summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/36225-8.txt16683
-rw-r--r--old/36225-8.zipbin0 -> 299605 bytes
2 files changed, 16683 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/36225-8.txt b/old/36225-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..cb5ae65
--- /dev/null
+++ b/old/36225-8.txt
@@ -0,0 +1,16683 @@
+The Project Gutenberg EBook of Gösta Berling, by Selma Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Gösta Berling
+
+Author: Selma Lagerlöf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: May 25, 2011 [EBook #36225]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GÖSTA BERLING ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ GÖSTA BERLING
+
+ Naar het Zweedsch
+ Van
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ Schrijfster van "Ingrid", "De Koninginnen van Kungahälla",
+ "De Wonderen van den Antichrist" enz.
+
+ Door
+ Margaretha Meijboom
+ Met toestemming van de Schrijfster.
+
+
+
+ Derde Druk
+
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+ 1901
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ I. Inleiding. De predikant 1
+ II. Inleiding. De bedelaar 9
+ I. Kerstnacht 21
+ II. Het Kerstfeest 33
+ III. Gösta Berling, de dichter 43
+ IV. La Cachucha 55
+ V. Het bal op Ekeby 59
+ VI. De oude voertuigen 75
+ VII. De groote beer op Gurlita Klätt 89
+ VIII. De verkooping op Björne 102
+ IX. De jonge gravin 126
+ X. Spookhistories 147
+ XI. De geschiedenis van Ebba Dohna 159
+ XII. Juffrouw Marie 175
+ XIII. Neef Christoffel 185
+ XIV. De wegen des levens 190
+ XV. Boete 203
+ XVI. Het ijzer van Ekeby 213
+ XVII. 't Huis van Liljecrona 224
+ XVIII. De heks van Dovre 230
+ XIX. Het zomerfeest 235
+ XX. Vrouw Musica 239
+ XXI. De predikant van Broby 247
+ XXII. De heiligenbeelden 253
+ XXIII. Gods gezant 260
+ XXIV. Het kerkhof 272
+ XXV. Oude liederen 276
+ XXVI. De dood als bevrijder 286
+ XXVII. De droogte 294
+ XXVIII. De moeder van het kind 306
+ XXIX. Liefde overwint alles 315
+ XXX. Het meisje van Nygaard 321
+ XXXI. Kevenhüller 334
+ XXXII. De markt van Broby 345
+ XXXIII. De kleine hoeve in het bosch 353
+ XXXIV. Margaretha Celsing 370
+ Finale 384
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+I.
+
+DE PREDIKANT.
+
+
+Eindelijk stond de predikant op den preekstoel.
+
+De menschen in de kerk hieven het hoofd op. Dus was hij er toch! Dus
+dezen keer werd de dienst niet afgeluid, zooals den vorigen Zondag
+en zooveel andere Zondagen.
+
+De predikant was jong, lang, slank en stralend van schoonheid. Wanneer
+men hem een helm op 't hoofd had gezet, en hem een zwaard en een
+harnas gegeven, zou men een marmeren beeld van hem hebben kunnen
+maken en het naar den schoonsten Griek noemen.
+
+Hij had de diepe oogen van een dichter en de vaste, ronde kin van
+een veldheer. Alles aan hem, was schoon, fijn, vol uitdrukking en
+doorgloeid van een geniaal, geestelijk leven.
+
+De menschen in de kerk werden wonderlijk te moede, toen zij hem zóo
+zagen. Ze waren meer gewend hem ietwat slingerend uit de herberg
+te zien komen, met zijne vroolijke kameraden, zooals Beerencreutz,
+de overste, met de dikke, witte snor, en de sterke kapitein Bergh.
+
+Hij had zóo gezwierd, dat hij gedurende vele weken zijn ambt niet
+had kunnen waarnemen. De gemeente had over hem moeten klagen, eerst
+bij zijn Proost en toen bij den Bisschop en het Domkapittel. Nu was
+de bisschop in de gemeente gekomen, om kerkvisitatie te houden. Hij
+zat in het koor met het gouden kruis op de borst. Predikanten uit
+Karlstad en van de naburige gemeenten zaten om hem heen.
+
+Er was geen twijfel aan--het gedrag van den predikant was over de
+grenzen van het betamelijke gegaan. In dien tijd--het was omstreeks
+1820--nam men het niet zoo nauw, als iemand dronk; maar deze man had
+zijn werk verzuimd om te kunnen drinken, en nu zou het hem afgenomen
+worden.
+
+Hij stond op den preekstoel en wachtte, terwijl de gemeente het
+laatste psalmvers zong.
+
+Daar kwam, terwijl hij daar stond, de zekerheid over hem, dat hij
+vijanden voor zich had, louter vijanden in de geheele kerk. De heeren
+en dames in de gesloten banken, de boeren in het ruim, de aannemelingen
+in het koor--zij waren allen zijne vijanden. 't Was een vijand, die
+'t orgel bespeelde; ook de orgeltrapper was zijn vijand.
+
+Allen haatten zij hem, van de kleine kinderen af, die in de kerk
+gedragen werden, tot den plaatsbewaarder toe, een stijf en stram
+soldaat, die den slag bij Leipzig bijgewoond had.
+
+De predikant had wel willen knielen en hen smeeken barmhartig jegens
+hem te zijn.
+
+Maar een oogenblik later kwam een gevoel van smart en toorn over
+hem. Hij wist nog wel hoe hij geweest was, toen hij voor een jaar
+dezen preekstoel voor 't eerst beklom. Toen was hij een smetteloos
+man, en nu stond hij daar en zag neer op den bisschop met het gouden
+kruis om den hals, die gekomen was om hem te veroordeelen.
+
+Terwijl hij het voorgebed las, steeg hem telkens het bloed naar de
+wangen. Dat was van smart en toorn.
+
+Het was waar, dat hij gezwierd had,--maar wie had recht hem daarvoor
+aan te klagen? Had iemand de pastorie gezien, waarin hij leven
+moest? Donker en spookachtig groeide het dennenbosch tot vlak voor
+zijn vensters. De zwarte zolderingen dropen van 't vocht; 't water
+liep langs de beschimmelde muren. Had hij dan geen brandewijn noodig,
+om den moed er in te houden, als de regen of de sneeuwstorm naar binnen
+joeg door de gebarsten ruiten, als de slecht bewerkte, verwaarloosde
+akker geen brood genoeg gaf om den honger te weren.
+
+Het kwam hem voor, dat hij juist een predikant geweest was, zooals
+zij er een verdienden. Zij dronken immers allemaal. Waarom zou hij de
+eenige zijn, die zich iets ontzegde? De man, die zijn vrouw begraven
+had, dronk zich een roes aan 't begrafenismaal. De vader, die zijn kind
+ten doop gebracht had, hield daarna een drinkgelag. De gemeente dronk,
+als ze van de kerk naar huis ging, zoodat de meesten beschonken thuis
+kwamen. Een predikant, die dronk, was goed genoeg voor hen!
+
+'t Was op ambtsreizen gebeurd, als hij in zijn dunnen mantel mijlen
+ver over de bevroren meren had moeten rijden, waar alle koude winden
+elkaar ontmoetten, als hij op dezelfde meren in een open boot had
+moeten varen, in storm en stortregen, als hij in sneeuwjacht uit de
+slede had moeten stappen om het paard een weg te banen door huizenhooge
+sneeuwmassa's, of als hij door 't bosch moest waden--toen was het
+gebeurd, dat hij den brandewijn had liefgekregen!
+
+De dagen van dit jaar waren langzaam omgekropen in duisternis en
+gedruktheid. Heeren en boeren waren met al hun gedachten aan 't stof
+der aarde gebonden; maar 's avonds had de geest zijn boeien afgeworpen,
+door den brandewijn bevrijd! De inspiratie was gekomen; 't hart was
+warm geworden; 't leven straalde van heerlijkheid; liederen klonken
+en rozen geurden. De gelagkamer werd dan voor hem een zuidelijken
+bloementuin; druiven en olijven hingen boven zijn hoofd; marmeren
+beelden blonken tusschen 't donkere loof; philosofen en dichters
+wandelden onder palmen en platanen.
+
+Neen, hij, de predikant daar op den preekstoel, wist, dat zonder
+brandewijn het leven in die streken niet uit te houden was. Al zijn
+toehoorders wisten het, en nu wilden ze hem veroordeelen!
+
+Zij wilden hem zijn toga afrukken, omdat hij beschonken geweest was
+in het huis van hun God! O, al die menschen hadden zij dan .... wilden
+zij zich verbeelden, dat zij een anderen God hadden dan den brandewijn!
+
+Hij had het voorgebed gelezen en boog zich neer, om het Onze Vader
+uit te spreken.
+
+'t Was ademloos stil in de kerk onder het gebed. Plotseling
+greep de predikant met beide handen naar de banden, die zijn toga
+vasthielden. 't Kwam hem voor alsof de geheele gemeente, de bisschop
+vooraan, de trap van den preekstoel opsloop, om hem zijn toga af
+te rukken. Hij lag geknield en zag niet op, maar hij voelde hoe ze
+trokken. En hij zag hen zoo duidelijk, de proosten, de predikanten,
+de kerkvoogden, den klokkeluider en de gemeente, in één lange rij,
+trekkend met alle kracht, om de toga los te krijgen. En hij kon
+zich zoo duidelijk voorstellen, hoe ze allen, die nu zoo rukten en
+trokken, over elkaar de trap af zouden rollen, als de toga losvloog;
+en die heele rij daar beneden, die niet aan de toga, allen aan elkaars
+kleeren trokken, ze zouden allemaal vallen!
+
+Hij zag het zoo duidelijk, dat hij bijna hardop gelachen had, terwijl
+hij daar geknield lag. Maar op 't zelfde oogenblik parelde het koude
+zweet op zijn voorhoofd. 't Was toch al te afschuwelijk!
+
+Dat hij nu een verworpeling zou worden ter wille van den
+brandewijn! Een afgezette predikant--was er wel iets ellendigers
+op aarde!
+
+Hij zou een van de bedelaars zijn aan den grooten weg, dronken aan
+den slootkant liggen, in lompen gekleed gaan, met vagebonden omgaan.
+
+'t Gebed was ten einde. Hij moest zijn preek voorlezen. Toen kwam een
+gedachte bij hem op, die de woorden deed verstommen op zijn lippen. Hij
+dacht er aan, dat het voor 't laatst was, het hem vergund zou zijn,
+daar te staan en Gods eer te verkondigen.
+
+Voor 't laatst! Dat trof den predikant zóo, dat hij den brandewijn
+en den bisschop vergat. Hij moest de gelegenheid aangrijpen en van
+Gods eer getuigenis afleggen.
+
+Het kwam hem voor alsof de kerk met alle toehoorders diep, heel
+diep wegzonk, alsof het dak van de kerk genomen werd en hij in den
+hemel kon zien. Hij stond alleen, geheel alleen op den preekstoel,
+en zijn ziel kreeg vleugels en vloog op naar den open hemel boven hem,
+en zijn stem werd sterk en geweldig--en hij verkondigde Gods eer.
+
+Hij was een man van inspiratie. Hij liet de geschreven preek
+liggen. Als een duivenvlucht daalden de gedachten op hem neer. Het
+was hem als ware het een ander, die sprak; maar het werd hem ook
+helder, dat dit het hoogste op aarde was, en dat niemand in glans en
+heerlijkheid hem nabij kwam, die daar stond en Gods eer verkondigde.
+
+Zoolang de vurige tongen der inspiratie op hem rustten, sprak hij;
+maar toen die gebluscht waren, en toen 't dak weer over de kerk was
+gedaald en de toehoorders weer waren opgekomen uit de diepte, toen
+boog hij zich neer en schreide; want hij dacht, dat het leven hem
+zijn beste oogenblikken gegeven had en dat die nu voorbij waren.
+
+Na den dienst zou er vergadering en onderzoek volgen. De bisschop
+vroeg of de gemeente zich te beklagen had over hun leeraar.
+
+De predikant was niet meer trotsch en vertoornd als vóór de preek. Nu
+schaamde hij zich en boog het hoofd. Ach, nu zouden al die ellendige
+brandewijnhistories voor den dag komen.
+
+Maar er kwam geen enkele. 't Was doodstil om de groote tafel in de
+kerkeraadskamer.
+
+De predikant zag op, eerst naar den klokkeluider--neen, hij zweeg;
+toen naar de kerkvoogden, toen naar de notabelen en naar de eigenaars
+der ijzermijnen; maar allen zwegen. Zij hielden de lippen vast gesloten
+en keken half verlegen neer op tafel.
+
+"Zij wachten maar tot één begint," dacht de predikant.
+
+Een der kerkvoogden kuchte.
+
+"Ik vind, dat we een besten leeraar hebben," zeide hij.
+
+"De bisschop heeft immers zelf gehoord hoe hij preeken kan," stemde
+de klokkeluider toe.
+
+De bisschop zei iets van "dikwijls den dienst afluiden."
+
+"Maar een dominé mag toch even goed wel eens ziek zijn als andere
+menschen," meenden de boeren.
+
+De bisschop maakte een toespeling op een gerucht van misnoegdheid
+over de levenswijze van den predikant.
+
+Zij verdedigden hem eenparig. Hij was nog zoo jong, hun leeraar;
+wat zou men daarvan zeggen. Neen, als hij maar altijd zóó preeken
+wilde als hij vandaag gedaan had, dan wilden ze hem zelfs voor den
+bisschop niet ruilen.
+
+Er waren geen aanklagers, geen rechters! De predikant voelde hoe
+zijn hart zich verruimde, hoe zijn bloed lichter door zijne aderen
+vloot. Hij was dus niet meer door vijanden omringd. Hij had hen
+gewonnen, toen hij er allerminst aan dacht hun predikant te zullen
+blijven!
+
+Na de kerkvisitatie dineerden de bisschop, de proosten, de predikanten
+en de notabelen in de pastorie. De vrouw van een der naburige
+predikanten had op zich genomen voor het feest te zorgen, want de
+predikant was ongehuwd. Zij had alles zoo goed mogelijk geschikt,
+en het kwam hem voor, dat de pastorie toch zoo akelig niet was. De
+lange tafel was buiten gedekt onder de dennen en stond zoo mooi: 't
+blauwe en witte porselein, de schitterende glazen en de net gevouwen
+servetten. Twee berkeboomen bogen zich over den ingang. In de voorkamer
+was de grond met groene takjes bestrooid en aan den dakbalk hing een
+bloemkrans; in alle kamers stonden bloemen, de muffe lucht was weg,
+en de groene vensterruiten blonken vroolijk in den zonneschijn.
+
+De predikant was zielsblij; hij beloofde zichzelf nooit meer te
+drinken.
+
+Er was niemand, die niet blij was aan dien feestdisch. Zij, die
+grootmoedig geweest waren en vergeven hadden, waren blij, en de
+predikanten en proosten waren blij, omdat ze een schandaal hadden
+kunnen vermijden.
+
+De goede bisschop hief zijn glas op en sprak. Hij was deze reis met een
+bezwaard hart begonnen, want hij had veel booze geruchten gehoord. Hij
+was uitgegaan om een Saulus te zoeken, en zie, Saulus was tot een
+Paulus geworden, die meer zou arbeiden dan alle anderen. En de vrome
+oude sprak verder over de rijke gaven, die hun jonge broeder ontvangen
+had, en roemde die. Niet opdat hij er zich op verhoovaardigen zou,
+maar opdat hij al zijn krachten zou inspannen en zich zelf wèl in
+acht nemen, zooals een man behoort te doen, wien een zeer zware en
+kostbare last op de schouderen is gelegd.
+
+De predikant dronk niet te veel dien middag, maar in een roes was hij
+toch. Al dat groote, onverwachte geluk steeg hem naar het hoofd. De
+hemel had vlammende tongen van geestdrift op hem doen nederdalen, en de
+menschen hadden hem liefde geschonken. 't Bloed stroomde koortsachtig
+en met geweldige snelheid door zijn aderen, nog toen de avond viel
+en zijn gasten vertrokken. Laat in den nacht zat hij in zijn kamer
+en liet de nachtlucht door het open venster naar binnen stroomen
+om den koortsgloed van geluk te koelen, de onrust en verrukking,
+die hem beletten te slapen.
+
+Daar klonk een stem: "Ben je nog wakker, dominé?"
+
+Een man kwam over het gras naar het huis toe. De predikant zag uit
+het venster en herkende den sterken kapitein Kristiaan Bergh, een
+van zijn trouwste zwierkameraden.
+
+Een zwervend man, zonder tehuis, was die kapitein Bergh, een reus
+van gestalte en kracht, groot als een berg en dom als een berggeest.
+
+"Ja, zeker ben ik wakker, kapitein," antwoordde de predikant. "Vindt
+je, dat dit een nacht is om te gaan slapen?"
+
+En hoor nu wat kapitein Kristiaan hem vertelt. De reus had er al
+een voorgevoel van gehad en begreep nu, dat de predikant van zijn
+drinkgelagen afscheid zou nemen. Hij zou nooit meer rust hebben,
+meende kapitein Kristiaan, want die proosten en dominees uit Karlstad,
+die er eens geweest waren, konden immers terugkomen en hem zijn toga
+afnemen, als hij weer aan het feestvieren ging.
+
+Maar nu heeft kapitein Kristiaan zijn slag geslagen en 't zóó gemaakt,
+dat er nooit een proost of een predikant meer komen zal, en ook geen
+bisschop. Nu kunnen de predikant en zijn vrienden in de pastorie net
+zooveel drinken als ze willen. Want raad eens wat de kapitein gedaan
+heeft! Toen de bisschop en de overige geestelijken in den gesloten
+wagen waren gegaan en het portier goed dicht zat, was de kapitein
+op den bok gaan zitten, om hem een paar mijlen ver te brengen in
+den lichten zomernacht. En hij had ze eens laten voelen wat het was:
+zijn leven aan een zijden draadje te voelen hangen; hij had de paarden
+voort laten draven in razende vaart. Dat moesten ze nu eens hebben,
+omdat zij een eerlijk man niet eens een roes gunden.
+
+Meen niet, dat hij op den grooten weg bleef, of dat hij er bang voor
+was ze eens door elkaar te schudden. Hij reed over slooten en velden
+met boomknoesten, hij vloog in galop van de heuvels naar beneden,
+hij reed door het meer, zoodat 't water tot over de wielen opspatte,
+en hij ging langs de berghelling, zoodat de paarden de voorpooten stijf
+uithielden en zich lieten glijden. En al dien tijd zaten de bisschop
+en de predikanten met bleeke gezichten gebeden te mompelen. Erger
+rijtoer hadden ze zeker nooit gedaan.
+
+Men kan zich denken hoe ze er uitzagen, toen ze aan de herberg te
+Rissäter kwamen: levend, maar door elkaar geschud als hagel in een
+leeren zakje.
+
+"Wat moet dat beteekenen, kapitein Kristiaan?" vraagt de bisschop,
+toen hij het portier open doet.
+
+"Dat beteekent, dat de bisschop zich twee keer bedenken moet, eer
+hij weer bij Gösta Berling op kerkvisitatie komt," antwoordt kapitein
+Kristiaan, en dien zin heeft hij vooruit bedacht en van buiten geleerd,
+om niet in de war te komen bij 't uitspreken.
+
+"Nu, groet dan Gösta Berling," zegt de bisschop, "en zeg hem, dat
+bij hem noch ik, noch een ander bisschop ooit meer komen zal."
+
+Zie, dat heldenstuk staat de sterke kapitein daar aan den predikant
+te verhalen bij 't open venster in den lichten zomernacht. Want hij
+heeft zoo juist de paarden naar de herberg teruggebracht, en is toen
+dadelijk naar de pastorie gegaan, om 't nieuws te vertellen.
+
+"Nu kun je dus gerust zijn, beste vriend," zegt hij. Ach kapitein
+Kristiaan! Met bleeke gezichten zaten de geestelijken in 't rijtuig,
+maar de predikant aan 't venster, in dien lichten zomernacht, zag
+nog veel, veel bleeker. Ach, kapitein Kristiaan!
+
+De predikant hief den arm op en wilde den reus een geweldigen slag in
+zijn grof, dom gezicht geven, maar hij bedwong zich. Met een woesten
+zwaai sloeg hij 't venster dicht, bleef midden in de kamer staan,
+en schudde de gebalde vuist tegen den hemel.
+
+Hij, op wien de vurige tongen der inspiratie waren neergedaald,
+hij, die Gods eer verkondigd had--hij stond daar met de vreeselijke
+gedachte, dat God hem verlaten en beschimpt had.
+
+Moest de bisschop niet denken, dat hij kapitein Kristiaan hierop
+uitgestuurd had? Moest hij niet denken, dat hij den ganschen dag
+gelogen en gehuicheld had? Nu zou hij wel ernst met het onderzoek
+maken, hem eerst schorsen en dan afzetten.
+
+Toen de morgen kwam, was de predikant uit de pastorie verdwenen. Hij
+wilde niet blijven en zich verdedigen. God had hem verlaten. Hij zou
+afgezet worden, dat wist hij. God wilde het. Dan kon hij evengoed
+dadelijk heengaan.
+
+Dit gebeurde omstreeks 1820 in een afgelegen gemeente van
+West-Wermeland.
+
+'t Was het eerste ongeluk, dat Gösta Berling trof, maar 't was het
+laatste niet.
+
+Want voor paarden, die sporen noch zweep kunnen verdragen, is het
+leven niet gemakkelijk. Bij elke pijn, die ze voelen, hollen ze voort
+op woeste wegen, die naar gapende afgronden leiden. Zoodra er steenen
+op den weg liggen en de rit moeielijk wordt, weten ze niets beter te
+doen, dan den wagen om te werpen en door te hollen.
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+DE BEDELAAR.
+
+
+Op een kouden Decemberdag kwam een bedelaar den Brobyheuvel op. Hij
+was gekleed in de ellendigste lompen, en zijne schoenen waren zóó
+versleten, dat de koude sneeuw zijn voeten nat maakte.
+
+Löfven is de naam van een lang, smal meer in Wermeland, dat op een paar
+plaatsen sterk vernauwd wordt. 't Strekt zich uit naar 't Noorden tot
+aan de Finbosschen en naar 't Zuiden tot het Wermermeer. Vele gemeenten
+liggen langs den oever; maar Broby is de grootste en rijkste. Die neemt
+een groot stuk van den oostelijken en westelijken oever in; maar aan
+de westkust liggen de groote hoeven, zulke landgoederen als Ekeby
+en Björne, ver beroemd om hun rijkdom en schoonheid, en het groote
+dorp Broby met de herberg, 't stadhuis, de woning van den leensman,
+de pastorie en de markt.
+
+Broby ligt op een steile helling. De bedelaar was de herberg voorbij
+gegaan, die aan den voet van den heuvel ligt, en werkte zich nu omhoog
+naar de pastorie, die het hoogst ligt.
+
+Voor hem ging een klein meisje denzelfden weg; zij trok een slee voort,
+met een zak meel er op. De bedelaar haalde haar in en sprak haar aan.
+
+"Dat is een klein paardje voor een groote lading," zei hij.
+
+'t Kind keek om en zag hem aan. Het was een klein ding van twaalf jaar,
+met doordringende, scherpe oogen en saamgeknepen lippen.
+
+"'t Was te wenschen dat 't paard kleiner en de lading grooter was;
+dan kwam ik er langer mee toe," antwoordde zij.
+
+"Is het soms je eigen voer, dat je naar huis sleept?"
+
+"Ja, God beware me. Ik moet voor mijn eigen eten zorgen, zoo klein
+als ik ben."
+
+De bedelaar sloeg de hand aan de slee en duwde die voort. 't Meisje
+wendde zich om en zag naar hem.
+
+"Je moet niet denken, dat je er iets voor krijgt," zei ze.
+
+De bedelaar lachte luid. "Je bent zeker de dochter van den dominé
+uit Broby," zei hij.
+
+"Ja, dat ben ik. Een armer vader heeft menigeen, maar een slechter
+vader heeft niemand. 't Is de heilige waarheid, al is 't ook schande,
+dat zijn eigen kind het zeggen moet."
+
+"Hij is zeker gierig en kwaadaardig, je vader?"
+
+"Gierig is hij, en kwaadaardig ook, maar zijn dochter wordt nog erger,
+als ze leven blijft," zeggen de menschen.
+
+"'t Kan best zijn, dat de menschen gelijk hebben. Ik zou wel eens
+willen weten hoe je aan dien zak meel gekomen bent."
+
+"Dat kan ik je wel zeggen. Ik heb koren van morgen uit vaders schuur
+gehaald en ben er nu mee naar den molen geweest."
+
+"Maar ziet hij je nu niet, als je er nu mee thuis komt?"
+
+"Jij bent ook niet slim. Vader is uit op huisbezoek. Dat kun je toch
+wel begrijpen."
+
+"Maar daar komt iemand achter ons de hoogte oprijden. Ik hoor de
+sneeuw kraken onder de slee. Als hij dat nu eens was!"
+
+'t Meisje luisterde en tuurde. Plotseling begon ze luid te
+schreien. "'t Is vader," snikte ze. "Hij slaat me dood! Hij slaat
+me dood."
+
+"Ja, nu is goede raad duur, en wie gauw helpt, helpt dubbel," zei
+de bedelaar.
+
+"Hoor eens," zei 't kind, "jij kunt me helpen. Neem het touw en trek
+de slee voort; dan neemt vader dat hij van jou is."
+
+"Maar wat moet ik er mee doen?" vroeg de bedelaar, en nam het touw
+over den schouder.
+
+"Ga er mee heen waar je wilt, maar kom er mee naar de pastorie als
+'t donker wordt. Ik zal je wel opvangen."
+
+"Ja, dat kan ik wel doen."
+
+"Wee je gebeente, als je niet komt!" riep het meisje, en draafde weg,
+om vóór haar vader thuis te zijn.
+
+Met een bezwaard hart keerde de bedelaar om en ging met de slee naar
+de herberg. De stumper had een heerlijken droom gehad, terwijl hij
+daar in de sneeuw liep met zijn halfnaakte voeten. Hij had aan de
+groote bosschen loopen denken, ten noorden van 't Löfvenmeer, de
+groote Fin-bosschen.
+
+Hier, in de gemeente Broby, waar hij nu rondzwierf langs 't smalle
+water tusschen 't boven- en 't beneden-Löfvenmeer, in deze streken,
+beroemd om hun rijkdom en vreugde, waar landgoed aan landgoed en
+ijzermijn naast ijzermijn te vinden zijn, viel hem de weg te zwaar;
+de kamers waren hem te eng, de bedden te hard. Hier verlangde hij
+zoo bitter naar den vrede in de groote, eeuwige bosschen.
+
+Hier hoorde hij op iederen dorschvloer de vlegels klepperen, alsof
+'t dorschen nooit een einde zou nemen. Timmerhout en steenkool
+werden bij ladingen vol uit de onuitputtelijke wouden hierheen
+gebracht. Eindelooze rijen wagens met erts werden langs de wegen met
+diepe wielsporen, door honderden voorgangers getrokken, naar boven
+gehaald. Hij zag sleden van hoeve naar hoeve gaan, en 't kwam hem voor,
+als hield blijdschap de teugels, als stonden schoonheid en liefde op
+zij van de sleden.
+
+Ach, hoe liep die stumper daar te verlangen naar den vrede in de
+groote, eeuwige bosschen.
+
+Daar, waar de boomen hoog en rank als zeilen opsteken uit de effen
+vlakte, waar de sneeuw in zware lagen op de onbewegelijke takken rust,
+waar de wind geen macht heeft, maar alleen heel stil met de naalden in
+de toppen spelen kan, daarheen wilde hij, al verder en verder daarin,
+tot eindelijk zijn krachten hem zouden begeven, en hij neer zou zinken
+onder de groote boomen en sterven van kou en honger.
+
+Hij verlangde naar het groote, suizende graf, daar bij het Löfvenmeer,
+waar de macht der vernietiging hem meester worden kon, waar het
+eindelijk kou, honger, vermoeidheid en brandewijn gelukken zou zijn
+ellendig lichaam te vernielen, dat tot nu toe alles uitgehouden had.
+
+Hij was bij de herberg gekomen, en wilde tot den avond wachten. Hij
+ging in de gelagkamer, en zat in doffe rust op een bank bij de deur,
+en droomde van de eeuwige bosschen.
+
+De waardin had medelijden met hem, en gaf hem een glaasje van haar
+sterken, zoeten brandewijn. En zij gaf er hem nog een, omdat hij er
+zoo dringend om vroeg.
+
+Meer wilde zij hem niet geven en de bedelaar werd wanhopend. Hij moest
+meer hebben van dien sterken, heerlijken brandewijn. Hij moest nog
+eens 't hart in zich voelen opspringen van vreugde en zijn gedachten
+opvlammen in een roes. O, dat gezegend brouwsel! Zomerzon, vogelgezang,
+al de geuren en schoonheid van den zomer zweefden er over heen. Nog
+éens, eer hij verdwijnt, wil hij geluk en zonneschijn indrinken.
+
+Toen ruilde hij eerst het meel, toen den zak en eindelijk de
+slee--alles voor brandewijn. Daardoor kreeg hij een goeden roes
+en sliep het grootste gedeelte van den middag op een bank in de
+gelagkamer.
+
+Toen hij wakker werd, zag hij in, dat er in de wereld maar éen ding
+voor hem overbleef. Nu dit ellendige lichaam zóozeer zijn ziel
+beheerschte, nu hij voor drank kon weggeven wat een kind hem had
+toevertrouwd, nu hij een schandvlek op de aarde geworden was, moest
+hij die verlossen van zijn ellende. Hij moest zijn ziel de vrijheid
+hergeven--haar naar God laten gaan.
+
+Hij lag op de bank in de gelagkamer, en hield gericht over zichzelf:
+"Gösta Berling, afgezette predikant, beschuldigd het eigendom van een
+hongerig kind verdronken te hebben, wordt ter dood veroordeeld. Tot
+welken dood? Tot den dood in de sneeuw."
+
+Hij greep zijn muts en wankelde naar buiten. Hij was nog niet geheel
+wakker en ook niet geheel nuchter. Hij schreide, uit medelijden
+met zichzelf, over zijn arme, vernederde ziel, die hij de vrijheid
+hergeven moest.
+
+Hij ging niet ver en bleef op den weg. Aan den kant lag een hooge
+sneeuwhoop, waarin hij zich neerwierp om te sterven. Hij sloot de
+oogen en beproefde te slapen.
+
+Niemand weet hoe lang hij daar lag, maar er was nog leven in hem,
+toen het dochtertje van den predikant te Broby langs den weg kwam
+loopen, met een lantaarn in de hand, en hem in de sneeuw aan den
+kant vond. Zij had uren op hem gewacht. Nu kwam zij den Brobyheuvel
+afhollen, om te weten te komen waar hij toch bleef.
+
+Ze herkende hem dadelijk en begon hem te schudden en uit alle macht
+te schreeuwen om hem wakker te krijgen.
+
+Ze moest weten wat die man met haar meelzak gedaan had. Ze moest hem in
+'t leven terugroepen, ten minste zóó lang, dat hij haar zeggen kon,
+wat er van haar slee en haar zak geworden was. Haar vader zou haar
+doodslaan, als hij hoorde, dat zij zijn slee had weggemaakt. Zij beet
+den bedelaar in de vingers, krabde hem in 't gezicht en schreeuwde
+als een wanhopende.
+
+Daar kwam iemand langs den weg aanrijden.
+
+"Voor den duivel! Wie schreeuwt daar zoo?" vroeg een barsche stem.
+
+"Ik wil weten, wat hij met mijn slee en mijn zak met meel gedaan
+heeft," jammerde het kind en sloeg den bedelaar met de gebalde vuisten
+op de borst.
+
+"Krabbel jij een doodgevroren man? Weg met jou, krabbekat!"
+
+De stem was van een groote, grof gebouwde vrouw. Zij kwam uit de slede
+en ging naar den sneeuwhoop. 't Kind nam ze bij den nek en wierp het
+op zij van den weg; toen boog ze zich neer, schoof den arm onder den
+rug van den bedelaar en lichtte hem op. Toen droeg zij hem in de slee
+en legde hem er in neer. "Kom mee naar de herberg, jou heks!" riep
+ze tegen het meisje: "dan kunnen we hooren, wat jij van hem weet."
+
+
+
+Een uur later zat de bedelaar op een stoel bij de deur in de "mooie
+kamer" van de herberg, en voor hem stond de krachtige vrouw, die hem
+uit den sneeuwhoop gered had.
+
+Zooals Gösta Berling haar nu zag, zooals ze uit de
+steenkoolbergplaatsen in 't bosch kwam, met zwarte handen en een
+stompje pijp in den mond, met een korte lamspels zonder voering aan,
+met een kleed van gestreept, zelf gesponnen wollen goed, de schoenen
+met ijzerbeslag en een mes in een schee voor in haar borst, tusschen
+de plooien van haar pels, met het grijze haar glad weggestreken van
+haar mooi oud gezicht--zoo had hij haar honderdmaal hooren beschrijven,
+en hij begreep, dat de beroemde majoorsvrouw van Ekeby voor hem stond.
+
+Zij was de machtigste vrouw in Wermeland, meesteres van zeven
+ijzermijnen, gewend te bevelen en gehoorzaamd te worden; hij was maar
+een ellendige, ter dood veroordeelde stumper, van alles ontbloot,
+met de bewustheid, dat elke weg hem te zwaar, elke kamer hem te eng
+was. Hij beefde van angst terwijl haar blik op hem rustte.
+
+Zij stond zwijgend neer te zien op dat hoopje menschelijke ellende daar
+vóor haar, op die roode, gezwollen handen, die vermagerde gestalte
+en dat prachtige hoofd, dat, hoe vervallen en verwaarloosd ook,
+nog een woeste schoonheid vertoonde.
+
+"Je bent immers Gösta Berling, de gekke dominé?" vroeg zij.
+
+De bedelaar bleef onbeweeglijk zitten.
+
+"Ik ben de Majoorske van Ekeby."
+
+Een rilling ging den bedelaar door de leden. Hij vouwde de handen
+en sloeg de oogen verlangend op. Wat zou zij met hem doen? Zou ze
+hem dwingen te leven? Hij beefde voor haar kracht. Ach, hij was den
+vrede der eeuwige bosschen zoo nabij geweest.
+
+Zij begon den strijd met hem te zeggen, dat de dochter van den
+predikant haar slee en haar meel teruggekregen had, en dat zij, de
+Majoorske, een tehuis voor hem had, in den vleugel van de "kavaliers,"
+op Ekeby. Zij bood hem een leven van vreugd en heerlijkheid aan,
+maar hij antwoordde, dat hij sterven moest.
+
+Toen sloeg zij met de vuist op tafel en zei hem de waarheid in ronde
+woorden.
+
+"Zoo! Wil jij sterven? Ja, dat zou me niet verbazen--als je maar
+leefde! Maar kijk eens naar je uitgemergeld lichaam, je krachtelooze
+leden, je matte oogen. Meen je, dat er nog wat over is om dood te
+maken? Meen je soms, dat je precies in een dicht gespijkerde kist moet
+liggen om dood te zijn? Geloof je, dat ik niet zie hoe dood je bent,
+Gösta Berling?
+
+"Ik zie, dat er een grijnzend doodshoofd op je schouders zit; ik zie,
+dunkt me, de wormen uit en in je oogkassen kruipen. Voel je niet, dat
+je mond vol aard zit? Kun je je knokkels niet hooren rammelen als je
+je beweegt? Je hebt je in brandewijn verdronken, Gösta Berling, en dood
+ben je al lang! Wat zich nu nog in je beweegt, zijn je doodsbeenderen,
+en die wil je niet eens laten voortbestaan!
+
+"'t Is er ook een bestaan naar. 't Is even dwaas alsof je de dooden
+een dans over de graven in den maneschijn niet gunt.
+
+"Schaam je je omdat je dominé geweest bent? En wil je daarom
+sterven? Ik moet je zeggen, dat 't heel wat behoorlijker zijn zou als
+je je gaven gebruiken wou en nog wat nut doen in Gods groote wereld.
+
+"Waarom kwam je niet dadelijk bij mij? Ik zou dat wel in orde gemaakt
+hebben.
+
+"Nu meen je zeker, dat 't een heele eer is, als ze je op de spaanders
+leggen en dan zeggen dat je zoo'n mooie doode bent!"
+
+De bedelaar zat nu rustig, half glimlachend naar haar boos gebulder
+te luisteren, "'t kan geen kwaad! niets geen kwaad!" jubelde 't in
+hem. "De eeuwige bosschen wachten, en zij heeft geen macht mij daar
+vandaan te houden."
+
+Maar de Majoorske zweeg en liep een paar keer de kamer op en neer. Toen
+ging zij bij de kachel zitten, zette de voeten tegen 't vuur en leunde
+met de ellebogen op de knieën.
+
+"Alle duivels," zei ze en lachte in zichzelf. "Wat ik zeg is zóo waar,
+dat ik 't zelfs nauwlijks gemerkt heb. Geloof je niet, dat de meeste
+menschen dood of ten minste halfdood zijn? Geloof je dat ik leef? Och
+neen, och neen!
+
+"Ja, kijk me maar aan! Ik ben Majoorske van Ekeby, en ik ben wel de
+machtigste vrouw van 't heele Wermeland, zou ik denken. Als ik wenk
+met éen vinger, danst de burgemeester, wenk ik met twee, dan danst
+de bisschop, en wenk ik met drie, dan dansen de raadsleden en de
+hooge geestelijkheid en alle eigenaars van mijnen in heel Wermeland
+naar mijn pijpen op de markt in Karlstad. Voor den duivel, dominé,
+ik zeg je: ik ben een aangekleed lijk. Onze lieve Heer weet 't best,
+hoe weinig leven er in me is."
+
+De bedelaar boog zich voorover en luisterde met heel zijn ziel. De
+oude Majoorske zat voor 't vuur en wiegde heen en weer. Ze zag hem
+niet aan onder 't spreken.
+
+"Geloof je niet," ging ze voort, "dat, als ik een levend mensch
+geweest was, dat je daar zag zitten, ellendig en ongelukkig, met
+gedachten aan zelfmoord in je hart, dat ik die niet in een oogenblik
+had kunnen wegblazen? Ik had dan tranen en gebeden voor je gehad,
+die alles in je onderste boven zouden gehaald hebben. Ik had dan je
+zondige ziel kunnen redden. Maar nu ben ik dood! Onze lieve Heer weet,
+hoe weinig leven er in me is!
+
+"Heb je gehoord dat ik eens de mooie Margaretha Celsing was? Dat
+is lang geleden; maar nog kan ik mijn oogen rood schreien over
+haar! Waarom moest Margaretha Celsing sterven en Margaretha Samzelius
+leven--waarom moet de Majoorske van Ekeby leven? Kun jij me dat zeggen,
+Gösta Berling?
+
+"Weet je hoe Margaretha Celsing was? Ze was slank en fijn, schuchter
+en onschuldig, Gösta Berling. Zij was een, op wier graf engelen
+schreien. Ze wist van geen kwaad en niemand had haar ooit leed
+gedaan. Zij had allen lief. En wonderlijk mooi was ze.
+
+"Er was een man, heerlijk om te zien. Hij heette Altringer. Niemand
+weet hoe het kwam dat hij daar boven kwam, waar haar ouders hun
+landgoed hadden. Hem zag Margaretha Celsing; hij was schoon, hij
+was een man en hij had haar lief. Maar hij was arm en zij kwamen
+overeen, dat zij op elkaar zouden wachten, "vijf jaar lang" zooals
+'t volksliedje zegt.
+
+"Toen er drie jaar voorbij waren", vervolgde de Majoorske, "kreeg
+zij een ander aanzoek. De man was leelijk; maar hare ouders meenden,
+dat hij rijk was, en zij dwongen haar met praatjes en overredingen,
+met slaag en booze woorden, hem tot man te nemen. Op dien dag stierf
+Margaretha Celsing. Sinds dien tijd bestond zij niet meer, alleen maar
+de Majoorske Samzelius, en die was niet goed, niet schuchter; zij
+geloofde aan veel kwaad en lette niet op het goede. Je weet wel hoe
+'t later ging: we woonden op Sjö, hier bij 't meer Löfven, de Majoor
+en ik. Maar hij was niet rijk zooals de menschen gezegd hadden. Ik
+heb vaak zware dagen gehad.
+
+"Toen kwam Altringer terug, en nu was hij rijk. Hij werd eigenaar van
+Ekeby en onze buurman op Sjö; hij werd eigenaar van nog zes andere
+landgoederen bij 't meer Löfven; hij was flink en ondernemend. Hij
+was een heerlijk man! Hij hielp ons in onze armoede; wij reden in
+zijn rijtuigen; hij zond eten voor onze keuken en wijn voor onzen
+kelder. Hij vulde mijn leven met feesten en blijdschap. De majoor ging
+op reis; hij moest naar den oorlog; maar wat kon ons dat schelen! Den
+eenen dag was ik zijn gast op Ekeby, den anderen dag kwam hij naar
+Sjö! O! daar ging een rondedans van vreugde om de oevers van 't
+meer Löfven.
+
+"Maar toen begonnen zij kwaad te spreken van Altringer en mij. Had
+Margaretha Celsing nog geleefd, dan zou haar dat zeker bedroefd
+gemaakt hebben, maar ik gaf er niet om. Toch begreep ik nog niet,
+dat het kwam omdat ik dood was, dat ik zoo ongevoelig was.
+
+"De praatjes over ons bereikten mijn vader en moeder, die bij den
+kolenbrander, en in 't bosch bij Elvedal woonden. Zij bedacht zich
+niet lang, de oude, maar kwam naar mij toe, om met mij te spreken.
+
+"Op een dag, dat de Majoor uit was en ik met Altringer en nog
+vele anderen aan tafel zat, kwam zij naar Sjö. Ik zag haar de
+eetzaal inkomen, maar ik voelde niet, dat zij mijn moeder was, Gösta
+Berling. Ik groette haar als een vreemde en noodigde haar uit mee aan
+te zitten en aan den maaltijd deel te nemen. Zij wilde mij toespreken
+alsof ik haar dochter was; maar ik antwoordde, dat zij zich vergiste:
+mijn ouders leefden niet meer; zij waren beiden overleden op mijn
+trouwdag.
+
+"Toen kwam zij in haar rol. Zeventig jaar was ze, en dertig mijl had ze
+gereden in drie dagen. Zij zette zich eenvoudig aan onze tafel en at
+mee. Ze was een krachtige, oude vrouw. Zij zeide dat het treurig was,
+dat ik juist op dien dag zulk een verlies geleden had. "Het treurigste
+was," zeide ik, "dat mijn ouders niet den vorigen dag gestorven waren,
+want dan was er van dat huwelijk niets gekomen."
+
+""Is mevrouw de Majoorske dan niet tevreden met haar huwelijk?" vroeg
+zij toen."
+
+""Ja, zeker," antwoordde ik, "nu ben ik tevreden. Ik zal altijd
+tevreden zijn, als ik gehoorzaam aan den wil van mijn lieve ouders."
+
+"Zij vroeg toen of het de wil van mijn ouders was, dat ik schande
+over hen en mijzelve bracht en mijn man bedroog. Ik bewees mijn ouders
+niet veel eer door mijzelf in opspraak te brengen.
+
+""Zij krijgen loon naar werken," antwoordde ik. En verder moest mijn
+gast weten, dat ik niet toelaten kon, dat iemand de dochter van mijn
+ouders beleedigde.
+
+"Wij beiden aten. Maar de mannen om ons heen zaten zwijgend en konden
+mes noch vork bewegen.
+
+"De oude bleef een dag en nacht rusten; toen vertrok zij. Maar in
+al dien tijd kon ik niet begrijpen, dat ze mijn moeder was. Ik wist
+alleen, dat mijn moeder dood was.
+
+"Bij haar vertrek, Gösta Berling, stond ik naast haar op de stoep,
+en de wagen was voor, en toen zeide zij tot mij:
+
+""Een dag en een nacht ben ik hier geweest, zonder dat je mij als
+je moeder hebt willen erkennen. Langs eenzame wegen ben ik hierheen
+komen reizen, dertig mijlen in drie dagen. En van schaamte over je
+gedrag beeft mijn oud lichaam, alsof ik met roeden geslagen ben. Mocht
+je eens verloochend worden, zooals ik verloochend ben, verstooten,
+zooals je mij verstooten hebt. De weg worde je thuis, de sloot je bed,
+de kolenbranderij je haard, schande en vernedering je loon. Anderen
+zullen je slaan, zooals ik je nu sla!"
+
+"En zij gaf mij een harden slag op de wang. Maar ik nam haar op,
+droeg haar de stoep af en zette haar in den wagen.
+
+""Hoe durf je mij te vloeken?" vroeg ik. "Hoe durf je mij te slaan! Dat
+verdraag ik van niemand."
+
+"En ik gaf haar de oorvijg terug.
+
+"Op 't zelfde oogenblik reed de wagen weg: maar toen, op dàt oogenblik,
+Gösta Berling, wist ik dat Margaretha Celsing dood was. Zij was
+goed en onschuldig; zij wist van geen kwaad. Engelen zouden op haar
+graf geschreid hebben. Als zij geleefd had, zou ze nooit haar moeder
+geslagen hebben."
+
+De bedelaar aan de deur had geluisterd, en de woorden hadden voor een
+oogenblik het ruischen van de eeuwige bosschen overstemd. Zie! die
+machtige, rijke vrouw, zij maakte zich tot zijn gelijke in zonde,
+tot zijn zuster, tot een verlorene als hij, om hem moed te geven om te
+leven. Zoo moest hij leeren, dat er smart en schuld op andere hoofden
+dan het zijne drukte. Hij stond op en ging naar de Majoorske toe.
+
+"Wil je nu leven, Gösta Berling?" vroeg ze, met een stem door tranen
+gebroken. "Waarom wil je sterven? Je zoudt een uitstekend predikant
+geworden zijn; maar nooit was die Gösta Berling, dien je in den
+brandewijn verdronken hebt, zóó stralend van onschuld en reinheid,
+als die Margaretha Celsing, die ik in haat smoorde. Wil je leven?"
+
+Gösta viel naast haar op de knieën.
+
+"Ik ben maar een oude vrouw," zei de Majoorske, "door veel verdriet
+hard geworden. En ik zit hier en geef me bloot voor een bedelaar,
+dien ik half doodgevroren in een sneeuwhoop aan den weg vind. Ik
+heb niet beter verdiend! Ga maar heen, en wordt een zelfmoordenaar,
+dan kun je in ieder geval een ander niet van mijn schande vertellen."
+
+"Ik ben geen zelfmoordenaar. Ik ben een ter dood veroordeelde. Maak mij
+den strijd niet te zwaar. Ik kan niet leven. Mijn lichaam heerscht over
+mijn ziel; daarom moet ik dien vrij laten en haar naar God laten gaan."
+
+"Zoo? Geloof je dan, dat ze bij God komt?"
+
+"Vaarwel, Majoorske Samzelius.... ik dank u."
+
+"Vaarwel, Gösta Berling."
+
+De bedelaar stond op en ging met gebogen hoofd en sleependen tred
+naar de deur.
+
+Die vrouw maakte hem den weg naar de groote bosschen moeilijk.
+
+Toen hij bij de deur was, moest hij omzien.
+
+Toen ontmoetten zijn oogen die van de Majoorske, die hem stil
+nazag. Hij had nooit zulk een verandering op een gezicht gezien, en
+hij bleef staan en staarde haar aan. Zij, die pas nog boos en dreigend
+geweest was, zat stil, als verheerlijkt, en haar oogen straalden van
+erbarmende, medelijdende liefde. Het was hem als brak er iets in hem,
+in zijn eigen verwildert hart; het brak door dien blik. Hij leunde
+zijn voorhoofd tegen den deurpost, hief de armen boven het hoofd en
+schreide alsof zijn hart zou breken.
+
+De Majoorske slingerde haar pijp in 't vuur en ging op hem toe. Haar
+bewegingen werden op eens zacht als die van een moeder.
+
+"Nu, nu, mijn jongen."
+
+En ze trok hem naast zich neer op de bank bij de deur, en hij schreide,
+met het hoofd in haar schoot.
+
+"Wil je nu nog sterven?"
+
+Hij wilde opspringen, maar ze hield hem vast.
+
+"Nu zeg ik je voor 't laatst .... Je kunt doen wat je wilt. Maar dat
+beloof ik je: als je leven wilt, zal ik de dochter van den dominé van
+Broby bij me nemen en haar tot een fatsoenlijk mensch maken. Dan zal
+ze er God voor danken, dat je haar meel weggenomen hebt. Nu, wil je?"
+
+Hij hief het hoofd op en zag haar in de oogen.
+
+"Is dat ernst?"
+
+"Ja, dat is het, Gösta Berling."
+
+Hij wrong de handen in angst. Hij zag die schuwe oogen voor zich,
+die samengeknepen lippen, die vermagerde handjes. Dat arme, kleine
+schepsel zou beschut en verpleegd worden, en 't teeken van vernedering
+van haar lichaam en 't kwaad uit haar ziel weggevaagd worden. Nu werd
+de weg naar de eeuwige bosschen voor hem afgesloten.
+
+"Ik zal mij niet van kant maken, zoo lang zij onder uw bescherming
+is," zeide hij. "Ik wist wel, dat u me te sterk waart en mij zoudt
+dwingen te leven."
+
+"Gösta Berling," zei ze plechtig, "ik heb om je gestreden als om
+mijzelf. Ik heb tot God gezegd: als er nog een greintje van Margaretha
+Celsing in me is, sta dan toe, dat ze te voorschijn komt en dien man
+belet heen te gaan en zichzelf te dooden. En Hij stond dat toe. En
+je hebt haar gezien, en daarom kon je niet heen gaan. En zij heeft
+mij ingefluisterd, dat je misschien ter wille van dat arme kind je
+voornemen op zoudt geven. Wel vlieg jelui hoog, jelui wilde vogels,
+maar Onze Lieve Heer weet wel met welk net je gevangen moet worden."
+
+"Hij is een groot, een wonderbaar God," zeide Gösta Berling. "Hij heeft
+me verlaten en verworpen; maar Hij wil mij niet laten sterven. Zijn
+wil geschiede!"
+
+Van dien dag werd Gösta Berling kavalier op Ekeby. Twee keer beproefde
+hij vandaar weg te komen en van eigen werk te leven. Den eenen keer
+gaf de Majoorske hem een huis dicht bij Ekeby; hij betrok dit en
+probeerde te leven als arbeider. Een tijd lang ging dat goed, maar
+spoedig verveelde hem de eenzaamheid en 't dagelijksch sloven--hij werd
+op nieuw kavalier. Den tweeden keer werd hij huisonderwijzer op Borg,
+bij Graaf Henrik Dohna. Toen werd hij verliefd op de jonge Ebba Dohna,
+de zuster van den Graaf. Maar toen zij stierf, juist toen hij geloofde
+haar gewonnen te hebben, gaf hij alle hoop op, ooit iets anders
+te worden dan kavalier op Ekeby. Het kwam hem voor alsof voor een
+afgezetten predikant alle wegen tot herstel van eer afgesloten waren.
+
+
+
+
+
+
+
+GÖSTA BERLING.
+
+I.
+
+KERSTNACHT.
+
+
+Sintram heet de booze grondeigenaar van Fors, hij met zijn lomp
+lichaam en zijn lange apenarmen, met zijn kalen kop en zijn leelijk,
+grijnzend gezicht, hij wiens lust het is kwaad te doen.
+
+Sintram heet hij. Hij neemt alleen landloopers en vechtersbazen
+als knecht aan en heeft altijd kibbelende, leugenachtige meisjes in
+zijn dienst. Hij maakt de honden razend, door ze naalden in in den
+neus te steken en voelt zich gelukkig tusschen slechte menschen en
+woedende dieren.
+
+Sintram heet hij. Zijn grootste genoegen is zich te verkleeden als
+duivel, met horens, een staart en een paardepoot en dan plotseling
+te voorschijn te schieten, uit donkere hoeken, uit bakkersovens of
+uit schuren, om bange kinderen en bijgeloovige vrouwen te verschrikken.
+
+Sintram heet hij. Hij vindt er genot in oude vriendschap in nieuwen
+haat te doen verkeeren en de harten met leugens te vergiftigen.
+
+Sintram heet hij!--En eens kwam hij op Ekeby.
+
+
+
+Trek de groote houtsleê midden in de smidse; gooi er een kar over
+met den bodem naar boven. Nu hebben we een tafel, hoera! een tafel!
+
+Hier met de stoelen, met alles waar je op zitten kunt, hier met
+de driepootige schoenmakerstoelen, en de leege kisten, hier met de
+oude gescheurde armstoelen zonder leuning en hier met de oude sleê
+zonder sleephouten en de oude koets. Ha! ha! ha! de oude koets moet
+het spreekgestoelte zijn! Kijk eens hier, 't eene wiel is er af en de
+heele kap is verdwenen. Alleen de bok is nog over; 't kussen is kapot
+van ouderdom. De oude kast is zoo hoog als een huis. Hou vast! Hou
+vast! Anders valt hij om!
+
+Hoera! hoera! 't Is kerstnacht op Ekeby! Achter de zijden gordijnen
+van 't groote ledikant slapen de Majoor en de Majoorske. Zij slapen en
+gelooven, dat ook in den kavaliersvleugel alles slaapt. De knechts en
+de meiden kunnen slapen op al die rijstenbrij en 't sterke kerstbier;
+maar de heeren in de kavaliersvleugel niet. Hoe kan iemand zich
+verbeelden dat de kavaliers slapen!
+
+Geen smeden met bloote voeten zijn in de weer met de ijzeren stangen;
+de jongens met roetzwarte handen komen niet aan met de kolenwagen,
+de groote hamer hangt stil boven aan 't dak, als een opgeheven arm
+met een gebalde vuist; 't aanbeeld staat leeg. De ovens sperren hun
+roode muilen niet open om kolen te verslinden; de blaasbalg piept
+niet. 't Is kerstmis. De smidse slaapt!
+
+Slaapt! zegt ge? Slaapt! Goede hemel! Slapen als de kavaliers wakker
+zijn! De groote tangen staan recht overeind op den vloer met kaarsen
+in den bek. Uit den grooten, blinkenden koperen ketel, waar tien kan
+ingaat, flikkert de blauwe vlam van den punch op naar het donkere
+dak. De hoornen lantaarn van Beerencreutz hangt aan den grooten
+hamer. De gele punch blinkt in den bowl als een heldere zon. Hier
+is een tafel en hier zijn banken. De kavaliers houden kerstnacht in
+de smidse.
+
+Hier is geraas en vroolijkheid, muziek en zang. 't Gedruisch van
+'t middernachtelijk feest wekt niemand. Al 't getier en gestommel in
+de smidse wordt verdoofd door 't machtige bruisen van den waterval
+daarbuiten.
+
+Daar is geraas en vroolijkheid! Als Mevrouw de Majoorske hen nu
+eens zag? Nu, wat zou dat! Zij zou zeker bij hen gaan zitten en een
+glas meêdrinken. Ze is een flinke vrouw; zij loopt niet weg voor een
+donderend drinklied of een spelletje kaart. De rijkste vrouw in heel
+Wermeland, barsch als een man en trotsch als een koningin is ze. Ze
+houdt van zang, van luid klinkende waldhorens en vioolspel. Ze houdt
+van wijn en kaartspel en lange tafels met vroolijke gasten. Ze ziet
+graag de voorraadschuren leeg worden, de kamers en zalen vol dans en
+vroolijkheid en de kavaliersvleugel vol kavaliers.
+
+Zie, daar zitten ze om den bowl, zij aan zij. Twaalf zijn er, twaalf
+kavaliers. Geen eendagsvliegen, geen modejonkers; maar mannen, wier
+namen lang zullen leven in Wermeland; moedige, sterke mannen.
+
+Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar
+arme, zorgelooze mannen, kavaliers van den morgen tot den avond.
+
+Geen slaperige thuiszitters, die 't hoofd laten hangen; maar
+rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen.
+
+Nu heeft de kavaliersvleugel al vele jaren leeggestaan. Ekeby is niet
+meer het toevluchtsoord voor daklooze kavaliers.
+
+Gepensionneerde officiers en arme edellieden rijden niet langer
+Wermeland rond in rammelende wagens; maar hier zullen ze herleven,
+de blijde, zorgelooze, altijd jonge kavaliers!
+
+Al deze ver in 't rond beroemde mannen konden een of meer instrumenten
+bespelen. Ze zijn allen zoo vol eigenaardigheden, van stopwoorden,
+invallen en liedjes als een mierenhoop van mieren; maar elk van
+hen heeft toch zijn bijzondere, hem alleen eigen, deugd, zijn hoog
+gewaardeerde kavalierseigenschap, die hem van de anderen onderscheidt.
+
+'t Eerst van allen die om den bowl zitten wil ik Beerencreutz noemen,
+de overste met den grooten witten knevel, de kaartspeler, de zanger
+van Bellmans liederen, en naast hem zijn vriend en oorlogmakker, de
+stille Majoor, de groote berenjager Anders Fuchs, en als de derde
+in de rij de kleine Ruster, de tamboer, die lang oppasser bij den
+overste geweest is; maar den rang van kavalier gewonnen heeft door
+zijn bekwaamheid in 't punch maken en zijn mooie basstem. Daarna
+moet de oude vaandrig vermeld worden, Rutger van Örneclou, de
+hartenbreker, met pruik, stijve witte das en jabot en geblanket als
+een vrouw. Hij is een van de uitstekendste onder de kavaliers en
+dat was ook Kristiaan Bergh, de sterke kapitein, een dapper held ,
+maar even gemakkelijk beet te nemen als de reus in het sprookje. In
+gezelschap van deze twee zag men vaak de kleine, kogelronde patroon
+Julius, vroolijk en blij, een helder hoofd, goed spreker, schilder,
+zanger en anekdotenverteller. Hij koos vaak den jichtigen vaandrig
+en den dommen als mikpunt voor zijn dwaze invallen.
+
+Dan was er ook de groote Duitscher Kevenhüller, de uitvinder van
+de vanzelf rijdende wagen en 't vliegmachine, wiens naam nog door
+de ruischende bosschen weerklinkt. Hij was een ridder van geboorte
+en uiterlijk, met grooten gedraaiden knevel, spitsen kinbaard,
+arendsneus en smalle in een stralenkrans van rimpels, schuin geplaatste
+oogen. Hier zat de groote krijgsheld, neef Christoffel, die nooit
+buiten de wanden van den kavaliersvleugel kwam, dan als er berenjacht
+was, of kans op een gewaagd avontuur; en naast hem Oom Eberhard,
+de filosoof, die niet om grappen te maken of feest te vieren naar
+Ekeby was getrokken, maar om, vrij van geldzorgen, zijn groot werk
+over de wetenschap bij uitnemendheid te voltooien.
+
+'t Laatst van allen noem ik de besten: de zachtmoedige Löwenborg,
+de vrome man, die te goed voor deze wereld was en de wereldsche
+zaken maar niet best kon vatten en Liljecrona, de groote musicus,
+die een goed tehuis had en daar altijd naar verlangde; maar toch op
+Ekeby blijven moest, omdat zijn geest behoefte had aan rijkdom en
+afwisseling om het leven uit te kunnen houden.
+
+Al die elf mannen hadden hun jeugd achter zich en enkelen waren reeds
+op weg naar den ouden dag. Maar in hun midden was een, die nog pas
+dertig jaar oud was en nog in 't volle bezit van zijn lichamelijke
+en geestelijke kracht. Dat was Gösta Berling, de kavalier bij
+uitnemendheid, die alleen beter spreker, zanger, musicus, jager,
+drinker en speler was, dan al de anderen te samen. Hij bezat alle
+kavaliersdeugden. Welk een man had de Majoorske van hem gemaakt!
+
+Zie, hoe hij nu op 't spreekgestoelte staat. De duisternis hangt van
+'t berookte dak in zware plooien over hem heen, maar zijn licht hoofd
+straalt er door, als dat van een jongen God, een der lichtdragers,
+die orde in den chaos bracht; slank, schoon, dorstend naar avonturen
+staat hij daar.
+
+Maar hij spreekt met diepen ernst:
+
+"Broeders, kavaliers! weldra zal het middernacht zijn. 't Feest
+is reeds ver gevorderd. Het oogenblik is daar om te drinken op den
+dertienden man aan tafel."
+
+"Lieve broeder Gösta!" roept patroon Julius, "hier is geen dertiende,
+wij zijn maar met ons twaalven!"
+
+"Op Ekeby sterft ieder jaar een man," gaat Gösta met steeds dieper
+stem voort. "Een van de gasten in den kavaliersvleugel sterft, een van
+de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig jongen. Wat zou dat? Kavaliers
+moeten niet oud worden. Als onze bevende handen het glas niet meer
+kunnen omhoog heffen, als onze halfblinde oogen de kaarten niet
+meer kunnen onderscheiden, wat hebben wij dan aan 't leven en wat
+heeft het leven dan aan ons? Een moet sterven van de dertien, die den
+Kerstnacht vieren op Ekeby, maar ieder jaar komt er een nieuwe bij om
+'t getal vol te maken. Een man, die bekwaam is in 't werk der vreugde,
+die een viool kan bespelen en de kaarten kent, moet komen, om onzen
+kring voltallig te maken. Oude vlinders moeten weten te sterven,
+terwijl de zomerzon schijnt. Ik drink op den dertiende!"
+
+"Maar Gösta, wij zijn maar met ons twaalven," riepen de kavaliers en
+roerden hun glas niet aan.
+
+Gösta Berling, dien zij de dichter noemden, schoon hij nooit gedichten
+schreef, ging kalm voort:
+
+"Broeders, kavaliers. Hebt ge vergeten, wie gij zijt? Gij zijt het,
+die de vreugde in 't leven houdt in Wermeland. Gij moet de strijkstok
+vaart geven en den dans in gang zetten; zang en snarenspel laten
+klinken door 't land. Waart gij er niet--de dans zou uitsterven;
+met den zomer, de rozen, het kaartspel en den zang was het gedaan en
+in heel dit gezegende land zou er niets dan ijzer en grondeigenaars
+overblijven. Maar de vreugde zal leven, zoolang gij leeft! Zes jaar
+achtereen reeds hebt gij den Kerstnacht gevierd in de smidse van Ekeby
+en nooit heeft iemand geweigerd op den dertienden te drinken. Wie is
+er onder u, die bang is voor den dood?"
+
+"Maar Gösta," riepen ze weer, "als we maar met ons twaalven zijn,
+hoe kunnen we dan op den dertiende drinken!"
+
+Ernstige bekommering staat op Gösta's gezicht te lezen. "Zijn wij
+maar met onzen twaalven?" zegt hij. "Waarom is dat? Zullen wij
+uitsterven op aarde? Zullen we dan 't volgende jaar met ons elven
+zijn?--En dan met ons tienen? Moet ons leven een sage worden--te
+gronde gaan?--Ik roep hem hier, den dertiende, want ik ben opgestaan
+om op hem te drinken. Uit de diepte der zee, en 't hart der aarde,
+uit den hemel, uit den hel roep ik hem hier, die 't getal der kavaliers
+moet aanvullen!"
+
+Daar rammelt het in den schoorsteen, daar vliegen de deuren van den
+grooten smeltoven open, daar komt de dertiende! Ruig van 't hoofd tot
+de voeten, met staart en paardenpoot, met horens en spitsen baard,
+en de kavaliers springen op met een kreet als ze hem zien.
+
+Maar luid jubelend roept Gösta Berling: "De dertiende is gekomen? Leve
+de dertiende!"
+
+Zoo is hij dan gekomen, de oude vijand van 't menschdom, gekomen
+bij de vermetelen, die den vrede van den heiligen nacht verstoren;
+de vriend van de heksen op den Bloksberg, hij, die zijn contracten
+met bloed op pikzwart papier schrijft, hij, die met de gravin op
+Ivarsnäs zeven dagen danste en door zeven predikanten niet verdreven
+kon worden. Hij is gekomen!
+
+In woeste vaart vliegen de gedachten door de hoofden der oude
+avonturiers. Zij denken er over om wien hij vannacht zou zijn
+uitgegaan.
+
+Velen van hen waren op 't punt van schrik weg te loopen; maar al
+spoedig begrepen ze, dat hij niet gekomen was om hen bij zich in zijn
+duister rijk te nemen, maar dat het klinken der bekers en de zang
+hem gelokt hadden. Hij wilde de vreugde der menschen genieten in den
+heiligen Kerstnacht en den last der regeering afwerpen in dezen tijd
+van blijdschap.
+
+Kavaliers, kavaliers! wie van u denkt er aan, dat het Kerstnacht
+is? Op dit oogenblik zingen de engelen voor de herders op het veld;
+de kinders in bed liggen wakker en zijn bang dat ze zóó vast in zullen
+slapen, dat ze 't heerlijk morgenlied niet hooren. Straks is het tijd,
+de kerstlichten in de kerk te Bro aan te steken en diep in 't bosch,
+bij de hut heeft de jonge man de knetterende houtmijt opgestapeld,
+die zijn liefste zal voorlichten op weg naar de kerk. In alle kleine
+huisjes heeft de huismoeder takjes met lichtjes er aan in het venster
+gezet, om aan te steken, als de kerkgangers voorbij kwamen.
+
+De klokkenluider overhoort zich zelf de kerstpsalmen in den slaap
+en de oude proost ligt te bed en probeert of hij stem genoeg heeft
+om te zingen: "Eere zij God in den hooge, vrede op aarde, en in de
+menschen een welbehagen."
+
+Och, kavaliers, het was beter voor u geweest in deze nacht van vrede,
+rustig te bed te gaan dan omgang met den Booze te plegen.
+
+Maar zij begroeten hem met gejubel en heeten hem welkom, even als
+Gösta. Een beker met den brandenden drank gevuld, wordt hem voorgezet
+en zij geven hem de eereplaats aan tafel. Beerencreutz noodigt hem uit
+tot een spelletje kaart, Patroon Julius zingt hem zijn mooiste liederen
+voor en Örneclou spreekt met hem over schoone vrouwen, die hemelsche
+wezens, die het aardsche leven met rozen doorwezen. Hij heeft het naar
+zijn zin, de gehoornde en leunt in vorstelijke houding achterover tegen
+den ouden koetsiersbok, en brengt den beker aan zijn grijnzenden mond.
+
+Gösta Berling slaat natuurlijk een toast op hem.
+
+"Uwe Excellentie!" zegt hij. "Wij hebben U al lang verwacht hier
+op Ekeby, want U zult wel geen toegang hebben tot eenig ander
+paradijs. Hier leeft men zonder te zaaien of te spinnen, zooals Uwe
+Excellentie zeker wel weet. Hier vliegen ons de gebraden duiven in den
+mond; hier vloeien sterk bier en zoete brandewijn in alle beekjes en
+stroomen. 't Is hier een goed verblijf, onthoud dat, Uwe Excellentie.
+
+"Wij, kavaliers, hebben werkelijk naar U verlangd, want wij waren
+nog niet recht voltallig tot nu toe. Want zie, wij zijn iets meer
+dan wij toonen. Wij zijn de oude groep van twaalve uit de poëzie,
+die door alle tijden heen gaat. Met ons twaalven bestuurden wij de
+wereld van den hoogen, door wolken omringden top van den Olympus. Met
+ons twaalven woonden wij als vogels in den kroon van Yggdrasil, den
+ouden wereldeik. Zaten wij niet met ons twaalven met koning Arthur om
+de ronde tafel en prijkten we niet als twaalf helden in 't leger van
+Karel den Groote? Een van ons was Thor, een ander Jupiter--dat kan
+ieder heden ten dage ons nog aan zien. Nog kan men den goddelijken
+glans zien stralen door de lompen, nog ziet men de leeuwenmanen door
+de ezelshuid heen. De tijd heeft ons ruw behandeld, maar als wij hier
+zijn, wordt de smidse een Olymp en de kavaliersvleugel een Walhalla.
+
+"Maar, Uwe Excellentie, wij waren niet voltallig. Gij weet wel, dat
+in groep van twaalve der oude poëzie altijd een Loke, een Prometheus,
+een Ganelon moest zijn. Hem hebben wij gemist.
+
+"Uwe Excellentie, ik heet U welkom!"
+
+"Zoo, zoo," zegt de Booze. "Mooie woorden, mooie woorden! En ik heb
+geen tijd om te antwoorden! Zaken, lieve vrienden, zaken. Ik moet
+onmiddellijk weg, anders zou ik me gaarne tot uwe beschikking stellen
+in welke rol dan ook. Ik dank U zeer voor uw vriendelijke ontvangst,
+kameraden. Tot weerziens."
+
+Daarop vragen de kavaliers, waar hij heen gaat, en hij antwoordt,
+dat hij naar de Genadige vrouw van Ekeby moet; dat mevrouw de
+Majoorske hem wacht om haar contract te vernieuwen. Groote verbazing
+onder de kavaliers. Een strenge, bekwame vrouw is ze. Op haar breede
+schouders draagt ze een ton rogge. Ze volgt het ertstransport van de
+berggroeve heel tot Ekeby toe. Ze slaapt als een wagenmenner op den
+grond in de schuur met een zak onder het hoofd. 's Winters kan ze
+een kolenbranderij besturen, 's zomers een houtvlot 't Löfvenmeer af
+brengen. Een kloeke vrouw is ze, die weet te bevelen. Ze vloekt als
+een boerenknecht en ze regeert haar zeven bergwerken en de hoeven
+van haar buren er bij, ja heel het mooie Wermeland. Maar voor de
+daklooze kavaliers is ze als een moeder geweest en daarom wilden ze
+niet luisteren naar den laster, die fluisterde, dat ze een verbond
+met den duivel gesloten had. Dus vragen ze verwonderd, welk contract
+ze met hem gesloten heeft.
+
+En hij, de zwarte, antwoordt, dat hij de Majoorske de zeven bergwerken
+geschonken heeft onder voorwaarde, dat ze hem ieder jaar een ziel
+zenden zou.
+
+O, welk een ontzetting doet de harten der kavaliers ineenkrimpen!
+
+Ze wisten het immers wel, maar ze hadden 't tot nu toe niet
+begrepen. Op Ekeby sterft ieder jaar een man, een der gasten der
+kavaliersvleugel sterft, een van de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig
+jongen; nu, wat zou dat!--Kavaliers moeten niet oud worden. Als hun
+bevende handen het glas niet meer kunnen opheffen, als hun halfblinde
+oogen de kaarten niet meer kunnen onderscheiden, wat hebben zij dan
+aan 't leven en wat heeft het leven dan aan hen? Vlinders moeten
+weten te sterven, terwijl de zon schijnt.
+
+Maar nu eerst begrepen zij alles.
+
+Wee over die vrouw! daarom geeft ze hen dus zoo menig goeden maaltijd,
+daarom liet zij hen haar sterk bier en zoeten brandewijn drinken,
+opdat zij uit de drinkzaal en van de speeltafel op Ekeby neer zullen
+storten in 't rijk der verdoemenis. Eén per jaar, ieder jaar één!!
+
+Wee die vrouw, die heks! Sterke, dappere mannen waren hier naar Ekeby
+gekomen--maar alleen om te vergaan. Zij leidde hen te verderve; hun
+hersens werden als sponzen, hun longen als droge asch, hun geest werd
+verduisterd, als ze neerzonken op 't sterfbed, bereid voor de lange
+hopelooze reis, die hun de ziel zou kosten. Wee over die vrouw! Zoo
+zijn beter mannen dan zij gestorven en zoo zullen zij ook heengaan.
+
+Maar niet lang staan de kavaliers daar als verlamd van schrik. "Jij,
+koning der duisternis!" roepen ze uit, "met die heks zul je nooit
+meer je contracten sluiten en ze met bloed schrijven; zij zal
+sterven! Kristiaan Bergh, de sterke kapitein heeft den zwaarsten
+smidshamer over den schouder geworpen; die zal begraven worden in het
+hoofd van dat monster. Zij zal geen zielen meer offeren. En jou zelf,
+gehoornde zullen we op 't aanbeeld leggen en den stoomhamer boven je
+loslaten. We zullen je met tangen vasthouden onder de hamerslagen. We
+zullen 't je wel afleeren op jacht naar kavalierszielen te gaan."
+
+Laf is de booze! dat is van ouds bekend en dat praten over den
+stoomhamer bevalt hem niet. Hij roept Kristiaan Bergh terug en begint
+met de kavaliers te onderhandelen.
+
+"Maar de zeven bergwerken voor dit jaar, kavaliers, neem ze zelf en
+geef mij de Majoorske."
+
+"Meen je, dat we even laaghartig zijn als zij!" roept Patroon
+Julius. "Ekeby en alle bergwerken willen we hebben. Zie jij maar,
+dat je de Majoorske krijgt!"
+
+"Wat zegt Gösta hiervan, Gösta, wat zeg jij er van? Gösta moet
+spreken. We moeten hem hooren in zulk een gewichtige zaak."
+
+"'t Is allemaal onzin," zegt Gösta Berling. "Kavaliers, laat je
+toch niet door hem voor den gek houden. Wat zijn wij tegenover de
+Majoorske! Laat het met onze zielen gaan zooals 't moet; maar met
+mijn toestemming zullen we ons niet aanstellen als ondankbare vlegels,
+als schurken en verraders. Ik heb te lang het brood van de Majoorske
+gegeten om haar nu af vallen."
+
+"Nu, ga jij maar naar de hel, Gösta, als je daar lust in hebt. Wij
+willen liever zelf Ekeby regeeren."
+
+"Maar ben jelui dan heelemaal dwaas of heb je al je verstand
+verdronken? Geloof jelui dan, dat 't waar is? Geloof je dan, dat
+hij de Booze is. Kun je dan niet merken, dat 't alles vervloekte
+leugens zijn?"
+
+"Hi, hi! kijk eens hier," roept de zwarte, "hij merkt niet eens hoe
+ver hij al gekomen is, en toch is hij al zeven jaar op Ekeby geweest."
+
+"Och! praatjes, oude! Ik heb je immers zelf daar in den oven gestopt."
+
+"Alsof dat er wat toe deed! alsof ik daarom niet even goed een duivel
+kan zijn. Ja, ja Gösta Berling, je hebt praats genoeg. Je bent al
+mooi onder den invloed van Majoorske."
+
+"Zij heeft me gered," zegt Gösta. "Wat zou ik geweest zijn zonder
+haar."
+
+"Kijk eens hier! Alsof ze er niet haar bedoeling meê gehad zou hebben,
+met je hier op Ekeby te houden. Je kunt menigeen in 't net lokken;
+je hebt groote gaven. Eens heb je geprobeerd van haar weg te komen,
+je kreegt een huis van haar en je werdt arbeider; je wou je eigen
+brood verdienen. Elken dag ging ze voorbij 't huis, met een paar mooie
+meisjes. En eens bracht ze Marianne Sinclaire meê; toen gooide je de
+spa en 't schootsvel weg en werd weer kavalier, Gösta Berling."
+
+"'t Was toch mijn eigen keus, ezel!"
+
+"Jawel, ja zeker was 't je eigen keus. Later kwam je op Borg en
+werd gouverneur van Hendrik Dohna en je was toen bijna Gravin Märta's
+schoonzoon geworden. Wie maakte, dat de jonge Ebba Dohna te weten kwam,
+dat je maar een afgezette dominé was zoodat ze je den bons gaf? Dat
+deed de Majoorske, Gösta Berling. Zij wou je terug hebben!"
+
+"'t Mocht wat, zegt Gösta. "Ebba Dohna stierf kort daarna. Haar zou
+'k toch niet gekregen hebben."
+
+Toen ging de zwarte dicht bij hem staan en siste hem in 't oor:
+"stierf." Ja zeker stierf ze! Ze bracht zich om 't leven om
+jouwentwil. Dàt deed ze. Maar dat hebben ze je nooit verteld."
+
+"Je bent nog zoo'n slechte duivel niet," zei Gösta.
+
+"De Majoorske heeft dat allemaal beredderd, zeg ik je. Ze wou je in
+den kavaliersvleugel terug hebben."
+
+Gösta lachte luid. "Je bent een echte duivel," riep hij woest. "Waarom
+zouden we geen contract met je sluiten. Je kunt ons de zeven bergwerken
+wel bezorgen, als je wilt."
+
+"'t Is goed, dat je je geluk niet vergooit."
+
+De kavaliers slaakten een zucht van verlichting. Zóó ver was het met
+hen gekomen, dat zij niets konden doen zonder Gösta. Had hij niet
+gewild, dan hadden ze den koop niet aangedurfd. En 't was toch nog
+zoo kwaad niet voor straatarme kavaliers, zeven bergwerken te krijgen
+om over te beschikken.
+
+"Let nu goed op," zegt Gösta, "dat we de zeven bergwerken nemen
+om onze zielen te redden, maar niet om grondeigenaars te worden,
+die geld tellen en ijzer wegen; geen uitgedroogde perkamenten, geen
+dichtgesnoerde geldzakken willen we worden. Kavaliers willen we zijn
+en blijven!"
+
+"Woorden van wijsheid," mompelt de zwarte.
+
+"Als je ons daarvoor de zeven bergwerken geeft voor een jaar, dan
+nemen wij ze aan; maar onthoudt dit goed: als we in dien tijd iets
+doen, dat niet kavaliersachtig is, als we iets doen, dat wijs of
+nuttig of oudewijfachtig is, dan kun je ons alle twaalf krijgen, als
+'t jaar voorbij is en de bergwerken geven aan wie je wilt."
+
+De Booze wrijft zich in de handen van pleizier.
+
+"Maar als we ons voortdurend als ware kavaliers gedragen," gaat Gösta
+voort, "dan mag je nooit weer een contract over Ekeby sluiten en je
+krijgt niets voor dit jaar, noch van ons, noch van de Majoorske."
+
+"Dat is hard," zegt de Booze. "Ach lieve Gösta! je kondt me toch
+wel één zieltje gunnen, een enkel armzalig zieltje. Geef mij de
+Majoorske. Waarom wil je die sparen?"
+
+"Ik drijf geen handel in zulke waren," schreeuwt Gösta. "Maar als je
+iemand hebben wilt, dan moet je den ouden Sintram van Fors nemen. Hij
+is rijp voor de hel! daar sta ik je voor in!"
+
+"Best, best!" antwoordt de oude heer, zonder een spier van zijn
+gezicht te vertrekken. "De kavaliers of Sintram, dat staat zoowat
+gelijk. Dat wordt een goed jaar!"
+
+Daarop wordt het contract geschreven met bloed uit Gösta's pink op
+'t zwarte papier van den Booze en met zijn veeren pen.
+
+En als dat gedaan is, jubelen de kavaliers. Nu zullen dan alle
+heerlijkheden dezer wereld hun een heel jaar lang toebehooren. En
+dan kunnen ze altijd verder zien.
+
+Ze zetten de stoelen weg en reiken elkaar de hand om den
+punchketel, midden op den zwarten vloer en draaien er om heen in
+wilden dans. Midden in den kring danst de Booze en springt hoog op;
+eindelijk valt hij zoo lang als hij is naast den ketel, haalt die
+naar zich toe en drinkt er uit.
+
+Dan werpt Beerencreutz zich naast hem neer en dan Gösta Berling, en
+daarop leggen zij zich allen in een kring om den ketel, die rondgaat
+van mond tot mond. Eindelijk krijgt die een duw en valt om, zoodat
+de heete, kleverige drank over de liggenden heen stroomt.
+
+Als zij vloekende opgestaan zijn, is de Booze verdwenen; maar zijn
+gulden beloften zweven als stralenkransen boven de hoofden der
+kavaliers.
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+HET KERSTFEEST.
+
+
+Op den eersten Kerstdag geeft de Majoorske Samzelius een groot feest
+op Ekeby.
+
+Zij zit als gastvrouw aan een tafel, gedekt voor vijftig gasten. Zij
+zit daar in glans en heerlijkheid; de korte bonten pels, het gestreepte
+wollen kleed en de kleine pijp zijn verdwenen. Zijde ruischt om haar
+heen, gouden armbanden hangen zwaar om haar armen, en paarlen liggen
+koel op haar witten hals.
+
+Waar zijn de kavaliers? Waar zijn zij, die den vorigen avond in de
+smidse punch dronken uit den blanken koperen ketel op de gezondheid
+van de nieuwe heeren van Ekeby?
+
+In een hoek bij de kachel zitten de kavaliers aan een aparte
+tafel. Vandaag is er voor hen aan de groote tafel geen plaats. Bij
+hen komen de schotels laat en komt de wijn spaarzaam; hen bereiken
+de blikken der schoone dames niet; niemand luistert er naar Gösta's
+scherts.
+
+Maar de kavaliers zijn als getemde veulens, als matte roofdieren. Maar
+één uur nachtrust hebben zij gehad; toen reden zij naar de vroegpreek
+bij fakkel- en sterrenlicht. Zij zagen de Kerstlichten en hoorden
+de Kerstpsalmen, en zij glimlachten als kinderen. Zij vergaten den
+Kerstnacht in de smidse, als was dat een akelige droom.
+
+Groot en machtig is de Majoorske op Ekeby. Wie waagt het zijn arm
+tegen haar op te heffen? Wie waagt het den mond tegen haar te openen,
+om tegen haar te getuigen? Zeker niet een paar arme kavaliers, die haar
+brood aten, velen jaren lang, en sliepen onder haar dak. Zij zet ze
+waar zij wil, zij kan haar deur voor hen sluiten als zij wil, en zij
+kunnen haar macht niet eens ontvluchten. God zij hen genadig! Ergens
+anders dan op Ekeby kunnen zij niet leven.
+
+Aan de groote tafel geniet men het leven; dáár stralen de mooie oogen
+van Marianne Sinclaire, daar klinkt de vroolijke lach van gravin Dohna.
+
+Maar bij de kavaliers is het stil. Was het toch niet billijk, dat
+zij, die aan den Booze verkocht zijn, ter wille van de Majoorske,
+met de andere gasten aan één tafel zaten? Wat is dat toch voor een
+schandaal, die tafel daar bij de kachel! Zijn de kavaliers dan niet
+waardig bij de notabelen aan tafel te zitten?
+
+Trotsch zit daar de Majoorske tusschen den graaf van Borg en den
+predikant van Bro. De kavaliers laten het hoofd hangen als stoute
+kinderen, die in den hoek staan. En de gedachten van den vorigen
+nacht worden weer in hen wakker.
+
+Als schuwe gasten komen de vroolijke invallen, de dwaze vertelsels
+aan de tafel in den hoek.
+
+Daar houden de toorn en de beloften van den vorigen nacht intocht
+in de hersens der kavaliers. Wel maakt de patroon Julius den sterken
+kapitein Kristiaan Bergh wijs, dat de fijne gebraden vogels, die nu
+aan de groote tafel worden rondgediend, niet toereikend zijn voor
+alle gasten, maar die aardigheid gaat niet op.
+
+"Er zijn er niet genoeg," zegt hij. "Ik weet hoeveel er waren; maar
+dat hindert niet, kapitein Bergh; ze hebben voor ons hier aan de
+kleine tafel kraaien gebraden."
+
+Maar slechts een flauwe glimlach speelt er om de lippen van den overste
+Beerencreutz, en Gösta ziet er den heelen dag uit, alsof hij van plan
+is den een of ander dood te slaan.
+
+"Is niet alle eten goed genoeg voor de kavaliers?" vraagt hij.
+
+Eindelijk komt een groote schotel prachtig gebraden vogels bij de
+kleine tafel.
+
+Maar kapitein Kristiaan is boos. Heeft hij de kraaien niet levenslang
+een vurigen haat toegedragen--die leelijke schreeuwende schepsels. Zóo
+bitter was zijn haat, dat hij in 't najaar vrouwenkleeren aantrok,
+en zich voor iedereen belachelijk maakte, alleen om ze onder schot te
+krijgen, als ze het koren op de velden wegvraten. Hij vervolgde ze
+in den paartijd op 't veld in 't voorjaar, om ze dood te slaan. Hij
+zocht hun nesten in den zomer, smeet de scheeuwende, veerlooze jongen
+er uit en verbrijzelde de halfuitgebroede eieren.
+
+Nu trekt hij den schotel met de fijne vogels naar zich toe.
+
+"Meen je, dat ik ze niet ken?" brult hij den knecht tegemoet. "Geloof
+je, dat ik ze moet hooren schreeuwen, om ze te herkennen? Foei voor
+den duivel! Hoe durf je Kristiaan Bergh kraaien voorzetten!"
+
+En precies als hij de hulpelooze, jonge kraaien tegen de rotsen
+slingert, zoo smakt hij den eenen gebraden vogel na den anderen tegen
+den wand. Saus en vet vliegt om hem heen, de verbrijzelde vogels
+stuiven terug en glijden over den grond. En de kavaliers schateren.
+
+Daar klinkt de vertoornde stem van de Majoorske.
+
+"Zet hem de deur uit!" roept zij tot de bedienden.
+
+Maar dat durven ze niet. Hij is toch Kristiaan Bergh, de sterke
+kapitein.
+
+"Zet hem de deur uit!"
+
+Hij hoort dat bevel, en verschrikkelijk in zijn woede, wendt hij zich
+nu tot de Majoorske, zooals een beer zich van zijn gevallen vijand
+naar een nieuwen aanvaller keert. Hij gaat naar de groote tafel, die
+den vorm van een hoefijzer heeft. De vloer dreunt onder de voetstappen
+van den reus. Hij blijft vlak over haar staan, met de tafel tusschen
+hen in.
+
+"Zet hem de deur uit!" roept de Majoorske nog eens.
+
+Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde
+vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven
+hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand
+verbijsterd heeft?
+
+Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist:
+
+"Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?"
+
+"De deur uit, kapitein!"
+
+"Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf
+wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken...."
+
+"Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand
+vloeken dan ik!"
+
+"Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet
+weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?"
+
+"Zwijg, kapitein!"
+
+"Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje
+geweest was."
+
+"Zwijg!"
+
+"Omdat je zoo'n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En
+de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen
+en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd,
+maar nu zal 't met je gedaan zijn."
+
+De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan
+bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; "Ja nu is
+'t met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh."
+
+Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken,
+en de tranen van angst komen hem in de oogen.
+
+"Ik ben dronken!" roept hij uit; "ik weet niet wat ik zeg; ik heb
+niets gezegd! Een hond en een slaaf--niets anders ben ik veertig
+jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik
+levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik
+iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond,
+die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij
+schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar
+lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!"
+
+En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar
+om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel
+zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en
+kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
+
+Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij
+heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote
+onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn
+eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius.
+
+Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En
+de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien
+van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan
+de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom
+van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
+
+De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich;
+hij heft den arm op.
+
+Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar
+stem. "Je hebt mij gestolen!" barst ze uit. "Je kwam als een roover
+en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan,
+met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover
+je gehandeld zooals je verdiende.
+
+"Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een
+huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om
+wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je
+vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij
+ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn
+wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten
+jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven
+bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt
+je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan."
+
+De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op
+hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben,
+dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen.
+
+"Ik wist het niet," zegt hij stampvoetend.
+
+"Dan is 't goed, dat je het nu weet," valt zij hem in de rede, met
+snijdende stem. "Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te
+hooren; 't is goed, dat je 't nu weet, dat ik vrij met je spreken
+kan, mijn meester en cipier! Weet 't dan nu, dat ik hem toch heb
+toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen 't weten,
+die me belasterd hebben."
+
+'t Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt
+uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven,
+gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om
+zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is,
+maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken
+kan over de schoonste herinnering van haar leven.
+
+"Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde
+zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij
+gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!"
+
+Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij,
+hoe hij haar straffen moet.
+
+"Weg!" brult hij, "weg uit mijn huis!"
+
+Zij staat versteend.
+
+En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt
+immers alles uit, zooals de Booze 't voorspeld heeft. Nu zien ze er
+de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft
+kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is 't zeker ook wel waar,
+dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden,
+en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks!
+
+"Weg met jou," gaat de Majoor voort. "Bedel je brood langs den weg. Je
+zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed
+niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als
+je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood."
+
+"Wil je mij uit mijn huis jagen?"
+
+"Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!"
+
+Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur,
+en hij volgt haar op den voet.
+
+"Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt," klaagt zij; "zul je nu
+ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?"
+
+"Weg met jou!"
+
+Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen
+handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: "je zult verloochend
+worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis,
+de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren....!"
+
+De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar
+den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat 't
+beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals
+het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van
+zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor
+een oogenblik Kristiaan Bergh.
+
+"Het is een oude historie!" roept hij. "Ik wist van niets vóór
+vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen."
+
+Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed.
+
+"Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk," zegt
+ze. En zij gaat van de deur weg.
+
+De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt,
+met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil.
+
+"Helpt mij toch!" roept ze; "laat ons dien man binden en naar buiten
+brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie
+ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik
+bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren
+in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt
+ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van 't
+houthakken in mijn bosschen en 't erts vervoeren uit mijn bergwerken,
+de kolenbrander door 't kolen leveren aan mij, de houtvlotter door 't
+halen van mijn houtvlotten. Ik ben 't, die den winst brengende arbeid
+geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg
+je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen."
+
+Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt
+men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor.
+
+"Neen," zegt hij, "ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik
+zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar
+naar den berenkuil beneden."
+
+En bij die woorden zinken de helpende handen neer.
+
+Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers.
+
+"Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb
+ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit
+sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van
+je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet
+veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet
+vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die
+'t ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen,
+kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden."
+
+Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de
+groote tafel heeft gezeten. "Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar,
+Anna," zegt hij zacht; "weet je of het de Majoorske was, die Ebba
+vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?"
+
+"Help de Majoorske, Gösta," is haar eenig antwoord.
+
+"Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een
+moordenaar gemaakt heeft."
+
+"Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta."
+
+"Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is 't wel waar wat
+Sintram zei."
+
+En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om
+de Majoorske te helpen.
+
+Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel
+in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun
+hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan
+in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen
+van den nacht bevestigen?
+
+"Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft,"
+mompelden zij.
+
+Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp
+verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen
+handen tot voor haar gezicht. "Je zult verloochend worden zooals je
+mij verloochent," roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. "Moge
+de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!"
+
+Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog:
+
+"Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd
+komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg
+staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij,
+Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen,
+neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op
+je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna,
+Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben,
+die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers,
+nu zal er een storm over 't land varen, nu is jullie tijd voorbij;
+waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie,
+want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven,
+nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige
+menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!"
+
+De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het
+hoofd en zegt:
+
+"Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je
+mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?"
+
+De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet,
+dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man
+aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft
+liefgehad, zal een moordenaar worden.
+
+"Moet ik nu ook nog vergeven?" zegt zij. "Heb je niet schuld aan al
+mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug
+je over je werk."
+
+Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting
+achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze
+gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar
+ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet
+erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug,
+met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden
+met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers
+van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund
+en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de
+kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een
+moordenaar te maken.
+
+Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars
+gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten.
+
+Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö,
+dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer's testament,
+waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond
+duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden,
+maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw
+of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet
+kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover
+aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken
+de grootst mogelijke schade deed.
+
+Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de
+handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd
+had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd,
+dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen
+zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen,
+d. w. z. "niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;"
+en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was,
+die hen in het verderf had willen storten.
+
+De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie
+gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag
+hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en
+tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden,
+omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof.
+
+Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker,
+dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat
+zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat 't beter
+voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid,
+schuld te hebben aan Ebba Dohna's zelfmoord. Hij verhief zijn hand
+niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te
+helpen. Dat kon hij niet.
+
+Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De
+Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun
+harten waren vol vreugd--en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht,
+hij spreidde die niet op 't gelaat of op de lippen ten toon.
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+GÖSTA BERLING, DE DICHTER.
+
+
+'t Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg.
+
+In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd
+en had een jonge, schoone vrouw. 't Zou vroolijk toegaan op het oude
+grafelijke goed.
+
+Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat
+van allen, die er dit jaar 't Kerstfeest vierden, Gösta Berling,
+"de dichter," zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er
+heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer,
+maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in
+Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden,
+om van Ekeby naar Borg te komen.
+
+De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude
+heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest
+ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren
+de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij
+kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde
+krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over
+de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal,
+om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en
+greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en
+pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid
+en tintelde van geest.
+
+Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde
+psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos
+hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla
+toen woonde en waar hij wilde gaan eten.
+
+Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg
+naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met
+scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten,
+en vertrok even ongaarne als zij.
+
+De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven
+zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling
+welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin,
+gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de
+groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun
+wisselvallig lot.
+
+De zorg stond voor de deur, zeide zij. 't Waren moeilijke tijden
+op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch
+voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de
+slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De
+kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen,
+die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij
+"voor den pot zorgen." Maar dat kon er nog door, als hij maar niet
+met een ellendigen vos thuiskwam, 't ongelukkigste dier, dat Onze
+Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is.
+
+En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans
+te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te
+werken, die engel.
+
+Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door
+'t huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet
+altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter
+geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot
+loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze 't nog niet gezien; maar
+ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken
+kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis,
+en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als
+ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen.
+
+"Want hoe moet het toch gaan?" riep ze uit en droogde haar oogen,
+die telkens vol tranen schoten, "wij hebben schuld aan den boozen
+Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd
+met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt
+haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze
+negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van 't eene
+bal naar 't andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit,
+met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er
+worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert--behalve arbeid!"
+
+Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste
+Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis
+met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een
+bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide
+een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken
+handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten
+over de witte handen, die Gösta kussen mocht.
+
+Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun
+kring. Vroolijk vroegen ze hem: "Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge
+daar in het beloofde land?"
+
+"Daar vloeien melk en honig," antwoordde hij. "Wij halen 't ijzer uit
+de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud
+voort; daarmeê vergulden we 's levens ellende, en we houwen onze
+bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen."
+
+Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over
+haar lippen kwam maar één woord: "dichter!"
+
+"Veel zonden heb ik op mijn geweten," antwoordde Gösta, "maar nooit
+heb ik een regel poëzie geschreven."
+
+"Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je
+hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben."
+
+Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder
+met hem over zijn misbruikt leven. "Ik zal 't nog wel beleven, dat
+je een man wordt," zei ze. En hem scheen 't toe, dat 't hem goed
+deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw
+een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige
+liefde koesterde voor groote daden.
+
+Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij 't
+vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en 't kerstbier
+gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun
+van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen,
+hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de
+booze Sintram binnen.
+
+Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede
+voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. 't Was
+duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen.
+
+"Heb je 't gehoord?" vroeg de Booze; "heb je 't gehoord, dat vandaag
+voor 't eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg
+in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten,
+dat ze met Ferdinand verloofd is."
+
+Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd.
+
+En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen
+man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een
+erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van
+hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel
+komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder
+liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke
+liefde.
+
+Maar--in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte
+duizend plannen.
+
+"Hoor," riep hij uit, "nog is 't geen tijd van klagen! 't Is de
+dominé's-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is
+het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg
+te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen 't nooit worden. Nu
+ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik
+zal ze weghalen van de dominé's-familie, van haar bruidegom. Ik zal
+ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste
+geen pleizier van haar hebben."
+
+Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de
+vroolijke meisjes naar 't bal te nemen; maar de vurige wenschen van
+de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat
+de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven,
+om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van
+vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal.
+
+De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes,
+rood gebonden, in de hand.
+
+"Neem die," zeide ze tegen Gösta, "en houd ze, als je niet slaagt. 't
+Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht
+zullen worden."
+
+"Ik slaag altijd."
+
+"Ach, Gösta, Gösta," antwoordde ze, en streek met de hand over zijn
+ontbloot hoofd, "sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je
+'t onthouden, dat 't geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!"
+
+Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan
+getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het
+avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij
+zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie
+van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar
+'t bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong
+meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten
+Don Juan willen rijden!
+
+Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch
+en overmoedig,
+
+"Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?"
+
+"Heeft hij gezegd, dat je 't mooiste meisje bent tusschen 't Löfvenmeer
+en de Klarbeek?"
+
+"Je bent dom, Gösta, dat weten de menschen wel. Hij heeft 't huwelijk
+van mij en den ouden Dahlberg afgekondigd."
+
+"Als ik dat geweten had, had ik je niet in mijn slee willen hebben,
+en niet hier achterop gestaan. Dat had ik je nooit willen rijden."
+
+De trotsche erfdochter antwoordde: "Ik zou zonder Gösta Berling nog
+wel naar Borg gekomen zijn."
+
+"'t Is toch jammer van je, Anna," zei Gösta nadenkend, "dat je geen
+vader of moeder hebt. Daardoor ben je geworden zooals je nu bent,
+en niemand kan je nu hooge eischen stellen."
+
+"'t Is nog meer jammer, dat je dat niet eerder gezegd hebt; dan had
+een ander me kunnen rijden."
+
+"De dominé's-vrouw denkt zeker als ik, dat je behoefte hebt aan iemand,
+die een vader voor je kan zijn; anders had ze je zeker niet met zoo'n
+ouden knol ingespannen."
+
+"Dat heeft de dominé's-vrouw niet gedaan."
+
+"De hemel beware me, heb je zelf zóo'n knappen man gekozen?"
+
+"Hij neemt mij niet om mijn geld."
+
+"Neen, zulke oude heeren kijken alleen naar blauwe oogen en roode
+wangen. En ze hebben nog gelijk!"
+
+"Foei, Gösta, schaam je je niet!"
+
+"Maar pas nu op, dat je niet langer met de jonge mannen speelt. Je
+plaats is nu op de canapé. Met dans en spel is 't nu voorbij. Nu mag
+je een kaartje leggen met den ouden Dahlberg."
+
+Zwijgend reden zij voort, tot ze de steile heuvels bij Borg opreden.
+
+"Dank je voor den rit! 't Zal lang duren eer ik weer met Gösta
+Berling rijd."
+
+"Dank je voor die belofte! Ik ken menigeen, dien 't berouwd heeft
+dat hij met je naar het feest reed."
+
+Zeer ontstemd trad de fiere schoonheid van het stadje de danszaal in
+en zag de verzamelde gasten aan.
+
+'t Allereerst zag ze den kleinen, kalen Dahlberg naast den grooten,
+slanken, blonden Gösta Berling. Zij had hen allebei de zaal wel uit
+willen jagen. Haar verloofde kwam haar ten dans noodigen, maar zij
+ontving hem met honende verbazing.
+
+"Wil jij dansen? Ben jij dat gewoon?"
+
+En de jonge meisjes kwamen om haar geluk te wenschen.
+
+"Speel geen comedie, meisjes! Je gelooft toch niet, dat iemand verliefd
+kan worden op den ouden Dahlberg? Maar hij is rijk en ik ben rijk;
+daarom passen we goed bij elkaar."
+
+De oude dames gingen naar haar toe, drukten haar de witte hand en
+spraken over 't grootste geluk in 't leven.
+
+"Feliciteer de dominé's-vrouw liever," antwoordde zij. "Zij is er
+gelukkiger mee dan ik."
+
+Maar daar stond Gösta Berling, de vroolijke kavalier, met gejuich
+begroet om zijn helderen lach, zijn geestige woorden, die gouden
+glans wierpen over 't grijze, dagelijksche leven. Nooit te voren
+had ze hem zoo gezien als dien avond. Hij was geen verstootene, geen
+verworpeling, geen daklooze grappenmakker, neen, een koning onder de
+mannen, vorstelijk van geboorte!
+
+Hij en de andere jonge mannen smeedden een samenzwering tegen haar. Zij
+moest er maar eens over nadenken hoe verkeerd ze deed, toen zij zich
+zelf met haar schoonheid en rijkdom aan den ouden man gaf. En zij
+lieten haar tien dansen over zitten. Zij voelde haar bloed koken van
+spijt en smart.
+
+Voor den elfden dans kwam een man haar uitnoodigen; hij was de
+geringste onder de geringen, een stumper, met wien geen ander dansen
+wilde.
+
+"Als 't bier op is, komt 't zaksel in 't glas," zeide zij.
+
+Toen speelden ze een pandspel. Blonde jonge meisjes staken de
+hoofden bijeen en veroordeelden haar te kussen wie ze 't liefst
+had. En glimlachend verwachtten ze haar den ouden Dahlberg te zien
+kussen. Maar zij stond in haar toorn.
+
+"Mag ik niet liever een oorveeg geven aan wie ik 't minst liefheb?"
+
+Een oogenblik later brandde Gösta's wang onder haar vaste hand. Hij
+werd rood tot over de ooren, maar bedwong zich, greep haar hand,
+hield die een oogenblik vast en fluisterde:
+
+"Kom over een half uur in de roode zaal beneden."
+
+Zijne blauwe oogen straalden en boeiden haar als met tooverkracht. Zij
+voelde, dat zij gehoorzamen moest.
+
+Zij ontmoette hem beneden met trots en booze woorden.
+
+"Wat gaat het Gösta Berling aan, met wien ik trouwen wil?"
+
+Hij vond nog niet dadelijk zachte woorden, en 't scheen hem ook niet
+geraden dadelijk over Ferdinand te spreken.
+
+"Ik vind niet, dat 't een te strenge straf was, dat je tien dansen
+moest blijven zitten. Maar je wilt ongestraft je woord breken. Als
+een beter man dan ik de straf in zijn hand genomen had, zou die harder
+geworden zijn."
+
+"Wat heb ik jullie toch gedaan, dat je mij niet met rust kunt
+laten? Jullie vervolgt me om mijn geld! Ik zal 't in 't meer gooien,
+dan kan, wie er zin in heeft, het opvisschen." Ze hield de handen
+voor de oogen en schreide.
+
+Toen werd het hart van den dichter geroerd. Hij schaamde zich over
+zijn strengheid, en zijn stem werd zacht:
+
+"Ach, kind, vergeef me. Vergeef den armen Gösta Berling. Niemand
+geeft er om wat zulk een lummel zegt of doet; dat weet je immers
+wel. Niemand schreit er om, dat hij boos is; je kunt even goed om
+een muggebeet schreien. 't Was onzin, maar ik wou verhinderen, dat
+het mooiste en rijkste van onze jonge meisjes met dien ouden man zou
+trouwen. En nu heb ik je alleen maar bedroefd gemaakt."
+
+Hij ging naast haar in de sofa zitten en sloeg zijn arm om haar
+schouders, om haar met teerheid te steunen en op te beuren. Zij trok
+zich niet terug. Zij leunde tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn
+hals en schreide met het mooie hoofdje op zijn schouder.
+
+Och, arme dichter, sterkste en zwakste onder de menschen; niet om uw
+hals moesten die blanke armen rusten.
+
+"Als ik het geweten had," fluisterde zij, "dan had ik den ouden nooit
+genomen. Ik heb je van avond gezien. Zoo is er geen ander."
+
+Maar met bleeke lippen stamelde Gösta:
+
+"Ferdinand."
+
+Zij sloot hem de lippen met een kus.
+
+"Hij is niets waard. Wie kan in je schaduw staan? Ik zal je trouw
+zijn."
+
+"Ik ben Gösta Berling," zei hij, somber; "mijn vrouw kun je niet
+worden."
+
+"Ik heb je lief! De eerste onder de mannen. Je behoeft niets te zijn,
+niets te doen. Een geboren koning ben je."
+
+Toen bruiste het bloed van den dichter. Ze was zoo schoon, zoo
+bekoorlijk in haar liefde. Hij sloot haar in zijn armen.
+
+"Als je de mijne wilt zijn, kun je niet in de pastorie blijven. Laat
+ik je dadelijk naar Ekeby brengen van nacht; ik zal je wel weten te
+verdedigen tot we bruiloft kunnen vieren."
+
+
+
+'t Werd een onvergetelijke tocht dien nacht. Zij gaven toe aan hun
+jonge liefde en lieten zich door Don Juan meevoeren. 't Knetteren
+van de sneeuw onder de slee klonk als de klachten der bedrogenen. Wat
+stoorden zij zich daaraan! Zij lag aan zijn borst, en hij boog zich
+over haar heen en fluisterde haar in 't oor: "Is er iets zaligers
+dan gestolen vreugde?"
+
+Een huwelijks-afkondiging. Wat beteekende dat? Zij hadden hun
+liefde. En de toorn der menschen? Gösta Berling geloofde aan het
+noodlot. Het lot had hem gedwongen. Tegen het lot kan niemand zich
+verzetten. Al waren de sterren de bruiloftskaarsen geweest, en Don
+Juans bellen de kerkklokken, die haar bruiloft inluidden met den
+ouden Dahlberg, dan had ze toch met Gösta Berling moeten vluchten. Zóó
+machtig is 't noodlot.
+
+Zij waren goed en wel voorbij de pastorie en Munkerud gekomen. Op de
+helft van den weg naar Ekeby lag Berga. De weg ging langs het bosch;
+rechts lagen hooge donkere bergen, links een lang, besneeuwd dal.
+
+Daar kwam Tancred aanrennen. Hij stoof over den weg. Huilend van
+schrik sprong hij in de slee en kromp ineen aan Anna's voeten.
+
+Door Don Juans leden ging een schok! Hij versnelde zijn vaart met
+groote sprongen.
+
+"Wolven," zei Gösta Berling.
+
+Zij zagen een lange, grauwe streep zich langs den weg bewegen. 't
+Ware minstens een dozijn.
+
+Anna werd niet bang. De dag was zoo rijk aan verrassingen geweest,
+en de nacht beloofde ook zoo te worden. Dit was leven--voort te
+snellen over de blinkende sneeuw, trots wilde dieren en menschen.
+
+Gösta stootte een vloek uit, boog zich voorover en gaf Don Juan een
+geweldige slag met de zweep.
+
+"Ben je bang?" vroeg hij. "Zij snijden den hoek af en halen ons daar
+ginds bij de bocht van den weg in."
+
+Don Juan sprong voort en liep om 't hardst met de wilde dieren in
+'t bosch. Tancred huilde van woede en angst. Zij kwamen aan de bocht
+gelijk met de wolven en Gösta verdreef den voorsten met de zweep.
+
+"Ach, Don Juan, mijn jongen, hoe gemakkelijk zou je niet twaalf wolven
+ontloopen, als je ons menschen maar niet meê te sleepen hadt."
