Kunstkenner._ En zoo 't geen de beoordeelaar verwijst nu eens den
+leezer redenlijk wel bevalt, of zelfs fraai voorkomt, hoe dan? Moeten de
+leezers zig dan toch aan 't oordeel van die Beoordeelaars onderwerpen?
+Is dat mooglijk zo een wet tot uwent?
+
+_Ik._ Wel neen! Elks oordeel is vrij, en de berispte schrijver wreekt
+zig ook niet zelden, vrij hevig; maar wordt dan weder zo fel, door de
+Beoordeelaars beantwoord, dat hij somtijds zijn' goeden naam en
+Kunstroem in de samenleeving verliest.
+
+_De Kunstkenner._ En zorgen de openbaare wetten, daar niet voor, dat de
+eene burger, den ander niet zodanig onteeren kan?
+
+_Ik._ Voorzeeker, 'er zijn goede wetten tegen hoon dien men elkander
+aandoet; maar dan moet de hooner bekend zijn.
+
+_De Kunstkenner._ Wel, die is dan immers bekend; ja zelfs algemeen door
+den druk bekend?
+
+_Ik._ Wel neen, die Beoordeelaars maaken zig niet bekend.
+
+_De Kunstkenner._ Maaken die zig niet bekend! durven ze dan mooglijk
+niet voor hun oordeel openbaar uitkomen?
+
+_Ik._ Men zegt niet gaarne iemand zo openbaar de waarheid; immers men is
+'er niet gaarne voor bekend; want somtijds berispt men wel persoonen op
+'t allerhevigst, waarmede men daaglijks als vriend omgaat.
+
+_De Kunstkenner._ Wat zegt ge daar! Neen; dank zij den schenker van alle
+verstand, dit gebruik is bij ons niet bekend; niemand mag iets zonder
+zijn' naam uitgeeven, en niemand verlangt het ook te doen; want elk
+mag hier spreeken en schrijven gelijk hij denkt; en dat kan ook onder
+ons plaats hebben; want niemand denkt iets dat hij niet zou durven
+zeggen, en in plaats van eens anders werken te berispen, schrijven
+onze geleerden zelve; wanneer 'er, bijvoorbeeld, eens een of ander
+werk uitkomt; dat, na 't oordeel van een' of anderen geleerden, te
+onvolmaakt, te zwak, of te gebrekkig is, wel! dan houdt die zig niet
+op, met het zelve te berispen, maar schrijft over dat zelfde onderwerp,
+terstond, na zijn bevatting, een ander werk, en maakt zelfs in 't geheel
+geen gewag, van den anderen schrijver; dan besluit de leezer zelve, wat
+beter is, en dat dan ook beter is, heeft den meesten aftrek, zo gaat het
+althands bij ons daarmede; wel dat moeten bij u dan wel nijdige en
+verwaande geleerden zijn.
+
+_Ik._ Neen, dat ontstaat bij ons niet altijd uit nijd of verwaandheid;
+maar om dat de uitgeevers dezer Beoordeelingen nog al wat meer aan de
+schrijvers derzelve, als voor ander Boekwerk kunnen geeven; om dat
+'er zeekerlijk altijd goeden aftrek van is; inzonderheid als ze wat
+steekelig zijn. Dit noodzaakt ook den Boekverkooper, om zodanige boeken
+liever dan andere werken te onderneemen; want als zo een geschrift eens
+in den smaak komt, en als 't maar in 't begin wat hevig geschreeven is,
+kan dat niet missen; wel nu, dan heeft de Boekverkooper 'er een zekere
+vastigheid aan, waar op hij jaarlijks reekenen en staat maaken kan; want
+'t meeste wat bij ons in den Boekhandel gebeurt, geschiedt _lucri ergo_.
+
+_De Kunstkenner._ Dan mag men tot uwent, met recht, het _auri sacra
+fames, quid non mortalia pectora cogis_, over dien handel, uitroepen.
+Schrijven dan de aucteurs tot uwent om geld?--Wel heden, dat moet al
+wonderlijk toegaan! Moet dan hun geest juist vaardig zijn, als de maag
+leeg is?
+
+_Ik._ Wel dan juist studeert men met het beste gevolg.
+
+Maar ik ben verwonderd geweest, dat de Boekverkooper wiens winkel ik
+bezogt, niet eens van rijmwerken of rijmen wist? Zijn 'er dan geen
+Poëeten meer hier te lande?
