summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/36381-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '36381-8.txt')
-rw-r--r--36381-8.txt4431
1 files changed, 4431 insertions, 0 deletions
diff --git a/36381-8.txt b/36381-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..be2486e
--- /dev/null
+++ b/36381-8.txt
@@ -0,0 +1,4431 @@
+The Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Op de Levensreis
+
+Author: Various
+
+Release Date: June 11, 2011 [EBook #36381]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
+ | |
+ | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven |
+ | als »aanhalingstekens«. |
+ | |
+ | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
+ | e-boek op http://www.gutenberg.org |
+ | |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+OP DE LEVENSREIS
+
+[Illustratie]
+
+
+
+
+ Op de Levensreis
+
+ Bijdragen van Dr. J. A. Cramer,
+ Dr. J. H. Gerretsen,
+ Dr. F. van Gheel Gildemeester,
+ P. J. Molenaar, J. C. Schuller,
+ H. A. C. Snethlage,
+ A. J. A. Vermeer,
+ W. L. Welter
+
+
+ 1915
+
+ Uitgave van G. J. A. Ruys te Utrecht
+
+
+ GEDRUKT TER BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ
+ G. J. VAN AMERONGEN TE AMERSFOORT
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+
+Voor de stille, en wat men zoo ten onrechte noemt: »verloren« uren in
+ons leven, is dit boek in de eerste plaats bestemd.
+
+Om dan eens opgenomen te worden, en te midden van 's levens vaak zoo
+vermoeiende sleur, door een ontdekkende, vermanende, vertroostende
+gedachte ons een oogenblik de realiteit der eeuwige dingen wat naderbij
+te brengen.
+
+Om bij wat langer poozen ons in de een of andere levens- en
+schriftwaarheid 'n weinig dieper in te leiden.
+
+»Op de levensreis«, die voor velen zoo moeilijk, zoo bezwaarlijk is, mag
+nu en dan een vriendenwoord, somwijlen een wenk van een vriendenhand
+waarlijk niet overbodig heeten. Zulke woorden biedt dit boek zijnen
+lezers aan; zulke wenken wil het hun geven.
+
+Het werd uitsluitend geschreven door predikanten der Haagsche gemeente,
+omdat zij meenden, dat dit sommige hunner gemeenteleden zou aantrekken.
+
+Maar het is daarom volstrekt niet uitsluitend voor die gemeente bestemd.
+Integendeel: de schrijvers zullen zich gelukkig rekenen, wanneer zij
+elders, ook bij oude vrienden, lezers mogen vinden.
+
+En zij koesteren de stille hoop menig hart tot zegen te mogen zijn.
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Bladz.
+
+ J. A. Cramer, _Lenteleven_ 25
+ J. A. Cramer, _Dansen_ 122
+ J. H. Gerretsen, _Eenvoudigheid_ 2
+ J. H. Gerretsen, _De Toekomst des Heeren_ 50
+ J. H. Gerretsen, _Begeeren en willen_ 64
+ J. H. Gerretsen, _Iets over het lezen der Evangeliën_ 77
+ J. H. Gerretsen, _Hoe God arbeidt_ 95
+ F. v. Gheel Gildemeester, _Over geloof en ongeloof_ 5
+ P. J. Molenaar, _Niet zonder strijd_ 1
+ P. J. Molenaar, _Bidden_ 23
+ P. J. Molenaar, _De Bijbel_ 24
+ P. J. Molenaar, _Geestdrift en opwinding_ 65
+ P. J. Molenaar, _Roeping_ 79
+ P. J. Molenaar, _Somberheid_ 120
+ P. J. Molenaar, _Moed_ 121
+ J. C. Schuller, _Uitverkoren_ 96
+ H. A. C. Snethlage, _Jeanne d'Arc_ 105
+ H. A. C. Snethlage, _Met de helden_ 112
+ H. A. C. Snethlage, _Jozef_ 115
+ A. J. A. Vermeer, _Belijdenis_ 2
+ A. J. A. Vermeer, _Als een nevel_ 48
+ A. J. A. Vermeer, _Tot zich zelven gekomen zijnde_ 130
+ W. L. Welter, _Josua's Gezicht_ 67
+
+
+
+
+NIET ZONDER STRIJD
+
+
+Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren.
+
+Dit verstaan vele menschen niet.
+
+Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel
+inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden,
+reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en
+stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van
+een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de
+Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs
+te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen
+studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat
+stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden.
+
+Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te
+denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden
+geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de
+zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet,
+dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp
+naar het eeuwige leven!
+
+ _Voor een eeuw'gen levenskrans,_
+ _Heer, dit arme leven gansch!_
+
+
+
+
+EENVOUDIGHEID
+
+
+Doe nooit iets, _om_ iets. Vele menschen zeggen, dat een Christen
+vroolijk moet zijn, om anderen te trekken. Dit is fout. Eigenlijk
+Jezuïtisme, protestantsch Jezuïtisme. Men moet nooit iets doen, om
+iets te bereiken; men moet eenvoudig doen wat men doet, zonder eenige
+bijbedoeling en het overgeven, wat deze handeling uitwerken zal. Wees
+die ge zijt. Doe, wat ge doet. Anders wordt ge een huichelaar. In de
+»wereld« beschuldigt men de »Christenen« altijd van onwaarachtigheid.
+De »geloovigen« zijn niet recht te vertrouwen. Zouden ze niet eenigszins
+gelijk hebben? Zou onze dubbelzinnigheid haar oorsprong misschien hebben
+in onze gewoonte iets te doen _om_ iets?
+
+
+
+
+BELIJDENIS
+
+
+Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van
+Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden
+gesproken had--krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het
+middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering--heeft Hij zich,
+met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van
+het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten
+eerste: »wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?« en
+ten tweede: »wie zegt gij, dat ik ben?« Op deze beide vragen hebben de
+discipelen geantwoord.
+
+Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de
+Profeten.
+
+En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij
+de Christus, de Zoon des levenden Gods.
+
+Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: »Zalig
+zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet
+geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is« (Matth. 16: 14-19)
+verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: »dat Hij was
+Jezus de Christus.«
+
+Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken.
+Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede:
+»En Hij gebood hun _scherpelijk_, dat zij het niemand zeggen zouden van
+hem.« (Markus 8: 30).
+
+Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus
+de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken
+aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd?
+
+Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste
+beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen
+overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen
+zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus
+te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche
+overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd,
+dat Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd
+van verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken.
+
+En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou
+blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller,
+dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En
+de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten
+Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde
+zijn brandstof zou vinden. Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem
+verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst
+Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken.
+
+Dit wìst Jezus.
+
+En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de
+Christus was.
+
+Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op
+uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig
+hem, die zóó spreekt.
+
+Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook
+Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het
+Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot
+Hem als hun Koning.
+
+Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen
+er van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt.
+Geen belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke
+erkentenis er niet aan voorafging.
+
+Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard,
+dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan
+het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt.
+
+
+
+
+OVER GELOOF EN ONGELOOF
+
+
+Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig
+mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt,
+noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied
+zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, »het denkend deel der
+natie«; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan
+met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog
+menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is,
+ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat
+bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander
+aan zijn denkvermogen hapert.
+
+Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is
+met een nederlandsch aphorisma »alle geloof is bijgeloof«. In Fransch
+Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt
+aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof
+aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt
+genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het
+nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder
+jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een
+voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk werk »facing
+the facts«, an englishman's religion, komen voor breede kringen
+uit Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen;
+en uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking
+worden aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer
+intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam
+ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal
+gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene
+afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze
+bedoeling gezegd.
+
+Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd
+zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen
+gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne
+zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van
+Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan
+beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die
+hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig
+gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om
+aan de Corinthiërs te schrijven: »wij zijn dwazen, om Christus wil«.--De
+jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen
+ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap.
+
+Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu
+wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar
+dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd
+dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en jonge
+vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden
+willen gelooven, maar meenen dat ze het niet kunnen; dat de bezwaren
+tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld
+moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten
+opleggen, om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze
+niet; ook niet aan zelfbedrog.
+
+Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen;
+juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel
+eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: »geloof is
+bijgeloof!« Maar wat is ongeloof? _Bebel_, de bekende overleden leider
+der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: »de resultaten
+der wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet
+weg, en brengen het ten val.« _Haeckel_, de hoogepriester van het
+monisme, verzekert: »de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten
+intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en
+onsterfelijkheid«;--en een zeker soort van halfbeschaafde napraters
+verzekeren ons met groote stelligheid: »daar is geen God, natuurlijk
+niet!« Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg
+gaan, is dit ongeloof niet óók een »geloof«?
+
+Dat geloof van Bebel en Haeckel wordt ons wel als wetenschap
+aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap,
+óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van Bebel en van Haeckel
+niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór.
+De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen
+grond onder de voeten weggenomen. Toch leeft dit waandenkbeeld in vele
+harten. In sommige gemoederen zit het muurvast.
+
+Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een
+waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal
+harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den
+weg; veeleer het onverstand.
+
+Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze:
+_gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen._ Dat denken
+sommigen; en zij zeggen van iets: »ik geloof het niet«, wanneer zij
+eigenlijk bedoelen: »ik begrijp niet hoe dat toegaat.« Eene verstandige,
+nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij
+woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land;
+toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje
+van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat
+voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij
+ooit een rijtuig had zien rijden. »Dat geloof ik niet!« had ze gezegd.
+Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu
+overtuigd? Wel neen! ze zei: »ik zie het, maar ik geloof het toch niet!«
+Natuurlijk bedoelde zij: »ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit«; »ik
+begrijp het niet.« Maar ze beweerde: »ik geloof het niet.« Sommige
+groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen
+ook.
+
+Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had
+haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven
+kleuren van den regenboog. »Dat geloof ik niet!« had het kind al weer
+gezegd; en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren
+van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. »Zie
+je wel, dat dit samen geen wit wordt?« had ze gezegd; en triomfantelijk
+er bij gedacht: »ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te
+gelooven!«
+
+Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even
+eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig
+volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en
+ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens
+als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht.
+Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel
+trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij »gelooven«
+verwarde met »begrijpen.«
+
+Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven
+onnoodig moeilijk. Neen »aan God gelooven« is niet hetzelfde als
+»God begrijpen.« Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en
+moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen
+en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met
+het gelooven al heel weinig te maken.
+
+ * * * * *
+
+Eene andere opmerking is deze: »gelooven« geeft geene _mindere_
+zekerheid dan »weten«; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik
+iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp
+is van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel
+dat het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het
+niet beter. Wij zijn gewoon gelooven een minderen graad van zekerheid te
+achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen
+mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat
+een voorbeeld mijn meening verduidelijken.
+
+Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp,
+»de polder« bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al
+gespannen; de »heeren« die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig
+en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt,
+sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een
+geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover
+een meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel
+kende; een »papenvreter«; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook
+wel eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te
+hebben; althans, hij viel dadelijk aan. »Is u niet de nieuwe dominé uit
+den polder?« Ik was zoo vrij.
+
+»Een naar baantje, dominé!«
+
+Wel? Hoezoo?
+
+»Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die
+u zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof
+heelemaal niets!«
+
+Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament
+bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart,
+als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie
+u is?
+
+»Ik ben meneer R.«, en hij noemde een welbekenden naam in Goes.
+
+Zoo, zoo, dus dat gelooft u!
+
+»Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!«
+
+Best, meneer; bewijs u het mij dan maar.
+
+»Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben«, en hij
+liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R.,
+zoon van den ouden R. enz.«
+
+Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes
+op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel
+genoegen; maar weten is iets anders!
+
+Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet
+te »weten« dat hij een zoon van zijn vader was. »Dan zal ik maar in het
+vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!« grinnikte hij,
+toen hij in Dordt den trein verliet.
+
+Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder
+zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen
+minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men
+gelooft op goede gronden.
+
+Inderdaad, wij »wandelen door geloof«.--De heer R. en ik beiden hadden
+geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen.
+Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk,
+Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten.
+Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot,
+wanneer men hem in Dordt gevraagd had: »wie was de machinist op uw
+trein?«--Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd!
+
+Wij »wandelen door geloof«, veel meer dan wij weten. Wij hebben geloof
+in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij
+bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben
+gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar
+brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van
+hun oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder
+geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die »heelemaal niets«
+geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend;
+maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die
+zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij
+haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een
+maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het
+geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een
+fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met
+zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de
+waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven
+en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd
+kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom?
+Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof
+is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk.
+
+ * * * * *
+
+Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit
+een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef;
+die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd heeft;
+»zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?« Wanneer hij »een
+dwaas« geweest was, die in zijn hart gezegd had: »daar is geen God«, dan
+had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven.
+Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent
+ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter
+gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het
+lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie
+bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een
+schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende
+eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt
+niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de
+vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en
+waar het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den
+gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht
+als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op
+dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken
+te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den
+zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke
+jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom?
+Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht;
+»die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik
+niet: die zijn te moeilijk te regeeren!« Toen hij in zijn vaderland
+terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit:
+»de emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker dan
+ooit. Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg
+tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de
+godsdienstige gedachte zelve aanvallen!«
+
+Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws.
+Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam.
+
+En kan het vertroosten in den dood?
+
+Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die »atheistisch redenaar«
+van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand
+van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en
+hij heeft dat later ook openlijk erkend. »Ik heb wel kunnen leven in
+theoretisch atheïsme,« zoo sprak hij; »maar ik heb er niet mee kunnen
+sterven.«--Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar
+vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter
+beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren
+middag is zij met haren vader alléén. »Vader!« vraagt het meisje, »op
+welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?« De
+vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met
+bewogen stem: »sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!«
+Ik denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader.
+
+En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? Dr.
+Dubois-Reymond, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft,
+dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van
+teruggekomen is, Dr. Dubois-Reymond wijst er op hoe alléén het levend
+godsvertrouwen kan troosten onder het leed des levens: »Troost eens een
+zaal vol kankerlijders met de verzen van Goethe of Schiller« zegt hij.
+Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen
+van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het
+levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat
+maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en
+sterfbedden.
+
+Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel bijgeloof er heerscht
+in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten;
+niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een
+paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt
+elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een
+tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te
+kloppen en daarbij te zeggen »unberufen!« Men kan nooit weten! Bij het
+nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd
+behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in
+stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan.
+Lord Herbert van Shaftesbury had een boek geschreven waarin hij de
+openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het
+wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel
+als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde »positivist« Auguste
+Comte vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene
+godheid »de humaniteit«, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij
+Auguste Comte, de positivist.
+
+ * * * * *
+
+Wat gelooft toch eigenlijk een »ongeloovige«? Als gij het hem vraagt,
+dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den
+trein: »ik geloof heelemaal niets!« Want hij wil zijn geloof voor
+wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is
+ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis.
+
+»Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van
+eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich
+zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve
+geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare
+wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.«
+
+Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische
+geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat
+belijdt: »ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des
+hemels en der aarde«.
+
+Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht »de Schepping«, van ten Kate?
+Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren
+kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te
+treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene
+studie van een der »jongeren« te lezen dat ten Kate toch maar mooier
+verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. »Ja, ja,« knikte ik mijn
+wel doorvoeden criticus toe; »véél meer!« Ik zou lust hebben u eens de
+passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God
+zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden;
+aldus begint het:
+
+ Met de middlen, met de wegen
+ Van Zijn goedheid, van Zijn macht
+ Komt de Algoede zijn geslacht
+ Op den hangen dwaalweg tegen;
+ En daar straalt een spoor van zegen
+ Door de wanorde en den nacht;
+
+Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie
+regels:
+
+ »God is goed en groot« herhalen
+ Alle heuvlen met hun dalen;
+ Alle bergen die daar staan
+ Als voor de eeuwigheid geschapen,
+ Aan wier borst de wolken slapen;
+ Aan wier voet, gelijk de blaân,
+ Volken komen en vergaan;
+ 's Heeren stem is op de waatren,
+ Die Hij van Zijn vingertop
+ Sprenkelde als een regendrop,
+ En, wanneer de diepten schaatren,
+ 't Bliksemvuur de wolken deelt,
+ En de zee heur psalmen speelt
+ Onder 't loeiend onweerklaatren,
+ Dan ontblooten zelfs Gods haatren
+ Met een huivring 't schennig hoofd;
+ En--de twijfelaar gelooft!
+
+Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet
+kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu
+eens vertellen wat mij onlangs gebeurd is. Een mijner jonge vrienden,
+een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij:
+
+»Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?«
+
+Ja, zeker weet ik dat, die is van God!
+
+»Nu, wees niet flauw; het gedicht »de Schepping« bedoel ik.«
+
+»Zoo«, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) »ik heb anders den
+dichter nog zelf gekend--en hem stukken er uit hooren voordragen; en
+ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote
+dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.«
+
+»Neen«, zegt mijn wijsneus. »U weet er heelemaal niets van«. (De jonge
+man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar
+maakt hij misbruik van!) »Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi
+vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet
+van ten Kate!«
+
+Wel--en van wien is het dan?
+
+»Van niemand!«
+
+»Van niemand?« vraag ik--want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik
+dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen
+huis, Toussaintkade 35, zou trachten »er in te laten loopen.«--»Van
+niemand? wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?«
+
+»Ja, wat zal ik zeggen«--ging mijn historisch-conjecturaal-criticus
+voort. »Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar
+uwe meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna
+vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867--we
+hadden toen nog mooie Meimorgens--dat een jonge os hier de stad
+'s-Gravenhage werd binnengeleid; hij kwam van het Bezuidenhout, de
+Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den
+slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet
+vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt
+rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen
+Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit
+hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige
+directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept
+uit: »kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die
+Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!«
+En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een
+stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer
+in de letterkast op te bergen. Maar--daar komt er een; u weet die
+letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de
+Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: »wel, heb ik
+nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij
+mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!«
+
+ Met de middlen, met de wegen
+ Van zijn wijsheid, van zijn macht,
+ Komt de algoede zijn geslacht
+ Op den bangen dwaalweg tegen;
+ En daar straalt een spoor van zegen
+ Door de wanorde en den nacht.
+ Wat al kreeten....«
+
+»He, meneer,« zegt de jongen; »dat zou een mooi vers geworden zijn;
+jammer dat het hier uitscheidt«....
+
+Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: »kijk, meneer, dat is nu
+toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook
+je laatste regel?« »'t Was een halve regel«, zegt de eerste: »Wat al
+kreeten....«
+
+»Juist,« valt de ander in; »dan kan ik wel het vervolg hebben:
+
+ ........ Hem bestormen,
+ Door den wanklank ongestoord,
+ Werkt de Vader liefdrijk voort,
+ En in duizendvoude vormen
+ Kleedt Hij Zijn welsprekend woord.
+ Leesbaar staat het aan den hemel
+ Met zijn ongerimpeld blauw
+ Lovend de Onbezweken Trouw;
+ Met zijn vonklend stargewemel....«
+
+En daar was het weer uit.
+
+»Ik heb zoowaar het vervolg,« komt een derde vertellen: »luister maar
+toe; wat was ook weer je laatste regel? »Met zijn vonklend stargewemel«
+ja juist:
+
+ Prijzend als op d'eersten dag,
+ 't Eenig en Alhoog gezag.
+ Hoorbaar klinkt het uit de stroomen,
+ Uit de velden, uit de boomen,
+ In een eindloos lofchoraal.
+ Want het schepsel al te maal,
+ Houdt niet op zijn God te roemen;
+ Ieder in zijn eigen taal,
+ Wil den naam des Scheppers noemen;«
+
+en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan
+kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg.
+'t Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van
+hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst.
+
+»En dus«--zoo eindigde mijn verslaggever; »aan wien kan men nu dat vers
+eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht
+van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?«
+
+Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een
+os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder;
+maar--ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!«
+
+»Wat gelooft u niet?« vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp;
+»wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom
+niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!«
+
+Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat
+is glad onmogelijk!
+
+»Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde
+vallen; waarom dan niet in deze?«
+
+Ja--wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is;
+maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van
+geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn
+door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat
+gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond,
+dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een
+onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar
+verlangt de geleerde monist Haeckel van ons niet iets dat duizendmaal
+absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,....
+onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid!
+Professor Reinke uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een
+geleerd boek geschreven, de wereld als daad, »die Welt als That«; hij
+bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre
+verleden _vanzelf_ is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij
+verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen
+(b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is
+gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene
+nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel
+ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen
+van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf,
+eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest
+zijn, een opgewonden automaat!
+
+Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval
+geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand?
+
+Het woord »toeval« is een woord voor bijgeloovige menschen; het is
+een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken
+verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord »toeval«?
+
+Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn
+stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed
+van mechanische krachten, door een gelukkig »toeval« zich weer zouden
+vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat?
+
+Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den indruk van
+chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn.
+
+De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen,
+verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om »ongeloovigen« te zijn,
+bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet.
+
+Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden
+zijn, waarmede Bebel en Haeckel en hunne geestverwanten mij bewijzen
+willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens
+uit de landsdrukkerij en aan hun »blik met letters.« Inderdaad behoeven
+onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met
+een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen
+ongetwijfeld christelijk geloof:
+
+ _Ik geloof in God den Vader, den Almachtige,
+ Schepper des hemels en der aarde._
+
+
+
+
+BIDDEN
+
+
+Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met
+God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van
+kracht.
+
+Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt
+het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak
+vergeleken--en een betere vergelijking kan men wel niet vinden--bij het
+naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water
+gewerkt heeft, maar nu een tijd lang weer in de vrije lucht moet
+ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen--anders hield hij het niet vol.
+
+Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd
+weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't
+bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom
+Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te
+verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan.
+
+Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna,
+dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden
+levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den
+strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige
+omleidingen des boozen?
+
+
+
+
+DE BIJBEL
+
+
+Sven Hedin, de beroemde reiziger, schreef eens in een brief uit
+Stockholm: »Zonder het vaste en levende vertrouwen in den Heer, en in
+zijne almachtige, bewarende liefde, zou 't mij onmogelijk geweest zijn,
+'t twaalf jaren lang in die ontoegankelijke streken van Azië uit te
+houden. Op al mijne reizen is de Bijbel steeds mijn begeleider en mijn
+beste lektuur geweest.«
+
+
+
+
+LENTELEVEN
+
+
+Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de
+erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en
+rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.
+
+Want de hei is altijd mooi!
+
+De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo
+scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de
+toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete
+zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel
+wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich
+zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend
+op de witte vlakten nederzien.
+
+Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is
+er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom.
+Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet
+alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht
+trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon
+in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd
+harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt
+gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen
+ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom,
+waarin vrede woont.
+
+Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan
+de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze
+uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een
+kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep
+statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit
+oprijst.
+
+Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben
+aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar
+aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het
+intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt,
+telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich
+bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig
+kom je in de stemming om meê te bidden.
+
+Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar
+je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat
+de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden
+uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden
+kan worden gebracht.
+
+Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde
+kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een
+paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling
+met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en
+hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel
+verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar
+'t is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!
+
+Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar
+spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê
+omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich
+misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen
+uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig
+beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen.
+Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun.
+Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en
+richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef
+naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten
+van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden,
+of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op
+de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van
+de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles
+spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn
+oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben,
+maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan,
+de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen
+niet lang uithouden!
+
+Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen
+bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die
+in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de
+winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van
+de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten
+zeggen: »mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!« »Gewoonte,
+Jaap, alles gewoonte,« had zij hem geantwoord, »en een mensch heeft er
+zijn brood.« Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was
+blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de
+stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan.
+'t Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan
+omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en
+schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon
+kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen
+afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel
+speelde.
+
+Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?
+
+Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.
+
+Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last
+van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met
+hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs
+de dominee hem om raad kwamen vragen. »Boesveld, wat moeten wij doen?«
+En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't
+dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: »dat had ik wel
+gedacht.« Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt,
+heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!
+
+Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom
+hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij
+anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader
+heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich
+hielden, het had niet geholpen.
+
+Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat
+hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God
+doen zou.
+
+Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.
+
+Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de
+heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag
+schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den
+hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó
+had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep
+en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde.
+
+Ach, Geertje! ach, Geertje!
+
+Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was
+de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren
+stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend
+wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste
+blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden.
+
+Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe
+dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen
+lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat
+'t kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was
+laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren
+verloren.
+
+Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? Omdat daar 't
+plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld,
+toen ze klein was.
+
+Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit
+en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer
+drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de
+nabijheid hout hakte of dennen pootte.
+
+Die drie berken had zij »Vader« en »Moeder« en »Geertje« genoemd. De
+langste was »Vader«, de dikste »Moeder« en de kleinste, »Geertje«, of
+»ikke«, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't
+aardigheid was en je wel moest meêlachen.
+
+Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven?
+
+Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet
+aarden. Ze moest onder de menschen.
+
+Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het,
+wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een
+zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er
+hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en
+neen blijven zeggen?
+
+Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze
+had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar
+hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal
+in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had
+gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest.
+En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig
+had moeten zeggen: »nou kind, hou je maar goed.«
+
+Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui
+voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de
+geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet
+van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies
+geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht
+wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten
+mocht.
+
+En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen,
+maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij
+niet.
+
+Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog
+bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap
+was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn
+huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen,
+dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter
+buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo
+geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat
+een vader in zoo'n geval voelde.
+
+Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis
+komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk
+gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud
+geweest om 't kind bij zich te nemen.
+
+Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het
+dorp?
+
+Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep,
+die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok.
+
+Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen
+ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó
+erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis
+te doen opnemen.
+
+Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal.
+Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn
+leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden,
+maar een zuster,--een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te
+zeggen--had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En
+daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder
+zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd
+en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe,
+pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te
+prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de
+vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen
+draaien en op alle vragen weinig asem gegeven.
