diff options
Diffstat (limited to '37117-8.txt')
| -rw-r--r-- | 37117-8.txt | 2706 |
1 files changed, 2706 insertions, 0 deletions
diff --git a/37117-8.txt b/37117-8.txt new file mode 100644 index 0000000..2b14e93 --- /dev/null +++ b/37117-8.txt @@ -0,0 +1,2706 @@ +Project Gutenberg's Het toekomend jaar drie duizend, by Arend Fokke Simonsz + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het toekomend jaar drie duizend + Eene mijmering + +Author: Arend Fokke Simonsz + +Release Date: August 17, 2011 [EBook #37117] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET TOEKOMEND JAAR DRIE DUIZEND *** + + + + +Produced by Hendrik Weltevreden, André Engels and the +Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net +(produced from scans from Early Dutch Books Online & +Koninklijke Bibliotheek, The Hague). + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van de | + | bijbehorende alinea. | + | | + | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | + | Tekst in het grieks en hebreeuw is respectievelijk als | + | [Grieks: tekst] en [Hebreeuws: tekst] omgezet. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | De vermelde misstellingen zijn in de tekst doorgevoerd. | + | | + | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | Voor de productie van dit e-boek is gebruik gemaakt van scans, | + | die door Early Dutch Books Online beschikbaar zijn gesteld. | + | http://www.earlydutchbooksonline.nl/nl/view/info/ | + | id/dpo%3A4928%3Ampeg21%3A0002/page/1/ | + | Hierbij diende het boek uit de Koninklijk Bibliotheek (Den | + | Haag) als bron. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + HET + TOEKOMEND JAAR + DRIE DUIZEND. + + _EENE MIJMERING._ + + + + + HET + TOEKOMEND JAAR + DRIE DUIZEND. + + _EENE MIJMERING._ + + VOORGELEEZEN IN EN + OPGEDRAAGEN AAN DE + MAATSCHAPPIJ DER VERDIENSTEN, + TER SPREUKE VOERENDE: + FELIX MERITIS, + + DOOR + + AREND FOKKE SIMONSZ. + + _Medelid derzelver Maatschappije, Hoofdlid van het + Amsterdamsch Dicht- en Letteroefenend Genootschap; + Lid van het Genootschap: Oefening kweekt Kunst; en + van het Rotterdamsch Dicht- en Letterlievende + Genootschap, ter spreuke voerende: + Studium sciëntiarum genitrix._ + + Multa renascentur quæ jam cecidere, cadentque + Quæ nunc sunt in honore.-- + + HORATIUS. + + _Te AMSTERDAM, bij_ + AREND FOKKE SIMONSZ. + + MDCCXCII. + + + + + AAN DE + MAATSCHAPPIJ + DER + VERDIENSTEN, + + ONDER DE ZINSPREUK: + _FELIX MERITIS_ + VERGADERENDE + BINNEN DE STAD + AMSTERDAM; + + WORDT DEZE + VERHANDELING, + BETIJTELD: + + HET + TOEKOMEND JAAR + DRIE DUIZEND. + + _EENE MIJMERING._ + + OPGEDRAAGEN + DOOR + + _derzelver Medelid_, + A. FOKKE SIMONSZ. + + + + +VOORBERICHT. + + +_Vóór eenigen tijd sommige mijner gedachten, omtrent den hedendaagschen +smaak in de Poëzij en Versificatie, in een' eenigzins _Ironisch_ +boertigen stijl, onder den tijtel van den _Modernen Helicon, een Droom_, +voorgedraagen hebbende, viel mij in, om ook sommige mijner bedenkingen +over meer gewigtige stoffen en ernstiger onderwerpen, en wel over +den staat der Geleerde- en Huishoudelijke zaaken in nog verre in 't +toekomende verwijderde Eeuwen, eens, bij wijze van eene Mijmering, +voortedraagen; doch de aart der zaake liet de _Ironie_ hier niet overal +toe eenen boertigen rol te speelen, 't welk dit Stukjen een' meer door +ernst getemperd voorkomen gegeeven heeft.--Immers ernstige dingen +behooren ernstig behandeld te worden.--Men waardeere dit gewrocht dus +niet hooger dan als een spel der inbeelding en vermaake 'er zig mede +even als met de _Republiek van Plato_ of de _Utopia_ van den schranderen +_Morus_; doch wil men 'er meer moogelijkheid aanhechten, welaan, ik heb +'er ook niet tegen; want men bevindt daaglijks dat men reden heeft het +aêloud spreekwoord te herhaalen:_ + + _Omnia jam fiunt, fieri quæ posse negabant._ + + Men kan zo mal niet kallen + Of 't kan zo vallen. + + + + +MISSTELLINGEN. + + + Bladz. Reg. staat lees + 5 -- 1 van ond. 2540 -- 2440 + 14 -- 13 van bov. twee -- dertien + 45 -- 16 van bov. _æstetica_ -- _æsthetica_ + 50 -- 2 -- -- _aliquod_ -- _aliquid_ + 65 -- 2 -- -- eeuw -- eeuwen. + + + + +[Decoratieve illustratie] + + +Onlangs bezig zijnde met leezen, in een Werk, 't welk eene +oordeelkundige geschiedenis der Wijsbegeerte voordroeg, en waarin de +levens, stellingen, en toevallen der aloude en nieuwere Wijsgeeren +omstandig verhaald werden, trof ik daar in eene aanmerkelijke plaats +aan, welke mij tot overdenking bragt, zij was: _'Er is een zekere +draad in de waereldsche zaaken, die dezelve de eene aan de andere hecht, +en wanneer men dien behendiglijk vatten kan, dan is men niet verre +verwijderd van in het toekomende te kunnen doordringen, en men wordt het +gevolg der dingen, als in 't ruuw, gewaar_[1]. Ik dagt over dit zeggen +ernstig naa, en mij schoot te binnen dat ook SENECA ergens gezegd hadde, +spreekende van de kundigheeden zijns tijds[2]: _Laaten wij openhartig +bekennen, wij weeten dit alles slegts sedert korten tijd. 'Er zal een +andere tijd komen, waarin men, door moeite en ondervinding, doorgronden +zal, 't geen wij nog niet eens kennen. Een Eeuw alhoewel vruchtbaar in +verhevene geniën, is niet volstaande om het groot Schouwtooneel des +Heeläls te doorgronden. Zonder twijffel zal ons naageslacht verwonderd +zijn, dat wij zo veel dingen niet geweeten hebben, die hen zeer klaar en +gemakkelijk voor zullen komen. Men moet daarbij ook gelooven, dat zij, +die naa hen komen, hen dezelfde verwijtingen zullen doen._ Ook vermaant +ISOCRATES, de beroemde leerling van PLATO, aan DEMONICUS, dat men zig +slegts op de analogie der vooraf gebeurde zaaken behoort toeteleggen, +om een oog in 't toekomende te hebben, als hij zegt: _Bijaldien gij +het voorbijgegaane herdenkt, zult gij u best voor 't aanstaande kunnen +beraaden_[3]. Hoe duidelijk heeft de doordringende geest van den +grooten BACO VAN VERULAMIUS, reeds nog in den nacht der onkunde, +de gronden gelegen tot den vollen middag van kennis, en als 't ware +zijnen naaneef aangetoond en voorzegd hoedanig die den weg der Letteren +bewandelen zoude. Heeft ook niet nog in onzen leeftijd de Koningsberger +Wijsgeer KANT, bij redeneering, besloten en als 't ware voorzegd, +'t geen de Sterrekundige BODE, te Berlijn, genoegzaam gelijktijdig, +bij ondervinding, omtrent ons geheele Planeetgestel besloten en +waargenoomen heeft; te weeten, dat hetzelve, uit de Vaste Sterren en de +Planeetstelselen die dezelve waarschijnelijk omringen, zich voor moet +doen, gelijk die ligte vlekken aan den Hemel, welken wij Nevelvlekken +noemen, en die ook waarschijnelijk geheele Stelselen zijn, zig aan ons +oog vertoonen; zo dat men wel eens niet onwaarachtige gissingen en +voorzieningen doen kan. Dit gewigtig onderwerp al dieper en dieper +indenkende, trad ik al achterwaards tot dien tijd wanneer men zeggen kan +dat de Weetenschappen en Kunsten in Griekenland derzelver hoogsten top +bereikt hadden. Ik doorwandelde in mijnen geest het oude _Atheenen_, +het Lycæum, de Stoa, de Academie, de Cynofarge of den Tempel van den +Witten Hond, welke aldaar de vergaderplaatsen der Wijsgeeren en lieden +van Smaak geweest zijn; Ik zag hen daar, dacht mij, zo druk te samen +redentwisten als of ze onderling in het hevigste geschil waren, de een +wilde den ander niet toegeeven; wel, dacht ik, bij mij zelven, goede +lieden, hoe veel meer weet ik heden alleen, dan gij alle te samen. Ik +weet dat 'er op den grond, waar op gij zo al leerende en twistende +verkeert, en waar op uw tempel van Smaak en Wijsheid gegrond is, thands +eenige domme traage Turken zitten te dampen, of wat op de aarde te +kijken; en dat uw pragtig _Atheenen_ in het elendig _Setines_, dat +tegenwoordig naauwlijks in de Courant genoemd wordt, verlooren geraakt +is. Zoudt gij, oude verstandige mannen! dit wel hebben kunnen voorzien? +Ja, zeeker! gij zoudt dit hebben kunnen voorzien, en hebt het mooglijk +wel voorzien; maar nog gemakkelijker kunnen wij, in onze eeuw, iets van +dien aart voorzien, daar wij meer omwentelingen in de menschelijke +maatschappij achter den rug hebben, dan gij. Gij immers kondet alleen, +van het, in uwen tijd, afneemend Egypten en Phæniciën spreeken, en wij +hebben U, de Romeinen, Carthagers en verscheide andere voorbeelden +nog daar beneven voor oogen; QUINCTILIAAN zegt, ten tijde van Romens +verval, reeds op goeden grond, 't geen wij op nog beter grond kunnen +zeggen, en onze naakomelingen, op een nog beteren grond dan wij, zullen +kunnen herhaalen. _De oudheid heeft ons met zo veele lessen en zo +veele voorbeelden onderweezen, dat 'er geene eeuw in eenigen deele +gelukkiger dan de onze geschat kan worden, om welke te leeren al de +voorige gearbeid hebben_[4].--Wel, dagt ik verder, het zou toch niet +onvermaaklijk zijn als men daarover eens wat ernstig naadacht, en +eens uit den hedendaagschen staat der tegenwoordige menschelijke +maatschappij, zo in 't ruuw, een besluit trachte op te maaken hoe 't 'er +toch met de Geleerdheid, Weetenschappen en leefwijze in de dertigste +Eeuw, op de waereld mooglijk uit zal zien. Dit plan beviel mij terstond +uitneemend; want de kortzichtige mensch wil gaarne zeer verre zien, hij +bezigt dus greetig den Telescoop der verbeelding; en zo deze op den voet +van ondervinding en wijsgeerig in denken gesteld wordt, bedriegt hij ook +het zielsoog niet geheel; weleer droomde immers zeker groot fransch +Wijsgeer hoedanig het in _Parys_ in het Jaar 2440 gesteld zoude zijn, +en het schijnt dat de zaaken zig thands al zo vrij wat daar naar +beginnen te schikken, immers dat in dat Jaar _Versailles_ welligt +tot een Puinhoop vervallen zou kunnen zijn, is geene onmooglijke of +onwaarschijnelijke zaak, even zo min als al het overige wat dien +schranderen droomer voorgekomen is. Ik nam spoedig dit boek, met +greetigheid, in handen, las 'er eenige zaaken in; inzonderheid hoedanig +de Bibliotheek des Konings zig voordeedt, en de Geleidsman dezes +Schrijvers, gelijk ook al wat deze schrandere Wijsgeer in den droom +gezien hadt, kwam mij zo aanmerkelijk en weetenswaardig voor, dat ik +alle moeite inspande om insgelijks zo verrukt, zo geheel ingespannen te +denken, of mij ook zodanig een mijmering overvallen mogte, ten einde ik +eenig inzien mogte verkrijgen, hoedanig de gesteldheid der menschelijke +maatschappij, in het toekomend Jaar drieduizend, zig zal voordoen; ik +zette mij dan in een zeer gemakkelijke houding tot peinzen, terwijl ik +eenigen tijd geen verhindering verwagte, met het bewuste boek in de +hand, en begon eindelijk mij den persoon, die dien Schrijver geleide, zo +naauwkeurig voor te stellen of ik hem daar zo voor mijne oogen zag. + +[1] _Il y a un certain fil dans les affaires du monde, qui les enchaine + les unes aux autres; & quand on peut le saisir adroitement on n'est + point éloigné de percer dans l'avenir, on apperçoit en gros la + suite des choses._ + + DESLANDES, _Hist. Crit. de la Philosophie_, Tom. II. _p._ 123. + +[2] _Veniet tempus, quo ista, quæ nunc latent, in lucem dies extrahat + & longioris ævi diligentia. Ad inquisitionem tantorum ætas una non + sufficit, ut tota cælo vacet..... Veniet tempus quo posteri nostri + tam aperta nos nescisse mirentur._ + + SENECÆ, _Nat. Quæst._ L. VII. Cap. 25. + +[3] [Grieks: Ean gar ta parelêlythota mnêmoneuês, ameinon kai peri tôn + mellontôn bouleusê.] + +[4] _Tot nos præceptis, tot nos exemplis instruxit Antiquitas, ut non + possit videri ulla sorte ætas felicior, quam nostra, cui docendi + priores elaboraverunt._ + + QUINCT. _Instit. Orat._ Lib. XII. + +Ik zal genoodzaakt zijn mijn onderhoud met dit denkbeeldig wezen +samenspraaksgewijze voortedraagen. + +_Och! goede Vader, gelei mij toch, wat ik u bidden mag, eens naar de +Academie_, vroeg ik aan den Eerwaardigen Ouden, die voor mij stondt. +O, die is 'er niet meer; was zijn antwoord, wat zouden wij met eene +Academie doen? + +_Ik._ Geen Academie..!? + +_Geleider._ Wel neen! zeg ik nog eens, wat zouden wij 'er mede doen? + +_Ik._ Wel! zo als voortijds, Jongelingen tot Theologanten, Philosoophen, +Artsen, enz. vormen. + +_Geleider._ Dat alles wordt nu thuis door een bekwaam' Meester geleerd! + +_Ik._ Hoe is dat mooglijk? Dat is immers al te omslagtig om door een' +Meester geleerd te worden! + +_Geleider._ Waarom! O wij hebben thands veel van dien omslag +weggenoomen, en het is alles dood eenvouwig geworden.--Bij voorbeeld, +in de Rechten worden bij ons de Wetten die de Romeinen en andere Volken +in hunne Regeeringsvormen en voor hunne Zeden uitvonden, als geheel +ontoepasselijk op onze tegenwoordige behoeften en leefwijze, in 't +geheel niet meer geraadpleegd; het gebrekkig _Corpus Juris_ en de +_Pandecten_ worden daarom niet meer aangehaald; wijl onze Lands en +Stedelijke wetten in meest alle gevallen zo klaar als beslissend zijn; +en men 'er een beknopt Wetboek van in druk heeft, waarna elk Burger zig +kan regelen, zo dat 'er nu ook zo veel niet gepleit of getwist wordt, +als weleer pleeg te geschieden. Zo gaat het ook met de Geneeskunst; onze +Apotheeken zijn thands slegts met weinige dingen voorzien; want men +heeft nu geheele andere en inlandsche _Materia Medica_, en elk mensch +kent de Geneesmiddelen die hem dienen, en zoekt die buiten de Stad, +op 't veld, op, of laat die voor hem zoeken; want daar toe zijn de +Apotheekers eigenlijk nog in gebruik, om die kruiden te mengen voor +lieden die deze moeite zelve niet willen neemen. Wij hebben ook ontdekt, +dat in elk land die geneeskruiden wassen, welke deszelfs inwooners best +in hunne ziekten kunnen baaten; want thands wast 'er geen grasjen waar +van wij de eigenschap, zo wel geneeskundig als tot voedsel, niet +verstaan. Wij eeten thands bijna al wat in ons land groeit, met veel +smaak, en hebben dus altijd een overvloed van voedsel.--O! 'er is zo +een groot aantal nieuwe en onbekende Classen van Planten ontdekt; dat +het geheele Systema van den ouden LINNÆUS thands geheel agter de bank +geworpen ligt; het is zeer onvolledig: zo gaat het thands met alle de +stelselen der voorige eeuwen, zij zijn valsch of onvolledig en geheel +gebrekkig bevonden. + +Ik zal u eens, als 't u gevalt, bij eenige onzer tegenwoordige +Geleerden, omvoeren en u als een vreemdeling aanmelden, dan kunt ge u +terstond zelve van de gesteldheid dezer dingen overtuigen. + +_Ik._ Allerbest! Kom, laat ons zo terstond op weg gaan. + +_Geleider._ Welaan! wilt ge 't eerst bij een Theologant of bij een' +Philosooph zijn? + +_Ik._ Liefst eerst bij een' Philosooph. + +Wij gingen op weg, doch het verlangen, waar in ik was, om met een zo +vreemd wezen, als mij een Philosooph van de XXXe. Eeuw scheen te zyn, +in gesprek te komen, deedt my, in mijne mijmering, naauwlijks opletten, +dat de meeste huizen, langs welken wij voorbij gingen, meestäl meer naar +boeren wooningen dan naar voortreffelijke Paleizen geleeken, gelijk ik +eertijds in een stad van handel en rijkdom, gelijk deze, gewoon was +aantetreffen; naa een weinig met mijnen Geleidsman voort gewandeld te +hebben, kwamen wij aan een groote diepte, waaraf wij langs een gebaanden +weg neder klommen, in een dal, 't welk tusschen twee hoogten, of +bergjens, gevormd werdt.