diff options
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/36225-8.txt | 16683 | ||||
| -rw-r--r-- | old/36225-8.zip | bin | 0 -> 299605 bytes |
2 files changed, 16683 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/36225-8.txt b/old/36225-8.txt new file mode 100644 index 0000000..cb5ae65 --- /dev/null +++ b/old/36225-8.txt @@ -0,0 +1,16683 @@ +The Project Gutenberg EBook of Gösta Berling, by Selma Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Gösta Berling + +Author: Selma Lagerlöf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: May 25, 2011 [EBook #36225] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GÖSTA BERLING *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + GÖSTA BERLING + + Naar het Zweedsch + Van + SELMA LAGERLÖF + + Schrijfster van "Ingrid", "De Koninginnen van Kungahälla", + "De Wonderen van den Antichrist" enz. + + Door + Margaretha Meijboom + Met toestemming van de Schrijfster. + + + + Derde Druk + + Amsterdam + H. J. W. Becht + 1901 + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + I. Inleiding. De predikant 1 + II. Inleiding. De bedelaar 9 + I. Kerstnacht 21 + II. Het Kerstfeest 33 + III. Gösta Berling, de dichter 43 + IV. La Cachucha 55 + V. Het bal op Ekeby 59 + VI. De oude voertuigen 75 + VII. De groote beer op Gurlita Klätt 89 + VIII. De verkooping op Björne 102 + IX. De jonge gravin 126 + X. Spookhistories 147 + XI. De geschiedenis van Ebba Dohna 159 + XII. Juffrouw Marie 175 + XIII. Neef Christoffel 185 + XIV. De wegen des levens 190 + XV. Boete 203 + XVI. Het ijzer van Ekeby 213 + XVII. 't Huis van Liljecrona 224 + XVIII. De heks van Dovre 230 + XIX. Het zomerfeest 235 + XX. Vrouw Musica 239 + XXI. De predikant van Broby 247 + XXII. De heiligenbeelden 253 + XXIII. Gods gezant 260 + XXIV. Het kerkhof 272 + XXV. Oude liederen 276 + XXVI. De dood als bevrijder 286 + XXVII. De droogte 294 + XXVIII. De moeder van het kind 306 + XXIX. Liefde overwint alles 315 + XXX. Het meisje van Nygaard 321 + XXXI. Kevenhüller 334 + XXXII. De markt van Broby 345 + XXXIII. De kleine hoeve in het bosch 353 + XXXIV. Margaretha Celsing 370 + Finale 384 + + + + + + + +INLEIDING. + + +I. + +DE PREDIKANT. + + +Eindelijk stond de predikant op den preekstoel. + +De menschen in de kerk hieven het hoofd op. Dus was hij er toch! Dus +dezen keer werd de dienst niet afgeluid, zooals den vorigen Zondag +en zooveel andere Zondagen. + +De predikant was jong, lang, slank en stralend van schoonheid. Wanneer +men hem een helm op 't hoofd had gezet, en hem een zwaard en een +harnas gegeven, zou men een marmeren beeld van hem hebben kunnen +maken en het naar den schoonsten Griek noemen. + +Hij had de diepe oogen van een dichter en de vaste, ronde kin van +een veldheer. Alles aan hem, was schoon, fijn, vol uitdrukking en +doorgloeid van een geniaal, geestelijk leven. + +De menschen in de kerk werden wonderlijk te moede, toen zij hem zóo +zagen. Ze waren meer gewend hem ietwat slingerend uit de herberg +te zien komen, met zijne vroolijke kameraden, zooals Beerencreutz, +de overste, met de dikke, witte snor, en de sterke kapitein Bergh. + +Hij had zóo gezwierd, dat hij gedurende vele weken zijn ambt niet +had kunnen waarnemen. De gemeente had over hem moeten klagen, eerst +bij zijn Proost en toen bij den Bisschop en het Domkapittel. Nu was +de bisschop in de gemeente gekomen, om kerkvisitatie te houden. Hij +zat in het koor met het gouden kruis op de borst. Predikanten uit +Karlstad en van de naburige gemeenten zaten om hem heen. + +Er was geen twijfel aan--het gedrag van den predikant was over de +grenzen van het betamelijke gegaan. In dien tijd--het was omstreeks +1820--nam men het niet zoo nauw, als iemand dronk; maar deze man had +zijn werk verzuimd om te kunnen drinken, en nu zou het hem afgenomen +worden. + +Hij stond op den preekstoel en wachtte, terwijl de gemeente het +laatste psalmvers zong. + +Daar kwam, terwijl hij daar stond, de zekerheid over hem, dat hij +vijanden voor zich had, louter vijanden in de geheele kerk. De heeren +en dames in de gesloten banken, de boeren in het ruim, de aannemelingen +in het koor--zij waren allen zijne vijanden. 't Was een vijand, die +'t orgel bespeelde; ook de orgeltrapper was zijn vijand. + +Allen haatten zij hem, van de kleine kinderen af, die in de kerk +gedragen werden, tot den plaatsbewaarder toe, een stijf en stram +soldaat, die den slag bij Leipzig bijgewoond had. + +De predikant had wel willen knielen en hen smeeken barmhartig jegens +hem te zijn. + +Maar een oogenblik later kwam een gevoel van smart en toorn over +hem. Hij wist nog wel hoe hij geweest was, toen hij voor een jaar +dezen preekstoel voor 't eerst beklom. Toen was hij een smetteloos +man, en nu stond hij daar en zag neer op den bisschop met het gouden +kruis om den hals, die gekomen was om hem te veroordeelen. + +Terwijl hij het voorgebed las, steeg hem telkens het bloed naar de +wangen. Dat was van smart en toorn. + +Het was waar, dat hij gezwierd had,--maar wie had recht hem daarvoor +aan te klagen? Had iemand de pastorie gezien, waarin hij leven +moest? Donker en spookachtig groeide het dennenbosch tot vlak voor +zijn vensters. De zwarte zolderingen dropen van 't vocht; 't water +liep langs de beschimmelde muren. Had hij dan geen brandewijn noodig, +om den moed er in te houden, als de regen of de sneeuwstorm naar binnen +joeg door de gebarsten ruiten, als de slecht bewerkte, verwaarloosde +akker geen brood genoeg gaf om den honger te weren. + +Het kwam hem voor, dat hij juist een predikant geweest was, zooals +zij er een verdienden. Zij dronken immers allemaal. Waarom zou hij de +eenige zijn, die zich iets ontzegde? De man, die zijn vrouw begraven +had, dronk zich een roes aan 't begrafenismaal. De vader, die zijn kind +ten doop gebracht had, hield daarna een drinkgelag. De gemeente dronk, +als ze van de kerk naar huis ging, zoodat de meesten beschonken thuis +kwamen. Een predikant, die dronk, was goed genoeg voor hen! + +'t Was op ambtsreizen gebeurd, als hij in zijn dunnen mantel mijlen +ver over de bevroren meren had moeten rijden, waar alle koude winden +elkaar ontmoetten, als hij op dezelfde meren in een open boot had +moeten varen, in storm en stortregen, als hij in sneeuwjacht uit de +slede had moeten stappen om het paard een weg te banen door huizenhooge +sneeuwmassa's, of als hij door 't bosch moest waden--toen was het +gebeurd, dat hij den brandewijn had liefgekregen! + +De dagen van dit jaar waren langzaam omgekropen in duisternis en +gedruktheid. Heeren en boeren waren met al hun gedachten aan 't stof +der aarde gebonden; maar 's avonds had de geest zijn boeien afgeworpen, +door den brandewijn bevrijd! De inspiratie was gekomen; 't hart was +warm geworden; 't leven straalde van heerlijkheid; liederen klonken +en rozen geurden. De gelagkamer werd dan voor hem een zuidelijken +bloementuin; druiven en olijven hingen boven zijn hoofd; marmeren +beelden blonken tusschen 't donkere loof; philosofen en dichters +wandelden onder palmen en platanen. + +Neen, hij, de predikant daar op den preekstoel, wist, dat zonder +brandewijn het leven in die streken niet uit te houden was. Al zijn +toehoorders wisten het, en nu wilden ze hem veroordeelen! + +Zij wilden hem zijn toga afrukken, omdat hij beschonken geweest was +in het huis van hun God! O, al die menschen hadden zij dan .... wilden +zij zich verbeelden, dat zij een anderen God hadden dan den brandewijn! + +Hij had het voorgebed gelezen en boog zich neer, om het Onze Vader +uit te spreken. + +'t Was ademloos stil in de kerk onder het gebed. Plotseling +greep de predikant met beide handen naar de banden, die zijn toga +vasthielden. 't Kwam hem voor alsof de geheele gemeente, de bisschop +vooraan, de trap van den preekstoel opsloop, om hem zijn toga af +te rukken. Hij lag geknield en zag niet op, maar hij voelde hoe ze +trokken. En hij zag hen zoo duidelijk, de proosten, de predikanten, +de kerkvoogden, den klokkeluider en de gemeente, in één lange rij, +trekkend met alle kracht, om de toga los te krijgen. En hij kon +zich zoo duidelijk voorstellen, hoe ze allen, die nu zoo rukten en +trokken, over elkaar de trap af zouden rollen, als de toga losvloog; +en die heele rij daar beneden, die niet aan de toga, allen aan elkaars +kleeren trokken, ze zouden allemaal vallen! + +Hij zag het zoo duidelijk, dat hij bijna hardop gelachen had, terwijl +hij daar geknield lag. Maar op 't zelfde oogenblik parelde het koude +zweet op zijn voorhoofd. 't Was toch al te afschuwelijk! + +Dat hij nu een verworpeling zou worden ter wille van den +brandewijn! Een afgezette predikant--was er wel iets ellendigers +op aarde! + +Hij zou een van de bedelaars zijn aan den grooten weg, dronken aan +den slootkant liggen, in lompen gekleed gaan, met vagebonden omgaan. + +'t Gebed was ten einde. Hij moest zijn preek voorlezen. Toen kwam een +gedachte bij hem op, die de woorden deed verstommen op zijn lippen. Hij +dacht er aan, dat het voor 't laatst was, het hem vergund zou zijn, +daar te staan en Gods eer te verkondigen. + +Voor 't laatst! Dat trof den predikant zóo, dat hij den brandewijn +en den bisschop vergat. Hij moest de gelegenheid aangrijpen en van +Gods eer getuigenis afleggen. + +Het kwam hem voor alsof de kerk met alle toehoorders diep, heel +diep wegzonk, alsof het dak van de kerk genomen werd en hij in den +hemel kon zien. Hij stond alleen, geheel alleen op den preekstoel, +en zijn ziel kreeg vleugels en vloog op naar den open hemel boven hem, +en zijn stem werd sterk en geweldig--en hij verkondigde Gods eer. + +Hij was een man van inspiratie. Hij liet de geschreven preek +liggen. Als een duivenvlucht daalden de gedachten op hem neer. Het +was hem als ware het een ander, die sprak; maar het werd hem ook +helder, dat dit het hoogste op aarde was, en dat niemand in glans en +heerlijkheid hem nabij kwam, die daar stond en Gods eer verkondigde. + +Zoolang de vurige tongen der inspiratie op hem rustten, sprak hij; +maar toen die gebluscht waren, en toen 't dak weer over de kerk was +gedaald en de toehoorders weer waren opgekomen uit de diepte, toen +boog hij zich neer en schreide; want hij dacht, dat het leven hem +zijn beste oogenblikken gegeven had en dat die nu voorbij waren. + +Na den dienst zou er vergadering en onderzoek volgen. De bisschop +vroeg of de gemeente zich te beklagen had over hun leeraar. + +De predikant was niet meer trotsch en vertoornd als vóór de preek. Nu +schaamde hij zich en boog het hoofd. Ach, nu zouden al die ellendige +brandewijnhistories voor den dag komen. + +Maar er kwam geen enkele. 