+
+Zij bonden de groene reisdeken achteraan de slee. De wolven werden
+er bang voor en hielden zich een tijd lang op een afstand. Maar toen
+ze hun vrees overwonnen hadden, stoof een van hen, blazend, met de
+tong uit den bek en open muil, op de slee af. Toen nam Gösta Madame
+de Staëls Corinna en wierp het in den wolvenmuil.
+
+Weer kregen ze een poosje rust, tot de dieren dien buit verscheurd
+hadden; maar toen voelden ze weer het rukken van de wolven aan de
+groene reisdeken, en hoorden hun snelle, korte ademhaling. Zij wisten,
+dat ze niet aan een menschenwoning kwamen voor ze Berga bereikten;
+maar erger dan de dood scheen het Gösta toe de menschen te ontmoeten,
+die hij bedrogen had. Hij zag in, dat het paard moe zou worden,
+en wat zou er dan van hen worden?
+
+Daar zagen ze Berga aan den zoom van 't bosch liggen. Er brandde
+licht in de vensters. Gösta wist wel voor wie!
+
+Maar nu vluchtten de wolven, uit vrees voor de nabijheid van menschen,
+en Gösta reed Berga voorbij. Hij kwam toch niet verder dan tot de
+plaats, waar de weg opnieuw het bosch in gaat; daar zag hij een
+donkere plek voor zich uit. De wolven wachtten hem op.
+
+"Laat ons naar de pastorie teruggaan en zeggen, dat we een
+pleziertochtje in 't sterrenlicht gedaan hebben. Dit gaat niet."
+
+Zij keerden om; maar in 't volgende oogenblik was de slee weer door
+wolven omringd. Grauwe gestalten gleden hen voorbij, de witte tanden
+glinsterden in de open muilen en de gloeiende oogen tintelden. Zij
+huilden van honger en bloeddorstigheid. Ze verlangden hun glimmende
+tanden in 't weeke menschenvleesch te drukken. De wolven sprongen
+Don Juan op den rug en hingen aan het tuig. Anna zat er over na
+te denken of zij hen heelemaal op zouden eten, dan of er nog iets
+over zou blijven en of de menschen den volgenden morgen afgeknaagde
+ledematen zouden vinden in de bloedige, vertrapte sneeuw.
+
+"Nu geldt het ons leven," zei ze, boog zich neer en greep Tancred
+bij den nek.
+
+"Doe dat niet; dat helpt niet. 't Is niet om den hond, dat de wolven
+van nacht in 't bosch zwerven."
+
+Met die woorden reed Gösta Berling Berga binnen; maar de wolven
+vervolgden hen tot vlak bij de stoep. Hij moest ze met de zweep van
+zich afhouden.
+
+"Anna," zeide hij, toen zij bij de stoep stil hielden. "God wilde het
+niet. Houd je nu goed; als je de vrouw bent, waar ik je voor houd,
+houd je dan goed."
+
+In 't huis hoorde men de bellen van de slee en kwam naar buiten.
+
+"Hij heeft haar," riepen ze, "hij heeft haar! Leve Gösta Berling!" En
+de pas aangekomenen werden hartelijk omhelsd.
+
+Er werden niet veel vragen gedaan. 't Was al diep in den nacht;
+de reizigers waren geschokt door hun gevaarlijken tocht en hadden
+behoefte aan rust. 't Was immers alles goed, nu Anna gekomen was.
+
+Alles was goed! Alleen Corinna en de groene reissjaal, een kostbaar
+geschenk van juffrouw Ulrika, waren bedorven.
+
+Alles sliep in huis. Toen stond Gösta op, kleedde zich aan en sloop
+naar buiten. Ongemerkt haalde hij Don Juan uit den stal, spande hem
+voor de slee en wilde wegrijden. Toen kwam Anna Stjärnhök uit het huis.
+
+"Ik hoorde je uitgaan," zeide zij. "Toen ben ik ook opgestaan. Ik ga
+met je mee."
+
+Hij ging naar haar toe en vatte haar hand.
+
+"Begrijp je het nog niet? Het kan niet. God wil het niet. Luister nu
+en probeer het te verstaan. Ik was hier vanmiddag, en zag hoe bedroefd
+ze waren over je ontrouw. Toen reed ik naar Borg, om je naar Ferdinand
+terug te brengen. Maar ik ben altijd een ellendeling geweest, en zal
+'t wel altijd blijven. Ik werd hem ontrouw en wilde je voor mijzelf
+houden. Hier woont een oude vrouw, die gelooft dat ik éens een man
+zal worden. Haar werd ik ontrouw. Je waart zoo mooi en de zonde zoo
+bekoorlijk. Gösta Berling is zoo licht te verleiden. Ach, wat ben ik
+toch een verachtelijk wezen! Ik weet hoe lief zij hun tehuis hebben,
+en ik was op het punt het te laten plunderen. Ik vergat alles om
+jou. Je was zoo bekoorlijk met je liefde. Maar nu, Anna, nu ik hun
+vreugde over je terugkomst gezien heb, wil ik je niet houden. O,
+mijn lieveling. Hij daarboven speelt met onze plannen. Nu moeten
+wij ons buigen onder zijn straffende hand. Zeg me, dat je van nu
+af aan je deel van den zwaren last op je nemen wilt. Zij allen daar
+binnen vertrouwen op je. Zeg me, dat je bij hen blijven wilt, en ze
+steunen en helpen. Als je me liefhebt, als je mijn bitter verdriet
+wilt verzachten, beloof me dit dan. Mijn lieveling, is je hart zóó
+groot, dat je jezelf kunt overwinnen, en 't glimlachend doen?"
+
+Zij aanvaardde met geestdrift den plicht der ontbering.
+
+"Ik zal doen wat je wilt--mij offeren, en 't met een glimlach
+doen!" Zij glimlachte droevig. "Zoolang ik je liefheb, zal ik hen
+liefhebben."
+
+"Nu eerst zie ik wat voor een vrouw je bent. 't Valt me zwaar van je
+heen te gaan."
+
+"Vaarwel, Gösta; God zij met je! Mijn liefde zal je niet tot zonde
+verleiden."
+
+Zij keerde zich om en wilde naar binnen gaan. Hij volgde haar.
+
+"Zul je me gauw vergeten?"
+
+"Ga nu heen, Gösta; wij zijn maar menschen."
+
+Hij sprong in de slee. Maar toen kwam zij terug.
+
+"Denk je wel aan de wolven?"
+
+"Ja zeker, maar zij hebben hun werk gedaan. Met mij hebben zij vannacht
+niets meer te maken."
+
+Nog eens strekte hij de armen naar haar uit. Maar Don Juan werd
+ongeduldig en draafde weg. Hij greep de teugels niet. Hij lag voorover
+op de bank en zag achteruit. Toen steunde hij met het hoofd op den
+rand van de slee en schreide als een wanhopige.
+
+"Ik had het geluk in handen en stootte het terug. Zelf stootte ik
+het terug. Ach, waarom hield ik het niet!"
+
+Ach, Gösta Berling, sterkste en zwakste onder de menschen.
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+LA CACHUCHA.
+
+
+Strijdros, strijdros! Arm, oud ros, dat daar staat op de weide,
+vastgebonden aan een touw. Herinnert ge u uw jeugd?
+
+Herinnert ge u den dag van den strijd? Ge sprongt voort als droegen u
+vleugelen; uw manen golfden om u heen als flakkerende vlammen; bloed
+en schuim glinsterde op uw zwarte borst. In 't met goud versierde
+tuig vloogt ge voort. Het veld dreunde onder uw hoeven. Ge trildet
+van vreugde, gij moedig dier! Ach, hoe schoon waart gij!
+
+In den kavaliersvleugel van Ekeby heerscht grauwe schemering. In
+de groote zaal staan de roodgeschilderde kisten der kavaliers langs
+den wand en hun zondagskleeren hangen aan de haken in den hoek. Het
+schijnsel van het vuur speelt op de witte muren en op de geel geruite
+gordijnen voor de alcoven in den muur. De kavaliersvleugel is geen
+vorstelijk paleis, geen serail.
+
+Maar Liljecrona's viool klinkt er. Hij speelt la cachucha in den
+schemer. En hij speelt haar telkens weer van voren af aan.
+
+Snijd de snaren door! Breek den strijkstok. Waarom speelt hij dien
+vervloekten dans? Waarom toch speelt hij dien, nu Örneclou, de
+vaandrig, met jicht te bed ligt, zóó stijf dat hij zich niet roeren
+kan? O, ruk hem de viool uit de hand en werp die tegen den muur als
+hij niet ophoudt!
+
+La cachucha, speelt ge die voor ons, meester? Kunnen we die nu hier
+dansen, op de krakende planken van den kavaliersvleugel, tusschen
+deze nauwe muren, zwart van rook en ruig van vuil, onder dit lage
+dak? Wee u, dat ge hier la cachucha speelt!
+
+La cachucha, is die voor ons, kavaliers? Buiten huilt de
+sneeuwstorm! Wilt ge de sneeuwvlokken op maat leeren dansen, speelt
+ge voor de lichte kinderen van den sneeuwjacht?
+
+Vrouwengestalten, die trillen onder den heeten polsslag van hun
+bloed, kleine zwarte handjes, die de pannen hebben weggeworpen om de
+kastagnetten te grijpen, bloote voeten onder de opgeschorte rokken,
+een hof met marmeren vloer, zigeuners, die neergehurkt zitten en op
+den doedelzak blazen, of den tambourijn slaan, moorsche bogengangen,
+maneschijn en zwarte oogen.... kunt ge ons dat alles geven, meester? O,
+laat anders uw strijkstok rusten.
+
+Ginds bij het vuur drogen de kavaliers hunne natte kleeren. Hoe kunnen
+zij dansen met hun hooge laarzen met ijzer beslagen, en met dikke
+zolen. Den heelen dag hebben ze door voeten hooge sneeuw gewaad om den
+beer in zijn hol te bereiken. Meent ge dat ze met dien ruigen kameraad
+willen dansen in hun bombazijnen pakken? Een avondhemel vol sterren,
+roode rozen in donkere vrouwenlokken, warme avondlucht vol bedwelmende
+geuren, aangeboren schoonheid van beweging, liefdesgeluk, dat opstijgt
+uit de aarde, neerdaalt uit den hemel, zweeft in de lucht--hebt gij
+dat alles, meester? Ach, waarom wekt gij ons verlangen naar die dingen!
+
+Wreedaard? Gij blaast het signaal van den slag voor 't gekluisterde
+strijdros! Rutger van Örneclou ligt te bed, door de jicht
+verstijfd. Spaar hem de marteling van al die schoone herinneringen. Ook
+hij heeft de sombrero en 't bonte haarnet gedragen, ook hij droeg
+eens het fluweelen buis en den dolk in den gordel. Spaar den ouden
+Örneclou, meester.
+
+Maar Liljecrona speelt la cachucha, altijd la cachucha. En Örneclou
+wordt gepeinigd als de minnaar, die de zwaluwen ziet heentrekken naar
+de woning zijner geliefde, als het hert, dat door zijn vervolgers
+voorbij den verfrisschenden stroom gejaagd wordt.
+
+Liljecrona neemt een oogenblik de viool van de kin.
+
+"Vaandrig, herinner je je Rosalie van Berger?"
+
+Örneclou vloekt geweldig.
+
+"Ze was licht en gracieus als een vlam. Ze vonkelde en danste als
+een diamant in den punt van een strijkstok. Je herinnert je haar nog
+wel van 't theater in Karlstad? We zagen haar toen we nog jong waren,
+weet je nog wel, vaandrig?"
+
+Of de vaandrig 't nog weet! Ze was klein en wild en glinsterend als
+vuur. Zij kon de cachucha dansen. Zij leerde alle jonge heeren in
+Karlstad de cachucha dansen en kastagnetten slaan. Op het bal van
+den gouverneur dansten de vaandrig en Mejuffrouw van Berger een "pas
+de deux" als Spanjaarden gekleed. En hij had gedanst, zooals men
+danst onder vijgeboomen en platanen, als een Spanjaard, een echte
+Spanjaard. Niemand in heel Wermeland kon de cachucha dansen zooals
+hij. Niemand kon háár zoo dansen, dat 't de moeite waard was er naar
+te kijken, behalve hij. Welk een kavalier had Wermeland niet in hem
+verloren, toen de jicht zijn leden deed verstijven en zijn gewrichten
+deed zwellen. Hij was zoo slank, zoo schoon, zoo ridderlijk! "De mooie
+Örneclou" noemden de jonge meisjes hem en er waren er, die levenslang
+boos op elkaar werden om zijnentwil.
+
+En Liljecrona begint weer la cachucha te spelen--altijd weer la
+cachucha en Örneclou wordt teruggevoerd naar den ouden tijd.
+
+Weer staat hij naast Rosalie van Berger! Zij zijn juist een oogenblik
+alleen in de kleedkamer geweest, als Spanjaarden verkleed. En hij
+heeft haar mogen kussen; maar voorzichtig, want zij was bang voor zijn
+zwartgeverfden baard. Nu dansen ze. Ach! zooals men onder vijgeboomen
+en platanen danst. Zij wijkt, hij volgt, hij wordt stoutmoedig,
+zij trotsch, hij vertoornd, zij tot verzoening geneigd. En als hij
+eindelijk op de knieën valt en haar in zijn open armen opvangt,
+gaat er een zucht door de zaal, een zucht van verrukking.
+
+Hij was een Spanjaard--een echte Spanjaard.
+
+Juist bij dezen streek van den strijkstok had hij zich zoo gebogen
+en de armen uitgestrekt en den voet opgeheven om op de teenen voort
+te zweven. Welk een gratie. Men had hem in marmer kunnen uithouwen!
+
+Hij weet zelf niet hoe 't kwam, maar hij heeft de voet over de
+beddeplank gestoken, hij staat recht overeind, hij buigt zich, heft
+de armen op, knipt met de vingers en wil over den grond zweven als
+in den ouden tijd, toen hij zulke nauwe schoenen droeg, dat hij de
+voeten van de kousen moest knippen.
+
+"Bravo, Örneclou! bravo, Liljecrona, speel leven in hem!"
+
+Maar zijn voet weigert. Hij kan niet op zijn teenen staan. Hij trekt
+een paar keer krampachtig met het ééne been....
+
+Schoone Sennor, ge zijt oud geworden! De Sennorita misschien ook?
+
+Alleen onder Granada's platanen wordt de cachucha gedanst door eeuwig
+schoone Ginatos. Eeuwig jong zijn ze als de rozen, omdat iedere lente
+nieuwe brengt.
+
+Is dan nu de tijd gekomen om de snaren van de viool door te snijden?
+
+Neen, speel voort, Liljecrona, speel de cachucha, altijd weer de
+cachucha. Leer ons, dat we, al zijn we in de kavaliersvleugel dik
+en stijf geworden, in onze harten toch dezelfde bleven--dat we nog
+Spanjaarden zijn.
+
+Strijdros! arm strijdros, beken, dat ge de tonen der trompet liefhebt,
+die u tot galoppeeren uitnoodigen, al slaat ge ook de pooten ten
+bloede in uw kluister.
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+HET BAL OP EKEBY.
+
+
+O, gij vrouwen uit vroeger tijden. Wie van u spreekt, is het als
+vertoeven zijn gedachten in 't Paradijs. Louter liefelijkheid waart
+ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge, en vriendelijk
+als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge
+eekhorens, sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde
+uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen
+werden nooit ruw of hard. Gij, zachte heiligen, als versierde beelden
+stondt ge in den tempel van het tehuis. Wierook en gebeden werden u
+geofferd; door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel
+straalde de gulden aureool der poëzie.
+
+O, gij vrouwen uit vroeger tijden, ik zal nu verhalen hoe een van u
+aan Gösta Berling haar liefde schonk.
+
+Veertien dagen na het bal op Borg, was er feest op Ekeby. Dat was
+het heerlijkste feest van de wereld. Oude mannen en vrouwen werden
+jong opnieuw, lachten en waren vroolijk, als zij daarover spraken.
+
+Maar toen waren ook de kavaliers alleenheerschers op Ekeby. De
+Majoorske ging het land door met den bedelstaf en de Majoor woonde
+op Sjö. Hij kon niet eens bij het feest zijn; want de pokken waren
+uitgebroken op Sjö en hij was bang de besmetting over te brengen.--Wat
+een overvloed van genot brachten die twaalf heerlijke uren niet
+mee! van 't eerste knallen van de kurken aan tafel tot de laatste
+streek van den strijkstok, lang na middernacht!
+
+Zij zonken neer in den afgrond der tijden die vorstelijke uren,
+bezield door vonkelenden wijn, door de fijnste gerechten, door de
+heerlijkste muziek, door de geestigste comedies en de schoonste
+tableaux-vivants. Ze zonken neer, duizelend door de sierlijkste
+dansen. Waar vond men zulke gladde dansvloeren, zulke ridderlijke
+kavaliers, zulke schoone vrouwen?
+
+Ja, gij vrouwen uit vroeger dagen. De zalen van Ekeby wemelden van
+de schoonsten onder u. Daar is de jonge gravin Dohna, tintelend van
+vroolijkheid en altijd bereid tot spel en dans, zooals 't past bij
+haar twintig jaren; daar zijn de mooie dochters van den rechter van
+Munkerud en de vroolijke jonge dames van Berga, daar is Anna Stjärnhök,
+duizendmaal bekoorlijker nog dan vroeger door den zachten weemoed,
+die over haar gekomen was na dien nacht, toen zij door de wolven
+vervolgd werd; daar zijn er nog velen, die nog wel niet vergeten zijn,
+maar spoedig zullen vergeten worden, en daar is ook de hartveroverende
+Marianne Sinclaire.
+
+Zij de wijdberoemde, die schitterde aan 't hof van den koning en
+straalde in de kasteelen der graven, de koningin der schoonheid,
+die 't land doortrok en overal gehuldigd werd;--zij die de vonk der
+liefde ontstak, waar ze zich vertoonde, zij had zich verwaardigd op
+het feest der kavaliers te komen.
+
+De eer van Wermeland was groot in de tijden, door zooveel fiere
+namen gedragen. De blijde kindren van dat schoone land hadden veel
+om trotsch op te wezen. Maar als zij hun grootheden noemden, dan
+vergaten ze nooit van Marianne Sinclaire te spreken.
+
+De roem van haar overwinningen ging door 't geheele land.
+
+Men sprak van de gravenkronen, die om haar hoofd gezweefd hadden,
+van de millioenen, die voor haar voeten gelegd waren, van de zwaarden
+der krijgslieden en de kransen der dichters, die haar hadden gewenkt.
+
+En zij was niet alleen schoon. Zij was geestvol en ontwikkeld. De
+beste mannen van dien tijd verheugden zich als zij met haar konden
+spreken. Zelf schreef zij niet; maar veel van haar gedachten, door
+haar in de zielen der dichters onder haar vrienden gelegd, leefden
+voort in liederen.
+
+In Wermeland, in het berenland vertoefde ze maar zelden. Haar leven
+bracht ze meestal op reis door. Haar vader, de rijke Melchior Sinclaire
+was thuis met zijn vrouw op Björne en liet Marianne reizen naar haar
+voorname vrienden in de groote steden, of op de prachtige buitens. Hij
+vertelde graag van al het geld, dat zij verkwistte, en de twee oude
+menschen leefden gelukkig in den glans van Mariannes stralend bestaan.
+
+Haar leven was vol genoegens en hulde. De lucht om haar heen was
+liefde. Liefde was haar licht bij dag en in de schemering, liefde
+haar dagelijksch brood.
+
+Dikwijls had ze zelf liefgehad.... dikwijls, dikwijls! Maar nooit
+had zulk een vlam lang genoeg gebrand om er de ketens in te smeden,
+die binden voor heel een leven.
+
+"Ik wacht op de liefde, die komt als een veroveraar," placht zij te
+zeggen. "Tot nu toe is ze nog niet over een wal geklommen of over een
+sloot gezwommen. Ik wacht op de geweldige, die me buiten mij zelf
+brengt. Zóó sterk wil ik de liefde in me voelen, dat ik voor haar
+beef. Nu ken ik alleen de liefde, waarover mijn verstand glimlacht."
+
+Haar nabijheid gaf vuur aan de woorden en leven aan den wijn. Haar
+ziel vol gloed gaf den strijkstok vaart en de dans zweefde lichter,
+meer bekorend dan vroeger over den dansvloer, wanneer zij die aanraakte
+met haar fijnen voet.
+
+Zij schitterde in de tableaux, zij bezielde de comedies, haar schoone
+lippen.... Ach, stil toch, het was haar schuld niet. Zij had het nooit
+zoo bedoeld, het kwam door het balkon, door den maneschijn, door de
+kanten sluier, het riddercostuum, het gezang. De arme jonge menschen
+waren onschuldig. En alles wat oorzaak was van zooveel ongeluk werd
+met de beste bedoelingen gedaan. Patroon Julius, die overal verstand
+van had, had een tableau vivant gearrangeerd, enkel en alleen opdat
+Marianne in al haar heerlijkheid zou uitkomen.
+
+In het theater, dat in de groote zaal op Ekeby opgeslagen was,
+zaten honderden gasten en zagen op het tooneel de gouden Spaansche
+maan langs een donkeren nachtelijken hemel drijven. Een Don Juan
+sluipt langs de straten van Sevilla en houdt stil onder een balkon,
+met klimop bedekt. Hij was als monnik verkleed; maar men zag een
+geborduurde manchet uit de wijde mouw komen en een blinkende degenpunt
+stak beneden uit de monnikspij.
+
+Hij verhief zijn stem en zong:
+
+
+ "Mij lokt geen beker gulden wijn,
+ Mij lokt geen roode vrouwenmond,
+ Een smeekend oog, dat liefde vraagt,
+ Beweegt mij 't harte niet.
+
+ Toon mij uw fiere schoonheid niet
+ O sennorita, wijk van mij!
+ Der Heilige Maagd behoort mijn hart
+ Zij troost me in 's werelds leed."
+
+
+Toen hij zweeg, trad Marianne te voorschijn op het balkon, in een
+zwart fluweelen gewaad, met kanten sluier. Zij boog zich over het
+hek en zong langzaam en ironisch:
+
+
+ "Waarom vertoeft gij, vrome man,
+ Te middernacht bij mijn balkon?
+ Zeg, bidt gij voor mijn ziel?"
+
+
+En toen plotseling, warm en innig:
+
+
+ "O vlucht! vlucht snel, u dreigt gevaar
+ Men kan uw degen duidlijk zien.
+ En hoort, trots al uw vroom gezang,
+ De sporen van uw hiel."
+
+
+Bij deze woorden wierp de monnik zijn kleed af en Gösta Berling stond
+onder 't balkon in een ridderkleed van zijde en goud. Hij stoorde
+zich niet aan de waarschuwing van de schoone vrouw, maar klauterde
+tegen de zuilen van 't balkon op, sprong over het hek en viel, zooals
+Patroon Julius had voorgeschreven, op de knieën aan de voeten van de
+schoone Marianne.
+
+Zij glimlachte vriendelijk en reikte hem de hand om die te kussen,
+en terwijl de twee jongelieden elkaar vol liefde aanzagen, viel
+het gordijn.
+
+En vóór haar knielde Gösta Berling met een gezicht, zacht en zielvol
+als dat van een dichter, en kloek als dat van een veldheer, met diepe
+oogen, guitig en geestig, oogen, die smeekten en dreigden. Slank en
+krachtig was hij, bezielend en innemend.
+
+En het gordijn ging op en neer, en de jongelieden bleven staan in
+dezelfde houding. Gösta's oogen bleven de schoone Marianne aanzien;
+zij smeekten en dreigden.
+
+Eindelijk hield het applaudisseeren op. 't Gordijn bleef neer. Niemand
+kon hen zien. Toen boog de schoone Marianne zich neer en kuste Gösta
+Berling. Zij wist niet waarom; zij kon niet anders. Hij legde den arm
+om haar hals en hield haar vast. Zij kuste hem nog eens, en nog eens.
+
+Maar 't kwam door 't balkon, door den maneschijn, door de kanten
+sluier, 't ridderkostuum, het gezang, het applaus; de arme jonge
+menschen waren onschuldig. Zij hadden dit niet gewild. Zij had de
+gravenkronen niet van zich gestooten, die boven haar hoofd zweefden,
+zij was de millioenen, die aan haar voeten gelegd werden niet voorbij
+gegaan, uit verlangen naar Gösta Berling en hij had Anna Stjärnhök niet
+vergeten. Neen, zij waren onschuldig, geen van beiden had dit gewild.
+
+'t Was de zachtmoedige Löwenborg, hij met de tranen in de oogen
+en den glimlach op de lippen,--die het gordijn ophaalde en liet
+vallen. Verdiept in vele treurige herinneringen, had hij maar weinig
+aandacht over voor de dingen dezer wereld en had nooit geleerd ze
+behoorlijk te behartigen. Toen hij nu zag, dat Gösta en Marianne eene
+andere houding hadden aangenomen, meende hij, dat dit bij het tableau
+hoorde en trok het gordijn weer op.
+
+De jonge menschen op 't balkon bemerkten er niets van, eer de storm
+van applaus weer losbarstte in de zaal.
+
+Een schok voer Marianne door de leden, en zij wilde vluchten; maar
+Gösta hield haar vast en fluisterde: "sta stil, ze denken dat dit
+bij het tableau hoort."
+
+Hij voelde haar beven van angst en de gloed der kussen sterven op
+haar lippen. "Wees niet bang," fluisterde hij, "schoone lippen hebben
+recht tot kussen."
+
+Zij moesten stil blijven staan, terwijl het gordijn op en neer ging,
+en ieder keer, dat die honderden oogen hen aanzagen, ging een storm
+van applaus door de zaal.
+
+Want het is heerlijk twee schoone jonge menschen het geluk der liefde
+te zien voorstellen. Niemand dacht, dat deze kussen iets anders dan
+tooneelkussen waren, niemand vermoedde dat de Sennora beefde van
+schaamte en de ridder trilde van onrust. Iedereen dacht, dat alles
+bij het tableau hoorde.
+
+Eindelijk stonden Marianne en Gösta achter de coulissen. Zij streek
+zich over het voorhoofd en over het haar: "Ik begrijp mij zelf niet,"
+zeide zij.
+
+"Foei, juffrouw Marianne," zei hij en trok een leelijk gezicht, terwijl
+hij een afwerende beweging met de hand maakte. "Gösta Berling kussen,
+wel foei!"
+
+Marianne moest lachen.
+
+"Iedereen weet, dat Gösta Berling onweerstaanbaar is," antwoordde
+ze. "Mijn schuld is niet grooter dan die van ieder ander."
+
+En ze spraken af zich goed te houden, zoodat niemand de waarheid
+zou vermoeden.
+
+"Kan ik er op vertrouwen, dat de waarheid nooit uitkomt, mijnheer
+Gösta?" vroeg zij toen zij in de zaal zouden gaan.
+
+"Daar kunt u zeker van zijn, juffrouw Marianne. De kavaliers zwijgen;
+ik sta voor hen in."
+
+Zij sloeg de oogen neer en een eigenaardige glimlach krulde haar
+lippen.
+
+"Als nu de waarheid toch uitkomt, wat zullen de menschen dan wel van
+me denken, mijnheer Gösta?"
+
+"Ze zullen niets denken; zij weten, dat dit niets beduidt. Ze zullen
+denken, dat we in onze rollen waren en doorspeelden."
+
+Nog een vraag sloop te voorschijn van onder de neergeslagen oogen en
+den gedwongen glimlach.
+
+"Maar wat denkt Mijnheer Gösta er zelf van?"
+
+"Ik denk, dat Juffrouw Marianne verliefd op mij is," zei hij lachende.
+
+"Geloof dat niet," antwoordde ze glimlachend, "want dan zou ik Mijnheer
+Gösta met mijn Spaansche dolk moeten doorboren om hem te bewijzen,
+dat hij ongelijk heeft."
+
+"Vrouwenkussen zijn duur," zei Gösta. "Kost het iemand het leven als
+Juffrouw Marianne hem kust?"
+
+Toen zond Marianne hem een vlammenden blik, zóó scherp, dat hij dien
+voelde als een dolkstoot.
+
+"Ik wou, dat je dood waart, Gösta Berling! dood! dood!"
+
+Die woorden wakkerden 't oude heimwee van den dichter weer aan.
+
+"Ach," zeide hij, "waren die woorden maar meer dan woorden, waren ze
+maar pijlen, die fluitend aankwamen uit 't donkere kreupelhout, waren
+ze maar dolken of giftdroppels! Hadden ze maar macht dit ellendig
+lichaam weg te nemen en mijn ziel vrij te maken!"
+
+Zij was weer rustig geworden en glimlachte: "Kinderpraat," zei ze en
+nam zijn arm om naar binnen te gaan.
+
+Zij hielden hun kostumes aan en werden in triomf ingehaald, toen zij
+zich in de zaal vertoonden. Allen prezen hen. Niemand vermoedde iets.
+
+'t Bal begon, maar Gösta ging weg uit de balzaal. Zijn hart deed
+hem pijn, na dien blik van Marianne, als ware 't door scherp staal
+gekwetst. Hij begreep wel, wat ze bedoelde. 't Was schande hem lief
+te hebben, schande door hem bemind te worden--een schande, erger dan
+de dood. Hij wilde niet meer dansen; hij wilde ze niet meer zien,
+die schoone vrouwen. Hij wist het wel. Hun fluweelen oogen, hun
+roode wangen waren niet voor hem. Niet voor hem zweefden hun lichte
+voeten door de zaal, niet voor hem klonk hun frissche lach. Ja, met
+hem dansen, met hem dwepen--dat konden ze, maar geen van hen zou in
+allen ernst de zijne willen zijn.
+
+Hij ging in de rookkamer naar de oude heeren en zette zich aan een der
+speeltafeltjes. Toevallig kwam hij aan 't zelfde, waar de machtige
+Heer van Björne zat. Nu eens speelde hij, dan hield hij de bank en
+verzamelde een grooten stapel geld voor zich.
+
+'t Spel ging al hoog. Nu voerde Gösta 't nog hooger op. De groene
+bankpapieren kwamen voor den dag en steeds groeide de stapel geld
+voor den machtigen Melchior aan.
+
+Maar ook voor Gösta lagen spoedig bankbiljetten en kopergeld in
+overvloed en spoedig was hij de eenige die 't tegenover Melchior
+Sinclaire van Björne kon volhouden. Spoedig begonnen zelfs de
+geldstukken van hem naar Gösta Berling te verhuizen.
+
+"Nu Göstalief!" riep hij uit, toen hij alles had verspeeld wat hij
+in zijn beurs en portefeuille had, "wat zullen we nu doen? Ik ben
+lens en speel nooit met geleend geld. Dat heb ik mijn moeder beloofd."
+
+Hij vond er toch iets op. Hij verspeelde zijn horloge en zijn pels
+van berenvel en was juist van plan zijn slee en paard op te zetten,
+toen Sintram hem tegenhield.
+
+"Zet wat op, dat de moeite waard is," raadde de booze Heer van
+Fors. "Zet wat op dat 't geluk kan doen verkeeren."
+
+"De duivel hale als ik weet wat dat is."
+
+"Speel om je dierbare oogappel, Melchior, speel om je dochter!"
+
+"Dat kunt u gerust wagen," zei Gösta lachende, "dien prijs zal ik
+nooit winnen."
+
+De machtige landheer kon niet anders dan meelachen. Hij had niet graag,
+dat Mariannes naam aan de speeltafel genoemd werd; maar deze inval
+was zóó onzinnig, dat hij niet boos kon worden. Marianne aan Gösta
+Berling verspelen.... ja, dat kon hij wel wagen.
+
+"Dat wil zeggen," verklaarde hij, "dat als je haar jawoord kunt winnen,
+Gösta, zet ik mijn zegen op jelui huwelijk op deze kaart."
+
+Gösta zette alles op, wat hij gewonnen had en 't spel begon. Hij
+won en Melchior Sinclaire hield met spelen op. 't Geluk liep hem
+tegen. Hij zag wel dat 't niet ging.
+
+De nacht ging voorbij. 't Was al over twaalven.
+
+De wangen der schoonen begonnen te verbleeken, het haar ging uit
+de krul, de garneeringen der baljaponnen waren gekreukeld. De oude
+dames stonden op uit de sofa's en zeiden, dat 't feest nu twaalf uren
+geduurd had en dat het tijd werd om naar huis te gaan.
+
+En 't heerlijk feest was voorbij, maar Liljecrona nam zelf de viool
+en speelde nog een laatste polka. De sleden stonden voor de deur,
+de oude dames deden haar pelzen en kappen aan, de oude heeren bonden
+de cache-nez om den hals en knoopten hun bonten overschoenen dicht.
+
+Maar de jongelieden konden nog niet uit de danszaal scheiden. Zij
+dansten met hoed en mantel om. Ze dansten de polka à quatre, de
+slingerpolka, de ringpolka, een onzinnige dans was het. Zoo vaak een
+cavalier zijn dame losliet, kwam een ander en danste met haar weg.
+
+Zelfs de treurige Gösta werd meegesleept in den wervelwind. Hij wilde
+de smart en de vernedering wegdansen, hij wilde weer de levenslust
+door zijn aderen voelen bruisen; hij wilde blij zijn, blij zooals
+alle anderen. En hij danste dat de zaal met hem in 't rond draaide
+en zijn gedachten verward werden.
+
+Wat was dat nu voor een dame, waar hij nu meê danste? Ze was licht
+en slank en 't was hem als gingen stroomen vuur van hem naar haar en
+van haar naar hem. Ach! Marianne!
+
+Terwijl Gösta met Marianne danste, zat Sintram al in zijn slee
+beneden op de plaats en naast hem stond Melchior Sinclaire. De
+machtige landheer was ongeduldig geworden, omdat hij op Marianne moest
+wachten. Hij stampte op de sneeuw met zijn groote, met bont gevoerde
+laarzen en sloeg met de armen, want 't was bitter koud.
+
+"Je hadt misschien Marianne maar liever niet aan Gösta moeten
+verspelen, Sinclaire," zei Sintram.
+
+"Wat blief je??"--
+
+Sintram maakte de teugels in orde en hief de zweep op, eer hij
+antwoordde:
+
+"Dat gekus hoorde volstrekt niet bij het tableau."
+
+De machtige Melchior hief den arm op tot een verpletterenden slag;
+maar Sintram was al weg. Hij draafde weg en zweepte de paarden aan
+tot een woeste vaart zonder te durven omzien. Want Melchior Sinclaire
+had een sterken arm en weinig geduld.
+
+De Heer van Björne ging nu in de danszaal om zijn dochter te halen
+en zag daar hoe Gösta en Marianne dansten. Woest en onstuimig werd
+die laatste polka gedanst. Enkele paren waren bleek; andere gloeiend
+rood. 't Stof stond als een wolk door de zaal. De kaarsen gloeiden;
+ze waren in de kandelaars neergebrand, en midden in dien ongezelligen
+chaos vlogen Gösta en Marianne rond, vorstelijk in hun frissche
+onvermoeidheid in hun vlekkelooze schoonheid, blijde zich latende
+gaan in de heerlijke beweging van den dans.
+
+Melchior Sinclaire zag een poos naar hen, toen ging hij heen en
+liet Marianne dansen. Hij sloeg de deur hard dicht, stampte woest
+op de trappen, zette zich zonder een woord te spreken in de slee,
+waar zijn vrouw hem al wachtte en reed naar huis.
+
+Toen Marianne na den dans naar haar ouders vroeg, waren ze
+weggereden. Toen zij dat hoorde, hield zij zich goed en toonde geen
+verwondering. Zij kleedde zich stil aan en ging naar buiten. De
+dames in de kleedkamer meenden, dat zij haar eigen slee had. Maar ze
+spoedde zich in haar dunne zijden schoentjes voort langs den weg,
+zonder aan iemand haar nood te klagen. Niemand herkende haar in
+het donker. Niemand kon denken, dat de wandelaarster, die door de
+voorbijrijdende sleden in de hooge sneeuwhoopen langs den weg gedrongen
+werd, de mooie Marianne was. Zoodra de weg vrij was en zij midden op
+kon loopen, liep ze zoo hard als ze kon. Als ze moe werd, hield ze even
+op, dan draafde ze weer. Een akelige, pijnlijke angst dreef haar voort.
+
+Van Ekeby naar Björne is niet verder dan een vierde mijl. Marianne was
+spoedig thuis, maar ze meende eerst dat ze verkeerd geloopen was. Toen
+zij het huis naderde, waren alle deuren dicht, alle lichten uit. Ze
+dacht eerst, dat haar ouders nog niet thuis gekomen waren.
+
+Ze ging naar de hoofddeur en liet den klopper een paar malen zwaar
+neervallen. Zij greep den deurknop en rukte er aan, dat het door
+'t geheele huis klonk. Niemand deed open; maar toen ze den ijzeren
+knop, dien ze met haar bloote handen had aangegrepen, wilde loslaten,
+werd de huid van haar hand door den ijskouden knop gescheurd.
+
+De machtige eigenaar van Björne, Melchior Sinclaire, was naar huis
+gereden om de poort van zijn goed te sluiten voor zijn eenig kind:
+hij was bedwelmd door den drank, en woest van toorn. Hij haatte zijn
+dochter, omdat ze van Gösta Berling hield, hij sloot de dienstboden
+in de keuken op en zijn vrouw in de slaapkamer. Met geweldige vloeken
+dreigde hij ieder, die het waagde Marianne binnen te laten komen,
+armen en beenen stuk te slaan. Zij wisten dat hij woord zou houden.
+
+Zóó boos had nog niemand hem ooit gezien. Grooter leed was hem nooit
+overkomen. Was zijn dochter hem onder de oogen gekomen, hij had haar
+misschien gedood.
+
+Hij had haar gouden sieraden en zijden kleederen gegeven; hij had haar
+fijne beschaving en veel kennis gegeven. Zij was zijn eer, zijn glorie
+geweest. Hij was trotsch op haar geweest als droeg ze een kroon! Ach
+zijn vorstelijke, goddelijke, aangebedene, zijn schoone fiere
+Marianne! Had hij iets ontzien, waar 't haar gold? Had hij zich niet
+te onbeschaafd gevoeld om haar vader te zijn? Ach Marianne, Marianne!
+
+Zou hij haar niet haten, zij die verliefd is op Gösta Berling en hem
+kust! Zou hij haar niet verstooten en zijn deur voor haar sluiten,
+als ze zijn eer krenkt door zulk een man lief te hebben?--Laat ze
+op Ekeby blijven. Laat ze bij de buren een onderkomen zoeken, laat
+ze in de sneeuw slapen. Hem kan 't niet schelen. Ze is toch al door
+den modder gehaald. Haar glans--de glans van zijn leven is weg!
+
+Hij ligt daar binnen in bed en hoort haar kloppen op de deur. Wat
+gaat hem dat aan? Hij slaapt. Daar buiten staat iemand, die met een
+afgezetten dominé trouwen wil. Zulke menschen hooren niet in zijn
+huis. Had hij haar minder liefgehad, was hij minder trotsch op haar
+geweest, dan had hij haar misschien nog ingelaten.
+
+Ja, zijn zegen kon hij hen niet onthouden. Dien had hij aan Gösta
+Berling verspeeld. Maar in zijn huis zou ze geen voet meer zetten,
+dàt verkoos hij niet.--Ach Marianne!
+
+De schoone jonge vrouw stond nog altijd buiten de deur van haar
+ouderlijk huis. Nu eens rukte ze aan de deur in machtelooze woede,
+dan weer viel ze op haar knieën, vouwde haar gekwetste handen en
+smeekte om vergeving. Maar niemand deed open.
+
+Ach, was dat niet verschrikkelijk?
+
+Ontzetting grijpt me aan, terwijl ik het vertel. Zij kwam van
+een bal, waar ze koningin van 't feest geweest was. Ze was fier,
+rijk en gelukkig en in één oogenblik werd ze in zulk een hopelooze
+ellende gestort. Uitgestooten uit haar huis, aan de felle winterkou
+prijs gegeven; niet gehoond, geslagen of vervloekt, maar enkel koud,
+onverbiddelijk, liefdeloos buitengesloten.
+
+Ik denk aan den kouden, sterrenheldren nacht, die zich over haar
+welfde, de groote wijde nacht met de verlatene, eenzame sneeuwvelden,
+met de stille bosschen. Alles was stil, alles lag zonder smart in diepe
+rust, slechts één enkel levend punt in al dat slapende witte. Alle
+smart en angst en schrik, die anders over heel de wereld verdeeld
+is, kwam nu samen op dat ééne punt. O, God! alleen te lijden in die
+slapende, stijfbevroren wereld.
+
+Voor 't eerst in haar leven ontmoette ze onbarmhartigheid en
+hardheid. Haar moeder wilde niet eens uit haar bed opstaan, om haar
+te redden. Oude, trouwe dienaren, die haar eerste schreden geleid
+hadden, hoorden haar, maar verroerden geen vinger om harentwil. Voor
+welke misdaad werd ze toch gestraft! Waar kon ze barmhartigheid
+verwachten, als ze die hier niet vond! Als ze een mensch vermoord had,
+zou ze toch nog hier aangeklopt hebben, in de overtuiging, dat zij
+daarbinnen haar vergeven zouden. Al was ze de ellendigste onder de
+menschen geworden, al was ze diep gezonken en in lompen, dan nog zou
+ze met vertrouwen naar deze deur zijn gegaan en een liefdrijk welkom
+verwacht hebben. Deze deur was de ingang naar haar huis. Daarachter
+kon ze alleen liefde ontmoeten. Had haar vader haar nu nog niet genoeg
+beproefd? Zouden ze nu niet gauw opendoen?
+
+"Vader, vader!" riep ze, "laat me toch binnen. Ik heb 't zoo koud,
+ik ril 't Is hier buiten zoo vreeselijk!"
+
+"Moeder, moeder; u hebt zooveel voor me gedaan! u hebt zoo dikwijls
+bij me gewaakt! Waarom slaapt u nu? Moeder, moeder waak nog dezen
+éénen nacht, en ik zal u nooit meer verdriet doen!"
+
+Zij roept, en luistert dan ademloos naar antwoord. Maar niemand hoort
+het, niemand helpt, niemand antwoordt. Dan wringt zij de handen van
+angst; maar ze heeft nog geen tranen.
+
+Het lange donkre huis met zijn gesloten deuren en donkre vensters
+lag schrikwekkend, onbewegelijk, in den stillen nacht. Wat moest er
+van haar, arme daklooze worden. Gebrandmerkt en onteerd zou ze zijn,
+zoolang ze leefde. En 't was haar vader zelf, die haar 't gloeiend
+brandijzer in de schouders drukte.
+
+"Vader," riep ze nog eens, "wat moet er van me worden? De menschen
+zullen allerlei kwaad van me denken." Zij schreide en jammerde;
+zij was geheel verstijfd van kou.
+
+O! dat zulk een ellende kan komen over iemand, die pas zóó
+hoog stond. Dat men zóó licht onder 't zwaarste leed gebogen kan
+worden! Moeten we niet bang worden voor 't leven? Wie is er veilig? Om
+ons heen golft de smart als een woeste zee. Zie, de golven dringen
+op om ons scheepje, begeerig om er bruisend overheen te storten. O,
+geen zeker voetpad, geen vaste grond, geen veilig vaartuig, zoover
+het oog reikt! Slechts een onbekende hemel over zee van smart.
+
+Stil! Eindelijk, eindelijk! Lichte schreden klinken in de vestibule.
+
+"Is u 't moeder?" vroeg Marianne.
+
+"Ja, mijn kind."
+
+"Mag ik nu binnen komen?"
+
+"Vader wil je niet binnen laten."
+
+"Ik ben van Ekeby hierheen geloopen met mijn dunne schoenen door de
+sneeuw. Ik heb hier een uur staan roepen en kloppen. Ik vries hier
+dood! Waarom is u weggereden?"
+
+"Ach, kind, kind, waarom heb je Gösta Berling gekust!"
+
+"Maar zeg toch aan vader, dat ik niet van hem houd! 't Was immers
+maar spel! Gelooft hij dan dat ik Gösta hebben wil?"
+
+"Ga naar de boerderij, Marianne en vraag of je daar van nacht moogt
+blijven. Vader is dronken. Met vader is niet te praten, hij heeft
+mij boven gevangen gehouden. Ik ben weggeslopen, toen ik dacht,
+dat hij sliep. Hij slaat je dood, als je binnenkomt."
+
+"Moeder, moeder, moet ik naar vreemden gaan als ik een huis heb? Is
+moeder even hard als vader. Hoe kunt gij er vrede meê hebben, dat ik
+buiten gesloten word. Ik ga hier in de sneeuw liggen, als u me niet
+binnen laat."
+
+Toen nam Mariannes moeder de deursleutel in de hand om open te doen;
+maar op 't zelfde oogenblik hoorde ze zware schreden op de trap en
+een scherpe stem riep haar.
+
+Marianne luisterde; haar moeder haastte zich weg; de scherpe stem
+schold haar uit en toen....
+
+Marianne hoorde iets vreeselijks--in 't doodstille huis kon ze ieder
+geluid hooren.
+
+Ze hoorde 't geluid van een slag, van een stokslag of een oorvijg,
+toen een zwak geritsel en toen weer een slag.
+
+Hij sloeg haar moeder, de verschrikkelijke, reusachtige Melchior
+Sinclaire sloeg zijn vrouw!
+
+Doodsbleek van schrik wierp Marianne zich neer op den drempel en
+wrong de handen van angst. Nu schreide zij en haar tranen bevroren
+op den drempel van haar ouderlijk huis.
+
+Genade! Erbarming! Doe open, doe open, opdat zij haar rug kan krommen
+onder de slagen. O! dat hij moeder kan slaan, haar slaan, omdat ze
+haar dochter niet dood in de sneeuw wil zien liggen, omdat zij haar
+kind heeft willen troosten!
+
+Hoe diep werd Marianne dien nacht vernederd! Ze had gedroomd, dat
+zij koningin was en daar lag ze nu, weinig beter dan een slavin,
+gekromd onder de zweep van haar meester.
+
+Maar zij stond op in ijskoude verontwaardiging. Nog eens sloeg ze
+met haar bloedende hand op de deur en riep:
+
+"Hoor wat ik je nu zeg, jij die mijn moeder slaat! Je zult schreien,
+Melchior Sinclaire, bloedige tranen schreien!" Daarop ging zij heen,
+de schoone Marianne en legde zich ter ruste in een sneeuwhoop. Ze
+gooide haar pels af en lag daar in haar zwart fluweelen feestkleed,
+scherp afstekend tegen de witte sneeuw en ze dacht er aan hoe haar
+vader den volgenden morgen vroeg zou uitgaan en haar vinden. Zij
+hoopte alleen dat hij haar zelf vinden zou.
+
+
+
+Op Ekeby waren alle lichten uitgebluscht en alle gasten vertrokken. De
+kavaliers stonden alleen boven in de kavaliersvleugel, om den laatsten
+halfleegen bowl.
+
+Toen tikte Gösta tegen den rand van den bowl, en sloeg een toast op u,
+gij vrouwen uit vroeger dagen.
+
+Wie van u sprak, zei hij, hem was het als vertoefden zijn gedachten in
+'t Paradijs. Louter heerlijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong,
+eeuwig schoon waart ge en vriendelijk als de oogen der moeder, die
+naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens sloegt ge de armen om
+den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw
+voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw en hard. Gij
+zachte heiligen, als versierde beelden stond ge in den tempel van
+het tehuis. De mannen lagen aan uw voeten en brachten u wierook en
+gebeden ten offer, door u verrichtte de liefde haar wonderen en om
+uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie.
+
+En de kavaliers sprongen op, bedwelmd door den wijn, bedwelmd ook
+door zijn woorden, de feestvreugde nog bruisend door hun bloed. De
+oude oom Eberhard en de luie neef Christoffel bleven niet achter. In
+vliegende vaart spanden zij allen te samen de paarden voor de sleden
+en ijlden voort door den kouden nacht om nog een hulde te brengen aan
+haar, die nooit genoeg gehuldigd werden, om een serenade te brengen
+aan ieder, die met haar roode wangen en heldere oogen schitterde in
+de groote zalen van Ekeby.
+
+Maar de kavaliers brachten 't niet ver op dien tocht. Want toen ze
+bij Björne kwamen, vonden zij de schoone Marianne in de sneeuw liggen
+voor de poort van haar ouderlijk huis.
+
+Zij rilden! Zij werden bedroefd en vertoornd toen ze haar daar zoo
+zagen liggen. Het was hun als vonden ze een heiligenbeeld vernield
+en uitgeplunderd bij de kerkdeur liggen, alsof een baldadige hand de
+snaren van een stradivarius had doorgesneden.
+
+Gösta balde de vuist tegen het donkere huis. "Gij kindren der
+duisternis!" riep hij. "Als hagel en storm hebt ge Gods paradijs
+verwoest!"
+
+Beerencreutz stak zijn hoornen lantaren aan en lichtte er de
+bewustelooze meê in 't blauwbleeke gezicht. Toen zagen de kavaliers
+haar gekwetste handen, en de tranen, die in haar wimpers bevroren waren
+en zij jammerden luid. Want zij was toch meer dan een heiligenbeeld
+of een kostbaar muziekinstrument;--ze was een schoone vrouw, die tot
+vreugd voor hun oude harten geweest was.
+
+Gösta Berling wierp zich naast haar op de knieën.
+
+"Hier ligt ze nu, mijn bruid," riep hij uit. "Zij gaf mij voor een
+paar uur de eerste kus en haar vader heeft mij zijn zegen beloofd. Zij
+ligt en wacht, tot ik haar sneeuwwit bed kom deelen." En Gösta hief
+de levenlooze op in zijn sterke armen.
+
+"Naar huis, naar Ekeby met haar!" riep hij uit. "Nu is ze de mijne! In
+de sneeuw heb ik haar gevonden, nu zal niemand mij haar afnemen. Wij
+zullen hen daarbinnen niet wakker maken. Wat zou zij daar achter die
+poort doen, waartegen zij de handen aan bloed sloeg!"
+
+Hij mocht doen wat hij wilde. Hij legde Marianne in de voorste slee
+en zette zich naast haar. Beerencreutz ging er achter op staan en
+greep de teugels.
+
+"Wrijf haar met sneeuw, Gösta," raadde hij.
+
+De kou had haar verlamd, anders niet. Haar woest oproerig hart klopte
+nog. Zij was niet eens bewusteloos. Zij had alles gehoord en wist, dat
+de kavaliers haar gevonden hadden; maar zij kon zich niet bewegen. Ze
+lag stijf en onbewegelijk in de slee, terwijl Gösta Berling haar met
+sneeuw wreef en beurtelings schreide en haar kuste, en zij voelde een
+oneindig verlangen om slechts éen hand zóóveel te kunnen verroeren,
+dat ze zijn liefkoozingen beantwoorden kon.
+
+Zij herinnerde zich alles; ze lag daar wel stijf en machteloos,
+maar haar gedachten waren helderder dan ooit. Had zij Gösta Berling
+lief? Ja, dat deed ze! Was het maar een inval van dien avond? Neen,
+zij had hem al lang, al vele jaren liefgehad.
+
+Ze vergeleek zich zelf met hem en de andere menschen in Wermeland. Zij
+waren allen kinderen van het oogenblik. lederen opkomenden lust
+volgden ze. Zij leefden alleen het uiterlijke leven en hadden nooit
+de diepte hunner ziel gepeild. Maar zij was geworden zooals men wordt
+door veel onder menschen te verkeeren. Zij kon zich nooit geheel aan
+iets overgeven. Als zij liefhad--ja, wat ze ook deed--altijd stond
+de eene helft van haar Ik met een koelen spottenden glimlach toe te
+zien op wat de andre helft deed. Zij had verlangd naar een hartstocht,
+die over haar komen zou en haar meêslepen in woeste vaart. En nu was
+hij gekomen, de machtige. Toen zij Gösta Berling gekust had op het
+balkon, had zij voor het eerst zich zelf vergeten.
+
+En nu kwam de hartstocht op nieuw over haar. Haar hart sloeg zóó
+heftig, dat zij 't hooren kon. Zou zij niet eindelijk haar ledematen
+weer meester worden?--Zij voelde een woeste blijdschap, omdat ze
+uit haar huis verstooten was. Nu wilde ze Gösta toebehooren, zonder
+eenige bedenkingen. Wat was ze toch dom geweest, toen ze jaren lang
+haar liefde bedwong. O heerlijk, heerlijk is 't zich over te geven aan
+de liefde, haar te voelen branden in 't hart. Maar zou ze dan nooit,
+nooit uit de kluisters van ijs bevrijd worden? Tot nu toe was ze van
+binnen koud en van buiten vol gloed geweest. Nu was 't haar als droeg
+ze een ziel van vuur in een lichaam van ijs.
+
+Daar voelt Gösta twee armen zacht zich opheffen en om zijn hals leggen
+met een zwak, bijna onmerkbaar drukken.
+
+Hij kon 't maar juist even voelen.
+
+En Marianne meende, dat zij haar gesmoorden hartstocht lucht gegeven
+had in een brandende omhelzing.
+
+Toen Beerencreutz dat zag, liet hij 't paard over aan zich zelf op
+den bekenden weg. Hij hief zijn oogen op en staarde hardnekkig en
+onafgebroken naar 't zevengesternte.
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DE OUDE VOERTUIGEN.
+
+
+Vrienden, menschenkinderen! Wanneer het mocht zijn, dat ge dit zit
+of ligt te lezen in den nacht, zooals ik dit schrijf in stilte en
+duisternis, slaak dan geen zucht van verlichting bij de gedachte,
+dat de goede heeren van Ekeby ongestoord konden slapen, toen ze thuis
+gekomen waren met Marianne en haar een goed bed gegeven hadden in de
+beste logeerkamer bij de groote zaal.
+
+Ze gingen wel naar bed en sliepen in; maar het viel hen niet te beurt
+om rustig te slapen tot midden op den dag, zooals gij en ik zouden
+doen, als we tot vier uur opgebleven waren en de leden ons pijn deden
+van vermoeidheid.
+
+Want ge moet niet vergeten, dat de oude Majoorske door 't land ging
+met den bedelstaf en dat het niet in haar aard lag, bij 't uitvoeren
+van gewichtige plannen, rekening te houden met het gemak van vermoeide
+zondaars. En nu deed ze dat nog veel minder, omdat ze voornemens was
+dezen nacht de kavaliers van Ekeby te verdrijven.
+
+De tijd, toen zij in glans en heerlijkheid op Ekeby zat en vreugde
+om zich heen strooide over de wereld, zooals God sterren zaait over
+den ganschen hemel--die tijd was voorbij. En terwijl zij verlaten
+ronddwaalde, was de macht en eer van het groote goed aan de kavaliers
+overgelaten, die het verzorgden, zooals de wind de asch, zooals de
+lentezon de sneeuw.
+
+Nu en dan gebeurde het, dat de kavaliers in een lange slede reden met
+klinkende bellen. Wanneer zij dan de Majoorske ontmoetten, die als
+bedelaarster langs den weg ging, sloegen zij de oogen niet neer. De
+luidruchtige troep balde de vuisten tegen haar. Met een zwaai van de
+slee drongen ze haar in de sneeuwhoopen op zij van den weg en Majoor
+Fuchs, de beerenjager, spuwde altijd drie keer op den grond om het
+booze voorteeken van zulk een ontmoeting de kracht te ontnemen.
+
+Zij hadden geen medelijden met haar, ze beschouwden haar als een
+leelijke heks.
+
+Als haar een ongeluk getroffen had, zouden ze het zich niet meer
+hebben aangetrokken, dan wanneer ze op een avond een geweer hadden
+afgeschoten met koperen knoopen en dan toevallig een voorbijvliegende
+tooverheks geraakt hadden.
+
+De arme kavaliers meenden hun ziel te redden door de Majoorske te
+vervolgen.
+
+De menschen hebben elkaar vaak 't gruwelijkst gepijnigd, als zij in
+angst waren voor de zaligheid hunner ziel.
+
+Als de kavaliers laat in den nacht van hun drinkgelag naar 't venster
+gingen, om naar 't weer te kijken, zagen ze vaak een donkere schaduw
+door den hof glijden en ze begrepen dan, dat de Majoorske naar haar
+geliefd tehuis kwam kijken. Maar dan daverde de kavaliersvleugel van
+het honend lachen der oude zondaars en spottende woorden klonken uit
+de open vensters in haar ooren.
+
+Voorwaar! Harteloosheid en hoogmoed namen hun intrek bij de arme
+avonturiers. Sintram had haat in hun harten gezaaid. Als de Majoorske
+in vrede op Ekeby was gebleven, kon hun ziel niet in grooter gevaar
+geweest zijn. Er vallen meer krijgers op de vlucht dan in den slag.
+
+De Majoorske was niet bijzonder boos op de kavaliers. Had zij er
+nog de macht voor gehad, dan had zij ze met een roede afgestraft
+als ondeugende jongens en hen dan weer in genade aangenomen. Maar
+ze was bekommerd voor haar geliefd tehuis, dat aan de kavaliers
+was overgelaten en door hen verzorgd werd zooals de wolf het schaap
+verzorgt.
+
+Ach! hoevelen hebben dezelfde smart gedragen. Zij is niet de eenige,
+die haar dierbaar thuis heeft zien verwaarloozen, die gevoeld heeft
+wat het is als het ouderlijk huis ons aanziet als een gewond dier. Hoe
+menigeen voelt zich als ware hij een misdadiger, als hij de boomen
+met mos en de paden met gras ziet begroeien. Hij zou op de knieën
+kunnen vallen op die velden, vroeger golvend van graan en ze smeeken
+hem niet aan te klagen om de schande, die over hen kwam. Hij wendt
+zijn hoofd af voor den blik der arme oude paarden. Hij durft niet aan
+'t hek blijven staan om 't vee van de weiden te zien thuiskomen. Geen
+plek op aarde is zóó droevig om te zien als een vervallen thuis.
+
+Ach, ik smeek u, gij allen, die velden en weiden en tuinen met bloemen,
+die vreugde brengen, bezit of te verzorgen hebt--verzorg ze goed. Geef
+ze uw liefde, uw arbeid. Het is niet goed, als de natuur moet treuren
+over de menschen! Als ik er aan denk wat het trotsche Ekeby heeft
+moeten lijden, onder het bestuur der kavaliers, dan betreur ik het,
+dat de Majoorske haar doel niet bereikte, dat Ekeby hun niet afgenomen
+werd.
+
+Het was niet haar bedoeling zelf weer aan het bestuur te komen. Zij
+had maar één doel: haar huis te bevrijden van die dwazen, sprinkhanen,
+die roovers, die geen grassprietje overlieten.
+
+Terwijl ze bedelend door 't land trok en van aalmoezen leefde, moest
+zij steeds aan haar moeder denken, en de gedachte, dat er nooit betere
+tijden voor haar zouden komen, vóor haar moeder den vloek van haar
+weggenomen had, die haar zoo zwaar drukte, schoot wortel in haar ziel.
+
+Niemand had haar nog den dood der oude vrouw gemeld. Zij leefde
+dus zeker nog in het Elvedal, daar boven op haar hoeve. Negentig
+jaar oud leefde ze daar nog en werkte onafgebroken, verzorgde haar
+melkschotels in den zomer en haar kolenbranderijen in den winter,
+werkte tot het laatste toe, verlangend naar den dag, dat zij haar
+arbeid volbracht had.
+
+En de Majoorske dacht, dat als de oude vrouw zóólang bleef leven,
+'t zeker zijn zou, omdat ze den vloek van haar leven wegnemen zou. De
+moeder, die zulk een ellende over 't hoofd van haar kind had gebracht,
+kon niet sterven.
+
+Daarom wilde de Majoorske naar haar toegaan, opdat ze beide rust zouden
+vinden. Zij wilde door de donkre bosschen heen opgaan langs de lange
+beek naar haar ouderlijk huis. Eer kon ze geen rust vinden. Er waren
+velen, die haar in die dagen een gezellig tehuis en trouwe vriendschap
+aanboden, maar zij had geen blijvende plaats. Barsch en toornig ging
+zij van de eene hoeve naar de andere, want de vloek drukte haar.
+
+Zij wilde naar haar moeder gaan, maar eerst wilde zij haar
+geliefd Ekeby redden. Zij wilde het niet achterlaten in de handen
+van lichtzinnige pretmakers, van onbruikbare zwierbollen, van
+onverschillige verkwisters van Gods goede gaven. Zou zij heengaan om
+later haar bezittingen verwoest, haar smidse verlaten, haar paarden
+verwaarloosd, haar dienstboden vertrokken te vinden? Neen, nog eens
+wilde ze al haar kracht verzamelen en de kavaliers wegjagen.
+
+Wel wist ze, dat haar man met vreugde zag hoe 't toeging op Ekeby. Maar
+ze kende hem genoeg om te weten dat, als zij maar eens zijn sprinkhanen
+verdreven had, hij te lui zou zijn om anderen te zoeken. Waren
+de kavaliers maar eerst weg, dan zou haar oude rentmeester en de
+meesterknecht Ekeby wel op de oude manier besturen.
+
+Daarom had men haar zwarte schaduw vele nachten lang zien rondsluipen
+op de zwarte wegen bij de ijzermijnen. Zij was de arbeidershuizen
+uit en ingegaan; ze had gefluisterd met den molenaar en zijn knechts
+in de benedenste kelders van den molen; zij had beraadslaagd met de
+smeden in 't donkere kolenhok.
+
+En allen hadden ze gezworen haar te helpen. De eer en 't aanzien van
+'t oude landgoed zou niet langer overgelaten worden aan slordige
+kavaliers, om door hen verzorgd te worden zooals de wind de asch,
+de wolf de kudden verzorgt.
+
+En in dezen nacht, die de vroolijke heeren verdanst, en verdronken
+hebben, tot ze doodmoe op hun bedden in slaap gevallen zijn, in
+dezen nacht nog moeten zij weg. Zij heeft hen laten feestvieren. Met
+een barsch gezicht heeft zij in de smidse gezeten en gewacht tot
+het feest voorbij was. Zij heeft nog langer gewacht, totdat de
+kavaliers terugkwamen van hun nachtelijken rit; zij heeft zwijgend
+gewacht tot haar werd aangezegd, dat het laatste licht uit was op
+de kavaliersvleugel en dat alles op het groote landgoed sliep. Toen
+stond ze op en ging naar buiten. 't Was al vijf uur in den morgen;
+maar nog welfde zich de donkere, van sterren vonkelende Februarinacht
+over de aarde.
+
+De Majoorske gebood heel het dienstpersoneel van 't landgoed zich
+bij den kavaliersvleugel te verzamelen. Zelf ging ze eerst naar het
+hoofdgebouw, klopte aan en werd binnen gelaten. De dochter van den
+predikant te Broby, die zij had opgeleid tot een bekwaam dienstmeisje,
+ontving haar.
+
+"Mevrouw is zoo hartelijk welkom," zei het meisje en kuste haar
+de hand.
+
+"Doe het licht uit," zei de Majoorske. "Meen je, dat ik hier den weg
+niet kan vinden zonder licht?"
+
+En toen begon zij haar wandeling door het stille huis. Zij ging
+van den zolder tot den kelder om afscheid te nemen. Zacht slopen
+de beide vrouwen van 't eene vertrek naar het andere. De Majoorske
+sprak met haar herinneringen. 't Meisje zuchtte en jammerde niet,
+maar groote tranen rolden aanhoudend over haar wangen, terwijl ze haar
+meesteres volgde. De Majoorske liet de linnenkast en de zilverkast
+opendoen en streek met de hand over de fijne damasten tafellakens en
+over de prachtige zilveren kannen. Zij liet de hand over de groote
+stapels donzen dekens en kussens glijden op de beddenkamer. Al het
+huisraad: de weefstoelen, de spinnewielen, de garenwinders, moest zij
+aanraken. Zij stak onderzoekend haar hand in de kruiddoos en voelde
+aan de vetkaarsen, die aan den zolder hingen.
+
+"De kaarsen zijn droog," zeide ze. "Nu kunnen ze afgenomen en
+opgeborgen worden." In den kelder ging ze, klopte op de vaten liet
+de hand glijden langs de rekken met wijnflesschen. Zij was in de
+provisiekamer en in de keuken en betastte alles, onderzocht alles. Zij
+strekte de handen uit en nam afscheid van alles in het huis.
+
+Eindelijk ging zij in de kamers. In de eetzaal streek zij met de hand
+over de groote uittrektafel.
+
+"Menigeen is verzadigd geworden aan deze tafel," zeide zij.
+
+Zij ging door alle kamers. Zij vond de lange breede sofa's op hun
+plaatsen, zij streelde het koude marmer op de consoles die, door
+vergulde draken gedragen, de kostbare spiegels ondersteunden.
+
+"Een rijk huis," zei ze, "een heerlijk man was hij, die mij dat alles
+gaf om te besturen."
+
+In de groote zaal, waar zoo pas de dans nog weêrklonken had, stonden
+de leuningstoelen met hooge ruggen al weer op een stijve rij langs
+den muur. Zij ging naar de piano en sloeg zacht een paar tonen aan.
+
+"Ook in mijn tijd ontbrak 't hier niet aan vreugd en vroolijkheid,"
+zeide zij.
+
+De Majoorske ging ook in de logeerkamer achter de groote zaal. 't
+Was pikdonker.
+
+De Majoorske voelde voor zich uit en raakte bij toeval 't gezicht van
+'t meisje aan.
+
+"Schrei je?" vroeg zij, want haar hand was nat van tranen.
+
+Toen barstte het meisje in luid weenen uit. "Ach mevrouw, lieve
+mevrouw," snikte ze, "zij vernielen alles. Waarom gaat mevrouw van
+ons weg en laat de kavaliers het heele huis bederven!"
+
+De Majoorske trok het gordijn ter zijde en wees naar beneden in den
+hof. "Heb ik je geleerd te schreien en te jammeren?" vroeg zij. "Zie,
+de plaats is vol menschen. Morgen is er geen enkele kavalier meer
+op Ekeby."
+
+"En komt mevrouw dan terug?" vroeg het meisje.
+
+"Mijn tijd is nog niet gekomen," zeide de Majoorske. "De straatweg is
+mijn huis, een sloot mijn bed. Maar jij moet Ekeby voor mij bewaren,
+meisje, terwijl ik weg ben."
+
+En zij gingen verder. Geen van beiden wist of dacht er aan, dat
+Marianne juist in deze kamer sliep.
+
+Zij sliep ook niet. Ze lag klaar wakker, zij hoorde en begreep
+alles. Zij had in haar bed een hymne aan de liefde liggen dichten. "Gij
+heerlijke, die me verhieft boven mij zelf," zeide zij, "ik lag
+in grondelooze ellende verzonken en gij hebt die in een paradijs
+herschapen. Aan den ijzeren knop van den gesloten poort bleven mijn
+handen hangen en werden er gekwetst; op den drempel van mijn tehuis
+liggen mijn tranen tot ijspaarlen bevroren. IJzige woede deed mijn
+hart rillen toen ik slagen hoorde dalen op mijn moeders rug. In de
+koude sneeuw wilde ik mijn toorn vergeten. Maar toen kwaamt gij, o
+liefde! Kind van 't vuur! Gij kwaamt! Tot de arme van koude bevangen
+zijt gij gekomen. Als ik mijn ellende vergelijk met de heerlijkheid,
+die ik daardoor won, is zij als niets. Van alle banden ben ik
+bevrijd. Geen vader of moeder of thuis heb ik meer. De menschen zullen
+alle mogelijke kwaad van mij gelooven en zich van mij afwenden. Welaan,
+uw wil geschiede, machtige Liefde. Waarom zou ik meer zijn dan de man,
+dien ik liefheb? Hand in hand zullen wij de wereld doorgaan. Arm is de
+Bruid van Gösta Berling. In de sneeuw heeft hij haar gevonden. Laat ons
+te zamen ons vestigen, niet in de hooge zalen; maar in een boerenhut
+aan den rand van het woud. Ik zal hem helpen in de kolenbranderij,
+en met het strikken zetten voor vogels en hazen. Ik zal zijn eten
+bereiden en zijn kleeren verzorgen. O mijn liefste, gelooft ge, dat ik
+ontbering of droefheid zal voelen, terwijl ik alleen in onze hut zit en
+u wacht? En toch zal ik dat, maar niet naar de dagen van mijn rijkdom,
+alleen naar u zal ik uitzien en verlangen, naar uw schreden op 't pad,
+naar uw vroolijk gezang, als ge met de bijl op den schouder thuiskomt."
+
+Zoo had ze stil gelegen en hymnen gedicht aan den aller harten
+beheerschenden God der liefde en geen slaap had haar oogen geloken,
+toen de Majoorske binnenkwam. Toen ze weer was heengegaan, stond
+Marianne op en kleedde zich aan. Nog eens moest ze het zwart fluweelen
+kleed en de dunne balschoenen aantrekken. Zij sloeg de deken om
+zich heen als een shawl en spoedde zich op nieuw voort door den
+vreeselijken nacht.
+
+Rustig, vol sterren en bijtend koud rustte de Februarinacht nog over
+de aarde, het was als zou ze nooit voorbijgaan. En de duisternis en
+de kou door de nacht gebracht, bleef op aarde hangen lang nadat de
+zon was opgegaan, lang nadat de sneeuw, waardoor de schoone Marianne
+gewaad had, tot water versmolten was.
+
+Marianne haastte zich voort van Ekeby om hulp te zoeken. Zij kon
+niet toelaten, dat de mannen, die haar uit de sneeuw hadden opgenomen
+en hun huis en hart voor haar geopend, van hun haardsteden verjaagd
+zouden worden. Zij wilde naar Sjö gaan, naar Majoor Samzelius. Eerst
+over een uur kon ze terug zijn.
+
+Toen de Majoorske afscheid van haar huis genomen had, ging ze naar
+buiten op de plaats, waar het volk haar wachtte en de strijd om den
+kavaliersvleugel begon.
+
+De Majoorske stelt al het volk op rondom het hooge smalle gebouw,
+waaraan het bovenste gedeelte de beruchte woning der kavaliers is. In
+de groote kamer daarboven met de gewitte muren, de roodgeschilderde
+kisten en de groote tafel, waar de kaarten nog op de met brandewijn
+bemorste tafel liggen, waar de breede bedden door geel geruite
+gordijnen verborgen worden--daar slapen de kavaliers. Ach, die
+zorgeloozen?
+
+En in den stal voor de gevulde ruif slapen de kavalierspaarden en
+droomen van de heldenfeiten hunner jeugd.
+
+Liefelijk is het in de rustdagen te droomen van de avonturen der jeugd,
+van de marktreizen, toen ze dag en nacht onder den blooten hemel
+moesten staan, van hardrijderijen, van proefritten voor een verkoop,
+als hun door wijn verhitte meesters hun van uit de wagens allerlei
+vloeken toeriepen. Lieflijk zijn die droomen voor hen, nu ze weten
+dat ze nooit meer den warmen stal, de gevulde ruif van Ekeby zullen
+verlaten. Ach, die zorgeloozen!
+
+In een oud vervallen wagenhuis, waar stukgereden karossen en
+afgedankte sleden bewaard worden, staat een wonderlijke verzameling
+voertuigen. Daar staan groen geschilderde mandenwagens en sjeezen
+en sleden en allerlei soorten van rijtuigen. Daar staat de eerste
+kariool, die in Wermeland gezien is, en die door Beerencreutz in den
+oorlog van 1814 is buit gemaakt. Daar staat de lange slee, waarin
+plaats is voor twaalf man en de kleine slee waarin neef Christoffel
+kwam aanrijden en Örneclous' oude familieslee met berenvellen en
+'t wapen op 't zeil en verder een oneindig aantal kapsleden.
+
+Vele kavaliers hebben al geleefd en zijn gestorven op Ekeby. Hun
+namen zijn vergeten en zij hebben geen plaats meer in de harten der
+menschen; maar de Majoorske heeft de voertuigen bewaard, waarin zij
+naar Ekeby kwamen. Ze heeft ze allen bijeen in het oude wagenhuis.
+
+En daarbinnen staan zij stil en laten de stof dicht op zich neervallen.
+
+Nagels en spijkers houden niet meer in 't vermolmde hout, de verf
+valt er af in groote stukken, en door de motgaten komt het opvulsel
+van kussens en dekken naar buiten.
+
+"Laat ons rusten, laat ons vervallen," zeggen de oude voertuigen. "Wij
+hebben lang genoeg langs de wegen geschommeld, wij hebben vocht genoeg
+opgezogen in de regenbuien. Laat ons rusten! 't Is lang geleden,
+dat wij de jonge heeren naar hun eerste bal reden, lang geleden,
+dat wij netjes gepoetst en glimmend uittrokken op sleepartijtjes,
+lang geleden, dat we op moerassige wegen in de lente de jonge heeren
+naar den slag van Trössnäs reden. De meesten van hen gingen ter ruste,
+de laatsten en de besten zullen Ekeby niet meer verlaten."
+
+En het leder der voetenzakken barst, de banden springen van de wielen,
+wielspaken en naaf vermolmen. De oude voertuigen geven niet meer om
+het leven. Zij willen sterven.
+
+'t Stof ligt over hen als een lijkwade en zij laten onder die bedekking
+den ouderdom steeds meer macht over hen krijgen. In hardnekkige luiheid
+laten ze zich vervallen. Niemand raakt hen aan en toch vallen zij
+aan stukken. Eéns in het jaar wordt de schuur geopend, als een nieuwe
+kameraad is aangekomen, die zich op Ekeby wil vestigen en zoodra de
+deuren gesloten zijn valt de moeheid, de slaap, 't verval, de zwakte
+van den ouderdom ook over de nieuw aangekomene. Ratten en houtwormen
+en motten en hoe al die roofdieren verder mogen heeten, werpen zich
+op hen en zij verroesten en vermolmen in droomlooze, liefelijke rust.
+
+Maar nu in den kouden Februarinacht laat de Majoorske de deuren van
+de wagenschuur openen.
+
+En met lantarens en fakkels laat zij de voertuigen uitzoeken, die
+aan de tegenwoordige kavaliers van Ekeby behooren: 't oude kariool
+van Beerencreutz en de met wapens versierde slee van Örneclou en
+'t smalle sleetje van Neef Christoffel.
+
+Ze geeft er niet om of 't zomer- of winterrijtuigen zijn, ze past
+alleen op, dat ieder 't zijne krijgt.
+
+En in den stal worden al de oude kavalierspaarden gewekt, die zoo
+pas nog voor de gevulde kribben droomden.
+
+Uw droomen zullen werkelijkheid worden, gij zorgeloozen!
+
+De steile heuvels zult ge weer afrennen en 't muffe hooi weer proeven
+in den herbergstal, en de zweep van den paardenkooper voelen en
+deelnemen aan onzinnige wedrennen op zulk glad ijs, dat ge er voor
+beeft.
+
+Nu is 't zooals 't behoort, nu de oude voertuigen bespannen zijn.
+
+Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge
+spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor
+lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als 't gebit
+in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen
+en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen
+blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten,
+spatten en gehoest komen nu aan het licht.
+
+De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen
+nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want
+ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen.
+
+"Span Don Juan voor onze beste kapslee," antwoordt de Majoorske,
+"en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen." En als de
+jongens aarzelen, gaat ze voort: "Er is geen paard op mijn stal, dat ik
+niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet."
+
+Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt,--maar de kavaliers
+slapen nog altijd.
+
+Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar
+'t is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige
+paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze
+zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen
+gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. 't Is zoo makkelijk
+hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen,
+die hen weg zullen voeren.
+
+Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht
+bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de
+kavaliers slapen.
+
+"'t Is mijn hooiberg," zegt ze, "heel Ekeby hoort mij toe."
+
+En als nu de hooiberg in lichtelaaie vlam staat roept ze: "Wek hen nu!"
+
+Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De
+menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord:
+"Brand! brand!"
+
+Maar de kavaliers slapen.
+
+De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers
+slapen.
+
+Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen
+een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen.
+
+Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen
+van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van
+vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht.
+
+Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om
+hen te wekken.
+
+Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en
+gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep
+als dooden.
+
+Die gezegende slaap zal hen redden.
+
+'t Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar
+steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen;
+gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker
+achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt,
+neer te vellen.
+
+Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met
+hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een
+beer in zijn hol? 't Volk brult: "Brand! brand!" keer op keer; maar
+niets helpt.
+
+Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat
+de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de
+slaapkamer open en roept naar binnen:
+
+"Brand! Brand!"
+
+Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan 't
+schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen
+onmiddellijk de twaalf mannen 't bed uit, zien den vuurgloed, trekken
+haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op.
+
+Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke
+molenaarsjongens,--en een groote schande komt over de kavaliers. Want
+wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en
+voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of
+slee gelegd.
+
+Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche
+overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh,
+de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke,
+de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske
+overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers.
+
+'t Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in
+de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige
+blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde
+uitbarstingen van onmachtige woede.
+
+De Majoorske gaat van den een naar den ander.
+
+"Je moet zweren," zegt ze, "dat je nooit meer naar Ekeby terug
+zult komen."
+
+"Och loop, oude tooverheks!"
+
+"Je moet zweren," zegt zij, "anders gooi ik je in den kavaliersvleugel,
+gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand
+ik den kavaliersvleugel. Nu weet je 't!"
+
+"Dat durft de Majoorske toch niet."
+
+"Durf ik 't niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je,
+dat ik 't niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg
+tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje
+te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken
+om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? 't Is je
+geraden te zweren!"
+
+En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden,
+want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met
+bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken
+te voorkomen.
+
+Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö
+bereikt.
+
+De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin,
+waar hij zijn beren voerde.
+
+Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in 't berenhok,
+bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten
+en haastte zich naar Ekeby.
+
+Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar
+zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen.
+
+Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat
+zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden
+verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden?
+
+Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in
+wilde vaart naar Ekeby.
+
+Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant
+zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor
+de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan:
+
+"De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren."
+
+Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan.
+
+"Jij hebt hem gehaald," zei ze tegen Marianne.
+
+"Vlucht!" roept deze nog dringender. "Weg van hier, in Godsnaam! Ik
+weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich."
+
+Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan.
+
+"Ik dank jelui voor je hulp, kinderen," zei deze kalm tot het
+volk. "Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van
+jelui voor 't gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar
+huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga
+nu heen."
+
+Maar zij bleven dralen.
+
+Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne.
+
+"Ik weet, dat je liefhebt," zeide ze. "Je handelt in waanzin, door
+liefde gedreven. 'k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je
+machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd
+meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is!
+
+"Komt nu kinders, komt nu!" met deze woorden wendde ze zich weer tot
+het volk. "God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als
+je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en 't land
+in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme
+menschen."
+
+Toen ging ze heen, door 't volk gevolgd.
+
+Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling
+behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden,--een lange
+treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was
+'t al even droevig gesteld. 't Leven had geen van allen gespaard.
+
+Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag
+hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij
+schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog
+nooit gedragen.
+
+"Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van
+Björne knielde," zeide Marianne.
+
+En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude
+voertuigen weer in 't wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de
+kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De
+dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met
+licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen,
+dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en
+de uilen krassen.
+
+Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis
+waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden
+om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen.
+
+"Leve de Majoorske!" riepen zij.
+
+Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden
+ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren.
+
+Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg,
+dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden?
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE GROOTE BEER OP GURLITA KLÄTT.
+
+
+In de duisternis der wouden huizen de onheilige dieren, de kaken
+gewapend met glinsterende tanden of scherpe bekken; en scherpe klauwen
+aan de pooten. Zij verlangen er naar zich aan een bloedigen hals vast
+te klampen,--hun oogen vonkelen van moordlust.
+
+Daar huizen de wolven, die 's nachts te voorschijn komen om de slede
+der boeren te jagen, tot de vrouw het kindje, dat op haar schoot zit,
+moet opnemen en het uit de slee werpen om haar leven en dat van haar
+man te redden.
+
+Daar huist de los, die 't volk "göpä" noemt, want, in het bosch ten
+minste, is 't gevaarlijk hem bij zijn rechten naam te noemen. Hij,
+die op den dag over hem gesproken heeft, mag 's avonds wel goed
+de deuren en luiken van 't schapenhok nazien, anders komt hij. Hij
+klautert recht tegen 't schapenhok op, want zijn klauwen zijn sterker
+dan ijzeren nagels. Hij glijdt door 't nauwste luikje en werpt zich
+op de schapen. En hij hangt aan hun hals en drinkt hun bloed uit de
+aderen en vermoordt en verscheurt ze tot er geen enkel schaap meer
+over is. Zijn woede bedaart niét zoolang nog éen van hen teekenen
+van leven geeft.
+
+En 's morgens vindt de boer alle schapen dood in 't hok met afgebeten
+halzen; want de los laat geen levend vee achter, waar hij komt.
+
+Daar huist de uil, die huilt in de schemering. Als ge hem dan nadert,
+komt hij op zijn breede vleugels aansuizen en steekt u de oogen
+uit. Want hij is geen gewone uil. Een boschduivel is hij!
+
+En daar huist de verschrikkelijkste van allen, de beer, die zoo sterk
+is als twaalf man en die, nu hij volwassen is, alleen met zilveren
+kogels geveld kan worden. Kan iets een dier verschrikkelijker maken dan
+dat het alleen met zilveren kogels kan geveld worden? Wat zijn dat voor
+vreeselijke, geheime krachten, die in hem wonen, die hem voor gewoon
+lood onkwetsbaar maken? Kan niet menig kind vele uren wakker liggen
+en beven voor het wilde dier, dat door booze machten beschut wordt.
+
+En als men hem in 't bosch tegen mocht komen, groot en hoog als
+een wandelende rots, dan moet men niet opspringen, zich ook niet
+verdedigen; maar zich op den grond laten vallen en zich dood
+houden. Vele kinderen hebben in gedachten op 't veld gespeeld en
+den beer bij zich gehad. Hij heeft ze met de poot om en om gerold,
+en ze hebben zijn heeten, snuivenden adem in hun gezicht gevoeld,
+maar ze hebben stil gelegen, tot hij wegging om een gat te graven,
+waar hij ze in bewaren wilde.
+
+Toen zijn ze stil opgestaan en weggeloopen,--eerst langzaam, maar
+later in vliegende vaart.
+
+Maar o! Stel u eens voor, dat de beer ze niet goed dood gevonden
+had, maar nog eens had toegebeten, of dat hij ergen honger had en ze
+dadelijk had willen opeten, of dat hij ze gezien had, toen ze zich
+bewogen en ze nagesprongen was! O God!
+
+Een heks is de angst. Ze zit in de schemering der wouden, dicht
+tooverliederen voor de oogen der menschen en vult hun harten met
+ontzettende gedachten. Daardoor ontstaat die verlammende vrees,
+die 't leven zwaar maakt en de schoonheid der lachende dreven
+verwoest. Boosaardig is de natuur, valsch als een slapende
+draak. Nergens kan men op vertrouwen.
+
+Daar ligt het Löfvenmeer in zijn heerlijke schoonheid, maar vertrouw
+het niet. Het loert op roof; ieder jaar moet het zijn schatting van
+drenkelingen brengen.
+
+Daar ligt het woud; verlokkend vredig; maar vertrouw het niet. 't
+Bosch is vol onheilige dieren, waarin de zielen van booze toovenaars
+en moordlustige schurken gevaren zijn.
+
+Vertrouw de beek niet met het zachte water. 't Brengt u vreeselijke
+ziekten en den dood, als ge er in baadt na zonsondergang. Vertrouw
+den koekoek niet, die zoo vroolijk riep in 't voorjaar. In den herfst
+wordt hij een havik met booze oogen en scherpe klauwen. Vertrouw het
+mos niet, noch het heidekruid, noch de berghelling. Boosaardig is de
+natuur, bezield door onzichtbare machten, die de menschen haten. Er
+is geen plaats waar ge een voet veilig neer kunt zetten. Wonderlijk is
+'t, dat dit zwak geslacht zoo veel vervolging ontkomen kan.
+
+Een heks is de angst. Zit ze nog in de duisternis der bosschen van
+Wermeland haar tooverliederen te zingen? Verduistert ze er nog de
+schoonheid van 't lachend landschap, verlamt ze nog de vreugde over
+'t leven? Groot is haar macht geweest, ik weet dat! Ik, die haar
+ijzeren hand om mijn hart heb gevoeld.
+
+Maar nu moet niemand meenen, dat ik nu iets griezeligs of vreeselijks
+vertellen zal. 't Is maar een oud verhaal van den grooten beer in
+Gurlita Klätt, dat ik moet doen en 't staat ieder volkomen vrij het
+te gelooven of niet, zooals 't immers met alle echte jachtverhalen
+het geval is.
+
+
+
+De groote beer heeft zijn hol op den prachtigen bergtop, die Gurlita
+Klätt heet en zich steil en ontoegankelijk aan den oever van 't
+boven-Löfvenmeer verheft.
+
+De wortels van een omgevallen den, waartusschen 't mos is blijven
+hangen, vormen de wanden en 't dak van zijn woning; takken en twijgjes
+beschutten die en de sneeuw dekt ze toe. Daar binnen kan hij liggen
+en rustig slapen van den eenen zomer tot den andren.
+
+Is hij dan een dichter, een verweekelijkt droomer, die ruige
+boschkoning, die roover in de sneeuw verborgen? Zal hij de koude
+nachten en de grauwe dagen van den winter verslapen om door
+murmelende beekjes en vogelgezang gewekt te worden? Zal hij daar
+liggen droomen van heuvels met roode boschbessen bedekt en van
+mierenhoopen vol lekkere, bruine miertjes en van de lammeren die op
+de groene berghellingen weiden? Zal hij, de gelukkige, aan 's levens
+winter ontkomen?
+
+Buiten giert de sneeuwjacht door de dennen; buiten zwerven wolven
+en vossen rond, waanzinnig van honger. Waarom zou alleen de beer
+slapen? Hij zal opstaan en voelen hoe snerpend de kou is, hoe zwaar
+het valt door de diepe sneeuw te waden.
+
+Hij ligt daar zoo heerlijk. Hij lijkt de prinses uit de sage
+wel. Zooals zij door de liefde gewekt werd, zoo zal hij door de lente
+gewekt worden. Door een zonnestraal, die door de takjes heen glijdt en
+zijn snuit verwarmt; door droppeltjes smeltende sneeuw, die zijn pels
+nat maken, zal hij gewekt worden. Wee hem, die hem ontijdig stoort.
+
+Als nu maar iemand er rekening meê hield, hoe de woudkoning zijn
+leven heeft ingericht. Als nu maar niet plotseling een zwerm hagel
+door de takjes kwam suizen en de korrels in zijn huid kropen als
+nijdige muggen.
+
+Hij hoort plotseling geraas, roepen en schieten. Hij schudt zich
+den slaap uit de leden en breekt door de takken om te zien wat er
+is. Daar is werk voor den ouden strijdheld. De lente is het niet,
+die buiten zijn hol ruischt en buldert; ook de wind niet, die de
+dennen omrukt en de jachtsneeuw doet opstuiven; 't zijn de kavaliers,
+de kavaliers van Ekeby,--oude kennissen van den woudkoning.
+
+Hij herinnert zich den nacht nog wel toen Fuchs en Beerencreutz op
+den loer zaten bij de schuur op de hoeve van den boer van Nygaard,
+waar men een bezoek van hem wachtte. Ze waren juist bij hun brandewijn
+flesch ingeslapen, toen hij kwam en door 't met plaggen gedekte dak
+van den stal kroop; maar ze werden wakker, toen hij de gedoode koe
+uit de stal wilde slepen. De koe namen ze hem af en zijn ééne oog;
+maar 't leven redde hij. Ja, zoowaar! de kavaliers en hij zijn oude
+kennissen. De woudkoning herinnert zich nog hoe ze hem een anderen
+keer overvielen, toen hij en zijne hooge gemalin zich juist ter ruste
+hadden gelegd voor den winterslaap in den ouden koningsburcht hier op
+Gurlita Klätt en hun jongen bij zich hadden. Hij herinnert zich nog,
+hoe onverwacht ze kwamen. Hij ontkwam wel, maar moest loopen wat hij
+kon, en mank werd hij voor zijn leven, door een schot in de dij. En
+toen hij des nachts naar den Koningsburg terug keerde, vond hij de
+sneeuw rood van 't bloed van zijn hooge gemalin, en de vorstelijke
+kindren waren weggevoerd naar de vlakte, om daar als dienaren en
+vrienden der menschen op te groeien.
+
+Ja, nu beeft de grond, en de sneeuw trilt, die 't dak bedekt, nu breekt
+hij los, de groote beer, de oude vijand der kavaliers. Geeft nu acht,
+Fuchs, oude berendooder, geef nu acht, Beerencreutz, in 't spel
+bedreven overste, geef acht, Gösta Berling, held van honderd avonturen!
+
+Wee de dichters, de droomers, de helden van liefdesavonturen! Daar
+staat nu Gösta Berling met den vinger aan den trekker en de beer komt
+recht op hem af. Waarom schiet hij niet, waar denkt hij aan?
+
+Waarom zendt hij niet fluks den beer een kogel in de breede borst? Hij
+staat juist op de rechte plaats om dat te kunnen doen. De andren
+kunnen niet schieten op dat oogenblik. Meent hij soms, dat hij voor
+zijn woudmajesteit op parade staat?
+
+Gösta staat natuurlijk te droomen van de schoone Marianne, die in
+deze dagen zwaar ziek ligt op Ekeby, ziek, na dien nacht, dat ze in
+de sneeuw heeft geslapen.
+
+Hij denkt aan haar, die ook een offer van den vloek van den haat is,
+van dien vloek, die over de aarde rust en hij beeft als hij bedenkt,
+dat hij is uitgegaan om te vervolgen en te dooden.
+
+En daar komt de groote beer recht op hem af, blind aan één oog,
+door een houw van 't mes van een kavalier, mank aan één poot door
+een kogel uit 't geweer van een kavalier, ruig en knorrig en alleen;
+sinds zij zijn vrouw gedood hebben en zijn kinderen weggevoerd. En
+Gösta ziet hem zooals hij is: een arm, vervolgd dier, dat hij niet
+van 't leven berooven wil, 't eenige, wat hij nog over heeft, sinds
+de menschen hem alles ontnamen,
+
+"Hij mag mij dooden," denkt Gösta, "maar ik schiet niet."
+
+En terwijl de beer op hem aankomt, blijft hij stil staan, precies als
+op een parade. En als de woudkoning vlak voor hem staat, presenteert
+hij 't geweer en gaat op zij.
+
+De beer vervolgt zijn weg, wel wetende, dat hij geen tijd te verliezen
+heeft. Hij baant zich een weg door de manshooge sneeuw, rolt van de
+steile hellingen en vlucht zonder ophouden, terwijl alle kavaliers,
+die met overgetrokken hanen op Gösta's schot hebben staan wachten,
+hun geweer op hem afschieten.
+
+Maar 't is te vergeefs. De ring is gebroken en de beer is weg. Fuchs
+bromt en Beerencreutz vloekt; maar Gösta doet niets dan lachen.
+
+Hoe kunnen ze toch willen, dat een mensch, zoo gelukkig als hij,
+één van Gods schepselen kwaad zal doen?
+
+De groote beer van Gurlita Klätt kwam er dus levend af. Uit zijn
+winterslaap is hij gewekt, dat zullen de boeren gewaar worden. Geen
+beer is behendiger dan hij in 't openscheuren van de daken op hun
+lage kelderachtige veestallen; geen kan beter wegsluipen uit een
+gestelde hinderlaag.
+
+De menschen daar aan 't Löfvenmeer wisten weldra geen raad meer
+met hem. Den eenen bode na den anderen zenden ze naar de kavaliers,
+met verzoek, dat ze toch zullen komen en den beer dooden.
+
+Dag aan dag, nacht op nacht, de heele maand Februari door, trekken
+nu de kavaliers naar 't boven Löfvenmeer om den beer te zoeken;
+maar hij vermijdt hen. Heeft hij de sluwheid van den vos geleerd
+en de snelheid van den wolf? Als ze op wacht liggen op een hoeve,
+dan teistert hij een naburige hoeve, en zoeken ze hem in 't bosch,
+dan vervolgt hij de boeren op het ijs. Hij is de brutaalste aller
+roovers geworden. Hij kruipt naar binnen op den zolder en likt moeders
+honingpotten leeg. Hij scheurt het paard weg voor vaders slee?
+
+Maar langzamerhand begint men te begrijpen wat het voor een beer is
+en waarom Gösta niet op hem schieten kon. Akelig is 't om te zeggen,
+vreeselijk te gelooven; maar 't is geen gewone beer. Niemand kan
+er aan denken hem te vellen, die niet een zilvren kogel in zijn
+geweer heeft. Een kogel van zilver en klokkenmetaal, gegoten op
+een donderdagavond, met nieuwe maan op den kerktoren, zonder dat de
+predikant of de koster of eenig ander mensch 't weet. Die zou hem
+wel dooden; maar die is zoo makkelijk niet te krijgen.
+
+
+
+Op Ekeby is een man, die meer dan iemand anders zich ergert over dit
+alles. Men begrijpt wel, dat dit Anders Fuchs, de berendooder is. Hij
+kan niet slapen en niet eten, zoo spijt het hem dat hij den grooten
+beer in Gurlita Klätt niet vellen kan. Eindelijk begrijpt hij ook,
+dat de beer alleen met een zilvren kogel geschoten kan worden.
+
+De grimmige Majoor Anders Fuchs was geen mooi man. Hij had een
+zwaar lomp lichaam, een breed, rood gezicht met hangwangen en meer
+dan één onderkin. Stijf als een borstel zat de kleine zwarte knevel
+boven zijn dikke lippen en 't zwarte haar stond stijf en recht uit
+om zijn hoofd. Hij sprak weinig en at veel. Hij hoorde niet tot hen,
+die de vrouwen met zoeten lach en open armen te gemoet komen en hij
+zond haar ook geen vriendelijke blikken toe. Men geloofde niet, dat
+er een vrouw was met wie hij 't eens zou kunnen worden en alles wat
+op dweperij en liefde leek, was hem vreemd.
+
+'t Is een donderdagavond; de maan is juist twee vingers breed en
+blijft een paar uur boven den horizont na zonsondergang. De Majoor
+gaat heen van Ekeby zonder te zeggen wat hij van plan is. Hij heeft
+vuursteen en staal en kogelvormen in zijn jachttasch, 't geweer op
+den rug. Hij gaat naar de kerk van Bro om zijn geluk te beproeven.
+
+De kerk ligt op 't oostelijke strand van de smalle straat tusschen
+'t boven en beneden Löfvenmeer en de Majoor moest over de brug om
+daar te komen.
+
+Hij gaat dus diep in gedachten daarheen zonder naar den Brobyheuvel
+op te zien, waar de huizen zich scherp afteekenen tegen den helderen
+avondhemel, of tegen Gurlita Klätt die zijn ronden top in 't avondrood
+opheft. Hij kijkt naar den grond en peinst er over, hoe hij den
+sleutel zal krijgen, zonder dat iemand het weet.
+
+Toen hij bij de brug komt, hoort hij iemand zóó wanhopig schreeuwen,
+dat hij wel opkijken moet.
+
+In dien tijd was de kleine Duitscher Faber organist in Bro. Hij was een
+mager klein kereltje, en niet veel waard. En de koster was Jan Larsson,
+een flinke boer maar arm, want de predikant van Broby had hem zijn
+vaderlijk erfdeel afhandig gemaakt,--volle vijfhonderd rijksdaalders.
+
+De koster wil met de zuster van den organist trouwen, met de kleine,
+fijne juffrouw Faber; maar de organist wil het niet hebben en daarom
+waren die twee mannen geen vrienden. Dezen avond is de koster den
+organist op de brug tegengekomen en is recht op hem toegevlogen. Hij
+pakt hem bij de borst, en houdt hem met gestrekten arm over de leuning
+en zweert bij hoog en laag, dat hij hem in 't water zal gooien,
+als hij hem niet de kleine, fijne jonge dame wil geven.
+
+Het Duitschertje wil toch niet toegeven; hij spartelt en schreeuwt
+en zegt aldoor: "neen!" hoewel hij onder zich 't donkre water door
+de witte ijsschotsen ziet schijnen.
+
+"Neen, neen," schreeuwt hij. "Neen! neen!"
+
+En 't is niet zeker dat de koster in zijn toorn hem niet naar beneden
+had laten dansen in 't koude, donkre water, als niet juist toen
+Majoor Fuchs over de brug was gekomen. Toen werd de koster bang,
+zette Faber op vasten grond en liep weg zoo hard hij kon.
+
+De kleine Faber valt nu den Majoor om den hals en dankt hem, omdat
+hij zijn leven heeft gered; maar de Majoor schudt hem af en zegt,
+dat het niet de moeite waard is om voor te bedanken. De Majoor houdt
+niet van de Duitschers sinds hij te Putbus op Rügen ingekwartierd is
+geweest, in den oorlog met Pommeren.
+
+Nooit in zijn leven is hij zoo dicht bij den hongerdood geweest
+als toen.
+
+De kleine Faber wil naar den leensman Scharling om den koster voor
+poging tot moord aan te klagen; maar de Majoor zegt hem, dat het niet
+helpt in dit land, want hier is 't niet strafbaar een Duitscher dood
+te slaan.
+
+Dan kalmeert de kleine Faber wat en noodigt den Majoor uit, het
+avondeten bij hem aan huis te gaan gebruiken.
+
+De Majoor neemt de uitnoodiging aan, want, denkt hij, de organist zal
+wel een sleutel van de kerk hebben. En zoo gaan ze den Brobyheuvel
+op, waar de kerk, de pastorie, 't huis van den organist en dat van
+den koster bij elkaar liggen.
+
+"Bitte, bitte," zegt de kleine Faber, terwijl hij en de Majoor zijn
+huis binnentreden. "U moet 't eenvoudige voor lief nemen. Ik heb
+opruiming gehouden, mijn zuster en ik. Wij hebben een haan geslacht."
+
+"Dat treft prachtig," roept de Majoor uit.
+
+De kleine gedistingeerde juffrouw Faber komt dadelijk binnen met een
+verfrisschenden dronk in groote aarden kruiken. Nu weet ieder, dat de
+Majoor geen goed oog op de vrouwen heeft; maar de kleine juffrouw Faber
+moet hij toch met welgevallen aanzien, toen ze daar met haar keurig
+mutsje binnenkwam. Het lichte haar lag zoo glad om het voorhoofd,
+het zelf geweven kleedje was zoo net en vlekkeloos rein, haar kleine
+handen waren zoo vlug en vlijtig en haar gezichtje zoo roozerood en
+rond, dat hij niet laten kon te denken, dat als hij zulk een vrouwtje
+voor twintig jaar geleden ontmoet had, hij haar dadelijk ten huwelijk
+gevraagd zou hebben.
+
+Maar hoe net en vlug en handig ze ook is, haar oogen zijn geheel
+beschreid. Dat juist maakt hem zoo zacht gestemd tegenover haar.
+
+Terwijl de mannen eten en drinken, gaat zij de kamer in en uit. Eens
+komt ze naar haar broeder toe, maakt een kniks en zegt: "Hoe zullen
+we de koeien in de schuur zetten."
+
+"Zet twaalf links en elf rechts, dan vechten ze niet," antwoordde de
+kleine Faber.
+
+"Wel verbazend! Heeft Faber zooveel koeien?" roept de Majoor.
+
+Maar de zaak was, dat de organist maar twee koeien had. Hij noemde de
+eene: "elf" en de andre "twaalf" omdat 't goed zou klinken, als hij
+over hen sprak. En hij vertelt den Majoor, dat zijn stal verbouwd wordt
+en de koeien daarom overdag buiten en 's nachts in de schuur staan.
+
+De Majoor vraagt den organist, waarom zijn zuster zulke roode oogen
+heeft en hoort nu, dat ze schreit, omdat hij haar niet wil laten
+trouwen met den armen koster, die geen cent bezit en in schulden
+steekt.
+
+Door dit alles raakt de Majoor al dieper en dieper in gedachten
+verdiept. Hij ledigt de eene kroes na de andere en eet de eene worst na
+de andere op, zonder het zelf te merken. De kleine Faber is verstijfd
+van schrik over zulk een eetlust! Maar hoe meer de Majoor eet en
+drinkt, hoe helderder zijn hoofd wordt en hoe meer zijn besluit rijpt,
+iets voor de kleine Faber te doen.
+
+Hij heeft intusschen den grooten sleutel in 't oog gekregen, die aan
+een knop bij de deur hangt, en zoodra de kleine Faber, die den Majoor
+onder 't drinken bescheid moest doen, 't hoofd op de tafel legt en
+snurkt, heeft majoor Fuchs den sleutel, zet zijn muts op en haast
+zich weg.
+
+Een minuut later stommelt hij den torentrap op, door zijn hoornen
+lantaarntje bijgelicht en komt zoo eindelijk boven in den klokkentoren,
+waar de klokken hun groote monden boven hem openen. Daar boven schraapt
+hij wat metaal van een der klokken met een vijl, en wil juist den
+kegelvorm en den vuursteen te voorschijn halen, toen hij merkt,
+dat hij 't allergewichtigste nog mist, dat hij geen zilver bij zich
+heeft. Als er eenige kracht in die kogel zal zijn, moet hij immers
+in dien toren gegoten worden. Nu is alles in orde: donderdagavond is
+het nieuwe maan en niemand vermoedt, dat hij hierboven zit, en nu kan
+hij niets doen. Hij vloekt in de stilte van den nacht zóó krachtig,
+dat het weerklinkt in de klokken.
+
+Onmiddelijk daarna hoort hij een zwak gedruisch beneden in de kerk
+en meent stappen op de trap te hooren. Ja, waarlijk het is zoo,
+met zware schreden hoort hij iemand de trap opkomen.
+
+Majoor Fuchs, die daar boven stond te vloeken, dat 't weerklonk in
+de klokken, werd een beetje bezorgd. Hij zou wel eens willen weten,
+wie hem daar bij 't kogelgieten wil komen helpen. De stappen komen
+al nader, zelfs tot bij den klokkentoren.
+
+De Majoor verstopt zich tusschen de balken en blaast het licht
+uit. Niet, dat hij nu juist bang is; maar alles is immers bedorven,
+als iemand hem daar ziet. En nauwelijks heeft hij zich daarboven
+verstopt, of de nieuw aangekomene steekt zijn hoofd boven den grond.
+
+De Majoor kent hem wel. 't Is de gierige dominé van Broby. Hij, die
+nu zoo goed als waanzinnig is van gierigheid, heeft de gewoonte zijn
+geld op de wonderlijkste plaatsen te herbergen. Nu komt hij met een
+pakje muntbiljetten, die hij in den klokkentoren verstoppen wil. Hij
+weet niet, dat iemand hem ziet. Hij licht een plank op uit den vloer,
+legt 't geld daar onder en gaat weer heen.
+
+Maar de Majoor licht snel dezelfde plank op. Och, wat een geld! 't Eene
+pakje muntbiljetten naast 't andere en daar tusschen in lederen zakjes
+met geld, vol zilvren munten. De Majoor neemt juist zooveel zilver,
+als hij voor een kogel noodig heeft; 't overige laat hij liggen.
+
+Als hij beneden op 't veld komt, heeft hij een zilveren kogel op
+zijn geweer. Hij loopt er over te denken, hoe alles hem meeloopt en
+vraagt zich af hoe 't geluk hem verder dienen zal in dezen nacht. Want
+'t is wonderlijk met die donderdagavonden, zooals ieder weet. Hij
+gaat maar eerst naar 't huis van den organist. Want 't kon zijn,
+dat dat canaille van een beer wist, dat Fabers koeien in een oude
+schuur staan zoo goed als onder den blooten hemel.
+
+Jawel! ziet hij daar niet iets groots en donkers over 't veld op de
+schuur aankomen. Dat moest de beer zijn.
+
+Hij legt 't geweer aan; en zal juist schieten maar dan krijgt hij
+berouw.
+
+'t Is hem of hij in 't donker de beschreide oogen van juffrouw Faber
+voor zich ziet. Hij denkt er aan, dat hij haar en den koster wil
+helpen; maar 't gaat hem aan 't hart den grooten beer van Gurlita
+Klätt niet zelf te dooden. Hij heeft zelf later gezegd, dat niets
+in de wereld hem meer gekost heeft, maar omdat 't meisje zoo fijn en
+teer en zoo lief was, moest dat offer gebracht worden.
+
+Hij gaat naar 't huis van den koster, wekt hem, haalt hem half gekleed
+uit huis en zegt hem, dat hij den beer moet schieten, die om de schuur
+van Faber sluipt.
+
+"Als je den beer schiet, dan geeft hij je zijn zuster wel," zegt hij,
+"want dan word je opeens een geacht en geëerd man. 't Is geen gewone
+beer, die daar, en de beste man van 't land zou het voor een eer
+houden hem te vellen."
+
+En hij duwt hem zijn eigen geweer in de hand, met den kogel van zilver
+en klokkenmetaal er in, in een kerktoren op donderdagavond gegoten,
+met nieuwe maan. En hij kan niet laten te trillen van afgunst, omdat
+nu een ander dan hij den grooten woudkoning, den ouden beer in Gurlita
+Klätt, zal schieten.
+
+De koster mikt. De hemel beware mij! Hij mikt alsof hij den grooten
+beer aan den hemel moet schieten, ook wel de wagen genoemd, die in
+een kring om de poolster draait, en niet een beer, die op 't veld
+loopt. En 't schot gaat af met een knal, die over heel Gurlita Klätt
+gehoord wordt.
+
+Maar hoe hij ook gemikt had--de beer viel. Zoo gaat het, als men met
+zilvren kogels schiet. Men treft den beer in het hart al mikt men
+ook op den wagen.
+
+Uit alle nabijliggende hoeven komen menschen toeschieten en zijn
+verbaasd over 't gebeurde; want nooit knalde een schot zóó sterk en
+wekte zooveel slapenden, als dit--en de koster werd zeer geprezen,
+want de beer was een echte landplaag.