--Dit moeten wij langs, zeide mijn Leidsman; +want op gindsche hoogte woont een thands zeer vermaard Wijsgeer! + +_Ik._ Dit langs! Lieve deugd! zijn wij dan op een' berg geweest? + +_Geleider._ Wel Ja! Hoe zouden wij hier anders kunnen woonen, 't land +ligt 'swinters meestal onder water, en daarom hebben wij deze hoogten +opgeworpen; want zo hoog komt het water niet. + +_Ik._ Maar hebt gij dan geen dijken meer? + +_Geleider._ ô Neen, die vielen ons op den duur veel te kostbaar, zij +werden overal te gelijk bouvallig en schraal, en terwijl we, met groote +kosten, aan den eenen wat lapten, brak er weder een andere door, 't +schijnt den mensch toch onmooglijk, om op den duur tegen de natuur te +worstelen: wij leeven nu ook veel geruster en laaten stormen wat 'er +stormt; want als 't water des zomers weder afgeloopen is, zijn deze +kleine tusschenruimten weêr droog, en draagen zelfs vruchten; want dat +moet ik 'er nog bijvoegen, elk is hier Landbouwer, van den grootsten tot +den kleinsten toe; elk heeft zijn' grond, die hem voedt. + +_Ik._ Maar, waar zijn die trotsche Kooplieden, die zelfs Vorsten in +vermogen pleegen te evenaaren? + +_Geleider._ Ja, waar zijn die? vraag dat mij? daar + + _Quo pius Eneas, quo Tullus dives et Ancus._ + +Waar Ancus, Tullus en de vroome Eneas zijn. + +_Ik._ Ja, maar in ernst! zijn 'er dan geene Kooplieden meer hier te +lande? + +_Geleider._ Zeer weinigen. Er wordt nog wel eenigen Koophandel +gedreeven; maar hij is van geen belang, en bestaat meestal in +Boeknegotie; want die is nog al redenlijk bloeijende, en aanmerkelijk +in uitgebreidheid. Wij krijgen thands de beste werken van smaak, uit +_Siberiën_, _Kamtschatka_, _Japan_, _Nieuw Holland_, _Het vuur Eiland_, +_California_, _Canada_, en zo langs de uiterste kusten der aarde. + +_Ik._ Heden, Mijn Heer! breng mij dan vooral eens bij een' +Boekverkooper; want daar ben ik nog al 't meeste mede gewoon. + +_Geleider._ Dat wil ik gaarne doen, maar noem mij, zoo 't u blieft, niet +uw' Heer; want dat ben ik niet. Wij hooren hier liever het veel meer +beteekenende en veel zoetluidender woord: Vriend! 't Woord Heer, is +thands hier geheel buiten gebruik; alzo de eene inwooner des lands zig +thands hoegenoemd geen heerschappij over den ander aanmaatigt of +aanmaatigen kan. + +_Ik._ Neem mij niet kwalijk, Vriend! als ge 't dan zo gelieft, 't is bij +ons nog zo in 't gebruik; schoon wij ook eigenlijk die woorden meer als +klanken dan als betekenende woorden bezigen. + +Ik geloof zeker, dat ze van tijden afkomstig zijn, toen er nog meer +slaavernij heerschte en de meerder zijnen minder meer verdrukte! terwijl +de minder zijnen meerder met de laagste en kruipendste vleijerij moest +bejegenen, zig telkens zijn Dienaar, ootmoedige, onderdaanige, geheel +aan hem overgegeeven, Dienaar noemde, geduurig hem zijn dienstaanbod +hernieuwende. Men doet dit thands nog met even zo veel vaardigheid met +mond en pen; doch elk hart weet wel, wat men 'er thands van gevoelen +moet: men hoort het naauwlijks en spreekt en schrijft het, zonder 'er op +te letten. + +_Geleider._ Wel laat ons die overblijfselen van voorige woestheid en +slaavernij, dan toch geheel vergeeten, en elkander, met hart en mond, +Vrienden noemen; maar wij zijn hier reeds bij den Philosooph, treed +slegts in. + +_Ik._ Hoe! sluit men hier dan geen deuren meer? + +_Geleider._ Och neen! wie zou 'er in koomen om overlast te doen, elk +heeft voor zig genoeg, en, gelijk gij ziet, de pracht lokt tot geen +begeerte. + +Naa dat wij in getreeden waren, vond ik de hut; want anders kan ik het +niet wel noemen, zeer lugtig ruim en licht, en van al het noodige, zo +mij voorkwam, tot nooddruft der menschen voorzien; alleen ik zag 'er +geen Bed of Ledikant, en dagt bij mij zelven, daar moet ik toch straks +eens naar vraagen. De Wijsgeer was een eerwaardig bejaard man, met een +grooten baard, en met eene soort van lossen en om den midden gegordelden +rok bekleed, even gelijk men veel de aartsvaders afgebeeld ziet. Hij +tradt ons terstond te gemoed, en vroeg mijnen _Geleider_, wie ik ware, +en, zo dra hij gehoord hadt, dat ik mij voor een' vreemdeling op gave, +vroeg hij niet verder; 't scheen hem genoeg dat mijn leidsman bij hem +bekend ware, althands, in mijne mijmering, sloeg ik geen acht op deze +gaaping van 't waarschijnlijke. Ik vroeg hem terstond naar den staat der +geleerdheid; en wel voornaamlijk naar dien der Wijsbegeerte daar ter +plaatse; voorgeevende dat ik uit een land kwam waar dezelve nog even +eens gesteld was als vóór dertien eeuwen. + +_De Wijsgeer._ ô, Dan zult ge hier groote veranderingen daaromtrent +gewaar worden; Het spijt mij slegts dat ik thands zo weinig tijd hebbe, +om u van alles te onderrichten, alzo ik op den sprong staa om op reis te +gaan, en nog eenige beschikkingen daar toe maaken moet. Doch ik zal u +kortelijk over 't een en ander voornaam stuk trachten te voldoen, onze +geliefdste Studie dan is thands de Wijsbegeerte; maar wij studeeren nu +geheel anders dan vóór dertien eeuwen; ô veel gemaklijker; Ik zal u +zeggen hoe het in het vak der geleerdheid thands met ons toegaat; maar +ga bij mij zitten, en laaten wij te samen onzen morgen drank nuttigen, +zo veel tijd moet 'er af. Hij kreeg terstond een kruik voor den dag, +waar in hij ons in eenige glasen een' aangenaamen en verfrisschenden +drank, voordiende.--Toe vriend! zeide hij, drink, het verstrekke +ons tot gezondheid en worde gezegend. Dit is een drank dien wij uit +verscheide nieuw ontdekte inlandsche planten bereiden, en die tevens +een allerheilzaamst en versterkend voedsel te wege brengt; maar om dan +voorttegaan: de Latijnsche Taal is heden de algemeene Taal van de meeste +geleerden, waarmede wij correspondeeren, geworden; daarin worden alle +werken over wetenschappen en kunsten geschreeven; want wij hebben voor +eenige Jaaren gezien, dat de mode van elk in zijn Landtaal te schrijven, +slegts eene elendige geestverspilling zij; want, wilt ge wel gelooven, +dat de Duitschers bijvoorbeeld, die vóór dertien eeuwen zo veele werken +in de Wysbegeerte en andere Weetenschappen vervaardigd hebben, thands +hunne eigene gewrochten van dien tijd niet meer verstaan; zo zeer +is hunne taal, door daaglijks gebruik, veranderd en versleeten.--Ik +bemerkte ondertusschen niet eens, hoe wonderlijk kan men toch beuselen! +dat ik hem, schoon naa zo veele eeuwen, nog zeer gemakkelijk verstond en +hij ook mij.--Maar, ging hij voort, al wat in de zogenoemde doode taalen +overgebleeven is, kan nog door ons verstaan en aangeleerd worden; wijl +wij daar onveranderlyke Regels toe hebben, ook kunnen wij, toch maar met +moeite, nog eenige onzer Schrijvers van den Jaare 2090 à 91. verstaan, +maar dat zijn ook al de eenigste, daar 't nog zo wat mede gaat, en +in dien tijd hebben sommige Critici reeds voor het verder verval der +fraaiste werken gezorgd, en dezelve in 't Latijn overgezet, en met +den text op den kant doen drukken; inzonderheid veel fraaije Fransche, +Hoogduitsche, Engelsche en Nederlandsche werken; wier taal wij met hulp +van die _versiones_, nog al zo wat weder beginnen op te krabben, en 'er +vrij schoone en der moeite dubbelwaardige plaatsen in aantreffen; gij +zult zeekerlijk mijn Bibliotheek wel eens willen zien, dan kunt gij 'er +u zelven van overtuigen. + +_Ik._ O, zeer gaarne, mijn vriend; maar staa mij toe, u te moogen +vraagen; wat men toch hier van de verschilstukken der Wijsgeeren van de +XVIIIe. eeuw denkt. + +_De Wijsgeer._ Wij kunnen ons niet genoeg verwonderen, als wij de werken +van CARTESIUS, GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, en anderen der eerste +opdelvers van waarheid, inzien, hoe zeer bedekt de eenvoudige waarheid, +nog voor hun geweest is; hoe groote omwegen dat hunne verbeelding heeft +moeten neemen, om slegts een gering deel derzelve te ontdekken; wij, +die al deze oude kraamerij, slegts vermaakshalven eens inzien, vinden +thands den weg tot kennis in de natuur der dingen, veel eenvouwiger: wij +hebben daar toe een zeeker middel uitgevonden, dat alles als in een punt +samentrekt, eene zekere bestendige werking en wederwerking, zo wel in +het rijk der natuur als der zeden; een geduurige middenpunt zoeking en +afwijking; een trachten naar evenwigt, dat altijd verbrooken wordt, +waardoor de geheele schepping in werking blijft, zo dat wij nu zeer +gemakkelijk, uit slegts ééne zeker gevonden waarheid, een besluit +tot verscheidene anderen kunnen maaken: wij doen dat niettemin met +veel behoedzaamheid, en, zo dra wij onze afleidingen niet zonneklaar +kunnen betoogen, houden wij dezelve nog voor onbekende zaaken en +_desiderata_; zonder in de droevige en het menschelijk verstand in een' +poel van dwaaling stortende, gewoonte te vervallen van stelselen, of +_Systemata_, te bouwen op de zandgronden van onzeekere onderstellingen, +of _Hypothesen_; wij komen dus zelden in het zo belachgelijk als +vernederend geval van den Wijsgeer DEMOCRITUS, dien eens een comcomber, +van welke vrugt hij een groot liefhebber was, voorgezet wordende, 'er +zekeren ongewoonen zoeten smaak aan bespeurde; welk verschijnsel hem +bewoog, om op de oorzaak dezer zonderlinge zoetheid in die vrugt te +peinzen; hij zogt die in het water, dat dezelve besproeid hadt; in de +aarde, waar in zij gegroeid was; in de gesteldheid des dampkrings +geduurende heuren groei en in duizend andere toevallige oorzaaken; maar, +terwijl hij daarover zig geheel weg gedagt hadt en op 't punt stondt +om _analytisch_ de oorzaak dezer zoetheid te ontdekken, stoorde een +slaaf, door zyn onbesuist en verlegen inkomen, al zijn geestverrukking, +met deze woorden: Och lieve meester! neem het toch niet kwalijk, de +comcomber die ik u zo even bragt, is bij ongeluk in een pot met honig +gevallen. De Wijsgeer riep daar op mismoedig uit: Ellendige! hadt ge +maar gezweegen, weg is nu al de verdienste mijner ontdekking! Zo gaat +het met het bouwen van Hypothesen. Een groot getal kundigheeden, welke +de XVIII. eeuw reeds meende verkreegen te hebben, is dus geheel te +niet gegaan, en in rook verdweenen; zo dat het gene toen zeer klaar en +baarblijkelijk scheen, thands een diep geheim geworden is; daar ons nu +dingen allereenvouwigst en klaarst voorkomen, die toen nog in een dikken +nevel van onzeekerheid gewikkeld lagen; bijvoorbeeld, de aart van de +menschelijke ziel; wat is over dit leerstuk in de XVIIIe. eeuw niet +al zonderlings gedagt, hoe heeft men, naar dat stuk, als met verblinde +oogen in 't ronde getast, en door 't zelve van den verkeerden kant aan +te grijpen, de wonderlijkste gevoelens te berde gebragt, en eindelijk, +met een zekere verzeekerdheid, waarover wij thands glimlagchen, voorzegt +dat dit geheim boven des menschen bevatting liep!--Zo liep het ook, in +de hoogere oudheid, boven des menschen bevatting, 't geen GALLILEUS +leerde, dat de aarde _rond_ ware. + +Ik stond versteld, hier zodanig een groote ontdekking, als is die van +den waaren aart der menschelijke ziele, te zullen doen, en zeide, met +drift: wees zo goed, en deel mij, bid ik u, deze uwe gewigtige +ontdekking terstond mede! + +_De Wijsgeer._ Ja! Vriend; maar de gronden van redeneering waarop deze +onze stelling rust; zijn voor u, die daar nog niets van weet, zo in +een oogenblik niet bevattelijk; ik kan u alleen zeggen, dat wij het +verschil tusschen Stof en Geest, niet meer, gelijk de Geleerden van de +XVIIIe. eeuw, in een geheel tegenstrijdige wezenheid; maar alleen in +eene betrekkelijke hoedanigheid, stellen; want het _maximum_ in het +kleine, is bij ons veel nader bereikt, dan in die vroege tijden; het +raderdiertjen, dat men toen, door de te dier tijd gebruikelijke +_microscoopen_, al voor een der kleinste wezens hieldt, is thands, +in ons microscoopisch rijk, een elephant geworden. Hier uit kunt ge +naagaan, wat onafzienbaare vorderingen wij in den aart der stoffe hebben +kunnen maaken, en wat al raadselen wij door deze onbegrensde kleinheid +van bestaande wezens niet al kunnen oplossen. + +Ik gaf den Wijsgeer voords mijn verlangen te kennen, om zodanig een +microscoop eens te zien. Hij ging daar op in een klein vertrekjen, +waarin zijne verzameling van Optische Instrumenten scheen geplaatst te +zijn, en toonde mij, bij zijn' wederkomst, een microscoop, die niet veel +in inrichting van de onzen verschilde; maar hij hadt 'er een voorwerp +glaasjen bij, dat mij ledig toescheen; althands ik ontdekte 'er, met het +bloote oog, geen voorwerp in; ik zeide daarop: wij hebben ook zulke +microscoopen. + +_De Wijsgeer._ Ja, maar de uwen zullen zodanig niet gesleepen en van +zulk eene stof niet vervaardigd zijn: Daar, zie daar maar eens mede, op +dit drupjen vochts, dat in dit voorwerp glaasjen geklemd is. + +Ik zag door het glas dat de Wijsgeer mij leende; maar, welke een +heerlijke vertooning voor mij! Ik zag een alleronbedenklykst fijne +vloeistof in hetzelve bewegen, en vroeg of hij mij niet konde uitleggen +welke dat voor eene bewegende stof ware, die mij nu zo zichtbaar +voorkwam; daar zij eerst geheel onzichtbaar voor mij geweest ware? en of +hij mij de natuur derzelve niet kenbaar konde maaken! + +_De Wijsgeer._ Daartoe hebt gij nog geene genoegzaame gronden gelegd; zo +veel alleen kan ik u zeggen, dat het een drupjen zenuwvocht is, en dat +wij door de beschouwing dezer stoffe, thands al vrij verre gevorderd +zijn, met de verklaaring van het wezen der ziele. + +_Ik._ Zijn 'er in het groote en uitgebreide rijk der schepping ook even +zo aanmerkelijke ontdekkingen gedaan, als in het kleine? + +_De Wijsgeer._ O! in vergelijking, nog veel meer. Onze tegenwoordige +Telescoopen dringen nog veel verder door, tot in de verre oorden van +het uitgebreide Heelal. Wij spreeken nu niet meer van ons stelsel +alleen; maar, zeer bepaaldelijk, van de rondom ons zig bevindende +zonnestelselen der vaste sterren, en van de zo ondenkbaar verwijderde +stelselen in den melkweg; ook zijn wij thands verre gevorderd in de leer +eener Hoofdstelselzon, om welke alle de mooglijke stelselen en melkwegen +draaijen. Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, op den voet van den +ouden HERSCHEL, waar mede wij de vaste sterren zelve zeer duidelijk als +zonnen kunnen onderscheiden; en ook zulke kleine, waarmede wij onze zon, +thands zeer klaar als een bewoonbaaren bol en de maan insgelijks als +zodanig beschouwen kunnen; ook hebben wij thands de, in de XVIII. eeuw +nog vermiste, Dwaalster, tusschen Mars en Venus, en een nog verder +dan Uranus afstaande dwaalster ontdekt, en de waare grootte van de +schijf der zonne bepaald; benevens aanmerkelijke gewigtige en nieuwe +ontdekkingen, omtrent warmte en licht, gedaan; wijl thands de reizen in +den dampkring zeer geregeld, gemakkelijk, en buiten gevaar ondernoomen +kunnen worden; 't welk veel nut aan de weetenschappen toegebragt heeft. + +_Ik._ Zijn dan mooglijk de _Aërostatische machinen_, bij u tot een +meerdere volmaaktheid gebragt? + +_De Wijsgeer._ Men heeft middelen uitgedacht om dezelve geregeld +te bestuuren; ten minsten voor zo verre, dat 'er twee of drie +persoonen veilig mede kunnen reizen; ten welken einde 'er ook groote +verschikkingen omtrent het reizen, en wat daar toebehoort, gemaakt zijn. +Dit bevordert ongemeen den ommegang met de verst afgelegendste volken, +en heeft veel tot de beschaaving van verscheidene natiën toegebragt; +want, bijvoorbeeld, zo straks vertrek ik met een balon naar _Guinea_, +ik moet daar eenige zaaken verrichten; wijl daar een werk van mij +ter persse is; en zal, denkelijk, in de andere week weder in Holland +terug komen, als ik niet nog een' uitstap bij een' mijner vrienden +te _Simbaoe_, in _Monomatapa_, doe; want dat is een zeer ervaaren en +kundig natuuronderzoeker; hij heeft een uitgeleezene Bibliotheek van de +nieuwste Africaansche werken, en men kan niet van hem afkomen, als men +eens in zijn gezelschap is. + +_Ik._ Wel is 't mooglijk! reist men thands zo spoedig! en zo zeeker? en +is de Sterrekunde zo verrijkt? dan zal ook de _aardmeetkunde_, wel +aanmerkelijk verbeterd zijn. + +_De Wijsgeer._ Dat kunt ge naagaan! wij weeten thands den afstand van +meest alle plaatsen, zeer juist te bepaalen, en onze kaarten zijn daarom +ook allernaauwkeurigst; daar hangt 'er een van de _Nederlanden_, die is +nu van de nieuwste. + +Ik zag ter loops dezelve eens over; maar vond zo een groot getal andere +en nieuwe naamen van vlekken, landen en plaatsen, dat ik alleen aan den +ruuwen omtrek van sommige oorden, eenige, mij bekende, herkennen konde; +het speet mij, dat ik niet alles naauwkeurig genoeg konde zien; evenwel +zocht ik terstond naar _Amsterdam_; maar vond het niet, alleen vond +ik eene kleine aanwijzing, en, op den kant, de woorden: _Hic olim +Amstelopolis fortasse sita erat_, dat is: _misschien is hier de plaats +waar Amsterdam wel eer gelegen heeft_. Doch men hadt dit teken gesteld, +op de hoogte waar men eigenlijk het Dorp _Kudelsteert_ zou moeten +zoeken. In een woord, ik was 'er maar heel niet thuis, en had wel +gewenscht deze kaart wat naauwkeuriger te mogen bezichtigen; doch 'er +was geen tijd toe, wilde ik mij het gesprek met den Wijsgeer nog een +kleine poos ten nutte maaken. + +Ik vroeg hem voords, of 'er geen groote ontdekkingen in de natuurkunde, +en wel inzonderheid op het voetspeur van LAVOISIER, in de _Scheikunde_, +gedaan waren. + +_De Wijsgeer._ Ja, die voordgangen zijn, geduurende de laatst verloopen +eeuwen, verbaazend geweest.