+
+Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't
+niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om
+Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de
+gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet
+moederzalig alleen laten liggen.
+
+Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te
+gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis
+gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had,
+dat hij overkwam.
+
+Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst
+overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien,
+waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen
+had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal
+op eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den
+eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn.
+
+Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog
+hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was
+'t mis!
+
+Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde
+geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken
+geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór
+stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn
+eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen
+uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw
+geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje,
+hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou
+hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en
+alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken.
+
+Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want
+'t Woord sprak waarheid: »de bezoldiging der zonde is de dood.«
+
+Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar
+met plaggen voorttrok.
+
+Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang
+leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet dat Jaap de zweep ooit
+gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: »hu
+bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?« dan kon je alles van ze gedaan
+krijgen. Net menschen, die dieren.
+
+En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest,
+te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.--Door eigen
+schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en
+duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in
+huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten
+voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen,
+dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het
+tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek
+in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit
+met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo
+stil geweest?
+
+Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er
+nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van
+den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet,
+maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen.
+
+Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen
+komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader.
+Met die gedachte paaide hij zich.
+
+Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar
+vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde
+in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de
+waarheid, die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch
+bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij
+had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was
+geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij
+als vader verplicht.--Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch
+veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat
+kwam, omdat 't zoo eigen was.
+
+Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen
+en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den
+heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te
+stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn
+gang gaan en volgde langzaam.
+
+Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn
+spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was
+gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar
+die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge
+kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in
+zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij
+hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje
+niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last
+harer schande laten dragen?
+
+Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder
+aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen.
+'t Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op al zijn
+vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot
+door de struiken ging.
+
+Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. »Stil bruine, de baas moet
+nog even de pijp aansteken.« Hoe meer de zorgen hem drukten, des te
+krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een
+teeken om hem maar stil met rust te laten.
+
+De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd,
+achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van
+zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een,
+nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven.
+
+Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en
+wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie,
+hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin
+en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen
+dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar
+tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in
+hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun
+gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels
+met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één
+harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar
+avondzonnezang, vredig en plechtig.
+
+Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed,
+hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met
+den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich
+uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter
+een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei
+wegdreven.
+
+'t Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in
+eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten
+van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den
+avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar,
+als uit de hei opgegroeid.
+
+Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't
+Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar
+den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't
+geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei
+zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de
+plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte
+kleed van den nacht--------------------------------
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den
+hoofdportier van 't ziekenhuis: »of hij al bij Geertje Boesveld terecht
+kon?«
+
+Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen
+op en dan de eerste deur links, zaal 5.
+
+Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang
+der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem
+toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: »U komt
+zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar
+meê, haar moeder is er al.« En terwijl zij met hem naar 't eind van de
+lange zaal ging, waar Geertje's bed stond met een wit schermpje er om
+heen, zeide zij zacht tot hem: »U wilt er wel om denken, dat zij heel
+ziek is?«
+
+Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster
+schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl
+rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar
+Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe
+en scheen te sluimeren.
+
+Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding,
+hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de
+slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld.
+
+Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het
+voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als
+terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog
+vasthield.
+
+»Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens
+komt zien, hoe 't met je gaat.« Met deze woorden riep de zuster haar
+zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't
+hoofd streek.
+
+Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er
+een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere
+zonnestraal over een somber najaarslandschap.
+
+Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte
+je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang
+zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat,
+hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven?
+
+Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover
+haar. De onderarmen lei hij op de knieën en de handen liet hij slap
+naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en
+weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren.
+
+Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde
+regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die
+smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van
+moeder, maar anders was ze krek d'r vader.
+
+Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield
+Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag,
+was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem
+vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging
+hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer
+die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien
+onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar
+te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij
+dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote
+warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit:
+»Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?«
+
+Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe
+oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder
+losmaakte en aan haar vader reikte: »Dank u, vader, dat u me vergeven
+hebt.«
+
+Jaap greep haar hand en zeide: »Maar kind, ik heb je altijd vergeven.«
+
+Geertje schudde 't hoofd: »neen vader, nog nooit zooals nu.«
+
+Zij deed haar oogen dicht. Alles vermoeide haar zoo.
+
+Toen, een oogenblik daarna: »vader, ik ben niet bang om te sterven.«
+
+»Zoo kind.«
+
+»Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?«
+
+Deze begreep haar. »Boesveld,« zeide zij, »uw dochter is heelemaal
+niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is
+de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't
+sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk
+gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze
+behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging,
+al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar
+omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde
+ze zoo graag.
+
+»Maar nu niet meer zuster.«
+
+»Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan
+te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort
+met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had
+haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in
+een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: »Zou je
+het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten
+loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom
+wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo
+donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.« »Je moet niet met den
+rug naar 't licht gaan staan«, zei de dominee, is 't niet Geertje?«
+
+De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest
+oppassen, dat hij niet ging huilen.
+
+De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als
+Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den
+Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles
+licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had
+'t bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te
+varen.
+
+Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote
+tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden,
+dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij
+was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den
+strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking
+zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al
+bezat ze 't zelve niet.
+
+Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg.
+
+Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze
+fluisterend: »alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar
+'t licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht...
+
+Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben
+genomen, bleef ze roerloos liggen.
+
+Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was
+bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen
+zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En
+hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats
+dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd.
+Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben
+gezegd, dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou
+ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had
+geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met
+zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij
+zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven.
+Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich
+in huis nam?
+
+'t Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister
+leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan
+altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken,
+als 't moest, dan moest het!
+
+Toen werd het weer heelemaal duister.
+
+Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje.
+
+Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets
+te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch
+eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben
+gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in
+hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag
+nu zoo rustig.
+
+Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens
+terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te
+moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden
+morgen zouden ze heel vroeg terug komen.
+
+Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht.
+
+'t Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten op de zaal
+waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten
+schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open
+deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't
+licht brandde.
+
+Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde
+'t tikken van de klok.
+
+Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: »'t Hijgend
+hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de
+frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!« De zieken
+werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren.
+'t Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een
+engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar
+oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem
+dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en
+nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar
+laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden
+in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe
+en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij
+achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder.
+
+»Geertje, wat is er?«
+
+»Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is....
+dan.... 't leven.«
+
+Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer.
+
+Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje
+kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had
+'t niet erg op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de
+zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem
+stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: »ik
+dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.«
+
+»O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan
+haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.«
+
+Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf
+ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg!
+
+Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: »zou je denken, dominee,
+dat Geertje gelukkig was?«
+
+»Boesveld,« antwoordde deze, »gelooft u niet, dat, wie zich naar 't
+licht toekeert, een kind des lichts is?«
+
+Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol
+aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: »ik dank u.« Toen keerde hij
+zich om, en ging met Jenneke de zaal af------------------------
+
+ * * * * *
+
+En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.
+
+Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn
+spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden
+dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht
+dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met
+Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit
+den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en
+bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog
+in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den
+bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen
+dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.
+
+Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt.
+Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar
+blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer
+rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.
+
+Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór
+haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard
+te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had
+gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo
+schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij
+had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.
+
+Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam.
+Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.
+
+Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de
+ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of
+hij Geertje's stem hoorde: »Vader, niet met je rug naar 't licht gaan
+staan!«
+
+Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan.
+Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper
+en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar
+alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de
+hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.
+
+En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van
+lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog
+zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend
+zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem
+van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden,
+blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een
+ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar
+jonske in zijn armen.
+
+»Mag ik dat kind hebben?« wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze
+weg.
+
+Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij
+met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je
+er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel
+in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie
+zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien,
+dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar
+één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna
+met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't
+kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast
+haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat
+Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms
+te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij,
+dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij
+tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet
+goed had gedaan.
+
+Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de
+vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën
+in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën
+gebleven.
+
+De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als
+je'm tegenkwam en je vroeg: »Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?«
+dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't
+antwoord steeds: »best, jong, best!«
+
+En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat
+bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente
+is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar
+eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien
+weg.
+
+De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is
+natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den
+invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.
+
+Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in
+de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had
+gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw
+te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde
+niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder
+drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één
+van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij
+hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's
+lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout.
+Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.
+
+De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar
+zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel
+door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar
+als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't
+overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles
+in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in
+feestgewaad te verschijnen.
+
+Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken,
+zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was
+opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk,
+krachtig Lenteleven.
+
+
+
+
+ALS EEN NEVEL
+
+
+De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles
+dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras
+en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen
+en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en
+ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den
+dood.
+
+Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de
+grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was,
+heft zich op; wat weggedoken was, schudt zich de wieken vrij; wat
+verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet
+zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt,
+binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met
+de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende
+leven terug roept.
+
+En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer
+pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel,
+die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van
+dankbaarheid voor genoten verlossing.
+
+Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied
+is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij
+sidderen als bij de nadering van den dood.
+
+Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene
+op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer
+een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte.
+
+En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en
+koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht.
+
+Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden
+wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog
+en die het genoten licht weerkaatst.
+
+Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: »Ik delg uwe
+overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.« Jes.
+44: 22.
+
+
+
+
+DE TOEKOMST DES HEEREN
+
+
+Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een
+strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van
+oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job
+vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd
+eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd
+meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren
+kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische
+brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd
+herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den
+goeden strijd te strijden.
+
+Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden
+zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw
+Testament waardeeren het leven als strijd.
+
+En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo
+ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende
+levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei
+vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig
+antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch
+bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. Strijdende, iederen dag
+op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de
+juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit
+ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij
+leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het
+vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons
+leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart
+geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen,
+hebben gevonden.
+
+Alzoo, het leven is een strijd.
+
+Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten,
+waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te
+weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is
+iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden
+moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor
+strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen?
+
+Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het
+doel van onzen levensstrijd kennen.
+
+Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel
+van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar
+te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij
+henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene
+venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen.
+Wij komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee
+duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van
+waar of het waarheen kent.
+
+Zoo zegt men.
+
+Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te
+spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen
+wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de
+bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld
+henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt
+zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus
+wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het
+leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin
+hij zich bevindt, voort te zetten.
+
+Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking »toekomst« van
+Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden
+van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in
+het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen,
+dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het
+dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren
+omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der
+oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het
+werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen,
+indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld
+een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid
+alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar
+af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In
+Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden.
+Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt in de bekende
+uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het
+woord toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of
+Keizer binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid
+gebracht. De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een
+binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie
+werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst
+van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te
+vervangen door paroesie.
+
+Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het
+Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het
+Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt
+daardoor voorkomen. Het woord »toekomst« zegt bovendien zoo weinig. Het
+zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is
+dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk.
+Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van
+Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst
+van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij
+menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden
+bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze
+wereld.
+
+Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente.
+Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op
+iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het
+Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament.
+
+Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen
+uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël
+uitgezien naar de komst van zijn Messias.
+
+Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode
+van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de
+gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de
+mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd.
+Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt.
+Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het
+moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in
+de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert,
+er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een
+volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël.
+Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over
+Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met
+ongeduldig verlangen. »Och, dat gij de hemelen scheurdet«!
+
+Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het
+zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de
+toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de
+toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware
+tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het
+devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift
+op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt.
+
+Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het
+middelpunt.
+
+Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den
+achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij
+geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van
+Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler
+toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: »van
+waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.« Dat is
+dan alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der
+eerste Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar
+den Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht
+sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: »Judex ergo cum sedebit,
+quidquid latet apparebit nil inultum remanebit«[1], de dag van Christus
+was een dies irae geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld
+deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus
+niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III)
+als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen
+zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het
+oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten
+gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het
+wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare
+voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te
+worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt:
+de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst het zondige, dat
+ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele
+blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt
+voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven.
+
+[1] Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal alles wat
+ verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken blijven.
+
+Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven
+geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde?
+
+Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den
+mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig?
+
+De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons
+openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de
+openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze
+toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van
+Christus.
+
+En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting
+tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van
+Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze
+gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen
+»te werken met hunne eigene handen.« Mede door de prediking van den
+komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen
+arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet
+nabij?
+
+Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft
+ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij
+komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit
+het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd
+omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet
+overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te
+arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet
+uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken
+nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze
+conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid
+Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan
+gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich
+zelven niets doen tenzij hij den Vader dat ziet doen (Joh. V:19). Wij
+zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet
+meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den
+Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet
+alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde
+woord aldus eindigt: »Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon
+desgelijks.« De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals
+het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt
+zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is
+voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods
+overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons
+werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt
+voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief,
+werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het
+onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de
+toekomst van Christus bron wordt van oneindige kracht en voortdurende
+prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van
+Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen
+door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus
+komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn
+arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden
+geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe
+wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een
+abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze
+wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar
+daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want
+Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. »Mij is
+gegeven alle macht in hemel en op aarde.« De wereldvernieuwing, waarop
+wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan.
+Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke
+verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De
+verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in
+Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van
+Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het
+werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer
+dan dit: zij geschiedt door hen.
+
+Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat
+wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet
+te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der
+wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden zonder
+gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit
+gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op
+iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den
+komenden Christus is gewaarborgd.
+
+Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het
+achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft
+op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in
+heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei.
+
+Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld
+neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch
+niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich
+behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een
+vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met
+het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst
+van Christus werd het christendom wereldsch.
+
+Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de
+monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij
+ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig
+geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn
+klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van
+den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de
+eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar
+men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat
+hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal
+kunnen overwinnen, indien de almacht van den Christus, die de wereld
+overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet
+achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te
+meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen.
+
+Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt.
+Wij, protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij
+ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren.
+Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer
+men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd
+met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet
+er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het
+streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich.
+Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld.
+Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit
+compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor
+de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld
+doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan
+slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in
+den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige
+ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de
+Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te
+gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een
+klooster uit de wereld terugtrekt?
+
+Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. Eerst met
+de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch
+zijn.
+
+Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht
+en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch
+geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was
+geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer
+kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel
+arbeid.
+
+Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door
+de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den
+komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle
+zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt
+voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een
+schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een
+vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen
+paroesie-Christen.
+
+Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat
+men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is.
+
+Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het
+Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen,
+het eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij
+zoeken het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om
+buiten de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in
+onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die
+dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje
+Koninkrijk.
+
+Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om
+het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij
+onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk,
+d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen
+orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het
+huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk.
+Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een
+doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende
+Koning.
+
+Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan
+onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de
+parousie des Heeren.
+
+Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in
+Duitschland noemt: een confirmandenbuch.
+
+Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord
+regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en
+bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt
+voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de
+christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van
+Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u
+in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het
+misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat
+anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk
+Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk
+Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat
+werken voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken,
+lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst.
+
+Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn
+niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus.
+Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de
+rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen
+protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme
+heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods
+en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts.
+Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden
+in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk
+werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men
+doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel
+wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij
+de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling
+preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een
+heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk
+de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om
+Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een
+echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van
+wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en
+wezenlijk Roomschen zijn?
+
+Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld
+ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen.
+Wee dengene, die zijn post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God
+u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd
+voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting
+van wereld in Koninkrijk.
+
+Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te
+moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in
+aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt
+en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal
+openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier
+der Christelijke Gemeente met haar oude devies:
+
+ _Maran-atha_
+ _De Heer komt._
+
+
+
+
+BEGEEREN EN WILLEN
+
+
+De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte
+naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in
+beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den
+grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De
+wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet
+bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte
+activiteit.
+
+Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen,
+als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide
+bewegingen geheel van elkander onderscheiden.
+
+Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte tot den wil.
+Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is
+eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd.
+Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid.
+
+
+
+
+GEESTDRIFT EN OPWINDING
+
+
+Geestdrift kan alleen bestaan bij den Christen. Geestdrift d.i. in God
+te zijn! En het kenmerk der ware geestdrift is, dat zij _blijft_.
+
+Er bestaat ook geestelijke opwinding, die zich naar buiten openbaart in
+een soort van vrome drukte. En wie nog weinig of geen ervaring bezit,
+laat er zich licht door in de war brengen en ziet die opwinding voor de
+ware geestdrift aan, die van boven is.
+
+Die opwinding is gelijk aan het vuurwerk, dat voor een oogenblik door
+zijn schittering het oog boeit, maar daarna in grooter duisternis
+de toeschouwers achterlaat; de geestdrift is het rustig schijnend
+hemellicht, dat door zijn glans den mensch verblijdt. De opwinding doet
+denken aan het zaad, dat op eenmaal hoog opging en wonderveel deed
+hopen, maar toen de zon ter middaghoogte steeg, en de zonnestralen
+brandden en schroeiden, bleek het geen diepte van aarde te hebben en het
+verdorde. De geestdrift is gelijk aan het zaad, dat in de goede aarde
+viel, en lang verborgen bleef, maar straks te voorschijn kwam, gestadig
+aan opwies en rijke vrucht droeg.
+
+Velen waren er in Jezus' dagen, die vol schijnbare geestdrift tot Hem
+kwamen, en zeiden: »Meester, ik zal U volgen, waar gij ook heengaat,«
+maar wier geestdrift straks bleek slechts opwinding te zijn, want ze
+ging voorbij, ze was niet blijvende, ze was niet tegen de beproeving
+bestand. De echte geestdrift vinden wij in de eerste plaats in onzen
+Heiland zelf, als Hij tot Maria spreekt: »Wist gij niet, dat ik moest
+zijn in de dingen mijns Vaders!«
+
+Dat is het heilige »moeten«, dat Hem gedragen en voortgedreven heeft
+al de dagen zijns levens; waardoor Hij in staat is geweest weerstand
+te bieden aan al de levensstormen, die boven zijn heilig hoofd zouden
+losbarsten. En ieder waarachtig Christen bezit door Jezus' genade iets
+van de heilige geestdrift, die in den loop der jaren niet dezelfde
+blijft en nog minder afneemt, maar veeleer groeit en krachtiger wordt;
+die misschien, naarmate de mensch toeneemt in ervaring, in andere vormen
+zich openbaart, en andere wegen kiest dan de vroeger bewandelde, maar
+dat alleen, omdat zij waarlijk levend is en daarom de oude vormen niet
+de hoofdzaak acht.
+
+Ieder, die zich aan Christus heeft verbonden, en dat misschien ook
+openlijk voor de gemeente heeft uitgesproken, beproeve zich zelven, of
+die heilige geestdrift zijn leven ook bestuurt.
+
+En wie het besluit Jezus te volgen misschien al vele jaren geleden
+genomen en uitgesproken heeft, vrage zich af, of zijn geestdrift
+blijvende en toenemende was, en zijn leven daardoor gedragen en bezield
+wordt.
+
+
+
+
+JOSUA'S GEZICHT
+
+EENE OVERDENKING
+
+ Josua 5: 13-15
+
+
+Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door
+worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin
+de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde;
+de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de
+hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende
+kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook,
+in op te sporen.
+
+Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen,
+had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet
+zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had
+het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen
+van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets
+en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel
+is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't
+eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.
+
+O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand,
+in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien
+naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier
+zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: _Nu ben ik
+gekomen._ Nú! Het groote »nú« van zijn leven is dáár.
+
+In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen,
+zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen
+voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden
+genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten,
+die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks
+valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker
+en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast
+punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het
+uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat
+hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't
+einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen
+opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem
+tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet
+het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve
+geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen
+zwaard in de hand.
+
+Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij
+treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat
+het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar
+zijne vraag: Wie zijt gij? En _wat_ zijt gij? _Zijt gij van ons of van
+onze vijanden?_ Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons
+keeren?
+
+En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans
+niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden
+laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór
+noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in
+hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik
+nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke
+beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze
+hem zegt: _Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik
+ben nu gekomen!_ 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen
+hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen
+en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt,
+onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.
+
+En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: _Zijt gij
+van ons of van onze vijanden?_ Niet: wat zal de toekomst mij brengen?
+Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik
+vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets
+geheel anders. _Toen_, zoo wordt ons verhaald, _viel Jozua op zijn
+aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn
+knecht?_
+
+Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat
+_zal_ ik? Maar: Wat _moet_ ik? Niet meer: _Hoe_ zal dit en _hoe_ dat?
+Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: _Wat wil mijn_ God? En
+zooals _Hij_ wil, wil _ik_; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen,
+gehoorzamen, volgen.
+
+Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot
+alles. Hij is onoverwinbaar.
+
+Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis
+van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. _Toen zeide de
+Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe
+voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig._
+
+Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit
+woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van
+afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend,
+Zijn bizonder eigendom.
+
+En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier
+Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't
+eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit
+geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het
+straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor
+'t oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters
+van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie
+Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat
+heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.
+
+Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met
+ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van
+heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God
+geroepen, door God uitverkoren.
+
+_En.... Josua deed alzoo._ Daarmede besluit het verhaal, even sober als
+schoon. En daarmede _kan_ het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd,
+is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend.
+Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't
+verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het
+Woord Gods nog altijd voor ons.
+
+ * * * * *
+
+_Nú ben ik gekomen._ Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche
+verschijning een Josua tegen.
+
+_Nú._ Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het
+onze, van die »nú's«. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken,
+die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met
+zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: _Nú ben ik gekomen._ Nú komt
+het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.
+
+We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die
+ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten
+komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons
+moeten inleven. Daar is zulk een »nú«. _Nu ben ik gekomen._
+
+Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar
+oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven
+geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven
+lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken
+druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten
+wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven
+een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan
+onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en
+stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons
+uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een »nú«. _Nú ben ik
+gekomen._
+
+En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,--neen, dan wordt het
+er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich
+onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en
+zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij
+Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt.
+Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op
+wijst,--wij weten het niet.
+
+Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons
+toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons
+bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo
+verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er
+geen weg en geen licht in. Hoe _dit_ moet, en hoe _dat_ zal. Wat _hier_
+te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: _Zijt gij
+van ons of van onze vijanden?_ Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal
+het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich
+tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning
+of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?
+
+Ja, vraag maar, vraag maar,--'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw
+vragen geen antwoord.
+
+Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan
+gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen
+antwoord te zijn. Eén, dat begint met »neen« tot u te zeggen. Neen, uw
+vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.
+
+Gij ziet louter »menschelijke« gebeurtenissen, louter »menschelijke«
+machten, »menschelijke« verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo
+is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die
+menschen te doen. Met God.
+
+In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en
+treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo
+aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u
+gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt,
+en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem
+'t eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in
+de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de
+Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te
+vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo
+vriendelijk toeroept: _Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en
+belast zijt, en Ik zal u rust geven._ Neen, maar God als een gewapend
+man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt
+dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons
+vervult. En toch is het God.
+
+En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij
+later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God,
+zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en
+de Onbegrijpelijke tot ons komt, als »God« willen aanvaarden. 't Ook
+dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.
+
+Wij kunnen »neen« zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden
+zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij,
+in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen,
+waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil
+het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem
+het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij
+niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle
+hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader.
+Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan
+moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons
+tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: _Zoo God vóór
+ons is, wie zal tégen ons zijn?_ Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo
+God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur
+en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit
+ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan
+moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons
+zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen.
+Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met
+een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't
+bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.
+
+[Illustratie]
+
+Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua
+zien doen, _neêrvallen en aanbidden_. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen
+Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele,
+dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God
+eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het
+op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar
+vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets
+anders: _Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_ Niet: Wàt zal het zijn,
+dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis?
+Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen?
+Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te
+doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en
+om ons te weten.
+
+Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons
+beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen
+verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende,
+het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij
+leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij
+strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik
+nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste
+donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: _Vrees niet want Ik
+heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
+En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult
+gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren.
+Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God
+liefhebben, werken alle dingen mede ten goede._
+
+Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel
+droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al
+wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt,
+het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in
+figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en
+nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij
+ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: _Heb maar geen
+angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid
+zien zult?_
+
+En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods
+heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op
+wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.
+
+Alles wordt anders. 't Gansche leven »heilig land.« Overal heilig de
+bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn
+samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór
+ons;--'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert;
+iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te
+zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten.
+'t Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons
+tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't
+allermoeilijkste heenhelpt.
+
+_Alles is het uwe._ Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles,
+'t leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles,
+de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de
+dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en
+wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn
+alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben
+te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. _Doch
+gij_, zoo vervolgt de Apostel, _zijt van Christus, en Christus is van
+God_. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet
+meer toebehooren. Gij dient.
+
+Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te
+wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige
+taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk
+van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.
+
+Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór
+ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons
+zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij
+licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar
+wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij
+gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.
+
+Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.
+
+
+
+
+IETS OVER HET LEZEN DER EVANGELIËN
+
+
+Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een
+groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der
+Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de
+menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven,
+niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men
+nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus
+tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen,
+dat Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen,
+voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het
+oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade
+tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem
+niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem
+onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen,
+dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij
+ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus
+geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen
+wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat
+Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen
+eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij
+gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus
+stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons
+alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden
+van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën.
+Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om
+aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te
+ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde
+tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat
+Hij ons gebiedt.
+
+
+
+
+ROEPING.
+
+
+Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al
+heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij
+wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien,
+als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen
+zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet
+anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al
+gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: »ik moet dokter worden!« De
+toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een
+toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er
+ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van
+plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel
+duidelijk voor zich ziet liggen.
+
+Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden,
+dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij
+eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij
+er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan
+studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje
+pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit
+'n vijf-en-twintig ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd
+iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te
+mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken.
+
+Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over
+gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel
+veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op.
+
+Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar
+gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als
+zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken.