't Was doodstil om de groote tafel in de +kerkeraadskamer. + +De predikant zag op, eerst naar den klokkeluider--neen, hij zweeg; +toen naar de kerkvoogden, toen naar de notabelen en naar de eigenaars +der ijzermijnen; maar allen zwegen. Zij hielden de lippen vast gesloten +en keken half verlegen neer op tafel. + +"Zij wachten maar tot één begint," dacht de predikant. + +Een der kerkvoogden kuchte. + +"Ik vind, dat we een besten leeraar hebben," zeide hij. + +"De bisschop heeft immers zelf gehoord hoe hij preeken kan," stemde +de klokkeluider toe. + +De bisschop zei iets van "dikwijls den dienst afluiden." + +"Maar een dominé mag toch even goed wel eens ziek zijn als andere +menschen," meenden de boeren. + +De bisschop maakte een toespeling op een gerucht van misnoegdheid +over de levenswijze van den predikant. + +Zij verdedigden hem eenparig. Hij was nog zoo jong, hun leeraar; +wat zou men daarvan zeggen. Neen, als hij maar altijd zóó preeken +wilde als hij vandaag gedaan had, dan wilden ze hem zelfs voor den +bisschop niet ruilen. + +Er waren geen aanklagers, geen rechters! De predikant voelde hoe +zijn hart zich verruimde, hoe zijn bloed lichter door zijne aderen +vloot. Hij was dus niet meer door vijanden omringd. Hij had hen +gewonnen, toen hij er allerminst aan dacht hun predikant te zullen +blijven! + +Na de kerkvisitatie dineerden de bisschop, de proosten, de predikanten +en de notabelen in de pastorie. De vrouw van een der naburige +predikanten had op zich genomen voor het feest te zorgen, want de +predikant was ongehuwd. Zij had alles zoo goed mogelijk geschikt, +en het kwam hem voor, dat de pastorie toch zoo akelig niet was. De +lange tafel was buiten gedekt onder de dennen en stond zoo mooi: 't +blauwe en witte porselein, de schitterende glazen en de net gevouwen +servetten. Twee berkeboomen bogen zich over den ingang. In de voorkamer +was de grond met groene takjes bestrooid en aan den dakbalk hing een +bloemkrans; in alle kamers stonden bloemen, de muffe lucht was weg, +en de groene vensterruiten blonken vroolijk in den zonneschijn. + +De predikant was zielsblij; hij beloofde zichzelf nooit meer te +drinken. + +Er was niemand, die niet blij was aan dien feestdisch. Zij, die +grootmoedig geweest waren en vergeven hadden, waren blij, en de +predikanten en proosten waren blij, omdat ze een schandaal hadden +kunnen vermijden. + +De goede bisschop hief zijn glas op en sprak. Hij was deze reis met een +bezwaard hart begonnen, want hij had veel booze geruchten gehoord. Hij +was uitgegaan om een Saulus te zoeken, en zie, Saulus was tot een +Paulus geworden, die meer zou arbeiden dan alle anderen. En de vrome +oude sprak verder over de rijke gaven, die hun jonge broeder ontvangen +had, en roemde die. Niet opdat hij er zich op verhoovaardigen zou, +maar opdat hij al zijn krachten zou inspannen en zich zelf wèl in +acht nemen, zooals een man behoort te doen, wien een zeer zware en +kostbare last op de schouderen is gelegd. + +De predikant dronk niet te veel dien middag, maar in een roes was hij +toch. Al dat groote, onverwachte geluk steeg hem naar het hoofd. De +hemel had vlammende tongen van geestdrift op hem doen nederdalen, en de +menschen hadden hem liefde geschonken. 't Bloed stroomde koortsachtig +en met geweldige snelheid door zijn aderen, nog toen de avond viel +en zijn gasten vertrokken. Laat in den nacht zat hij in zijn kamer +en liet de nachtlucht door het open venster naar binnen stroomen +om den koortsgloed van geluk te koelen, de onrust en verrukking, +die hem beletten te slapen. + +Daar klonk een stem: "Ben je nog wakker, dominé?" + +Een man kwam over het gras naar het huis toe. De predikant zag uit +het venster en herkende den sterken kapitein Kristiaan Bergh, een +van zijn trouwste zwierkameraden. + +Een zwervend man, zonder tehuis, was die kapitein Bergh, een reus +van gestalte en kracht, groot als een berg en dom als een berggeest. + +"Ja, zeker ben ik wakker, kapitein," antwoordde de predikant. "Vindt +je, dat dit een nacht is om te gaan slapen?" + +En hoor nu wat kapitein Kristiaan hem vertelt. De reus had er al +een voorgevoel van gehad en begreep nu, dat de predikant van zijn +drinkgelagen afscheid zou nemen. Hij zou nooit meer rust hebben, +meende kapitein Kristiaan, want die proosten en dominees uit Karlstad, +die er eens geweest waren, konden immers terugkomen en hem zijn toga +afnemen, als hij weer aan het feestvieren ging. + +Maar nu heeft kapitein Kristiaan zijn slag geslagen en 't zóó gemaakt, +dat er nooit een proost of een predikant meer komen zal, en ook geen +bisschop. Nu kunnen de predikant en zijn vrienden in de pastorie net +zooveel drinken als ze willen. Want raad eens wat de kapitein gedaan +heeft! Toen de bisschop en de overige geestelijken in den gesloten +wagen waren gegaan en het portier goed dicht zat, was de kapitein +op den bok gaan zitten, om hem een paar mijlen ver te brengen in +den lichten zomernacht. En hij had ze eens laten voelen wat het was: +zijn leven aan een zijden draadje te voelen hangen; hij had de paarden +voort laten draven in razende vaart. Dat moesten ze nu eens hebben, +omdat zij een eerlijk man niet eens een roes gunden. + +Meen niet, dat hij op den grooten weg bleef, of dat hij er bang voor +was ze eens door elkaar te schudden. Hij reed over slooten en velden +met boomknoesten, hij vloog in galop van de heuvels naar beneden, +hij reed door het meer, zoodat 't water tot over de wielen opspatte, +en hij ging langs de berghelling, zoodat de paarden de voorpooten stijf +uithielden en zich lieten glijden. En al dien tijd zaten de bisschop +en de predikanten met bleeke gezichten gebeden te mompelen. Erger +rijtoer hadden ze zeker nooit gedaan. + +Men kan zich denken hoe ze er uitzagen, toen ze aan de herberg te +Rissäter kwamen: levend, maar door elkaar geschud als hagel in een +leeren zakje. + +"Wat moet dat beteekenen, kapitein Kristiaan?" vraagt de bisschop, +toen hij het portier open doet. + +"Dat beteekent, dat de bisschop zich twee keer bedenken moet, eer +hij weer bij Gösta Berling op kerkvisitatie komt," antwoordt kapitein +Kristiaan, en dien zin heeft hij vooruit bedacht en van buiten geleerd, +om niet in de war te komen bij 't uitspreken. + +"Nu, groet dan Gösta Berling," zegt de bisschop, "en zeg hem, dat +bij hem noch ik, noch een ander bisschop ooit meer komen zal." + +Zie, dat heldenstuk staat de sterke kapitein daar aan den predikant +te verhalen bij 't open venster in den lichten zomernacht. Want hij +heeft zoo juist de paarden naar de herberg teruggebracht, en is toen +dadelijk naar de pastorie gegaan, om 't nieuws te vertellen. + +"Nu kun je dus gerust zijn, beste vriend," zegt hij. Ach kapitein +Kristiaan! Met bleeke gezichten zaten de geestelijken in 't rijtuig, +maar de predikant aan 't venster, in dien lichten zomernacht, zag +nog veel, veel bleeker. Ach, kapitein Kristiaan! + +De predikant hief den arm op en wilde den reus een geweldigen slag in +zijn grof, dom gezicht geven, maar hij bedwong zich. Met een woesten +zwaai sloeg hij 't venster dicht, bleef midden in de kamer staan, +en schudde de gebalde vuist tegen den hemel. + +Hij, op wien de vurige tongen der inspiratie waren neergedaald, +hij, die Gods eer verkondigd had--hij stond daar met de vreeselijke +gedachte, dat God hem verlaten en beschimpt had. + +Moest de bisschop niet denken, dat hij kapitein Kristiaan hierop +uitgestuurd had? Moest hij niet denken, dat hij den ganschen dag +gelogen en gehuicheld had? Nu zou hij wel ernst met het onderzoek +maken, hem eerst schorsen en dan afzetten. + +Toen de morgen kwam, was de predikant uit de pastorie verdwenen. Hij +wilde niet blijven en zich verdedigen. God had hem verlaten. Hij zou +afgezet worden, dat wist hij. God wilde het. Dan kon hij evengoed +dadelijk heengaan. + +Dit gebeurde omstreeks 1820 in een afgelegen gemeente van +West-Wermeland. + +'t Was het eerste ongeluk, dat Gösta Berling trof, maar 't was het +laatste niet. + +Want voor paarden, die sporen noch zweep kunnen verdragen, is het +leven niet gemakkelijk. Bij elke pijn, die ze voelen, hollen ze voort +op woeste wegen, die naar gapende afgronden leiden. Zoodra er steenen +op den weg liggen en de rit moeielijk wordt, weten ze niets beter te +doen, dan den wagen om te werpen en door te hollen. + + + + + + + +II. + +DE BEDELAAR. + + +Op een kouden Decemberdag kwam een bedelaar den Brobyheuvel op. Hij +was gekleed in de ellendigste lompen, en zijne schoenen waren zóó +versleten, dat de koude sneeuw zijn voeten nat maakte. + +Löfven is de naam van een lang, smal meer in Wermeland, dat op een paar +plaatsen sterk vernauwd wordt. 't Strekt zich uit naar 't Noorden tot +aan de Finbosschen en naar 't Zuiden tot het Wermermeer. Vele gemeenten +liggen langs den oever; maar Broby is de grootste en rijkste. Die neemt +een groot stuk van den oostelijken en westelijken oever in; maar aan +de westkust liggen de groote hoeven, zulke landgoederen als Ekeby +en Björne, ver beroemd om hun rijkdom en schoonheid, en het groote +dorp Broby met de herberg, 't stadhuis, de woning van den leensman, +de pastorie en de markt. + +Broby ligt op een steile helling. De bedelaar was de herberg voorbij +gegaan, die aan den voet van den heuvel ligt, en werkte zich nu omhoog +naar de pastorie, die het hoogst ligt. + +Voor hem ging een klein meisje denzelfden weg; zij trok een slee voort, +met een zak meel er op. De bedelaar haalde haar in en sprak haar aan. + +"Dat is een klein paardje voor een groote lading," zei hij. + +'t Kind keek om en zag hem aan. Het was een klein ding van twaalf jaar, +met doordringende, scherpe oogen en saamgeknepen lippen. + +"'t Was te wenschen dat 't paard kleiner en de lading grooter was; +dan kwam ik er langer mee toe," antwoordde zij. + +"Is het soms je eigen voer, dat je naar huis sleept?" + +"Ja, God beware me. Ik moet voor mijn eigen eten zorgen, zoo klein +als ik ben." + +De bedelaar sloeg de hand aan de slee en duwde die voort. 't Meisje +wendde zich om en zag naar hem. + +"Je moet niet denken, dat je er iets voor krijgt," zei ze. + +De bedelaar lachte luid. "Je bent zeker de dochter van den dominé +uit Broby," zei hij. + +"Ja, dat ben ik. Een armer vader heeft menigeen, maar een slechter +vader heeft niemand. 't Is de heilige waarheid, al is 't ook schande, +dat zijn eigen kind het zeggen moet." + +"Hij is zeker gierig en kwaadaardig, je vader?" + +"Gierig is hij, en kwaadaardig ook, maar zijn dochter wordt nog erger, +als ze leven blijft," zeggen de menschen. + +"'t Kan best zijn, dat de menschen gelijk hebben. Ik zou wel eens +willen weten hoe je aan dien zak meel gekomen bent." + +"Dat kan ik je wel zeggen. Ik heb koren van morgen uit vaders schuur +gehaald en ben er nu mee naar den molen geweest." + +"Maar ziet hij je nu niet, als je er nu mee thuis komt?" + +"Jij bent ook niet slim. Vader is uit op huisbezoek. Dat kun je toch +wel begrijpen." + +"Maar daar komt iemand achter ons de hoogte oprijden. Ik hoor de +sneeuw kraken onder de slee. Als hij dat nu eens was!" + +'t Meisje luisterde en tuurde. Plotseling begon ze luid te +schreien. "'t Is vader," snikte ze. "Hij slaat me dood! Hij slaat +me dood." + +"Ja, nu is goede raad duur, en wie gauw helpt, helpt dubbel," zei +de bedelaar. + +"Hoor eens," zei 't kind, "jij kunt me helpen. Neem het touw en trek +de slee voort; dan neemt vader dat hij van jou is." + +"Maar wat moet ik er mee doen?" vroeg de bedelaar, en nam het touw +over den schouder. + +"Ga er mee heen waar je wilt, maar kom er mee naar de pastorie als +'t donker wordt. Ik zal je wel opvangen." + +"Ja, dat kan ik wel doen." + +"Wee je gebeente, als je niet komt!" riep het meisje, en draafde weg, +om vóór haar vader thuis te zijn. + +Met een bezwaard hart keerde de bedelaar om en ging met de slee naar +de herberg. De stumper had een heerlijken droom gehad, terwijl hij +daar in de sneeuw liep met zijn halfnaakte voeten. Hij had aan de +groote bosschen loopen denken, ten noorden van 't Löfvenmeer, de +groote Fin-bosschen. + +Hier, in de gemeente Broby, waar hij nu rondzwierf langs 't smalle +water tusschen 't boven- en 't beneden-Löfvenmeer, in deze streken, +beroemd om hun rijkdom en vreugde, waar landgoed aan landgoed en +ijzermijn naast ijzermijn te vinden zijn, viel hem de weg te zwaar; +de kamers waren hem te eng, de bedden te hard. Hier verlangde hij +zoo bitter naar den vrede in de groote, eeuwige bosschen. + +Hier hoorde hij op iederen dorschvloer de vlegels klepperen, alsof +'t dorschen nooit een einde zou nemen. Timmerhout en steenkool +werden bij ladingen vol uit de onuitputtelijke wouden hierheen +gebracht. Eindelooze rijen wagens met erts werden langs de wegen met +diepe wielsporen, door honderden voorgangers getrokken, naar boven +gehaald. Hij zag sleden van hoeve naar hoeve gaan, en 't kwam hem voor, +als hield blijdschap de teugels, als stonden schoonheid en liefde op +zij van de sleden. + +Ach, hoe liep die stumper daar te verlangen naar den vrede in de +groote, eeuwige bosschen. + +Daar, waar de boomen hoog en rank als zeilen opsteken uit de effen +vlakte, waar de sneeuw in zware lagen op de onbewegelijke takken rust, +waar de wind geen macht heeft, maar alleen