+
+_De Kunstkenner._ Ja, ik begrijp 't zeer wel, wat ge met rijmen en
+rijmwerken bedoelt, meent ge niet die werken, welker regels zo veel
+als met dezelfde letters eindigen. Ja, Ja, ik verstaa u wel. O, dat is
+geheel uit den smaak: ik wil wel gelooven, dat de Boekverkooper dien
+niet kende; men moet al vrij gestudeerd hebben, om daar een denkbeeld
+van te maaken, en ge moet denken, die lieden welke de boeken verkoopen,
+zijn juist allen geen geleerden of _antiquarii_. Neen; zoo 'er al eens
+een Poëet onder ons opstaat, dat in geene jaaren gebeurt; want iemand
+die geen natuurlijke geschiktheid tot groote verbeeldingskragt heeft,
+schrijft geen Dichtwerken; nu dan, als 't al eens gebeurt, dan schrijft
+zo een Dichter na de maat die zijn hartstocht of verrukking hem aan de
+hand geeft; doch het gebeurt zeer zelden; hij moet dan ook daar bij de
+nooten stellen, welke dienen moeten om zijne gedichten wel, en in zijn
+gevoel, te leezen; want al onze Poëzij is met zekere muziek verzeld, en
+wordt gezongen. Gelijk ook bij de Grieken en Romeinen gebeurde, anders
+zoude ons de cadans, die 'er in plaats heeft, ontslippen, of in een lang
+gedicht, wel dra verveelen.
+
+Ik twijfel echter of ge mijne meening wel vat; want ge moet 'er u zeeker
+geen juist denkbeeld van kunnen maaken, als aan 't Rijm te zeer gewoon
+zijnde. Deze soort van Gedichten als bij ons nog enkel voorkomen,
+konden ook vóór veele eeuwen, en in een land als 't uwe, waar nog veel
+behoeften zijn, niet ontstaan; 't is bekend wat HORATIUS, in zijn
+Dichtkunst, daar reeds over gezegd heeft. _Wanneer de Goudzucht eens een
+volk ingenoomen heeft, kan geen onsterflijk dicht meer uit hun
+voortkomen_.[19]
+
+[19] _-- Ad hæc, animos aerugo & cura peculi
+ Quum semel imbuerit, speramus carmina fingi
+ Posse linenda cedro & levi servanda cupresso?_
+
+ _De arte Poetica._
+
+_Ik._ Men zal toch zeekerlijk wel sierlijk bewerkte Redevoeringen onder
+u kennen?
+
+_De Kunstkenner._ Ja, men doet zeekerlijk thands dikwijls openbaare
+Redevoeringen; want 'er is weeklijks een bijeenkomst in de hooge en
+laagere zedeschool, waarin bekwaame Redenaars de beoefening der deugd,
+en de gevolgen van ondeugd, krachtig voordraagen en aanprijzen.
+Dit geschiedt, of bij wijze van Redevoeringen, of bij wijze van
+samenspraaken, even als de aloude Tooneelspellen; want ons laagere
+zedeschool is ook tevens ons Tooneel; doch ik weet niet, dat de
+Redenaars daartoe zekere kunstregelen volgen: zij spreeken 't geene bij
+hun opkomt, en zo als eene gezonde _Logica_ voorschrijft; want zij
+zoeken hunne toehoorers niet met schijn te misleiden.
+
+_Ik._ Beoefent men dan de Redeneerkunst, of _Rhetorica_ niet meer;
+bijvoorbeeld leert men niet, hoe men zijn reden opsieren en bevallig
+voordraagen moet, en hoe de gebaarden, bij de uitspraak, te maaken zijn?
+
+_De Kunstkenner._ Neen! om dat deel der _Rhetorica_ denken wij niet.
+Men weet door de _Logica_ immers wel, als men iets wil voordraagen, dat
+men 't een niet voor 't ander, of verward, of verkeerd, of met oneigene
+woorden doen moet; en wat de gebaarden betreft, die worden door de
+natuur zelve geleerd; wij zien niet eens gaarne veel gebaarden op den
+Redeneerstoel maaken; alzo die den aandacht veel te veel afwenden.
+
+_Ik._ Gij hebt daarin zeeker geen ongelijk; maar ik bedoel juist geene
+openbaare Redevoeringen; maar wel bijzondere voorleezingen, gelijk tot
+mijnent veel plaats hebben; men komt tot onzent niet bij elkander, of
+men leest iets voor, of doet een kleine Redevoering, over 't een of
+ander onderwerp; althands in zulke gezelschappen, waar niet _geömberd_
+wordt.
+
+_De Kunstkenner._ _Geömberd?_ wat is dat?