+
+Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak
+hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van
+den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de
+wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest
+reëele wereld, die zich denken laat.
+
+Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief
+hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was,
+dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen
+genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde
+er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan,
+dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet
+van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school
+en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al
+klaar zag.
+
+Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit.
+Hij wist zelf niet waarom, maar met zijn vader sprak hij er nooit over.
+En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over
+sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen,
+waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht.
+Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel
+wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn
+vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een
+vanzelfsheid.
+
+Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op
+hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel
+eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot
+baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En
+'t was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had »'n
+neus« voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,--echte
+revolutiebouw!--had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op
+had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes
+làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien
+had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken
+vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de
+huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de
+hand doen.
+
+Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen
+of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem
+interesseerde, dan wat op het »vak« betrekking had. Vooral de
+advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen »deden«, die
+in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke
+lang leeg stonden, welke eigenaars er mee »zaten«, en dan lachte hij
+genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen
+flinkheid en boffen.
+
+Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij
+hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper
+hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren.
+Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een »eigen« voor
+hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang
+der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van
+Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich
+zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de
+zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden,
+hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die
+vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al
+heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden.
+Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger
+werd.
+
+ * * * * *
+
+»Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?« vroeg hij op een avond
+aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat.
+
+Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke
+dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk.
+
+»Het toelatings-examen is begin Juli,« zei hij vervolgens.
+
+»Welk toelatings-examen?«
+
+»Voor het gymnasium.«
+
+»Wat moet jij op het gymnasium?«
+
+Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in
+zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren
+spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd:
+jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn
+vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat.
+
+»Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?« vroeg Van Kempen nog eens aan
+Henk, die hem niet-begrijpend aanzag.
+
+»U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n
+omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.«
+
+»Wat klets jij toch van studie, jongen?« barstte Van Kempen uit. »Ik
+begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te
+worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt.
+Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren.
+Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me
+niet op!«
+
+Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij
+figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar
+al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog
+een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij--of hij voelde 't eigenlijk
+niet--dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk
+op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende
+hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een
+heele vies-vochtige vlakte werd.
+
+Hij zei niets meer.
+
+Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van
+dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet,
+dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan
+te grijpen.
+
+Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en
+zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de
+zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat.
+
+Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte
+hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.
+
+Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam
+kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte
+alleen, en stapte toen in bed.
+
+Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de
+dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed
+uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je
+woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn
+kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog
+gedurig.
+
+Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar
+hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar
+was 't weer, dat nare van gisteravond: »Je komt in 't vak, in 't vak,
+versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!« Die woorden
+waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook
+weer dadelijk bij hem op.
+
+Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen even dicht en
+toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij
+vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn
+dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat
+nu mogelijk, zijn eigen vader?
+
+Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader
+over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te
+beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd
+zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af!
+
+En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige
+was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel
+gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden,
+dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen,
+dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders
+boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed,
+dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't
+misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op
+zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei,
+die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren
+voor zijn geld gekozen.
+
+ * * * * *
+
+Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens,
+die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het
+Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven.
+Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders.
+
+Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den laatsten tijd net
+voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over
+zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang
+was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn
+vader had er geen woord meer over gerept.
+
+Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij
+niet hoe hij 't zou aanleggen.
+
+Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en
+naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij
+zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en
+begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven.
+
+'s Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij
+'t zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen
+tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd
+hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem
+was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't
+denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar
+zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als
+'t nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij
+tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast
+niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest.
+
+Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan
+zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe.
+
+Stotterend kwam 't er uit: »Vader hebt u er al eens over gedacht?«
+
+»Waarover?«
+
+»Over dat examen.«
+
+»Daar komt niets van.«
+
+»Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich
+nu moesten aangeven.«
+
+»En wat wou je dan?«
+
+»U vragen of u me nu wil aangeven.«
+
+»'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen
+in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel
+beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,« vroeg Van Kempen met een
+zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, »heb-je wel 'ns gekeken
+hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze
+halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien
+bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees
+wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r
+wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je
+vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen
+gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als
+je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd,
+was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft
+je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer
+worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier
+te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't
+toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school
+af, en kom je in de werkplaats.«
+
+ * * * * *
+
+Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem
+beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld,
+hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar
+omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog
+en rein zweefde het daar boven hem. Maar--evenals die keer, maar nu veel
+erger--dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó
+grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij
+elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar
+in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging!
+'t Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge
+heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets
+meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij
+zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met
+haar kind zei ze: »Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!«
+En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in
+tranen.
+
+Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken.
+Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon
+hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten,
+dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er
+achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht.
+Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed
+hoofd om te leeren. »U zult eens zien, meneer Van Kempen,« eindigde hij
+zijn pleidooi, »er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal
+misschien van al mijn leerlingen het beste toelatings-examen doen, u
+zult eer met hem inleggen.«
+
+Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen
+en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. »Neen,
+meneer,« zei hij, »daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk
+gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij«--en toen de heer Jansen
+er iets tegen inbracht over aanleg en roeping--»ach, met uw verlof, dat
+vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan
+ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n
+vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in
+hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de
+werkplaats.«
+
+De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid.
+
+Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers
+slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de
+timmermanswerkplaats.
+
+ * * * * *
+
+Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als
+iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den
+indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking
+met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't
+niet spoedig te boven.
+
+Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn
+teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich
+al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest
+hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem
+over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,--o neen!--maar dat nu
+op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor
+zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger
+geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest,
+een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij
+eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde,
+als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde.
+
+Dikwijls droomde hij er van. Eens zag hij zichzelf in zijn droom aan
+den oever van een sloot staan en aan den overkant van die sloot lagen
+allerlei ongelukkige menschen. Er waren er met afzichtelijke wonden aan
+het hoofd en met verminkte ledematen, die zij klagend omhoog staken. Een
+was erbij, die gilde van pijn, en wiens gelaat stuipachtig verwrongen
+was. En in de verte liepen blinden, die tastend voetje voor voetje
+voortgingen en naar hem toekwamen. Ze riepen allen met smeekende stem of
+hij ze wilde komen helpen, en dat hij de eenige was, die dat doen kon,
+maar toen hij zich gereed maakte om de sloot over te springen, werd die
+sloot op eens veel breeder en al breeder, zoo wijd haast als een zee. In
+de verte zag hij al die ongelukkigen verdwijnen. Wanhopig staken zij de
+handen of de stompen van ledematen naar hem uit, maar hun droevig
+schreeuwen stierf eindelijk geheel weg.
+
+Toen Henk dien droom eens gehad had, kwam die telkens weer. En gedurig
+dezelfde droom, zoodat hij ten slotte al wist, wat er komen moest.
+Daarna werd hij soms huilend wakker. Als hij dan 's morgens aan zijn
+werk moest, ging 't nog veel moeilijker dan anders. Gedurig zag hij nog
+die vreeselijke figuren uit zijn droom en hij had dan een gevoel van
+zelfverwijt, alsof 't eigenlijk zijn schuld was, dat al die ongelukkigen
+zonder hulp bleven.
+
+Op een Zondagmiddag nam zijn vader hem mee naar het ziekenhuis. Een
+jongere broer van Van Kempen lag daar in een der groote zalen. Hij was
+sigarenmaker, had 't niet zoo ver weten te brengen als zijn broer.
+Sinds eenige maanden had hij het werk moeten opgeven. Rust nemen,
+had de dokter gezegd; dan wordt 't misschien nog beter. En hoewel de
+omstandigheden dat niet toelieten, had hij wel moeten gehoorzamen. Maar
+het borst-lijden was toegenomen, en de dokter had opneming in het
+ziekenhuis gelast.
+
+Toen Henk daar zoo bij dien armen uitgeteerden man stond, voelde hij een
+groot medelijden in zich opkomen. En daar links en rechts, en aan de
+overzijde der zaal, waàr hij ook heenzag, waren ook ledikanten met oude
+en jonge patiënten, kinderen dikwijls nog, jonger dan Henk zelf. Hij had
+wel één voor één al die zieken een hand willen geven en met hen spreken
+en ze troosten en beter maken. Plots schoot hem zijn droom te binnen, en
+tranen kwamen in zijn oogen, toen hij bedacht, dat die mogelijkheid nu
+zoo ver van hem verwijderd was.
+
+Toen ze even het ziekenhuis uit waren, vroeg Van Kempen hem opeens:
+»zou je nu nog dokter willen worden, als je al die ellende van dichtbij
+ziet?« Hij had er nooit meer met Henk over gesproken, maar nu had hij
+hem eigenlijk met opzet meegenomen, om hem nog beter te laten gevoelen
+hoe wijs zijn vader er toch aan gedaan had zóó voor hem te kiezen.
+
+Met verwondering hoorde hij Henk antwoorden: »Heerlijk om al die
+menschen te kunnen helpen!«
+
+»Malle jongen!« was 't eenige, wat hij nog zei, en zwijgend gingen zij
+verder den weg naar huis.
+
+ * * * * *
+
+Toen 't zoo een jaar geduurd had, kòn Henk niet meer. Van Kempen had
+'t eerst niet willen zien. Als de familie-leden, naar wie hij nog eer
+luisterde dan naar zijn vrouw, hem opmerkzaam maakten op Henk's
+matbleeke, ingevallen gezicht, lachte hij er om.
+
+Maar toen Henk op zekeren morgen een flauwte kreeg en naar bed gebracht
+moest worden, begreep hij toch wel, dat 't ernst was.
+
+De dokter, die erbij geroepen werd, en Henk onderzocht, was niet zoo
+spoedig met zijn oordeel gereed.
+
+»Tobt die jongen ergens over?« vraagde hij eindelijk. Hij vraagde 't aan
+Van Kempen, toen zij naar beneden waren gegaan, terwijl Henks moeder nog
+bij hem boven gebleven was.
+
+»Waar zou hij over tobben?« trachtte van Kempen onverschillig te
+antwoorden.
+
+»Zoo iets moet 't toch zijn«, zei de dokter weer, »want een bepaald
+gebrek of aanleg voor een kwaal heb ik niet bij hem ontdekt. Kunt u zelf
+niet nagaan, wat hem scheelt?«
+
+»Och, wat zou 't zijn? de jongen heeft al wat-ie hebben kan.«
+
+»Vreemd toch,« prevelde de dokter. »Hij geeft er mij heelemaal den
+indruk van. Enfin, u moet hem trouw laten innemen en maar in bed laten
+blijven. Over 'n paar dagen kom ik nog eens terug.«
+
+Toen de dokter terugkwam, vraagde hij of hij eens een poos met den
+patiënt alleen mocht zijn. Hij wilde hem een en ander vragen. En een
+kwartier daarna wist hij al opperbest, wat er aan mankeerde. »U moet uw
+jongen zijn zin geven,« zei hij tot Van Kempen, »anders gaat hij kwijnen
+en dan kon u hem weleens verliezen. Ik sta voor niets in, als er geen
+verandering komt.«
+
+Een half jaar later was Henk op het gymnasium. Van Kempen had moeten
+berusten in het onvermijdelijke.
+
+»Maar«, zei hij, den dag, dat hij zijn toestemming gegeven had, »jij met
+je geloof en je meelijden met de arme menschheid, jij helpt je zelf naar
+de maan; later zal 't je nog eens berouwen, dat je niet naar je vaders
+woorden geluisterd hebt; denk daar maar eens om!«
+
+ * * * * *
+
+Zestien jaren zijn verloopen.
+
+Henk heeft zich na een schitterende promotie gevestigd in den Haag, en
+verheugt zich in een toenemende chirurgische praktijk. Zijn patiënten
+roemen hem zeer, en menige hartelijke handdruk bij zijn vertrek bewijst,
+dat hij hun harten gewonnen heeft.
+
+Er is in dezen dokter iets bijzonders, dat de menschen nog bijna nooit
+in een anderen hebben gevonden. Iets in zijn stem, in zijn blik neemt ze
+dadelijk voor hem in. De meesten onder hen kunnen zich niet verklaren
+wat 't is. Maar sommigen weten 't wèl; zij voelen 't bij intuïtie: deze
+man gelooft! En al heeft hij 't hun niet gezegd, zij weten, dat Dr. Van
+Kempen zijn patiënten maar niet aanziet als een soort van voorwerpen,
+waarop hij proeven neemt, maar dat ieder van hen voor hem een schepsel
+Gods is, wonende in een brozen tabernakel, tot welks onderhoud en
+genezing God hem heeft geroepen. En als de dag, de dikwijls zoo zware
+dag, ten einde loopt, buigt hij de knieën voor zijn God en gedenkt al
+zijn zieken hoofd voor hoofd in den gebede. En 't zijn nog andere, dan
+alleen hun lichamelijke ellenden, die hij dan voor God brengt en waarvan
+hij den hemelschen Vader smeekt hen te verlossen.