heel stil met de naalden in +de toppen spelen kan, daarheen wilde hij, al verder en verder daarin, +tot eindelijk zijn krachten hem zouden begeven, en hij neer zou zinken +onder de groote boomen en sterven van kou en honger. + +Hij verlangde naar het groote, suizende graf, daar bij het Löfvenmeer, +waar de macht der vernietiging hem meester worden kon, waar het +eindelijk kou, honger, vermoeidheid en brandewijn gelukken zou zijn +ellendig lichaam te vernielen, dat tot nu toe alles uitgehouden had. + +Hij was bij de herberg gekomen, en wilde tot den avond wachten. Hij +ging in de gelagkamer, en zat in doffe rust op een bank bij de deur, +en droomde van de eeuwige bosschen. + +De waardin had medelijden met hem, en gaf hem een glaasje van haar +sterken, zoeten brandewijn. En zij gaf er hem nog een, omdat hij er +zoo dringend om vroeg. + +Meer wilde zij hem niet geven en de bedelaar werd wanhopend. Hij moest +meer hebben van dien sterken, heerlijken brandewijn. Hij moest nog +eens 't hart in zich voelen opspringen van vreugde en zijn gedachten +opvlammen in een roes. O, dat gezegend brouwsel! Zomerzon, vogelgezang, +al de geuren en schoonheid van den zomer zweefden er over heen. Nog +éens, eer hij verdwijnt, wil hij geluk en zonneschijn indrinken. + +Toen ruilde hij eerst het meel, toen den zak en eindelijk de +slee--alles voor brandewijn. Daardoor kreeg hij een goeden roes +en sliep het grootste gedeelte van den middag op een bank in de +gelagkamer. + +Toen hij wakker werd, zag hij in, dat er in de wereld maar éen ding +voor hem overbleef. Nu dit ellendige lichaam zóozeer zijn ziel +beheerschte, nu hij voor drank kon weggeven wat een kind hem had +toevertrouwd, nu hij een schandvlek op de aarde geworden was, moest +hij die verlossen van zijn ellende. Hij moest zijn ziel de vrijheid +hergeven--haar naar God laten gaan. + +Hij lag op de bank in de gelagkamer, en hield gericht over zichzelf: +"Gösta Berling, afgezette predikant, beschuldigd het eigendom van een +hongerig kind verdronken te hebben, wordt ter dood veroordeeld. Tot +welken dood? Tot den dood in de sneeuw." + +Hij greep zijn muts en wankelde naar buiten. Hij was nog niet geheel +wakker en ook niet geheel nuchter. Hij schreide, uit medelijden +met zichzelf, over zijn arme, vernederde ziel, die hij de vrijheid +hergeven moest. + +Hij ging niet ver en bleef op den weg. Aan den kant lag een hooge +sneeuwhoop, waarin hij zich neerwierp om te sterven. Hij sloot de +oogen en beproefde te slapen. + +Niemand weet hoe lang hij daar lag, maar er was nog leven in hem, +toen het dochtertje van den predikant te Broby langs den weg kwam +loopen, met een lantaarn in de hand, en hem in de sneeuw aan den +kant vond. Zij had uren op hem gewacht. Nu kwam zij den Brobyheuvel +afhollen, om te weten te komen waar hij toch bleef. + +Ze herkende hem dadelijk en begon hem te schudden en uit alle macht +te schreeuwen om hem wakker te krijgen. + +Ze moest weten wat die man met haar meelzak gedaan had. Ze moest hem in +'t leven terugroepen, ten minste zóó lang, dat hij haar zeggen kon, +wat er van haar slee en haar zak geworden was. Haar vader zou haar +doodslaan, als hij hoorde, dat zij zijn slee had weggemaakt. Zij beet +den bedelaar in de vingers, krabde hem in 't gezicht en schreeuwde +als een wanhopende. + +Daar kwam iemand langs den weg aanrijden. + +"Voor den duivel! Wie schreeuwt daar zoo?" vroeg een barsche stem. + +"Ik wil weten, wat hij met mijn slee en mijn zak met meel gedaan +heeft," jammerde het kind en sloeg den bedelaar met de gebalde vuisten +op de borst. + +"Krabbel jij een doodgevroren man? Weg met jou, krabbekat!" + +De stem was van een groote, grof gebouwde vrouw. Zij kwam uit de slede +en ging naar den sneeuwhoop. 't Kind nam ze bij den nek en wierp het +op zij van den weg; toen boog ze zich neer, schoof den arm onder den +rug van den bedelaar en lichtte hem op. Toen droeg zij hem in de slee +en legde hem er in neer. "Kom mee naar de herberg, jou heks!" riep +ze tegen het meisje: "dan kunnen we hooren, wat jij van hem weet." + + + +Een uur later zat de bedelaar op een stoel bij de deur in de "mooie +kamer" van de herberg, en voor hem stond de krachtige vrouw, die hem +uit den sneeuwhoop gered had. + +Zooals Gösta Berling haar nu zag, zooals ze uit de +steenkoolbergplaatsen in 't bosch kwam, met zwarte handen en een +stompje pijp in den mond, met een korte lamspels zonder voering aan, +met een kleed van gestreept, zelf gesponnen wollen goed, de schoenen +met ijzerbeslag en een mes in een schee voor in haar borst, tusschen +de plooien van haar pels, met het grijze haar glad weggestreken van +haar mooi oud gezicht--zoo had hij haar honderdmaal hooren beschrijven, +en hij begreep, dat de beroemde majoorsvrouw van Ekeby voor hem stond. + +Zij was de machtigste vrouw in Wermeland, meesteres van zeven +ijzermijnen, gewend te bevelen en gehoorzaamd te worden; hij was maar +een ellendige, ter dood veroordeelde stumper, van alles ontbloot, +met de bewustheid, dat elke weg hem te zwaar, elke kamer hem te eng +was. Hij beefde van angst terwijl haar blik op hem rustte. + +Zij stond zwijgend neer te zien op dat hoopje menschelijke ellende daar +vóor haar, op die roode, gezwollen handen, die vermagerde gestalte +en dat prachtige hoofd, dat, hoe vervallen en verwaarloosd ook, +nog een woeste schoonheid vertoonde. + +"Je bent immers Gösta Berling, de gekke dominé?" vroeg zij. + +De bedelaar bleef onbeweeglijk zitten. + +"Ik ben de Majoorske van Ekeby." + +Een rilling ging den bedelaar door de leden. Hij vouwde de handen +en sloeg de oogen verlangend op. Wat zou zij met hem doen? Zou ze +hem dwingen te leven? Hij beefde voor haar kracht. Ach, hij was den +vrede der eeuwige bosschen zoo nabij geweest. + +Zij begon den strijd met hem te zeggen, dat de dochter van den +predikant haar slee en haar meel teruggekregen had, en dat zij, de +Majoorske, een tehuis voor hem had, in den vleugel van de "kavaliers," +op Ekeby. Zij bood hem een leven van vreugd en heerlijkheid aan, +maar hij antwoordde, dat hij sterven moest. + +Toen sloeg zij met de vuist op tafel en zei hem de waarheid in ronde +woorden. + +"Zoo! Wil jij sterven? Ja, dat zou me niet verbazen--als je maar +leefde! Maar kijk eens naar je uitgemergeld lichaam, je krachtelooze +leden, je matte oogen. Meen je, dat er nog wat over is om dood te +maken? Meen je soms, dat je precies in een dicht gespijkerde kist moet +liggen om dood te zijn? Geloof je, dat ik niet zie hoe dood je bent, +Gösta Berling? + +"Ik zie, dat er een grijnzend doodshoofd op je schouders zit; ik zie, +dunkt me, de wormen uit en in je oogkassen kruipen. Voel je niet, dat +je mond vol aard zit? Kun je je knokkels niet hooren rammelen als je +je beweegt? Je hebt je in brandewijn verdronken, Gösta Berling, en dood +ben je al lang! Wat zich nu nog in je beweegt, zijn je doodsbeenderen, +en die wil je niet eens laten voortbestaan! + +"'t Is er ook een bestaan naar. 't Is even dwaas alsof je de dooden +een dans over de graven in den maneschijn niet gunt. + +"Schaam je je omdat je dominé geweest bent? En wil je daarom +sterven? Ik moet je zeggen, dat 't heel wat behoorlijker zijn zou als +je je gaven gebruiken wou en nog wat nut doen in Gods groote wereld. + +"Waarom kwam je niet dadelijk bij mij? Ik zou dat wel in orde gemaakt +hebben. + +"Nu meen je zeker, dat 't een heele eer is, als ze je op de spaanders +leggen en dan zeggen dat je zoo'n mooie doode bent!" + +De bedelaar zat nu rustig, half glimlachend naar haar boos gebulder +te luisteren, "'t kan geen kwaad! niets geen kwaad!" jubelde 't in +hem. "De eeuwige bosschen wachten, en zij heeft geen macht mij daar +vandaan te houden." + +Maar de Majoorske zweeg en liep een paar keer de kamer op en neer. Toen +ging zij bij de kachel zitten, zette de voeten tegen 't vuur en leunde +met de ellebogen op de knieën. + +"Alle duivels," zei ze en lachte in zichzelf. "Wat ik zeg is zóo waar, +dat ik 't zelfs nauwlijks gemerkt heb. Geloof je niet, dat de meeste +menschen dood of ten minste halfdood zijn? Geloof je dat ik leef? Och +neen, och neen! + +"Ja, kijk me maar aan! Ik ben Majoorske van Ekeby, en ik ben wel de +machtigste vrouw van 't heele Wermeland, zou ik denken. Als ik wenk +met éen vinger, danst de burgemeester, wenk ik met twee, dan danst +de bisschop, en wenk ik met drie, dan dansen de raadsleden en de +hooge geestelijkheid en alle eigenaars van mijnen in heel Wermeland +naar mijn pijpen op de markt in Karlstad. Voor den duivel, dominé, +ik zeg je: ik ben een aangekleed lijk. Onze lieve Heer weet 't best, +hoe weinig leven er in me is." + +De bedelaar boog zich voorover en luisterde met heel zijn ziel. De +oude Majoorske zat voor 't vuur en wiegde heen en weer. Ze zag hem +niet aan onder 't spreken. + +"Geloof je niet," ging ze voort, "dat, als ik een levend mensch +geweest was, dat je daar zag zitten, ellendig en ongelukkig, met +gedachten aan zelfmoord in je hart, dat ik die niet in een oogenblik +had kunnen wegblazen? Ik had dan tranen en gebeden voor je gehad, +die alles in je onderste boven zouden gehaald hebben. Ik had dan je +zondige ziel kunnen redden. Maar nu ben ik dood! Onze lieve Heer weet, +hoe weinig leven er in me is! + +"Heb je gehoord dat ik eens de mooie Margaretha Celsing was? Dat +is lang geleden; maar nog kan ik mijn oogen rood schreien over +haar! Waarom moest Margaretha Celsing sterven en Margaretha Samzelius +leven--waarom moet de Majoorske van Ekeby leven? Kun jij me dat zeggen, +Gösta Berling? + +"Weet je hoe Margaretha Celsing was? Ze was slank en fijn, schuchter +en onschuldig, Gösta Berling. Zij was een, op wier graf engelen +schreien. Ze wist van geen kwaad en niemand had haar ooit leed +gedaan. Zij had allen lief. En wonderlijk mooi was ze. + +"Er was een man, heerlijk om te zien. Hij heette Altringer. Niemand +weet hoe het kwam dat hij daar boven kwam, waar haar ouders hun +landgoed hadden. Hem zag Margaretha Celsing; hij was schoon, hij +was een man en hij had haar lief. Maar hij was arm en zij kwamen +overeen, dat zij op elkaar zouden wachten, "vijf jaar lang" zooals +'t volksliedje zegt. + +"Toen er drie jaar voorbij waren", vervolgde de Majoorske, "kreeg +zij een ander aanzoek. De man was leelijk; maar hare ouders meenden, +dat hij rijk was, en zij dwongen haar met praatjes en overredingen, +met slaag en booze woorden, hem tot man te nemen. Op dien dag stierf +Margaretha Celsing. Sinds dien tijd bestond zij niet meer, alleen maar +de Majoorske Samzelius, en die was niet goed, niet schuchter; zij +geloofde aan veel kwaad en lette niet op het goede. Je weet wel hoe +'t later ging: we woonden op Sjö, hier bij 't meer Löfven, de Majoor +en ik. Maar hij was niet rijk zooals de menschen gezegd hadden. Ik +heb vaak zware dagen gehad. + +"Toen kwam Altringer terug, en nu was hij rijk. Hij werd eigenaar van +Ekeby en onze buurman op Sjö; hij werd eigenaar van nog zes andere +landgoederen bij 't meer Löfven; hij was flink en ondernemend. Hij +was een heerlijk man! Hij hielp ons in onze armoede; wij reden in +zijn rijtuigen; hij zond eten voor onze keuken en wijn voor onzen +kelder. Hij vulde mijn leven met feesten en blijdschap. De majoor ging +op reis; hij moest naar den oorlog; maar wat kon ons dat schelen! Den +eenen dag was ik zijn gast op Ekeby, den anderen dag kwam hij naar +Sjö! O! daar ging een rondedans van vreugde om de oevers van 't +meer Löfven. + +"Maar toen begonnen zij kwaad te spreken van Altringer en mij. Had +Margaretha Celsing nog geleefd, dan zou haar dat zeker bedroefd +gemaakt hebben, maar ik gaf er niet om. Toch begreep ik nog niet, +dat het kwam omdat ik dood was, dat ik zoo ongevoelig was. + +"De praatjes over ons bereikten mijn vader en moeder, die bij den +kolenbrander, en in 't bosch bij Elvedal woonden. Zij bedacht zich +niet lang, de oude, maar kwam naar mij toe, om met mij te spreken. + +"Op een dag, dat de Majoor