+
+'t Berouwde mij, dat ik mij dat woord had laaten ontvallen; want ik wist
+niet, hoe ik dezen goeden man, met mooglijkheid, eenig denkbeeld van 't
+_à l'hombre_ spel zou kunnen geeven; ik moest toch wat antwoorden, en
+zeide:
+
+Ik zal u zeggen, _à l'hombre_ of _Ombren_, in de wandeling, is een spel
+dat men zittende met elkander speelt, en bestaat in het op de tafel
+werpen, van beschilderde blaadjens papier, sommigen derzelve zijn met
+heele monstreuse beelden beschilderd, met twee hoofden, vier armen, en
+twee buiken; deze beelden zijn uit de oude en nieuwere tijden ontleend,
+althands men heeft ze naamen uit de gewijde en fabel geschiedenissen
+gegeeven; bijvoorbeeld: Koning DAVID en HECTOR, CHARLEMAGNE en HELENA;
+PENTHAMEE en LUCRETIA, onder anderen is 'er een beeld bij, dat heet
+CIPRI ROMAN; maar ik kan u betuigen, dat zelfs de ervaarendste
+_omberaar_, tot heden, nog niet weet wat dat beduidt; de overige
+blaadjens zijn met _ruiten_ of met _klaverblaadjens_, of met _hartjens_,
+of met een figuur in de gedaante van een _schupjen_ betekent, en
+_schoppen_ genoemd; nu, om dan voorttegaan, als men dan aan elk wat van
+die blaadjens in de handen gegeeven heeft, dan begint men ze na vervolg
+neder te werpen, en aan het eene blaadjen meer waarde gegeeven zijnde,
+dan aan het ander, dan is het gevolg, dat hij die de meestwaardige
+kaarten in handen gekreegen heeft, overwinnen moet, en al de andere die
+nedergelegen worden, naar zig kan haalen.
+
+_De Kunstkenner._ En wat gebeurt 'er dan verder?
+
+_Ik._ Wel! dan is het spel uit, en men geeft elkander geld.
+
+_De Kunstkenner._ Geld! Ik meende dat ge zo even zeidet, dat het een
+spel ware?
+
+_Ik._ Wel ja! ja, een spel; maar men speelt om geld.
+
+_De Kunstkenner._ Zo! heet men dan al wat tot uwent om geld gedaan
+wordt, _speelen_? Nu zo, dat is iets anders: als de Bakker dan brood
+bakt, speelt hij dan?
+
+_Ik._ Wel neen! zo moet ge 't niet begrijpen? De Bakker geeft voor geld
+zijne waaren, die hij, om ze in staat te stellen van gebruikt te worden,
+bewerken moet; men noemt zulke ruilingen van goed voor geld, geen spel;
+maar als men elkander iets geeft, uit hoofde van een, vermaakshalven,
+ingebeelde schuld, dan noemen wij dat speelen.
+
+_De Kunstkenner._ Nu begrijp ik u, dan is 't alles maar _vermaakshalven_
+zo uitgedagt, men zal dan zeekerlijk, als men ophoudt met speelen,
+elkander 't geld weêrom geeven!
+
+_Ik._ (Verlegen met 's mans botheid van begrip) Wel zeeker niet! daar
+zou de winnaar wel degelijk tegen hebben: begrijp dat sommige speelers,
+geduurende het spel al vrij wat omzetten; veel verliezen of veel winnen
+kunnen, na dat de speel prijs onder hen hooger of minder is bepaald,
+en de fatsoenlijkste lieden stellen dien prijs zo hoog mooglijk is;
+want, na maate men grover speelt, wordt men vermoogender gehouden;
+bijvoorbeeld, zoo ik 't geld na uwe waarde schat, dat is driemaal
+zo min dan 't bij ons geschat wordt, dan gebeurt het dikwijls dat de
+middenclasse, die wij den Burger noemen, somtijds op een' avond een
+veertig stuivers wint of verliest, welke men veel naauwkeuriger betaalt,
+dan zulke schulden waarvoor men zijne waarde genooten heeft; want dit
+heeten wij _schulden van eer_, en het gebeurt dikwijls dat de bakker
+en slagter, voor hunne geleverde waaren, niets ontfangen; terwijl men
+driemaal zo veel als zij te vorderen hebben, om niet, en uit hoofde van
+die ingebeelde Eerschulden, aan elkander betaalt.
+
+_De Kunstkenner._ Maar mij dunkt, dit strijdt tegen alle recht. Zorgen
+daar dan de wetten van uw land niet tegen?
+
+_Ik._ Ja, dat doen zij voorzeeker; zo dra iemand, bijvoorbeeld, bij ons
+niets meer heeft om te betaalen, verliest hij zijne vrijheid, en wordt,
+op kosten zijner schuldeischers, in de gevangenis onderhouden.
+
+_De Kunstkenner._ Zo, dan zal hij daar met eenig algemeen nuttig werk,
+iets verdienen, waarvan hij eindelijk zijn schuld voldoen, en zig weder
+vrijmaaken kan.
+
+_Ik._ Neen! och neen! daar toe is in die gevangenissen geen de minste
+gelegenheid.
+
+_De Kunstkenner._ Ei zie, dat is dan dunkt mij eene zeldzaame gewoonte.