+
+De kleine Faber komt ook naar buiten, maar nu wordt de Majoor Fuchs
+bitter teleurgesteld. Daar staat de koster met eer overladen en heeft
+nog op den koop toe Faber's koeien gered; maar de kleine organist
+is niet dankbaar, niet eens bewogen. Hij ontvangt hem niet met open
+armen en begroet hem niet als een held of als zijn zwager.
+
+De Majoor staat met gefronste wenkbrauwen en stampvoet van boosheid
+over zulk een ellendigen kerel. Hij wil spreken en den hebzuchtigen
+snaak aan 't verstand brengen welk een heldendaad dat is; maar hij
+begint te stotteren en kan er geen woord uitbrengen.
+
+Ach 't is hem ook onbegrijpelijk, dat iemand, die zulk een heldenstuk
+volbracht, niet de fierste bruid op aarde waard zou zijn.
+
+De koster en eenige jonge mannen zullen den beer villen; zij gaan
+slijpsteenen en scherpe messen halen; de anderen gaan naar huis en
+naar bed. Majoor Fuchs blijft alleen bij den dooden beer achter.
+
+Dan gaat hij nog eens naar de kerk, steekt weer den sleutel in het
+slot, klimt de smalle trappen op, schrikt de slapende duiven op uit
+hun rust en bereikt nog eens den klokkentoren.
+
+Later, als de beer onder toezicht van den Majoor gevild wordt, vindt
+men tusschen zijn kaken een pakje bankbriefjes. 't Zijn vijfhonderd
+rijksdaalders. Niemand weet, hoe die daar gekomen zijn; maar dit is
+immers een wonderlijke beer, en daar de koster 't dier geveld heeft is
+'t geld voor hem, dat spreekt van zelf.
+
+Toen dit bekend werd, begreep de kleine Faber plotseling welk eervol
+heldenstuk de koster heeft uitgevoerd, en verklaart, dat hij er
+trotsch op wezen zal hem zijn zwager te noemen.
+
+Op Vrijdagavond keert Majoor Anders Fuchs naar Ekeby terug, na
+meegeweest te zijn naar 't feest in 't huis van den koster ter eere
+van zijn meesterschot en naar 't verlovingsfeest bij den organist aan
+huis. Hij loopt voort met een droevig hart. Hij voelt geen vreugd over
+den val van zijn vijand, en is niet blij met de prachtige berenhuid,
+die de koster hem ten geschenke heeft gegeven. Nu meenen velen zeker,
+dat hij er over treurt, dat het fijne, mooie juffertje een ander
+toebehoort? Ach neen! dat baart hem geen smart. Maar wat hem aan
+'t hart knaagt is, dat de oude eenoogige woudkoning nu geveld is,
+zonder dat hij den zilverkogel op hem heeft mogen afschieten.
+
+Zoo komt hij boven in den kavaliersvleugel, waar de kavaliers om 't
+vuur zitten, en werpt zonder een woord te zeggen het berenvel voor
+hen neer. Niemand moet denken, dat hij iets van zijn tocht vertelde,
+eerst veel, veel later heeft men uit hem gekregen, wat er eigenlijk
+gebeurd was. Ook verraadde hij de geheime bergplaats van den dominé
+van Broby niet, en deze merkte misschien nooit den diefstal.
+
+De kavaliers onderzoeken 't vel.
+
+"'t Is een mooie huid," zegt Beerencreutz.
+
+"Hoe zou die snaak uit den winterslaap gewekt zijn? Of heb je hem in
+zijn hol geschoten?"
+
+"Hij is in Bro geschoten."
+
+"Ja, zoo groot als de beer van Gurlita was hij toch niet," zegt Gösta;
+"maar 't was een mooi dier."
+
+"Als hij één oog had gehad," zegt Kevenhüller, "dan zou ik denken,
+dat het de oude zelf was, zóó groot is hij; maar deze is aan de oogen
+niet gewond geweest dus 't is de oude niet."
+
+Fuchs vloekt over zijn eigen domheid, maar dan heldert zijn gezicht
+op. Hij straalt van vreugd en dat maakt hem bijna mooi.
+
+Dus is dan de groote beer toch niet door 't schot van een ander
+gevallen.
+
+"Heere God, wat zijt gij goed!" fluistert hij en vouwt de handen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+DE VERKOOPING OP BJÖRNE.
+
+
+Vaak verwonderen wij jongeren ons over de verhalen der ouden.
+
+"Was er dan elken dag bal, heel uw heerlijke jeugd door?" vroegen
+wij hen. "Was het leven dan één voortdurend sprookje? Waren alle
+jonge dames toen mooi en beminlijk? En eindigde ieder feest met een
+schaking door Gösta Berling?"
+
+Dan schudden de ouden hun eerwaardige hoofden en begonnen te vertellen
+van het snorren der spinnewielen en 't klapperen der weefstoelen,
+van de drukte in de keukens, van 't slaan van den dorschvlegel op
+den dorschvloer, van 't klinken van den bijl in 't bosch. Maar het
+duurde niet lang, of ze waren weer op den ouden toon aan 't vertellen.
+
+Dan hielden de sleden voor de stoep stil, dan snelden de paarden voort
+door donkere bosschen, met de vroolijke jonge menschen, dan ging de
+dans door de zalen en de snaren van de viool klonken. Dan suisde
+met gezang en gedruisch de wilde jacht om 't Löfvenmeer. Ver weg
+kondt ge hen hooren. De boomen in 't bosch wankelden en vielen. Alle
+machten des verderfs werden ontketend, de vlammen knetterden, de
+waterval verwoestte geheele gebouwen, de wilde dieren slopen rond om
+de hoeven. Onder de hoeven der achtvoetige paarden werd alle stille
+geluk vernield. Waar de wilde jacht voorbij kwam werden de harten der
+mannen wild en de vrouwen moesten bleek van schrik vluchten van hun
+haardsteden. En wij luisterden--verwonderd, zwijgend, bang en toch
+met stil genot.
+
+"Wat voor menschen waren dat toch!" dachten wij.
+
+"Nooit zullen we zulke menschen zien!"
+
+"Dachten die menschen nooit over wat zij deden?" vroegen wij.
+
+"Ja zeker dachten ze, kinderen," antwoordden de ouden.
+
+"Maar niet, zooals wij denken," beweerden wij. Maar dan begrepen de
+ouden niet wat wij meenden.
+
+Maar wij dachten aan den wonderlijken geest der zelfbeschouwing,
+die reeds zijn intrede in onze harten gedaan had. Wij dachten aan
+hem, aan zijn ijzige oogen en zijn lange, kromme vingers;--aan hem,
+die in den donkersten hoek van onze ziel zit en ons zieleleven uit
+elkaar haalt, zooals oude vrouwen met lapjes wol doen,--en stuk pluist.
+
+Stuk voor stuk hadden die lange, harde kromme vingers uit elkaar
+gehaald, tot onze heele ziel daar lag als een bundel vodden en toen
+waren onze beste gevoelens, onze meest impulsmatige gedachten, alles,
+wat we gedaan en gezegd hadden, onderzocht, doorgekeken en uit elkaar
+gehaald en de ijzige oogen hadden er naar gekeken en de tandelooze
+mond had hoonend gelachen en gefluisterd. "Zie, 't zijn vodden,
+enkel vodden."
+
+Er waren ook in dien tijd wel menschen, die hun ziel hadden opengezet
+voor den geest met de ijzige oogen. Bij één van hen zat hij aan de bron
+der handelingen, honend lachend om goed en kwaad, alles begrijpend,
+niets veroordeelend, onderzoekend, vorschend, uit elkaar pluizend,
+de bewegingen van haar hart en de kracht harer gedachten verlammend
+door onophoudelijk honend te lachen.
+
+De schoone Marianne droeg den geest der zelfbeschouwing in zich. Zij
+voelde dat zijn koude oogen en zijn hoonlachen ieder van haar daden
+en woorden volgde. Haar leven was een tooneelstuk, waarvan hij de
+eenige toeschouwer was. Zij was geen mensch meer, zij leed niet,
+genoot niet, had niet lief; zij speelde de rol van de mooie Marianne
+Sinclaire en de zelfbeschouwing zat met ijskoude oogen en vlijtig,
+pluizende vingers en zag haar optreden.
+
+Zij was als 't ware in twee helften verdeeld. Bleek, onsympathiek
+en hoonend zat de éene helft van haar ziel spottend neer te zien op
+de andere, die handelde en nooit had die wonderlijke geest, die haar
+ziel uit elkaar pluisde, een enkel woord van meêgevoel.
+
+Maar waar was hij dan geweest, die bleeke bewaker van de bron harer
+handelingen, in dien nacht toen zij 's levens volheid had leeren
+kennen?
+
+Waar was hij toen zij, de verstandige Marianne, Gösta Berling kuste,
+terwijl honderden oogen op hen rustten, en toen zij in wanhoop
+zich neerwierp in de sneeuw om te sterven? Toen waren de ijskoude
+oogen verblind, de hoonlach verdwenen, want de hartstocht was haar
+ziel binnengestormd. 't Gedruisch van de wilde jacht had gebruist
+in haar ooren. Zij was geheel en al mensch geweest in dien éénen
+verschrikkelijken nacht.
+
+O! gij hoonende geest der zelfbeschouwing. Toen Marianne met
+onuitsprekelijke inspanning haar verstijfde armen ophief en ze om
+Gösta's hals legde, toen moest gij, als de oude Beerencreutz uw oogen
+opheffen van de aarde en de sterren aanzien. In dien nacht was uw macht
+gebroken. Ge waart dood, terwijl zij haar hymne aan de liefde dichtte,
+dood, terwijl zij naar Sjö ijlde, naar den Majoor, dood, toen zij de
+vlammen den hemel rood zag tinten boven de toppen der boomen.
+
+Zie, zij waren gekomen, de sterke stormvogels, de demonische arenden
+van den hartstocht. Met vlammende vleugels en stalen klauwen daalden
+zij ruischend neer over u, gij geest met de ijzige oogen. Zij sloegen
+hun klauwen in uw nek en slingerden u ver weg in de onbekende
+ruimte. Dood en verbrijzeld waart ge. Maar nu waren ze voorbij
+gevlogen, de fieren, de geweldigen, wier wegen niet te berekenen zijn
+en die geen menschenoog ooit heeft gevolgd. En van uit de onbekende
+diepte was de geest der zelfbeschouwing weer verrezen en had opnieuw
+zijn intocht gehouden in de ziel der schoone Marianne.
+
+De geheele maand Februari lag Marianne ziek op Ekeby. Op Sjö was
+zij door de pokken besmet. Die vreeselijke ziekte had haar geweldig
+aangetast, uitgeput en verkouden als ze was. Zij was den dood nabij;
+maar aan 't eind der maand werd zij beter. Zwak was zij voortdurend
+en zeer geschonden. Nooit meer zou men haar "de mooie Marianne" noemen.
+
+Het verlies van haar schoonheid, dat rouw over heel Wermeland zou
+brengen, alsof 't land een zijner kostbaarste schatten verloren had,
+was nog aan niemand dan aan haar zelf en haar verpleegster bekend.
+
+Zelfs de kavaliers wisten 't niet. Niemand werd in de besmette
+ziekenkamer toegelaten.
+
+Maar wanneer is de macht der zelfbeschouwing grooter dan bij 't
+herstellen van een ernstige ziekte? Dan zit hij en staart ons aan
+met zijn ijzige oogen; en plukt en pluist met zijn harde, kromme
+vingers. En als men goed toekijkt, ziet men achter hem nog een bleek
+schepsel en dat staart ons aan en verlamt ons met zijn hoonenden
+glimlach en daarachter nog een en nog een, allen glimlachend om elkaar
+en om de geheele wereld.
+
+En terwijl Marianne daar lag en zich zelf bekeek met al die ijzige
+oogen, stierf alle sterk en warm gevoel in haar.
+
+Zij lag daar--en ze speelde, dat zij ziek was, dat ze ongelukkig,
+verliefd, wraakzuchtig was. Wel was ze dat alles; maar 't was maar
+spel. Alles werd onwerkelijk, werd spel onder 't staren van die ijzige
+oogen, die haar aanzagen, en die zelf weer door andren werden bekeken
+in een eindelooze rij. Alle sterke levenskrachten sluimerden weer
+in haar. Zij had kracht gehad tot gloeienden haat, tot toewijdende
+liefde voor ééne nacht, langer niet. Zij wist niet eens of ze Gösta
+Berling wel lief had. Zij verlangde hem te zien om te probeeren of
+hij haar buiten zichzelve kon brengen. Zoolang de ziekte duurde,
+had zij maar één heldere gedachte gehad: zij had er voor gezorgd,
+dat haar ziekte niet bekend werd. Zij wilde haar ouders niet zien;
+zij wilde geen verzoening met haar vader. Ze wist, dat hij berouw
+zou hebben over wat hij gedaan had, als hij wist hoe ziek ze was.
+
+Daarom beval zij, dat aan haar ouders en alle anderen gezegd zou
+worden, dat een oogziekte, die ze vaak had, haar noodzaakte achter
+dichte gordijnen te zitten. Zij verbood de kavaliers een dokter uit
+Karlstad te halen. Ze had wel pokken, maar in een zeer lichten graad
+en in de huisapotheek te Ekeby was genoeg om haar leven te redden.
+
+Zij dacht niet aan sterven; zij lag er alleen op te wachten,
+dat ze beter zou zijn om met Gösta naar den geestelijke te gaan
+om hun huwelijk te laten sluiten. Maar nu was de ziekte voorbij,
+de koorts af. Zij was weer koud en verstandig. 't Was haar, alsof
+zij de eenige wijze in een wereld van dwazen was. Zij haatte niet
+en had niet lief. Zij begreep haar vader, zij begreep hen allen. Hij
+die begrijpt, haat niet meer.
+
+Zij had gehoord, dat Melchior Sinclaire van plan was auctie te
+houden op Björne en alles te vernielen, wat hij bezat, opdat zij
+'t niet van hem erven zou. Men zei, dat hij alles zoo grondig
+mogelijk bederven wilde: eerst zou hij de meubels en 't huisraad
+verkoopen, dan 't vee en de landbouw-gereedschappen en eindelijk de
+geheele hoeve. En al het geld zou hij in een zak doen en die in 't
+Löfvenmeer gooien. Verstrooid, vernield, vernietigd zou haar erfdeel
+worden. Marianne glimlachte goedkeurend, toen zij dat hoorde. Zóó
+was zijn karakter, zoo moest hij handelen.--Zonderling kwam het haar
+voor; dat zij ooit den lof der liefde gezongen had. Zij had gedroomd
+van een hut en van zijn hart; nu kon ze niet begrijpen, dat zij zoo
+gedroomd had.
+
+Zij snakte naar natuur! Zij was dat eeuwige tooneelspelen zoo
+moe. Nooit voelde zij diep en sterk. Ze betreurde nauwlijks haar
+schoonheid, alleen huiverde ze voor 't medelijden van vreemden.
+
+O als ze maar één oogenblik zichzelf vergeten kon. Eén woord zeggen,
+één beweging maken, één daad doen, die niet berekend was.
+
+Op een morgen toen haar kamer ontsmet was en zij gekleed op de sofa
+lag, liet zij Gösta Berling roepen. Het antwoord was, dat hij naar
+de verkooping op Björne was.
+
+
+
+'t Was een groote verkooping op Björne.
+
+'t Was een oud rijk huis. Van alle kanten stroomden de menschen toe
+om te bieden. De groote Melchior Sinclaire had alles wat in huis was,
+opeengehoopt, in de groote zaal. Duizenden dingen waren er op groote
+hoopen gestapeld, die tot aan den zolder reikten. Hij was zelf 't huis
+rond gegaan, als de engel der verwoesting op den dag des oordeels en
+had alles, wat hij wilde verkoopen, bijeen gesleept. Keukengerei:
+zwarte pannen, houten stoelen, tinnen kroesen--dat alles liet hij
+met rust, want daaraan was niets wat hem aan Marianne deed denken;
+maar dat was ook 't eenigste, wat aan zijn toorn ontkwam.
+
+In Mariannes kamer brak hij in en vernielde alles. Haar poppenkastje
+stond daar en haar boekenrekje, het stoeltje, dat hij voor haar
+had laten maken, haar versierselen, haar kleeren, haar sofa, haar
+bed,--dat alles moest weg.
+
+Daarna ging hij van de eene kamer naar de andere. Hij rukte alles weg,
+wat hem hinderde en droeg zware lasten naar de auctiezaal. Hij steunde
+onder 't gewicht der zware sofa's en marmeren tafels, maar hij hield
+vol. En hij haalde alles door elkaar in een ontzettende verwarring. Hij
+brak de kasten open en haalde er 't prachtige familiezilver uit. Weg er
+meê: Marianne had het aangeraakt. Hij nam armen vol van 't sneeuwwitte
+damast, sterke zelfgeweven stukken, de vrucht van vele jaren arbeid
+en smeet het op hoopen. Weg er meê. Marianne was niet waard het te
+bezitten. Hij stormde door de kamers, met stapels porcelein. Hij gaf er
+niet om of hij dozijnen borden brak, en greep de oude servies koppen,
+met het familiewapen er in gebakken. Weg er meê. Wie ze hebben wil,
+mag ze nemen. Hij gooide bergen beddengoed van den zolder: kussens
+en dekens zóó zacht, dat men er in neerzonk, als in een golf. Weg er
+meê! Marianne heeft er op geslapen. Hij wierp de oude, welbekende
+meubels verbitterde blikken toe. Was er wel een stoel of een sofa,
+waar zij niet op gezeten had, een schilderij waar zij niet naar gezien,
+een kroon, die haar niet had verlicht, een spiegel, die haar beeld
+niet had weerkaatst. Hij balde somber de vuist tegen deze wereld van
+herinneringen. 't Allerliefst was hij er op ingestormd met een knods
+en had alles kort en klein geslagen.
+
+Maar 't scheen hem toe, alsof hij nog grondiger wraak nam door 't
+alles te verkoopen. Weg naar vreemden moest het. Weg om te vervuilen
+in de huizen der armen, weg om te worden verwaarloosd onder de handen
+van onverschillige vreemden. Kende hij ze niet van uit de kamers
+der boeren, de slordige meubelen op verkoopingen gekocht, verkocht
+en onteerd, zooals nu zijn mooie dochter was. Weg met hen. Laat ze
+staan met 't paardenhaar uitpuilend uit de gaten, met afgestooten
+verguldsel, met gebroken pooten en gesprongen tafelbladen: laat ze
+'t heimwee hebben naar hun vroeger tehuis. Weg er meê naar alle
+wereldstreken! zoodat geen oog ze meer zien, geen hand ze weer
+bijeenbrengen kan.
+
+Toen de auctie begon, had hij de halve zaal gevuld met een ongelooflijk
+verwarden hoop huisraad.
+
+Dwars door de zaal had hij een lang aanrecht laten zetten. Daarachter
+stond de verkooper en riep op; daar zaten de schrijvers en noteerden,
+en daar had Melchior Sinclaire een vat brandewijn staan. In de
+andre helft der zaal in de vestibule en buiten op de plaats stonden
+de koopers.
+
+Er waren er vele! En er was veel gedruisch en vroolijkheid. Er werd
+druk geboden en verkocht. Maar bij 't brandewijnvat, met al zijn
+bezittingen in een grenzelooze verwarring achter zich, zat Melchior
+Sinclaire, half dronken en half krankzinnig. 't Haar zat in verwarde
+pruiken om zijn rood gezicht, zijn woeste, met bloed beloopen oogen
+rolden in hun kassen. Hij schreeuwde en lachte alsof hij in de beste
+stemming was, en ieder, die een bod deed, riep hij bij zich en bood
+hem een borrel aan.
+
+Onder hen, die hem zagen, was ook Gösta Berling, die zich onder de
+koopers had gemengd, maar zorgvuldig vermeed hem onder de oogen te
+komen. Hij rilde van wat hij zag, en zijn hart werd beklemd door een
+bang voorgevoel van naderend onheil.
+
+Hij vroeg zich verwonderd af, waar Mariannes moeder wel zijn zou. En
+nu ging hij, half tegen zijn zin, maar door 't noodlot gedreven,
+Mevrouw Gustava Sinclaire zoeken.
+
+Hij ging door vele deuren eer hij haar vond. De groote landeigenaar had
+maar weinig geduld en hij hield niet van klachten en vrouwentranen. Hij
+was haar onophoudelijk schreien over 't lot, dat de schatten van
+haar huis trof, moede. 't Maakte hem razend, dat zij kon schreien om
+linnen en beddegoed nu zij, die zooveel meer waard was, zijn mooie
+dochter verloren was, en hij had haar met gebalde vuisten 't heele
+huis doorgejaagd, door de keuken heen in de provisiekamer.
+
+Verder kon ze niet en hij had zich vergenoegd met haar daar te zien
+zitten in elkaar gekrompen achter de trap, harde slagen, misschien
+den dood verwachtend. Hij liet haar daar zitten, maar sloot de deur
+af en stak den sleutel in zijn zak. Daar kon ze nu blijven zitten tot
+de verkooping voorbij was. Honger lijden zou ze niet en hij was vrij
+van haar gejammer te hooren.
+
+Daar zat ze gevangen in haar eigen provisiekamer, toen Gösta de gang
+door naar de keuken ging. Daar zag hij plotseling 't gezicht van
+Mevrouw Gustava voor 't venster hoog in de muur. Zij was daarheen
+naar boven gekropen en keek uit haar gevangenis.
+
+"Wat doet u daarboven, tante?" [1]
+
+"Hij heeft me opgesloten!"
+
+"De landheer?"
+
+"Ja, ik was bang, dat hij me dood zou slaan. Maar hoor eens Gösta,
+neem den sleutel van de deur van de zaal en ga door de keuken naar de
+deur van de provisiekamer; daar past die sleutel op. Doe de deur open,
+dan kom ik hier uit."
+
+Gösta deed het en een paar minuten later stond het oude vrouwtje in
+de groote, leege keuken.
+
+"U hadt een van de meisjes de deur moeten laten opendoen," zeide Gösta.
+
+"Meen je, dat ik hun dat kunstje leeren wil? Neen, dan zouden ze mijn
+provisiekast nooit meer met rust laten. En ik heb ook de bovenste
+planken wat opgeruimd. Dat was wel noodig. Ik kan niet begrijpen dat
+ik daar zoo'n rommel heb kunnen maken."
+
+"U hebt ook zooveel te doen, tante," zei Gösta verontschuldigend.
+
+"Ja, daar kun je van op aan! als ik niet overal te gelijk ben, dan
+komt er geen spinnewiel en geen weefstoel in beweging. En als...."
+
+Ze hield plotseling op en droogde haar tranen af.
+
+"Goede hemel, wat sta ik toch te praten," zei ze, "ik zal nu wel nooit
+meer iets hebben na te zien. Hij verkoopt immers alles, wat we hebben."
+
+"Ja, 't is ellendig," zei Gösta.
+
+"Je weet wel, de groote spiegel in de zaal, dat prachtige stuk! Er is
+geen naad in 't glas, geen vlekje op de lijst! Ik heb hem van moeder
+gekregen en die wil hij nu verkoopen."
+
+"Maar wat bezielt hem toch?" vroeg Gösta.
+
+"Och, 't is alleen, omdat Marianne niet weerom komt. Hij heeft daar
+aldoor op gewacht. Hij heeft dagen lang in de groote laan op en neer
+geloopen en naar haar uitgezien. Hij verlangt zóó, dat ik bang ben
+dat hij er gek van wordt. Maar ik durf niets te zeggen."
+
+"Marianne meent, dat hij boos op haar is."
+
+"Och dat meent ze niet. Ze kent hem wel. Maar ze is trotsch en wil
+niet de minste zijn. Ze zijn allebei even hard en koppig. En ik zit
+er tusschen in en op mij komt alles neer!"
+
+"Weet u, dat Marianne met mij trouwen wil, tante?"
+
+"Och Gösta, dat doet ze toch niet! Dat zegt ze maar om haar vader te
+plagen. Ze is veel te verwend om met een arm man te trouwen, en veel
+te trotsch ook. Ga nu gauw naar huis en zeg haar, dat haar erfdeel
+weg is als ze niet dadelijk komt. Och! hij laat alles gaan zonder er
+behoorlijk geld voor te krijgen!"
+
+Gösta werd boos. Daar zat die vrouw nu op haar groote keukentafel en
+had geen hart voor iets anders, dan voor haar spiegels en porcelein.
+
+"U moest u schamen!" barstte hij uit. "U laat uw dochter in de
+sneeuw liggen en dan meent u, dat 't uit pure boosaardigheid is,
+dat ze niet thuiskomt.
+
+"En u meent, dat ze den man, waar ze van houdt, zal verlaten, alleen
+om haar erfdeel niet te verliezen."
+
+"Lieve Gösta, wordt nu ook niet boos! Ik weet immers niet, wat ik
+zeg. Ik heb geprobeerd Marianne binnen te laten, maar hij trok me weg
+van de deur. Ze zeggen hier altijd, dat ik nergens verstand van heb. Ik
+gun je Marianne graag, Gösta, als je haar gelukkig kunt maken. Maar
+'t is zoo makkelijk niet een vrouw gelukkig te maken, Gösta!"
+
+Gösta zag haar aan. Hoe kon hij boos worden op zulk een menschje! Schuw
+en gejaagd was zij, maar ze had toch zulk een goed hart.
+
+"Tante vraagt niet eens, hoe 't met Marianne is," zei hij zacht.
+
+Zij barstte in schreien uit. "Word je dan niet boos, als ik dat
+vraag?" zei ze. "Ik heb er aldoor naar verlangd 't je te vragen. Ik
+weet niets meer van haar, dan dat ze leeft. Geen groet heb ik van
+haar gehad al dien tijd; niet eens toen ik haar kleeren zond. En toen
+dacht ik dat jelui me niets meer van haar wilden vertellen."
+
+Gösta kon het niet langer uithouden. Hij was woest en dwaas. Soms
+moest onze Lieve Heer hem zijn wolven achterna zenden om hem tot
+gehoorzaamheid te dwingen--maar de tranen van de oude vrouw waren
+voor hem erger dan 't huilen der wolven!
+
+Hij vertelde haar de waarheid:
+
+"Marianne is al dien tijd ziek geweest," zei hij, "ze heeft de pokken
+gehad. Vandaag mocht ze opstaan en op de sofa liggen. Ik heb haar
+sinds dien eersten nacht niet meer gezien."
+
+Met een sprong stond Mevrouw Gustava op den grond. Ze liet Gösta
+staan zonder een woord te zeggen en vloog weg naar haar man.
+
+De menschen in de zaal zagen haar naar hem toe loopen en hem haastig
+iets in 't oor fluisteren. Zij zagen, dat zijn gezicht nog rooder
+werd en dat zijn hand, die hij aan de kraan van 't vat hield, die
+onwillekeurig omdraaide, zoodat de brandewijn over den vloer stroomde.
+
+Allen kwam het voor, dat Mevrouw Gustava zulke gewichtige tijding
+bracht, dat de verkooping onmiddellijk gestaakt moest worden. De hamer
+van den oproeper viel niet meer neer, de pennen van de schrijvers
+krasten niet meer, geen nieuw bod werd gehoord.
+
+Melchior Sinclaire schrikte op uit zijn gedachten.
+
+"Nu," riep hij uit. "Wat moet dat worden?"
+
+En een oogenblik later was de verkooping weer in vollen gang.
+
+Gösta zat in de keuken te wachten en Mevrouw Gustava kwam schreiend
+naar hem terug.
+
+"Het hielp niet," zei ze. "Ik dacht, dat hij zou ophouden, als hij
+hoorde, dat Marianne ziek geweest was; maar hij laat ze doorgaan. Hij
+zou wel willen ophouden, maar hij durft niet om de menschen."
+
+Gösta trok de schouders op en nam afscheid van haar.
+
+In de vestibule kwam hij Sintram tegen.
+
+"Een verduiveld vermakelijke historie!" riep Sintram en wreef zich in
+de handen. "Je bent toch een kranige kerel, Gösta, dat je dat klaar
+gekregen hebt."
+
+"'t Wordt nog vermakelijker over een poosje," fluisterde Gösta. "De
+predikant van Broby is hier met een slee vol geld. Men zegt, dat hij
+'t heele Björne koopen wil en contant betalen. Ik wil wel eens zien
+wat de landheer dan voor een gezicht zetten zal."
+
+Sintram trok beide schouders op en lachte lang, zich inwendig
+verkneukelend. Toen ging hij de groote zaal in, recht op Melchior
+Sinclaire af.
+
+"Wil je een borrel, Sintram, dan moet je voor den duivel eerst een
+bod doen."
+
+"Je bent toch een geluksvogel," zei Sintram. "Hier komt iemand
+aanrijden met een slee vol geld. Hij wil Björne koopen met inboedel en
+veestapel en al. Hij heeft afspraak gemaakt met een massa menschen,
+dat ze voor hem bieden zullen. Hij zelf zal zich vooreerst wel niet
+vertoonen."
+
+"Je wilt zeker wel zeggen wie 't is, als ik je een borrel voor je
+moeite geef?"
+
+Sintram nam het glas en ging een paar stappen achteruit, eer hij
+antwoordde.
+
+"'t Moet de dominé van Broby zijn, broeder Melchior."
+
+Melchior Sinclaire had beter vrienden dan de predikant van Broby. Jaren
+lang bestond er al een veete tusschen hen. Men zei, dat de groote
+landeigenaar in donkre nachten op den loer gelegen had op den weg,
+waarlangs de predikant moest komen en hem menig pak slaag gegeven had,
+dien duitendief, dien boerenplaag!
+
+Wel was Sintram een eind achteruit gegaan; maar toch ontkwam hij
+niet geheel aan den toorn van Melchior Sinclaire. Hij kreeg een glas
+tusschen de oogen en 't heele vat brandewijn over zijn voeten; maar
+toen volgde er ook een tooneel, dat nog lang zijn hart verheugde.
+
+"Wil de dominé mijn landgoed hebben!" brulde Sinclaire. "Staan jelui
+hier aan den dominé mijn goed te verkoopen?
+
+"De verkooping is uit," schreeuwde hij.
+
+"Weg met jelui! Nooit, zoolang ik leef, krijgt de dominé van Broby
+mijn goed. Weg met jelui! Ik zal je leeren voor den dominé te bieden!"
+
+Hij stoof op den oproeper en de schrijvers af. Zij weken uit. In de
+verwarring werd de toonbank omgegooid en de landheer stoof als een
+razende op de menigte vreedzame menschen in.
+
+En ze vluchtten in wilde verwarring. Een paar honderd menschen drongen
+naar de deur, bang voor één man.
+
+Hij bleef staan en schreeuwde: "weg met jelui!" Hij zond ze vloeken
+achterna en zwaaide een stoel boven zijn hoofd als wapen.
+
+Hij vervolgde ze tot in de vestibule; maar niet verder. Toen de laatste
+vreemde de trap op was, ging hij in de zaal terug en sloot de deur
+achter zich. Toen trok hij een matras en een paar kussens uit den
+hoop, ging er op liggen en sliep in--midden in de wanorde. Hij werd
+niet wakker voor den volgenden morgen.
+
+Toen Gösta thuis kwam, hoorde hij, dat Marianne hem spreken wilde. Dat
+trof goed, hij had er juist over gedacht, hoe hij haar te spreken
+zou krijgen.
+
+Toen hij in de donkre kamer kwam, waar ze lag, bleef hij eerst aan
+de deur staan. Hij kon niet zien waar ze was.
+
+"Blijf, waar je ben Gösta," zei Marianne, "'t kan gevaarlijk zijn
+dicht bij me te komen."
+
+Maar Gösta was de trap op komen stormen, bevend van ontroering en
+verlangen. Wat kon hem de besmetting schelen! Hij wilde de zaligheid
+genieten haar weer te zien.
+
+Want zij was schoon, zijn geliefde. Niemand had zulk zacht haar,
+zulk een hoog rein voorhoofd. Haar geheele gelaat was één geheel van
+schoone vormen en lijnen. Hij dacht aan de wenkbrauwen, scherp en fijn
+geteekend, als de honingweg in de lelie, aan de kloeke gebogen lijnen
+van de neus, aan de lippen, licht gekruld als kleine golfjes, aan
+'t ovaal der wangen en aan den uitgezocht fijnen vorm der kin. Hij
+dacht aan de teere tint der huid, aan de donkere wimpers onder 't
+lichte haar, aan den blauwen oogappel in 't heldre wit en aan den
+gloed harer oogen.
+
+Heerlijk was ze, zijn geliefde! hij dacht aan haar warm hart, dat ze
+onder dat trotsch uiterlijk verborg. Ze had kracht tot toewijding en
+zelfopoffering en verborg die onder haar elegante houding en trotsche
+woorden. Het was een zaligheid haar te zien.
+
+In twee sprongen was hij de trap opgekomen en meende ze nu, dat hij
+aan de deur zou blijven staan? Hij stormde de kamer door en viel op
+de knieën naast de sofa.
+
+Hij wilde haar zien, haar kussen en afscheid van haar nemen. Hij had
+haar lief en zou nooit ophouden haar lief te hebben; maar zijn hart
+was gewend in 't stof getreden te worden.
+
+O, waar zou hij haar vinden, de roos zonder wortel of steun,
+die hij tot zich kon nemen en de zijne noemen. Niet eens haar,
+die hij verworpen en halfdood aan den weg gevonden had, mocht hij
+behouden. Wanneer zou zijn liefde ooit een lied aanheffen, zóó luide
+en rein, dat geen wanklank het overstemde? Wanneer zou hij 't paleis
+van zijn geluk op een grond bouwen, dien niet door een ander hart
+met onrust en verlangen werd begeerd?
+
+Hij dacht er over, hoe hij afscheid van haar nemen zou.
+
+"Er is groot lijden in je ouderlijk huis!" zou hij zeggen. "Mijn hart
+breekt als ik er aan denk. Ge moet naar huis gaan en je vader zijn
+verstand hergeven--je moeder verkeert in voortdurend levensgevaar. Ge
+moet naar huis, mijn liefste!"
+
+Zie, zulke woorden van vrijwillig ontberen had hij op de lippen. Maar
+hij sprak ze niet uit.
+
+Hij viel op de knieën aan haar sofa en nam haar hoofd tusschen zijn
+beide handen--maar kon niet spreken. Zijn hart begon zóó geweldig te
+slaan, als zou 't zijn borst doen springen.
+
+De pokken hadden dat heerlijke gelaat geteisterd. De huid was grof
+geworden en vol lidteekens. Nooit meer zou het roode bloed de wangen
+kleuren of de fijne blauwe aderen aan de slapen zichtbaar worden. De
+oogen lagen wat onder de gezwollen oogleden. De wenkbrauwen waren
+uitgevallen en 't witte email der oogen was geel geworden. Alles
+was vernield. De fijne lijnen waren grof en zwaar geworden. Er waren
+velen, die later Mariannes vervlogen heerlijkheid beschreiden. Maar
+de eerste man, die haar zag nadat ze haar schoonheid verloren had,
+gaf zich niet over aan zijn smart. Onuitsprekelijke gevoelens
+vervulden zijn ziel. Hoe langer hij haar aanzag, hoe warmer 't in
+hem werd. Zijn liefde steeg en steeg als een rivier in de lente. Als
+vuurgolven bruischte zij op uit zijn hart, zij vulde heel zijn wezen,
+zij steeg op naar zijn oogen als tranen, naar zijn lippen als snikken,
+ze deed zijn handen, zijn geheele lichaam trillen.
+
+O, haar lief te hebben! haar te verdedigen, haar alles, alles te
+vergoeden! Haar slaaf, haar beschermengel te zijn!
+
+Sterk is de liefde, als zij den vuurdoop van de smart heeft
+ondergaan. Hij kon niet tot Marianne spreken over scheiding en
+zelfverloochening. Hij kon haar niet verlaten. Hij was haar 't leven
+verschuldigd. Hij zou doodzonden kunnen begaan om harentwil.
+
+Hij sprak geen verstandig woord. Hij kuste haar en schreide tot de
+oude ziekenverpleegster het tijd vond, dat hij heenging.
+
+Toen hij was heengegaan lag Marianne te denken aan hem en zijn
+ontroering. "Het doet goed zóó bemind te worden," dacht ze.
+
+Ja, dat deed goed.... maar hoe was 't met haar zelf? Wat voelde
+zij? Och niets, minder dan niets.
+
+Was zij dood--haar liefde--of gevlucht? Waar was het kind van haar
+hart gebleven? Leefde het nog? Was het in den donkersten hoek van haar
+hart gekropen verstijfd door den blik der ijzige oogen, verschrikt door
+'t hoonlachen, half gesmoord door de beenige vingers.
+
+"Och, mijn liefde!" zuchtte ze, "kind van mijn hart! Leeft gij? of
+zijt ge dood--dood als mijn schoonheid?"
+
+
+
+Den volgenden morgen vroeg kwam de machtige landheer bij zijn
+vrouw. "Zorg dat het huis weer in orde komt, Gustava," zeide hij,
+"ik rijd uit om Marianne thuis te halen".
+
+"Ja, beste Melchior, ik zal er voor zorgen," antwoordde zij.
+
+Daarmeê was alles in orde tusschen hen. Een uur later was de landheer
+op weg naar Ekeby.
+
+Men kon zich geen beschaafder en welwillender oude heer voorstellen
+dan de landheer, zooals hij daar in de open caleche zat in zijn besten
+pels, met zijn fijnsten halsdoek om. Nu lag zijn haar plat gekamd om
+zijn schedel; maar zijn gezicht was bleek, zijn oogen ingezonken.
+
+Een weergalooze glans stroomde van den heldren hemel op dien
+Februarimorgen. De sneeuw fonkelde als de oogen van jonge meisjes,
+als de eerste dans gespeeld wordt. De berken staken hun kantwerk van
+fijne, bruinroode twijgen op naar den hemel; hier en daar zat een
+donzige franje van schitterende naaldjes.
+
+Er lag feestglans over dien dag. De paarden hieven, als dansten
+ze, de voorpooten op, en de koetsier knalde met de zweep uit pure
+vergenoegdheid.
+
+Na een korten rit hield de slee van den landheer stil voor Ekeby. De
+knecht kwam naar buiten.
+
+"Waar zijn de heeren?" vroeg de landheer.
+
+"Op de jacht. Zij jagen op den grooten beer van de Gurlita Klätt."
+
+"Allemaal?"
+
+"Allemaal, mijnheer! Wie niet meêgaat om den beer, gaat meê om den
+knapzak."
+
+De landheer lachte, dat 't over de geheele plaats klonk en gaf den
+knecht een daalder voor dat antwoord.
+
+"Zeg mijn dochter, dat ik hier ben om haar te halen. Ze behoeft niet
+bang voor de kou te zijn. Ik sla de kap van de caleche op en heb de
+wolfspels bij me om er haar in te wikkelen."
+
+"Wil mijnheer niet binnenkomen?"
+
+"Neen, dank je, ik zit hier goed!"
+
+De knecht verdween en de landheer zette zich tot wachten. Hij was
+dien morgen in een onverstoorbaar goed humeur. Hij had wel gedacht,
+dat hij wat op Marianne zou moeten wachten. Misschien was ze nog niet
+eens op. Hij zou in dien tijd maar wat rondkijken.
+
+Aan 't dak hing een lange ijspegel, waar de zon een gruwelijken last
+meê had. Zij begon van boven af, smolt een droppel los, en wilde die
+er langs naar beneden laten loopen. Maar als de droppel halfweg was,
+was ze weer verstijfd. Aanhoudend deed de zon opnieuw moeite, maar
+zonder resultaat.
+
+Eindelijk was er een kleine zonnestraal, een vrijbuiter, die zich
+vasthechtte aan de punt van den ijspegel;--een kleintje, dat glinsterde
+van opgewondenheid en in een oogenblik had hij zijn doel bereikt:
+een droppel plaste op den grond. De landheer zag lachend naar hem. "Je
+bent nog zoo dom niet," zei hij tegen den zonnestraal.
+
+De plaats was stil en leeg. Geen geluid kwam uit het groote huis. Maar
+de landheer werd niet ongeduldig. Hij wist, dat de vrouwlui veel tijd
+noodig hebben eer ze klaar zijn.
+
+Hij zat naar de duiventil te kijken. Die was dicht. De duiven werden
+opgesloten in den winter, opdat de havik ze niet grijpen zou. Nu en
+dan kwam een duif en stak haar witte kop door de tralies.
+
+"Die wacht op het voorjaar," zei Melchior Sinclaire. "Maar ze zal
+nog wat geduld moeten hebben."
+
+De duif kwam zoo regelmatig terug, dat hij zijn horloge uithaalde en
+op haar lette.
+
+Precies iedere drie minuten kwam ze terug.
+
+"Neen, kleintje!" zei hij, "meen je, dat het voorjaar in drie minuten
+klaar komt? Je moet leeren wachten."
+
+En zelf moest hij ook wachten; maar hij had den tijd.
+
+De paarden krabden eerst ongeduldig in de sneeuw; maar toen werden ze
+slaperig van 't staan en 't in de zon kijken. Ze staken de koppen bij
+elkaar en sliepen in. De koetsier zat stijf op den bok, met zweep en
+teugel in de hand, 't gezicht naar de zon gekeerd en sliep zóó vast,
+dat hij snorkte.
+
+Maar de landheer sliep niet. Hij was nooit minder gestemd tot slapen
+dan nu. Zelden had hij genoegelijker uren doorgebracht, dan deze
+blijde uren wachtens.
+
+Marianne was ziek geweest. Zij had niet eerder kunnen komen; maar
+nu zou ze wel komen. Ja, natuurlijk zou ze komen. En alles zou weer
+goed worden.
+
+Nu kon ze toch wel zien, dat hij niet boos op haar was. Hij was immers
+zelf gekomen met de caleche en twee paarden er voor.
+
+Daar ginds op de plank buiten de opening van de bijenkorf had een mees
+een echte duivelsche list bedacht. Hij moest middageten hebben. En
+daarom klopte hij op het plankje met zijn scherp snaveltje. Binnen
+in de korf hingen de bijen in een groote, donkere zak. Alles in de
+beste orde. De hofmeesters deelen de porties eten uit, de schenkers
+draven van mond tot mond met nectar en ambrosia. Zij, die in 't midden
+zitten, ruilen altijd door van plaats met de buitenste, opdat warmte
+en comfort gelijkelijk verdeeld worden.
+
+Daar hooren ze 't kloppen van den mees. En er gaat een gegons
+van nieuwsgierigheid door de geheele korf. Is dat een vriend of
+een vijand? Is er gevaar voor de bijenmaatschappij? De koningin
+heeft een kwaad geweten. Zij kan den loop der zaken niet rustig
+afwachten. Zijn het de geesten der vermoorde hommels? broedbijen,
+die daar buiten spoken?
+
+"Ga zien, wat dat is," beveelt zij de portierster.
+
+Deze gaat. Met een "Leve de koningin!" stormt ze naar buiten, en
+wip, heeft de mees ze gepakt. Met uitgestrekten hals en vleugels,
+die trillen van spanning, grijpt hij haar aan, verbrijzelt haar en
+eet haar op. Niemand bericht haar dood aan haar meesteres.
+
+En de mees begint weer te kloppen. En de bijenkoningin gaat voort haar
+portiersters naar buiten te zenden en allen verdwijnen ze. Niemand
+komt terug om te vertellen wie er klopte. Hu! 't wordt griezelig daar
+in de donkre korf. 't Zijn de wraakgeesten, die daar buiten hun spel
+drijven. Hadden ze maar geen ooren! konden ze hun nieuwsgierigheid,
+maar bedwingen en rustig afwachten.
+
+De machtige landheer lachte, dat hem tranen in de oogen kwamen,
+over de domme vrouwlui daar in de korf en den slimmen baas daar buiten.
+
+'t Is geen kunst te wachten, als men zoo zeker van zijn zaak is en
+zooveel heeft om zich meê bezig te houden.
+
+De zon begon te dalen in 't westen. Melchior Sinclaire keek op zijn
+horloge.
+
+'t Was drie uur! en Moeder zat al van twaalf uur af met het eten
+te wachten.
+
+Op 't zelfde oogenblik kwam de knecht zeggen, dat Juffrouw Marianne
+hem wenschte te spreken.
+
+De landheer nam de wolfspels over den arm en liep vroolijk de
+trappen op.
+
+Toen Marianne zijn zware stappen op de trap hoorde wist ze nog niet,
+of ze meê naar huis wilde gaan of niet. Zij wist alleen, dat er een
+eind moest komen aan dat lange wachten.
+
+Zij had gehoopt, dat de kavaliers terug zouden komen; maar ze kwamen
+niet. Dus moest ze zelf zorgen, dat er een eind aan kwam. Dit kon ze
+niet langer uithouden.
+
+Ze had gedacht, dat hij boos weer weg zou rijden, als hij vijf
+minuten gewacht had, of dat hij de deuren zou hebben opengebroken of
+'t huis in brand gestoken, maar hij zat daar rustig, glimlachend en
+wachtte. Ze voelde haat noch liefde voor hem. Maar er was een stem
+in haar hart, die haar waarschuwde zich niet weer in zijn macht te
+laten komen. En behalve dat wilde zij haar woord aan Gösta houden. Was
+hij maar in slaap gevallen of onrustig geworden of had hij maar eenig
+teeken van twijfel gegeven, of was hij maar met de slee in de schaduw
+gereden. Maar hij was louter geduld en zóó zeker van zijn zaak. Zoo
+zeker, zóó aanstekelijk zeker, dat ze komen zou, als hij maar wachtte.
+
+Dat deed haar pijn in 't hoofd. 't Deed iedere zenuw in haar
+trillen. Ze had geen rust, zoolang ze wist, dat hij daar zat. 't Was
+alsof zijn sterke wil haar bond en de trappen afsleepte. Zij wilde
+ten minste met hem spreken.
+
+Eer hij kwam, liet zij de gordijnen opentrekken, en ging zoo liggen,
+dat haar gezicht in 't volle daglicht kwam. Haar doel was hem daarmeê
+op de proef te stellen, maar Melchior Sinclaire was dien dag een
+wonderlijk man.
+
+Toen hij haar zag, vertrok hij zijn gezicht niet, sprak geen
+woord. 't Was alsof hij niet zag, hoe veranderd ze was. Hij wist,
+hoe trotsch hij geweest was op haar schoonheid. Maar hij liet geen
+smart blijken. Hij beheerschte zich volkomen, om haar geen verdriet
+te doen. Dat trof haar. Zij begon te begrijpen hoe 't mogelijk was,
+dat haar moeder nog altijd van hem hield.
+
+Hij toonde geen den minsten twijfel. Hij deed geen verwijten, maakte
+geen verontschuldigingen.
+
+"Ik zal je de wolfspels aandoen, Marianne. Die is niet koud. Hij
+heeft altijd door op mijn schoot gelegen."
+
+Toch ging hij naar den haard en warmde de pels. Toen hielp hij haar
+op te staan, sloeg de pels om haar heen, deed een shawl om haar hoofd,
+kruiste die over de borst en bond die op den rug vast.
+
+Zij liet hem begaan.--Ze had geen wil meer. 't Deed haar goed zoo
+verzorgd te worden, 't was zalig niet te hoeven willen. 't Was zoo
+rustig voor een mensch zóó moe en geslingerd als zij, voor een mensch,
+die niet één gedachte, niet één aandoening zijn eigen noemen kon.
+
+De landheer lichtte haar op in zijn armen, droeg haar naar beneden
+in de sleê, sloeg de kap op, stopte de pels goed over haar heen en
+reed van Ekeby weg.
+
+Ze sloot de oogen en zuchtte, gedeeltelijk van welbehagen, gedeeltelijk
+van smart. Ze nam afscheid van 't leven, van 't werkelijke leven. Maar
+wat deed dat er toe voor haar, die toch niet leven kon--alleen maar
+komediespelen!
+
+Een paar dagen later zorgde haar moeder er voor, dat ze Gösta spreken
+kon. Zij zond hem een boodschap, terwijl de landheer zijn lange
+wandeling deed naar de houthakkerij, en bracht hem bij Marianne.
+
+--Gösta kwam binnen, maar hij groette of sprak niet. Hij bleef aan
+de deur staan en zag voor zich neer als een koppige jongen.
+
+"Maar Gösta!" barstte Marianne uit. Zij zat in een leunstoel.
+
+"Ja, zoo heet ik!"
+
+"Kom hier, kom eens bij me, Gösta."
+
+Hij ging zwijgend naar haar toe, maar hief de oogen niet op.
+
+"Kom toch dichter bij, kniel hier naast me."
+
+"Goede hemel, wat moet dat beteekenen?" riep hij uit--maar
+gehoorzaamde.
+
+"Gösta, ik wilde je zeggen, dat ik geloof dat het 't beste was,
+dat ik weer thuis kwam."
+
+"Laat ons hopen, dat ze juffrouw Marianne niet weer in de sneeuw voor
+de deur laten liggen."
+
+"O Gösta, geef je niet meer om me? Ben ik te leelijk geworden?"
+
+Hij trok haar hoofd naar zich toe en kuste haar, maar bleef er even
+koel uitzien.
+
+Eigenlijk vond ze 't grappig. Als hij zich nu in 't hoofd gezet had
+jaloersch op haar ouders te wezen--nu, wat zou dat?
+
+'t Zou wel weer overgaan. 't Vermaakte haar te probeeren hem weer
+te winnen. Ze wist nauwelijks, waarom ze hem vast wilde houden;
+maar dat wilde ze nu. Zij dacht er aan, dat het hem toch eens gelukt
+was haar van zichzelven vrij te maken. Hij was misschien de eenige,
+die dat weer zou kunnen doen.
+
+En nu begon zij te spreken, zich inspannende om hem terug te
+winnen. Ze zei, dat het niet haar bedoeling geweest was hem voor
+goed te verlaten; maar voor een poos moesten zij hun verbintenis
+verbreken. Hij had immers zelf gezien, dat haar vader op 't punt
+geweest was krankzinnig te worden, en dat haar moeder in voortdurend
+levensgevaar verkeerde. Hij zou toch kunnen begrijpen, dat ze naar
+huis moest.
+
+Toen barstte zijn toorn in woorden los. Zij behoefde geen comedie te
+spelen. Hij wilde niet langer haar speelbal zijn. Zij had hem verlaten,
+zoo gauw ze maar kans zag thuis te komen en hij kon haar niet langer
+liefhebben. Toen hij eergisteren thuis kwam van de jacht en haar niet
+vond, zelfs geen groet, geen enkel woord, toen was hem 't bloed in
+de aderen verstijfd; hij was bijna gestorven van smart. Maar hij kon
+iemand, die hem zóó had doen lijden, niet liefhebben. Zij had hem ook
+nooit liefgehad. Ze was een coquette, die ook hier in de buurt iemand
+wilde hebben, die haar kuste en liefkoosde--dat was de heele zaak!--
+
+Meende hij dan, dat zij zich door jonge heeren placht te laten kussen?
+
+Och ja, dat was best mogelijk. De vrouwen waren niet zoo heilig,
+als ze zich wel voordeden. Egoïsme en coquetterie was schering en
+inslag bij haar. Ze had maar eens moeten weten wat hij voelde, toen
+hij van de jacht thuiskwam. 't Was als baadde hij in ijswater. Hij
+zou nooit over die smart heenkomen, die zou hij levenslang met zich
+omdragen. Hij zou nooit weer een gewoon mensch worden.
+
+Ze beproefde hem uit te leggen hoe alles gegaan was. Ze wilde hem
+bewijzen, dat ze hem nog altijd trouw was.
+
+Ja, dat kwam er nu niet meer op aan, want nu had hij haar niet meer
+lief. Nu had hij haar doorzien. Zij was een egoïst. Ze had hem niet
+lief. Ze was van hem heengegaan, zonder een woord tot afscheid.
+
+Telkens kwam hij hierop terug. Ze moest er bijna om lachen. Boos kon
+ze niet worden. Ze begreep zijn boosheid zoo goed. Voor een werkelijke
+breuk tusschen hun beiden was ze niet bang. Maar eindelijk werd ze
+toch ongerust. Was er werkelijk in hem zulk een verandering gekomen,
+dat hij haar niet meer liefhebben kon?
+
+"Gösta, was ik egoïst toen ik naar Sjö ging om den Majoor te halen? Ik
+wist, dat er pokken waren. 't Is ook niet prettig, door de sneeuw en
+de kou met dunne schoenen te loopen."
+
+"Liefde leeft alleen van liefde, en niet van diensten en weldaden,"
+antwoordde Gösta.
+
+"Wil je dan dat we van nu af aan vreemden voor elkaar zullen zijn,
+Gösta?"
+
+"Ja, dat wil ik."
+
+"Je bent veranderlijk."
+
+"Ja, dat zegt men."
+
+Hij was ijskoud, niet te ontdooien, en eigenlijk was ze zelf nog
+kouder. De zelfbeschouwing zat over haar poging de rol van verliefde
+te spelen, hoonend te lachen.
+
+"Gösta," zei ze met inspanning, "ik heb je nooit met opzet onrecht
+aangedaan; al lijkt het misschien zoo; ik smeek je, vergeef 't me."
+
+"Ik kan 't je niet vergeven."
+
+Ze wist dat als ze maar zelf diep en scherp gevoeld had, ze hem weer
+had kunnen winnen. En ze probeerde de rol van de hartstochtelijke te
+spelen. De ijsoogen lachten hoonend; maar ze probeerde het toch. Ze
+wilde hem niet verliezen.
+
+"Ga niet heen, Gösta, ga niet boos heen. Denk er aan hoe leelijk ik
+geworden ben. Niemand kan me meer liefhebben."
+
+"Dat doe ik ook niet," antwoordde hij. "Je zult moeten verdragen
+zooals zooveel anderen, dat je hart in 't stof getreden wordt."
+
+"Gösta! ik heb nooit iemand anders dan jou kunnen liefhebben. Vergeef
+me, verlaat me niet. Je bent de eenige, die me voor mezelf bewaren
+kan."
+
+Hij stootte haar terug. "Je spreekt de waarheid niet," sprak hij
+ijskoud. "Ik weet niet, wat je van me wilt; maar ik zie, dat je
+liegt. Waarom wil je mij vasthouden? Je bent zoo rijk, dat je altijd
+aanbidders genoeg zult hebben."
+
+En met die woorden ging hij heen.
+
+En nauwlijks had hij de deur achter zich toe getrokken, toen smart
+en gemis in volle majesteit hun intocht deden in Mariannes hart.
+
+'t Was de liefde, 't kind van haar eigen hart, dat te voorschijn kwam
+uit den hoek, waarheen de ijsoogen het verbannen hadden. Zij kwam,
+de smartelijk verlangde, nu het te laat was. Ze kwam,--ernstig en
+almachtig--en 't gemis en de smart droegen de slippen van haar mantel.
+
+Toen Marianne de zekerheid had, dat Gösta Berling haar verlaten
+had, voelde zij een lichamelijke smart, zóó hevig, dat ze er bijna
+bewusteloos van werd. Ze drukte de handen tegen het hart en zat
+uren lang op dezelfde plaats, zonder tranen, strijdende tegen haar
+zielelijden.
+
+En zij zelf was het, die leed, geen vreemde, geen tooneelspeelster. Zij
+was het zelf.
+
+O, waarom kwam haar vader en scheidde hen van elkaar! Haar liefde
+was immers niet dood! Alleen door haar zwakte na de ziekte kon ze
+haar macht niet voelen.
+
+O God, o God! Ze had hem verloren! O waarom was haar liefde te laat
+ontwaakt.
+
+Ach, hij was de eenige, die haar hart beheerschte. Van hem kon ze alles
+verdragen. Goedheid en booze woorden van hem bogen haar slechts onder
+'t juk van ootmoedige liefde. Als hij haar geslagen had, ze zou als
+een hond aan zijn voeten gekropen en zijn hand gekust hebben.
+
+Ze wist niet wat ze doen zou om die vreeselijke smart te verlichten.
+
+Zij greep pen en papier en schreef met koortsachtige haast. Eerst
+schreef zij over haar gemis en haar liefde; daarna smeekte ze--niet om
+zijn liefde, alleen maar om zijn erbarming. 't Was een soort gedicht,
+dat ze schreef.
+
+Toen ze klaar was, meende ze, dat als hij dit las, hij toch gelooven
+zou, dat ze hem had liefgehad. En waarom zou ze hem niet zenden,
+wat ze geschreven had.
+
+Ze zou 't den volgenden dag wegzenden.
+
+Ze geloofde wel, dat 't hem bij haar terug zou brengen.
+
+Den volgenden dag ging in angst en strijd voorbij. Wat ze geschreven
+had kwam haar zoo erbarmelijk dom voor. Er was geen rijm of maat
+aan. 't Was gewoon proza. Hij zou lachen om zulke verzen.
+
+Haar trots werd ook wakker. Als hij haar niet langer liefhad, was
+'t toch een gruwelijke vernedering om zijn liefde te smeeken.
+
+Nu en dan sprak ook haar verstand een woord meê en zei, dat ze er
+blij om moest zijn, dat ze aan die verbintenis met Gösta Berling en
+al de droevige gevolgen daarvan, ontsnapt was.
+
+Maar de pijn in haar hart was zóó vreeselijk, dat het gevoel ten
+slotte de overhand behield. Drie dagen nadat ze tot het bewustzijn
+van haar liefde, gekomen was, werden de verzen in een couvert gelegd
+en Gösta's naam daarop geschreven.
+
+Maar ze werden nooit afgezonden, want eer zij een geschikte bode had
+kunnen vinden, hoorde zij dingen van Gösta Berling, die haar deden
+inzien, dat het te laat was om hem terug te winnen.
+
+Maar dàt werd 't groote verdriet van haar leven, dat ze die verzen
+niet bij tijds had afgezonden. Al haar smart kwam telkens tot dat
+punt terug: "Had ik maar niet zoolang gewacht;--had ik 't maar niet
+zooveel dagen uitgesteld!"
+
+'t Geluk van haar leven, 't werkelijke leven hadden die geschreven
+woorden haar moeten teruggeven. Zij was er zeker van, dat zij hem
+teruggebracht zouden hebben.
+
+Maar de smart deed voor haar 't zelfde wat de liefde gedaan had. Zij
+maakte haar tot een mensch--met de macht zich geheel te geven in goed
+en in kwaad. Brandende gevoelens stroomden door haar ziel, zonder door
+de ijskoude zelfbeschouwing te worden gestuit. En daarom werd zij ook,
+trots haar leelijkheid zeer bemind.
+
+Maar men zegt, dat ze nooit Gösta Berling vergat. Zij treurde over hem,
+zooals men over een bedorven leven treurt.
+
+En die arme verzen, die een tijd lang zooveel gelezen werden, zijn
+lang vergeten. Toch zijn ze wonderlijk zooals ze nu voor me liggen,
+geschreven op geel geworden papier met verbleekten inkt en in dicht
+zorgvuldig schrift. Heel de ontbering van een menschenleven ligt in
+die arme woorden en ik schrijf ze af met geheimzinnige ontroering,
+alsof er geheime krachten in hen woonden.
+
+Ik smeek u, lees ze, en denk er over.
+
+Wie weet toch, welke macht ze gehad zouden hebben, als ze afgezonden
+waren? Zij zijn zóo vol lijden, dat ze wel getuigen van waar
+gevoel. Misschien hadden ze hem wel tot haar teruggebracht.
+
+Zij zijn zoo aandoenlijk, zoo teer in hun onbeholpen
+vormeloosheid. Niemand kan wenschen ze in 't keurs van rijm en
+maat gesnoerd te zien. En toch is 't zoo weemoedig te denken, dat
+misschien juist hun onvolkomenheid oorzaak was, dat ze niet op tijd
+werden afgezonden.
+
+Ik smeek u lees ze, en heb ze lief. 't Is een mensch in zielenood,
+die ze geschreven heeft:
+
+
+ "Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer
+ Zult gij Liefdes vreugde bezitten.
+ De storm van 't lijden ging door uw ziel
+ Wees blij dat ge tot rust zijt gekomen!
+ Niet meer zal u de vreugd ten hemel verheffen
+ Wees blij dat ge tot rust gekomen zijt!
+ Niet meer zult ge in den afgrond der smart verzinken--
+ Neen, nimmermeer!
+
+ Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer
+ Zal uw ziel in laaien gloed ontvlammen
+ Ge waart als een dor grasveld
+ Een korten tijd vlamde 't op in gloed.
+ Voor de wentelende rookwolken en de verkoolde massa's
+ Vloden de vogelen des hemels met kreten van schrik.
+ Zij kunnen terugkeeren! Ge zult niet meer branden,
+ Kunt niet meer branden.
+
+ Kind, ge hebt liefgehad; maar nimmermeer
+ Zult ge de stem der liefde hooren.
+ De krachten van uw hart zitten als moede kinderen
+ Op de harde schoolbanken en zien naar buiten
+ Verlangend naar spel en vrijheid;
+ Maar niemand roept hen meer!
+ Zij zitten als op een vergeten post
+ Niemand roept hen meer!
+
+ Kind, die ééne is heengegaan
+ En met hem ging de liefde en liefdes vreugde!
+ Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u geleerd had
+ Op vleugelen te drijven door het luchtruim;
+ Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u had gewezen
+ De eenige veilige plaats in een overstroomde stad,
+ Hij is heen gegaan! Hij de eenige, die den sleutel had
+ Van de deur uws harten.
+
+ Ik wil u dit eene slechts vragen, geliefde
+ Leg nooit op mijn schouders de last van uw haat
+ 't Zwakste van alles--is dat niet een menschenhart?
+ Hoe zou 't kunnen leven met de verzengende gedachte,
+ Dat 't een ander een kwelling was.
+
+ O mijn geliefde--begeert ge mijn dood
+ Koop u geen dolk, geen gif, geen strop.
+ Laat mij alleen weten, dat ge wenscht mij te zien verdwijnen
+ Van de groene aarde, van uit 't levens sferen
+ En ik zal weerzinken in het graf.
+
+ Gij gaaft me 's levens volheid, Gij gaaft me liefde
+ En gij naamt uw gave terug. O, ik weet het wel!
+ Maar geef mij geen haat in ruil.
+ Ik heb het leven nog lief, o bedenk dat wel!
+ Ik weet, dat ik sterven zal onder den last van uw haat."
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+DE JONGE GRAVIN.
+
+
+De jonge gravin slaapt tot tien uur en wil elken dag versch brood
+hebben. De jonge gravin borduurt en leest verzen. Van eten koken en
+weven heeft zij geen verstand. De jonge gravin is verwend.
+
+Maar zij is opgewekt en laat haar vroolijkheid schijnen over alles
+en iedereen. Men vergeeft haar graag haar lang slapen en het versche
+brood, want zij overlaadt de armen met weldaden en is vriendelijk
+voor iedereen.
+
+De vader van de jonge gravin is een Zweedsch edelman, die zijn heele
+leven in Italië heeft gewoond, omdat in dit prachtige land een van
+zijn mooie dochters hem vast gehouden heeft. Toen graaf Hendrik Dohna
+in Italië reisde, werd hij opgenomen in het huis van den edelman,
+maakte kennis met diens dochters, trouwde met één van hen en voerde
+haar mee naar Zweden.
+
+Zij, die al vroeg Zweedsch geleerd heeft en alles liefheeft wat
+Zweedsch is, voelt zich gelukkig in 't berenland. Vroolijk doet ze mee
+aan den reidans van genoegens om 't Löfvenmeer, en men zou denken,
+dat ze er altijd gewoond had. Maar van 't gravin zijn heeft ze niet
+veel verstand. Er is geen spoor van stijfheid, van waardigheid, van
+"uit de hoogte zijn," in deze jonge vrouw. Vooral de oude heeren zijn
+met de jonge gravin ingenomen. 't Was merkwaardig te zien, hoe hoog zij
+bij hen aangeschreven stond. Als ze haar op een bal ontmoet hadden,
+kon men er zeker van zijn, dat ze allemaal, de rechter in Munkerud,
+de proost in Bro, Melchior Sinclaire, zoo goed als de kapitein van
+Berga, hun vrouw in diep vertrouwen vertellen, dat--als ze de jonge
+gravin voor 30 of 40 jaar ontmoet hadden, ja dan zouden ze....
+
+"Ja, toen was ze nog niet geboren," antwoordden dan de oude dames. En
+als zij de jonge gravin later ontmoeten, plagen ze er haar mee,
+dat zij hun de harten der oude heeren ontsteelt.
+
+De oude dames zijn wat bekommerd over haar. Zij weten nog zoo goed hoe
+'t met gravin Märta ging. Zij was even vroolijk en goed en bemind, toen
+zij voor 't eerst naar Borg kwam, en zij werd een ijdele, genotzieke
+coquette, die er nu alleen aan denkt hoe zij zich 't best amuseeren
+zal. "Had zij maar een man, die haar aan 't werk kon houden!" zeggen
+de oude dames. "Kon ze maar een weefsel opzetten." Want weven troost
+in alle verdriet en absorbeert alle belangstelling. 't Weefgetouw
+heeft menige vrouw gered.
+
+De jonge gravin wil graag een knappe huishoudster worden. Zij kan
+zich niets heerlijkers voorstellen dan als een gelukkige huisvrouw
+in een goed onderhouden huis te leven; op groote feesten gaat zij
+vaak bij de oude dames zitten.
+
+"Hendrik wil zoo graag dat ik een knappe huishoudster worden zal,"
+zegt zij, "zoo als zijn moeder is. Wilt u mij leeren, hoe ik een
+weefsel opzetten moet?"
+
+Dan zuchten de oude dames tweemaal. Eerst over graaf Hendrik, die zich
+verbeeldt, dat zijn moeder een knappe huishoudster is, en dan over
+de moeielijkheid van een zoo onkundig jong kind zulke ingewikkelde
+zaken te verklaren. Als men maar begint over "schering" en "inslag,"
+over "spoel" en "tweedraads" of "vierdraads," dat loopt het haar al
+door elkaar. En dan nog "oogjesgoed" en "gerstekorrel"!!
+
+Ieder, die de jonge gravin ziet, is er verbaasd over, hoe zij met den
+dommen graaf Hendrik heeft kunnen trouwen. Die arme domooren! Zij
+hebben het kwaad waar ze ook zijn. Maar 't allerergst hebben zij
+'t in Wermeland.
+
+Er liepen al allerlei verhalen over graaf Hendriks domheid, en hij
+was pas twee- of drie-en-twintig jaar oud. Men vertelt b.v. hoe hij
+Anna Stjärnhök amuseerde op een sleevaart.
+
+"Je bent mooi, Anna," zei hij.
+
+"Och kom, Henrik."
+
+"Je bent de mooiste in heel Wermeland."
+
+"Neen, dat ben ik volstrekt niet."
+
+"De mooiste op deze sledevaart ben je toch."
+
+"Neen, Henrik, dat ben ik ook niet."
+
+"Nu, maar de mooiste in deze slee ben je toch zeker; dat kun je
+niet ontkennen."
+
+Neen, dat kon ze niet. Want graaf Henrik is niet mooi; hij is even
+leelijk als dom. Men beweert, dat het hoofd, dat op zijn schouders zit,
+de laatste paar honderd jaar door de heele familie gebruikt is, en dat
+daarom de hersens van den laatsten erfgenaam zóo versleten zijn. "Zijn
+hoofd is al door zijn vader en grootvader gebruikt; hoe zou anders zijn
+haar zoo dun, zijn lippen zoo bloedeloos en zijn kin zoo spits zijn?"
+
+Hij heeft altijd grappenmakers om zich heen, die hem uitlokken om
+allerlei domheden te zeggen, en deze dan verbreiden in een verbeterde
+uitgave. 't Is een geluk voor hem, dat hij 't niet merkt. Zelf is
+hij plechtig en waardig in zijn heele optreden; hij kan zich niet
+voorstellen, dat anderen dat niet zouden zijn. De waardigheid zit
+hem in zijn heele lichaam; hij beweegt zich afgemeten, loopt stijf
+en draait zijn hoofd niet om; zonder dat zijn heele lichaam meegaat.
+
+Maar de jonge gravin houdt toch van hem, niettegenstaande zijn
+oudemannetjeshoofd. Zij wist immers niet, toen zij hem in Rome
+ontmoette, dat hij in zijn eigen land met den aureool van domheid
+omgeven was. Daar was iets van den glans der jeugd over hem, en zij
+waren onder zulke romantische omstandigheden tot elkaar gekomen. Men
+moest de gravin maar eens hooren vertellen hoe graaf Henrik haar
+had moeten schaken. De monniken en kardinalen waren woedend geweest,
+omdat zij den godsdienst van haar moeder, waarin zij was opgevoed,
+verloochenen wou en Protestant worden. 't Heele volk was in oproer
+geweest en had haar vaders paleis belegerd. Henrik werd door bandieten
+vervolgd; haar moeder en zusters smeekten haar dit huwelijk op te
+geven. Maar haar vader was razend geworden, omdat dat Italiaansche
+canaille hem verbieden wou, zijne dochter te geven aan wien hij
+verkoos. Hij beval graaf Henrik haar te schaken. En toen, omdat het
+onmogelijk voor hen was thuis te trouwen, slopen zij en Henrik door
+allerlei achterstraatjes naar het Zweedsche consulaat. En toen zij
+daar haar Katholiek geloof afgezworen had en Protestant geworden was,
+werden ze oogenblikkelijk getrouwd en naar 't noorden gezonden in
+een gesloten wagen, met een paar vlugge paarden er voor. "Er was
+geen tijd voor een huwelijks-afkondiging, zie je," placht de jonge
+gravin te zeggen. "En 't was ook akelig op een kantoor te trouwen,
+in plaats van in een van de mooie kerken; maar anders had Henrik
+mij ook nooit kunnen krijgen. Zij zijn bij ons allemaal zoo driftig;
+allemaal! Papa en mama, en de kardinalen en de monniken, allen zijn ze
+driftig. Daarom moest alles zoo in 't geheim gaan, want als de menschen
+ons hadden zien wegsluipen, hadden ze ons zeker allebei doodgeslagen,
+alleen om mijn ziel te redden. Henrik was toch al verloren."
+
+Maar de jonge gravin houdt van haar man, ook nadat zij op Borg zijn
+gekomen en daar een kalmer leven leiden. Zij heeft in hem den glans
+van zijn ouden naam en van zijn beroemde voorvaderen lief. Zij ziet
+zoo graag hoe haar tegenwoordigheid zijn stijfheid verzacht; zij hoort
+zoo graag hoe zijn stem week wordt, als hij met haar spreekt. En dan
+houdt hij van haar en verwent haar. En dan is ze nu eenmaal met hem
+getrouwd. De jonge gravin kan zich niet voorstellen, dat een getrouwde
+vrouw niet van haar man houden zou.
+
+En tot zekere hoogte beantwoordt hij dan ook aan haar ideaal van
+manlijkheid. Hij is rechtschapen en waarheidlievend. Hij heeft nog
+nooit zijn woord gebroken. Zij houdt hem voor een echten edelman.
+
+Den achtsten Maart viert de leenman Scharling zijn verjaardag,
+en dan wemelt het van gasten, die den Brobyheuvel bestijgen. Zij
+komen van Oost en West, bekenden en onbekenden, en stroomen naar het
+landgoed van de Scharlings. Allen zijn welkom. Er is spijs en drank
+genoeg voor allen, en in de danszaal is plaats voor de danslustigen
+van zeven gemeenten. De jonge gravin komt ook; zij komt overal,
+waar men dans en vroolijkheid verwachten kan.
+
+Maar zij is niet zoo opgewekt als anders. 't Is alsof zij er een
+voorgevoel van heeft, dat 't nu haar beurt is in de wilde jacht van
+het avontuur te worden meegesleept.
+
+Onderweg heeft ze naar de ondergaande zon zitten kijken. Die ging niet
+onder te midden van gouden strepen op lichte wolkjes. Grauwbleek was
+de schemering, met korte, koude windstooten. De jonge gravin zag hoe
+dag en nacht met elkaar streden en hoe alles, wat leefde, door angst
+werd aangegrepen onder dien geweldigen strijd. De paarden stoven voort
+met hun laatste vracht om onder dak te komen. De houthakkers haastten
+zich weg uit het bosch, de meisjes naar huis. De wilde dieren huilden
+in het woud. En de dag, de vriend der menschen, werd overwonnen! De
+kleuren verdwenen; het licht werd gedoofd; koud en leelijk was alles
+wat ze zag. Wat zij gehoopt, liefgehad en gedaan had--'t was haar of
+ook dat alles werd gehuld in 't grauw van de schemering. 't Was het uur
+van vermoeidheid, van nederlaag, van machteloosheid, voor haar, zoowel
+als voor de heele natuur. Zij denkt er aan, hoe haar eigen hart, dat
+nu met zijn tintelende vroolijkheid alles in purper en goud hulde--hoe
+datzelfde hart eens de kracht zal missen om haar wereld te verlichten.
+
+"O, onmacht! de onmacht van mijn eigen hart," zei ze tot zichzelf,
+"die verstikkende grauwe schemering! Eens zal die ook mijn ziel
+beheerschen! Dan zal ik 't leven leelijk en grauw zien, zooals 't
+misschien wel is; dan zal mijn haar grijs worden, mijn rug gekromd,
+mijn hersens verlamd."
+
+Op hetzelfde oogenblik draaide de slede het landgoed van den leenman
+in, en toen de jonge gravin opzag, viel haar oog op een getralied
+venster in een zijgebouw, en daarachter zag zij een gezicht met een
+paar booze oogen.
+
+Dat was het gezicht van de Majoorske van Ekeby. En nu voelde de jonge
+vrouw, dat het met haar genoegen voor dien avond gedaan was. Men kan
+nog wel blij zijn, als men de smart niet ziet, maar ze alleen hoort
+bespreken, als iemand, die ver weg is. Maar moeilijker is het de
+vreugd des harten te bewaren, als men van aangezicht tot aangezicht
+tegenover het bitter lijden staat.
+
+De jonge gravin weet wel, dat de leenman de Majoorske heeft laten
+arresteeren en dat zij aangeklaagd zal worden, omdat zij met een paar
+anderen de kavaliers 's nachts overvallen en gebonden heeft, en ze
+weg zou gevoerd hebben, als niet de Majoor met zijn beren gekomen was,
+om ze te bevrijden. Maar zij heeft er niet aan gedacht, dat ze daar op
+het landgoed bewaard werd, zoo dicht bij de balzaal, dat men van daar
+haar venster kan zien en zij de dansmuziek en al het vroolijk gedruisch
+van 't bal hooren kan. En de gedachte aan haar rooft haar alle genot.
+
+De gravin danst wel mee. Ze danst de wals en de quadrille, het menuet
+en de anglaise, maar na elken dans kan zij niet laten naar 't venster
+te sluipen en naar 't zijgebouw te zien. Er is licht in 't venster van
+de Majoorske en ze kan haar heen en weer door de kamer zien loopen. 't
+Lijkt wel of ze nooit rust, maar aanhoudend heen en weer loopt. En
+ieder keer als de gravin naar buiten gezien heeft, bewegen haar voeten
+zich onwilliger in den dans, en 't lachen stokt haar in de keel.
+
+De vrouw van den leenman merkt, dat zij de beslagen glazen afveegt,
+om naar buiten te zien, en gaat naar haar toe.
+
+"Och, wat een ellende toch," fluistert zij de gravin in.
+
+"Ik vind 't bijna onmogelijk vanavond te dansen," antwoordt de gravin,
+ook fluisterend.
+
+"'t Is waarlijk niet voor mijn pleizier, dat we hier bal hebben,
+terwijl zij daar zit," antwoordt mevrouw Scharling. "Ze heeft al
+dien tijd in Karlstad gezeten; maar nu komt de zaak gauw voor, en
+daarom is ze vandaag hierheen overgebracht. We konden haar niet in
+'t ellendige arresthok op 't raadhuis brengen, en daarom gaven we
+haar de groote weefkamer daarboven. Als niet juist al die menschen
+hier vandaag geweest waren, had ik haar mijn kamer afgestaan. Ja,
+de gravin kent haar nauwelijks; maar zij was ons aller moeder, onze
+koningin. Wat moet ze wel van ons denken, dat we hier dansen, terwijl
+zij 't zoo treurig heeft? 't Is maar goed, dat de meesten niet weten,
+dat zij daar zit."
+
+"Zij had nooit gearresteerd moeten worden," zegt de jonge gravin,
+streng.
+
+"Neen, dat is een waar woord; maar het kon niet anders, als we
+ten minste erger ongelukken wilden voorkomen. Er was niemand, die
+haar verbieden kon haar eigen stroobossen in brand te steken en de
+kavaliers weg te jagen; maar de Majoor maakte immers gewoonweg jacht
+op haar. Niemand weet wat hij gedaan zou hebben, als zij niet in
+verzekerde bewaring gebracht was. Scharling heeft er veel last van
+gehad, dat hij haar gevangen nemen liet. Zelfs in Karlstad waren
+de menschen ontevreden, omdat hij niet alles door de vingers zag;
+maar hij deed immers wat hij meende dat het best was."
+
+"Nu zal ze wel veroordeeld worden," zegt de gravin.
+
+"Och, neen, veroordeeld wordt ze niet. De Majoorske van Ekeby wordt
+wel vrijgesproken; maar het is toch te veel voor haar, al wat ze
+deze dagen moet doorleven. Denk eens aan, zoo'n trotsche vrouw,
+en dan als een misdadiger behandeld te worden. Als zij maar niet
+krankzinnig wordt. Ik geloof, dat we haar hadden moeten toestaan
+hierheen te loopen, dan was ze misschien wel weggeloopen."
+
+"Laat haar vrij!" zegt de gravin.
+
+"Dat kan ieder ander doen, behalve de leenman en zijn vrouw," fluistert
+mevrouw Scharling. "Wij moeten immers op haar passen. Vooral vannacht,
+nu er zooveel van haar hier zijn. Daarom zitten twee knechts op wacht
+voor haar deur, en die is gegrendeld en gesloten, zoodat niemand bij
+haar komen kan. Maar als iemand er haar uit wilde helpen, gravin,
+dan zouden Scharling en ik even blij zijn."
+
+"Mag ik niet naar haar toe gaan?" vraagt de jonge gravin.
+
+Mevrouw Scharling grijpt snel haar hand en trekt haar meê. In de
+voorkamer slaan ze elk een shawl om en haasten zich over de plaats.
+
+"'t Kan best zijn, dat zij niet eens met ons spreken wil," zegt
+mevrouw Scharling. "Maar ze kan dan ten minste zien, dat we haar
+niet vergeten."
+
+Zij gaan door de eerste kamer, waar twee mannen zitten en wacht houden
+voor de gesloten deur, en ze komen ongehinderd bij de Majoorske. Zij
+was opgesloten in een groote kamer, vol weefgetouwen en toebehooren. 't
+Vertrek werd gebruikt als weefkamer; maar er waren ijzeren stangen
+voor de ramen en zware sloten op de deur, om 't in tijd van nood als
+gevangenis te gebruiken.
+
+De Majoorske blijft heen en weer loopen zonder op hen te letten. Zij
+moet een lange reis maken in die dagen. Zij kan aan niets anders
+denken, dan dat zij dertig mijl loopen moet, naar haar moeder, die
+daar, in de Elvedalsbosschen, op haar zit te wachten. Zij heeft geen
+tijd om te rusten; zij moet gaan. Zij is rusteloos en heeft het gevoel
+van voort te moeten. Haar moeder is al in de negentig. Zij kan niet
+lang meer leven.
+
+Zij heeft de lengte van den vloer in ellen uitgemeten, en nu telt zij,
+en legt de ellen aan elkaar tot vamen, de vamen tot mijlen.
+
+Moeilijk en lang schijnt de weg haar toe, en toch durft zij niet
+te rusten. Zij waadt door hooge sneeuwhoopen. Zij hoort de eeuwige
+bosschen ruischen, waar zij ook gaat. Zij rust in de rookkamers van
+de Finnen en in de hutten der houthakkers, van takken gebouwd.
+
+Soms als er geen menschen te zien zijn, vele mijlen ver, moet ze
+een bed van takken maken en onder de wortels van een omgewaaiden
+den slapen.
+
+En eindelijk heeft zij het doel bereikt: de dertig mijl zijn afgelegd;
+ze komt uit het bosch en ziet roode huizen op een plaats, met sneeuw
+bedekt. De beek bruist schuimend voort in een rij kleine watervallen,
+en aan het welbekende bruisen hoort zij, dat ze thuis is.
+
+En haar moeder, die haar ziet aankomen, bedelende zooals ze gewild
+heeft, gaat haar te gemoet en....
+
+Als de Majoorske zoo ver gekomen is, heft zij het hoofd, ziet om zich
+heen, krijgt de afgesloten deur in het oog, en dan weet ze waar ze is.
+
+Ze vraagt zich af of ze op weg is gek te worden en gaat zitten om te
+rusten en na te denken. Maar een oogenblik later is ze weer op weg,
+telt de ellen en de vamen, tot ze mijlen heeft, rust in de hutten,
+en slaapt dag noch nacht, eer ze de dertig mijl heeft afgelegd. In
+al den tijd, dat zij gearresteerd zit, heeft zij bijna nooit geslapen.
+
+En de twee vrouwen die haar zijn komen bezoeken, zien haar met angst
+aan. De jonge gravin heeft nooit kunnen vergeten hoe ze daar heen en
+weer liep.
+
+Ze ziet haar dikwijls in haar droomen, en wordt dan wakker, met de
+oogen vol tranen en een klacht op de lippen.
+
+De oude vrouw is vreeselijk vervallen. Heur haar is zoo dun geworden,
+en losse vlokken steken uit de kleine vlecht. Het gezicht is scherp en
+ingevallen; de kleeren zijn onordelijk en verscheurd. Maar trots dat
+alles heeft zij nog zóoveel voornaams over zich, iets zóo gebiedends,
+dat zij niet alleen medelijden, maar ook eerbied inboezemt.
+
+Maar wat de gravin allerminst vergeten kon, waren de oogen, ingezonken,
+als naar binnen ziende, met nog een greintje verstandelijken
+gloed, maar bijna gedoofd, en met een vonk van wildheid in de
+diepte. Onwillekeurig werdt ge bang, dat de oude u aan zou vallen,
+met de tanden bijten en met de nagels krabben. Ze hebben daar lang
+gestaan, toen de Majoorske plotseling stilstaat voor de jonge vrouw
+en haar streng aanziet. De gravin wijkt een stap terug en grijpt
+mevrouw Scharling bij den arm. Opeens komt er leven en uitdrukking
+in de trekken van de Majoorske. Hare oogen zien weer de wereld in
+met helder bewustzijn.
+
+"Ach neen, ach neen," zegt ze glimlachend, "zoo erg is het nog niet,
+mijn lieve, jonge dame."
+
+Zij verzoekt hen plaats te nemen en gaat zelf zitten. Zij krijgt weer
+een waas van de oude waardigheid, zoo welbekend door de groote feesten
+op Ekeby en de bals in 't paleis van den gouverneur te Karlstad. Zij
+vergeten de lompen en de gevangenis, en zien alleen de trotsche,
+de rijkste vrouw van Wermeland.
+
+"Lieve gravin," zegt zij, "wat brengt u er toe het bal te verlaten,
+om een eenzame, oude vrouw als ik ben op te zoeken? U is al te goed."
+
+Gravin Elisabeth kan niet antwoorden; haar stem wordt verstikt door
+ontroering. Mevrouw Scharling antwoordt voor haar, dat zij niet kon
+dansen, omdat ze aan de Majoorske dacht.
+
+"Lieve mevrouw Scharling," antwoordt de Majoorske; "is het nu zóo ver
+met mij gekomen, dat ik de jongelieden in hun vreugde stoor? Schrei
+niet om mij, mijn lieve, jonge gravin," ging ze voort. "Ik ben een
+oude, slechte vrouw, die haar verdiende loon krijgt. U vindt het
+immers niet goed, als iemand zijn moeder slaat?"
+
+"Neen, maar...."
+
+De Majoorske valt haar in de rede en strijkt haar het lichte, krullende
+haar van het voorhoofd. "Kind, kind," zegt zij, "hoe kon je er toch
+toe komen dien dommen Henrik Dohna te nemen!"
+
+"Maar ik houd van hem."
+
+"Ja, ik begrijp het wel, ik begrijp het wel," zegt de Majoorske. "Een
+goed kind en niet meer; schreit met de bedroefden en lacht met de
+blijden. En is gedwongen: "Ja" te zeggen tegen den eerste, die zegt:
+"Ik heb je lief." Ach, ja. Ga nu naar binnen en dans, mijn lieve,
+jonge gravin. Dans en wees blij; in u is geen kwaad."
+
+"Maar ik zou zoo graag iets voor de Majoorske doen."
+
+"Kind," zei de Majoorske, plechtig: "eens woonde er een oude vrouw
+op Ekeby, die de winden des hemels bedwong. Nu is ze zelf gevangen
+en de winden zijn vrij. Is het dan wonder, dat er een storm over
+'t land gaat? Ik die oud ben, heb dat meer gezien, gravin. Ik ken
+dat. Ik weet, dat Gods geweldige storm over ons komt. Nu vaart hij
+over de groote rijken, dan over de kleine, vergeten landen. Gods storm
+komt overal! Over de grooten en over de kleinen. Het is grootsch Gods
+storm te zien komen.
+
+"Gods storm! Adem Gods, kom en blaas over de aarde! Stemmen uit water
+en lucht, klinkt tot onze ontzetting. Laat de stormvlagen suizen over
+het land, aanbonzen tegen de wankelende muren, de verroeste sloten
+breken en de hellende huizen omwerpen.
+
+"Angst zal komen over het land. De kleine vogelnesten worden uit de
+takken geschud. Het nest van den gier-sperwer zal uit den spar met
+geraas ter aarde vallen, en tot in 't uilennest in de bergkloof zal
+de wind met zijn drakentong reiken.
+
+"Wij meenden, dat alles hier zoo goed was, maar dat was zoo niet. Wij
+hadden behoefte aan den storm, die van God komt. Ik begrijp dat en
+klaag niet. Ik verlang alleen naar huis--naar mijn moeder te komen."
+
+Plotseling zonk zij ineen.
+
+"Ga nu, jonge vrouw," zegt zij. "Ik heb geen tijd meer. Ik moet op
+weg. Ga nu; maar hoed u voor hem, die op de wieken van den storm komt."
+
+En zij begint weer haar rusteloos heen en weer loopen. Haar trekken
+worden slapper; de oogen krijgen weer die zonderlinge uitdrukking,
+alsof ze naar binnen zien. De gravin en mevrouw Scharling kunnen
+niets anders doen dan heengaan.
+
+Zoodra zij bij de dansenden terugkomen, gaat de jonge gravin regelrecht
+naar Gösta Berling toe.
+
+"Ik moet u de groete van de Majoorske doen, Mijnheer Berling," zegt
+zij. "Zij verwacht, dat u haar uit de gevangenis helpen zult."
+
+"Dan zal zij lang moeten wachten, mevrouw de gravin."
+
+"Och, help haar toch, mijnheer Berling."
+
+Gösta ziet somber voor zich. "Neen," zegt hij; "waarom zou ik haar
+helpen? Waarvoor ben ik haar dank schuldig? Alles, wat ze gedaan heeft,
+diende tot mijn ongeluk!"
+
+"Maar, mijnheer Berling!...."
+
+"Als zij er niet geweest was," antwoordde hij heftig, "dan sliep ik
+nu daarginds in de eeuwige bosschen. Ben ik verplicht mijn leven voor
+haar te wagen, omdat ze mij tot kavalier op Ekeby gemaakt heeft? Meent
+mevrouw de gravin soms, dat het een bijzonder eervolle betrekking is?"
+
+De jonge gravin wendt zich af, zonder te antwoorden. Ze is boos.
+
+Zij gaat naar haar plaats terug, met bitterheid vervuld over de
+kavaliers. Hier zijn ze gekomen met waldhoorn en viool en willen
+den strijkstok over de snaren laten gaan, tot de haren versleten
+zijn, zonder er aan te denken, dat de vroolijke tonen tot in de
+armoedige kamer van de gevangenis klinken. Hier zijn ze gekomen om
+zich de schoenzolen stuk te dansen, en denken er niet aan, dat hun
+oude weldoenster hun schaduwen voorbij de beslagen vensters kan
+zien glijden. Ach, hoe grauw en leelijk wordt de wereld! Ach, wat
+donkere schaduwen werpen nood en hardheid over de ziel van de jonge
+gravin! Kort daarna komt Gösta Berling haar ten dans noodigen.
+
+Zij weigert ronduit.
+
+"Wil de gravin niet met mij dansen?" vraagt hij, terwijl het bloed
+hem naar de wangen stijgt.
+
+"Met u evenmin als met een van de andere kavaliers," antwoordt zij.
+
+"Zijn wij zulk een eer niet waard?"
+
+"Dat is geen eer, mijnheer Berling. Maar ik heb er geen pleizier in
+met menschen te dansen, die den plicht der dankbaarheid vergeten."
+
+Gösta heeft zich al op zijn hiel omgedraaid.
+
+Dit tooneel is door velen gehoord en gezien. Allen geven de gravin
+gelijk. De ondankbaarheid en harteloosheid van de kavaliers tegenover
+de Majoorske heeft de algemeene verontwaardiging gewekt.
+
+Maar Gösta Berling is in die dagen gevaarlijker dan een wild dier in
+het bosch.
+
+Sinds hij van de jacht is thuis gekomen en Marianne niet meer op
+Ekeby vond, is zijn hart één open wonde.
+
+Hij is in een stemming om iemand een bloedig onrecht aan te doen en
+smart en pijn om zich heen te verspreiden.
+
+Zij zal haar verdiende loon hebben, zegt hij in zichzelf. Zij zal er
+niet gemakkelijk afkomen. De gravin houdt er immers van geschaakt te
+worden. Zij zal haar zin hebben. Hij heeft niets tegen een avontuur.
+
+Acht dagen lang heeft hij geleden ter wille van een vrouw. Dat is nu
+lang genoeg.
+
+Hij roept Beerencreutz, den overste, Kristiaan Bergh, den sterken
+kapitein, en den tragen neef Kristofer, die zich nooit bedenken,
+als er sprake van een dollen streek is, en beraadslaagt met hen,
+hoe zij de gekrenkte eer van de kavaliers wreken zullen.
+
+Het eind van het feest is gekomen. Een lange rij sleden rijdt de plaats
+op. De heeren trekken hun pelzen aan. De dames zoeken naar hun goed,
+dat in een wanhopige wanorde in de kleedkamer ligt.
+
+De jonge gravin heeft zich gehaast om van dit afschuwelijke bal weg
+te komen. Zij is het eerst klaar van alle dames. Zij staat glimlachend
+midden in de kamer en ziet de verwarring aan, toen de deur opengerukt
+wordt en Gösta Berling zich op den drempel vertoont. Geen man heeft
+het recht in deze kamer binnen te dringen. Oude dames staan daar
+met hun dun haar. Zij hebben de fijne mutsjes afgezet. En de jongere
+hebben hun kleedjes onder de pelzen opgenomen, om de garneering niet
+te kreukelen onder het rijden.
+
+Maar zonder zich te storen aan het waarschuwend roepen van alle kanten,
+springt Gösta Berling op de gravin af en grijpt haar aan. Hij neemt
+haar op in zijn armen en vliegt de kamer uit, de voorkamer in en van
+daar de stoep af.
+
+Het geschreeuw der verschrikte vrouwen houdt hem niet terug. Als zij
+hem nasnellen zien zij alleen, dat hij in een slee springt met de
+gravin in de armen. Zij hooren den koetsier met de zweep klappen en de
+paarden voortstuiven. Zij kennen den koetsier: dat is Beerencreutz;
+zij kennen het paard: dat is Don Juan. En diep bekommerd over het
+lot der gravin roepen zij de mannen.
+
+En deze verliezen geen tijd met veel vragen! Met den graaf aan 't
+hoofd zetten zij den vrouwenroover na.
+
+Maar hij ligt in de sleê en houdt de jonge gravin vast. Alle smart is
+vergeten, en onder de blijde bekoring van het avontuur, zingt hij uit
+volle borst een lied van liefde en rozen. Hij houdt haar vast tegen
+zich aan gedrukt; maar zij doet geen poging om te ontvluchten. Haar
+gezichtje rust wit, als versteend, aan zijn borst.
+
+Och, wat zal een man doen, als hij een bleek, hulpeloos gezichtje
+zóo dicht bij zich ziet, als hij de blonde haren, die anders het
+glanzende, witte voorhoofd bedekken, ter zijde ziet geschoven, als
+de oogleden zich zwaar over de schelmsche, schitterende grijze oogen
+gesloten hebben.
+
+Kussen natuurlijk, de bleeke lippen, de gesloten oogen, het blanke
+voorhoofd kussen.
+
+Maar daar komt de jonge vrouw tot zich zelf. Zij gooit zich
+achterover. Als een stalen veer is zij. En hij moet met haar worstelen
+om te voorkomen, dat zij uit de slee springt, tot hij haar bevend en
+overwonnen in een hoek gedrongen heeft.
+
+"Zie eens," zegt Gösta dan heel rustig tot Beerencreutz. "De gravin
+is de derde, die Don Juan en ik dezen winter wegvoeren. De anderen
+hingen om mijn hals en kusten mij; maar zij wil niet door me gekust
+worden en ook niet met me dansen. Kun jij uit die vrouwen wijs worden,
+Beerencreutz?"
+
+Maar toen Gösta de plaats afreed, toen de vrouwen gilden en de mannen
+vloekten, toen de sleebellen klonken en de zweepen klapten en alles
+rumoer en verwarring was, werden de mannen, die de Majoorske bewaakten,
+wonderlijk te moede.
+
+"Wat is er te doen?" dachten ze; "waarom schreeuwen ze zoo?"
+
+Op eens wordt de deur opengetrokken, en een stem roept: "Zij is
+weg! Nu rijdt hij met haar weg!"
+
+En zij springen op en vliegen als dwazen voort zonder te zien of het
+de Majoorske of iemand anders is, die weg is. En ze treffen 't goed,
+want ze krijgen een slee, en zij rijden ver weg en lang, eer ze te
+weten komen wie ze eigenlijk vervolgen.
+
+En kapitein Bergh en Kristofer gaan op hun gemak naar de deur, steken
+kalm het slot open en doen de deur open.
+
+"De Majoorske is vrij," zeggen zij.
+
+Zij komt naar buiten. Zij staan stokstijf elk aan een kant van de
+deur en zien haar niet aan.
+
+Buiten wacht slede en paard.
+
+Zij gaat naar buiten, zet zich in de slee en rijdt weg. Háár vervolgde
+niemand, en niemand weet ook waar zij heen rijdt.
+
+Don Juan draaft den Brobyheuvel af, naar het toegevroren meer. Het
+fiere dier vliegt over den weg. Versterkend giert de ijskoude wind
+om de wangen van den rijdenden. De bellen klinken. Maan en sterren
+schijnen blauwachtig, wit ligt de sneeuw in 't rond en glanst en
+schittert.
+
+Gösta voelt poëtische gedachten in zich ontwaken. "Beerencreutz," zegt
+hij, "dit is leven! Zooals Don Juan met die jonge vrouw voortrent,
+zoo sleept de tijd de menschen meê. Jij bent de noodzakelijkheid, die
+den rit bestuurt. Ik ben de begeerte, die den wil gevangen houdt. En
+zoo wordt de machtelooze dieper en dieper omlaag getrokken."
+
+"Houd je mond toch!" schreeuwt Beerencreutz; "nu halen ze ons haast
+in." En met zwiepende zweepslagen hitst hij Don Juan aan tot aanhoudend
+sneller vaart.
+
+"Zij zijn de wolven, wij zijn de buit!" roept Gösta. "Don Juan,
+mijn jongen, verbeeld je, dat je een jonge eland bent. Stuif door 't
+kreupelhout, waad door het moeras, spring van de rotsen in het heldere
+meer, zwem er over, den kop fier omhoog, en verdwijn in de reddende
+duisternis van het dennenwoud. Draaf, Don Juan, oude vrouwenroover,
+draaf als een jonge eland!"
+
+Zijn woest hart zwelt van blijdschap onder dien dollen rit. De kreten
+der vervolgers zijn als een juichlied voor hem. Zijn woest hart zwelt
+van blijdschap, als hij merkt, dat de gravin beeft van schrik, zoodat
+haar tanden klapperen.
+
+Plotseling laat zijn ijzeren vuist haar los, hij staat op in de slee
+en zwaait met zijn muts.
+
+"Ik ben Gösta Berling!" roept hij. "Heer van tienduizend kussen en
+dertienduizend liefdesbrieven. Hoera voor Gösta Berling! Pak hem als
+je kunt!"
+
+'t Volgend oogenblik fluistert hij de gravin in: "Is dit niet een
+heerlijke rit? Achter 't meer Löfven ligt 't Weenermeer. Daarachter
+de zee! Overal oneindige, heldere, blauwgrijze ijsvlakten! Rollende
+donder, krakend ijs, geroep en geschreeuw achter ons, vallende sterren
+in de lucht, klinkende bellen vóór ons! Altijd voort! Hebt u lust de
+reis te wagen, lieve, jonge mevrouw?"
+
+Hij laat haar los. Zij stoot hem heftig terug.
+
+Een oogenblik later ligt hij op de knieën aan haar voeten.
+
+"Ik ben een ellendeling, een ellendeling. U hadt mij niet
+moeten tergen. U stond daar zoo fier en hoog, en meende, dat een
+kavaliersvuist u nooit bereiken kon. U heeft aarde en hemel lief. U
+hadt geen steenen moeten toevoegen aan den last, dien hij, die door
+aarde en hemel veracht wordt, dragen moet!"
+
+Hij grijpt haar handen en brengt ze aan zijn gezicht.
+
+"Als u wist wat het is, te weten dat men een uitvaagsel is!" zegt
+hij. "Dan geef je er niet meer om, wat je doet,--'t kan je niet
+meer schelen."
+
+Daar voelt hij, dat ze geen handschoenen aan heeft. Hij trekt een paar
+groote ruige wanten uit den zak en doet ze haar aan. En nu is hij
+opeens heelemaal kalm en zet zich in de slee neer, zoo ver mogelijk
+van de jonge gravin.
+
+"U hoeft niet bang te zijn," zegt hij. "Ziet u niet waar we
+heenrijden? U kunt toch wel begrijpen, dat wij u geen kwaad durven
+doen."
+
+Zij is bijna bewusteloos geweest van schrik; maar nu ziet zij, dat zij
+'t meer al over zijn gereden en dat Don Juan nu den steilen heuvel
+opklautert naar Borg. Zij laten het paard stilhouden bij de stoep
+van 't hoofdgebouw en laten de jonge gravin uitstappen voor haar
+eigen huis.
+
+En toen zij zich door haar dienstboden omringd ziet, die naar buiten
+komen loopen, krijgt zij haar moed en tegenwoordigheid van geest terug.
+
+"Wil je voor het paard zorgen, Anderson," zegt zij tegen den
+koetsier. "Deze heeren, die mij naar huis gereden hebben, zijn
+zeker wel zoo vriendelijk even mee naar binnen te gaan. De graaf
+komt dadelijk."
+
+"Zooals u wenscht," antwoordt Gösta en stapt dadelijk uit de
+slee. Beerencreutz werpt de leidsels weg, zonder zich een oogenblik
+te bedenken. Maar de jonge gravin gaat vooruit en leidt hen met slecht
+verborgen leedvermaak in de groote zaal.
+
+Zij had stellig gedacht, dat de kavaliers zich tweemaal zouden
+bedenken, eer zij haar voorstel, om haar man af te wachten,
+aannamen. Zij wisten dus niet welk een streng en rechtvaardig man
+hij was. Zij vreesden niet voor de straf, die hij hun zou opleggen,
+omdat zij haar met geweld aangegrepen hadden en haar gedwongen met
+hen te rijden.
+
+Zij wilde hem hun hooren verbieden ooit weer hun voeten in haar huis
+te zetten. Zij wilde hem de bedienden zien roepen en de kavaliers
+aanwijzen als mannen, die zij nooit meer binnen de poorten van Borg
+mochten laten komen. Zij wilde hem zijn verachting hooren uitspreken,
+niet alleen voor wat zij haar gedaan hadden, maar ook voor hun gedrag
+tegenover de Majoorske, hun weldoenster.
+
+Ja, hij, die voor haar louter teerheid en oplettendheid was, hij zou
+in regelmatige toorn opstaan tegen haar vervolgers. De liefde zou
+zijn woorden gloed geven. Hij, die haar beschutte en omringde als een
+wezen van hooger orde, hij zou niet verdragen, dat ruwe mannen op haar
+aanvielen en haar aangrepen als een roofvogel een muschje. Heel die
+kleine vrouw gloeide van wraakzucht, van 't hoofd tot de voeten. Haar
+man zou haar helpen en de donkere schaduwen verdrijven.
+
+De overste Beerencreutz, met den dikken witten snor ging toch
+onvervaard de eetzaal binnen en stapte naar den haard, waar altijd
+vuur moest branden, als de gravin van een bal naar huis kwam.
+
+Gösta bleef in het donker bij de deur en zag zwijgend naar de gravin,
+terwijl een bediende haar goed afdeed. En terwijl hij daar zat en die
+jonge vrouw aanzag, werd hij zóó tevreden, als hij in vele jaren niet
+geweest was. Het werd hem helder; het was hem als een openbaring,
+dat in haar binnenste een leliereine ziel woonde.
+
+Lang had die gebonden en sluimerend gelegen, maar nu zou die wel
+voor den dag komen. Hij was zoo gelukkig, doordat hij alle reinheid
+en vroomheid en onschuld ontdekt had, die in haar hart woonden. Hij
+moest bijna om haar lachen, omdat ze zoo boos keek en daar stond met
+gloeiende wangen en gefronste wenkbrauwen.
+
+"Ze weet het zelf niet, hoe zacht en goed ze is," dacht hij.
+
+De zijde van haar natuur, die naar buiten gekeerd was, zou nooit haar
+inwendig ik geheel tot zijn recht laten komen, dacht hij. Maar Gösta
+Berling moest haar van dat oogenblik dienen, zooals men al wat schoon
+en verheven is dienen moet. Ja, het was hem onmogelijk er berouw over
+te hebben, dat hij zoo pas nog zoo ruw tegen haar gedaan had. Als
+zij niet zoo bang geweest was, als zij hem niet zoo heftig van zich
+gestooten had, als hij niet gevoeld had hoe heel haar ziel in opstand
+gekomen was tegen zijn ruwheid, dan was hij nooit te weten gekomen
+welk een fijne, edele ziel er in haar woonde.
+
+Hij had geen reden gehad dat vroeger te gelooven.
+
+Zij was immers louter danslust en vroolijkheid geweest. En dan had
+zij immers dien dommen graaf Henrik kunnen trouwen!
+
+Maar nu zou hij haar slaaf zijn tot zijn dood. Haar hond en haar
+slaaf,--zooals Kaptein Kristiaan zei,--en anders niet.
+
+Hij zat daar bij de deur, Gösta Berling, met gevouwen handen, en hield
+een soort van eeredienst. Sedert dien dag, dat hij de vlammen der
+inspiratie over zich had voelen komen, had hij niet zulk een hoogtij
+in zijn ziel gevoeld. Hij liet zich niet storen, hoewel graaf Dohna
+met een massa menschen binnen kwam, die vloekten en raasden over de
+duizend dolle streken van de kavaliers.
+
+Hij liet Beerencreutz den storm afwachten. Hij had wel wat anders om
+over na te denken.
+
+De overste stond kalm aan den haard, met den voet op het hekje er
+voor, den elleboog op de knie gesteund en de kin op de hand, en zag
+de binnenstormenden aan.
+
+"Wat moet dat beteekenen?" schreeuwde de kleine graaf hem toe.
+
+"Dat beteekent," antwoordde hij, "dat, zoo lang er vrouwen zijn,
+men ook dwazen vindt, die naar hun pijpen dansen."
+
+De jonge graaf werd vuurrood. "Ik vraag wat dat beduidt?" herhaalde
+hij.
+
+"Ja, dat zou ik ook wel willen weten," spotte Beerencreutz. "Mag ik
+weten wat het beteekent, dat de vrouw van Henrik Dohna niet met Gösta
+Berling dansen wil?"
+
+De graaf zag zijn echtgenoote vragend aan.
+
+"Ik kon niet, Henrik," barstte zij uit. "Ik kon niet met hem dansen,
+noch met een van de anderen. Ik dacht aan de Majoorske, die zij in
+de gevangenis lieten versmachten."
+
+De kleine graaf richtte fier zijn stijf lijfje op en hief zijn
+oudemannetjeshoofd zoo hoog mogelijk.
+
+"Wij, kavaliers," ging Beerencreutz voort, "staan niemand toe ons te
+hoonen. Wie niet met ons dansen wil, moet met ons rijden. Er is de
+jonge gravin niets kwaads gebeurd, en daarmee is 't uit."
+
+"Neen," zei de graaf, "daarmee is 't niet uit. Ik ben aansprakelijk
+voor de handelingen van mijn vrouw. Nu vraag ik waarom Gösta Berling
+zich niet tot mij wendde om voldoening, toen mijn vrouw hem beleedigd
+had."
+
+Beerencreutz glimlachte. "Ik vraag," herhaalde de graaf.
+
+"Men vraagt den vos geen permissie om hem te villen," antwoordde
+de overste.
+
+De graaf legde de hand op de smalle borst.
+
+"Ik heb den naam, dat ik een rechtvaardig man ben," zei hij. "Ik
+kan mijn dienstboden richten. Waarom zou ik geen gericht over mijn
+vrouw kunnen houden? De kavaliers hebben daar geen recht toe. De
+straf, die zij haar gegeven hebben, hef ik op. Die heeft niet plaats
+gehad. Begrijpt gij, heeren? Die heeft nooit plaats gehad."
+
+De graaf kraaide die woorden uit in zijn hoogste falset.
+
+Beerencreutz wierp een snellen blik om zich heen. Er was niet éen
+der aanwezigen: Sintram en Daniël Bender en Dahlberg of wie dan ook,
+die niet inwendig lachte, omdat hij zoo den gek stak met den dommen
+Henrik Dohna.