+
+ * * * * *
+
+Er wacht hem nog een zware beproeving. De oude van Kempen had al
+geruimen tijd gesukkeld. Lang had hij zich op de been gehouden en
+gemelijk geantwoord, als men hem aanraadde naar bed te gaan en medische
+hulp in te roepen.
+
+Maar eindelijk was 't hem te machtig geworden. Daar ligt hij nu neder,
+met pijnlijk verwrongen gelaat, de anders zoo forsche en zeker toch
+energieke man.
+
+Hij heeft 't zoo lang mogelijk tegengehouden en er niets van willen
+weten, dat Henk hem onderzoeken zou, maar den laatsten tijd zijn de
+pijnen hand over hand toegenomen en ten slotte ondragelijk geworden.
+
+Nu moet er operatief ingegrepen worden. »En 't zal er op of onder
+zijn«, zegt met bedenkelijk gelaat de collega, met wien Dr. Van Kempen
+consult houdt, omdat hij alleen de verantwoording niet wil dragen.
+»Blindedarmoperaties, je weet er alles van! Vooruit kunnen we nooit iets
+zeggen. 't Is een naar geval voor je, waar 't je eigen vader betreft.
+En als je er erg tegen opziet, wil ik 't wel van je overnemen. Bedenk
+je maar eens en telefoneer me maar, als je me noodig hebt«.
+
+Dat wordt een gebedsstrijd voor den nu meer dan ooit, zwaar beproefden
+zoon. Maar in dien strijd maakt God 't hem duidelijk, dat hij in Zijn
+kracht de zware taak mag aanvaarden.
+
+Vier en twintig uren later is alles voorbij en mag men hopen, dat de
+patiënt behouden is. En op zijn knieën dankt Van Kempen den God van alle
+genade, die zijn hand leidde en bestuurde, zoodat hij zonder beven zijn
+werk kon verrichten.
+
+Als na een paar dagen de zieke weer spreken mag, staan zijn vrouw en
+zijn zoon bij zijn bed.
+
+»Is 't goed?« is zijn eerste vraag, en als zij beiden zich haasten van
+ja te knikken, en hij weder vraagt: »wie heeft 't gedaan?« wijst met
+stillen trots de dankbare moeder naar haar zoo geliefd kind.
+
+Een traan blinkt in het oog van den grijsaard.
+
+Of dat hart ook gebroken was?
+
+
+
+
+HOE GOD ARBEIDT
+
+
+In 1 Kon. VI: 7 lezen wij, dat de tempel van Salomo gebouwd werd met
+volmaakten steen, zoodat geen hameren, noch bijl, of eenig ijzeren
+gereedschap gehoord werd in het huis als het gebouwd werd.
+
+Zooals de tempel van Salomo werd gebouwd, zoo wordt nog het huis Gods
+in deze wereld gebouwd. Onhoorbaar in een geruischlooze stilte rijst
+het omhoog. Het huis Gods wordt gebouwd, zooals een boom groeit. Men
+bespeurt niet, dat de boom groeit. Zoo bemerkt men niet, dat God zijn
+tempel bouwt. En toch het geschiedt. Zooals de vruchten rijpen in den
+nacht, zoo rijpt Gods werk in de stilte.
+
+
+
+
+UITVERKOREN
+
+ Johannes 15
+
+
+Misschien bevreemdt het over dit »gevaarlijke« woord een en ander in dit
+boek te lezen.
+
+Voor velen is dit woord verdoemd. Zij haten het leerstuk der
+uitverkiezing met een bitteren haat. Anderen is het woord »uitverkoren«
+buitengewoon dierbaar. Het bevat al hun geestelijk bezit. Het verklaart
+het wel en wee des levens; het geeft de oplossing van het raadsel der
+onverschilligheid voor eeuwige dingen, die zoo menig leven ontsiert.
+
+Toch geloof ik dat wij veel te weinig hebben nagedacht over wat van ouds
+het »cor ecclesiae«, het hart der kerk, is genoemd, en in den Bijbel
+zeer dikwijls wordt besproken. Vooral de jonge lidmaten, voor wie deze
+regelen in hoofdzaak zijn bestemd, moeten een gevestigde overtuiging op
+dit punt verwerven, opdat zij niet stroomloos, in dezen, op godsdienstig
+gebied, zoo verwarden tijd, leven.
+
+Een duidelijker verklaring van de uitverkiezing dan door den Heiland
+in Johannes 15 gegeven wordt, vind ik nergens in de Schrift. Reeds de
+opklimming in dit hoofdstuk is zoo schoon. Eerst spreekt de Heer van
+ranken, dan van discipelen, vs. 8, vervolgens van vrienden, vs. 14,
+en eindelijk van uitverkoornen, vs. 16. De Heer begint niet met de
+uitverkiezing, maar eindigt er mee.
+
+Een tweede gedachte, die in Johannes 15 sterk naar voren treedt is het
+verband dat tusschen Christus en de uitverkiezing bestaat. Wij zijn
+uitverkoren met Christus, _in_ Christus en _voor_ Christus. Dit is het
+troostrijke en het voor allen aannemelijke in de leer der uitverkiezing,
+en over deze gedachte zeg ik nu enkele opmerkingen.
+
+ * * * * *
+
+Ik ben de ware wijnstok, zoo begint de Heer. Indien deze woorden in de
+opperzaal te Jeruzalem gesproken zijn, is de Heiland wellicht tot deze
+gedachte gekomen door het zien van den wijn, die bij den Joodschen
+Paaschmaaltijd gedronken werd, of door het gezicht op een wijnstok,
+welks takken tot in de feestzaal doordrongen. Misschien heeft Hij aan
+den wijnstok gedacht, die een der tempelpoorten versierde.
+
+Is de Heer reeds op weg naar Gethsemané geweest, dan heeft Hij
+waarschijnlijk een wijngaard gezien, en stilstaande zegt Hij de zoo
+bekende woorden tot z'n discipelen. Hij is de ware wijnstok. Zijne
+vruchten zijn goed tot spijze en tot verheuging van het hart. De
+vruchten van den wilden wijnstok door Eliza's leerlingen verzameld,
+brachten den dood in de pot. (2 Kon. 4). De wijnstok in Habakuk's dagen
+was onvruchtbaar (Hab. 3: 17), maar Christus is de ware wijnstok. Hij
+stelt niemand teleur.
+
+Wie onzer zou in dezen zwakken boom het beeld van den Heiland zien?
+Wij zouden Hem veel beter kunnen vergelijken bij den eik, die met zijn
+machtigen kruin en frissche takken van heerlijkheid getuigt. Maar deze
+woudreus geeft slechts varkensvoedsel, gelijk iemand heeft opgemerkt;
+de onaanzienlijke wijnstok geeft de kostelijke druif en de verkwikkende
+drank, zijn bloed is beeld van het bloed dat de zonde der wereld
+wegneemt. Met zulk een eenvoudigen boom vergelijkt Hij, die geen
+gedaante of heerlijkheid had, Zijn leven en werk.
+
+Gelijk elke vruchtdragende wijnstok heeft ook de ware zijn eigenaar.
+Mijn Vader, zegt Jezus, is de landman. Hij heeft Christus in dezen
+wereldakker geplant. Hij bezit Hem, en draagt voor Hem zorg.
+
+_Hier begint de uitverkiezing._ Christus is door den Vader uitverkoren
+om de zonde der wereld weg te dragen voor Gods aangezicht. Christus is
+een planting, een gave Gods. Eer de wereld uitverkoren was om den waren
+wijnstok tot voedselbodem te dienen, was Christus uitverkoren. Hij is
+dan ook de eenige, die in de Schrift met name als een uitverkorene Gods,
+van voor de grondlegging der wereld, wordt genoemd. Alle anderen die
+in het Nieuwe Testament uitverkoornen heeten, Paulus en »de heiligen
+en beminden« te Rome of Corinthe, allen zijn uitverkoren met den Heer.
+Zonder Hem zijn zij niets. Zij zijn maar ranken, Hij is de wijnstok.
+In Hem ligt al hun kracht.
+
+Ik geloof, dat gij in de uitverkiezing van Christus gelooft. Wie uwer
+belijdt niet dat Christus Gods allerbeste gave is, en dat in Hem het
+meest de heerlijkheid Gods is geopenbaard? Van al het werk Gods is de
+Heiland het middelpunt.
+
+Ook dit zegt ons het beeld van den wijnstok. In Palestina werd aan
+den wijnbouw veel zorg besteed. Op de helling van vruchtbare heuvelen
+werd de wijngaard aangelegd. Een muur werd om hem gebouwd. Een toren
+diende den wachters tot uitkijkplaats. Persbakken werden gemetseld of
+uitgehouwen in de rots. Dit alles geschiedde ter wille van den wijnstok.
+
+Hij was van al dezen arbeid het middelpunt.
+
+Nu heeft de hemelsche Vader een schoone wereld geschapen. Hij heeft haar
+koninklijk versierd. Alles is gedaan wat aan dien wijngaard te doen was
+en van al dien arbeid is de ware wijnstok, Christus, het middelpunt. Hij
+is de uitverkorene Gods.
+
+Een wijnstok heeft ranken; zij openbaren het leven van den boom, zij
+dragen zijn vruchten. Zonder den wijnstok zijn de ranken niets. Maar als
+hij is uitverkoren zijn de ranken het ook. Van al de liefde die aan den
+boom gegeven wordt, ontvangen de ranken hun deel. Zonder den wijnstok
+zijn de ranken niets.
+
+Deze eenvoudige waarheid wordt dikwerf vergeten. Er is een christendom
+zonder Christus. Het trekt vele kringen aan; het heeft de voorkeur van
+velen, die in deze dagen wederom belijdenis afleggen van hun geloof.
+Maar zonder Christus zijn wij niets. In ieder mensch is een ledige
+plaats op Hem berekend; in ieder hart woont een heimwee, dat Hij alleen
+stillen kan. Hij is de wijnstok en de menschen zijn Zijne ranken.
+Slechts met Hem verbonden is hun leven krachtig, en hun woord vol gezag.
+Zoodra wij ons losmaken van de persoonlijkheid van Christus, verbreken
+wij de gedachte der uitverkiezing. Dan zijn wij geen ranken van den
+wijnstok meer, dus geen voorwerpen van 's Vaders zorg, geen eigendom van
+den hemelschen Landman. Dan zijn wij slechts dorre takken voor het vuur
+bestemd.
+
+_Met_ Christus zijn wij uitverkoren. Met Hem vereenigd waakt des Vaders
+oog over ons en bearbeidt ons des Vaders hand.
+
+Gelooft gij deze uitverkiezing niet? Wilt gij u van Christus straks
+scheiden om eigen wegen te gaan? Of klinkt het nog heel duidelijk in u:
+»Neen Heer, ik wil van U niet scheiden.« Erkent gij dat Hij woorden en
+krachten des eeuwigen levens heeft? Voelt gij dat Hij de weg en de
+waarheid is? Belijdt gij: zonder Hem vermag ik niets, met Hem kan ik
+alles doen?
+
+ * * * * *
+
+Niet alleen _met_ Christus zijn wij uitverkoren, _in_ Hem ook. Waartoe
+is een rank bestemd? Tot vruchtdragen zegt de Heer. De ranken moeten dus
+geleiders zijn van de levenssappen van den wijnstok. Dat is niet van
+alle ranken waar. Er zijn levende en doode ranken. Er zijn ranken, die
+volkomen onvruchtbaar zijn.
+
+Van den waren wijnstok geldt dit evenzeer. Deze wijnstok doet zien,
+dat er tweeërlei ranken gevonden worden. In den discipelkring treft men
+Petrus en Judas aan, een levende en een doode rank. In Jeruzalem leven
+Stefanus en Ananias, tweeërlei rank. In de kerk openbaren Luther en de
+Paus hun tegenwoordigheid, en van alle menschen is het waar: gij zijt
+een levende of een doode rank. Want allen zonder onderscheid zijn ranken
+van den wijnstok, door den Vader in deze wereld geplant. 't Is maar de
+vraag of wij levende of doode ranken zijn.
+
+Het beeld van den wijnstok is m.i. zulk een heerlijk beeld, omdat zoo
+duidelijk gezegd wordt wie ranken zijn.
+
+Tot op dit oogenblik toe kan niemand den wijnstok inenten; alle ranken
+behooren van nature hem toe. Zoo kan ook niemand op later leeftijd in
+Christus worden ingeplant. Allen behooren Hem van nature toe. Wij kunnen
+uitvallen, wij «kunnen verdorren, maar wij behooren allen Christus toe,
+zooals elke rank van nature tot den wijnstok behoort. Ranken zijn we,
+maar zijn wij levend of dood?
+
+Dat is een ernstige zaak, want er is een groot onderscheid tusschen
+een levende en een doode rank! Een levende rank draagt veel vrucht,
+een doode rank is voor het vuur. De dorre rank wordt afgesneden.
+
+Weet gij wat dat zeggen wil? Dit is aangewezen te zijn op zichzelf. In
+den storm alleen, in de verleiding alleen. Geen toekomst bij de poorten
+des doods. IJdel ons werk. Verduisterd onze horizont. Afgesneden voor
+goed.