+Ik bevat juist nog niet, wat voordeel de schuldeischer daar bij hebben
+kan; doch, wat zal men zeggen, men kan zo oppervlakkig niet over de
+gewoonten en zeden van een vreemd land oordeelen.--Maar dat kan ik u
+echter berichten, dat het hier geheel anders toegaat; want 't is bij
+ons zo eene groote schande meer te verteeren, dan men vermoogend is te
+betaalen, dat het slegts in veele jaaren enkel eens gebeurt, en dan nog
+geschiedt dit ongeluk niet door zulke zonderlinge ingebeelde schulden
+als het spel; maar door onvoorziene rampen, en in die gevallen treedt
+de geheele streek, waar zo een ongelukkige woont, toe; elk geeft een
+beuzeling en hier mede is de verarmde persoon gered, en niemand lijdt
+'er eenige schaade bij. Zoo 'er al iemand het 'er op toe wilde leggen,
+om, voorbedagt, anderen te benaadeelen, zoude hij dit onmooglijk uit
+kunnen voeren; want men zoude hem daarin niet toegeeven; daar het bij
+ons eene gewoonte is, om, zonder geld of ruiling, niemand iets van 't
+onze aftestaan, 't geen ook niet behoeft, daar elk van zijnen grond zijn
+bestaan vinden kan.
+
+_Ik._ Nu, dat is ook geheel iets anders, als in landen waar veel
+Koophandel gedreeven wordt; want daar moet ook veel _credit_ gegeeven
+worden; daar zijn de meeste bezittingen denkbeeldig; immers een koopman
+moet ten minsten tweemaal zo veel credit dan vermoogen hebben; maar hebt
+ge dan hier geenerleije spellen?
+
+_De Kunstkenner._ Ja wel; maar men speelt slegts voor vermaak en
+gezondheid: wij hebben verscheiden bal-kaats- en lighaamsoefenende
+spellen; maar nooit denken wij om elkander geld aftewinnen. 't Spel is
+immers geen kostwinning? Maar, daar wij van 't spel spreeken, moet ik u
+eens even iets laaten zien, waar over hier zeer sterk onder de geleerden
+getwist wordt: sommigen houden het voor een spel, en anderen weder
+voor afgodsbeelden der ouden, en wel van sommige half beschaafde, half
+onbeschaafde volken, die men zegt dat in de XVIIIe. eeuw in 't hart van
+Europa gewoond hebben.
+
+Hij vertoonde mij daarop een doos, waarin, onder andere niets
+beduidende snuisserijen, ook beeldjens van dieren van goud, zilver, en
+met Juweelen omzet, lagen, als Elephantjens, Penningjens, Lammetjens,
+Kruisjens, Sterretjens en andere kleinigheeden, welke ik weldra voor
+Ridderordes erkende. Terwijl ondertusschen de Kunstkenner voortging,
+dus te redeneeren: zou 'er aan die prulletjens nog al wat gelegen zijn,
+dunkt u? Ik heb al in den wil geweest, om ze mijn kinderen te geeven, om
+mede te speelen; maar als 't waar is, dat het oude afgoden zijn, is 't
+nog al der moeite waardig om ze te bewaaren.
+
+Ik zeide daarop dat het juist geen afgoden waren; maar dat 'er echter
+bij mij te lande nog groote eer aan beweezen wierde, en dat iemand die
+zo een Lammetjen, Kruisjen, of Penningjen mogt draagen, al vrij wat
+aanmerklijks ten dienste des lands moest verricht hebben, ten minsten
+dat zijn voorouders een' aanmerkelijken dienst aan 't land moesten
+gedaan hebben.
+
+_De Kunstkenner._ Wel is 't mooglijk! Nu dat is toch ook al raar; dan
+zijn 't zo veel als tekens, om iets te kunnen onthouden; zo? Dan was
+'t zeeker om dat men die groote daaden anders vergeeten zou, als men
+ze zich niet door zo een figuurtjen herinnerde; wel nu, dan zal ik ze
+bewaaren: moogelijk is dit Elephantjen dan ter gedagtenis dat iemand die
+beesten 't eerst ontdekt heeft; dit Lammetjen zal dan voor iemand die
+het gebruik der wol verbeterd, en dat Sterretjen mooglijk voor iemand
+die een nieuwe Planeet ontdekt hadt, geschikt geweest zijn; zo, nu zal
+ik ze wel trouw bewaaren.
+
+_Ik._ Goede vriend! neen, 't is 'er juist zo niet mede gelegen, als ge
+wel meent; want deze figuurtjens werden veeltijds door lieden gedraagen
+die noch van natuurlijke Historie, noch van Koophandel of Sterrekunde
+iets wisten; hun herkomst is ook van een gantsch anderen aart; doch ik
+kan u verzeekeren, dat ze meestal voor krijgsverdiensten door de Vorsten
+gegeeven werden, en die ze droeg was zeekerlijk bij 't gemeen in groote
+achting, al ware hij ook nog zo bot; maar ze zijn toch aan goud, zilver
+en juweelen veel waardig.
