diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 36381-8.txt | 4431 | ||||
| -rw-r--r-- | 36381-8.zip | bin | 0 -> 87823 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h.zip | bin | 0 -> 503414 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/36381-h.htm | 4702 | ||||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/a.png | bin | 0 -> 1642 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 70887 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/deco1.png | bin | 0 -> 1676 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/deco2.png | bin | 0 -> 4432 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/e.png | bin | 0 -> 1466 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/ill_fp.jpg | bin | 0 -> 103534 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/ill_p074a.jpg | bin | 0 -> 88601 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/ill_p120a.jpg | bin | 0 -> 98870 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/ill_tp.png | bin | 0 -> 26381 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/ill_tpfig.png | bin | 0 -> 796 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/j.png | bin | 0 -> 1308 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/m.png | bin | 0 -> 2296 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/o.png | bin | 0 -> 1495 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/t.png | bin | 0 -> 1287 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/v.png | bin | 0 -> 1432 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 36381-h/images/w.png | bin | 0 -> 2367 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
23 files changed, 9149 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/36381-8.txt b/36381-8.txt new file mode 100644 index 0000000..be2486e --- /dev/null +++ b/36381-8.txt @@ -0,0 +1,4431 @@ +The Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Op de Levensreis + +Author: Various + +Release Date: June 11, 2011 [EBook #36381] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS *** + + + + + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | + | | + | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | + | als »aanhalingstekens«. | + | | + | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | + | e-boek op http://www.gutenberg.org | + | | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + +OP DE LEVENSREIS + +[Illustratie] + + + + + Op de Levensreis + + Bijdragen van Dr. J. A. Cramer, + Dr. J. H. Gerretsen, + Dr. F. van Gheel Gildemeester, + P. J. Molenaar, J. C. Schuller, + H. A. C. Snethlage, + A. J. A. Vermeer, + W. L. Welter + + + 1915 + + Uitgave van G. J. A. Ruys te Utrecht + + + GEDRUKT TER BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ + G. J. VAN AMERONGEN TE AMERSFOORT + + + + +INLEIDING + + +Voor de stille, en wat men zoo ten onrechte noemt: »verloren« uren in +ons leven, is dit boek in de eerste plaats bestemd. + +Om dan eens opgenomen te worden, en te midden van 's levens vaak zoo +vermoeiende sleur, door een ontdekkende, vermanende, vertroostende +gedachte ons een oogenblik de realiteit der eeuwige dingen wat naderbij +te brengen. + +Om bij wat langer poozen ons in de een of andere levens- en +schriftwaarheid 'n weinig dieper in te leiden. + +»Op de levensreis«, die voor velen zoo moeilijk, zoo bezwaarlijk is, mag +nu en dan een vriendenwoord, somwijlen een wenk van een vriendenhand +waarlijk niet overbodig heeten. Zulke woorden biedt dit boek zijnen +lezers aan; zulke wenken wil het hun geven. + +Het werd uitsluitend geschreven door predikanten der Haagsche gemeente, +omdat zij meenden, dat dit sommige hunner gemeenteleden zou aantrekken. + +Maar het is daarom volstrekt niet uitsluitend voor die gemeente bestemd. +Integendeel: de schrijvers zullen zich gelukkig rekenen, wanneer zij +elders, ook bij oude vrienden, lezers mogen vinden. + +En zij koesteren de stille hoop menig hart tot zegen te mogen zijn. + + + + +INHOUD + + + Bladz. + + J. A. Cramer, _Lenteleven_ 25 + J. A. Cramer, _Dansen_ 122 + J. H. Gerretsen, _Eenvoudigheid_ 2 + J. H. Gerretsen, _De Toekomst des Heeren_ 50 + J. H. Gerretsen, _Begeeren en willen_ 64 + J. H. Gerretsen, _Iets over het lezen der Evangeliën_ 77 + J. H. Gerretsen, _Hoe God arbeidt_ 95 + F. v. Gheel Gildemeester, _Over geloof en ongeloof_ 5 + P. J. Molenaar, _Niet zonder strijd_ 1 + P. J. Molenaar, _Bidden_ 23 + P. J. Molenaar, _De Bijbel_ 24 + P. J. Molenaar, _Geestdrift en opwinding_ 65 + P. J. Molenaar, _Roeping_ 79 + P. J. Molenaar, _Somberheid_ 120 + P. J. Molenaar, _Moed_ 121 + J. C. Schuller, _Uitverkoren_ 96 + H. A. C. Snethlage, _Jeanne d'Arc_ 105 + H. A. C. Snethlage, _Met de helden_ 112 + H. A. C. Snethlage, _Jozef_ 115 + A. J. A. Vermeer, _Belijdenis_ 2 + A. J. A. Vermeer, _Als een nevel_ 48 + A. J. A. Vermeer, _Tot zich zelven gekomen zijnde_ 130 + W. L. Welter, _Josua's Gezicht_ 67 + + + + +NIET ZONDER STRIJD + + +Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren. + +Dit verstaan vele menschen niet. + +Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel +inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden, +reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en +stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van +een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de +Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs +te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen +studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat +stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden. + +Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te +denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden +geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de +zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet, +dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp +naar het eeuwige leven! + + _Voor een eeuw'gen levenskrans,_ + _Heer, dit arme leven gansch!_ + + + + +EENVOUDIGHEID + + +Doe nooit iets, _om_ iets. Vele menschen zeggen, dat een Christen +vroolijk moet zijn, om anderen te trekken. Dit is fout. Eigenlijk +Jezuïtisme, protestantsch Jezuïtisme. Men moet nooit iets doen, om +iets te bereiken; men moet eenvoudig doen wat men doet, zonder eenige +bijbedoeling en het overgeven, wat deze handeling uitwerken zal. Wees +die ge zijt. Doe, wat ge doet. Anders wordt ge een huichelaar. In de +»wereld« beschuldigt men de »Christenen« altijd van onwaarachtigheid. +De »geloovigen« zijn niet recht te vertrouwen. Zouden ze niet eenigszins +gelijk hebben? Zou onze dubbelzinnigheid haar oorsprong misschien hebben +in onze gewoonte iets te doen _om_ iets? + + + + +BELIJDENIS + + +Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van +Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden +gesproken had--krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het +middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering--heeft Hij zich, +met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van +het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten +eerste: »wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?« en +ten tweede: »wie zegt gij, dat ik ben?« Op deze beide vragen hebben de +discipelen geantwoord. + +Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de +Profeten. + +En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij +de Christus, de Zoon des levenden Gods. + +Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: »Zalig +zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet +geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is« (Matth. 16: 14-19) +verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: »dat Hij was +Jezus de Christus.« + +Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken. +Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede: +»En Hij gebood hun _scherpelijk_, dat zij het niemand zeggen zouden van +hem.« (Markus 8: 30). + +Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus +de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken +aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd? + +Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste +beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen +overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen +zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus +te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche +overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd, +dat Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd +van verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken. + +En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou +blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller, +dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En +de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten +Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde +zijn brandstof zou vinden. Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem +verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst +Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken. + +Dit wìst Jezus. + +En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de +Christus was. + +Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op +uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig +hem, die zóó spreekt. + +Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook +Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het +Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot +Hem als hun Koning. + +Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen +er van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt. +Geen belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke +erkentenis er niet aan voorafging. + +Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard, +dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan +het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt. + + + + +OVER GELOOF EN ONGELOOF + + +Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig +mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt, +noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied +zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, »het denkend deel der +natie«; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan +met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog +menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is, +ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat +bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander +aan zijn denkvermogen hapert. + +Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is +met een nederlandsch aphorisma »alle geloof is bijgeloof«. In Fransch +Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt +aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof +aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt +genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het +nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder +jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een +voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk werk »facing +the facts«, an englishman's religion, komen voor breede kringen +uit Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen; +en uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking +worden aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer +intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam +ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal +gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene +afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze +bedoeling gezegd. + +Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd +zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen +gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne +zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van +Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan +beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die +hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig +gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om +aan de Corinthiërs te schrijven: »wij zijn dwazen, om Christus wil«.--De +jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen +ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap. + +Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu +wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar +dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd +dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en jonge +vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden +willen gelooven, maar meenen dat ze het niet kunnen; dat de bezwaren +tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld +moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten +opleggen, om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze +niet; ook niet aan zelfbedrog. + +Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen; +juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel +eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: »geloof is +bijgeloof!« Maar wat is ongeloof? _Bebel_, de bekende overleden leider +der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: »de resultaten +der wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet +weg, en brengen het ten val.« _Haeckel_, de hoogepriester van het +monisme, verzekert: »de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten +intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en +onsterfelijkheid«;--en een zeker soort van halfbeschaafde napraters +verzekeren ons met groote stelligheid: »daar is geen God, natuurlijk +niet!« Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg +gaan, is dit ongeloof niet óók een »geloof«? + +Dat geloof van Bebel en Haeckel wordt ons wel als wetenschap +aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap, +óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van Bebel en van Haeckel +niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór. +De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen +grond onder de voeten weggenomen. Toch leeft dit waandenkbeeld in vele +harten. In sommige gemoederen zit het muurvast. + +Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een +waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal +harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den +weg; veeleer het onverstand. + +Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze: +_gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen._ Dat denken +sommigen; en zij zeggen van iets: »ik geloof het niet«, wanneer zij +eigenlijk bedoelen: »ik begrijp niet hoe dat toegaat.« Eene verstandige, +nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij +woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land; +toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje +van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat +voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij +ooit een rijtuig had zien rijden. »Dat geloof ik niet!« had ze gezegd. +Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu +overtuigd? Wel neen! ze zei: »ik zie het, maar ik geloof het toch niet!« +Natuurlijk bedoelde zij: »ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit«; »ik +begrijp het niet.« Maar ze beweerde: »ik geloof het niet.« Sommige +groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen +ook. + +Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had +haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven +kleuren van den regenboog. »Dat geloof ik niet!« had het kind al weer +gezegd; en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren +van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. »Zie +je wel, dat dit samen geen wit wordt?« had ze gezegd; en triomfantelijk +er bij gedacht: »ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te +gelooven!« + +Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even +eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig +volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en +ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens +als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht. +Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel +trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij »gelooven« +verwarde met »begrijpen.« + +Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven +onnoodig moeilijk. Neen »aan God gelooven« is niet hetzelfde als +»God begrijpen.« Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en +moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen +en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met +het gelooven al heel weinig te maken. + + * * * * * + +Eene andere opmerking is deze: »gelooven« geeft geene _mindere_ +zekerheid dan »weten«; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik +iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp +is van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel +dat het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het +niet beter. Wij zijn gewoon gelooven een minderen graad van zekerheid te +achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen +mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat +een voorbeeld mijn meening verduidelijken. + +Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp, +»de polder« bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al +gespannen; de »heeren« die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig +en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt, +sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een +geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover +een meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel +kende; een »papenvreter«; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook +wel eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te +hebben; althans, hij viel dadelijk aan. »Is u niet de nieuwe dominé uit +den polder?« Ik was zoo vrij. + +»Een naar baantje, dominé!« + +Wel? Hoezoo? + +»Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die +u zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof +heelemaal niets!« + +Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament +bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart, +als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie +u is? + +»Ik ben meneer R.«, en hij noemde een welbekenden naam in Goes. + +Zoo, zoo, dus dat gelooft u! + +»Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!« + +Best, meneer; bewijs u het mij dan maar. + +»Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben«, en hij +liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R., +zoon van den ouden R. enz.« + +Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes +op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel +genoegen; maar weten is iets anders! + +Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet +te »weten« dat hij een zoon van zijn vader was. »Dan zal ik maar in het +vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!« grinnikte hij, +toen hij in Dordt den trein verliet. + +Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder +zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen +minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men +gelooft op goede gronden. + +Inderdaad, wij »wandelen door geloof«.--De heer R. en ik beiden hadden +geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen. +Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk, +Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten. +Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot, +wanneer men hem in Dordt gevraagd had: »wie was de machinist op uw +trein?«--Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd! + +Wij »wandelen door geloof«, veel meer dan wij weten. Wij hebben geloof +in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij +bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben +gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar +brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van +hun oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder +geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die »heelemaal niets« +geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend; +maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die +zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij +haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een +maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het +geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een +fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met +zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de +waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven +en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd +kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom? +Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof +is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk. + + * * * * * + +Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit +een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef; +die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd heeft; +»zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?« Wanneer hij »een +dwaas« geweest was, die in zijn hart gezegd had: »daar is geen God«, dan +had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven. +Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent +ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter +gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het +lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie +bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een +schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende +eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt +niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de +vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en +waar het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den +gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht +als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op +dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken +te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den +zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke +jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom? +Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht; +»die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik +niet: die zijn te moeilijk te regeeren!« Toen hij in zijn vaderland +terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit: +»de emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker dan +ooit. Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg +tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de +godsdienstige gedachte zelve aanvallen!« + +Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws. +Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam. + +En kan het vertroosten in den dood? + +Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die »atheistisch redenaar« +van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand +van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en +hij heeft dat later ook openlijk erkend. »Ik heb wel kunnen leven in +theoretisch atheïsme,« zoo sprak hij; »maar ik heb er niet mee kunnen +sterven.«--Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar +vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter +beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren +middag is zij met haren vader alléén. »Vader!« vraagt het meisje, »op +welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?« De +vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met +bewogen stem: »sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!« +Ik denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader. + +En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? Dr. +Dubois-Reymond, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft, +dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van +teruggekomen is, Dr. Dubois-Reymond wijst er op hoe alléén het levend +godsvertrouwen kan troosten onder het leed des levens: »Troost eens een +zaal vol kankerlijders met de verzen van Goethe of Schiller« zegt hij. +Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen +van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het +levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat +maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en +sterfbedden. + +Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel bijgeloof er heerscht +in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten; +niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een +paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt +elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een +tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te +kloppen en daarbij te zeggen »unberufen!« Men kan nooit weten! Bij het +nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd +behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in +stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan. +Lord Herbert van Shaftesbury had een boek geschreven waarin hij de +openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het +wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel +als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde »positivist« Auguste +Comte vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene +godheid »de humaniteit«, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij +Auguste Comte, de positivist. + + * * * * * + +Wat gelooft toch eigenlijk een »ongeloovige«? Als gij het hem vraagt, +dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den +trein: »ik geloof heelemaal niets!« Want hij wil zijn geloof voor +wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is +ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis. + +»Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van +eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich +zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve +geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare +wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.« + +Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische +geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat +belijdt: »ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des +hemels en der aarde«. + +Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht »de Schepping«, van ten Kate? +Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren +kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te +treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene +studie van een der »jongeren« te lezen dat ten Kate toch maar mooier +verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. »Ja, ja,« knikte ik mijn +wel doorvoeden criticus toe; »véél meer!« Ik zou lust hebben u eens de +passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God +zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden; +aldus begint het: + + Met de middlen, met de wegen + Van Zijn goedheid, van Zijn macht + Komt de Algoede zijn geslacht + Op den hangen dwaalweg tegen; + En daar straalt een spoor van zegen + Door de wanorde en den nacht; + +Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie +regels: + + »God is goed en groot« herhalen + Alle heuvlen met hun dalen; + Alle bergen die daar staan + Als voor de eeuwigheid geschapen, + Aan wier borst de wolken slapen; + Aan wier voet, gelijk de blaân, + Volken komen en vergaan; + 's Heeren stem is op de waatren, + Die Hij van Zijn vingertop + Sprenkelde als een regendrop, + En, wanneer de diepten schaatren, + 't Bliksemvuur de wolken deelt, + En de zee heur psalmen speelt + Onder 't loeiend onweerklaatren, + Dan ontblooten zelfs Gods haatren + Met een huivring 't schennig hoofd; + En--de twijfelaar gelooft! + +Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet +kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu +eens vertellen wat mij onlangs gebeurd is. Een mijner jonge vrienden, +een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij: + +»Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?« + +Ja, zeker weet ik dat, die is van God! + +»Nu, wees niet flauw; het gedicht »de Schepping« bedoel ik.« + +»Zoo«, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) »ik heb anders den +dichter nog zelf gekend--en hem stukken er uit hooren voordragen; en +ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote +dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.« + +»Neen«, zegt mijn wijsneus. »U weet er heelemaal niets van«. (De jonge +man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar +maakt hij misbruik van!) »Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi +vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet +van ten Kate!« + +Wel--en van wien is het dan? + +»Van niemand!« + +»Van niemand?« vraag ik--want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik +dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen +huis, Toussaintkade 35, zou trachten »er in te laten loopen.«--»Van +niemand? wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?« + +»Ja, wat zal ik zeggen«--ging mijn historisch-conjecturaal-criticus +voort. »Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar +uwe meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna +vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867--we +hadden toen nog mooie Meimorgens--dat een jonge os hier de stad +'s-Gravenhage werd binnengeleid; hij kwam van het Bezuidenhout, de +Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den +slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet +vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt +rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen +Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit +hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige +directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept +uit: »kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die +Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!« +En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een +stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer +in de letterkast op te bergen. Maar--daar komt er een; u weet die +letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de +Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: »wel, heb ik +nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij +mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!« + + Met de middlen, met de wegen + Van zijn wijsheid, van zijn macht, + Komt de algoede zijn geslacht + Op den bangen dwaalweg tegen; + En daar straalt een spoor van zegen + Door de wanorde en den nacht. + Wat al kreeten....« + +»He, meneer,« zegt de jongen; »dat zou een mooi vers geworden zijn; +jammer dat het hier uitscheidt«.... + +Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: »kijk, meneer, dat is nu +toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook +je laatste regel?« »'t Was een halve regel«, zegt de eerste: »Wat al +kreeten....« + +»Juist,« valt de ander in; »dan kan ik wel het vervolg hebben: + + ........ Hem bestormen, + Door den wanklank ongestoord, + Werkt de Vader liefdrijk voort, + En in duizendvoude vormen + Kleedt Hij Zijn welsprekend woord. + Leesbaar staat het aan den hemel + Met zijn ongerimpeld blauw + Lovend de Onbezweken Trouw; + Met zijn vonklend stargewemel....« + +En daar was het weer uit. + +»Ik heb zoowaar het vervolg,« komt een derde vertellen: »luister maar +toe; wat was ook weer je laatste regel? »Met zijn vonklend stargewemel« +ja juist: + + Prijzend als op d'eersten dag, + 't Eenig en Alhoog gezag. + Hoorbaar klinkt het uit de stroomen, + Uit de velden, uit de boomen, + In een eindloos lofchoraal. + Want het schepsel al te maal, + Houdt niet op zijn God te roemen; + Ieder in zijn eigen taal, + Wil den naam des Scheppers noemen;« + +en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan +kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg. +'t Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van +hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst. + +»En dus«--zoo eindigde mijn verslaggever; »aan wien kan men nu dat vers +eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht +van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?« + +Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een +os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder; +maar--ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!« + +»Wat gelooft u niet?« vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp; +»wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom +niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!« + +Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat +is glad onmogelijk! + +»Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde +vallen; waarom dan niet in deze?« + +Ja--wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is; +maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van +geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn +door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat +gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond, +dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een +onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar +verlangt de geleerde monist Haeckel van ons niet iets dat duizendmaal +absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,.... +onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid! +Professor Reinke uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een +geleerd boek geschreven, de wereld als daad, »die Welt als That«; hij +bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre +verleden _vanzelf_ is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij +verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen +(b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is +gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene +nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel +ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen +van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf, +eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest +zijn, een opgewonden automaat! + +Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval +geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand? + +Het woord »toeval« is een woord voor bijgeloovige menschen; het is +een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken +verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord »toeval«? + +Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn +stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed +van mechanische krachten, door een gelukkig »toeval« zich weer zouden +vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat? + +Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den indruk van +chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn. + +De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen, +verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om »ongeloovigen« te zijn, +bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet. + +Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden +zijn, waarmede Bebel en Haeckel en hunne geestverwanten mij bewijzen +willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens +uit de landsdrukkerij en aan hun »blik met letters.« Inderdaad behoeven +onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met +een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen +ongetwijfeld christelijk geloof: + + _Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, + Schepper des hemels en der aarde._ + + + + +BIDDEN + + +Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met +God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van +kracht. + +Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt +het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak +vergeleken--en een betere vergelijking kan men wel niet vinden--bij het +naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water +gewerkt heeft, maar nu een tijd lang weer in de vrije lucht moet +ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen--anders hield hij het niet vol. + +Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd +weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't +bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom +Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te +verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan. + +Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna, +dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden +levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den +strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige +omleidingen des boozen? + + + + +DE BIJBEL + + +Sven Hedin, de beroemde reiziger, schreef eens in een brief uit +Stockholm: »Zonder het vaste en levende vertrouwen in den Heer, en in +zijne almachtige, bewarende liefde, zou 't mij onmogelijk geweest zijn, +'t twaalf jaren lang in die ontoegankelijke streken van Azië uit te +houden. Op al mijne reizen is de Bijbel steeds mijn begeleider en mijn +beste lektuur geweest.« + + + + +LENTELEVEN + + +Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de +erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en +rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis. + +Want de hei is altijd mooi! + +De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo +scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de +toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete +zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel +wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich +zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend +op de witte vlakten nederzien. + +Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is +er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom. +Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet +alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht +trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon +in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd +harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt +gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen +ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom, +waarin vrede woont. + +Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan +de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze +uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een +kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep +statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit +oprijst. + +Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben +aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar +aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het +intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt, +telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich +bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig +kom je in de stemming om meê te bidden. + +Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar +je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat +de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden +uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden +kan worden gebracht. + +Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde +kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een +paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling +met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en +hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel +verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar +'t is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan! + +Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar +spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê +omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich +misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen +uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig +beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen. +Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun. +Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en +richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef +naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten +van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden, +of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op +de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van +de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles +spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn +oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben, +maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan, +de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen +niet lang uithouden! + +Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen +bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die +in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de +winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van +de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten +zeggen: »mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!« »Gewoonte, +Jaap, alles gewoonte,« had zij hem geantwoord, »en een mensch heeft er +zijn brood.« Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was +blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de +stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan. +'t Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan +omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en +schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon +kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen +afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel +speelde. + +Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom? + +Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren. + +Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last +van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met +hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs +de dominee hem om raad kwamen vragen. »Boesveld, wat moeten wij doen?« +En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't +dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: »dat had ik wel +gedacht.« Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt, +heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer! + +Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom +hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij +anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader +heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich +hielden, het had niet geholpen. + +Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat +hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God +doen zou. + +Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest. + +Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de +heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag +schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den +hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó +had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep +en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde. + +Ach, Geertje! ach, Geertje! + +Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was +de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren +stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend +wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste +blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden. + +Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe +dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen +lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat +'t kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was +laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren +verloren. + +Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? Omdat daar 't +plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld, +toen ze klein was. + +Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit +en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer +drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de +nabijheid hout hakte of dennen pootte. + +Die drie berken had zij »Vader« en »Moeder« en »Geertje« genoemd. De +langste was »Vader«, de dikste »Moeder« en de kleinste, »Geertje«, of +»ikke«, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't +aardigheid was en je wel moest meêlachen. + +Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven? + +Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet +aarden. Ze moest onder de menschen. + +Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het, +wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een +zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er +hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en +neen blijven zeggen? + +Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze +had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar +hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal +in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had +gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest. +En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig +had moeten zeggen: »nou kind, hou je maar goed.« + +Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui +voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de +geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet +van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies +geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht +wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten +mocht. + +En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen, +maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij +niet. + +Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog +bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap +was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn +huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen, +dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter +buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo +geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat +een vader in zoo'n geval voelde. + +Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis +komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk +gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud +geweest om 't kind bij zich te nemen. + +Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het +dorp? + +Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep, +die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok. + +Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen +ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó +erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis +te doen opnemen. + +Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal. +Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn +leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden, +maar een zuster,--een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te +zeggen--had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En +daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder +zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd +en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe, +pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te +prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de +vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen +draaien en op alle vragen weinig asem gegeven. + +Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't +niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om +Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de +gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet +moederzalig alleen laten liggen. + +Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te +gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis +gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had, +dat hij overkwam. + +Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst +overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien, +waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen +had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal +op eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den +eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn. + +Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog +hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was +'t mis! + +Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde +geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken +geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór +stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn +eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen +uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw +geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje, +hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou +hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en +alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken. + +Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want +'t Woord sprak waarheid: »de bezoldiging der zonde is de dood.« + +Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar +met plaggen voorttrok. + +Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang +leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet dat Jaap de zweep ooit +gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: »hu +bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?« dan kon je alles van ze gedaan +krijgen. Net menschen, die dieren. + +En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest, +te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.--Door eigen +schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en +duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in +huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten +voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen, +dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het +tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek +in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit +met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo +stil geweest? + +Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er +nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van +den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet, +maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen. + +Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen +komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader. +Met die gedachte paaide hij zich. + +Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar +vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde +in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de +waarheid, die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch +bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij +had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was +geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij +als vader verplicht.--Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch +veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat +kwam, omdat 't zoo eigen was. + +Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen +en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den +heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te +stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn +gang gaan en volgde langzaam. + +Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn +spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was +gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar +die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge +kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in +zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij +hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje +niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last +harer schande laten dragen? + +Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder +aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen. +'t Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op al zijn +vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot +door de struiken ging. + +Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. »Stil bruine, de baas moet +nog even de pijp aansteken.« Hoe meer de zorgen hem drukten, des te +krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een +teeken om hem maar stil met rust te laten. + +De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd, +achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van +zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een, +nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven. + +Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en +wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie, +hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin +en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen +dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar +tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in +hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun +gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels +met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één +harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar +avondzonnezang, vredig en plechtig. + +Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed, +hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met +den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich +uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter +een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei +wegdreven. + +'t Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in +eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten +van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den +avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar, +als uit de hei opgegroeid. + +Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't +Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar +den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't +geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei +zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de +plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte +kleed van den nacht-------------------------------- + + * * * * * + +Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den +hoofdportier van 't ziekenhuis: »of hij al bij Geertje Boesveld terecht +kon?« + +Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen +op en dan de eerste deur links, zaal 5. + +Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang +der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem +toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: »U komt +zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar +meê, haar moeder is er al.« En terwijl zij met hem naar 't eind van de +lange zaal ging, waar Geertje's bed stond met een wit schermpje er om +heen, zeide zij zacht tot hem: »U wilt er wel om denken, dat zij heel +ziek is?« + +Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster +schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl +rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar +Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe +en scheen te sluimeren. + +Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding, +hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de +slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld. + +Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het +voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als +terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog +vasthield. + +»Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens +komt zien, hoe 't met je gaat.« Met deze woorden riep de zuster haar +zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't +hoofd streek. + +Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er +een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere +zonnestraal over een somber najaarslandschap. + +Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte +je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang +zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat, +hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven? + +Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover +haar. De onderarmen lei hij op de knieën en de handen liet hij slap +naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en +weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren. + +Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde +regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die +smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van +moeder, maar anders was ze krek d'r vader. + +Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield +Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag, +was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem +vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging +hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer +die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien +onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar +te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij +dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote +warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit: +»Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?« + +Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe +oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder +losmaakte en aan haar vader reikte: »Dank u, vader, dat u me vergeven +hebt.« + +Jaap greep haar hand en zeide: »Maar kind, ik heb je altijd vergeven.« + +Geertje schudde 't hoofd: »neen vader, nog nooit zooals nu.« + +Zij deed haar oogen dicht. Alles vermoeide haar zoo. + +Toen, een oogenblik daarna: »vader, ik ben niet bang om te sterven.« + +»Zoo kind.« + +»Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?« + +Deze begreep haar. »Boesveld,« zeide zij, »uw dochter is heelemaal +niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is +de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't +sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk +gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze +behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging, +al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar +omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde +ze zoo graag. + +»Maar nu niet meer zuster.« + +»Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan +te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort +met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had +haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in +een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: »Zou je +het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten +loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom +wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo +donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.« »Je moet niet met den +rug naar 't licht gaan staan«, zei de dominee, is 't niet Geertje?« + +De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest +oppassen, dat hij niet ging huilen. + +De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als +Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den +Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles +licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had +'t bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te +varen. + +Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote +tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden, +dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij +was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den +strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking +zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al +bezat ze 't zelve niet. + +Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg. + +Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze +fluisterend: »alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar +'t licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht... + +Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben +genomen, bleef ze roerloos liggen. + +Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was +bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen +zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En +hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats +dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd. +Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben +gezegd, dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou +ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had +geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met +zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij +zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven. +Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich +in huis nam? + +'t Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister +leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan +altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken, +als 't moest, dan moest het! + +Toen werd het weer heelemaal duister. + +Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje. + +Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets +te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch +eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben +gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in +hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag +nu zoo rustig. + +Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens +terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te +moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden +morgen zouden ze heel vroeg terug komen. + +Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht. + +'t Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten op de zaal +waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten +schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open +deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't +licht brandde. + +Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde +'t tikken van de klok. + +Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: »'t Hijgend +hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de +frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!« De zieken +werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren. +'t Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een +engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar +oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem +dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en +nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar +laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden +in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe +en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij +achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder. + +»Geertje, wat is er?« + +»Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is.... +dan.... 't leven.« + +Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer. + +Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje +kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had +'t niet erg op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de +zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem +stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: »ik +dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.« + +»O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan +haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.« + +Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf +ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg! + +Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: »zou je denken, dominee, +dat Geertje gelukkig was?« + +»Boesveld,« antwoordde deze, »gelooft u niet, dat, wie zich naar 't +licht toekeert, een kind des lichts is?« + +Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol +aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: »ik dank u.« Toen keerde hij +zich om, en ging met Jenneke de zaal af------------------------ + + * * * * * + +En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei. + +Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn +spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden +dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht +dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met +Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit +den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en +bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog +in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den +bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen +dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen. + +Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt. +Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar +blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer +rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden. + +Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór +haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard +te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had +gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo +schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij +had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had. + +Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam. +Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken. + +Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de +ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of +hij Geertje's stem hoorde: »Vader, niet met je rug naar 't licht gaan +staan!« + +Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan. +Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper +en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar +alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de +hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden. + +En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van +lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog +zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend +zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem +van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden, +blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een +ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar +jonske in zijn armen. + +»Mag ik dat kind hebben?« wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze +weg. + +Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij +met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je +er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel +in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie +zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien, +dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar +één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna +met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't +kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast +haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat +Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms +te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij, +dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij +tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet +goed had gedaan. + +Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de +vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën +in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën +gebleven. + +De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als +je'm tegenkwam en je vroeg: »Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?« +dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't +antwoord steeds: »best, jong, best!« + +En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat +bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente +is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar +eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien +weg. + +De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is +natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den +invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen. + +Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in +de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had +gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw +te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde +niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder +drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één +van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij +hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's +lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout. +Dan kon je er weer met pleizier naar kijken. + +De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar +zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel +door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar +als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't +overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles +in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in +feestgewaad te verschijnen. + +Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken, +zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was +opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk, +krachtig Lenteleven. + + + + +ALS EEN NEVEL + + +De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles +dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras +en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen +en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en +ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den +dood. + +Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de +grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was, +heft zich op; wat weggedoken was, schudt zich de wieken vrij; wat +verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet +zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt, +binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met +de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende +leven terug roept. + +En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer +pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel, +die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van +dankbaarheid voor genoten verlossing. + +Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied +is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij +sidderen als bij de nadering van den dood. + +Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene +op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer +een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte. + +En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en +koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht. + +Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden +wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog +en die het genoten licht weerkaatst. + +Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: »Ik delg uwe +overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.« Jes. +44: 22. + + + + +DE TOEKOMST DES HEEREN + + +Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een +strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van +oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job +vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd +eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd +meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren +kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische +brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd +herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den +goeden strijd te strijden. + +Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden +zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw +Testament waardeeren het leven als strijd. + +En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo +ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende +levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei +vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig +antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch +bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. Strijdende, iederen dag +op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de +juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit +ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij +leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het +vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons +leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart +geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen, +hebben gevonden. + +Alzoo, het leven is een strijd. + +Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten, +waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te +weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is +iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden +moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor +strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen? + +Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het +doel van onzen levensstrijd kennen. + +Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel +van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar +te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij +henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene +venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen. +Wij komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee +duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van +waar of het waarheen kent. + +Zoo zegt men. + +Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te +spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen +wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de +bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld +henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt +zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus +wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het +leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin +hij zich bevindt, voort te zetten. + +Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking »toekomst« van +Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden +van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in +het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen, +dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het +dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren +omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der +oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het +werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen, +indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld +een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid +alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar +af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In +Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden. +Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt in de bekende +uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het +woord toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of +Keizer binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid +gebracht. De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een +binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie +werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst +van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te +vervangen door paroesie. + +Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het +Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het +Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt +daardoor voorkomen. Het woord »toekomst« zegt bovendien zoo weinig. Het +zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is +dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk. +Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van +Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst +van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij +menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden +bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze +wereld. + +Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente. +Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op +iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het +Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament. + +Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen +uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël +uitgezien naar de komst van zijn Messias. + +Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode +van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de +gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de +mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd. +Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt. +Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het +moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in +de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert, +er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een +volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël. +Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over +Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met +ongeduldig verlangen. »Och, dat gij de hemelen scheurdet«! + +Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het +zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de +toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de +toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware +tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het +devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift +op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt. + +Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het +middelpunt. + +Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den +achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij +geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van +Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler +toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: »van +waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.« Dat is +dan alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der +eerste Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar +den Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht +sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: »Judex ergo cum sedebit, +quidquid latet apparebit nil inultum remanebit«[1], de dag van Christus +was een dies irae geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld +deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus +niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III) +als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen +zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het +oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten +gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het +wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare +voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te +worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt: +de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst het zondige, dat +ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele +blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt +voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven. + +[1] Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal alles wat + verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken blijven. + +Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven +geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde? + +Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den +mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig? + +De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons +openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de +openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze +toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van +Christus. + +En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting +tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van +Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze +gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen +»te werken met hunne eigene handen.« Mede door de prediking van den +komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen +arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet +nabij? + +Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft +ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij +komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit +het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd +omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet +overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te +arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet +uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken +nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze +conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid +Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan +gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich +zelven niets doen tenzij hij den Vader dat ziet doen (Joh. V:19). Wij +zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet +meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den +Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet +alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde +woord aldus eindigt: »Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon +desgelijks.« De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals +het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt +zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is +voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods +overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons +werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt +voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief, +werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het +onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de +toekomst van Christus bron wordt van oneindige kracht en voortdurende +prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van +Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen +door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus +komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn +arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden +geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe +wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een +abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze +wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar +daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want +Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. »Mij is +gegeven alle macht in hemel en op aarde.« De wereldvernieuwing, waarop +wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan. +Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke +verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De +verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in +Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van +Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het +werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer +dan dit: zij geschiedt door hen. + +Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat +wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet +te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der +wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden zonder +gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit +gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op +iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den +komenden Christus is gewaarborgd. + +Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het +achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft +op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in +heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei. + +Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld +neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch +niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich +behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een +vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met +het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst +van Christus werd het christendom wereldsch. + +Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de +monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij +ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig +geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn +klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van +den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de +eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar +men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat +hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal +kunnen overwinnen, indien de almacht van den Christus, die de wereld +overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet +achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te +meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen. + +Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt. +Wij, protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij +ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren. +Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer +men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd +met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet +er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het +streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich. +Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld. +Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit +compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor +de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld +doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan +slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in +den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige +ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de +Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te +gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een +klooster uit de wereld terugtrekt? + +Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. Eerst met +de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch +zijn. + +Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht +en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch +geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was +geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer +kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel +arbeid. + +Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door +de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den +komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle +zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt +voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een +schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een +vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen +paroesie-Christen. + +Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat +men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is. + +Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het +Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen, +het eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij +zoeken het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om +buiten de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in +onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die +dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje +Koninkrijk. + +Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om +het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij +onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk, +d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen +orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het +huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk. +Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een +doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende +Koning. + +Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan +onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de +parousie des Heeren. + +Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in +Duitschland noemt: een confirmandenbuch. + +Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord +regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en +bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt +voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de +christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van +Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u +in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het +misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat +anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk +Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk +Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat +werken voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken, +lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst. + +Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn +niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus. +Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de +rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen +protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme +heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods +en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts. +Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden +in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk +werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men +doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel +wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij +de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling +preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een +heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk +de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om +Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een +echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van +wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en +wezenlijk Roomschen zijn? + +Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld +ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen. +Wee dengene, die zijn post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God +u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd +voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting +van wereld in Koninkrijk. + +Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te +moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in +aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt +en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal +openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier +der Christelijke Gemeente met haar oude devies: + + _Maran-atha_ + _De Heer komt._ + + + + +BEGEEREN EN WILLEN + + +De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte +naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in +beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den +grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De +wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet +bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte +activiteit. + +Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen, +als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide +bewegingen geheel van elkander onderscheiden. + +Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte tot den wil. +Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is +eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd. +Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid. + + + + +GEESTDRIFT EN OPWINDING + + +Geestdrift kan alleen bestaan bij den Christen. Geestdrift d.i. in God +te zijn! En het kenmerk der ware geestdrift is, dat zij _blijft_. + +Er bestaat ook geestelijke opwinding, die zich naar buiten openbaart in +een soort van vrome drukte. En wie nog weinig of geen ervaring bezit, +laat er zich licht door in de war brengen en ziet die opwinding voor de +ware geestdrift aan, die van boven is. + +Die opwinding is gelijk aan het vuurwerk, dat voor een oogenblik door +zijn schittering het oog boeit, maar daarna in grooter duisternis +de toeschouwers achterlaat; de geestdrift is het rustig schijnend +hemellicht, dat door zijn glans den mensch verblijdt. De opwinding doet +denken aan het zaad, dat op eenmaal hoog opging en wonderveel deed +hopen, maar toen de zon ter middaghoogte steeg, en de zonnestralen +brandden en schroeiden, bleek het geen diepte van aarde te hebben en het +verdorde. De geestdrift is gelijk aan het zaad, dat in de goede aarde +viel, en lang verborgen bleef, maar straks te voorschijn kwam, gestadig +aan opwies en rijke vrucht droeg. + +Velen waren er in Jezus' dagen, die vol schijnbare geestdrift tot Hem +kwamen, en zeiden: »Meester, ik zal U volgen, waar gij ook heengaat,« +maar wier geestdrift straks bleek slechts opwinding te zijn, want ze +ging voorbij, ze was niet blijvende, ze was niet tegen de beproeving +bestand. De echte geestdrift vinden wij in de eerste plaats in onzen +Heiland zelf, als Hij tot Maria spreekt: »Wist gij niet, dat ik moest +zijn in de dingen mijns Vaders!« + +Dat is het heilige »moeten«, dat Hem gedragen en voortgedreven heeft +al de dagen zijns levens; waardoor Hij in staat is geweest weerstand +te bieden aan al de levensstormen, die boven zijn heilig hoofd zouden +losbarsten. En ieder waarachtig Christen bezit door Jezus' genade iets +van de heilige geestdrift, die in den loop der jaren niet dezelfde +blijft en nog minder afneemt, maar veeleer groeit en krachtiger wordt; +die misschien, naarmate de mensch toeneemt in ervaring, in andere vormen +zich openbaart, en andere wegen kiest dan de vroeger bewandelde, maar +dat alleen, omdat zij waarlijk levend is en daarom de oude vormen niet +de hoofdzaak acht. + +Ieder, die zich aan Christus heeft verbonden, en dat misschien ook +openlijk voor de gemeente heeft uitgesproken, beproeve zich zelven, of +die heilige geestdrift zijn leven ook bestuurt. + +En wie het besluit Jezus te volgen misschien al vele jaren geleden +genomen en uitgesproken heeft, vrage zich af, of zijn geestdrift +blijvende en toenemende was, en zijn leven daardoor gedragen en bezield +wordt. + + + + +JOSUA'S GEZICHT + +EENE OVERDENKING + + Josua 5: 13-15 + + +Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door +worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin +de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde; +de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de +hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende +kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook, +in op te sporen. + +Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen, +had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet +zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had +het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen +van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets +en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel +is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't +eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn. + +O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand, +in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien +naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier +zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: _Nu ben ik +gekomen._ Nú! Het groote »nú« van zijn leven is dáár. + +In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen, +zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen +voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden +genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten, +die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks +valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker +en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast +punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het +uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat +hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't +einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen +opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem +tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet +het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve +geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen +zwaard in de hand. + +Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij +treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat +het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar +zijne vraag: Wie zijt gij? En _wat_ zijt gij? _Zijt gij van ons of van +onze vijanden?_ Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons +keeren? + +En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans +niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden +laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór +noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in +hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik +nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke +beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze +hem zegt: _Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik +ben nu gekomen!_ 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen +hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen +en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt, +onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood. + +En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: _Zijt gij +van ons of van onze vijanden?_ Niet: wat zal de toekomst mij brengen? +Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik +vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets +geheel anders. _Toen_, zoo wordt ons verhaald, _viel Jozua op zijn +aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn +knecht?_ + +Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat +_zal_ ik? Maar: Wat _moet_ ik? Niet meer: _Hoe_ zal dit en _hoe_ dat? +Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: _Wat wil mijn_ God? En +zooals _Hij_ wil, wil _ik_; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen, +gehoorzamen, volgen. + +Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot +alles. Hij is onoverwinbaar. + +Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis +van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. _Toen zeide de +Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe +voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig._ + +Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit +woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van +afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend, +Zijn bizonder eigendom. + +En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier +Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't +eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit +geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het +straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor +'t oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters +van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie +Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat +heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt. + +Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met +ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van +heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God +geroepen, door God uitverkoren. + +_En.... Josua deed alzoo._ Daarmede besluit het verhaal, even sober als +schoon. En daarmede _kan_ het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd, +is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend. +Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't +verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het +Woord Gods nog altijd voor ons. + + * * * * * + +_Nú ben ik gekomen._ Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche +verschijning een Josua tegen. + +_Nú._ Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het +onze, van die »nú's«. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken, +die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met +zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: _Nú ben ik gekomen._ Nú komt +het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen. + +We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die +ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten +komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons +moeten inleven. Daar is zulk een »nú«. _Nu ben ik gekomen._ + +Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar +oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven +geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven +lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken +druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten +wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven +een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan +onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en +stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons +uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een »nú«. _Nú ben ik +gekomen._ + +En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,--neen, dan wordt het +er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich +onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en +zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij +Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt. +Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op +wijst,--wij weten het niet. + +Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons +toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons +bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo +verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er +geen weg en geen licht in. Hoe _dit_ moet, en hoe _dat_ zal. Wat _hier_ +te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: _Zijt gij +van ons of van onze vijanden?_ Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal +het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich +tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning +of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen? + +Ja, vraag maar, vraag maar,--'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw +vragen geen antwoord. + +Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan +gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen +antwoord te zijn. Eén, dat begint met »neen« tot u te zeggen. Neen, uw +vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet. + +Gij ziet louter »menschelijke« gebeurtenissen, louter »menschelijke« +machten, »menschelijke« verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo +is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die +menschen te doen. Met God. + +In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en +treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo +aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u +gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt, +en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem +'t eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in +de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de +Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te +vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo +vriendelijk toeroept: _Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en +belast zijt, en Ik zal u rust geven._ Neen, maar God als een gewapend +man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt +dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons +vervult. En toch is het God. + +En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij +later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God, +zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en +de Onbegrijpelijke tot ons komt, als »God« willen aanvaarden. 't Ook +dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen. + +Wij kunnen »neen« zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden +zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij, +in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen, +waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil +het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem +het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij +niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle +hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader. +Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan +moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons +tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: _Zoo God vóór +ons is, wie zal tégen ons zijn?_ Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo +God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur +en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit +ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan +moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons +zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen. +Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met +een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't +bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop. + +[Illustratie] + +Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua +zien doen, _neêrvallen en aanbidden_. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen +Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele, +dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God +eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het +op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar +vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets +anders: _Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_ Niet: Wàt zal het zijn, +dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis? +Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen? +Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te +doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en +om ons te weten. + +Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons +beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen +verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende, +het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij +leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij +strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik +nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste +donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: _Vrees niet want Ik +heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. +En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult +gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren. +Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God +liefhebben, werken alle dingen mede ten goede._ + +Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel +droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al +wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt, +het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in +figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en +nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij +ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: _Heb maar geen +angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid +zien zult?_ + +En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods +heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op +wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst. + +Alles wordt anders. 't Gansche leven »heilig land.« Overal heilig de +bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn +samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór +ons;--'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert; +iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te +zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten. +'t Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons +tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't +allermoeilijkste heenhelpt. + +_Alles is het uwe._ Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles, +'t leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles, +de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de +dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en +wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn +alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben +te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. _Doch +gij_, zoo vervolgt de Apostel, _zijt van Christus, en Christus is van +God_. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet +meer toebehooren. Gij dient. + +Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te +wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige +taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk +van een heilige kracht, die daarbij ons draagt. + +Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór +ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons +zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij +licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar +wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij +gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons. + +Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen. + + + + +IETS OVER HET LEZEN DER EVANGELIËN + + +Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een +groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der +Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de +menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven, +niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men +nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus +tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen, +dat Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen, +voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het +oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade +tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem +niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem +onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen, +dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij +ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus +geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen +wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat +Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen +eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij +gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus +stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons +alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden +van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën. +Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om +aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te +ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde +tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat +Hij ons gebiedt. + + + + +ROEPING. + + +Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al +heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij +wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien, +als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen +zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet +anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al +gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: »ik moet dokter worden!« De +toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een +toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er +ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van +plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel +duidelijk voor zich ziet liggen. + +Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden, +dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij +eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij +er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan +studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje +pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit +'n vijf-en-twintig ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd +iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te +mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken. + +Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over +gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel +veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op. + +Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar +gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als +zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken. + +Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak +hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van +den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de +wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest +reëele wereld, die zich denken laat. + +Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief +hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was, +dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen +genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde +er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan, +dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet +van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school +en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al +klaar zag. + +Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit. +Hij wist zelf niet waarom, maar met zijn vader sprak hij er nooit over. +En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over +sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen, +waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht. +Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel +wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn +vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een +vanzelfsheid. + +Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op +hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel +eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot +baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En +'t was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had »'n +neus« voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,--echte +revolutiebouw!--had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op +had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes +làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien +had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken +vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de +huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de +hand doen. + +Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen +of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem +interesseerde, dan wat op het »vak« betrekking had. Vooral de +advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen »deden«, die +in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke +lang leeg stonden, welke eigenaars er mee »zaten«, en dan lachte hij +genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen +flinkheid en boffen. + +Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij +hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper +hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren. +Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een »eigen« voor +hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang +der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van +Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich +zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de +zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden, +hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die +vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al +heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden. +Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger +werd. + + * * * * * + +»Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?« vroeg hij op een avond +aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat. + +Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke +dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk. + +»Het toelatings-examen is begin Juli,« zei hij vervolgens. + +»Welk toelatings-examen?« + +»Voor het gymnasium.« + +»Wat moet jij op het gymnasium?« + +Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in +zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren +spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd: +jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn +vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat. + +»Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?« vroeg Van Kempen nog eens aan +Henk, die hem niet-begrijpend aanzag. + +»U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n +omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.« + +»Wat klets jij toch van studie, jongen?« barstte Van Kempen uit. »Ik +begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te +worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt. +Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren. +Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me +niet op!« + +Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij +figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar +al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog +een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij--of hij voelde 't eigenlijk +niet--dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk +op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende +hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een +heele vies-vochtige vlakte werd. + +Hij zei niets meer. + +Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van +dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet, +dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan +te grijpen. + +Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en +zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de +zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat. + +Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte +hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd. + +Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam +kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte +alleen, en stapte toen in bed. + +Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de +dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed +uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je +woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn +kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog +gedurig. + +Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar +hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar +was 't weer, dat nare van gisteravond: »Je komt in 't vak, in 't vak, +versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!« Die woorden +waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook +weer dadelijk bij hem op. + +Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen even dicht en +toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij +vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn +dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat +nu mogelijk, zijn eigen vader? + +Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader +over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te +beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd +zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af! + +En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige +was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel +gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden, +dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen, +dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders +boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed, +dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't +misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op +zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei, +die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren +voor zijn geld gekozen. + + * * * * * + +Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens, +die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het +Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven. +Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders. + +Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den laatsten tijd net +voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over +zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang +was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn +vader had er geen woord meer over gerept. + +Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij +niet hoe hij 't zou aanleggen. + +Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en +naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij +zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en +begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven. + +'s Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij +'t zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen +tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd +hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem +was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't +denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar +zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als +'t nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij +tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast +niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest. + +Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan +zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe. + +Stotterend kwam 't er uit: »Vader hebt u er al eens over gedacht?« + +»Waarover?« + +»Over dat examen.« + +»Daar komt niets van.« + +»Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich +nu moesten aangeven.« + +»En wat wou je dan?« + +»U vragen of u me nu wil aangeven.« + +»'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen +in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel +beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,« vroeg Van Kempen met een +zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, »heb-je wel 'ns gekeken +hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze +halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien +bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees +wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r +wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je +vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen +gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als +je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd, +was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft +je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer +worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier +te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't +toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school +af, en kom je in de werkplaats.« + + * * * * * + +Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem +beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld, +hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar +omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog +en rein zweefde het daar boven hem. Maar--evenals die keer, maar nu veel +erger--dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó +grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij +elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar +in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging! +'t Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge +heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets +meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij +zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met +haar kind zei ze: »Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!« +En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in +tranen. + +Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken. +Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon +hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten, +dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er +achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht. +Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed +hoofd om te leeren. »U zult eens zien, meneer Van Kempen,« eindigde hij +zijn pleidooi, »er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal +misschien van al mijn leerlingen het beste toelatings-examen doen, u +zult eer met hem inleggen.« + +Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen +en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. »Neen, +meneer,« zei hij, »daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk +gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij«--en toen de heer Jansen +er iets tegen inbracht over aanleg en roeping--»ach, met uw verlof, dat +vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan +ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n +vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in +hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de +werkplaats.« + +De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid. + +Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers +slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de +timmermanswerkplaats. + + * * * * * + +Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als +iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den +indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking +met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't +niet spoedig te boven. + +Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn +teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich +al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest +hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem +over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,--o neen!--maar dat nu +op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor +zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger +geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest, +een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij +eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde, +als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde. + +Dikwijls droomde hij er van. Eens zag hij zichzelf in zijn droom aan +den oever van een sloot staan en aan den overkant van die sloot lagen +allerlei ongelukkige menschen. Er waren er met afzichtelijke wonden aan +het hoofd en met verminkte ledematen, die zij klagend omhoog staken. Een +was erbij, die gilde van pijn, en wiens gelaat stuipachtig verwrongen +was. En in de verte liepen blinden, die tastend voetje voor voetje +voortgingen en naar hem toekwamen. Ze riepen allen met smeekende stem of +hij ze wilde komen helpen, en dat hij de eenige was, die dat doen kon, +maar toen hij zich gereed maakte om de sloot over te springen, werd die +sloot op eens veel breeder en al breeder, zoo wijd haast als een zee. In +de verte zag hij al die ongelukkigen verdwijnen. Wanhopig staken zij de +handen of de stompen van ledematen naar hem uit, maar hun droevig +schreeuwen stierf eindelijk geheel weg. + +Toen Henk dien droom eens gehad had, kwam die telkens weer. En gedurig +dezelfde droom, zoodat hij ten slotte al wist, wat er komen moest. +Daarna werd hij soms huilend wakker. Als hij dan 's morgens aan zijn +werk moest, ging 't nog veel moeilijker dan anders. Gedurig zag hij nog +die vreeselijke figuren uit zijn droom en hij had dan een gevoel van +zelfverwijt, alsof 't eigenlijk zijn schuld was, dat al die ongelukkigen +zonder hulp bleven. + +Op een Zondagmiddag nam zijn vader hem mee naar het ziekenhuis. Een +jongere broer van Van Kempen lag daar in een der groote zalen. Hij was +sigarenmaker, had 't niet zoo ver weten te brengen als zijn broer. +Sinds eenige maanden had hij het werk moeten opgeven. Rust nemen, +had de dokter gezegd; dan wordt 't misschien nog beter. En hoewel de +omstandigheden dat niet toelieten, had hij wel moeten gehoorzamen. Maar +het borst-lijden was toegenomen, en de dokter had opneming in het +ziekenhuis gelast. + +Toen Henk daar zoo bij dien armen uitgeteerden man stond, voelde hij een +groot medelijden in zich opkomen. En daar links en rechts, en aan de +overzijde der zaal, waàr hij ook heenzag, waren ook ledikanten met oude +en jonge patiënten, kinderen dikwijls nog, jonger dan Henk zelf. Hij had +wel één voor één al die zieken een hand willen geven en met hen spreken +en ze troosten en beter maken. Plots schoot hem zijn droom te binnen, en +tranen kwamen in zijn oogen, toen hij bedacht, dat die mogelijkheid nu +zoo ver van hem verwijderd was. + +Toen ze even het ziekenhuis uit waren, vroeg Van Kempen hem opeens: +»zou je nu nog dokter willen worden, als je al die ellende van dichtbij +ziet?« Hij had er nooit meer met Henk over gesproken, maar nu had hij +hem eigenlijk met opzet meegenomen, om hem nog beter te laten gevoelen +hoe wijs zijn vader er toch aan gedaan had zóó voor hem te kiezen. + +Met verwondering hoorde hij Henk antwoorden: »Heerlijk om al die +menschen te kunnen helpen!« + +»Malle jongen!« was 't eenige, wat hij nog zei, en zwijgend gingen zij +verder den weg naar huis. + + * * * * * + +Toen 't zoo een jaar geduurd had, kòn Henk niet meer. Van Kempen had +'t eerst niet willen zien. Als de familie-leden, naar wie hij nog eer +luisterde dan naar zijn vrouw, hem opmerkzaam maakten op Henk's +matbleeke, ingevallen gezicht, lachte hij er om. + +Maar toen Henk op zekeren morgen een flauwte kreeg en naar bed gebracht +moest worden, begreep hij toch wel, dat 't ernst was. + +De dokter, die erbij geroepen werd, en Henk onderzocht, was niet zoo +spoedig met zijn oordeel gereed. + +»Tobt die jongen ergens over?« vraagde hij eindelijk. Hij vraagde 't aan +Van Kempen, toen zij naar beneden waren gegaan, terwijl Henks moeder nog +bij hem boven gebleven was. + +»Waar zou hij over tobben?« trachtte van Kempen onverschillig te +antwoorden. + +»Zoo iets moet 't toch zijn«, zei de dokter weer, »want een bepaald +gebrek of aanleg voor een kwaal heb ik niet bij hem ontdekt. Kunt u zelf +niet nagaan, wat hem scheelt?« + +»Och, wat zou 't zijn? de jongen heeft al wat-ie hebben kan.« + +»Vreemd toch,« prevelde de dokter. »Hij geeft er mij heelemaal den +indruk van. Enfin, u moet hem trouw laten innemen en maar in bed laten +blijven. Over 'n paar dagen kom ik nog eens terug.« + +Toen de dokter terugkwam, vraagde hij of hij eens een poos met den +patiënt alleen mocht zijn. Hij wilde hem een en ander vragen. En een +kwartier daarna wist hij al opperbest, wat er aan mankeerde. »U moet uw +jongen zijn zin geven,« zei hij tot Van Kempen, »anders gaat hij kwijnen +en dan kon u hem weleens verliezen. Ik sta voor niets in, als er geen +verandering komt.« + +Een half jaar later was Henk op het gymnasium. Van Kempen had moeten +berusten in het onvermijdelijke. + +»Maar«, zei hij, den dag, dat hij zijn toestemming gegeven had, »jij met +je geloof en je meelijden met de arme menschheid, jij helpt je zelf naar +de maan; later zal 't je nog eens berouwen, dat je niet naar je vaders +woorden geluisterd hebt; denk daar maar eens om!« + + * * * * * + +Zestien jaren zijn verloopen. + +Henk heeft zich na een schitterende promotie gevestigd in den Haag, en +verheugt zich in een toenemende chirurgische praktijk. Zijn patiënten +roemen hem zeer, en menige hartelijke handdruk bij zijn vertrek bewijst, +dat hij hun harten gewonnen heeft. + +Er is in dezen dokter iets bijzonders, dat de menschen nog bijna nooit +in een anderen hebben gevonden. Iets in zijn stem, in zijn blik neemt ze +dadelijk voor hem in. De meesten onder hen kunnen zich niet verklaren +wat 't is. Maar sommigen weten 't wèl; zij voelen 't bij intuïtie: deze +man gelooft! En al heeft hij 't hun niet gezegd, zij weten, dat Dr. Van +Kempen zijn patiënten maar niet aanziet als een soort van voorwerpen, +waarop hij proeven neemt, maar dat ieder van hen voor hem een schepsel +Gods is, wonende in een brozen tabernakel, tot welks onderhoud en +genezing God hem heeft geroepen. En als de dag, de dikwijls zoo zware +dag, ten einde loopt, buigt hij de knieën voor zijn God en gedenkt al +zijn zieken hoofd voor hoofd in den gebede. En 't zijn nog andere, dan +alleen hun lichamelijke ellenden, die hij dan voor God brengt en waarvan +hij den hemelschen Vader smeekt hen te verlossen. + + * * * * * + +Er wacht hem nog een zware beproeving. De oude van Kempen had al +geruimen tijd gesukkeld. Lang had hij zich op de been gehouden en +gemelijk geantwoord, als men hem aanraadde naar bed te gaan en medische +hulp in te roepen. + +Maar eindelijk was 't hem te machtig geworden. Daar ligt hij nu neder, +met pijnlijk verwrongen gelaat, de anders zoo forsche en zeker toch +energieke man. + +Hij heeft 't zoo lang mogelijk tegengehouden en er niets van willen +weten, dat Henk hem onderzoeken zou, maar den laatsten tijd zijn de +pijnen hand over hand toegenomen en ten slotte ondragelijk geworden. + +Nu moet er operatief ingegrepen worden. »En 't zal er op of onder +zijn«, zegt met bedenkelijk gelaat de collega, met wien Dr. Van Kempen +consult houdt, omdat hij alleen de verantwoording niet wil dragen. +»Blindedarmoperaties, je weet er alles van! Vooruit kunnen we nooit iets +zeggen. 't Is een naar geval voor je, waar 't je eigen vader betreft. +En als je er erg tegen opziet, wil ik 't wel van je overnemen. Bedenk +je maar eens en telefoneer me maar, als je me noodig hebt«. + +Dat wordt een gebedsstrijd voor den nu meer dan ooit, zwaar beproefden +zoon. Maar in dien strijd maakt God 't hem duidelijk, dat hij in Zijn +kracht de zware taak mag aanvaarden. + +Vier en twintig uren later is alles voorbij en mag men hopen, dat de +patiënt behouden is. En op zijn knieën dankt Van Kempen den God van alle +genade, die zijn hand leidde en bestuurde, zoodat hij zonder beven zijn +werk kon verrichten. + +Als na een paar dagen de zieke weer spreken mag, staan zijn vrouw en +zijn zoon bij zijn bed. + +»Is 't goed?« is zijn eerste vraag, en als zij beiden zich haasten van +ja te knikken, en hij weder vraagt: »wie heeft 't gedaan?« wijst met +stillen trots de dankbare moeder naar haar zoo geliefd kind. + +Een traan blinkt in het oog van den grijsaard. + +Of dat hart ook gebroken was? + + + + +HOE GOD ARBEIDT + + +In 1 Kon. VI: 7 lezen wij, dat de tempel van Salomo gebouwd werd met +volmaakten steen, zoodat geen hameren, noch bijl, of eenig ijzeren +gereedschap gehoord werd in het huis als het gebouwd werd. + +Zooals de tempel van Salomo werd gebouwd, zoo wordt nog het huis Gods +in deze wereld gebouwd. Onhoorbaar in een geruischlooze stilte rijst +het omhoog. Het huis Gods wordt gebouwd, zooals een boom groeit. Men +bespeurt niet, dat de boom groeit. Zoo bemerkt men niet, dat God zijn +tempel bouwt. En toch het geschiedt. Zooals de vruchten rijpen in den +nacht, zoo rijpt Gods werk in de stilte. + + + + +UITVERKOREN + + Johannes 15 + + +Misschien bevreemdt het over dit »gevaarlijke« woord een en ander in dit +boek te lezen. + +Voor velen is dit woord verdoemd. Zij haten het leerstuk der +uitverkiezing met een bitteren haat. Anderen is het woord »uitverkoren« +buitengewoon dierbaar. Het bevat al hun geestelijk bezit. Het verklaart +het wel en wee des levens; het geeft de oplossing van het raadsel der +onverschilligheid voor eeuwige dingen, die zoo menig leven ontsiert. + +Toch geloof ik dat wij veel te weinig hebben nagedacht over wat van ouds +het »cor ecclesiae«, het hart der kerk, is genoemd, en in den Bijbel +zeer dikwijls wordt besproken. Vooral de jonge lidmaten, voor wie deze +regelen in hoofdzaak zijn bestemd, moeten een gevestigde overtuiging op +dit punt verwerven, opdat zij niet stroomloos, in dezen, op godsdienstig +gebied, zoo verwarden tijd, leven. + +Een duidelijker verklaring van de uitverkiezing dan door den Heiland +in Johannes 15 gegeven wordt, vind ik nergens in de Schrift. Reeds de +opklimming in dit hoofdstuk is zoo schoon. Eerst spreekt de Heer van +ranken, dan van discipelen, vs. 8, vervolgens van vrienden, vs. 14, +en eindelijk van uitverkoornen, vs. 16. De Heer begint niet met de +uitverkiezing, maar eindigt er mee. + +Een tweede gedachte, die in Johannes 15 sterk naar voren treedt is het +verband dat tusschen Christus en de uitverkiezing bestaat. Wij zijn +uitverkoren met Christus, _in_ Christus en _voor_ Christus. Dit is het +troostrijke en het voor allen aannemelijke in de leer der uitverkiezing, +en over deze gedachte zeg ik nu enkele opmerkingen. + + * * * * * + +Ik ben de ware wijnstok, zoo begint de Heer. Indien deze woorden in de +opperzaal te Jeruzalem gesproken zijn, is de Heiland wellicht tot deze +gedachte gekomen door het zien van den wijn, die bij den Joodschen +Paaschmaaltijd gedronken werd, of door het gezicht op een wijnstok, +welks takken tot in de feestzaal doordrongen. Misschien heeft Hij aan +den wijnstok gedacht, die een der tempelpoorten versierde. + +Is de Heer reeds op weg naar Gethsemané geweest, dan heeft Hij +waarschijnlijk een wijngaard gezien, en stilstaande zegt Hij de zoo +bekende woorden tot z'n discipelen. Hij is de ware wijnstok. Zijne +vruchten zijn goed tot spijze en tot verheuging van het hart. De +vruchten van den wilden wijnstok door Eliza's leerlingen verzameld, +brachten den dood in de pot. (2 Kon. 4). De wijnstok in Habakuk's dagen +was onvruchtbaar (Hab. 3: 17), maar Christus is de ware wijnstok. Hij +stelt niemand teleur. + +Wie onzer zou in dezen zwakken boom het beeld van den Heiland zien? +Wij zouden Hem veel beter kunnen vergelijken bij den eik, die met zijn +machtigen kruin en frissche takken van heerlijkheid getuigt. Maar deze +woudreus geeft slechts varkensvoedsel, gelijk iemand heeft opgemerkt; +de onaanzienlijke wijnstok geeft de kostelijke druif en de verkwikkende +drank, zijn bloed is beeld van het bloed dat de zonde der wereld +wegneemt. Met zulk een eenvoudigen boom vergelijkt Hij, die geen +gedaante of heerlijkheid had, Zijn leven en werk. + +Gelijk elke vruchtdragende wijnstok heeft ook de ware zijn eigenaar. +Mijn Vader, zegt Jezus, is de landman. Hij heeft Christus in dezen +wereldakker geplant. Hij bezit Hem, en draagt voor Hem zorg. + +_Hier begint de uitverkiezing._ Christus is door den Vader uitverkoren +om de zonde der wereld weg te dragen voor Gods aangezicht. Christus is +een planting, een gave Gods. Eer de wereld uitverkoren was om den waren +wijnstok tot voedselbodem te dienen, was Christus uitverkoren. Hij is +dan ook de eenige, die in de Schrift met name als een uitverkorene Gods, +van voor de grondlegging der wereld, wordt genoemd. Alle anderen die +in het Nieuwe Testament uitverkoornen heeten, Paulus en »de heiligen +en beminden« te Rome of Corinthe, allen zijn uitverkoren met den Heer. +Zonder Hem zijn zij niets. Zij zijn maar ranken, Hij is de wijnstok. +In Hem ligt al hun kracht. + +Ik geloof, dat gij in de uitverkiezing van Christus gelooft. Wie uwer +belijdt niet dat Christus Gods allerbeste gave is, en dat in Hem het +meest de heerlijkheid Gods is geopenbaard? Van al het werk Gods is de +Heiland het middelpunt. + +Ook dit zegt ons het beeld van den wijnstok. In Palestina werd aan +den wijnbouw veel zorg besteed. Op de helling van vruchtbare heuvelen +werd de wijngaard aangelegd. Een muur werd om hem gebouwd. Een toren +diende den wachters tot uitkijkplaats. Persbakken werden gemetseld of +uitgehouwen in de rots. Dit alles geschiedde ter wille van den wijnstok. + +Hij was van al dezen arbeid het middelpunt. + +Nu heeft de hemelsche Vader een schoone wereld geschapen. Hij heeft haar +koninklijk versierd. Alles is gedaan wat aan dien wijngaard te doen was +en van al dien arbeid is de ware wijnstok, Christus, het middelpunt. Hij +is de uitverkorene Gods. + +Een wijnstok heeft ranken; zij openbaren het leven van den boom, zij +dragen zijn vruchten. Zonder den wijnstok zijn de ranken niets. Maar als +hij is uitverkoren zijn de ranken het ook. Van al de liefde die aan den +boom gegeven wordt, ontvangen de ranken hun deel. Zonder den wijnstok +zijn de ranken niets. + +Deze eenvoudige waarheid wordt dikwerf vergeten. Er is een christendom +zonder Christus. Het trekt vele kringen aan; het heeft de voorkeur van +velen, die in deze dagen wederom belijdenis afleggen van hun geloof. +Maar zonder Christus zijn wij niets. In ieder mensch is een ledige +plaats op Hem berekend; in ieder hart woont een heimwee, dat Hij alleen +stillen kan. Hij is de wijnstok en de menschen zijn Zijne ranken. +Slechts met Hem verbonden is hun leven krachtig, en hun woord vol gezag. +Zoodra wij ons losmaken van de persoonlijkheid van Christus, verbreken +wij de gedachte der uitverkiezing. Dan zijn wij geen ranken van den +wijnstok meer, dus geen voorwerpen van 's Vaders zorg, geen eigendom van +den hemelschen Landman. Dan zijn wij slechts dorre takken voor het vuur +bestemd. + +_Met_ Christus zijn wij uitverkoren. Met Hem vereenigd waakt des Vaders +oog over ons en bearbeidt ons des Vaders hand. + +Gelooft gij deze uitverkiezing niet? Wilt gij u van Christus straks +scheiden om eigen wegen te gaan? Of klinkt het nog heel duidelijk in u: +»Neen Heer, ik wil van U niet scheiden.« Erkent gij dat Hij woorden en +krachten des eeuwigen levens heeft? Voelt gij dat Hij de weg en de +waarheid is? Belijdt gij: zonder Hem vermag ik niets, met Hem kan ik +alles doen? + + * * * * * + +Niet alleen _met_ Christus zijn wij uitverkoren, _in_ Hem ook. Waartoe +is een rank bestemd? Tot vruchtdragen zegt de Heer. De ranken moeten dus +geleiders zijn van de levenssappen van den wijnstok. Dat is niet van +alle ranken waar. Er zijn levende en doode ranken. Er zijn ranken, die +volkomen onvruchtbaar zijn. + +Van den waren wijnstok geldt dit evenzeer. Deze wijnstok doet zien, +dat er tweeërlei ranken gevonden worden. In den discipelkring treft men +Petrus en Judas aan, een levende en een doode rank. In Jeruzalem leven +Stefanus en Ananias, tweeërlei rank. In de kerk openbaren Luther en de +Paus hun tegenwoordigheid, en van alle menschen is het waar: gij zijt +een levende of een doode rank. Want allen zonder onderscheid zijn ranken +van den wijnstok, door den Vader in deze wereld geplant. 't Is maar de +vraag of wij levende of doode ranken zijn. + +Het beeld van den wijnstok is m.i. zulk een heerlijk beeld, omdat zoo +duidelijk gezegd wordt wie ranken zijn. + +Tot op dit oogenblik toe kan niemand den wijnstok inenten; alle ranken +behooren van nature hem toe. Zoo kan ook niemand op later leeftijd in +Christus worden ingeplant. Allen behooren Hem van nature toe. Wij kunnen +uitvallen, wij «kunnen verdorren, maar wij behooren allen Christus toe, +zooals elke rank van nature tot den wijnstok behoort. Ranken zijn we, +maar zijn wij levend of dood? + +Dat is een ernstige zaak, want er is een groot onderscheid tusschen +een levende en een doode rank! Een levende rank draagt veel vrucht, +een doode rank is voor het vuur. De dorre rank wordt afgesneden. + +Weet gij wat dat zeggen wil? Dit is aangewezen te zijn op zichzelf. In +den storm alleen, in de verleiding alleen. Geen toekomst bij de poorten +des doods. IJdel ons werk. Verduisterd onze horizont. Afgesneden voor +goed. + +Weet gij wat dat zeggen wil? Geen vergeving der zonden, geen openbaring +der liefde, die alle dingen verdraagt. Geen oor geopend om naar het +klagen van 't menschenhart te hooren. Geen hart met medelijden vervuld. +Omringd van zonde en zelfzucht, pijnlijk gekwetst door de Kaïnsvraag +»ben ik mijns broeders hoeder«. Dit alles wil zeggen afgesneden van den +waren wijnstok te zijn. + +Hoevelen zijn in Christus' dagen doode ranken geweest! Zijn woord boeide +hen misschien. Zij beleden en volgden Hem, maar op een afstand en tot +op zekere hoogte. Zij voelden zich niet met Hem een en niet in Hem +uitverkoren. Ten slotte gingen zij toch hun eigen weg. + +Nog altijd zijn er velen, die Christus oppervlakkig volgen, en snellijk +van Hem verwijderd worden. Alleen de levende ranken zijn zij, die in Hem +blijven. Zij leven Zijn leven. Zij dragen Zijn vrucht. Ze weten zich +uitverkoren met Hem niet alleen, in Hem ook. + +Gelooft gij aan deze heerlijke waarheid der uitverkiezing niet? Ziet dan +maar rondom u en ge zult bemerken dat het leven telkens weer aantoont: +zonder Christus geen waarachtig christelijk geloof en leven, met +Christus alleen een bedenken van de dingen die boven zijn. Onderzoekt u +zelven dan ernstig of gij levende dan wel doode ranken zijt. + + * * * * * + +Wij zijn eindelijk ook uitverkoren voor Christus. De ranken moeten den +roem van den wijnstok verhoogen. Daarom spreekt de Heiland eerst van +vrienden en dan van uitverkoornen. Vrienden toch kunnen en willen +zichzelven zóó verloochenen dat Christus eer ontvangt. Zij plaatsen Hem +op den voorgrond en treden zelf terug. Zij willen niets zijn, opdat Hij +alles worde in hun en anderer leven. + +Zietdaar het heerlijk doel der uitverkiezing. Weinig wordt dit begrepen. +Menigeen die een christen zich noemt, zoekt de eer van Christus niet te +verhoogen. Daar is veel christelijk tooneelspel en bedrog. Velen willen +niet van »uitverkiezing« weten, omdat zij dan zichzelf moeten verliezen. +En anderen willen alleen uitverkorenen zijn, omdat zij dan zichzelven +kunnen verheerlijken, maar geen van deze beide soorten van menschen +kunnen Christus' vrienden worden genoemd. + +De Schrift leert dat de uitverkiezing ten doel heeft Christus' beeld te +dragen, Christus' roem te verhoogen, Christus' liefde als den troost van +het leven aan anderen te brengen. + +In het veeltijds misbruikte woord Rom. 8: 29 en 30 lezen we duidelijk +het doel der uitverkiezing: »want, die Hij te voren gekend heeft, die +heeft Hij ook te voren verordineerd _den beelde Zijns Zoons gelijkvormig +te worden_«. Christus moet wassen. Wij moeten minder worden. Maar +slechts die Jezus' vrienden zich weten, willen Zijne uitverkoornen zijn. +Zij kussen de hand van den hemelschen Hovenier als Hij op wonderlijke +wijze hun leven door middel van Zijn snoeimes reinigt, hen van levende +ranken tot discipelen vormt, tot vrienden heiligt en hun hunne +uitverkiezing _met_ en _in en voor_ Christus volkomen bewust maakt. +Zij begrijpen dat druiven hitte van noode hebben om anderen te kunnen +verkwikken en verbazen zich dus niet over de loutering van de smart, die +in hun leven wordt geopenbaard. Zij wachten en dulden. Immers niet in +één oogenblik heeft deze Vader in de hemelen zijn doel bereikt. Niet in +één uur is ons hart rein voor God. Maar het komt. Reeds is het woord der +verlossing gesproken. Straks zal de daad der verlossing volkomen zijn +vervuld. + +Gelooft gij aan dit doel der uitverkiezing? Benaarstigt u dan uwe +roeping en verkiezing vast te maken. Hoe kunnen wij dat doen? Door te +blijven in den Heer. Van nature behooren wij bij Hem. Hij is de wijnstok +en wij zijn de ranken. Hij is de verlosser en wij zijn de verloornen. +Zoo laat ons dan in Hem blijven. Dan dragen wij vrucht. Dan worden wij +ons meer en meer bewust discipelen, vrienden, uitverkorenen te zijn. + +De onvruchtbare rank moet afgesneden worden. Want de voortreffelijkheid +van den stam blijft verborgen als de rank geen vrucht draagt. + +Slechts de levende rank is Christus waardig. Zij blijft in Hem en Hij is +haar leven en kracht. + +Laat ons dus in Christus blijven. Allereerst in Zijn woord. + +Het woord van Christus wone rijkelijk in ons. Het leere ons bidden en +danken, het leere ons spreken al wat liefelijk is en wel luidt. Dat +woord zij de toetssteen onzer gedachten, de oordeeler onzer daden, de +bezieler van ons woord. Het zij de kracht van onze persoonlijkheid. + +Laat ons vervolgens blijven in de liefde. Toen ik nog in het bezit van +een grooten pastorietuin was heb ik veel van de bloemen geleerd. Ik +bemerkte dat de eene bloem de andere benadeelde en belemmerde in den +groei. Wat schoon had kunnen zijn op zichzelf, en een versiering van +de omgeving, werd nu tot schande en schade vaak. Zooals de eene bloem +de andere vergiftigt of ziek maakt is dikwerf ook de eene mensch een +schade voor een ander. Dat behoeft niet zoo te zijn. Gezegenden kunnen +en moeten ten zegen zijn. Blijft in de liefde. Strooit hare bloemen +rondom u. Brengt haar geuren in der armen hut en in het aanzienlijke +huis. Blijft één als lidmaten van Christus. Blijft vrienden van Jezus +en vrienden van Zijn vrienden. Toont de praktijk der uitverkiezing, +in woord en wandel, tot verheerlijking van uwen Heiland en Heer, tot +verhooging van uwe geestelijke kracht, tot beveiliging van wat rondom u +den Heer losgelaten heeft. + + + + +JEANNE D'ARC + + +Jeanne d'Arc--gij kent haar naam wel uit uwen schooltijd, gij hebt +misschien wel iets van haar leven gehoord, misschien wel eens met haar +gedweept.... Maar weet ge wel, dat zij u iets persoonlijks te zeggen +heeft? + +Zij is eene heilige, die gij gerust zonder schade voor uw Protestantsche +geloof, als zoodanig liefhebben en eeren moogt. + +Haar leven bloeit op als eene schoone bloem uit een moeras. Het +Frankrijk van hare dagen, in de 15e eeuw, verkeert in een ellendigen +toestand. Inwendig wordt het land door tweedracht verscheurd. Wij geven +geen nauwkeurig overzicht van den staatkundigen toestand dier dagen. +Alleen dit: om de regeering van Frankrijk strijden twee partijen, aan +het hoofd der eene staat de hertog van Orleans, aan het hoofd der andere +de hertog van Bourgondië. Zij storen zich niet aan den eigenlijken +koning. Deze is Karel VII, zoolang zijn krankzinnige vader leeft, de +dauphyn genaamd. Karel VII is machteloos. Frankrijks vijand is Engeland, +dat reeds eeuwen lang beweerde rechten op Frankrijk heeft uitgeoefend. +Nu heeft zich de partij van Bourgondië verbonden met Engeland. Bij den +dood van den krankzinnigen koning komt deze toestand: het Noorden van +Frankrijk met Parijs, de bourgeoisie en de Bourgondische adel erkennen +de Engelsche regeering; alleen het Zuiden houdt vast aan den wettigen +koning Karel VII en aan het recht van een eigen nationaliteit. Het is +een tijd van groote ellende. Zedelijk staat de bevolking, ook tengevolge +van de langdurige twisten, zeer laag. De kerk is bedorven, de priesters +zijn slechte leidslieden. Plundering en hongersnood zijn telkens +terugkeerende rampen. + +In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een +dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen +vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook +kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen. +Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den +Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in +eene andere wereld, de wereld van haar geloof. + +Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke +te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare +tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft +een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die +krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den +strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in +volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt. + +Als jong meisje heeft zij hare »stemmen«. Die spreken haar van eene +taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle +ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen. +En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van +ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels +gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII +is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij +trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van +de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen +taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar +koning op den troon brengen. + +Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder. + +Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de +geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren +ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den +strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook +reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden. +In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een +wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard +rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen +belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint +deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De +Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd. + +Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het +te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII +te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal +Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in +krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard +en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden: +Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij +strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor +Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij +voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria +heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de +zaak van het Koninkrijk Gods. + +In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne +d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts +enkele zinnen. + +Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich +mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij +verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar +op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel. + +Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk +heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt: +»het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van +Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.