+
+De jonge gravin begreep het niet direct. Wat zou voor niets gerekend
+worden? Haar angst, de kavaliers, die ruw haar fijn lichaam aangegrepen
+hadden, dat woeste zingen, de ruwe woorden, de wilde kussen--moest
+dat alles niets? Was er van dezen avond niets, waar de grauwe godin
+van de schemering geen macht over had?
+
+"Maar, Henrik...."
+
+"Zwijg," antwoordde hij. En hij zette zich in postuur om een
+straf-predikatie tegen haar te houden. "Wee u, dat gij, een vrouw,
+u tot rechter wildet verheffen over mannen. Wee u, dat gij, die
+mijn echtgenoote zijt, het waagt iemand te beleedigen, wiens hand
+ik druk. Wat gaat het u aan, dat de kavaliers de Majoorske in de
+gevangenis hebben gezet? Hadden zij geen gelijk? Gij zult nooit
+begrijpen hoe het een man in de ziel grijpt te hooren spreken over
+ontrouw van vrouwen. Wilt ge soms zelf den boozen weg opgaan dat ge
+zulk een vrouw verdedigt?"
+
+"Maar Henrik!"....
+
+Zij klaagde als een kind, en strekte de armen uit, als om de harde
+woorden af te weren. Zóo was zij misschien nooit te voren toegesproken.
+
+Zij was zoo hulpeloos onder die harde mannen, en nu keerde zich haar
+eenige verdediger tegen haar. Nooit meer zou haar hart de kracht
+hebben de wereld licht te maken.
+
+"Maar Henrik! jij moest mij toch beschermen!"
+
+Gösta Berling werd nu uit zijn overpeinzingen wakker, nu het te laat
+was. Hij wist niet wat hij doen moest. Hij meende het zoo goed met
+haar. Maar hij durfde geen partij te kiezen tusschen man en vrouw.
+
+"Waar is Gösta Berling?" vroeg de graaf.
+
+"Hier," antwoordde Gösta. En hij deed een erbarmelijke poging over
+alles heen te schertsen. "De graaf hield zeker een toespraak, en ik
+ben in slaap gevallen. Wat zou de graaf er van zeggen, als wij nu
+naar huis gingen, zoodat u naar bed kon gaan?"
+
+"Gösta Berling, daar mijn echtgenoote geweigerd heeft met u te dansen,
+beveel ik, dat zij uwe hand zal kussen en u om vergeving vragen."
+
+"Mijn waarde graaf Henrik," zei Gösta, glimlachend, "dit is geen hand,
+die 't een jonge vrouw past te kussen. Gisteren was ze rood van 't
+bloed van een geschoten eland, morgen zal ze zwart van roet zijn na
+een gevecht met een kolenbrander. De graaf heeft een edel en verheven
+vonnis geveld. Dat is mij voldoening genoeg. Kom, Beerencreutz!"
+
+Maar de graaf versperde hem den weg.
+
+"Ga niet heen," zei hij. "Mijn vrouw moet mij gehoorzamen. Ik wil,
+dat mijn echtgenoote zal weten wat er van komt, als zij eigenmachtig
+handelt."
+
+Gösta bleef staan, niet wetend wat te doen. De gravin stond bleek
+en onbeweegelijk.
+
+"Ga nu," zeide de graaf.
+
+"Ik kan niet, Henrik."
+
+"Je kunt wèl," antwoordde hij hard. "Je kunt. Maar ik weet wel
+wat je wilt. Je wilt mij tot een tweegevecht met dien man dwingen,
+omdat je in je grilligheid niet met hem op hebt. Goed, als jij hem
+geen voldoening wilt geven, dan zal ik het doen. Vrouwen zien altijd
+graag, dat mannen om hunnentwil gedood worden. Ik zal duelleeren,
+mijn echtgenoote! Over eenige uren zal ik een bloedig lijk zijn."
+
+Zij zag hem lang aan. En zij zag hem toen zooals hij was: dom, laf,
+opgeblazen van hoogmoed en ijdelheid--het erbarmelijkste mensch,
+dat men zien kon.
+
+"Wees gerust," zei ze. En ze was ijskoud geworden. "Ik zal het doen."
+
+Maar nu werd Gösta Berling heftig bewogen. "Mevrouw de gravin mag
+het niet doen! Neen, u mag niet! U is immers een kind, een zwak,
+onschuldig kind, en u zoudt mijn hand kussen! U, die zoo'n mooie,
+reine ziel hebt. Ik zal u nooit meer aanraken, o, nooit meer. Ik breng
+dood en verderf over alles, wat goed en onschuldig is. U moogt me niet
+aanraken. Ik ben bang voor u als 't vuur voor 't water; u mag niet!"
+
+En hij hield de handen op den rug.
+
+"'t Kan mij niet schelen," antwoordde zij. "Nu kan 't mij niet meer
+schelen. Ik vraag u om vergeving. Ik verzoek u mij uw hand te laten
+kussen."
+
+Maar Gösta hield steeds de handen op den rug. Hij liet zijn oogen
+door de zaal gaan en ging naar de deur.
+
+"Als ge de voldoening niet aanneemt, die mijn vrouw u aanbiedt,
+Gösta Berling, moet ik met u vechten en behalve dat haar een andere,
+hardere straf opleggen."
+
+De gravin haalde de schouders op. "Hij weet immers geen raad van
+angst," fluisterde zij. "Laat ik het nu doen. 't Doet er niet toe,
+of ik vernederd word. U hebt dat immers zoo gewild."
+
+"Heb ik dat gewild? Gelooft u, dat ik dat gewild heb? Nu, als ik geen
+handen meer heb, die u kussen kunt, zult u wel begrijpen dat ik dàt
+niet gewild heb."
+
+Hij liep naar den haard en stak er beide handen in. De vlam sloeg
+er om heen, de huid schrompelde, de nagels knetterden. Maar op 't
+zelfde oogenblik greep Beerencreutz hem in den nek en slingerde hem
+met kracht over den vloer.
+
+Hij tuimelde op een stoel en bleef daar zitten. En hij schaamde zich
+bijna over zijn gedrag. Zou zij denken, dat het vertooning was? Zich
+zoo aan te stellen in een kamer vol menschen moest wel een dwaze
+vertooning lijken. Er was immers volstrekt geen gevaar bij.
+
+Maar eer hij van de stoel was opgestaan, lag de gravin naast hem op
+de knieën. Zij greep de roode, met roet bezoedelde handen en bekeek ze.
+
+"Ik zal ze kussen," barstte zij uit, "ze kussen, zoodra ze niet meer
+te ziek en pijnlijk zijn." En groote tranen rolden haar over de wangen,
+toen zij de blaren onder de geblakerde huid zag opkomen.
+
+Zoo werd hij voor haar als een openbaring van een ongekende
+heerlijkheid. O, dat zóó iets nog op de wereld gebeuren kon, dat men
+zóó iets om harentwille kon doen! Wat was hij toch voor een man! Tot
+alles in staat, geweldig in goed en kwaad, de man van groote daden,
+van sterke woorden, van schitterende dingen. Een held, een held! Van
+andere stof gemaakt dan de anderen. De slaaf van een luim, van den lust
+van het oogenblik, woest en verschrikkelijk, maar met een ontembare
+kracht, voor niets ter wereld vervaard.
+
+Zij had zich den heelen avond gedrukt gevoeld en niets anders dan
+smart, wreedheid en lafheid gezien. Nu was dat alles vergeten. De
+jonge gravin was weer blij, dat zij een mensch was. De godin van de
+schemering was overwonnen. De jonge gravin zag weer licht en kleuren
+in de wereld.
+
+
+
+Toen de gravin kort daarna hoorde, dat de Majoorske bevrijd was,
+gaf zij een groot feest voor de kavaliers. Van dien tijd af begon de
+lange vriendschap tusschen haar en Gösta Berling.
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+SPOOKHISTORIES.
+
+
+O gij kinderen van dezen tijd. Ik heb u niets nieuws te vertellen,
+alleen oude, half vergeten verhalen. Sprookjes uit de kinderkamer, waar
+de kleintjes op lage bankjes zaten om de grijze sprookjesvertelster,
+of van 't vuur in de hut, waar de knechts en de daglooners zaten te
+praten, terwijl de damp uit hun natte kleeren sloeg en ze 't mes uit
+de lederen schede trokken om de boter op hun dikke, zachte sneê brood
+te smeren; of uit de zalen waar de oude heeren in schommelstoelen
+zaten en over den ouden tijd spraken bij hun dampende toddy.
+
+Stond dan een kind, dat naar de sprookjesvertelster geluisterd had,
+of naar de daglooners, of naar de oude heeren 's wintersavonds voor
+'t venster, dan waren 't geen wolken, die het aan den horizont zag,
+maar de kavaliers, die daar voort joegen in hun oude kariolen; de
+sterren waren kaarsen, die in de oude gravenburcht op Borg brandden
+en bij 't spinnewiel, dat in de kamer naast hem snorde, zat de oude
+Ulrika Dillner. Want 't hoofd van zoo'n kind zat vol menschen uit
+den ouden tijd en het dweepte met hen en was met hen vervuld.
+
+Maar werd zulk een kind, waarvan de ziel met sprookjes verzadigd
+was, over den donkren zolder naar 't provisiekamertje gestuurd om
+linnen of beschuiten te halen, dan vlogen zijn voetjes voort, dan
+ging 't in vliegende vaart de trappen af, de vestibule door naar de
+keuken. Want boven in 't donker had 't kind aan alle oude verhalen
+gedacht, die het gehoord had van den boozen grondeigenaar op Fors,
+van hem, die zijn ziel aan den duivel verkocht had.
+
+Het stof van den boozen Sintram rust al sinds lang op het kerkhof te
+Svartsjö, maar niemand moet gelooven, dat zijn ziel rust vond in God,
+zooals op den grafsteen staat.
+
+Terwijl hij leefde, hoorde hij tot de menschen, voor wier huis op lange
+regenachtige Zondagmiddagen gewoonlijk een zware koets stilhield, met
+zwarte paarden bespannen. Een elegant, in 't zwart gekleed heer stapt
+uit den wagen en helpt den heer des huizes met kaart en dobbelspel de
+langzaam voortkruipende uren verdrijven, die hem door hun eentonigheid
+wanhopend maakten, 't Spel duurt tot na middernacht en als de vreemde
+tegen de morgenschemering vertrekt, laat hij gewoonlijk een of ander
+onheilspellend afscheidscadeau achter.
+
+Ja, zoolang Sintram leefde, werd zijn komst door geesten
+aangekondigd. Voor hem uit gaan ze, hun wagen rolt de plaats op, hun
+zweep knalt, hun stem hoort men op de stoep, de huisdeur gaat open
+en dicht. De honden en menschen worden door 't gedruisch gewekt; maar
+er komt niemand. 't Zijn de geesten, die Sintrams komst aankondigen.
+
+Brr! die vreeselijke menschen, die door booze geesten bezocht
+worden. Wat zou dat toch wel voor een groote hond geweest zijn, die
+zich in Sintrams tijd op Fors vertoonde. Hij had verschrikkelijke,
+vonkelende oogen en een lange vuurroode tong, die van uit den gapenden
+muil hing. Op een dag, juist toen de knechts in de keuken waren om te
+eten, had hij aan de keukendeur gekrabd en alle dienstmeisjes hadden
+gegild van schrik. Maar de grootste en sterkste van de knechts had een
+vlammend stuk hout uit 't vuur genomen, de keukendeur opengerukt en
+'t brandend hout in den bek van den hond geslingerd. Die was met een
+vervaarlijk gehuil gevlucht. Vuur en rook was uit zijn muil gekomen,
+vonken spatten om hem heen en zijn voetspoor op den weg glom als
+vuur. En was 't ook niet verschrikkelijk, hoe het toeging als de
+grondeigenaar op reis ging?--Hij reed uit met paarden; maar als hij
+laat in den nacht thuiskwam, had hij altijd zwarte stieren voor den
+wagen. De menschen, die aan den straatweg woonden, konden de groote
+zwarte horens tegen den nachthemel duidelijk onderscheiden, als hij
+voorbij reed. Ze hoorden de dieren loeien en zagen met ontzetting
+de strepen vonken, die hun hoeven en de wielen van den wagen uit
+'t dorre gras sloegen.
+
+Ja de kleine voetjes moeten zich wel haasten over den grooten donkren
+zolder. Stel u eens voor, dat er eens iets verschrikkelijks--b. v. hij,
+wiens naam men niet noemen mag, uit dien donkren hoek daar te
+voorschijn kwam. Wie was veilig voor hem? Hij verscheen niet alleen
+voor de boozen. Had niet Ulrika Dillner hem gezien? Zij en Anna
+Stjärnhök konden vertellen hoe ze hem gezien hadden.
+
+
+
+Vrienden, menschenkindren! Gij die danst en lacht. Ik bid u, ik smeek
+u, danst voorzichtig, lacht zachtjes, want er wordt zooveel onheil
+gesticht, als uw dunne zijden schoentjes op menschenharten treden,
+en uw zilveren lach kan zielen tot vertwijfeling brengen.
+
+'t Was zeker omdat de voeten der jongeren te hard op 't hart van de
+oude Ulrika getreden hadden, en 't lachen der jongeren te overmoedig
+in haar ooren had geklonken, dat er plotseling een onweerstaanbaar
+verlangen naar den naam en de waardigheid van een getrouwde vrouw
+over haar kwam. Zij zei eindelijk: Ja! tegen den boozen Sintram, die
+haar al vaak ten huwelijk had gevraagd en volgde hem naar Fors als
+zijn vrouw. Zoo werd ze gescheiden van de oude vrienden op Berga,
+de oude, haar liefgeworden bezigheden en de oude zorgen voor 't
+dagelijksch brood.
+
+Het huwelijk ging hals over kop. Sintram kreeg met kerstmis het jawoord
+en zij vierden bruiloft in Februari. Anna Stjärnhök woonde nu in 't
+huis van kapitein Uggla. Zij was een uitstekende plaatsvervangster
+voor de oude Ulrika, dus deze kon zonder gewetensbezwaar heengaan en
+den titel van Mevrouw veroveren.
+
+Zonder gewetensbezwaar, ja! maar niet zonder spijt. Ze was niet op
+een goede plaats gekomen. De groote leege kamers waren vol griezelige
+dingen. Zoodra 't donker werd, begon ze te trillen van angst. Ze
+verging van heimwee.
+
+De lange zondagmiddagen waren het ergste. Ze waren eindeloos, en
+eindeloos waren ook de bittere gedachten, die dan voortkropen door
+haar hersens.
+
+Op een zondag, dat Sintram niet thuis gekomen was uit de kerk,
+ging zij in de groote zaal en zette zich voor de piano. Die was haar
+laatste troost. De piano met een fluitspeler en een herderinnetje op
+de witte klep geschilderd, was haar eigendom, een erfstuk van haar
+ouders. Aan die piano klaagde ze haar nood, die begreep haar.
+
+Maar weet ge wat ze speelt? Niets dan een polka! En dat zij, die zoo
+bitter bedroefd is.
+
+Ach, zij kan niet anders spelen! Eer haar vingers gekromd werden om
+den potlepel en 't voorsnijmes, had ze die éene polka geleerd. Die
+zit haar nog in de vingers, maar ze kan niets anders spelen--geen
+treurmarsch, geen hartstochtelijke sonate, niet eens een weemoedig
+volksliedje, alleen een polka.
+
+Die speelt ze zoo vaak ze haar oude piano iets toevertrouwen wil. Die
+speelt ze als ze lacht en schreit; toen ze haar bruiloft vierde,
+speelde ze die en toen ze voor 't eerst in haar eigen woning kwam. En
+die speelt ze ook nu.
+
+De oude snaren begrijpen haar wel. Ze is ongelukkig, diep ongelukkig.
+
+Een wandelaar, die voorbij kwam en die tonen hoorde, zou denken,
+dat de booze grondeigenaar een bal gaf aan zijn buren en vrienden,
+zoo vroolijk klinkt de polka. 't Is een fleurige, vroolijke
+melodie. Daarmee speelde ze den honger weg op Berga.
+
+Als die klonk, moesten alle dansen.
+
+Dan sprong de band, die de jicht om de gewrichten gelegd had en
+tachtigjarige heeren werden naar den dansvloer gelokt. De heele wereld
+kreeg lust te dansen bij die polka, zóó vroolijk klonk ze--maar de
+oude Ulrika schreit.
+
+Ze heeft onwillige bedienden om zich heen en nijdige dieren. Ze
+verlangt zoo naar een vriendelijk gezicht, naar een lachenden mond. Dat
+smartelijk verlangen moet de polka weêrgeven.
+
+De menschen kunnen maar niet onthouden, dat ze Mevrouw Sintram
+is. Ze noemen haar allemaal juffrouw Dillner. En haar berouw over
+de ijdelheid, die haar verlokte den titel van Mevrouw na te jagen,
+wil ze uiten in de polka.
+
+De oude Ulrika speelt alsof ze de snaren wil stukspelen. Er is zooveel
+dat ze verdooven wil; 't gejammer van verarmde boeren, de vloeken
+van afgebeulde arbeiders, 't hoonlachen van onwillige bedienden en
+dan allermeest de schande! De schande, dat ze de vrouw is van een
+slechten man.
+
+Bij die tonen heeft Gösta Berling de gravin Dohna ten dans
+gevoerd. Marianne Sinclaire en haar aanbidders dansten er op. En de
+Majoorske van Ekeby heeft er zich bij op de maat bewogen, toen de
+mooie Altring nog leefde. Zij ziet ze voorbij zweven, paar aan paar,
+jong en schoon. Een stroom van vroolijkheid ging uit van haar naar
+hen, van hen naar haar. Haar polka deed hun wangen gloeien, hun oogen
+stralen. Nu is zij van dat alles gescheiden! Laat de polka klinken,
+er zijn zooveel, ach! zóóveel herinneringen te verdooven.
+
+Ze speelt om haar angst te dempen. Haar hart krimpt ineen van angst
+als ze den zwarten hond ziet, als ze de bediende hoort fluisteren
+over de zwarte stieren. Ze speelt de polka aldoor weer van voren af
+aan om haar angst te dempen.
+
+Daar merkt ze, dat haar man is thuisgekomen. Ze hoort hoe hij de kamer
+inkomt en in den schommelstoel gaat zitten. Ze kent het krakend geluid
+van den stoel zoo goed, dat ze niet eens omkijkt.
+
+En terwijl ze speelt, hoort ze den schommelstoel krakend heen en weer
+gaan. Nu hoort ze haar eigen spelen al niet meer--alleen het kraken.
+
+Arme, oude Ulrika, gepijnigd, eenzaam, hulpeloos, als zwervend in
+een vijandelijk land, zonder een vriend om haar nood aan te klagen,
+zonder andere troost dan een rammelende oude piano, die haar antwoordt
+met een polka. Is het niet als een schaterlach op een begrafenis,
+als een drinklied in een kerk?
+
+Maar terwijl de schommelstoel maar altijd door blijft kraken, hoort ze
+plotseling een geluid alsof de piano met haar klachten spot. Ze houdt
+op, midden in een maat.... Ze staat op en kijkt naar den schommelstoel.
+
+En in 't volgend oogenblik ligt ze bewusteloos op den grond. Want
+'t was haar man niet, die daar zat; maar een ander. Hij, wiens naam
+de kindren niet mogen noemen, hij, die ze dood zou doen schrikken,
+als ze hem op den eenzamen zolder tegenkwamen.
+
+
+
+Zou hij, wiens ziel met sprookjes gevuld werd, wel ooit zich aan hun
+macht kunnen ontworstelen?
+
+Buiten huilt de nachtwind. Een ficus en een oleander slaan tegen
+'t hek van 't balkon met hun stijve bladen.
+
+De hemel welft zich duister over de lange rijen bergen en ik, die hier
+alleen zit in den nacht en schrijf bij 't lamplicht, met opgetrokken
+gordijnen; ik die nu oud ben en wijs moest zijn, ik voel dezelfde
+rilling langs mijn rug, als toen ik deze geschiedenis voor 't eerst
+hoorde, en ik moet telkens van mijn werk opzien om te kijken of zich
+iemand daar in den hoek verbergt, en ik moet naar buiten op 't balkon
+om te zien, of niet een groot zwart hoofd over 't hek kijkt. Die
+ontzetting, die de oude verhalen wekken, als de nacht donker en de
+eenzaamheid groot is, verlaat me nooit en beheerscht me eindelijk zoo
+geheel, dat ik naar bed moet gaan en de dekens over mijn hoofd trekken.
+
+Als kind was ik er altijd verbaasd over, dat Ulrika Dillner dien
+middag overleefde. Ik had het zeker niet gedaan.
+
+'t Was een geluk, dat Anna Stjärnhök kort daarna naar Fors kwam
+rijden, dat ze haar op den grond in de zaal vond liggen en haar weer
+bijbracht. Met mij zou dat zeker niet zoo gegaan zijn. Ik zou al lang
+dood geweest zijn.
+
+Ik hoop voor u allen, lieve vrienden, dat ge geen tranen in de oogen
+der ouden moogt zien. Dat ge niet radeloos zult staan bij een oude
+van dagen, die 't grijze hoofd tegen uw borst leunt om daar steun
+te vinden of de oude handen om de uwe vouwt. Dat ge geen oude lieden
+moogt zien, die gebogen gaan onder leed, dat gij niet kunt verlichten.
+
+Wat zijn de klachten der jongen! Zij hebben nog kracht en hoop. Maar
+hoe ellendig is 't niet de ouden te zien schreien, als zij, die u
+steunden in uw jonge jaren, neerzinken en machteloos jammeren.
+
+Daar zat Anna Stjärnhök naar de oude Ulrika te luisteren en zag geen
+uitkomst voor haar. De oude vrouw schreide en beefde. Haar oogen
+stonden verwilderd, ze sprak soms zoo verward, alsof ze niet meer
+wist, waar ze was. De duizend rimpels, in haar gezicht waren éens
+zoo diep als gewoonlijk. Haar krullen, die over de oogen hingen,
+waren door haar tranen uit de krul gegaan en haar geheele magere
+gestalte schokte van 't snikken.
+
+Eindelijk neemt Anna het besluit aan die ellende een eind te maken. Zij
+zal haar meê naar Berga nemen. Wel was zij de vrouw van Sintram;
+maar op Borg kon ze niet blijven. Ze zou nog krankzinnig worden, als
+ze bij dien boozen man bleef. Anna besloot de oude Ulrika mee te nemen.
+
+Ach, de oude was zoo verschrikt en zoo blij door dat besluit. Maar
+zij durfde waarlijk niet zoo haar huis en haar man te verlaten. Hij
+was in staat den grooten zwarten hond op haar af te sturen.
+
+Maar Anna Stjärnhök overwon haar tegenstand, half met scherts en half
+met dreigementen en eer er een half uur voorbij was, had ze haar bij
+zich in de slee.
+
+Anna reed zelf en 't was de oude Disa, die voor de slee liep. De weg
+was slecht, want 't was in Maart; maar 't deed de oude Ulrika goed
+weer in de oude, welbekende slee te zitten, met het oude paard er
+voor, dat al zooveel jaren een oude getrouwe op Berga geweest was,
+juist als zij zelf.
+
+Daar ze van aard opgeruimd en moedig was, de oude sloof, hield ze met
+schreien op toen ze voorbij Arvidstorp waren, bij Högbro lachte ze
+weer en toen ze voorbij Munkeby reden, was ze aan 't vertellen van
+haar jeugd, toen ze bij de gravin op Svaneholm was.
+
+Ze reden nu door de eenzame, verlaten streken ten noorden van Munkeby
+op een heuvelachtigen, steenachtigen weg. De weg sleepte zich voort
+over alle heuvels, die hij bereiken kon, kroop ze langzaam op in groote
+bochten, viel ze halsoverkop weer af en haastte zich dan rechtuit door
+'t dal om zoo gauw mogelijk weer een nieuwen heuvel te vinden om bij
+op te klauteren.
+
+Ze reden juist de Vestratorpsheuvel af toen de oude Ulrika plotseling
+zweeg, en Anna in den arm kneep. Zij staarde naar een grooten,
+zwarten hond aan den kant van den weg.
+
+"Kijk eens," fluisterde ze.
+
+De hond stoof het bosch in. Anna had hem niet goed gezien.
+
+"Rijd voort," zei de oude Ulrika, "rijd zoo hard je kunt. Nu komt
+Sintram te weten, dat ik hier ben."
+
+Anna probeerde haar angst weg te schertsen, maar ze hield vol.
+
+"Je zult zien, nu hooren we zijn bellen gauw, we hooren ze, eer we
+op den volgenden heuvel zijn."
+
+En terwijl de oude Disa op den top van den Elofsheuvel even uitblies,
+hoorde men 't geluid van bellen beneden uit het dal komen.
+
+Nu werd de arme Ulrika weer radeloos van angst. Ze jammerde en
+schreide, zooals kort geleden in de zaal op Fors. Anna wilde Disa
+aanzetten, maar die keerde alleen de kop om en keek haar verbaasd
+aan. Meende ze, dat Disa niet wist, wanneer ze draven of stapvoets
+rijden moest? Wou ze haar soms leeren, hoe ze een slee moest trekken,
+haar, die al twintig jaar lang elken steen, elke brug, elken heuvel
+en helling hier in den omtrek kende?
+
+Intusschen klonken de bellen steeds dichterbij.
+
+"Daar is hij, daar is hij. Ik ken zijn bellen wel," jammerde de
+oude Ulrika.
+
+'t Geluid kwam steeds nader. Nu en dan klonk 't zoo onnatuurlijk
+sterk, dat Anna omkeek om te zien of 't paard van Sintram de kop ook
+in haar slee stak, dan weer stierf het weg. 't Is of alleen de bellen
+hen vervolgen.
+
+'t Is als wanneer men 's nachts van een feest naar huis rijdt. Bellen
+klinken in melodieën, ze spreken, ze zingen, ze antwoorden, 't Woud
+weerklinkt van hun gerinkel. Anna verlangt er bijna naar, dat hun
+vervolgers zoo nabij komen, dat ze Sintram zelf en zijn rood paard
+zien kon. Ze huiverde van dat ontzettende bellengerinkel. Ze is niet
+bang, ze is 't nooit geweest, maar die bellen vindt ze vreeselijk,
+ze martelen haar.
+
+"Die bellen doen me pijn," zegt ze. En dadelijk vangen de bellen de
+woorden op. "Doen pijn," zingen ze; "doen pijn, pijn, pijn! doen pijn,
+pijn, pijn!" klinkt het op alle mogelijke melodieën. 't Was nog niet
+lang geleden, dat ze dezen zelfden weg reed, door wolven vervolgd. Ze
+had in 't donker hun witte tanden in de open muil zien blinken; ze
+had gedacht, dat de wilde dieren van 't woud haar zouden verscheuren;
+maar toen was ze niet bang geweest. En heerlijker nacht had ze nooit
+beleefd. Schoon en sterk was 't paard geweest, dat hen voorttrok,
+schoon en heerlijk de man, die de vreugde van 't avontuur met haar
+deelde.
+
+Maar ach! dit oude paard, deze oude bevende reisgenoot. Ze voelt zich
+zóó machteloos, dat ze wel had willen schreien. Ze kan niet weg komen
+van die verschrikkelijke bellen, die haar nog krankzinnig zullen maken.
+
+Ze houdt stil en stapt uit de slee. Dit moet uit zijn! Waarom zal ze
+vluchten, alsof ze bang was voor dien verachtelijken ellendeling.
+
+Eindelijk ziet ze een paardenkop uit de steeds toenemende schemering te
+voorschijn komen, dan een paard en ten slotte een slee en daarin zit
+Sintram. Maar ze let er niet op, dat ze niet over den weg komen. 't
+Leek wel of ze voor haar oogen ontstonden, en uit het duister te
+voorschijn komen, naarmate ze klaar gekomen zijn.
+
+Anna werpt de teugels aan Ulrika toe en gaat Sintram te gemoet. Hij
+houdt zijn paard in.
+
+"Zie eens, wat treft dat mooi," zegt hij. "Lieve juffrouw Stjärnhök,
+laat mij mijn reisgenoot naar uw slee overbrengen. Hij moet naar
+Berga van avond, en ik moet gauw naar huis."
+
+"Waar is uw reisgenoot?"
+
+Sintram maakt het zeil van de slee los en laat Anna een man zien, die
+slapend onder in de slee ligt. "Hij is een beetje dronken," zegt hij;
+"maar wat zou dat? Hij blijft wel slapen. En 't is ook een goede
+kennis van u, juffrouw Stjärnhök. 't Is Gösta Berling."
+
+Anna rilt.
+
+"Want dit moet ik u zeggen," gaat Sintram voort, "wie zijn geliefde
+verlaat, verkoopt hem aan den duivel. Op die manier ben ik ook in zijn
+klauwen gekomen. Men meent natuurlijk goed te doen. Zelfverloochening
+is goed en liefhebben is uit den booze."
+
+"Wat meent u, mijnheer Sintram? waar spreekt u over?" vraagt Anna
+diep geschokt.
+
+"Ik meen, dat u Gösta niet van u hadt moeten laten heengaan."
+
+"Dat was Gods wil."
+
+"Ja, natuurlijk. Zelfverloochening is goed en liefde uit den
+booze. De goede God wil de menschen niet gelukkig zien. Hij zendt
+hen zijn wolven achterna. Maar stel nu eens, dat het God niet was,
+die 't deed, juffrouw Anna! Kon ik 't niet even goed geweest zijn,
+die mijn grauwe lammetjes van Dovrefjeld haalde en ze den jongen
+man en 't jonge meisje achterna zond? Als ik 't nu eens was, die de
+wolven gestuurd had, omdat ik iemand, die mij behoorde, niet missen
+wilde? Als God het nu eens niet gedaan had!"
+
+"Mijnheer Sintram," zegt Anna met zwakke stem, "u moet me daar niet
+aan doen twijfelen, want dan ben ik verloren."
+
+"Zie nu eens hier," zegt Sintram en buigt zich over den slapenden
+Gösta, "zie eens naar zijn pink. Dat wondje geneest nooit. Daar namen
+wij bloed uit, waarmeê we 't contract onderteekenden. Hij behoort
+mij. Er is groote kracht in bloed. Hij behoort mij. Alleen liefde
+kan hem redden; maar als ik hem maar behouden mag, zal ik wel wat
+van hem maken."
+
+Anna Stjärnhök verweert zich krachtig tegen de betoovering, die over
+haar komt. 't Is immers onzin, pure onzin! Niemand kan zijn ziel
+aan den Booze verkoopen. Maar ze heeft geen macht over haar eigen
+gedachten. De schemering ligt zwaar op haar. 't Bosch staat daar zoo
+donker en zwijgend. Ze kan zich niet los maken uit de verschrikkelijke
+macht van dit oogenblik.
+
+"Meent u misschien, juffrouw Stjärnhök," gaat de grondeigenaar voort,
+"dat er niet zoo veel meer aan hem te bederven valt? Geloof dat
+niet. Heeft hij de boeren verdrukt? Is hij arme vrienden ontrouw
+geworden? Heeft hij ooit valsch gespeeld? Is hij ooit de minnaar van
+een getrouwde vrouw geweest? Juffrouw Anna?"
+
+"Ik geloof dat u de duivel zelf zijt, mijnheer Sintram."
+
+"Laat ons ruilen, juffrouw Anna. Neem Gösta Berling en word zijn
+vrouw. Behoud hem en geef geld aan de familie op Berga. Ik sta hem u
+af. U weet, dat hij mij toebehoort. Denk maar, dat het niet God was,
+die de wolven uitzond dien nacht en ruil met mij?"
+
+"Wat wilt u in ruil hebben?"
+
+Sintram grijnsde.
+
+"Wat ik hebben wil? O, ik ben met weinig tevreden. Ik wil maar dat
+oudje hebben, dat daar in uw slee zit, juffrouw Anna."
+
+"Satan, verzoeker!" roept Anna uit, "ga weg van mij. Zal ik een oude
+vriendin, die op mij vertrouwt, ontrouw worden? Zal ik haar in uw
+macht geven, opdat ge haar plagen kunt tot ze krankzinnig is?"
+
+"Stil, stil, wees kalm, juffrouw Anna. Denk er eens over. Hier is
+een mooie jonge man en daar een versleten oude sloof. Een van hen
+moet ik hebben. Wie wilt u me geven?"
+
+Anna lachte; een wanhopig, vertwijfeld lachen, "zullen we hier zielen
+staan ruilen, mijnheer Sintram, zooals men paarden verruilt op de
+markt van Broby?"
+
+"Ja juist.--Maar als juffrouw Anna wil, kunnen we 't ook van een
+ander standpunt bezien. Uit dat van de eer der familie Stjärnhök."
+
+En hij roept met luider stem zijn vrouw, die in Anna's slee zit,
+en tot onuitsprekelijken schrik van 't jonge meisje, gehoorzaamt ze
+oogenblikkelijk, stapt uit de slee en komt bevend en rillend naar
+hem toe.
+
+"Zie zoo, dat is nu eens een gehoorzame vrouw," zegt Sintram, "juffrouw
+Anna kan 't niet helpen, dat ze komt, als haar man roept. Nu neem ik
+Gösta uit mijn slee en leg hem hier neer. Ik verlaat hem voor altijd
+juffrouw Anna. Nu kan, wie wil, hem meênemen."
+
+Hij buigt zich neer om Gösta op te tillen. Maar daar komt Anna vlak bij
+hem, ziet hem doorborend aan en sist als een gemarteld dier: "In Gods
+naam, man, rijd naar huis. Weet je niet wie er in den schommelstoel
+op de zaal zit en op je wacht? Durf je hem te laten wachten?"
+
+'t Is voor Anna nog 't vreeslijkste van alles te zien, hoe die woorden
+op den boozen man werken. Hij rukt aan de teugels, wendt zijn slee
+en rijdt naar huis, terwijl hij 't paard aanzet met zweepslagen en
+woest geschreeuw. De steile helling af met levensgevaar, terwijl
+een lange streep vonken onder de wielen en de paardehoeven uitspat,
+in de lichte Maartsche sneeuw.
+
+Anna Stjärnhök en Ulrika Dillner staan alleen op den weg; maar ze
+spreken geen woord. Ulrika rilt voor Anna's blik, en Anna heeft de arme
+stumper, voor wie ze haar geliefde geofferd heeft, niets te zeggen.
+
+Zij had kunnen schreien en tieren, zich op den grond kunnen werpen,
+sneeuw en zand op haar hoofd strooien. Vroeger had ze 't lieflijke
+der zelfverloochening gevoeld, nu smaakte ze er al de bitterheid
+van. Wat was het offer van haar liefde tegenover het offer van den
+geliefde zelf?--
+
+Zij reden zwijgend naar Berga, maar toen ze daar aankwamen en de
+deur van de kamer openging, viel Anna Stjärnhök flauw,--voor 't eerst
+en voor 't laatst van haar leven. Want daar binnen zaten Sintram en
+Gösta rustig te praten. 't Blaadje met toddy stond al voor hen. Ze
+waren er al minstens een uur.
+
+Anna Stjärnhök viel flauw, maar de oude Ulrika bleef rustig staan. Zij
+had wel gemerkt, dat 't niet in den haak was met hem daar op den weg.
+
+Later kwamen de kapitein en zijn vrouw met den grondeigenaar overeen,
+dat de oude Ulrika op Berga zou blijven.
+
+Hij wilde haar werkelijk niet krankzinnig maken, zei hij.
+
+
+
+Gij kindren van dezen tijd. Ik verlang immers niet, dat iemand deze
+oude verhalen gelooven zal. 't Zijn immers louter verzinsels en
+leugens! Maar 't berouw, dat de harten heen en weer slingert tot ze
+jammeren als de planken van Sintrams zaal onder den schommelstoel, en
+de twijfel, die voor onze ooren zingt als de bellen voor Anna Stjärnhök
+in 't eenzame woud.... wanneer worden zij tot verzinsels en leugens?
+
+Ach, konden ze dat maar worden!
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+DE GESCHIEDENIS VAN EBBA DOHNA.
+
+
+Wacht u voor de fraaie landtong op den oostelijken oever van 't
+Löfvenmeer, door de baai van weerskanten met vriendelijke golfjes
+omsloten, voor de trotsche landtong, waar Borg ligt.--O wacht u wel
+die te betreden!
+
+Nooit zag men 't Löfvenmeer mooier dan van hier uit. Niemand weet,
+hoe schoon het meer van mijn droomen is, eer hij van de landtong
+van Borg uit, de morgennevelen heeft zien wegglijden van zijn gladde
+oppervlakte, eer hij van uit het venster van het blauwe kabinet, waar
+zooveel herinneringen wonen, een bleek rooden zonsondergang zich heeft
+zien spiegelen in het meer. Maar toch--ik zeg u: ga daar niet heen.
+
+Want misschien voelt ge den wensch in u opkomen, om in dien ouden
+burcht te blijven en te wonen in die zalen vol rouw; misschien zult
+ge eigenaar van dit prachtig plekje worden en er u met een jonge
+vrouw vestigen.
+
+Neen--'t is beter de mooie landtong van Borg niet te zien; want op
+Borg kan geen geluk wonen. Dit moet ge weten, hoe rijk, hoe gelukkig
+ge ook zijt, gij die dit huis betrekt!--Op deze vloeren, met tranen
+gedrenkt, zullen spoedig ook uw tranen vloeien, en deze wanden,
+die allen klachten weerkaatsen, zullen ook uw zuchten hooren.
+
+Er drukt een noodlot op dit schoone landgoed. Het is, alsof het ongeluk
+daar begraven is, maar in zijn graf geen rust kan vinden. Telkens
+verrijst het weer tot schrik voor de levenden. Als ik Heer van Borg
+was, dan zou ik de aarde doorzoeken, den steengrond in 't dennenbosch,
+en de keldervloer in 't huis en de teelaarde op 't veld, tot ik 't
+door de wormen verteerde lijk van de heks vond en ik zou haar een
+gewijd graf geven op 't kerkhof te Svartsjö. En bij de begrafenis
+zou ik niet zien op wat meer geld voor den klokkenluider; maar de
+kerkklokken zouden lang en luid weerklinken en ik zou rijke giften
+zenden aan den predikant en den koster, opdat ze met dubbele kracht
+haar zouden inwijden in de eeuwige rust met lijkrede en gezang.
+
+En als dat niet hielp, dan zou ik in een stormachtigen nacht vuur
+leggen aan de oude houten muren en de vlammen alles laten verwoesten,
+zoodat geen menschen meer zouden verlokt worden om te gaan wonen in
+dit onzalige huis. Niemand zou die vervloekte plaats meer betreden,
+en alleen de zwarte kraaien in den kerktoren zouden een kolonie mogen
+stichten in den grooten schoorsteen, die vol roet, akelig afstak over
+de zwart verbrande massa.
+
+Maar ik zou mij zeker wonderlijk beklemd voelen, als ik de vlammen
+boven 't dak zag uitslaan, als dikke rookwolken, rood van den vuurgloed
+en vol vonken, heenrolden over 't oude goed. In 't knetteren en sissen
+van 't vuur zou ik meenen de klachten der daklooze herinneringen te
+hooren, en op de blauwe punten der vlammen zou ik meenen de verjaagde
+geesten te zien zweven. Ik zou er aan denken, hoe de smart schoon
+maakt, hoe het ongeluk glans verleent en ik zou schreien, alsof een
+tempel voor oude goden opgericht tot ondergang gedoemd was.
+
+Maar zwijg toch, gij raaf, die door uw krassen ondergang
+voorspelt. Wacht tot de nacht gekomen is, als ge met de uilen in 't
+woud om 't hardst wilt huilen. Nog ligt Borg stralend in de zon op
+de landtong door zijn parken van geweldige dennen beschut, en de met
+sneeuw bedekte velden beneden schitteren in den heldren Maartschen
+zonneschijn. Nog wordt binnen de muren 't vroolijke lachen van gravin
+Elisabeth gehoord.
+
+'s Zondags gaat ze naar de kerk van Svartsjö, die dicht bij Borg ligt,
+en noodigt daarna gasten om meê bij haar aan huis te gaan eten. De
+rechter van Munkerud pleegt te komen en de kapitein van Berga en de
+kapelaan en de booze Sintram. En als Gösta Berling over 't ijs naar
+Svartsjö gekomen is, noodigt ze hem ook. Waarom zou ze Gösta Berling
+niet noodigen?
+
+Ze weet immers niet, dat de laster er over begint te fluisteren,
+dat Gösta Berling zoo dikwijls naar den overkant gaat om de gravin te
+ontmoeten. Misschien komt hij ook wel om met Sintram te spelen en te
+drinken; maar daar wordt niet over gesproken. Ieder weet, dat zijn
+lichaam van ijzer is, maar met zijn hart is 't wat anders. Niemand
+gelooft, dat hij een paar stralende oogen kan zien en licht haar,
+dat krult om een blank voorhoofd, zonder verliefd te worden.
+
+De jonge gravin is vriendelijk voor hem. Daar is niets bijzonders
+in; ze is vriendelijk voor iedereen. Ze neemt in lompen gekleede
+bedelaarskinderen op schoot en als ze op den weg een armen stumper
+voorbijrijdt, laat ze den koetsier ophouden en neemt den armen
+voetganger in haar sleê op.
+
+Gösta zit graag in 't blauwe kabinet, waar men het prachtige uitzicht
+naar 't noorden heeft over 't meer en leest haar verzen voor. Daar
+kan toch geen kwaad in zijn. Hij vergeet niet, dat zij gravin en hij
+maar een zwervend avonturier is en 't is goed voor hem om te gaan met
+iemand, die hooger staat dan hij en heilig voor hem is. Hij kon 't even
+goed in 't hoofd krijgen, verliefd te worden op de koningin van Saba,
+wier portret in de kerk te Svartsjö hangt, dan op de jonge gravin.
+
+Hij wenscht niet anders dan haar te mogen dienen, zooals een page
+zijn meester dient. Hij hoopt haar schaatsen aan te mogen binden,
+garen voor haar op te houden en haar slee te besturen. Er kan geen
+sprake van liefde zijn tusschen die twee; maar hij is juist de man
+om zich gelukkig te voelen in romantisch, onschuldig gedweep.
+
+De jonge graaf is rustig en kalm en Gösta tintelt van vroolijkheid. Een
+gezelschap als 't zijne is juist wat de jonge gravin wenscht. Niemand
+die haar ziet kan denken, dat ze aan een ongeoorloofde liefde lijdt. Ze
+denkt aan dans en vroolijkheid. Ze zou 't liefst hebben, dat de aarde
+overal glad was zonder steenen, rotsen of meren, zoodat ze de wereld
+door kon dansen. Op kleine, dunne schoentjes zou ze van de wieg tot
+'t graf willen dansen.
+
+Maar de praatjes sparen de jonge vrouwen niet.
+
+Als deze gasten naar Borg komen en daar eten, gaan de heeren na tafel
+gewoonlijk naar de kamer van den graaf, om te slapen of te rooken. En
+de oude dames zinken neer in de leuningstoelen in de zaal en leunen
+hun eerwaardige hoofden tegen de hooge leuningen, maar de gravin en
+Anna Stjärnhök gaan naar het blauwe kabinet en doen elkaar eindelooze
+vertrouwelijke mededeelingen.
+
+Daar zitten ze ook den zondag, nadat Anna Stjärnhök de oude Ulrika
+Dillner naar Borg terug heeft gehaald.
+
+Niemand op de wereld is zoo ongelukkig als 't jonge meisje. Al haar
+vroolijkheid is weg. Met haar fierheid, waarmee ze ieder die haar te
+na komt, op een afstand hield, is 't gedaan.
+
+Alles wat er op dien rit van Fors naar Berga gebeurde ligt voor haar
+bewustheid weer in 't halfdonker, waaruit het te voorschijn werd
+getooverd. Geen enkle heldre indruk bleef er van over.
+
+Ja toch! Eén:
+
+"Als God het nu eens niet was, die 't gedaan had!" fluistert ze telkens
+weer op nieuw. "Als nu de wolven eens niet door God gezonden waren."
+
+Ze begeert teekenen, ze vraagt wonderen! Ze bespiedt hemel en
+aarde. Maar ze ziet niets. Geen vinger uit de wolken wijst haar den
+weg. Geen rookwolk of vuurzuil zweeft voor haar uit.
+
+Zooals ze nu vlak tegenover de gravin zit in 't kleine blauwe kabinet,
+valt haar oog op een bouquetje blauwe anemonen, die de gravin in de
+hand heeft. En als een bliksemstraal treft het haar, dat ze weet waar
+die anemonen gegroeid zijn, dat ze weet wie ze geplukt heeft.
+
+Ze behoeft het niet te vragen. Waar toch groeien hier in den omtrek
+blauwe anemonen al in 't begin van April, behalve in 't berkenboschje
+op Ekeby.
+
+En ze zit op die blauwe sterretjes te staren, die gelukkige bloemen,
+die alle menschen liefhebben, die kleine profeten, die zelf schoon,
+ook nog door den glans bestraald worden van de schoonheid die ze
+aankondigen, die zeker komen zal. En terwijl ze naar hen zit te staren,
+hoopt zich de toorn op in haar ziel als een donderbui.
+
+"Met welk recht," denkt ze, "draagt gravin Dohna die bouquet blauwe
+anemonen, die op den heuvel aan 't strand bij Ekeby zijn geplukt?"
+
+Ze waren allemaal verleiders: Sintram, de gravin, alle menschen wilden
+Gösta Berling tot kwaad verleiden; maar zij zou hem verdedigen,
+verdedigen tegen hen allen. Ze zou 't doen al moest het ook haar
+hartebloed kosten.
+
+Ze voelt, dat ze de bloemen uit de hand van de gravin moet gerukt
+zien en op den grond geworpen, vertrapt, verbrijzeld--eer ze dat
+kleine kabinet verlaat.
+
+Dat voelt ze en de strijd tegen de kleine blauwe sterretjes
+begint. Binnen in de zaal leunen de oude dames met hun eerwaardige
+hoofden tegen de stoelruggen en vermoeden niets. De heeren rooken
+op hun gemak hun pijpen in de kamer van den graaf. Maar in 't kleine
+kabinet wordt een wanhopende strijd gestreden.
+
+Ach, hoe wijs zijn zij, die de handen van 't zwaard afhouden, die
+kunnen zwijgen en wachten, hun harten tot rust brengen en God laten
+zorgen. Altijd dwaalt het onrustige hart. Altijd maakt kwaad het
+kwaad erger.
+
+Maar Anna Stjärnhök meent, dat ze nu eindelijk een vinger in de wolken
+ziet, die haar den weg wijst.
+
+"Anna," zegt de gravin, "vertel eens een verhaaltje."
+
+"Waarvan?"
+
+"Och," zegt de gravin en liefkoost de bloemen met haar witte
+hand. "Weet je geen liefdesgeschiedenis?"
+
+"Neen, van liefde weet ik niets."
+
+"Wat een praatje! Is er niet een landgoed dat Ekeby heet, en is dat
+niet vol kavaliers?"
+
+"Ja!" zegt Anna, "daar is een plaats, die Ekeby heet en daar zijn
+mannen, die 't land uitzuigen, die ons ongeschikt maken voor ernstig
+werk, die het opkomende geslacht bederven en onze beste vrienden doen
+dwalen. Wil je iets van hen hooren? Zal ik je een liefdesgeschiedenis
+van een van hen vertellen?"
+
+En dan begint Anna Stjärnhök te vertellen. Ze spreekt in korte strofen,
+bijna als die van een oud psalmboek, want ze wordt bijna verstikt
+door den storm in haar hart. Stille hartstocht trilt in haar woorden,
+en de gravin moet naar haar luisteren in angstige spanning.
+
+"Wat is liefde, wat is trouw voor een kavalier? Een liefje hier en
+daar, vandaag en morgen in 't Oosten of 't Westen. Niets is hem te
+hoog of te laag. Vandaag een gravin, morgen een bedelaarster. Niets
+in de wereld is zoo ruim als zijn hart. Maar wee de arme, die een
+kavalier liefheeft. Zij moet hem zoeken als hij dronken aan den weg
+ligt. Ze moet zwijgend toezien als hij het tehuis van haar kinderen
+verspeelt. Ze moet het verdragen, dat hij vreemde vrouwen zoekt. Ach,
+Elisabeth, als een kavalier een fatsoenlijke vrouw een dans vraagt,
+moest ze dien weigeren, als hij haar bloemen aanbiedt, moest zij ze op
+den grond gooien en vertrappen, als ze hem liefheeft moest ze liever
+sterven dan zijn vrouw worden.
+
+Er was een onder de kavaliers, die een afgezet predikant was. Hij
+had zijn ambt verloren door dat hij dronk. Hij was dronken in de
+kerk. Hij dronk den avondmaalswijn op. Heb je ooit van hem gehoord?"
+
+"Neen, nooit."
+
+"Zoodra hij afgezet was, zwierf hij rond als bedelaar. Hij dronk als
+een krankzinnige. Hij was in staat te stelen om brandewijn te krijgen."
+
+"Hoe heet hij?"
+
+"Hij is niet meer op Ekeby. De Majoorske ontfermde zich over hem,
+gaf hem kleeren en haalde je stiefmoeder, gravin Dohna, over hem tot
+huisonderwijzer voor je man te nemen, voor Henrik Dohna."
+
+"Een afgezet predikant?"
+
+"Och, hij was jong en krachtig en had veel kennis. Er was niets op
+hem aan te merken, als hij maar niet dronk. Gravin Märta nam het zoo
+nauw niet. Ze had er pleizier in den dominé en den kapelaan te plagen.
+
+Maar ze beval toch, dat niemand over zijn vroeger leven met haar
+kinderen spreken zou, want dan zou haar zoon geen respekt meer voor
+hem hebben en haar dochter hem niet in haar nabijheid dulden; want
+zij was een heilige.
+
+Zoo kwam hij naar Borg, hij bleef aan de deur staan; hij zat op de
+kant van zijn stoel; hij zweeg aan tafel, en vluchtte naar buiten in
+'t park als er gasten kwamen.
+
+Maar daar buiten op de eenzame paden ontmoette hij dikwijls de
+jonge Ebba Dohna. Zij hield niet van de feesten vol gedruisch, die
+in de zalen op Borg gevierd werden sinds de Gravin weduwe was. Ze
+was zoo zacht, zoo schuchter. Zelfs toen zij zeventien jaar was,
+was ze nog als een kind; maar prachtig was ze met haar bruine oogen,
+en den teeren, fijnen blos op de wangen. Haar slank lichaam was iets
+gebogen. Haar smalle hand gleed in de uwe met een zachten druk. Haar
+kleine mond sprak weinig en er lag een ernstige trek om. En haar stem,
+haar zachte stem, die de woorden zoo langzaam en welluidend sprak,
+maar nooit jong en frisch en warm was, maar mat klonk en wegstierf als
+'t slotakkoord van een vermoeid kunstenaar!
+
+Ze was niet als de anderen. Haar voetstap was zoo licht, alsof ze
+vluchtte over de aarde. De oogen hield ze meestal neergeslagen,
+alsof ze niet gestoord wilde worden in de heerlijke visioenen in
+haar ziel. Haar ziel had zich reeds van de wereld afgewend toen ze
+nog een kind was.
+
+Toen ze klein was placht haar grootmoeder haar sprookjes te
+vertellen. Op een avond zaten zij samen bij het vuur. De sprookjes
+waren afgehandeld; de helden en heldinnen daaruit waren aan hun
+oogen voorbijgegaan in glans en heerlijkheid. Maar 't handje van 't
+kind lag nog steeds op de knie van de oude vrouw en ze streek over
+den zijden rok, die aardige zij, die kraakte en soms piepte als een
+vogeltje. In die beweging lag een verzoek. Want ze hoorde tot die
+kindren, die nooit in woorden om iets vragen.
+
+Toen begon de oude zacht te vertellen van een kindje in 't Jodenland,
+een klein kindje, dat geboren werd om koning te worden. De engelen
+hadden de lucht met lofzangen vervuld bij zijn geboorte, en oude mannen
+en vrouwen hadden zijn heerlijkheid voorspeld. Dat kind groeide op tot
+grooter schoonheid en wijsheid dan eenig ander kind. Toen het twaalf
+jaar was, was hij al wijzer dan de opperpriester en schriftgeleerden.
+
+Toen vertelde de oude van 't schoonste op aarde; van 't leven van
+dat kind, terwijl 't onder de menschen verkeerde, die booze menschen,
+die 't niet als hun koning wilden erkennen.
+
+Zij vertelde hoe 't kind opgroeide tot een man door wonderen omgeven
+en bestraald. Alles op aarde diende hem en had hem lief, behalve de
+menschen. De visschen lieten zich vangen in zijn netten, 't brood
+vulde zijn korven, 't water veranderde in wijn, op zijn wensch.
+
+Maar de menschen zetten den grooten koning niet op een troon en boden
+hem geen gouden kroon aan. Hij had geen hofstoet om zich heen. Zij
+lieten hem omzwerven als een bedelaar.
+
+En toch was de groote koning zoo goed voor hen. Hij genas hun zieken,
+gaf de blinden 't gezicht terug en wekte de dooden op.
+
+"Maar," zeide de oude, "de menschen wilden den goeden koning niet
+als hun heer erkennen. Zij zonden krijgslieden uit om hem te vangen,
+ze gaven hem spottend een kroon en scepter en een langen mantel
+en lieten hem naar de rechtsplaats gaan met een zwaar kruis op den
+rug.--O kindje, die goede koning had de hooge bergen zoo lief. Hij
+beklom ze vaak 's nachts om met de hemelbewoners te spreken en overdag
+zat hij graag tegen de berghellingen om voor de luisterende menschen te
+spreken. Maar nu voerden zij hem naar een berg om hem te kruisigen. Zij
+sloegen nagels door zijn handen en voeten en hingen den goeden koning
+aan het kruis alsof hij een roover--een misdadiger was.
+
+En 't volk bespotte hem. Alleen zijn moeder en zijn vrienden schreiden,
+omdat hij sterven moest, eer hij als koning erkend was.
+
+Ach, hoe treurde alles om zijn dood.
+
+De zon verloor haar glans, de bergen beefden, 't voorhangsel van den
+tempel scheurde en de graven openden zich, opdat de dooden mochten
+uitgaan en hun rouw toonen."
+
+Toen lag de kleine met 't hoofd op grootmoeders schoot en schreide,
+alsof haar hart zou breken.
+
+"Schrei niet, kindje, de goede koning is opgestaan uit zijn graf en
+opgevaren naar zijn Vader in den Hemel."
+
+"Maar grootmoeder," snikte 't kind, "heeft hij nooit een rijk gehad?"
+
+"Hij zit aan Gods rechterhand in den Hemel."
+
+Maar dat troostte haar niet. Ze schreide zoo wanhopend en aanhoudend
+als alleen een kind schreien kan.
+
+"O, waarom waren ze zoo slecht tegen hem? Hoe konden ze zoo slecht
+tegen hem zijn!"
+
+De oude vrouw werd ongerust over die overweldigende smart.
+
+"Grootmoeder, grootmoeder, o, u hebt 't zeker niet goed verteld,
+nietwaar? Zóó eindigt 't verhaal toch niet. Zóó slecht waren ze
+toch niet voor den goeden koning. Hij kreeg toch wel een rijk hier
+op aarde!"
+
+Ze sloeg de armen om den hals der oude vrouw en smeekte en schreide
+maar al voort.
+
+"Kindje, kindje," zei toen de grootmoeder om haar te troosten,
+"de menschen zeggen, dat hij weerom zal komen. Dan zal hij de aarde
+aan zich onderwerpen en die regeeren en dan wordt deze schoone aarde
+zijn heerlijk rijk. Dat zal duizend jaar bestaan. Dan worden de wilde
+dieren tam, kindertjes zullen met de slangen spelen, beren en koeien
+zullen tam grazen. De menschen zullen elkaar geen kwaad meer doen;
+de spiesen zullen tot zeisen en de zwaarden tot ploegijzers worden
+omgesmeed. En alles zal vreugde en heerlijkheid zijn en de goeden
+zullen de aarde beërven.
+
+Toen klaarde 't gezichtje van 't kind op onder haar tranen.
+
+"Krijgt de goede koning dan een troon, grootmoeder?"
+
+"Een gouden troon!"
+
+"En een hofstoet en een gouden kroon?"
+
+"Ja, die krijgt hij."
+
+"Komt hij gauw, grootmoeder?"
+
+"Niemand weet, wanneer hij komt."
+
+"En mag ik dan op een bankje aan zijn voeten zitten?"
+
+"Ja, dat mag je!"
+
+"O, grootmoeder, hoe heerlijk!" zegt de kleine.
+
+--Avond aan avond, vele winters lang zaten die twee bij 't vuur en
+spraken over den goeden koning en zijn rijk. De kleine droomde van 't
+duizendjarig rijk bij dag en bij nacht. Ze werd nooit moe het in haar
+fantaisie te versieren met al de schoonheid, die ze maar uitdenken kon.
+
+Zoo gaat het met zoovelen van die zwijgende kinderen om ons
+heen. Ze verbergen in hun ziel een droom, waarover ze niet durven
+spreken. Wonderlijke gedachten roeren zich onder het zijde-achtige
+haar, de zachte bruine oogen zien wonderlijke visioenen onder de
+neergeslagen oogleden. Meer dan één maagd heeft haar bruidegom in
+den hemel, meer dan één vrouw wenscht vurig de voeten van den goeden
+koning te mogen zalven en ze met heur haar af te drogen.
+
+Ebba Dohna waagde niet er met iemand over te spreken, maar sinds
+dien avond leefde ze alleen voor den terugkomst van den Heer en zijn
+duizendjarig rijk.
+
+Als 's avonds de purperen wolken in 't westen zich schaarden om de
+dalende zon dacht zij er aan, of hij nu niet te voorschijn zou treden
+in al zijn heerlijkheid, door een heerschare van engelen gevolgd,
+haar voorbij zweven en haar vergunnen den zoom van zijn kleed aan te
+raken. Ze dacht ook gaarne aan de vrome vrouwen, die hem zeker even
+liefgehad hadden als zij,--die den nonnensluier hadden omgeslagen, en
+de oogen niet meer van de aarde ophieven, maar zich hadden opgesloten
+in de rust van 't klooster, in de duistere kleine cellen, om daar
+ongestoord de stralende visioenen te zien, die nederdalen in den
+nacht der ziel.
+
+Zoo was ze opgegroeid, zoo was ze toen de nieuwe huisonderwijzer en
+zij elkaar in de eenzame paden in het park ontmoetten.
+
+Ik wil niet meer kwaad van hem zeggen dan noodig is. Ik wil graag
+gelooven, dat hij dit kind liefhad, dat hem spoedig tot gezel op de
+eenzame paden koos. Ik geloof, dat zijn ziel haar vleugelen weer
+voelde groeien, als hij naast dat stille kind ging, dat nooit een
+ander haar vertrouwen geschonken had; ik geloof dat hij zich zelf
+een kind voelde wórden; een goed vroom kind.
+
+Maar als hij haar werkelijk liefhad, waarom dacht hij er dan niet
+aan, dat niets voor haar minder waard kon zijn dan zijn liefde! Hij,
+een door de wereld verworpene, wat wilde hij, waar dacht hij aan,
+als hij aan de zijde der gravendochter ging? Waar dacht de afgezette
+predikant aan, als ze hem haar vrome droomen toevertrouwde. Hij, die
+een dronkaard en een vechtersbaas geweest was en die 't weer worden
+zou, als de omstandigheden er toe leidden, wat wilde hij van haar,
+die droomde van een bruidegom in den hemel? Waarom vluchtte hij niet
+ver weg? Was 't niet beter voor hem geweest 't land door te zwerven
+als een bedelaar en een dief, dan daar in de stille lanen te loopen
+en weer vroom en goed te worden, na 't leven, dat hij geleid had
+en dat toch niet overgeleefd kon worden, nu 't onvermijdelijk was,
+dat Ebba Dohna hem lief moest hebben?
+
+Meen niet, dat hij er als een dronkaard uitzag, met bleeke wangen
+en roode oogen. Hij was nog een statig man, schoon en krachtig,
+een vorstelijk figuur met een ijzeren lichaam, dat het wildste leven
+kon verdragen.
+
+"Leeft hij nog?" vraagt de gravin.
+
+"Ach neen, hij is nu zeker dood. Dit is al zoo lang geleden."
+
+Anna Stjärnhök begint bang te worden voor wat ze doet. En ze neemt zich
+voor de gravin nooit te zeggen, wie de man is, waar ze over spreekt;
+maar haar te laten denken, dat hij nu dood is.
+
+"Toen was hij nog jong," vertelt ze verder, "de levensvreugde vlamde
+weer op in zijn ziel. Hij bezat de gave van 't woord en een vurig hart,
+licht tot geestdrift bewogen.
+
+En er kwam een avondure, dat hij tot Ebba Dohna van liefde sprak. Ze
+antwoordde niet. Ze zei hem alleen, wat haar grootmoeder haar 's
+wintersavonds verteld had en beschreef het land van haar droomen voor
+hem. En ze nam hem een gelofte af. Ze liet hem zweren, dat hij een
+verkondiger van het woord zou worden, een van hen, die den weg des
+Heeren bereiden, die zijn komst verhaasten.
+
+Wat moest hij doen? Hij was een afgezette predikant, en geen weg
+was zoo volkomen afgesloten, dan juist dien eenen dien ze verlangde,
+dat hij zou betreden. Hij beloofde al wat ze wilde.
+
+Meer was tusschen hen niet noodig, het was uitgemaakt, dat zij eenmaal
+zijn vrouw zou worden. Ze wisselden geen kussen en liefkozingen. Hij
+waagde nauwelijks haar te naderen. Ze was fijngevoelig als de teerste
+bloem. Maar nu en dan sloeg ze haar bruine oogen op en zocht de
+zijnen. Als ze 's avonds in den maneschijn op de veranda zaten,
+leunde ze tegen hem aan en hij kuste heur haar zonder dat ze 't merkte.
+
+Je ziet wel wat zijn zonde was: hij vergat 't verleden en de
+toekomst. Dat hij arm en gering was, mocht hij wel vergeten, maar
+hij had er aan moeten denken, dat de dag komen zou, dat in haar hart
+de eene liefde tegen de andere zou opstaan, dat ze zou moeten kiezen
+tusschen hemel en aarde, tusschen hem en den glorierijken heerscher in
+'t duizendjarige rijk en dat zij dien strijd niet zou kunnen dragen.
+
+Zoo ging een zomer, een najaar, een winter voorbij. Toen 't voorjaar
+kwam en 't ijs smolt werd Ebba Dohna ziek. 't IJs kruide in de
+dalen, er lag ijs op de heuvels, de meren waren gevaarlijk, de wegen
+onmogelijk te begaan of te berijden.
+
+Gravin Dohna wilde den dokter uit Karlstad laten halen. Er was geen
+andere dichter bij. Maar haar bevelen klonken vergeefs. Ze kon met
+smeeken noch dreigen haar bedienden bewegen de reis te ondernemen. Ze
+wierp zich voor den koetsier op de knieën maar hij zei "neen!" Ze
+kreeg toevallen van smart en angst over haar dochter--want gravin
+Märta is woest in vreugde en in verdriet.
+
+Ebba Dohna had longontsteking en haar leven was in gevaar. Maar er
+kon geen dokter gehaald worden.
+
+Toen reed de huisonderwijzer naar Karlstad. Dien rit te wagen, op zulke
+wegen was zijn leven op 't spel zetten; maar hij deed het. Over golvend
+ijs, over gladde heuvels ging het. Nu en dan moest hij trappen in 't
+ijs houwen voor 't paard, dan weer het uit de natte klei trekken. Men
+zegt, dat de dokter weigerde meê te gaan, maar dat hij er hem met
+een pistool in de hand toe dwong.
+
+Toen hij weerkwam, wierp de gravin zich bijna aan zijn voeten. "Neem
+alles!...." riep ze, "vraag wat ge wilt, zeg wat ge verlangt, mijn
+dochter, mijn hoeve, mijn geld"....
+
+"Uw dochter," antwoordde hij.
+
+Nu zwijgt Anna Stjärnhök plotseling.
+
+"En toen....? en toen?" vraagt gravin Elisabeth.
+
+"Nu is 't genoeg," antwoordt Anna, want ze is een van die ongelukkige
+menschen, die altijd twijfelen met angst en beven. Dat heeft ze nu
+al een heele week gedaan. Wat haar 't éene oogenblik goed toeschijnt,
+komt haar 't andere oogenblik verkeerd voor. Nu wilde ze, dat ze dit
+verhaal nooit begonnen had.
+
+"Ik geloof dat je me voor den gek wilt houden, Anna. Begrijp je niet,
+dat ik 't eind van deze geschiedenis weten moet?"
+
+"Er is niet veel meer te vertellen. Het uur van strijd was voor de
+jonge Ebba Dohna geslagen. Liefde stond op tegen liefde in haar hart,
+de aarde tegen den hemel.
+
+Gravin Märta vertelde haar van de levensgevaarlijke reis, die de
+jonge man om harentwil gedaan had, en zij zeide haar, dat ze hem tot
+belooning daarvoor haar hand beloofd had.
+
+De jonge Ebba Dohna was nu zooveel beter, dat ze gekleed op de sofa
+lag. Ze was mat bleek en nog stiller dan gewoonlijk.
+
+Toen ze die woorden hoorde, sloeg ze klagend en verwijtend haar bruine
+oogen naar haar moeder op en zei:
+
+"Moeder gij hebt mij beloofd aan een afgezet predikant, aan een,
+die zijn recht Gods dienaar te zijn, heeft verspeeld aan een man,
+die een dief en een bedelaar geweest is."
+
+"Maar kind, wie heeft je dat verteld. Ik dacht niet, dat je daar iets
+van wist."
+
+"Ik heb het gehoord. Uw gasten praatten er over den dag, dat ik
+ziek werd."
+
+"Maar kind, bedenk, dat hij je leven heeft gered."
+
+"Ik kan er alleen aan denken, dat hij mij bedrogen heeft. Hij had
+mij moeten zeggen wie hij was."
+
+"Hij zegt, dat je hem lief hebt."
+
+"Dat heb ik gedaan. Maar ik kan iemand, die mij bedriegt, niet meer
+liefhebben."
+
+"Hoe heeft hij je dan bedrogen?"
+
+"Dat kunt u niet begrijpen, moeder."
+
+Ze wil met haar moeder niet spreken over het duizendjarig rijk van
+haar droomen, die haar geliefde zou helpen stichten.
+
+"Ebba," zegt de gravin, "als je hem lief hebt dan moet je niet vragen,
+wat hij geweest is, maar zijn vrouw worden. Wie met een gravin Dohna
+trouwt, wordt zóó rijk en machtig, dat de zonde van zijn jeugd hem
+wel vergeven kan worden,
+
+"Om de zonde van zijn jeugd geef ik niet moeder. Ik kan zijn vrouw
+niet worden omdat hij mij bedrogen heeft en omdat hij nooit kan worden,
+wat ik wilde dat hij worden zou."
+
+"Denk er aan, dat ik hem mijn woord gegeven heb, Ebba."
+
+'t Jonge meisje werd doodsbleek.
+
+"Moeder, dit zeg ik u, als u mij aan hem tot vrouw geeft, dan scheidt
+u mij van God."
+
+"Ik heb besloten je gelukkig te maken," zegt de Gravin. "Ik weet zeker,
+dat je met dien man gelukkig zult zijn. Je hebt hem immers al tot een
+heilige gemaakt. Ik heb besloten 't verschil in stand tusschen ons
+en hem over 't hoofd te zien, te vergeten, dat hij arm en veracht is,
+om je in staat te stellen hem te redden. Ik voel, dat wat ik doe goed
+is. Je weet, dat ik niet aan vooroordeelen hecht."
+
+Maar dat alles zegt ze maar omdat ze niet velen kan, dat iemand zich
+tegen haar wil verzet. Misschien meende ze 't ook wel op dat oogenblik,
+want gravin Märta is niet zoo gemakkelijk te begrijpen.
+
+'t Jonge meisje bleef op de sofa liggen, lang nadat de gravin van
+haar was weggegaan. Zij streed haar strijd: den strijd tusschen aarde
+en hemel, tusschen de liefde voor den goeden koning en die voor haar
+geliefde. Maar de eerste overwon. Daar waar ze lag--op deze sofa--zag
+ze den hemel in 't westen gloeien door een heerlijken zonsondergang. 't
+Was haar als een groet van den goeden koning, en daar ze de kracht
+niet had hem trouw te blijven, als ze moest blijven leven, besloot ze
+te sterven. Zij kon niets anders doen nu haar moeder besloten had,
+dat zij een man zou toebehooren, die niet de dienstknecht van den
+goeden koning worden kon.
+
+Ze ging naar 't venster, deed het open en liet den kouden avondwind
+langs haar arm, zwak lichaam gaan tot ze versteend van kou was. 't
+Was gemakkelijk voor haar, zich den dood op den hals te halen. En die
+zou zeker volgen als de ziekte zich weer verhief. En dat gebeurde.--
+
+Niemand dan ik weet, dat zij den dood zocht. Ik vond haar voor 't
+open venster. Ik hoorde haar ijlen. Ze had mij gaarne bij zich in
+haar laatste dagen.
+
+Ik heb haar zien sterven. Ik zag haar de armen uitstrekken naar den
+gloeienden avondhemel, en sterven met een glimlach, alsof ze iemand
+uit den zonnegloed had zien komen om haar te ontvangen. Ik moest ook
+haar laatste groeten brengen aan hem, dien ze had liefgehad. Ik moest
+hem vragen 't haar te vergeven, dat ze zijn vrouw niet had kunnen
+worden. De goede koning wilde het niet toestaan.
+
+Maar ik heb niet den moed gehad dien man te zeggen, dat hij haar
+vermoord had. Ik had niet den moed hem den last van zulk een lijden
+op de schouders te leggen. En toch.... hij, die door een leugen haar
+liefde verwierf, was hij haar moordenaar niet? Was hij dat niet,
+Elisabeth?"
+
+Gravin Dohna heeft al lang opgehouden met blauwe bloempjes te
+spelen. Nu staat ze op en 't bouquet valt op den grond.
+
+"Anna, je maakt me voortdurend wat wijs. Je zegt dat het een oude
+historie is, en dat de man al lang dood is. Maar ik weet immers,
+dat het nauwlijks vijf jaar geleden is, dat Ebba Dohna stierf. En dan
+zeg je, dat je dit zelf beleefd hebt. Je bent niet oud. Zeg mij nu,
+wie die man is!"
+
+Anna Stjärnhök begint te lachen.
+
+"Je vroeg immers om een liefdesgeschiedenis. Nu heb je er een gehoord,
+die je tranen en onrust gebracht heeft."
+
+"Is het dan niet waar?"
+
+"Wel neen, 't zijn maar verzinsels!"
+
+"Je bent slecht, Anna."
+
+"Ja, dat kan wel zijn. Ik ben ook juist niet bijzonder gelukkig, moet
+je weten. Maar ik hoor de heeren komen en de dames zijn wakker. Laat
+ons naar de zaal gaan."
+
+In de deur komt ze Gösta Berling tegen, die de dames komt roepen.
+
+"U moet geduld met me hebben," zegt hij glimlachend. "Ik zal u
+niet langer dan tien minuten plagen, maar u moet even een gedicht
+aanhooren."
+
+En hij vertelt hun, dat hij dien nacht zoo levendig gedroomd heeft,
+als nooit te voren. Hij heeft gedroomd, dat hij verzen geschreven had.
+
+Hij, die de menschen "de dichter" noemden en die tot nu toe dien naam
+geheel onverdiend droeg, hij was midden in den nacht opgestaan en had
+half slapend, half wakker aan zijn schrijftafel gezeten. En 's morgens
+had hij een heel gedicht op zijn schrijftafel gevonden. Hij had het
+nooit van zich zelf gedacht... En nu moesten de dames even luisteren.
+
+En hij las een gedicht voor, waarin hij klaagde over de vele
+herinneringen, die hem hier omgaven.
+
+Hij sprak daarin van een avond waarop zij die hem liefhad, gezegd had,
+dat ze na haar dood niet ver van hem zijn zou, maar dat haar ziel de
+zijne zou zoeken en vinden en hem op aarde vergezellen. En hij sprak
+er van, hoe hij leed onder 't gevoel, dat hij door zijn liefde haar
+ziel, de bezoedelde gebonden had.
+
+"Gösta," schertste Anna, terwijl angst haar de keel toesnoerde,
+"men zegt van je, dat je meer gedichten beleefd hebt, dan een ander
+ooit geschreven heeft, maar 't is heusch 't beste, dat je maar op je
+oude manier blijft dichten: dit gedicht is nachtwerk!"
+
+"Je oordeelt niet zacht."
+
+"Hier te komen en ons allerlei van dood en ellende voor te lezen! Foei,
+je moest je schamen!"
+
+Maar Gösta luistert niet meer naar haar. Gösta ziet onafgebroken de
+jonge gravin aan. Ze zit daar, onbewegelijk en bleek als een marmeren
+beeld. Hij is bang dat ze flauw zal vallen.
+
+Maar met onuitsprekelijke moeite perst ze eindelijk een woord van
+haar lippen:
+
+"Ga heen."
+
+"Wie moet heengaan? Moet ik heengaan?"
+
+"De dominé moet heengaan," stamelt zij.
+
+"Elisabeth, zwijg toch."
+
+"De dominé, die dronkaard moet uit mijn huis!"
+
+"Anna, Anna," vraagt Gösta, "wat meent ze?"
+
+"'t Is 't beste, dat je heengaat, Gösta."
+
+"Waarom moet ik heengaan? Wat beteekent dit toch?"
+
+"Anna," zegt gravin Elisabeth, "zeg hem...."
+
+"Neen, gravin, zeg het hem zelf."
+
+De gravin zet de tanden op elkaar en wordt eindelijk haar ontroering
+meester.
+
+"Mijnheer Berling," zegt ze, en gaat naar hem toe. "U hebt er
+verwonderlijk slag van de menschen te doen vergeten, wie u is. Ik heb
+het niet geweten voor vandaag. Ik heb pas het verhaal van Ebba Dohna's
+dood gehoord en dat de zekerheid, dat de man, dien ze liefhad, haar
+niet waard was, haar in den dood dreef. Uit uw gedicht begrijp ik, dat
+u die man waart. Ik begrijp niet hoe een man met een verleden als het
+uwe, in het gezelschap van fatsoenlijke vrouwen wordt toegelaten. Dat
+begrijp ik niet, mijnheer Berling. Spreek ik nu duidelijk genoeg?"
+
+"Mevrouw de gravin spreekt duidelijk genoeg. Ik zal alleen één
+woord tot mijn verdediging zeggen. Ik heb aldoor vast geloofd, dat u
+alles van me wist. Ik heb nooit geprobeerd iets te verbergen. Maar
+'t is niet aangenaam zijn grootste smarten van de daken te hooren
+verkondigen en nog minder dat zelf te doen."
+
+Hij gaat heen. En op 't zelfde oogenblik zet gravin Dohna haar kleinen
+voet op 't bouquetje blauwe anemonen.
+
+"Nu heb je gedaan, wat ik wilde," zegt Anna Stjärnhök op harden toon
+tot haar. "Maar nu is 't ook gedaan met onze vriendschap. Meen niet,
+dat ik het je ooit vergeven zal, dat je zoo wreed tegen hem geweest
+bent. Je hebt hem afgestooten, gekwetst, beleedigd, hem, dien ik
+graag in armoede en schande zou volgen. Ik zal hem beschermen en
+behoeden. Je hebt gedaan wat ik wou; maar ik vergeef het je nooit."
+
+"Maar Anna, Anna!"
+
+"Dacht je, dat ik je dat alles vertelde met een licht hart?--Alsof
+ik hier niet mijn eigen ziel aan stukken had zitten scheuren!"
+
+"Maar waarom deedt je het dan?"
+
+"Waarom?--Omdat ik niet wou.... Neen, ik wil het niet!--dat hij de
+minnaar van een getrouwde vrouw zal worden."
+
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+JUFFROUW MARIE.
+
+
+O stil, wees stil!
+
+Daar gonst iets boven mijn hoofd. 't Moet een bij zijn, die aan
+komt vliegen.
+
+O neen, stil toch!
+
+Welk een geur. Zoowaar! Zijn dat geen geuren van lavendel, seringen
+en pinksterbloemen? 't Is een heerlijkheid ze in te ademen op dezen
+grijzen najaarsdag midden in de stad. Als ik maar denk aan dat gezegend
+plekje grond, dan begint 't dadelijk om mij heen te gonzen en te
+geuren. En eer ik het zelf weet, zit ik in een kleinen rozentuin
+vol bloemen, en omheind door een ligusterhaag. En de hoeken onder de
+seringen met smalle houten banken en om de bloembedden, gevormd als
+harten en sterren, loopen smalle paden, met wit zand bestrooid. Aan
+drie zijden van den rozentuin staat het bosch.
+
+Lijsterbessen en vogelkers, die vol mooie bloemen zitten staan 't
+dichtste bij en vermengen hun geuren met die der seringen. Achter hen
+komen de berken, en daarachter begint het dennenbosch, een echt bosch,
+stil en donker, met recht opstaande, lang gebaarde boomen.
+
+En aan de vierde zij ligt een klein grijs huis.
+
+De rozentuin, waar ik nu aan denk, was voor zestig jaar het eigendom
+van de oude Mevrouw Moraeus, die met borduurwerk en eten koken voor
+boerenfeesten haar brood verdiende.
+
+Lieve vrienden. Van al 't goeds, wat ik u toewensch, wil ik 't
+allereerst een borduurraam en een rozentuin noemen. Een groot
+ouderwetsch borduurraam, waar vijf of zes personen te gelijk aan
+kunnen werken, en waaraan men doen kan, wie 't gauwste werken kan en
+wie de mooiste steken aan den achterkant kan maken; waarbij men onder
+'t werk gepiepte appels kan eten en babbelen en allerlei spelletjes
+doen, als "ik zie, ik zie wat jij niet ziet," en "wat zeg je van
+mijn vriend," en dan lachen, lachen dat de eekhorens van schrik uit
+de boomen vallen. Een borduurraam voor den winter en een rozentuin
+voor den zomer. Niet een grooten tuin, waar men meer geld in steekt,
+dan genoegen van heeft; neen, een klein rozentuintje, dat men zelf
+onderhouden kan. Daar moesten kleine rozestruikjes midden in de bedjes
+staan en een krans vergeet-mij-nietjes daarom heen; de groote klaproos,
+die zich zelf zaait, moest overal opkomen, aan den kant van 't gras
+en op de paden en er moest een bruin gedroogde grasbank zijn, waar
+paardebloemen en keizerskroon groeiden op de zitting en op den rug.
+
+De oude mevrouw Moraeus bezat van allerlei. Ze had drie vroolijke,
+vlugge dochters en een huisje aan den weg. Ze had een appeltje voor
+den dorst in haar geldkistje, mooie zijden shawls, leuningstoelen met
+hooge ruggen en verstand van vele zaken, die nuttig zijn voor hen,
+die hun eigen brood moeten verdienen. Maar 't beste, wat ze had, was
+haar borduurraam, dat haar 't geheele jaar werk gaf, en de rozentuin,
+waar ze den heelen zomer plezier van had.
+
+En dan moet ik vertellen, dat in 't huisje van mevrouw Moraeus een
+inwoonster was, een kleine, uitgedroogde juffrouw van bij de veertig,
+die in 't zolderkamertje woonde boven in den gevel. Juffrouw Marie,
+zooals ze altijd genoemd werd, had haar eigen begrippen over allerlei,
+zooals die menschen, die veel alleen zitten en hun gedachten laten
+gaan over wat ze gezien hebben, meestal krijgen.
+
+Juffrouw Marie meende, dat liefde de wortel en oorsprong was van alle
+kwaad in deze wereld.
+
+Elken avond, eer ze slapen ging, vouwde ze de handen en deed haar
+avondgebed. En als ze haar Onze Vader had opgezegd, eindigde ze altijd
+met God te vragen haar voor de liefde te bewaren.
+
+"Dat zou immers niets dan ellende zijn," zeide ze, "ik ben oud en
+leelijk en arm. Neen, ik hoop nooit verliefd te worden."
+
+Dag uit, dag in zat ze op haar zolderkamertje in 't huisje van Mevrouw
+Moraeus en knoopte gordijnen en kleedjes. Die verkocht ze later aan
+de boeren en op de groote buitens. Zij had met dat knoopwerk al een
+aardig duitje verdiend. Want een eigen huisje op den heuvel over de
+kerk te Svartsjö, dat was wat zij wenschte, een huis, dat zoo hoog op
+een heuvel lag, dat men ver uit kon zien. Daar droomde ze van. Maar
+van liefde wilde ze niet hooren.
+
+Als ze 's zomeravonds de viool hoorde klinken van den kruisweg, waar
+de speelman op het hek zat en de jonge lui de polka dansten, zoodat
+'t stof hen om de ooren stoof, dan maakte ze een langen omweg door
+'t bosch om dat niet te zien en te hooren.
+
+Op den tweeden Kerstdag, als de boeren-bruidjes kwamen, soms vijf
+of zes te gelijk, om door Mevrouw Moraeus en haar dochters gekleed
+te worden, als ze dan met myrthen versierd werden en met kransen van
+glaskralen, met zijden ceintures en bouquetten van gemaakte bloemen,
+als hun kleedje met zulke bloemen werd versierd, dan sloot juffrouw
+Marie zich op in haar kamertje. Ze wou niet zien hoe die jonge meisjes
+versierd werden ter eere van de liefde.
+
+Als de meisjes Moraeus 's wintersavonds aan 't borduurraam zaten,
+was 't zoo innig gezellig in de groote kamer, als de appels piepten
+in de kachel, en als de mooie Gösta Berling of de goede Ferdinand op
+visite kwamen en de meisjes plaagden, door den draad uit de naald
+te trekken of ze scheeve steken lieten maken en de kamer weerklonk
+van hun gesprekken, hun grappen en hun lachen; als hun handen elkaar
+ontmoetten onder 't borduurraam, dan rolde juffrouw Marie geërgerd
+haar knoopwerk op en ging heen, want zij haatte de liefde en al wat
+daarmee in verband stond.
+
+Maar al wat de liefde ooit misdreven had, wist ze. Daar kon ze van
+vertellen. Ze kon niet begrijpen, dat Amor zich nog op de wereld
+durfde vertoonen, dat hij niet angstig vluchtte voor de klachten
+der verlatenen, voor de vloeken van hen, die hij tot misdaad verleid
+had, voor 't gejammer van hen, die hij in gehate kluisters gesmeed
+had. Zij kon niet begrijpen, dat zijn vleugels hem zoo luchtig en
+vrij droegen en dat hij niet al lang in een afgrond van schaamte en
+smart was verzonken.
+
+Neen, wel was ze jong geweest als ieder ander, maar van de liefde
+had ze nooit gehouden. Nooit had ze zich laten verlokken tot dans
+of liefkozingen.
+
+De gitaar van haar moeder hing bestoven en zonder snaren op den
+zolder. Nooit zong ze daar liefdesliedjes bij.
+
+'t Rozeboompje van haar moeder stond in haar venster. Ze gaf het
+nauwelijks water. Ze hield niet van de bloemen, die kindren der
+liefde. De bladen waren bestoven; spinnen maakten hun net tusschen
+de takken, en de knoppen kwamen nooit uit. En in den rozentuin van
+Mevrouw Moraeus waar de vlinders fladderden en de vogels zongen,
+waar geurende bloemen boden zonden naar gonzende bijen, waar alles
+van den gehate sprak--daar zette ze zelden een voet.
+
+Nu gebeurde het, dat de gemeente van Svartsjö een orgel in de kerk liet
+zetten. Dat was in den zomer, dat de kavaliers op Ekeby regeerden. Een
+jong orgelmaker kwam naar 't dorp. Hij kwam ook bij Mevrouw Moraeus
+inwonen en kreeg het andere gevelkamertje op den zolder.
+
+Toen maakte hij dat orgel, dat zulke wonderlijke toonen heeft, waar
+de bazuin plotseling klinkt, soms midden in een psalm, niemand weet
+waarom of van waar, zoodat de kinderen in de kerk beginnen te schreien.
+
+'t Kan best wezen, dat de jonge orgelmaker geen meester in zijn kunst
+was. Maar hij was een vroolijke snaak, met oogen vol zonneschijn. Hij
+had voor ieder een vriendelijk woord, voor arm en rijk, voor jong
+en oud. Hij werd gauw goede vrienden met zijn huisgenooten. Ach,
+meer dan dat!
+
+Als hij 's avonds thuiskwam van zijn werk hield hij garen op voor
+Mevrouw Moraeus, en werkte met de jonge meisjes in den tuin. Dan
+declameerde hij;--Aksel en Walborg en zong van Fritjof. Dan raapte
+hij juffrouw Maries kluw op, hoe dikwijls ze die ook liet vallen en
+bracht zelf haar oude pendule weer in orde.
+
+Hij kwam nooit thuis van een bal, zonder dat hij met allen gedanst had,
+van de oudste dame tot het kleinste meisje. En als hem iets tegenliep,
+ging hij naast de eerste de beste vrouw zitten, die hij ontmoette en
+maakte haar tot zijn vertrouweling. Ja hij was een van die mannen,
+zooals de vrouwen in haar droomen zien.
+
+Men moest niet meenen, dat hij tot iemand over liefde sprak. Maar
+toen hij eenige weken in 't huis van Mevrouw Moraeus gewoond had,
+waren alle dochters op hem verliefd. Zelfs de arme juffrouw Marie. Nu
+wist ze, dat ze te vergeefs gebeden had.
+
+'t Was een tijd van vreugde en van leed. Tranen vielen op 't
+borduurraam en wischten er de krijtstreepjes uit, 's avonds zat er
+vaak een bleeke droomster in 't bleeke prieel en boven op juffrouw
+Maries kamertje werden nieuwe snaren op de guitaar gezet en bij diens
+tonen zong ze oude liefdesliedjes, die ze van haar moeder geleerd had.
+
+Maar de jonge orgelmaker bleef even vroolijk en zorgeloos en strooide
+glimlachjes en kleine diensten rond onder die smachtende vrouwen,
+die om hem kibbelden, als hij aan zijn werk was. En eindelijk kwam
+de dag, dat hij vertrekken moest.
+
+Het rijtuig stond voor de deur. Zijn tasch was gepakt en in den wagen
+gebracht en de jonge man nam afscheid. Hij kuste Mevrouw Moraeus de
+hand, omhelsde de schreiende meisjes en kuste ze op de wang. Zelf
+schreide hij ook, omdat hij weg moest, want hij had een heerlijke
+zomer gehad in 't kleine grijze huisje. En eindelijk keek hij rond
+naar juffrouw Marie.
+
+Daar kwam ze de zoldertrap af met haar beste kleeren aan, de gitaar om
+den hals aan een breed groen zijden lint. In de hand had ze een bouquet
+maandrozen, want dit jaar had haar moeders rozeboom gebloeid. Ze
+bleef voor den jongen man staan, tingelde op de guitaar en zong:
+
+
+ "Ge gaat van ons heen! O, kom spoedig terug
+ Steeds wordt ge hier welkom geheeten!
+ 't Geluk ga met u. O, wil nooit op uw tocht
+ Een, die u zoo liefheeft vergeten!"
+
+
+En toen stak ze de bloemen in zijn knoopsgat en kuste hem op den
+mond. Ja, dat deed ze en toen verdween ze de zoldertrap weer op! de
+oude ziel.
+
+De liefde had zich op haar gewroken en haar tot spot van iedereen
+gemaakt. Maar zij sprak nooit meer kwaad van de liefde. Ze hing de
+gitaar niet meer weg en vergat nooit meer de rozeboom van haar moeder
+te verzorgen.
+
+Zij had geleerd de liefde met al haar smart, haar tranen en verlangen
+lief te hebben.
+
+"Beter bedroefd door liefde, dan vroolijk zonder haar," dacht ze.
+
+De tijd ging voorbij. De Majoorske werd van Ekeby verjaagd. De
+kavaliers kregen de macht in handen en het gebeurde, zooals ik reeds
+verteld heb, dat Gösta op een Zondag avond een gedicht voorlas voor
+de gravin op Borg en zij hem de deur wees.
+
+Er wordt verteld, dat toen Gösta de deur van Borg achter zich
+dichtsloeg, hij eenige sleden zag aanrijden. Hij wierp een blik op een
+kleine dame, die in de voorste zat. Hoe duister die ure ook voor hem
+was, 't werd nog duisterder voor hem toen hij haar zag. Hij haastte
+zich voort om niet herkend te worden, maar een voorgevoel van onheil
+vervulde zijn ziel. Had het gesprek daarbinnen die vrouw opgeroepen? 't
+Eene onheil baart gewoonlijk het andere.
+
+De bedienden kwamen aanloopen. 't Zeil van de sleê werd losgemaakt. Wie
+kwam daar zoo onverwacht? Was 't werkelijk Märta Dohna, de wijdberoemde
+gravin zelf?
+
+Zij was de vroolijkste en lichtzinnigste van alle vrouwen. De vreugde
+van deze wereld had haar op zijn troon gezet en haar tot zijn koningin
+gemaakt. Vermaken en grappen waren haar onderdanen. Spel en dans en
+avonturen waren haar deel bij de rolverdeeling van 't leven. Zij was
+nu niet ver van de vijftig, maar ze hoorde tot die wijze menschen,
+die de jaren niet tellen. "Wie de voeten niet meer voor een dans
+of den mond niet meer voor een glimlach bewegen kan, die is oud,"
+zei ze. "Hem drukt de last der jaren. Mij niet."
+
+De vreugd regeerde niet ongestoord in de dagen van haar jeugd. Maar
+'t was alsof de onveiligheid en de veranderlijkheid der omstandigheden
+haar vroolijk bestaan nog vroolijker maakte. De blijdschap met haar
+vlindervleugels hield den eenen dag feest bij de hofdames in Stockholm
+en danste den anderen dag in Parijs. Ze bezocht Napoleon op 't veld
+en voer op de vloot van Nelson over de blauwe Middellandsche zee;
+ze woonde een congres in Berlijn bij en waagde zich in Brussel op een
+bal, den nacht voor een beroemden veldslag. En waar de blijdschap was,
+daar was Märta Dohna haar uitverkorene.
+
+Dansend, spelend en schertsend joeg gravin Dohna de wereld rond. Wat
+had ze al niet gezien, wat had ze niet beleefd? Tronen omgedanst,
+écarté om vorstendommen gespeeld en gelachen, terwijl verwoestende
+oorlogen Europa teisterden.
+
+En als de vreugde geen plaats kon vinden op de tot in een slagveld
+veranderde wereld, placht ze voor langer of korter tijd naar het oude,
+grafelijke slot aan 't Löfvenmeer te komen.
+
+Daar was ze ook heengegaan, toen de vorsten en hun hoven haar te
+somber werden in den tijd van heilige alliance. Op zulk een bezoek
+had zij het in 't hoofd gekregen, Gösta Berling tot huisonderwijzer
+van haar zoon te maken.
+
+Zij voelde zich behagelijk in Wermeland. Nooit had de vreugde een
+schooner rijk dan daar. Daar waren zang en spel, mannen, die van
+avonturen hielden en schoone, vroolijke vrouwen. Het ontbrak er niet
+aan bals en feesten, aan zeiltochtjes op 't meer in den maneschijn
+of roeitochtjes, sleetochtjes door donkere bosschen, of schokkende
+gebeurtenissen en liefdesvreugd en leed.
+
+Maar na den dood van haar dochter had ze Borg niet meer bezocht. Ze
+was er nu in geen vijf jaar geweest. En nu kwam ze eens zien, hoe haar
+schoondochter 't maakte, tusschen de dennenbosschen, de sneeuwhoopen
+en de beren. Ze vond het haar plicht eens te gaan zien of die domme
+Henrik haar niet had doodverveeld. Zij wilde nu de goede engel van
+dat huis zijn. Zonneschijn en geluk bracht ze meê in haar vijf en
+twintig volgepakte leeren koffers, vroolijkheid was haar kamermeisje,
+scherts haar koetsier, spel haar juffrouw van gezelschap.
+
+En toen ze de stoep opkwam, werd ze met open armen ontvangen. Haar oude
+kamers in de benedenste verdieping stonden altijd voor haar klaar. Haar
+knecht, haar juffrouw van gezelschap, haar kamenier, de vijf en
+twintig leeren koffers, haar dertig hoedendoozen, haar necessaire,
+haar shawls en pelzen, alles kwam langzamerhand in huis. Overal was
+drukte en beweging. Er werd met deuren geslagen en de trappen op en
+af gedraafd. Het was wel te merken, dat gravin Märta gekomen was.
+
+
+
+'t Was een lenteavond, een heerlijke avond, hoewel men nog niet ver in
+'t voorjaar was en 't ijs nog niet weggedooid. Juffrouw Marie zat boven
+op haar kamertje voor 't open venster, tingelde op de gitaar en zong.
+
+Ze was zoo verdiept in haar gitaar en haar herinneringen, dat ze
+niet merkte, dat er een wagen voor 't huis stilhield. In die wagen
+zat gravin Märta en ze had pleizier in juffrouw Marie, die daar in 't
+venster zat met de gitaar om den hals, de oogen naar den hemel gericht
+en oude, lang vergeten liefdesliedjes zong. Eindelijk stapte de gravin
+uit haar wagen en ging het huis binnen, waar de jonge meisjes om het
+borduurraam zaten. Ze was niet hoogmoedig. De storm der revolutie was
+over haar heengegaan en had haar frissche lucht in de longen geblazen.
+
+Ze bestelde borduursel bij mevrouw Moraeus en prees de dochters. Ze
+bekeek den rozentuin en vertelde van haar reisavonturen. Want zij
+beleefde altijd avonturen. Eindelijk waagde zij zich de zoldertrap
+op, die gruwelijk steil en smal was en bezocht juffrouw Marie op
+haar zolderkamertje.
+
+Zij liet haar zwarte oogen over dat eenzame, kleine menschje gaan
+en haar melodische stem streelde haar ooren. Ze kocht gordijnen van
+haar. Ze kon daar op Borg niet leven zonder geknoopte gordijnen voor
+alle vensters en op al haar tafels moest ze een paar van juffrouw
+Marie's geknoopte kleedjes hebben.
+
+En toen vroeg ze haar gitaar te leen en zong voor haar van vreugde
+en liefde. Ze vertelde haar allerlei verhalen, zoodat juffrouw Marie
+zich opeens in de vroolijke, veel bewogen wereld verplaatst voelde. En
+er was zulk een muziek in den lach der gravin, dat de vogels in den
+rozentuin begonnen te zingen, als zij dien hoorden en haar gezicht, dat
+niet mooi meer was--want haar huid was door blanketsel bedorven en om
+haar mond lag een trek van ruwe zinnelijkheid--kwam juffrouw Marie zóó
+verrukkelijk voor, dat ze niet begreep dat de spiegel, die 't eenmaal
+opgevangen had, 't niet voor altijd vasthield. En toen ze heenging,
+kuste ze juffrouw Marie en noodigde haar uit op Borg te komen.
+
+Juffrouw Marie's hart stond leeg als een zwaluwnest op kersttijd. Ze
+was vrij, maar ze smachtte naar ketenen als een vrijgemaakte slaaf.
+
+Nu begon weer een tijd van vreugde en smart voor juffrouw Marie; maar
+die duurde niet lang--slechts acht dagen. Ieder oogenblik haalde de
+gravin haar naar Borg. Zij speelde comedie voor haar en vertelde haar
+van haar aanbidders, en Juffrouw Marie lachte, zooals ze nog nooit
+gelachen had. Ze werden de beste vriendinnen van de wereld en spoedig
+wist de gravin alles van den jongen orgelmaker en van zijn afscheid. En
+in 't donker haalde ze juffrouw Marie over zich in de vensterbank van
+het kleine, blauwe kabinet te zetten, hing haar de gitaar om den hals
+en liet haar liefdesliedjes zingen. En dan zat de gravin er naar te
+kijken, hoe het figuur van de uitgedroogde, magere oude juffrouw met
+het leelijke, kleine hoofdje uitkwam tegen den rooden avondgloed,
+en zij zei, dat de arme een smachtende burchtjonkvrouw geleek. Maar
+alle liedjes zongen van teedere herders en wreede herderinnen en
+juffrouw Marie's stem was zoo dun, zoodat ieder begrijpen kan, dat
+zulk een comedie allervermakelijkst voor de gravin moest zijn.
+
+Zoo was er eens feest op Borg; dat was natuurlijk omdat de moeder
+van den graaf gekomen was. Het ging er als gewoonlijk vroolijk
+toe. Het gezelschap was toch niet groot, 't waren alleen menschen
+uit de gemeente.
+
+De eetzaal lag in de benedenste verdieping en na den maaltijd gingen de
+gasten niet meer naar boven, maar men bleef in de kamers van de gravin
+Märta bijeen. Toen haalde de gravin Juffrouw Marie's gitaar voor den
+dag en begon voor de gasten te zingen. Zij was een vroolijke vrouw,
+gravin Märta en zij kon alle menschen nadoen. Nu kreeg zij den inval
+Juffrouw Marie na te doen. Zij sloeg de oogen ten hemel en zong met
+eene dunne, krijschende kinderstem.
+
+"Ach, neen, ach neen, Mevrouw de Gravin," smeekte Juffrouw Marie.
+
+Maar de gravin vond het grappig en de meeste gasten konden 't lachen
+niet laten, ofschoon ze wel vonden, dat 't niet aardig was tegenover
+Juffrouw Marie.
+
+De gravin nam een handvol rozenbladen uit een schaal, ging met
+tragische gebaren voor Juffrouw Marie staan en zong diep geroerd:
+
+
+ "Gij gaat van ons heen! o kom spoedig terug
+ Steeds wordt ge hier welkom geheeten.
+ 't Geluk ga met u. O wil nooit op uw tocht
+ Een, die u zoo liefheeft, vergeten."
+
+
+en toen strooide ze de rozenbladen op Juffrouw Marie's hoofd.
+
+De gasten lachten, maar Juffrouw Marie werd buiten zich zelf van
+drift. Zij zag er uit, alsof zij de gravin de oogen wilde uitkrabben.
+
+"Je bent een slecht mensch, Märta Dohna" riep ze. "Geen eerlijke
+vrouw moest meer met je omgaan."
+
+Maar nu werd gravin Märta ook boos.
+
+"De deur uit, Juffrouw! Nu heb ik genoeg van je zotheden."
+
+"Jawel, ik zal wel heengaan," zei Juffrouw Marie, "als ik maar eerst
+geld voor mijn gordijnen krijg."
+
+"Die prullen," riep de gravin, "wil je nog geld voor die oude prullen
+hebben? Neem ze meê. Ik wil ze nooit meer zien. Neem ze dadelijk mee."
+
+En de gravin rukt de gordijnen af en gooit ze Juffrouw Marie
+achterna. Want nu is ze woedend.
+
+Den volgenden dag, smeekte de jonge gravin haar schoonmoeder, zich
+met Juffrouw Marie te verzoenen, maar de gravin wilde 't niet.
+
+Juffrouw Marie verveelde haar. Toen reed gravin Elisabeth naar haar
+toe en kocht haar al haar geknoopte gordijnen af en hing ze op voor
+de vensters van de bovenste verdieping. En toen vond Juffrouw Marie,
+dat zij in haar eer hersteld was.
+
+Gravin Märta schertste dikwijls met haar schoondochter over haar
+liefde voor geknoopte gordijnen. Maar ze kon ook haar toorn verbergen
+en dien jaren lang even frisch bewaren. Want gravin Märta is een
+begaafde vrouw.
+
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+NEEF CHRISTOFFEL.
+
+
+Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat
+altijd in 't hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat 't vuur niet
+uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel
+en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals
+boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter
+zijn pels om.
+
+Hij was bij den zwerm geweest, die in 't gevolg van den grooten keizer
+over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand
+met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij
+meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had
+meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten
+heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden
+en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden
+waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven,
+nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende.
+
+Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te
+verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was.
+
+En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den
+Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen
+werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend.
+
+In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen
+zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand
+veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen
+noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij
+juist dien naam gekregen had.
+
+'t Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan
+wat anders gewend, dan van 't eene stokje op 't andere te springen
+en gevoerd te worden. Doodsgevaar en 't moorden van menschen brachten
+eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede.
+
+'t Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes
+niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een
+berenjacht was 't eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde
+levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele
+vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor 't eerst
+gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig
+als de oorlogskans, prikkelend als 't gevaar, tintelend van leven en
+pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs
+zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf
+jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen
+is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.--Hij
+moest dieper in zijn pels en dichter bij 't vuur kruipen.
+
+
+
+Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de
+paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen
+bij den haard.
+
+Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge 't niet?
+
+De lente, de heerlijke lente is gekomen!
+
+De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen
+kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen
+aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij
+luiden als met duizend klokjes: "weest blij, de lente is gekomen! de
+heerlijke lente!"
+
+Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt
+met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en
+van den boom der eer, die op 't slagveld groeit. Voor de oogen van
+zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de
+lente niet noodig hebben om te bloeien.
+
+O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den
+kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit
+zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op
+'t kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend
+is en geboren is om te vervolgen en te dooden?
+
+O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den
+kavaliersvleugel. Op--drink den vonkelenden wijn des levens in
+de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een
+brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het
+Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht,
+maar de inhoud heeft betrekking op u. 't Is zoo wonderlijk u te zien,
+terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen
+glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen
+en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit!
+
+
+
+Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt
+hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die
+aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra
+rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard.
+
+Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij
+ook, dat de lente gekomen is.
+
+Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De
+dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen
+en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na
+een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke
+krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit.
+
+Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen
+botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen,
+om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn
+vreugde te deelen.
+
+Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem
+uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn
+horen en wekt alom zalige vreugde.
+
+En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en
+zetten hun paarden aan. 't Geluk zelf staat op de teenen in 't zadel;
+en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig
+Arabisch paard.
+
+Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit.
+
+De lijster roept hem aan:
+
+"Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?"
+
+"Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!" antwoordt
+neef Christoffel.
+
+"Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen
+zorg!" roept de vogel hem na.
+
+Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel
+af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en
+wordt bij de gravin toegelaten.
+
+Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel
+ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op
+zijn slot te heerschen.
+
+Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den
+brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van
+dat wachten.
+
+Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht
+en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten,
+waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen,
+begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo
+vermakelijk als ze kan.
+
+"Ja," zegt ze eindelijk, "zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die
+gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. 't Is een
+ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!"
+
+De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende
+oogen.
+
+"Ik ben ook oud en arm," zegt hij, "en ik heb tien jaar lang aan den
+haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat
+soms ook belachelijk!"
+
+"O, dat is heel wat anders!" barst de gravin uit.
+
+"God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen
+eens anders brood te eten," zegt neef Christoffel ernstig. "Ik heb
+geleerd de armoede te eerbiedigen."
+
+"U ook al!" roept de gravin en heft de handen ten hemel. "Wat zijn
+de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!"
+
+"Ja," zegt hij, "onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer
+macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te
+deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat,
+die met de armoede spot."
+
+"Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel."
+
+En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar
+Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem
+niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet.
+
+Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de
+paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo
+gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht
+geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit 't
+armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om
+den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats.
+
+Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de
+lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks
+wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al
+wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van
+den booze te fnuiken.
+
+Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te
+kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn
+manchet en gooit dien op 't vuur. God alleen weet, wat hij op dat
+oogenblik dacht.
+
+Misschien verbeeldde hij zich, dat 't gravin Märta zelf was, die daar
+op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles
+samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo,
+er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had.
+
+Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt
+zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in 't hoekje van den haard
+zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam
+weg als een gevangen arend.
+
+Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De
+wereld staat hem open. 't Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar
+hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan.
+
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+DE WEGEN DES LEVENS.
+
+
+Moeilijk zijn de wegen, die de menschen te gaan hebben op aarde.
+
+Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!
+
+Waarom gaat daar zooveel smart ongehinderd haar gang, tot ze
+verdwaalt in de woestijn of neerzinkt in 't moeras of neerstort van
+de bergen? Waar zijn de kleine boerenmeisjes, waar zijn de prinsessen
+uit de sprookjes, in wier spoor rozen groeien; waar zijn zij, die
+bloemen moeten strooien op de moeilijke wegen?
+
+Nu heeft Gösta Berling, de dichter, besloten te trouwen. Hij zoekt
+alleen nog maar een bruid, die arm en gering genoeg is voor een
+gekken predikant. Schoone, edele vrouwen hebben hem liefgehad; maar
+zij zullen niet te voorschijn treden en naar zijn hand dingen. De
+verstooteling moet kiezen uit de verstootenen.
+
+Wie zal hij kiezen?
+
+Soms komt er een arm jong meisje op Ekeby uit een eenzaam wouddorpje
+boven op de bergen; zij verkoopt bezems. In dat stadje, waar altijd
+armoede en groote ellende heerscht, zijn er velen, die niet bij hun
+volle verstand zijn, en het meisje met de bezems is er een van.
+
+Maar mooi is ze. Haar lang zwart haar is opgenomen in zulke dikke
+vlechten, dat ze ternauwernood plaats kunnen vinden op haar hoofd;
+haar wangen zijn fijn gerond, haar neus recht en niet heel groot,
+haar oogen blauw. Zij hoort tot de melancholieke, madonna-achtige
+type, die men nog vindt onder de mooie meisjes aan de oevers van het
+lange Löfvenmeer.
+
+Dus--nu had Gösta een bruid--een half wijs meisje met bezems is
+een goede vrouw voor een gekken predikant. Hij heeft dus maar naar
+Karlstad te reizen om ringen te halen, en dan kunnen ze weer eens een
+vroolijken dag hebben aan 't Löfvenmeer. Ze zullen nog eens om Gösta
+Berling lachen, als hij zich met het bezemverkoopstertje verlooft
+en haar trouwt. Wat zullen ze lachen! Een vermakelijker streek heeft
+hij nooit uitgehaald!
+
+Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan: woestijnpaden,
+moeraspaden, bergpaden!