+
+Weet gij wat dat zeggen wil? Geen vergeving der zonden, geen openbaring
+der liefde, die alle dingen verdraagt. Geen oor geopend om naar het
+klagen van 't menschenhart te hooren. Geen hart met medelijden vervuld.
+Omringd van zonde en zelfzucht, pijnlijk gekwetst door de Kaïnsvraag
+»ben ik mijns broeders hoeder«. Dit alles wil zeggen afgesneden van den
+waren wijnstok te zijn.
+
+Hoevelen zijn in Christus' dagen doode ranken geweest! Zijn woord boeide
+hen misschien. Zij beleden en volgden Hem, maar op een afstand en tot
+op zekere hoogte. Zij voelden zich niet met Hem een en niet in Hem
+uitverkoren. Ten slotte gingen zij toch hun eigen weg.
+
+Nog altijd zijn er velen, die Christus oppervlakkig volgen, en snellijk
+van Hem verwijderd worden. Alleen de levende ranken zijn zij, die in Hem
+blijven. Zij leven Zijn leven. Zij dragen Zijn vrucht. Ze weten zich
+uitverkoren met Hem niet alleen, in Hem ook.
+
+Gelooft gij aan deze heerlijke waarheid der uitverkiezing niet? Ziet dan
+maar rondom u en ge zult bemerken dat het leven telkens weer aantoont:
+zonder Christus geen waarachtig christelijk geloof en leven, met
+Christus alleen een bedenken van de dingen die boven zijn. Onderzoekt u
+zelven dan ernstig of gij levende dan wel doode ranken zijt.
+
+ * * * * *
+
+Wij zijn eindelijk ook uitverkoren voor Christus. De ranken moeten den
+roem van den wijnstok verhoogen. Daarom spreekt de Heiland eerst van
+vrienden en dan van uitverkoornen. Vrienden toch kunnen en willen
+zichzelven zóó verloochenen dat Christus eer ontvangt. Zij plaatsen Hem
+op den voorgrond en treden zelf terug. Zij willen niets zijn, opdat Hij
+alles worde in hun en anderer leven.
+
+Zietdaar het heerlijk doel der uitverkiezing. Weinig wordt dit begrepen.
+Menigeen die een christen zich noemt, zoekt de eer van Christus niet te
+verhoogen. Daar is veel christelijk tooneelspel en bedrog. Velen willen
+niet van »uitverkiezing« weten, omdat zij dan zichzelf moeten verliezen.
+En anderen willen alleen uitverkorenen zijn, omdat zij dan zichzelven
+kunnen verheerlijken, maar geen van deze beide soorten van menschen
+kunnen Christus' vrienden worden genoemd.
+
+De Schrift leert dat de uitverkiezing ten doel heeft Christus' beeld te
+dragen, Christus' roem te verhoogen, Christus' liefde als den troost van
+het leven aan anderen te brengen.
+
+In het veeltijds misbruikte woord Rom. 8: 29 en 30 lezen we duidelijk
+het doel der uitverkiezing: »want, die Hij te voren gekend heeft, die
+heeft Hij ook te voren verordineerd _den beelde Zijns Zoons gelijkvormig
+te worden_«. Christus moet wassen. Wij moeten minder worden. Maar
+slechts die Jezus' vrienden zich weten, willen Zijne uitverkoornen zijn.
+Zij kussen de hand van den hemelschen Hovenier als Hij op wonderlijke
+wijze hun leven door middel van Zijn snoeimes reinigt, hen van levende
+ranken tot discipelen vormt, tot vrienden heiligt en hun hunne
+uitverkiezing _met_ en _in en voor_ Christus volkomen bewust maakt.
+Zij begrijpen dat druiven hitte van noode hebben om anderen te kunnen
+verkwikken en verbazen zich dus niet over de loutering van de smart, die
+in hun leven wordt geopenbaard. Zij wachten en dulden. Immers niet in
+één oogenblik heeft deze Vader in de hemelen zijn doel bereikt. Niet in
+één uur is ons hart rein voor God. Maar het komt. Reeds is het woord der
+verlossing gesproken. Straks zal de daad der verlossing volkomen zijn
+vervuld.
+
+Gelooft gij aan dit doel der uitverkiezing? Benaarstigt u dan uwe
+roeping en verkiezing vast te maken. Hoe kunnen wij dat doen? Door te
+blijven in den Heer. Van nature behooren wij bij Hem. Hij is de wijnstok
+en wij zijn de ranken. Hij is de verlosser en wij zijn de verloornen.
+Zoo laat ons dan in Hem blijven. Dan dragen wij vrucht. Dan worden wij
+ons meer en meer bewust discipelen, vrienden, uitverkorenen te zijn.
+
+De onvruchtbare rank moet afgesneden worden. Want de voortreffelijkheid
+van den stam blijft verborgen als de rank geen vrucht draagt.
+
+Slechts de levende rank is Christus waardig. Zij blijft in Hem en Hij is
+haar leven en kracht.
+
+Laat ons dus in Christus blijven. Allereerst in Zijn woord.
+
+Het woord van Christus wone rijkelijk in ons. Het leere ons bidden en
+danken, het leere ons spreken al wat liefelijk is en wel luidt. Dat
+woord zij de toetssteen onzer gedachten, de oordeeler onzer daden, de
+bezieler van ons woord. Het zij de kracht van onze persoonlijkheid.
+
+Laat ons vervolgens blijven in de liefde. Toen ik nog in het bezit van
+een grooten pastorietuin was heb ik veel van de bloemen geleerd. Ik
+bemerkte dat de eene bloem de andere benadeelde en belemmerde in den
+groei. Wat schoon had kunnen zijn op zichzelf, en een versiering van
+de omgeving, werd nu tot schande en schade vaak. Zooals de eene bloem
+de andere vergiftigt of ziek maakt is dikwerf ook de eene mensch een
+schade voor een ander. Dat behoeft niet zoo te zijn. Gezegenden kunnen
+en moeten ten zegen zijn. Blijft in de liefde. Strooit hare bloemen
+rondom u. Brengt haar geuren in der armen hut en in het aanzienlijke
+huis. Blijft één als lidmaten van Christus. Blijft vrienden van Jezus
+en vrienden van Zijn vrienden. Toont de praktijk der uitverkiezing,
+in woord en wandel, tot verheerlijking van uwen Heiland en Heer, tot
+verhooging van uwe geestelijke kracht, tot beveiliging van wat rondom u
+den Heer losgelaten heeft.
+
+
+
+
+JEANNE D'ARC
+
+
+Jeanne d'Arc--gij kent haar naam wel uit uwen schooltijd, gij hebt
+misschien wel iets van haar leven gehoord, misschien wel eens met haar
+gedweept.... Maar weet ge wel, dat zij u iets persoonlijks te zeggen
+heeft?
+
+Zij is eene heilige, die gij gerust zonder schade voor uw Protestantsche
+geloof, als zoodanig liefhebben en eeren moogt.
+
+Haar leven bloeit op als eene schoone bloem uit een moeras. Het
+Frankrijk van hare dagen, in de 15e eeuw, verkeert in een ellendigen
+toestand. Inwendig wordt het land door tweedracht verscheurd. Wij geven
+geen nauwkeurig overzicht van den staatkundigen toestand dier dagen.
+Alleen dit: om de regeering van Frankrijk strijden twee partijen, aan
+het hoofd der eene staat de hertog van Orleans, aan het hoofd der andere
+de hertog van Bourgondië. Zij storen zich niet aan den eigenlijken
+koning. Deze is Karel VII, zoolang zijn krankzinnige vader leeft, de
+dauphyn genaamd. Karel VII is machteloos. Frankrijks vijand is Engeland,
+dat reeds eeuwen lang beweerde rechten op Frankrijk heeft uitgeoefend.
+Nu heeft zich de partij van Bourgondië verbonden met Engeland. Bij den
+dood van den krankzinnigen koning komt deze toestand: het Noorden van
+Frankrijk met Parijs, de bourgeoisie en de Bourgondische adel erkennen
+de Engelsche regeering; alleen het Zuiden houdt vast aan den wettigen
+koning Karel VII en aan het recht van een eigen nationaliteit. Het is
+een tijd van groote ellende. Zedelijk staat de bevolking, ook tengevolge
+van de langdurige twisten, zeer laag. De kerk is bedorven, de priesters
+zijn slechte leidslieden. Plundering en hongersnood zijn telkens
+terugkeerende rampen.
+
+In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een
+dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen
+vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook
+kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen.
+Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den
+Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in
+eene andere wereld, de wereld van haar geloof.
+
+Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke
+te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare
+tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft
+een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die
+krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den
+strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in
+volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt.
+
+Als jong meisje heeft zij hare »stemmen«. Die spreken haar van eene
+taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle
+ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen.
+En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van
+ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels
+gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII
+is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij
+trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van
+de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen
+taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar
+koning op den troon brengen.
+
+Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder.
+
+Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de
+geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren
+ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den
+strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook
+reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden.
+In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een
+wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard
+rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen
+belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint
+deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De
+Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd.
+
+Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het
+te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII
+te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal
+Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in
+krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard
+en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden:
+Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij
+strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor
+Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij
+voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria
+heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de
+zaak van het Koninkrijk Gods.
+
+In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne
+d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts
+enkele zinnen.
+
+Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich
+mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij
+verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar
+op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel.
+
+Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk
+heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt:
+»het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van
+Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.«
+
+ * * * * *
+
+In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven
+de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere
+wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc
+onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te
+voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam
+overgeeft aan de leiding van God.
+
+Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere
+dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een
+gansch ongewoon talent, en ondertusschen komen zoovelen om in het
+alledaagsche van het leven! Vinet zeide: »l'extraordinaire est le
+caractère de la vie chrétienne«. Jeanne zeide als kind, dat zij in het
+luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder
+leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne
+ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op
+hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt.
+
+Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne
+d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave
+Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan
+op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de
+eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt
+voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en
+in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van
+groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot
+daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn
+_moet_, wat gebeuren _moet_, is de zaak van Christus. Dat is de
+getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak!
+
+Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven!
+Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven,
+zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet
+verstandig genoeg is--gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!--om
+Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen.
+
+De Engelsche schrijver Chesterton zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en
+Nietzsche. Er behoort durf toe dit te doen; mag een kind wel binnenkomen
+in het gezelschap van zulke geweldige reuzen?
+
+In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze
+eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die
+voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon
+is!
+
+Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in
+ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen,
+wij dweepen met het ongewone.
+
+Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne
+d'Arc.
+
+Chesterton zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi,
+aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden,
+in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de
+waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar
+daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar
+ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die
+het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat
+stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche,
+en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw.
+Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan
+zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn
+oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit
+verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten,
+dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien
+bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer.
+Nietzsche prees slechts den strijder; zij was strijder. Zij overtrof
+beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de
+een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch
+persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen.
+
+Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene
+gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht
+iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer
+gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te
+vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd.
+
+Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit
+overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen!
+
+Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar
+hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En
+wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd,
+het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de
+Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze
+strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel,
+waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is
+beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te
+blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos
+schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft!
+
+
+
+
+MET DE HELDEN
+
+
+Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen,
+welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige
+verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben
+gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. Chesterton zegt
+ergens, op zijne eigenaardige manier: »christelijke leer en christelijke
+tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het
+Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom
+bewaard is.«
+
+De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is
+de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten
+slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde,
+hare heerlijkheid.
+
+Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens
+wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer
+op een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de
+heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het
+genieten daarvan: de vreesachtigen.
+
+In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: »Vloekt Meroz, zegt
+de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet
+gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren _met de
+helden_.« Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt
+onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het
+schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de
+helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer
+gezien de schoonheid van het licht, zij zijn »als de zon, die opgaat in
+hare kracht.«
+
+Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des
+Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor
+wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw,
+misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest
+»met de helden.«
+
+Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook
+tegen velen onzer tijdgenooten.
+
+Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen
+hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen,
+die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene
+heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich
+verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij
+ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun
+cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de
+rijke idealen willen vernielen.
+
+Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd
+door hun kritiek!
+
+Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden!
+Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder
+leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij
+beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen.
+Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij
+hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge
+knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. »Toen ik jong was, had
+ik ook dat ideaal« zegt de oudere, »ook ik had roeping, ook ik stelde
+mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht
+maar... gij zult ook wel anders leeren...« Kan de oudere dit woord niet
+inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden,
+bidden dat de jongeren winnen?
+
+Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij
+door gebrek aan lucht.
+
+Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De
+rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn
+mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante.
+
+Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn
+ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet
+thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft
+u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij
+deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt
+vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door
+een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt
+worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd.
+
+En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet
+dat God u »uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.«
+
+De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze
+wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de
+overwinning.