uit was en ik met Altringer en nog +vele anderen aan tafel zat, kwam zij naar Sjö. Ik zag haar de +eetzaal inkomen, maar ik voelde niet, dat zij mijn moeder was, Gösta +Berling. Ik groette haar als een vreemde en noodigde haar uit mee aan +te zitten en aan den maaltijd deel te nemen. Zij wilde mij toespreken +alsof ik haar dochter was; maar ik antwoordde, dat zij zich vergiste: +mijn ouders leefden niet meer; zij waren beiden overleden op mijn +trouwdag. + +"Toen kwam zij in haar rol. Zeventig jaar was ze, en dertig mijl had ze +gereden in drie dagen. Zij zette zich eenvoudig aan onze tafel en at +mee. Ze was een krachtige, oude vrouw. Zij zeide dat het treurig was, +dat ik juist op dien dag zulk een verlies geleden had. "Het treurigste +was," zeide ik, "dat mijn ouders niet den vorigen dag gestorven waren, +want dan was er van dat huwelijk niets gekomen." + +""Is mevrouw de Majoorske dan niet tevreden met haar huwelijk?" vroeg +zij toen." + +""Ja, zeker," antwoordde ik, "nu ben ik tevreden. Ik zal altijd +tevreden zijn, als ik gehoorzaam aan den wil van mijn lieve ouders." + +"Zij vroeg toen of het de wil van mijn ouders was, dat ik schande +over hen en mijzelve bracht en mijn man bedroog. Ik bewees mijn ouders +niet veel eer door mijzelf in opspraak te brengen. + +""Zij krijgen loon naar werken," antwoordde ik. En verder moest mijn +gast weten, dat ik niet toelaten kon, dat iemand de dochter van mijn +ouders beleedigde. + +"Wij beiden aten. Maar de mannen om ons heen zaten zwijgend en konden +mes noch vork bewegen. + +"De oude bleef een dag en nacht rusten; toen vertrok zij. Maar in +al dien tijd kon ik niet begrijpen, dat ze mijn moeder was. Ik wist +alleen, dat mijn moeder dood was. + +"Bij haar vertrek, Gösta Berling, stond ik naast haar op de stoep, +en de wagen was voor, en toen zeide zij tot mij: + +""Een dag en een nacht ben ik hier geweest, zonder dat je mij als +je moeder hebt willen erkennen. Langs eenzame wegen ben ik hierheen +komen reizen, dertig mijlen in drie dagen. En van schaamte over je +gedrag beeft mijn oud lichaam, alsof ik met roeden geslagen ben. Mocht +je eens verloochend worden, zooals ik verloochend ben, verstooten, +zooals je mij verstooten hebt. De weg worde je thuis, de sloot je bed, +de kolenbranderij je haard, schande en vernedering je loon. Anderen +zullen je slaan, zooals ik je nu sla!" + +"En zij gaf mij een harden slag op de wang. Maar ik nam haar op, +droeg haar de stoep af en zette haar in den wagen. + +""Hoe durf je mij te vloeken?" vroeg ik. "Hoe durf je mij te slaan! Dat +verdraag ik van niemand." + +"En ik gaf haar de oorvijg terug. + +"Op 't zelfde oogenblik reed de wagen weg: maar toen, op dàt oogenblik, +Gösta Berling, wist ik dat Margaretha Celsing dood was. Zij was +goed en onschuldig; zij wist van geen kwaad. Engelen zouden op haar +graf geschreid hebben. Als zij geleefd had, zou ze nooit haar moeder +geslagen hebben." + +De bedelaar aan de deur had geluisterd, en de woorden hadden voor een +oogenblik het ruischen van de eeuwige bosschen overstemd. Zie! die +machtige, rijke vrouw, zij maakte zich tot zijn gelijke in zonde, +tot zijn zuster, tot een verlorene als hij, om hem moed te geven om te +leven. Zoo moest hij leeren, dat er smart en schuld op andere hoofden +dan het zijne drukte. Hij stond op en ging naar de Majoorske toe. + +"Wil je nu leven, Gösta Berling?" vroeg ze, met een stem door tranen +gebroken. "Waarom wil je sterven? Je zoudt een uitstekend predikant +geworden zijn; maar nooit was die Gösta Berling, dien je in den +brandewijn verdronken hebt, zóó stralend van onschuld en reinheid, +als die Margaretha Celsing, die ik in haat smoorde. Wil je leven?" + +Gösta viel naast haar op de knieën. + +"Ik ben maar een oude vrouw," zei de Majoorske, "door veel verdriet +hard geworden. En ik zit hier en geef me bloot voor een bedelaar, +dien ik half doodgevroren in een sneeuwhoop aan den weg vind. Ik +heb niet beter verdiend! Ga maar heen, en wordt een zelfmoordenaar, +dan kun je in ieder geval een ander niet van mijn schande vertellen." + +"Ik ben geen zelfmoordenaar. Ik ben een ter dood veroordeelde. Maak mij +den strijd niet te zwaar. Ik kan niet leven. Mijn lichaam heerscht over +mijn ziel; daarom moet ik dien vrij laten en haar naar God laten gaan." + +"Zoo? Geloof je dan, dat ze bij God komt?" + +"Vaarwel, Majoorske Samzelius.... ik dank u." + +"Vaarwel, Gösta Berling." + +De bedelaar stond op en ging met gebogen hoofd en sleependen tred +naar de deur. + +Die vrouw maakte hem den weg naar de groote bosschen moeilijk. + +Toen hij bij de deur was, moest hij omzien. + +Toen ontmoetten zijn oogen die van de Majoorske, die hem stil +nazag. Hij had nooit zulk een verandering op een gezicht gezien, en +hij bleef staan en staarde haar aan. Zij, die pas nog boos en dreigend +geweest was, zat stil, als verheerlijkt, en haar oogen straalden van +erbarmende, medelijdende liefde. Het was hem als brak er iets in hem, +in zijn eigen verwildert hart; het brak door dien blik. Hij leunde +zijn voorhoofd tegen den deurpost, hief de armen boven het hoofd en +schreide alsof zijn hart zou breken. + +De Majoorske slingerde haar pijp in 't vuur en ging op hem toe. Haar +bewegingen werden op eens zacht als die van een moeder. + +"Nu, nu, mijn jongen." + +En ze trok hem naast zich neer op de bank bij de deur, en hij schreide, +met het hoofd in haar schoot. + +"Wil je nu nog sterven?" + +Hij wilde opspringen, maar ze hield hem vast. + +"Nu zeg ik je voor 't laatst .... Je kunt doen wat je wilt. Maar dat +beloof ik je: als je leven wilt, zal ik de dochter van den dominé van +Broby bij me nemen en haar tot een fatsoenlijk mensch maken. Dan zal +ze er God voor danken, dat je haar meel weggenomen hebt. Nu, wil je?" + +Hij hief het hoofd op en zag haar in de oogen. + +"Is dat ernst?" + +"Ja, dat is het, Gösta Berling." + +Hij wrong de handen in angst. Hij zag die schuwe oogen voor zich, +die samengeknepen lippen, die vermagerde handjes. Dat arme, kleine +schepsel zou beschut en verpleegd worden, en 't teeken van vernedering +van haar lichaam en 't kwaad uit haar ziel weggevaagd worden. Nu werd +de weg naar de eeuwige bosschen voor hem afgesloten. + +"Ik zal mij niet van kant maken, zoo lang zij onder uw bescherming +is," zeide hij. "Ik wist wel, dat u me te sterk waart en mij zoudt +dwingen te leven." + +"Gösta Berling," zei ze plechtig, "ik heb om je gestreden als om +mijzelf. Ik heb tot God gezegd: als er nog een greintje van Margaretha +Celsing in me is, sta dan toe, dat ze te voorschijn komt en dien man +belet heen te gaan en zichzelf te dooden. En Hij stond dat toe. En +je hebt haar gezien, en daarom kon je niet heen gaan. En zij heeft +mij ingefluisterd, dat je misschien ter wille van dat arme kind je +voornemen op zoudt geven. Wel vlieg jelui hoog, jelui wilde vogels, +maar Onze Lieve Heer weet wel met welk net je gevangen moet worden." + +"Hij is een groot, een wonderbaar God," zeide Gösta Berling. "Hij heeft +me verlaten en verworpen; maar Hij wil mij niet laten sterven. Zijn +wil geschiede!" + +Van dien dag werd Gösta Berling kavalier op Ekeby. Twee keer beproefde +hij vandaar weg te komen en van eigen werk te leven. Den eenen keer +gaf de Majoorske hem een huis dicht bij Ekeby; hij betrok dit en +probeerde te leven als arbeider. Een tijd lang ging dat goed, maar +spoedig verveelde hem de eenzaamheid en 't dagelijksch sloven--hij werd +op nieuw kavalier. Den tweeden keer werd hij huisonderwijzer op Borg, +bij Graaf Henrik Dohna. Toen werd hij verliefd op de jonge Ebba Dohna, +de zuster van den Graaf. Maar toen zij stierf, juist toen hij geloofde +haar gewonnen te hebben, gaf hij alle hoop op, ooit iets anders +te worden dan kavalier op Ekeby. Het kwam hem voor alsof voor een +afgezetten predikant alle wegen tot herstel van eer afgesloten waren. + + + + + + + +GÖSTA BERLING. + +I. + +KERSTNACHT. + + +Sintram heet de booze grondeigenaar van Fors, hij met zijn lomp +lichaam en zijn lange apenarmen, met zijn kalen kop en zijn leelijk, +grijnzend gezicht, hij wiens lust het is kwaad te doen. + +Sintram heet hij. Hij neemt alleen landloopers en vechtersbazen +als knecht aan en heeft altijd kibbelende, leugenachtige meisjes in +zijn dienst. Hij maakt de honden razend, door ze naalden in in den +neus te steken en voelt zich gelukkig tusschen slechte menschen en +woedende dieren. + +Sintram heet hij. Zijn grootste genoegen is zich te verkleeden als +duivel, met horens, een staart en een paardepoot en dan plotseling +te voorschijn te schieten, uit donkere hoeken, uit bakkersovens of +uit schuren, om bange kinderen en bijgeloovige vrouwen te verschrikken. + +Sintram heet hij. Hij vindt er genot in oude vriendschap in nieuwen +haat te doen verkeeren en de harten met leugens te vergiftigen. + +Sintram heet hij!--En eens kwam hij op Ekeby. + + + +Trek de groote houtsleê midden in de smidse; gooi er een kar over +met den bodem naar boven. Nu hebben we een tafel, hoera! een tafel! + +Hier met de stoelen, met alles waar je op zitten kunt, hier met +de driepootige schoenmakerstoelen, en de leege kisten, hier met de +oude gescheurde armstoelen zonder leuning en hier met de oude sleê +zonder sleephouten en de oude koets. Ha! ha! ha! de oude koets moet +het spreekgestoelte zijn! Kijk eens hier, 't eene wiel is er af en de +heele kap is verdwenen. Alleen de bok is nog over; 't kussen is kapot +van ouderdom. De oude kast is zoo hoog als een huis. Hou vast! Hou +vast! Anders valt hij om! + +Hoera! hoera! 't Is kerstnacht op Ekeby! Achter de zijden gordijnen +van 't groote ledikant slapen de Majoor en de Majoorske. Zij slapen en +gelooven, dat ook in den kavaliersvleugel alles slaapt. De knechts en +de meiden kunnen slapen op al die rijstenbrij en 't sterke kerstbier; +maar de heeren in de kavaliersvleugel niet. Hoe kan iemand zich +verbeelden dat de kavaliers slapen! + +Geen smeden met bloote voeten zijn in de weer met de ijzeren stangen; +de jongens met roetzwarte handen komen niet aan met de kolenwagen, +de groote hamer hangt stil boven aan 't dak, als een opgeheven arm +met een gebalde vuist; 't aanbeeld staat leeg. De ovens sperren hun +roode muilen niet open om kolen te verslinden; de blaasbalg piept +niet. 't Is kerstmis. De smidse slaapt! + +Slaapt! zegt ge? Slaapt! Goede hemel! Slapen als de kavaliers wakker +zijn! De groote tangen staan recht overeind op den vloer met kaarsen +in den bek. Uit den grooten, blinkenden koperen ketel, waar tien kan +ingaat, flikkert de blauwe vlam van den punch op naar het donkere +dak. De hoornen lantaarn van Beerencreutz hangt aan den grooten +hamer. De gele punch blinkt in den bowl als een heldere zon. Hier +is een tafel en hier zijn banken. De kavaliers houden kerstnacht in +de smidse. + +Hier is geraas en vroolijkheid, muziek en zang. 