+
+Moet niet de verstootene den weg der verstootenen gaan? Den weg
+van toorn, van smaad, van onheil? Wat doet het er toe of hij valt,
+of hij te gronde gaat? Is er iemand, die het de moeite waard vindt
+hem tot staan te brengen?
+
+Is er iemand, die hem een helpende hand, een verkwikkenden drank
+reikt? Waar zijn de kleine bloemenmeisjes, waar de princessen uit het
+sprookje?--waar zijn zij, die rozen moeten strooien op de moeilijke
+wegen?
+
+Neen, neen, de jonge gravin op Borg zal Gösta Berling in zijn plannen
+niet storen; zij zal aan haar reputatie denken, aan den toorn van
+haar man, aan den haat van haar schoonmoeder; zij zal niets doen om
+hem terug te houden.
+
+Onder de lange godsdienstoefening in de kerk van Svartsjö zal zij haar
+hoofd buigen, haar handen vouwen en voor hem bidden. In slapelooze
+nachten kan zij misschien over hem schreien en bezorgd voor hem zijn;
+maar zij heeft geen bloemen, om op den weg van den verstootene te
+strooien, geen droppel water, om den dorstende te reiken, geen lichten
+handdruk, die hem van den rand van den afgrond terug kan voeren.
+
+Gösta Berling geeft er niet om of zijn bruid met zijde en sieraden
+getooid is. Hij laat haar van hoeve tot hoeve gaan met bezems, zooals
+gewoonlijk; maar als hij alle aanzienlijke mannen en vrouwen uit den
+omtrek op Ekeby bijeenverzameld heeft, dan zal hij zijn verloving
+afkondigen. Dan zal hij haar uit de keuken binnenroepen, zooals zij
+van haar lange zwerftochten komt, met het stof en het vuil van den
+weg op haar kleeren, misschien in lompen en met ongekamde haren, met
+verwilderde oogen, met verwarde woorden op de lippen. En dan wil hij de
+gasten vragen of hij nu niet een bruid gekozen heeft, die goed bij hem
+past, of niet de gekke predikant trotsch wezen mag op zulk een schoone
+bruid, op dat zachte madonnagezicht, met die blauwe, dwepende oogen.
+
+Niemand zou er van te voren iets van weten; maar het gelukte hem
+niet zijn geheim te bewaren, en éen van hen, die het te weten kwam,
+was de jonge gravin Elisabeth Dohna. Maar wat kon zij er aan doen?
+
+De dag van de verloving is gekomen; de schemering is gevallen. De
+gravin staat aan het venster van haar blauwe kabinet, en staart naar
+het noorden. Zij gelooft haast, dat zij Ekeby zien kan, hoewel de
+nevel en haar tranen haar de oogen verduisteren. Zij ziet duidelijk
+het groote huis met de drie verdiepingen; de drie rijen verlichte
+vensters stralen. Zij stelt zich voor hoe de champagne ingeschonken
+wordt, de toasten hoort ze, en hoe Gösta Berling zijn verloving met
+het bezemverkoopstertje afkondigt.
+
+Als ze nu bij hem stond en stil de hand op zijn arm lei, of alleen
+maar hem vriendelijk aanzag, zou hij dan niet terugkeeren van den
+slechten weg der verstootenen? Heeft niet een woord van haar hem
+tot die wanhopende daad gedreven? Zou niet een woord van haar hem
+kunnen terughouden?
+
+De gravin rilt voor de zonde, die hij begaan zal tegenover dat arme,
+ongelukkige kind, dat nu verlokt zal worden hem lief te hebben voor de
+grap van éen dag. Misschien ook--en zij rilde nog meer voor de zonde,
+die hij tegenover zichzelf beging--om als een drukkende last hem voor
+'t leven te bezwaren en zijn geest voor goed de kracht te ontnemen
+om zich weer omhoog te werken.
+
+En alles samen genomen, was het toch haar schuld. Zij had met
+veroordeelende woorden hem den slechten weg opgedreven. Zij, die had
+moeten zegenen en verzachten, waarom had zij een doorn te meer in de
+doornenkroon van den zondaar gevlochten?
+
+Ja, nu weet ze wat ze doen zal. Zij zal de zwarte paarden voor de
+sleê laten spannen, Ekeby binnen stormen, vlak voor Gösta Berling
+gaan staan, en hem zeggen, dat ze hem niet veracht, dat ze niet
+wist wat zij zei, toen ze hem uit haar huis joeg.... Neen--zoo iets
+kon ze toch niet doen. Ze zou verlegen worden en geen woord durven
+zeggen. Ze was immers getrouwd en moest voorzichtig zijn. 't Zou tot
+allerlei praatjes aanleiding geven, als ze zoo iets deed. Maar als
+ze het niet deed, hoe zou het dan met hem gaan?
+
+Ze moest voort.
+
+En dan denkt ze er aan, dat ze daar onmogelijk heen kan komen. Om
+dezen tijd van het jaar kunnen geen paarden meer over 't Löfvenmeer
+gaan. 't IJs is op 't punt van te smelten; 't is al aan den oever
+losgeraakt. 't Ligt los, gebarsten en vuil; 't water spiegelt er
+door naar boven; op sommige plaatsen staat het op 't ijs in zwarte
+plassen, op andere plaatsen is het ijs verblindend wit. Maar voor
+'t grootste gedeelte is 't toch grauw en vuil door smeltende sneeuw,
+en de wegen gaan er als lange, zwarte strepen overheen.
+
+Hoe kan zij er aan denken om heen te gaan! Haar schoonmoeder, de
+oude gravin Märta, zou het haar nooit toestaan. Den heelen avond
+moest zij naast haar in de groote huiskamer zitten en naar de oude
+hofgeschiedenissen hooren, die de vreugd van de oude dame zijn.
+
+Maar de nacht komt. En haar man is niet thuis. Nu is ze vrij!
+
+Rijden kan ze niet; zij durft de bedienden niet roepen; maar de angst
+drijft haar uit haar huis. Ze kan niet anders.
+
+Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan op aarde. Woestijnpaden,
+moeraspaden, bergpaden!
+
+Maar deze weg in den nacht over het smeltende ijs--waarmede zal ik dien
+vergelijken? Is dat niet de weg, dien de kleine bloemenmeisjes zelf
+moeten gaan, een onzekere, wankelende, gladde weg, de weg van hen,
+die geslagen wonden willen genezen, van hen, die willen oprichten,
+de weg van hen met vlugge voeten, met heldere oogen, met moedige,
+liefdevolle harten!
+
+'t Was over middernacht, toen de gravin den oever van Ekeby
+bereikte. Zij was op het ijs gevallen, was over de breede kloven
+gesprongen, zij was vlug en licht over de plaatsen geloopen, waar
+haar voetspoor met water volgeloopen was; zij was uitgegleden. Zij
+had gekropen. 't Was een zware gang geweest. Zij had onder 't loopen
+geschreid. Zij was nat en moe geworden, en buiten op het ijs hadden
+de duisternis, de eenzaamheid en de leegte om haar heen haar angstig
+gemaakt. Nu, vlak bij Ekeby, was zij door water van een voet hoog
+gewaad, om aan land te komen.
+
+En toen zij op den oever gekomen was, had zij geen moed voor iets
+anders gehad, dan om zich op een steen te zetten en van moeheid en
+hulpeloosheid te schreien.
+
+Moeilijke wegen gaan de menschenkinderen, en de kleine bloemenmeisjes
+zinken soms naast hun korf neer, juist als zij degenen bereiken,
+op wier wegen zij bloemen willen strooien.
+
+Deze voorname jonge vrouw was toch een beminnelijk heldinnetje. Zulke
+wegen was zij niet gewend te gaan in haar zonnig vaderland. Geen
+wonder dus, dat zij aan den oever van het onheilspellende, vreeselijke
+meer zit, nat, moe en ongelukkig, en denkt aan de effen, met bloemen
+omzoomde paden van haar vaderland.
+
+Ach, voor haar bestaan Zuid en Noord niet meer. Zij staat midden in het
+leven. Zij schreit niet van heimwee; zij schreit, arm bloemenmeisje,
+kleine heldin, omdat ze zoo moe is, dat ze hem niet bereiken kan,
+op wiens weg ze bloemen wil strooien. Zij schreit, omdat ze gelooft,
+dat ze te laat gekomen is.
+
+Daar komen eenige menschen haastig langs het strand aanloopen. Ze ijlen
+haar voorbij, zonder haar te zien, maar ze hoort hun woorden: "Als
+de dam doorbreekt, gaat de smidse er aan," zegt de een; "en de molen
+en de werkplaats en 't huis van den smid," voegt een ander er bij.
+
+Dan herleeft haar moed. Zij staat op en volgt hen.
+
+De molen en de smidse van Ekeby lagen op een smal, vooruitstekend stuk
+land, waaromheen de Björksjöbeek bruiste. Die kwam bruisend tegen de
+landpunt aan, wit schuimende van den geweldigen val daarboven, en
+om de bebouwde streek voor het water te beschutten, lag er in dien
+tijd een geweldige golfbreker voor. Maar de kisting was oud en de
+kavaliers hadden 't roer in handen. Zij dansten over stok en steen;
+maar zij hadden geen tijd om toe te zien, hoe de koude en de tijd de
+oude steenen kisting hadden geteisterd.
+
+Toen kwam het water in 't voorjaar en de kisting begon te wijken.
+
+De waterval bij Ekeby is een geweldige grauw steenen trap, waar de
+golven van de Björksjöbeek bruisend langs storten. Ze worden duizelig
+van de vaart, tuimelen omver en bonzen tegen elkaar. Ze stuiven in
+toorn op en bespatten elkaar met schuim, vallen nu over een steen,
+dan over een stok, en springen weer op, om opnieuw te vallen, al
+schuimend en proestend en donderend.
+
+En die wilde, opgehitste golven, door de lentelucht als in een roes,
+dronken door hun pas herwonnen vrijheid, loopen nu storm op den
+ouden steenen muur. Zij komen, werkend en proestend, stormen hoog
+op hem af, en trekken zich weer terug, alsof zij hun witte koppen
+gestooten hebben. Maar 't is een stormloopen: zij gebruiken groote
+ijsstukken als schild, stukken hout als stormrammen; zij storten,
+bonzen en bruisen tegen den armen muur op, tot het opeens is, alsof
+deze hun een: "Wees voorzichtig!" toeroept. Zij stuiven terug, en een
+groote steen, die van de kisting is losgeraakt, komt hen achterna en
+zinkt bulderend in den stroom.
+
+'t Is alsof zij daarvan geschrikt zijn; zij staan stil, ze jubelen,
+ze houden raad, en dan stuiven ze weer voort. Daar zijn ze weer met
+ijsblokken en stukken hout, vol dwaze streken, onbarmhartig, wild,
+dol van vernielzucht.
+
+"Als die kisting maar weg was," zeggen de golven; "als die kisting
+maar weg was! Dan kwamen de smidse en de molen aan de beurt.
+
+"De dag der vrijheid is gekomen--weg met de menschen en het
+menschenwerk. Ze hebben ons besmeerd met steenkool; ze hebben ons
+onder 't juk gebracht als ossen, ons in 't rond laten rijden, ons
+opgesloten, ons met planken den weg versperd, ons gedwongen de zware
+wielen te trekken, de lompe blokken timmerhout te dragen!
+
+"Maar nu willen we ons vrijmaken.
+
+"De dag der vrijheid is gekomen! Hoort het, o, golven daar boven,
+in Björksjö. Hoort het, broeders en zusters in moeras, beek en
+woudstroom; komt, komt, stort u weêr in de Björksjöbeek; komt met
+frissche krachten, bulderend, suizend, om 't juk van eeuwen te breken,
+komt, komt! Het bolwerk der tirannie moet vallen. Dood over Ekeby!"
+
+En zij komen. Golf aan golf stort neer langs den waterval, om tegen
+de kisting storm te loopen, om mee te helpen aan 't groote werk. Als
+in een roes door de pas herwonnen vrijheid, in grooten getale, als
+éen man, komen ze en maken steen voor steen los. De eene aardkluit
+na de andere vegen ze weg van den wankelenden golfbreker.
+
+Maar waarom laten de menschen toch de woeste golven razen, zonder
+weerstand te bieden? Is Ekeby uitgestorven?
+
+Neen, er zijn menschen, een radelooze, verwarde, hulpelooze schare. De
+nacht is donker, ze kunnen elkaar niet zien, ze kunnen niet zien waar
+ze loopen. De waterval bruist geweldig; er is een vervaarlijk gedruisch
+van barstend ijs en tegen elkaar bonzend hout. Ze kunnen niet hooren,
+wat ze zeggen.
+
+De woestheid, die over de bruisende golven is gekomen, vult ook de
+hersens der menschen; zij hebben geen enkele gedachte in hun hoofd;
+zij zijn als zinneloozen.
+
+De fabrieksklok luidt: "Hij, die oore heeft om te hooren, die
+hoore. Wij hier, bij Ekeby's smidse, zijn den ondergang nabij. De
+beek valt ons aan. De dam wankelt, de smidse is in gevaar, de molen
+ook en onze eigen armelijke huisjes, die we liefhebben, hoe klein ze
+ook zijn."
+
+De golven meenen zeker, dat het klokgelui hun vrienden roept, want
+er vertoont zich geen mensch. Maar in 't bosch en in 't moeras komt
+beweging. "Help, help!" roept de klok. "Na eeuwen van slavernij hebben
+we ons eindelijk vrijgemaakt. Komt, komt!"
+
+De bruisende golven en de luidende fabrieksklok zingen het doodslied
+over Ekeby's eer en roem.
+
+En intusschen wordt de eene bode na den anderen naar de kavaliers
+gezonden.
+
+Zijn zij in een stemming om aan de smidse en den molen te denken?
+
+Honderden gasten zijn in Ekeby's groote zalen bijeen. 't Meisje met de
+bezems wacht in de keuken. Het spannend oogenblik van de verrassing
+is gekomen. De champagne parelt in de glazen. Julius staat op om den
+eersten toast te houden. Al de oude avonturiers verheugen zich over
+de stomme verbazing, die over het gezelschap zal komen.
+
+Buiten op 't ijs van het Löfvenmeer gaat de jonge gravin Dohna een
+duisteren, levensgevaarlijken gang, om Gösta Berling een waarschuwend
+woord te kunnen toefluisteren,
+
+Aan de beek loopen de golven storm op Ekeby's eer en aanzien; maar
+in de groote zalen heerscht alleen vreugde en gespannen verwachting;
+de kaarsen schitteren, de wijn stroomt; daarbinnen denkt niemand aan
+wat daarbuiten gebeurt, in den donkeren, stormachtigen voorjaarsnacht.
+
+Nu is het oogenblik gekomen. Gösta staat op en gaat zijn bruid
+halen. Hij moet door de vestibule. De groote deuren staan wijd open;
+hij blijft staan; hij ziet naar buiten in den stikduisteren nacht. En
+hij hoort, hij hoort!
+
+Hij hoort de klok luiden, de beek bruisen; hij hoort het gedreun van
+het barstende ijs, het gedruisch van het tegen elkaar bonzend hout,
+den bruischenden, honenden, fieren overwinnaars- en vrijheidszang
+van de golven.
+
+Dan vergeet hij alles en vliegt naar buiten in den nacht. Zijnentwege
+mogen zij daarbinnen blijven staan met opgeheven glazen en wachten
+tot den jongsten dag, hij geeft er niet om. Zijn bruid mag wachten,
+Julius' toast op zijn lippen besterven. Vannacht worden er geen
+ringen gewisseld; geen stomme verbazing zal het schitterend gezelschap
+vervullen.
+
+Wee u, gij oproerige golven; nu geldt het in waarheid een strijd voor
+de vrijheid! Nu komt Gösta Berling naar de beek; nu hebben de lieden
+een aanvoerder, nu staan de verdedigers op de muren; nu begint een
+geweldige strijd.
+
+Hoor, hoe hij de menigte toeroept! Hij beveelt, hij zet allen aan
+'t werk.
+
+"Licht moeten we hebben, allereerst licht. Hier hebben we niet genoeg
+aan de hoornen lantaarn van den molenaar. Zie die hopen takken daar,
+draag ze hierheen en steek ze in brand. Dat is werk voor vrouwen en
+kinderen. Gauw maar! Maak een groot vuur van takken. Dat zal ons bij
+'t werk lichten; dat wordt van verre gezien en roept hulp hierheen. En
+zorg er voor, dat het niet uitgaat; haal stroo en sprokkelhout,
+en laat de heldere vlammen tot de wolken gaan.
+
+"Hier, mannen, hier is werk voor jullie. Hier is hout en planken,
+timmert een noodkisting, dien we voor den wankelenden muur kunnen
+neerlaten. Snel aan 't werk! Maakt hem sterk en vast. Houdt steenen en
+zakken met zand klaar, om hem te doen zinken. Vlug, neemt je bijlen,
+laat de hamerslagen dreunen, zet de boor in 't hout, en laat de zaag
+door de droge planken gaan.
+
+"En waar zijn de jongens? Hierheen! Komt voor den dag, wilde
+rekels. Haalt stangen, haalt bootshaken, en komt hier midden in
+'t gevecht. Op den dam, jongens! Midden tusschen de golven, al
+schuimen en koken ze ook, en bespatten ons met hun wit schuim. Weert
+ze af, verzwakt ze, weert ze af, die aanvallen, die de muren doen
+barsten. Schuift de stukken timmerhout en de ijsblokken op zij; gaat
+liggen, als 't niet anders kan, en houdt de losgerukte steenen met je
+handen vast; bijt er in, pakt ze met ijzeren vuisten. Vechten! jongens,
+deugnieten, wilde katers! Hier op de muren met jelui! Wij zullen
+vechten om iederen duimbreed grond!"
+
+Zelf gaat Gösta 't verst vooruit op den dam, en staat midden in 't
+schuim, terwijl de grond onder zijn voeten beeft. De golven brullen
+en razen, maar zijn woest hart geniet van het gevaar, van de onrust
+en den strijd. Hij lacht, hij heeft vroolijke invallen voor de jongens
+om zich heen op den dijk; nooit woonde hij een vroolijker nacht bij.
+
+Het reddingswerk gaat goed vooruit. Het vuur vlamt op, de bijlen
+dreunen, de dam houdt nog.
+
+Ook de andere kavaliers en de honderd gasten zijn aan den waterval
+gekomen. Van heinde en ver komen menschen; allen zijn aan 't werk
+bij de vuren, de kisting bij de zandzakken en op de wankelende,
+bevende, steenen kisting. Ziezoo, nu is de kisting klaar. Nu moet hij
+neergelaten worden voor den wankelenden, schuddenden golfbreker. Houdt
+de steenen en zandzakken klaar, en de bootshaken en de touwen,
+opdat hij niet weggeslagen worde, opdat de menschen overwinnen en de
+onderworpen golven tot hun slavernij terugkeeren.
+
+Daar, op het beslissende oogenblik, krijgt Gösta een vrouw in het
+oog, die op een steen aan de beek zit. De vlammen van het takkenvuur
+verlichten haar, zooals ze daar zit en op de golven staart. Hij kan
+haar niet duidelijk zien door den mist en het schuim: maar zijn oogen
+worden onophoudelijk tot haar getrokken. Telkens en telkens moet hij
+naar haar zien; het is alsof die vrouw juist hem wat te zeggen heeft.
+
+Onder al die honderden, die aan den oever zich bewegen en werken, is
+zij de eenige, die stil zit, en zijn blik zoekt haar onophoudelijk,
+hij ziet alleen haar.
+
+Zij zit ver vooruit, zóo ver, dat de golven om haar voeten slaan en
+'t schuim over haar heen spat. Zij moet druipnat zijn. Zij is donker
+gekleed, heeft een zwarte sjaal om het hoofd, zit in elkaar gedoken,
+met de hand onder de kin, en staart onophoudelijk naar hem heen, naar
+den golfbreker. Hij voelt, dat die starende oogen trekken en lokken,
+hoewel hij haar gezicht niet onderscheiden kan; hij denkt aan niets
+anders dan aan haar, die daar aan den oever bij de witte golven zit.
+
+"'t Is de meermin uit het Löfvenmeer, die hierheen de beek op is
+gekomen, om mij in 't ongeluk te lokken," denkt hij, "Zij zit daar
+en lokt en lokt; ik moet haar wegjagen."
+
+Het komt hem voor, alsof al die golven, met de witte koppen het leger
+van die vrouw zijn; zij heeft ze opgehitst, zij heeft ze tot dezen
+aanval op hem aangevoerd.
+
+"Ik moet ze immers wel wegjagen," zegt hij. Hij grijpt een bootshaak,
+springt aan land en snelt op de vrouw toe. Hij verlaat zijn plaats op
+de buitenste punt van den golfbreker, om de meermin weg te jagen. Het
+was hem in dit oogenblik van overspanning alsof de booze machten uit
+de diepte tegen hem streden. Hij wist niet wat hij dacht, wat hij
+geloofde; maar hij moest die zwarte wegjagen van steen tot steen,
+daar aan den oever.
+
+Ach, Gösta, waarom is uw plaats ledig in 't beslissend oogenblik! Nu
+komen ze met de kisting; een lange rij mannen staan op den golfbreker;
+zij hebben touwen en steenen en zandzakken klaar, om hem te laten
+zakken en vast te leggen; zij staan klaar en wachten en luisteren. Waar
+is de bevelhebber? Waar is de stem, die gebiedt en regelt?
+
+Neen, Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zijn stem wordt niet
+gehoord; zijne bevelen leiden 't werk niet.
+
+Dus moet de kisting zonder hem worden neergelaten. De golven wijken
+op zij; hij stort neer in de diepte, en steenen en zandzakken achter
+hem aan. Maar hoe werd het werk zonder leider uitgevoerd! Zonder
+voorzichtigheid, zonder orde! de golven bruisen weer voort; met
+vernieuwde razernij strijden zij met dit nieuw beletsel; zij rollen
+de zandzakken op zij, rukken de touwen stuk, maken de steenen los,
+en zie--het lukt! het lukt! Honend, jubelend, tillen ze de heele
+kisting op hun schouders, rukken en trekken--en nu hebben ze hem in
+hun macht. Weg met die ellendige verschansing! In 't Löfvenmeer er
+mee! En dan opnieuw op den wankelenden, hulpeloozen, steenen dam aan.
+
+Maar Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zij zag hem aankomen
+met de bootshaak. Zij werd bang. 't Scheen wel of zij in 't water
+wilde springen; maar zij bedenkt zich en springt aan land.
+
+"Meermin!" roept Gösta, en zwaait de bootshaak over haar hoofd. Zij
+vlucht in de elzestruiken aan den oever, raakt vast in de dichte
+takken en blijft staan.
+
+Dan werpt Gösta Berling de bootshaak weg, gaat naar haar toe en legt
+de hand op haar schouder.
+
+"U is vanavond laat buiten, gravin Elisabeth," zegt hij.
+
+"Laat mij met rust; laat mij naar huis gaan."
+
+Hij gehoorzaamt oogenblikkelijk en keert zich om.
+
+Maar omdat zij niet alleen een voorname dame, maar eigenlijk een goed
+mensch is, die de gedachte niet kan verdragen, dat zij een ander tot
+vertwijfeling gebracht heeft; omdat zij een klein bloemenmeisje is,
+die altijd rozen genoeg in haar korf heeft, om ook den eenzaamsten weg
+te versieren, heeft zij dadelijk spijt, loopt hem na en vat zijn hand.
+
+"Ik kwam...." zegt zij, stotterend, "ik kwam om te.... ach!.... o,
+u hebt het toch niet gedaan? Toe, zegt u me, dat u 't niet gedaan
+hebt! Ik werd zoo bang, toen u op me afkwam; maar ik zocht u juist. Ik
+wou u vragen er niet meer aan te denken, wat ik laatst gezegd heb,
+maar weer als vroeger bij ons te komen."
+
+"Hoe is mevrouw de gravin hierheen gekomen?"
+
+Zij lacht zenuwachtig. "Ik weet wel, dat ik te laat zou komen; maar
+ik wilde niemand zeggen, dat ik wegging, en dan ook.... u weet wel,
+dat men niet meer over het meer kan rijden."
+
+"Is u dan over 't meer geloopen?"
+
+"Ja, ja, dat ben ik.... maar antwoord me nu. Is u verloofd? U begrijpt
+wel, dat ik zoo graag zou willen, dat 't niet waar was. 't Is immers
+toch verkeerd en 't is alsof 't mijn schuld zou zijn, alles mijn
+schuld! U moest niet zoo aan een woord van mij hechten. Ik ben immers
+een vreemde, die de gebruiken van het land niet kent. Het was zoo
+leeg op Borg, sinds u niet meer bij ons kwaamt."
+
+Zooals Gösta Berling daar nu staat, tusschen de natte elzestruiken
+op den moerassigen grond, is het alsof iemand handevol rozen over hem
+strooit. Tot aan de knieën staat hij in de rozen; zij schitteren voor
+zijn oogen, in 't donker; hij ademt begeerig hun geur in.
+
+"Is het gebeurd?" herhaalt zij.
+
+Hij moet haar antwoorden en een einde aan haar angst maken, hoewel
+hij er zoo gelukkig door is. Hoe warm wordt het in hem en hoe licht,
+als hij er aan denkt, wat voor een weg zij gegaan is, hoe nat zij is,
+hoe moe, hoe bang ze moet zijn en hoe haar stem vol tranen is. "Neen,"
+zegt hij, "Ik ben niet verloofd."
+
+Dan grijpt ze nog eens zijn hand en drukt die. "Ik ben zoo blij,
+zoo blij," zegt zij, en haar borst, die door angst is samengeknepen
+geweest, trilt nu door haar snikken.
+
+Nu zijn er bloemen genoeg op den weg van den dichter. Al wat donker
+en slecht en hatelijk is, smelt weg uit zijn hart.
+
+"Wat is u goed, wat is u goed," zegt hij.
+
+Dicht bij hen loopen de golven storm op al de eer en heerlijkheid van
+Ekeby. Nu hebben de menschen geen leider meer, niemand, die hun moed
+en hoop inspreekt. Nu stort de golfbreker omver, de golven sluiten
+zich over hem, en storten, trotsch als overwinnaars, naar de landpunt,
+waar de molen en de smidse liggen. Niemand werkt meer om de golven
+weerstand te bieden, niemand denkt nu aan iets anders dan aan leven
+en have te redden.
+
+De twee jonge menschen vinden het zoo natuurlijk, dat Gösta de gravin
+naar huis brengt; hij kan haar immers niet alleen laten in den
+duisteren nacht, haar niet nog eens alleen over het smeltende ijs
+laten gaan. Zij denken er niet eens aan, dat men hem noodig heeft,
+daar ginds bij de smidse; zij zijn er zoo blij om, dat ze weer goede
+vrienden zijn.
+
+'t Ligt zoo voor de hand te gelooven, dat deze jonge menschen een
+warme liefde voor elkaar koesteren; maar wie kan dit zeker weten? In
+losse en verspreide stukken heeft het schitterende sprookje van hun
+leven mij bereikt. Ik weet immers niets van wat er diep in hun zielen
+leefde. Wat kan ik zeggen van de motieven tot hun daden? Ik weet
+alleen, dat in dien nacht een jonge schoone vrouw haar leven, haar eer
+en naam, haar gezondheid waagde, om een armen stumper op den goeden
+weg terug te brengen. Ik weet alleen, dat in dien nacht Gösta Berling
+het geliefde landgoed liet ondergaan, om met haar mee te gaan, die
+om zijnentwil de vrees voor dood en schande en straf overwonnen had.
+
+Vaak heb ik hen in gedachten over 't ijs gevolgd, dien vreeselijken
+nacht, die toch voor hen zoo goed afliep. Ik geloof niet, dat er
+in hun ziel iets verborgens of verbodens was, dat onderdrukt moest
+worden op dat oogenblik, terwijl zij vroolijk over het ijs loopen,
+over alles pratende, wat er in den tijd van hun scheiding gebeurd was.
+
+Hij is weer haar slaaf, haar page, die aan haar voeten ligt, en zij
+is zijn dame. Zij zijn alleen blij, enkel gelukkig. Geen van hen zegt
+een woord, dat op liefde doelt. Lachende plassen zij door 't water aan
+den oever. Zij lachen, als ze verdwalen en als ze den weg vinden, als
+ze glijden en als ze vallen, en als ze weer opstaan,--altijd lachen ze.
+
+'t Is weer een vroolijk spel, dit gezegende leven, en zij zijn
+kinderen, die ondeugend geweest zijn en gekibbeld hebben.
+
+Ach! wat is 't heerlijk weer goede vrienden te zijn en weer als
+vroeger samen te spelen!
+
+'t Gerucht zweefde heen en weer en te zijner tijd bereikte Anna
+Stjärnhök het gerucht van deze wandeling.
+
+"Nu zie ik," zei ze, "dat God meer dan een snaar op zijn lier heeft. Ik
+zal mijn hart tot rust brengen en hier blijven, waar men mij noodig
+heeft. God kan een man van Gösta Berling maken, ook zonder mijn hulp."
+
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+BOETE.
+
+
+Lieve vrienden, als 't u ooit gebeuren mocht, dat ge een armen stumper
+op uw weg ontmoet, een bedroefd wezentje, dat haar hoed op den rug
+laat hangen en de schoenen in de hand draagt, om ook niet de minste
+beschutting tegen de gloeiende zon en de steenen op den weg te hebben,
+een hulpelooze, die uit vrijen wil alle smarten laat neerdalen op
+haar hoofd--gaat haar voorbij met eerbiedig beven.
+
+'t Is de boetvaardige, weet ge?--de boetelinge op weg naar het
+heilige graf.
+
+De boetelinge draagt een ruwen mantel en leeft van water en brood,
+al is hij ook een koning. Hij moet loopen en mag niet rijden. Hij
+moet bedelen--hij mag niets bezitten. Hij moet tusschen de distels
+slapen. Hij moet de harde grafsteenen uithollen met de knieën. Hij
+moet den geesel over zijn rug laten gaan. Hij kan slechts vreugde in
+lijden vinden, geen ander genot dan in smart.
+
+De jonge gravin Elisabeth was eenmaal een van hen, die den ruwen
+mantel droegen en den weg der doornen gingen. Haar hart klaagde haar
+aan. Zij smachtte naar lijden, als de vermoeide naar een verkwikkend
+bad. Nood en ellende bracht zij over zich, en jubelend daalde zij
+neer in den nacht van smart.
+
+Haar man, de jonge graaf met het oude hoofd, kwam op Borg terug,
+den morgen na den nacht, toen de molen en de smidse van Ekeby door
+den stroom waren verwoest. Hij was pas thuis gekomen, toen Gravin
+Märta hem roepen liet en hem wonderlijke dingen vertelde.
+
+"Je vrouw is uit geweest vannacht, Henrik. Zij bleef vele uren weg. Ze
+kwam thuis met een man. Ik hoorde hem haar goeden nacht zeggen. Ik
+weet ook wie hij is. Ik zag haar uitgaan en terugkomen;--dat was
+zeker haar bedoeling niet. Zij bedriegt je, Henrik. Ze bedriegt je,
+dat schijnheilige wezen. Ze heeft je nooit liefgehad, mijn arme
+jongen. Haar vader wilde haar alleen maar goed getrouwd hebben. Zij
+nam je alleen om bezorgd te zijn."
+
+Zij deed haar woord zoo goed, dat graaf Henrik buiten zichzelf was. Hij
+wilde scheiden. Hij wilde zijn vrouw naar haar vader terugzenden.
+
+"Neen, mijn jongen," zei Gravin Märta; "op die manier zou ze heelemaal
+te gronde gaan. Zij is verwend en heeft een slechte opvoeding
+gehad. Laat haar maar aan mij over; ik zal haar wel tot haar plicht
+terugbrengen."
+
+En de graaf liet de gravin binnenroepen, om haar te zeggen, dat zij
+voortaan onder zijn moeder zou staan. Ach, welk een tooneel volgde
+er nu! Een jammerlijker comedie werd er wel nooit gespeeld in dit
+huis der smart.
+
+Vele booze woorden sprak hij tot haar. Hij hief zijn handen ten hemel
+en klaagde dien aan, omdat hij toegelaten had, dat zijn naam door
+een schaamtelooze vrouw door het slijk gesleurd werd. Hij dreigde
+haar met de gebalde vuist en vroeg haar welke straf ze groot genoeg
+achtte voor een misdaad als de hare.
+
+Zij was in 't geheel niet verlegen voor haar man. Ze meende nog steeds,
+dat ze goed gehandeld had. Ze zeide hem, dat ze al een geduchte
+verkoudheid had opgedaan, en dat dàt straf genoeg was.
+
+"Elisabeth," zegt gravin Märta; "dit is niet iets om gekheid over
+te maken."
+
+"Wij beiden," antwoordt de jonge vrouw, "zijn 't nooit eens kunnen
+worden over den rechten tijd voor ernst en gekheid."
+
+"Maar je moet toch begrijpen, Elisabeth, dat geen eerbare vrouw midden
+in den nacht uit haar huis gaat, om met een berucht avonturier rond
+te zwerven."
+
+Toen begreep Elisabeth Dohna, dat haar schoonmoeder besloten had
+haar ongelukkig te maken. Ze begreep dat ze tot het uiterste moest
+strijden, opdat het haar niet gelukken zou een vreeselijke ellende
+over haar te brengen.
+
+"Henrik," smeekte zij, "laat je moeder zich niet tusschen
+ons zetten. Laat mij je vertellen hoe alles gegaan is. Je bent
+rechtvaardig; je zult me niet veroordeelen zonder me te hooren. Laat
+mij je alles vertellen, en dan zul je zien, dat ik alleen gehandeld
+heb zooals je me geleerd hebt."
+
+De graaf knikte zwijgend, als teeken van toestemming. En gravin
+Elisabeth vertelde nu hoe zij er toegekomen was Gösta Berling op den
+verkeerden weg te drijven. Zij vertelde alles, ook hoe zij door haar
+geweten gedreven was geworden uit te gaan en hem te redden, wien zij
+onrecht gedaan had. "Ik had immers geen recht hem te veroordeelen,"
+zeide zij, "en mijn man heeft mij zelf geleerd dat geen offer te
+groot is, als men een onrecht goed wil maken, niet waar, Henrik?"
+
+Graaf Henrik wendde zich tot zijn moeder.
+
+"Wat zegt moeder hiervan?" vroeg hij. Zijn klein lichaam was nu
+heelemaal stijf van waardigheid, en zijn hoog, smal voorhoofd lag in
+majestueuze plooien.
+
+"Ik?" vroeg de gravin; "ik zeg, dat Anna Stjärnhök wel wist wat ze
+deed, toen ze Elisabeth die historie vertelde."
+
+"Moeder begrijpt me niet," zei de graaf. "Ik vraag wat moeder van
+die historie zegt. Heeft gravin Märta Dohna beproefd haar dochter,
+mijn zuster, over te halen met een ontslagen predikant te trouwen?"
+
+Gravin Märta zweeg een oogenblik. Ach, wat was Henrik toch dom! Nu
+jaagde hij immers op het verkeerde spoor. Haar jachthond zette den
+jager na en liet den haas loopen. Maar gravin Märta bleef nooit lang
+een antwoord schuldig.
+
+"Beste jongen," zei ze en haalde de schouders op, "er is alle reden om
+die oude histories te laten rusten, dezelfde reden, waarom ik je ook
+verzoek alle publiek schandaal te voorkomen. 't Is namelijk hoogst
+waarschijnlijk, dat hij vannacht omgekomen is."
+
+Ze zei dit op zachten, treurigen toon--maar er was geen woord waar
+van al wat ze zei.
+
+"Elisabeth heeft lang geslapen vanmorgen, en heeft daardoor niet
+gehoord, dat er al menschen om het meer heen zijn gezonden om Gösta
+Berling te zoeken. Hij is niet naar Ekeby teruggekomen, en men vreest
+dat hij verdronken is. 't IJs is van morgen gaan kruien. Zie maar,
+de storm heeft het aan duizend stukken geslagen."
+
+Gravin Elisabeth zag naar buiten. Het meer was bijna vrij van ijs.
+
+Toen schaamde zij zich over zichzelf. Zij had God's rechtvaardigheid
+willen ontvluchten. Zij had gelogen en gehuicheld. Zij had zich gehuld
+in 't kleed van de onschuld.
+
+De wanhopige vrouw wierp zich op de knieën voor haar man, en de
+bekentenis barstte los van hare lippen.
+
+"Veroordeel me, verstoot me! Ik heb hem liefgehad. Twijfel er niet aan
+of ik hem heb liefgehad! Ik ruk mij de haren uit; ik verscheur mijn
+kleeren van smart. Ik geef om niets meer, nu hij dood is. Ik wil mij
+niet meer verdedigen. Je zult alles weten. Ik heb de liefde van mijn
+hart van mijn man weggenomen en die aan een vreemde gegeven. Ach,
+ik ongelukkige, ik heb mij laten verlokken tot verboden liefde."
+
+Arme, jonge, wanhopige vrouw! Lig daar aan de voeten van uw rechters en
+zeg hun alles. Wees welkom, martelaarschap! Wees welkom, schande! Ach,
+kondt gij den bliksem van den hemel afroepen over uw jong hoofd!
+
+Zeg uw man, hoe ontzet ge waart, toen de hartstocht over u kwam,
+geweldig en onweerstaanbaar, hoe ge hebt gesidderd over de ellendigheid
+van uw hart. Liever hadt ge de spoken op het kerkhof van aangezicht
+tot aangezicht gezien, dan de demonen in uw eigen ziel.
+
+Zeg hun, hoe gij, van Gods aangezicht verdreven, u onwaardig voelde
+op aarde te zijn. Onder tranen en gebeden hebt ge gestreden. "O,
+God, red mij! O, Zone Gods, die de duivelen uitdrijft, red mij,"
+hebt gij gebeden. Zeg hun, dat ge meendet, dat het 't best was alles
+te verbergen. Niemand zou weten hoe slecht ge waart. Ge meendet, dat
+het God welbehagelijk was zoo te handelen. Ge geloofdet ook, dat het
+de weg Gods was, dien ge gingt, toen ge den man, dien ge lief hadt,
+wilde redden. Hij wist niets van uwe liefde.
+
+Hij zou niet verloren gaan om uwentwil. Wist gij wat recht of wat
+onrecht was? God alleen wist het en hij had u veroordeeld. Hij had
+den afgod van uw hart getroffen. Hij had u gevoerd op den grooten
+weg der boete en der verlossing.
+
+Zeg hun, dat ge weet, dat verbergen geen redding brengt. De demonen
+hebben het duister lief. Laat de handen van uw rechters zich maar om
+den geesel klemmen. De straf zal als verzachtende balsem op de wond
+der zonden dalen. Uw hart smacht naar lijden.
+
+Zeg hun dit alles, terwijl ge daar op uw knieën ligt op den vloer,
+de handen wringt in uw vreeselijke smart, spreekt op den woesten
+toon der vertwijfeling en met een wilden lach de gedachte begroet
+aan straf en schande, tot uw man u aangrijpt en u opheft van den vloer.
+
+"Gedraag je zooals 't een gravin Dohna past; anders zal ik moeder
+moeten verzoeken je als een kind te tuchtigen."
+
+"Doe met mij wat je wilt!"
+
+Daar valt het vonnis van den graaf:
+
+"Moeder heeft voor je gesproken. Daarom mag je in mijn huis blijven
+wonen. Maar in 't vervolg zal zij bevelen en jij gehoorzamen."
+
+
+
+Zie den weg der boete! De jonge gravin is de geringste der
+dienstmaagden geworden.
+
+Hoe lang, ach, hoe lang?
+
+Hoe lang zal een trotsch hart zich kunnen buigen? Hoe lang ongeduldige
+lippen zwijgen? Hoe lang een heftige hand teruggehouden worden?
+
+Weldadig is de ellende der vernedering. Terwijl de rug zeer doet door
+den zwaren arbeid, zwijgt het hart. Bij hen, die maar een paar uren
+op den harden stroozak rusten, komt de slaap ongeroepen.
+
+Zelfs als de oude vrouw tot een boozen geest wordt, om de jonge genoeg
+te kunnen plagen, dankt zij haar weldoenster. Nog is het kwaad niet
+dood in haar. Jaag de doodmoede op, ieder morgen om vier uur. Draag de
+ongeoefende werkster een zware dagtaak op aan 't zware weefgetouw. Dat
+is goed! De boetvaardige heeft misschien geen kracht genoeg om zelf
+den geesel voldoende te zwaaien.
+
+Als de tijd van de groote voorjaarswasch komt, laat gravin Märta
+haar aan de tobbe in 't waschhok staan. Zij komt zelf om op 't werk
+toe te zien. "'t Water in je tobbe is koud," zegt zij, neemt kokend
+water uit een pan en giet het haar over de bloote armen.
+
+'t Is een koude dag, als de waschvrouwen aan het meer moeten staan
+en het goed uitspoelen.
+
+Regenbuien stroomen op hen neer, met sneeuw vermengd, en doorweeken hun
+kleeren. Die worden koud en zwaar als lood.'t Is een hard werk wat ze
+moeten doen. Het bloed springt te voorschijn van onder de fijne nagels.
+
+Maar gravin Elisabeth klaagt niet. Gods goedheid zij geloofd! Waar
+vindt de boetvaardige meer verlichting dan in lijden? Als rozebladen
+dalen de geeselslagen op haar rug.
+
+De jonge vrouw verneemt spoedig, dat Gösta Berling leeft. De oude heeft
+haar door list tot bekentenis willen brengen. Maar wat zou dat? Het
+was Gods wil. God heeft het zoo beschikt. Zoo is de zondares op den
+reddenden weg der verzoening gelokt.
+
+Er is maar één ding, dat haar beangstigt. Hoe zal het haar schoonmoeder
+gaan, wier hart om harentwille verhard werd? O, God zal haar genadig
+oordeelen. Zij moet boos zijn, om de zondares te helpen Gods liefde
+te herwinnen.
+
+Zij wist niet hoe vaak een ziel, die alle ander genot beproefd
+heeft, eindelijk haar vreugde in wreedheid zoekt. Als de ongeduldige,
+verduisterde ziel vleierij en liefkoozingen, de prikkeling van dans en
+spel mist, dan zinkt ze neer in haar eigen duistere diepte en zoekt de
+wreedheid. Dan is er nog een bron van genot voor het verslapt gevoel in
+'t pijnigen van dieren en menschen.
+
+De oude is zich geen boosaardigheid bewust.
+
+Ze gelooft, dat ze een lichtzinnige echtgenoote straft. Ze ligt des
+nachts wakker en bedenkt nieuwe pijnigingen. Wee haar, ze bedrijft
+heiligschennis. De arbeid zelf, die groote weldaad, verandert zij in
+een straf en een plaag.
+
+Op een avond gaat zij door het huis en laat de gravin haar met een
+kaars bijlichten.
+
+Zij draagt die in de hand zonder blaker.
+
+"De kaars is opgebrand," zegt de jonge gravin.
+
+"Laat dan den kandelaar branden," antwoordt gravin Märta.
+
+En zij gaan voort, tot de walmende pit uit gaat op de verbrande hand.
+
+Maar dit zijn maar kleinigheden. Er zijn pijnigingen voor de ziel,
+die alle lichamelijke pijnen te boven gaan. Gravin Märta noodigt
+gasten en laat de huisvrouw dienen aan haar eigen tafel.
+
+Zie, dat is een vreeselijke dag voor de boetelinge. Vreemde menschen
+zullen haar in haar vernedering zien. Zij zullen het zien, dat zij
+niet meer waardig is aan de tafel van haar man te zitten. O, hoe
+honend zullen hun koele blikken op haar rusten! Maar 't is erger,
+veel erger! Niemand ziet haar aan. Allen zitten stil en gedrukt aan
+tafel. Mannen en vrouwen zijn even ontstemd. Maar zij verzamelt al
+die dingen en legt ze als gloeiende kolen op haar hoofd. Is haar
+zonde zóo vreeselijk? Is het een schande, in haar nabijheid te zijn?
+
+Maar dan komt de verzoeking: Anna Stjärnhök, die haar vriendin geweest
+is, en haar buurman, de rechter van Munkerud, slaan de armen om haar
+heen, als ze bij hen komt, nemen haar den schotel met vleesch uit de
+hand, schuiven een stoel aan en willen haar niet loslaten.
+
+"Kom hier zitten, mijn kind, kom hier zitten," zegt de rechter. "Je
+hebt niets kwaads gedaan."
+
+En als uit éen mond verklaren alle gasten dat zij, als zij niet aan
+tafel blijft zitten, allen zullen heengaan. Zij zijn geen beulen. Zij
+willen niet naar de pijpen van gravin Märta dansen. Zij laten zich
+niet zoo gemakkelijk wat wijs maken als die schaapskop van een graaf.
+
+"Ach, goede heeren, ach, lieve vrienden! Weest niet zoo barmhartig. U
+dwingt er me toe zelf mijn zonde bekend te maken. Er is éen, dien ik
+te lief gehad heb."
+
+"Kind, je weet niet eens wat zonde is. Je weet niet hoe onschuldig je
+bent. Gösta Berling wist immers niet eens, dat je van hem hield. Neem
+nu in je huis de plaats weer in, die je toekomt. Je hebt niets
+kwaads gedaan."
+
+Zij doen haar moed herleven voor een poosje, en zijn op eens zelf
+zoo vroolijk als kinderen. Gelach en scherts klinken om de tafel. Die
+driftige, lichtbewogen menschen, ze zijn zoo goed; maar ze zijn toch
+van den Booze gezonden. Zij willen haar wijsmaken dat ze een martelares
+is, en honen openlijk gravin Märta, alsof ze een heks was. Maar zij
+begrijpen het niet. Ze weten niet hoe de ziel naar reinheid smacht;
+zij weten niet hoe de boetvaardige door haar hart gedwongen wordt de
+steenen op den weg en de gloeiende zon te verdragen.
+
+Soms dwingt gravin Märta haar dagen lang aan het borduurraam te zitten,
+en dan vertelt ze eindelooze geschiedenissen van Gösta Berling,
+dien predikant en avonturier. Reikt haar geheugen niet ver genoeg,
+dan verzint ze maar wat. Ze zorgt er alleen voor, dat zijn naam den
+heelen dag de jonge vrouw in de ooren klinkt. Daar is zij 't meest
+bang voor. Op zulke dagen voelt zij, dat haar boete nooit eindigen
+zal. Haar liefde zal niet sterven. Zij gelooft, dat zij zelf eerder
+sterven zal. Haar lichaamskrachten gaan haar begeven. Ze voelt zich
+dikwijls zoo ziek.
+
+"Maar waar blijft je ridder toch?" vraagt de gravin, honend. "Dag
+aan dag verwacht ik, dat hij komen zal aan 't hoofd van de
+kavaliers. Waarom bestormt hij Borg niet, zet je op den troon, en
+werpt je man en mij geboeid in den toren? Heeft hij je al vergeten?"
+
+Zij zou hem wel willen verdedigen en vertellen, dat ze zelf hem
+verboden heeft haar op welke wijze ook te helpen. Maar, neen, 't is
+beter te zwijgen, te zwijgen en te lijden.
+
+Dag aan dag wordt ze door overspanning verteerd. Ze heeft aanhoudend
+koorts, en is zoo moe, dat zij zich nauwelijks op de been kan
+houden. Zij verlangt alleen te sterven. Haar sterke levenslust is
+onderdrukt. Liefde en vreugde wagen zich niet meer te bewegen. Zij
+heeft voor het lijden geen vrees meer.
+
+'t Is of haar man niet meer weet, dat zij bestaat. Hij zit bijna den
+heelen dag in zijn kamer, en studeert in half onleesbare handschriften
+en oud, vuil, gedrukt papier. Hij leest perkamenten bewijzen van
+adel, met het groote, geweldige, Zweedsche rijkszegel er aan, van
+rood was in een gedraaid, houten huisje bewaard. Hij bestudeert oude
+wapens met lelies in een wit veld en een gier in een blauw veld. Zulke
+dingen begrijpt hij, en hij kan ze gemakkelijk vertalen. En hij leest
+en herleest oude lijkredenen en bijzonderheden over de edele graven
+Dohna, waarin hun daden vergeleken worden met die van Israël's helden
+en de goden van Hellas.
+
+Al die oude dingen hadden hem altijd genot verschaft. Maar om zijn
+jonge vrouw geeft hij niet meer.
+
+Gravin Märta heeft een woord gezegd, dat alle liefde in hem gedood
+heeft: "Zij heeft je om je geld genomen." Dat kan geen enkel man
+verdragen. Dat dooft alle liefde. Nu was 't hem onverschillig, hoe
+het de jonge vrouw ging. Als zijn moeder haar tot haar plicht terug
+kon brengen, des te beter. Graaf Henrik bewonderde zijn moeder zeer.
+
+De ellende duurde een maand lang. Maar die heele tijd was
+natuurlijk niet zoo stormachtig en bewogen, als het schijnt,
+wanneer de gebeurtenissen op een paar bladzijden bij elkaar gedrongen
+worden. Gravin Elisabeth moet voor het oog altijd heel kalm geweest
+zijn. Alleen toen ze hoorde, dat Gösta Berling dood zou zijn, was ze
+door haar ontroering overmeesterd. Maar zóó groot was haar berouw,
+omdat ze de liefde voor haar man niet had kunnen bewaren, dat ze
+waarschijnlijk zich door gravin Märta zou hebben laten doodplagen,
+als niet op een avond haar oude huishoudster met haar gesproken had.
+
+"Mevrouw de gravin moet met den graaf spreken," zei de oude. "Lieve
+hemel, mevrouw lijkt wel een kind. Mevrouw weet misschien niet eens
+wat haar wacht, maar ik zie wel hoe de zaken staan."
+
+Maar dàt kon ze juist haar man niet zeggen, nu hij zulk een vreeselijk
+wantrouwen tegen haar koesterde.
+
+Dien nacht kleedde zij zich stil aan en ging uit. Zij droeg een gewoon
+boerinnekostuum en had een pakje in de hand. Zij was van plan haar
+huis te verlaten en nooit terug te komen. Zij ging niet heen om smart
+en lijden te ontkomen. Maar nu geloofde zij, dat God haar een teeken
+gegeven had, dat ze heengaan mocht, omdat ze haar lichaamskracht en
+gezondheid bewaren moest.
+
+Ze ging niet naar 't Westen over 't meer, want daar woonde hij,
+dien ze liefhad. Ze ging ook niet naar 't Noorden, want daar woonden
+velen van haar vrienden, en ook niet naar 't Zuiden, want daar was
+haars vaders huis, en dat wilde zij geen stap nader komen. Maar ze
+ging naar het Oosten, want ze wist, dat ze daar geen tehuis had,
+geen geliefden vriend, geen mensch, dien ze kende, geen hulp of troost.
+
+Ze ging niet met een licht hart, want zij voelde zich niet verzoend met
+God. Maar toch was zij er blij om, dat zij den last van haar zonde in
+'t vervolg onder vreemden zou dragen. Hun onverschillige blikken zouden
+op haar rusten, verzachtend als ijs op een gezwollen lichaamsdeel.
+
+Zij zou loopen tot ze een armoedig huis aan den boschkant zag,
+waar niemand haar kende. "Ge ziet wel hoe 't met me gesteld is en
+mijn ouders hebben me weggejaagd," zou ze zeggen. "Geef me voedsel
+en kleeren en een dak boven mijn hoofd, tot ik zelf mijn brood kan
+verdienen. Ik heb nog wel wat geld."
+
+Zoo ging ze langzaam weg in den lichten Juninacht, want de maand Mei
+was onder haar bitter lijden voorbij gegaan.
+
+Ach, Meimaand! Schoone tijd, als de berkeboomen hun lichtgroen in
+het duister van het dennenbosch doen lichten, als de Zuidenwind weer
+komt, verzadigd van warmte. Ik schijn wel heel ondankbaar, meer dan
+anderen, die zich over uw gaven verheugen, heerlijke maand. Met geen
+enkel woord heb ik uw schoonheid geprezen. Ach, Meimaand, heerlijke
+lichte maand, hebt ge wel eens op een kind gelet, dat op moeders
+schoot zit en sprookjes hoort vertellen? Zoolang het kind hoort van
+wreede reuzen en het bitter lijden van schoone prinsessen, houdt het
+zijn hoofd omhoog en de oogen open; maar als de moeder van geluk en
+zonneschijn gaat vertellen, dan sluit de kleine de oogen en slaapt
+stil in met het hoofd aan haar borst.
+
+Zie, lieve Meimaand, zoo'n kind ben ik ook. Laat anderen luisteren naar
+verhalen van bloemen en zonneschijn, ik voor mij verkies de donkere
+nachten vol visioenen en avonturen; ik verkies de treurige levens,
+de smartelijke hartstochten van verdoolde harten.
+
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+HET IJZER VAN EKEBY.
+
+
+Het was voorjaar, en het ijzer van alle ijzermijnen van Wermeland
+moest naar Götaborg gezonden worden.
+
+Maar op Ekeby had men geen ijzer om te verzenden. In 't najaar was er
+gebrek aan water geweest; in 't voorjaar hadden de kavaliers geregeerd.
+
+In dien tijd schuimde het sterke bier langs de breede grauwe steenen
+trappen van den Björksjöwaterval, en het lange Löfvenmeer was niet
+meer met water, maar met brandewijn gevuld. In hun tijd werd er geen
+ijzer in den oven gelegd; maar de smeden stonden met schootsvel en op
+klompen voor het vuur, en draaiden onmetelijke stukken gebraad om aan
+'t lange spit, en de smidsjongens hielden met lange tangen gelardeerde
+kapoenen boven 't vuur. In die dagen ging er dans over de heuvels;
+men sliep op de schaafbank en speelde kaart aan het aanbeeld.
+
+In die dagen werd geen ijzer gesmeed.
+
+Maar het voorjaar kwam, en op de kantoren van de groothandelaars te
+Götaborg begon men op het ijzer van Ekeby te wachten. Men haalde de
+contracten voor den dag, die met den Majoor en de Majoorske gesloten
+waren en daarin stonden leveranties van vele honderden ponden genoemd.
+
+Maar wat gaven de kavaliers om de contracten van de Majoorske! Zij
+onderhielden de vreugde en 't vioolspel en de feesten. Zij zorgden
+er voor, dat de dans over de heuvelen ging.
+
+Er kwam ijzer van Stömne, er kwam ijzer van Sölje. Van Kymsberg werd
+ijzer aangevoerd over de heide naar 't Weenermeer.
+
+Van Uddeholm kwam ijzer en van Munkefors en van alle hoeven. Maar
+waar blijft het ijzer van Ekeby?
+
+Is Ekeby niet meer de grootste ijzermijn van Wermeland? Waakt niemand
+voor de eer van het oude goed?
+
+Dat is aan onverschillige kavaliers overgelaten, die den dans laten
+gaan over de heuvelen. Voor wat anders kunnen hun armzalige hersens
+zorgen?
+
+Maar waterval en beek, schuiten en pramen, havens en sluizen
+verwonderen zich en vragen: "Komt het ijzer van Ekeby niet?"
+
+En er wordt gefluisterd en gevraagd in berg en dal, in bosch en meer:
+"Komt het ijzer van Ekeby niet? Komt er nooit meer ijzer van Ekeby?"
+
+En diep in de bosschen lacht de kolenbranderij, en het is alsof de
+koppen van de groote hamers in de donkere smidse honend grijnzen;
+de groeven doen hun groote muilen open en schateren; de lessenaars
+op de kantoren van de groothandelaars, waarin de contracten met de
+Majoorske liggen, schudden van 't lachen.
+
+"Heb je ooit zoo iets geks gehoord? Ze hebben geen ijzer op Ekeby! O,
+in de beste mijn van heel Wermeland hebben ze geen ijzer!"
+
+Op, zorgeloozen! op, zwervers! Hoe kun jullie 't verdragen, dat zulk
+een schande over Ekeby komt?
+
+Zoo waarachtig je dat mooiste plaatsje op Gods groene aarde lief
+hebt, zoo waarachtig dat het doel is, waarnaar je verlangen uitgaat
+in den vreemde, zoo waarachtig je het niet noemen kunt onder vreemden
+zonder tranen in de oogen te krijgen, staat op kavaliers, en redt de
+eer van Ekeby!
+
+Nu, al hebben de hamers van Ekeby gerust, dan hebben ze toch wel
+gewerkt in de zes andere mijnen. Er moet genoeg ijzer zijn, meer
+dan genoeg!
+
+En Gösta Berling gaat op reis, om met de opzichters van de zes andere
+mijnen te spreken. Op Lögfors, dat dicht bij de Björksjöbeek even boven
+Ekeby lag, vond hij 't niet noodig te vragen. Dat lag al te dicht bij
+Ekeby en was geheel onder het beheer van de kavaliers geweest. Maar hij
+reed een paar mijl naar 't Noorden, naar Lötafors. Daar was 't mooi,
+dat was zeker! 't Boven-Löfvenmeer breidde er zich voor uit, en vlak
+er achter lag de Gurlita Klätt met zijn steilen top en zijn wild,
+romantisch aanzien, dat zoo goed bij een ouden berg past. Maar de
+smidse, die is niet in orde. Het drijfwerk is kapot en is 't geheele
+jaar kapot geweest.
+
+"Maar waarom is 't niet gemaakt?"
+
+"De timmerman, beste vriend, de timmerman, de eenige in den omtrek,
+die het maken kan, was op andere plaatsen in beslag genomen."
+
+"Maar waarom heb je hem geen boodschap gestuurd?"
+
+"Een boodschap! Alsof we niet den eenen bode na den anderen gezonden
+hebben! Elken dag! Maar hij kon immers niet komen! Hij had het te
+druk met het bouwen van kegelbanen en prieeltjes op Ekeby!"
+
+Toen werd het plotseling Gösta Berling duidelijk hoe 't hem op deze
+reis gaan zou.
+
+Hij trekt verder naar 't Noorden, naar Björnide. IJzer! Is er
+ijzer? Neen, natuurlijk niet! Zij hadden immers geen kolen gehad,
+en van Ekeby hadden ze geen geld voor de kolenbranders gekregen, noch
+mannen om de kolen te halen. 't Werk had den heelen winter stilgestaan.
+
+Dan gaat Gösta naar 't Zuiden. Hij komt bij Hän aan den oostelijken
+oever van 't Löfvenmeer, en bij Löfstafors, diep in 't bosch, en bij
+Elgfors--maar 't gaat hem daar niet beter. Nergens hebben ze ijzer,
+en overal schijnt het, dat het de schuld van de kavaliers is, dat er
+niets is.
+
+Dan gaat Gösta terug naar Ekeby. En de kavaliers zien met sombere
+gezichten naar de vijftig pond die in 't magazijn liggen, en ze
+buigen de hoofden van smart en schaamte, want zij hooren hoe heel
+de natuur honend om Ekeby lacht, en het komt hen voor, als beefde
+de aarde van snikken, als dreigden de boomen hen met booze gebaren,
+als klaagden gras en kruid--omdat het gedaan is met de eer van Ekeby.
+
+Maar waarom toch al dat gepraat en al die verwondering? Daar is het
+ijzer van Ekeby immers!
+
+Daar is het, op pramen geladen aan den oever van den Klarelv, klaar
+om de beek afgevoerd te worden, klaar om gewogen te worden op de
+ijzerwaag te Karlstad, klaar om op een Weener schuit naar Götaborg
+gebracht te worden. Dus de eer van Ekeby is gered.
+
+Maar hoe is dat mogelijk? Op Ekeby was immers niet meer dan vijftig
+pond ijzer; op de zes andere plaatsen was immers niets? Hoe is 't nu
+mogelijk, dat volgeladen pramen nu een ongehoorde menigte ijzer naar
+de waag te Karlstad kunnen brengen?
+
+Ja, dat moet ge de kavaliers vragen.
+
+De kavaliers zijn zelf aan boord van de zware, leelijke vaartuigen. Zij
+zijn van plan zelf het ijzer van Ekeby naar Götaborg te brengen. Geen
+gewone veerman mag meegaan. De kavaliers zijn zelf gekomen met
+flesschen en proviandkorven, met waldhoorn en viool, met geweren en
+vischsnoeren en kaarten. Zij willen alles voor hun dierbaar ijzer doen,
+en 't niet verlaten, eer het aan de kade te Götaborg gelost is. Ze
+willen zelf lossen en laden, op het zeil en het roer passen. Zij zijn
+juist de rechten om dat goed te doen. Is er wel een zandbank in de
+Klarelv of een rif in 't Weenermeer, dat zij niet kennen? Vat hun hand
+niet even zeker het roer of de talie als den strijkstok of den teugel?
+
+Geen van de kavaliers is thuis gebleven. Oom Eberhard heeft zijn
+schrijflessenaar verlaten, neef Christoffel kwam uit den hoek bij de
+kachel. Zelfs de stille Löwenborg ging mee. Niemand houdt zich terug,
+als het de eer van Ekeby geldt.
+
+Maar het is niet goed voor Löwenborg den Klarelv te zien. Hij heeft
+hem in zeven-en-dertig jaar niet gezien, en al dien tijd is hij niet
+meer in een boot geweest. Hij haat de glinsterende oppervlakte van
+het meer en de grijze beken. Hij denkt aan al te droevige dingen,
+als hij op het water komt, en daarom doet hij het liever niet. Maar
+vandaag kon hij niet tehuis blijven. Hij moest ook mee de eer van
+Ekeby te redden. Voor zeven-en-dertig jaar heeft hij zijn bruid in
+den Klarelv zien verdrinken, en sinds dien tijd is zijn arm hoofd
+vaak verward geweest.
+
+En terwijl hij daar staat en naar de beek ziet, beginnen zijn oude
+hersens meer en meer beneveld te worden. Die grauwe beek, die daar
+wegspoelt met zooveel kleine, blinkende golfjes, is een groote slang
+met zilveren schubben, die op roof loert. De hooge, gele zandmuren aan
+weerskanten zijn de wanden van een val. Op den bodem ligt de slang,
+en de breede landweg, die door den wand heen breekt en door mul zand
+naar 't veer loopt, waar naast de pramen vastliggen, is de ingang
+naar dat vreeselijk hol des doods.
+
+En de kleine, oude man staat met zijn blauwe oogjes te staren. Zijn
+lange, witte haren fladderen in den wind, en zijn wangen, gewoonlijk
+zachtrood, zijn doodsbleek van angst. Hij weet zoo zeker, of iemand
+'t hem gezegd heeft, dat er spoedig langs dien weg iemand komen zal
+en zich in den muil van de loerende slang werpen.
+
+Nu zijn de kavaliers gereed van wal te steken. Zij grijpen de lange
+stangen, om de pramen midden in den stroom te steken; maar daar roept
+Löwenborg, plotseling: "Houd op, om Godswil! Houd op!"
+
+Zij weten wel, dat hij weer verward wordt, omdat hij de praam onder
+zich voelt bewegen, maar onwillekeurig heffen zij de stangen nog niet
+op. En hij, die ziet, dat de beek op roof loert en dat er noodzakelijk
+een moet komen, om zich in haar muil te werpen, wijst waarschuwend
+naar den weg, alsof hij iemand komen ziet.
+
+Dit weten wij allen, dat 't leven vaak zulke toevalligheden meebrengt,
+als wat er nu volgen zal. Hij, die daar nog verbaasd over wezen kan,
+mag zich er over verwonderen, dat de kavaliers met hun pramen juist
+aan het meer bij Klarelv moesten liggen op den morgen na den nacht,
+toen Gravin Elisabeth haar tocht naar 't Oosten begon. Maar het zou
+nog veel wonderlijker geweest zijn, als de jonge vrouw geen hulp in
+haar nood had gevonden. Het trof nu zoo, dat zij, die den heelen
+nacht geloopen had, langs den weg kwam, die naar het veer leidde,
+juist toen de kavaliers van land wilden stooten. En zij bleven staan
+en zagen naar haar, terwijl zij met den veerman sprak en hij zijn boot
+losmaakte. Zij was gekleed als een boerenmeisje en zij vermoedden niet
+wie zij was. Maar zij keken haar toch aan, omdat zij er zoo bekend
+uitzag. Terwijl zij nu met den veerman stond te praten, werd er een
+stofwolk zichtbaar op den weg, en uit die stofwolk kwam een groote gele
+calèche te voorschijn. Zij begreep dadelijk, dat die van Borg kwam,
+dat zij haar zochten, en dat zij nu ontdekt zou worden. Zij kon er
+niet aan denken in de boot van den veerman weg te komen, en de eenige
+schuilplaats, die zij zag, waren de pramen van de kavaliers. Zij vloog
+er heen, zonder te zien wie er aan boord was. En 't was goed dat ze
+'t niet zag, want anders had zij zich liever onder de hoeven van de
+paarden geworpen, dan tot hen haar toevlucht te nemen.
+
+Toen ze aan boord was, riep ze alleen: "Verberg mij, verberg mij!" En
+toen struikelde zij en viel op het ijzer. Maar de kavaliers spraken
+haar moed in. Zij stootten snel van land, zoodat de pramen in den
+stroom kwamen en naar Karlstad dreven, juist toen de calèche bij den
+veerman kwam.
+
+In den wagen zaten gravin Märta en graaf Henrik. De graaf liep op den
+veerman toe om hem te vragen of hij de gravin gezien had. Maar daar
+hij een beetje verlegen was, omdat hij naar zijn weggeloopen vrouw
+moest vragen, zei hij alleen:
+
+"Er is iets weggeraakt."
+
+"Zoo?" antwoordde de veerman.
+
+"Er is iets weggeraakt. Ik vraag of je iets gezien hebt."
+
+"Waar vraagt u naar?"
+
+"Dat doet er niet toe; maar er is iets weggeraakt. Ik vraag of je
+iets over de beek hebt gezet vandaag."
+
+Maar op die manier kwam hij niets te weten, en gravin Märta moest zelf
+met den veerman spreken. Een minuut later wist zij, dat zij, die zij
+zochten aan boord van een van die langzaam voortglijdende pramen was.
+
+"Wat zijn dat voor menschen op die pramen?"
+
+"Och, dat zijn immers de kavaliers, zooals wij ze noemen."
+
+"O zoo!" zegt de gravin. "Ja, dan is je vrouw goed bewaard, Henrik. Dan
+kunnen we even goed dadelijk weer naar huis gaan."
+
+
+
+Maar op de pramen heerscht nu juist niet zulk een groote vreugde
+als gravin Märta meende. Zoolang de gele calèche in 't gezicht was,
+zat de verschrikte jonge vrouw in elkaar gedoken op de lading, zonder
+zich te verroeren of een woord te spreken. Zij staarde maar voor zich
+heen in 't water.
+
+'t Is zeer waarschijnlijk, dat zij de kavaliers pas herkende, toen
+zij de gele calèche had zien verdwijnen. Zij vloog op. 't Was alsof
+ze opnieuw vluchten wilde; maar zij werd door de naastbijstaanden
+teruggehouden en zonk toen zacht jammerend weer neer op de lading.
+
+En de kavaliers durfden niet tegen haar te spreken of haar iets te
+vragen. Zij zag er uit alsof zij aan den rand van den waanzin stond.
+
+De hoofden der zorgeloozen begonnen gebukt te gaan onder hun
+verantwoordelijkheid.
+
+Dat ijzer alleen was al een zware last voor hun ongeoefende schouders,
+en nu moesten ze bovendien nog op een jonge adellijke dame passen,
+die van haar man gevlucht was.
+
+Als ze die jonge vrouw op de winterfeesten ontmoet hadden, was 't
+dezen of genen onder hen gebeurd, dat hij aan een klein zusje dacht
+dat hij eens heel lief gehad had. Als hij met haar gespeeld had en zijn
+kracht gemeten, dan had hij haar voorzichtig moeten aanpakken; als hij
+met haar sprak, was hij gewoon op zichzelf te passen en geen leelijke
+woorden te gebruiken. Als een vreemde jongen onder 't spelen ruw tegen
+haar geweest was of leelijke liedjes voor haar gezongen had, dan had
+hij zich op dien jongen geworpen met grenzenlooze verbittering en hem
+half dood geslagen; want zijn zusje moest nooit iets leelijks hooren
+of verdriet hebben of kennis maken met slechtheid en onvriendelijkheid.
+
+Gravin Elisabeth was de vroolijke zuster van alle kavaliers
+geweest. Als zij haar handje in hun harde vuisten gelegd had, was het
+geweest alsof ze gezegd had: "Voel hoe zwak ik ben; maar u is mijn
+groote broer; u zult mij beschermen tegen anderen, tegen u zelf." En
+zij waren hoffelijke ridders geweest, zoolang zij haar gezien hadden.
+
+Nu zagen de kavaliers haar ontzet aan en herkenden haar nauwlijks. Zij
+was vervallen en vermagerd. Haar hals had zijn ronding verloren,
+haar gezichtje was doorschijnend. Zij had zich zeker gestooten op haar
+nachtelijke wandeling; want nu en dan siepelde er een bloeddroppel uit
+een wondje aan haar slaap, en haar licht krullend haar, dat over het
+voorhoofd hing, was aan elkaar gekleefd door bloed. Haar kleed was vuil
+na de lange wandeling op wegen, vochtig van dauw en haar schoenen zagen
+er treurig uit. De kavaliers hadden 't gevoel alsof zij een vreemde
+was. Die gravin Elisabeth, die ze gekend hadden, had niet zulke wilde,
+brandende oogen. Hun arm zusje was bijna tot waanzin gebracht. Het was
+alsof een ziel, uit een andere wereld neergedaald, met de werkelijke
+ziel streed om de heerschappij in dit gepijnigde lichaam.
+
+Maar zij behoeven zich niet te bekommeren over de vraag, wat zij met
+haar moeten doen.
+
+De oude gedachten worden bij haar wakker.
+
+Daar is de verzoeking immers weer. God wil haar opnieuw beproeven. Zie,
+nu is zij onder vrienden. Is zij nu voornemens den weg der boete
+te verlaten?
+
+Zij staat op en roept, dat ze weg moet.
+
+De kavaliers beproeven de gravin te kalmeeren. Zij zeggen haar, dat
+ze gerust kan zijn. Zij zullen haar voor alle vervolging beschutten.
+
+Zij smeekt in de kleine boot te mogen gaan, die zij achter de praam aan
+sleepen, aan land te mogen roeien en haar tocht alleen voort te zetten.
+
+Maar zij kunnen haar immers niet laten gaan. Wat moet er van haar
+worden? Het is beter, dat ze bij hen blijft. Wel zijn ze maar arme,
+oude lieden, maar zij zullen er wel wat op vinden haar te helpen.
+
+Dan wringt ze de handen en smeekt hen haar te laten gaan. Maar zij
+kunnen dat verzoek niet inwilligen. Ze zien, dat ze zoo zwak en
+ellendig is, dat ze op den weg sterven zal.
+
+Gösta Berling staat een eind van hen af en staart neer in 't
+water. Misschien wil die jonge vrouw hem liefst niet zien. Hij
+weet het niet, maar zijn gedachten spelevaren en juichen. "Nu weet
+niemand, waar ze is," denkt hij; "nu kunnen wij haar mee naar Ekeby
+nemen. Wij houden haar daar verborgen, wij kavaliers! en wij zullen
+goed voor haar zijn. Zij zal onze Koningin, onze heerscheres zijn,
+maar niemand zal weten, dat ze daar is. Wij zullen haar zoo goed
+bewaken, zóó goed! Misschien kan ze gelukkig bij ons worden: al de
+ouden zullen haar met liefderijke zorg, als een dochter behandelen.
+
+Hij heeft zich nooit durven afvragen of hij haar liefheeft. Hij
+kan haar niet tot de zijne maken zonder zonde, en hij wil haar niet
+neerhalen tot iets laags of slechts; dat was alles, wat hij wist! Maar
+haar op Ekeby te verbergen en goed voor haar te zijn, nu anderen
+slecht voor haar geweest zijn, haar al het goede te laten genieten wat
+'t leven maar geven kan, och, wat een droom, wat een zalige droom!
+
+Maar hij wordt daaruit gewekt, want de jonge gravin is wanhopend,
+en haar woorden hebben den snijdenden klank der vertwijfeling. Zij
+ligt op de knieën tusschen de kavaliers en smeekt weg te mogen gaan.
+
+"God heeft mij nog niet vergeven," roept zij; "laat mij gaan!"
+
+Gösta ziet, dat geen van de anderen in staat is haar te
+gehoorzamen. Hij ziet in, dat hij het doen moet. Hij, die haar
+liefheeft, hij moet het doen.
+
+Het was zwaar voor hem naar haar toe te gaan. 't Was of ieder lid
+van zijn lichaam er zich tegen verzette. Hij sleept zich naar haar
+voort en zegt, dat hij haar aan land wil zetten.
+
+Zij staat dadelijk op. Hij draagt haar in de boot en roeit met haar
+naar den oostelijken oever. Hij legt aan bij een klein plankje en
+helpt haar uit de boot.
+
+"Wat zal er nu van u worden, mevrouw de gravin?" zegt hij.
+
+Zij heft ernstig den vinger omhoog en wijst naar den hemel.
+
+"Als u ooit in nood komt...."
+
+Hij kan niet spreken; zijn stem begeeft hem, maar zij begrijpt hem
+en antwoordt:
+
+"Ik zal u bericht zenden, als ik u noodig heb."
+
+"Ik zou u zoo graag voor alle kwaad bewaren," zegt hij.
+
+Zij reikt hem de hand ten afscheid, en hij is niet in staat iets meer
+te zeggen. Haar hand ligt koud en slap in de zijne.
+
+Zij heeft geen oor voor iets anders dan voor de inwendige stemmen,
+die haar dwingen onder vreemden te gaan. Zij weet nauwlijks, dat het
+juist de man is, dien ze liefheeft, dien ze nu verlaat.
+
+En zoo laat hij haar gaan en roeit naar de kavaliers terug.
+
+Toen hij weer op de praam terugkwam, beefde hij van vermoeidheid,
+en zag er afgemat en zwak uit. Het was hem alsof hij 't zwaarste
+werk in zijn leven verricht had. Nog een paar dagen hield hij moed,
+tot de eer van Ekeby gered was. Hij bracht het ijzer naar de waag
+te Karlstad. Maar toen was het voor langen tijd uit met zijn kracht
+en levensmoed.
+
+De kavaliers merkten niets aan hem zoolang zij aan boord waren. Hij
+hield elke zenuw gespannen, om vroolijk en zorgeloos te schijnen;
+want door vroolijkheid en zorgeloosheid moest de eer van Ekeby worden
+gered. Hoe zou dit gewaagde spel gelukken, als zij begonnen waren
+met bekommerde gezichten en bedrukte harten?
+
+Als het nu waar is, wat het gerucht zegt, dat de kavaliers meer zand
+dan ijzer in de pramen hadden; als het waar is, dat ze onophoudelijk
+dezelfde stangen heen en weer naar de waag te Karlstad droegen, tot
+al de vele honderden ponden waren afgewogen--als het waar is, dat dit
+alles gebeuren kon, omdat de weger en zijn ondergeschikten zoo goed
+getracteerd werden uit de flesschen en de manden met proviand, die
+de kavaliers van Ekeby hadden meegenomen, dan kan men wel begrijpen,
+dat zij vroolijk moesten zijn op de ijzerpramen.
+
+Wie kan dat nu weten? Maar als het zoo was, is het zeker, dat Gösta
+Berling geen tijd had om te treuren.
+
+Gösta voelde niets van de vreugde van 't avontuur en 't gevaar. Zoo
+vaak hij durfde, zonk hij ineen van vertwijfeling.
+
+"Ekeby! Land, dat ik liefheb," sprak hij dan in zichzelf, "dat uw
+eer strale over de wereld!"
+
+Zoo spoedig de kavaliers de quitantie van den weger hadden gekregen,
+laadden zij hun ijzer op een Weener schuit. Gewoonlijk werd dit door
+schippers gedaan, die ook het ijzer naar Götaborg vervoerden. De
+eigenaars van de mijnen in Wermeland bekommerden zich in den regel
+niet verder om hun ijzer, als ze de quitantie van den weger hadden.
+
+Maar de kavaliers wilden niets ten halve doen. Zij wilden hun ijzer
+zelf naar Götaborg brengen. Op weg trof hen een ongeluk. Er brak in
+den nacht een storm los; de schuit dreef af door den wind en de golven,
+stootte op een klip en zonk met heel zijn kostbare lading. De waldhoorn
+en 't kaartspel en de volle wijnflesschen zonken mee. Maar als men er
+goed over dacht, deed het er niet zooveel toe, dat het ijzer verloren
+ging. De eer van Ekeby was toch gered. Het ijzer was gewogen op de
+waag te Karlstad. En al moest nu de Majoor aan de groothandelaars
+te Götaborg schrijven, dat, nu zij hun ijzer niet gekregen hadden,
+hij ook hun geld niet hebben wou, dit deed er eigenlijk ook niet toe,
+want Ekeby was zoo rijk, en de eer van 't goed was toch gered!
+
+Maar als nu havens en sluizen, slooten en kolenbranderijen, schuiten
+en pramen wonderlijke dingen beginnen te fluisteren? Als er nu een dof
+gesuis door de bosschen gaat dat de heele vaart bedriegerij was? Als
+men nu in heel Wermeland beweert, dat er nooit meer dan die ellendige
+vijftig pond op de pramen geweest is, en dat de schipbreuk met opzet
+veroorzaakt is? Dan is er een slimme streek uitgevoerd, een echte
+kavalierstreek! Dat schaadt de eer van het oude goed niet.
+
+Maar het is nu zoo lang geleden. 't Kan immers best zijn, dat de
+kavaliers op andere plaatsen ijzer gekocht hebben, of dat ze iets in
+een of ander pakhuis gevonden hebben, waar ze eerst niet van wisten. In
+zulke dingen komt men nooit achter de waarheid. De weger wilde er
+tenminste niet van hooren dat bedrog mogelijk geweest was. En hij zou
+'t toch wel weten.
+
+Toen de kavaliers thuis kwamen, hoorden ze groot nieuws. 't Huwelijk
+van graaf Dohna zou ontbonden worden. De graaf had zijn hofmeester
+naar Italië gezonden, om bewijzen te halen, dat het huwelijk onwettig
+was. Hij kwam in den zomer met voldoende inlichtingen terug. Waarin
+die nu eigenlijk bestonden, weet ik zoo precies niet meer. Men
+moet voorzichtig zijn met die oude verhalen. Ze zijn als half
+verdorde rozen; de bladen vallen licht uit, als men ze te stevig
+aanpakt. De menschen zeggen, dat het huwelijk in Italië niet door
+een werkelijken priester is gesloten. Ik weet er ook niet meer van,
+dan dat de rechtbank te Bro het huwelijk van Graaf Dohna en Elisabeth
+van Thurn verklaarde nooit een wettig huwelijk te zijn geweest.
+
+Maar daar wist de jonge vrouw toch niets van. Zij leefde onder de
+boeren, ver van daar. Als zij ten minste nog leefde.
+
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+'T HUIS VAN LILJECRONA.
+
+
+Er was onder de kavaliers een, die ik dikwijls een groot musicus
+genoemd heb. Hij was een groot, zwaargebouwd man, met een groot hoofd
+en zwart ruig haar. Hij was toen zeker niet veel ouder dan veertig
+jaar, maar had een grof gezicht en iets kalms. Dat maakte, dat men hem
+voor ouder aanzag dan hij was. Hij was een goed man, maar droefgeestig.
+
+Op een namiddag nam hij zijn viool onder den arm en ging weg van
+Ekeby. Hij nam van niemand afscheid, maar toch was hij niet van plan
+ooit weerom te komen. Hij walgde van 't leven daar, van 't oogenblik
+af, dat hij gravin Elisabeth in haar ongeluk gezien had. Hij liep door
+zonder te rusten dien avond en den heelen nacht, tot hij 's morgens
+vroeg tegen zonsopgang aan een kleine hoeve kwam: Löfdala genoemd,
+die hem toebehoorde.
+
+'t Was zoo vroeg, dat er nog niemand op was. Liljecrona ging
+zitten op de groene wipplank voor 't hoofdgebouw en keek naar zijn
+bezittingen. Lieve hemel, er was toch geen mooier plekje op de
+wereld. 't Grasveld voor 't huis lag op een zachte helling en was
+met fijn lichtgroen gras bedekt.
+
+Er was geen tweede grasveld zoo mooi als dit. De schapen mochten er op
+grazen, en de kindren er op spelen met hun speelgoed, 't bleef altijd
+even groen en frisch. 't Werd nooit gemaaid, maar minstens eens in de
+week liet de huismoeder alle stokjes en strookjes en verdorde bladen
+wegvegen uit het frissche gras.
+
+Hij keek naar de paden voor 't huis en trok plotseling zijn voeten
+terug. De kinderen hadden er den vorigen avond mooie patroontjes
+in geharkt en zijn groote voeten hadden 't kunstwerk al niet weinig
+beschadigd.
+
+Wat groeide toch alles hier. De zes vogelbessenboomen, die de plaats
+als 't ware bewaakten, waren zoo hoog als beuken en zoo breed van
+kroon als eiken. Zulke boomen waren zeker nergens te vinden. Prachtig
+waren ze met hun dikke stammen, met geel mos begroeid en met groote
+witte bloemtrossen, die uit het donkere loof staken. Hij moest aan
+den hemel met zijn sterren denken.--'t Was toch wonderlijk zooals
+de boomen daar op de plaats groeiden. Daar stond een oude wilg,
+zóó dik, dat twee man hem niet omspannen konden. Nu was hij hol en
+gespleten en de bliksem had hem den top afgeslagen, maar hij wilde
+niet doodgaan. Ieder voorjaar schoot een bos frissche takken uit den
+geknakten hoofdstam, om te toonen, dat hij leefde. De lijsterbes aan
+den oostelijken gevel was zoo groot geworden, dat hij 't heele huis
+overschaduwde; 't heele dak was wit van de afgevallen bloem-bladen,
+want de boom was al uitgebloeid. En de berken, die in kleine groepen
+hier en daar op 't veld stonden, zij waren op zijn hoeve in hun
+paradijs. Zij groeiden daar op zooveel verschillende manieren, alsof
+ze afgesproken hadden andre boomen na te apen. De een leek op een
+linde, dicht van loof, met een groote kroon, een ander stond rank,
+als een pyramide, gevormd als een populier, en een ander weer liet
+zijn takken hangen als een treurwilg. Er waren er geen twee gelijk;
+maar prachtig waren ze allemaal.
+
+Toen stond hij op en liep om het huis. Daar lag de tuin, zoo wonderlijk
+mooi, dat hij onwillekeurig bleef staan en diep ademhaalde.
+
+De appelboomen bloeiden. Dat wist hij immers wel. Dat had hij immers
+op alle hoeven gezien, 't was alleen maar, dat ze nergens zóó bloeiden
+als hier in dezen tuin, waar hij ze al had zien bloeien van toen hij
+nog klein was, af.
+
+Hij liep met gevouwen handen en heel voorzichtig de paden op
+en neer. De aarde was wit en de boomen waren wit, hier en daar
+met een tintje bleek rood. Zoo iets heerlijks had hij nog nooit
+gezien! Hij kende iederen boom, zooals men zijn broers en zusters
+en schoolkameraden kent. De astrakan-appelboom was heelemaal wit,
+dat was ook een winterappel. Maar de bloesems van de zomerappels
+waren bleek-rood en die van de paradijsappels heelemaal rood.
+
+'t Allermooist was de oude wilde appelboom, die niet geënt was, waarvan
+de kleine, wrange appels niet te eten waren. Die was niet zuinig op
+zijn bloesems. Hij leek wel een groote sneeuwberg in de morgenzon.
+
+Denk er om, 't was morgen en heel vroeg!
+
+De dauw deed alle bladen glinsteren, al 't stof was weggespoeld. Over
+de met bosschen bekleede bergen, waar de hoeve dicht bij lag, kwamen
+de eerste zonnestralen aansluipen. 't Leek wel alsof ze de dennetoppen
+in brand gestoken hadden. Over de frissche klavervelden, over rogge
+en gerstvelden en over den jongen haver lagen de fijnste nevels als
+doorzichtige sluiers en de schaduwen waren nog scherp geteekend--als
+bij maneschijn.
+
+Hij stond stil en keek naar de groote groentebedden tusschen de
+paden. Hij wist, dat de huismoeder en de meisjes daaraan gewerkt
+hadden. Ze hadden gegraven, geharkt, gemest en gewied en den grond
+bewerkt tot die fijn en licht werd. Toen ze 't bed glad gemaakt en de
+kanten scherp afgezet hadden, hebben ze touwtjes en stokjes genomen
+en 't in strepen en vierkanten verdeeld. Toen hebben ze de paden
+vastgetrapt en gezaaid en geplant tot alle strepen en vierkanten vol
+waren. En de kinderen hebben meêgedaan en waren een en al ijver en
+pret, hoewel 't een zwaar werk voor hen was, gebogen te staan en de
+armen over de breede bedden te rekken. En ongelooflijk goed hebben
+ze geholpen, dat kan ieder wel begrijpen.
+
+Nu begonnen de plantjes op te komen!
+
+Wat stonden ze daar allerliefst, de erwten en boonen met hun twee
+dikke zaadlobben en hoe mooi gelijk kwamen de worteltjes en raapjes
+op. 't Alleraardigste waren de kleine gekroesde peterselieblaadjes,
+die de aarde boven zich ophieven, alsof ze nog verstoppertjes met
+het leven speelden.
+
+En hier was een klein bedje, waar de strepen niet heel gelijk op waren
+en waar de kleine vierkantjes er uit zagen als een staalkaart van alles
+wat er geplant en gezaaid kon worden. Dat was de tuin van de kinderen.
+
+Liljecrona zette vlug de viool aan de kin en begon te spelen. De
+vogels begonnen te zingen in 't hooge kreupelhout, dat den tuin voor
+den noordenwind beschutte. 't Was niet mogelijk te zwijgen voor al
+wie een stem had, zoo heerlijk was de morgen. De strijkstok bewoog
+zich van zelf.
+
+Liljecrona ging op en neer in de paden en speelde. "Neen," dacht hij,
+"mooier dan hier is 't nergens. Wat is Ekeby met Löfdala vergeleken?"
+
+Zijn huis is met graszoden gedekt en maar éen verdieping hoog. 't
+Lag aan den zoom van 't woud, met den berg achter zich en 't lange
+dal voor zich. Er was niets bijzonders aan te zien. Er was geen meer,
+geen waterval, geen strand en geen park, maar het was toch mooi! 't
+Was mooi omdat het een goed, vreedzaam thuis was. Daar was 't leven
+licht. Alles wat elders bitterheid en haat gebaard zou hebben, werd
+daar met zachtheid verholpen. Zoo moest het zijn in een tehuis.
+
+Binnen in 't huis ligt de huismoeder te slapen in een kamer, die op den
+tuin uitziet. Ze wordt plotseling wakker en luistert, maar ze beweegt
+zich niet. De muziek komt al dichter en dichter bij en eindelijk
+is het, alsof de speelman onder haar venster blijft staan. 't Is
+niet de eerste keer, dat ze die viool onder haar venster hoort. Zóó
+pleegt haar man te komen, als ze op Ekeby een ongewoon wilden streek
+hebben uitgehaald.
+
+Hij staat daar en biecht en vraagt om vergeving. Hij vertelt haar van
+de duistere machten, die hem weglokken van wat hij 't liefste heeft:
+van haar en de kinderen. Want hij heeft hen lief. Waarachtig! Hij
+heeft hen lief.
+
+Terwijl hij spreekt, staat ze op en kleedt zich aan, zonder eigenlijk
+te weten, wat ze doet. Ze is geheel verdiept in zijn spel.
+
+"'t Zijn geen weelde, geen uitspattingen, die me weglokken,"
+speelt hij. "Geen liefde voor andere vrouwen, geen eer, maar de
+bekoorlijke veelzijdigheid van 't leven. Ik moet er al de schoonheid,
+de bitterheid, den rijkdom van voelen om mij heen. Maar nu heb er
+genoeg van, ik ben moe en verzadigd. Ik wil mijn huis niet meer
+verlaten. Vergeef me, heb geduld met me."
+
+Dan trekt ze 't gordijn op zij en hij ziet haar mooi, goed gezicht.
+
+Ze is goed en ze is verstandig. Haar oogen brengen, als de zon, zegen
+over alles wat ze bestralen. Zij bestuurt en bewaakt het huis. Waar zij
+is, moet alles groeien en gedijen. Zij draagt het geluk met zich meê.
+
+Hij springt op de vensterbank bij haar en is gelukkig als een
+bruidegom.
+
+En hij licht haar op in zijn armen en zet haar in den tuin onder de
+appelboomen. Daar zegt hij haar hoe mooi alles is en wijst haar de
+groentebedden en de tuin van de kinderen en de aardige, vroolijke
+peterselieblaadjes.
+
+Als de kinderen wakker worden is er groote verrukking en luid gejubel,
+omdat vader gekomen is. Ze leggen beslag op hem. Hij moet al het
+nieuwe en merkwaardige zien, 't kleine molentje, dat ze aan de beek
+gemaakt hebben, 't vogelnestje in den wilgenboom en de kleine karpers
+in den vijver, die bij duizenden in den waterspiegel zwemmen.
+
+En dan maken vader, moeder en alle kinderen een lange wandeling over
+de velden.
+
+Hij moet zien, hoe dik de rogge staat, hoe de klaver groeit en hoe
+de aardappelen hun gekrulde bladen beginnen op te steken uit de aarde.
+
+Hij moet de koeien zien, als ze thuis komen van 't veld, de jonggeboren
+kalfjes en lammetjes begroeten, naar eieren zoeken en alle paarden
+suiker geven.
+
+De kinderen hangen den heelen dag aan zijn arm. Geen lessen, geen werk,
+maar alleen met vader rondzwerven.
+
+En 's avonds speelt hij polka's voor hen en den heelen dag is hij
+zulk een vriend en speelkameraad voor hen, dat ze in slaap vallen
+met het smeekend verzoek of vader nu altijd bij hen blijven wil.
+
+Hij blijft ook acht heele dagen en is al dien tijd gelukkig als een
+kind. Hij is verliefd op alles thuis, op vrouw en kinderen en denkt
+niet aan Ekeby.
+
+Maar dan komt er een morgen, dat hij weer weg is. Hij kon het niet
+langer dragen, het was te veel geluk voor hem.
+
+Ekeby was duizendmaal minder; maar Ekeby lag midden in den stroom der
+groote gebeurtenissen. Och! wat was daar veel om over te droomen en te
+musiceeren. Hoe kon men toch leven zonder de heldendaden der kavaliers
+en het lange Löfvenmeer, waar de wilde jacht van het avontuurlijke
+om heen bruischte.
+
+Op zijn hoeve ging alles den ouden rustigen gang. Alles groeide
+en gedijde onder de zorg van de vriendelijke huismoeder. Allen
+daar op de hoeve waren stil gelukkig. Alles wat op andere plaatsen
+tweedracht en bitterheid gebaard zou hebben, ging daar zonder klacht
+of verdriet. Alles was zooals 't behoorde. Als nu de heer des huizes
+verlangde als kavalier op Ekeby te leven, wat zou dat? Helpt het wat
+er over te klagen, dat de zon 's avonds in 't westen ondergaat en de
+aarde in duisternis achterlaat?
+
+Wie is onbedwingbaar zonder onderwerping! Wie is zeker van overwinning
+zonder geduld!
+
+
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+DE HEKS VAN DOVRE.
+
+
+De heks van Dovre gaat langs den oever van 't Löfvenmeer. Men heeft
+haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een
+kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van
+de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van
+de rotsen in de groene dalen?
+
+Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de
+bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige
+weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden
+zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van
+boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand
+nauwelijks meer te onderscheiden is door 't eeuwenoude vuil. Ze stopt
+haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er
+pleizier in haar wat te geven;--ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg.
+
+Ze is oud. Hoe lang is 't wel geleden, dat de lichte glans der
+jeugd lag over 't breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;--over
+den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als
+gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is 't geleden, dat ze als een
+klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen
+antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen
+geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij
+niet door 't land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen
+zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf,
+heb haar zelf gezien.
+
+Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt
+nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in 't grint van
+den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet
+de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan
+veel kwaad, maar weinig goed doen. 't Is 't beste haar te vriend te
+houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt
+uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind
+sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand.
+
+Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met
+een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet
+enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen
+haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en
+afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te
+voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel.
+
+Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En
+dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die
+verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze
+zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over
+'t meer, stormknoopen kan ze binden.
+
+Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van
+de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor
+haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige
+goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de
+wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval,
+kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van
+de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen
+van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame
+woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik,
+dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten,
+zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt,
+zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van
+de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn
+macht als zij van 't rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de
+heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen,
+en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat
+ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op;
+ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde
+paden, even kalm alsof ze op 't bergpad wandelt.
+
+Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de
+pracht van den Junidag te genieten.
+
+Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar
+de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt
+wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich
+in. "Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?" zeggen de meisjes,
+"en eens ruiken of die genoeg gerookt is?"
+
+Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning
+van de trap van 't terras en ziet naar den ham, maar op 't zelfde
+oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen.
+
+Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die
+frissche lucht van pas gerookten ham. 't Is godenspijs! Die moet de
+heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham.
+
+De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het
+niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven?
+
+Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom
+past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op
+wat ze wenscht en dat is het hare.
+
+Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. "Weg,
+bedelaarster!" zegt ze.
+
+"Geef mij dien ham," zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen.
+
+"Je bent dwaas!" riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in
+de provisiekamer te brengen.
+
+De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van
+begeerte. "Geef mij dien bruinen ham!" herhaalt ze, "of je zult er
+berouw van hebben."
+
+"'k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent."
+
+Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en
+zwaait die wild.
+
+Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge,
+haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken.
+
+"Jou zelf zullen de eksters opvreten!" schreeuwt ze eindelijk.
+
+En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar
+staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar 't zuiden gaat
+ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de
+bergen naar 't dal trok.
+
+Gravin Märta blijft op 't terras staan en lacht om haar onredelijke
+boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar
+komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze
+droomt; maar ze komen--de eksters die haar zullen verslinden. Uit
+'t park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters
+bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar
+te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels
+schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle
+eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en
+zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De
+staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner
+kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel
+en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de
+deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl
+de schreeuwende eksters buiten rondvliegen.
+
+Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid
+van den zomer en van 's levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet
+meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was
+er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde.
+
+Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar
+zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen
+willen, dat zóó de sage luidt.
+
+De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op 't dak. Ze
+zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou
+om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in 't park en bleven
+daar. 't Was onmogelijk ze te verjagen van 't landgoed. Als men op
+ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel,
+kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen
+weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten
+achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit
+een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof--dan kwamen
+ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar 't woonhuis met
+bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in
+'t huis.
+
+Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal
+uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in
+dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd
+werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den
+grond, sluipende, fluisterende menschen.
+
+In 't hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid
+kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw.
+
+Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht;
+'s nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep,
+dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen
+over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit
+angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen
+en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen
+en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht
+en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit.
+
+Geen menschenlot kon bitterder zijn.
+
+Wie kan laten haar te beklagen?
+
+Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb,
+was niet veel goeds. 't Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was
+toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk
+verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek
+geen plaats vonden.
+
+Maar 't is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel
+altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En
+als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst
+anderen en dan zich zelf.
+
+
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+HET ZOMERFEEST.
+
+
+'t Was midden in den zomer, evenals nu ik dit schrijf. De heerlijkste
+tijd van het jaar was gekomen.
+
+In dien tijd werd Sintram, de booze eigenaar van Fors, angstig en
+treurig. Hij ergerde zich over de overwinning van 't licht en de
+nederlaag van de duisternis.
+
+Hij was boos over den mantel van bladen, dien de boomen hadden
+omgeslagen en over 't bontgekleurde kleed, dat de velden bedekte.
+
+Alles hulde zich in schoonheid. Zelfs de weg, hoe nat en vuil hij
+ook was, werd met bloemen omzoomd, met gele en paarse bloemen.
+
+Toen de pracht van den langsten dag over de bergen lag en 't klokgelui
+uit de kerk van Bro door den wind naar Fors gedragen werd, stond
+Sintram op in toorn. 't Scheen hem alsof God en menschen waagden hem
+te vergeten en hij besloot ook naar de kerk te gaan.
+
+Zij die over den zomer jubelden, zouden eens zien dat hij er nog
+was, hij Sintram, die de duisternis zonder morgen, den dood zonder
+opstanding, den winter zonder lente liefheeft.
+
+Hij deed zijn wolvenpels aan en de ruige bonten wanten. Hij liet zijn
+rood paard voor de kapslee spannen en liet bellen aan 't glanzende,
+fraai versierde tuig hangen. En gekleed alsof er een kou van dertig
+graden heerschte reed hij naar de kerk. Hij meende, dat het knarsen
+onder de slee van de scherpe kou kwam. Hij meende dat 't witte schuim
+op den rug van 't paard rijp was. Hij voelde geen warmte. Van hem
+ging kou uit, zooals warmte uitstraalt van de zon.
+
+Hij reed over de groote vlakte ten noorden van Bro. Groote, welvarende
+dorpen kwam hij voorbij en velden, waarboven de zingende leeuwerikken
+fladderden. Nooit heb ik de leeuwerikken hooren zingen als over die
+velden. Dikwijls heb ik er me over verwonderd hoe hij doof kon zijn
+voor die honderden zangers.
+
+Veel moest hij voorbij op zijn weg wat hem geërgerd zou hebben, als
+hij er naar gekeken had. Hij zou dan voor elke deur twee wuivende
+berken gezien hebben en door open vensters zou hij in kamers gezien
+hebben, waarvan de wanden en den zolder met bloemen en groen versierd
+waren. 't Armste bedelkind liep op den weg met een tak seringen in
+de hand en elke boerenvrouw had een bouquetje in haar zakdoek gestoken.
+
+Meiboomen met verwelkte bloemen en slap hangende kransen stonden op
+de hoeven. Daaromheen was het gras plat getrapt, want de vroolijke
+dansmuziek had er geklonken in den zomernacht.
+
+Beneden op 't Löfvenmeer wemelde 't van houtvlotten. De kleine witte
+zeilen waren opgeheschen ter eere van den dag, hoewel de wind ze niet
+deed zwellen en elke masttop droeg een groenen krans.
+
+Op de vele wegen die naar Bro voerden, kwamen de kerkgangers
+aanwandelen. De vrouwen waren vooral fraai uitgedoscht in haar lichte
+zelfgeweven zomerkleeren, die juist voor dien dag gemaakt waren.
+
+Allen waren in feestgewaad.
+
+En de menschen waren een en al vreugde over de vrede van den
+heiligendag en de rust na het werk van de week, over de liefelijke
+warmte, over den veelbelovenden oogst en de aardbeien, die aan de
+kant van 't pad al rood begonnen te worden. Zij letten op de stilte
+in de lucht, den hemel zonder wolken en 't gezang van den leeuwerik
+en zeiden:
+
+"Is 't niet alsof dit een dag des Heeren is?"
+
+Daar kwam Sintram aanrijden. Hij vloekte en zwaaide de zweep over
+het steigerende paard. 't Zand knarste leelijk onder zijn slee,
+'t gerinkel van zijn bellen verdrong 't luiden van de kerkklok.
+
+Zijn voorhoofd was in toornige rimpels samengetrokken onder de
+pelsmuts.
+
+De kerkgangers rilden en meenden, dat ze den Booze zelf gezien
+hadden. Zelfs vandaag op 't zomerfeest konden zij 't booze en de
+koude niet vergeten. Bitter is 't lot van hen, die hier op aarde zijn.
+
+De menschen, die in de schaduw van de kerk stonden, of op den muur van
+'t kerkhof zaten te wachten op 't begin van de godsdienstoefening,
+zagen hem met stille verwondering aan, toen hij naar de kerkdeur
+ging. Zoo pas nog had de heerlijke dag hun hart met vreugde over 't
+leven vervuld; toen ze Sintram zagen, kwam een voorgevoel van onheil
+over hen.
+
+Sintram trad de kerk in en nam plaats in zijn stoel, sloeg met zijn
+wanten op de bank, zoodat 't gerammel van de wolfsklauwen, die aan
+de pels genaaid waren, door de heele kerk klonk. En enkele vrouwen,
+die al op de voorste banken hadden plaats genomen, vielen flauw en
+moesten weggedragen worden.
+
+Maar niemand waagde 't Sintram te verjagen. Hij stoorde hun aandacht,
+maar allen waren te bang voor hem, dan dat iemand hem durfde te
+bevelen de kerk te verlaten.
+
+Vergeefs sprak de oude predikant over de lichtende hoogtij van den
+zomer. Niemand luisterde naar hem. De menschen dachten alleen aan
+'t booze en aan de kou en aan 't onheil, dat de booze grondeigenaar
+over hen brengen zou.
+
+Toen de godsdienstoefening voorbij was zag men den booze naar de
+helling gaan waar de kerk van Bro ligt. Hij zag neer op het water
+en volgde het voorbij de pastorie tot waar het in 't Löfvenmeer
+valt. En men zag hoe hij de vuist balde en die schudde tegen 't
+bovenste gedeelte van 't meer en zijn groene oevers. Daarop gleden
+zijn blikken zuidwaarts over 't benedenmeer tot aan de blauwende
+landtongen, die 't meer schenen af te sluiten. En voorwaarts vlogen
+ze, mijlen ver voorbij Gurlita Klätt tot Björnide waar 't meer
+ophoudt. Hij zag naar 't westen en 't oosten waar de hooge bergen
+'t dal omzoomen en hij balde opnieuw de vuist. En ieder voelde, dat
+als hij een bundel bliksemstralen in zijn rechterhand gehad had,
+hij die met woeste blijdschap over 't rustige land geslingerd zou
+hebben en dood en ellende verspreid zoover hij kon. Want nu had hij
+zijn hart zoozeer aan 't kwaad gewend, dat hij alleen in jammer en
+smart behagen schepte. Langzamerhand had hij zich gewend al wat laag
+en leelijk was lief te hebben; hij was krankzinniger dan de meest
+woeste waanzinnige; maar dat begreep niemand.
+
+Er gingen na dien dag wonderlijke verhalen door 't land. Er werd
+gezegd, dat toen de kerkknecht de kerk kwam sluiten, de kop van den
+sleutel brak, omdat een hard samengevouwen papier in het sleutelgat
+stak. Hij gaf het aan den proost. Het was, zooals men wel begrijpen
+kon, een brief, een waarschuwing uit de andere wereld.
+
+Men fluisterde over den inhoud. De proost had het papier verbrand,
+maar de kerkknecht was er bij geweest toen het duivelstuig brandde. De
+letters hadden rood op zwarten grond gegloeid. Hij kon niet laten
+het te lezen.
+
+Hij las, zei men, dat de Booze 't land verwoesten zou, zoover men
+den kerktoren van Bro kon zien. Hij wilde 't woud de kerk zien
+verdringen. Hij wilde de beren en raven zien huizen in de woningen
+der menschen.
+
+De akkers zouden braak liggen, en men zou geen hond of haan op de
+velden hooren. De Booze zou zijn heer dienen door leed over alle
+menschen te brengen. Dat was wat hij beloofde.
+
+En de menschen wachtten in stille vertwijfeling op de dingen, die komen
+zouden; want zij wisten, dat de macht van den Booze groot was, dat hij
+al wat leefde haatte, dat hij verwildering wilde zien komen over 't
+dal en gaarne oorlog of pest of hongersnood te hulp zou roepen om ieder
+te verdrijven, die den gezegenden, vreugde brengenden arbeid liefhad.
+
+
+
+
+
+
+
+XX.
+
+VROUW MUSICA.
+
+
+Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de
+jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken
+bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen
+troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal
+te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en
+de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele,
+zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken
+werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas
+van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit
+marmeren tafels mochten weer schitteren in 't licht; de witte godinnen
+dansten weer in 't zwarte veld boven de spiegels; de verschillende
+bloemen in 't zijden damast glinsterden in 't avondrood. Er werden
+rozen geplukt en in 't water gezet, en de geheele zaal werd met hun
+geur vervuld. 't Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende
+en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele
+rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en
+roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren,
+die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode
+met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen,
+die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen
+te verlustigen.
+
+Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen
+instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want
+nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta
+Berling te troosten.
+
+Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de
+kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en
+ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen;
+anders zouden ze immers geen kavaliers zijn.
+
+Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is
+voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige
+zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is
+immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het
+beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij
+is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de
+ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben.
+
+En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna
+onhoorbaar suizen.
+
+De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den
+bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers
+spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over
+de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn
+lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange
+fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan
+slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok.
+
+'t Gaat goed, 't gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf
+te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve
+vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde,
+waar hij thuis behoort.
+
+Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit,
+en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is
+'t voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland.
+
+Ik weet waarom de ouden hem liefhadden.
+
+Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de
+duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan
+wel begrijpen hoe het was als hij kwam.
+
+Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten
+traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in
+de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een
+enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor,
+een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend.
+
+Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de
+sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer
+in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij
+doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude
+snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij
+maakt alle huisgenooten gelukkig.
+
+Hij had het nooit koud en was nooit moe.
+
+De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch
+een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja,
+men moest de ouden over hem hooren spreken.
+
+'t Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de
+goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze
+vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk
+daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw.
+
+En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. "Ga maar voor
+de piano zitten, Gösta Berling," zeide hij, "daar doe je 't meeste
+nut." En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje
+gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude,
+verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen
+den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo
+dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in,
+en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op,
+sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar
+was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch.
+
+De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei
+ze: "Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo
+dwaas maken."
+
+Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw
+Musica's poging om hem op te wekken. Misschien was hij 't allerliefst
+met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de
+muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het
+zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen
+pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd
+is. 't Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn.
+
+En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt
+het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en
+schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende
+tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt
+als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer.
+
+Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers
+moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een
+van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht
+en doet koeien en schapen na.
+
+Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling
+met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt
+hij hun de waarheid.