--Wij hebben niet alleen de stelling van +dien waarlijk grooten natuuronderzoeker meer en meer bewaarheid +gevonden; maar ook nader ontdekt, dat 'er werkelijk geene elementen of +Hoofdstoffelijke beginsels voor den mensch kenbaar zijn; alles hebben +wij samengesteld bevonden. In de _Electriciteit_ en _magneetkunde_, +hebben wij reuzen schreeden gedaan, en zijn bijna gevorderd om het +waare wezen der _Electrieke_ stof en der magneetkragt te ontdekken. +Dit stuk houdt thands onze natuurkundigen bijkans alleen geheel +onledig.--Wonderlijke werkingen op ziel en lighaam, zijn daardoor bij +ons ontdekt, en verbaazende geneezingen, van altijd voor ongeneesbaar +gehoudene kwaalen, zijn daardoor bij ons bekend geworden. Het _dierlijk +magnetismus_ is bij ons, op gevestigde gronden, tot een aangenomen +leerstelsel geworden! Maar wij hebben ook op dezen grooten weg verder +zo veele nieuwe natuurwonderen ontmoet, dat wij wanhoopen, om, hier op +aarde, ooit tot de volledige kennis der natuur te kunnen geraaken. + +_Ik._ Ja, mijn vriend! dit wil ik gaarne gelooven, zeekerlijk moeten 'er +werkzaamheeden voor een altoosduurende ziel, oneindig overblijven. Maar +zijn 'er geen Wijsgeeren bij u, nog aan oude vooroordeelen gehecht +gebleeven? + +_De Wijsgeer._ Neen; onze Wijsgeeren, blijven niet, tegen hunne betere +overtuiging aan, hartnekkig aan eerst opgenoomen en verdedigde stelselen +hangen; zij verwerpen, ter liefde der waarheid, gaarne hunne gevestigde +vooroordeelen, zodra 'er zig iets beters en meer met de waarheid +overeenkomstig, opdoet; altijd gedagtig aan den regel van CICERO: +_weinig te weeten is geen schande; maar 't is schande in het weinig +gekende, dwaasselijk lang te volharden_[5]. + +[5] _Non enim parum cognosse; sed in parum cognita stulté et diu + perseverasse, turpe est._ + + CICERO _de Invent._ + +Ik verzogt hem voords zijn woord te willen houden, en mij zijne +_Bibliotheek_ nog eens even te willen toonen; 't welk hij bereidwillig +aangenoomen hebbende, met ons in een fraaije lichte en lugtige kamer +tradt, doch alles gelijk met den grond. Hier zag ik een groot aantal +boeken, meest alle in de Latijnsche Taal, behalven eene afzonderlijke +Collectie in de Grieksche en Oostersche Taalen, alle nieuwe drukken en +meest in Octavo formaat; folianten en quartijnen, zag ik slegts zeer +weinige; en zeide daarop: + +Dit verschilt ook veel van de inrichting der Boekvertrekken in de XVIII. +eeuw; want toen hadt men boeken, die men naauwlijks draagen kon. + +_De Wijsgeer._ Ja, dit is ons veel gemakkelijker; wij verdeelen liever +een werk in veele handelbaare deelen; dan zulke lompe stukken te moeten +torsschen: daarom schijnen 'er ook veele boeken te zijn; doch 'er zijn +in de daad maar weinige, zeer voornaame werken, maar die in veele +deelen gesplitst zijn. Bijvoorbeeld; daar staat al wat ons van de +Hebreen naagebleeven is; wij leezen al die boeken thands zeer gemeenzaam +in hun eigen taal: gelijk ge ziet, 't is alles Hebreeuwsch; want wij +zijn in de Oostersche Taal- en oudkunde, aanmerkelijk toegenoomen. Hier +is een Latijnsche vertaaling derzelve. + +Ik zag hier en daar dit werk eens in, doch herkende sommige zeer bekende +plaatsen, naauwlijks; door de groote veranderingen, die eenige woorden +ondergaan hadden, en bleef een wijl in stille verwondering staan, welke +de wijsgeer echter afbrak, met mij de werken van HOMERUS te toonen, als +ook die van ORPHEUS en LINUS, welke vóór een eeuw, gelijk hij zeide, +ontdekt en nu geheel volledig, bij elkander gedrukt waren, als ook de +vermiste _Decaden van_ LIVIUS; ook vond ik 'er verscheiden aucteuren +der oudheid, dien men slegts bij naam kent, en voor verloorene, +_deperditi_ houdt, geheel volledig, of ten minsten fragmenten derzelve. +Bijvoorbeeld; het Tooneelspel, _de Reis_ genoemd, van JULIUS CÆSAR; +eenigen zijner Brieven aan CICERO en deszelfs verhandeling betijteld: +_Anti Cato_; eenige fragmenten van Dichtstukken van Keizer AUGUSTUS; de +klagten over den dood van _Julius Cæsar_, door MARCUS ANTONIUS; eenige +fragmenten van PYTHAGORAS, PHERECYDES, HECATÆUS en andere verloorene +Grieksche en oude Latijnsche Dichters, in één woord verscheide andere +vermiste Schriften, te lange om hier optenoemen. + +Ik vroeg voords den eigenaar waar zijne Nederlandsche Aucteuren stonden? +hij wees mij dezelven terstond. Het eerste werk dat mij in 't oog viel, +was JACOBI CATZII _Opera omnia poetica, cum notis variorum_. Ik nam +'er greetig een deel uit, de text was Hollandsch met een Latijnsche +vertaaling, 'er tegen over en met Latijnsche aanteekeningen voorzien, +die ik zeer wonderlijk en eenigen geheel tegen den zin des Dichters +vond. Bijvoorbeeld, bij de uitdrukking _deuzig brein_, vond ik dezen +noot, _deuzig, olim apud belgas nomen Epidemiæ, constructum e voce +gallica deux, duo, et Belgica, ziek, morbosus; velut dicetur deux ziek, +id est in duas partes morbi affectum cerebrum, scilicet in occipitem et +sincipitem._[6]. Ik moest lagchen over deze geleerdheid, en verzeekerde +mijnen geleerden vriend, dat deze commentator in eene groote dwaaling +vervallen was. + +[6] Dat is: _Deuzig was eertijds de naam van een volksziekte, het + woord is samengesteld uit het Fransche woord, _deux_ twee, en het + Hollansche _ziek_, als of men wilde zeggen, _deux ziek brein_, dat + is een brein dat aan weêrszijden, in 't voor- en agterhoofds + gedeelte, door ziekte aangetast is._ + +_De Wijsgeer._ Men houdt hem anders nog al voor den besten; hij heeft +ook den ouden VONDEL, en eenige andere Dichters uitgegeeven; maar hier +moet ik u een werk toonen, dat het kruis onzer hedendaagsche geleerden +en Taal onderzoekers is; zie daar, over dit boek zijn nu bereids al +twintig werken geschreeven, en nog begrijpen wij alles niet. + +Ik nam het met vlijt aan, en dacht eerst dat het Hebreeuwsch ware; want +ik vond den tijtel aldus gesteld: E. WOLFFI _Dominæ eruditissimæ_, +[Hebreeuws: tav resh sameh] _Cor civicum, ad optimas codices restituta, +cum lectionibus variantis et notis perpetuis_, Irkutskoi MMCX.[7] + +[7] E. WOLFF, SARA BURGERHART, na de beste uitgaven, met verschillende + leezingen en doorgaande nooten verrykt, gedrukt te _Irkutskoi_ + 2110. + +Wel nu, dacht ik, dat ziet 'er al heel raar uit! ik bladerde dit werk +eens door, maar vond dat de geleerde Commentator het allermeest met +de brieven van Broeder _Benjamin_, want het was de _Sara Burgerhart_, +van Mejuffrouw de WOLFF, verlegen geweest was; deze waren zo duidelijk +verklaard, dat ik 'er geen woord van begrijpen kon. Nu zeide ik, dat is +mij te geleerd! + +Maar welke boeken staan daar; + +_De Wijsgeer._ Dat zijn de _Opera Rassavi_, (_Rousseau_) en _Voltarii_, +(_Voltaire_,) doch van de laatste zijn slegts fragmenten overgebleeven; +gindsch staat, _Klopstocki_, _Messiah_, deze is thands een _auctor +classicus_, en wordt veel tot onderwijs in het oud germaansch gebezigd; +wij houden ook veele oude wijsgeeren van vóór dertien eeuwen, nog in +groote waarde en voornaamlijk studeeren wij nog in de _Opera Mosche +Ben Mendel_,[8] en het _carmen Philosophicum aureum Alexandri Pope, +quod Homo dictum est_.[9] Dit wordt thands ten grondslag der Zedelijke +Wijsbegeerte gelegen; Maar goede vriend! neem mij niet kwaalijk, gelieft +ge nog eenigen tijd u hier in de boeken te vermaaken, 't zal mij lief +zijn; maar mijn tijd is verscheenen; alzo de balon op zijn' tijd +afvliegt en naar geen Passagiers wagt. + +[8] MOZES MENDELSZOON. + +[9] POPES; _Proeven van den Mensch_. + +Ik nam deze waarschouwing voor een heusche vermaaning aan, dat het onze +tijd werdt om afscheid te neemen, 't welk ik dan ook deed, naa den +Wijsgeer goede reis gewenscht te hebben. Ik was naauwlijks met mijn' +Leidsman, dien ik verzogt had mij nu bij een' Boekverkooper te willen +geleiden, weder op weg, of ik had terstond mijn oog op sommige winkels +welke wij voorbij gingen, en waarin ik niet dan zeer eenvouwige +kleederen, en Huisgeraaden ten toon gesteld zag. Waar zijn toch, vroeg +ik, al die kostbaare _Galanterie_- en _Parfum_-winkels, die voor dertien +eeuwen, zo rijk onze meeste koopsteeden versierden? + +_Geleider._ _Galanterie_-winkels! wat waren dat? Wij verstaan dat woord +in 't geheel niet meer; wat is dat toch _Galanterie_? Wat is _Parfum_? + +_Ik._ Ja! als ge die woorden niet meer verstaat, is 't zeer moeilijk +'er u den waaren zin van te verklaaren; maar men verstondt 'er, onder +verscheidene andere beteekenissen, in dien tijd, ook onder die +kleinigheeden van nagemaakt goud en zilver, welke de _petit maitres_; +_Jonge Heeren en Dames du Ton_, gebruiken, om zig bevallig voor te doen, +_Horologien_, kettingen tot dezelve, _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en +wat al niet meer! + +_Geleider._ In oprechtheid, ik verstaa geen enkel woord, van 't gene +gij daar noemt; maar ik zal 'er het, onlangs, in Japan uitgekomen, +_Glossarium Linguæ Gallicæ antiquæ_, eens over nazien; want ik denk dat +al deze woorden over oud en vergeeten Fransch zijn.--Maar dat kan ik u +intusschen wel zeggen, dat wij zulke winkels niet hebben; onze zoonen +koopen boeken, en onze dochters lijwaaten en lakenen, om zich eene +dekking in guur weder te bezorgen. + +_Ik._ Wel! Wel! Man; wat is dat alles veranderd! is hier alles dan zo +verarmd? + +_Geleider._ Verarmd! Wel neen! die genoeg bezit, kan men, dunkt mij, +niet arm noemen; wij bezitten overvloed van alles, wat tot het leven +noodig is. Weet ge niet, wat JUVENALIS, aan 't einde van zijn XIV. +Schimpdicht, hier over zegt: _zoo 't mogt gebeuren, dat mij iemand +vroeg: Hoe veel is 'er dan tot leeven genoeg? Ik zal hem antwoorden: +drank voor den dorst, spijs voor den honger, brand en klederen voor de +koude, en 't geen u, ô Epicuur! in uw klein tuintjen, en u, ô Socrates! +weleer in uw huishouding vergenoegd heeft; Nooit heeft de natuur, ons +iets anders dan de wijsheid geleerd._[10]. + +[10] _------ ------ ------ Mensura tamen quæ + Sufficiat census, si quis me consulat, edam; + In quantum sitis, atque fames & frigora poscunt, + Quantum Epicure tibi parvis suffecit in hortis + Quantum Socratici ceperunt ante penates. + Nunquam aliud natura, aliud sapientia dicit._ + +_Ik._ Maar hoe toch wordt dan het onderscheid van staat in de kleeding +gezien! + +_Geleider._ Hoe meent ge dat? woudt ge dan dat de deugdzaamsten zig door +hun kleed onderscheideden? + +Hier zweeg ik, en hoeste; wijl ik bemerkte dat deze onnoozele mensch +niets van den hoogen of laagen rang der klederen wist; ik liet dus dat +punt steeken en wende ons gesprek tot iets anders, door te vraagen of 't +hier de gewoonte onder de Wijsgeeren ware, van op den grond te slaapen; +wijl ik in de wooning van dien, welken wij bezogt hadden, niets dat naar +een bed geleek gezien hadde. + +_Geleider._ Zonder twijfel slaapen wij op den grond; wij leggen ons +tegen den rusttijd slegts op den grond neder; want ge hebt immers +gezien, dat onze vloeren alle met hout belegd zijn, en dan hebben wij +een mat tot dekking, en een omgerolde mat tot hoofdkussen; is dat dan +anders tot uwent? + +_Ik._ Wel zeeker, Ja! wij liggen des nagts op dons van zwaanen, of +andere zeer zagte vederen; maar ik geloof ook dat wij aan deze +weekelijke levenswijze veel de verzwakking van ons gestel te danken +hebben.--Inmiddels waren wij voor den winkel van den Boekverkooper +genaderd; waar door ons gesprek afgebroken werdt, en mijn geleidsman +mij verzogt binnen te treeden. De Boekverkooper, die, met een bonte muts +op 't hoofd, en eenen langen baard en zwarte mantel, zeer veel naar een' +Joodschen Rabbi geleek, was in zijn' winkel bezig met eenige boeken in +te pakken; alles zag daar nog al zo uit, als vóór dertien eeuwen de +gewoonte bereids geweest was. Ik vroeg, naa hem gegroet te hebben, om +eenige nieuwe Rijmwerken te mogen zien; wijl ik dagt, na de ondervinding +in mijnen tijd, daarvan de meeste voorhanden te zullen vinden; maar hij +betuigde mij niet te weeten wat ik met rijmwerken meende; wel, zeide ik, +zulke boeken wier regels op 't einde dezelfde klanken hebben, gelijk +als _klaagen_, _schraagen_ enz. De man begon daarop zo te lagchen, dat +ik 'er kregel over werd, en vroeg of hij mij voor den gek hielde? Hij +antwoorde daar weder op? Wel vriend! dat zoude ik u haast vraagen, wie +heeft van zijn leven van zulke raare boeken gehoord, als waar gij van +spreekt. Hoe kan 't in een gezond menschen verstand vallen, geen regels +te willen schrijven, dan die juist gelijkluidende of klinkende woorden +op 't eind hebben; als men dan, bijvoorbeeld, van een huis spreekende, +eens _gevel_ op 't einde van een' regel hadde, hoe zoude men 'er dan +toch mede staan, om den gelijkluidenden regel te vinden? + +_Ik._ Wel hoe; dan zoude men dien zin zo wenden, dat men, bijvoorbeeld, +_hevel_ op 't eind van den regel kreeg. + +_De Boekverkooper._ Maar, hoe is dat toch mensch mooglijk, deze beide +zaaken laaten zig immers onmooglijk samenvoegen! + +_Ik._ Ja, dat kan ik u ook zo oogenbliklijk niet verklaaren; want dat is +juist het verhevenste deel der Rijmkunst; 't zij genoeg, dat men dat +vinden kan, en die schijn onmooglijkheid moogelijk maaken. Ja, dat 'er +zulke Versenmaakers tot onzent wel eer geweest zijn, die hunne regels +zodanig konden doen rijmen, dat men niet eens merkte dat zij eenigen +dwang in hunne denkbeelden daardoor leeden; doch, voegde ik 'er bij, +dat is ook de hoogste top der rijmkunst, en dan geeft het rijm een +alleraangenaamste zoetvloeijendheid en welklank aan de Dichtregelen, +immers op deze wijze tracht men tot onzent de les van HORATIUS in acht +te neemen: _Non satis est pulchra esse Poemata dulcia sunto_.[11] + +[11] _In arte Poetica._ + +_Een Dicht moet niet slegts schoon, maar ook zoetvloeijend weezen._ + +Terwijl wij hier nog over twisteden, kwam 'er een eerwaardig grijsaart, +bijna even eens gekleed als de Wijsgeer, die nu reeds met den luchtbal +op reis was, den winkel binnen. Op zijn inkomst toonden de Boekverkooper +en mijn Geleider een grooten eerbied; zij ontdekten zig het hoofd, en de +Boekverkooper maakte een' zetel gereed, en deedt hem, met tekenen van +den grootsten eerbied, nevens zig zitten; Hoe hebt ge 't Vader? vroeg de +Boekverkooper hem. Zeer wel, kind! dank zij den geever der gezondheid; +zeide de grijsaart; en vervolgde, ik wenschte het onlangs uitgekomen +werk over de Staatsonlusten in Nederland, in de XVIIIe. eeuw eens te +mogen zien? Ik heb gehoord dat ge die boeken onlangs ontfangen hebt. +De Boekverkooper reikte hem daarop een welgebonden octavo boek toe, 't +welk hij met aandacht, doch zuchtend, doorbladerde. Terwijl hij hierin +zag, verzocht ik mede zodanig een _exemplaar_ eens te mogen zien; met +een greetige hand ontfing ik het terstond, en zag dat de Tijtel was +_Hollandia agonisans restaurata, sive Historia rerum, in foederatis +provinciis, seculo decimo octavo, gestarum, auctore Ha-ki-ung Chinense. +Cum figuris æneis. Pekingiis, impensis La-chi-to-ang societatis +Litterariæ Typographi Ao. MMCL.