« + + * * * * * + +In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven +de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere +wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc +onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te +voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam +overgeeft aan de leiding van God. + +Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere +dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een +gansch ongewoon talent, en ondertusschen komen zoovelen om in het +alledaagsche van het leven! Vinet zeide: »l'extraordinaire est le +caractère de la vie chrétienne«. Jeanne zeide als kind, dat zij in het +luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder +leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne +ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op +hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt. + +Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne +d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave +Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan +op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de +eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt +voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en +in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van +groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot +daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn +_moet_, wat gebeuren _moet_, is de zaak van Christus. Dat is de +getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak! + +Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven! +Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven, +zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet +verstandig genoeg is--gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!--om +Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen. + +De Engelsche schrijver Chesterton zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en +Nietzsche. Er behoort durf toe dit te doen; mag een kind wel binnenkomen +in het gezelschap van zulke geweldige reuzen? + +In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze +eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die +voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon +is! + +Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in +ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen, +wij dweepen met het ongewone. + +Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne +d'Arc. + +Chesterton zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi, +aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden, +in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de +waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar +daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar +ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die +het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat +stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche, +en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw. +Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan +zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn +oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit +verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten, +dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien +bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer. +Nietzsche prees slechts den strijder; zij was strijder. Zij overtrof +beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de +een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch +persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen. + +Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene +gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht +iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer +gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te +vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd. + +Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit +overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen! + +Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar +hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En +wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd, +het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de +Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze +strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel, +waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is +beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te +blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos +schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft! + + + + +MET DE HELDEN + + +Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen, +welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige +verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben +gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. Chesterton zegt +ergens, op zijne eigenaardige manier: »christelijke leer en christelijke +tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het +Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom +bewaard is.« + +De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is +de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten +slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde, +hare heerlijkheid. + +Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens +wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer +op een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de +heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het +genieten daarvan: de vreesachtigen. + +In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: »Vloekt Meroz, zegt +de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet +gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren _met de +helden_.« Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt +onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het +schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de +helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer +gezien de schoonheid van het licht, zij zijn »als de zon, die opgaat in +hare kracht.« + +Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des +Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor +wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw, +misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest +»met de helden.« + +Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook +tegen velen onzer tijdgenooten. + +Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen +hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen, +die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene +heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich +verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij +ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun +cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de +rijke idealen willen vernielen. + +Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd +door hun kritiek! + +Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden! +Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder +leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij +beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen. +Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij +hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge +knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. »Toen ik jong was, had +ik ook dat ideaal« zegt de oudere, »ook ik had roeping, ook ik stelde +mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht +maar... gij zult ook wel anders leeren...« Kan de oudere dit woord niet +inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden, +bidden dat de jongeren winnen? + +Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij +door gebrek aan lucht. + +Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De +rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn +mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante. + +Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn +ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet +thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft +u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij +deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt +vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door +een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt +worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd. + +En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet +dat God u »uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.« + +De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze +wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de +overwinning. + + + + +JOZEF + + Gen. 39: 9_b_ »hoe zoude ik dit een zoo + groot kwaad doen, en zondigen tegen God?« + + +De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad--misschien +hebben wij het nog--om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt +misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model; +zijne geschiedenis is het »succes-verhaal« op de Zondagschool. Maar is +hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden +der broers? + +Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor +Jozef. + +Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in +het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook +de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder +kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer +wij hem vroegen »waarom doet gij zoo?«: »weet gij niet, dat ik moet zijn +in de dingen mijns Vaders?« Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is +hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden, +blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is +een kind des Vaders, die in de hemelen is. + +Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal +wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan +hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen. + +Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige +jaar was »Jozef en Potifar's vrouw« de clou van de tooneelwereld. De +nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer +terug; de muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en +Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de +sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt +den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en +bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens +onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken +porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven +vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers +rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij +komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook +ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der +menschen! + +Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der +hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke +dingen! + +Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft +een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd, +waarin de »afschuw« hoe langer zoo minder wordt. Het »kwaad« wordt +weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen +»kwaad« meer, maar »onvolmaaktheid«. + +Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een +zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de +winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar +toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen! +Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is +gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven +ging, bezat hij nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn +oog ziet eene schoone toekomst, »begraaf mij in het beloofde land« zegt +hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods +belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet +gaan? + + * * * * * + +Wat is het geheim van Jozef's leven? + +Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht +heeft op zijn leven. + +Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei +middelen om zich tegen de zonde te verdedigen. + +Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel; +toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend, +nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid. + +Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer +van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem +heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de +zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en +vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan? + +Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen +redeneeren. »De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man +geen bevrediging; er is geen echte liefde«.... Daar zinkt het vaandel, +en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in +onzen tijd. + +Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons +geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren. + +Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer hij 't +uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: »al +wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.« + +Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde, +de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar +licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig +mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt +hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De +mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt +in de hand van hem, die daarop leunt. + +Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden +kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons +leven. + +»Ik herinner me nog«--schrijft eene moeder--»hoe mijn kleine jongen, +toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij +zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg: +»Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?« Ik weifelde een +oogenblik en zei toen: »ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog +zoo kort geleden bij God waart.« Toen zei het kind met een peinzende +uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond +kopje schudde: »neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw +weer naar God teruggaat.« + +Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid. +Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van, +en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van +ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, vreeze Gods. +Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven! +Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van +hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is +iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de +beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn. + +Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin +gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die +wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom. +Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt +het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. »Zou ik +zondigen, en Gods liefde bedroeven?« + +Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn +leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste +aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de +zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook +voor ons. + +Maar wie de liefde Gods kent, »verkiest liever met het volk van God +kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te +hebben«. Want hij ziet »op de vergelding des loons«. Dat loon ligt niet +in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde +geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het +eenige, dat wezenlijk »goed« is. + +Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en +macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen +Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is +de grootheid van Jozef's leven. + + + + +SOMBERHEID + + +»Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?« +vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel. + +En zij staarden somber voor zich heen. + +Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien, +met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide +»Emmaüsgangers« alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun +oogen »werden gehouden«. + +Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw +voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich +met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren +hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de +Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn. + +Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de +toestand geteekend van zoo menig Christen? + +[Illustratie] + +Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht. +Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid +mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt, +is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom +zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag +den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn +onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch +de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren somber +voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en +murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn! + +Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof, +wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden. + +Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun leven worden! + + + + +MOED + + +Wat in het dagelijksch leven moed en doodsverachting wordt genoemd, +verdient dien naam niet of nauwlijks. + +De krijgsman, die in het vuur gaat de kogels tegemoet, doet 't toch +vooral in een zekere opwinding, in een vergeten van zichzelf en al +het zijne, anders ging hij onmiddellijk terug. Zelfmoord, waartoe naar +het gewone zeggen, altijd een soort van moed behoort, komt toch, wèl +beschouwd, voort uit een niet-aandurven van het leven met zijn moeite en +zijn strijd. + +Moed behoort er toe, om, niet in ijdele zelfvergetelheid, maar in fiere +zelfbewustheid voor zijn overtuiging uit te komen. En om Jezus' naam +smaadheid te lijden, uitgelachen en bespot te worden en toch vol te +houden in woord en gedrag dien naam te belijden--dat is de hoogste, ja, +eigenlijk de eenige moed. + +»De langmoedige is beter dan de sterke,« zegt de spreukendichter; »en +die heerscht over zijn geest, dan die een stad inneemt.« + + + + +DANSEN + + +En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon +van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met +innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo +gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist +ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en +bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd +hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was. + +Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en +toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen, +had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen. + +Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders +naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit +te barsten. + +Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar +verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar +onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen +schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met +een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw +v. H. Zoo'n flirt! En wat of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood +haar en zomersproeten! + +Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door +enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de +heele boel hem geweldig begon te vervelen. + +Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam. + +Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't +liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar +zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't +rijtuig. + +Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had +haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten +brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit +de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan +moest zijn vrouw alleen maar meegaan. + +Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel +den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa +en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te +steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam +staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag, +terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet---------------------------- + + * * * * * + +Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we +hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een +ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja +zelfs maneschijn. + +Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig +levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen +niet alledaagsch? + +Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering +van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de +ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande +wereld in te sturen! + +»Ik moet wel!« zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond, +dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand +verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of +andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten +uitgaan. »Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar +een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.«(!) + +Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven. +'t Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de +verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst +is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de +»dansacademies,« die in verscheidene groote steden van ons lieve +vaderland worden gevonden. + +Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en +psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van +lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een +levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van +beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie, +wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel, +vrees, wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer +van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden +»uitgedragen.« + +Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen, +maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als +vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden +het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar +zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias' +dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht. + +Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op +dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen +ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking +hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig »dol« vinden en zich +heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden. + +Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op +de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd +als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van +meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een +droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid, +indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich +gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd? + +Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen +niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring +van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed +kan hebben? Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste +vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart? + +Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht +zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan +de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan +ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge +menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben. +Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over +alles, wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der +uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat +zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't +dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: »dans +maar zooveel je wilt.« Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje +zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch, +natuurlijk! dan denk ik gedurig: »men moet toch ook al een principieele +brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!« En ik vind het ook geen +bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te +zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en +»patertje langs den kant« kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op +hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat +alles niet mogen ontwikkelen? + +Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der +uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en +oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn +eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den +eenvoud lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste +stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop +met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij +ons den eenvoud afhandig maakt. + +De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der +kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel +kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er +heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet +gaven aan hun »dame«, met wie ze »soupeerden«! Is het niet meer dan +belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de +ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke +nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een +goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te +bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg +de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu +Christenouders daaraan mededoen? + +En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar +uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en +verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár +blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar +maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt +op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk +geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt +mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt +tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel is +aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes, +omdat zij over al de middelen beschikken om »zoo'n onschuldig kind« +onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede +partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie +zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken? + +»Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige +dingen spreken«, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze +verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der +bal-conversatie was. + +Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij +eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer +wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld +te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de +balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij +zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil +»genieten«. + +»Maar dan is er zooveel »genot«, dat in strijd is met het Christendom!« + +Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal. + +»Dus mag ik niet naar een bal gaan?« + +Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen +uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf, +zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't +Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet +raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. Nu moet echter +ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in +de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later +niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere +leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande +wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de +uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid +zich met beangstigende duidelijkheid openbaart. + +Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn +begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den +voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen? +Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt, +des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt +het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde +en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den +ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en +teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel +leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer +ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der +dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus +voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: »ach, hoeveel +zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis +hebben gevonden de redding hunner zielen!« + + + + +TOT ZICH ZELVEN GEKOMEN ZIJNDE + + (Lukas 15: 17a) + + +Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den +verloren zoon. + +Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had, +»het deel des goeds, dat hem toekwam,« had hij zich gevleid, dat hij +zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel +was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk +huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen +broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat +toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd +hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen +kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de +vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd +uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers, +toen hij »overdadiglijk leefde«; zichzelf, toen hij, tegen den komenden +nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er +zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet +schuwend, »zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om +de zwijnen te hoeden?« En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de +rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur +van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen, +veracht en beleedigd door die hem omringden. + +En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij, +naar de schatting van zijn meester, minder waard was dan een zwijn, +toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den +geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld, +omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk +toescheen, bekoorlijk, betooverend. + +Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet +was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden +en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die +gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die +werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien +kommer, bij dien knagenden honger. + +Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader. +En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou +deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook +onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders, +die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn +volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf +worden. + + * * * * * + +Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te +worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord +voor een nog veel leelijker zaak. + +Maar wie »zich uitleeft« leeft buiten zichzelven. + +En verliest ten slotte zichzelven. + +En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om +ons uit onzen waan te wekken. + +Als dan die ellende nog maar uitwerkt, dat ook wij »komen tot onszelf.« + + + + + +--------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: brandstof zou vinden, Wie eerst | + | C: brandstof zou vinden. Wie eerst | + | B: Dit wìst Jezus, | + | C: Dit wìst Jezus. | + | B: ze het niet kuunen; dat de | + | C: ze het niet kunnen; dat de | + | B: opleggen. om te kunnen | + | C: opleggen, om te kunnen | + | B: hoeveel bijge-geloof er heerscht | + | C: hoeveel bijgeloof er heerscht | + | B: niet wisten dat ze dit deden. | + | C: niet wisten dat ze dit deden.« | + | B: »de Schepping« bedoel ik« | + | C: »de Schepping« bedoel ik.« | + | B: ten Kate in Amsterdam. | + | C: ten Kate in Amsterdam.« | + | B: niemand;?« wou jij zeggen | + | C: niemand? wou jij zeggen | + | B: zichzelf gemaakt heeft? | + | C: zichzelf gemaakt heeft?« | + | B: voort. Oordeelt u er zelf | + | C: voort. »Oordeelt u er zelf | + | B: Wat al kreeten.... | + | C: Wat al kreeten....« | + | B: laatste regel? »'t Was een halve | + | C: laatste regel?« »'t Was een halve | + | B: kreeten.... | + | C: kreeten....« | + | B: Juist, valt de ander in; dan kan | + | C: »Juist,« valt de ander in; »dan kan | + | B: zijn vonklend stargewemel.... | + | C: zijn vonklend stargewemel....« | + | B: derde vertellen: luister maar | + | C: derde vertellen: »luister maar | + | B: naam des Scheppers noemen; | + | C: naam des Scheppers noemen;« | + | B: bij laag nêerhangende regenwolken, | + | C: bij laag neêrhangende regenwolken, | + | B: 's morgens in de stad zijn, | + | C: 's morgens in de stad zijn. | + | B: nog even mêegaan naar de | + | C: nog even meêgaan naar de | + | B: dat zie doen (Joh. V=19). | + | C: dat ziet doen (Joh. V:19). | + | B: hem wordt betreden, Gansch Kanaän | + | C: hem wordt betreden. Gansch Kanaän | + | B: de dokter.« »Hij geeft | + | C: de dokter. »Hij geeft | + | B: jong n zijn zin geven« | + | C: jongen zijn zin geven,« | + | B: praktijk. Zijn patienten | + | C: praktijk. Zijn patiënten | + | B: Christus' moet wassen. | + | C: Christus moet wassen. | + | B: afgesneden worden, Want de | + | C: afgesneden worden. Want de | + | | + +--------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS *** + +***** This file should be named 36381-8.txt or 36381-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/6/3/8/36381/ + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/36381-8.zip b/36381-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45aadfb --- /dev/null +++ b/36381-8.zip diff --git a/36381-h.zip b/36381-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1c7abbb --- /dev/null +++ b/36381-h.zip diff --git a/36381-h/36381-h.htm b/36381-h/36381-h.htm new file mode 100644 index 0000000..279db56 --- /dev/null +++ b/36381-h/36381-h.htm @@ -0,0 +1,4702 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + + <title> + The Project Gutenberg eBook of Op de Levensreis, by Various. + </title> + <style type="text/css"> + +body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 1em; margin-bottom: 0.5em; font-size: 300%;} +h2 {text-align: left; clear: both; font-weight: normal; font-size: 100%; + margin-top: 3em; margin-bottom: 2em;} + +p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 0em;} +p.tp {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.subh2 {margin-top: 0.5em; margin-bottom: 0.5em; text-align: left; text-indent: 0em; + font-weight: normal; font-size: 67%;} +p.cap_1 {text-indent: -0.7em;} + +div.drop {margin-top: 2.5em;} +div.drop p {margin-bottom: 0;} +div.drop p:first-letter {color: Window;} +div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center;} +div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 150%;} +div.verso {margin-top: 4em; margin-bottom: 6em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 27em; font-size: 67%; text-align: center;} + +/* TB */ +hr {width: 33%; clear: both; border: 1px solid black; + margin-top: 1em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.tb {border-style: none;} +hr.fnsep {width: 10%; text-align: left; + margin-top: 0.5em; margin-bottom: 0.5em; margin-left: 0; margin-right: 0;} +hr.hrdot {width: 15%; border-top: 5px dotted black; border-bottom: 0; border-left: 0; border-right: 0;} +hr.hrdash {width: 100%; border-top: 3px dashed black; border-bottom: 0; border-left: 0; border-right: 0;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} +td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + +/* ALIGN */ +.right {text-align: right;} +.i1 {text-indent: 1em; text-align: left;} +.i2 {text-indent: 2em;} + +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +img.cap {float: left; margin: -0.5em 0.2em 0 -1.5em; position: relative;} +.figcenter {margin-left: auto; margin-bottom: 1em; margin-top: 2em; margin-right: auto; text-align: center;} + +/* FOOTNOTES */ +.footnote {margin-left: 5%; margin-right: 5%; font-size: 80%; text-align: justify; } +.footnote .label {position: absolute; right: 89%; text-align: right; text-decoration: none;} +.fnanchor {text-decoration: none; margin-left: 0.1em;} + +/* POETRY */ +.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + +.poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + +.size67 {font-size: 67%;} +.size80 {font-size: 80%;} +.size133 {font-size: 133%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em; + background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em; text-align: center;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Op de Levensreis + +Author: Various + +Release Date: June 11, 2011 [EBook #36381] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS *** + + + + + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. + De voetnoot is naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 503px;"> + <img src="images/cover.jpg" width="503" height="669" alt="voorzijde" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"> </span><a id="p_i"></a></p> + +<div class="voorblad">OP DE LEVENSREIS</div> + +<p><span class="pagenum" title="ii"> </span><a id="p_ii"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="-"><br /> </span><a id="p_iia"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="-"><br /><br /> </span><a id="p_iib"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 538px;"> + <img src="images/ill_fp.jpg" width="538" height="720" alt="" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iii"> </span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <div class="figcenter" style="width: 550px;"> + <img src="images/ill_tp.png" width="550" height="720" alt="titelpagina" /> + </div> + + <h1>Op de Levensreis</h1> + + <p class="tp size133">Bijdragen van Dr. J. A. Cramer,<br /> + Dr. J. H. Gerretsen,<br />Dr. F. van Gheel Gildemeester,<br /> + P. J. Molenaar, J. C. Schuller,<br /> + H. A. C. Snethlage,<br />A. J. A. Vermeer,<br /> + W. L. Welter</p> + + <div class="figcenter" style="width: 41px; margin-bottom: 4em;"> + <img src="images/ill_tpfig.png" width="41" height="115" alt="titelpagina" /> + </div> + + <p class="tp">1915<br /> + Uitgave van G. J. A. Ruys te Utrecht</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iv"> </span><a id="p_iv"></a></p> + +<div class="verso"> + GEDRUKT TER BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ<br /> + G. J. VAN AMERONGEN TE AMERSFOORT +</div> + +<p><span class="pagenum" title="v"> </span><a id="p_v"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="INLEIDING"></a>INLEIDING</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/v.png" class="cap" alt="V" width="98" height="117" style="margin-top: -2em;" /> + + <p class="cap_1">Voor de stille, en wat men zoo ten onrechte noemt: „verloren” uren in + ons leven, is dit boek in de eerste plaats bestemd.</p> +</div> + +<p>Om dan eens opgenomen te worden, en te midden van 's levens vaak zoo +vermoeiende sleur, door een ontdekkende, vermanende, vertroostende +gedachte ons een oogenblik de realiteit der eeuwige dingen wat naderbij +te brengen.</p> + +<p>Om bij wat langer poozen ons in de een of andere levens- en +schriftwaarheid 'n weinig dieper in te leiden.</p> + +<p>„Op de levensreis”, die voor velen zoo moeilijk, zoo bezwaarlijk is, mag +nu en dan een vriendenwoord, somwijlen een wenk van een vriendenhand +waarlijk niet overbodig heeten. Zulke woorden biedt dit boek zijnen +lezers aan; zulke wenken wil het hun geven.</p> + +<p>Het werd uitsluitend geschreven door predikanten der Haagsche gemeente, +omdat zij meenden, dat dit sommige hunner gemeenteleden zou aantrekken.</p> + +<p>Maar het is daarom volstrekt niet uitsluitend voor die gemeente bestemd. +Integendeel: de schrijvers zullen zich gelukkig rekenen, wanneer zij +elders, ook bij oude vrienden, lezers mogen vinden.</p> + +<p>En zij koesteren de stille hoop menig hart tot zegen te mogen zijn.</p> + +<p><span class="pagenum" title="vi"> </span><a id="p_vi"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="vii"><br /> </span><a id="p_vii"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="INHOUD"></a>INHOUD</h2> + +<table summary=""> +<tbody> + <tr><td class="tdl"></td><td class="tdr size80">Bladz.</td></tr> + <tr><td class="tdl">J. A. Cramer, <a href="#LENTELEVEN"><i>Lenteleven</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_25">25</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. A. Cramer, <a href="#DANSEN"><i>Dansen</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_122">122</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. H. Gerretsen, <a href="#EENVOUDIGHEID"><i>Eenvoudigheid</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_2">2</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. H. Gerretsen, <a href="#DE_TOEKOMST_DES_HEEREN"><i>De Toekomst des Heeren</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_50">50</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. H. Gerretsen, <a href="#BEGEEREN_EN_WILLEN"><i>Begeeren en willen</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_64">64</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. H. Gerretsen, <a href="#IETS_OVER_HET_LEZEN_DER_EVANGELIEN"><i>Iets over het lezen der Evangeliën</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_77">77</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. H. Gerretsen, <a href="#HOE_GOD_ARBEIDT"><i>Hoe God arbeidt</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_95">95</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">F. v. Gheel Gildemeester, <a href="#OVER_GELOOF_EN_ONGELOOF"><i>Over geloof en ongeloof</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_5">5</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#NIET_ZONDER_STRIJD"><i>Niet zonder strijd</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#BIDDEN"><i>Bidden</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_23">23</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#DE_BIJBEL"><i>De Bijbel</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_24">24</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#GEESTDRIFT_EN_OPWINDING"><i>Geestdrift en opwinding</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_65">65</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#ROEPING"><i>Roeping</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_79">79</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#SOMBERHEID"><i>Somberheid</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_120">120</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">P. J. Molenaar, <a href="#MOED"><i>Moed</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_121">121</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">J. C. Schuller, <a href="#UITVERKOREN"><i>Uitverkoren</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_96">96</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">H. A. C. Snethlage, <a href="#JEANNE_DARC"><i>Jeanne d'Arc</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_105">105</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">H. A. C. Snethlage, <a href="#MET_DE_HELDEN"><i>Met de helden</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_112">112</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">H. A. C. Snethlage, <a href="#JOZEF"><i>Jozef</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_115">115</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">A. J. A. Vermeer, <a href="#BELIJDENIS"><i>Belijdenis</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_2">2</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">A. J. A. Vermeer, <a href="#ALS_EEN_NEVEL"><i>Als een nevel</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_48">48</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">A. J. A. Vermeer, <a href="#TOT_ZICH_ZELVEN_GEKOMEN_ZIJNDE"><i>Tot zich zelven gekomen zijnde</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_130">130</a></td></tr> + <tr><td class="tdl">W. L. Welter, <a href="#JOSUAS_GEZICHT"><i>Josua's Gezicht</i></a></td><td class="tdr"><a href="#p_67">67</a></td></tr> + </tbody> +</table> + +<p><span class="pagenum" title="viii"> </span><a id="p_viii"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="1"><br /> </span><a id="p_1"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="NIET_ZONDER_STRIJD"></a>NIET ZONDER STRIJD</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/o.png" class="cap" alt="O" width="91" height="92" /> + + <p class="cap_1">Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren.</p> +</div> + +<p>Dit verstaan vele menschen niet.</p> + +<p>Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel +inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden, +reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en +stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van +een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de +Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs +te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen +studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat +stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden.</p> + +<p>Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te +denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden +geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de +zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet, +dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp +naar het eeuwige leven!</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0"><i>Voor een eeuw'gen levenskrans,</i><br /></span> + <span class="i0"><i>Heer, dit arme leven gansch!</i><br /></span> + </div> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="2"> </span><a id="p_2"></a></p> + +<h2><a id="EENVOUDIGHEID"></a>EENVOUDIGHEID</h2> + +<p>Doe nooit iets, <i>om</i> iets. Vele menschen zeggen, dat een Christen +vroolijk moet zijn, om anderen te trekken. Dit is fout. Eigenlijk +Jezuïtisme, protestantsch Jezuïtisme. Men moet nooit iets doen, om +iets te bereiken; men moet eenvoudig doen wat men doet, zonder eenige +bijbedoeling en het overgeven, wat deze handeling uitwerken zal. Wees +die ge zijt. Doe, wat ge doet. Anders wordt ge een huichelaar. In de +„wereld” beschuldigt men de „Christenen” altijd van onwaarachtigheid. De +„geloovigen” zijn niet recht te vertrouwen. Zouden ze niet eenigszins +gelijk hebben? Zou onze dubbelzinnigheid haar oorsprong misschien hebben +in onze gewoonte iets te doen <i>om</i> iets?</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="BELIJDENIS"></a>BELIJDENIS</h2> + +<p>Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van +Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden +gesproken had—krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het +middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering—heeft Hij zich, +met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van +het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten +eerste: „wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?” en +ten tweede: „wie zegt gij, dat ik ben?” Op deze beide vragen hebben de +discipelen geantwoord.</p> + +<p><span class="pagenum" title="3"> </span><a id="p_3"></a></p> + +<p>Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de +Profeten.</p> + +<p>En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij +de Christus, de Zoon des levenden Gods.</p> + +<p>Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: „Zalig +zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet +geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is” (Matth. 16: 14–19) +verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: „dat Hij was +Jezus de Christus.”</p> + +<p>Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken. +Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede: +„En Hij gebood hun <i>scherpelijk</i>, dat zij het niemand zeggen zouden van +hem.” (Markus 8: 30).