+
+"Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad
+uitricht hier in de wereld," zegt hij, "dan moet jullie, kavaliers,
+toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie
+zijn, moesten zich daarvoor wachten!"
+
+Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet
+laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en
+beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat
+helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel
+van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling
+herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder
+de kavaliers heeft.
+
+Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft
+in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij
+sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan
+en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen.
+
+Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop
+hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij
+uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten
+gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt
+hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade
+bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd
+heeft.
+
+Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan
+zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst.
+
+Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende
+instrument, waarop zooveel polka's getrommeld worden, is voor hem
+een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk
+ding met de vele snaren, die aan 't werk van den grooten meester leven
+kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk
+hoort hij de andantes en de scherzo's daarbinnen bruisen. Ja, de piano
+is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar
+hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo
+rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit
+den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid
+die voor hem open te doen.
+
+Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes
+op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het
+heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en
+jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen
+klank laten hooren.
+
+Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen
+is. Hij zal moed vatten en 't heiligdom aanroeren en zijn jongen heer
+en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid
+te verheugen.
+
+Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en
+verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door,
+beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het
+voorhoofd, doet het over--en slaat dan de handen voor 't gezicht
+en schreit.
+
+Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. 't Heiligdom is immer
+geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te
+droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende
+orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs
+vervulden, is er overgebleven. 't Is een oude, rammelende piano en
+anders niet.
+
+Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt
+Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de
+geschilderde toetsen.
+
+"Ziehier, Löwenborg," zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, "hier
+is je piano. Speel nu voor Gösta."
+
+En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor
+zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden.
+
+In 't hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan
+niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta
+merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt.
+
+Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige
+moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem
+hooren kon.
+
+Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen
+toon met bovenaardsche kracht.
+
+"o Smart," speelt hij, "waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw
+lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw
+blik versteent?"
+
+"o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde
+moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij
+verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde
+u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig.
+
+"Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar
+verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht
+in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige,
+onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met
+sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen
+verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een
+brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde,
+en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u
+heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op
+de fluit. Het was zalig u te zien.
+
+"Maar gij verdweent, ach, gij verdweent.
+
+"En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde
+volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn
+klachten waren als 't gebrul van een wild dier, als de donder van
+den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de
+groene aarde.
+
+"Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen
+komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende,
+dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed.
+
+"o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet
+liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier
+liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?"
+
+Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en
+geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken,
+en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden.
+
+Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie;
+maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar,
+die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht
+er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in
+lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad,
+verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn
+houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken.
+
+Hij voelde zich beschaamd. "Gösta," zei hij tot zichzelf, "kun je niet
+meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard
+werdt, jij, die elken boom in 't bosch, elk grasje op 't veld hebt
+hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in
+een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst
+van verdragen verleerd?
+
+"Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in
+'t hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer
+zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren;
+laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en
+een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met
+vroolijke woorden tegemoet.
+
+"'t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en
+blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand
+het kunnen uithouden.
+
+"Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je
+hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet.
+
+"Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit,
+of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge?
+
+"Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef."
+
+En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig
+en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan.
+
+Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een
+vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als
+in geestvervoering. Dat is Gösta Berling's oude lach! Zijn goed
+vriendelijk, aanstekelijk lachen. 't Is de lieflijkste muziek, die
+de oude in zijn leven gehoord heeft.
+
+"Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?" barstte hij
+uit. "Nu ben je immers beter!"
+
+Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling's melancholie
+genas.
+
+
+
+
+
+
+
+XXI.
+
+DE PREDIKANT VAN BROBY.
+
+
+Liefde, gij almachtige, gij weet wel, dat het soms schijnt, alsof een
+mensch zich aan uw macht heeft ontworsteld. Alle zachte gevoelens,
+die de menschen vereenigen, schijnen in zijn hart gestorven. Reeds
+strekt de waanzin zijn klauwen uit naar den ongelukkige; maar dan komt
+gij in uwe almacht, gij 's levens goede engel en 't verschrompelde
+hart bloeit opnieuw als de staf van den heilige.
+
+Niemand kan gieriger zijn dan de predikant van Broby, niemand
+meer van alle menschen verwijderd dan hij door boosheid en
+onbarmhartigheid. Zijn kamers worden den heelen winter niet verwarmd,
+hij zit op een ongeverfde houten bank, hij kleedt zich in lompen,
+leeft van droog brood en wordt woedend als een bedelaar bij hem
+aanklopt. Hij laat het paard honger lijden in den stal en verkoopt het
+hooi; zijn koeien knagen 't dorre gras aan den kant van den weg en
+'t mos van de huismuren, en men kan zijn uitgehongerde schapen tot
+op den weg hooren blaten.
+
+De boeren gooien hem 't eten toe, wat de honden niet willen eten en
+de kleeren, die de armen niet meer willen dragen. Zijn hand is steeds
+uitgestrekt om te bedelen, zijn rug gebogen om te danken. Zoodra hij
+een muntstuk ziet, trilt zijn hart van onrust, tot het in zijn zak
+zit en wee hem, die niet op den vervaldag zijn pacht betaalt.
+
+Hij trouwde laat, en 't was beter geweest als hij 't nooit gedaan
+had. Van verdriet en vermoeienis stierf zijn vrouw. Nu dient zijn
+dochter bij vreemden. Hij wordt oud; maar de ouderdom verlicht zijn
+zwaren arbeid niet. De waanzin der gierigheid is over hem gekomen.
+
+Maar op een schoonen dag in 't begin van Augustus komt een zware
+koets, door vier paarden getrokken, den Brobyheuvel op. Een deftige
+oude dame komt aanrijden in galatoilet met koetsier en palfrenier
+en een juffrouw van gezelschap. Zij komt den predikant van Broby
+bezoeken. Zij heeft hem gekend in haar jeugd.
+
+Zij hadden elkaar liefgehad, terwijl hij huisonderwijzer was op
+het buiten van haar vader, maar haar trotsche familie belette het
+huwelijk. En nu komt zij den Brobyheuvel oprijden om hem te zien, vóór
+zij sterft. Alles wat het leven haar nog geven kan is den geliefde
+van haar jeugd weer te zien.
+
+De deftige oude dame zit te droomen in haar koets. Zij rijdt niet
+den Brobyheuvel op naar een kleine, armoedige pastorie. Zij is op weg
+naar 't koele, donkere prieel beneden in 't park, waar haar geliefde
+wacht. Zij ziet hem voor zich! Hij is jong, hij kust haar, hij heeft
+haar lief. Nu ze weet dat ze hem zien zal, stijgt zijn beeld voor haar
+op met wonderlijke helderheid. Hoe mooi is hij toch. Hij kan dwepen,
+hij kan gloeien, hij vult haar ziel met verrukking.
+
+Nu is ze geel bleek, vervallen en oud. Hij herkent haar misschien
+niet, zestig jaar oud, als ze nu is, maar ze komt ook niet om gezien
+te worden, maar om te zien, om den geliefde van haar jeugd te zien,
+die ongedeerd door den tand des tijds, nog altijd jong en mooi en
+warm van hart is.
+
+Zij komt ver weg, zoo ver weg, dat ze nooit iets van een predikant
+van Broby gehoord heeft.
+
+Nu ratelt de koets den heuvel op en nu ziet zij de pastorie boven op
+den top liggen.
+
+"Om Godswil," jammert een bedelaar aan den kant van den weg, "geef
+een arm man een penning."
+
+De voorname dame geeft hem een zilverstuk en vraagt of de pastorie
+van Broby hier dicht bij is.
+
+De bedelaar ziet haar met sluwen, scherpen blik aan. "De pastorie
+ligt daar," zegt hij, "maar de dominé is niet thuis; er is niemand
+thuis in de pastorie."
+
+De deftige oude dame ziet er uit alsof ze een flauwte nabij was. Het
+koele prieel verdwijnt, haar geliefde is er niet. Hoe kon ze ook
+hopen hem na veertig jaar terug te vinden.
+
+Wat wilde de freule in de pastorie!
+
+De freule was gekomen om den dominé te bezoeken. Zij had hem vroeger
+gekend.
+
+Zestig mijlen en veertig jaar hadden hen gescheiden. En bij elke mijl,
+die ze dichterbij gekomen is, heeft ze een jaar achter zich gelaten
+met al zijn lasten en zorgen. En nu ze de pastorie heeft bereikt is
+ze weer een twintigjarig meisje zonder zorg en zonder herinneringen.
+
+De bedelaar staat haar aan te zien en voor zijn oogen wordt ze van
+zestig twintig en van twintig weer zestig jaar oud.
+
+"De dominé komt van middag weer thuis," zegt hij. "De freule doet
+'t best met naar de herberg in Bro te rijden en van middag weer terug
+te komen. Dan sta ik er voor in, dat hij weer thuis is."
+
+Een oogenblik later rolt de zware koets met de kleine oude dame den
+heuvel af naar de herberg; maar de bedelaar staat haar na te zien en
+beeft over 't heele lichaam. Hij had wel op de knieën willen vallen en
+'t wagenspoor kussen.
+
+Keurig gekleed, gewasschen en geschoren, met schoenen met glimmende
+gespen aan, met zijden kousen, met geplooide kraag en manchetten
+staat de dominé van Broby op dien zelfden middag voor de vrouw van
+den proost in Bro.
+
+"Een deftige dame, de dochter van een graaf! hoe kunt u meenen, dat
+ik, arme man! die in mijn huis noodigen kan. Mijn vloeren zijn zwart,
+mijn mooie kamer is zonder meubelen, de zolder in de zaal is groen
+van schimmel en vocht! Help mij, lieve Mevrouw. Denk er aan dat ze
+de dochter van een graaf is!"
+
+"Kunt u niet zeggen dat u op reis is."
+
+"Lieve Mevrouw, ze heeft 40 mijl gereisd om mij, arme man! te zien. Ze
+weet niet hoe ik het heb. Ik heb geen bed om haar te logeeren. Ik
+heb niet eens een bed voor haar dienstboden."
+
+"Welnu, laat haar dan heengaan."
+
+"Lieve, beste Mevrouw! Begrijpt u dan niet wat ik meen? Ik wil liever
+alles geven wat ik heb, alles wat ik met vlijt en moeite heb bijeen
+gegaard, dan dat ze weg zou gaan, zonder dat ik haar onder mijn dak
+ontvangen had. Ze was twintig jaar, toen ik haar het laatst zag;
+dat is nu veertig jaar geleden, denk daarom, lieve Mevrouw. Help mij,
+zoodat ik haar bij mij ontvangen kan. Hier is geld als dat helpen kan,
+maar hier is meer dan geld noodig."
+
+O, Eros, de vrouwen hebben U lief. Ze doen liever honderd moeielijke
+dingen voor U, dan één voor andere goden.
+
+In 't huis van den proost worden kamers en de keuken en de
+provisiekamer leeggedragen.
+
+Als de proost van zijn catechisatie terugkomt, vindt hij de kamers
+leeg en kijkt om de deur van de keuken om naar zijn middageten te
+vragen en vindt daar niemand. Geen eten, zijn vrouw is er niet en
+evenmin de dienstboden. Wat is daaraan te doen! Eros wil het zoo. Eros,
+de machtige!
+
+En op den middag komt dan de zware wagen den Brobyheuvel
+opschommelen. En het kleine oude dametje zit er aan te denken of er
+nu niet weer een nieuwe tegenspoed komen zal, en of het nu werkelijk
+waar is dat zij de eenige vreugde van haar leven genieten zal.
+
+En daar draait de koets de pastorie in, maar houdt stil in het hek. Het
+groote hek is te klein, de koets te breed. De koetsier knalt met de
+zweep. De paarden zetten aan, de knecht vloekt, maar 't achterste
+wiel van de koets zit vast en blijft vast zitten. De gravendochter
+kan niet in den tuin van haar geliefde komen.
+
+Maar daar komt iemand. Hij is het! Hij licht haar uit den wagen. Hij
+draagt haar met onverzwakte kracht en drukt haar in de armen even warm
+als vroeger voor veertig jaar. Zij ziet hem in de oogen. Zij stralen,
+zooals ze deden toen ze nog pas vijf en twintig zomers gezien hadden.
+
+Een storm van aandoeningen, een stroom van warmte bruist haar door de
+ziel. Ze herinnert zich, dat hij haar eens de trap van 't terras heeft
+opgedragen. Ze had gemeend dat haar liefde al die jaren geleefd had,
+maar ze was toch vergeten wat het was, in sterke armen gesloten te
+worden en in jonge, stralende oogen te zien.
+
+Zij ziet niet dat hij oud is. Zij ziet alleen in zijn oogen.
+
+Zij ziet de zwarte vloeren niet, noch de zolderingen die groen van
+vochtigheid zijn, zij ziet alleen zijn stralende oogen. De predikant
+van Broby is een statig man. Hij is zelfs mooi op dit oogenblik. Hij
+wordt innemend alleen door haar aan te zien. Hij hoort zijn stem,
+zijn heldere, sterke stem, die klinkt als een liefkozing. Zóó spreekt
+hij alleen tot haar. Wat had hij toch meubels van den proost noodig
+in zijn leege kamers, wat had hij eten en dienstboden van noode. De
+oude dame zou dat alles bijna niet gemist hebben.
+
+Hoort zij zijn stem niet? Ziet ze zijn oogen niet? Nooit, nooit te
+voren is ze zóo gelukkig geweest. Hoe sierlijk buigt hij, sierlijk
+en fier als was zij een vorstin en hij haar gunsteling. Hij spreekt
+zooals ouden van dagen doen, met vele stereotype gezegden, als hij
+tot haar spreekt.
+
+Zij glimlacht maar en is gelukkig!
+
+Tegen den avond biedt hij haar den arm en ze wandelen in zijn ouden
+vervallen tuin. Zij ziet niet dat die leelijk en slecht onderhouden is;
+vergroeide struiken worden tot geschoren hagen, 't onkruid tot zachte,
+smaragdgroene grasperken in haar oogen. Lange lanen beschaduwen haar
+en door 't donkere loof ziet zij witte beelden schemeren van jeugd,
+trouw, hoop en liefde.
+
+Ze weet, dat hij getrouwd geweest is, maar ze denkt er niet aan. Hij
+is immers vijf en twintig, zij twintig jaar. Hij is zeker niet ouder,
+jong en vol kracht als hij is. Is hij dezelfde, die eens de gierige
+dominé van Bro worden zal. Hij! die glimlachende jongeling? Soms suist
+het in zijn ooren. Zouden 't boden van een donkere toekomst zijn? Maar
+de ellende der armen, de vloek der bedrogenen, de schimpscheuten der
+verachting, de spotliederen, de hoon, dat alles bestaat nog niet voor
+hem. Zijn hart brandt van eene reine, onschuldige liefde. Die fiere,
+jonge man zal nooit geld zóó liefhebben, dat hij in 't stof, ja in 't
+vuil kruipen zal om het op te rapen, van de voorbijgangers bedelen,
+vernedering, schande, koude en honger verdragen om het machtig te
+worden. Zal hij zijn kind honger laten lijden, zijn vrouw pijn doen,
+alleen om dat ellendige geld! Dat is immers onmogelijk. Zoo kan hij
+niet zijn. Hij is een goed mensch, zooals anderen. Hij is geen monster.
+
+De geliefde van zijn jeugd gaat niet aan de zijde van een verachte
+ellendeling, die 't ambt, dat hij gewaagd heeft te aanvaarden,
+onwaardig is. Neen, Eros, almachtige God, ten minste dezen avond
+niet. Dezen avond is hij niet de predikant van Broby en ook den
+volgenden en den daaropvolgenden niet.
+
+Den dag daarna vertrekt zij. Het hek is breeder gemaakt. De koets
+rolt den Brobyheuvel af zoo snel als uitgeruste paarden loopen kunnen.
+
+Welk een droom, welk een heerlijken droom! Geen enkele wolk in al
+die drie dagen.
+
+Zij reed glimlachende terug naar haar kasteel en haar
+herinneringen. Nooit hoorde zij zijn naam meer noemen, zij vroeg
+nooit naar hem. Zij wenschte niet anders dan dezen droom steeds weer
+te droomen, zoolang ze leefde.
+
+De predikant van Broby zat in zijn eenzaam huis en schreide, schreide
+als een wanhopende. Zij had hem jong gemaakt! Zou hij nu weer oud
+moeten worden? Zou de booze geest terugkomen? Zou hij weer verachtelijk
+moeten worden, verachtelijk als hij geweest was?
+
+
+
+
+
+
+
+XXII.
+
+DE HEILIGENBEELDEN.
+
+
+De kerk van Svartsjö is wit van binnen en van buiten; de wanden
+zijn wit, de preekstoel, de banken, de zolder, de vensterbanken, het
+altaarkleed--alles is wit. In de kerk van Svartsjö zijn geen sieraden,
+geen schilderijen, geen wapens. Boven 't altaar ziet men alleen een
+houten kruis en een witte doek.
+
+Vroeger was dat alles anders. Toen was de zolder geschilderd en
+allerlei bonte figuren van steen en klei stonden in dit godshuis.
+
+Op een dag, in den zomer, heel lang geleden, had een kunstenaar
+in Svartsjö naar den hemel staan kijken en acht geslagen op het
+trekken der wolken langs den hemel, de zon tegemoet. Hij had de witte
+glinsterende wolken gezien, die des morgens aan den horizont staan;
+hij zag hoe ze zich hooger en hooger opstapelden; hij had de kolossen
+grooter en grooter zien worden en zich verheffen om naar boven te
+stormen. Zij hieven hun standaard op als krijgers, zij trokken uit om
+den ganschen hemel te veroveren. Tegenover de zon, den beheerscher
+van 't wereldruim, huichelden zij en namen een onschuldige gedaante
+aan. Hier was een leeuw, die zich in een gepoederde dame veranderde,
+dáár een reus met armen, die koorden verbrijzelde; hij legde zich neer
+als een droomende sphinx; eenigen bedekten hun naaktheid door mantels
+met gouden randen om te slaan, anderen legden rood op hun sneeuwwitte
+wangen. Hier waren vlakten, daar wouden, ginds gemetselde burchten,
+met hooge torens. De witte wolken veroverden den zomerhemel. Zij vulden
+het geheele blauwe gewelf. Zij bereikten de zon en verborgen haar.
+
+"O hoe schoon zou 't zijn," dacht de vrome kunstenaar, "als de zielen
+vol verlangen op deze torenhooge bergen konden klimmen, en door hen als
+door een wiegend vaartuig al hooger en hooger konden worden gebracht."
+
+En toen begreep hij in eens, dat de witte zomerwolken de vaartuigen
+waren, waarin de zielen der zaligen wegvoeren.
+
+Hij zag ze daarboven! Daar stonden ze op de bewegelijke massa's met
+leliën in de hand en gouden kronen op het hoofd. De lucht weergalmde
+van hun zangen. De engelen zweefden hun op breede, sterke vleugels te
+gemoet. O, welk een oneindig aantal zaligen. Al naarmate de wolken
+zich uitbreidden, zag hij er meer; zij rustten op wolkenbedden als
+witte waterlelies op het meer. Zij versierden ze als leliën het
+veld. Welk een jubelende vaart naar den hooge! de eene wolk na de
+andere rolde voort! Allen waren bezet met hemelsche heirscharen in
+zilveren wapenrustingen, met onsterfelijke zangers in mantels met
+purper afgezet.
+
+Die kunstenaar had later de zoldering in de kerk van Svartsjö
+geschilderd. Hij had de drijvende wolken van den zomerschen hemel
+willen weêrgeven, die de zaligen in de heerlijkheid des hemels zouden
+invoeren. De hand die 't penseel gevoerd had, was krachtig geweest,
+maar ook wat stijf, zoodat de wolken meer op de gekrulde haren van een
+allongepruik leken dan op aangroeiende bergen van zachte nevelen. En
+zooals de heiligen zich voor de fantaisie van den meester vertoonden,
+had hij ze niet kunnen weergeven; maar hij had ze als menschen gekleed
+met lange roode mantels en stijve bisschopsmutsen of in zwarte lange
+kleederen met stijve gepijpte kragen. Hij had ze groote hoofden
+en kleine lichamen gegeven en ze van zakdoeken en gebedenboeken
+voorzien. Latijnsche spreuken kwamen uit hun mond en voor hen,
+die hij 't hoogste stelde, had hij stevige houten stoelen op de
+wolkenruggen gezet, zoodat ze in een gemakkelijke zittende houding
+naar de eeuwigheid zouden kunnen gaan.
+
+Maar iedereen wist immers, dat geesten en engelen zich nooit aan
+den armen kunstenaar hadden vertoond en daarom verwonderde men er
+zich niet erg over, dat hij ze niet bovenaardsch schoon had kunnen
+maken. Menigeen had toch zeker de schilderij van den goeden meester
+buitengewoon mooi gevonden en het had velen ernstig en godsdienstig
+gestemd. 't Was wel waard door onze oogen gezien te worden.
+
+Maar in 't jaar van de kavaliers liet Graaf Dohna de heele kerk wit
+schilderen. Toen werd de geschilderde zolder bedorven. En ook liet
+hij al de heiligenbeelden van klei vernietigen.
+
+Ach, die heiligenbeelden!
+
+'t Zou beter voor me zijn, als nood en ellende van menschen me zóóveel
+verdriet kon doen, als ik voelde over 't wegnemen van die beelden van
+klei; als de wreedheid van menschen tegenover menschen mijn hart met
+een bitterheid vervullen kon als die ik om hunnentwille gevoeld heb.
+
+Maar éen van hen was ook St. Olof met de kroon om den helm, de bijl
+in de hand en een overwonnen reus onder den voet; op de preekstoel
+stond Judith met een rood lijf en een blauwen rok, met een zwaard in
+de eene en een zandlooper in de andere hand--in plaats van het hoofd
+van den assyrischen veldheer; daar was ook een geheimzinnige koningin
+van Saba met een blauw lijf en rooden rok, met een ganzepoot aan 't
+eene been en de handen vol sibyllijnsche boeken; daar was de heilige
+Christoffel met zijn bloeienden staf, en de heilige Erik met scepter
+en bijl en een ouden mantel met gouden bloemen om.
+
+Ik heb daar in de kerk van Svartsjö zoo menig Zondag gezeten en er
+me over geërgerd, dat de beelden weg waren. Hoe verlangde ik naar
+hen. Ik zou er niet zoo precies op gezien hebben of er een neus of
+een voet ontbrak, of 't verguldsel er wat afgesleten was en de verf
+verbleekt. Ik zou om hun hoofd de glorie der legende hebben gezien.
+
+'t Moet altoos zoo geweest zijn met die heiligenbeelden, dat ze hun
+scepters of ooren en handen verloren en gerepareerd en opgeknapt
+moesten worden. Dat verveelde de gemeente en zij verlangde van
+hen af te komen. Maar de boeren zouden toch de heiligen geen kwaad
+gedaan hebben, als graaf Dohna er niet geweest was. Hij heeft ze
+laten wegnemen.
+
+Ik heb er hem om gehaat, zooals een kind haten kan. Ik heb hem
+gehaat, zooals een hongerige bedelaar de gierige huismoeder haat,
+die hem brood weigert. Ik heb hem gehaat, zooals een arme visscher
+den onwetenden knaap haat, die zijn net heeft bedorven en een gat
+in zijn boot gehakt. Hoe hongerde en dorstte mijn ziel niet onder de
+lange godsdienstoefeningen. En hij had het brood, waar mijn ziel van
+leven moest, weggenomen. Hoe verlangde ik niet naar het oneindige, naar
+den hemel. En hij had mijn vaartuig bedorven, en mijn net verscheurd,
+waarmee ik de hemelsche visioenen had willen vangen.
+
+In de wereld der volwassenen is geen plaats voor echte haat. Hoe zou
+ik nu zulk een ellendig wezen als graaf Dohna kunnen haten of een
+armen waanzinnige zooals Sintram of een afgeleefde wereldsche vrouw
+als gravin Märta. Maar toen ik een kind was, ja, toen was 't maar
+gelukkig voor hen, dat ze al lang dood waren.
+
+De predikant stond misschien wel op den preekstoel te spreken over
+vrede en verzoening; maar op onze plaats in de kerk kon men hem niet
+verstaan. Ach, had ik de oude heiligenbeelden van klei maar bij me
+gehad--zij zouden wel voor me gepreekt hebben, zoodat ik ze kon hooren
+en verstaan.
+
+Maar nu zat ik er meestal over te denken hoe 't gekomen was, dat ze
+weggeroofd en bedorven werden.
+
+Toen graaf Dohna zijn huwelijk voor onwettig had laten verklaren,
+inplaats van zijne vrouw op te zoeken en 't huwelijk te laten wettigen,
+had hij aller verontwaardiging gewekt; want men wist, dat zijn vrouw
+alleen zijn huis had verlaten om niet doodgeplaagd te worden. Nu
+scheen het, dat hij Gods genade en de achting der menschen wilde
+herwinnen door een goed werk en daarom liet hij de kerk van Svartsjö
+opknappen. Hij liet de heele kerk wit schilderen en de geschilderde
+zoldering wegnemen. Hij zelf droeg met zijn knechts de schilderijen
+naar beneden in een boot en wierp ze in de diepte van 't Löfvenmeer.
+
+Hoe durfde hij 't toch wagen de hand aan die uitverkorenen Gods
+te slaan.
+
+Dat zulk een gruwel toch gebeuren kon! Voerde de hand, die 't hoofd
+van Holofernes afsloeg dan 't zwaard niet? Had de koningin van Saba
+dan alle geheime wijsheid vergeten, die dieper wondt dan een vergiftige
+pijl. Heilige Olof, gij oude viking, St. Joris, gij oude drakendooder,
+leeft dan de roem uwer daden niet meer, is de glorie uwer wonderen
+verbleekt?--Maar de zaak zal wel geweest zijn, dat de heiligen geen
+geweld met geweld willen keeren. Daar de boeren van Svartsjö geen
+verf voor hunne kleeren en geen verguldsel voor hun kronen meer over
+hadden, lieten zij graaf Dohna begaan, toen hij hen wegdroeg en ze in
+'t diepe Löfvenmeer wierp. Zij wilden Gods huis niet ontsieren. Die
+armen! Zij dachten zeker aan den tijd, dat men voor hen knielde en
+gebeden tot hen opzond.
+
+En ik zat te denken aan die boot, met heiligen belast, die op
+een stillen zomeravond heengleed over den blanken spiegel van 't
+Löfvenmeer. De knecht, die roeide, nam langzame, groote slagen en
+wierp schuwe blikken op de wonderlijke passagiers, die op den voor-
+en achtersteven lagen; maar graaf Dohna, die er ook bij was, voelde
+zich dapper. Hij nam ze een voor een met zijn eigen handen en wierp ze
+in 't water. Zijn voorhoofd was helder en hij haalde diep adem. Hij
+meende een strijder voor de reine evangelische leer te zijn. En er
+geschiedde geen wonder ter eere der heiligen. Stil en moedeloos zonken
+ze neer en gingen hun vernietiging te gemoet.
+
+Maar den volgenden Zondag stond daar de kerk van Svartsjö vlekkeloos
+wit. Geen beelden stoorden meer de aandacht der kerkgangers. Alleen
+met de oogen der ziel moet de vrome de heerlijkheid des hemels en
+'t gelaat der heiligen zien. De gebeden der menschen moeten op hun
+eigen sterke vleugels den Allerhoogste bereiken. Zij behoeven zich
+niet meer vast te klampen aan de gewaden der heiligen.
+
+Groen is de aarde, de heerlijke woning der menschen, blauw is de
+hemel, waar ze allen naar verlangen. De wereld straalt in duizend
+kleuren. Waarom is de kerk wit?--Wit als de winter, naakt als de
+armoede, bleek als de angst. Ze schittert niet van rijp als een bosch
+in den winter. Ze prijkt niet met paarlen en kant als een bruid. De
+kerk staat daar wit en koud met geverfd leem bedekt, zonder een enkel
+beeld, zonder een schilderij.
+
+Dien Zondag zat graaf Dohna in een met bloemen versierden leuningstoel
+in het koor, opdat allen hem zouden zien en prijzen. Nu zou hij geëerd
+worden, omdat hij de oude banken in orde had laten maken, de leelijke
+beelden wegnemen, nieuwe ruiten inplaats van de gebroken zetten en
+de heele kerk wit verven. Het stond hem natuurlijk vrij dat alles
+te doen. Als hij den toorn des Almachtigen wilde verzachten, was het
+immers goed, dat hij naar zijn beste weten Zijn tempel versierde. Maar
+waarom nam hij er dan eerbewijzen voor aan?
+
+Hij, die daar kwam met de zonde der onverzoenlijkheid op zijn geweten,
+hij had immers op de knieën moeten vallen op 't zondaarsbankje en
+zijn broeders en zusters smeeken God te bidden, hem in zijn heiligdom
+te dulden. Het ware hem beter geweest daar te staan als een arme
+zondaar, dan daar ginds in 't koor te zitten en lof aan te nemen,
+omdat hij zich met God had willen verzoenen.
+
+Ach, graaf Dohna! God had u zeker op 't zondaarsbankje verwacht. Hij
+liet er zich niet door verblinden, dat de menschen u niet durfden
+te berispen.
+
+Toen de godsdienstoefening voorbij was en de laatste psalm gezongen,
+verliet niemand de kerk, maar de predikant ging den preekstoel op
+om een dankrede aan den graaf te houden, maar zóó ver zou het toch
+niet komen. Want de deur ging open, en daar kwamen de oude heiligen
+de kerk binnen, druipend van 't water uit het Löfvenmeer, vuil van
+groen kroos en bruinen modder. Ze hadden zeker gehoord, dat hier een
+lofrede gehouden zou worden op hem, die hen ten val gebracht, ze uit
+'t heilige huis Gods verjaagd en ze neergestort had in de koude, alles
+vernietigende golven. De oude heiligen wilden een woordje meespreken.
+
+Zij houden niet van 't eentonig kabbelen der golven. Ze zijn gewend
+aan psalmen en gebeden. Zij zwegen en berustten in alles, zoolang ze
+meenden, dat het dienen moest tot Gods eer. Maar zoo was het niet.
+
+Hier zit graaf Dohna met eer overladen in 't koor en wil aangebeden
+en geprezen worden in Gods huis. Daarom zijn ze opgestegen uit hun
+vochtig graf en komen de kerk in. En de geheele gemeente herkent
+hen. Daar gaat de heilige Olof met de kroon om den helm en St. Erik
+met de gouden bloemen op den mantel en den grijzen Sint Joris en de
+heilige Christoffel. Meer niet, de Koningin van Saba en Judith waren
+niet meêgekomen.
+
+Maar toen de menschen wat van hun verbazing bekomen waren, ging er
+een hoorbaar gefluister door de kerk. "De kavaliers".
+
+Ja zeker, 't zijn de kavaliers. En zij gaan recht op den graaf af
+zonder een woord te spreken, lichten zijn stoel op hun schouders op,
+dragen hem de kerk uit en zetten hem daar buiten op den kerkheuvel.
+
+Ze zeggen niets, en zien rechts noch links. Zij dragen eenvoudig
+graaf Dohna uit Gods huis en als dat gedaan is gaan ze weer heen,
+den naasten weg naar het meer.
+
+Niemand houdt hen tegen en zij verspillen ook geen tijd met het
+verklaren van hun meening. Die was duidelijk genoeg: "Wij, kavaliers
+van Ekeby, hebben onze eigen overtuiging. Graaf Dohna verdient niet
+in Gods huis geprezen te worden. Daarom dragen wij hem naar buiten. Nu
+kan ieder, die wil, hem weer binnen brengen."
+
+Maar hij werd niet weer naar binnen gebracht. De lofrede van den
+predikant werd nooit gehouden. De gemeente stroomde de kerk uit. Er
+was niemand, die niet vond, dat de kavaliers goed gedaan hadden.
+
+Zij herinnerden zich de vroolijke jonge gravin en hoe gruwelijk zij op
+Borg gepijnigd was geworden. Zij dachten aan haar, die zoo goed voor
+de armen was, die zoo mooi was geweest, dat 't voor hen al een troost
+was naar haar te kijken. Wel was het zondig met zulke vertooningen in
+de kerk te komen; maar de predikant en de gemeente voelden, dat zij
+zelf op het punt geweest waren nog erger den spot met den Allerhoogste
+te drijven. En zij schaamden zich tegenover de dwazen.
+
+"Als de menschen zwijgen, moeten de steenen spreken," zeiden ze.
+
+Maar na dien dag kon graaf Henrik het niet meer uithouden op Borg. Op
+een donkeren nacht in 't begin van Augustus reed een gesloten kales tot
+dicht voor de groote stoep. Alle dienstboden gingen er omheen staan
+en gravin Märta kwam naar buiten, in doeken gehuld met een dichten
+sluier voor 't gelaat. De graaf gaf haar den arm, maar ze sidderde
+en beefde. Slechts met de grootste moeite kon men haar bewegen door
+'t voorhuis en den stoep af te gaan.
+
+Eindelijk kwam zij in den wagen, de graaf sprong er ook in, de
+deuren werden dicht geslagen en de koetsier liet de paarden in galop
+wegrijden.
+
+Toen de eksters den volgenden morgen wakker werden, was ze weg.
+
+De graaf leefde nog lang in het zuiden. Borg werd verkocht en is
+menigmaal van eigenaar verwisseld. Allen hadden ze het landgoed lief;
+maar slechts weinigen bezaten het met genoegen.
+
+
+
+
+
+
+
+XXIII.
+
+GODS GEZANT.
+
+
+Kapitein Lennart, Gods gezant, kwam op een namiddag in Augustus in
+de herberg te Broby en ging in de keuken. Hij was toen op weg naar
+zijn huis "Helgesaeter," dat een kwart mijl ten noorden van Bro ligt,
+dicht bij den zoom van 't woud.
+
+Kapitein Lennart wist toen nog niet, dat hij een van Gods gezanten zou
+worden op aarde. Zijn hart was tot overloopens toe vol van vreugd,
+omdat hij zijn tehuis weer zou zien. Hij had veel geleden, maar nu
+kwam hij weer thuis en alles zou weer goed worden. Hij wist niet,
+dat hij een van hen zou worden, die niet onder een eigen dak mochten
+rusten of zich bij een eigen haard koesteren.
+
+Kapitein Lennart was recht in zijn schik. Toen hij niemand in de
+keuken aantrof, hield hij er huis als een wilde jongen. Een, twee,
+drie verzette hij 't weefgetouw en bracht het spinnewiel in de war,
+hij smeet de kat op den kop van den hond en lachte, dat het door 't
+huis klonk, toen de twee kameraden in den oogenblikkelijken schrik de
+oude vriendschap braken en op elkaar aanvlogen met gekromde klauwen,
+nijdige oogen en de haren te berge.
+
+Toen kwam de herbergierster op al dat gedruisch aan. Zij bleef op
+den drempel staan en keek naar den man, die om de vechtende dieren
+stond te lachen. Ze kende hem wel; maar toen ze hem 't laatst zag,
+zat hij op de gevangenkar met de handboeien aan.
+
+Ze wist het nog best. Voor vijf en een half jaar geleden had een
+dief op de winterkermis te Karlstad de sieraden van de vrouw van den
+Gouverneur gestolen. Veel ringen, armbanden en gespen, waar de rijke
+dame grooten prijs op stelde--want 't meeste had ze geërfd of present
+gekregen--waren toen verloren gegaan. Ze werden nooit gevonden, maar
+'t gerucht liep spoedig door 't heele land, dat kapitein Lennart op
+Helgesaeter de dief wezen moest.
+
+De boerin had nooit kunnen begrijpen waar zulk een gerucht vandaan
+gekomen was.
+
+Was kapitein Lennart dan niet een goed en eerlijk man? Hij leefde
+gelukkig met zijn vrouw, waarmeê hij eerst een paar jaar geleden
+getrouwd was, want hij had pas laat een vrouw kunnen onderhouden. Had
+hij nu niet een goed inkomen door zijn tractement en zijn landgoed? En
+nog wonderlijker vond zij het, dat kapitein Lennart zijn ontslag
+kreeg, zijn ridderorde moest teruggeven en tot vijf jaar dwangarbeid
+veroordeeld werd.
+
+Hij zelf had gezegd, dat hij op de markt was geweest en van daar
+was weggereden, eer hij iets van den diefstal gehoord had. Op den
+straatweg had hij een leelijke oude gesp gevonden, die hij mee naar
+huis genomen had en aan zijn kinderen gegeven. Maar die gesp behoorde
+tot de gestolen zaken en dat werd zijn ongeluk. Maar eigenlijk was
+het alles Sintrams schuld geweest. De booze grondeigenaar had voor
+aanklager gespeeld en bij het getuigenverhoor de verklaring afgelegd,
+die hem had doen vallen. 't Scheen dat het noodig voor hem was,
+kapitein Lennart uit den weg te werken, want kort daarna werd er tegen
+hemzelf een proces gevoerd, omdat men ontdekt had, dat hij kruit aan
+de Moren had verkocht in den oorlog van 1814. De menschen meenden,
+dat hij bang was voor de verklaring, die kapitein Lennart tegen hem
+had moeten afleggen. Nu werd hij vrijgesproken, bij gebrek aan bewijs.
+
+De herbergierster kon dien man niet genoeg aanzien. Zijn haar was grijs
+geworden en zijn rug gebogen. Hij had 't zeker niet best gehad. Maar
+zijn vriendelijk gezicht en zijn goed humeur had hij nog. Hij was
+nog dezelfde kapitein Lennart, die haar naar het altaar gebracht had,
+toen zij de bruid was [2] en die bij haar bruiloft gedanst had. Hij
+bleef zeker nog op den weg staan praten met ieder, die hij tegenkwam,
+en hij wierp zeker nog elk kind een geldstuk toe. Hij zou nog tegen
+elk gerimpeld oudje zeggen, dat ze met den dag jonger en mooier werd
+en hij zou nog best eens op een ton kunnen gaan zitten en op de viool
+spelen voor hen, die om den Meistang wilden dansen. Och hemel, ja!
+
+"Nu, moeder Karen!" begon hij, "durf je me niet aan te zien?"
+
+Hij was daar eigenlijk binnen gegaan om te hooren, hoe het bij hem
+thuis was, en of zij hem daar verwachtten. Zij konden immers wel
+nagaan, dat hij zoowat tegen dezen tijd zijn straf had uitgediend.
+
+De herbergierster vertelde hem niets dan goed nieuws. Zijn vrouw was
+zoo flink geweest als een man. Zij had een hoeve gepacht en alles
+was goed gegaan onder haar bestuur. De kinderen waren gezond, het
+was een lust ze te zien. En natuurlijk verwachtten ze hem. De vrouw
+van den kapitein was een strenge vrouw, die nooit sprak over wat
+ze dacht. Maar dit wist de herbergierster, dat niemand met kapitein
+Lennarts lepel had mogen eten of in zijn stoel zitten, terwijl hij
+weg was. Nu in 't voorjaar was er geen dag voorbijgegaan, dat zij
+niet naar den steen op den top van den Brobyheuvel gegaan was en
+den weg langs gekeken had of hij niet komen zou. En nieuwe kleeren
+had zij voor hem gereed, thuisgeweven kleeren, waarvan zij zelf 't
+grootste deel gemaakt had. Zie, aan dat alles kon men wel merken,
+dat hij gewacht werd, al zeide ze ook niets.
+
+"Ze gelooven het dus niet?" vroeg kapitein Lennart.
+
+"Neen, kapitein," antwoordde de boerin: "niemand gelooft het!"
+
+Toen bleef kapitein Lennart niet langer in de kamer, hij wilde
+naar huis.
+
+Buiten trof hij toevallig goede oude vrienden aan. De kavaliers
+van Ekeby waren juist in de herberg aangekomen. Sintram had ze daar
+uitgenoodigd om zijn verjaardag te vieren. En de kavaliers bedachten
+zich geen oogenblik; maar drukten den dwangarbeider de hand en heetten
+hem welkom thuis. Dat deed Sintram ook.
+
+"Lieve Lennart," zei hij, "wees er maar zeker van, dat onze lieve
+Heer hier een bedoeling meê heeft gehad."
+
+"Jou schurk!" riep kapitein Lennart. "Meen je dat ik niet weet,
+dat het "onze lieve Heer" niet was, die jou van het schavot redde?"
+
+De anderen lachten. Maar Sintram werd heelemaal niet boos. Hij had
+er niets tegen, dat er toespelingen werden gemaakt op zijn verbond
+met den Booze.
+
+Ja, toen namen zij kapitein Lennart weer mee naar binnen om hem een
+welkom toe te drinken. Daarna mocht hij dadelijk verder gaan. Maar
+'t liep slecht met hem af. Hij had zulke verraderlijke dingen in vijf
+jaar niet gedronken. Hij had misschien den heelen dag niet gegeten
+en was uitgeput door zijn lange wandeling. En daarom werd hij al
+wonderlijk in 't hoofd door een paar glazen.
+
+Toen de kavaliers hem zoover gekregen hadden, dat hij niet recht
+meer wist wat hij deed, gaven ze hem 't eene glas na het andere. Zij
+meenden er niets kwaads mee. 't Was pure vriendelijkheid. Hij had
+immers in geen vijf jaar wat lekkers gehad.
+
+Anders was hij de matigste man, die men zich kan voorstellen. En
+men kan ook wel begrijpen, dat hij niet van plan was zich dronken
+te drinken, hij zou immers naar huis gaan,--naar vrouw en kinderen,
+maar nu bleef hij liggen op de bank in de herberg en viel in slaap.
+
+En toen hij daar nu lag zonder bewustzijn, nam Gösta een stuk
+houtskool en wat bessensap en grimeerde hem. Hij gaf hem een echt
+misdadigersgezicht; dat paste goed bij hem, meende hij, omdat hij uit
+de gevangenis kwam. Hij gaf hem een "blauw oog," een rood lidteeken
+over den neus, streek zijn haar over 't voorhoofd in verwarde vlokken
+en smeerde zijn heele gezicht met roet in.
+
+Zij lachten er een poosje om, en toen wilde Gösta 't weer afwasschen.
+
+"Neen, laat 't zitten," zei Sintram, "dan kan hij 't zien als hij
+wakker wordt. Hij zal er pleizier in hebben."
+
+En zoo bleef het zooals 't was. En de kavaliers dachten niet meer aan
+den kapitein. 't Feest duurde den heelen nacht. Tegen den morgen braken
+ze op. Toen was er ongetwijfeld meer wijn dan verstand in hun hersens.
+
+Nu was het de vraag, wat zij met Lennart zouden doen.
+
+"Wij zullen hem thuis brengen," zei Sintram. "Wat zal zijn vrouw
+blij zijn. 't Zal heerlijk wezen haar vreugde te zien. Ik word al
+aangedaan als ik er aan denk. Laten we hem naar huis brengen."
+
+Zij werden allen geroerd door die gedachte. Lieve hemel, wat zal ze
+blij zijn, die strenge vrouw op Helgesaeter!
+
+Zij schudden kapitein Lennart half wakker, en zetten hem in een van de
+rijtuigen, die de slaperige staljongens al lang geleden hadden doen
+voorkomen. En toen trok de heele schaar naar Helgesaeter. Sommigen
+sliepen half en vielen bijna uit den wagen, andren zongen om wakker
+te blijven. Zij leken veel op een bende vagebonden met hun wezenlooze,
+gezwollen gezichten.
+
+Zij kwamen toch tot Helgesaeter. Ze lieten paarden en wagens achter
+op de plaats en trokken met zekere plechtigheid op naar het huis.
+
+Beerencreutz en Julius hadden kapitein Lennart tusschen zich in.
+
+"Word nu wakker, Lennart," zeiden ze tot hem.
+
+"Je bent nu thuis. Zie je dan niet, dat je thuis bent?"
+
+Hij deed de oogen open en werd bijna nuchter. Hij werd aangedaan,
+omdat ze hem thuis brachten.
+
+"Mijn vrienden," zeide hij en bleef staan om ze allen te gelijk toe
+te spreken. "Ik heb God gevraagd waarom ik zóó veel heb moeten lijden."
+
+"Och, houd toch je mond, Lennart, schei uit met je gepreek," schreeuwde
+Beerencreutz.
+
+"Laat hem doorgaan," riep Sintram, "hij spreekt goed."
+
+"Ik heb Hem dat gevraagd. Ik begreep het niet. Maar nu begrijp ik
+het. Hij wilde mij toonen wat voor goede vrienden ik had. Vrienden,
+die mij naar huis wilden brengen om de vreugde van mij en mijn vrouw
+te zien. Want mijn vrouw wacht mij. Wat zijn vijf ellendige jaren,
+daarbij vergeleken!"
+
+En nu bonsden hun vuisten op de deur. De kavaliers hadden geen geduld
+om meer te hooren.
+
+Binnen kwam beweging. De dienstmeisjes werden wakker en zagen naar
+buiten. Zij trokken haastig wat kleeren aan, maar ze durfden niet
+open doen voor al die mannen. Eindelijk werd de grendel van de deur
+gedaan en de vrouw des huizes trad zelf naar buiten.
+
+"Wat beteekent dit?" vroeg ze.
+
+Beerencreutz antwoordde: "Wij zijn hier met uw man."
+
+Ze duwden kapitein Lennart naar voren en ze zag hem aankomen,
+zwaaiend, dronken, met een misdadigersgezicht. En achter hem een
+schare beschonken, zwaaiende mannen.
+
+Ze deed een stap achteruit. Hij kwam dichterbij met open armen. "Je
+ging heen als een dief," barstte ze uit, "en je komt terug als een
+vagebond." En toen wilde ze naar binnen gaan.
+
+Hij begreep haar niet, hij wilde haar volgen maar ze stootte hem terug.
+
+"Meen je dat ik iemand als jij als heer over mijn huis en mijn kinders
+wil aannemen?"
+
+De deur vloog toe en de grendel werd er van binnen
+voorgeschoven. Kapitein Lennart vloog op de deur toe en rukte aan
+de knop.
+
+Toen konden de kavaliers het lachen niet laten. Hij was zoo zeker
+van zijn vrouw geweest en nu wilde ze niets van hem weten. Dat was
+komiek--vonden ze.
+
+Toen kapitein Lennart hoorde, dat ze lachten, stoof hij op hen af
+en wilde hen slaan. Zij liepen weg en sprongen in de wagens. Hij
+vloog ze na, maar in zijn boosheid struikelde hij over een steen
+en viel. Hij stond op; maar vervolgde ze niet verder. Een gedachte
+had hem getroffen. In deze wereld geschiedde er niets buiten Gods
+wil. Neen, niets!
+
+"Waarheen wilt Gij mij leiden?" vroeg hij. "Ik ben als een veer
+door Uw adem meegevoerd. Ik ben Uw speelbal. Waarheen wilt Gij mij
+leiden? Waarom sluit Gij de deur van mijn huis voor me?"
+
+En hij ging heen van zijn huis. Hij geloofde dat het Gods wil was.
+
+Toen de zon opging, stond hij op den Brobyheuvel en zag neer in het
+dal. Ach, toen wisten de arme dalbewoners niet, dat hun redder nabij
+was. Geen behoeftige of bedroefde had groene kransen gevlochten en
+die aan de deur van zijn hut gehangen. Geen geurende lavendelbladen
+of veldbloemen sierden den drempel, die hij betreden zou. De moeders
+namen hun kinderen niet op den arm, opdat zij hem zouden zien komen. De
+hutten waren niet opgeruimd en groen gemaakt ter eere van hem. De
+mannen werkten niet rusteloos op den akker om zijn hart te verheugen
+met goed bebouwde velden en goed gegraven slooten.
+
+Ach, van de hoogte waarop hij stond, zag zijn bekommerd oog, hoe de
+droogte de geheele streek had geteisterd, hoe 't graan verschroeid
+was, en hoe 't volk zich niet meer inspande om den grond te bereiden
+voor den zaaitijd. Hij zag naar de blauwe bergen op en de heldere
+morgenzon verlichtte de bruine, verzengde plekken waar de boschbrand
+gewoed had. Hij zag naar de bergen aan den kant van den weg. Zij waren
+bijna dood door de droogte. Hij merkte 't aan allerlei kleinigheden,
+aan omgevallen hekken aan 't weinige brandhout, dat gehakt en naar
+huis gereden was, dat de menschen niet meer op hun zaken pasten; dat de
+nood voor de deur stond en zij hun troost zochten in onverschilligheid
+en brandewijn.
+
+Maar misschien was het goed voor hem, dat hij alles zag. Want het
+was niet voor hem weggelegd het zaad te zien ontkiemen en opkomen
+op zijn eigen akker; het was niet voor hem weggelegd aan zijn eigen
+haard te zitten en er de gloeiende kolen te zien dooven, of de zachte
+handen van zijn kinderen in de zijnen te voelen of een liefhebbende
+vrouw aan zijn zijde te hebben. Misschien was het goed voor hem,
+wiens ziel door diepe smart werd gedrukt, dat er andren waren, die
+hij in hun armoede kon vertroosten. Misschien was het goed voor hem
+dat deze tijd zulk een droevige tijd was, waarin de karigheid der
+natuur gebrek over de armen bracht en waar velen die 't beter hadden,
+deden wat ze konden om 't volk te gronde te richten.
+
+Want 't was niet voor niet, dat de predikant van Broby als een
+begeerige vrek rondging onder zijn gemeenteleden in plaats van hun
+een goede herder te zijn.
+
+'t Was niet voor niet, dat de kavaliers regeerden in dronkenschap en
+overdaad, niet voor niet, dat Sintram hen had doen gelooven, dat dood
+en verderf hen allen treffen zou.
+
+Kapitein Lennart stond daar op den Brobyheuvel en meende, dat God
+hem misschien wel gebruiken kon. En zijn vrouw riep hem ook niet
+berouwvol terug.
+
+'t Moet gezegd worden, dat de kavaliers later volstrekt niet begrepen,
+hoeveel schuld zij hadden aan de hardheid van de vrouw van den
+kapitein. Sintram zei niets. Menigeen sprak afkeurend over de vrouw,
+die te trotsch geweest was zulk een goeden man weer te ontvangen. Zij
+kon niet verdragen, dat men zijn naam noemde. Kapitein Lennart deed
+niets om haar tot andere gedachten te brengen.
+
+'t Was een dag later.
+
+Een oude boer in Högberg lag op zijn sterfbed, hij had het sakrament
+der stervenden ontvangen en zijn levenskracht was verbruikt. Hij moest
+sterven. Rusteloos als iemand, die op 't punt staat eene lange reis
+te maken, liet hij zijn bed van de keuken in de kamer, van de kamer in
+de keuken brengen. Daaraan kan men merken, meer nog dan aan zijn zwaar
+ademhalen en half gebroken oogen, dat zijn laatste ure gekomen is.
+
+Om hem heen staan zijn vrouw, zijn kinderen en dienstboden. Hij is
+gelukkig, rijk en geacht geweest. Zijn sterfbed is niet eenzaam. Hij is
+in zijn laatste oogenblikken niet door ongeduldige vreemden omgeven. De
+oude man spreekt over zich zelf, alsof hij voor Gods aangezicht stond
+en onder zuchten en met veel woorden bevestigen de omstanders, wat
+hij zegt.
+
+"Ik ben een vlijtig arbeider en eene goede huisheer geweest," zegt
+hij. "Ik heb mijn vrouw liefgehad als mijn rechterhand. Ik heb mijn
+kindren niet zonder zorg en tucht op laten groeien. Ik heb niet
+gedronken, ik heb de grenssteenen op den akker niet verzet. Ik heb
+de paarden, die den heuvel opgingen, niet voortgezweept. Ik heb de
+koeien in den winter geen honger laten lijden; ik heb de schapen niet
+in den zomer met hun wol laten loopen."
+
+En om hem heen herhalen de bedienden schreiend, als een echo: "hij
+was een goed huisheer. Ach God, onze Heer. Hij heeft het paard,
+dat den heuvel opging, niet voortgezweept; hij heeft de koeien geen
+honger laten lijden in den winter."
+
+Zonder dat iemand het merkte, is een arm man de deur ingekomen om
+wat eten te vragen. Ook hij hoort de woorden van den stervende,
+en blijft zwijgend aan de deur staan.
+
+En de zieke begint weer: "Ik heb bosschen omgehakt, velden drooggelegd;
+ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd. Ik heb de schuur driemaal
+vergroot, zoodat er driemaal meer koren in kon, dan in den tijd van
+mijn voorvaderen; ik heb drie zilveren bekers laten maken van blanke
+rijksdaalders en mijn vader liet er maar één maken."
+
+De woorden van den stervende dringen door tot hem, die daar staat en
+luistert. Hij hoort hem van zichzelf getuigen alsof hij voor Gods troon
+staat. Hij hoort de dienstboden en de kinderen bevestigend herhalen:
+"hij stuurde de ploeg in rechte voren, ja dat deed hij."
+
+"God zal mij wel een goede plaats in den hemel geven;" zegt de oude.
+
+"De Heer zal den boer wel in den hemel opnemen," zeggen de dienstboden.
+
+De man aan de deur hoort die woorden en ontzetting grijpt hem aan; hem,
+die vijf lange jaren Gods speelbal geweest is, een veer die door Zijn
+adem wordt voortgedreven. Hij gaat naar den zieke toe en vat zijn hand.
+
+"Ach vriend," zegt hij, en zijn stem beeft van ontroering. "Hebt
+ge bedacht, wie de Heer is voor wiens aangezicht ge spoedig zult
+verschijnen? Hij is groot, Hij is geweldig. De wereld is Zijn akker,
+de storm Zijn dienaar. De hemel trilt onder den tred Zijner voeten. En
+gij stelt u tegenover Hem en zegt: "ik heb de ploeg in rechte voren
+gestuurd, ik heb rogge gezaaid, ik heb bosschen omgehakt." Wilt ge
+u zelven prijzen tegenover Hem en u met Hem meten? Weet ge dan niet
+hoe machtig de Heer is, naar wiens rijk gij gaan zult?"
+
+De oude spert de oogen open; zijn gelaat wordt van angst vertrokken
+en zijn adem gaat nog zwaarder.
+
+"Stel u niet voor het aangezicht van uw God met groote woorden,"
+gaat de zwerver voort. "De machtigen der aarde zijn als kaf in Zijn
+schuur. Zijn dagwerk is zonnen te scheppen. Hij heeft de zee gegraven
+en de bergen omhoog doen stijgen; Hij heeft de aarde met groen
+bekleed. Hij is een arbeider zonder weerga, gij kunt u met Hem niet
+meten. Buig u voor Hem, arme menschenziel! werp u in het stof voor
+den Heer, uw God. Gods storm vaart over u heen. Gods toorn zal over
+u komen als een verteerend vuur. Buig u neer. Grijp als een kind een
+slip van Zijn kleed en bid om Zijn bescherming. Kniel in het stof en
+smeek om Zijn genade. Verootmoedig u voor uw Schepper, o menschenziel."
+
+De oogen van den zieke staan wijd open. Hij vouwt de handen; maar
+zijn gezicht heldert op en 't zware ademhalen houdt op.
+
+"Menschenziel, arme menschenziel," barst de vreemdeling uit. "Zoo
+waarachtig als gij nu in uw laatste ure u in ootmoed voor uw God
+gebogen hebt, zoo waarachtig zal Hij u als een kind in de armen nemen
+en u doen ingaan in de heerlijkheid van den Hemel."
+
+De oude man geeft den laatsten snik en alles is voorbij. Kapitein
+Lennart buigt het hoofd en bidt. Allen in de kamer bidden onder
+zuchten en tranen.
+
+En als zij opzien, ligt de oude boer daar stil en vredig. Zijn oog
+schijnt nog te stralen van den weerschijn der heerlijke visioenen,
+zijn mond glimlacht,--zijn aangezicht is schoon. Hij heeft God gezien.
+
+"O gij groote, schoone menschenziel," denken zij die hem zien; "zoo
+hebt ge dan de boeien van 't stof verbroken. In uw laatste uren hieft
+ge u op tot uw Schepper. Ge hebt u voor Hem verootmoedigd en Hij nam
+u als een kind in de armen."
+
+"Hij heeft God gezien," zegt de zoon en drukt den doode de oogen dicht.
+
+"Hij zag den hemel open," snikten de kinderen en de bedienden.
+
+De oude huismoeder legt haar bevende hand in die van kapitein Lennart
+en zegt: "de kapitein hielp hem door 't ergste heen."
+
+Hij staat verstomd. De gave van 't machtige woord,--van de sterke daad
+is hem gegeven, hij weet niet hoe! Hij trilt als een vlinder op den
+rand van 't pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn
+vleugels zich in den zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf.
+
+
+
+Dat oogenblik was het, dat kapitein Lennart deed uitgaan onder het
+volk. Anders was hij zeker wel naar huis gegaan en had aan zijn vrouw
+zijn eigen gezicht laten zien, maar van dat oogenblik geloofde hij, dat
+God hem gebruiken kon. Toen werd hij Gods gezant; die den armen hulp
+kon brengen. De nood was groot in dien tijd en er was veel ellende,
+waar verstand en goedheid beter in zouden helpen dan goud en macht.
+
+Kapitein Lennart kwam op een dag bij de arme boeren, die in den
+omtrek van Gurlita Klätt woonden. Groot was hun nood, zij hadden geen
+aardappelen meer, en zij konden geen rogge op de afgebrande velden
+zaaien, want zij hadden geen koren.
+
+Toen nam kapitein Lennart een bootje en roeide dwars over 't
+meer naar Fors en vroeg Sintram om rogge en aardappelen voor de
+arme boeren. Sintram ontving hem vriendelijk; hij nam hem mee naar
+de groote welvoorziene korenzolders en naar de kelders, waar nog
+aardappelen lagen van den oogst van verleden jaar en hij liet hem alle
+zakken en zakjes vullen, die hij meegebracht had. Maar toen Sintram
+'t kleine bootje zag, waarin Lennart gekomen was, vond hij die te
+klein voor zulk een zwaren last. De booze man liet de zakken in een
+van zijn groote booten dragen en liet zijn knecht, de sterke Mons,
+ze over 't water roeien. Kapitein Lennart had niet anders dan zijn
+leeg bootje te besturen.
+
+Maar sterke Mons kwam hem toch vooruit, hij was een meester in het
+roeien en buitengewoon sterk. Kapitein Lennart zit te droomen, terwijl
+hij over 't prachtige meer roeit; hij denkt aan 't wonderlijke lot van
+de kleine zaadjes. Nu zullen ze op de zwarte aarde geworpen worden, die
+vol asch is, midden tusschen steenen en boomstronken, maar zij zullen
+toch wel groeien en wortel schieten in 't woeste veld. Hij denkt aan
+de zachte, lichtgroene sprietjes, die de aarde zullen bedekken en hij
+buigt zich in gedachten neer en streelt ze liefkozend met de hand. En
+dan denkt hij er aan hoe de herfst en de winter zal heengaan over
+die zwakke stumpertjes, die zoo laat nog opkwamen uit de warme aarde,
+en hoe ze toch frisch en moedig zullen zijn, als het voorjaar komt,
+en in ernst aan 't groeien zullen gaan. En dan verheugt zich zijn oud
+soldatenhart bij de gedachte aan de stijve halmen; die zoo rank en
+recht zullen staan met de spitse aar aan de punt. De stampers zullen
+wuiven met hun veerbosjes, 't stof der meeldraden zal opstuiven tot aan
+de toppen der boomen en zoo zullen de aren gevuld worden met zachte,
+zoete korrels. En later, als de zeis komt en de halmen vallen en als de
+dorschvlegel bulderend over hen heen gaat, als de molenaar de korrels
+tot meel maalt en 't meel tot brood gebakken is, hoeveler honger zal
+dan door 't koren in die boot daar vóór hem niet gestild worden.
+
+De knecht van Sintram legde aan bij de landingsplaats der
+Gurlita-boeren en veel hongerige menschen kwamen op de boot af. Toen
+zei de knecht, zooals zijn heer hem bevolen had:
+
+"De grondeigenaar zendt jelui mout en koren. Hij heeft gehoord,
+dat je gebrek hebt aan brandewijn."
+
+Toen werden de menschen als waanzinnigen; ze vlogen naar de boot
+en sprongen in 't water om zakken machtig te worden. Maar dàt was
+waarlijk de bedoeling van kapitein Lennart niet geweest. Hij was nu
+ook aan land gekomen en werd boos toen hij de boeren zoo opgewonden
+zag. Hij wilde de aardappels voor voeding en de rogge voor zaad laten
+gebruiken. Hij zou er nooit over denken om mout te vragen. Hij riep ze
+toe, dat ze de zakken moesten laten liggen; maar zij luisterden niet.
+
+"'k Wou, dat de rogge tot zand in je mond werd en de aardappelen
+in steenen veranderden," riep hij toen, want hij was ten hoogste
+verbitterd, door dat ze 't koren wegrukten.
+
+Op 't zelfde oogenblik leek het, alsof kapitein Lennart een wonder had
+verricht. Twee vrouwen, die om een zak vochten, trokken er een gat in
+en er liep zand uit. De knechten, die de aardappelenzakken droegen,
+merkten dat ze zoo zwaar waren, alsof er steenen in zaten.
+
+'t Was alles zand en steenen, anders niet. In stille ontzetting stond
+het volk den man Gods aan te zien, die tot hen was gekomen. Kapitein
+Lennart stond een oogenblik stom van verbazing. Maar sterke Mons
+lachte.
+
+"Roei naar huis, man," zei kapitein Lennart, "eer de boeren begrijpen,
+dat er nooit anders dan zand in de zakken geweest is, anders ben ik
+bang dat ze een gat in je boot boren."
+
+"Ik ben zoo bang niet," zei de knecht.
+
+"Roei nu toch naar huis," zei kapitein Lennart zóó bevelend, dat
+de man gehoorzaamde. Toen vertelde kapitein Lennart aan de boeren,
+dat Sintram hem bedrogen had, maar wat hij ook zei, zij wilden niet
+anders gelooven dan dat er een wonder gebeurd was. Het gerucht hiervan
+verspreidde zich snel en daar de onontwikkelden van al wat wonderlijk
+is, houden, werd het een algemeen volksgeloof, dat kapitein Lennart
+wonderen kon doen. Daardoor kreeg hij veel macht over de boeren en
+zij noemden hem Gods gezant.
+
+
+
+
+
+
+
+XXIV.
+
+HET KERKHOF.
+
+
+'t Was een heerlijke avond in Augustus. 't Löfvenmeer lag spiegelglad;
+'t was koel geworden en een fijne nevel, door de zon verlicht,
+verborg de bergen.
+
+Beerencreutz, de overste met den witten knevel, klein en forsch,
+reusachtig sterk en met 't kaartspel in den zak, kwam naar 't strand
+en zette zich in de breede schuit.
+
+Achter hem kwamen Majoor Anders Fuchs, zijn oude wapenbroeder en
+de kleine Ruster, de fluitspeler, die tamboer bij de jagers van
+Wermeland geweest was en vele jaren den overste als vriend en dienaar
+gevolgd had.
+
+Op den anderen oever van 't meer ligt het kerkhof, 't verwaarloosde
+kerkhof van Svartsjö, dun bezaaid met scheve, rammelende ijzeren
+kruisjes, ruig als een nooit geploegd veld, begroeid met stijf en
+hoog gras, dat daar staat als herinnering aan de waarheid, dat geen
+menschenleven op een ander gelijkt, maar dat ze onderling verschillen
+als de halmen van 't gras.
+
+Men vindt daar geen met grint bedekte paden, geen schaduwrijke boomen,
+behalve de groote linde op een vergeten graf.
+
+De steenen muur sluit zich hoog en afwijzend om 't armoedige
+veldje. Armelijk en troosteloos is het kerkhof, leelijk als 't
+gezicht van een gierigaard, geteisterd door de weeklachten van hem,
+wiens levensgeluk hij verstoorde.
+
+En toch zijn zij zalig, die daarbinnen rusten, zij die in de gewijde
+aarde werden neergelaten onder psalmen en gebeden. Acquilon, de speler,
+hij, die verleden jaar stierf op Ekeby, is buiten den muur moeten
+begraven worden. Die man, die eens zoo fier en ridderlijk was, die
+dappere krijgsman, die kloeke jager, de speler wien 't geluk diende,
+hij was geëindigd met 't erfdeel van zijn kinderen te verspillen.
+
+Alles wat hij zelf had verworven, alles wat zijn vrouw zoo zuinig
+bijeengehouden had. Vrouw en kinderen had hij voor vele jaren verlaten
+om op Ekeby als kavalier te gaan leven.
+
+Op een avond in den vorigen zomer had hij de hoeve verspeeld, waar
+zij woonden. Liever dan zijn schuld te betalen, had hij zich voor
+'t hoofd geschoten. Maar 't lijk van den zelfmoordenaar werd begraven
+buiten den bemosten muur van het kerkhof.
+
+Sinds hij stierf waren de kavaliers maar met hun twaalven
+geweest. Niemand was gekomen om de plaats van den dertiende in te
+nemen--niemand dan de zwarte, die uit den grooten oven was gekomen
+op Kerstavond.
+
+De kavaliers hadden zijn lot droeviger dan dat van zijn voorgangers
+gevonden. Wel wisten ze, dat er ieder jaar een van hen sterven
+moest. Maar wat zou dat? Kavaliers moesten niet oud worden. Als hun
+verduisterde oogen de kaarten niet meer konden onderscheiden, als
+hun bevende handen het glas niet meer konden opheffen, wat is dan 't
+leven voor hen en wat kan 't leven dan meer van hen verwachten? Maar
+als een hond buiten den muur van 't kerkhof te liggen, waar 't gras,
+dat hem bedekt geen rust kan krijgen, maar wordt betreden door het
+blatende schaap, door spade of ploeg beschadigd; waar de wandelaar
+gaat zonder zijn schreden te matigen, waar kinderen spelen zonder
+lachen en scherts terug te houden; daar te liggen, waar de steenen
+muur 't geluid belet door te dringen als de engel van den jongsten
+dag met zijn bazuin de dooden daarbinnen wekt--o, daar te liggen!....
+
+Nu roeit Beerencreutz zijn boot over 't meer. Hij vaart van avond over
+'t meer mijner droomen, aan wiens oevers ik goden zie wandelen en
+uit wiens diepte mijn tooverslot opstijgt. Hij vaart voorbij Lagön,
+waar de dennen rechtop uit 't water steken, gegroeid als ze zijn op
+lage, cirkelvormige zandbanken en waar de splinters van de verwoeste
+zeerooversburchten nog op schuine hellingen liggen. Hij vaart voort
+langs de dennenparken van Borg, waar de oude dennen nog aan dikke
+wortels over den bergkloof hangen, waar de geweldige beer gevangen
+werd en waar oude hunnebedden en grafheuvels van den ouderdom der
+streek getuigen.
+
+Hij roeit om de landtong heen, stapt uit beneden het kerkhof en
+gaat over het gemaaide veld, dat aan den graaf van Borg hoort, naar
+Acquillons graf.
+
+Daar aangekomen buigt hij zich neer en streelt het gras, zooals men
+allicht de deken liefkoost, waaronder een zieke vriend rust. Dan
+neemt hij het kaartspel en zet zich bij het graf.
+
+"Hij is hier zoo alleen buiten, Johan Frederik. Hij verlangt zeker
+wel naar een partijtje."
+
+"Zonde en schande is 't dat een kerel als hij hier buiten moet liggen,"
+zegt de groote beerenjager Anders Fuchs en zet zich naast hem neer.
+
+Maar de kleine Ruster, de fluitspeler, spreekt met bewogen stem,
+terwijl tranen hem aanhoudend langs de wangen loopen: "Naast u overste,
+naast u was hij de beste man van de wereld."
+
+De drie waardige mannen zitten nu om het graf en geven de kaarten
+rond. Ernstig en ijverig beginnen zij hun spel.
+
+Ik zie rond in de wereld. En ik zie veel graven. Daar rusten de
+machtigen door 't marmer gedrukt. Treurmarschen klinken daarover. Vanen
+worden neergelaten over die graven. Ik zie graven waaraan veel zorg en
+liefde wordt besteed. Bloemen, met tranen en kussen bedekt, rusten op
+hun groene kleeden. Vergeten graven zie ik, vermetele, leugenachtige
+graven, anderen die niets zeggen; maar nooit zag ik ruiten boer en
+klaveren vrouw te gast genood op een graf.
+
+"Johan Frederik heeft het gewonnen," zegt de overste trotsch. "Zei
+ik het niet? Ik heb hem spelen geleerd. Ja, nu zijn wij dood."
+
+Daarmeê neemt hij de kaarten op, staat op en gaat door de anderen
+gevolgd naar Ekeby terug.
+
+Nu zal de doode toch wel geweten of gevoeld hebben, dat niet allen
+hem en zijn verlaten graf hebben vergeten. Wonderlijke hulde brengen
+verwilderde harten aan hen die ze liefhebben, maar zij wiens lijk
+geen rust in gewijde aarde mag vinden, hij moet toch blij zijn als
+niet allen hem verwerpen.
+
+Vrienden, menschenkinderen, als ik sterf, zal ik zeker rusten midden
+op het kerkhof in het graf mijner vaderen. Zeker zal ik de mijnen niet
+van hun dak hebben beroofd, noch de hand aan mijn eigen leven geslagen
+hebben; maar zeer zeker zal ik niet zulk een liefde gewonnen hebben,
+zeker zal niemand zóóveel voor mij doen als de kavaliers voor dezen
+misdadiger. Zeer zeker komt niemand des avonds als de zon ondergaat en
+'t eenzaam en treurig in 't verblijf der dooden wordt, om tusschen
+mijn verstijfde vingers de bonte kaarten te leggen.
+
+Niet eens zal men komen--wat ik liever zou hebben--want kaarten bekoren
+mij niet--met viool en strijkstok bij mijn graf, opdat mijn schim,
+die om 't vergaande stof zweeft, mag wiegen op den stroom der tonen
+als een zwaan op de vonkelende golven.
+
+
+
+
+
+
+
+XXV.
+
+OUDE LIEDEREN.
+
+
+Marianne Sinclaire zat op een stillen namiddag in 't eind van Augustus
+in haar kamer en maakte haar brieven en oude papieren in orde.
+
+Van alles lag om haar heen. Groote leeren tasschen en kistjes met ijzer
+beslagen, waren in haar kamer gebracht. Haar kleeren lagen uitgespreid
+op stoelen en sofa's. Van den zolder en uit kasten en uit de laden der
+commodes was alles voor den dag gehaald: zijde en fijn linnen; sieraden
+om te poetsen, shawls en bontwerk om te onderzoeken en uit te kiezen.
+
+Marianne was bezig alles klaar te maken voor een lange reis. 't
+Was niet zeker of ze ooit weer thuis zou komen. Ze stond voor een
+keerpunt in haar leven en verbrandde daarom een menigte oude brieven
+en dagboeken. Zij wilde niet langer gedrukt worden door herinneringen
+aan 't verleden.
+
+Zooals ze daar nu zit, krijgt ze een bundel oude liedjes in handen. 't
+Waren copieën van oude volksliedjes, die haar moeder voor haar placht
+te zingen toen ze klein was. Zij maakte het lint los, dat er om heen
+gebonden was en begon te lezen.
+
+Ze glimlachte weemoedig, toen ze een poosje gelezen had; het was een
+wonderlijke wijsheid, die de oude liedjes verkondigden.
+
+Geloof niet aan 't geluk, niet aan voorteekenen van geluk, geloof
+niet aan rozen en liefelijke bloemen.
+
+Geloof niet aan een lach, zeiden ze. Zie Valberg de schoone Jonkvrouw
+rijdt in een gouden koets en toch is ze zoo bedroefd, alsof de
+paardenhoeven en de wielen haar geluk zullen verbrijzelen.
+
+Geloof niet aan den dans, zeiden ze. Menig voet glijdt licht over den
+gewreven dansvloer, terwijl het hart zwaar is als lood. Kleine Kirsten
+danste zoo vroolijk en blij en toch verdanste zij haar jong leven.
+
+Geloof niet aan scherts. Menigeen gaat aan den feestdisch met
+schertsende woorden en zou graag willen sterven van droefheid. Daar
+zit schoone Adelheid en laat zich 't hart van hertog Frydenborg in
+negen stukken voordienen, omdat ze er zeker van is, dat ze na dat
+gezien te hebben kracht tot sterven zal krijgen.--
+
+Och gij oude liedjes, waar mag men dan aan gelooven. Aan tranen
+en lijden?
+
+Zelden zucht een vroolijk hart; maar vaak lacht een bedroefde mond. Aan
+tranen en zuchten gelooven de oude liedjes, aan smart en voorteekenen
+van verdriet. Smart is werkelijkheid, de vaste rots onder het zand. Aan
+smart en aan haar kenteekenen kan men gelooven.
+
+Hoe troosteloos zijt ge, zeide Marianne, hoe schiet uw oude wijsheid
+te kort bij 's levens volheid.
+
+Zij ging naar het venster en keek uit in den tuin waarin haar ouders
+wandelden. Zij liepen op en neer op de breede paden en spraken over
+alles wat zij zagen, over al wat hun oogen trof, over 't gras op het
+veld en de vogelen des hemels.
+
+"Zie," zeide Marianne, "daar gaat nu een hart, dat zucht van smart,
+hoewel 't nooit vroeger zoo gelukkig is geweest." En plotseling viel
+haar de gedachte in, dat misschien ten slotte alles aan de menschen
+zelf lag, dat vreugde en smart maar afhing van hun verschillende
+wijzen van zien. Zij vroeg zich af of het vreugde of smart was,
+wat ze dit jaar doorgemaakt had. Ze wist het zelf bijna niet.
+
+Ze had bitter lijden beleefd. Haar ziel was ziek geweest, ze was ter
+aarde gebogen door diepe vernedering. Want toen ze weer thuis gekomen
+was, had ze in zich zelf gezegd: "ik wil me niets kwaads van mijn
+vader herinneren"
+
+Maar haar hart sprak anders. "Hij heeft mij het bitterst leed
+aangedaan," zeide het, "hij heeft mij gescheiden van hem dien ik
+liefheb, hij heeft me tot vertwijfeling gebracht toen hij moeder
+sloeg. Ik wensch hem niets kwaads; maar ik ben bang voor hem."
+
+En ze merkte, dat zij zich moest dwingen om stil te blijven zitten,
+als haar vader zich naast haar zette; ze had lust van hem weg
+te loopen. Ze beproefde zich te vermannen, ze sprak met hem als
+gewoonlijk en was bijna altijd bij hem. Zij kon zich beheerschen,
+maar zij leed onuitsprekelijk. En eindelijk kwam het zoover dat ze
+alles aan hem verafschuwde; zijn zware, grove stem, zijn zwaren stap,
+zijn groote handen, zijn reusachtige gestalte. Zij wenschte hem geen
+kwaad, zij wilde hem niet schaden, maar ze kon hem niet naderen zonder
+angst en afschuw. Haar onderdrukt hart wreekte zich. "Ge liet me niet
+liefhebben," zei het, "maar ik ben toch uw meester. Ge zult eindigen
+met te haten."
+
+Gewend als ze was, alles waar te nemen wat zich in haar ziel bewoog,
+merkte ze dat die afschuw van dag tot dag toenam. En tegelijkertijd
+was ze voor goed aan huis gebonden. Zij zag in dat het het beste zou
+zijn als ze weg kon gaan naar andere menschen; maar daar kon ze na
+haar ziekte niet toe komen. Er zou nooit eenige verlichting in dit
+alles komen. Ze zou altijd meer gepijnigd worden, en eindelijk zou
+haar zelfbeheersching tekort schieten, en ze zou uitbarsten tegenover
+haar vader en hem de verbittering van haar hart toonen, en er zou
+strijd en ellende van komen.
+
+Zoo was het voorjaar en de voorzomer voorbij gegaan. In Juli had zij
+zich verloofd met baron Adriaan om een eigen tehuis te hebben.
+
+Op een schoonen dag was baron Adriaan 't landgoed op komen rijden op
+een prachtig paard. Zijn huzarenrok schitterde in de zon, zijn sporen,
+sabel en tuig straalden en vonkelden, om niet te spreken van zijn
+eigen frisch gezicht en stralende oogen. Melchior Sinclaire had zelf
+op de stoep gestaan en hem ontvangen toen hij kwam. Marianne had aan
+'t venster zitten naaien. Ze had hem zien komen en hoorde nu ieder
+woord, dat ze samen spraken.
+
+"Goeden dag, ridder Zonneschijn," riep de grondeigenaar. "Wel drommel,
+wat ben je mooi. Je bent toch niet op een vrouw uit."
+
+"Ja oom, dat is 't juist," antwoordde hij lachend.
+
+"Maar schaam je je niet kerel! Wat heb jij om een vrouw van te
+onderhouden?"
+
+"Geen cent, oom. Had ik wat dan mocht de duivel gaan trouwen, voor
+mijn part."
+
+"En dat zeg jij, ridder Zonneschijn, dat zeg jij? Maar die geborduurde
+jas heb je toch kunnen koopen."
+
+"Op krediet, oom!"
+
+"En je paard dan? Dat is een kostbaar beestje, jongetje. Waar heb je
+dat dan vandaan."
+
+"Geleend, oom!"
+
+Daar kon de groote grondeigenaar niet tegen. "God zegen je, jongen,"
+zei hij, "je hebt wel een vrouw met een zakduitje noodig. Als je
+Marianne kunt krijgen, neem haar dan."
+
+En zoo was de zaak al in orde, eer de baron van zijn paard gekomen
+was. Maar Melchior Sinclaire wist wel wat hij deed, want baron Adriaan
+was een flinke man.
+
+Daarop was de jonge man bij Marianne gekomen en was onmiddellijk met
+zijn boodschap voor den dag gekomen.
+
+"Och Marianne, lieve Marianne, ik heb al met je vader gesproken. Ik
+zou je zoo graag tot vrouw hebben. Zeg dat je wilt, Marianne."
+
+Ze had al gauw de waarheid uit hem gekregen.
+
+De oude baron, zijn vader, had zich weer laten verleiden tot het koopen
+van eenige leege mijnen. De oude baron had zijn heele leven mijnen
+gekocht en er was nooit iets in geweest. Zijn moeder was in zorgen;
+hij zelf had schulden gemaakt en nu vroeg hij haar om daarmeê zijn
+vaderlijk huis en zijn huzarenrok te redden. Zijn tehuis was Hekeby,
+het lag aan den andren kant van het meer vlak over Björne. Ze kende
+hem goed, ze waren even oud en speelkameraden.
+
+"Je kon best met mij trouwen Marianne, ik heb nu een ellendig
+leven. Ik moet op geleende paarden rijden en kan mijn kleermaker niet
+betalen. Dat kan immers op den duur niet. Ik zal mijn ontslag moeten
+vragen, en dan schiet ik mij voor den kop."
+
+"Maar Adriaan, wat moet dat nu voor een huwelijk worden. We zijn
+immers in 't minst niet op elkaar verliefd."
+
+"Nu ja, wat liefde betreft, om dien onzin geef ik geen steek," had
+hij toen gezegd, "Ik rijd graag op een goed paard, en ga op de jacht;
+maar ik ben geen kavalier; ik wil werken. Als ik maar geld krijgen kon,
+zoodat ik de hoeve thuis overnemen kon en mijn moeder een rustigen
+ouden dag bezorgen kon, dan zou ik al heel tevreden zijn. Ik kan wel
+zaaien en ploegen, want ik houd van flink werken.
+
+En hij had haar met zijn goedige oogen aangezien, en ze wist, dat hij
+waarheid sprak en dat hij een man was, waar ze op vertrouwen kon. Ze
+verloofde zich met hem, voor 't grootste gedeelte om van huis te komen,
+maar ook omdat ze hem wel lijden mocht.
+
+Maar nooit zou ze die maand vergeten, die nu volgde, dien Augustusavond
+dat hun engagement publiek werd, heel dien waanzinnigen tijd.
+
+Baron Adriaan was elken dag gedrukter en stiller geworden. Hij kwam
+dikwijls genoeg naar Björne, soms tweemaal per dag, maar ze merkte hoe
+ontstemd hij was. Als hij bij anderen was kon hij lachen en schertsen,
+maar als hij met haar samen was, werd hij onmogelijk! Zwijgend en
+vervelend. Zij begreep wel wat er aan scheelde: het was zoo gemakkelijk
+niet als hij gedacht had, met een leelijk meisje te gaan trouwen. Nu
+had hij iets tegen haar. Niemand wist beter dan zij zelf hoe leelijk
+ze was. Ze had hem dadelijk getoond, dat zij niet van liefkozingen
+of betuigingen van liefde hield, maar hij leed natuurlijk onder
+de gedachte, dat zij zijn vrouw zou worden en dat werd bij den dag
+erger. Maar waarom liep hij zichzelf te plagen? Waarom verbrak hij
+zijn engagement niet. Ze had hem toch duidelijk wenken in die richting
+gegeven. Zelf kon ze niets doen, want haar vader had haar ronduit
+gezegd, dat haar naam geen extravagances wat engagementen betreft meer
+lijden kon. Toen had zij hen beiden diep veracht, en elke uitweg om
+deze beide meesters te ontsnappen, kwam haar geoorloofd voor. En toen,
+maar een paar dagen na hun verlovingsfeest was een verandering gekomen,
+plotseling en wonderlijk!
+
+Op 't pad van Björne voor de stoep lag een groote steen, die veel
+moeite en ergernis gaf. Wagens kantelden er door om, paarden en
+menschen vielen er over, meisjes die met zware melkvaten kwamen,
+struikelden er over en morsten met melk, maar de steen bleef toch
+liggen, omdat hij er al zoolang gelegen had; hij had er al gelegen
+in den tijd van Sinclaires vader, lang voor dat iemand er aan had
+gedacht Björne te bouwen. De grondeigenaar kon niet inzien, waarom
+hij nu opeens weg moest.
+
+Maar op een van de laatste dagen in Augustus gebeurde het, dat twee
+meisjes, die met een zware tobbe aan kwamen dragen, over den steen
+vielen. Zij bezeerden zich leelijk en de ontevredenheid over den
+steen was groot.
+
+'t Was tegen twaalf uur. De grondeigenaar was op zijn morgenwandeling,
+maar daar het werkvolk juist op de hoeve was tusschen acht en negen,
+beval Mevrouw Gustava een paar knechts den steen los te graven. Zij
+kwamen met spaden en hefboomen, groeven en zwoegden en eindelijk
+kregen zij den steen des aanstoots weg van zijn plaats. Zij droegen
+hem naar den tuin, zes man hadden er genoeg werk aan.
+
+Nauwelijks was de steen weg of de grondeigenaar kwam thuis en dadelijk
+zag hij wat er gebeurd was. 't Is wel mogelijk dat hij boos was. 't
+Was alsof het 't zelfde huis niet meer was, vond hij. Wie had gewaagd
+den steen weg te nemen? O zoo! had Mevrouw Gustava het bevolen. Die
+vrouwen hebben ook geen hart. Wist zijn vrouw dan niet hoe lief hij
+dien steen had.
+
+En hij ging op den steen af en droeg hem van den tuin weg over de
+hoeve, heelemaal naar de plaats waar hij gelegen had en gooide hem
+daar weer neer. En 't was een steen, die zes man met moeite verdragen
+hadden. Die daad werd zeer bewonderd in Wermeland.
+
+Terwijl hij den steen over de plaats droeg, had Marianne aan het
+venster in de eetzaal gestaan en naar hem gezien. Zij had hem
+nooit zóó verschrikkelijk gezien. En hij was haar heer en meester,
+die vreeselijke man met zijn grenzenlooze kracht, een onredelijke,
+grillige meester, die nooit naar iets anders dan zijn eigen lust vroeg.
+
+Zij zouden juist aan het tweede ontbijt gaan en zij stond met het
+broodmes in de hand. Onwillekeurig lichtte zij het op.
+
+Mevrouw Gustava greep haar bij de pols.
+
+"Marianne!"
+
+"Wat is er, moeder!"
+
+"Ach Marianne, je ziet er zoo vreemd uit. Ik word er bang van."
+
+Marianne zag haar lang aan. Zij was een kleine, uitgedroogde vrouw,
+met grijs haar en gerimpeld. En ze was pas vijftig jaar. Ze had lief
+als een hond, trots schoppen en slagen. Ze was meestal opgewekt en
+maakte toch zulk een treurigen indruk. Ze was als een boom die door
+storm geteisterd is, ze had nooit tijd tot groeien gehad.
+
+Ze had geleerd langs omwegen te gaan, loog als het noodig was en
+hield zich vaak dommer dan ze was om verwijten te ontgaan. Zij was
+alles te zamen genomen, geheel door haar man gevormd.
+
+"Zou u heel bedroefd zijn als vader stierf, moeder?" vroeg Marianne.
+
+"Marianne, je bent boos op je vader, je bent altijd boos op hem. Waarom
+kan alles niet weer goed worden, nu je een anderen verloofde hebt."
+
+"Ach, moeder, ik kan er niets aan doen. Ik kan 't niet helpen,
+dat ik voor hem ril. Weet u dan niet hoe hij is. Hoe kan ik van hem
+houden. Hij is driftig en ruw, hij heeft u geplaagd zoodat u oud is
+geworden vóór uw tijd. Waarom moet hij onze meester zijn! Hij doet
+immers alsof hij gek is. Waarom moet ik hem eeren en achten? Hij is
+niet goed, niet barmhartig. Ik weet dat hij sterk is; hij kan ons
+doodslaan, wanneer hij maar wil. Hij kan ons uit het huis zetten als
+hij wil. Moet ik hem daarom liefhebben?"
+
+Maar toen werd mevrouw Gustava heel anders dan ze gewoonlijk
+was. Ze werd sterk en moedig en sprak op een toon van gezag: "Pas op,
+Marianne! Ik begin bijna te gelooven dat je vader gelijk had, toen hij
+je van den winter buiten de deur sloot. Je zult zien, dat je hiervoor
+gestraft zult worden. Je moet leeren te verdragen zonder te haten,
+te lijden zonder je te willen wreken."
+
+"Ach moeder, ik ben zoo ongelukkig."
+
+En onmiddellijk volgde de straf. Uit de vestibule klonk een dof
+dreunen, alsof er iets zwaars viel.
+
+Niemand kwam ooit te weten of Melchior Sinclaire op den stoep gestaan
+had en door de open deur van de eetkamer Mariannes woorden gehoord had,
+of dat alleen de lichamelijke overspanning hem een aanval van beroerte
+bezorgd had. Toen zij buiten kwamen was hij bewusteloos. Zij waagden
+later niet hem naar de aanleiding te vragen. Zelf liet hij nooit
+merken, dat hij iets gehoord had. Marianne waagde nooit te denken,
+dat hij zich onwillekeurig gewroken had. Maar toen zij haar vader
+daar zag liggen op dezelfde plek waar zij geleerd had hem te haten,
+verdween plotseling de bitterheid uit haar hart.
+
+Hij kwam spoedig bij en nadat hij zich een paar dagen rustig gehouden
+had, was hij weer beter;--maar heel anders dan vroeger.
+
+Marianne zag haar ouders in den tuin wandelen. Dat deden ze nu
+vaak. Hij ging nooit alleen uit, ging niet van huis, werd knorrig als
+er gasten kwamen of als iets anders hem van zijn vrouw scheidde. Hij
+was plotseling oud geworden. Hij kon er niet toe komen een brief te
+schrijven; zijn vrouw moest het doen; hij besliste nooit meer iets
+alleen, maar vroeg haar opinie overal over en liet alles gebeuren
+zooals zij wenschte. En hij was altijd zacht en vriendelijk. Hij zelf
+merkte de verandering, die over hem gekomen was en zag hoe gelukkig
+zijn vrouw was. "Nu heeft ze het goed," zei hij eens tegen Marianne
+en wees op mevrouw Gustava.
+
+"Och, lieve Melchior," barstte ze uit, "je weet wel dat ik veel liever
+had, dat je weer beter werdt."
+
+En dat had ze werkelijk liever gehad. 't Was haar een genot te
+vertellen hoe de groote grondeigenaar in zijn sterke dagen was. Ze
+vertelde hoe hij alles verdragen kon, zoo goed als de kavaliers
+van Ekeby, hoe hij zaken deed en veel geld verdiende, juist als zij
+meende, dat zijn woestheid hun huis en hof ontnemen zou. Maar Marianne
+wist dat ze gelukkig was niettegenstaande al die klachten. Alles
+voor hem te zijn, was haar genoeg. Beiden zagen zij er oud uit,
+afgeleefd vóór hun tijd. Marianne kon zich wel voorstellen hoe hun
+leven zou worden. Hij zou langzamerhand zwakker en zwakker worden;
+de eene attaque na de andere zou hem steeds meer hulpeloos maken en
+zij zou hem oppassen tot de dood hen scheidde, maar dat kon nog lang
+duren. Mevrouw Gustava kon haar geluk nog lang behouden. "En dat is
+billijk," dacht Marianne, "want het leven is haar nog veel schuldig.'"
+
+Ook zij zelf had het nu beter. Ze voelde niet meer die hopelooze
+vertwijfeling, die haar tot een huwelijk dwong om ten minste een andere
+heer en meester te krijgen. Haar gewond hart had rust gevonden. Haat
+en liefde hadden het geslingerd; maar nu dacht ze niet meer aan alles
+wat ze geleden had. Ze moest erkennen dat haar zieleleven meer waard,
+grooter en rijker geworden was dan vroeger, hoe zou ze dan kunnen
+wenschen dat dit alles niet gebeurd was. Was het misschien waar,
+dat alle leed iets goeds bracht? Kon alles medewerken ten goede? Ze
+was begonnen alles goed te noemen, wat haar als mensch op hooger
+ontwikkelingstrap bracht. De oude liedjes hadden geen gelijk. De
+smart was niet de eenige werkelijkheid. Nu wilde ze op reis gaan en
+een betrekking zoeken, waarin ze nuttig zou kunnen zijn. Was haar
+vader nog de oude geweest, dan had hij haar nooit toegelaten haar
+verloving te verbreken. Nu had mevrouw Gustava voorzichtig de zaak
+in orde gebracht. Marianne mocht zelf Baron Adriaan helpen met het
+geld wat hij noodig had.
+
+Ook aan hem kon ze nu met vreugde denken; nu was hij immers vrij! In
+zijn frisschen moed en levenslust had hij haar altijd aan Gösta Berling
+doen denken; nu zou ze hem weer blij zien. Hij zou opnieuw de Ridder
+Zonneschijn zijn, die stralend was komen aanrijden op haars vaders
+landgoed. Ze zou hem grond bezorgen, waar hij kon graven en ploegen,
+zooveel zijn hart maar begeerde en zou hem een mooie jonge bruid naar
+het altaar zien voeren.
+
+Onder zulke gedachten zet zij zich neer om aan hem te schrijven en hem
+zijn vrijheid terug te geven. Ze schrijft vriendelijk en dringend,
+verstandig en schertsend en toch zóo, dat hij kan begrijpen, hoe
+ernstig ze het meent.
+
+Terwijl ze schrijft, hoort ze hoefslagen op den weg.
+
+"Lieve ridder Zonneschijn," denkt ze, "dat is nu voor het laatst."
+
+En onmiddellijk daarop komt de baron bij haar binnen.
+
+"Maar Adriaan! kom je hier binnen," en ze ziet verschrikt naar al de
+wanorde om haar heen.
+
+Hij wordt dadelijk verlegen en beschroomd en stamelt een
+verontschuldiging.
+
+"Ik zat juist aan je te schrijven," zegt ze, "zie hier; je kunt den
+brief ook wel dadelijk lezen."
+
+Hij neemt den brief en zij zit hem aan te zien, terwijl hij leest. Ze
+verlangt er naar, zijn gezicht te zien ophelderen en stralen van
+vreugd. Maar hij heeft nog niet veel gelezen, toen hij vuurrood wordt,
+den brief op den grond gooit, hem onder den voet trapt en vloekt dat
+'t huis er van dreunt.
+
+Marianne beeft. Ze is geen beginner in de studie der liefde. En toch
+begrijpt ze eerst nu dien onervaren knaap, dat groote kind.
+
+"Adriaan, lieve Adriaan," zegt ze, "wat is dat toch voor een comedie,
+die je met me gespeeld hebt. Kom eens hier en vertel me alles."
+
+Hij kwam en smoorde haar bijna door zijn liefkozingen. Arme jongen,
+hoe had hij verlangd en geleden!
+
+Kort daarna zag zij het venster uit. Daar wandelde mevrouw Gustava
+nog altijd en babbelde met den grooten grondeigenaar over bloemen en
+vogels, en hier zat zij te babbelen over liefde.
+
+"'t Leven heeft ons beiden zijn heiligen ernst laten zien," dacht ze,
+en glimlachte weemoedig.
+
+"'t Zal ons troosten, dat we ieder ons groot kind hebben om meê
+te spelen."
+
+'t Deed haar toch goed, dat men haar lief kon hebben. Het was heerlijk
+hem te hooren fluisteren over de tooverkracht, die van haar uitging,
+en hoe hij zich schaamde over wat hij in hun eerste gesprek gezegd
+had. Hij wist toen niet welk een macht ze had. Och, geen man kon haar
+naderen, zonder haar lief te hebben. Maar ze had hem bang gemaakt. Hij
+had zich zoo wonderlijk onderdrukt gevoeld.
+
+'t Was geen geluk!--maar ook geen ongeluk. Zij zou beproeven het
+leven met dien man te aanvaarden.
+
+Zij begon zichzelf te begrijpen en dacht aan de woorden in 't oude
+liedje van de tortelduif, den vogel van het verlangen. "Ze drinkt
+nooit het heldere water, ze maakt het eerst troebel met haar voet,
+dan past het beter voor haar droevige stemming." Zoo zou zij ook niet
+uit de bron des levens het heldere onvermengde geluk drinken. Troebel
+door weemoed, zoo was het leven 't beste voor haar.
+
+
+
+
+
+
+
+XXVI.
+
+DE DOOD ALS BEVRIJDER.
+
+
+Mijn bleeke vriend, de Dood, kwam in Augustus, toen de nachten bleek
+waren, in den maneschijn, bij 't huis van kapitein Uggla. Maar hij
+durfde niet aanstonds binnengaan onder het gastvrije dak, want er
+zijn maar weinigen, die hem liefhebben.
+
+Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder heeft een moedig
+hart. Het is hem een lust te rijden door de lucht, door gloeiende
+kanonskogels gedragen. Hij neemt de sissende granaat op den nek en
+lacht als die springt en de splinters om hem heen vliegen. Hij danst
+met de spoken op het kerkhof en schuwt de pestzalen in het hospitaal
+niet, maar hij beeft aan de deur der rechtschapenen, op den drempel
+der goede menschen.
+
+Want hij wil niet met tranen begroet worden, maar met stille vreugd;
+hij die de zielen bevrijdt van de boeien der smart, van de ketenen
+van 't stof en ze laat genieten van het vrije, heerlijke leven in
+de wereldruimte.
+
+En de Dood sloop in 't oude bosch, achter 't woonhuis, waar nog op
+den huidigen dag de slanke beuken met hun witte stammen wedijveren,
+om aan de fijne bladknoppen in hun toppen 't licht des hemels te
+verschaffen. In dat bosch, dat toen jong en vol dicht groen was,
+verschool mijn bleeke vriend zich terwijl de zon aan den hemel stond,
+maar des nachts stond hij aan den zoom van 't woud, wit en bleek met
+zijn zeis, die blonk in den maneschijn.
+
+O Eros, aan u behoorde eens dit woud. De ouden van dagen weten te
+vertellen, hoe verliefde paren er vroeger rust en schaduw zochten. En
+nog heden, als ik voorbij Berga kom, knorrig over de steile heuvels
+en over 't verstikkende stof, verheug ik mij over uw bosch met de nu
+maar weinige witte stammen, die stralen van herinneringen aan jonge,
+schoone menschen, die elkaar liefhadden.
+
+Maar nu stond de Dood daar en de nachtdieren zagen hem. Avond aan avond
+hoorden de bewoners van Berga, hoe de vos huilde om zijn komst aan te
+kondigen. De adder kronkelde over 't pad tot dicht bij 't huis. Hij
+kon niet spreken, maar men begreep wel, dat hij den machtige aan kwam
+kondigen. En in den appelboom buiten 't venster van mevrouw Uggla liet
+de uil zijn gekras hooren. Want alles in de natuur kent den dood en
+beeft voor hem.
+
+En zoo geschiedde het dat de rechter van Munkerud, die op een feest
+bij den proost van Bro geweest was, ongeveer tegen twee uur 's nachts
+voorbij Berga reed en een licht zag branden in 't venster van de
+logeerkamer. Hij zag duidelijk een gele vlam en de witte kaars en later
+sprak hij met verwondering over dat licht, dat in den zomernacht had
+gebrand. Toen lachten de vroolijke jonge dames op Berga en zeiden dat
+de rechter een vizioen gehad had, want hun vetkaarsen waren al lang
+opgebrand in Maart; en de kapitein vloekte er op, dat er niemand in
+de logeerkamer geweest was sinds velen weken, maar de vrouw van den
+kapitein werd bleek en zweeg; want die witte kaars met de heldere
+vlam placht zich te vertoonen, als iemand uit haar familie verlost
+zou worden door den Dood, den grooten Bevrijder.
+
+Kort daarna, op een heerlijken Augustusdag, kwam Ferdinand thuis
+van zijn landmetersdienst in de noordelijke bosschen. Hij was bleek
+en ziek, door een onherstelbare longziekte aangetast, en zoodra
+zijn moeder hem zag, wist ze dat haar jongen sterven zou. Ze zou
+hem dan moeten missen, dien goeden zoon, die nooit zijn ouders 't
+allerminste verdriet deed. De jonge man moest de aarde met al haar
+vreugd verlaten, en zijn geliefde bruid, die hem wachtte, de rijke
+hoeven, en de dreunende smidse, die hem zouden toebehooren.
+
+Eindelijk, toen mijn bleeke vriend een maand lang geaarzeld had,
+vatte hij moed en ging op een nacht naar het woonhuis. Hij wist dat
+nood en honger daar met vroolijke gezichten ontvangen werden, waarom
+zouden ze hem dan niet met blijdschap tegemoet komen.
+
+Zacht ging hij 't pad langs en wierp een donkere schaduw over 't
+grasveld, waar de dauwdroppels in den maneschijn glinsterden. Hij
+kwam niet als een vroolijk maaier met bloemen op den hoed en den arm
+om het middel van zijn meisje. Hij liep gebogen als een uitgeteerde
+stumpert en verborg zijn zeis in de plooien van zijn mantel, terwijl
+uilen en vleermuizen om hem heen fladderden.
+
+Dien nacht hoorde mevrouw Uggla, die wakker lag, dat er aan 't
+venster geklopt werd, en zij ging overeind in het bed zitten en vroeg:
+"wie klopt daar?"
+
+En de ouden vertellen, dat de Dood haar antwoordde: "'t is de Dood,
+die aanklopt."
+
+Toen stond ze op, deed het venster open en zag vleermuizen en uilen
+in den maneschijn fladderen, maar den Dood zag ze niet.
+
+"Kom binnen," zei ze halfluid, "Vriend en Bevrijder. Waarom toefdet ge
+zoo lang? Ik heb u gewacht, ik heb u geroepen. Kom binnen en bevrijd
+mijn zoon."
+
+Toen gleed de Dood binnen, gelukkig als een onttroonden koning, die
+in zijn hoogen ouderdom zijn kroon terugkrijgt, blij als een kind,
+dat naar zijn spel geroepen wordt.
+
+Den volgenden dag zat Mevrouw Uggla aan 't ziekbed van haar zoon en
+sprak met hem over de zaligheid der verloste zielen en hun heerlijk
+leven.
+
+"Zij werken," zeide ze, "zij werken zeker. 't Zijn kunstenaars,
+groote kunstenaars, mijn jongen! Als ge bij hen komt, zeg mij dan
+eens wat gij zult worden.
+
+Een van de beeldhouwers zonder beitel, die rozen en leliën uithouwt,
+of een van de schilders die 't avondrood scheppen? En als de zon
+dan ondergaat in al zijn heerlijkheid zal ik hier zitten en denken:
+dat is Ferdinand's werk.
+
+Mijn beste jongen, denk er eens aan hoeveel er te zien en te doen
+is daarboven. Denk aan alle zaadjes, die in 't voorjaar ten leven
+moeten gewekt worden, alle stormen, die gestuurd moeten worden, alle
+droomen, die uitgezonden moeten worden. En denk aan de lange reizen
+door 't hemelruim van de eene wereld naar de andere.
+
+Denk eens aan mij, jongelief, als je zooveel moois te zien krijgt. Je
+arme moeder zal nooit wat anders zien dan Wermeland.
+
+Maar op een schoonen dag ga je naar onzen lieven Heer en vraagt Hem
+of Hij je niet een van de wereldbollen geven wil, die rondwentelen
+in 't hemelruim en dan doet Hij dat. Als je die krijgt is hij koud
+en vochtig, vol afgronden en klippen en er zijn geen bloemen of
+dieren op. Maar dan zul je werken aan de ster, die God je gegeven
+heeft. Je maakt er licht en warmte en lucht, je brengt er planten
+en nachtegalen en klaaroogige gazellen heen, je laat er watervallen
+storten in de afgronden, je heft de bergen op en bezaait de vlakte
+met roode rozen. En als ik sterf, Ferdinand, en mijn ziel terugbeeft
+voor de lange reis en er tegen opziet van de oude bekende plaatsen
+te scheiden, dan zit je te wachten buiten 't venster in een wagen
+met paradijsvogels bespannen, in een schitterende gouden koets.
+
+En mijn arme onrustige ziel wordt opgenomen in je wagen en komt naast
+je te zitten en wordt geëerd als een koningin. Dan rijden we door
+het hemelruim, voorbij de stralende wereldbollen en als wij bij éen
+van die hemelsche woningen komen, die al heerlijker en heerlijker
+worden, dan vraag ik--want ik weet niet beter: "zullen we hier of
+daar niet blijven?"
+
+Maar dan glimlach je zwijgend en spoort je paradijsvogels aan. En
+eindelijk komen we op de kleinste van alle hemelbollen, maar 't is
+de schoonste van allen, die ik gezien heb. En dan houden we stil
+buiten het gulden slot en je leidt me binnen in 't huis van de
+eeuwige blijdschap.
+
+En daar is de provisiekast altijd gevuld en de boekenkasten ook. De
+dennenbosschen staan er niet, zooals hier op Berga, vlak om het huis en
+sluiten de heele mooie wereld af, maar ik kan uitzien over de oneindige
+zee en door de zon beschenen vlakten. En duizend jaar is als één dag.
+
+Zoo stierf Ferdinand, verrukt door de lichtende visioenen, glimlachend
+tegen de heerlijkheden die hem wachtten.
+
+Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder had nooit zoo iets
+schoons beleefd. Want wel waren er die schreiden bij Ferdinand's
+sterfbed, maar de zieke zelf glimlachte tegen den man met de zeis,
+toen hij zich op den rand van het bed zette, en zijn moeder luisterde
+naar zijn laatsten snik als een liefelijke muziek. Ze was bang, dat
+de dood zijn werk niet zou kunnen volbrengen, en toen alles voorbij
+was, kwamen er tranen in haar oogen. Maar 't waren vreugdetranen,
+die op het verstijfde gelaat van haar zoon vielen.
+
+Nooit was mijn bleeke vriend zoo gevierd geworden als bij de begrafenis
+van Ferdinand Uggla. Als hij zich had durven vertoonen, zou hij
+verschenen zijn in een met goud bestikten mantel, met een baret
+met veeren versierd en zou voor den lijkstoet uit naar 't kerkhof
+gedanst hebben, maar nu zat hij, de oude eenzame ineengedoken op den
+muur van de begraafplaats met zijn oude zwarte mantel om en zag den
+stoet aankomen.
+
+'t Was een wonderlijke begrafenis! Zon en gulden wolkjes maakten
+den dag schitterend, lange rijen roggeschoven versierden 't veld,
+de appels in den boomgaard van den proost blonken in heldre kleuren
+tusschen 't loof en in den tuin van den koster glinsterden dalia's
+in den zonneschijn.
+
+'t Was een wonderlijke lijkstoet, die tusschen de lindeboomen door
+trok. Voor de met bloemen getooide kist uit gingen mooie kindren en
+strooiden bloemen. Men zag geen rouwkleeren, geen krip, geen witte
+plooikragen met breede plooien. De vrouw van den kapitein had het
+zoo gewild. Hij, die in vreugde stierf zou niet door een sombren
+lijkstoet, maar door een schitterende bruidschaar naar zijn goede
+rustplaats gebracht worden.
+
+Onmiddellijk achter de kist ging Anna Stjärnhök, de schoone,
+schitterende bruid van den doode. Zij had den bruidskrans op het hoofd,
+de bruidssluier voor en was gekleed in een wit sleepend bruidsgewaad
+van witte, glanzende zijde. Zoo getooid ging zij naar 't graf om daar
+aan haar bruidegom verbonden te worden.
+
+Achter haar kwamen paar aan paar aanzienlijke oude dames en deftige
+heeren. De sierlijk uitgedoschte vrouwen kwamen met vonkelende
+gespen en broches, met melkwitte paarlen, kettingen en gouden
+armbanden. De veeren op hun mutsen wiegden op zijde en kant boven
+hun krullend haar, van hun schouders golfden de fijne zijden shawls,
+die zij als bruidsgeschenk gekregen hadden, neer over de bontkleurige
+zijden kleederen. En de mannen kwamen in hun galagewaad, met kanten
+kragen, met jassen met vergulde knoopen en vesten van brokaat en
+rijk geborduurd fluweel. 't Was een bruiloftsstoet. Zoo had de
+kapiteinsvrouw het gewild.
+
+Zelf ging ze naast Anna Stjärnhök aan den arm van haar man. Had zij
+een gewaad van schitterend brokaat bezeten, zij zou het gedragen
+hebben; had ze kostbaarheden en een fijne kanten muts gehad, zij had
+ze aangedaan om haar zoon te huldigen op zijn bruiloftsdag. Maar
+nu had ze niet anders dan dit zwarte stoffen kleedje en die oude,
+geel geworden kanten, waarmeê ze al zoo menig feest bijwoonde en zij
+droeg het ook bij deze plechtigheid.