+
+_De Kunstkenner._ O, als 't anders niet is, dan zal ik ze maar aan mijn'
+kleinen jongen geeven; want goud, zilver en juweelen zijn bij ons zaaken
+van zeer weinig waardij.--
+
+Ik stond zeer verwonderd over de koelheid waarmede de Kunstkenner deze
+kleinoodiën behandelde, en besloot mijn bezoek met deze woorden:
+inmiddels danke ik u wel zeer voor uwen vriendelijken ontfangst, in
+hoope dat ik u toch niet van noodiger bezigheeden afgehouden zal hebben:
+ik wilde nu nog gaarne eens een Regeerings persoon gaan bezoeken; zoo
+'er hier kort bij een mogt woonen; want behalven dien Vader des lands,
+zullen 'er immers zeekerlijk ook nog wel andere Regenten zijn.
+
+_De Kunstkenner._ Voorzeeker, maar ge zult ze thands niet tot hunnent
+vinden; want ze zullen allen ter schoole zijn.
+
+_Ik._ Ter schoole! Regenten gaan bij u nog school? waar gelijkt dat nu
+weêr na?
+
+_De Kunstkenner._ De Regenten gaan niet meer school; maar zij moeten des
+naademiddags in de schoolen tegenwoordig zijn; om dat de jeugd onder hun
+eigen opzicht opgevoed en onderweezen wordt.
+
+_Ik._ Zo! dan zijn uwe Regenten een soort van Atheensche _Ephoren_? Nu
+ja, dat is zeer prijsselijk; want de kinderen zijn toch het toekomend
+geslacht; 't komt 'er dus wel zeer op aan, dat een goede Regeering een
+naauwkeurig opzicht op derzelver onderwijs en opvoeding draage. Ik ben
+waarlijk verheugd dit te verneemen; men wordt immers in de schoolen
+toegelaaten?
+
+_De Kunstkenner._ Eenen vreemdeling wordt hier nergens toegang
+geweigerd; men behoeft hier geen schatten te verbergen, die de hebzucht
+gaande kunnen maaken; al wat wij hier bezitten kan elk weldenkend volk
+zig eigen maaken. Wij hebben hier alleen goede wetten, veel lust tot
+weetenschappen en te vredenheid met onzen staat.
+
+_Ik._ Wel nu, mijn voorneemen was ook, naa een bezoek bij u afgelegd te
+hebben, de schoolen, immers een derzelve, eens te gaan bezichtigen; ik
+zal daar tevens uwe Regenten vinden, die ik toch mede gaarne eens
+aantroffe?
+
+_De Kunstkenner._ 't Zal uw tijd worden, als ge de school nog wilt zien;
+want zij zal welhaast geëindigd zijn.
+
+Ik nam, op deze waarschuuwing, terstond mijn afscheid, van den beleefden
+Kunstkenner, en ging weder met mijnen Geleider op weg. Toen wij een
+eindjen weegs gegaan hadden, brak mijn Geleidsman het zwijgen, en zeide:
+
+Wij zijn hier reeds digt bij de school; maar, eer wij 'er ingaan,
+moet ik u nog waarschuuwen, dat gij de persoonen, welken het bestuur
+aanbetrouwd is, geen _Regenten_ noemt; wij noemen hen alleen _Oudsten_;
+want 't zijn in de daad, in alle onze vlekken, de bejaardsten uit het
+vlek; want hoewel elk inwooner tot dit bestuur gerechtigd is, worden
+doorgaandsch de bejaardste lieden, daarmede voorzien; mids zij nog in
+staat zijn, dien gewigtigen post waarteneemen.