't Gedruisch van +'t middernachtelijk feest wekt niemand. Al 't getier en gestommel in +de smidse wordt verdoofd door 't machtige bruisen van den waterval +daarbuiten. + +Daar is geraas en vroolijkheid! Als Mevrouw de Majoorske hen nu +eens zag? Nu, wat zou dat! Zij zou zeker bij hen gaan zitten en een +glas meêdrinken. Ze is een flinke vrouw; zij loopt niet weg voor een +donderend drinklied of een spelletje kaart. De rijkste vrouw in heel +Wermeland, barsch als een man en trotsch als een koningin is ze. Ze +houdt van zang, van luid klinkende waldhorens en vioolspel. Ze houdt +van wijn en kaartspel en lange tafels met vroolijke gasten. Ze ziet +graag de voorraadschuren leeg worden, de kamers en zalen vol dans en +vroolijkheid en de kavaliersvleugel vol kavaliers. + +Zie, daar zitten ze om den bowl, zij aan zij. Twaalf zijn er, twaalf +kavaliers. Geen eendagsvliegen, geen modejonkers; maar mannen, wier +namen lang zullen leven in Wermeland; moedige, sterke mannen. + +Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar +arme, zorgelooze mannen, kavaliers van den morgen tot den avond. + +Geen slaperige thuiszitters, die 't hoofd laten hangen; maar +rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen. + +Nu heeft de kavaliersvleugel al vele jaren leeggestaan. Ekeby is niet +meer het toevluchtsoord voor daklooze kavaliers. + +Gepensionneerde officiers en arme edellieden rijden niet langer +Wermeland rond in rammelende wagens; maar hier zullen ze herleven, +de blijde, zorgelooze, altijd jonge kavaliers! + +Al deze ver in 't rond beroemde mannen konden een of meer instrumenten +bespelen. Ze zijn allen zoo vol eigenaardigheden, van stopwoorden, +invallen en liedjes als een mierenhoop van mieren; maar elk van +hen heeft toch zijn bijzondere, hem alleen eigen, deugd, zijn hoog +gewaardeerde kavalierseigenschap, die hem van de anderen onderscheidt. + +'t Eerst van allen die om den bowl zitten wil ik Beerencreutz noemen, +de overste met den grooten witten knevel, de kaartspeler, de zanger +van Bellmans liederen, en naast hem zijn vriend en oorlogmakker, de +stille Majoor, de groote berenjager Anders Fuchs, en als de derde +in de rij de kleine Ruster, de tamboer, die lang oppasser bij den +overste geweest is; maar den rang van kavalier gewonnen heeft door +zijn bekwaamheid in 't punch maken en zijn mooie basstem. Daarna +moet de oude vaandrig vermeld worden, Rutger van Örneclou, de +hartenbreker, met pruik, stijve witte das en jabot en geblanket als +een vrouw. Hij is een van de uitstekendste onder de kavaliers en +dat was ook Kristiaan Bergh, de sterke kapitein, een dapper held , +maar even gemakkelijk beet te nemen als de reus in het sprookje. In +gezelschap van deze twee zag men vaak de kleine, kogelronde patroon +Julius, vroolijk en blij, een helder hoofd, goed spreker, schilder, +zanger en anekdotenverteller. Hij koos vaak den jichtigen vaandrig +en den dommen als mikpunt voor zijn dwaze invallen. + +Dan was er ook de groote Duitscher Kevenhüller, de uitvinder van +de vanzelf rijdende wagen en 't vliegmachine, wiens naam nog door +de ruischende bosschen weerklinkt. Hij was een ridder van geboorte +en uiterlijk, met grooten gedraaiden knevel, spitsen kinbaard, +arendsneus en smalle in een stralenkrans van rimpels, schuin geplaatste +oogen. Hier zat de groote krijgsheld, neef Christoffel, die nooit +buiten de wanden van den kavaliersvleugel kwam, dan als er berenjacht +was, of kans op een gewaagd avontuur; en naast hem Oom Eberhard, +de filosoof, die niet om grappen te maken of feest te vieren naar +Ekeby was getrokken, maar om, vrij van geldzorgen, zijn groot werk +over de wetenschap bij uitnemendheid te voltooien. + +'t Laatst van allen noem ik de besten: de zachtmoedige Löwenborg, +de vrome man, die te goed voor deze wereld was en de wereldsche +zaken maar niet best kon vatten en Liljecrona, de groote musicus, +die een goed tehuis had en daar altijd naar verlangde; maar toch op +Ekeby blijven moest, omdat zijn geest behoefte had aan rijkdom en +afwisseling om het leven uit te kunnen houden. + +Al die elf mannen hadden hun jeugd achter zich en enkelen waren reeds +op weg naar den ouden dag. Maar in hun midden was een, die nog pas +dertig jaar oud was en nog in 't volle bezit van zijn lichamelijke +en geestelijke kracht. Dat was Gösta Berling, de kavalier bij +uitnemendheid, die alleen beter spreker, zanger, musicus, jager, +drinker en speler was, dan al de anderen te samen. Hij bezat alle +kavaliersdeugden. Welk een man had de Majoorske van hem gemaakt! + +Zie, hoe hij nu op 't spreekgestoelte staat. De duisternis hangt van +'t berookte dak in zware plooien over hem heen, maar zijn licht hoofd +straalt er door, als dat van een jongen God, een der lichtdragers, +die orde in den chaos bracht; slank, schoon, dorstend naar avonturen +staat hij daar. + +Maar hij spreekt met diepen ernst: + +"Broeders, kavaliers! weldra zal het middernacht zijn. 't Feest +is reeds ver gevorderd. Het oogenblik is daar om te drinken op den +dertienden man aan tafel." + +"Lieve broeder Gösta!" roept patroon Julius, "hier is geen dertiende, +wij zijn maar met ons twaalven!" + +"Op Ekeby sterft ieder jaar een man," gaat Gösta met steeds dieper +stem voort. "Een van de gasten in den kavaliersvleugel sterft, een van +de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig jongen. Wat zou dat? Kavaliers +moeten niet oud worden. Als onze bevende handen het glas niet meer +kunnen omhoog heffen, als onze halfblinde oogen de kaarten niet +meer kunnen onderscheiden, wat hebben wij dan aan 't leven en wat +heeft het leven dan aan ons? Een moet sterven van de dertien, die den +Kerstnacht vieren op Ekeby, maar ieder jaar komt er een nieuwe bij om +'t getal vol te maken. Een man, die bekwaam is in 't werk der vreugde, +die een viool kan bespelen en de kaarten kent, moet komen, om onzen +kring voltallig te maken. Oude vlinders moeten weten te sterven, +terwijl de zomerzon schijnt. Ik drink op den dertiende!" + +"Maar Gösta, wij zijn maar met ons twaalven," riepen de kavaliers en +roerden hun glas niet aan. + +Gösta Berling, dien zij de dichter noemden, schoon hij nooit gedichten +schreef, ging kalm voort: + +"Broeders, kavaliers. Hebt ge vergeten, wie gij zijt? Gij zijt het, +die de vreugde in 't leven houdt in Wermeland. Gij moet de strijkstok +vaart geven en den dans in gang zetten; zang en snarenspel laten +klinken door 't land. Waart gij er niet--de dans zou uitsterven; +met den zomer, de rozen, het kaartspel en den zang was het gedaan en +in heel dit gezegende land zou er niets dan ijzer en grondeigenaars +overblijven. Maar de vreugde zal leven, zoolang gij leeft! Zes jaar +achtereen reeds hebt gij den Kerstnacht gevierd in de smidse van Ekeby +en nooit heeft iemand geweigerd op den dertienden te drinken. Wie is +er onder u, die bang is voor den dood?" + +"Maar Gösta," riepen ze weer, "als we maar met ons twaalven zijn, +hoe kunnen we dan op den dertiende drinken!" + +Ernstige bekommering staat op Gösta's gezicht te lezen. "Zijn wij +maar met onzen twaalven?" zegt hij. "Waarom is dat? Zullen wij +uitsterven op aarde? Zullen we dan 't volgende jaar met ons elven +zijn?--En dan met ons tienen? Moet ons leven een sage worden--te +gronde gaan?--Ik roep hem hier, den dertiende, want ik ben opgestaan +om op hem te drinken. Uit de diepte der zee, en 't hart der aarde, +uit den hemel, uit den hel roep ik hem hier, die 't getal der kavaliers +moet aanvullen!" + +Daar rammelt het in den schoorsteen, daar vliegen de deuren van den +grooten smeltoven open, daar komt de dertiende! Ruig van 't hoofd tot +de voeten, met staart en paardenpoot, met horens en spitsen baard, +en de kavaliers springen op met een kreet als ze hem zien. + +Maar luid jubelend roept Gösta Berling: "De dertiende is gekomen? Leve +de dertiende!" + +Zoo is hij dan gekomen, de oude vijand van 't menschdom, gekomen +bij de vermetelen, die den vrede van den heiligen nacht verstoren; +de vriend van de heksen op den Bloksberg, hij, die zijn contracten +met bloed op pikzwart papier schrijft, hij, die met de gravin op +Ivarsnäs zeven dagen danste en door zeven predikanten niet verdreven +kon worden. Hij is gekomen! + +In woeste vaart vliegen de gedachten door de hoofden der oude +avonturiers. Zij denken er over om wien hij vannacht zou zijn +uitgegaan. + +Velen van hen waren op 't punt van schrik weg te loopen; maar al +spoedig begrepen ze, dat hij niet gekomen was om hen bij zich in zijn +duister rijk te nemen, maar dat het klinken der bekers en de zang +hem gelokt hadden. Hij wilde de vreugde der menschen genieten in den +heiligen Kerstnacht en den last der regeering afwerpen in dezen tijd +van blijdschap. + +Kavaliers, kavaliers! wie van u denkt er aan, dat het Kerstnacht +is? Op dit oogenblik zingen de engelen voor de herders op het veld; +de kinders in bed liggen wakker en zijn bang dat ze zóó vast in zullen +slapen, dat ze 't heerlijk morgenlied niet hooren. Straks is het tijd, +de kerstlichten in de kerk te Bro aan te steken en diep in 't bosch, +bij de hut heeft de jonge man de knetterende houtmijt opgestapeld, +die zijn liefste zal voorlichten op weg naar de kerk. In alle kleine +huisjes heeft de huismoeder takjes met lichtjes er aan in het venster +gezet, om aan te steken, als de kerkgangers voorbij kwamen. + +De klokkenluider overhoort zich zelf de kerstpsalmen in den slaap +en de oude proost ligt te bed en probeert of hij stem genoeg heeft +om te zingen: "Eere zij God in den hooge, vrede op aarde, en in de +menschen een welbehagen." + +Och, kavaliers, het was beter voor u geweest in deze nacht van vrede, +rustig te bed te gaan dan omgang met den Booze te plegen. + +Maar zij begroeten hem met gejubel en heeten hem welkom, even als +Gösta. Een beker met den brandenden drank gevuld, wordt hem voorgezet +en zij geven hem de eereplaats aan tafel. Beerencreutz noodigt hem uit +tot een spelletje kaart, Patroon Julius zingt hem zijn mooiste liederen +voor en Örneclou spreekt met hem over schoone vrouwen, die hemelsche +wezens, die het aardsche leven met rozen doorwezen. Hij heeft het naar +zijn zin, de gehoornde en leunt in vorstelijke houding achterover tegen +den ouden koetsiersbok, en brengt den beker aan zijn grijnzenden mond. + +Gösta Berling slaat natuurlijk een toast op hem. + +"Uwe Excellentie!" zegt hij. "Wij hebben U al lang verwacht hier +op Ekeby, want U zult wel geen toegang hebben tot eenig ander +paradijs. Hier leeft men zonder te zaaien of te spinnen, zooals Uwe +Excellentie zeker wel weet. Hier vliegen ons de gebraden duiven in den +mond; hier vloeien sterk bier en zoete brandewijn in alle beekjes en +stroomen. 't Is hier een goed verblijf, onthoud dat, Uwe Excellentie. + +"Wij, kavaliers, hebben werkelijk naar U verlangd, want wij waren +nog niet recht voltallig tot nu toe. Want zie, wij zijn iets meer +dan wij toonen. Wij zijn de oude groep van twaalve uit de poëzie, +die door alle tijden heen gaat. Met ons twaalven bestuurden wij de +wereld van den hoogen, door wolken omringden top van den Olympus. Met +ons twaalven woonden wij als vogels in den kroon van Yggdrasil, den +ouden wereldeik. Zaten wij niet met ons twaalven met koning Arthur om +de ronde tafel en prijkten we niet als twaalf helden in 't leger van +Karel den Groote? Een van ons was Thor, een ander Jupiter--dat kan +ieder heden ten dage ons nog aan zien. Nog kan men den goddelijken +glans zien stralen door de lompen, nog ziet men de leeuwenmanen door +de ezelshuid heen. De tijd heeft ons ruw behandeld, maar als wij hier +zijn, wordt de smidse een Olymp en de kavaliersvleugel een Walhalla. + +"Maar, Uwe Excellentie, wij waren niet voltallig. Gij weet wel, dat +in groep van twaalve der oude poëzie altijd een Loke, een Prometheus, +een Ganelon moest zijn. Hem hebben wij gemist. + +"Uwe Excellentie, ik heet U welkom!" + +"Zoo, zoo," zegt de Booze. "Mooie woorden, mooie woorden! En ik heb +geen tijd om te antwoorden! Zaken, lieve vrienden, zaken. Ik moet +onmiddellijk weg, anders zou ik me gaarne tot uwe beschikking stellen +in welke rol dan ook. Ik dank U zeer voor uw vriendelijke ontvangst, +kameraden. Tot weerziens." + +Daarop vragen de kavaliers, waar hij heen gaat, en hij antwoordt, +dat hij naar de Genadige vrouw van Ekeby moet; dat mevrouw de +Majoorske hem wacht om haar contract te vernieuwen. Groote verbazing +onder de kavaliers. Een strenge, bekwame vrouw is ze. Op haar breede +schouders draagt ze een ton rogge. Ze volgt het ertstransport van de +berggroeve heel tot Ekeby toe. Ze slaapt als een wagenmenner op den +grond in de schuur met een zak onder het hoofd. 