+
+Maar hoewel de begrafenisgasten met pracht en praal kwamen, bleef
+er geen oog droog, toen zij bij 't luiden der klokken naar het graf
+opgingen. Mannen en vrouwen schreiden, niet zoozeer over den doode,
+als wel over zichzelf. Zie--daar ging de bruid, daar werd de bruidegom
+weggedragen, daar gingen ze zelve als voor een feest getooid, en toch
+wie van hen, die de paden dezer wereld betreedt, weet niet dat hem
+droefheid en rouw, smart en dood wacht. Zij schreiden bij de gedachte,
+dat niets op aarde hen daarvoor bewaren kon.
+
+De kapiteinsvrouw schreide niet, maar zij was de eenige wier oogen
+droog bleven.
+
+Toen nu de gebeden gelezen waren en de aarde op de kist geworpen,
+gingen allen vandaar naar de rijtuigen. Slechts de kapiteinsvrouw
+en Anna Stjärnhök bleven bij 't graf om den doode nog voor 't laatst
+vaarwel te zeggen. De oude zette zich bij het graf neer en Anna nam
+naast haar plaats.
+
+"Zie," zei de kapiteinsvrouw, "ik heb tegen God gezegd: "Laat de Dood,
+de bevrijder komen en mijn zoon wegnemen. Laat hem, dien ik 't meest
+liefheb wegvoeren naar Uw vrede en die stille dreven, en slechts
+vreugdetranen zullen er in mijn oogen zijn; met bruiloftspraal zal ik
+hem naar 't graf brengen, en mijn roode rozenstruik, de rijkbloeiende
+zal ik hem mede geven naar het kerkhof. En nu is het zoo! Mijn zoon
+is dood. Ik heb den dood als een vriend begroet; ik heb hem de liefste
+namen gegeven; ik heb vreugdetranen over 't verstijfde gelaat van mijn
+kind geschreid en als het herfst zal zijn, als de bladeren vallen,
+zal ik mijn roode rozenstruik hierheen verplaatsen. Maar weet jij,
+die hier naast me zit, waarom ik aldus tot God gebeden heb?"
+
+Zij zag Anna Stjärnhök vragend aan, maar 't meisje zat bleek en
+stil aan haar zij. Misschien streed zij om de inwendige stemmen te
+smoren, die reeds nu, op het graf van den doode, haar begonnen toe
+te fluisteren, dat zij nu eindelijk vrij was.
+
+"'t Is jouw schuld!" zeide de kapiteinsvrouw.
+
+'t Meisje zonk ineen als onder een knotsslag. Zij antwoordde niet.
+
+"Anna Stjärnhök, eens was je trotsch en eigenzinnig. Toen heb je
+met mijn zoon gespeeld, hem genomen en weer verstooten. Maar wat was
+dat! Hij moest het verdragen, hij zoo goed als anderen. En 't kan ook
+zijn, dat wij allen je geld even liefhadden als jezelf. Maar toen je
+terugkwam, bracht je zegen over ons huis, je waart toen vriendelijk
+en zachtmoedig, sterk en goed! Je omringde ons met liefde, je hebt
+ons zoo gelukkig gemaakt, Anna Stjärnhök, en wij arme menschen lagen
+aan je voeten.
+
+En toch.... En toch wilde ik dat je niet gekomen waart. Dan had ik God
+niet hoeven te bidden het leven van mijn zoon te verkorten. Hij zou met
+kerstmis je verlies hebben kunnen dragen. Maar sinds hij je had leeren
+kennen, zooals je nu bent, zou hij er de kracht niet toe gehad hebben.
+
+Hoor nu, Anna Stjärnhök! vandaag heb je je bruidskleed aangetrokken
+om mijn zoon te volgen, maar als hij was blijven leven, hadt je hem
+nooit als bruid mogen volgen naar de kerk van Bro. Want je hadt hem
+niet lief!
+
+Ik zag het wel. Je bent alleen uit barmhartigheid gekomen, omdat
+je ons droevig lot wou verzachten. Je hadt hem niet lief! Meen je,
+dat ik de liefde niet ken, dat ik haar niet zie, waar ze is, en voel
+waar ze ontbreekt. Toen dacht ik: "O dat God 't leven van mijn zoon
+wegneemt vóór hem de oogen opengaan.
+
+Ach hadt je hem toch maar liefgehad! Was je maar nooit bij ons
+ingekomen, hadt je maar nooit ons leven mooier gemaakt, nu je hem toch
+niet lief hadt. Ik wist wat mijn plicht was: als hij niet gestorven
+was had ik hem moeten zeggen, dat je hem niet liefhadt, maar dat
+je alleen zijn vrouw wilde worden, omdat je de barmhartigheid zelf
+bent. Ik had hem moeten dwingen je vrij te laten en dan zou zijn
+levensgeluk bedorven zijn geweest. Zie je! daarom bad ik God, dat
+hij sterven mocht, opdat ik de rust van zijn hart niet zou behoeven
+te storen. En ik heb me verheugd over zijn ingezonken wangen, over
+zijn zware ademhaling, ik heb gebeefd van angst dat de dood zijn taak
+niet volvoeren wou."
+
+Zij zweeg en wachtte op antwoord. Maar Anna Stjärnhök kon nog niet
+spreken. Zij luisterde nog naar vele stemmen in de diepte van haar
+ziel.
+
+Toen barstte de kapiteinsvrouw in wanhoop uit:
+
+"O, hoe gelukkig zijn zij, die hun dooden mogen betreuren! Zij die
+stroomen tranen mogen vergieten. Ik moet met droge oogen staan aan
+'t graf van mijn zoon, ik moet blij zijn dat hij gestorven is. Wat
+ben ik toch rampzalig!"
+
+Toen drukte Anna Stjärnhök de handen vast tegen haar borst. Zij dacht
+aan dien winternacht, toen zij bij haar jonge liefde gezworen had deze
+arme menschen tot steun en troost te zijn. En zij rilde! Was dan alles
+te vergeefs geweest? Was haar offer niet door God aangenomen? Moest
+alles in vloek verkeeren in plaats van zegen te brengen?
+
+Maar als zij nu alles ten offer bracht, zou God dan haar werk niet
+zegenen en haar tot een steun, een hulp, een zegen voor de menschen
+maken?
+
+"Wat verlangt u dan om uw zoon te kunnen betreuren?" vroeg zij.
+
+"Dan moest ik mijn oude oogen niet meer kunnen gelooven! Als ik
+geloofde, dat je mijn zoon hadt liefgehad, zou ik treuren over
+zijn dood."
+
+Toen stond het meisje op, de oogen schitterend van geestvervoering. Zij
+rukte haar bruidssluier af en breidde die over het graf. Zij nam haar
+krans en legde die daarop.
+
+"Zie nu hoe lief ik hem had!" riep zij uit. "Ik geef hem mijn krans
+en mijn sluier. Aan hem verbind ik mij. Nooit zal ik een ander
+toebehooren."
+
+Toen stond ook de kapiteinsvrouw op. Zij bleef een oogenblik
+zwijgend staan. Haar geheele lichaam beefde, haar gezicht vertrok
+zich krampachtig. Maar eindelijk kwamen de tranen, tranen van rouw!
+
+Maar mijn bleeke vriend, de Dood, de Bevrijder, rilde toen hij die
+tranen zag. Dus ook hier was hij niet met vreugde begroet, niet eens
+hier was men van harte blij geweest bij zijn komst.
+
+Hij trok de kap diep over 't gezicht, gleed zacht van den kerkhofsmuur
+naar beneden en verdween tusschen de schoven op het veld.
+
+
+
+
+
+
+
+XXVII.
+
+DE DROOGTE.
+
+
+Als levenlooze dingen kunnen liefhebben, als aarde en water vrienden
+van vijanden onderscheiden, dan zou ik gaarne hun liefde bezitten. Ik
+zou willen dat de zwarte aarde mijne voetstappen niet als een zware
+last voelde drukken, dat zij me gaarne vergaf dat ze om mijnentwil
+door ploeg en eg gekwetst wordt, en dat zij zich gewillig opende om
+mijn lijk te ontvangen. En ik zou willen dat het water, als ik zijn
+blanken spiegel stuk sla met mijn roeiriemen, het zelfde geduld met
+mij had als een moeder met een wild kind, dat op haar knie klautert
+zonder de gladde zijde van haar feestkleed te ontzien.
+
+Ik zou goede vrienden willen zijn met de heldere lucht, die boven de
+bergen trilt, met de stralende zon en met de vonkelende sterren. Want
+vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende
+voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot
+als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd
+door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend
+stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede,
+weldoende handen. Heeft niet wellicht het water in 't wagenspoor op
+den weg als bloed door kloppende harten gestroomd?
+
+De geest van 't leven woont nog in de doode dingen. Wat voelt hij,
+terwijl hij slaapt den droomloozen slaap? Gods stem hoort hij. Zou
+hij der menschen stem ook vernemen?
+
+O, gij menschen van later tijd, hebt ge dat niet gezien? Als twist en
+haat de aarde vervullen, moeten ook de doode dingen veel lijden. Dan
+wordt de weg wild en roofzuchtig als een roover, dan wordt de akker
+karig als een gierigaard. Maar wee hem, door wiens schuld de wouden
+zuchten en de bergen treuren.
+
+'t Was een merkwaardig jaar, toen de kavaliers regeerden. Mij dunkt,
+toen moet de onrust der menschen de rust der doode dingen verstoord
+hebben. Hoe zal ik de besmetting roemen, die zich toen over 't land
+verspreidde. Zou men niet meenen dat de kavaliers de goden dier streek
+waren en dat allen door hun geest bezield werden? Door den geest van
+'t avontuurlijke, van zorgeloosheid en verwildering.
+
+Kon men alles vertellen, wat er in dat jaar onder de menschen op de
+kust van 't Löfvenmeer gebeurde, dan zou de wereld verbaasd staan. Want
+oude liefde ontwaakte, nieuwe werd geboren. Oude haat vlamde op en
+lang gesuste wraak greep naar buit! Allen vlogen op in begeerte naar 's
+levens lieflijkheden: dans en spel, muziek en feestgelagen jaagden zij
+na. Alles wat zich anders diep in de zielen verbergt, werd openbaar.
+
+Van Ekeby ging die besmettelijke onrust uit. Zij verspreidde zich
+eerst tot de mijnen en heerehoeven en joeg de menschen in dwaasheid
+en zonde. Tot zoover hebben wij het kunnen volgen, doordat de ouden
+van dagen de herinnering bewaard hebben aan een en ander, wat op
+de groote hoeven gebeurd is, maar hoe zij zich verder verspreidde
+onder het volk, daarvan weten wij weinig. Maar niemand behoeft
+er aan te twijfelen, dat de onrust der tijden van stad tot stad,
+van hut tot hut ging. Waar een zonde verborgen was, barstte zij uit;
+waar een breuk was tusschen man en vrouw werd die tot een klove, waar
+een groote deugd of een sterke wil was werden ook die openbaar. Want
+niet alles wat geschiedde, was uit den booze; maar de tijd was zoo,
+dat het goede vaak evenveel verderf bracht als het booze. Het ging als
+met hevige stormen diep in 't bosch, als de eene op den andere valt,
+den eene spar den anderen meesleept en ook het kreupelhout meegerukt
+wordt door de neerstortende reuzen.
+
+Ach, twijfel er niet aan of die gisting ook gevoeld werd door de
+boeren en de bedienden. Overal verwilderden de harten en werden de
+hoofden verward. Nooit ging de dans zóó lustig bij de kruiswegen;
+nooit was de afstand tusschen booze woorden en messteken zóó kort.
+
+Maar bij de menschen bleef de onrust niet. Zij verspreidde zich over
+al wat leeft. Nooit hadden wolf en beer erger huisgehouden, nooit
+hadden vos en uil onheilspellender gehuild, en onbeschaamder geroofd,
+nooit verdwaalden de schapen vaker in 't bosch, nooit heerschte er
+zooveel ziekte onder den kostbaren veestapel.
+
+Hij, die den samenhang der dingen wil zien, moet uit de stad weggaan
+en in een eenzame hut aan den zoom van 't bosch gaan wonen. Hij moet
+vele nachten waken bij de kolenbranderij, of bij de groote meren dagen
+en nachten doorbrengen in de lichte zomermaanden, als de houtvlotten
+langzaam voortdrijven naar het Weenermeer; dan zal hij leeren op alle
+teekenen in de natuur acht te geven en begrijpen hoe de doode dingen
+in verband staan met de levende. Hij zal zien dat als er onrust op
+de aarde is, de vrede van de doode dingen verstoord wordt.
+
+Het volk weet dat wel. In zulke tijden dooft de booze boschnimf het
+vuur in de kolenbranderij, slaat de meermin de booten stuk, zendt de
+stroomgeest ziekten uit en laat de kabouter de koeien verhongeren. En
+zoo ging het dit jaar. Nooit had de overstrooming in de lente zóóveel
+schade aangericht. De molen en smidse van Ekeby waren haar eenige
+offers niet.
+
+Kleine beekjes, die vroeger als de lente haar krachten gaf, hoogstens
+een leege schuur konden meenemen, vielen nu geheele hoeven aan
+en spoelden ze weg. Nooit had men gehoord, dat de donder al vóór
+St. Jansdag zóóveel schade had aangericht. Na dien tijd hoorde men
+hem niet meer.
+
+Toen kwam de droogte!
+
+Zoolang de lichte nachten duurden, kwam er geen regen. Alleen
+zonnestralen daalden op de aarde neer. Ach, die heerlijke
+zonneschijn! de leven brengende, hoe zal ik van haar kwaadstichten
+vertellen! De zonneschijn is als de liefde. Wie weet niet hoeveel
+ellende zij brengt--en wie kan laten haar te vergeven? De zonneschijn
+is als Gösta Berling--zij brengt ieder vreugde; daarom zwijgt ieder
+over 't kwaad dat zij doet.
+
+Zulk een droogte na St. Jansdag zal wel niet overal zooveel onheil
+brengen als in Wermeland. Maar hier was de lente laat gekomen. 't
+Gras was nog niet ver en werd niet lang. De rogge werd niet voedzaam
+toen zij aren zette; 't lentekoren waarvan toen ter tijde 't meeste
+brood gebakken werd, had dunne aartjes op stengels, die nog geen
+kwart el hoog waren; de laat gezaaide rapen groeiden niet en zelfs
+de aardappelen tierden niet in den steenharden grond.
+
+In zulke jaren worden zij angstig, die daar in de boschhutten wonen
+en van de bergen daalt de schrik neer tot de rustige vlaktebewoners.
+
+Er is iemand wien Gods hand zoekt--zeggen de menschen.
+
+En ieder slaat zich voor de borst en vraagt: "Ben ik het? O moeder
+natuur, ben ik het? Houdt om mijn schuld de regen zich ver? Is
+het uit toorn tegen mij, dat de strenge aarde uitdroogt en hard
+wordt? En stroomt die eindelooze zonneschijn daarom iederen dag van
+den wolkeloozen hemel om gloeiende kolen op mijn hoofd te stapelen? En
+als ik het niet ben, wien zoekt Gods hand dan?
+
+Terwijl nu de rogge kwijnt in de kleine aren, terwijl de aardappel
+geen voedsel in den grond vindt, terwijl het vee met roode oogen
+en snuivend van de hitte zich om de opgedroogde bronnen verdringt,
+terwijl de angst voor de toekomst de harten dichtsnoert, gaan er
+wonderlijke geruchten door de streek.
+
+"Zulk een bezoeking komt niet zonder reden," zeggen de menschen. "Wie
+is het, dien Gods hand zoekt?"
+
+'t Was een Zondag in Augustus. De Godsdienstoefening was geëindigd. De
+menschen gingen in groepjes over den heeten zonnigen weg. In het
+rond zagen zij verschroeide wouden en een mislukten oogst. De rogge
+stond in kleine schoofjes, dun over 't veld verspreid. Zij die de
+stoppels zouden afbranden, hadden dit jaar een gemakkelijk werk; maar
+daarentegen was het droge bosch ook vaak in brand geraakt. En wat de
+boschbrand gespaard had, hadden de insekten genomen. 't Dennenbosch had
+zijn naalden laten vallen en stond kaal als loofboomen in den winter,
+de berkenbladen hingen gespleten neer, met kale nerven en misvormd.
+
+De sombere schare had geen gebrek aan stof tot gesprek. Daar was nog
+menigeen, die vertellen kon hoe vreeslijk de noodjaren van 1808 en
+1809 geweest was en in den strengen winter van 1812, toen de menschen
+doodvroren. Hongersnood was hun niet vreemd. Zij hadden zijn woest
+gezicht wel eerder gezien. Zij wisten hoe men brood van boombast bakt
+en dat men de koeien kan wennen mos te eten.
+
+Er was een vrouw die proeven genomen had met het bakken van een nieuw
+soort brood van boschbessen en gerstenmeel. Zij had er stukjes van
+meegebracht en liet het de andere proeven. Zij was trotsch op haar
+uitvinding. Maar hen allen drukte dezelfde vraag; die staarde uit aller
+oogen en zweefde op aller lippen: "Wie is het, dien Gods hand zoekt?"
+
+"Gestrenge God! wie heeft u het offer van gebeden en goede werken
+onthouden, dat gij ons, armen, het brood ontneemt?"
+
+Een man uit den somberen stoet, die westwaarts over de brug over de
+Sond en over den Brobyheuvel gegaan was, hield een oogenblik stil
+voor den weg, die naar het huis van den gierigen predikant van Broby
+leidde. Hij nam een droog stokje van 't veld en wierp dat op den weg
+naar de pastorie.
+
+"Zoo droog als dit stokje zijn de gebeden geweest, die hij tot den
+Heer opzond," zei de man.
+
+Hij, die naast hem liep, bleef ook staan. Hij nam een dorren tak op
+en gooide die bij het stokje.
+
+"Dat is een best offer voor dien dominé," zei hij.
+
+De derde in 't groepje volgde dit voorbeeld.
+
+"Als de droogte is hij voor ons geweest. Stokjes en strootjes was
+alles wat hij ons overliet."
+
+De vierde zeide: "Wij geven hem wat hij ons gaf."
+
+En de vijfde: "Tot een eeuwige schande gooi ik dit hier voor hem
+neer. Ik wou dat hij verdroogde en verschrompelde als deze tak!"
+
+"Droog voer voor den droogte-dominé," zeide de zesde.
+
+De menschen die achter hen aankwamen, zagen wat ze deden en hoorden
+wat zij zeiden. Nu kregen ze antwoord op hun vragen.
+
+"Geef hem wat hem toekomt. Hij heeft de droogte over ons gebracht,"
+riepen allen. En ieder staat stil, spreekt een woord en werpt een
+takje op den hoop, eer hij verder gaat.
+
+In den hoek waar de wegen uiteen loopen lag spoedig een hoop stokjes
+en stroo--de schandeheuvel voor den predikant van Broby.
+
+Dat was de geheele wraak van het volk. Niemand hief zijn hand op tegen
+den predikant of zeide hem een boos woord. Hun harten vol wanhoop en
+vertwijfeling, werden verlicht door het werpen van een dorren tak op
+den heuvel. Zelf namen zij geen wraak. Zij wezen alleen den schuldige
+aan voor den God der wrake.
+
+"Als wij U niet goed gediend hebben, dan is het de schuld van dien
+man. Wees barmhartig, Heer! en laat hem alleen lijden. Wij teekenen
+hem met onteering en schande. Wij zijn niet één met hem."
+
+'t Werd spoedig gebruik, dat ieder, die voorbij de pastorie ging een
+takje op den schandeheuvel wierp. "God en menschen mogen 't zien,"
+dachten zij. "Ook ik veracht den man, die Gods toorn over ons bracht."
+
+De oude gierigaard merkte spoedig dien heuvel daar aan den weg. Hij
+liet hem wegnemen--sommigen beweerden, dat hij er zijn keukenvuur
+mee stookte. Maar den volgenden dag lag er een nieuwe schandeheuvel
+en zoo gauw hij dien weg ruimde kwam er een nieuwe.
+
+Die dorre takken lagen daar en riepen: "Schande! Schande over den
+predikant van Broby!"
+
+'t Waren brandend heete, droge hondsdagen. Zwaar van rook, verzadigd
+van brandlucht was de lucht over de geheele streek. 't Was moeilijk
+daarin adem te halen. De gedachten der menschen werden verward in
+de verhitte hersens. De predikant van Broby was in hun verbeelding
+tot den demon der droogte geworden. Het kwam de boeren voor, alsof
+de gierigaard op wacht zat bij de hemelsche sluizen.
+
+Spoedig werd de bedoeling van de gemeente den predikant duidelijk. Hij
+begreep, dat ze hem aanwees als oorzaak van al deze ellende. In toorn
+over hem liet God de aarde versmachten. 't Scheepsvolk dat in noode
+verkeerde op de woeste baren had het lot geworpen. Hij was de man, die
+overboord moest. Hij beproefde te lachen om hen en hun dorre takjes;
+maar toen dit een week geduurd had lachte hij niet meer.--Och, wat
+een kinderspel! Wat konden hem die takjes schelen! Hij begreep wel
+dat jaren lang de haat een reden gezocht had om zich te uiten. Hij
+was niet aan liefde gewend.
+
+Hij werd er niet zachter door. Hij had misschien gewenscht zich te
+beteren, sinds de oude Freule bij hem geweest was, maar nu kon hij
+'t niet. Hij wilde niet tot beterschap gedwongen worden.
+
+Maar langzamerhand werd die schandeheuvel hem toch te machtig. Hij
+moest er aanhoudend aan denken, en de overtuiging, die allen koesterden
+schoot ook wortel bij hem. Dat was toch een verschrikkelijke
+getuigenis, dat werpen met dorre takken! Hij lette steeds op den
+heuvel, telde de takjes, die er elken dag bij kwamen, en de gedachte
+daaraan breidde zich uit en verdrong alle andere gedachten. Die
+schandeheuvel brak zijn kracht.
+
+Iederen dag moest hij den menschen meer gelijk geven. Hij verviel
+en werd een oud man in een paar weken. Hij had berouw en werd
+ziekelijk. Het was of dat alles door dien heuvel kwam, alsof zijn
+geweten gezwegen zou hebben en de lasten van den ouderdom niet gekomen
+zouden zijn, als die heuvel maar niet aldoor was aangegroeid.
+
+Eindelijk zat hij er den ganschen dag naast en hield de wacht. Maar
+de menschen waren onbarmhartig: 's nachts werden er altijd nieuwe
+takken bijgegooid.
+
+
+
+Op een dag komt Gösta Berling langs den weg. De predikant van Broby zit
+aan den kant, oud en vervallen. Hij zit aan de dorre takjes te plukken
+en legt ze aan rijen en op hoopjes, er meê spelende als een kind.
+
+Gösta wordt bedroefd om zijn ellendigen toestand.
+
+"Wat doet u daar?" vraagt hij en springt snel uit zijn wagen.
+
+"Ach, ik zit maar te plukken, ik doe eigenlijk niets."
+
+"U moest naar huis gaan en niet hier zoo aan den stoffigen weg zitten."
+
+"Neen. 't Is maar het beste, dat ik hier blijf zitten."
+
+Nu gaat Gösta Berling naast hem zitten.
+
+"'t Is niet makkelijk om predikant te zijn," zegt hij na een poosje
+zwijgen.
+
+"Hier gaat het nog al, hier zijn ten minste menschen. Daar boven is
+'t erger!"
+
+Gösta weet wel, wat hij bedoelt. Hij kent die gemeenten in Wermeland
+wel, waar soms niet eens een pastorie is, die groote gemeenten in
+de bosschen, waar de Finnen in de rookkamers wonen, waar een mijl
+in den omtrek maar enkele huizen staan; waar de predikant de eenige
+ontwikkelde man is in de gemeente. De predikant van Broby had meer
+dan twintig jaar in zulk een gemeente gestaan.
+
+"Daar worden we heengezonden als we nog jong zijn," zegt Gösta. "'t
+Is onmogelijk het leven daar uit te houden. En dan wordt men voor zijn
+geheele toekomst bedorven. Er zijn velen in die streken ondergegaan."
+
+"Dat zijn er," antwoordt de predikant. "De eenzaamheid verderft
+de menschen."
+
+"Je komt er," gaat Gösta voort, "vol vuur en ijver; je spreekt
+en vermaant en meent, dat alles goed zal gaan en de menschen zich
+verbeteren zullen."
+
+"Ja, juist!"
+
+"Maar al gauw merk je, dat woorden niet baten. De armoede staat een
+beter leven in den weg."
+
+"Armoede," mompelt de predikant; "armoede heeft mijn leven verwoest."
+
+"Een jong dominé komt in zulk een plaats," gaat Gösta voort, "en
+is even arm als de anderen, hij zegt tegen den dronkaard: houd op
+met drinken!"
+
+"Maar de dronkaard antwoordt," valt de predikant in, "geef me dan
+wat beters dan brandewijn. Brandewijn is als een pels in den winter,
+als koelte in den zomer. Brandewijn is een warme kamer en een zacht
+bed. Geef mij dat en ik zal niet meer drinken."
+
+"En dan," herneemt Gösta, "zegt de predikant tegen den dief, ge moogt
+niet stelen," en tegen den booze "ge moogt uw vrouw niet slaan," en
+tot den bijgeloovige: "ge moet aan God gelooven en niet aan den duivel
+en de booze geesten." Maar dan antwoordt de dief: "Geef mij brood," en
+de booze zegt: "maak ons rijk, dan zullen we niet meer twisten," en de
+bijgeloovige: "leer mij wat beters." Maar wie kan helpen zonder geld?"
+
+"Het is waar! al wat ge daar zegt!" barst de oude uit. "Aan God
+geloofden zij; maar nog meer aan den duivel, 't meest aan den boozen
+berggeest en den kabouter in de schuur. Al het graan werd in den
+brandewijnketel gestopt. Niemand zag een eind aan de ellende. In
+de meeste grauwe kamers heerschte nood. Verborgen smart maakte de
+tongen der vrouwen bitter. De ongezelligheid dreef de mannen tot
+dronkenschap. Akkers en vee verzorgden zij niet. Zij vreesden den
+landheer en bespotten den predikant. Wat kon men met hen beginnen? Wat
+ik hen op den preekstoel zei, begrepen zij niet. En niemand om raad
+te vragen, niemand die mij hielp om moed te houden."
+
+"Er zijn er, die het onthouden," zegt Gösta. "Gods genade is voor
+sommigen zóó groot geweest, dat zij na zulk een leven niet als
+gebrokenen weêrkomen. Hun krachten waren toereikend; zij hebben de
+eenzaamheid, de armoede, de hopeloosheid verdragen. Zij hebben 't
+beetje goed gedaan, wat ze konden en niet gewanhoopt. Zulke mannen zijn
+er altijd geweest en zijn er nog. Ik zal ze begroeten als helden. Ik
+wil ze eeren, zoolang ik leef. Ik zou het niet kunnen uithouden."
+
+"Ik kon het niet," zucht de predikant.
+
+"Zulk een predikant denkt," gaat Gösta peinzend voort, "dat hij rijk
+wil worden, buitengewoon rijk! Geen arme kan het kwaad bestrijden. En
+dan moet hij sparen."
+
+"Als hij niet spaarde, zou hij gaan drinken," gaat de predikant
+voort. "Hij ziet zooveel ellende."
+
+"Of suf en lui worden en alle kracht verliezen. 't Is gevaarlijk
+daarheen te komen voor hen, die er niet geboren zijn."
+
+"Hij moet hard wezen om te sparen. Eerst stelt hij zich zoo aan--later
+wordt het gewoonte."
+
+"Hij moet hard voor zichzelf en anderen zijn," gaat Gösta
+voort. "Sparen is moeilijk. Hij moet haat en verachting verdragen;
+hij moet kou lijden en honger en zijn medelijden dooden; 't is bijna
+alsof hij vergeet waarom hij is begonnen te sparen."
+
+De predikant van Broby ziet hem schuin aan. Hij vraagt zich af of
+Gösta hem voor den gek zit te houden. Maar Gösta is een en al ernst
+en ijver. Het is alsof hij zijn eigen zaak bepleit.
+
+"Zoo is het mij gegaan," zegt de oude zacht.
+
+"Maar God behoedt hem," gaat Gösta verder. "Hij wekt de gedachten van
+zijn jeugd bij den mensch op, die genoeg gespaard heeft. Hij geeft
+den predikant een teeken als Gods volk hem noodig heeft."
+
+"Maar als de predikant dan niet gehoorzaamt, Gösta Berling!"
+
+"Hij kan het niet laten," zegt Gösta met een vriendelijken
+glimlach. "Hem bekoort de gedachte aan de warme hutten, die hij de
+armen zal helpen bouwen."
+
+De predikant ziet neer op de kleine gebouwtjes die hij met de stokjes
+van den schandeheuvel heeft zitten bouwen. Hoe langer hij met Gösta
+praat, hoe meer hij overtuigd wordt, dat deze gelijk heeft. Hij
+heeft altijd plan gehad om goed te doen, als hij maar eerst genoeg
+had. Hij houdt de gedachte krampachtig vast. Natuurlijk is dat zijn
+bedoeling geweest.
+
+"Waarom bouwt hij dan die hutten niet," vraagt hij schuw.
+
+"Hij is er verlegen meê. Menigeen zal denken dat hij uit menschenvrees
+doet, wat hij altijd van plan is geweest."
+
+"Hij kan geen dwang verdragen, dat is het."
+
+"Hij kan toch in stilte helpen. Er is van 't jaar zooveel hulp
+noodig. Hij kan iemand zoeken, die zijn gaven uitdeelt. O, ik begrijp
+alles!" barste Gösta uit en zijn oogen straalden, "van 't jaar zullen
+duizenden brood krijgen van hem, dien ze met hun vloek vervolgen."
+
+"Zoo zal het zijn, Gösta!"
+
+Er kwam een roes over deze twee, die zoo weinig aan de door hen
+gevoelde roeping hadden beantwoord. De lust hunner jeugd: God en
+menschen te dienen keerde weer in hun ziel. Zij zwelgden in de
+weldaden, die zij zouden bewijzen. Gösta zou de helper van den
+predikant worden.
+
+"Allereerst moeten wij voor brood zorgen," zegt de predikant.
+
+"Wij moeten voor onderwijzers zorgen en voor landmeters, die 't land
+verdeelen. Dan zal 't volk leeren hun akker te verzorgen en hun vee
+te hoeden."
+
+"Wij zullen wegen maken en land ontginnen."
+
+"Wij zullen sluizen bouwen bij den waterval van Berg, zoodat de weg
+tusschen 't Löfven- en Weenermeer vrijkomt."
+
+"Al de rijkdom, die 't bosch bevat, zal dubbelen zegen verspreiden,
+als de weg naar de zee open is."
+
+"Uw hoofd zal zich buigen onder aller zegenbeden!" roept Gösta uit.
+
+De predikant ziet op. Zijn oogen ontmoeten die van Gösta en ze lezen
+in elkaars blikken dezelfde gloeiende geestdrift.
+
+Maar op 't zelfde oogenblik zien ze beiden naar den schandeheuvel.
+
+"Gösta," zegt de oude, "voor dat alles zijn de krachten noodig van
+een jong mensch en ik zal spoedig sterven. Dat daar vermoordt me."
+
+"Ruim het weg!"
+
+"Ach! hoe kan ik dat!"
+
+Gösta treedt dicht op hem toe en ziet hem scherp in de oogen. "Bid
+God om regen," zegt hij. "U moet aanstaanden Zondag spreken. Bid dan
+God om regen!"
+
+De oude predikant krimpt ineen van ontzetting.
+
+"Als het u ernst is, als u niet degeen zijt, die de droogte over
+'t land bracht, als u den Allerhoogste hebt willen dienen door uw
+hardheid, bid dan God om regen. Dat zal het teeken zijn. Daaraan
+zullen wij weten of God wil wat wij willen."
+
+Toen Gösta wegreed van den Brobyheuvel was hij verbaasd over zich
+zelf en de geestdrift, die hem had meêgesleept. Maar dat kon toch
+een heerlijk leven worden. Ja,--maar niet voor hem. Van zijn diensten
+wou God niet weten!
+
+In de kerk van Broby was de preek geëindigd en de gewone gebeden
+gelezen. De predikant zou juist de trappen van den preekstoel
+afgaan. Maar hij aarzelde. Eindelijk viel hij daarboven op de knieën
+en bad om regen.
+
+Hij bad zooals een wanhopende bidt, met weinig woorden, onzamenhangend:
+"Als het mijn zonde is, die u toorn heeft gewekt, o, straf dan mij
+alleen. Als Gij barmhartig zijt, o God! laat het regenen op mijn
+gebed. Laat regen neerdalen op den akker der armen! Geef uw volk
+brood!"
+
+'t Was heet! Een verstikkende atmospheer was in de kerk. De gemeente
+had half bedwelmd neergezeten; maar bij 't hooren van deze afgebroken
+geluiden van die heesche, wanhopende stem, werden allen helder wakker.
+
+"Als er voor mij nog herstel van eer mogelijk is, Heer! geef dan
+regen...." Hij zweeg.
+
+De deuren stonden open. Daar kwam een heftige windstoot
+aanbruischen. Die voer over 't veld, vloog tegen de kerk op en zond
+een wolk van stof, stokjes en stroo naar binnen. De predikant kon niet
+meer spreken. Hij daalde wankelend de trappen van den preekstoel af.
+
+De menschen rilden. Moest dat een antwoord beteekenen?
+
+Maar die windstoot was maar de voorlooper van het naderend onweer,
+dat met ongekende snelheid kwam opzetten.
+
+Toen de psalm gezongen was en de predikant bij het altaar stond, vlamde
+de bliksem en barstte de donder los, alle andere geluiden overstemmend.
+
+Toen de koster den slotpsalm speelde, tikten de eerste regendroppels
+reeds tegen de groene ruiten en stormden de menschen allen naar
+buiten om den regen te zien. Sommigen schreiden, andren lachten,
+terwijl ze de stortregen over zich heen lieten stroomen.
+
+Ach! hoe groot was hun nood geweest! Hoe hadden ze geleden! Maar God
+is goed. God zendt zijn regen neer. Wat een uitkomst! Wat een zegen!
+
+De predikant was de eenige, die niet naar buiten kwam om den regen
+te zien. Hij lag voor het altaar geknield en stond niet weer op.
+
+De vreugde was te groot voor hem. Hij was gestorven van blijdschap.
+
+
+
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+DE MOEDER VAN HET KIND.
+
+
+Daar moesten toch allen 't wel eens over zijn: dat het kind een vader
+moest hebben.
+
+'t Kind was 't erbarmelijkste kleine wezentje, dat men zich kon
+voorstellen, klein en rood, met duizend plooien in de huid. 't Was een
+wurmpje, dat altijd schreeuwde en stuipen had van de geboorte af aan,
+een arme zwerveling, die in 't leven gekomen was zes of zeven weken
+voor hij er permissie toe had, en daarom zich niet recht schikken
+kon in deze wereld.
+
+'t Kind woog zoo weinig, dat het niet eens de moeite waard is te
+zeggen hoeveel. Men moest het in een lamsvelletje naaien, en 't wilde
+niet drinken, noch slapen. Maar 't leefde. Niemand begreep hoe 't in
+leven bleef; maar 't leefde!
+
+'t Kind was geboren in een boerenhuisje ten oosten van de Klarelv. De
+moeder van 't kind was daar gekomen en had er haar dienst aangeboden
+op een dag, in 't begin van Juni. Zij was ongelukkig gemaakt, had ze
+tegen de bewoners van het huis gezegd, en haar moeder was toen zoo
+hard tegen haar geweest, dat ze genoodzaakt was te vluchten. Zij heette
+Elisabeth Karls dochter, maar ze wou niet zeggen waar ze vandaan was,
+want dan zouden haar ouders misschien te weten komen waar ze was, en
+als zij haar vonden, zouden zij haar dood plagen, daar was ze zeker
+van. Zij verlangde geen loon, alleen voedsel en een dak boven haar
+hoofd. Zij kon werken, weven of spinnen of voor de koeien zorgen--wat
+ze maar wilden. Als zij 't verlangden, kon ze ook wel wat betalen.
+
+Zij was zoo verstandig geweest met bloote voeten op de plaats te komen,
+met de schoenen onder den arm; ze had grove handen, ze sprak de taal
+van het land en was als een boerenmeisje gekleed.
+
+Zij geloofden haar.
+
+De man vond dat ze er zwak uitzag, en had niet veel vertrouwen in
+haar werkkracht. Maar ergens moest ze toch wezen, de stumper. En zoo
+stonden ze haar toe te blijven.
+
+Zij had iets over zich, dat maakte, dat allen op de boerderij
+vriendelijk voor haar waren. Zij had het goed getroffen. De menschen
+daar waren rustig en kalm.
+
+De huismoeder hield van haar, sinds ze had ontdekt, dat ze weven
+kon. Zij leende een weefgetouw van den proost, en de moeder van het
+kind had den heelen zomer aan het weefgetouw gezeten.
+
+Niemand dacht er aan, dat zij gespaard moest worden. Zij moest als
+een boerin werken, al dien tijd. Zij wilde dat zelf ook het liefst
+en was niet bijzonder ongelukkig. Het leven onder de boeren trok
+haar aan, ofschoon zij alle comfort, waar ze aan gewend was, moest
+ontberen. Maar men nam hier alles zoo eenvoudig en kalm op. Aller
+gedachten draaiden zich om het werk, en de dagen gleden zoo eentonig
+voorbij, dat men er zich door vergiste en meende midden in de week
+te zijn, als de Zondag kwam.
+
+Op een dag in 't eind van Augustus hadden zij 't druk gehad met den
+haveroogst en de moeder van het kind was mee naar het veld gegaan,
+om schoven te binden. Toen had zij zich te veel vermoeid en het kind
+was geboren, maar te vroeg. Zij wachtte het eerst in October.
+
+Nu stond de huismoeder met het kind in de armen en warmde het bij
+'t vuur, want het stumpertje had het koud in de warmste dagen van
+Augustus. De moeder lag in 't kamertje daar binnen en luisterde naar
+wat er van het kind gezegd werd. Zij kon zich voorstellen hoe de
+knechts en de meisjes er heen gingen en het bekeken.
+
+"Zoo'n klein stumpertje!" zeiden zij altijd, en dan volgde: "arm
+klein ding, dat je geen vader hebt."
+
+Deze en gene verwonderde er zich over, dat het zoo rood en gerimpeld
+was; maar dan was er altijd een, die antwoordde, dat alle kindren
+zoo waren.
+
+Zij klaagden niet over 't schreien van het kind. Zij waren overtuigd
+dat kinderen moeten schreien, en alles samen genomen, was het kind
+vrij krachtig voor zijn leeftijd. 't Scheen, dat alles in orde geweest
+zou zijn--als het kind maar een vader had gehad.
+
+De moeder lag naar dat alles te luisteren en was verwonderd. De zaak
+kwam haar plotseling zoo heel gewichtig voor. Hoe zou dat stumpertje,
+dat geen vader had, door het leven komen?
+
+Zij had van te voren haar plan gemaakt. Zij wilde het eerste jaar op
+de boerderij blijven. Later zou zij een kamer huren en haar brood
+met weven verdienen. Zelf zou zij 't noodige verdienen om het kind
+te voeden en te kleeden. Haar man kon gerust blijven denken, dat
+zij hem onwaardig was. Zij had gedacht, dat het kind misschien een
+beter mensch zou worden, als het door haar alleen werd opgevoed,
+dan wanneer een domme, trotsche vader het leiden zou.
+
+Maar nu het kind geboren was, kon zij niet meer zoo over dat alles
+denken. Nu kwam het haar voor, dat ze egoïst geweest was. "'t Kind
+moest een vader hebben," zei ze in zichzelf.
+
+Was de kleine niet zoo'n stumpertje geweest, had hij maar gedronken
+en geslapen als andere kinderen, had zijn hoofd maar niet altijd op
+den eenen schouder gehangen, en was hij niet telkens den dood nabij
+geweest door een stuip, dan zou die questie haar niet zóó gewichtig
+geschenen hebben. Maar deze hulpelooze stumper moest een vader hebben.
+
+'t Was niet gemakkelijk een besluit te nemen; maar dat moest zij toch
+doen, en dat wel dadelijk. Het kind was drie dagen oud en de boeren in
+Wermeland wachten zelden langer met hun kind te laten doopen. Onder
+welken naam moest nu 't kind in 't doopboek ingeschreven worden? En
+wat moest de dominé van de moeder van 't kind weten? 't Was toch
+zeker niet goed tegenover 't kind het als een vaderlooze te doen
+inschrijven. 't Was nu eenmaal in deze wereld vol ellende gekomen;
+maar het scheen er naar te verlangen weer heen te gaan. Misschien zou
+'t beter tieren als het een vader had. Als dit kind nu een zwak en
+ziekelijk man werd, hoe kon zij dan verantwoorden, dat zij hem van
+de voordeelen van een hooge geboorte en rijkdom beroofd had?
+
+De moeder wist immers wel, dat het een gewichtige gebeurtenis en
+een groote vreugde is, als er een kind ter wereld komt. Nu scheen
+het haar toe, dat het zwaar moest zijn te leven voor dien kleine,
+waar allen medelijden mee hadden.
+
+Zij zou hem graag willen zien slapen op zijde en kant. Zij wilde
+hem zien omgeven met blijdschap en trots. Ja, het kind moest een
+vader hebben.
+
+De moeder begon er ook over te denken, dat zij een al te groot onrecht
+beging tegenover den vader van het kind. Had zij het recht het voor
+zich alleen te behouden? Dat kon zij toch niet. Zulk een dierbaar,
+klein wezentje, wiens waarde door geen mensch te bepalen is, zou zij
+zich toeëigenen?
+
+Dat kon toch niet eerlijk zijn.
+
+De moeder wilde niet gaarne naar haar man terug. Zij was bang, dat
+zij dat niet overleven zou.
+
+Maar de kleine was in grooter gevaar dan zij. Hij kon ieder oogenblik
+sterven, en hij was niet gedoopt.
+
+Dat, wat haar van huis gedreven had, haar groote zonde, was weg. Nu
+voelde zij waarlijk geen liefde voor iemand anders dan dien kleinen
+vaderlooze, die een vader moest hebben.
+
+De moeder liet den man en de vrouw van het huis bij zich komen en zeide
+hun alles. De man reed toen naar Borg, om graaf Dohna te vertellen,
+dat zijn vrouw leefde en dat er een kind geboren was, dat een vader
+moest hebben.
+
+De boer kwam 's avonds laat tehuis. Hij had den graaf niet tehuis
+gevonden, want die was op reis; maar toen was hij naar den predikant
+te Svartsjö gegaan en had met hem over de zaak gesproken. Zoo hoorde
+de gravin, dat haar huwelijk onwettig verklaard was en zij geen man
+meer had.
+
+De predikant schreef haar een vriendelijken brief en bood haar zijn
+huis aan. Er werd haar ook een brief van haar eigen vader aan graaf
+Dohna gezonden, die een paar dagen na haar vlucht op Borg moest zijn
+aangekomen. Het was misschien juist die brief, waarin de oude den
+graaf verzocht, zich te haasten met het wettigen van zijn huwelijk,
+die den graaf den kortsten weg gewezen had, om van zijn vrouw af
+te komen. Men kan zich wel voorstellen, dat de moeder van het kind
+nog meer boos dan bedroefd werd, toen zij het verhaal van den boer
+hoorde. De moeder van een sterk, mooi kind kon zulk een bericht
+met verachting hebben ontvangen en er trotsch op geweest zijn, dat
+zij het kind alleen mocht behouden. Maar de moeder van dit arme,
+hulpelooze kindje had bijna een gevoel, alsof ze haar man zou hebben
+kunnen vermoorden. Zij had geen trots om zich mee te troosten.
+
+Dien nacht kwam er geen slaap in haar oogen. 't Kind moest een vader
+hebben, dacht zij telkens weer.
+
+Den volgenden morgen moest de boer op haar verzoek naar Ekeby rijden
+en Gösta Berling halen.
+
+Gösta deed den zwijgenden man vele vragen, maar kwam niets te
+weten. Ja, de gravin was den heelen zomer in zijn huis geweest. Zij
+was gezond geweest en had gewerkt. Nu was er een kind geboren,
+'t Kind was zwak, maar de moeder zou gauw weer beter zijn.
+
+Gösta vroeg of de gravin wist, dat haar huwelijk ontbonden was.
+
+Ja, nu wist zij het. Zij had het gisteravond gehoord.
+
+Op dien geheelen tocht had Gösta nu eens een gevoel van koortshitte,
+dan weer koude rillingen. Wat wilde zij van hem? Waarom liet zij
+hem roepen?
+
+Hij dacht aan het leven in dien zomer aan de oevers van het
+Löfvenmeer. Zij hadden de dagen met scherts en spel en met
+pleiziertochtjes doorgebracht, en in dien tijd had zij gewerkt en
+geleden. Nooit had hij zich de mogelijkheid voorgesteld haar weer te
+zien. Ach, had hij dat maar durven hopen! Dan zou hij als een beter
+man voor haar gestaan hebben. Nu had hij alleen zijn gewone dwaasheden
+om op terug te zien.
+
+Tegen acht uur des avonds bereikte hij de boerderij en werd dadelijk
+bij de moeder van het kind gebracht. 't Was halfdonker in de kamer;
+hij kon haar nauwelijks zien zooals zij daar lag. De man en de vrouw
+kwamen ook binnen.
+
+Nu moet men niet vergeten, dat zij, wier bleek gezichtje hem in 't
+donker te gemoet scheen, steeds het reinste en hoogste was, wat hij
+kende, de schoonste ziel, die een aardschen vorm had aangenomen. Toen
+hij nu weer den zegen van haar tegenwoordigheid voelde, had hij
+behoefte zich op de knieën te werpen en haar te danken, omdat zij
+zich opnieuw aan hem openbaarde; maar hij was zóó ontroerd, dat hij
+niets kon zeggen of doen.
+
+"Lieve gravin Elisabeth," zei hij alleen.
+
+"Goeden avond, Gösta."
+
+Zij reikte hem de hand, die weer wit en doorschijnend geworden was. Zij
+lag stil, terwijl hij zijne ontroering trachtte te bedwingen.
+
+De moeder werd niet door een heftig gevoel geschokt toen zij Gösta
+zag. Het verwonderde haar alleen, dat hij 't meest aan haar scheen
+te denken. Hij kon toch wel begrijpen, dat het nu de hoofdzaak was,
+dat het kind een vader moest hebben.
+
+"Gösta," zei ze zacht. "Nu moet je me helpen, zooals je me eens
+beloofd hebt. Je weet, dat mijn man mij verlaten heeft, mijn kind
+geen vader heeft."
+
+"Ja, Mevrouw de gravin, maar dat moet veranderd kunnen worden. Nu
+er een kind is moet de graaf gedwongen kunnen worden het huwelijk te
+wettigen. U kunt er op aan, dat ik u helpen zal."
+
+De moeder glimlachte: "Geloof je, dat ik mij weêr aan graaf Dohna
+opdringen wil?"
+
+'t Bloed steeg Gösta naar 't hoofd. Wat wilde ze dan? Wat verlangde
+zij van hem?
+
+"Kom eens hier, Gösta," zeide zij en reikte hem opnieuw de hand. "Je
+moet niet boos worden om wat ik nu zeggen wil: maar ik dacht, dat jij,
+die.... die...."
+
+"Een afgezette predikant zijt, een zwierbol, een kavalier, de
+moordenaar van Ebba Dohna...." "Ik ken al mijn verdiensten op mijn
+duim!" viel Gösta haar in de rede.
+
+"Ben je nu al boos, Gösta?"
+
+"Ik zou het liefst willen, dat Mevrouw de gravin niets meer zei."
+
+Maar de moeder van het kind ging voort: "Er is er meer dan éen, Gösta,
+die je vrouw zou willen worden uit liefde; maar zoo is het niet met
+mij. Als ik je liefhad, zou ik geen moed hebben te spreken zooals
+ik nu doe. Voor mijzelf zou ik zoo iets niet vragen, Gösta; maar,
+zie je, het kind moet toch een vader hebben. Nu begrijp je zeker wel,
+wat ik je vragen wou. 't Is wel een groote vernedering voor je, omdat
+ik een vrouw zonder man ben en een kind heb. Ik dacht er niet aan,
+dat je het misschien wel zoudt willen doen, omdat je minder bent dan
+anderen--ofschoon, ja, daar dacht ik ook aan. Maar het meest dacht ik
+er aan, dat je 't misschien zoudt willen doen omdat je zoo goed bent,
+Gösta, omdat je een held bent en je kunt opofferen. Maar misschien
+is het te veel gevergd. Misschien kan een man zooveel niet doen. Als
+je me te veel veracht, als het je te veel tegen de borst stuit, vader
+van het kind van een ander genoemd te worden, zeg het dan maar. Ik zal
+er niet boos om worden. Ik zie wel dat het te veel verlangd is. Maar
+mijn kind is zoo ziek, Gösta. Het is zoo hard, dat men bij zijn doop
+den naam van zijn vader niet noemen kan."
+
+Terwijl hij naar haar luisterde, voelde hij hetzelfde, als toen hij
+op dien voorjaarsmorgen haar aan land moest zetten en haar aan haar
+lot overlaten. Nu moest hij haar helpen om haar toekomst,--haar heele
+toekomst te verwoesten. Hij moest het doen, hij, die haar liefhad.
+
+"Ik wil alles doen wat gij wilt," antwoordde hij.
+
+Den volgenden dag sprak hij er over met den Proost in Bro, want
+Svartsjö is met Bro gecombineerd, en daar moest het huwelijk
+afgekondigd worden. De goede, oude Proost werd geroerd door zijn
+verhaal, en beloofde alle noodige maatregelen te nemen.
+
+"Ja," zeide hij, "je moet haar helpen, Gösta, dat moet je. Zij zou
+anders waanzinnig kunnen worden. Zij gelooft, dat het haar kind
+schaden zal, als ze zijn vader niet noemen kan. Zij heeft een heel
+teer geweten."
+
+"Maar ik weet, dat ik haar ongelukkig zal maken," barstte Gösta uit.
+
+"Dat mag je volstrekt niet, Gösta! Nu moet je zien een verstandig
+man te worden nu je vrouw en kind hebt om voor te zorgen."
+
+Intusschen zou de Proost naar Svartsjö gaan om met den predikant en
+rechter te spreken. En ten slotte werd in de kerk van Svartsjö het
+huwelijk van Gösta Berling en Elisabeth van Thurn afgekondigd.
+
+Toen werd de moeder van het kind met de grootste voorzichtigheid naar
+Ekeby gebracht, en daar werd het kind gedoopt.
+
+De Proost sprak toen met haar en wees er haar op, dat ze nog op
+haar besluit terugkomen kon. Ze moest bedenken wat zij deed, als ze
+trouwde met een man als Gösta Berling. Zij moest tenminste eerst aan
+haar vader schrijven.
+
+"Ik kan er geen spijt van hebben," antwoordde zij; "denk eens, dat
+mijn kind stierf eer het een vader had."
+
+Toen het huwelijk voor de derde maal werd afgekondigd, was de moeder
+hersteld en al verscheidene dagen op geweest. Des middags kwam
+de Proost naar Ekeby en sloot het huwelijk tusschen haar en Gösta
+Berling. Maar niemand dacht er aan, dat dit een bruiloft was. Er
+waren geen gasten genoodigd. Men gaf alleen het kind een vader;
+dat was alles.
+
+De moeder straalde van stille vreugd, alsof zij een groot doel bereikt
+had. De bruidegom was bedroefd. Hij dacht er aan, hoe ze haar toekomst
+bedierf door haar huwelijk met hem. Hij merkte met ontzetting, dat hij
+nauwelijks voor haar bestond. Al haar gedachten waren voor het kind.
+
+Een paar dagen later hadden de vader en de moeder een groot
+verdriet. Het kind stierf in een stuip.
+
+'t Kwam menigeen voor, dat de moeder niet zóo heftig en bitter bedroefd
+was als men verwacht had: er lag een waas van triomf over haar. Het was
+alsof zij er in juichte, dat zij haar toekomst had bedorven ter wille
+van het kind. Als de kleine bij de engelen in den hemel kwam, zou hij
+het toch weten, dat hij op aarde een moeder had gehad, die hem liefhad.
+
+
+
+Dit alles gebeurde stil en ongemerkt. Toen het huwelijk van Gösta
+Berling en Elisabeth von Thurn in Svartsjö werd afgekondigd, wisten de
+meesten niet eens wie de bruid was. De geestelijken en het personeel
+van de hoeven, die wisten hoe alles was toegegaan, spraken er zoo
+min mogelijk over. Het was alsof ze er bang voor waren, dat de
+een of ander, die niet meer geloofde aan de macht van het geweten,
+aan het gedrag van de jonge vrouw een boosaardige verklaring zou
+geven. Men was zoo bang, dat iemand zeggen zou: "Nu kan je wel zien,
+dat zij haar liefde voor Gösta niet heeft kunnen overwinnen. Nu is ze
+met hem getrouwd, onder een voorwendsel, dat zoo mooi lijkt." Ach, de
+ouden waren zoo teer voor die jonge vrouw. Nooit konden ze verdragen,
+dat men wat kwaads van haar zei. Zij wilden nauwelijks toegeven,
+dat zij gezondigd had. Zij wilden niet inzien, dat eenig kwaad die
+ziel bevlekte, die zoo bang voor het booze was.
+
+Een andere gewichtige gebeurtenis, die juist in dien tijd plaats had,
+maakte ook, dat Gösta's huwelijk maar weinig besproken werd. Majoor
+Samzelius werd door een ongeluk getroffen. Hij was meer en meer
+zonderling en menschenschuw geworden. Hij ging 't meest met dieren
+om en had een heelen dierentuin gemaakt op Sjö. Gevaarlijk was het
+ook, want hij had gedurig zijn geladen geweer bij zich en schoot
+dat telkens af, zonder op te passen, waar hij op mikte. Op een dag
+werd hij door een tammen beer gebeten, waar hij zonder nadenken op
+geschoten had. Het gewonde dier viel op hem aan, terwijl hij dicht
+bij de tralies stond, en beet hem vreeselijk in den arm. Daarop brak
+het los en liep het bosch in.
+
+De Majoor werd bedlegerig en stierf aan de wond, maar eerst kort vóór
+Kerstmis. Als de Majoorske geweten had, dat hij ziek was, had zij
+het bestuur op Ekeby weer in handen kunnen nemen. Maar de kavaliers
+dachten aan het contract met den Booze op Kerstavond in de smidse. Zij
+wisten wel, dat zij niet komen zou, eer hun jaar om was.
+
+
+
+
+
+
+
+XXIX.
+
+LIEFDE OVERWINT ALLES.
+
+
+Onder de trap naar de galerij in de kerk te Svartsjö is een groote
+kast, vol versleten spaden van de doodgravers, van gebroken kerkbanken,
+oude stukken blik en andere prullen.
+
+Daarin, onder een dikke laag stof, voor de oogen der menschen
+verborgen, staat een kist met prachtig mozaiek van paarlemoer
+ingelegd. Veegt men 't stof weg dan glimt en glinstert zij als
+de bergwand in een sage. De kist is gesloten en de sleutel is goed
+bewaard en wordt niet gebruikt. Geen sterveling mag een oog in die kist
+slaan. Niemand weet wat er in is. Eerst als de negentiende eeuw haar
+einde nadert wordt de sleutel in 't slot gestoken, de deksel opgelicht
+en de schatten die daar verborgen zijn aan menschenoogen vertoond.
+
+Zoo heeft de eigenaar van de kist het beschikt.
+
+Op de koperen plaat op den deksel staat: Labor vincit omnia. (De
+arbeid overwint alles). Maar een ander opschrift zou beter gepast
+hebben. Er had moeten staan: Amor vincit omnia. (De liefde overwint
+alles). Ook die oude kist in de kast onder de trap in de kerk is een
+bewijs voor de almacht der liefde.
+
+O Eros, alles beheerschende God!
+
+Voorwaar! Gij, o Liefde zijt eeuwig. Oud is het menschengeslacht op
+aarde; maar gij hebt het gevolgd door alle eeuwen heen. Waar zijn
+de goden van 't Oosten, de sterke helden, die den bliksem als wapen
+voerden, zij die aan de oevers van den heiligen stroom offers aannamen
+van melk en honing?
+
+Dood zijn ze! Dood is Bel, de sterke krijgsman, dood Thot, de reus
+met de havikskop; dood zijn de heerlijke goden, die rustten op bedden
+van wolken van den Olympus, dood zij, die heldendaden deden en in
+het wel versterkte Walhalla woonden. Al de goden der ouden zijn dood,
+behalve Eros, Eros de alles beheerschende.
+
+Zijn werk is alles wat ge ziet. Hij houdt de geslachten in stand. Hem
+ziet ge overal. Waar kunt gij gaan, dat ge zijn voetspoor niet
+ziet? Wat hooren uw ooren, waar ge niet den wiekslag van zijn suizende
+vleuglen in hoort. Hij woont in de harten der menschen en in den
+kiemenden zaadkorrel. Voel zijn hartslag trillen in de dooden dingen
+en beef!
+
+Wat woont er op aarde, dat niet verlangen voelt naar hem en zijn
+lokstem hoort. Niets ontkomt aan zijn macht. Alle oude wraakgoden
+zullen vallen, alle kracht en geweld voorbij gaan. Maar voorwaar! Gij,
+o liefde, zijt eeuwig!
+
+De oude Eberhard zit aan zijn schrijftafel, een prachtig meubel, met
+ontelbare laden, met marmeren blad en beslagen met oud koper. Hij werkt
+met vlijt en ijver, alleen boven in den kavaliersvleugel. O, Eberhard,
+waarom zwerft ge niet rond in bosch en veld in de laatste dagen van den
+stervenden zomer, zooals de andere kavaliers doen. Ge weet het toch,
+dat niemand ongestraft de godin der wijsheid dient. Gebogen is uw rug,
+al zijt ge ook maar even zestig jaar; het haar dat uw schedel dekt is
+uw eigen niet, rimpels zijn gegroefd in uw voorhoofd, dat zich over
+uw ingezonken oogen welft, en het verval van den ouderdom vertoont
+zich in de vele plooien om uw tandeloozen mond.
+
+O Eberhard! Waarom zwerft gij niet door bosschen en velden? De dood
+zal U zooveel te eerder van uw schrijftafel halen, omdat ge u door
+'t leven er niet van weg hebt laten lokken.
+
+Oom Eberhard haalt een dikke streep onder zijn laatsten regel. Uit
+de ontelbare laden van zijn schrijftafel haalt hij de geelgeworden,
+gekreukelde vellen te voorschijn, al de ongelijke deelen van zijn
+groot werk, dat werk, dat den naam van Eberhard Berggren door de
+tijden heen zal dragen. Maar juist als hij 't eene pak op 't andere
+heeft gestapeld en er in stille verrukking op zit te staren, gaat de
+deur open en de jonge gravin treedt binnen.
+
+Daar is zij, de jonge heerscheres. Zij die allen vereeren en dienen,
+meer dan grootouders den kleinzoon. Zij, die ze als een arme zieke
+gevonden hebben en alle heerlijkheid der aarde schonken, zoo als een
+Sagenkoning de arme schoone, die hij vond in het woud.
+
+Voor haar klinken waldhoorn en viool op Ekeby. Voor haar roert zich
+alles, voor haar leven en werken allen op het groote landgoed.
+
+Zij is nu gezond; maar nog zeer zwak. De eenzaamheid in dit groote huis
+valt haar lang, en nu ze weet dat de kavaliers weg zijn, wil ze eens
+zien hoe het er in den kavaliersvleugel uitziet, dat beruchte vertrek.
+
+Zoo komt ze zacht binnen en ziet naar de gewitte muren en de
+geelgeruite bedgordijnen; maar ze wordt verlegen, nu ze merkt dat er
+iemand in de kamer is.
+
+Oom Eberhard gaat haar plechtig te gemoet en voert haar naar den
+grooten stapel papieren.
+
+"Zie eens, Mevrouw de gravin, zegt hij, "nu is mijn werk gereed. Nu
+zal het de wereld in gaan. Nu zullen groote dingen geschieden."
+
+"Wat zal er dan gebeuren, Oom Eberhard?"
+
+"Och Mevrouw de gravin! als een bliksemstraal zal dit werk
+inslaan in de wereld, licht brengen en dooden! Sedert Mozes hem
+van uit Sinaïs donderwolk deed neêrdalen en hem in 't heilige
+der heilige van den Tempel plaatste,--al dien tijd is hij veilig
+geweest, de oude Jehova! Nu zal het ieder duidelijk worden wie hij
+is! Inbeelding! leegte! damp! het doodgeboren kind van onze eigen,
+arme hersens!--Hij zal in 't niet verzinken," zei de grijsaard en
+legde zijn gerimpelde hand op de papieren. "Hier staat het en als de
+menschen dat lezen, moeten zij 't gelooven. Zij zullen verschrikt
+opstaan en hun domheid inzien; zij zullen de kruisen stukslaan en
+voor brandhout gebruiken, de kerken voor korenbeurzen en de priesters
+zullen de aarde gaan bebouwen."
+
+"Ach, oom Eberhard," zei de jonge gravin met een lichte rilling,
+"is u zulk een verschrikkelijk mensch? staan er zulke vreeselijke
+dingen in dat boek?"
+
+"Vreeslijk?" herhaalde de oude man--"het is immers de waarheid!--Maar
+wij zijn als kinderen die hun gezicht in den schoot van een vrouw
+verbergen, zoodra ze een vreemdeling zien. Wij zijn gewoon ons voor
+de waarheid te verbergen, voor de eeuwig vreemde! Maar nu zal zij
+komen en haar tenten onder ons opslaan, nu zullen allen haar kennen."
+
+"Allen?"
+
+"Niet alleen de filosofen, maar allen, Mevrouw de Gravin, allen!"
+
+"En zal dan Jehova sterven?"
+
+"Hij en alle engelen, alle heiligen, alle duivelen, alle leugens!"
+
+"En wie zal dan de wereld besturen?"
+
+"Gelooft u dan werkelijk dat iemand die vroeger bestuurde? Gelooft u
+dan aan een voorzienigheid, die de menschen en de haren der menschen
+telde? Niemand heeft de wereld bestuurd en niemand zal het voortaan
+doen."
+
+"Maar wat zal er dan van ons, arme menschen, worden?"
+
+"Wat we geweest zijn! Stof! Hij die uitgebrand is, kan niet meer
+branden. Hij is dood! Wat zijn wij, die door 't leven fladderen? De
+vonken des levens spatten van den een op den ander. Wij worden
+ontstoken, vlammen op en worden uitgebluscht. Dat is het leven!"
+
+"Ach Eberhard, is er dan geen leven na dit?"
+
+"Neen!"
+
+"Niets aan de andere zijde van 't graf?"
+
+"Niets!"
+
+"Geen goed of kwaad, geen hoop, geen doel?"
+
+"Niets."
+
+De jonge vrouw trad naar 't venster. Zij zag uit over 't gele loof van
+den herfst, over de dahlias en asters, die hun hoofden lieten hangen
+op de door den wind gebroken stengels. Zij zag de zwarte golven van
+'t Löfvenmeer, en een oogenblik geeft ze toe aan den twijfel.
+
+"Oom Eberhard," zegt ze, "wat is de wereld grauw en leelijk! Wat is
+alles hoopeloos. Ik wil graag sterven!"
+
+Maar op hetzelfde oogenblik was het haar als hoorde zij een jammerkreet
+diep in haar ziel. Haar sterke levenskracht, haar warm voelen riepen
+luide om 't geluk te mogen leven!
+
+"Is er dan niets, dat 't leven schoonheid geven kan, nu u me God en
+onsterfelijkheid afneemt?" barstte ze uit.
+
+"Arbeid!" antwoordde de grijsaard.
+
+Maar op haar gezicht komt een uitdrukking van verachting voor deze
+arme wijsheid. Het ondoorgrondelijke rijst voor haar op! Zij voelt
+den geest, die in alles leeft. Zij voelt de macht, die gebonden
+neerligt in alle schijnbaar doode stof, maar die zich ontwikkelen kan
+tot eindloos wisselend leven. Met duizelend hoofd zoekt zij een naam
+voor het goddelijk leven in de natuur.
+
+"Ach, Eberhard!" zegt zij. "Wat is arbeid? Is dat een God? Heeft dat
+een doel in zich zelf? Noem iets anders!"
+
+"Ik weet niets anders," antwoordde de grijsaard.
+
+Daar heeft zij den naam gevonden, dien ze zoekt, een armen, vaak
+bezoedelden naam.
+
+"Oom Eberhard, waarom noemt u de liefde niet?"
+
+Daar glijdt een glimlach langs den tandenloozen mond door rimpels en
+plooien omgeven.
+
+"Hier," antwoordt de filosoof en slaat met de gebalde vuist op het
+zware pak, "hier worden alle goden vermoord. En ik heb Eros niet
+vergeten. Wat is liefde anders dan een drang van het lichaam? Waarom
+zou ze hooger staan dan andere lichamelijke behoeften? Maakt de honger
+ons tot een God? Of de vermoeidheid? Zij zijn even veel waard. Het
+moet nu uit zijn met die dwaasheid. Leve de waarheid!"
+
+De jonge gravin buigt het hoofd. Dat is niet waar! Dat kan niet waar
+zijn. Maar zij weet er niets tegen te zeggen.
+
+"Uw woorden hebben mijn ziel gewond," antwoordde ze, "maar nog geloof
+ik u niet. De goden van wraak en geweld kunt ge dooden. Meer kunt ge
+niet doen!"
+
+Maar de grijsaard vat haar hand en legt die op zijn boek en antwoordt
+met al het fanatisme van het ongeloof.
+
+"Als u dit gelezen hebt, moet u mij wel gelooven!"
+
+"Dan hoop ik, dat het mij nooit onder de oogen komt!" antwoordt
+ze. "Want als ik dat gelooven moet, kan ik niet langer leven."
+
+En diep bedroefd gaat ze heen.
+
+Maar hij blijft lang zitten peinzen, nadat zij is weggegaan.
+
+Die oude papieren met godslasterlijk schrift bedekt, zijn de wereld
+nog niet ingegaan. Nog heeft de naam van oom Eberhard niet door de
+wereld geklonken.
+
+Zijn groot werk ligt wel bewaard in de kist in de kerkkast onder
+de trap te Svartsjö, en zal eerst aan 't eind van deze eeuw het
+licht zien.
+
+Maar waarom heeft hij dat gedaan? Vreesde hij voor de kracht van
+zijn bewijzen? Was hij bang voor vervolging? Ach hoe weinig kent ge
+oom Eberhard. Begrijp dit nu goed! Hij heeft de waarheid liefgehad,
+niet zijn eigen eer! En daarom heeft hij de laatste opgeofferd, niet
+de eerste, opdat een kind, dat hij als een vader liefhad zou kunnen
+sterven in het geloof aan wat haar heilig was.
+
+O liefde, gij zijt eeuwig!
+
+
+
+
+
+
+
+XXX.
+
+HET MEISJE VAN NYGAARD.
+
+
+Niemand kent die plek aan den voet van den berg, waar de dennen het
+dichtst groeien en waar een dikke laag zacht mos de aarde dekt. Hoe
+zou iemand die kennen? Dit is nooit te voren betreden door een
+menschenvoet; geen menschentong heeft haar een naam gegeven; geen
+voetpad voert naar die verborgen plaatsen. Rotsblokken zijn er om
+heen opgestapeld, gedoornde braamranken sluiten haar af, afgewaaide
+takken versperren den weg, de herder kan haar niet vinden, de vos
+veracht haar. Het is de eenzaamste plek in 't bosch, en nu zoeken
+duizenden menschen er naar!
+
+Wat een eindelooze stoet van zoekenden! Zij zouden de kerk van Bro
+kunnen vullen, en niet alleen die van Bro, maar die van Löfvik en
+Svartsjö. Wat een eindelooze stoet van zoekenden!
+
+Kinderen, die niet met den stoet mee mogen, staan aan den weg of
+hangen over 't hek, overal waar hij voorbijkomt. De kleinen hebben
+niet gedacht, dat er zulk een massa menschen in de wereld waren,
+zulk een eindelooze massa. Als ze groot worden, zullen ze zich dien
+langen, golvenden menschenstoet herinneren.
+
+Hun oogen zullen vol tranen staan bij de herinnering aan den
+overweldigenden indruk, dien het maakte, dien eindeloozen stoet langs
+wegen te zien trekken, waar men dagen lang niemand zag dan een paar
+eenzame wandelaars, eenige groepjes bedelaars of een boerenwagen.
+
+Allen, die aan den weg wonen, springen op en vragen: "Is er een ongeluk
+gebeurd in het land? Komen de vijanden? Waar gaat ge heen? Waar gaat
+ge toch heen?"
+
+"Wij zoeken," antwoordden zij: "we hebben al twee dagen lang
+gezocht. Wij zullen ook vandaag nog zoeken, en dan kunnen wij het
+niet langer uithouden. Wij willen het Björnebosch doorzoeken en de
+met dennen begroeide heuvels ten westen van Ekeby."
+
+De stoet is van Nygaard uitgegaan, een armoedig dorpje tusschen de
+oostelijke bergen. Het mooie, jonge meisje, met het dikke, zwarte
+haar en de roode wangen, is al acht dagen lang weg. Het meisje met de
+bezems, dat Gösta Berling tot zijn bruid wilde maken, is in de groote
+bosschen verdwaald. In acht dagen heeft niemand haar gezien. Toen
+gingen menschen uit Nygaard uit om haar te zoeken, en alle menschen,
+die hen zagen voorbij komen, gingen mee om te zoeken. Uit ieder huis
+kwamen menschen, om zich bij den stoet aan te sluiten.
+
+Dan gebeurde het vaak, dat een nieuw aangekomene vroeg: "Mannen
+van Nygaard, waarom is dit alles? Waarom liet men dit mooie meisje
+alleen gaan op eenzame wegen? 't Bosch is groot en God had haar het
+verstand ontnomen."
+
+"Er is niemand, die haar kwaad doet," antwoordden ze dan, "en zij
+doet niemand kwaad. Zij gaat veilig als een kind. Wie is wel beter
+bewaard dan die door God zelf bewaard wordt! Vroeger is zij altijd
+teruggekomen."
+
+Zoo is de stoet der zoekenden door de bosschen ten oosten getrokken,
+die Nygaard van de vlakte scheiden. Nu, den derden dag, trekken zij
+voorbij de kerk van Bro, naar de bosschen ten westen van Ekeby.
+
+Maar waar de stoet heentrekt, wekt hij de grootste verbazing; telkens
+moet een der mannen achterblijven, om te antwoorden op de vraag:
+"Wat wilt ge, wat zoekt ge?"
+
+"Wij zoeken het meisje met de donkere haren en de blauwe oogen. Zij is
+naar 't bosch gegaan om te sterven. Zij is al acht dagen weg geweest."
+
+"Waarom is zij naar het bosch gegaan, om te sterven? Had zij
+honger? Was zij ongelukkig?"
+
+"Neen, nood heeft ze niet geleden, maar een ongeluk heeft haar dit
+voorjaar getroffen. Zij heeft Gösta Berling, den gekken predikant,
+gezien en hem vele jaren lang liefgehad. Zij wist niet beter. God
+heeft haar het verstand ontnomen."
+
+"Ja, dan heeft God haar zeker van het verstand beroofd, mannen van
+Nygaard."
+
+"In dit voorjaar kwam het ongeluk--vroeger heeft hij nooit naar haar
+omgezien. Toen heeft hij haar gezegd, dat zij zijn bruid zou zijn. 't
+Was maar een grap;--hij liet haar weer gaan; maar zij kon zich niet
+troosten. Zij kwam aanhoudend naar Ekeby terug. Zij volgde hem op de
+hielen, waar hij ook heen ging. Zij verveelde hem. Toen zij er het
+laatst was, hebben zij de honden op haar aangehitst. Sinds dien tijd
+heeft niemand haar gezien."
+
+Op, alle mannen! 't Geldt een menschenleven.
+
+Een mensch is de bosschen ingegaan, om te sterven. Misschien is zij
+al dood. Of misschien zwerft ze nog om, zonder den weg te vinden. 't
+Bosch is groot en haar verstand is bij God.
+
+Ga mee met den stoet, ga mee! Laat de haver in schoven staan, tot
+de dunne korrel uit de aar valt; laat den aardappel in den grond
+verrotten; laat de paarden los, opdat ze niet in den stal verdorsten;
+laat de deur van den koestal open staan, zoodat de koeien des nachts
+onder dak kunnen komen; neem de kinderen mee, want de kinderen behooren
+aan God. God is met hen. Hij leidt hun schreden.
+
+Zij zullen helpen, waar het menschelijk verstand te kort komt.
+
+Komt allen mee, mannen, vrouwen en kinderen. Wie durft thuis te
+blijven? Wie weet of God niet juist van plan is hem als werktuig te
+gebruiken? Komt, allen die barmhartigheid behoeft, opdat niet eenmaal
+uw ziel hulpeloos rond zal zwerven op eenzame plaatsen, rust zoeken
+en ze niet vinden zal. Komt, God heeft haar het verstand ontnomen,
+en 't bosch is groot.
+
+Ach! Wie kan de plek vinden, waar de dennen het dichtst groeien
+en 't mos het zachtst is? Ligt daar iets donkers, dicht onder den
+bergwand? Ach, 't is een mierenhoop. Geloofd zij Hij, die den voet
+der zinneloozen bestuurt; 't is anders niet!
+
+Welk een tocht! Niet de feestlijk versierde feeststoet, die den
+overwinnaar begroet, die bloemen strooit op zijn wegen en zijn
+ooren met gejubel vult; niet de pelgrimsstoet met psalmgezang en de
+zwiepende geeselslagen, op weg naar het heilige graf; niet de stoet
+der landverhuizers op krakende, zwaar beladen wagens, die uittrekken
+om een nieuw tehuis te zoeken voor menschen, die nood lijden; niet een
+leger met trommen en wapens; het zijn maar boeren, in baaien werkpakken
+en versleten schootsvellen; 't zijn maar hun vrouwen, met breikousen
+in de hand, en de kinderen op den rug of hangend aan de rokken.
+
+'t Is grootsch menschen bijeen te zien voor een groot doel. Laat
+ze uittrekken om hun weldoeners te huldigen, om hun vaderland te
+verdedigen, laat ze uittrekken! Maar noch honger, noch godsvrucht, noch
+oorlog heeft deze menschen op weg gedreven. Hun moeite is vergeefsch,
+hun arbeid zonder loon, zij zoeken alleen een zinnelooze. Hoeveel
+zweetdroppels, hoeveel uren gaans, angst en gebeden het hun ook kost,
+het wordt toch alleen maar beloond door 't weervinden van een arme
+verdwaalde, wier verstand bij God is. Kan men anders dan dit volk
+liefhebben?
+
+Moet niet wie aan den weg staat en hen voorbij ziet trekken, tranen
+in de oogen krijgen, als hij 't zich herinnert: mannen met scherpe
+trekken en harde handen, vrouwen met vroeggerimpelde voorhoofden en
+vermoeide kinderen, die God zou leiden naar de rechte plaats?
+
+Hij vult den weg, die stoet van bedroefde zoekenden. Met ernstige
+blikken zien zij naar het bosch; zij gaan voort met sombere gezichten,
+want zij weten, dat zij eerder een doode, dan een levende zullen
+vinden.
+
+Ach, dat zwarte onder aan den bergwand! Het is toch geen mierenhoop,
+maar een omgevallen boom! De Hemel zij geloofd, 't is maar een
+omgevallen boom. Maar zoo precies kan men 't ook niet zien, want de
+dennen staan zoo dicht bij elkaar.
+
+Zóó lang is de stoet, dat de voorsten, de sterke mannen, heel bij het
+bosch ten Westen van Björne zijn, als de achtersten, de mismaakten,
+de zwakke ouden en de vrouwen, die hun kleine kinderen dragen,
+nauwelijks de kerk te Broby voorbij zijn.
+
+En dan verdwijnt de heele stoet in het donkere bosch. De vóórmiddagzon
+beschijnt hen tusschen de dennen door--de avondzon zal de schare
+beschijnen, als zij uit het bosch komt.
+
+'t Is de derde dag van 't zoeken; zij zijn aan 't werk gewend. Ze
+zoeken onder aan den steilen bergwand, waar de voet licht uitglijdt,
+onder de omgevallen boomen, waar men armen en beenen kan breken,
+onder de dichte dennentakken, die over het zachte mos hangen en tot
+rusten uitnoodigen.
+
+Het leger van den beer, het hol van den vos, de onderaardsche woning
+van den das, de zwarte grond van de kolenbranderij, de dennen met
+de witte naalden, de berg, die door den boschbrand geteisterd is een
+maand geleden, de steen, die door den reus weggeworpen is, dat alles is
+gevonden; maar niet de plek onder den bergwand, waar dat zwarte ligt.
+
+Niemand is er geweest om te zien of het een mierenhoop of een
+omgevallen boomstam of een mensch is. Ach! het is wel een mensch;
+maar niemand is er geweest en heeft haar gezien!
+
+De avondzon ziet op hen neer aan den anderen kant van het bosch,
+maar de jonge vrouw, wier verstand God heeft weggenomen, is niet
+gevonden. Wat zullen ze nu doen? Zullen ze het bosch nog eens
+doorzoeken? 't Bosch is gevaarlijk in 't donker; daar zijn bodemlooze
+moerassen en steile kloven. En wat kunnen zij, die niets vonden,
+toen de zon scheen, nu vinden, daar het donker is?
+
+"Laat ons naar Ekeby gaan!" roept éen onder de menigte.
+
+"Laat ons naar Ekeby gaan!" roepen dan allen samen: "Laat ons naar
+Ekeby gaan!"
+
+"Laat ons die kavaliers vragen, waarom ze de honden op iemand
+hebben aangehitst, wier verstand God had weggenomen; waarom ze een
+zinnelooze tot vertwijfeling hebben gebracht. Onze arme, hongerige
+kinderen schreien, onze kleeren zijn gescheurd, het koren staat in
+schoven, tot de korrels uit de aren vallen, de aardappelen verrotten
+in den grond, onze paarden loopen wild rond, onze koeien worden niet
+verzorgd, wijzelf vergaan bijna van vermoeienis--en dat alles is hun
+schuld. Laat ons naar Ekeby gaan en gericht over hen houden. Laat
+ons naar Ekeby gaan!"
+
+"In dit vervloekte jaar komt alles op ons, boeren, neer. God's hand
+drukt zwaar op ons. De winter zal hongersnood brengen. Wie is het dien
+Gods straf zoekt? Niet den predikant van Broby. Zijn gebeden rijzen
+nog op tot God. Wie kan het anders zijn dan deze kavaliers. Laat ons
+naar Ekeby gaan!"
+
+"Zij hebben de hoeve bedorven. Zij hebben de Majoorske op den weg
+laten zwerven als bedelares. Het is hun schuld, dat we geen werk
+hebben. Het is hun schuld, dat we honger moeten lijden. De nood is
+hun werk. Laat ons naar Ekeby gaan!"
+
+En daar snellen sombere, verbitterde mannen naar de groote hoeve;
+hongerige vrouwen met schreiende kinderen op den arm volgen
+hen. Achteraan komen de mismaakten en de afgematte ouden. En als een
+zwellende stroom gaat de verbittering door de rijen, van de ouden
+naar de vrouwen, van de vrouwen naar de sterke mannen vooraan.
+
+'t Is de najaarsstroom, die komt. Weet ge nog wel hoe de
+voorjaarsstroom kwam, kavaliers? Nu komen de golven van de bergen,
+nu gaat er opnieuw een adem van verwoesting over Ekeby's macht en eer.
+
+Een arbeider, die het veld beploegt langs den boschkant, hoort het
+woeste geschreeuw van het volk. Hij spant éen van de paarden af,
+springt er op en draaft naar Ekeby. "Er komt een ongeluk!" roept
+hij: "de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen
+Ekeby in." Hij rijdt door de hoeve, buiten zichzelf van schrik:
+"alle spoken uit het bosch zijn losgebroken!" roept hij, "de booze
+geesten komen en steken de hoeve in brand en slaan de kavaliers dood."
+
+En achter hem hoort men leven en gehuil van de aanstormende menigte. De
+najaarsstroom bruist op Ekeby toe!
+
+Weten ze wat ze willen, die daar vol verbittering aanstormen? Willen
+ze brand? moord? plundering?
+
+Het zijn geen menschen, die daar aankomen; 't zijn de spoken uit het
+bosch, de wilde dieren van de velden. Wij, duistere machten, die ons
+onder de aarde verborgen moeten houden, wij zijn vrij voor éen zalig
+uur. De wraak heeft ons vrijgemaakt.
+
+Het zijn de geesten van de bergen, die het erts gebroken hebben, de
+geesten van het woud, die boomen geveld en de kolen gebrand hebben,
+de geesten van het veld, die het koren lieten groeien; zij zijn vrij,
+zij gebruiken hun kracht om te verwoesten. Dood over Ekeby, dood over
+de kavaliers!
+
+Hier vloeit de brandewijn in stroomen. Hier ligt het goud in de
+kelder-gewelven opgestapeld. Hier is de voorraadschuur vol koren en
+vleesch. Waarom zullen de kinderen der rechtvaardigen honger lijden
+en de boosdoeners volop hebben?
+
+Maar nu is hun tijd voorbij, de maat is vol, kavaliers! Leliën, die
+nooit gesponnen hebt, vogels, die nooit vergaderd hebt in de schuren,
+de maat is vol! In het woud ligt zij, die u oordeelt; wij zijn haar
+boden. Het zijn geen rechters, die uw vonnis vellen. Zij, die in het
+woud ligt, heeft u geoordeeld.
+
+De kavaliers staan in het hoofdgebouw en zien het volk komen. Zij
+weten al, waarvoor zij aangeklaagd worden. Voor deze éene keer zijn
+zij onschuldig. Als het arme meisje naar het bosch gegaan is om
+te sterven, dan is dat niet omdat zij de honden op haar afgejaagd
+hebben--dat hebben zij nooit gedaan,--maar omdat Gösta Berling voor
+acht dagen met gravin Elisabeth getrouwd is.
+
+Maar wat baat het met deze razende menschen te spreken? Zij zijn
+moe, zij zijn hongerig; de wraak hitst hen op; de roofzucht verlokt
+hen. Zij komen aanrennen met woest geschreeuw, en voor hen uit rijdt de
+arbeider, die van den schrik waanzinnig is geworden: "de beren komen,
+de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in.
+
+De kavaliers hebben de jonge gravin verborgen in 't binnenste
+kamertje. Löwenborg en oom Eberhard zullen daar zitten en op haar
+passen; de anderen gaan de schare te gemoet. Zij staan op de stoep
+voor het hoofdgebouw, ongewapend en glimlachende, als de eerste
+schreeuwende bende aankomt.
+
+En het volk blijft staan voor die kleine schaar rustige mannen. Er
+zijn er wel, die in hun gloeiende verbittering ze graag op den grond
+geworpen en met hun met ijzer beslagen hielen vertrapt hadden, zooals
+het volk van de ijzermijn te Sund met den chef en den inspecteur vóor
+vijftig jaar gedaan hebben; maar zij hadden gesloten deuren verwacht,
+opgeheven wapens, weerstand en gevecht.
+
+"Beste vrienden," zeggen de kavaliers, "besten vrienden, jullie zijn
+moe en hongerig, laat ons je wat te eten geven en proeft eerst van
+Ekeby's eigengemaakten brandewijn."
+
+De menigte wil er niet van hooren. Zij huilt en dreigt. Maar de
+kavaliers worden niet boos.
+
+"Wacht maar," antwoorden ze, "wacht maar even. Zie, Ekeby is open. De
+kelderdeur, de provisiekamer, de melkkamer, alles is open. Jullie
+vrouwen vallen bijna om van vermoeienis; de kinderen schreien. Laat
+ons ze eerst eten geven. Dan kun jelui ons laten doodslaan. Wij zullen
+niet wegloopen. Maar we hebben den zolder vol appelen. Laat ons even
+appels voor de kinderen halen."
+
+
+
+Een uur later is het feest in vollen gang op Ekeby. Het grootste feest,
+dat de groote hoeve ooit heeft gezien, wordt in den herfstnacht, in
+'t schijnsel van de groote, heldere, volle maan, gevierd.
+
+De stapels brandhout zijn aangestoken; over de heele hoeve vlammen
+groote vuren. Het volk zit in groepjes en geniet warmte en rust,
+terwijl alle goede gaven over hen uitgestort worden.
+
+Kloeke mannen zijn in de schuur gegaan en hebben genomen wat
+noodig was. Kalven en schapen zijn geslacht, ook een paar grootere
+stukken vee. De dieren werden in stukken gehouwen en in een oogenblik
+gebraden. Deze honderden hongerige menschen verslinden de spijzen. Het
+eene dier na het andere wordt naar buiten gebracht en geslacht. Het
+schijnt alsof de heele schuur op één nacht geledigd zal worden.
+
+Juist dien middag was het bakken voor den winter klaar gekomen. Nadat
+de jonge gravin op Ekeby was, waren de lieden weer aan 't werk
+gegaan. Het was alsof de jonge vrouw er geen oogenblik aan dacht,
+dat zij nu de vrouw van Gösta Berling was. Noch hij, noch zij spraken
+daar ooit over; maar daarentegen nam zij de plaats in van huisvrouw op
+Ekeby. Zij beproefde, zooals een goede en bekwame vrouw altijd doet,
+met vurigen ijver de wanorde en verkwisting tegen te gaan, die op
+de hoeve heerschten. En zij werd gehoorzaamd. De dienstboden voelden
+met een zeker welbehagen, dat er weer een huisvrouw boven hen stond.
+
+Maar wat hielp dat nu, dat zij den keukenzolder met brood had laten
+vullen, dat zij had laten karnen en brouwen en kaas maken heel de
+lange Septembermaand, die zij daar geweest was? Wat hielp het?
+
+Naar buiten, naar 't volk, met alles wat er is, opdat ze Ekeby niet
+verbranden en de kavaliers doodslaan. Naar buiten met brood en boter
+en kaas? Naar buiten met tonnen en vaten, met hammen van den zolder,
+met de brandewijnflesschen en appels!
+
+Hoe kan al wat er op Ekeby is den toorn van de boeren verzachten! Zij
+mogen blij zijn, als zij ze daar vandaan krijgen, zonder dat er een
+of andere misdaad gebeurt.
+
+Alles wat er gebeurt is toch ten slotte om harentwille--ter wille van
+de huisvrouw van Ekeby. De kavaliers zijn moedige en in de wapenen
+geoefende mannen. Zij zouden zich verdedigd hebben, als zij hun eigen
+zin gedaan hadden. Zij zouden liever die roofzuchtige scharen met
+een paar schoten hebben verjaagd, als zij er niet geweest was, zij,
+die zacht en goed was en voor het volk gesproken had.
+
+Hoe later het in den nacht wordt, hoe zachter de schare gestemd
+wordt. De warmte en de rust en het eten en de brandewijn doen
+hun geweldige opgewondenheid bedaren. Zij beginnen te lachen en
+te schertsen; zij vieren het begrafenisfeest van het meisje uit
+Nygaard. Wee hem, die niet drinkt en schertst bij het begrafenisfeest;
+dat is in de eerste plaats noodig.
+
+Kinderen vallen aan op de massa's vruchten, die hen gebracht
+worden. Arme dagloonerskinderen, die blauwbessen en boschbessen voor
+lekkernij aanzien, bijten nu in blanke glasappels, die in den mond
+smelten, langwerpige, zoete paradijsappels, geelachtige citroenappels,
+peren met roode wangen en pruimen van allerlei soort: gele, roode
+en blauwe. Ach, niets is te goed voor het volk, dat zijn macht durft
+te toonen.
+
+Tegen middernacht is het, alsof de menigte aan naar huis gaan denkt. De
+kavaliers houden op spijzen en wijn te brengen, flesschen open te
+trekken en bier af te tappen. Zij slaken een zucht van verlichting,
+in het gevoel, dat het gevaar voorbij is.
+
+Maar juist op dat oogenblik komt er een licht te voorschijn aan een
+venster in het hoofdgebouw. Allen, die het zien, schreeuwen luid. Het
+is een jonge vrouw, die 't licht draagt.
+
+'t Duurt maar een oogenblik; dan is ze weer weg; maar het volk meent,
+dat zij haar herkend hebben.
+
+"Ze had dik, zwart haar en roode wangen!" roepen ze. "Ze is hier. Ze
+houden haar hier verborgen!"
+
+"Ach, kavaliers! Heb jullie haar hier? Heb jullie ons kind, van wie God
+het verstand weggenomen heeft, hier op Ekeby? Goddeloozen, wat doe je
+met haar? Nu laat je ons in angst over haar de heele week lang, en we
+zoeken haar drie dagen! Weg met wijn en spijzen! Nu willen we haar hier
+buiten hebben. Later zul je wel zien wat we met jelui doen zullen."
+
+De getemde wilde dieren huilen en brullen. Met woeste sprongen vallen
+ze op Ekeby aan.
+
+Ze zijn vlug; maar de kavaliers zijn nog vlugger. Zij vliegen op en
+slaan de grendels voor de deur naar de vestibule. Maar wat kunnen
+zij uitrichten tegen de vooruitdringende schare? De eene deur na de
+andere wordt opengerukt. De kavaliers worden teruggedrongen; zij zijn
+ongewapend. Zij worden in de dichte menigte ingesloten, zoodat zij
+zich niet kunnen bewegen. Het volk wil naar binnen en het meisje van
+Nygaard zoeken.
+
+Zij vinden haar in het binnenste kamertje.
+
+Niemand heeft tijd om toe te zien of ze blond of donker is. Zij lichten
+haar op en dragen haar naar buiten. Ze moet niet bang zijn, zeggen
+ze. Ze wilden alleen maar de kavaliers te lijf. Zij zijn gekomen om
+haar te redden.
+
+Maar als zij naar buiten stroomen uit het gebouw, komen zij een
+anderen stoet tegen.
+
+Op de eenzame plek in het bosch rust nu niet meer het lijk van een
+vrouw, die van de hooge helling neerstortte en stierf door den val. Een
+kind heeft haar gevonden. Enkele zoekenden, die nog in het bosch
+waren achtergebleven, hebben haar opgenomen op hun schouders. Zie,
+daar komen zij.
+
+Zij is schooner in den dood dan zij in het leven was. Schoon is zij,
+zooals zij daar ligt met haar lang, donker haar. Het is een prachtige
+gestalte, nu de eeuwige vrede op haar neergedaald is.
+
+Op de schouders van de mannen wordt zij door de volksmenigte
+gedragen. Het wordt heel stil, waar ze voorbij gaat. Met gebogen
+hoofden huldigen allen de majesteit van den dood.
+
+"Zij is pas gestorven," fluisteren de mannen. "Zij heeft zeker door
+'t bosch geloopen tot vandaag toe. Ze heeft zeker voor ons willen
+vluchten en is toen van de rots gestort."
+
+Maar als dit het meisje van Nygaard is, wie is dan zij, die uit Ekeby
+naar buiten gedragen wordt?
+
+De stoet uit het bosch ontmoet den stoet uit het huis. De vuren op
+de hoeve vlammen nog. Het volk kan de twee vrouwen zien en herkent
+ze. Die andere is immers de jonge gravin van Borg!
+
+Maar wat beteekent dat? Zijn we nu een nieuwe misdaad op 't
+spoor? Waarom is de jonge gravin hier, op Ekeby? Waarom heeft men
+ons verteld, dat ze ver weg of dood was? In naam van de eeuwige
+rechtvaardigheid, zullen we nu de kavaliers niet aanvallen en ze tot
+pulver stampen onder onze, met ijzer beslagen hielen?
+
+Daar hoort men een ver klinkende stem.
+
+Gösta Berling is op de leuning van de stoep geklommen en spreekt:
+
+"Luister naar mij, jullie ondieren! jullie duivels! Meen je, dat er
+geen geweren en kruit op Ekeby zijn, jullie dwazen? Meen je dat ik
+geen lust gehad heb jelui neer te schieten als dolle honden;--maar
+zij daar heeft voor jelui gesproken! O! als ik geweten had, dat je
+haar zoudt aanraken, dan was geen van jelui er levend afgekomen.
+
+"Waarom kom jelui hier spektakel maken van avond, als roovers,--en
+dreigt ons met moord en brand? Wat heb ik met jelui krankzinnige
+meisjes te maken? Weet ik, waar ze heen loopen? Ik ben te vriendelijk
+voor haar geweest, dat is de zaak. Ik zou de honden op haar aangehitst
+hebben! 't Was beter voor ons beiden geweest, als ik het gedaan
+had--maar ik heb het niet gedaan. Ik heb nooit beloofd met haar te
+trouwen, dat heb ik nooit gedaan. Onthoud dat wel!
+
+"Maar nu zeg ik jelui, dat je haar los zult laten, die je hier uit huis
+gesleept hebt. Laat haar los, zeg ik je, en dat de handen, die haar
+hebben aangeraakt, in 't eeuwige vuur mogen branden! Begrijp je niet,
+dat ze even ver boven jelui staat als de hemel boven de aarde is? Zij
+is even fijn als jelui grof zijn, even goed als jelui slecht zijn!
+
+"Nu zal ik je zeggen wie ze is. Ten eerste is ze een engel uit den
+hemel; ten tweede is zij het, die met den graaf van Borg is getrouwd
+geweest. Maar haar schoonmoeder plaagde haar dag en nacht. Zij
+moest aan het meer staan en goed wasschen als een dienstmeid. Ze
+werd geslagen en gepijnigd, zoodat geen van jelui vrouwen het erger
+hebben kan. Ja 't scheelde niet veel of ze was in de beek gesprongen,
+want ze plaagden haar bijna dood. Ik zou wel eens willen weten wie
+van jelui, ellendige kerels, toen bij de hand geweest zijt om haar
+leven te redden. Niemand van jelui was er; maar wij, kavaliers,
+hebben het gedaan. Ja, wij hebben het gedaan.
+
+"En toen later haar kind geboren werd op een boerderij, en de graaf
+haar groeten liet en zeggen: "wij trouwden in een vreemd land, wij
+deden 't niet volgens de wetten en 't gebruik; je bent mijn vrouw niet,
+ik ben je man niet, en je kind kan me niet schelen"--ja, toen de zaken
+zóo stonden, en ze niet hebben wou, dat haar kind als vaderloos in
+'t doopboek komen zou--toen zou jelui wel trotsch geweest zijn, als
+ze toen tegen een van jelui gezegd had: "kom hier en trouw met mij;
+ik moet een vader voor mijn kind hebben." Maar zij koos geen van
+jelui; zij nam Gösta Berling, den gekken predikant, die nooit meer
+Gods woord verkondigen mag. Ja, dat zeg ik jelui, boeren, zwaarder
+dingen heb ik nooit gedaan. Want ik was haar zóó weinig waard, dat ik
+haar niet in de oogen durfde zien; maar ik durfde ook niet weigeren,
+want zij was wanhopend.
+
+"En nu mag jelui van ons, kavaliers, al het kwaad gelooven wat
+je maar wilt, maar haar daar hebben wij zooveel goed gedaan als
+we maar konden. En aan haar heb jelui te danken, dat we je niet
+allemaal hebben neergeschoten van nacht. En nu zeg ik jelui: laat
+haar los en gaat heen; anders geloof ik, dat de aarde zich openen
+zal, om je te verzwelgen. En als je van hier gaat, bidt dan God,
+dat Hij je vergeeft, dat je haar verschrikt en bedroefd hebt, haar,
+die zoo goed en onschuldig is. En maakt nu dat je weg komt. We hebben
+genoeg van jelui."
+
+Lang vóordat hij uitgesproken had, hadden zij, die de jonge gravin
+naar buiten hadden gedragen, haar op éen der treden van de stoep
+neergezet, en nu kwam een groote boer kalm naar haar toe en reikte
+haar zijn groote hand.
+
+"Nacht, mevrouw, ik dank u wel," zei hij; "wij meenen het goed met u."
+
+Na hem kwam een ander en drukte haar voorzichtig de hand: "Nacht,
+mevrouw, dank u wel, wees u maar niet boos."
+
+Gösta sprong naar beneden en kwam naast haar staan. Toen gaven ze
+ook hem de hand.
+
+En zoo kwamen ze langzaam en kalm, de een na den ander, om hen goeden
+nacht te zeggen vóor ze heen gingen. Zij waren weer getemd; zij
+waren weer menschen zooals zij waren, toen zij dien morgen hun huis
+verlieten, eer honger en wraaklust hen tot wilde dieren gemaakt had.
+
+Zij zagen de gravin vlak in 't gezicht, en Gösta merkte, dat het
+gezicht van al de onschuld en vroomheid, die zij zagen, tranen in
+veler oogen deden opwellen. Bij allen was een stille aanbidding van het
+edelste, wat zij gezien hadden: het waren menschen, die er zich over
+verheugden, dat éen van hen zoo'n groote liefde voor het goede had.
+
+Allen konden ze haar de hand niet reiken. Er waren er zooveel, en de
+jonge vrouw was moe en zwak. Maar allen moesten zij haar toch zien,
+en dan konden ze Gösta de hand drukken. Hij kon wel velen, dat ze
+zijn arm schudden.
+
+Gösta stond als in een droom. Op dien avond ging er een nieuwe liefde
+in zijn hart op.
+
+"O, mijn volk," dacht hij, "o, mijn volk, hoe heb ik je lief!" Hij
+voelde, dat hij heel die schare liefhad, die daar voorttrok in de
+duisternis van den nacht, met het doode meisje vooraan gedragen in den
+stoel; al die menschen met hun grove kleeren en hun kwalijk riekende
+schoenen; al die menschen die in de grauwe huizen aan den boschkant
+woonden, die geen pen konden voeren en vaak ook niet konden lezen,
+die 's levens vollen rijkdom niet kenden, maar alleen het zwoegen
+voor het dagelijksch brood. Was het toch niet een kloek volk, een
+heerlijk volk? Waren ze niet moedig en volhardend, waren ze niet
+handig en ondernemend? Was de arme niet vaak goed voor den arme? Was
+niet op de meeste gezichten kracht en verstand te lezen? Was er niet
+een tintelende humor in hun gesprekken?
+
+Hij had ze lief met een smartelijke, brandende teerheid, die hem de
+tranen in de oogen deed springen. Hij wist niet wat hij voor hen wilde
+doen, maar hij had ze lief, allen, met al hun gebreken en zwakheden. O,
+God! als eens de dag kwam, dat zij ook hem liefhadden!
+
+Hij werd uit zijn droomerijen gewekt doordat zijn vrouw de hand op
+zijn arm legde. Het volk was weg. Ze stonden geheel alleen op de stoep.
+
+"Ach, Gösta, Gösta, hoe kon je zoo doen!"
+
+Zij hield de handen voor het gezicht en schreide.
+
+"Het is waar wat ik gezegd heb!" barstte hij uit. "Ik heb het meisje
+van Nygaard nooit beloofd met haar te trouwen. Kom hier Vrijdagavond,
+heb ik gezegd, dan zal je wat grappigs zien. Dat was alles. Ik kan
+het niet helpen dat zij verliefd op mij was."
+
+"Ach, dat meen ik niet. Maar hoe kon je toch zeggen, dat ik goed
+en rein was? Gösta, Gösta, weet je dan niet, dat ik je al liefhad,
+toen ik het nog niet mocht? Ik schaamde me voor die menschen. O,
+ik stierf bijna van schaamte!"
+
+En zij barstte in snikken uit.
+
+Hij stond haar aan te zien. "O, mijn lieveling," zei hij zacht. "Wat
+ben je gelukkig, omdat je zoo goed bent. Wat ben je gelukkig, omdat
+je zoo'n mooie ziel hebt."
+
+
+
+
+
+
+
+XXXI.
+
+KEVENHÜLLER.
+
+
+In 1770 werd in Duitschland de later zoo geleerde en beroemde
+Kevenhüller geboren. Hij was de zoon van een burchtgraaf en zou
+hebben kunnen wonen in een groot kasteel en rijden aan de zijde van
+den keizer, als hij gewild had; maar hij had er geen lust in.
+
+Hij zou molenwieken hebben willen vastmaken aan den hoogsten
+toren van den burcht, de ridderzaal tot een smederij inrichten
+en de vrouwenvertrekken tot horlogemakerswerkplaats. Hij zou het
+kasteel met snorrende wielen hebben willen vullen en met bewegende
+hefboomen. Maar daar dit niet aanging, zei hij al die weelde vaarwel
+en werd horlogemakersleerling. Hij leerde al wat er te leeren was
+van kamraderen, van veeren en slingers. Hij leerde zonnewijzers en
+sterrenwijzers maken, pendules met fluitende kanarievogeltjes en
+herders, die op den hoorn bliezen, klokkenspel, dat een heelen toren
+vulde met zijn wonderlijke machinerie en uurwerken zóo klein, dat ze
+in een medaillon gezet konden worden. Toen hij zijn getuigschrift als
+meester gekregen had, nam hij den ransel op den rug, den knuppel ter
+hand en ging van de eene plaats naar de andere om alles te bestudeeren,
+wat door rollen en raderen bewogen werd. Kevenhüller was geen gewoon
+horlogemaker, hij wilde een groot uitvinder en wereldhervormer worden.
+
+Toen hij zooveel landen doorgezworven had, kwam hij ook naar Wermeland,
+om er molenwielen en mijnmachines te bestudeeren. Op een heerlijken
+zomermorgen gebeurde het, dat hij dwars over de markt te Karlstad
+ging. Maar op dienzelfden tijd had de boschvrouw goedgevonden haar
+wandeling tot in de stad uit te strekken. En Hare Hoogheid kwam in
+eigen persoon, dwars over de markt, maar van den anderen kant, en
+zoo kwam zij Kevenhüller tegen.
+
+Dat was een ontmoeting voor een eenvoudig horlogemaker. Zij had
+schitterende groene oogen en licht, golvend haar, dat bijna op den
+grond hing, en zij was gekleed in groene zijde met weerschijn. Een
+heidin en een heks was ze, maar ze was schooner, dan al de
+christenvrouwen, die Kevenhüller ooit gezien had. Hij stond als
+betooverd en zag haar aan, terwijl zij naar hem toe kwam.
+
+Zij kwam regelrecht uit het dichtste kreupelhout in het hart van 't
+bosch, waar de varens zoo hoog worden als boomen, waar de reusachtige
+dennen het zonlicht buiten sluiten, zoodat slechts hier en daar een
+zonnestraal als een lichtende droppel op het gele mos kan vallen,
+en waar de kamperfoelie over de bemoste steenen kruipt.
+
+Ik had wel in Kevenhüllers plaats willen zijn. Ik had haar graag
+gezien, toen zij daar aankwam met varens en dennenaalden in 't ruige
+haar en een kleine zwarte adder om den hals, met de veerkrachtige
+stap van een wild dier, omringd van den frisschen geur van harst en
+aardbeien, van kamperfoelie en mos.
+
+Wat zullen de menschen haar toch aangekeken hebben, toen ze daar over
+de markt te Karlstad liep. De paarden zullen wel verschrikt geworden
+zijn door den glans van haar lang haar, dat door den morgenwind
+opwoei. De straatjongens liepen haar zeker achterna. De knechts
+lieten hun werktuigen vallen om haar aan te gapen. De vrouwen gilden
+en stormden naar den bisschop en het domkapittel om het monster de
+stad uit te doen zetten.
+
+Zelf ging ze rustig en majestueus voort en glimlachte over al dit
+alarm, zoodat Kevenhüller haar kleine roofdier-tandjes achter de
+roode lippen zag glinsteren.
+
+Zij had een mantel om den rug hangen, opdat niemand aan haar hollen
+rug zou merken wie zij was; maar 't ongeluk wilde, dat ze vergeten
+had haar staart te verbergen. Die sleepte haar na over de straat.
+
+Kevenhüller zag de staart; maar het speet hem, dat hare hoogheid zoo
+ten spot voor de stadbewoners zou zijn, en hij boog voor de schoone
+en zeide eerbiedig: "Zou Uwe Hoogheid haar sleep niet willen opnemen."
+
+De boschvrouw werd getroffen; niet minder door zijn vriendelijkheid,
+dan door zijn hoffelijkheid. Zij bleef vlak voor hem staan en zag
+hem aan, zoodat het hem was, alsof er vonken uit haar oogen in zijn
+hersens sprongen.
+
+"Let goed op, Kevenhüller," zeide zij, "van nu af aan zult ge met uw
+twee handen elk kunstwerk kunnen maken wat ge wilt; maar niet meer
+dan één van elke soort."
+
+Dat zei ze, en ze kon haar woord houden. Want wie weet niet, dat de
+in 't groen gekleede uit 't kreupelhout in 't bosch, macht heeft
+bekwaamheid en wonderbare krachten te schenken aan hen, die haar
+gunst weten te winnen!
+
+Kevenhüller bleef in Karlstad en huurde daar een werkplaats. Hij
+hamerde en werkte dag en nacht. In acht dagen had hij een wonderwerk
+klaar. 't Was een wagen, die van zelf reed. Die ging den heuvel op
+en af, kon gestuurd en gekeerd worden, ging snel of langzaam, stond
+stil of ging voort al naar men wilde. Een prachtige wagen was het.
+
+Nu werd Kevenhüller een beroemd man en kreeg vrienden door de heele
+stad. Hij was zoo trotsch op zijn wagen, dat hij naar Stockholm reed om
+hem aan den koning te laten zien. Hij hoefde nergens op nieuwe paarden
+te wachten of met de knechts aan stations te kibbelen. Hij hoefde
+geen sneeuwhoen op te jagen of te slapen op de bank in de herberg. Hij
+reed fier in zijn eigen wagen en deed de reis in een paar uur.
+
+Hij reed regelrecht naar het paleis. En de koning kwam met de hofdames
+naar buiten en zag hem rijden. Zij konden hem niet genoeg prijzen.