[12] Ik zag dit werk met graagte door, +en stond versteld over de zonderlinge aaneenschakeling van sommige +voorvallen, wier samenhang in de XVIIIe. eeuw zo verborgen scheen. +Ik bezag ook de plaaten; maar die waren dan wonderlijk, gedeeltelijk +na waarheid, en gedeeltelijk, geheel mis en tegen de _Costume_, +bijvoorbeeld: ik zag 'er een voorval te dier tijd op den _Dam_ te +_Amsterdam_ gebeurd; het Stadhuis was nog al redenlijk wel getroffen, +doch het stondt ter plaatse, waar de vischmarkt behoorde te weezen, +en men hadt 'er dicht nevens een breed water verbeeld, waar in groote +scheepen voeren; de klederdragten waren geheel door elkander verward; +onder anderen waren 'er beeldjens in, die waarlijk klugtig 'er uit +zagen, te weeten: met breed gepande rokken, nieuwmodische engelsche +vesten; maar tevens met kraagen en knevels voorzien. Terwijl ik dit +met aandacht bezag, rees de Grijsaart op, zeggende het boek te zullen +behouden en mede neemen; vaartwel mijn kinderen, zeide hij voords tegen +den Boekverkooper en mijnen Geleider en werdt met dezelfde betooningen +van eerbied weder uitgeleid.--Ik vroeg, naa hij vertrokken was, aan den +Boekverkooper, wat de prijs van dit boek ware? Acht stuivers, Vriend! +was zijn antwoord, 't komt wat hoog om de veele plaaten.--Ik meende dat +ik hem niet wel verstaan had, en vroeg nog eens; _acht stuivers!?_ + +[12] Dat is: _Het zieltogend Holland hersteld, of Geschiedverhaal + van het gene in de Vereenigde Nederlanden in de XVIIIe eeuw + voorgevallen is, door Ha-ki-ung van China, met koperen plaaten, + gedrukt te Peking, op kosten van La-chi-to-ang, gewoon drukker van + het Letterkundig Genootschap aldaar_ Ao. 2150. + +_De Boekverkooper._ Ja zeeker, ik kan het waarlijk niet minder laaten; +'t zijn al vaste prijzen die op dat nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt +het achter den Tijtel gedrukt vinden. + +_Ik._ Nu ik heb 'er geen woord tegen, Vriend! maar sta zelfs zeer +verwonderd over den laagen prijs van zodanig een werk, en dat van zo +verre landen komt.--Ik voldeed hem daarop terstond, stak het boek bij +mij, en vroeg naar meerdere nieuwigheeden; hij toonde mij voords eenige +van de nieuwst uitgekomen werken, en verhandelingen de _Wijsbegeerte_, +_Natuurkunde_ en laatste _Geschiedenissen_ betreffende, doch zij waren +alle zeer duister voor mij, door de menigvuldige nieuwe naamen van +Menschen, Landen, Kunsten en Kunstwerktuigen, dat ik 'er geen' regel uit +begrijpen kon; alhoewel ze anders, waar geen naamen dezer zaaken voor +kwamen, in goed zuiver Latijn geschreeven waren. + +Ik bedankte den Boekverkooper voor het gezicht, en haaste mij om mijn +afscheid te neemen; wijl ik mijnen Geleidsman zeer veel te vraagen had: +wij waren ook naauwlijks buiten deur, of ik vroeg hem terstond, of die +eerwaardige persoon, die in den Boekwinkel was, de vader van den +Boekverkooper ware. + +_Geleider._ Neen! maar hij is ons aller Vader. Dit was nu de Vader van +Nederland. + +_Ik._ Wat is dat te zeggen?--Dat begrijp ik niet! + +_Geleider._ Ja, dat kunt ge ook onmooglijk raaden; maar hoor, vóór +twaalf of dertien eeuwen noemde men die lieden die het oppergezag in +handen hadden, en de Staaten bestuurden _Keizers_, _Koningen_, _Vorsten_ +enz. maar die naamen zijn thands hier in onbruik geraakt, men noemt dien +thands _Vaders_. Bijvoorbeeld _Vaders der Nederlanderen_, _der Britten_, +_der Kaffers_ enz. volgends het gezegde van XENOPHON; een goed Vorst +verschilt niets van een' goeden Vader.[13] + +[13] [Grieks: houden diaphezei archôn agathos agatho patros.] + + BOURSAULT geeft den Koningen, op dien grond, ook deze gewigtige + les, in zijn fraai Tooneelstuk _Esope à la Cour_. + + _Sans etre conquerant, un Roi peut etre auguste. + Pour aller à la gloire il suffit d'etre juste. + Dans le sein de la paix faites de toutes parts, + Dispenser la justice & fleurir les beaux arts. + Proteger votre peuple autant qu'il vous revere, + C'est en etre, Seigneur! le veritable Pere; + Et Pere de son peuple est un titre plus grand + Que ne le fut jamais celui de Conquerant._ + +_Ik._ Was dit dan zo veel als een Vorst! nu, daar zag hij 'er evenwel +niet na uit. Een Vorst zou immers niet alleen bij een' Boekverkooper +inloopen, en daar een boek vraagen, en met zig neemen. + +_Geleider._ Wel! waarom niet? Het was immers met den wil des eigenaars? + +_Ik._ Nu, ja, daar heb ik niets tegen, maar! evenwel een Koning pleeg +een groote Hofhouding, en steeds een' stoet gewapende wachten rond om +zig te hebben, ten einde zijn gezag te doen eerbiedigen, en zijn persoon +te bewaaren. + +_Geleider._ Wel ja; maar ge moet dezen tijd niet bij de achttiende eeuw +vergelijken. Onze Landsvaderen houden geen' stoet van Dienaars, zijn +nooit omringd van gewapende lieden. Dit alles kon goed en noodig zijn, +in die tijden toen het _Monarchomachismus_ nog in den smaak was. Thands +is 'er geen de minste reden, om den eersten uitvoerer der wetten uit den +weg te ruimen, en 'er is daarom ook geen vrees voor zulke wandaaden, en +daar deze geen plaats heeft, zouden immers al die voorbehoedselen +overbodig zijn. + +_Ik._ Met dat al hebt ge dan toch een Opperbestuurer, een soort van +Koning, die eindelijk in een willekeurig regeerer zou kunnen ontaarten, +en dus geen vrijheid. + +_Geleider._ Vrijheid! weet ge dat woord wel te bepaalen; _eene +Vrijheid_, althands gelijk CICERO die bepaalt, bezitten wij volkomen, +immers, _wat is_, zegt hij, _Vrijheid? De magt om te leeven gelijk men +wil; maar wie anders leeft waarlijk na zijn' wil, dan hij, die het goede +opvolgt, die zijn' pligt doet, wiens levenswijze doordacht en berekend +is._[14] + +[14] _Quid est, libertas? Potestas vivendi, ut velis. Quis igitur vivit + ut vult, nisi qui recta sequitur, qui gaudet officio, cui vivendi + via considerata atque provisa est._ + + Parad. V. Cap. I. + +_Ik._ Wordt 'er dan thands hier geen land- en zeemagt onderhouden? +Heeft men hier geen _Sterkten_, _Muuren_, _Schanssen_, _Poorten_; weet +men van geen' Oorlog of Krijgskunst? + +_Geleider._ Waar toe toch zouden wij ons scheiden van onze landgenooten, +en waarom zouden wij krijgslieden voeden, waar niet te oorlogen valt; +wie zou ons daartoe noodzaaken? Geheel Europa is in evenwigt; want elk +heeft genoeg aan zijne eigene bezittingen; al onze nabuuren worden op +dezelfde wijze, gelijk wij, na wijze wetten bestuurd, hoe toch zoude +'t hen in gedachten komen, om juist hun land te willen verlaaten, en +tegen alle recht in 't onze te dringen; neen! dat was wat anders, in de +tijden van Goud- en Staat-zugt; in die eeuwen toen men even eerst uit de +barbaarsche tijden ontlook.--Maar in verre afgelegene, en nog kortlings +beschaafde landen, gelijk _Groenland_, _Canada_, _Siberien_ en ten +zuiden op de kust van _Magellaan_ en in _Nieuw Zeeland_, daar is de +krijskunst thands nog in bloei; want van deze volken kan men met PLATO +zeggen: _dat God hen de helft van hun verstand benoomen heeft, ten einde +zij minder de hardheid en het onaangenaame van hunnen staat zouden +gevoelen_.[15] + +[15] PLATO de Rep. Lib. 3. + +_Ik._ Wel nu, dat laat zig hooren; maar zijn 'er thands op den +aardbodem volstrekt geene Landen, die door Koningen, oppermagtig, +beheerscht worden? + +_Geleider._ Ja, dat zijn juist dezelfde Landen waarin nog steden +bemuurd, vlooten bemand en krijgsvolk gehouden wordt; Staaten die +nu eerst sedert een eeuw beschaafd zijn geworden; bijvoorbeeld de +_Patagoniërs_, de _Zuidlanders_ en diergelijke volken, hebben nog zulke +oppermagtige Koningen. + +_Ik._ Zo! zo!--Maar zeg mij toch eens hoe is 't mooglijk, dat de +Boekverkooper mij dit werk zo zeer goedkoop kon laaten? + +_Geleider._ Wel, dat is juist zo zeer goedkoop niet; want sedert wij ons +van al het volstrekt onnoodige onthouden, en weinig of geen' Koophandel +drijven, is het geld sterk onder ons, en veelen onzer nabuuren +verminderd, en hooger in prijs gesteegen: een stuiver is nu bijkans zo +veel waardig als vóór dertien eeuwen tien; en men kan thands voor acht +stuivers al vrij veel koopen. Daar bij komt nog, dat, door het groot +vertier van boeken, de menigte den winst aanbrengt. + +_Ik._ Is 'er dan zeeker, thands zo groot een trek in boeken? + +_Geleider._ Dat kunt ge ligtelijk naagaan, daar 'er thands ieder mensch +op valt; oud en jong leest even vlijtig. + +_Ik._ Maar de smaak viel vóór dertien eeuwen veel op Paarden en +Rijdtuigen, zijn die thands zo zeer niet meer getrokken? + +_Geleider._ Paarden en Rijdtuigen! waren dat liefhebberijen? thands +dankt men den Hemel, voor den zegen te genieten, van zijn voeten tot +zijn' wil te hebben; wij beklaagen nu die lieden, die genoodzaakt zijn, +zig van beesten te laaten trekken; want het zijn meest stoköude, +kreupele of zieke menschen; en daar gebruiken wij meest al ezels toe, +dat gaat zacht en stil in zijn werk; gelijk ge daar gindsch ziet, die +vrouw welke daar in dien wagen rijdt is verlamd, en waarlijk een +voorwerp van beklag. Maar een kabinet van ezels, neen! dat houden onze +liefhebbers niet naa. 'Er worden egter wel Paarden gebruikt, zelfs door +gezonde lieden; maar dat gebeurt alleen ingevalle men naar plaatsen +reizen moet, die te ver om te beloopen, en te dicht bij, om met den +Balon te bevliegen, zijn. + +_Ik._ 'Er is hier ook zo een zindelijkheid en stilte langs den weg, dat +het mij ook al verwonderd heeft, hoe dat in zo een volkrijk oord plaats +kan hebben; want, om u de waarheid te zeggen, in vroegere eeuwen, +kon men geen straat in een drukke koopstad betreeden, zonder bespat, +bemorst, gestooten en door het schrikkelijk geweld der rijdtuigen over +de steenen bedwelmd, en half zinneloos te worden; menschen en beesten +krielden toen daar zo verward onder een, dat men iemand ter vlugts +willende groeten, dikwijls aan een tusschen rennend paard zijn' eerbied +bewees. + +_Geleider._ Dat moet al zeer zonderling geweest zijn! + +_Ik._ Zijn wij nu op weg naar den Kunstkenner? ik ben zeer verlangende, +iets over de hedendaagsche _æsthetica_ te verneemen. + +_Geleider._ Ik heb u juist op den weg tot een groot liefhebber en kenner +der oudheid en fraaije kunsten gebragt, ik hoop slegts dat hij tot +zijnent zal zijn; want hij reist veel. Zie daar gindsch zijn wooning +reeds. + +_Ik._ Maar hoe kan 't toch mooglijk zijn, dat 'er nog zo groot een +aftrek in boeken is; daar toch de Geleerdheid en oeffeningen van schoone +kunsten en weetenschappen altijd alleen gebloeid hebben in landen, waar +veel koophandel en rijkdom gevonden werden? + +_Geleider._ Gij spreekt hier zeekerlijk van zulk eene geleerdheid, +welke de ondersteuning van vermoogende lieden behoeft; deze is bij +ons thands ook niet zeer in gebruik: Maar, behalven dat moet ge deze +onze zeden niet bij de aloude vergelijken. In de achttiende eeuw, +bijvoorbeeld, zag men een' berg van overtolligheeden voor behoeften aan; +dezen berg heeft men sedert al langzamerhand geslegt en bevonden, dat, +bijvoorbeeld, tot gezond voedsel, geen uitheemsche moeijelijk bereide +spijzen; tot dekking geen bont gecouleurd, verzilverd of verguld, kleed, +en tot wooning geen hardsteenen Paleis noodig ware; men is tot deze +zonderlinge ontdekking gekomen, door dien het gebrek aan geld, waar door +men zig die middelen moest verschaffen, zo algemeen werdt, dat alle +handel begon te verminderen, en elk volk langzamerhand het overtollige +agterwegen liet. Dit langzamerhand verminderen der noodelooze zaaken, +was van dat gevolg, dat men hier te lande, allengskens het gevaar der +zee voorziende, hoogten begon optewerpen, waarop zig eenige van de eerst +in levenswijze verminderde lieden ter neder sloegen, de aarde begonnen +te bebouwen, en hunne weinige behoeften uit den schoot der aarde +dubbelvouwdig ontfingen. Dit voorbeeld werdt allengs door de overige +inwooners, die het gevaar van overstrooming voorzagen, gevolgd, en men +begon zig weinig aan het gevaar der zwakke dijken te steuren; wijl +men toch voorbehoedselen gemaakt hadde, om de zee eenen doortocht te +bezorgen; 't welk ook weldra het verwagt uitwerksel hadt, zo dat, bij +herhaalde geweldige stormen de dijken wel eindelijk geheel weggeslagen +werden, maar de zee zig terstond in den voor haar bereiden weg ontlaste, +en de heuvelbewooners, zig thands vrij gezonder, en zeekerer zonder +eenige vrees voor hun weleer geduchten vijandigen vriend, of +vriendelijken vijand, bevinden.[16] + +[16] _Idem Protector et Hostis._ + +_Ik._ Zoo dat zo is, dan kan ik mij niet voorstellen, welke van onze +oude kunsten thands bij u nog in gebruik zouden zijn; want de kunsten +worden uit den schoot der weelde gebooren, en door rijkdom gevoed. + +_Geleider._ 'Er zijn echter nog veelen bij ons aanweezig, bijvoorbeeld; +de Tekenende kunsten, de Toonkunst, de Boekdrukkunst en meer andere, die +ge bij den Kunstkenner, wiens wooning wij naderen, beter zult leeren +kennen, dan ik u die opnoemen kan. + +_Ik._ De Bouwkunst toch schijnt niet meer in den smaak te zijn. + +_Geleider._ Ten minsten niet die Bouwkunst van de eeuwen der weelde en +pragt; 'er is echter thands nog wel een bouwkunst, die enkel het nuttige +beoogt, aanweezig, en elk ontfangt daarin het onderwijs in zijne jeugd; +want dit moet ik 'er bijvoegen, elk is thands meestal zijn eigen +Bouwmeester, Kleerenmaaker, Landbouwer, enz. Dit geeft ons geen klein +gemak, en houdt elk in eene gezonde werkzaamheid; al wat de geleerdheid +en beoefening der letteren aangaat, wordt door elk voor uitspanning en +vermaaks wille geoefend. + +_Ik._ 'Er schijnt toch nog geld bij u in gebruik te zijn; want dat +blijkt uit onze ontmoeting bij den Boekverkooper. + +_Geleider._ Wel zonder twijfel, is 'er nog geld in gebruik; want 'er +wordt ook nog handel gedreeven; maar, doordien wij oneindig minder +behoeften hebben, en de hoogstnoodige zaaken, zonder geld, en alleen +door arbeid, te verkrijgen zijn, heeft men het zo onontbeerlijk niet +noodig, als in voorige eeuwen; dat maakt dat iemand, welke thands een +weinig meer gelds dan anderen bezit, 'er niet veel meer vermogen op +anderen door bekomt; alzo men 't geld thands meer voor een liefhebberij, +dan voor een behoefte aanziet, en elk van die liefhebberij wel zo veel +bekomen kan, dat hij geenen anderen daarom behoeft te vlijen, of te +dienen; want ik moet zeggen, dat wij thands, door onze behoeften zo +ongemeen te verminderen, waarlijk het middel gevonden hebben, om gerust, +vrolijk, zonder zorg, haat, afgunst of nijd, overweldiging of dwang, te +leeven. Wat toch zou men elkander benijden? Wij hebben allen wooning, +voedsel en deksel, en worden allen even eens in de kennis van geleerde +en andere zaaken op geleid; want in het Letterschool alhier, zendt de +geheele stad zijn kinderen; die daar allen dezelfde lessen ontfangen, en +het Zedeschool wordt door de bejaarden dagelijks bezocht; ja ik kan 'er +bijvoegen, dat wij de woorden _afgunst_, _nijd_, _bedrog_, _diefstal_, +en van alle ondeugden, die de overvloed en weelde geteeld hebben, in +onze taal, niet eens regt kunnen overbrengen, en daarom de Latijnsche +benaamingen dier zaaken, als 't eens voorkomt dat wij die in oude +geschiedenissen moeten gebruiken, genoodzaakt zijn, bij omschrijving te +moeten noemen; bijvoorbeeld deze plaats van JUVENALIS: + + _Cantabit vacuus coram Latrone viator._[17] + +[17] _De schaamle Reiziger, zal voor den Roover zingen._ + +Zouden wij niet verstaan, zoo onze uitleggers dit woord _Latro_ niet +uit de oudheidkunde opgehelderd, en aldus omschreeven hadden; _Homo +cujus crimen erat aliquid a viatoribus, absque eorum voluntate, vi +sumere._[18] Op deze wijze kunnen wij ons nog eenig denkbeeld van deze +bij ons onbekende zaak maaken. + +[18] Dat is: _Een man wiens misdaad bestondt, in iets van de Reizigers, + tegen hunnen wil, te neemen._ + +_Ik._ Maar heb ik u niet van schoolen hooren spreeken? O, geleid mij +toch ook eens in deze uwe Leerplaatsen der jeugd en des ouderdoms. + +_Geleider._ Ik zal gaarne, zodra wij den Kunstkenner verlaaten; maar zie +daar zijn wooning reeds. + +Wij gingen, zonder door eenige afsluiting belet te worden, in +dit weder zeer eenvouwig en hutsgewijze ingerichte verblijf des +Kunstkenners binnen, en vernamen daar van zijn vrouw, dat hij zo even +op 't land gegaan was, om te melken; maar zij verzocht ons echter +allervriendelijkst, zo lang te willen vertoeven, tot heur man terug +gekomen zoude zijn; tevens zeggende, dat zij ons terstond eenige spijs +zoude voorzetten; want dat zij begreep, dat wij nog geen middagmaal +gedaan hadden; ik stond verzet over de groote gastvrijheid en +vriendelijkheid dezer vrouwe, en wilde dankzeggen; maar dit was reeds +te laat, wijl zij bereids met een schotel versche melk, boter, brood, +kaas, en eenige vruchten aan kwam draagen; wij gebruikten ook daadelijk +iets daarvan, althands in mijne mijmerende verrukking, meende ik 'er +iets van te smaaken; en juist dit onthaal gaf mij gelegenheid, om de +frisheid en zindelijkheid dezer spijze te roemen, zeggende dat ik +geloofde dat het vleesch dier beesten, welke zo een zoete melk gaven, +mede niet onsmaakelijk zoude zijn? + +_De Vrouw._ Vleesch van leevendige beesten, Vriend! + +_Ik._ Neen, goede vrouw! van doode? slagt men hier dan geen vee? + +Mijn Geleidsman hielp mij spoedig uit den droom; zeggende: neen vriend! +niemand zou thands eenig beest willen dooden, veel minder het vleesch +der dieren eeten. Wij dooden geene andere dieren, dan die ons +beschadigen; doch derzelver aart is, door eene meer gezellige +bijwooning, aanmerkelijk minder wild geworden, en zo veel als in een tam +ras ontaart; zo hebben wij thands, in Africa bijvoorbeeld, Leeuwkatten, +welke de gestalte van een' Leeuw hebben, en echter voor huisdieren +gebruikt en door den mensch tot huisselijke diensten gebezigd worden. + +Wij dooden alleen alsdan het tamme vee, wanneer hetzelve zodanig +toeneemt, dat het toch geen bekwaam voedsel zoude kunnen aantreffen; dat +toch zeldzaam voorvalt, alzo de jaarlijksche overstroomingen veel vee +weg neemen; echter wij eeten die, uit noodzaaklijkheid gedoode, dieren +niet; daar voor zouden wij een' afschuw hebben. + +_Ik._ Maar, waar blijft dan toch al dat vee van schaapen, verkens, +ossen, koeijen en veele andere leevende schepselen die men tot voedsel +pleeg te gebruiken. + +_Geleider._ Daarvan zijn ten deele veele soorten, althands die welke ons +geen nut kunnen doen, geheel onder ons vergeeten, en wat de kudden van +tam vee betreft, daar weeten wij, geduurende hun leven, schoonen dienst +van te trekken, en gebruiken hunne vellen, als zij gestorven zijn, tot +kleeding. + +_De Vrouw._ Heden ja, zouden wij die goede beesten vermoorden, en dan +nog verslinden; wel foei! zij doen ons immers geen leed, en wat hebben +zij toch dierbaarer dan hun leven, dit immers hebben wij hun niet +gegeeven; zouden wij hen dat ontneemen! + +_Ik._ Goede vrouw, gij spreekt met veel reden; egter in mijn land +begrijpt men deze zaak nog geheel anders; de overoude gewoonte heeft +aldaar het slagten en eeten van dieren zo gewoon doen worden, dat de +tederste en medelijdendste menschen het vleesch van hunne vermoorde +medeschepselen tot een smaaklijk voedsel bezigen: juist niet uit een +beginsel van wreedheid; maar uit een voortgeplant begrip dat alle +schepselen om des menschen wille, hun aanzijn bekomen, en dat de +redenlooze dieren geen gevoel van hun bestaan hebben.-- + +Geduurende dit ons gesprek, kwam de man binnen, en verwelkomde +mij in zijne wooning, mij met de inneemendste vriendelijkheid +betuigende, dat het hem leed deede een' reiziger zo lang naar zijn +komst te hebben moeten ophouden; allereenvouwigst was zijn kleeding; +de beenen en het hoofd bloot, en een schapenvel om de leden geslagen, en +om den midden toegegord. Hoe zeer mij het voorkomen van dien Kunstkenner +ook verwonderde, konde ik echter niet naalaaten eene gunstige +vooringenoomenheid ten opzichte van zijne kennis voor hem te gevoelen, +daar zijn leevendig en doordringend uitzicht mij de vlugheid van zijnen +geest, ondanks zijne geheel eenvouwige kleeding, verraade. Ik begon dan +aldus mijn gesprek: goede vriend, ik heb van mijn' Leidsman vernoomen, +dat ge een groot liefhebber der schoone kunsten en weetenschappen zijt +en ook veele liefhebberijen van dien aart bezit; zoude 't u ook beletten +als ik mij daarover een poosjen met u onderhielde? Mijne liefhebberij is +mede, bij uitzondering, op de _æsthetica_ gevallen; zo dat ik wel eenige +bijzonderheeden daarover wenschte te verneemen, te weeten: hoedanig +dezelve in dit land waar in ik zo veele en groote verscheidenheid met de +zeden mijnes lands bespeure, beoefend wordt? Hebt ge hier geen teken- of +schilder-academiën? + +_De Kunstkenner._ Och neen! vriend, die zijn voorlang al uit het gebruik +geraakt; want men bevondt dat op dezelve weinig vorderingen gemaakt +werden; alzo in de laatste jaaren, dat zij nog onder ons in zwang +gingen, de smaak in de schilderkunst ten eenemaal begon te veranderen; +want in plaats dat men eerst gewoon was, gestadig naakte beelden te +tekenen, ten einde tafereelen uit de oudheid te kunnen voorstellen, 't +welk ook zeer noodig was, in die eeuwen, toen men de vergaderhuizen der +Christenen overal met Tafereelen, verbeeldende voorvallen uit het Oude +en Nieuwe Testament, versierde, worden deze thands niet sterk meer +gezogt; daar wij alle denkbeeldige Tafereelen misachten; wijl 'er geen +waarheid in plaats kan hebben, zo dat ze, door telkens, in het een +of ander deel, tegen de Costume te zondigen, een' verkeerden indruk +in de beschouwers dier verdichte tafereelen maaken. Wij tekenen het +menschbeeld zeekerlijk wel af; waartoe wij daaglijks gelegenheid hebben, +daar wij, althands des zomers, meestal half naakt en slegts met eenig +beestenvel om den midden gegord gaan; doch wij houden ons niet bepaald +bij 't menschbeeld alleen op; maar neemen de natuur in heur geheel ten +voorbeeld, zo dat wij ons even zeer toeleggen, op het naauwkeurig +navolgen van boomen, beesten, wolken, water, enz. als van menschen; daar +bij komt nog, dat wij de tekenende kunsten meest bezigen, om tafereelen +van afgelegene oorden en voorvallen, onder ons en andere volken, te +vereeuwigen, zo dat 'er geen aanmerklijk voorval gebeurt, of 'er wordt +opzettelijk een' Schilder of Tekenaar bij gevraagd, om het zelve na het +leven aftebeelden; ten einde de afwezenden en den naakomeling, met geen +verdichte schetsen, voor waare afbeeldingen, te misleiden. + +_Ik._ Maar dan kunt ge ook niet anders, dan voorbereide plegtigheeden en +gebeurtenissen die men voorzien kan, afbeelden. + +_De Kunstkenner._ Somtijds geeven ons de Tekenaars ook wel schetsen van +gebeurtenissen, waar bij zij gevallig tegenwoordig zijn geweest, en die +zijn ons even aangenaam; maar geheel verdichte stukken bevallen ons +niet; wij hebben liever geene afbeelding dan eene geheel verdichte. + +_Ik._ Ik heb toch zo even bij een' Boekverkooper prenten in een boek +gezien van geschiedenissen die in de XVIIIe. eeuw gebeurd zijn en waarin +de Costume, na mijn gedagte, zeekerlijk ook niet juist getroffen was. + +_De Kunstkenner._ Dat zal mogelijk een boek geweest zijn, dat uit zeer +ver afgelegen en nog zo niet beschaafde landen, hier verkogt wordt. + +_Ik._ Ja, 't was te _Peking_ gedrukt. + +_De Kunstkenner._ Wel, dat wilde ik ook zeggen; men is daar nog aan +veele oude gewoonten te zeer gehecht, om dien smaak geheel te kunnen +verlaaten; maar hier gebeurt het alleen nog maar tot oefening van den +geest voor de leerlingen, en dan laaten wij hen niet meer dan enkele +schetsen maaken; ten einde te kunnen zien, in hoe verre zij de +geschiedenissen en de gewoonten der oude volken, na onze meening, wel +getroffen hebben; doch nooit wordt dit hun werk gemeen gemaakt of +verkocht. + +_Ik._ Ja, in mijn land heeft men 'er juist ook niet veel mede op; +doch of de oorzaak van die onverschilligheid voor 't ordonneeren van +ontwerpen uit de Geschiedenissen, uit een gebrek aan kunde in dezelve, +en van oefening van het verdichtend vermoogen, ontstaat, dan of de reden +die gij 'er voor opgeeft, bij ons mede de oorzaak van het verval in +dezen is, wil ik niet bepaalen. + +_De Kunstkenner._ Wij zijn juist ook door het groot verval in de kunst +tot onzen nieuwen smaak overgehaald; want in de laatste jaaren van het +verval der aloude Kunstoefening hier te lande, verborgen de Schilders +hunne onkunde en armoede van geest, onder het masker van _eene edele +eenvouwigheid_, waar in zij _het wezen der schoonheid_ stelden; dat, wat +de stelling aanbelangt, juist niet valsch was; want het is opmerkelijk, +na maate de Practische oefening der kunst verminderde begon de +Theoretische ongemeen in wijsgeerige kragt te bloeijen; zo dat eindelijk +hij, die geen' vinger goed tekenen konde, echter over de twee uuren +lang, tot verbaazing der toehoorers, kon redeneeren, over de wijze op +welke een vinger, zoude die schoon zijn, getekend behoorde te worden; +van waar denkt ge dat deze bekwaame onbekwaamheid en kundige onkunde +ontstondt; een door mij dikwijls door en door bestudeerd schrijver, +die over het verval der kunst in de negentiende eeuw, een uitvoerig +werk samengesteld heeft, dat nu nog onlangs met veel aantekeningen, +te _Cusco_ in _Peru_, herdrukt is, geeft 'er deze reden van: men hadt +de voorbereidselen tot de beoefening der kunst in dien tijd te zeer +vermeerderd; zo dat de leerling, eer hij de tekenpen of 't penceel +in de hand kreeg, eerst een _Cursus_ in de _Philosophie_, _Physica_, +_natuurlijke Historie_, en inzonderheid in de _Anatomie_ van het +menschelijke lighaam, moest doen; om eerst als 't ware vooraf te leeren, +hoe hij de zaaken bij de naauwkeurige beschouwing der natuur, naaderhand +zoude bevinden; dit nam hem dus een al te grooten tijd weg, om zig op +het bestudeeren der natuur zelve toeteleggen; en versmoorde de vinding +in den geest der leerlingen; zo dat zij niet bekwaam werden, iets zelve +te ordonneeren, of met smaak te plaatsen. Dit niet kunnende, gebruikten +zij hunne geleerdheid, om hunne tijdgenooten te overtuigen, dat hunne +voorgangers, die rijk geordonneerde tafereelen geleverd hadden, het +waare schoon niet gekend hadden, en men bewees eindelijk, dat dit schoon +in eene de natuuroverstijgende uitdrukking bestonde. Als zij, om slegts +een voorbeeld van dien smaak te geeven, den slag van _Alexander_ tegen +_Porus_ wilden verbeelden, tekenden ze slegts twee strijdende Helden +te paard, en deze moesten, op grond der edele eenvouwigheids leer, +de beide heirlegers, met hunne opperhoofden, voorstellen; want zij +redeneerden dus: _Alexander_ en _Porus_ waren beide krijgshelden; +wij hebben nu krijgshelden van beide hun legers verbeeld, of wij dien +nu nog duizendmaalen vermenigvuldigden, zouden wij toch niet anders +dan krijgshelden 'er van kunnen maaken, en wij gingen te zeer af +van het edele eenvouwige, en zouden onze tafereelen te veel, buiten +noodzaaklijkheid, overlaaden; 'er was te dier tijde nog een oude, doch +merkwaardige, afbeelding van dien slag, door een zeer voornaam meester, +in weezen, deze was rijk in beelden, verheven in uitdrukking en +verstandig in ordonnantie; hier ging men geweldig op los, wijzende +geduurig met den vinger op dit tafereel, daar was dit beeld niet wel +gesteld, hier was deze arm niet mooglijk zo te houden; weder elders +tekende de _deltois_ te zwak. Gindsch was de _pronator_, daar weder +de _supinator_ niet in behoorlijke werking geplaatst; hier hadt de +Schilder de munnikskap spier te breed, weder elders de _pectorales_ +te zwak aangeduid. Daar weder hadt men op de Paarden veel te zeggen; +terwijl het eenvouwig schoon afbeeldsel dier Schilderhelden wel een +bataille van _gevilde menschen_ geleek; want men hadt zeer angstig +het doortekenen van het geringste spiertjen, dat slegts even onder +de opperhuid zichtbaar kon zijn, waargenomen, en was zelfs, om de kunde +in de _anatomie_ te toonen, zo verre gegaan, dat men, als door een +doorschijnende huid, ook de verborgen deelen des lighaams aanwees. Dit +alles hebbe ik, gelijk ik gezegd hebbe, in een' schrijver van de XIXe. +eeuw, die over 't verval der kunst schreef, met verwondering, geleezen. + +_Ik._ Is 't mooglijk, is de kunst zo zeer boven de navolging der natuur +gesteegen? + +_De Kunstkenner._ ô Ja, en die ging in alle uitbeeldende kunsten over: +zelfs de Tooneelspelkunstenaar hieldt het voor schande de eenvouwige +natuur na te bootsen. Hij wrong zijn lighaam doorgaands, immers als ik +dien schrijver gelooven mag, in zulke wonderlijke bogten, dat hij, +althands in sommige hevige rollen, eer een serpent dan een mensch +geleek. De toejuiching, die daar opvolgde, heeft zelfs veelen hals +en beenen doen breeken; want de lighaamen konden die schrikkelijke +verdraaijingen niet weder staan. 'Er moest ook, te dier tijde, volgends +dien schrijver, altijd een Ledenzetter op het tooneel bij de hand zijn, +om de verminkte kunstenaars terstond te kunnen verbinden. + +De Tooneel dichters gaven ook niet weinig aanleiding tot dit verminken +der kunst en der kunstenaars, daar hun gewrochten mede characters +voorstelden die verre boven de natuur getrokken waren; zo dat de +navolgende kunstenaar niet anders kon doen dan de natuur overschreiden, +zoude hij zijn' rol maar even lijdelijk uitvoeren; men bragt de +schriklijkste tafereelen der lijdende menschheid en de ondenkbaarste +ellenden op het tooneel; dit ging zo ver, dat men dezelve niet meer, +door den gewoonen toon der spraak, kon afbeelden; men moest dus de stem +mede geheel boven de natuur verheffen, en zingende uitdrukken, 't geen +men spreekende geen behoorlijke kragt kon geeven; dit kunt ge denken dat +het natuurlijke der voorstelling nog meer verminderde; dit alles werdt +nogthands op _æsthetische_ gronden in dien tijd verdedigd; immers +zodanig redeneert die schrijver van de XIXe. eeuw over deze zaak; +men bragt den aanschouwer de ijsselijkste voorvallen voor oogen; men +vertoonde 'er vrouwen en kinderen, die in onderaardsche gevangenissen +van honger en gebrek, verkwijnden; en eindelijk, onder het zingen van +eenige aria's, stierven. Beroemde Mannen der deftige Oudheid voerde men +integendeel weder zeer luchtig ten Tooneele, daar men onder anderen, +aloude vermaarde Helden te samen dansende, en bij wijze van een Ballet, +liet strijden; terwijl de overwonnene in een soort van dans, welken men +toen _Hornpijp_ noemde, op de vlucht huppelde. + +_Ik._ Maar, gij spreekt daar van zingen, hoe is 't toch eindelijk met de +muziek gegaan? Hier van zal die schrijver ook wel gewaagen. Bij ons is +die kunst thands op een' trap van hoogte die haar met sterke afneeming +dreigt. + +_De Kunstkenner._ Zij is ook, volgends dien schrijver, mede op zulk een' +trap in de achttiende eeuw hier te lande geweest; in de negentiende +begon ze tevens met alle kunsten ongemeen te verbasteren; want zij, eene +kunst zijnde, die slegts van het wisselziek gebruik in den tijd pleeg +aftehangen, moest men telkens iets nieuws in dezelve uitvinden, om den +verflaauwenden lust weder te prikkelen en de zatheid in graagte te +veranderen; naa dat men dan eerst de voor ieder aangenaame _Harmonie_, +waarin men het schoon der Toonkunst pleeg te stellen, doch waarvan men +nu zat was geworden, in eene onbegrijpelijk vlugge behandeling der speel +instrumenten, of in eene de uiterste grenzen der mooglijkheid naderende +hoogte in de stem en plotslijke daaling derzelve, gezogt hadde, begon +men eindelijk in het laatst der XIXe eeuw ook dat zat te worden en +men ging een' geheel anderen, en tegenstrijdigen, weg in; men maakte +elkander diets, dat het geen men weleer welluidend gevonden hadde, juist +onwelluidend ware en omgekeerd, zo dat men zig nu toelag op de kunst der +_Kakophonie_ of kwalijkluidenheid. Deze werdt nu alom de smaak, en men +hoorde in de Concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zo dat +veelen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden +uitstaan. 