</p> + +<p>Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus +de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken +aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd?</p> + +<p>Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste +beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen +overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen +zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus +te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche +overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd, dat +Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd van +verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="4"> </span><a id="p_4"></a></p> + +<p>En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou +blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller, +dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En +de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten +Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde +zijn brandstof zou vinden<ins class="corr" id="corr1" title="Bron: ,">.</ins> Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem +verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst +Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken.</p> + +<p>Dit wìst Jezus<ins class="corr" id="corr2" title="Bron: ,">.</ins></p> + +<p>En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de +Christus was.</p> + +<p>Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op +uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig +hem, die zóó spreekt.</p> + +<p>Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook +Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het +Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot +Hem als hun Koning.</p> + +<p>Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen er +van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt. Geen +belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke +erkentenis er niet aan voorafging.</p> + +<p>Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard, +dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan +het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="5"> </span><a id="p_5"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="OVER_GELOOF_EN_ONGELOOF"></a>OVER GELOOF EN ONGELOOF</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/v.png" class="cap" alt="V" width="98" height="117" style="margin-top: -2em;" /> + + <p class="cap_1">Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig + mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt, + noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied + zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, „het denkend deel der + natie”; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan + met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog + menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is, + ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat + bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander + aan zijn denkvermogen hapert.</p> +</div> + +<p>Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is +met een nederlandsch aphorisma „alle geloof is bijgeloof”. In Fransch +Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt +aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof +aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt +genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het +nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder +jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een +voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk <span class="pagenum" title="6"> </span><a id="p_6"></a>werk „<span xml:lang="en">facing the +facts”, an englishman's religion</span>, komen voor breede kringen uit +Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen; en +uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking worden +aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer +intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam +ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal +gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene +afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze +bedoeling gezegd.</p> + +<p>Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd +zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen +gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne +zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van +Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan +beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die +hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig +gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om +aan de Corinthiërs te schrijven: „wij zijn dwazen, om Christus wil”.—De +jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen +ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap.</p> + +<p>Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu +wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar +dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd +dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en <span class="pagenum" title="7"> </span><a id="p_7"></a>jonge +vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden +willen gelooven, maar meenen dat ze het niet <ins class="corr" id="corr3" title="Bron: kuunen">kunnen</ins>; dat de bezwaren +tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld +moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten +opleggen<ins class="corr" id="corr4" title="Bron: .">,</ins> om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze +niet; ook niet aan zelfbedrog.</p> + +<p>Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen; +juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel +eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: „geloof is +bijgeloof!” Maar wat is ongeloof? <i xml:lang="de">Bebel</i>, de bekende overleden leider +der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: „de resultaten der +wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet weg, en +brengen het ten val.” <i xml:lang="de">Haeckel</i>, de hoogepriester van het monisme, +verzekert: „de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten +intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en +onsterfelijkheid”;—en een zeker soort van halfbeschaafde napraters +verzekeren ons met groote stelligheid: „daar is geen God, natuurlijk +niet!” Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg +gaan, is dit ongeloof niet óók een „geloof”?</p> + +<p>Dat geloof van <span xml:lang="de">Bebel</span> en <span xml:lang="de">Haeckel</span> wordt ons wel als wetenschap +aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap, +óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van <span xml:lang="de">Bebel</span> en van <span xml:lang="de">Haeckel</span> +niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór. +De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen +grond onder de voeten weggenomen. <span class="pagenum" title="8"> </span><a id="p_8"></a>Toch leeft dit waandenkbeeld in vele +harten. In sommige gemoederen zit het muurvast.</p> + +<p>Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een +waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal +harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den +weg; veeleer het onverstand.</p> + +<p>Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze: +<i>gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen.</i> Dat denken +sommigen; en zij zeggen van iets: „ik geloof het niet”, wanneer zij +eigenlijk bedoelen: „ik begrijp niet hoe dat toegaat.” Eene verstandige, +nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij +woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land; +toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje +van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat +voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij +ooit een rijtuig had zien rijden. „Dat geloof ik niet!” had ze gezegd. +Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu +overtuigd? Wel neen! ze zei: „ik zie het, maar ik geloof het toch niet!” +Natuurlijk bedoelde zij: „ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit”; „ik +begrijp het niet.” Maar ze beweerde: „ik geloof het niet.” Sommige +groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen +ook.</p> + +<p>Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had +haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven +kleuren van den regenboog. „Dat geloof ik niet!” had het kind al weer +gezegd; <span class="pagenum" title="9"> </span><a id="p_9"></a>en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren +van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. „Zie +je wel, dat dit samen geen wit wordt?” had ze gezegd; en triomfantelijk +er bij gedacht: „ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te +gelooven!”</p> + +<p>Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even +eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig +volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en +ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens +als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht. +Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel +trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij „gelooven” +verwarde met „begrijpen.”</p> + +<p>Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven +onnoodig moeilijk. Neen „aan God gelooven” is niet hetzelfde als +„God begrijpen.” Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en +moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen +en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met +het gelooven al heel weinig te maken.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Eene andere opmerking is deze: „gelooven” geeft geene <i>mindere</i> +zekerheid dan „weten”; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik +iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp is +van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel dat +het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het niet +beter. Wij zijn gewoon gelooven <span class="pagenum" title="10"> </span><a id="p_10"></a>een minderen graad van zekerheid te +achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen +mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat +een voorbeeld mijn meening verduidelijken.</p> + +<p>Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp, +„de polder” bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al +gespannen; de „heeren” die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig +en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt, +sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een +geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover een +meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel kende; +een „papenvreter”; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook wel +eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te +hebben; althans, hij viel dadelijk aan. „Is u niet de nieuwe dominé uit +den polder?” Ik was zoo vrij.</p> + +<p>„Een naar baantje, dominé!”</p> + +<p>Wel? Hoezoo?</p> + +<p>„Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die u +zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof +heelemaal niets!”</p> + +<p>Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament +bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart, +als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie +u is?</p> + +<p>„Ik ben meneer R.”, en hij noemde een welbekenden naam in Goes.</p> + +<p><span class="pagenum" title="11"> </span><a id="p_11"></a></p> + +<p>Zoo, zoo, dus dat gelooft u!</p> + +<p>„Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!”</p> + +<p>Best, meneer; bewijs u het mij dan maar.</p> + +<p>„Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben”, en hij +liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R., +zoon van den ouden R. enz.”</p> + +<p>Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes +op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel +genoegen; maar weten is iets anders!</p> + +<p>Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet te +„weten” dat hij een zoon van zijn vader was. „Dan zal ik maar in het +vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!” grinnikte hij, +toen hij in Dordt den trein verliet.</p> + +<p>Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder +zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen +minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men +gelooft op goede gronden.</p> + +<p>Inderdaad, wij „wandelen door geloof”.—De heer R. en ik beiden hadden +geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen. +Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk, +Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten. +Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot, +wanneer men hem in Dordt gevraagd had: „wie was de machinist op uw +trein?”—Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd!</p> + +<p>Wij „wandelen door geloof”, veel meer dan wij weten. <span class="pagenum" title="12"> </span><a id="p_12"></a>Wij hebben geloof +in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij +bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben +gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar +brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van hun +oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder +geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die „heelemaal niets” +geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend; +maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die +zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij +haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een +maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het +geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een +fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met +zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de +waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven +en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd +kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom? +Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof +is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit +een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef; +die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd <span class="pagenum" title="13"> </span><a id="p_13"></a>heeft; +„zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Wanneer hij „een +dwaas” geweest was, die in zijn hart gezegd had: „daar is geen God”, dan +had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven. +Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent +ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter +gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het +lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie +bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een +schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende +eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt +niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de +vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en waar +het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den +gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht +als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op +dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken +te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den +zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke +jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom? +Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht; +„die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik +niet: die zijn te moeilijk te regeeren!” Toen hij in zijn vaderland +terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit: „de +emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker <span class="pagenum" title="14"> </span><a id="p_14"></a>dan ooit. +Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg +tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de +godsdienstige gedachte zelve aanvallen!”</p> + +<p>Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws. +Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam.</p> + +<p>En kan het vertroosten in den dood?</p> + +<p>Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die „atheistisch redenaar” +van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand +van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en +hij heeft dat later ook openlijk erkend. „Ik heb wel kunnen leven in +theoretisch atheïsme,” zoo sprak hij; „maar ik heb er niet mee kunnen +sterven.”—Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar +vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter +beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren +middag is zij met haren vader alléén. „Vader!” vraagt het meisje, „op +welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?” De +vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met +bewogen stem: „sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!” Ik +denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader.</p> + +<p>En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? <span xml:lang="de">Dr. +Dubois-Reymond</span>, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft, +dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van +teruggekomen is, <span xml:lang="de">Dr. Dubois-Reymond</span> wijst er op hoe alléén het levend +godsvertrouwen kan troosten onder het leed <span class="pagenum" title="15"> </span><a id="p_15"></a>des levens: „Troost eens een +zaal vol kankerlijders met de verzen van <span xml:lang="de">Goethe</span> of <span xml:lang="de">Schiller</span>” zegt hij. +Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen +van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het +levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat +maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en +sterfbedden.</p> + +<p>Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel <ins class="corr" id="corr5" title="Bron: bijge-geloof">bijgeloof</ins> er heerscht +in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten; +niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een +paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt +elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een +tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te +kloppen en daarbij te zeggen „<span xml:lang="de">unberufen!</span>” Men kan nooit weten! Bij het +nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd +behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in +stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan. +<span xml:lang="en">Lord Herbert</span> van <span xml:lang="en">Shaftesbury</span> had een boek geschreven waarin hij de +openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het +wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel +als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde „positivist” <span xml:lang="fr">Auguste +Comte</span> vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene +godheid „de humaniteit”, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij +<span xml:lang="fr">Auguste Comte</span>, de positivist.</p> + +<hr class="hrdot" /> + +<p><span class="pagenum" title="16"> </span><a id="p_16"></a></p> + +<p>Wat gelooft toch eigenlijk een „ongeloovige”? Als gij het hem vraagt, +dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den +trein: „ik geloof heelemaal niets!” Want hij wil zijn geloof voor +wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is +ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis.</p> + +<p>„Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van +eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich +zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve +geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare +wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische +geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat +belijdt: „ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des +hemels en der aarde”.</p> + +<p>Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht „de Schepping”, van ten Kate? +Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren +kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te +treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene +studie van een der „jongeren” te lezen dat ten Kate toch maar mooier +verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. „Ja, ja,” knikte ik mijn +wel doorvoeden criticus toe; „véél meer!” Ik zou lust hebben u eens de +passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God +zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden; +aldus begint het:</p> + +<p><span class="pagenum" title="17"> </span><a id="p_17"></a></p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0">Met de middlen, met de wegen<br /></span> + <span class="i0">Van Zijn goedheid, van Zijn macht<br /></span> + <span class="i0">Komt de Algoede zijn geslacht<br /></span> + <span class="i0">Op den hangen dwaalweg tegen;<br /></span> + <span class="i0">En daar straalt een spoor van zegen<br /></span> + <span class="i0">Door de wanorde en den nacht;<br /></span> + </div> +</div> + +<p>Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie +regels:</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0">„God is goed en groot” herhalen<br /></span> + <span class="i0">Alle heuvlen met hun dalen;<br /></span> + <span class="i0">Alle bergen die daar staan<br /></span> + <span class="i0">Als voor de eeuwigheid geschapen,<br /></span> + <span class="i0">Aan wier borst de wolken slapen;<br /></span> + <span class="i0">Aan wier voet, gelijk de blaân,<br /></span> + <span class="i0">Volken komen en vergaan;<br /></span> + <span class="i0">'s Heeren stem is op de waatren,<br /></span> + <span class="i0">Die Hij van Zijn vingertop<br /></span> + <span class="i0">Sprenkelde als een regendrop,<br /></span> + <span class="i0">En, wanneer de diepten schaatren,<br /></span> + <span class="i0">'t Bliksemvuur de wolken deelt,<br /></span> + <span class="i0">En de zee heur psalmen speelt<br /></span> + <span class="i0">Onder 't loeiend onweerklaatren,<br /></span> + <span class="i0">Dan ontblooten zelfs Gods haatren<br /></span> + <span class="i0">Met een huivring 't schennig hoofd;<br /></span> + <span class="i0">En—de twijfelaar gelooft!<br /></span> + </div> +</div> + +<p>Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet +kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu +eens vertellen wat mij onlangs <span class="pagenum" title="18"> </span><a id="p_18"></a>gebeurd is. Een mijner jonge vrienden, +een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij:</p> + +<p>„Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?”</p> + +<p>Ja, zeker weet ik dat, die is van God!</p> + +<p>„Nu, wees niet flauw; het gedicht „de Schepping” bedoel ik<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">.</ins>”</p> + +<p>„Zoo”, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) „ik heb anders den +dichter nog zelf gekend—en hem stukken er uit hooren voordragen; en +ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote +dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.<ins class="corr" id="corr8" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Neen”, zegt mijn wijsneus. „U weet er heelemaal niets van”. (De jonge +man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar +maakt hij misbruik van!) „Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi +vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet +van ten Kate!”</p> + +<p>Wel—en van wien is het dan?</p> + +<p>„Van niemand!”</p> + +<p>„Van niemand?” vraag ik—want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik +dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen +huis, Toussaintkade 35, zou trachten „er in te laten loopen.”—„Van +niemand<ins class="corr" id="corr9" title="Bron: ;?”">?</ins> wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?<ins class="corr" id="corr10" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„Ja, wat zal ik zeggen”—ging mijn historisch-conjecturaal-criticus +voort. <ins class="corr" id="corr11" title="Niet in Bron.">„</ins>Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar uwe +meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna +vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867—we +hadden toen nog mooie Meimorgens—dat een jonge os hier de stad +'s-Gravenhage werd binnengeleid; <span class="pagenum" title="19"> </span><a id="p_19"></a>hij kwam van het Bezuidenhout, de +Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den +slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet +vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt +rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen +Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit +hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige +directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept +uit: „kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die +Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!” +En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een +stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer +in de letterkast op te bergen. Maar—daar komt er een; u weet die +letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de +Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: „wel, heb ik +nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij +mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!”</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0">Met de middlen, met de wegen<br /></span> + <span class="i0">Van zijn wijsheid, van zijn macht,<br /></span> + <span class="i0">Komt de algoede zijn geslacht<br /></span> + <span class="i0">Op den bangen dwaalweg tegen;<br /></span> + <span class="i0">En daar straalt een spoor van zegen<br /></span> + <span class="i0">Door de wanorde en den nacht.<br /></span> + <span class="i0">Wat al kreeten....<ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">”</ins><br /></span> + </div> +</div> + +<p>„He, meneer,” zegt de jongen; „dat zou een mooi vers geworden zijn; +jammer dat het hier uitscheidt”....</p> + +<p><span class="pagenum" title="20"> </span><a id="p_20"></a></p> + +<p>Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: „kijk, meneer, dat is nu +toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook je +laatste regel?<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">”</ins> „'t Was een halve regel”, zegt de eerste: „Wat al +kreeten....<ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p><ins class="corr" id="corr15" title="Niet in Bron.">„</ins>Juist,<ins class="corr" id="corr16" title="Niet in Bron.">”</ins> valt de ander in; <ins class="corr" id="corr17" title="Niet in Bron.">„</ins>dan kan ik wel het vervolg hebben:</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0">........ Hem bestormen,<br /></span> + <span class="i0">Door den wanklank ongestoord,<br /></span> + <span class="i0">Werkt de Vader liefdrijk voort,<br /></span> + <span class="i0">En in duizendvoude vormen<br /></span> + <span class="i0">Kleedt Hij Zijn welsprekend woord.<br /></span> + <span class="i0">Leesbaar staat het aan den hemel<br /></span> + <span class="i0">Met zijn ongerimpeld blauw<br /></span> + <span class="i0">Lovend de Onbezweken Trouw;<br /></span> + <span class="i0">Met zijn vonklend stargewemel....<ins class="corr" id="corr18" title="Niet in Bron.">”</ins><br /></span> + </div> +</div> + +<p>En daar was het weer uit.</p> + +<p>„Ik heb zoowaar het vervolg,” komt een derde vertellen: <ins class="corr" id="corr19" title="Niet in Bron.">„</ins>luister maar +toe; wat was ook weer je laatste regel? „Met zijn vonklend stargewemel” +ja juist:</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0">Prijzend als op d'eersten dag,<br /></span> + <span class="i0">'t Eenig en Alhoog gezag.<br /></span> + <span class="i0">Hoorbaar klinkt het uit de stroomen,<br /></span> + <span class="i0">Uit de velden, uit de boomen,<br /></span> + <span class="i0">In een eindloos lofchoraal.<br /></span> + <span class="i0">Want het schepsel al te maal,<br /></span> + <span class="i0">Houdt niet op zijn God te roemen;<br /></span> + <span class="i0">Ieder in zijn eigen taal,<br /></span> + <span class="i0">Wil den naam des Scheppers noemen;<ins class="corr" id="corr20" title="Niet in Bron.">”</ins><br /></span> + </div> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="21"> </span><a id="p_21"></a></p> + +<p>en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan +kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg. +'t Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van +hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst.</p> + +<p>„En dus”—zoo eindigde mijn verslaggever; „aan wien kan men nu dat vers +eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht +van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?”</p> + +<p>Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een +os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder; +maar—ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!”</p> + +<p>„Wat gelooft u niet?” vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp; +„wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom +niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!”</p> + +<p>Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat +is glad onmogelijk!</p> + +<p>„Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde +vallen; waarom dan niet in deze?”</p> + +<p>Ja—wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is; +maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van +geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn +door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat +gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond, +dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een +onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar +verlangt de geleerde monist <span xml:lang="de">Haeckel</span> van ons niet iets dat <span class="pagenum" title="22"> </span><a id="p_22"></a>duizendmaal +absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,.... +onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid! +<span xml:lang="de">Professor Reinke</span> uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een +geleerd boek geschreven, de wereld als daad, „<span xml:lang="de">die Welt als That</span>”; hij +bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre +verleden <i>vanzelf</i> is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij +verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen +(b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is +gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene +nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel +ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen +van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf, +eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest +zijn, een opgewonden automaat!</p> + +<p>Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval +geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand?</p> + +<p>Het woord „toeval” is een woord voor bijgeloovige menschen; het is +een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken +verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord „toeval”?</p> + +<p>Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn +stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed +van mechanische krachten, door een gelukkig „toeval” zich weer zouden +vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat?</p> + +<p>Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den <span class="pagenum" title="23"> </span><a id="p_23"></a>indruk van +chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn.</p> + +<p>De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen, +verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om „ongeloovigen” te zijn, +bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet.</p> + +<p>Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden +zijn, waarmede <span xml:lang="de">Bebel</span> en <span xml:lang="de">Haeckel</span> en hunne geestverwanten mij bewijzen +willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens +uit de landsdrukkerij en aan hun „blik met letters.” Inderdaad behoeven +onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met +een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen +ongetwijfeld christelijk geloof:</p> + +<p class="i2"><i>Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, +Schepper des hemels en der aarde.</i></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="BIDDEN"></a>BIDDEN</h2> + +<p>Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met +God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van +kracht.</p> + +<p>Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt +het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak +vergeleken—en een betere vergelijking kan men wel niet vinden—bij het +naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water +gewerkt heeft, maar nu een <span class="pagenum" title="24"> </span><a id="p_24"></a>tijd lang weer in de vrije lucht moet +ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen—anders hield hij het niet vol.</p> + +<p>Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd +weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't +bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom +Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te +verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan.</p> + +<p>Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna, +dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden +levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den +strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige +omleidingen des boozen?</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="DE_BIJBEL"></a>DE BIJBEL</h2> + +<p>Sven Hedin, de beroemde reiziger, schreef eens in een brief uit +Stockholm: „Zonder het vaste en levende vertrouwen in den Heer, en in +zijne almachtige, bewarende liefde, zou 't mij onmogelijk geweest zijn, +'t twaalf jaren lang in die ontoegankelijke streken van Azië uit te +houden. Op al mijne reizen is de Bijbel steeds mijn begeleider en mijn +beste lektuur geweest.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="25"> </span><a id="p_25"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="LENTELEVEN"></a>LENTELEVEN</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/a.png" class="cap" alt="A" width="88" height="138" /> + + <p class="cap_1">Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de + erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en + rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.</p> +</div> + +<p>Want de hei is altijd mooi!</p> + +<p>De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo +scherp doen uitkomen, en bij laag <ins class="corr" id="corr21" title="Bron: nêerhangende">neêrhangende</ins> regenwolken, +wanneer de toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer +'t heete zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen +nevel wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas +zich zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen +zwijgend op de witte vlakten nederzien.</p> + +<p>Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is +er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom. +Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet +alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht +trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon +in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd +harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt +gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen +<span class="pagenum" title="26"> </span><a id="p_26"></a>ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom, +waarin vrede woont.</p> + +<p>Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan +de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze +uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een +kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep +statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit +oprijst.</p> + +<p>Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben +aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar +aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het +intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt, +telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich +bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig +kom je in de stemming om meê te bidden.</p> + +<p>Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar +je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat +de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden +uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden +kan worden gebracht.</p> + +<p>Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde +kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een +paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling +met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en +hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel +verlichte straten, en <span class="pagenum" title="27"> </span><a id="p_27"></a>keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar +'t is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!</p> + +<p>Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar +spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê +omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich +misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen +uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig +beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen. +Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun. +Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en +richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef +naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten +van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden, +of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op +de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van +de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles +spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn +oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben, +maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan, +de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen +niet lang uithouden!</p> + +<p>Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen bij +zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die in +'t ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de +winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij <span class="pagenum" title="28"> </span><a id="p_28"></a>ook van +de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten +zeggen: „mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!” „Gewoonte, +Jaap, alles gewoonte,” had zij hem geantwoord, „en een mensch heeft er +zijn brood.” Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was +blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de +stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan. +'t Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan +omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en +schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon +kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen +afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel +speelde.</p> + +<p>Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?</p> + +<p>Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.</p> + +<p>Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last +van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met +hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs +de dominee hem om raad kwamen vragen. „Boesveld, wat moeten wij doen?” +En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't +dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: „dat had ik wel +gedacht.” Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt, +heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!</p> + +<p>Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom +hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij +anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader +heelemaal <span class="pagenum" title="29"> </span><a id="p_29"></a>niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich +hielden, het had niet geholpen.</p> + +<p>Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat +hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God +doen zou.</p> + +<p>Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.</p> + +<p>Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de +heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag +schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den +hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó +had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep +en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde.</p> + +<p>Ach, Geertje! ach, Geertje!</p> + +<p>Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was +de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren +stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend +wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste +blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden.</p> + +<p>Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe +dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen +lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat +'t kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was +laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren +verloren.</p> + +<p>Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? <span class="pagenum" title="30"> </span><a id="p_30"></a>Omdat daar 't +plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld, +toen ze klein was.</p> + +<p>Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit +en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer +drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de +nabijheid hout hakte of dennen pootte.</p> + +<p>Die drie berken had zij „Vader” en „Moeder” en „Geertje” genoemd. De +langste was „Vader”, de dikste „Moeder” en de kleinste, „Geertje”, of +„ikke”, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't +aardigheid was en je wel moest meêlachen.</p> + +<p>Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven?</p> + +<p>Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet +aarden. Ze moest onder de menschen.</p> + +<p>Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het, +wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een +zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er +hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en +neen blijven zeggen?</p> + +<p>Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze +had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar +hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal +in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had +gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest. +En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig +had moeten zeggen: „nou kind, hou je maar goed.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="31"> </span><a id="p_31"></a></p> + +<p>Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui +voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de +geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet +van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies +geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht +wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten +mocht.</p> + +<p>En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen, +maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij +niet.</p> + +<p>Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog +bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap +was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn +huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen, +dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter +buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo +geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat +een vader in zoo'n geval voelde.</p> + +<p>Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis +komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk +gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud +geweest om 't kind bij zich te nemen.</p> + +<p>Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het +dorp?</p> + +<p>Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep, +die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok.</p> + +<p><span class="pagenum" title="32"> </span><a id="p_32"></a></p> + +<p>Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen +ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó +erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis +te doen opnemen.</p> + +<p>Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal. +Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn +leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden, +maar een zuster,—een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te +zeggen—had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En +daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder +zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd +en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe, +pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te +prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de +vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen +draaien en op alle vragen weinig asem gegeven.</p> + +<p>Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't +niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om +Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de +gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet +moederzalig alleen laten liggen.</p> + +<p>Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te +gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis +gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had, +dat hij overkwam.</p> + +<p><span class="pagenum" title="33"> </span><a id="p_33"></a></p> + +<p>Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst +overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien, +waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen +had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal op +eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den +eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn<ins class="corr" id="corr22" title="Bron: ,">.</ins></p> + +<p>Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog +hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was +'t mis!</p> + +<p>Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde +geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken +geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór +stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn +eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen +uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw +geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje, +hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou +hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en +alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken.</p> + +<p>Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want +'t Woord sprak waarheid: „de bezoldiging der zonde is de dood.”</p> + +<p>Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar +met plaggen voorttrok.</p> + +<p>Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang +leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet <span class="pagenum" title="34"> </span><a id="p_34"></a>dat Jaap de zweep ooit +gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: „hu +bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?” dan kon je alles van ze gedaan +krijgen. Net menschen, die dieren.</p> + +<p>En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest, +te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.—Door eigen +schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en +duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in +huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten +voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen, +dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het +tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek +in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit +met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo +stil geweest?</p> + +<p>Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er +nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van +den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet, +maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen.</p> + +<p>Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen +komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader. +Met die gedachte paaide hij zich.</p> + +<p>Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar +vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde +in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de +waarheid, <span class="pagenum" title="35"> </span><a id="p_35"></a>die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch +bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij +had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was +geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij +als vader verplicht.—Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch +veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat +kwam, omdat 't zoo eigen was.</p> + +<p>Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen +en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den +heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te +stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn +gang gaan en volgde langzaam.</p> + +<p>Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn +spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was +gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar +die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge +kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in +zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij +hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje +niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last +harer schande laten dragen?