+
+Toen zeide de koning: "Dien wagen moogt ge mij wel geven, Kevenhüller."
+
+En hoewel hij weigerde, hield de koning vol en wilde den wagen hebben.
+
+Toen zag Kevenhüller, dat in 't gevolg van den koning een hofdame
+stond met licht haar en in 't groen gekleed. Hij herkende haar wel en
+begreep, dat zij het was, die den koning geraden had om zijn wagen
+te vragen. Maar hij werd wanhopend. Hij kon niet verdragen dat een
+ander zijn wagen zou bezitten, en hij durfde toch den koning zijn
+dringend verzoek niet weigeren. Daarom reed hij met zulk een vaart
+tegen den slotmuur, dat de wagen in duizend stukken sprong.
+
+Toen hij weer in Karlstad teruggekomen was, probeerde hij een nieuwen
+wagen te maken, maar hij kon het niet.
+
+Toen werd hij verschrikt door de gave, die de boschvrouw hem had
+geschonken.
+
+Hij had het luie leven op 't kasteel van zijn vader verlaten om een
+weldoener voor velen te worden, niet om tooverdingen te maken, die
+maar één mensch gebruiken kon. Wat baatte het hem een groot meester
+te worden, ja de grootste van allen, als hij zijn wonderwerk niet
+vermenigvuldigen kon, zoodat het duizenden ten goede kwam. En de
+geleerde, algemeen ontwikkelde man verlangde zóó naar kalm, verstandig
+werk, dat hij steenhouwer en metselaar werd.
+
+Toen bouwde hij den grooten toren bij de Westerbrug, naar het model
+van den hoofdtoren van zijn vaders ridderslot, en zijn bedoeling was
+ook woonhuizen, portalen, binnenplaatsen, wallen en een hangenden
+toren te bouwen, zoodat een heele ridderburcht zou verrijzen aan den
+oever van den Klarelv.
+
+En daar zou hij den droom zijner kinderjaren tot werkelijkheid maken.
+
+Alles wat industrie en handenarbeid was, zou zijn plaats vinden in
+de zalen van zijn slot. Witte molenaarsjongens en zwarte smeden,
+horlogemakers met groene schermen voor de vermoeide oogen, verwers
+met donkre handen, wevers, draaiers, vijlers, allen zouden ze hun
+werkplaats hebben in zijn kasteel.
+
+En alles ging goed. Van de steenen, die hij zelf gehouwen had,
+bouwde hij met eigen handen zijn toren. Hij maakte er molenwieken
+aan vast--want de toren zou een molen worden en nu zou hij aan de
+smidse beginnen.
+
+Zoo stond hij er op een dag naar te kijken, hoe de lichte sterke
+wieken door den wind werden bewogen. En toen kwam zijn oude kwaal
+weer over hem.
+
+Het was hem alsof de groen gekleede hem weer aanzag met haar vonkelende
+oogen, tot zijn hersens opnieuw ontvlamden. Hij sloot zich op in zijn
+werkplaats, at niet en sliep niet, maar werkte zonder ophouden. En
+zoo maakte hij in acht dagen een nieuw wonderding.
+
+Op een dag steeg hij op zijn toren en begon vleugels aan zijn schouders
+vast te maken.
+
+Twee straatjongens en een gymnasiast, die op de brug zaten en
+kattekwaad bedachten, zagen hem en zij gaven een gil, die door
+de heele stad klonk. Ze vlogen weg en draafden de straten op en
+neer, bonsden op alle deuren en riepen: "Kevenhüller gaat vliegen,
+Kevenhüller gaat vliegen!"
+
+Intusschen stond de groote uitvinder heel kalm op zijn toren en trok
+zijn vleugels aan, terwijl daar beneden de menschenmassa te voorschijn
+golfde uit de nauwe straten van het oude Karlstad.
+
+De dienstmeisjes lieten de kokende spijs in de pan staan en liepen
+weg van 't rijzende deeg. De oude vrouwtjes lieten de breikous
+vallen, zetten den bril op en liepen de straat op. De raadsheeren
+en de burgemeester stonden van de rechtbank op. De rector gooide de
+grammatica in een hoek, de schooljongens liepen uit de school zonder
+verlof te vragen. De geheele stad liep uit naar de Westerbrug.
+
+Spoedig was de heele brug zwart van menschen. De markt stond volgepakt
+en de oevers van de beek tot het huis van den bisschop toe, wemelden
+van menschen. Er was nog grooter gedrang dan op de jaarmarkt, er waren
+nog meer toeschouwers dan toen koning Gustaaf III door de stad kwam
+rijden, door acht paarden getrokken, en in zulk een woeste vaart,
+dat de wagen op twee wielen stond bij 't zwenken.
+
+Eindelijk had Kevenhüller zijn vleugels aan en zette af. Hij deed een
+paar slagen en was toen in de vrije lucht. Hij dreef in de wolkenzee
+hoog boven de aarde.
+
+Hij ademde met volle teugen de frissche lucht in. Die was zoo krachtig
+en zuiver daar boven. Zijn borst zette zich uit, en 't oude ridderbloed
+begon in hem te koken. Hij daalde neer als een duif, zweefde hoog
+in de lucht als een havik, zijn vleugels waren vlug als die van een
+zwaluw, hij stuurde zijn vlucht met de zekerheid van een valk. En
+hij zag neer op die menschenmassa's daar beneden, die aan de aarde
+gekluisterd waren, terwijl hij daar ronddreef in de wolkenzee. Ach,
+kon hij toch voor ieder van hen maar een paar vleugels maken! Kon hij
+toch iedereen maar de macht geven zich zoo hoog in de frissche lucht
+te verheffen. Hoe anders zouden ze dan worden! De herinnering aan de
+ellende van zijn leven verliet hem zelfs niet in dit oogenblik van
+triomf. Hij kon niet alleen genieten. Ach, die boschvrouw! Kon hij
+ze maar vinden!
+
+Zijn oogen waren bijna verblind door den sterken zonneschijn. Toen
+zag hij hoe daar iets op hem aan kwam vliegen. Groote vleugels, juist
+als de zijne zag hij bewegen en daar tusschen in een menschelijk
+lichaam. Geel haar fladderde in den wind, groene zijde golfde achter
+haar en wilde oogen schitterden. Daar was zij!
+
+Daar was ze!
+
+Kevenhüller bedacht zich niet. Met wilde vaart stoof hij op de
+wonderbare toe om haar te kussen.... of te slaan.... Hij wist het
+zelf niet.--Maar in ieder geval om haar te dwingen den vloek van
+zijn bestaan op te heffen. In die wilde vaart verloor hij zijn
+bezinning. Hij merkte niet waar hij heenvloog, hij zag niets dan
+de wilde oogen en het vliegend haar. Hij kwam dicht bij haar en
+strekte de armen uit om haar te grijpen.... Toen verwarden zijn
+vleugels zich in de hare en de hare waren sterker. Zijn vleugels
+werden tegengehouden en gebroken. Hij zelf werd een paar maal in
+'t rond geslingerd, hij wist niet waarheen.
+
+Toen hij weer tot bewustheid kwam, lag hij op 't dak van zijn eigen
+toren met de verbrijzelde vliegmachine naast zich. Hij was recht op
+zijn eigen molen afgevlogen. De wieken hadden hem gegrepen, hem een
+paar keer rondgedraaid en hem toen op 't torendak geworpen.
+
+Zoo was dus dit spel voorbij!
+
+Kevenhüller was op nieuw wanhopend. Eerlijk werk verveelde hem en
+tooverkunsten durfde hij niet meer te probeeren. Maakte hij op nieuw
+een wonderwerk en brak dat weer--dan zou zijn hart ook van droefheid
+breken. En al brak het niet, dan zou de gedachte dat hij er niemand
+meê van nut kon zijn, hem nog krankzinnig maken.
+
+Hij zocht zijn ransel en knuppel weer op, liet zijn molen staan en
+besloot de boschvrouw op te gaan zoeken.
+
+Hij nam een paard en wagen, want hij was niet meer zoo jong en vlug
+ter been. En men zegt dat hij, als hij aan een bosch kwam uit zijn
+wagen ging en de groengekleede uit 't kreupelhout riep:
+
+"Boschvrouw! Boschvrouw! Ik ben het, Kevenhüller, kom dan toch."
+
+Maar ze kwam niet.
+
+Op deze reizen kwam hij ook naar Ekeby een paar jaar vóór dat de
+Majoorske verdreven werd. Hij werd er vriendelijk ontvangen en
+hij bleef er. En de schare in de kavaliersvleugel werd verrijkt
+met een lange, krachtige ridderfiguur, een flink man, die zich bij
+drinkgelagen en op de jacht niet onbetuigd liet. De herinneringen
+uit zijn kinderjaren kwamen weer boven: hij stond toe dat men hem
+"Graaf" noemde, en hij kreeg meer en meer het uiterlijk van een ouden
+roofridder, met zijn grooten arendsneus, zijn zware wenkbrauwen,
+zijn vollen baard, die spits onder de kin uitliep en de op zijde
+uitstaande snor.
+
+Hij werd een der kavaliers en was niet beter dan een van de anderen
+in de schaar, die volgens 't volksgeloof, door de Majoorske voor den
+Booze in gereedheid gebracht werd. Zijn haar werd grijs en zijn hersens
+sliepen. Zoo oud was hij, dat hij niet meer aan de heldendaden van zijn
+jeugd kon gelooven. Hij was niet de man met de wonderkrachten. Hij
+had nooit de van zelf rijdende wagen en de vliegmachine gemaakt. Ach
+neen! praatjes! allemaal praatjes.
+
+Maar toen gebeurde het, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd en
+de kavaliers heeren en meesters werden van het groote landgoed. Toen
+begon daar een leven zooals nooit te voren! Er ging een storm over
+het land; al het kwade kwam in beweging; al het goede beefde, de
+menschen streden op aarde en de geesten in den hemel. Wolven kwamen
+van 't Dovrefjeld met heksen op den rug, de natuurmachten braken los
+en de boschvrouw kwam naar Ekeby.
+
+De kavaliers kenden haar niet. Zij meenden, dat het een arme vrouw in
+nood was die een wreede schoonmoeder tot vertwijfeling had gebracht. En
+zij gaven haar bescherming, ze eerden haar als een koningin en hadden
+haar lief als een kind.
+
+Alleen Kevenhüller zag wie ze was. In het begin was hij ook verblind,
+zooals alle anderen. Maar op een dag had ze een kleed van groene zijde
+aan, met weerschijn en toen ze dat aanhad, herkende Kevenhüller haar.
+
+Daar zat ze op zijden kussens, op de beste sofa van Ekeby, en al die
+oude heeren stelden zich aan als dwazen door haar te bedienen. De
+een was haar kok, de ander haar kamerheer, een derde haar voorlezer,
+een vierde haar hofmuzikant, een vijfde haar schoenmaker. Ieder deed
+het zijne in haar dienst.
+
+'t Moest verbeelden dat zij ziek was, die booze heks! Maar Kevenhüller
+wist wel wat er van die ziekte aan was. Ze hield hen allen voor den
+gek, dat deed ze!
+
+Hij waarschuwde de kavaliers voor haar: "Zie toch naar haar kleine,
+scherpe tanden," zei hij, "naar haar wilde, schitterende oogen. Zij
+is de boschvrouw--al het booze komt los in dezen verschrikkelijken
+tijd. Ik zeg jelui, ze is de boschvrouw en komt hier om ons in 't
+verderf te storten. Ik heb haar meer gezien!"
+
+Maar nu Kevenhüller de boschvrouw gezien en herkend had, kwam de
+werklust weer over hem. 't Begon weer te branden en te koken in
+zijn hersens, zijn vingers tintelden van verlangen hamer en vijl
+te grijpen, hij kon zich niet beheerschen. Met een verbitterd hart
+trok hij het werkpak weer aan en sloot zich in de oude smidse op,
+die zijn werkplaats zou zijn.
+
+En van Ekeby ging er een roep uit over Wermeland: "Kevenhüller is
+weer aan 't werk gegaan."
+
+En ademloos luisterde men naar de hamerslagen in de afgesloten
+werkplaats, naar het gekras van de vijlen en 't steunen van de
+blaasbalg.
+
+Een nieuw wonderwerk zal ontstaan. Wat zal dat wel zijn? Zal hij
+ons nu leeren over 't water te loopen? of een ladder maken naar 't
+zevengesternte. Niets is onmogelijk voor dien man. Met eigen oogen
+hebben we hem op vleugels door de lucht zien zweven. Wij hebben
+zijn wagen door de straten zien gaan. Hij heeft de gave van de
+boschvrouw. Niets is onmogelijk voor hem.
+
+Op een nacht, heel in 't begin van October had hij zijn wonderwerk
+klaar. Hij kwam uit zijn werkplaats en had het in zijn hand. Het was
+een wiel, dat onophoudelijk in 't rond ging. En de spaken straalden
+als vuur, en warmte en licht gingen van hen uit. Kevenhüller had
+een zon gemaakt. Toen hij die naar buiten bracht in den winternacht,
+werd het zóó licht dat de musschen begonnen te tjilpen en de wolken
+straalden van morgenrood.
+
+Dat was een heerlijke uitvinding. Er zou geen kou en geen duisternis
+meer op aarde zijn. Hij duizelde als hij daaraan dacht. De zon zou
+blijven op- en ondergaan, maar als ze verdween, zouden duizenden
+van zijn vuurwielen over 't land vlammen en de lucht zou trillen
+van warmte als op een heeten zomerdag. Men zou den oogst binnenhalen
+onder den winterlijken sterrenhemel, aardbeien en boschbessen zouden
+'t geheele jaar door den grond in 't bosch bekleeden, nooit zou
+'t water tot ijs verstijven.
+
+Nu die uitvinding gedaan was zou de geheele aarde vernieuwd
+worden. Zijn vuurwiel zou de pels der armen, de zon der mijnwerkers
+zijn. Het zou aan de fabrikanten drijfkracht, aan de natuur leven en
+aan de menschen een rijk en gelukkig bestaan geven.
+
+Maar op 't zelfde oogenblik wist hij dat dit maar droomen waren,
+en dat de boschvrouw hem nooit zou toestaan zijn vuurwiel te
+vermenigvuldigen. En in zijn woede en wraakzucht wenschte hij haar
+te dooden en hij wist nauwelijks wat hij deed. Hij ging naar het
+hoofdgebouw en in de vestibule; dicht onder de trap zette hij zijn
+vuurwiel neer, hij hoopte dat het huis in brand zou raken en de
+heks verbranden.
+
+Toen ging hij weer in zijn werkplaats en bleef daar stil zitten
+luisteren.
+
+Op de plaats riep en schreeuwde men. Nu was het te hooren, dat er
+een heldendaad was verricht.
+
+Ja! spring en schreeuw en jammer maar! Nu verbrandt ze toch, die
+boschvrouw, die jelui op zijden kussens hebt gezet.
+
+Zou zij nu de handen wringen van angst? zou ze nu voor de vlammen
+vluchten van de eene kamer in de andere?
+
+Wat zal die groene zij mooi branden en hoe zullen de vlammen spelen
+met heur golvend haar; houd moed knetterende vlammen! steek haar aan,
+verbrand, verniel haar! Laat de heks verbranden. Vrees niet voor
+haar tooverspreuken. Er zijn er wel, die levenslang branden voor
+haar schuld!
+
+Klokken luiden, wagens ratelen, spuiten komen te voorschijn, water
+wordt uit het meer aangedragen, van uit alle dorpen stroomen de
+menschen toe. Men hoorde geschreeuw, gejammer en luide bevelen;
+nu stortte het dak in met verschrikkelijk gekraak en in een zee
+van vonken. Maar Kevenhüller stoorde er zich niet aan. Hij zat op
+zijn aanbeeld en wreef de handen. Daar hoorde hij een geraas alsof
+de hemel instortte en jubelend vloog hij op. "Nu is het gebeurd,"
+juichte hij. "Nu kan ze niet ontkomen, nu is ze verbrijzeld onder de
+balken of door de vlammen verkoold. Nu is 't gedaan!"
+
+Toen dacht hij aan de eer en macht van Ekeby, die moest opgeofferd
+worden om haar te vernietigen. Die heerlijke zalen, waar zooveel
+vreugde gewoond had, de kamers, waar de schoonste herinneringen
+fluisterden, de tafel, die eens zooveel smakelijke gerechten droeg,
+de kostbare oude meubels, het zilver en porselein, dat niet meer
+terug te krijgen was!
+
+En met een kreet sprong hij op. Zijn vuurwiel! zijn zon! 't model
+waar alles van afhing!----Had hij 't niet onder de trap gezet om
+'t huis aan te steken?
+
+Kevenhüller zag voor zich uit, versteend van schrik.
+
+"Ben ik dan krankzinnig?" zei hij. "Hoe kon ik dat toch doen!"
+
+Op 't zelfde oogenblik ging de goed gegrendelde deur van zijn
+werkplaats open en de boschvrouw trad binnen.
+
+Ze stond op den drempel, glimlachend en stralend van schoonheid. Haar
+groen kleed had vlek noch rimpel. Geen brandlucht was aan haar golvend
+haar. Ze zag er uit, als toen hij haar op de markt te Karlstad in
+zijn jeugd gezien had. De staart sleepte om haar voeten en zij had
+al de wildheid en geuren van 't woud over zich.
+
+"Nu staat Ekeby in brand," riep ze lachend.
+
+Kevenhüller had den hamer opgeheven en wilde die naar haar hoofd
+werpen, maar toen zag hij dat zij zijn vuurwiel in de hand had.
+
+"Zie eens, wat ik voor je gered heb," zei ze. Kevenhüller wierp zich
+voor haar op de knieën. "U hebt mijn wagen gebroken, mijn vleugels
+verbrijzeld, mijn leven verwoest! Genade! Erbarming!"
+
+Zij sprong op de schaafbank en ging daar zitten, even jong en even
+schalks, als toen hij haar op de markt te Karlstad zag.
+
+"Ik geloof, dat je weet wie ik ben," zei ze.
+
+"Ik ken u, ik heb u altijd gekend," antwoordde de arme man. "U is het
+genie! Maar laat mij nu vrij. Neem uw gave van mij weg. Neem mij mijn
+wonderkracht af! Laat mij een gewoon mensch zijn! Waarom vervolgt u
+mij. Waarom vernietigt u mij!"
+
+"Dwaas," zei de boschvrouw. "Ik heb niet anders dan goed bedoeld. Ik
+gaf je een groot geschenk, maar ik kan het wel terugnemen als je dat
+wilt. Maar bedenk je wel! Je zult er berouw van hebben!"
+
+"Neen, neen, neem mij mijn wonderkracht af!" barstte hij uit.
+
+"Eerst moet je dit vernielen," zei ze en wierp het vuurwiel voor hem
+op den grond.
+
+Hij aarzelde niet. Hij zwaaide den hamer over de vuurzon, dat toch
+maar een leelijk tooverding was, nu het toch niet tot nut van duizenden
+dienen kon. De vonken vlogen door de kamer, scherven en vlammen dansten
+om hem heen en zoo lag daar zijn laatste meesterwerk in splinters.
+
+"Ja, nu neem ik mijn geschenk terug," zei de boschvrouw.
+
+Toen ze heenging bleef ze in de deur staan en de weerschijn van den
+brand daarbuiten was om haar heen. Hij zag haar na.
+
+Schooner dan ooit te voren scheen zij hem toe. Niet meer boosaardig,
+maar fier en streng.
+
+"Dwaas!" zei ze. "Heb ik je ooit verboden andren je werk te
+laten namaken? Wat wilde ik anders dan het genie vrij maken van
+handenarbeid!"
+
+Toen verdween zij.
+
+Kevenhüller was een paar dagen krankzinnig. Daarna werd hij weer een
+gewoon mensch.
+
+Maar in zijn waanzin had hij Ekeby doen afbranden. Geen mensch was er
+toch bij gekwetst. Maar 't was een groot verdriet voor de kavaliers,
+dat het gastvrije thuis, waar ze zooveel goeds genoten hadden,
+zooveel schade moest lijden in hun tijd.
+
+Ach, kinderen van later tijd! Hadden gij of ik de boschvrouw maar
+ontmoet op de markt van Karlstad! Meent ge dat ik niet door 't
+bosch geloopen heb en geroepen: "Boschvrouw, boschvrouw! Hier ben ik
+Kevenhüller, Kevenhüller!"
+
+Maar wie ziet haar tegenwoordig nog? Wie klaagt er tegenwoordig over,
+dat hij te veel van haar gaven ontving?
+
+
+
+
+
+
+
+XXXII.
+
+DE MARKT VAN BROBY.
+
+
+Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby,
+die acht dagen duurt. 't Is 't groote feest van den herfst. Die wordt
+voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe
+winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor 't eerst gedragen
+te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken
+staan den heelen dag op tafel; 't brandewijnrantsoen wordt verdubbeld;
+er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve.
+
+Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen
+wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in
+kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in
+de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge
+stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor
+zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel
+wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven
+worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen
+van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen
+van marktgeschenken en marktgeld.
+
+En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de
+heuvels bij Bro, bij en over 't groote jaarmarktsveld! Kramen
+zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft
+uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun
+goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven
+het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde
+vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers
+en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen
+vaten op rijen.
+
+Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de
+tuiniers van de groote hoeven.
+
+Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door
+roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel.
+
+Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op
+Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan 't Löfvenmeer. De
+handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is
+nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard
+verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten,
+spannenden paardenhandel.
+
+Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft
+voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En 't is
+niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit
+hun eenzame huizen in 't bosch komen naar de markt met haar golvende
+menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden
+als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven.
+
+Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is
+toch de hoofdzaak niet. 't Is er vooral veel om te doen veel vrienden
+en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst,
+spritsen en brandewijn te tracteeren, of "het" meisje over te halen een
+gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes
+te zoeken voor de kleintjes thuis.
+
+Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te
+passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers
+van Ekeby en de boeren uit 't bosch van Nygaard, de paardenkoopers
+uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers
+van den grooten weg.
+
+Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in
+steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet,
+wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de
+menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een
+omgevallen kar op te rapen. En 't volgend oogenblik is er een nieuwe
+oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt
+meisje heeft.
+
+En dan--tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben
+uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en
+eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat
+men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in
+die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was
+er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of
+wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat
+er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De
+kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en
+op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om
+de Westgothlanders te helpen.
+
+Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij
+en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid
+en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn
+landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun
+kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van
+de metalen plaat, die 't dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware
+stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed
+en hij zwaait dit geweldige wapen.
+
+Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur
+doorgetrapt in 't cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het
+meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij
+met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de
+heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar
+sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en
+rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar
+iemand slaan, nu hij eenmaal zoo'n best wapen heeft.
+
+De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen
+schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de
+hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en
+koeien, die wild worden door 't geraas verhinderen hen voort te komen.
+
+In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt,
+en op haar stormt de reus af.
+
+Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft
+de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten
+de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag.
+
+Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken
+door de hoog opgeheven armen van een man.
+
+Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de
+omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al
+die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een
+man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook
+bewusteloos op het veld.
+
+Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft
+den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel
+viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder
+tegenstand binden en wegvoeren.
+
+Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke
+Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend
+van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden.
+
+En 't wordt stil op dat groote veld, waar nog pas 't leven bruiste in
+al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren
+bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser 't volk bij
+zijn lijn.
+
+De vriend van het volk is dood. Er is rouw over 't volk
+gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij
+ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,--volkomen bewusteloos. Een wond
+ziet men niet, maar 't is alsof zijn schedel iets platter geworden is.
+
+Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat,
+die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog
+leeft.
+
+"Waar zullen wij hem heendragen?" vragen zij elkaar.
+
+"Naar huis," antwoordde een barsche stem uit de schare.
+
+O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders
+en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een
+veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis.
+
+'t Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust,
+op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een
+zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden;
+hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is
+hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar
+'t land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur
+voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem,
+die stierf om vrouwen en kinderen te redden.
+
+Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers
+begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde,
+wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis.
+
+En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt,
+leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar
+zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De
+mannen ontblooten 't hoofd, de vrouwen buigen 't hunne zooals ze in
+de kerk doen als Gods naam wordt genoemd.
+
+Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk,
+hoe handig in 't helpen en raden, hoe vroom. En 't is merkwaardig
+om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander
+zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet.
+
+Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers
+staan.
+
+"Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt," zegt
+Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê
+naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd.
+
+'t Marktveld is als uitgestorven. 't Volk gaat met kapitein Lennart
+naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al
+die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de
+marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, 't psalmboek
+wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank
+van den koopman.
+
+Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt.
+
+Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En
+weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle
+bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en
+bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open.
+
+En ze vraagt,--zooals ze al eens te voren vroeg: "Wat wilt gij?"
+
+En de overste antwoordt,--zooals hij al eens te voren geantwoord heeft:
+
+"Wij zijn hier met uw man."
+
+Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet
+naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa
+daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende
+oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man,
+die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart.
+
+"Dat is zijn eigen gezicht!" mompelde zij. Zonder meer te vragen,
+buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur
+wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer.
+
+De overste helpt haar 't groote ledikant naar voren trekken, bed en
+kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons
+en wit linnen gelegd.
+
+"Leeft hij nog?" vraagt ze.
+
+"Ja," antwoordt de overste.
+
+"Is er nog hoop?"
+
+"Neen, er is niets aan te doen."
+
+'t Blijft een poos stil in de kamer;--dan komt plotseling een gedachte
+in haar op:
+
+"Schreien die allen om hem?"
+
+"Ja."
+
+"Wat heeft hij dan gedaan?"
+
+"'t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en
+kinderen van den dood te redden."
+
+Zij zit weer een poos stil en denkt na.
+
+"Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden
+geleden thuiskwam?"
+
+De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst!
+
+"Gösta had hem immers geschilderd!"
+
+"Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn
+huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?"
+
+Beerencreutz haalde de breede schouders op.
+
+"Ik heb veel te verantwoorden."
+
+"Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt."
+
+"Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En
+dan ook--hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij."
+
+"Wie dan?"
+
+"Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik
+weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken."
+
+"Dat is waar," antwoordt zij.
+
+Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen.
+
+Hij vertelt alles, zoo goed als hij 't zich herinneren kan. Zij
+luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op
+het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan
+die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle
+kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen,
+tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt.
+
+Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw
+haar stem:
+
+"Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. 't
+Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit."
+
+Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo
+doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart
+gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare
+verootmoedigde mannen.
+
+Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: "Wil iemand van hen, die
+mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is
+en wat hij gedaan heeft?"
+
+En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein
+Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar
+hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar
+spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen
+hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de
+dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om
+het volk te helpen.
+
+'t Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt
+en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander
+treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet
+heeft willen hooren noemen.
+
+Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op 't ziekbed gevonden heeft
+en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft,
+bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd
+nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had,
+heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en
+geloof wekken.
+
+Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer.
+
+Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op 't eind. Zij
+weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan 't ziekbed gesproken wordt,
+fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes
+vooruit. "Daar is een die getuigen kan," zeggen de anderen, en laten
+hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun
+getuigenis af en treden weer in 't duister terug.
+
+"Wat zegt zij nu?" vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten
+komt. "Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter.
+
+"Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft
+zijn leuningstoel voor 't bed gezet en de kleederen er op gelegd,
+die ze zelf voor hem geweven heeft."
+
+Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar
+allen weten het: "hij sterft."
+
+Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg.
+
+Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe
+kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij
+haalt diep adem en geeft den geest.
+
+Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen
+stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied
+omhoog. 't Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel.
+
+
+
+
+
+
+
+XXXIII.
+
+DE KLEINE HOEVE IN 'T BOSCH.
+
+
+'t Was lang vóór 't jaar, waarin de kavaliers Ekeby bestuurden.
+
+De herdersjongen en 't herderinnetje speelden samen in 't bosch,
+bouwden huizen van steenen, plukten boschbessen en maakten
+herdersfluitjes. Beiden waren in 't bosch geboren. 't Woud was hun
+tehuis en hun zomerweide. Zij leefden er in vrede met hun omgeving,
+zooals men in vrede leeft met zijn bedienden en huisdieren.
+
+De kinders noemden de los en de vos hun hofhonden, de wezel hun kat;
+hazen en eekhorens maakten hun veestapel uit. Uilen en korhoenders
+zaten in hun vogelkooi; de dennen waren hun dienaars en de jonge
+berken gasten op hun feesten. Zij kenden de holen wel, waar de adder
+lag ineengekruld voor den winterslaap en als zij baadden, zagen zij de
+ringslang door 't klare water aankomen; maar zij waren voor slangen
+en kabouters niet bang. Die hoorden nu eenmaal in 't bosch en daar
+voelden zij zich tehuis. Daar waren zij nergens bang voor.
+
+Diep in 't bosch lag het huisje, waar de jongen woonde. Een boschweg
+leidde over heuvels daarheen; bergen stonden er om heen en sloten
+de zon buiten; bodemlooze moerassen lagen in de nabijheid en zonden
+'t heele jaar ijskoude dampen uit. Weinig bekoorlijk was zulk een
+woonplaats voor stedelingen.
+
+De herdersjongen en 't herderinnetje zouden eenmaal trouwen, daar
+op die kleine hoeve wonen en van hun handenwerk leven. Maar eer ze
+trouwden, kwam de ellende van den oorlog over 't land en de jongen
+werd soldaat. Hij kwam heelhuids en ongedeerd terug, maar zijn ziel
+behield een lidteeken door dien tocht. Al te veel van het kwaad der
+wereld en der menschen wreedheid had hij gezien. Hij was niet meer
+in staat het goede te vinden.
+
+In 't begin merkte niemand eenige verandering aan hem. Hij ging met
+zijn meisje naar den predikant en hun huwelijk werd ingezegend. De
+kleine hoeve in 't bosch bij Ekeby werd hun tehuis, zooals zij al
+lang geleden afspraken, maar in dat huisje vonden zij het geluk niet.
+
+De vrouw liep daar rond en zag haar man als een vreemde aan. Sinds
+hij uit den oorlog teruggekomen was, herkende ze hem niet meer. Ze
+lachte hard en luid en sprak weinig. Ze was bang voor hem.
+
+Hij deed niemand kwaad en was een vlijtig werkman. Toch was hij niet
+bemind, want hij geloofde van ieder kwaad. Zelf voelde hij zich als een
+gehate vreemdeling. Nu waren de dieren in 't bosch zijn vijanden. De
+berg, die de zon verborg en 't moeras, dat dampen uitzond waren zijn
+tegenstanders.--'t Bosch is een gevaarlijke woonplaats voor hem,
+die booze gedachten in zich omdraagt.
+
+Wie in de wildernis wonen wil, verwerve zich vriendelijke
+herinneringen. Anders ziet hij enkel moord en verdrukking bij planten
+en dieren, zooals hij die vroeger onder de menschen zag. Hij verwacht
+kwaad van allen, die hij ontmoet.
+
+Jan Hök, de soldaat kon zelf niet verklaren wat hem scheelde. Hij
+voelde alleen, dat niets hem goed ging. Zijn tehuis bood hem geen
+vrede. Zijn zonen die daar opgroeiden werden sterk, maar woest. Geharde
+en moedige mannen werden het; maar ook zij leefden in oneenigheid
+met allen.
+
+Zijn vrouw begon in haar verdriet de geheimen van de wildernis
+te bespieden. In 't moeras en 't kreupelbosch zocht zij heelende
+kruiden. Zij peinsde over 't doen en laten der onderaardsche machten
+en zij wist welk offer hun welgevallig was. Zij kon ziekten genezen
+en hun, die door liefde leden, goeden raad geven. Zij kreeg de naam
+van een heks te zijn, en men schuwde haar, hoewel zij veel menschen
+tot groot nut was.
+
+Eens begon de vrouw tegen haar man over haar kommer te spreken:
+
+"Sinds je naar den oorlog ging," zei ze, "ben je heelemaal
+veranderd. Wat hebben ze je daar toch gedaan?"
+
+Maar hij stoof op en had haar bijna geslagen, en zoo ging het ieder
+keer, als zij over den oorlog sprak. Dan werd hij bijna waanzinnig
+van drift. Van niemand kon hij het woord "oorlog" hooren; spoedig
+werd het bekend, dat hij niet kon verdragen, dat men daarvan sprak,
+en dus vermeden de menschen dit onderwerp.
+
+Maar geen van zijn kameraden wist er iets van, dat hij meer kwaad zou
+gedaan hebben dan anderen. Hij had gevochten als een goed soldaat. 't
+Was alleen al dat vreeselijke wat hij gezien had, dat hem zóó
+verschrikt had, dat hij sinds dien tijd niets anders zien kon. Aan
+den oorlog had hij al zijn verdriet te danken. Hij meende dat heel
+de natuur hem haatte, omdat hij aan zulke dingen had meêgedaan. Zij,
+die ontwikkelder zijn, kunnen zich troosten met de gedachte, dat zij
+voor hun vaderland en hun eer streden. Maar wat wist hij daarvan? Hij
+voelde alleen, dat alles hem haten moest, omdat hij bloed vergoten
+had en anderen geschaad.
+
+In den tijd, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd,
+woonde hij alleen in zijn huisje. Zijn vrouw was dood en zijn
+zonen heengegaan. Maar op markttijden was toch zijn kamer vol
+gasten. Zwartharige, donkergekleurde landloopers kwamen daar
+binnen. Zij voelen zich 't meest op hun plaats bij hen, die de
+menschen schuwen. Kleine, langharige paardjes klauteren 't boschpad
+op, en trekken karretjes met vertinde pannen, met kinderen en hoopen
+vodden. Vrouwen, oud vóór hun tijd, met gezichten door rooken en
+drinken opgezwollen, en mannen met bleeke, scherpe gezichten en
+gespierde lichamen volgen de karren. Als de landloopers aan de kleine
+hoeve komen, begint daar een vroolijk leven. Brandewijn en kaartspel
+en vreugdegedruisch brengen ze mee. En ze spreken van dieverijen en
+paardenhandel en van bloedige vechtpartijen weten ze te vertellen.
+
+Op Vrijdag begon de jaarmarkt in Broby en toen werd kapitein Lennart
+gedood. Sterke Mons, die den doodelijken slag toebracht, was de zoon
+van den grijsaard in de boschhut. Toen dus de landloopers Zondagmiddag
+daar bijeenzaten, reikten ze Jan Hök de brandewijnflesch vaker
+dan gewoonlijk en spraken met hem over 't leven in de gevangenis,
+over gevangeniskost en huisonderzoek, want dat alles kenden zij bij
+ondervinding.
+
+De oude zat op het aambeeld in 't hoekje bij den haard en sprak
+weinig. Zijn groote, glanslooze oogen staarden heen over dien wilden
+troep in de kamer. De schemering was gevallen, maar 't turfvuur
+gaf licht.
+
+Lompen, ellende en nood verlichtte het!
+
+Heel zacht werd de deur geopend en twee vrouwen traden binnen,
+'t Was de jonge gravin Elisabeth, gevolgd door de dochter van den
+predikant van Broby.
+
+Wonderlijk scheen zij den oude toe, toen zij beminlijk en stralend in
+haar liefelijke schoonheid in den lichtkring van 't vuur trad. Zij
+vertelde hun, dat Gösta Berling sinds den dood van kapitein Lennart
+niet meer op Ekeby gezien was. Zij en haar dienstmeisje hadden in
+'t bosch heen en weer geloopen en hem dien heelen middag gezocht. Nu
+zag zij, dat hier binnen mannen waren, die veel gezworven hadden en
+alle paden kenden. Hadden zij hem gezien? Zij was hier gekomen om
+wat te rusten en te vragen of zij hem gezien hadden.
+
+'t Was vruchteloos vragen. Niemand van hen had hem gezien.
+
+Zij boden haar een stoel. Zij zonk er op neer en bleef een poosje
+zwijgend zitten. 't Gedruisch in de kamer was verstomd. Allen zagen
+haar verwonderd aan. Toen schrikte ze van de stilte om zich heen en
+zocht een onverschillig onderwerp om over te spreken.
+
+Zij wendde zich tot den grijsaard in den hoek. "Ik meen gehoord te
+hebben dat u soldaat geweest zijt, vadertje," begon ze. "Vertel me
+eens iets van den oorlog."
+
+Maar toen werd 't nog stiller. De grijsaard bleef zitten, alsof hij
+niets gehoord had.
+
+"Ik zou heel graag eens van den oorlog hooren vertellen, door iemand
+die er zelf bij geweest was," ging de gravin voort.
+
+Maar ze hield plotseling op; want de dochter van den predikant van
+Broby zag haar aan en schudde met het hoofd. Zij moest iets gezegd
+hebben wat ongepast was. Alle menschen in de kamer keken haar aan,
+alsof ze tegen de allereerste regelen van wellevendheid gezondigd
+had. Plotseling vroeg een landloopster met harde, scherpe stem:
+
+"Is zij dat niet, die vroeger gravin op Borg was?"
+
+"Ja, dat is ze."
+
+"Dat was toch heel wat anders, dan in 't bosch naar den gekken dominé
+te loopen zoeken. Wel foei wat een ruil!"
+
+De gravin stond op en nam afscheid. Zij had genoeg gerust. De vrouw,
+die gesproken had ging met haar mee tot buiten de deur.
+
+"Mevrouw de gravin, u begrijpt wel, dat ik wat zeggen moest. Want
+'t gaat niet aan met den oude over den oorlog te praten. Hij kan niet
+verdragen dat woord te hooren. Ik meende het goed."
+
+Gravin Elisabeth haastte zich voort; maar spoedig bleef ze staan. Zij
+zag het dreigende, donkre bosch, de groote berg en het dampend
+moeras. Akelig moest het wezen hier te wonen voor hem, die 't hart
+vol booze herinneringen had. Zij kreeg medelijden met den oude,
+die daar binnen zat met de donkergekleurde landloopers tot gezelschap.
+
+"Anna Lize," zeide ze, "laat ons omkeeren. Die menschen daarbinnen
+waren vriendelijk voor ons; maar ik heb mij leelijk gedragen. Ik wil
+den oude over prettiger dingen praten."
+
+En blij, dat ze iemand gevonden had, wien ze troosten kon, ging zij
+de kamer weer binnen.
+
+"Ik geloof," zei ze, "dat Gösta Berling hier in 't bosch rondzwerft
+en er over denkt zich van kant te maken. Hij moet dus gauw gezocht
+en daarin verhinderd worden. Juffrouw Anna Lize en ik hebben gemeend
+hem nu en dan te zien; maar dan verdween hij weer. Hij houdt zich
+in die streek bij den berg op, waar 't meisje van Nygaard gevonden
+is. En nu kwam ik op de gedachte, dat ik niet naar Ekeby hoef te
+gaan om hulp te halen. Hier zitten zooveel flinke mannen, die hem
+gemakkelijk zullen vinden."
+
+"Ga dan toch heen, kerels!" barstte de landloopster uit. "Als de
+gravin zich niet te goed rekent om jelui een dienst te vragen, moet
+jelui dadelijk gaan!"
+
+De mannen stonden onmiddellijk op en gingen uit om te zoeken.
+
+De oude Jan Hök zat stil voor zich uit te staren met zijn doffe
+oogen. Afschrikwekkend, somber en hard zat hij daar. De jonge vrouw
+vond geen woorden om hem aan te spreken. Toen zag ze, dat een kind ziek
+lag op een bos stroo en dat een vrouw een gekwetste hand had. Dadelijk
+begon zij hen te helpen. Zij was spoedig goede vrienden met de
+babbelende vrouwen en vroeg om de kleinste kinderen te mogen zien.
+
+Een uur later kwamen de mannen terug. Zij brachten Gösta Berling
+gebonden in de kamer. Op den vloer voor het vuur legden zij hem
+neer. Zijn kleeren waren gescheurd en vuil, zijn gezicht uitgeteerd
+en zijn oogen woest. Vreeslijke dagen had hij gehad. Op de vochtige
+aarde had hij gelegen, met gezicht en handen in 't mos gewroet, zich
+langs steenhellingen en door 't dichtst van 't bosch voortgesleept. Hij
+wilde de mannen niet goedwillig volgen; daarom hadden zij hem overmand
+en gebonden.
+
+Toen zijn vrouw hem zoo weerzag werd zij boos. Ze maakte zijn banden
+niet los, maar liet hem op den grond liggen. Met verachting wendde
+ze zich van hem af.
+
+"Wat zie je er uit," zei ze.
+
+"Ik had niet meer onder je oogen willen komen," antwoordde hij.
+
+"Ben ik dan je vrouw niet? Heb ik dan geen recht te verwachten, dat
+je bij mij zult komen met je verdriet? Met bittre angst heb ik deze
+twee dagen op je gewacht."
+
+"Ik heb immers kapitein Lennart ongelukkig gemaakt. Hoe zou ik bij
+je durven komen. Hoe kon ik dat?"
+
+"Je bent nooit bang geweest, Gösta."
+
+"De eenige dienst, dien ik je bewijzen kan, Elisabeth, is je van mij
+te bevrijden."
+
+Onuitsprekelijke verachting vonkelde in haar oogen.
+
+"Wil je me dan tot de vrouw van een zelfmoordenaar maken?"
+
+Zijn gezicht vertrok zich smartelijk.
+
+"Elisabeth, laat ons samen 't stille bosch ingaan en daar met elkander
+spreken."
+
+"Waarom zouden deze menschen ons niet mogen hooren?" barstte ze
+uit, met harde, verbitterde stem sprekend. "Zijn wij dan beter dan
+zij? Heeft één van hen zooveel verdriet en ellende in de wereld
+gebracht dan wij? Zij zijn de kindren van 't bosch en den grooten
+weg; ieder haat hen. Laten zij 't hooren, hoe zonde en smart ook
+den heerscher over Ekeby vervolgt, den door allen beminden Gösta
+Berling. Meen je, dat je vrouw zich voor beter houdt dan zij? Of doe
+jij dat?"
+
+Hij hief zich met moeite op de ellebogen op en zag haar met opvlammende
+fierheid aan: "Ik ben zoo'n ellendeling niet als je wel meent."
+
+En toen hoorde ze wat er in de laatste twee dagen gebeurd was.
+
+'t Eerste etmaal had Gösta in 't bosch rondgeloopen, door
+gewetenswroeging voortgejaagd. Hij kon niet verdragen, dat de menschen
+hem aanzagen. Maar aan sterven had hij niet gedacht. Hij wilde ver
+weg trekken, naar een ander land. Maar op den Zondagmorgen kwam hij
+neer van de heuvels en ging naar de kerk te Broby. Nog ééns wilde hij
+'t volk zien, het arme, hongerige volk van Löfsjö, dat hij verlangd
+had te helpen, toen hij bij den schandeheuvel zat van den predikant
+van Broby, en dat hij had liefgehad toen hij het in den nacht had
+zien wegtrekken met 't doode meisje van Nygaard.
+
+De godsdienstoefening was begonnen, toen hij bij de kerk kwam. Hij
+sloop naar boven naar de galerij en zag neer op het volk. Bittre
+smart greep hem aan. Hij had tot hen willen spreken, hen troosten
+in hun armoede en hulpeloosheid. Had hij maar mogen spreken in Gods
+huis! Hij zou--zoo hopeloos als hij zelf was, wel woorden van hoop
+en redding voor hen allen gevonden hebben.
+
+Toen verliet hij de kerk, ging in de sakristy en schreef het bericht,
+dat zijn vrouw ontvangen had. Hij had geloofd, dat de arbeid zou hervat
+worden op Ekeby en koren uitgedeeld, aan die er 't meest behoefte aan
+hadden. Hij had gehoopt, dat zijn vrouw en de kavaliers zijn beloften
+zouden vervullen als hij weg was.
+
+Toen hij uit de kerk kwam, zag hij een kist staan voor de
+sakristy. Die was grof en haastig in elkaar geslagen, maar met
+rouwfloers en bloemkransen versierd, hij begreep, dat het de kist
+van kapitein Lennart was. Men had zeker de kapiteinsvrouw verzocht,
+de begrafenis te verhaasten, zoodat de groote menigte marktbezoekers
+aan de plechtigheid deel kon nemen.
+
+Hij stond naar de kist te zien, toen hij een zware hand op zijn
+schouders voelde. Sintram stond achter hem.
+
+"Gösta," zei hij, "als je iemand goed plagen wilt ga dan heen en
+sterf. Er is niets wat zóó een eerlijk man, die geen kwaad vermoedt,
+in de war kan brengen. Ga heen en sterf, zeg ik je."
+
+Ontzet luisterde Gösta naar wat de booze sprak. Hij klaagde er over,
+dat zijn goed beraamde plannen in de war gestuurd waren. Verlaten
+dorpen had hij willen zien aan het strand van het Löfvenmeer. Daarom
+had hij de kavaliers tot Heeren van Ekeby gemaakt; daarom had hij
+de predikant van Broby de gemeente laten uitmergelen; daarom had
+hij droogte en honger over het land gebracht. Op de markt te Broby
+zou de beslissende slag zijn gevallen. Door ellende aangehitst zou
+'t volk tot moord en diefstal zijn overgegaan. Daarna zou 't gerecht
+zijn gekomen en 't volk nog ellendiger gemaakt hebben. Hongersnood,
+oproer en allerlei ellende zouden het geteisterd hebben. Zoo akelig en
+gehaat zou op 't laatst dit land geworden zijn, dat niemand er meer
+wilde wonen en dat alles zou dan Sintrams werk geweest zijn. En dat
+zou zijn vreugde en trots geweest zijn, want hij was boos! Hij had
+verlaten streken en onbebouwde velden lief. Maar deze man, die op
+'t juiste oogenblik gestorven was, had hem 't spel bedorven.
+
+Toen vroeg Gösta hem, waartoe dit alles gediend zou hebben.
+
+"'t Zou mij genot gegeven hebben, Gösta. Want ik ben boos! Ik ben
+de wilde beer op de rotsen, de sneeuwstorm op de vlakte. Moorden en
+vervolgen is mijn lust. Weg met de menschen en hun werk! Ik houd niet
+van menschen. Ik kan ze wel een poosje laten loopen en met hen spelen
+als een kat met de muis, dat is wel eens aardig voor een poosje! maar
+nu was ik 't spelletje moe, Gösta, nu wilde ik toebijten, dood en
+verderf brengen!"
+
+Hij was krankzinnig, volslagen krankzinnig. Hij was lang geleden
+voor de grap met deze duivelskunstenarijen begonnen en nu had de
+boosheid macht over zijn ziel gekregen en hij meende een booze geest
+uit de hel te zijn. Zóólang had hij het booze in zijn ziel gekweekt en
+gevoed, dat het zijn geest verduisterde. Zoo kan de boosheid menschen
+krankzinnig maken, zoo goed als de liefde en smart.
+
+De booze mijneigenaar was razend. En in zijn woede begon hij aan de
+kransen en 't rouwfloers van de kist te rukken, maar toen riep Gösta:
+
+"Raak die kist niet aan!"
+
+"Zie eens hier! Zou ik die niet aanraken? Ja zeker, ik zal mijn vriend
+Lennart op 't veld gooien en zijn kransen vertrappen. Zie je dan niet,
+wat hij mij heeft gedaan? Zie je niet in welk een mooie grauwe koets
+ik rijd?"
+
+En toen zag Gösta, dat een paar gevangenwagens met politiedienaars
+en veldwachters buiten den kerkhofmuur stonden te wachten.
+
+"Zie eens hier! Moet ik de vrouw van den rechter niet bedanken, omdat
+zij gisteren in oude papieren is gaan zitten pluizen om bewijzen
+tegen mij te vinden in die oude kruithistorie? Moet ik haar dan niet
+vertellen, dat ze zich liever had moeten bezighouden met brouwen
+en bakken, dan mij 't recht op den hals te sturen? Moet ik niet
+wat hebben voor al de tranen, die ik geschreid heb om Scharling te
+bewegen mij hierheen te laten gaan om te bidden bij 't lijk van mijn
+goeden vriend?"
+
+En weer begon hij aan 't rouwfloers te rukken.
+
+Toen ging Gösta dicht bij hem staan en hield zijn armen vast.
+
+"Alles wil ik er voor geven als u die kist niet aanraakt," zei hij.
+
+"Doe wat je wilt!" zei de krankzinnige, "en roep wie je wilt! Ik zal
+toch nog wel iets gedaan krijgen eer de leensman hier is. Vecht maar
+met me als je lust hebt. 't Zal mooi staan als we hier bij de kerk
+vechten. Laten we eens vechten bij al die kransen en het rouwkleed."
+
+"Ik wil de rust van dezen doode koopen tegen welken prijs u wilt,"
+zei Gösta; "neem alles wat ik heb, neem mijn leven!"
+
+"Dat zijn groote woorden, jongetje!"
+
+"U kunt 't immers probeeren."
+
+"Nu maak je dan van kant."
+
+"Dat wil ik graag doen; maar eerst moet deze kist ongedeerd in 't
+graf staan."
+
+En hierbij bleef het. Sintram liet Gösta zweren, dat hij 12 uren na
+de begrafenis van kapitein Lennart er niet meer zou zijn. Want dan
+weet ik ten minste, dat je geen brave kerel meer worden kunt."
+
+Dat was gemakkelijk te beloven voor Gösta Berling. Hij was er blij om
+dat hij zijn vrouw de vrijheid hergeven kon. Zijn wroeging had hem
+voortgejaagd, tot hij doodmoe was. 't Eenige wat hem bezorgd maakte
+was, dat hij aan de Majoorske beloofd had niet te sterven, zoolang
+de dochter van den predikant van Broby op Ekeby diende. Maar Sintram
+zei, dat ze nu niet meer als een dienstmeisje kon beschouwd worden,
+nu ze haar vaders schatten geërfd had.
+
+Gösta bracht daartegen in, dat hij zijn schatten zoo goed verstopt
+had, dat niemand ze had kunnen vinden; maar Sintram lachte en zei,
+dat ze tusschen de duivennesten in den toren van Broby verborgen
+waren. Toen ging hij heen.
+
+Gösta ging toen het bosch in. 't Liefst wilde hij sterven op de plaats,
+waar het meisje van Nygaard gestorven was. Hij had daar den heelen
+middag rondgezworven. Hij had zijn vrouw in 't bosch gezien. En daarom
+had hij zich nog niet van kant kunnen maken.
+
+Dit alles vertelde hij aan zijn vrouw, terwijl hij daar gebonden lag
+op de vloer in de boschhut.
+
+"Ach," zeide ze treurig, toen hij had uitgesproken, "hoe goed ken ik
+dat alles.
+
+"Heldenmanieren, heldenfeiten! Altijd gereed om handen in 't vuur te
+steken, Gösta! altijd bereid je zelf weg te gooien. Hoe groot leek
+me dat eens! En nu--hoe waardeer ik kalmte en bezonnenheid. Wat nut
+deedt je den doode met die belofte! Al had nu Sintram die kist eens
+omgegooid en er 't rouwfloers afgerukt. Die zou wel weer opgezet zijn
+en met nieuw floers en nieuwe kransen bedekt. Als je nu je hand op de
+kist van dien goeden man hadt gelegd en daar, voor Sintrams oogen hadt
+gezworen te leven om dat arme volk te helpen--dan zou ik je geprezen
+hebben. Als je nu, toen je 't volk in de kerk gezien hadt, tegen je
+zelf hadt gezegd: "Ik zal het helpen, ik zelf zal al mijn krachten
+besteden om het te helpen," en niet dien last op de schouders van je
+zwakke vrouw en van oude mannen met weinig kracht gelegd hadt--dan
+zou ik je geprezen hebben."--
+
+Gösta Berling lag een poos zwijgend vóór zich te kijken.
+
+"Wij, kavaliers zijn vrije mannen," zei hij toen. "Wij hebben elkaar
+beloofd te leven voor de vreugde, en voor vreugde alleen! Wee ons
+allen als een die belofte ontrouw wordt."
+
+De gravin vertelde toen op haar beurt wat zij de laatste dagen gezien
+en gehoord had.
+
+'t Was stil in de woning van de kavaliers. De kromme waldhoorns,
+die ter eere van den marktdag gepoetst en met nieuwe groene koorden
+en kwasten versierd waren, hingen ongebruikt aan de haken aan den
+wand. De violen lagen in ruwe zijde gewikkeld, elk in haar kist,
+met den strijkstok er naast, met de harst en een paar snaren aan 't
+hoofdeind. De fluiten werden niet uit het bad genomen, waar zij in
+gelegd waren, om dicht te worden. Men hoorde geen Bellmansliedjes,
+geen scherts of lachen. Op de groote tafel, die vol witte kringen
+was van de toddyglazen, stond het blaadje nog, maar niemand mengde
+den dampenden drank. Beerencreutz zat met de kaarten te spelen,
+maar niemand maakten aanstalten om het spel te beginnen.
+
+Deze kavaliers, die de koningen der vreugd zouden zijn--wat waren
+ze nu? Zij leken wel halfbevroren wintervliegen, die een warm hoekje
+zochten achter de kachel in 't donker. 't Was eenzaam en koud om hen
+heen geworden. Den vorigen dag was de doodsdag van kapitein Lennart
+geweest.
+
+Toen had Gösta Berling gehoord, dat de kavaliers onwillekeurig door
+een hunner drinkgelagen aanleiding geweest waren, dat er in 't laatste
+jaar misverstand en scheiding gekomen was tusschen den kapitein en
+zijn vrouw. Van zijn sterfbed was Gösta in de bosschen en velden
+gevlucht, zooals hij gewoon was te doen, zoo vaak zijn geweten een
+diepe, smartelijke wonde kreeg. Zij wisten, dat hij lang, misschien
+wel weken lang, weg zou blijven, tot de tijd zijn ellende zou verzacht
+hebben. De jonge gravin bleef op haar kamer en wilde geen van hen zien.
+
+De rozen waren verwelkt, de bladeren vielen af, het gras was geel
+geworden, de herfst was gekomen. En de kavaliers begonnen te gelooven,
+dat het leven zelf uitgebloeid was. Örneclou zag op eens, dat hij oud
+en leelijk was. Oom Eberhard had zijn groot wetenschappelijk werk af,
+'t geweten van patroon Julius wilde niet meer slapen, Liljecrona
+verlangde naar huis.
+
+En zij vroegen zichzelf af, waarmee ze verdiend hadden, dat de wijn
+niet meer smaakte, het kaartspel niet vermakelijk meer was en muziek
+hen niet meer opwekte. Waarom was de blijdschap van hen geweken? Wat
+hadden zij voor kwaad gedaan, die arme stumpers van kavaliers?
+
+Daar ging de deur open, en de dochter van den predikant van Broby kwam
+binnen. Zij was een vlijtig meisje, die dit heele jaar een hopeloozen
+strijd gestreden had tegen wanorde en verkwisting. Er was iets zoo
+strengs en plichtmatigs over haar, dat de kavaliers altijd een zeker
+respect voor haar gehad hadden, ofschoon ze niet veel meer dan een
+kind was.
+
+"Ik ben vandaag weer naar huis geweest en heb naar mijn vaders geld
+gezocht," zei ze tegen de kavaliers; "maar ik heb niets gevonden. Alle
+schuldbekentenissen zijn doorgeschrapt, en laden en kasten zijn leeg."
+
+"Dat is jammer voor u, juffrouw," antwoordde Beerencreutz.
+
+"Toen de Majoorske van Ekeby wegging," ging de dochter van den
+predikant van Broby voort, "vroeg ze mij haar huis te besturen. En
+als ik nu 't geld van mijn vader gevonden had, zou ik Ekeby weer
+opgebouwd hebben. Maar toen ik niets anders vond om mee te nemen,
+nam ik een paar takjes mee van mijn vaders schandeheuvel; want mij
+wacht groote schande, als mijn meesteres thuiskomt en mij vraagt wat
+er van Ekeby geworden is."
+
+"U moet u geen dingen aantrekken, waar u geen schuld aan hebt,"
+antwoordde Beerencreutz.
+
+"Maar ik heb niet alleen takjes voor mij meegenomen," zei de dochter
+van den predikant, "ik heb ook een paar voor de heeren meegebracht. Als
+het u belieft, heeren. Mijn vader is toch de eenige niet, die schade
+en schande in de wereld gebracht heeft."
+
+En zij ging van den een naar den ander en legde eenige van de dorre
+takjes voor elk van hen neer. Enkelen vloekten; maar de meesten lieten
+haar begaan. Eindelijk zeide Beerencreutz met de waardigheid van een
+voornaam heer: "Het is goed, ik dank u, juffrouw. U kunt gaan."
+
+Toen zij weg was, sloeg hij met de gebalde vuist op de tafel, zoodat
+de glazen rammelden. "Van dit oogenblik af," zei hij, "drink ik nooit
+meer. Zoo iets zal de brandewijn mij geen tweede keer leveren!"
+
+Daarop stond hij op en ging heen. En weer werd het drukkend stil in
+de woning van de kavaliers.
+
+Maar voor ieder van hen lagen een paar takjes van den
+"schandeheuvel". En van die takjes klonken allerlei akelige vragen:
+
+"Waar is de Majoorske? Wat is er van Ekeby's eer en macht
+geworden? Waarom is kapitein Lennart vermoord? Waar is de rijkdom
+van Löfsjö?"
+
+En plotseling was het, alsof het huis vol stemmen was, die allen
+antwoordden. Het was den ouden heeren te moede alsof ze midden in een
+gonzenden, stekenden bijenzwerm zaten. Want op al die vragen kwamen
+antwoorden, die staken en brandden.
+
+De kavaliers hebben hun weldoenster verdreven.
+
+De kavaliers, aan wie zij een tehuis gegeven had, hebben haar laten
+rondzwerven. Zij gaf hun voedsel en vreugde; zij gaven haar honger
+en smart.
+
+De kavaliers hebben het schoonste landgoed in Wermeland bedorven. De
+kavaliers hebben voor kapitein Lennart de deur van zijn huis
+gesloten. De kavaliers hebben zorgeloosheid en dronkenschap onder de
+armen verspreid, zij hebben de gemeente van Löfsjö bedorven.
+
+De stemmen hadden nog niet lang gegonsd en gestoken, voor de een na
+den ander van de kavaliers opstond en heenging. En toevallig kwamen
+ze langzamerhand allen bij elkaar aan de beek, daar waar de smidse
+en de molen gestaan hadden.
+
+Daar zag men overal de sporen van de verwoesting, door de vlammen
+aangericht. De groote hamer stak uit een grooten hoop balken en staken;
+de zware buitenmuren stonden nog; maar daaromheen was alles verwoest,
+en beneden op den grond zag men nog de zwarte stookplaats met haar
+wijden muil gapen.
+
+En ziet, ziet! In al die wanorde liep de overste al heen en weer,
+en werkte! Hij ruimde een plaats leeg voor een nieuwen molen en een
+nieuwe smidse. En naarmate de anderen kwamen, haastten ook zij zich
+aan het werk. Spoedig waren zij er allen. Zij sleepten balken weg,
+groeven steenen uit en hieuwen en staken. En spoedig klonken er weer
+liedjes; lachen en schertsen werd gehoord. Zij waren weer moedig en
+sterk; zij zouden Ekeby wel weer opbouwen. Zij zouden de Majoorske
+naar huis halen: zoo gauw mogelijk wilden zij de dochter van den
+predikant van Broby zenden om haar te halen. De armen in de gemeente
+Löfsjö zouden weer werk krijgen.
+
+Maar het contract dan? Het zwarte, met bloed geschreven contract van
+den Kerstnacht?
+
+Ach, zij handelden nu meer kavaliersachtig dan vroeger! Zij werkten,
+en zij zouden blijven werken; maar hun loon zou uit eer, niet uit
+geld bestaan.
+
+"En wat zul je nu doen, Gösta?" vroeg de gravin toen ze dit alles
+verteld had.
+
+"Wat wil je van mij--een afgezet predikant, door de menschen verworpen,
+door God gehaat!" antwoordde hij droevig.
+
+"Ik ben vandaag ook in de kerk van Bro geweest, Gösta. Ik moet je de
+groeten overbrengen van twee vrouwen. "Zeg aan Gösta," zeide Marianne
+Sinclaire, "dat een vrouw zich niet schamen wil over hem dien ze
+heeft liefgehad." "Zeg aan Gösta," zei Anna Stjärnhök, "dat ik het nu
+goed heb. Ik bestuur zelf mijn hoeven. De menschen zeggen van mij,
+dat ik een tweede Majoorske worden zal. Ik denk niet aan liefde,
+enkel aan werken. Ook op Berga is de eerste bitterheid van de smart
+overwonnen. Maar we treuren alleen over Gösta. We gelooven in hem en
+bidden voor hem; maar wanneer,--wanneer wordt hij toch een man!"
+
+"Ben jij nu door de menschen verworpen?" ging de gravin voort. "Al
+te veel liefde heb je genoten--dat was je ongeluk. Vrouwen en mannen
+hebben je liefgehad. Als je maar schertste en lachte, als je maar
+zong en speelde, vergaf men je alles. Wat je in den zin kreeg te doen
+was hun goed. En je durft je een verworpeling noemen. En je noemt
+je van God gehaat?--Waarom bleef je kapitein Lennarts begrafenis
+niet bijwonen?
+
+Omdat hij stierf op een marktdag, was het gerucht van zijn dood
+ver verbreid geworden. Na de godsdienstoefening kwamen duizenden
+menschen naar de kerk. 't Geheele kerkhof en de muur en 't veld
+er om heen was zwart van menschen. De lijkstoet werd geordend voor
+de consistoriekamer. Men wachtte nog maar op den ouden Proost. Hij
+was ziek en had niet gepreekt. Maar op de begrafenis van kapitein
+Lennart had hij beloofd te komen. En hij kwam met gebogen hoofd,
+in zijn eigen droomen verdiept, zooals hij nu pleegt te doen in zijn
+ouderdom en stelde zich aan 't hoofd van den stoet. Hij bemerkte niets
+bijzonders. De oude man had al zóóveel lijkstoeten voorgegaan. Hij
+ging voort op de bekende wegen zonder op te zien. Hij las de gebeden
+en wierp aarde op de kist en merkte nog steeds niets.
+
+Toen hief de koster een psalm aan. Nog geloof ik niet, dat zijn grove
+stem, die anders altijd alleen zingt den ouden Proost uit zijn droomen
+zou hebben gewekt.
+
+Maar nu zong de koster niet alleen. Honderden en honderden stemmen
+vielen in! Mannen, vrouwen en kinderen zongen. Toen ontwaakte
+de Proost. Hij streek zich over de oogen en klom op de opgeworpen
+aardhoop om te zien, waar al die stemmen vandaan kwamen. Nooit had
+hij zulk een treurende schare gezien.
+
+De mannen hadden de oude versleten begrafenishoeden op; de vrouwen
+de witte boezelaars met de breede zoomen voor. Allen zongen, allen
+hadden tranen in de oogen, allen droegen rouw in hun hart.
+
+Toen begon de oude Proost te beven van ontroering. Wat moest hij aan
+dit rouwdragende volk zeggen?--Hij moest ze zien te troosten.
+
+Toen het zingen had opgehouden, strekte hij de armen uit.
+
+"Ik zie dat het volk in rouw is," sprak hij "en smart is zwaarder te
+dragen voor hen, die nog lang deze aarde zullen betreden, dan voor mij,
+die spoedig van hier zal gaan."
+
+Hij zweeg verschrikt. Zijn stem was te zwak en hij aarzelde in de
+keus van zijn woorden. Maar spoedig begon hij opnieuw. Zijn stem had
+de kracht harer jeugd terug gekregen en zijn oogen straalden.
+
+Hij hield een heerlijke toespraak, Gösta. Eerst vertelde hij, wat
+hij wist van Gods gezant. Toen herinnerde hij er ons aan, dat geen
+uiterlijke glans of groot vermogen dien man zóó bemind had gemaakt;
+maar alleen dit, dat hij altijd Gods wegen ging. En nu smeekte hij
+ons om Gods en Christus wille te doen als hij. Ieder moest den
+ander liefhebben en helpen, ieder moest van den ander het goede
+gelooven. Ieder moest handelen als kapitein Lennart, want daarvoor
+had men geen groote gave noodig; maar alleen een vroom hart. En hij
+verklaarde ons allen, wat er dit jaar gebeurd was. Hij zei, dat het
+een voorbereiding was voor een jaar van liefde en geluk, dat nu zeer
+zeker te wachten was. Hij had vaak menschelijke goedheid zien schijnen
+in verspreide stralen. Nu zou ze schitteren als een heerlijke zon.
+
+En 't was ons allen, als hoorden wij een profeet spreken. Allen wilden
+wij elkaar liefhebben en weldoen.
+
+Hij hief de oogen en de handen op en bad vrede af over ons allen. "In
+Gods naam," zei hij, "zal de onrust ophouden. Vrede wone in uwe harten
+en in de geheele natuur. Mogen ook de doode dingen, de dieren en de
+planten rust voelen en ophouden schade aan te richten."
+
+En 't was alsof een heilige rust neerdaalde over de geheele streek. Het
+was alsof de hoogten schitterden in 't licht, en de dalen lachten en
+de herfstnevelen werden rozenrood.
+
+Toen riep hij een helper voor 't volk aan.
+
+"Er moet iemand komen," zeide hij, "Het is Gods wil niet, dat gij
+zult te gronde gaan. God zal iemand opwekken, die de hongerigen zal
+verzadigen en u op Zijn wegen zal leiden."
+
+Toen dachten we allen aan jou, Gösta. We wisten dat de Proost over je
+sprak. 't Volk dat deze verkondiging hoorde, ging naar huis en sprak
+over je. En toen Gösta, toen liep je in 't bosch rond en wilde sterven!
+
+'t Volk wacht op je! In de hutten ver in 't rond zitten ze er over
+te praten, dat de gekke dominé van Ekeby hen nu wil helpen, en dat
+nu alles goed zal worden. Je ben aller held, aller redder kun je
+worden. Ja, Gösta, 't is zeker dat de oude over jou sprak. En dat
+moet je toch wel doen verlangen te leven. Maar ik, die je vrouw ben,
+ik zeg je dit: dat je nu in allen eenvoud je plicht moet doen. Ga
+nu niet droomen, dat je Gods gezant ben. Dat zijn we allen, begrijp
+je? Je moet werken zonder heldendaden, je moet niet schitteren en
+de wereld verbazen, je moet zóó leven, dat je naam niet al te vaak
+op de lippen der menschen komt. Bedenk je wèl, voor je je belofte
+aan Sintram terugneemt. Nu heb je een soort recht te sterven, en
+'t leven kon je wel eens weinig heerlijks aanbieden.
+
+Een tijd lang ben ik voornemens geweest naar 't zuiden terug te gaan,
+Gösta. Mij, de met schuld beladene, scheen het een al te groot geluk
+toe, je vrouw te zijn en naast je door 't leven te gaan. Maar nu
+zal ik blijven. Als je durft te leven, zal ik hier blijven. Maar
+verwacht daar geen geluk van. Ik zal je den weg wijzen van strenge
+plichtsbetrachting. Wacht van mij geen woorden van vreugde en
+hoop. Al de smart en de rampen, die wij beiden veroorzaakt hebben,
+zal ik als wachten aan onzen haard zetten. Kan een hart, dat zóó veel
+geleden heeft als het mijne, nog liefhebben? Zonder tranen en zonder
+blijdschap zal ik naast je voortgaan. Bedenk je wel Gösta, voor je
+'t leven kiest. Wij moeten den weg der boeten gaan."
+
+Zij wachtte zijn antwoord niet af. Zij wenkte de dochter van den
+predikant en ging heen. Toen zij in 't bosch gekomen was, begon ze
+bitter te schreien en schreide tot zij op Ekeby aankwam.
+
+En eerst toen bedacht zij, dat zij vergeten had met Jan Hök, den
+soldaat, over vroolijker dingen te praten.
+
+In de boschhut bleef het doodstil, nadat ze was heengegaan.
+
+"God, de Heer zij geloofd en geprezen!" sprak plotseling de oude
+soldaat.
+
+Zij zagen hem aan. Hij was opgestaan en zag met geestdrift om zich
+heen.
+
+"Boos en slecht is alles geweest!" zei hij. "Al wat ik gezien heb,
+sinds mij de oogen geopend werden, was slecht! Slechte mannen en
+slechte vrouwen! Haat en boosheid in bosch en veld! Maar zij is
+goed. Een goed mensch heeft in mijn huis gestaan. Als ik hier alleen
+zit, zal ik aan haar denken. Zij zal met mij zijn op mijne wandelingen
+in 't bosch."
+
+Hij boog zich over Gösta heen; maakte zijn banden los, richtte hem
+op en nam zijn hand in de zijnen.
+
+"Door God gehaat," zei hij zacht en knikte nadenkend. "Ja, dat is
+het juist. Maar nu is dat voorbij. Ik ben het ook niet meer, nu zij
+in mijn huis heeft gestaan. Zij is goed!"
+
+Den volgenden dag kwam de oude Jan bij den leensman Scharling.
+
+"Ik wil mijn kruis opnemen," zei hij. "Ik ben een boos man geweest;
+daarom kreeg ik booze zonen."
+
+En hij vroeg of hij niet voor zijn zoon in de gevangenis mocht
+gaan. Maar dat kon immers niet toegestaan worden?
+
+
+
+
+
+
+
+XXXIV.
+
+MARGARETHA CELSING.
+
+
+In de dagen voor Kerstmis kwam de Majoorske naar de gemeente van
+Löfsjö reizen, maar eerst op Kerstavond bereikte zij Ekeby. Op de
+reis was zij aldoor ziek. Zij had longontsteking en hevige koorts;
+maar nooit had men haar gelukkiger gezien of zooveel vriendelijke
+woorden van haar gehoord.
+
+De dochter van den predikant te Broby, die sinds October bij haar
+geweest was op de hoeve in de Elvedalsbosschen, zat naast haar in de
+sleê en wilde gaarne de reis verhaasten; maar zij kon de oude niet
+verhinderen de paarden te laten stilstaan en iederen voorbijganger
+aan de sleê te roepen, om naar nieuws te vragen.
+
+"Hoe gaat het hier in Löfsjö?" vroeg de Majoorske.
+
+"Het gaat ons goed," kreeg zij dan ten antwoord. "Nu komen betere
+tijden. De gekke predikant te Ekeby en zijn vrouw helpen ons allen."
+
+"Nu komt een goede tijd," antwoordde een ander. "Sintram is weg. De
+kavaliers op Ekeby zijn begonnen te werken. Het geld van den predikant
+te Broby is gevonden in den kerktoren te Bro. Er is zóo veel, dat
+Ekeby in eer en heerlijkheid hersteld kan worden. Er is genoeg om
+aan de hongerigen brood te geven."
+
+"Onze oude Proost is tot nieuw leven en nieuwe kracht ontwaakt,"
+zeide een derde. "Iederen Zondag spreekt hij ons van de Komst van
+Gods Koninkrijk, Wie zou nu lust hebben te zondigen? De heerschappij
+van het goede breekt aan."
+
+En de Majoorske reed verder en vroeg ieder, dien ze ontmoette:
+"Hoe gaat het u? Ontbreekt het u aan iets hier in de gemeente?"
+
+En de koortshitte en de stekende pijn in de borst verminderden,
+als zij haar antwoordden:
+
+"Hier zijn twee goede en rijke vrouwen, Marianne Sinclaire en Anna
+Stjärnhök. Zij helpen Gösta Berling en gaan van huis tot huis, om
+toe te zien dat niemand honger lijdt. En de brandewijnketel verslindt
+geen koren meer."
+
+Het was alsof de Majoorske in haar sleê éen lange, lange
+godsdienstoefening bijwoonde. Zij was in een heilig land gekomen. Zij
+zag oude, gerimpelde gezichten opklaren, als er gesproken werd over
+den tijd, die nu aangebroken was. De zieken vergaten hun pijnen,
+om den dag der vreugde te prijzen.
+
+"Wij willen allen goed zijn; wij willen allen het goede gelooven;
+wij willen niemand schaden. Wij willen de komst van het rijk van
+God verhaasten."
+
+Zij vond allen door denzelfden geest bezield. Op de landgoederen
+werd aan de armsten gratis spijzen uitgereikt. Allen, die werk te
+verrichten hadden, lieten het nu doen, en in al de zeven ijzermijnen
+van de Majoorske was het werk in vollen gang. Nooit had zij zich beter
+gevoeld dan terwijl zij daar zat en de koude lucht haar pijnlijke
+borst binnendrong. Zij kon geen hoeve voorbijkomen zonder stil te
+houden en te vragen.
+
+"Nu is alles goed," was het antwoord. "Hier is groote nood geweest;
+maar de heeren op Ekeby helpen ons. De Majoorske zal verwonderd zijn
+over alles wat daar gedaan is. De molen is gauw klaar en de smidse
+al in vollen gang."
+
+Het waren de nood en de hartverscheurende gebeurtenissen, die hen allen
+veranderd hadden. Ach, dat zou wel niet lang duren; maar het was toch
+goed terug te komen in een land, waar de een den ander hielp en waar
+allen het goede wilden. De Majoorske voelde, dat zij de kavaliers
+vergiffenis kon schenken, en daar dankte zij God voor. "Anna Lise,"
+zei ze, "ik, oud mensch, zit hier, en 't komt me voor, dat ik al op
+weg naar den hemel ben."
+
+Toen zij eindelijk Ekeby bereikte, en de kavaliers zich naar buiten
+haastten, om haar uit de sleê te helpen, herkenden ze haar nauwelijks;
+want zij was even zacht en vriendelijk als hun jonge gravin. De
+ouderen, die haar als jong meisje gekend hadden, fluisterden tegen
+elkaar: "Dat is de Majoorske van Ekeby niet: dat is Margaretha Celsing,
+die teruggekomen is."
+
+De vreugde der kavaliers, omdat ze zoo goed, zoo vrij van alle
+wraakzucht teruggekomen was, ging, hoe groot die ook was, al spoedig
+over in smart, toen zij zagen hoe ziek hun weldoenster was. Zij moest
+dadelijk naar de slaapkamer gedragen worden en naar bed gebracht. Maar
+op den drempel keerde zij zich om en sprak tot hen.
+
+"Gods storm is over het land gegaan," zei ze. "Gods storm! Ik weet nu,
+dat alles om bestwil geweest is."
+
+Toen werd de deur der ziekenkamer gesloten, en zij zagen haar nooit
+weer.
+
+Er is toch zooveel te zeggen aan iemand, die sterven zal. De woorden
+verdringen zich als men weet, dat in die kamer daar naast iemand ligt,
+wiens oor weldra voor goed gesloten zal zijn. "Ach, mijn vriend,
+mijn beste vriend," zou men willen zeggen, "kun je me vergeven? Kun
+je gelooven, trots alles, dat ik je heb liefgehad? Hoe kon ik je toch
+zooveel verdriet doen, terwijl we hier samen rondwandelden? Ach, mijn
+vriend, hoe dank ik je voor alle vreugd, die je me geschonken hebt."
+
+Zulke woorden en nog veel meer zou men willen zeggen.
+
+Maar de Majoorske lag in een gloeiende koorts, en de stemmen der
+kavaliers konden haar niet bereiken. Zou zij dan nooit te weten komen,
+hoe zij gewerkt hadden, hoe zij haar arbeid overgenomen en Ekeby's
+eer gered hadden? Zou zij dat nooit te weten komen?
+
+"Kort daarna gingen de kavaliers naar de smidse. Al het werk daar stond
+nu stil, maar zij wierpen nieuwe kolen en nieuw ruw ijzer in den oven
+en bereidden het om gesmolten te worden. Zij riepen de smeden niet:
+die waren naar huis gegaan, om Kerstmis te vieren, maar zij werkten
+zelf. Als de Majoorske maar leven bleef tot de groote hamer in beweging
+kwam, dan zou die wel voor hen tot haar spreken.
+
+Het werd avond en het werd nacht onder het werk. Velen onder hen
+dachten er aan, hoe wonderlijk het was, dat zij nu weer Kerstavond
+in de smidse zouden houden.
+
+De bekwame Kevenhüller, die de smidse en den molen gebouwd had, in
+dezen drukken tijd en Kristiaan Berg, de sterke kapitein stonden
+aan 't vuur en letten op de smeltkroes. Gösta en Julius brachten
+kolen aan. Van de overigen zaten enkelen op het aanbeeld onder
+den grooten hamer; anderen zaten op de kolenwagens of op een hoop
+gietijzer. Löwenborg, de oude mystiker, sprak met Oom Eberhard,
+den filosoof, die naast hem op 't aanbeeld zat.
+
+"Van nacht sterft Sintram," zei hij.
+
+"Waarom juist van nacht?" vroeg Oom Eberhard.
+
+"Je weet nog wel, dat we verleden jaar een weddingschap aangingen. Nu
+hebben we niets gedaan wat niet voor kavaliers paste en dus heeft hij
+'t verloren."
+
+"Maar als je daaraan gelooft, weet je toch wel, dat we heel wat
+gedaan hebben, dat niet voor kavaliers paste. Ten eerste hielpen we
+de Majoorske niet, ten tweede begonnen we te werken, ten derde was 't
+niet heelemaal in orde, dat Gösta Berling zich niet van kant maakte,
+toen hij het beloofd had."
+
+"Daar heb ik ook wel aan gedacht," antwoordde Löwenborg; "maar ik
+geloof, dat je de zaken niet goed inziet. Te denken aan ons eigen
+kleingeestig voordeel was ons verboden; maar niet te doen zooals onze
+eer, onze liefde of onze eeuwige zaligheid 't eischte. Ik geloof,
+dat Sintram 't verloren heeft."
+
+"Je kunt wel gelijk hebben."
+
+"Ik zal je wat zeggen; ik weet het. Ik heb den heelen avond zijn
+bellen gehoord; maar 't zijn geen wezenlijke bellen. Hij zal zelf
+wel gauw komen."
+
+En 't oude mannetje staarde door de openstaande deur van de smidse
+naar buiten en naar den met sterren bezaaiden blauwen hemel, die er
+door scheen.
+
+Een oogenblik later vloog hij op.
+
+"Zie je hem wel?" fluisterde hij. "Daar komt hij aansluipen. Zie je
+hem wel, daar in de open deur?"
+
+"Ik zie niets," zei Oom Eberhard. Je hebt slaap; dat is alles!"
+
+"Ik zag hem zoo duidelijk tegen den lichten avondhemel. Hij had zijn
+grooten wolfspels aan en zijn bonten muts op.
+
+Nu is hij daar in het donker en ik kan hem niet meer zien. Kijk, nu
+staat hij daar bij den oven. Hij staat dicht naast Kristiaan Bergh,
+maar Kristiaan ziet hem zeker niet. Nu sluipt hij voort en gooit iets
+in 't vuur. Pas op vrienden, pas op!"
+
+Toen hij dat gezegd had schoot een vlam uit de oven en bedekte de
+smidse en de mannen met asch en vonken. Maar niemand werd gekwetst.
+
+"Hij wil zich wreken," fluisterde Löwenborg.
+
+"Je ben dwaas!" barstte Eberhard uit. "Je moest nu toch wijzer zijn."
+
+"Ja dat kan men wel willen; maar dat helpt niet. Zie je nu niet, dat
+hij daar bij den balk staat en tegen ons grijnst? Zoowaar! ik geloof,
+dat hij den hamer losmaakt!"
+
+Hij vloog op Eberhard af en rukte hem van 't aanbeeld weg. Een
+seconde later viel de groote hamer dreunend neer op 't aanbeeld. Er
+was een kram losgegaan en Eberhard en Löwenborg waren ternauwernood
+den dood ontsnapt.
+
+"Zie je nu wel, dat hij geen macht meer over ons heeft," riep Löwenborg
+triomfeerend. "Maar 't schijnt dat hij zich wreken wil."
+
+En hij riep Gösta Berling.
+
+"Ga naar de vrouwen, Gösta. Misschien verschijnt hij haar ook. Ze zijn
+daar niet zoo aan gewoon als ik. Ze konden wel eens bang worden. Maar
+pas op, Gösta, want hij haat je en misschien heeft hij nog wat macht
+over je om die onvervulde belofte."
+
+Later hoorde men dat Löwenborg gelijk had gehad, dat Sintram in
+dien feestnacht gestorven was. Sommigen zeiden, dat hij zich in de
+gevangenis had opgehangen. Anderen meenden, dat de gerechtsdienaars
+hem in 't geheim gedood hadden, want 't proces was ten gunste van hem
+gekeerd en 't ging immers niet aan hem op 't volk van Löfsjö los te
+laten. Nog anderen waren er die geloofden, dat een heer in 't zwart
+gekleed, in een zwarte wagen, door zwarte paarden getrokken, was komen
+aanrijden en hem uit de gevangenis had meêgenomen. En Löwenborg was
+de eenige niet, die hem in dien Kerstnacht zag. Ook op Fors was hij
+gezien en aan Ulrika Dillner was hij in den droom verschenen. Velen
+verhaalden hoe hij hun verschenen was, tot Ulrika Dillner zijn lijk
+naar het kerkhof van Bro had laten brengen. Zij liet ook zijn booze
+dienaars van Fors wegzenden en voerde daar een behoorlijk bestuur
+in. Sinds dien tijd spookt het daar niet meer.
+
+Men verhaalt, dat dien avond een vreemde op de hoeve kwam en een brief
+voor de Majoorske had afgegeven. Niemand kende den bode; maar de brief
+werd binnengebracht en op tafel naast de zieke gelegd. Dadelijk daarna
+werd zij geheel onverwacht beter, de koorts nam af, de pijnen werden
+minder, en zij kon den brief lezen.
+
+De ouden geloofden, dat die beterschap door de machten der duisternis
+bewerkt was. Sintram en zijn vrienden hadden er belang bij, dat de
+Majoorske dien brief lezen kon.
+
+Het was een document, met bloed op zwart papier geschreven. De
+kavaliers zouden het wel herkend hebben. Het was den vorigen Kerstnacht
+in de smidse van Ekeby geschreven.
+
+En de Majoorske lag daar nu en las, dat zij, omdat zij een heks was en
+de zielen der kavaliers naar de hel zond, veroordeeld werd om Ekeby te
+verliezen. Dat en dergelijke dwaasheden las ze. Zij zag naar den datum
+en de onderteekening, en vond het volgende bijschrift bij Gösta's naam:
+"Omdat de Majoorske zich van mijn zwakheid bediende om mij van eerlijk
+werk weg te lokken en mij als kavalier op Ekeby te behouden; omdat zij
+mij tot Ebba Dohna's moordenaar heeft gemaakt, door haar te verraden,
+dat ik een afgezette predikant was, daarom onderteeken ik."
+
+Langzaam vouwde de Majoorske het papier dicht en legde het in het
+couvert; daarna lag zij stil na te denken over wat zij te weten
+gekomen was. Zij begreep met bittere smart, dat de menschen dit van
+haar dachten. Een heks en een toovenaarster was zij voor allen, die
+ze had welgedaan, die ze arbeid en brood gegeven had. Dat was haar
+loon. Zoo zou haar nagedachtenis zijn. Zij konden niet anders van de
+echtbreekster denken. Maar wat gaf zij om die onnoozelen! Zij waren
+haar toch immers vreemd gebleven; maar deze arme kavaliers, die door
+haar mildheid geleefd hadden, die haar goed kenden--zij geloofden het
+ook! Of ze deden alsof zij 't geloofden, om een voorwendsel te hebben,
+zich Ekeby toe te eigenen. Haar gedachten vlogen onrustig rond; toorn
+en wraakzucht vlamden in haar door de koorts verhit brein. Zij liet
+de dochter van den predikant van Broby, die met gravin Elisabeth haar
+verpleegde, een bode naar Högfors zenden, naar den rentmeester en den
+inspecteur. Zij wilde haar testament maken. Weer lag ze te denken. Haar
+wenkbrauwen trokken zich samen, haar gezicht werd akelig vertrokken.
+
+"De Majoorske is heel ziek," zei de gravin zacht.
+
+"Dat ben ik, erger dan ooit te voren."
+
+Weer werd het stil. Toen sprak de Majoorske op eens, met een harde,
+scherpe stem: "'t Is wonderlijk om aan te denken, dat ook gravin
+Elisabeth, die iedereen liefheeft, een echtbreekster is."
+
+De jonge gravin kromp ineen.
+
+"Ja, al is 't niet in daden, dan toch in gedachten en wenschen,
+en dat is hetzelfde. Ik, die hier lig, voel, dat het 't zelfde is."
+
+"Dat weet ik, Majoorske."
+
+"En toch ben je nu gelukkig geworden. Je kunt hem, dien je lief hebt,
+zonder zonde bezitten; het zwarte spook staat niet tusschen jelui,
+als je elkaar ontmoet. Voor de wereld kun je elkaar toebehooren. Je
+kunt naast elkaar door 't leven gaan."
+
+"Ach, lieve Majoorske...."
+
+"Hoe durf je bij hem te blijven?" ging de oude voort, met toenemende
+heftigheid. "Doe boete, doe bijtijds boete! Reis naar huis, naar je
+vader en je moeder, eer zij komen om je te vloeken. Durf je Gösta
+Berling je man te noemen? Ga van hem weg. Ik wil hem Ekeby geven;
+ik wil hem macht en eer geven. Durf je die met hem te deelen? Durf
+je geluk en eer aan te nemen? Ik waagde het. Weet je nog hoe het mij
+ging? Herinner je je den Kerstdag op Ekeby nog? Herinner je je mijn
+gevangenschap op het landgoed van den leenman?"
+
+"Ach, Majoorske," zei de gravin, "wij, zondaren, gaan hier naast
+elkaar zonder geluk. Ik pas hier op, dat de vreugde zich niet neerzet
+aan onzen haard. Gelooft u niet, dat ik naar huis verlang? Ach,
+ik verlang zoo bitter naar de warmte en steun van een tehuis; maar
+die zal ik nooit vinden. Ik moet hier wonen met vrees en beven,
+met het bewustzijn, dat al wat ik doe tot zonde en smart lijdt, dat,
+wanneer ik den een help, ik den ander schaad. Ik ben te klein en te
+zwak voor het leven hier, en toch ben ik gedwongen hier te blijven,
+omdat ik gebonden ben aan een eeuwige boete."
+
+"Met zulke gedachte bedriegen wij ons zelf," barstte de Majoorske uit,
+"maar dat is zwakheid. Je wilt niet van hem weg; dat is het eigenlijk."
+
+Eer de gravin antwoorden kon, kwam Gösta Berling de kamer in.
+
+"Kom hier, Gösta," zei de Majoorske dadelijk, en haar stem werd nog
+scherper en harder. "Kom hier, jij, die geprezen wordt door de heele
+gemeente van Löfsjö. Kom eens hier, jij, die den naam wilt nalaten,
+dat je de redder van het volk waart. Nu moet je hooren hoe het je oude
+Majoorske gegaan is, die je verlaten en veracht rond hebt laten loopen.
+
+"Eerst zal ik je vertellen, hoe het mij ging, toen ik in dit voorjaar
+bij mijn moeder thuis kwam; want je moet het slot van die geschiedenis
+weten.
+
+"Het was Maart. Ik was naar het landgoed in de Elvedalsbosschen
+geloopen, Gösta. Ik zag er uit als een bedelaarster. Toen ik aankwam,
+zei men mij, dat mijn moeder in den melkkelder was. Daar ging ik heen
+en stond er lang zwijgend bij de deur. In het rond langs den muur, op
+lange planken, stonden glimmende koperen bakken, gevuld met melk. En
+mijn moeder, die over de negentig was, nam van den eenen bak na den
+anderen de room af. Zij was kras, de oude vrouw; maar ik kon toch wel
+merken hoe zwaar het haar viel de bakken te tillen. Ik wist niet of ze
+mij gezien had;. maar na een poos sprak ze mij aan met een wonderlijk
+scherpe stem.
+
+"Dus is het je gegaan, zooals ik wou," zei ze. Ik wilde met haar
+spreken en haar vergeving vragen; maar dat hielp niet. Ze hoorde er
+geen woord van: ze was stokdoof; maar een oogenblik later sprak ze
+weer: "je kunt me komen helpen," zeide ze.
+
+"Toen ging ik heen en roomde de melk af. Ik nam de bakken, zette ze
+neer in de juiste volgorde, en zette alles op zijn plaats, en stak
+den roomlepel er juist diep genoeg in, en zij was tevreden. Ze had
+geen van de dienstboden het afroomen kunnen toevertrouwen; maar ik
+wist immers van vroeger hoe ze het hebben wilde.
+
+"Nu kun jij dat werk wel op je nemen," zei ze. En toen wist ik,
+dat ze mij vergeven had.
+
+"En toen was het op eens, alsof ze niet meer werken kon. Zij zat stil
+in haar leuningstoel en sliep bijna den heelen dag. Een paar weken
+voor Kerstmis stierf zij. Ik zou graag eerder gekomen zijn, Gösta;
+maar ik kon niet van de oude vrouw weg."
+
+De Majoorske hield op. Ze haalde met moeite adem; maar ze vermande
+zich en sprak verder:
+
+"Het is waar, Gösta, dat ik je graag bij mij hier op Ekeby hebben
+wou. Het is nu eenmaal zoo, dat allen graag bij je willen zijn. Als
+je een behoorlijk mensch had kunnen worden, dan zou ik je veel macht
+gegeven hebben.
+
+"Ik hoopte altijd, dat je een goede vrouw zoudt vinden. Eerst geloofde
+ik, dat het Marianne Sinclaire zou zijn, want ik zag, dat ze je
+liefhad, al toen je als houthakker in 't bosch leefde. Toen dacht ik,
+dat het Ebba Dohna zou zijn, en ik reed naar Borg, om haar te zeggen,
+dat ik je Ekeby zou laten erven, als ze met je trouwen wilde. Heb ik
+daar verkeerd aan gedaan, dan moet je 't mij vergeven."
+
+Gösta lag op zijn knieën voor het bed, met het voorhoofd op den
+rand. Hij steunde luid.
+
+"Zeg me nu, Gösta, hoe je denkt te zullen leven. Hoe wil je je vrouw
+onderhouden? Zeg mij dat. Je weet, dat ik altijd voor jou 't beste
+bedoeld heb!"
+
+En Gösta antwoordde haar glimlachend, ofschoon zijn hart bijna brak van
+smart: "In den ouden tijd, toen ik beproefde arbeider hier op Borg te
+worden, heeft de Majoorske mij een huis gegeven om in te wonen, en dat
+heb ik nog. In dit najaar heb ik er alles in orde gebracht. Löwenborg
+heeft mij geholpen. Wij hebben den zolder geschilderd en de muren
+behangen. Het binnenste kamertje noemt Löwenborg: het kabinet van de
+gravin, en hij heeft bij de boeren in den omtrek naar meubels gezocht,
+die ze op de verkoopingen van landgoederen gekocht hebben. Die heeft
+hij opgekocht, en nu zijn er leuningstoelen met hooge ruggen en
+commodes met blinkend beslag, maar in de buitenste groote kamer staat
+het weefgetouw van de jonge Mevrouw en mijn draaibank. Daar hebben we
+ook ons huisraad en andere dingen, en daar hebben Löwenborg en ik al
+vaak gezeten 's avonds en er over gesproken hoe de jonge gravin en
+ik het in het arbeidershuisje zullen hebben. Maar mijn vrouw hoort
+dit nu voor het eerst, Majoorske. Wij wilden het eerst zeggen, als
+we van Ekeby vertrokken."
+
+"Ga voort, Gösta!"
+
+"Löwenborg sprak er altijd over, dat we een dienstmeisje moesten
+hebben. "'s Zomers is 't hier heerlijk," zei hij, "maar 's winters
+is het te eenzaam voor de jonge Mevrouw. Je moet werkelijk een
+dienstmeisje nemen, Gösta."
+
+"En dat was ik wel met hem eens; maar ik wist niet hoe ik aan het
+geld daarvoor zou komen. Toen kwam hij op een goeden dag met zijn
+tafel met de geschilderde toetsen aanzetten. "Ik denk, dat jij ons
+dienstmeisje wel worden zult, Löwenborg," zei ik. Hij antwoordde,
+dat wij hem wel noodig zouden hebben, en vroeg of ik dan meende, dat
+de jonge gravin eten koken en water en brandhout aandragen zou? Neen,
+ik had niet gedacht, dat zij het allerminste van dien aard zou doen,
+zoolang ik een paar handen had om mee te werken.
+
+"Maar hij meende toch, dat 't beter was, als wij met ons beiden waren,
+zoodat zij den heelen dag op de sofa kon zitten te borduren. Ik kon
+me heelemaal niet voorstellen, hoeveel bediening zoo'n klein vrouwtje
+noodig had, zei hij."
+
+"Ga voort," zei de Majoorske, "dat verzacht mijn pijn. Geloofde je dan,
+dat de jonge gravin in een arbeidershuis zou willen wonen?"
+
+Hij was verbaasd over haar honenden toon, maar ging voort: "Och,
+Majoorske, ik durfde het niet te gelooven; maar het zou zoo heerlijk
+geweest zijn, als zij 't wilde. De dichtstbij zijnde dokter woont hier
+vijf mijl vandaan. Zij, die een zachte hand en liefderijk hart heeft,
+zou werk genoeg vinden met het verbinden van wonden en koortslijders
+te verplegen. En ik dacht, dat alle bedroefden den weg zouden vinden
+naar de lieve Mevrouw in het arbeidershuisje. Er is zooveel smart
+onder de armen, die door goede woorden en een vriendelijk hart te
+verlichten is."
+
+"Maar jij dan, Gösta?"
+
+"Ik heb mijn werk aan de draai- en schaafbank, Majoorske. Ik moet van
+nu aan mijn eigen leven leven. Als mijn vrouw mij niet volgen wil--het
+zij zoo! Al bood men mij nu alle rijkdommen ter wereld, ze zouden mij
+niet verlokken. Ik wil mijn eigen leven leven. Nu wil ik een arm man
+zijn en blijven onder de boeren en hen helpen met wat ik kan. Zij
+kunnen iemand noodig hebben, die voor hen kan spelen op bruiloften
+en Kerstfeesten, iemand, die brieven aan de zonen in een vreemd land
+kan schrijven,--en dat kan ik doen. Maar arm moet ik zijn, Majoorske."
+
+"Dat wordt een treurig leven voor je, Gösta."
+
+"Ach neen, Majoorske, dat zou het niet zijn als wij beiden ons maar
+bij elkaar aansloten. De rijken en vroolijken zouden wel bij ons
+komen, evengoed als de armen. Wij zouden vreugde genoeg in onze kamer
+krijgen. De gasten zouden er niet om geven of het eten klaargemaakt
+werd waar ze bij waren, of er boos om zijn, als ze twee aan twee van
+één bord moesten eten."
+
+"En wat nut zou je daarmee stichten, Gösta? Wat eer zou je daarmeê
+inleggen?"
+
+"'t Zou eer genoeg zijn, Majoorske, als de armen nog eens aan mij
+dachten een paar jaar na mijn dood. Ik zou nut genoeg gedaan hebben,
+als ik een paar appelboomen bij elk huis geplant had, als ik den
+speelman een paar melodieën van oude meesters geleerd had, en als de
+kinderen van den koewachter een paar mooie liedjes kenden om in 't
+bosch te zingen. De Majoorske mag me gerust gelooven; ik ben dezelfde
+gekke Gösta Berling van vroeger. Een boerenspeelman is alles, wat
+ik worden kan, maar dat is genoeg. Ik heb veel goed te maken; maar
+berouw te hebben en te schreien ligt niet in mijn aard. Ik wil aan
+de armen vreugde brengen; dat zal mijn boete zijn."
+
+"Gösta," zei de Majoorske, "dat leven is te gering voor een man met
+jou gaven. Ik wil je Ekeby geven."
+
+"O Majoorske," barstte hij verschrikt uit, "maak mij niet rijk! Leg
+mij zulke plichten niet op! Scheid mij niet van de armen!"
+
+"Ik wil jou en de kavaliers Ekeby geven," hernam de Majoorske;
+"je bent immers een uitstekend mensch en door het volk bemind. Ik
+zeg als mijn moeder: "dit werk kun je nu voortaan wel op je nemen."
+
+"Neen, Majoorske, dit kunnen wij niet op ons nemen! Wij, die u miskend
+hebben en u zooveel verdriet deden!"
+
+"Ik wil jelui Ekeby geven, hoor je?"
+
+Zij sprak hard en scherp, zonder eenige vriendelijkheid. Hij werd
+steeds angstiger.
+
+"Breng de ouden niet in zulk een verzoeking, Majoorske; dat zou hen
+immers tot lichtzinnige zwierbollen maken. Rijke kavaliers! Goede
+hemel wat zou er van ons worden!"
+
+"Ik wil je Ekeby geven, Gösta! maar dan moet je beloven je vrouw haar
+vrijheid te geven. Zoo'n fijn, klein dametje past niet bij je. Zij
+heeft te veel geleden hier, in 't berenland. Zij verlangt naar haar
+licht tehuis! Je moet haar laten gaan. Daarom zal ik je Ekeby geven."
+
+Maar nu kwam gravin Elisabeth dichter bij en knielde voor 't bed van
+de Majoorske. "Ik verlang nu niet meer, Majoorske. Hij, mijn man heeft
+het raadsel opgelost en het leven gevonden, dat ik leven kan. Ik hoef
+niet meer koud en streng aan zijn zijde te gaan en hem aan berouw en
+boete te herinneren. Armoede, nood en hard werk zullen dat wel doen. De
+wegen, die naar de armen en zieken leiden, kan ik zonder zonde gaan. Ik
+ben niet bang meer voor het leven hier in het noorden. Maar maak hem
+niet rijk, Majoorske! Want dan durf ik niet te blijven."
+
+De Majoorske richtte zich in haar bed op.
+
+"Alle geluk verlangen jullie voor je zelf!" riep ze en dreigde hen met
+de vuist. "Alle geluk en zegen! Neen, laat de kavaliers Ekeby hebben,
+zoodat ze te gronde gaan. Laat man en vrouw gescheiden worden, zoodat
+ze te gronde gaan. Een heks en een toovenaarster ben ik, en ik wil
+jullie tot kwaad aansporen. Zooals mijn naam is wil ik ook zijn!"
+
+Zij greep den brief en slingerde hem Gösta in het gezicht. Het zware
+papier fladderde op den grond. Gösta kende het wel.
+
+"Je hebt je misdadig tegenover me gedragen, Gösta! Je hebt me miskend,
+mij, die een tweede moeder voor je geweest ben. Durf je weigeren je
+straf uit mijn hand aan te nemen? Je moet Ekeby aannemen, en dat zal je
+bederven, want je bent zwak. Je moet je vrouw naar huis zenden, zoodat
+je niemand hebt om op te steunen. Je zult sterven met een naam, even
+gehaat als de mijne. Margaretha Celsing laat den naam na van een heks
+en een toovenaarster; de jouwe zal zijn: verkwister en boerenplager."
+
+Zij zonk in de kussens terug, en alles werd stil.
+
+Daar klonk door de stilte een doffe slag, toen weer een, en nog
+een. De groote stoomhamer begon zijn dreunend lied.
+
+"Hoor," zei Gösta Berling, "zóó klinkt de naam van Margaretha
+Celsing. Dat zijn niet de dwaasheden van dronken kavaliers. Dat is
+het zegelied van den arbeid, dat aangeheven wordt ter eere van een
+trouwe arbeidster. "Wij danken u," zegt het, "voor goeden arbeid,
+voor het brood, dat ge den armen gaaft, voor de wegen, die ge gebaand,
+de huizen, die ge gebouwd hebt. Wij danken u voor de vreugde, waarvoor
+ge uw huis geopend hebt. Wij danken u! Rust in vrede, uw werk leeft
+voort en houdt stand. Uw hoeve zal altijd een vrijplaats zijn voor
+den arbeid, die geluk aanbrengt. Wij danken u! Veroordeel ons, die
+gedwaald hebben, niet. Gij, die nu de reis aanvaardt naar het rijk
+des vredes, denkt met zachtheid aan ons, die nog leven."
+
+Gösta zweeg; maar de stoomhamer ging door. Alle stemmen, die zacht
+en liefderijk tot de Majoorske gesproken hadden, mengden zich in die
+hamerslagen. Langzamerhand verdween de spanning uit haar trekken;
+zij werden slap, en het was alsof de schaduw des doods over haar kwam.
+
+De dochter van den predikant van Broby kwam binnen om te zeggen dat de
+heeren van Högfors gekomen waren. De Majoorske liet ze weer gaan. Zij
+wilde geen testament meer maken.
+
+"Zie, Gösta Berling, man van daden," zei ze. "Je hebt dus ook nu
+overwonnen. Buig je neer en laat mij je zegenen."
+
+De koorts kwam weer op met dubbele kracht, en de doodsstrijd begon. Het
+lichaam moest nog bitter lijden doorstaan; maar de ziel wist er
+spoedig niets meer van. Die begon reeds te staren in de hemelen,
+die voor de stervende geopend werden.
+
+Zoo ging een uur voorbij en de doodsstrijd was gestreden. Daar lag ze,
+zoo vredig, zoo mooi, dat alle omstanders diep bewogen waren.
+
+"Mijn lieve, oude Majoorske," zei Gösta toen; "zoo heb ik u vroeger
+nog eens gezien. Nu is Margaretha Celsing teruggekomen. Nu zal zij
+nooit meer wijken voor de Majoorske op Ekeby."
+
+Toen de kavaliers uit de smidse terugkwamen, werden zij ontvangen
+met het bericht, dat de Majoorske overleden was.
+
+"Heeft zij den hamer gehoord?" vroegen ze.
+
+Ja, dat had zij, en daarmee moesten zij tevreden zijn.
+
+Later hoorden zij, dat ze van plan geweest was hun Ekeby te geven,
+maar dat het testament nooit geschreven was. Dat vonden zij een groote
+eer en beroemden er zich op zoolang zij leefden. Maar niemand hoorde
+hen ooit klagen over de rijkdommen, die zij verloren hadden.
+
+Men zegt ook, dat in dezen Kerstnacht Gösta Berling naast zijn jonge
+vrouw stond en voor 't laatst de kavaliers toesprak.
+
+Hij was bedroefd over hun lot, nu ze allen van Ekeby weg moesten. De
+zwakheden van den ouderdom wachten hen. Hij, die oud en knorrig is,
+wordt maar koel ontvangen, waar hij ook komt. De arme kavalier, die
+gedwongen is, zich bij een boer in den kost te koopen, heeft geen
+vroolijke dagen: ver van vrienden en avonturen kwijnt hij eenzaam weg.
+
+En toen sprak hij tegen hen, de zorgeloozen, door de wisseling van
+het lot gehard. Nog ééns noemde hij hen: "Oude goden en ridders,
+die gekomen waren om de vreugde te brengen in het ijzerland en den
+ijzertijd."
+
+Maar hij klaagde er over, dat de tuin, waar de vreugde op vlinderwieken
+ronddartelde, door rupsen werd verwoest, zoodat de vruchten niet
+rijpten.
+
+Wel wist hij, dat de vreugde een zegen voor de kinderen der aarde was
+en dat die gevonden moest kunnen worden. Maar als een duister raadsel
+klonk de vraag over de wereld, hoe een mensch tegelijk verheugd en
+goed kan zijn. Dat was het gemakkelijkste en tegelijk het moeilijkste
+in de wereld, zei hij. Tot nu toe hadden zij dat raadsel niet kunnen
+oplossen. Nu wilde hij aannemen, dat zij het geleerd hadden, dat zij
+allen het geleerd hadden in dit jaar vol vreugde en nood, vol geluk
+en smart.
+
+
+
+
+
+
+
+FINALE.
+
+
+Ach, gij goede heeren kavaliers! ook voor mij ligt over deze ure de
+bitterheid der scheiding. Dit is nu de laatste nacht, dien we samen
+doorwaakten. Uw vroolijk lachen zal ik niet meer hooren, noch uw
+lustige liedjes. Van u en al die blijde menschen aan den oever van
+'t Löfvenmeer moet ik nu scheiden.
+
+Gij, vriendelijke ouden! Gij hebt mij goede gaven gegeven. Aan mij,
+die in weelde leefde, bracht gij voor 't eerst geruchten van 's levens
+bonte wisselingen. Een geweldigen reuzenstrijd zag ik strijden om de
+meren uit de droomen van mijn kindsheid. Maar wat gaf ik u?
+
+Misschien heeft het u toch verheugd, dat uw namen nog eens genoemd
+zijn, tezamen met die van uw geliefde hoeven. Ach, dat alle glans van
+uw leven stralen moge over de streek waar ge geleefd hebt. Nog staat
+Borg, nog staat Björne! nog ligt Ekeby aan 't Löfvenmeer, omringd door
+watervallen en meertjes, door parken en bosschen en als men daar staat
+op de breede balkons, zwermen de sagen om u heen als de bijen in den
+zomer.... Van bijen gesproken! laat ik u nog even iets vertellen.
+
+De kleine Ruster, die als trommelslager voor 't Zweedsche leger
+uitging, toen het in 1813 Duitschland introk, werd later het vertellen
+van dat wonderbare land in 't zuiden nooit moe. De menschen waren
+er zoo groot als kerktorens, de zwaluwen als arenden en de bijen
+als ganzen.
+
+"Maar de bijenkorven dan?"
+
+"O! die waren als gewone bijenkorven."
+
+"En hoe kwamen de bijen er dan in?"
+
+"Ja, dat moeten zij weten," antwoordde kleine Ruster.
+
+Lieve lezers, moet ik niet 't zelfde zeggen? Hier hebben de reuzenbijen
+der fantaisie om ons heen gegonsd, dag en nacht. Maar hoe ze in
+de bijenkorf van de werkelijkheid zullen komen. Ja, dat moeten ze
+wezenlijk zelf weten!
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] In Zweden spreken jonge menschen oude vrienden dikwijls als "Oom"
+en "Tante" aan.
+
+[2] In het noorden worden bruid en bruidegom afzonderlijk door
+verwanten of vrienden naar het altaar gebracht.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Gösta Berling, by Selma Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GÖSTA BERLING ***
+
+***** This file should be named 36225-8.txt or 36225-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/6/2/2/36225/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/36225-8.zip b/old/36225-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..fc3c7b5
--- /dev/null
+++ b/old/36225-8.zip
Binary files differ