'Er kwamen van alle oorden, virtuosen, in deze _Antimelodia_ +uitmuntende, aan, elk trachte zo veel mooglijk, zo door de stem als +speel instrumenten, een gevoel van onwelluidenheid in 't gehoor +optewekken; men hieldt dit, op wijsgeerige gronden, die men 'er voor +opgaf, voor eene schoonheid; doch ook deze smaak duurde niet lang, maar +sloeg weldra weder tot het geheel tegen gestelde over; de _Harmonie_ +werdt nu weder ten sterksten behartigd; maar men zocht het nieuwe in +het uitdrukken van zaaken, welke door geen klanken kunnen uitgedrukt +worden; deze dwaasheid ging zo verre, dat men eindelijk de Vaderlandsche +Historie, in eenige achtereenvolgende muziekstukken, door geluiden, +trachte uittedrukken; kortom, dit werdt mede welhaast weder oud. Thands +wordt de toonkunst, immers hier te lande, slegts bij weinigen geoefend; +want men vindt hier weinig nuttigheid in oogenbliklijk vervliegende en +niets in de ziel naalaatende klanken; maar de Kaffers zijn heden zeer +verre in de muziek; alle de kunstnaamen zo van Instrumenten, als van +muziek, die eerst Italiaansch of Fransch, waren, zijn nu Hottentotsch; +want deze natie is thands op den hoogsten trap van weelde en +beschaaving; maar zij is in lange nog niet in wijsgeerigen smaak +verlicht geworden. + +Men legt 'er zig thands op toe om nieuwe instrumenten te vervaardigen en +uittedenken; want heden hebben wij geen enkel instrument van de XVIIIe. +eeuw meer in gebruik, ook is 'er in de muziektekens, of nooten, een +groote verandering voorgevallen; wij kunnen die der voorige eeuwen +volstrekt niet meer verstaan; schoon 'er enkele groote geleerden +gevonden worden, die meenen dat zij 'er nog al wat van weeten; immers is +'er onlangs een werk uitgekomen, _de Musica proavia, sive de veterum +musicis organis_, dat is: _van de Toonkunst onzer voorouderen of van +de speeltuigen der ouden_, daarin is de beschrijving der oude muziek +instrumenten, gelijk ook een of twee voorbeelden van de nooten onzer +voorvaderen, met veel geleerdheid en studie bijeengebragt; ik moet dit +boek u eens laaten zien; wijl wij toch over dit onderwerp handelen. +Hij ging in een naabij zijnde vertrekjen, en kwam met dit boek terug, +toonende mij het zelve. Ik zag dat het door een Hottentots geleerden +zeer omstandig in de Latijnsche taal geschreeven was, en herkende +ook een of twee muziekstukjens, welke egter zeer gebrekkig, en, met +uitlaating en wonderlijke stelling van eenige nooten, die allen naauw +kenbaar waren, gesneden waren. Zo veel zag ik echter, dat een der +zangstukjens het choor uit de _Belle Arsene_, _Thriomphez_, enz. en het +andere de vois van _Jaapjen staa stil_ was; de aanmerkingen van dien +geleerden Kaffer, waren bij uitstek uitgebreid, en men hadt 'er de toen +in gebruik zijnde muziek- en speel- instrumenten bij vergeleeken, en ook +in plaat gebragt. Onder dezen zag ik 'er een welks maaksel mij zo vreemd +en wonderlijk voorkwam, dat ik niet naalaaten kon, den Kunstkenner te +vraagen, of hij mij zulk een instrument niet eens in wezen zou kunnen +toonen? ô Ja, was zijn antwoord; dat instrument heet _Gom Gom_, en is nu +zo veel als onze fluit, ik kan u zelfs wel eens het geluid van dezelve +doen hooren; hij ging daarop weder heen, kwam met het wonderbaarlijk +maaksel zelve ook weldra voor den dag, en begon 'er op te blaasen; +maar maakte een voor mij zo erbarmelijk geluid, even of 'er eenige +jonge honden tjankten, dat ik hem voor zijne beleefdheid bedankte, +voorgeevende nog iets over 't een en ander met hem te willen spreeken. + +_De Kunstkenner._ De _Gom-Gom_ schijnt u toch niet zeer te bevallen? + +_Ik._ Wel, wat zal ik u zeggen! Ja of neen, 't is ongewoonte! en elk +landaart, ja bijkans elk mensch schijnt voor de gewaarwording des +geluids, anders _georganiseerd_ te zijn. Ik wende voords, zo schielijk +mij mooglijk was, het gesprek, zeggende: maar zeg mij toch eens, hoe +komt het, dat al de boeken die ik nog gezien heb, in vreemde gewesten +gedrukt zijn, worden hier geen boeken gedrukt? + +_De Kunstkenner._ Weinig of geen! want schoon de geheele waereld thands +bijna boeken maakt, worden 'er in alle landen maar zeer weinige gedrukt, +en echter hebben wij overvloed van boeken; ook gaan 'er jaaren mêe +heen, eer een aucteur zijn werk voor de pers gereed gemaakt heeft; zij +arbeiden zeer langzaam, en volgen dan nog de les van HORATIUS: _nonum +prematur in annum_, laatende hun werk negen jaaren stil liggen; dat +verschilt veel bij ons, vóór dertien eeuwen, toen 'er duizenden +daaglijks opgezet, en binnen weinig dagen afgewerkt, en ter waereld +ingezonden werden; althands die aucteur, waarvan ik u zo even sprak, +verhaalt dat 'er in het laatst van de achttiende eeuw, in Duitschland +alleen, meer dan duizend aucteurs te gelijk aan den arbeid waren, en dat +de overige landen, en inzonderheid Nederland, maar de handen vol werks +hadden, om deze duitsche producten, in hunne moedertaal, somtijds geheel +tegen den waaren zin des schrijvers overtegieten, en geheel misvormd, in +hun taal te doen verschijnen.-- + +Ik zuchte hier eens, en dacht vriend! uw schrijver heeft het zeer wel, +en na waarheid verhaald.--Thands is dat vertaalen en verminken niet +noodig; want daar alles in het latijn geschreeven wordt, en elk die +taal leert, kan elk mensch, het werk van de verstäfgelegene schrijvers, +in al deszelfs kragt, en zo als het uit hun pen gevloeid is, leezen +en verstaan, zo dat wij nu na gelang meer en beter doordagte boeken +ontfangen, dan in die tijden; want elk is origineel, en legt zig op +zijne eigene navorschingen toe. + +Ja, ging hij voord, ik vermaak mij menigmaal met dien ouden schrijver; +want hij verhaalt dan klugtige dingen, die in het laatst der achttiende +eeuw, in de letter waereld, en althands in den Boekhandel, voorvielen. +Begrijp eens, men gaf eindelijk naauwlijks vier of zes regels op een +blad; en al de waarde der boeken bestondt eindelijk daarin, dat zij op +het keurigst fijnst papier, en met overschoon gesneden letters, gedrukt +waren; want zo zeer was in 't begin der XIXe. eeuw de smaak reeds +vervallen, dat men niet vroeg _wat nut eenig boek behelsde_, maar _met +wat letter, en op welk papier 't gedrukt ware_? ook werden 'er daaglijks +in de nieuwspapieren de belagchelijkste advertentiën aangekondigd, +verscheide Boekverkoopers schreeuwden in de nieuwspapieren, als +kwakzalvers op de markt: _Hier moet ge weezen! Is 'er iets dat in een +Christelijk Huisgezin onontbeerlijk is, het is dit of dat werk, dat voor +zo veel te bekomen is_, of _daar in deze tijden, elk mensch niet leeven +kan, zonder eenige kennis, van vreemde landen te hebben, zo is die +of die Boekhandelaar teraade geworden, deze of die Reisbeschrijving +uittegeeven_, eindelijk ging 't zo ver dat dit hevig dringend noodigen +krachteloos geworden zijnde, men ten laatsten de menschen met geweld de +boeken opdrong, en in huis wierp, en op 't eind des jaars de reekening +'er van dwong te betaalen; ja de boeknegotie werdt, op 't laatst, van +eene bedelaarij een rooverij; maar toen begon 't geldgebrek ook algemeen +toe te neemen, en wij geraakten allengskens in de gesteldheid waarin wij +ons thands bevinden. + +_Ik._ Maar zijn 'er thands geen geleerden, die de werken van andere +schrijvers beoordeelen; het fraaije daarin aanwijzen, en het gebrekkige +berispen? + +_De Kunstkenner._ Waartoe zou dit toch dienen? + +_Ik._ Wel, om den bekwaamen schrijveren aantemoedigen, en den +onbekwaamen te leeren. + +_De Kunstkenner._ Maar wie zou dat toch beslissend durven onderneemen; +die zoude zig dan immers voor den bekwaamsten moeten houden? + +_Ik._ Ja; maar zo een werk zoude juist niet door één' schrijver alleen +vervaardigd moeten worden: men neemt in zo een geval, een geheel +gezelschap geleerden, die elk voor het vak, waarin hij door geleerd is, +oordeelen; althands zo gaat het bij ons. + +_De Kunstkenner._ Kunnen de lieden tot uwent dan zelve niet verstaan of +beoordeelen, wat zij leezen? Dat moeten wel botte lieden zijn, die +noodig hebben, dat anderen hun zeggen, _wat ge daar nu leest is goed; +maar wat ge daar leest deugt niet_. Zij kunnen dit immers zelve wel +zien. + +_Ik._ Neen vriend! daar scheelt 't hem juist aan; de groote hoop van +leezers weeten tot onzent niet of 't geen zij leezen, gezond menschen +verstand bevatte, ten zij, dat ze dat door gezag van anderen hooren +bevestigen. + +_De Kunstkenner._ En zoo 't geen de beoordeelaar verwijst nu eens den +leezer redenlijk wel bevalt, of zelfs fraai voorkomt, hoe dan? Moeten de +leezers zig dan toch aan 't oordeel van die Beoordeelaars onderwerpen? +Is dat mooglijk zo een wet tot uwent? + +_Ik._ Wel neen! Elks oordeel is vrij, en de berispte schrijver wreekt +zig ook niet zelden, vrij hevig; maar wordt dan weder zo fel, door de +Beoordeelaars beantwoord, dat hij somtijds zijn' goeden naam en +Kunstroem in de samenleeving verliest. + +_De Kunstkenner._ En zorgen de openbaare wetten, daar niet voor, dat de +eene burger, den ander niet zodanig onteeren kan? + +_Ik._ Voorzeeker, 'er zijn goede wetten tegen hoon dien men elkander +aandoet; maar dan moet de hooner bekend zijn. + +_De Kunstkenner._ Wel, die is dan immers bekend; ja zelfs algemeen door +den druk bekend? + +_Ik._ Wel neen, die Beoordeelaars maaken zig niet bekend. + +_De Kunstkenner._ Maaken die zig niet bekend! durven ze dan mooglijk +niet voor hun oordeel openbaar uitkomen? + +_Ik._ Men zegt niet gaarne iemand zo openbaar de waarheid; immers men is +'er niet gaarne voor bekend; want somtijds berispt men wel persoonen op +'t allerhevigst, waarmede men daaglijks als vriend omgaat. + +_De Kunstkenner._ Wat zegt ge daar! Neen; dank zij den schenker van alle +verstand, dit gebruik is bij ons niet bekend; niemand mag iets zonder +zijn' naam uitgeeven, en niemand verlangt het ook te doen; want elk +mag hier spreeken en schrijven gelijk hij denkt; en dat kan ook onder +ons plaats hebben; want niemand denkt iets dat hij niet zou durven +zeggen, en in plaats van eens anders werken te berispen, schrijven +onze geleerden zelve; wanneer 'er, bijvoorbeeld, eens een of ander +werk uitkomt; dat, na 't oordeel van een' of anderen geleerden, te +onvolmaakt, te zwak, of te gebrekkig is, wel! dan houdt die zig niet +op, met het zelve te berispen, maar schrijft over dat zelfde onderwerp, +terstond, na zijn bevatting, een ander werk, en maakt zelfs in 't geheel +geen gewag, van den anderen schrijver; dan besluit de leezer zelve, wat +beter is, en dat dan ook beter is, heeft den meesten aftrek, zo gaat het +althands bij ons daarmede; wel dat moeten bij u dan wel nijdige en +verwaande geleerden zijn. + +_Ik._ Neen, dat ontstaat bij ons niet altijd uit nijd of verwaandheid; +maar om dat de uitgeevers dezer Beoordeelingen nog al wat meer aan de +schrijvers derzelve, als voor ander Boekwerk kunnen geeven; om dat +'er zeekerlijk altijd goeden aftrek van is; inzonderheid als ze wat +steekelig zijn. Dit noodzaakt ook den Boekverkooper, om zodanige boeken +liever dan andere werken te onderneemen; want als zo een geschrift eens +in den smaak komt, en als 't maar in 't begin wat hevig geschreeven is, +kan dat niet missen; wel nu, dan heeft de Boekverkooper 'er een zekere +vastigheid aan, waar op hij jaarlijks reekenen en staat maaken kan; want +'t meeste wat bij ons in den Boekhandel gebeurt, geschiedt _lucri ergo_. + +_De Kunstkenner._ Dan mag men tot uwent, met recht, het _auri sacra +fames, quid non mortalia pectora cogis_, over dien handel, uitroepen. +Schrijven dan de aucteurs tot uwent om geld?--Wel heden, dat moet al +wonderlijk toegaan! Moet dan hun geest juist vaardig zijn, als de maag +leeg is? + +_Ik._ Wel dan juist studeert men met het beste gevolg. + +Maar ik ben verwonderd geweest, dat de Boekverkooper wiens winkel ik +bezogt, niet eens van rijmwerken of rijmen wist? Zijn 'er dan geen +Poëeten meer hier te lande? + +_De Kunstkenner._ Ja, ik begrijp 't zeer wel, wat ge met rijmen en +rijmwerken bedoelt, meent ge niet die werken, welker regels zo veel +als met dezelfde letters eindigen. Ja, Ja, ik verstaa u wel. O, dat is +geheel uit den smaak: ik wil wel gelooven, dat de Boekverkooper dien +niet kende; men moet al vrij gestudeerd hebben, om daar een denkbeeld +van te maaken, en ge moet denken, die lieden welke de boeken verkoopen, +zijn juist allen geen geleerden of _antiquarii_. Neen; zoo 'er al eens +een Poëet onder ons opstaat, dat in geene jaaren gebeurt; want iemand +die geen natuurlijke geschiktheid tot groote verbeeldingskragt heeft, +schrijft geen Dichtwerken; nu dan, als 't al eens gebeurt, dan schrijft +zo een Dichter na de maat die zijn hartstocht of verrukking hem aan de +hand geeft; doch het gebeurt zeer zelden; hij moet dan ook daar bij de +nooten stellen, welke dienen moeten om zijne gedichten wel, en in zijn +gevoel, te leezen; want al onze Poëzij is met zekere muziek verzeld, en +wordt gezongen. Gelijk ook bij de Grieken en Romeinen gebeurde, anders +zoude ons de cadans, die 'er in plaats heeft, ontslippen, of in een lang +gedicht, wel dra verveelen. + +Ik twijfel echter of ge mijne meening wel vat; want ge moet 'er u zeeker +geen juist denkbeeld van kunnen maaken, als aan 't Rijm te zeer gewoon +zijnde. Deze soort van Gedichten als bij ons nog enkel voorkomen, +konden ook vóór veele eeuwen, en in een land als 't uwe, waar nog veel +behoeften zijn, niet ontstaan; 't is bekend wat HORATIUS, in zijn +Dichtkunst, daar reeds over gezegd heeft. _Wanneer de Goudzucht eens een +volk ingenoomen heeft, kan geen onsterflijk dicht meer uit hun +voortkomen_.[19] + +[19] _-- Ad hæc, animos aerugo & cura peculi + Quum semel imbuerit, speramus carmina fingi + Posse linenda cedro & levi servanda cupresso?_ + + _De arte Poetica._ + +_Ik._ Men zal toch zeekerlijk wel sierlijk bewerkte Redevoeringen onder +u kennen? + +_De Kunstkenner._ Ja, men doet zeekerlijk thands dikwijls openbaare +Redevoeringen; want 'er is weeklijks een bijeenkomst in de hooge en +laagere zedeschool, waarin bekwaame Redenaars de beoefening der deugd, +en de gevolgen van ondeugd, krachtig voordraagen en aanprijzen. +Dit geschiedt, of bij wijze van Redevoeringen, of bij wijze van +samenspraaken, even als de aloude Tooneelspellen; want ons laagere +zedeschool is ook tevens ons Tooneel; doch ik weet niet, dat de +Redenaars daartoe zekere kunstregelen volgen: zij spreeken 't geene bij +hun opkomt, en zo als eene gezonde _Logica_ voorschrijft; want zij +zoeken hunne toehoorers niet met schijn te misleiden. + +_Ik._ Beoefent men dan de Redeneerkunst, of _Rhetorica_ niet meer; +bijvoorbeeld leert men niet, hoe men zijn reden opsieren en bevallig +voordraagen moet, en hoe de gebaarden, bij de uitspraak, te maaken zijn? + +_De Kunstkenner._ Neen! om dat deel der _Rhetorica_ denken wij niet. +Men weet door de _Logica_ immers wel, als men iets wil voordraagen, dat +men 't een niet voor 't ander, of verward, of verkeerd, of met oneigene +woorden doen moet; en wat de gebaarden betreft, die worden door de +natuur zelve geleerd; wij zien niet eens gaarne veel gebaarden op den +Redeneerstoel maaken; alzo die den aandacht veel te veel afwenden. + +_Ik._ Gij hebt daarin zeeker geen ongelijk; maar ik bedoel juist geene +openbaare Redevoeringen; maar wel bijzondere voorleezingen, gelijk tot +mijnent veel plaats hebben; men komt tot onzent niet bij elkander, of +men leest iets voor, of doet een kleine Redevoering, over 't een of +ander onderwerp; althands in zulke gezelschappen, waar niet _geömberd_ +wordt. + +_De Kunstkenner._ _Geömberd?