</p> + +<p>Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder +aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen. +'t Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op <span class="pagenum" title="36"> </span><a id="p_36"></a>al zijn +vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot +door de struiken ging.</p> + +<p>Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. „Stil bruine, de baas moet +nog even de pijp aansteken.” Hoe meer de zorgen hem drukten, des te +krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een +teeken om hem maar stil met rust te laten.</p> + +<p>De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd, +achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van +zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een, +nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven.</p> + +<p>Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en +wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie, +hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin +en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen +dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar +tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in +hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun +gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels +met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één +harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar +avondzonnezang, vredig en plechtig.</p> + +<p>Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed, +hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met +den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich +uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter +<span class="pagenum" title="37"> </span><a id="p_37"></a>een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei +wegdreven.</p> + +<p>'t Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in +eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten +van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den +avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar, +als uit de hei opgegroeid.</p> + +<p>Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't +Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar +den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't +geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei +zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de +plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte +kleed van den nacht————————————————</p> + +<hr class="hrdash" /> + +<p>Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den +hoofdportier van 't ziekenhuis: „of hij al bij Geertje Boesveld terecht +kon?”</p> + +<p>Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen +op en dan de eerste deur links, zaal 5.</p> + +<p>Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang +der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem +toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: „U komt +zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar +meê, haar moeder is er al.” En terwijl zij met hem naar 't eind van de +lange zaal ging, waar Geertje's bed stond <span class="pagenum" title="38"> </span><a id="p_38"></a>met een wit schermpje er om +heen, zeide zij zacht tot hem: „U wilt er wel om denken, dat zij heel +ziek is?”</p> + +<p>Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster +schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl +rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar +Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe +en scheen te sluimeren.</p> + +<p>Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding, +hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de +slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld.</p> + +<p>Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het +voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als +terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog +vasthield.</p> + +<p>„Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens +komt zien, hoe 't met je gaat.” Met deze woorden riep de zuster haar +zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't +hoofd streek.</p> + +<p>Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er +een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere +zonnestraal over een somber najaarslandschap.</p> + +<p>Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte +je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang +zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat, +hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven?</p> + +<p>Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover +haar. De onderarmen lei hij op de knieën en <span class="pagenum" title="39"> </span><a id="p_39"></a>de handen liet hij slap +naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en +weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren.</p> + +<p>Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde +regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die +smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van +moeder, maar anders was ze krek d'r vader.</p> + +<p>Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield +Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag, +was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem +vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging +hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer +die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien +onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar +te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij +dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote +warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit: +„Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?”</p> + +<p>Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe +oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder +losmaakte en aan haar vader reikte: „Dank u, vader, dat u me vergeven +hebt.”</p> + +<p>Jaap greep haar hand en zeide: „Maar kind, ik heb je altijd vergeven.”</p> + +<p>Geertje schudde 't hoofd: „neen vader, nog nooit zooals nu.”</p> + +<p>Zij deed haar oogen dicht. Alles vermoeide haar zoo.</p> + +<p><span class="pagenum" title="40"> </span><a id="p_40"></a></p> + +<p>Toen, een oogenblik daarna: „vader, ik ben niet bang om te sterven.”</p> + +<p>„Zoo kind.”</p> + +<p>„Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?”</p> + +<p>Deze begreep haar. „Boesveld,” zeide zij, „uw dochter is heelemaal +niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is +de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't +sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk +gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze +behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging, +al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar +omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde +ze zoo graag.</p> + +<p>„Maar nu niet meer zuster.”</p> + +<p>„Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan +te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort +met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had +haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in +een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: „Zou je +het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten +loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom +wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo +donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.” „Je moet niet met den +rug naar 't licht gaan staan”, zei de dominee, is 't niet Geertje?”</p> + +<p>De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest +oppassen, dat hij niet ging huilen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="41"> </span><a id="p_41"></a></p> + +<p>De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als +Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den +Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles +licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had +'t bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te +varen.</p> + +<p>Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote +tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden, +dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij +was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den +strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking +zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al +bezat ze 't zelve niet.</p> + +<p>Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg.</p> + +<p>Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze +fluisterend: „alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar +'t licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht...</p> + +<p>Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben +genomen, bleef ze roerloos liggen.</p> + +<p>Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was +bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen +zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En +hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats +dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd. +Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben +gezegd, <span class="pagenum" title="42"> </span><a id="p_42"></a>dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou +ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had +geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met +zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij +zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven. +Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich +in huis nam?</p> + +<p>'t Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister +leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan +altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken, +als 't moest, dan moest het!</p> + +<p>Toen werd het weer heelemaal duister.</p> + +<p>Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje.</p> + +<p>Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets +te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch +eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben +gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in +hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag +nu zoo rustig.</p> + +<p>Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens +terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te +moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden +morgen zouden ze heel vroeg terug komen.</p> + +<p>Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht.</p> + +<p>'t Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten <span class="pagenum" title="43"> </span><a id="p_43"></a>op de zaal +waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten +schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open +deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't +licht brandde.</p> + +<p>Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde +'t tikken van de klok.</p> + +<p>Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: „'t Hijgend +hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de +frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!” De zieken +werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren. +'t Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een +engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar +oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem +dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en +nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar +laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden +in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe +en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij +achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder.</p> + +<p>„Geertje, wat is er?”</p> + +<p>„Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is.... +dan.... 't leven.”</p> + +<p>Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer.</p> + +<p>Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje +kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had +'t niet erg <span class="pagenum" title="44"> </span><a id="p_44"></a>op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de +zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem +stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: „ik +dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.”</p> + +<p>„O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan +haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.”</p> + +<p>Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf +ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg!</p> + +<p>Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: „zou je denken, dominee, +dat Geertje gelukkig was?”</p> + +<p>„Boesveld,” antwoordde deze, „gelooft u niet, dat, wie zich naar 't +licht toekeert, een kind des lichts is?”</p> + +<p>Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol +aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: „ik dank u.” Toen keerde hij +zich om, en ging met Jenneke de zaal af————————————</p> + +<hr class="hrdash" /> + +<p>En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.</p> + +<p>Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn +spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden +dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht +dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met +Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit +den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en +bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog +<span class="pagenum" title="45"> </span><a id="p_45"></a>in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den +bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen +dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.</p> + +<p>Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt. +Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar +blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer +rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.</p> + +<p>Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór +haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard +te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had +gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo +schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij +had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.</p> + +<p>Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam. +Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.</p> + +<p>Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de +ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of +hij Geertje's stem hoorde: „Vader, niet met je rug naar 't licht gaan +staan!”</p> + +<p>Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan. +Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper +en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar +alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de +hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="46"> </span><a id="p_46"></a></p> + +<p>En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van +lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog +zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend +zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem +van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden, +blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een +ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar +jonske in zijn armen.</p> + +<p>„Mag ik dat kind hebben?” wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze +weg.</p> + +<p>Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij +met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je +er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel +in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie +zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien, +dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar +één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna +met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't +kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast +haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat +Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms +te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij, +dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij +tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet +goed had gedaan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="47"> </span><a id="p_47"></a></p> + +<p>Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de +vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën +in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën +gebleven.</p> + +<p>De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als +je'm tegenkwam en je vroeg: „Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?” +dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't +antwoord steeds: „best, jong, best!”</p> + +<p class="i1">En nou moet je nog even <ins class="corr" id="corr23" title="Bron: mêegaan">meêgaan</ins> naar de hei, je weet wel, naar dat +bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente is +gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar +eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien +weg.</p> + +<p>De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is +natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den +invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.</p> + +<p>Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in +de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had +gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw +te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde +niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder +drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één +van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij +hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's +lievelingsplekje er weer uitzag, zooals <span class="pagenum" title="48"> </span><a id="p_48"></a>'t behoorde: zonder dood hout. +Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.</p> + +<p>De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar +zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel +door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar +als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't +overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles +in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in +feestgewaad te verschijnen.</p> + +<p>Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken, +zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was +opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk, +krachtig Lenteleven.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="ALS_EEN_NEVEL"></a>ALS EEN NEVEL</h2> + +<p>De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles +dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras +en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen +en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en +ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den +dood.</p> + +<p>Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de +grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was, +heft zich op; wat weggedoken <span class="pagenum" title="49"> </span><a id="p_49"></a>was, schudt zich de wieken vrij; wat +verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet +zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt, +binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met +de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende +leven terug roept.</p> + +<p>En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer +pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel, +die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van +dankbaarheid voor genoten verlossing.</p> + +<p>Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied +is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij +sidderen als bij de nadering van den dood.</p> + +<p>Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene +op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer +een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte.</p> + +<p>En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en +koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht.</p> + +<p>Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden +wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog +en die het genoten licht weerkaatst.</p> + +<p>Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: „Ik delg uwe +overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.” Jes. 44: 22.</p> + +<p><span class="pagenum" title="50"> </span><a id="p_50"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="DE_TOEKOMST_DES_HEEREN"></a>DE TOEKOMST DES HEEREN</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/o.png" class="cap" alt="O" width="91" height="92" /> + + <p class="cap_1">Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een + strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van + oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job + vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd + eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd + meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren + kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische + brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd + herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den + goeden strijd te strijden.</p> +</div> + +<p>Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden +zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw +Testament waardeeren het leven als strijd.</p> + +<p>En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo +ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende +levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei +vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig +antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch +bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. <span class="pagenum" title="51"> </span><a id="p_51"></a>Strijdende, iederen dag +op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de +juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit +ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij +leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het +vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons +leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart +geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen, +hebben gevonden.</p> + +<p>Alzoo, het leven is een strijd.</p> + +<p>Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten, +waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te +weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is +iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden +moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor +strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen?</p> + +<p>Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het +doel van onzen levensstrijd kennen.</p> + +<p>Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel +van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar +te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij +henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene +venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen. Wij +komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee +duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van +waar of het waarheen kent.</p> + +<p><span class="pagenum" title="52"> </span><a id="p_52"></a></p> + +<p>Zoo zegt men.</p> + +<p>Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te +spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen +wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de +bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld +henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt +zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus +wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het +leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin +hij zich bevindt, voort te zetten.</p> + +<p>Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking „toekomst” van +Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden +van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in +het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen, +dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het +dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren +omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der +oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het +werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen, +indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld +een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid +alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar +af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In +Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden. +Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt <span class="pagenum" title="53"> </span><a id="p_53"></a>in de bekende +uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het woord +toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of Keizer +binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid gebracht. +De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een +binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie +werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst +van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te +vervangen door paroesie.</p> + +<p>Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het +Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het +Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt +daardoor voorkomen. Het woord „toekomst” zegt bovendien zoo weinig. Het +zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is +dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk. +Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van +Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst +van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij +menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden +bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze +wereld.</p> + +<p>Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente. +Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op +iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het +Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament.</p> + +<p><span class="pagenum" title="54"> </span><a id="p_54"></a></p> + +<p>Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen +uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël +uitgezien naar de komst van zijn Messias.</p> + +<p>Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode +van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de +gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de +mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd. +Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt. +Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het +moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in +de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert, +er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een +volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël. +Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over +Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met +ongeduldig verlangen. „Och, dat gij de hemelen scheurdet”!</p> + +<p>Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het +zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de +toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de +toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware +tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het +devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift +op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt.</p> + +<p>Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het +middelpunt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="55"> </span><a id="p_55"></a></p> + +<p>Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den +achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij +geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van +Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler +toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: „van +waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.” Dat is dan +alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der eerste +Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar den +Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht +sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: „<span xml:lang="la">Judex ergo cum sedebit, +quidquid latet apparebit nil inultum remanebit</span>”<a id="FNa_1" href="#FN_1" class="fnanchor"><sup>1</sup>)</a>, de dag van Christus +was een <span xml:lang="la">dies irae</span> geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld +deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus +niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III) +als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen +zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het +oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten +gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het +wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare +voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te +worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt: +de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst <span class="pagenum" title="56"> </span><a id="p_56"></a>het zondige, dat +ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele +blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt +voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven.</p> + +<p>Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven +geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde?</p> + +<p>Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den +mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig?</p> + +<p>De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons +openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de +openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze +toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van +Christus.</p> + +<p>En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting +tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van +Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze +gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen +„te werken met hunne eigene handen.” Mede door de prediking van den +komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen +arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet +nabij?</p> + +<p>Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft +ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij +komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit +het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd +<span class="pagenum" title="57"> </span><a id="p_57"></a>omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet +overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te +arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet +uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken +nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze +conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid +Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan +gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich +zelven niets doen tenzij hij den Vader dat <ins class="corr" id="corr24" title="Bron: zie">ziet</ins> doen (Joh. V<ins class="corr" id="corr25" title="Bron: =">:</ins>19). Wij +zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet +meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den +Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet +alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde +woord aldus eindigt: „Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon +desgelijks.” De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals +het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt +zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is +voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods +overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons +werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt +voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief, +werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het +onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de +toekomst van Christus bron wordt van oneindige <span class="pagenum" title="58"> </span><a id="p_58"></a>kracht en voortdurende +prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van +Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen +door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus +komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn +arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden +geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe +wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een +abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze +wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar +daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want +Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. „Mij is +gegeven alle macht in hemel en op aarde.” De wereldvernieuwing, waarop +wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan. +Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke +verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De +verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in +Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van +Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het +werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer +dan dit: zij geschiedt door hen.</p> + +<p>Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat +wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet +te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der +wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden <span class="pagenum" title="59"> </span><a id="p_59"></a>zonder +gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit +gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op +iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den +komenden Christus is gewaarborgd.</p> + +<p>Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het +achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft +op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in +heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei.</p> + +<p>Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld +neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch +niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich +behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een +vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met +het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst +van Christus werd het christendom wereldsch.</p> + +<p>Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de +monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij +ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig +geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn +klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van +den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de +eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar +men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat +hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal +kunnen overwinnen, <span class="pagenum" title="60"> </span><a id="p_60"></a>indien de almacht van den Christus, die de wereld +overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet +achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te +meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen.</p> + +<p>Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt. Wij, +protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij +ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren. +Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer +men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd +met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet +er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het +streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich. +Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld. +Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit +compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor +de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld +doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan +slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in +den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige +ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de +Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te +gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een +klooster uit de wereld terugtrekt?</p> + +<p>Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. <span class="pagenum" title="61"> </span><a id="p_61"></a>Eerst met +de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch +zijn.</p> + +<p>Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht +en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch +geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was +geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer +kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel +arbeid.</p> + +<p>Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door +de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den +komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle +zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt +voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een +schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een +vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen +paroesie-Christen.</p> + +<p>Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat +men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is.</p> + +<p>Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het +Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen, het +eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij zoeken +het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om buiten +de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in +onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die +dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje +Koninkrijk.</p> + +<p><span class="pagenum" title="62"> </span><a id="p_62"></a></p> + +<p>Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om +het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij +onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk, +d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen +orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het +huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk. +Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een +doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende +Koning.</p> + +<p>Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan +onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de +parousie des Heeren.</p> + +<p>Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in +Duitschland noemt: een confirmandenbuch.</p> + +<p>Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord +regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en +bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt +voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de +christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van +Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u +in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het +misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat +anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk +Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk +Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat +werken <span class="pagenum" title="63"> </span><a id="p_63"></a>voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken, +lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst.</p> + +<p>Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn +niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus. +Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de +rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen +protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme +heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods +en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts. +Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden +in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk +werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men +doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel +wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij +de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling +preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een +heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk +de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om +Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een +echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van +wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en +wezenlijk Roomschen zijn?</p> + +<p>Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld +ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen. +Wee dengene, die zijn <span class="pagenum" title="64"> </span><a id="p_64"></a>post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God +u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd +voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting +van wereld in Koninkrijk.</p> + +<p>Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te +moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in +aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt +en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal +openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier +der Christelijke Gemeente met haar oude devies:</p> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <span class="i0"><i>Maran-atha</i><br /></span> + <span class="i0"><i>De Heer komt.</i><br /></span> + </div> +</div> + +<hr class="fnsep" /> + +<div class="footnote"><a id="FN_1" href="#FNa_1" class="label"><sup>1</sup>)</a> Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal +alles wat verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken +blijven.</div> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="BEGEEREN_EN_WILLEN"></a>BEGEEREN EN WILLEN</h2> + +<p>De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte +naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in +beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den +grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De +wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet +bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte +activiteit.</p> + +<p>Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen, +als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide +bewegingen geheel van elkander onderscheiden.</p> + +<p>Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte <span class="pagenum" title="65"> </span><a id="p_65"></a>tot den wil. +Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is +eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd. +Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="GEESTDRIFT_EN_OPWINDING"></a>GEESTDRIFT EN OPWINDING</h2> + +<p>Geestdrift kan alleen bestaan bij den Christen. Geestdrift d.i. in God +te zijn! En het kenmerk der ware geestdrift is, dat zij <i>blijft</i>.</p> + +<p>Er bestaat ook geestelijke opwinding, die zich naar buiten openbaart in +een soort van vrome drukte. En wie nog weinig of geen ervaring bezit, +laat er zich licht door in de war brengen en ziet die opwinding voor de +ware geestdrift aan, die van boven is.</p> + +<p>Die opwinding is gelijk aan het vuurwerk, dat voor een oogenblik door +zijn schittering het oog boeit, maar daarna in grooter duisternis +de toeschouwers achterlaat; de geestdrift is het rustig schijnend +hemellicht, dat door zijn glans den mensch verblijdt. De opwinding doet +denken aan het zaad, dat op eenmaal hoog opging en wonderveel deed +hopen, maar toen de zon ter middaghoogte steeg, en de zonnestralen +brandden en schroeiden, bleek het geen diepte van aarde te hebben en het +verdorde. De geestdrift is gelijk aan het zaad, dat in de goede aarde +viel, en lang verborgen bleef, maar straks te voorschijn kwam, gestadig +aan opwies en rijke vrucht droeg.</p> + +<p>Velen waren er in Jezus' dagen, die vol schijnbare geestdrift tot Hem +kwamen, en zeiden: „Meester, ik zal U <span class="pagenum" title="66"> </span><a id="p_66"></a>volgen, waar gij ook heengaat,” +maar wier geestdrift straks bleek slechts opwinding te zijn, want ze +ging voorbij, ze was niet blijvende, ze was niet tegen de beproeving +bestand. De echte geestdrift vinden wij in de eerste plaats in onzen +Heiland zelf, als Hij tot Maria spreekt: „Wist gij niet, dat ik moest +zijn in de dingen mijns Vaders!”</p> + +<p>Dat is het heilige „moeten”, dat Hem gedragen en voortgedreven heeft +al de dagen zijns levens; waardoor Hij in staat is geweest weerstand +te bieden aan al de levensstormen, die boven zijn heilig hoofd zouden +losbarsten. En ieder waarachtig Christen bezit door Jezus' genade iets +van de heilige geestdrift, die in den loop der jaren niet dezelfde +blijft en nog minder afneemt, maar veeleer groeit en krachtiger wordt; +die misschien, naarmate de mensch toeneemt in ervaring, in andere vormen +zich openbaart, en andere wegen kiest dan de vroeger bewandelde, maar +dat alleen, omdat zij waarlijk levend is en daarom de oude vormen niet +de hoofdzaak acht.</p> + +<p>Ieder, die zich aan Christus heeft verbonden, en dat misschien ook +openlijk voor de gemeente heeft uitgesproken, beproeve zich zelven, of +die heilige geestdrift zijn leven ook bestuurt.</p> + +<p>En wie het besluit Jezus te volgen misschien al vele jaren geleden +genomen en uitgesproken heeft, vrage zich af, of zijn geestdrift +blijvende en toenemende was, en zijn leven daardoor gedragen en bezield +wordt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="67"> </span><a id="p_67"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="JOSUAS_GEZICHT"></a>JOSUA'S GEZICHT</h2> + +<p class="subh2">EENE OVERDENKING</p> + +<p class="right size67">Josua 5: 13–15</p> + +<div class="drop"> + <img src="images/w.png" class="cap" alt="W" width="164" height="111" style="margin-top: -2em;" /> + + <p class="cap_1">Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door + worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin + de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde; + de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de + hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende + kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook, + in op te sporen.</p> +</div> + +<p>Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen, +had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet +zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had +het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen +van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets +en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel +is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't +eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.</p> + +<p>O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand, +in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien +naderen, dan wel of wij 't op eens <span class="pagenum" title="68"> </span><a id="p_68"></a>vlak vóór ons zien staan. 't Is hier +zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: <i>Nu ben ik +gekomen.</i> Nú! Het groote „nú” van zijn leven is dáár.</p> + +<p>In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen, +zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen +voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden +genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten, +die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks +valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker +en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast +punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het +uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat +hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't +einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen +opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem +tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet +het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve +geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen +zwaard in de hand.</p> + +<p>Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij +treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat +het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar +zijne vraag: Wie zijt gij? En <i>wat</i> zijt gij? <i>Zijt gij van ons of van +onze vijanden?</i> Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons +keeren?</p> + +<p>En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen <span class="pagenum" title="69"> </span><a id="p_69"></a>antwoord. Althans +niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden +laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór +noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in +hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik +nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke +beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze +hem zegt: <i>Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik +ben nu gekomen!</i> 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen +hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen +en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt, +onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.</p> + +<p>En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: <i>Zijt gij +van ons of van onze vijanden?</i> Niet: wat zal de toekomst mij brengen? +Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik +vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets +geheel anders. <i>Toen</i>, zoo wordt ons verhaald, <i>viel Jozua op zijn +aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn +knecht?