+
+Ik dankte mijnen Geleider voor zijn bericht; terwijl wij reeds in eene
+ruime wooning binnen traden; deze was de school zelve: zij was in vier
+onderscheidene vertrekken verdeeld; in elke dier vertrekken zaten twee
+dier Oudsten, in een verheven gestoelte, terwijl de onderwijzers een
+weinig laager geplaatst waren. De leerlingen welke hier van de jongste
+waren, kwamen mij niet onder de zeven, en niet boven de negen jaaren
+voor. Ik vond hen bezig met, aan een der tafels, de letters te leeren,
+terwijl men aan eene andere reeds een weinig verder met spellen en
+leezen gevorderd was, en aan een derde tafel werkelijk een' aanvang met
+schrijven maakte.--Wij wandelden deze school, waar, tegen de gewoonte
+der kinderschoolen, een groote orde en stilte heerschte, langzaam door,
+en kwamen in de tweede school, hier vonden wij alles op dezelfde wijze
+ingericht; de leerlingen waren hier van tien tot veertien jaaren; aan
+een der tafels, zag ik, gaf men onderwijs in de taal, die in gebruik
+was; naamlijk in het schrijven van een' goeden stijl, en in de
+letterkundige regelen der taal; aan een tweede tafel was men bezig om
+het Latijn en Grieksch te onderwijzen; voor zo verre deszelfs beginselen
+betrof, hier werdt van buiten geleerd; doch de kinderen leerden in
+stilte, voor hun zelven; een derde tafel was geschikt voor hun die
+reeds Latijnsche opstellen konden vervaardigen, en aan een vierde tafel
+werden Latijnsche Aucteuren geleezen en geëxpliceerd; CICERO was om zijn
+zuivere taal en SENECA, om zijne zedekunde, hier in gebruik.--Dichters
+vond ik hier niet.--In de derde school zag ik jongelingen van zestien
+tot achttien jaaren, deze waren aan een tafel bezig met zig in de
+wiskundige weetenschappen te oefenen, terwijl aan een tweede tafel de
+Redenkunde of Logica, en aan een derde de beginselen der zedelijke
+wijsbegeerte onderweezen werden. Eindelijk in de vierde school,
+waarin ik jongelingen van achttien tot twintig jaaren vond, werden
+de Proefondervindelijke Natuurkunde en de kennis van de wetten en
+constitutie der Regeering op verschillende dagen onderweezen; zo dat
+reeds deze school den dienst van eene Academie, wat betreft de zedelijke
+wijsbegeerte, doen konde, en de jongelingen in alle, meest tot het leven
+noodige, vakken der geleerdheid bekwaam gemaakt konden worden.
+
+Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met
+de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las
+dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist
+gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende
+het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten,
+welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking
+bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande
+daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van
+huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden
+of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen
+de Burgerlijke of _Civile_ wetten geweest zijn, die ik heb hooren
+voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook _Crimineele_ wetten
+hier in gebruik?
+
+_De Oudste._ O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel,
+wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele
+wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen
+tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij
+alleenlijk _civile_ schikkingen, en geen _crimineele_ wetten noodig
+hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen
+toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot
+niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in
+elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen
+zoeken. _Want hier door_, zegt JUVENAAL, _ontstaan gemeenlijk de
+oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed,
+heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de
+felle trek tot onmaatige middelen_.[20] In één woord, dat wij waarlijk
+verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt,
+verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo
+veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende
+kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft
+niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver
+bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in
+voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen
+ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij
+ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar
+ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den
+eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan,
+geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden
+weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen,
+ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een
+ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen,
+met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat
+werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al
+misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle
+slegts op het _mijne en uwe_ gegrond waren[21]. Nu, waar de oorzaaken
+ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze
+voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen
+ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij
+dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende
+oorzaaken, bezigen?
+
+[20] _Inde fere scelerum causae, nec plura venena
+ Miscuit, aut ferro grassatur sæpius ullum
+ Humanæ mentis vitium, quam sæva cupido
+ Indomiti census._
+
+ JUVENALIS _Sat._ XIV.
+
+ De Apostel PAULUS zegt mede, zeer juist: _de gierigheid is de
+ wortel van alle kwaad_.
+
+[21] Vergelijkt hier mede den 11den Zendbrief van den Apostel PAULUS aan
+ _Thimotheus_ vers 1-9. ingesloten.
+
+_Ik._ Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige
+middelen ontbeerd kunnen worden.
+
+Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de
+heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit:
+
+ _Magnus ab integro sæclorum nascitur ordo,
+ Jam redit et virgo redeunt Saturnia regna;
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Talia sæcla suis dixerunt currite fusis,
+ Concordes stabili fatorum numina Parcæ!_[22]
+
+[22] Dus door VONDEL in Neêrduitsche dichtmaat gebragt:
+
+ -------- -------- Nu komt, zonder land geschil
+ En strijdt, een lange rij van eeuwen aangetogen,
+ Saturnus eeuw en maagd Astræa komt gevlogen.
+ -- -- -- -- -- -- -- --
+ De Schikgodinnen, die eenstemmig 't vast besluit
+ Van 't noodlot sterken, en bestemmen, riepen luit,
+ O, spillen! vaart al voort, en spint ons zulke tyden.
+
+Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen.
+Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart
+zijn.--Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten,
+misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt
+mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden.
+
+_De Oudste._ Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart
+verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De
+menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn
+zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele
+booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist
+dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden
+en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze
+inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel
+kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige
+hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat
+gevolg van het _mijne_ en _uwe_ bij ons verdweenen.--
+
+_Ik._ Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen'
+invloed hebbe.
+
+_De Oudste._ Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een
+ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen
+juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht,
+en wandaaden maaken.
+
+_Ik._ Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden
+wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van _Toorn_, _Liefde_,
+enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen
+geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat
+uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden;
+anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken.