_ wat is dat? + +'t Berouwde mij, dat ik mij dat woord had laaten ontvallen; want ik wist +niet, hoe ik dezen goeden man, met mooglijkheid, eenig denkbeeld van 't +_à l'hombre_ spel zou kunnen geeven; ik moest toch wat antwoorden, en +zeide: + +Ik zal u zeggen, _à l'hombre_ of _Ombren_, in de wandeling, is een spel +dat men zittende met elkander speelt, en bestaat in het op de tafel +werpen, van beschilderde blaadjens papier, sommigen derzelve zijn met +heele monstreuse beelden beschilderd, met twee hoofden, vier armen, en +twee buiken; deze beelden zijn uit de oude en nieuwere tijden ontleend, +althands men heeft ze naamen uit de gewijde en fabel geschiedenissen +gegeeven; bijvoorbeeld: Koning DAVID en HECTOR, CHARLEMAGNE en HELENA; +PENTHAMEE en LUCRETIA, onder anderen is 'er een beeld bij, dat heet +CIPRI ROMAN; maar ik kan u betuigen, dat zelfs de ervaarendste +_omberaar_, tot heden, nog niet weet wat dat beduidt; de overige +blaadjens zijn met _ruiten_ of met _klaverblaadjens_, of met _hartjens_, +of met een figuur in de gedaante van een _schupjen_ betekent, en +_schoppen_ genoemd; nu, om dan voorttegaan, als men dan aan elk wat van +die blaadjens in de handen gegeeven heeft, dan begint men ze na vervolg +neder te werpen, en aan het eene blaadjen meer waarde gegeeven zijnde, +dan aan het ander, dan is het gevolg, dat hij die de meestwaardige +kaarten in handen gekreegen heeft, overwinnen moet, en al de andere die +nedergelegen worden, naar zig kan haalen. + +_De Kunstkenner._ En wat gebeurt 'er dan verder? + +_Ik._ Wel! dan is het spel uit, en men geeft elkander geld. + +_De Kunstkenner._ Geld! Ik meende dat ge zo even zeidet, dat het een +spel ware? + +_Ik._ Wel ja! ja, een spel; maar men speelt om geld. + +_De Kunstkenner._ Zo! heet men dan al wat tot uwent om geld gedaan +wordt, _speelen_? Nu zo, dat is iets anders: als de Bakker dan brood +bakt, speelt hij dan? + +_Ik._ Wel neen! zo moet ge 't niet begrijpen? De Bakker geeft voor geld +zijne waaren, die hij, om ze in staat te stellen van gebruikt te worden, +bewerken moet; men noemt zulke ruilingen van goed voor geld, geen spel; +maar als men elkander iets geeft, uit hoofde van een, vermaakshalven, +ingebeelde schuld, dan noemen wij dat speelen. + +_De Kunstkenner._ Nu begrijp ik u, dan is 't alles maar _vermaakshalven_ +zo uitgedagt, men zal dan zeekerlijk, als men ophoudt met speelen, +elkander 't geld weêrom geeven! + +_Ik._ (Verlegen met 's mans botheid van begrip) Wel zeeker niet! daar +zou de winnaar wel degelijk tegen hebben: begrijp dat sommige speelers, +geduurende het spel al vrij wat omzetten; veel verliezen of veel winnen +kunnen, na dat de speel prijs onder hen hooger of minder is bepaald, +en de fatsoenlijkste lieden stellen dien prijs zo hoog mooglijk is; +want, na maate men grover speelt, wordt men vermoogender gehouden; +bijvoorbeeld, zoo ik 't geld na uwe waarde schat, dat is driemaal +zo min dan 't bij ons geschat wordt, dan gebeurt het dikwijls dat de +middenclasse, die wij den Burger noemen, somtijds op een' avond een +veertig stuivers wint of verliest, welke men veel naauwkeuriger betaalt, +dan zulke schulden waarvoor men zijne waarde genooten heeft; want dit +heeten wij _schulden van eer_, en het gebeurt dikwijls dat de bakker +en slagter, voor hunne geleverde waaren, niets ontfangen; terwijl men +driemaal zo veel als zij te vorderen hebben, om niet, en uit hoofde van +die ingebeelde Eerschulden, aan elkander betaalt. + +_De Kunstkenner._ Maar mij dunkt, dit strijdt tegen alle recht. Zorgen +daar dan de wetten van uw land niet tegen? + +_Ik._ Ja, dat doen zij voorzeeker; zo dra iemand, bijvoorbeeld, bij ons +niets meer heeft om te betaalen, verliest hij zijne vrijheid, en wordt, +op kosten zijner schuldeischers, in de gevangenis onderhouden. + +_De Kunstkenner._ Zo, dan zal hij daar met eenig algemeen nuttig werk, +iets verdienen, waarvan hij eindelijk zijn schuld voldoen, en zig weder +vrijmaaken kan. + +_Ik._ Neen! och neen! daar toe is in die gevangenissen geen de minste +gelegenheid. + +_De Kunstkenner._ Ei zie, dat is dan dunkt mij eene zeldzaame gewoonte. +Ik bevat juist nog niet, wat voordeel de schuldeischer daar bij hebben +kan; doch, wat zal men zeggen, men kan zo oppervlakkig niet over de +gewoonten en zeden van een vreemd land oordeelen.--Maar dat kan ik u +echter berichten, dat het hier geheel anders toegaat; want 't is bij +ons zo eene groote schande meer te verteeren, dan men vermoogend is te +betaalen, dat het slegts in veele jaaren enkel eens gebeurt, en dan nog +geschiedt dit ongeluk niet door zulke zonderlinge ingebeelde schulden +als het spel; maar door onvoorziene rampen, en in die gevallen treedt +de geheele streek, waar zo een ongelukkige woont, toe; elk geeft een +beuzeling en hier mede is de verarmde persoon gered, en niemand lijdt +'er eenige schaade bij. Zoo 'er al iemand het 'er op toe wilde leggen, +om, voorbedagt, anderen te benaadeelen, zoude hij dit onmooglijk uit +kunnen voeren; want men zoude hem daarin niet toegeeven; daar het bij +ons eene gewoonte is, om, zonder geld of ruiling, niemand iets van 't +onze aftestaan, 't geen ook niet behoeft, daar elk van zijnen grond zijn +bestaan vinden kan. + +_Ik._ Nu, dat is ook geheel iets anders, als in landen waar veel +Koophandel gedreeven wordt; want daar moet ook veel _credit_ gegeeven +worden; daar zijn de meeste bezittingen denkbeeldig; immers een koopman +moet ten minsten tweemaal zo veel credit dan vermoogen hebben; maar hebt +ge dan hier geenerleije spellen? + +_De Kunstkenner._ Ja wel; maar men speelt slegts voor vermaak en +gezondheid: wij hebben verscheiden bal-kaats- en lighaamsoefenende +spellen; maar nooit denken wij om elkander geld aftewinnen. 't Spel is +immers geen kostwinning? Maar, daar wij van 't spel spreeken, moet ik u +eens even iets laaten zien, waar over hier zeer sterk onder de geleerden +getwist wordt: sommigen houden het voor een spel, en anderen weder +voor afgodsbeelden der ouden, en wel van sommige half beschaafde, half +onbeschaafde volken, die men zegt dat in de XVIIIe. eeuw in 't hart van +Europa gewoond hebben. + +Hij vertoonde mij daarop een doos, waarin, onder andere niets +beduidende snuisserijen, ook beeldjens van dieren van goud, zilver, en +met Juweelen omzet, lagen, als Elephantjens, Penningjens, Lammetjens, +Kruisjens, Sterretjens en andere kleinigheeden, welke ik weldra voor +Ridderordes erkende. Terwijl ondertusschen de Kunstkenner voortging, +dus te redeneeren: zou 'er aan die prulletjens nog al wat gelegen zijn, +dunkt u? Ik heb al in den wil geweest, om ze mijn kinderen te geeven, om +mede te speelen; maar als 't waar is, dat het oude afgoden zijn, is 't +nog al der moeite waardig om ze te bewaaren. + +Ik zeide daarop dat het juist geen afgoden waren; maar dat 'er echter +bij mij te lande nog groote eer aan beweezen wierde, en dat iemand die +zo een Lammetjen, Kruisjen, of Penningjen mogt draagen, al vrij wat +aanmerklijks ten dienste des lands moest verricht hebben, ten minsten +dat zijn voorouders een' aanmerkelijken dienst aan 't land moesten +gedaan hebben. + +_De Kunstkenner._ Wel is 't mooglijk! Nu dat is toch ook al raar; dan +zijn 't zo veel als tekens, om iets te kunnen onthouden; zo? Dan was +'t zeeker om dat men die groote daaden anders vergeeten zou, als men +ze zich niet door zo een figuurtjen herinnerde; wel nu, dan zal ik ze +bewaaren: moogelijk is dit Elephantjen dan ter gedagtenis dat iemand die +beesten 't eerst ontdekt heeft; dit Lammetjen zal dan voor iemand die +het gebruik der wol verbeterd, en dat Sterretjen mooglijk voor iemand +die een nieuwe Planeet ontdekt hadt, geschikt geweest zijn; zo, nu zal +ik ze wel trouw bewaaren. + +_Ik._ Goede vriend! neen, 't is 'er juist zo niet mede gelegen, als ge +wel meent; want deze figuurtjens werden veeltijds door lieden gedraagen +die noch van natuurlijke Historie, noch van Koophandel of Sterrekunde +iets wisten; hun herkomst is ook van een gantsch anderen aart; doch ik +kan u verzeekeren, dat ze meestal voor krijgsverdiensten door de Vorsten +gegeeven werden, en die ze droeg was zeekerlijk bij 't gemeen in groote +achting, al ware hij ook nog zo bot; maar ze zijn toch aan goud, zilver +en juweelen veel waardig. + +_De Kunstkenner._ O, als 't anders niet is, dan zal ik ze maar aan mijn' +kleinen jongen geeven; want goud, zilver en juweelen zijn bij ons zaaken +van zeer weinig waardij.-- + +Ik stond zeer verwonderd over de koelheid waarmede de Kunstkenner deze +kleinoodiën behandelde, en besloot mijn bezoek met deze woorden: +inmiddels danke ik u wel zeer voor uwen vriendelijken ontfangst, in +hoope dat ik u toch niet van noodiger bezigheeden afgehouden zal hebben: +ik wilde nu nog gaarne eens een Regeerings persoon gaan bezoeken; zoo +'er hier kort bij een mogt woonen; want behalven dien Vader des lands, +zullen 'er immers zeekerlijk ook nog wel andere Regenten zijn. + +_De Kunstkenner._ Voorzeeker, maar ge zult ze thands niet tot hunnent +vinden; want ze zullen allen ter schoole zijn. + +_Ik._ Ter schoole! Regenten gaan bij u nog school? waar gelijkt dat nu +weêr na? + +_De Kunstkenner._ De Regenten gaan niet meer school; maar zij moeten des +naademiddags in de schoolen tegenwoordig zijn; om dat de jeugd onder hun +eigen opzicht opgevoed en onderweezen wordt. + +_Ik._ Zo! dan zijn uwe Regenten een soort van Atheensche _Ephoren_? Nu +ja, dat is zeer prijsselijk; want de kinderen zijn toch het toekomend +geslacht; 't komt 'er dus wel zeer op aan, dat een goede Regeering een +naauwkeurig opzicht op derzelver onderwijs en opvoeding draage. Ik ben +waarlijk verheugd dit te verneemen; men wordt immers in de schoolen +toegelaaten? + +_De Kunstkenner._ Eenen vreemdeling wordt hier nergens toegang +geweigerd; men behoeft hier geen schatten te verbergen, die de hebzucht +gaande kunnen maaken; al wat wij hier bezitten kan elk weldenkend volk +zig eigen maaken. Wij hebben hier alleen goede wetten, veel lust tot +weetenschappen en te vredenheid met onzen staat. + +_Ik._ Wel nu, mijn voorneemen was ook, naa een bezoek bij u afgelegd te +hebben, de schoolen, immers een derzelve, eens te gaan bezichtigen; ik +zal daar tevens uwe Regenten vinden, die ik toch mede gaarne eens +aantroffe? + +_De Kunstkenner._ 't Zal uw tijd worden, als ge de school nog wilt zien; +want zij zal welhaast geëindigd zijn. + +Ik nam, op deze waarschuuwing, terstond mijn afscheid, van den beleefden +Kunstkenner, en ging weder met mijnen Geleider op weg. Toen wij een +eindjen weegs gegaan hadden, brak mijn Geleidsman het zwijgen, en zeide: + +Wij zijn hier reeds digt bij de school; maar, eer wij 'er ingaan, +moet ik u nog waarschuuwen, dat gij de persoonen, welken het bestuur +aanbetrouwd is, geen _Regenten_ noemt; wij noemen hen alleen _Oudsten_; +want 't zijn in de daad, in alle onze vlekken, de bejaardsten uit het +vlek; want hoewel elk inwooner tot dit bestuur gerechtigd is, worden +doorgaandsch de bejaardste lieden, daarmede voorzien; mids zij nog in +staat zijn, dien gewigtigen post waarteneemen. + +Ik dankte mijnen Geleider voor zijn bericht; terwijl wij reeds in eene +ruime wooning binnen traden; deze was de school zelve: zij was in vier +onderscheidene vertrekken verdeeld; in elke dier vertrekken zaten twee +dier Oudsten, in een verheven gestoelte, terwijl de onderwijzers een +weinig laager geplaatst waren. De leerlingen welke hier van de jongste +waren, kwamen mij niet onder de zeven, en niet boven de negen jaaren +voor. Ik vond hen bezig met, aan een der tafels, de letters te leeren, +terwijl men aan eene andere reeds een weinig verder met spellen en +leezen gevorderd was, en aan een derde tafel werkelijk een' aanvang met +schrijven maakte.--Wij wandelden deze school, waar, tegen de gewoonte +der kinderschoolen, een groote orde en stilte heerschte, langzaam door, +en kwamen in de tweede school, hier vonden wij alles op dezelfde wijze +ingericht; de leerlingen waren hier van tien tot veertien jaaren; aan +een der tafels, zag ik, gaf men onderwijs in de taal, die in gebruik +was; naamlijk in het schrijven van een' goeden stijl, en in de +letterkundige regelen der taal; aan een tweede tafel was men bezig om +het Latijn en Grieksch te onderwijzen; voor zo verre deszelfs beginselen +betrof, hier werdt van buiten geleerd; doch de kinderen leerden in +stilte, voor hun zelven; een derde tafel was geschikt voor hun die +reeds Latijnsche opstellen konden vervaardigen, en aan een vierde tafel +werden Latijnsche Aucteuren geleezen en geëxpliceerd; CICERO was om zijn +zuivere taal en SENECA, om zijne zedekunde, hier in gebruik.--Dichters +vond ik hier niet.--In de derde school zag ik jongelingen van zestien +tot achttien jaaren, deze waren aan een tafel bezig met zig in de +wiskundige weetenschappen te oefenen, terwijl aan een tweede tafel de +Redenkunde of Logica, en aan een derde de beginselen der zedelijke +wijsbegeerte onderweezen werden. Eindelijk in de vierde school, +waarin ik jongelingen van achttien tot twintig jaaren vond, werden +de Proefondervindelijke Natuurkunde en de kennis van de wetten en +constitutie der Regeering op verschillende dagen onderweezen; zo dat +reeds deze school den dienst van eene Academie, wat betreft de zedelijke +wijsbegeerte, doen konde, en de jongelingen in alle, meest tot het leven +noodige, vakken der geleerdheid bekwaam gemaakt konden worden. + +Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met +de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las +dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist +gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende +het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten, +welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking +bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande +daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van +huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden +of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen +de Burgerlijke of _Civile_ wetten geweest zijn, die ik heb hooren +voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook _Crimineele_ wetten +hier in gebruik? + +_De Oudste._ O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel, +wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele +wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen +tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij +alleenlijk _civile_ schikkingen, en geen _crimineele_ wetten noodig +hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen +toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot +niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in +elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen +zoeken. _Want hier door_, zegt JUVENAAL, _ontstaan gemeenlijk de +oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed, +heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de +felle trek tot onmaatige middelen_.