+
+
+
+
+JOZEF
+
+ Gen. 39: 9_b_ »hoe zoude ik dit een zoo
+ groot kwaad doen, en zondigen tegen God?«
+
+
+De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad--misschien
+hebben wij het nog--om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt
+misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model;
+zijne geschiedenis is het »succes-verhaal« op de Zondagschool. Maar is
+hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden
+der broers?
+
+Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor
+Jozef.
+
+Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in
+het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook
+de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder
+kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer
+wij hem vroegen »waarom doet gij zoo?«: »weet gij niet, dat ik moet zijn
+in de dingen mijns Vaders?« Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is
+hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden,
+blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is
+een kind des Vaders, die in de hemelen is.
+
+Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal
+wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan
+hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen.
+
+Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige
+jaar was »Jozef en Potifar's vrouw« de clou van de tooneelwereld. De
+nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer
+terug; de muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en
+Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de
+sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt
+den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en
+bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens
+onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken
+porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven
+vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers
+rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij
+komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook
+ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der
+menschen!
+
+Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der
+hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke
+dingen!
+
+Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft
+een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd,
+waarin de »afschuw« hoe langer zoo minder wordt. Het »kwaad« wordt
+weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen
+»kwaad« meer, maar »onvolmaaktheid«.
+
+Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een
+zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de
+winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar
+toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen!
+Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is
+gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven
+ging, bezat hij nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn
+oog ziet eene schoone toekomst, »begraaf mij in het beloofde land« zegt
+hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods
+belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet
+gaan?
+
+ * * * * *
+
+Wat is het geheim van Jozef's leven?
+
+Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht
+heeft op zijn leven.
+
+Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei
+middelen om zich tegen de zonde te verdedigen.
+
+Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel;
+toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend,
+nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid.
+
+Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer
+van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem
+heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de
+zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en
+vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan?
+
+Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen
+redeneeren. »De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man
+geen bevrediging; er is geen echte liefde«.... Daar zinkt het vaandel,
+en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in
+onzen tijd.
+
+Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons
+geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren.
+
+Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer hij 't
+uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: »al
+wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.«
+
+Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde,
+de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar
+licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig
+mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt
+hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De
+mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt
+in de hand van hem, die daarop leunt.
+
+Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden
+kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons
+leven.
+
+»Ik herinner me nog«--schrijft eene moeder--»hoe mijn kleine jongen,
+toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij
+zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg:
+»Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?« Ik weifelde een
+oogenblik en zei toen: »ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog
+zoo kort geleden bij God waart.« Toen zei het kind met een peinzende
+uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond
+kopje schudde: »neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw
+weer naar God teruggaat.«
+
+Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid.
+Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van,
+en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van
+ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, vreeze Gods.
+Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven!
+Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van
+hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is
+iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de
+beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn.
+
+Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin
+gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die
+wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom.
+Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt
+het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. »Zou ik
+zondigen, en Gods liefde bedroeven?«
+
+Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn
+leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste
+aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de
+zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook
+voor ons.
+
+Maar wie de liefde Gods kent, »verkiest liever met het volk van God
+kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te
+hebben«. Want hij ziet »op de vergelding des loons«. Dat loon ligt niet
+in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde
+geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het
+eenige, dat wezenlijk »goed« is.
+
+Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en
+macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen
+Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is
+de grootheid van Jozef's leven.
+
+
+
+
+SOMBERHEID
+
+
+»Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?«
+vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel.
+
+En zij staarden somber voor zich heen.
+
+Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien,
+met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide
+»Emmaüsgangers« alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun
+oogen »werden gehouden«.
+
+Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw
+voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich
+met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren
+hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de
+Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn.
+
+Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de
+toestand geteekend van zoo menig Christen?
+
+[Illustratie]
+
+Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht.
+Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid
+mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt,
+is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom
+zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag
+den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn
+onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch
+de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren somber
+voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en
+murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn!
+
+Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof,
+wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden.
+
+Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun leven worden!
+
+
+
+
+MOED
+
+
+Wat in het dagelijksch leven moed en doodsverachting wordt genoemd,
+verdient dien naam niet of nauwlijks.
+
+De krijgsman, die in het vuur gaat de kogels tegemoet, doet 't toch
+vooral in een zekere opwinding, in een vergeten van zichzelf en al
+het zijne, anders ging hij onmiddellijk terug. Zelfmoord, waartoe naar
+het gewone zeggen, altijd een soort van moed behoort, komt toch, wèl
+beschouwd, voort uit een niet-aandurven van het leven met zijn moeite en
+zijn strijd.
+
+Moed behoort er toe, om, niet in ijdele zelfvergetelheid, maar in fiere
+zelfbewustheid voor zijn overtuiging uit te komen. En om Jezus' naam
+smaadheid te lijden, uitgelachen en bespot te worden en toch vol te
+houden in woord en gedrag dien naam te belijden--dat is de hoogste, ja,
+eigenlijk de eenige moed.
+
+»De langmoedige is beter dan de sterke,« zegt de spreukendichter; »en
+die heerscht over zijn geest, dan die een stad inneemt.«
+
+
+
+
+DANSEN
+
+
+En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon
+van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met
+innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo
+gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist
+ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en
+bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd
+hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was.
+
+Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en
+toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen,
+had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen.
+
+Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders
+naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit
+te barsten.
+
+Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar
+verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar
+onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen
+schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met
+een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw
+v. H. Zoo'n flirt! En wat of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood
+haar en zomersproeten!
+
+Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door
+enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de
+heele boel hem geweldig begon te vervelen.
+
+Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam.
+
+Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't
+liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar
+zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't
+rijtuig.
+
+Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had
+haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten
+brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit
+de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan
+moest zijn vrouw alleen maar meegaan.
+
+Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel
+den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa
+en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te
+steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam
+staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag,
+terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet----------------------------
+
+ * * * * *
+
+Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we
+hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een
+ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja
+zelfs maneschijn.
+
+Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig
+levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen
+niet alledaagsch?
+
+Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering
+van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de
+ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande
+wereld in te sturen!
+
+»Ik moet wel!« zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond,
+dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand
+verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of
+andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten
+uitgaan. »Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar
+een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.«(!)
+
+Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven.
+'t Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de
+verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst
+is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de
+»dansacademies,« die in verscheidene groote steden van ons lieve
+vaderland worden gevonden.
+
+Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en
+psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van
+lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een
+levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van
+beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie,
+wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel,
+vrees, wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer
+van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden
+»uitgedragen.«
+
+Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen,
+maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als
+vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden
+het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar
+zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias'
+dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht.
+
+Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op
+dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen
+ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking
+hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig »dol« vinden en zich
+heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden.
+
+Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op
+de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd
+als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van
+meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een
+droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid,
+indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich
+gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd?
+
+Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen
+niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring
+van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed
+kan hebben? Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste
+vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart?
+
+Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht
+zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan
+de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan
+ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge
+menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben.
+Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over
+alles, wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der
+uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat
+zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't
+dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: »dans
+maar zooveel je wilt.« Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje
+zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch,
+natuurlijk! dan denk ik gedurig: »men moet toch ook al een principieele
+brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!« En ik vind het ook geen
+bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te
+zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en
+»patertje langs den kant« kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op
+hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat
+alles niet mogen ontwikkelen?
+
+Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der
+uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en
+oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn
+eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den
+eenvoud lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste
+stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop
+met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij
+ons den eenvoud afhandig maakt.
+
+De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der
+kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel
+kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er
+heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet
+gaven aan hun »dame«, met wie ze »soupeerden«! Is het niet meer dan
+belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de
+ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke
+nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een
+goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te
+bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg
+de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu
+Christenouders daaraan mededoen?
+
+En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar
+uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en
+verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár
+blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar
+maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt
+op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk
+geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt
+mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt
+tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel is
+aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes,
+omdat zij over al de middelen beschikken om »zoo'n onschuldig kind«
+onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede
+partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie
+zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken?
+
+»Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige
+dingen spreken«, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze
+verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der
+bal-conversatie was.
+
+Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij
+eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer
+wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld
+te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de
+balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij
+zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil
+»genieten«.
+
+»Maar dan is er zooveel »genot«, dat in strijd is met het Christendom!«
+
+Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal.
+
+»Dus mag ik niet naar een bal gaan?«
+
+Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen
+uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf,
+zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't
+Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet
+raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. Nu moet echter
+ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in
+de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later
+niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere
+leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande
+wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de
+uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid
+zich met beangstigende duidelijkheid openbaart.
+
+Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn
+begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den
+voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen?
+Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt,
+des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt
+het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde
+en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den
+ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en
+teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel
+leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer
+ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der
+dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus
+voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: »ach, hoeveel
+zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis
+hebben gevonden de redding hunner zielen!«
+
+
+
+
+TOT ZICH ZELVEN GEKOMEN ZIJNDE
+
+ (Lukas 15: 17a)
+
+
+Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den
+verloren zoon.
+
+Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had,
+»het deel des goeds, dat hem toekwam,« had hij zich gevleid, dat hij
+zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel
+was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk
+huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen
+broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat
+toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd
+hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen
+kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de
+vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd
+uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers,
+toen hij »overdadiglijk leefde«; zichzelf, toen hij, tegen den komenden
+nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er
+zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet
+schuwend, »zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om
+de zwijnen te hoeden?« En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de
+rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur
+van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen,
+veracht en beleedigd door die hem omringden.
+
+En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij,
+naar de schatting van zijn meester, minder waard was dan een zwijn,
+toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den
+geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld,
+omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk
+toescheen, bekoorlijk, betooverend.
+
+Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet
+was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden
+en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die
+gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die
+werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien
+kommer, bij dien knagenden honger.
+
+Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader.
+En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou
+deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook
+onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders,
+die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn
+volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf
+worden.
+
+ * * * * *
+
+Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te
+worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord
+voor een nog veel leelijker zaak.
+
+Maar wie »zich uitleeft« leeft buiten zichzelven.
+
+En verliest ten slotte zichzelven.
+
+En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om
+ons uit onzen waan te wekken.
+
+Als dan die ellende nog maar uitwerkt, dat ook wij »komen tot onszelf.«
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: brandstof zou vinden, Wie eerst |
+ | C: brandstof zou vinden. Wie eerst |
+ | B: Dit wìst Jezus, |
+ | C: Dit wìst Jezus. |
+ | B: ze het niet kuunen; dat de |
+ | C: ze het niet kunnen; dat de |
+ | B: opleggen. om te kunnen |
+ | C: opleggen, om te kunnen |
+ | B: hoeveel bijge-geloof er heerscht |
+ | C: hoeveel bijgeloof er heerscht |
+ | B: niet wisten dat ze dit deden. |
+ | C: niet wisten dat ze dit deden.« |
+ | B: »de Schepping« bedoel ik« |
+ | C: »de Schepping« bedoel ik.« |
+ | B: ten Kate in Amsterdam. |
+ | C: ten Kate in Amsterdam.« |
+ | B: niemand;?« wou jij zeggen |
+ | C: niemand? wou jij zeggen |
+ | B: zichzelf gemaakt heeft? |
+ | C: zichzelf gemaakt heeft?« |
+ | B: voort. Oordeelt u er zelf |
+ | C: voort. »Oordeelt u er zelf |
+ | B: Wat al kreeten.... |
+ | C: Wat al kreeten....« |
+ | B: laatste regel? »'t Was een halve |
+ | C: laatste regel?« »'t Was een halve |
+ | B: kreeten.... |
+ | C: kreeten....« |
+ | B: Juist, valt de ander in; dan kan |
+ | C: »Juist,« valt de ander in; »dan kan |
+ | B: zijn vonklend stargewemel.... |
+ | C: zijn vonklend stargewemel....« |
+ | B: derde vertellen: luister maar |
+ | C: derde vertellen: »luister maar |
+ | B: naam des Scheppers noemen; |
+ | C: naam des Scheppers noemen;« |
+ | B: bij laag nêerhangende regenwolken, |
+ | C: bij laag neêrhangende regenwolken, |
+ | B: 's morgens in de stad zijn, |
+ | C: 's morgens in de stad zijn. |
+ | B: nog even mêegaan naar de |
+ | C: nog even meêgaan naar de |
+ | B: dat zie doen (Joh. V=19). |
+ | C: dat ziet doen (Joh. V:19). |
+ | B: hem wordt betreden, Gansch Kanaän |
+ | C: hem wordt betreden. Gansch Kanaän |
+ | B: de dokter.« »Hij geeft |
+ | C: de dokter. »Hij geeft |
+ | B: jong n zijn zin geven« |
+ | C: jongen zijn zin geven,« |
+ | B: praktijk. Zijn patienten |
+ | C: praktijk. Zijn patiënten |
+ | B: Christus' moet wassen. |
+ | C: Christus moet wassen. |
+ | B: afgesneden worden, Want de |
+ | C: afgesneden worden. Want de |
+ | |
+ +--------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS ***
+
+***** This file should be named 36381-8.txt or 36381-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/6/3/8/36381/
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.