+
+_De Oudste._ Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten
+onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve
+tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch
+te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze
+regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een
+ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd
+mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte
+Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren.
+
+_Ik._ Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder
+de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe?
+
+_De Oudste._ Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter
+schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden
+arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die
+ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde
+jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en
+speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in
+schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der
+nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde,
+onderweezen.
+
+_Ik._ Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne
+verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen
+Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken?
+
+_De Oudste._ Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan?
+maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve
+leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat
+vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en
+staaten geweest is, te weeten het _kerkelijk gezag_, is bij ons niet
+bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands,
+benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen
+zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame
+voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd
+heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen
+in 't geheugen te prenten.
+
+_Ik._ Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene
+Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten?
+
+_De Oudste._ Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel
+_Theologanten_, immers de waare _Theologie_ is onveranderlijk. Mijn
+voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan
+afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven
+over zijne leer onderhouden.
+
+Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de
+Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn
+hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet,
+ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten
+aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben;
+vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij
+hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een
+eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen
+van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste
+vong het gesprek aan.
+
+_De Oudste._ Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening
+omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen.
+
+_De Leeraar._ Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig
+licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende)
+verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en
+blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij
+prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den
+alouden POPE in. _Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet
+dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid
+God_[23].
+
+[23] _Hope humblij then; whit tremblung pinions soar;
+ Wait te great teacher Death; and God adore._
+
+ _Essai on Man. Ep. I._
+
+Want de oude SCALIGER zegt, met reden:
+
+ _Nescire velle quod magister optimus
+ Docere non vult erudita inscitia est._
+
+Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is
+regt geleerde onweetenheid.
+
+_Ik._ Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen
+denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of
+wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter
+en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te
+verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van...
+
+Hier werd ik gestoord...
+
+Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding,
+terug.--Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste
+navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige
+waarheid ontwaaken.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+NAAREDE
+
+
+De bedoeling dezer _Mymering_ is alleenlijk, om, door de beschouwing
+der aanmerkelijke voortgangen van den Wijsgeerigen geest, onder het
+menschdom, deszelfs uitwerkselen, naa een lang verloop van eeuwen, door
+eene waarschijnelijke gissing, uit te vorschen; men zoeke dus in dezelve
+geene toespeeling op bijzondere zaaken of persoonen; dit zoude het
+oogmerk des Schrijvers verre gemist zijn.--De geheele grondslag van al
+wat in dezelve gezegd wordt, is alleenlijk, dat het menschdom uit de
+wijsgeerige beschouwing van alle dingen, mooglijk eens dien trap van
+waare beschaaving zal bereiken, waarin het zijn waare behoefte zal
+weeten te onderscheiden van beuzelachtige overtolligheeden, welke het
+eerst als onmisbaare behoeften aan zag; wat nu anders zijn de waare
+behoeften van de onsterffelijke ziel, dan alleen de kennis van verheven
+Waarheeden en zulke Weetenschappen, welke ons de grootheid van den
+Schepper in toeneemenden luister voorstellen. Eenmaal gesteld zijnde,
+dat het menschdom, door trapsgewijze vordering in kennis, deze hoogte
+bereiken kan, volgt daar uit noodzaakelijk, dat het, die bereikt
+hebbende, eene geheel andere richting in zijnen smaak en begeerten