</i></p> + +<p>Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat +<i>zal</i> ik? Maar: Wat <i>moet</i> ik? Niet meer: <i>Hoe</i> zal dit en <i>hoe</i> dat? +Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: <i>Wat wil mijn</i> God? En +zooals <i>Hij</i> wil, wil <i>ik</i>; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen, +gehoorzamen, volgen.</p> + +<p>Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot +alles. Hij is onoverwinbaar.</p> + +<p><span class="pagenum" title="70"> </span><a id="p_70"></a></p> + +<p>Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis +van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. <i>Toen zeide de +Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe +voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig.</i></p> + +<p>Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit +woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van +afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend, +Zijn bizonder eigendom.</p> + +<p>En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier +Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't +eerst door hem wordt betreden<ins class="corr" id="corr26" title="Bron: ,">.</ins> Gansch Kanaän is heilig land. In dit +geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het +straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor +'t oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters +van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie +Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat +heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.</p> + +<p>Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met +ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van +heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God +geroepen, door God uitverkoren.</p> + +<p><i>En.... Josua deed alzoo.</i> Daarmede besluit het verhaal, even sober als +schoon. En daarmede <i>kan</i> het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd, +is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend. +Het <span class="pagenum" title="71"> </span><a id="p_71"></a>kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't +verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het +Woord Gods nog altijd voor ons.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p><i>Nú ben ik gekomen.</i> Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche +verschijning een Josua tegen.</p> + +<p><i>Nú.</i> Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het +onze, van die „nú's”. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken, +die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met +zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: <i>Nú ben ik gekomen.</i> Nú komt +het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.</p> + +<p>We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die +ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten +komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons +moeten inleven. Daar is zulk een „nú”. <i>Nu ben ik gekomen.</i></p> + +<p>Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar +oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven +geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven +lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken +druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten +wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven +een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan +onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en +stormen daarbinnen! Wij durven de oogen <span class="pagenum" title="72"> </span><a id="p_72"></a>nauwelijks opslaan en vóór ons +uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een „nú”. <i>Nú ben ik +gekomen.</i></p> + +<p>En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,—neen, dan wordt het +er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich +onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en +zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij +Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt. +Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op +wijst,—wij weten het niet.</p> + +<p>Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons +toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons +bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo +verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er +geen weg en geen licht in. Hoe <i>dit</i> moet, en hoe <i>dat</i> zal. Wat <i>hier</i> +te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: <i>Zijt gij +van ons of van onze vijanden?</i> Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal +het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich +tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning +of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?</p> + +<p>Ja, vraag maar, vraag maar,—'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw +vragen geen antwoord.</p> + +<p>Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan +gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen +antwoord te zijn. Eén, dat begint met „neen” tot u te zeggen. Neen, uw +vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.</p> + +<p><span class="pagenum" title="73"> </span><a id="p_73"></a></p> + +<p>Gij ziet louter „menschelijke” gebeurtenissen, louter „menschelijke” +machten, „menschelijke” verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo +is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die +menschen te doen. Met God.</p> + +<p>In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en +treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo +aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u +gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt, +en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem +'t eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in +de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de +Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te +vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo +vriendelijk toeroept: <i>Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en +belast zijt, en Ik zal u rust geven.</i> Neen, maar God als een gewapend +man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt +dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons +vervult. En toch is het God.</p> + +<p>En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij +later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God, +zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en +de Onbegrijpelijke tot ons komt, als „God” willen aanvaarden. 't Ook +dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.</p> + +<p>Wij kunnen „neen” zeggen. 't Met duizenden en nog <span class="pagenum" title="74"> </span><a id="p_74"></a>eens duizenden +zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij, +in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen, +waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil +het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem +het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij +niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle +hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader. +Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan +moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons +tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: <i>Zoo God vóór +ons is, wie zal tégen ons zijn?</i> Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo +God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur +en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit +ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan +moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons +zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen. +Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met +een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't +bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 536px;"> + <span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_74a"></a> + <span class="pagenum" title="-"><br /> </span><a id="p_74b"></a> + <img src="images/ill_p074a.jpg" width="536" height="720" alt="" title="" /> +</div> + +<p>Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua +zien doen, <i>neêrvallen en aanbidden</i>. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen +Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele, +dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God +eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het +op zich zelf meest dreigende <span class="pagenum" title="75"> </span><a id="p_75"></a>en raadselachtige, zooals Hij 't daar +vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets +anders: <i>Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?</i> Niet: Wàt zal het zijn, +dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis? +Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen? +Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te +doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en +om ons te weten.</p> + +<p>Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons +beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen +verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende, +het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij +leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij +strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik +nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste +donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: <i>Vrees niet want Ik +heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. +En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult +gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren. +Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God +liefhebben, werken alle dingen mede ten goede.</i></p> + +<p>Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel +droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al +wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt, +het éene graf na het <span class="pagenum" title="76"> </span><a id="p_76"></a>gedolven. Graven in letterlijken, graven in +figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en +nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij +ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: <i>Heb maar geen +angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid +zien zult?</i></p> + +<p>En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods +heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op +wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.</p> + +<p>Alles wordt anders. 't Gansche leven „heilig land.” Overal heilig de +bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn +samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór +ons;—'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert; +iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te +zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten. +'t Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons +tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't +allermoeilijkste heenhelpt.</p> + +<p><i>Alles is het uwe.</i> Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles, +'t leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles, +de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de +dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en +wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn +alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben +te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. <i>Doch +gij</i>, zoo vervolgt <span class="pagenum" title="77"> </span><a id="p_77"></a>de Apostel, <i>zijt van Christus, en Christus is van +God</i>. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet +meer toebehooren. Gij dient.</p> + +<p>Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te +wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige +taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk +van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.</p> + +<p>Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór +ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons +zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij +licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar +wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij +gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.</p> + +<p>Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="IETS_OVER_HET_LEZEN_DER_EVANGELIEN"></a>IETS OVER HET LEZEN DER EVANGELIËN</h2> + +<p>Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een +groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der +Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de +menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven, +niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men +nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus +tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen, +dat <span class="pagenum" title="78"> </span><a id="p_78"></a>Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen, +voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het +oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade +tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem +niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem +onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen, +dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij +ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus +geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen +wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat +Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen +eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij +gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus +stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons +alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden +van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën. +Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om +aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te +ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde +tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat +Hij ons gebiedt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="79"> </span><a id="p_79"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="ROEPING"></a>ROEPING.</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/t.png" class="cap" alt="T" width="83" height="95" /> + + <p class="cap_1">Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al + heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij + wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien, + als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen + zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet + anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al + gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: „ik moet dokter worden!” De + toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een + toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er + ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van + plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel + duidelijk voor zich ziet liggen.</p> +</div> + +<p>Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden, +dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij +eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij +er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan +studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje +pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit +'n vijf-en-twintig <span class="pagenum" title="80"> </span><a id="p_80"></a>ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd +iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te +mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken.</p> + +<p>Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over +gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel +veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op.</p> + +<p>Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar +gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als +zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken.</p> + +<p>Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak +hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van +den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de +wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest +reëele wereld, die zich denken laat.</p> + +<p>Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief +hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was, +dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen +genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde +er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan, +dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet +van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school +en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al +klaar zag.</p> + +<p>Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit. +Hij wist zelf niet waarom, maar met <span class="pagenum" title="81"> </span><a id="p_81"></a>zijn vader sprak hij er nooit over. +En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over +sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen, +waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht. +Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel +wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn +vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een +vanzelfsheid.</p> + +<p>Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op +hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel +eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot +baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En +'t was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had „'n +neus” voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,—echte +revolutiebouw!—had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op +had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes +làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien +had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken +vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de +huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de +hand doen.</p> + +<p>Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen +of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem +interesseerde, dan wat op het „vak” betrekking had. Vooral de +advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen „deden”, die +in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke +<span class="pagenum" title="82"> </span><a id="p_82"></a>lang leeg stonden, welke eigenaars er mee „zaten”, en dan lachte hij +genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen +flinkheid en boffen.</p> + +<p>Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij +hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper +hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren. +Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een „eigen” voor +hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang +der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van +Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich +zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de +zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden, +hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die +vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al +heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden. +Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger +werd.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>„Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?” vroeg hij op een avond +aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat.</p> + +<p>Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke +dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk.</p> + +<p>„Het toelatings-examen is begin Juli,” zei hij vervolgens.</p> + +<p>„Welk toelatings-examen?”</p> + +<p>„Voor het gymnasium.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="83"> </span><a id="p_83"></a></p> + +<p>„Wat moet jij op het gymnasium?”</p> + +<p>Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in +zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren +spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd: +jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn +vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat.</p> + +<p>„Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?” vroeg Van Kempen nog eens aan +Henk, die hem niet-begrijpend aanzag.</p> + +<p>„U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n +omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.”</p> + +<p>„Wat klets jij toch van studie, jongen?” barstte Van Kempen uit. „Ik +begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te +worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt. +Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren. +Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me +niet op!”</p> + +<p>Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij +figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar +al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog +een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij—of hij voelde 't eigenlijk +niet—dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk +op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende +hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een +heele vies-vochtige vlakte werd.</p> + +<p>Hij zei niets meer.</p> + +<p><span class="pagenum" title="84"> </span><a id="p_84"></a></p> + +<p>Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van +dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet, +dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan +te grijpen.</p> + +<p>Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en +zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de +zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat.</p> + +<p>Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte +hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.</p> + +<p>Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam +kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte +alleen, en stapte toen in bed.</p> + +<p>Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de +dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed +uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je +woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn +kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog +gedurig.</p> + +<p>Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar +hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar +was 't weer, dat nare van gisteravond: „Je komt in 't vak, in 't vak, +versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!” Die woorden +waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook +weer dadelijk bij hem op.</p> + +<p>Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen <span class="pagenum" title="85"> </span><a id="p_85"></a>even dicht en +toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij +vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn +dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat +nu mogelijk, zijn eigen vader?</p> + +<p>Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader +over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te +beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd +zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af!</p> + +<p>En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige +was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel +gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden, +dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen, +dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders +boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed, +dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't +misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op +zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei, +die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren +voor zijn geld gekozen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens, +die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het +Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven. +Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders.</p> + +<p>Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den <span class="pagenum" title="86"> </span><a id="p_86"></a>laatsten tijd net +voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over +zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang +was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn +vader had er geen woord meer over gerept.</p> + +<p>Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij +niet hoe hij 't zou aanleggen.</p> + +<p>Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en +naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij +zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en +begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven.</p> + +<p>'s Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij +'t zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen +tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd +hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem +was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't +denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar +zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als +'t nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij +tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast +niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest.</p> + +<p>Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan +zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe.</p> + +<p>Stotterend kwam 't er uit: „Vader hebt u er al eens over gedacht?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="87"> </span><a id="p_87"></a></p> + +<p>„Waarover?”</p> + +<p>„Over dat examen.”</p> + +<p>„Daar komt niets van.”</p> + +<p>„Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich +nu moesten aangeven.”</p> + +<p>„En wat wou je dan?”</p> + +<p>„U vragen of u me nu wil aangeven.”</p> + +<p>„'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen +in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel +beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,” vroeg Van Kempen met een +zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, „heb-je wel 'ns gekeken +hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze +halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien +bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees +wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r +wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je +vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen +gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als +je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd, +was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft +je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer +worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier +te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't +toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school +af, en kom je in de werkplaats.”</p> + +<hr class="hrdot" /> + +<p><span class="pagenum" title="88"> </span><a id="p_88"></a></p> + +<p>Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem +beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld, +hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar +omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog +en rein zweefde het daar boven hem. Maar—evenals die keer, maar nu veel +erger—dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó +grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij +elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar +in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging! +'t Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge +heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets +meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij +zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met +haar kind zei ze: „Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!” +En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in +tranen.</p> + +<p>Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken. +Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon +hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten, +dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er +achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht. +Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed +hoofd om te leeren. „U zult eens zien, meneer Van Kempen,” eindigde hij +zijn pleidooi, „er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal +misschien van al mijn <span class="pagenum" title="89"> </span><a id="p_89"></a>leerlingen het beste toelatings-examen doen, u +zult eer met hem inleggen.”</p> + +<p>Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen +en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. „Neen, +meneer,” zei hij, „daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk +gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij”—en toen de heer Jansen +er iets tegen inbracht over aanleg en roeping—„ach, met uw verlof, dat +vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan +ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n +vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in +hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de +werkplaats.”</p> + +<p>De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid.</p> + +<p>Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers +slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de +timmermanswerkplaats.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als +iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den +indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking +met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't +niet spoedig te boven.</p> + +<p>Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn +teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich +al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest +hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem +<span class="pagenum" title="90"> </span><a id="p_90"></a>over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,—o neen!—maar dat nu +op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor +zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger +geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest, +een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij +eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde, +als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde.</p> + +<p>Dikwijls droomde hij er van. Eens zag hij zichzelf in zijn droom aan +den oever van een sloot staan en aan den overkant van die sloot lagen +allerlei ongelukkige menschen. Er waren er met afzichtelijke wonden aan +het hoofd en met verminkte ledematen, die zij klagend omhoog staken. Een +was erbij, die gilde van pijn, en wiens gelaat stuipachtig verwrongen +was. En in de verte liepen blinden, die tastend voetje voor voetje +voortgingen en naar hem toekwamen. Ze riepen allen met smeekende stem of +hij ze wilde komen helpen, en dat hij de eenige was, die dat doen kon, +maar toen hij zich gereed maakte om de sloot over te springen, werd die +sloot op eens veel breeder en al breeder, zoo wijd haast als een zee. In +de verte zag hij al die ongelukkigen verdwijnen. Wanhopig staken zij de +handen of de stompen van ledematen naar hem uit, maar hun droevig +schreeuwen stierf eindelijk geheel weg.</p> + +<p>Toen Henk dien droom eens gehad had, kwam die telkens weer. En gedurig +dezelfde droom, zoodat hij ten slotte al wist, wat er komen moest. +Daarna werd hij soms huilend wakker. Als hij dan 's morgens aan zijn +werk moest, ging 't nog veel moeilijker dan anders. <span class="pagenum" title="91"> </span><a id="p_91"></a>Gedurig zag hij nog +die vreeselijke figuren uit zijn droom en hij had dan een gevoel van +zelfverwijt, alsof 't eigenlijk zijn schuld was, dat al die ongelukkigen +zonder hulp bleven.</p> + +<p>Op een Zondagmiddag nam zijn vader hem mee naar het ziekenhuis. Een +jongere broer van Van Kempen lag daar in een der groote zalen. Hij was +sigarenmaker, had 't niet zoo ver weten te brengen als zijn broer. +Sinds eenige maanden had hij het werk moeten opgeven. Rust nemen, +had de dokter gezegd; dan wordt 't misschien nog beter. En hoewel de +omstandigheden dat niet toelieten, had hij wel moeten gehoorzamen. Maar +het borst-lijden was toegenomen, en de dokter had opneming in het +ziekenhuis gelast.</p> + +<p>Toen Henk daar zoo bij dien armen uitgeteerden man stond, voelde hij een +groot medelijden in zich opkomen. En daar links en rechts, en aan de +overzijde der zaal, waàr hij ook heenzag, waren ook ledikanten met oude +en jonge patiënten, kinderen dikwijls nog, jonger dan Henk zelf. Hij had +wel één voor één al die zieken een hand willen geven en met hen spreken +en ze troosten en beter maken. Plots schoot hem zijn droom te binnen, en +tranen kwamen in zijn oogen, toen hij bedacht, dat die mogelijkheid nu +zoo ver van hem verwijderd was.</p> + +<p>Toen ze even het ziekenhuis uit waren, vroeg Van Kempen hem opeens: +„zou je nu nog dokter willen worden, als je al die ellende van dichtbij +ziet?” Hij had er nooit meer met Henk over gesproken, maar nu had hij +hem eigenlijk met opzet meegenomen, om hem nog beter te laten gevoelen +hoe wijs zijn vader er toch aan gedaan had zóó voor hem te kiezen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="92"> </span><a id="p_92"></a></p> + +<p>Met verwondering hoorde hij Henk antwoorden: „Heerlijk om al die +menschen te kunnen helpen!”</p> + +<p>„Malle jongen!” was 't eenige, wat hij nog zei, en zwijgend gingen zij +verder den weg naar huis.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Toen 't zoo een jaar geduurd had, kòn Henk niet meer. Van Kempen had +'t eerst niet willen zien. Als de familie-leden, naar wie hij nog eer +luisterde dan naar zijn vrouw, hem opmerkzaam maakten op Henk's +matbleeke, ingevallen gezicht, lachte hij er om.</p> + +<p>Maar toen Henk op zekeren morgen een flauwte kreeg en naar bed gebracht +moest worden, begreep hij toch wel, dat 't ernst was.</p> + +<p>De dokter, die erbij geroepen werd, en Henk onderzocht, was niet zoo +spoedig met zijn oordeel gereed.</p> + +<p>„Tobt die jongen ergens over?” vraagde hij eindelijk. Hij vraagde 't aan +Van Kempen, toen zij naar beneden waren gegaan, terwijl Henks moeder nog +bij hem boven gebleven was.</p> + +<p>„Waar zou hij over tobben?” trachtte van Kempen onverschillig te +antwoorden.</p> + +<p>„Zoo iets moet 't toch zijn”, zei de dokter weer, „want een bepaald +gebrek of aanleg voor een kwaal heb ik niet bij hem ontdekt. Kunt u zelf +niet nagaan, wat hem scheelt?”</p> + +<p>„Och, wat zou 't zijn? de jongen heeft al wat-ie hebben kan.”</p> + +<p>„Vreemd toch,” prevelde de dokter.<ins class="corr" id="corr27" title="Bron: ”"></ins> „Hij geeft er mij +heelemaal den indruk van. Enfin, u moet hem trouw laten innemen en maar +in bed laten blijven. Over 'n paar dagen kom ik nog eens terug.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="93"> </span><a id="p_93"></a></p> + +<p>Toen de dokter terugkwam, vraagde hij of hij eens een poos met den +patiënt alleen mocht zijn. Hij wilde hem een en ander vragen. En een +kwartier daarna wist hij al opperbest, wat er aan mankeerde. „U moet uw +<ins class="corr" id="corr28" title="Bron: jong n">jongen</ins> zijn zin geven<ins class="corr" id="corr29" title="Niet in Bron.">,</ins>” zei hij tot Van Kempen, „anders gaat hij +kwijnen en dan kon u hem weleens verliezen. Ik sta voor niets in, als er +geen verandering komt.”</p> + +<p>Een half jaar later was Henk op het gymnasium. Van Kempen had moeten +berusten in het onvermijdelijke.</p> + +<p>„Maar”, zei hij, den dag, dat hij zijn toestemming gegeven had, „jij met +je geloof en je meelijden met de arme menschheid, jij helpt je zelf naar +de maan; later zal 't je nog eens berouwen, dat je niet naar je vaders +woorden geluisterd hebt; denk daar maar eens om!”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Zestien jaren zijn verloopen.</p> + +<p>Henk heeft zich na een schitterende promotie gevestigd in den Haag, en +verheugt zich in een toenemende chirurgische praktijk. Zijn +<ins class="corr" id="corr30" title="Bron: patienten">patiënten</ins> roemen hem zeer, en menige hartelijke handdruk +bij zijn vertrek bewijst, dat hij hun harten gewonnen heeft.</p> + +<p>Er is in dezen dokter iets bijzonders, dat de menschen nog bijna nooit +in een anderen hebben gevonden. Iets in zijn stem, in zijn blik neemt ze +dadelijk voor hem in. De meesten onder hen kunnen zich niet verklaren +wat 't is. Maar sommigen weten 't wèl; zij voelen 't bij intuïtie: deze +man gelooft! En al heeft hij 't hun niet gezegd, zij weten, dat Dr. Van +Kempen zijn patiënten maar niet aanziet als een soort van voorwerpen, +waarop hij proeven neemt, maar dat ieder van hen voor hem een schepsel +Gods is, wonende in een brozen tabernakel, tot <span class="pagenum" title="94"> </span><a id="p_94"></a>welks onderhoud en +genezing God hem heeft geroepen. En als de dag, de dikwijls zoo zware +dag, ten einde loopt, buigt hij de knieën voor zijn God en gedenkt al +zijn zieken hoofd voor hoofd in den gebede. En 't zijn nog andere, dan +alleen hun lichamelijke ellenden, die hij dan voor God brengt en waarvan +hij den hemelschen Vader smeekt hen te verlossen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Er wacht hem nog een zware beproeving. De oude van Kempen had al +geruimen tijd gesukkeld. Lang had hij zich op de been gehouden en +gemelijk geantwoord, als men hem aanraadde naar bed te gaan en medische +hulp in te roepen.</p> + +<p>Maar eindelijk was 't hem te machtig geworden. Daar ligt hij nu neder, +met pijnlijk verwrongen gelaat, de anders zoo forsche en zeker toch +energieke man.</p> + +<p>Hij heeft 't zoo lang mogelijk tegengehouden en er niets van willen +weten, dat Henk hem onderzoeken zou, maar den laatsten tijd zijn de +pijnen hand over hand toegenomen en ten slotte ondragelijk geworden.</p> + +<p>Nu moet er operatief ingegrepen worden. „En 't zal er op of onder zijn”, +zegt met bedenkelijk gelaat de collega, met wien Dr. Van Kempen consult +houdt, omdat hij alleen de verantwoording niet wil dragen. +„Blindedarmoperaties, je weet er alles van! Vooruit kunnen we nooit iets +zeggen. 't Is een naar geval voor je, waar 't je eigen vader betreft. En +als je er erg tegen opziet, wil ik 't wel van je overnemen. Bedenk je +maar eens en telefoneer me maar, als je me noodig hebt”.</p> + +<p>Dat wordt een gebedsstrijd voor den nu meer dan ooit, zwaar beproefden +zoon. Maar in dien strijd maakt God <span class="pagenum" title="95"> </span><a id="p_95"></a>'t hem duidelijk, dat hij in Zijn +kracht de zware taak mag aanvaarden.</p> + +<p>Vier en twintig uren later is alles voorbij en mag men hopen, dat de +patiënt behouden is. En op zijn knieën dankt Van Kempen den God van alle +genade, die zijn hand leidde en bestuurde, zoodat hij zonder beven zijn +werk kon verrichten.</p> + +<p>Als na een paar dagen de zieke weer spreken mag, staan zijn vrouw en +zijn zoon bij zijn bed.</p> + +<p>„Is 't goed?” is zijn eerste vraag, en als zij beiden zich haasten van +ja te knikken, en hij weder vraagt: „wie heeft 't gedaan?” wijst met +stillen trots de dankbare moeder naar haar zoo geliefd kind.</p> + +<p>Een traan blinkt in het oog van den grijsaard.</p> + +<p>Of dat hart ook gebroken was?</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="HOE_GOD_ARBEIDT"></a>HOE GOD ARBEIDT</h2> + +<p>In 1 Kon. VI: 7 lezen wij, dat de tempel van Salomo gebouwd werd met +volmaakten steen, zoodat geen hameren, noch bijl, of eenig ijzeren +gereedschap gehoord werd in het huis als het gebouwd werd.</p> + +<p>Zooals de tempel van Salomo werd gebouwd, zoo wordt nog het huis Gods +in deze wereld gebouwd. Onhoorbaar in een geruischlooze stilte rijst +het omhoog. Het huis Gods wordt gebouwd, zooals een boom groeit. Men +bespeurt niet, dat de boom groeit. Zoo bemerkt men niet, dat God zijn +tempel bouwt. En toch het geschiedt. Zooals de vruchten rijpen in den +nacht, zoo rijpt Gods werk in de stilte.</p> + +<p><span class="pagenum" title="96"> </span><a id="p_96"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="UITVERKOREN"></a>UITVERKOREN</h2> + +<p class="right size67">Johannes 15</p> + +<div class="drop"> + <img src="images/m.png" class="cap" alt="M" width="135" height="105" style="margin-top: -1em;" /> + + <p class="cap_1">Misschien bevreemdt het over dit „gevaarlijke” woord een en + ander in dit boek te lezen.</p> +</div> + +<p>Voor velen is dit woord verdoemd. Zij haten het leerstuk der +uitverkiezing met een bitteren haat. Anderen is het woord „uitverkoren” +buitengewoon dierbaar. Het bevat al hun geestelijk bezit. Het verklaart +het wel en wee des levens; het geeft de oplossing van het raadsel der +onverschilligheid voor eeuwige dingen, die zoo menig leven ontsiert.</p> + +<p>Toch geloof ik dat wij veel te weinig hebben nagedacht over wat van ouds +het „<span xml:lang="la">cor ecclesiae</span>”, het hart der kerk, is genoemd, en in den Bijbel +zeer dikwijls wordt besproken. Vooral de jonge lidmaten, voor wie deze +regelen in hoofdzaak zijn bestemd, moeten een gevestigde overtuiging op +dit punt verwerven, opdat zij niet stroomloos, in dezen, op godsdienstig +gebied, zoo verwarden tijd, leven.</p> + +<p>Een duidelijker verklaring van de uitverkiezing dan door den Heiland +in Johannes 15 gegeven wordt, vind ik nergens in de Schrift. Reeds de +opklimming in dit hoofdstuk is zoo schoon. Eerst spreekt de Heer van +ranken, dan van discipelen, vs. 8, vervolgens van vrienden, vs. 14, en +eindelijk van uitverkoornen, vs. 16. De Heer begint niet met de +uitverkiezing, maar eindigt er mee.</p> + +<p><span class="pagenum" title="97"> </span><a id="p_97"></a></p> + +<p>Een tweede gedachte, die in Johannes 15 sterk naar voren treedt is het +verband dat tusschen Christus en de uitverkiezing bestaat. Wij zijn +uitverkoren met Christus, <i>in</i> Christus en <i>voor</i> Christus. Dit is het +troostrijke en het voor allen aannemelijke in de leer der uitverkiezing, +en over deze gedachte zeg ik nu enkele opmerkingen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Ik ben de ware wijnstok, zoo begint de Heer. Indien deze woorden in de +opperzaal te Jeruzalem gesproken zijn, is de Heiland wellicht tot deze +gedachte gekomen door het zien van den wijn, die bij den Joodschen +Paaschmaaltijd gedronken werd, of door het gezicht op een wijnstok, +welks takken tot in de feestzaal doordrongen. Misschien heeft Hij aan +den wijnstok gedacht, die een der tempelpoorten versierde.</p> + +<p>Is de Heer reeds op weg naar Gethsemané geweest, dan heeft Hij +waarschijnlijk een wijngaard gezien, en stilstaande zegt Hij de zoo +bekende woorden tot z'n discipelen. Hij is de ware wijnstok. Zijne +vruchten zijn goed tot spijze en tot verheuging van het hart. De +vruchten van den wilden wijnstok door Eliza's leerlingen verzameld, +brachten den dood in de pot. (2 Kon. 4). De wijnstok in Habakuk's dagen +was onvruchtbaar (Hab. 3: 17), maar Christus is de ware wijnstok. Hij +stelt niemand teleur.</p> + +<p>Wie onzer zou in dezen zwakken boom het beeld van den Heiland zien? Wij +zouden Hem veel beter kunnen vergelijken bij den eik, die met zijn +machtigen kruin en frissche takken van heerlijkheid getuigt. Maar deze +woudreus geeft slechts varkensvoedsel, gelijk iemand heeft opgemerkt; +de onaanzienlijke wijnstok geeft de kostelijke druif en de verkwikkende +drank, zijn bloed is beeld van <span class="pagenum" title="98"> </span><a id="p_98"></a>het bloed dat de zonde der wereld +wegneemt. Met zulk een eenvoudigen boom vergelijkt Hij, die geen +gedaante of heerlijkheid had, Zijn leven en werk.</p> + +<p>Gelijk elke vruchtdragende wijnstok heeft ook de ware zijn eigenaar. +Mijn Vader, zegt Jezus, is de landman. Hij heeft Christus in dezen +wereldakker geplant. Hij bezit Hem, en draagt voor Hem zorg.</p> + +<p><i>Hier begint de uitverkiezing.</i> Christus is door den Vader uitverkoren +om de zonde der wereld weg te dragen voor Gods aangezicht. Christus is +een planting, een gave Gods. Eer de wereld uitverkoren was om den waren +wijnstok tot voedselbodem te dienen, was Christus uitverkoren. Hij is +dan ook de eenige, die in de Schrift met name als een uitverkorene Gods, +van voor de grondlegging der wereld, wordt genoemd. Alle anderen die in +het Nieuwe Testament uitverkoornen heeten, Paulus en „de heiligen en +beminden” te Rome of Corinthe, allen zijn uitverkoren met den Heer. +Zonder Hem zijn zij niets. Zij zijn maar ranken, Hij is de wijnstok. In +Hem ligt al hun kracht.</p> + +<p>Ik geloof, dat gij in de uitverkiezing van Christus gelooft. Wie uwer +belijdt niet dat Christus Gods allerbeste gave is, en dat in Hem het +meest de heerlijkheid Gods is geopenbaard? Van al het werk Gods is de +Heiland het middelpunt.</p> + +<p>Ook dit zegt ons het beeld van den wijnstok. In Palestina werd aan +den wijnbouw veel zorg besteed. Op de helling van vruchtbare heuvelen +werd de wijngaard aangelegd. Een muur werd om hem gebouwd. Een toren +diende den wachters tot uitkijkplaats. Persbakken werden gemetseld of +uitgehouwen in de rots. Dit alles geschiedde ter wille van den wijnstok.</p> + +<p><span class="pagenum" title="99"> </span><a id="p_99"></a></p> + +<p>Hij was van al dezen arbeid het middelpunt.</p> + +<p>Nu heeft de hemelsche Vader een schoone wereld geschapen. Hij heeft haar +koninklijk versierd. Alles is gedaan wat aan dien wijngaard te doen was +en van al dien arbeid is de ware wijnstok, Christus, het middelpunt. Hij +is de uitverkorene Gods.</p> + +<p>Een wijnstok heeft ranken; zij openbaren het leven van den boom, zij +dragen zijn vruchten. Zonder den wijnstok zijn de ranken niets. Maar als +hij is uitverkoren zijn de ranken het ook. Van al de liefde die aan den +boom gegeven wordt, ontvangen de ranken hun deel. Zonder den wijnstok +zijn de ranken niets.</p> + +<p>Deze eenvoudige waarheid wordt dikwerf vergeten. Er is een christendom +zonder Christus. Het trekt vele kringen aan; het heeft de voorkeur van +velen, die in deze dagen wederom belijdenis afleggen van hun geloof. +Maar zonder Christus zijn wij niets. In ieder mensch is een ledige +plaats op Hem berekend; in ieder hart woont een heimwee, dat Hij alleen +stillen kan. Hij is de wijnstok en de menschen zijn Zijne ranken. +Slechts met Hem verbonden is hun leven krachtig, en hun woord vol gezag. +Zoodra wij ons losmaken van de persoonlijkheid van Christus, verbreken +wij de gedachte der uitverkiezing. Dan zijn wij geen ranken van den +wijnstok meer, dus geen voorwerpen van 's Vaders zorg, geen eigendom van +den hemelschen Landman. Dan zijn wij slechts dorre takken voor het vuur +bestemd.</p> + +<p><i>Met</i> Christus zijn wij uitverkoren. Met Hem vereenigd waakt des Vaders +oog over ons en bearbeidt ons des Vaders hand.</p> + +<p>Gelooft gij deze uitverkiezing niet? Wilt gij u van Christus <span class="pagenum" title="100"> </span><a id="p_100"></a>straks +scheiden om eigen wegen te gaan? Of klinkt het nog heel duidelijk in u: +„Neen Heer, ik wil van U niet scheiden.” Erkent gij dat Hij woorden en +krachten des eeuwigen levens heeft? Voelt gij dat Hij de weg en de +waarheid is? Belijdt gij: zonder Hem vermag ik niets, met Hem kan ik +alles doen?</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Niet alleen <i>met</i> Christus zijn wij uitverkoren, <i>in</i> Hem ook. Waartoe +is een rank bestemd? Tot vruchtdragen zegt de Heer. De ranken moeten dus +geleiders zijn van de levenssappen van den wijnstok. Dat is niet van +alle ranken waar. Er zijn levende en doode ranken. Er zijn ranken, die +volkomen onvruchtbaar zijn.</p> + +<p>Van den waren wijnstok geldt dit evenzeer. Deze wijnstok doet zien, dat +er tweeërlei ranken gevonden worden. In den discipelkring treft men +Petrus en Judas aan, een levende en een doode rank. In Jeruzalem leven +Stefanus en Ananias, tweeërlei rank. In de kerk openbaren Luther en de +Paus hun tegenwoordigheid, en van alle menschen is het waar: gij zijt +een levende of een doode rank. Want allen zonder onderscheid zijn ranken +van den wijnstok, door den Vader in deze wereld geplant. 't Is maar de +vraag of wij levende of doode ranken zijn.</p> + +<p>Het beeld van den wijnstok is m.i. zulk een heerlijk beeld, omdat zoo +duidelijk gezegd wordt wie ranken zijn.</p> + +<p>Tot op dit oogenblik toe kan niemand den wijnstok inenten; alle ranken +behooren van nature hem toe. Zoo kan ook niemand op later leeftijd in +Christus worden ingeplant. Allen behooren Hem van nature toe. Wij kunnen +uitvallen, wij ”kunnen verdorren, maar wij behooren allen Christus toe, +zooals elke rank van nature <span class="pagenum" title="101"> </span><a id="p_101"></a>tot den wijnstok behoort. Ranken zijn we, +maar zijn wij levend of dood?</p> + +<p>Dat is een ernstige zaak, want er is een groot onderscheid tusschen +een levende en een doode rank! Een levende rank draagt veel vrucht, +een doode rank is voor het vuur. De dorre rank wordt afgesneden.</p> + +<p>Weet gij wat dat zeggen wil? Dit is aangewezen te zijn op zichzelf. In +den storm alleen, in de verleiding alleen. Geen toekomst bij de poorten +des doods. IJdel ons werk. Verduisterd onze horizont. Afgesneden voor +goed.</p> + +<p>Weet gij wat dat zeggen wil? Geen vergeving der zonden, geen openbaring +der liefde, die alle dingen verdraagt. Geen oor geopend om naar het +klagen van 't menschenhart te hooren. Geen hart met medelijden vervuld. +Omringd van zonde en zelfzucht, pijnlijk gekwetst door de Kaïnsvraag +„ben ik mijns broeders hoeder”. Dit alles wil zeggen afgesneden van den +waren wijnstok te zijn.</p> + +<p>Hoevelen zijn in Christus' dagen doode ranken geweest! Zijn woord boeide +hen misschien. Zij beleden en volgden Hem, maar op een afstand en tot +op zekere hoogte. Zij voelden zich niet met Hem een en niet in Hem +uitverkoren. Ten slotte gingen zij toch hun eigen weg.</p> + +<p>Nog altijd zijn er velen, die Christus oppervlakkig volgen, en snellijk +van Hem verwijderd worden. Alleen de levende ranken zijn zij, die in Hem +blijven. Zij leven Zijn leven. Zij dragen Zijn vrucht. Ze weten zich +uitverkoren met Hem niet alleen, in Hem ook.