[20] In één woord, dat wij waarlijk +verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt, +verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo +veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende +kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft +niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver +bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in +voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen +ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij +ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar +ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den +eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan, +geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden +weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen, +ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een +ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen, +met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat +werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al +misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle +slegts op het _mijne en uwe_ gegrond waren[21]. Nu, waar de oorzaaken +ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze +voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen +ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij +dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende +oorzaaken, bezigen? + +[20] _Inde fere scelerum causae, nec plura venena + Miscuit, aut ferro grassatur sæpius ullum + Humanæ mentis vitium, quam sæva cupido + Indomiti census._ + + JUVENALIS _Sat._ XIV. + + De Apostel PAULUS zegt mede, zeer juist: _de gierigheid is de + wortel van alle kwaad_. + +[21] Vergelijkt hier mede den 11den Zendbrief van den Apostel PAULUS aan + _Thimotheus_ vers 1-9. ingesloten. + +_Ik._ Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige +middelen ontbeerd kunnen worden. + +Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de +heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit: + + _Magnus ab integro sæclorum nascitur ordo, + Jam redit et virgo redeunt Saturnia regna; + -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- + Talia sæcla suis dixerunt currite fusis, + Concordes stabili fatorum numina Parcæ!_[22] + +[22] Dus door VONDEL in Neêrduitsche dichtmaat gebragt: + + -------- -------- Nu komt, zonder land geschil + En strijdt, een lange rij van eeuwen aangetogen, + Saturnus eeuw en maagd Astræa komt gevlogen. + -- -- -- -- -- -- -- -- + De Schikgodinnen, die eenstemmig 't vast besluit + Van 't noodlot sterken, en bestemmen, riepen luit, + O, spillen! vaart al voort, en spint ons zulke tyden. + +Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen. +Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart +zijn.--Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten, +misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt +mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden. + +_De Oudste._ Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart +verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De +menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn +zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele +booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist +dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden +en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze +inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel +kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige +hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat +gevolg van het _mijne_ en _uwe_ bij ons verdweenen.-- + +_Ik._ Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen' +invloed hebbe. + +_De Oudste._ Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een +ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen +juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht, +en wandaaden maaken. + +_Ik._ Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden +wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van _Toorn_, _Liefde_, +enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen +geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat +uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden; +anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken. + +_De Oudste._ Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten +onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve +tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch +te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze +regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een +ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd +mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte +Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren. + +_Ik._ Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder +de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe? + +_De Oudste._ Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter +schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden +arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die +ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde +jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en +speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in +schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der +nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde, +onderweezen. + +_Ik._ Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne +verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen +Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken? + +_De Oudste._ Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan? +maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve +leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat +vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en +staaten geweest is, te weeten het _kerkelijk gezag_, is bij ons niet +bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands, +benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen +zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame +voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd +heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen +in 't geheugen te prenten. + +_Ik._ Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene +Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten? + +_De Oudste._ Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel +_Theologanten_, immers de waare _Theologie_ is onveranderlijk. Mijn +voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan +afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven +over zijne leer onderhouden. + +Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de +Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn +hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet, +ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten +aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben; +vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij +hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een +eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen +van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste +vong het gesprek aan. + +_De Oudste._ Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening +omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen. + +_De Leeraar._ Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig +licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende) +verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en +blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij +prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den +alouden POPE in. _Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet +dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid +God_[23]. + +[23] _Hope humblij then; whit tremblung pinions soar; + Wait te great teacher Death; and God adore._ + + _Essai on Man. Ep. I._ + +Want de oude SCALIGER zegt, met reden: + + _Nescire velle quod magister optimus + Docere non vult erudita inscitia est._ + +Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is +regt geleerde onweetenheid. + +_Ik._ Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen +denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of +wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter +en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te +verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van... + +Hier werd ik gestoord... + +Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding, +terug.--Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste +navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige +waarheid ontwaaken. + +[Decoratieve illustratie] + + + + +NAAREDE + + +De bedoeling dezer _Mymering_ is alleenlijk, om, door de beschouwing +der aanmerkelijke voortgangen van den Wijsgeerigen geest, onder het +menschdom, deszelfs uitwerkselen, naa een lang verloop van eeuwen, door +eene waarschijnelijke gissing, uit te vorschen; men zoeke dus in dezelve +geene toespeeling op bijzondere zaaken of persoonen; dit zoude het +oogmerk des Schrijvers verre gemist zijn.--De geheele grondslag van al +wat in dezelve gezegd wordt, is alleenlijk, dat het menschdom uit de +wijsgeerige beschouwing van alle dingen, mooglijk eens dien trap van +waare beschaaving zal bereiken, waarin het zijn waare behoefte zal +weeten te onderscheiden van beuzelachtige overtolligheeden, welke het +eerst als onmisbaare behoeften aan zag; wat nu anders zijn de waare +behoeften van de onsterffelijke ziel, dan alleen de kennis van verheven +Waarheeden en zulke Weetenschappen, welke ons de grootheid van den +Schepper in toeneemenden luister voorstellen. Eenmaal gesteld zijnde, +dat het menschdom, door trapsgewijze vordering in kennis, deze hoogte +bereiken kan, volgt daar uit noodzaakelijk, dat het, die bereikt +hebbende, eene geheel andere richting in zijnen smaak en begeerten +ondervinden zal; alle beuzelachtige overtolligheeden, waarin niettemin +de grondaanleiding gegeeven is tot de ongenoegens, die het menschelijk +leven en de samenleeving zo zeer verbitteren, en aanleiding tot allerlei +wandaaden in de maatschappij geeven, zullen dan door den mensch +misacht, en eindelijk geheel vergeeten worden. 'Er zal eene geheel +wijsgeerige eeuw ontstaan, welke ook in den smaak voor schoone kunsten +en weetenschappen den toon geeven zal;----maar deze groote verandering +in zeden en denkwijzen moet noodzaakelijk voorgegaan worden, door +eene, boven de mooglijkheid van vervulling stijgende, begeerte van +het menschdom, elk volk zal zig eerst toeleggen om zijn nabuuren +te overtreffen, in de bezitting der schijngoederen, wier aantal de +weelde en onverzadelijke begeerte gestadig doen aangroeijen. Deze +algemeene drift naar schijngoederen zal derzelver bezit, hoe langs hoe +bezwaarlijker maaken, daar ze, onder zo veele begeerigen, slegts schraal +zullen kunnen verdeeld worden. Het gemis derzelver zal eindelijk den +mensch noodzaaken, om dezelve te verachten en tot de kennis dier groote +waarheid te geraaken, dat de Natuur slegts zeer weinig behoeft.--Of nu +wel dertien Eeuwen genoegzaam zijn om die leer voortteplanten en te +bevestigen, laat ik daar; dit tijdperk is slegts gekozen om eene zekere +bepaaling te kunnen daar stellen.--Niemand stoote zig aan de stelling +dat ons Land naa dertien Eeuwen, wel geheel van gedaante veranderd +zou kunnen zijn; dat de Stad Amsterdam, mogelijk dan slegts een +twijffelachtig geheugen van derzelver voormaalige ligging zoude kunnen +naagelaaten hebben; want men gaa slegts 1300 Jaaren terugge, en zoeke +thands Steden, die toen in vermoogen bloeiden en maake het besluit zelve +op; alleen de Dichter mag een eeuwig bestaan en voortduurenden groei, +aan, in den aart wisselvallige, zaaken belooven; de Wijsgeer besluit +uit de overeenkomst der dingen tot eene gestadige verwisseling en +voordduurende onbestendigheid.----Al wat voords omtrent de verwisseling +van smaak in de schoone kunsten, als zijn Schilder-, Toon- en +Dichtkunst gezegd is, rust mede op den voet van eene eenvouwige +wijsgeerige beschouwing der dingen; welke allen het waarlijk nuttige en +verstandelijke als onveranderlijk, maar het oogenbliklijk streelende en +zinlijke als gestadig verwisselend erkent.--De weinige trekken, welke +hier en daar op de thands dreigende verbastering van smaak in de schoone +kunsten, als ook over sommige thands in den smaak zijnde gebruiken, +voorkomen; zijn slegts om de redeneering te verleevendigen, en den +aandacht der Hooreren bezig te houden 'er ingevlochten, en hebben +mede geene bijzondere toespeeling; ja, zijn zelfs met voordagt, en +om te sterker te treffen, boven den aart der zaake overdreeven: +verre is 't van mij, te willen stellen, dat wij thands geen Kunstenaars +van zuiveren en waaren smaak in elk vak zouden bezitten; verre van +ons is 't den staat der tegenwoordige inrichting der Maatschappij te +willen berispen; zij is onderworpen aan omstandigheeden, door welke +derzelver houding onvermijdelijk bepaald wordt: met de verandering dier +omstandigheeden kunnen ook derzelver uitwerkselen geheel van gedaante +veranderen.----Dit, waarde Leezer! is alleen 't gene ik omtrent de +bedoeling van dit werkjen, ten einde alle verkeerde toepassing voor te +komen, nog te berichten hadde; mooglijk zal ik eene nadere recensie en +verdeediging over sommige daarin voorkomende bijzonderheeden, des noodig +oordeelende, zelve het licht doen zien. + +[Decoratieve illustratie] + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: wat lapten, brak en weder een andere | + | C: wat lapten, brak er weder een andere | + | B: _De Wijsgeer,_ ô, Dan zult | + | C: _De Wijsgeer._ ô, Dan zult | + | B: GASSENDUS, NEWTON MUSSCHENBROEK, | + | C: GASSENDUS, NEWTON, MUSSCHENBROEK, | + | B: Ja wij heb- Telescoopen uitgevonden, | + | C: Ja wij hebben Telescoopen uitgevonden, | + | B: zonnen kun- onderscheiden; en | + | C: zonnen kunnen onderscheiden; en | + | B: 2090. | + | C: 2110. | + | B: _Etuis_, _odeurs_ _bonbons_, en | + | C: _Etuis_, _odeurs_, _bonbons_, en | + | B: Genootschap aldaar_ Ao. 2090. | + | C: Genootschap aldaar_ Ao. 2150. | + | B: nieuwe goed gesteld zijn gij kunt | + | C: nieuwe goed gesteld zijn, gij kunt | + | B: deze plaats van _Juvenalis_: | + | C: deze plaats van JUVENALIS: | + | B: sumere_[18] Op deze wijze kunnen | + | C: sumere._[18] Op deze wijze kunnen | + | B: verdichte stukken bevallen om | + | C: verdichte stukken bevallen ons | + | B: bij de uitspraak, te maaken zijn. | + | C: bij de uitspraak, te maaken zijn? | + | B: _Ik_ Gij hebt daarin zeeker | + | C: _Ik._ Gij hebt daarin zeeker | + | B: wetten van uw land niet tegen. | + | C: wetten van uw land niet tegen? | + | B: in de gevangenis onderhouden? | + | C: in de gevangenis onderhouden. | + | B: dien gewigtigen post waarteneemen | + | C: dien gewigtigen post waarteneemen. | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het toekomend jaar drie duizend, by +Arend Fokke Simonsz + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET TOEKOMEND JAAR DRIE DUIZEND *** + +***** This file should be named 37117-8.txt or 37117-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/1/1/37117/ + +Produced by Hendrik Weltevreden, André Engels and the +Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net +(produced from scans from Early Dutch Books Online & +Koninklijke Bibliotheek, The Hague). + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