+ondervinden zal; alle beuzelachtige overtolligheeden, waarin niettemin
+de grondaanleiding gegeeven is tot de ongenoegens, die het menschelijk
+leven en de samenleeving zo zeer verbitteren, en aanleiding tot allerlei
+wandaaden in de maatschappij geeven, zullen dan door den mensch
+misacht, en eindelijk geheel vergeeten worden. 'Er zal eene geheel
+wijsgeerige eeuw ontstaan, welke ook in den smaak voor schoone kunsten
+en weetenschappen den toon geeven zal;----maar deze groote verandering
+in zeden en denkwijzen moet noodzaakelijk voorgegaan worden, door
+eene, boven de mooglijkheid van vervulling stijgende, begeerte van
+het menschdom, elk volk zal zig eerst toeleggen om zijn nabuuren
+te overtreffen, in de bezitting der schijngoederen, wier aantal de
+weelde en onverzadelijke begeerte gestadig doen aangroeijen. Deze
+algemeene drift naar schijngoederen zal derzelver bezit, hoe langs hoe
+bezwaarlijker maaken, daar ze, onder zo veele begeerigen, slegts schraal
+zullen kunnen verdeeld worden. Het gemis derzelver zal eindelijk den
+mensch noodzaaken, om dezelve te verachten en tot de kennis dier groote
+waarheid te geraaken, dat de Natuur slegts zeer weinig behoeft.--Of nu
+wel dertien Eeuwen genoegzaam zijn om die leer voortteplanten en te
+bevestigen, laat ik daar; dit tijdperk is slegts gekozen om eene zekere
+bepaaling te kunnen daar stellen.--Niemand stoote zig aan de stelling
+dat ons Land naa dertien Eeuwen, wel geheel van gedaante veranderd
+zou kunnen zijn; dat de Stad Amsterdam, mogelijk dan slegts een
+twijffelachtig geheugen van derzelver voormaalige ligging zoude kunnen
+naagelaaten hebben; want men gaa slegts 1300 Jaaren terugge, en zoeke
+thands Steden, die toen in vermoogen bloeiden en maake het besluit zelve
+op; alleen de Dichter mag een eeuwig bestaan en voortduurenden groei,
+aan, in den aart wisselvallige, zaaken belooven; de Wijsgeer besluit
+uit de overeenkomst der dingen tot eene gestadige verwisseling en
+voordduurende onbestendigheid.----Al wat voords omtrent de verwisseling
+van smaak in de schoone kunsten, als zijn Schilder-, Toon- en
+Dichtkunst gezegd is, rust mede op den voet van eene eenvouwige
+wijsgeerige beschouwing der dingen; welke allen het waarlijk nuttige en
+verstandelijke als onveranderlijk, maar het oogenbliklijk streelende en
+zinlijke als gestadig verwisselend erkent.--De weinige trekken, welke
+hier en daar op de thands dreigende verbastering van smaak in de schoone
+kunsten, als ook over sommige thands in den smaak zijnde gebruiken,
+voorkomen; zijn slegts om de redeneering te verleevendigen, en den
+aandacht der Hooreren bezig te houden 'er ingevlochten, en hebben
+mede geene bijzondere toespeeling; ja, zijn zelfs met voordagt, en
+om te sterker te treffen, boven den aart der zaake overdreeven:
+verre is 't van mij, te willen stellen, dat wij thands geen Kunstenaars
+van zuiveren en waaren smaak in elk vak zouden bezitten; verre van
+ons is 't den staat der tegenwoordige inrichting der Maatschappij te
+willen berispen; zij is onderworpen aan omstandigheeden, door welke
+derzelver houding onvermijdelijk bepaald wordt: met de verandering dier
+omstandigheeden kunnen ook derzelver uitwerkselen geheel van gedaante
+veranderen.----Dit, waarde Leezer! is alleen 't gene ik omtrent de
+bedoeling van dit werkjen, ten einde alle verkeerde toepassing voor te
+komen, nog te berichten hadde; mooglijk zal ik eene nadere recensie en
+verdeediging over sommige daarin voorkomende bijzonderheeden, des noodig
+oordeelende, zelve het licht doen zien.
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: wat lapten, brak en weder een andere |
+ | C: wat lapten, brak er weder een andere |
+ | B: _De Wijsgeer,_ ô, Dan zult |
+ | C: _De Wijsgeer._ ô, Dan zult |
+ | B: GASSENDUS, NEWTON MUSSCHENBROEK, |
+ | C: GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, |
+ | B: Ja wij heb- Telescoopen uitgevonden, |
+ | C: Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, |
+ | B: zonnen kun- onderscheiden; en |
+ | C: zonnen kunnen onderscheiden; en |
+ | B: 2090. |
+ | C: 2110. |
+ | B: _Etuis_, _odeurs_ _bonbons_, en |
+ | C: _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en |
+ | B: Genootschap aldaar_ Ao. 2090. |
+ | C: Genootschap aldaar_ Ao. 2150. |
+ | B: nieuwe goed gesteld zijn gij kunt |
+ | C: nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt |
+ | B: deze plaats van _Juvenalis_: |
+ | C: deze plaats van JUVENALIS: |
+ | B: sumere_[18] Op deze wijze kunnen |
+ | C: sumere._[18] Op deze wijze kunnen |
+ | B: verdichte stukken bevallen om |
+ | C: verdichte stukken bevallen ons |
+ | B: bij de uitspraak, te maaken zijn. |
+ | C: bij de uitspraak, te maaken zijn? |
+ | B: _Ik_ Gij hebt daarin zeeker |
+ | C: _Ik._ Gij hebt daarin zeeker |
+ | B: wetten van uw land niet tegen. |
+ | C: wetten van uw land niet tegen? |
+ | B: in de gevangenis onderhouden? |
+ | C: in de gevangenis onderhouden. |
+ | B: dien gewigtigen post waarteneemen |
+ | C: dien gewigtigen post waarteneemen. |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het toekomend jaar drie duizend, by
+Arend Fokke Simonsz
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET TOEKOMEND JAAR DRIE DUIZEND ***
+
+***** This file should be named 37117-8.txt or 37117-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/1/1/37117/
+
+Produced by Hendrik Weltevreden, André Engels and the
+Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+(produced from scans from Early Dutch Books Online &
+Koninklijke Bibliotheek, The Hague).
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.