</p> + +<p>Gelooft gij aan deze heerlijke waarheid der uitverkiezing niet? Ziet dan +maar rondom u en ge zult bemerken dat het leven telkens weer aantoont: +zonder Christus geen waarachtig christelijk geloof en leven, met +Christus alleen <span class="pagenum" title="102"> </span><a id="p_102"></a>een bedenken van de dingen die boven zijn. Onderzoekt u +zelven dan ernstig of gij levende dan wel doode ranken zijt.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Wij zijn eindelijk ook uitverkoren voor Christus. De ranken moeten den +roem van den wijnstok verhoogen. Daarom spreekt de Heiland eerst van +vrienden en dan van uitverkoornen. Vrienden toch kunnen en willen +zichzelven zóó verloochenen dat Christus eer ontvangt. Zij plaatsen Hem +op den voorgrond en treden zelf terug. Zij willen niets zijn, opdat Hij +alles worde in hun en anderer leven.</p> + +<p>Zietdaar het heerlijk doel der uitverkiezing. Weinig wordt dit begrepen. +Menigeen die een christen zich noemt, zoekt de eer van Christus niet te +verhoogen. Daar is veel christelijk tooneelspel en bedrog. Velen willen +niet van „uitverkiezing” weten, omdat zij dan zichzelf moeten verliezen. +En anderen willen alleen uitverkorenen zijn, omdat zij dan zichzelven +kunnen verheerlijken, maar geen van deze beide soorten van menschen +kunnen Christus' vrienden worden genoemd.</p> + +<p>De Schrift leert dat de uitverkiezing ten doel heeft Christus' beeld te +dragen, Christus' roem te verhoogen, Christus' liefde als den troost van +het leven aan anderen te brengen.</p> + +<p>In het veeltijds misbruikte woord Rom. 8: 29 en 30 lezen we duidelijk +het doel der uitverkiezing: „want, die Hij te voren gekend heeft, die +heeft Hij ook te voren verordineerd <i>den beelde Zijns Zoons gelijkvormig +te worden</i>”. Christus<ins class="corr" id="corr31" title="Bron: '"></ins> moet wassen. Wij moeten minder worden. Maar slechts +die Jezus' vrienden zich weten, willen Zijne uitverkoornen zijn. Zij +kussen de hand van <span class="pagenum" title="103"> </span><a id="p_103"></a>den hemelschen Hovenier als Hij op wonderlijke wijze +hun leven door middel van Zijn snoeimes reinigt, hen van levende ranken +tot discipelen vormt, tot vrienden heiligt en hun hunne uitverkiezing +<i>met</i> en <i>in en voor</i> Christus volkomen bewust maakt. Zij begrijpen dat +druiven hitte van noode hebben om anderen te kunnen verkwikken en +verbazen zich dus niet over de loutering van de smart, die in hun leven +wordt geopenbaard. Zij wachten en dulden. Immers niet in één oogenblik +heeft deze Vader in de hemelen zijn doel bereikt. Niet in één uur is ons +hart rein voor God. Maar het komt. Reeds is het woord der verlossing +gesproken. Straks zal de daad der verlossing volkomen zijn vervuld.</p> + +<p>Gelooft gij aan dit doel der uitverkiezing? Benaarstigt u dan uwe +roeping en verkiezing vast te maken. Hoe kunnen wij dat doen? Door te +blijven in den Heer. Van nature behooren wij bij Hem. Hij is de wijnstok +en wij zijn de ranken. Hij is de verlosser en wij zijn de verloornen. +Zoo laat ons dan in Hem blijven. Dan dragen wij vrucht. Dan worden wij +ons meer en meer bewust discipelen, vrienden, uitverkorenen te zijn.</p> + +<p>De onvruchtbare rank moet afgesneden worden<ins class="corr" id="corr32" title="Bron: ,">.</ins> Want de +voortreffelijkheid van den stam blijft verborgen als de rank geen vrucht +draagt.</p> + +<p>Slechts de levende rank is Christus waardig. Zij blijft in Hem en Hij is +haar leven en kracht.</p> + +<p>Laat ons dus in Christus blijven. Allereerst in Zijn woord.</p> + +<p>Het woord van Christus wone rijkelijk in ons. Het leere ons bidden en +danken, het leere ons spreken al wat liefelijk is en wel luidt. Dat +woord zij de toetssteen onzer <span class="pagenum" title="104"> </span><a id="p_104"></a>gedachten, de oordeeler onzer daden, de +bezieler van ons woord. Het zij de kracht van onze persoonlijkheid.</p> + +<p>Laat ons vervolgens blijven in de liefde. Toen ik nog in het bezit van +een grooten pastorietuin was heb ik veel van de bloemen geleerd. Ik +bemerkte dat de eene bloem de andere benadeelde en belemmerde in den +groei. Wat schoon had kunnen zijn op zichzelf, en een versiering van de +omgeving, werd nu tot schande en schade vaak. Zooals de eene bloem de +andere vergiftigt of ziek maakt is dikwerf ook de eene mensch een schade +voor een ander. Dat behoeft niet zoo te zijn. Gezegenden kunnen en +moeten ten zegen zijn. Blijft in de liefde. Strooit hare bloemen rondom +u. Brengt haar geuren in der armen hut en in het aanzienlijke huis. +Blijft één als lidmaten van Christus. Blijft vrienden van Jezus en +vrienden van Zijn vrienden. Toont de praktijk der uitverkiezing, in +woord en wandel, tot verheerlijking van uwen Heiland en Heer, tot +verhooging van uwe geestelijke kracht, tot beveiliging van wat rondom u +den Heer losgelaten heeft.</p> + +<p><span class="pagenum" title="105"> </span><a id="p_105"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="JEANNE_DARC"></a>JEANNE D'ARC</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/j.png" class="cap" alt="J" width="55" height="145" /> + + <p class="cap_1">Jeanne d'Arc—gij kent haar naam wel uit uwen schooltijd, gij hebt + misschien wel iets van haar leven gehoord, misschien wel eens met haar + gedweept.... Maar weet ge wel, dat zij u iets persoonlijks te zeggen heeft?</p> +</div> + +<p>Zij is eene heilige, die gij gerust zonder schade voor uw Protestantsche +geloof, als zoodanig liefhebben en eeren moogt.</p> + +<p>Haar leven bloeit op als eene schoone bloem uit een moeras. Het +Frankrijk van hare dagen, in de 15<sup>e</sup> eeuw, verkeert in een ellendigen +toestand. Inwendig wordt het land door tweedracht verscheurd. Wij geven +geen nauwkeurig overzicht van den staatkundigen toestand dier dagen. +Alleen dit: om de regeering van Frankrijk strijden twee partijen, aan +het hoofd der eene staat de hertog van Orleans, aan het hoofd der andere +de hertog van Bourgondië. Zij storen zich niet aan den eigenlijken +koning. Deze is Karel VII, zoolang zijn krankzinnige vader leeft, de +<span xml:lang="fr">dauphyn</span> genaamd. Karel VII is machteloos. Frankrijks vijand is Engeland, +dat reeds eeuwen lang beweerde rechten op Frankrijk heeft uitgeoefend. +Nu heeft zich de partij van Bourgondië verbonden met Engeland. Bij den +dood van den krankzinnigen koning komt deze toestand: het Noorden van +Frankrijk met Parijs, de bourgeoisie en <span class="pagenum" title="106"> </span><a id="p_106"></a>de Bourgondische adel erkennen +de Engelsche regeering; alleen het Zuiden houdt vast aan den wettigen +koning Karel VII en aan het recht van een eigen nationaliteit. Het is +een tijd van groote ellende. Zedelijk staat de bevolking, ook tengevolge +van de langdurige twisten, zeer laag. De kerk is bedorven, de priesters +zijn slechte leidslieden. Plundering en hongersnood zijn telkens +terugkeerende rampen.</p> + +<p>In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een +dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen +vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook +kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen. +Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den +Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in +eene andere wereld, de wereld van haar geloof.</p> + +<p>Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke +te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare +tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft +een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die +krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den +strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in +volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt.</p> + +<p>Als jong meisje heeft zij hare „stemmen”. Die spreken haar van eene +taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle +ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen. +En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van +<span class="pagenum" title="107"> </span><a id="p_107"></a>ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels +gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII +is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij +trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van +de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen +taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar +koning op den troon brengen.</p> + +<p>Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder.</p> + +<p>Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de +geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren +ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den +strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook +reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden. +In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een +wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard +rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen +belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint +deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De +Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd.</p> + +<p>Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het +te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII +te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal +Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in +krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard +en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden: +<span class="pagenum" title="108"> </span><a id="p_108"></a>Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij +strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor +Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij +voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria +heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de +zaak van het Koninkrijk Gods.</p> + +<p>In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne +d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts +enkele zinnen.</p> + +<p>Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich +mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij +verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar +op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel.</p> + +<p>Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk +heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt: +„het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van +Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven +de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere +wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc +onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te +voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam +overgeeft aan de leiding van God.</p> + +<p>Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere +dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een +gansch ongewoon talent, en <span class="pagenum" title="109"> </span><a id="p_109"></a>ondertusschen komen zoovelen om in het +alledaagsche van het leven! Vinet zeide: „<span xml:lang="fr">l'extraordinaire est le +caractère de la vie chrétienne</span>”. Jeanne zeide als kind, dat zij in het +luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder +leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne +ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op +hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt.</p> + +<p>Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne +d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave +Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan +op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de +eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt +voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en +in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van +groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot +daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn +<i>moet</i>, wat gebeuren <i>moet</i>, is de zaak van Christus. Dat is de +getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak!</p> + +<p>Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven! +Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven, +zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet +verstandig genoeg is—gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!—om +Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen.</p> + +<p>De Engelsche schrijver <span xml:lang="en">Chesterton</span> zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en +Nietzsche. Er behoort durf toe dit te <span class="pagenum" title="110"> </span><a id="p_110"></a>doen; mag een kind wel +binnenkomen in het gezelschap van zulke geweldige reuzen?</p> + +<p>In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze +eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die +voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon +is!</p> + +<p>Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in +ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen, +wij dweepen met het ongewone.</p> + +<p>Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne +d'Arc.</p> + +<p><span xml:lang="en">Chesterton</span> zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi, +aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden, +in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de +waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar +daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar +ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die +het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat +stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche, +en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw. +Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan +zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn +oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit +verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten, +dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien +bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer. +Nietzsche prees slechts den strijder; zij was <span class="pagenum" title="111"> </span><a id="p_111"></a>strijder. Zij overtrof +beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de +een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch +persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen.</p> + +<p>Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene +gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht +iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer +gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te +vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd.</p> + +<p>Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit +overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen!</p> + +<p>Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar +hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En +wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd, +het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de +Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze +strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel, +waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is +beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te +blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos +schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft!</p> + +<p><span class="pagenum" title="112"> </span><a id="p_112"></a></p> + +<h2><a id="MET_DE_HELDEN"></a>MET DE HELDEN</h2> + +<p>Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen, +welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige +verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben +gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. <span xml:lang="en">Chesterton</span> zegt +ergens, op zijne eigenaardige manier: „christelijke leer en christelijke +tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het +Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom +bewaard is.”</p> + +<p>De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is +de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten +slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde, +hare heerlijkheid.</p> + +<p>Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens +wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer op +een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de +heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het +genieten daarvan: de vreesachtigen.</p> + +<p>In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: „Vloekt Meroz, zegt +de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet +gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren <i>met de +helden</i>.” Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt +onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het +schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de +helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer +gezien de <span class="pagenum" title="113"> </span><a id="p_113"></a>schoonheid van het licht, zij zijn „als de zon, die opgaat in +hare kracht.”</p> + +<p>Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des +Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor +wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw, +misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest +„met de helden.”</p> + +<p>Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook +tegen velen onzer tijdgenooten.</p> + +<p>Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen +hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen, +die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene +heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich +verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij +ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun +cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de +rijke idealen willen vernielen.</p> + +<p>Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd +door hun kritiek!</p> + +<p>Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden! +Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder +leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij +beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen. +Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij +hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge +knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. „Toen ik jong was, had +ik ook dat <span class="pagenum" title="114"> </span><a id="p_114"></a>ideaal” zegt de oudere, „ook ik had roeping, ook ik stelde +mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht +maar... gij zult ook wel anders leeren...” Kan de oudere dit woord niet +inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden, +bidden dat de jongeren winnen?</p> + +<p>Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij +door gebrek aan lucht.</p> + +<p>Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De +rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn +mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante.</p> + +<p>Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn +ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet +thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft +u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij +deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt +vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door +een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt +worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd.</p> + +<p>En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet +dat God u „uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.”</p> + +<p>De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze +wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de +overwinning.</p> + +<p><span class="pagenum" title="115"> </span><a id="p_115"></a></p> + +<h2><a id="JOZEF"></a>JOZEF</h2> + +<div class="right size67" style="margin-left: 50%;"><p>Gen. 39: 9<i>b</i> „hoe zoude ik dit een zoo groot +kwaad doen, en zondigen tegen God?”</p></div> + +<p>De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad—misschien +hebben wij het nog—om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt +misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model; +zijne geschiedenis is het „succes-verhaal” op de Zondagschool. Maar is +hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden +der broers?</p> + +<p>Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor +Jozef.</p> + +<p>Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in +het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook +de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder +kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer +wij hem vroegen „waarom doet gij zoo?”: „weet gij niet, dat ik moet zijn +in de dingen mijns Vaders?” Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is +hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden, +blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is +een kind des Vaders, die in de hemelen is.</p> + +<p>Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal +wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan +hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen.</p> + +<p>Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige +jaar was „Jozef en Potifar's vrouw” de clou van de tooneelwereld. De +nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer +terug; de <span class="pagenum" title="116"> </span><a id="p_116"></a>muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en +Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de +sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt +den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en +bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens +onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken +porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven +vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers +rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij +komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook +ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der +menschen!</p> + +<p>Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der +hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke +dingen!</p> + +<p>Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft +een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd, +waarin de „afschuw” hoe langer zoo minder wordt. Het „kwaad” wordt +weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen +„kwaad” meer, maar „onvolmaaktheid”.</p> + +<p>Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een +zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de +winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar +toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen! +Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is +gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven +ging, bezat hij <span class="pagenum" title="117"> </span><a id="p_117"></a>nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn +oog ziet eene schoone toekomst, „begraaf mij in het beloofde land” zegt +hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods +belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet +gaan?</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Wat is het geheim van Jozef's leven?</p> + +<p>Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht +heeft op zijn leven.</p> + +<p>Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei +middelen om zich tegen de zonde te verdedigen.</p> + +<p>Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel; +toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend, +nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid.</p> + +<p>Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer +van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem +heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de +zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en +vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan?</p> + +<p>Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen +redeneeren. „De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man +geen bevrediging; er is geen echte liefde”.... Daar zinkt het vaandel, +en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in +onzen tijd.</p> + +<p>Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons +geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren.</p> + +<p>Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer <span class="pagenum" title="118"> </span><a id="p_118"></a>hij 't +uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: „al +wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.”</p> + +<p>Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde, +de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar +licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig +mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt +hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De +mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt +in de hand van hem, die daarop leunt.</p> + +<p>Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden +kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons +leven.</p> + +<p>„Ik herinner me nog”—schrijft eene moeder—„hoe mijn kleine jongen, +toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij +zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg: +„Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?” Ik weifelde een +oogenblik en zei toen: „ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog +zoo kort geleden bij God waart.” Toen zei het kind met een peinzende +uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond +kopje schudde: „neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw +weer naar God teruggaat.”</p> + +<p>Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid. +Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van, +en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van +ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, <span class="pagenum" title="119"> </span><a id="p_119"></a>vreeze Gods. +Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven! +Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van +hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is +iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de +beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn.</p> + +<p>Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin +gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die +wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom. +Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt +het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. „Zou ik +zondigen, en Gods liefde bedroeven?”</p> + +<p>Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn +leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste +aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de +zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook +voor ons.</p> + +<p>Maar wie de liefde Gods kent, „verkiest liever met het volk van God +kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te +hebben”. Want hij ziet „op de vergelding des loons”. Dat loon ligt niet +in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde +geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het +eenige, dat wezenlijk „goed” is.</p> + +<p>Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en +macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen +Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is +de grootheid van Jozef's leven.</p> + +<p><span class="pagenum" title="120"> </span><a id="p_120"></a></p> + +<h2><a id="SOMBERHEID"></a>SOMBERHEID</h2> + +<p>„Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?” +vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel.</p> + +<p>En zij staarden somber voor zich heen.</p> + +<p>Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien, +met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide +„Emmaüsgangers” alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun +oogen „werden gehouden”.</p> + +<p>Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw +voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich +met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren +hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de +Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn.</p> + +<p>Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de +toestand geteekend van zoo menig Christen?</p> + +<div class="figcenter" style="width: 535px;"> + <span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_120a"></a> + <img src="images/ill_p120a.jpg" width="535" height="720" alt="" title="" /> + <span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_120b"></a> +</div> + +<p>Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht. +Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid +mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt, +is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom +zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag +den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn +onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch +de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren <span class="pagenum" title="121"> </span><a id="p_121"></a>somber +voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en +murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn!</p> + +<p>Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof, +wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden.</p> + +<p class="i1">Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun +leven worden!</p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco1.png" width="540" height="14" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="MOED"></a>MOED</h2> + +<p>Wat in het dagelijksch leven moed en doodsverachting wordt genoemd, +verdient dien naam niet of nauwlijks.</p> + +<p>De krijgsman, die in het vuur gaat de kogels tegemoet, doet 't toch +vooral in een zekere opwinding, in een vergeten van zichzelf en al +het zijne, anders ging hij onmiddellijk terug. Zelfmoord, waartoe naar +het gewone zeggen, altijd een soort van moed behoort, komt toch, wèl +beschouwd, voort uit een niet-aandurven van het leven met zijn moeite en +zijn strijd.</p> + +<p>Moed behoort er toe, om, niet in ijdele zelfvergetelheid, maar in fiere +zelfbewustheid voor zijn overtuiging uit te komen. En om Jezus' naam +smaadheid te lijden, uitgelachen en bespot te worden en toch vol te +houden in woord en gedrag dien naam te belijden—dat is de hoogste, ja, +eigenlijk de eenige moed.</p> + +<p>„De langmoedige is beter dan de sterke,” zegt de spreukendichter; „en +die heerscht over zijn geest, dan die een stad inneemt.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="122"> </span><a id="p_122"></a></p> + +<div class="figcenter" style="width: 540px;"> + <img src="images/deco2.png" width="540" height="37" alt="decoratieve illustratie" /> +</div> + +<h2><a id="DANSEN"></a>DANSEN</h2> + +<div class="drop"> + <img src="images/e.png" class="cap" alt="E" width="82" height="90" /> + + <p class="cap_1">En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon + van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met + innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo + gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist + ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en + bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd + hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was.</p> +</div> + +<p>Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en +toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen, +had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen.</p> + +<p>Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders +naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit +te barsten.</p> + +<p>Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar +verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar +onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen +schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met +een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw v. +H. Zoo'n flirt! En wat <span class="pagenum" title="123"> </span><a id="p_123"></a>of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood +haar en zomersproeten!</p> + +<p>Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door +enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de +heele boel hem geweldig begon te vervelen.</p> + +<p>Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam.</p> + +<p>Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't +liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar +zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't +rijtuig.</p> + +<p>Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had +haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten +brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit +de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan +moest zijn vrouw alleen maar meegaan.</p> + +<p>Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel +den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa +en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te +steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam +staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag, +terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet——————————————</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we +hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een +ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja +zelfs maneschijn.</p> + +<p><span class="pagenum" title="124"> </span><a id="p_124"></a></p> + +<p>Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig +levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen +niet alledaagsch?</p> + +<p>Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering +van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de +ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande +wereld in te sturen!</p> + +<p>„Ik moet wel!” zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond, +dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand +verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of +andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten +uitgaan. „Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar +een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.”(!)</p> + +<p>Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven. +'t Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de +verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst +is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de +„dansacademies,” die in verscheidene groote steden van ons lieve +vaderland worden gevonden.</p> + +<p>Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en +psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van +lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een +levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van +beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie, +wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel, +vrees, <span class="pagenum" title="125"> </span><a id="p_125"></a>wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer +van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden +„uitgedragen.”</p> + +<p>Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen, +maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als +vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden +het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar +zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias' +dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht.</p> + +<p>Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op +dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen +ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking +hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig „dol” vinden en zich +heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden.</p> + +<p>Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op +de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd +als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van +meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een +droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid, +indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich +gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd?</p> + +<p>Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen +niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring +van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed +kan hebben? <span class="pagenum" title="126"> </span><a id="p_126"></a>Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste +vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart?</p> + +<p>Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht +zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan +de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan +ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge +menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben. +Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over alles, +wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der +uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat +zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't +dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: „dans +maar zooveel je wilt.” Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje +zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch, +natuurlijk! dan denk ik gedurig: „men moet toch ook al een principieele +brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!” En ik vind het ook geen +bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te +zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en +„patertje langs den kant” kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op +hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat +alles niet mogen ontwikkelen?</p> + +<p>Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der +uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en +oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn +eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den +eenvoud <span class="pagenum" title="127"> </span><a id="p_127"></a>lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste +stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop +met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij +ons den eenvoud afhandig maakt.</p> + +<p>De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der +kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel +kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er +heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet +gaven aan hun „dame”, met wie ze „soupeerden”! Is het niet meer dan +belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de +ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke +nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een +goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te +bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg +de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu +Christenouders daaraan mededoen?</p> + +<p>En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar +uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en +verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár +blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar +maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt +op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk +geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt +mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt +tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel <span class="pagenum" title="128"> </span><a id="p_128"></a>is +aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes, +omdat zij over al de middelen beschikken om „zoo'n onschuldig kind” +onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede +partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie +zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken?</p> + +<p>„Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige +dingen spreken”, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze +verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der +bal-conversatie was.</p> + +<p>Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij +eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer +wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld +te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de +balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij +zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil +„genieten”.</p> + +<p>„Maar dan is er zooveel „genot”, dat in strijd is met het Christendom!”</p> + +<p>Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal.</p> + +<p>„Dus mag ik niet naar een bal gaan?”</p> + +<p>Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen +uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf, +zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't +Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet +raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. <span class="pagenum" title="129"> </span><a id="p_129"></a>Nu moet echter +ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in +de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later +niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere +leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande +wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de +uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid +zich met beangstigende duidelijkheid openbaart.</p> + +<p>Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn +begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den +voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen? +Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt, +des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt +het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde +en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den +ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en +teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel +leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer +ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der +dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus +voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: „ach, hoeveel +zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis +hebben gevonden de redding hunner zielen!”</p> + +<p><span class="pagenum" title="130"> </span><a id="p_130"></a></p> + +<h2><a id="TOT_ZICH_ZELVEN_GEKOMEN_ZIJNDE"></a>TOT ZICH ZELVEN GEKOMEN ZIJNDE</h2> + +<p class="right size67">(Lukas 15: 17a)</p> + +<p>Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den +verloren zoon.</p> + +<p>Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had, +„het deel des goeds, dat hem toekwam,” had hij zich gevleid, dat hij +zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel +was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk +huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen +broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat +toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd +hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen +kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de +vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd +uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers, +toen hij „overdadiglijk leefde”; zichzelf, toen hij, tegen den komenden +nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er +zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet +schuwend, „zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om +de zwijnen te hoeden?” En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de +rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur +van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen, +veracht en beleedigd door die hem omringden.</p> + +<p>En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij, +naar de schatting van zijn meester, minder <span class="pagenum" title="131"> </span><a id="p_131"></a>waard was dan een zwijn, +toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den +geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld, +omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk +toescheen, bekoorlijk, betooverend.</p> + +<p>Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet +was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden +en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die +gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die +werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien +kommer, bij dien knagenden honger.</p> + +<p>Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader. +En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou +deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook +onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders, +die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn +volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf +worden.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te +worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord +voor een nog veel leelijker zaak.</p> + +<p>Maar wie „zich uitleeft” leeft buiten zichzelven.</p> + +<p>En verliest ten slotte zichzelven.</p> + +<p>En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om +ons uit onzen waan te wekken.</p> + +<p>Als dan die ellende nog maar uitwerkt, dat ook wij „komen tot onszelf.”</p> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 4</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 4</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 7</a></td><td class="td4">kuunen</td><td class="td4">kunnen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 7</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 15</a></td><td class="td4">bijge-geloof</td><td class="td4">bijgeloof</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 16</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 18</a></td><td class="td4">;?”</td><td class="td4">?</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 19</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 20</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 25</a></td><td class="td4">nêerhangende</td><td class="td4">neêrhangende</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 33</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 47</a></td><td class="td4">mêegaan</td><td class="td4">meêgaan</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 57</a></td><td class="td4">zie</td><td class="td4">ziet</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 57</a></td><td class="td4">=</td><td class="td4">:</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 70</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 92</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 93</a></td><td class="td4">jong n</td><td class="td4">jongen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 93</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 93</a></td><td class="td4">patienten</td><td class="td4">patiënten</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 102</a></td><td class="td4">'</td><td class="td4">[<i>Verwijderd</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 103</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Op de Levensreis, by Various + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP DE LEVENSREIS *** + +***** This file should be named 36381-h.htm or 36381-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/6/3/8/36381/ + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/36381-h/images/a.png b/36381-h/images/a.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3aab0a8 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/a.png diff --git a/36381-h/images/cover.jpg b/36381-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fb4f04f --- /dev/null +++ b/36381-h/images/cover.jpg diff --git a/36381-h/images/deco1.png b/36381-h/images/deco1.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a1c2d37 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/deco1.png diff --git a/36381-h/images/deco2.png b/36381-h/images/deco2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..266af33 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/deco2.png diff --git a/36381-h/images/e.png b/36381-h/images/e.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5a10c14 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/e.png diff --git a/36381-h/images/ill_fp.jpg b/36381-h/images/ill_fp.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..40bb902 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/ill_fp.jpg diff --git a/36381-h/images/ill_p074a.jpg b/36381-h/images/ill_p074a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fcb23a0 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/ill_p074a.jpg diff --git a/36381-h/images/ill_p120a.jpg b/36381-h/images/ill_p120a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d86aa97 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/ill_p120a.jpg diff --git a/36381-h/images/ill_tp.png b/36381-h/images/ill_tp.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0cf6316 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/ill_tp.png diff --git a/36381-h/images/ill_tpfig.png b/36381-h/images/ill_tpfig.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ff916b1 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/ill_tpfig.png diff --git a/36381-h/images/j.png b/36381-h/images/j.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d37f23a --- /dev/null +++ b/36381-h/images/j.png diff --git a/36381-h/images/m.png b/36381-h/images/m.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8149850 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/m.png diff --git a/36381-h/images/o.png b/36381-h/images/o.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e38144 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/o.png diff --git a/36381-h/images/t.png b/36381-h/images/t.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..09403fc --- /dev/null +++ b/36381-h/images/t.png diff --git a/36381-h/images/v.png b/36381-h/images/v.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e312737 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/v.png diff --git a/36381-h/images/w.png b/36381-h/images/w.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2d28270 --- /dev/null +++ b/36381-h/images/w.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..432527f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #36381 (https://www.gutenberg.org/ebooks/36381) |