's Winters kan ze +een kolenbranderij besturen, 's zomers een houtvlot 't Löfvenmeer af +brengen. Een kloeke vrouw is ze, die weet te bevelen. Ze vloekt als +een boerenknecht en ze regeert haar zeven bergwerken en de hoeven +van haar buren er bij, ja heel het mooie Wermeland. Maar voor de +daklooze kavaliers is ze als een moeder geweest en daarom wilden ze +niet luisteren naar den laster, die fluisterde, dat ze een verbond +met den duivel gesloten had. Dus vragen ze verwonderd, welk contract +ze met hem gesloten heeft. + +En hij, de zwarte, antwoordt, dat hij de Majoorske de zeven bergwerken +geschonken heeft onder voorwaarde, dat ze hem ieder jaar een ziel +zenden zou. + +O, welk een ontzetting doet de harten der kavaliers ineenkrimpen! + +Ze wisten het immers wel, maar ze hadden 't tot nu toe niet +begrepen. Op Ekeby sterft ieder jaar een man, een der gasten der +kavaliersvleugel sterft, een van de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig +jongen; nu, wat zou dat!--Kavaliers moeten niet oud worden. Als hun +bevende handen het glas niet meer kunnen opheffen, als hun halfblinde +oogen de kaarten niet meer kunnen onderscheiden, wat hebben zij dan +aan 't leven en wat heeft het leven dan aan hen? Vlinders moeten +weten te sterven, terwijl de zon schijnt. + +Maar nu eerst begrepen zij alles. + +Wee over die vrouw! daarom geeft ze hen dus zoo menig goeden maaltijd, +daarom liet zij hen haar sterk bier en zoeten brandewijn drinken, +opdat zij uit de drinkzaal en van de speeltafel op Ekeby neer zullen +storten in 't rijk der verdoemenis. Eén per jaar, ieder jaar één!! + +Wee die vrouw, die heks! Sterke, dappere mannen waren hier naar Ekeby +gekomen--maar alleen om te vergaan. Zij leidde hen te verderve; hun +hersens werden als sponzen, hun longen als droge asch, hun geest werd +verduisterd, als ze neerzonken op 't sterfbed, bereid voor de lange +hopelooze reis, die hun de ziel zou kosten. Wee over die vrouw! Zoo +zijn beter mannen dan zij gestorven en zoo zullen zij ook heengaan. + +Maar niet lang staan de kavaliers daar als verlamd van schrik. "Jij, +koning der duisternis!" roepen ze uit, "met die heks zul je nooit +meer je contracten sluiten en ze met bloed schrijven; zij zal +sterven! Kristiaan Bergh, de sterke kapitein heeft den zwaarsten +smidshamer over den schouder geworpen; die zal begraven worden in het +hoofd van dat monster. Zij zal geen zielen meer offeren. En jou zelf, +gehoornde zullen we op 't aanbeeld leggen en den stoomhamer boven je +loslaten. We zullen je met tangen vasthouden onder de hamerslagen. We +zullen 't je wel afleeren op jacht naar kavalierszielen te gaan." + +Laf is de booze! dat is van ouds bekend en dat praten over den +stoomhamer bevalt hem niet. Hij roept Kristiaan Bergh terug en begint +met de kavaliers te onderhandelen. + +"Maar de zeven bergwerken voor dit jaar, kavaliers, neem ze zelf en +geef mij de Majoorske." + +"Meen je, dat we even laaghartig zijn als zij!" roept Patroon +Julius. "Ekeby en alle bergwerken willen we hebben. Zie jij maar, +dat je de Majoorske krijgt!" + +"Wat zegt Gösta hiervan, Gösta, wat zeg jij er van? Gösta moet +spreken. We moeten hem hooren in zulk een gewichtige zaak." + +"'t Is allemaal onzin," zegt Gösta Berling. "Kavaliers, laat je +toch niet door hem voor den gek houden. Wat zijn wij tegenover de +Majoorske! Laat het met onze zielen gaan zooals 't moet; maar met +mijn toestemming zullen we ons niet aanstellen als ondankbare vlegels, +als schurken en verraders. Ik heb te lang het brood van de Majoorske +gegeten om haar nu af vallen." + +"Nu, ga jij maar naar de hel, Gösta, als je daar lust in hebt. Wij +willen liever zelf Ekeby regeeren." + +"Maar ben jelui dan heelemaal dwaas of heb je al je verstand +verdronken? Geloof jelui dan, dat 't waar is? Geloof je dan, dat +hij de Booze is. Kun je dan niet merken, dat 't alles vervloekte +leugens zijn?" + +"Hi, hi! kijk eens hier," roept de zwarte, "hij merkt niet eens hoe +ver hij al gekomen is, en toch is hij al zeven jaar op Ekeby geweest." + +"Och! praatjes, oude! Ik heb je immers zelf daar in den oven gestopt." + +"Alsof dat er wat toe deed! alsof ik daarom niet even goed een duivel +kan zijn. Ja, ja Gösta Berling, je hebt praats genoeg. Je bent al +mooi onder den invloed van Majoorske." + +"Zij heeft me gered," zegt Gösta. "Wat zou ik geweest zijn zonder +haar." + +"Kijk eens hier! Alsof ze er niet haar bedoeling meê gehad zou hebben, +met je hier op Ekeby te houden. Je kunt menigeen in 't net lokken; +je hebt groote gaven. Eens heb je geprobeerd van haar weg te komen, +je kreegt een huis van haar en je werdt arbeider; je wou je eigen +brood verdienen. Elken dag ging ze voorbij 't huis, met een paar mooie +meisjes. En eens bracht ze Marianne Sinclaire meê; toen gooide je de +spa en 't schootsvel weg en werd weer kavalier, Gösta Berling." + +"'t Was toch mijn eigen keus, ezel!" + +"Jawel, ja zeker was 't je eigen keus. Later kwam je op Borg en +werd gouverneur van Hendrik Dohna en je was toen bijna Gravin Märta's +schoonzoon geworden. Wie maakte, dat de jonge Ebba Dohna te weten kwam, +dat je maar een afgezette dominé was zoodat ze je den bons gaf? Dat +deed de Majoorske, Gösta Berling. Zij wou je terug hebben!" + +"'t Mocht wat, zegt Gösta. "Ebba Dohna stierf kort daarna. Haar zou +'k toch niet gekregen hebben." + +Toen ging de zwarte dicht bij hem staan en siste hem in 't oor: +"stierf." Ja zeker stierf ze! Ze bracht zich om 't leven om +jouwentwil. Dàt deed ze. Maar dat hebben ze je nooit verteld." + +"Je bent nog zoo'n slechte duivel niet," zei Gösta. + +"De Majoorske heeft dat allemaal beredderd, zeg ik je. Ze wou je in +den kavaliersvleugel terug hebben." + +Gösta lachte luid. "Je bent een echte duivel," riep hij woest. "Waarom +zouden we geen contract met je sluiten. Je kunt ons de zeven bergwerken +wel bezorgen, als je wilt." + +"'t Is goed, dat je je geluk niet vergooit." + +De kavaliers slaakten een zucht van verlichting. Zóó ver was het met +hen gekomen, dat zij niets konden doen zonder Gösta. Had hij niet +gewild, dan hadden ze den koop niet aangedurfd. En 't was toch nog +zoo kwaad niet voor straatarme kavaliers, zeven bergwerken te krijgen +om over te beschikken. + +"Let nu goed op," zegt Gösta, "dat we de zeven bergwerken nemen +om onze zielen te redden, maar niet om grondeigenaars te worden, +die geld tellen en ijzer wegen; geen uitgedroogde perkamenten, geen +dichtgesnoerde geldzakken willen we worden. Kavaliers willen we zijn +en blijven!" + +"Woorden van wijsheid," mompelt de zwarte. + +"Als je ons daarvoor de zeven bergwerken geeft voor een jaar, dan +nemen wij ze aan; maar onthoudt dit goed: als we in dien tijd iets +doen, dat niet kavaliersachtig is, als we iets doen, dat wijs of +nuttig of oudewijfachtig is, dan kun je ons alle twaalf krijgen, als +'t jaar voorbij is en de bergwerken geven aan wie je wilt." + +De Booze wrijft zich in de handen van pleizier. + +"Maar als we ons voortdurend als ware kavaliers gedragen," gaat Gösta +voort, "dan mag je nooit weer een contract over Ekeby sluiten en je +krijgt niets voor dit jaar, noch van ons, noch van de Majoorske." + +"Dat is hard," zegt de Booze. "Ach lieve Gösta! je kondt me toch +wel één zieltje gunnen, een enkel armzalig zieltje. Geef mij de +Majoorske. Waarom wil je die sparen?" + +"Ik drijf geen handel in zulke waren," schreeuwt Gösta. "Maar als je +iemand hebben wilt, dan moet je den ouden Sintram van Fors nemen. Hij +is rijp voor de hel! daar sta ik je voor in!" + +"Best, best!" antwoordt de oude heer, zonder een spier van zijn +gezicht te vertrekken. "De kavaliers of Sintram, dat staat zoowat +gelijk. Dat wordt een goed jaar!" + +Daarop wordt het contract geschreven met bloed uit Gösta's pink op +'t zwarte papier van den Booze en met zijn veeren pen. + +En als dat gedaan is, jubelen de kavaliers. Nu zullen dan alle +heerlijkheden dezer wereld hun een heel jaar lang toebehooren. En +dan kunnen ze altijd verder zien. + +Ze zetten de stoelen weg en reiken elkaar de hand om den +punchketel, midden op den zwarten vloer en draaien er om heen in +wilden dans. Midden in den kring danst de Booze en springt hoog op; +eindelijk valt hij zoo lang als hij is naast den ketel, haalt die +naar zich toe en drinkt er uit. + +Dan werpt Beerencreutz zich naast hem neer en dan Gösta Berling, en +daarop leggen zij zich allen in een kring om den ketel, die rondgaat +van mond tot mond. Eindelijk krijgt die een duw en valt om, zoodat +de heete, kleverige drank over de liggenden heen stroomt. + +Als zij vloekende opgestaan zijn, is de Booze verdwenen; maar zijn +gulden beloften zweven als stralenkransen boven de hoofden der +kavaliers. + + + + + + + +II. + +HET KERSTFEEST. + + +Op den eersten Kerstdag geeft de Majoorske Samzelius een groot feest +op Ekeby. + +Zij zit als gastvrouw aan een tafel, gedekt voor vijftig gasten. Zij +zit daar in glans en heerlijkheid; de korte bonten pels, het gestreepte +wollen kleed en de kleine pijp zijn verdwenen. Zijde ruischt om haar +heen, gouden armbanden hangen zwaar om haar armen, en paarlen liggen +koel op haar witten hals. + +Waar zijn de kavaliers? Waar zijn zij, die den vorigen avond in de +smidse punch dronken uit den blanken koperen ketel op de gezondheid +van de nieuwe heeren van Ekeby? + +In een hoek bij de kachel zitten de kavaliers aan een aparte +tafel. Vandaag is er voor hen aan de groote tafel geen plaats. Bij +hen komen de schotels laat en komt de wijn spaarzaam; hen bereiken +de blikken der schoone dames niet; niemand luistert er naar Gösta's +scherts. + +Maar de kavaliers zijn als getemde veulens, als matte roofdieren. Maar +één uur nachtrust hebben zij gehad; toen reden zij naar de vroegpreek +bij fakkel- en sterrenlicht. Zij zagen de Kerstlichten en hoorden +de Kerstpsalmen, en zij glimlachten als kinderen. Zij vergaten den +Kerstnacht in de smidse, als was dat een akelige droom. + +Groot en machtig is de Majoorske op Ekeby. Wie waagt het zijn arm +tegen haar op te heffen? Wie waagt het den mond tegen haar te openen, +om tegen haar te getuigen? Zeker niet een paar arme kavaliers, die haar +brood aten, velen jaren lang, en sliepen onder haar dak. Zij zet ze +waar zij wil, zij kan haar deur voor hen sluiten als zij wil, en zij +kunnen haar macht niet eens ontvluchten. God zij hen genadig! Ergens +anders dan op Ekeby kunnen zij niet leven. + +Aan de groote tafel geniet men het leven; dáár stralen de mooie oogen +van Marianne Sinclaire, daar klinkt de vroolijke lach van gravin Dohna. + +Maar bij de kavaliers is het stil. Was het toch niet billijk, dat +zij, die aan den Booze verkocht zijn, ter wille van de Majoorske, +met de andere gasten aan één tafel zaten? Wat is dat toch voor een +schandaal, die tafel daar bij de kachel! Zijn de kavaliers dan niet +waardig bij de notabelen aan tafel te zitten? + +Trotsch zit daar de Majoorske tusschen den graaf van Borg en den +predikant van Bro. De kavaliers laten het hoofd hangen als stoute +kinderen, die in den hoek staan. En de gedachten van den vorigen +nacht worden weer in hen wakker. + +Als schuwe gasten komen de vroolijke invallen, de dwaze vertelsels +aan de tafel in den hoek. + +Daar houden de toorn en de beloften van den vorigen nacht intocht +in de hersens der kavaliers. Wel maakt de patroon Julius den sterken +kapitein Kristiaan Bergh wijs, dat de fijne gebraden vogels, die nu +aan de groote tafel worden rondgediend, niet toereikend zijn voor +alle gasten, maar die aardigheid gaat niet op. + +"Er zijn er niet genoeg," zegt hij. "Ik weet hoeveel er waren; maar +dat hindert niet, kapitein Bergh; ze hebben voor ons hier aan de +kleine tafel kraaien gebraden." + +Maar slechts een flauwe glimlach speelt er om de lippen van den overste +Beerencreutz, en Gösta ziet er den heelen dag uit, alsof hij van plan +is den een of ander dood te slaan. + +"Is niet alle eten goed genoeg voor de kavaliers?" vraagt hij. + +Eindelijk komt een groote schotel prachtig gebraden vogels bij de +kleine tafel. + +Maar kapitein Kristiaan is boos. Heeft hij de kraaien niet levenslang +een vurigen haat toegedragen--die leelijke schreeuwende schepsels. Zóo +bitter was zijn haat, dat hij in 't najaar vrouwenkleeren aantrok, +en zich voor iedereen belachelijk maakte, alleen om ze onder schot te +krijgen, als ze het koren op de velden wegvraten. Hij vervolgde ze +in den paartijd op 't veld in 't voorjaar, om ze dood te slaan. Hij +zocht hun nesten in den zomer, smeet de scheeuwende, veerlooze jongen +er uit en verbrijzelde de halfuitgebroede eieren. + +Nu trekt hij den schotel met de fijne vogels naar zich toe. + +"Meen je, dat ik ze niet ken?" brult hij den knecht tegemoet. "Geloof +je, dat ik ze moet hooren schreeuwen, om ze te herkennen? Foei voor +den duivel! Hoe durf je Kristiaan Bergh kraaien voorzetten!" + +En precies als hij de hulpelooze, jonge kraaien tegen de rotsen +slingert, zoo smakt hij den eenen gebraden vogel na den anderen tegen +den wand. Saus en vet vliegt om hem heen, de verbrijzelde vogels +stuiven terug en glijden over den grond. En de kavaliers schateren. + +Daar klinkt de vertoornde stem van de Majoorske. + +"Zet hem de deur uit!" roept zij tot de bedienden. + +Maar dat durven ze niet. Hij is toch Kristiaan Bergh, de sterke +kapitein. + +"Zet hem de deur uit!" + +Hij hoort dat bevel, en verschrikkelijk in zijn woede, wendt hij zich +nu tot de Majoorske, zooals een beer zich van zijn gevallen vijand +naar een nieuwen aanvaller keert. Hij gaat naar de groote tafel, die +den vorm van een hoefijzer heeft. De vloer dreunt onder de voetstappen +van den reus. Hij blijft vlak over haar staan, met de tafel tusschen +hen in. + +"Zet hem de deur uit!" roept de Majoorske nog eens. + +Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde +vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven +hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand +verbijsterd heeft? + +Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist: + +"Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?" + +"De deur uit, kapitein!" + +"Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf +wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken...." + +"Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand +vloeken dan ik!" + +"Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet +weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?" + +"Zwijg, kapitein!" + +"Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje +geweest was." + +"Zwijg!" + +"Omdat je zoo'n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En +de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen +en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd, +maar nu zal 't met je gedaan zijn." + +De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan +bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; "Ja nu is +'t met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh." + +Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken, +en de tranen van angst komen hem in de oogen. + +"Ik ben dronken!" roept hij uit; "ik weet niet wat ik zeg; ik heb +niets gezegd! Een hond en een slaaf--niets anders ben ik veertig +jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik +levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik +iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond, +die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij +schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar +lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!" + +En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar +om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel +zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en +kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen. + +Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij +heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote +onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn +eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius. + +Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En +de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien +van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan +de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom +van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen. + +De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich; +hij heft den arm op. + +Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar +stem. "Je hebt mij gestolen!" barst ze uit. "Je kwam als een roover +en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan, +met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover +je gehandeld zooals je verdiende. + +"Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een +huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om +wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je +vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij +ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn +wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten +jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven +bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt +je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan." + +De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op +hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben, +dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen. + +"Ik wist het niet," zegt hij stampvoetend. + +"Dan is 't goed, dat je het nu weet," valt zij hem in de rede, met +snijdende stem. "Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te +hooren; 't is goed, dat je 't nu weet, dat ik vrij met je spreken +kan, mijn meester en cipier! Weet 't dan nu, dat ik hem toch heb +toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen 't weten, +die me belasterd hebben." + +'t Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt +uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven, +gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om +zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is, +maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken +kan over de schoonste herinnering van haar leven. + +"Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde +zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij +gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!" + +Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij, +hoe hij haar straffen moet. + +"Weg!" brult hij, "weg uit mijn huis!" + +Zij staat versteend. + +En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt +immers alles uit, zooals de Booze 't voorspeld heeft. Nu zien ze er +de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft +kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is 't zeker ook wel waar, +dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden, +en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks! + +"Weg met jou," gaat de Majoor voort. "Bedel je brood langs den weg. Je +zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed +niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als +je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood." + +"Wil je mij uit mijn huis jagen?" + +"Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!" + +Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur, +en hij volgt haar op den voet. + +"Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt," klaagt zij; "zul je nu +ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?" + +"Weg met jou!" + +Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen +handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: "je zult verloochend +worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis, +de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren....!" + +De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar +den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat 't +beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals +het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van +zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor +een oogenblik Kristiaan Bergh. + +"Het is een oude historie!" roept hij. "Ik wist van niets vóór +vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen." + +Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed. + +"Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk," zegt +ze. En zij gaat van de deur weg. + +De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt, +met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil. + +"Helpt mij toch!" roept ze; "laat ons dien man binden en naar buiten +brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie +ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik +bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren +in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt +ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van 't +houthakken in mijn bosschen en 't erts vervoeren uit mijn bergwerken, +de kolenbrander door 't kolen leveren aan mij, de houtvlotter door 't +halen van mijn houtvlotten. Ik ben 't, die den winst brengende arbeid +geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg +je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen." + +Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt +men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor. + +"Neen," zegt hij, "ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik +zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar +naar den berenkuil beneden." + +En bij die woorden zinken de helpende handen neer. + +Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers. + +"Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb +ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit +sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van +je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet +veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet +vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die +'t ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen, +kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden." + +Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de +groote tafel heeft gezeten. "Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar, +Anna," zegt hij zacht; "weet je of het de Majoorske was, die Ebba +vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?" + +"Help de Majoorske, Gösta," is haar eenig antwoord. + +"Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een +moordenaar gemaakt heeft." + +"Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta." + +"Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is 't wel waar wat +Sintram zei." + +En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om +de Majoorske te helpen. + +Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel +in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun +hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan +in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen +van den nacht bevestigen? + +"Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft," +mompelden zij. + +Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp +verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen +handen tot voor haar gezicht. "Je zult verloochend worden zooals je +mij verloochent," roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. "Moge +de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!" + +Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog: + +"Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd +komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg +staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij, +Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen, +neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op +je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna, +Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben, +die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers, +nu zal er een storm over 't land varen, nu is jullie tijd voorbij; +waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie, +want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven, +nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige +menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!" + +De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het +hoofd en zegt: + +"Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je +mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?" + +De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet, +dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man +aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft +liefgehad, zal een moordenaar worden. + +"Moet ik nu ook nog vergeven?" zegt zij. "Heb je niet schuld aan al +mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug +je over je werk." + +Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting +achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze +gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar +ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet +erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug, +met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden +met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers +van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund +en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de +kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een +moordenaar te maken. + +Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars +gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten. + +Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö, +dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer's testament, +waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond +duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden, +maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw +of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet +kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover +aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken +de grootst mogelijke schade deed. + +Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de +handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd +had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd, +dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen +zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen, +d. w. z. "niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;" +en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was, +die hen in het verderf had willen storten. + +De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie +gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag +hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en +tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden, +omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof. + +Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker, +dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat +zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat 't beter +voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid, +schuld te hebben aan Ebba Dohna's zelfmoord. Hij verhief zijn hand +niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te +helpen. Dat kon hij niet. + +Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De +Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun +harten waren vol vreugd--en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht, +hij spreidde die niet op 't gelaat of op de lippen ten toon. + + + + + + + +III. + +GÖSTA BERLING, DE DICHTER. + + +'t Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg. + +In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd +en had een jonge, schoone vrouw. 't Zou vroolijk toegaan op het oude +grafelijke goed. + +Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat +van allen, die er dit jaar 't Kerstfeest vierden, Gösta Berling, +"de dichter," zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er +heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer, +maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in +Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden, +om van Ekeby naar Borg te komen. + +De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude +heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest +ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren +de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij +kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde +krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over +de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal, +om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en +greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en +pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid +en tintelde van geest. + +Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde +psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos +hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla +toen woonde en waar hij wilde gaan eten. + +Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg +naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met +scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten, +en vertrok even ongaarne als zij. + +De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven +zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling +welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin, +gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de +groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun +wisselvallig lot. + +De zorg stond voor de deur, zeide zij. 't Waren moeilijke tijden +op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch +voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de +slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De +kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen, +die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij +"voor den pot zorgen." Maar dat kon er nog door, als hij maar niet +met een ellendigen vos thuiskwam, 't ongelukkigste dier, dat Onze +Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is. + +En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans +te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te +werken, die engel. + +Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door +'t huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet +altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter +geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot +loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze 't nog niet gezien; maar +ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken +kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis, +en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als +ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen. + +"Want hoe moet het toch gaan?" riep ze uit en droogde haar oogen, +die telkens vol tranen schoten, "wij hebben schuld aan den boozen +Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd +met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt +haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze +negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van 't eene +bal naar 't andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit, +met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er +worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert--behalve arbeid!" + +Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste +Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis +met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een +bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide +een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken +handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten +over de witte handen, die Gösta kussen mocht. + +Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun +kring. Vroolijk vroegen ze hem: "Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge +daar in het beloofde land?" + +"Daar vloeien melk en honig," antwoordde hij. "Wij halen 't ijzer uit +de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud +voort; daarmeê vergulden we 's levens ellende, en we houwen onze +bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen." + +Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over +haar lippen kwam maar één woord: "dichter!" + +"Veel zonden heb ik op mijn geweten," antwoordde Gösta, "maar nooit +heb ik een regel poëzie geschreven." + +"Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je +hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben." + +Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder +met hem over zijn misbruikt leven. "Ik zal 't nog wel beleven, dat +je een man wordt," zei ze. En hem scheen 't toe, dat 't hem goed +deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw +een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige +liefde koesterde voor groote daden. + +Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij 't +vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en 't kerstbier +gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun +van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen, +hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de +booze Sintram binnen. + +Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede +voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. 't Was +duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen. + +"Heb je 't gehoord?" vroeg de Booze; "heb je 't gehoord, dat vandaag +voor 't eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg +in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten, +dat ze met Ferdinand verloofd is." + +Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd. + +En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen +man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een +erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van +hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel +komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder +liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke +liefde. + +Maar--in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte +duizend plannen. + +"Hoor," riep hij uit, "nog is 't geen tijd van klagen! 't Is de +dominé's-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is +het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg +te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen 't nooit worden. Nu +ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik +zal ze weghalen van de dominé's-familie, van haar bruidegom. Ik zal +ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste +geen pleizier van haar hebben." + +Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de +vroolijke meisjes naar 't bal te nemen; maar de vurige wenschen van +de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat +de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven, +om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van +vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal. + +De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes, +rood gebonden, in de hand. + +"Neem die," zeide ze tegen Gösta, "en houd ze, als je niet slaagt. 't +Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht +zullen worden." + +"Ik slaag altijd." + +"Ach, Gösta, Gösta," antwoordde ze, en streek met de hand over zijn +ontbloot hoofd, "sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je +'t onthouden, dat 't geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!" + +Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan +getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het +avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij +zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie +van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar +'t bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong +meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten +Don Juan willen rijden! + +Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch +en overmoedig, + +"Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?" + +"Heeft hij gezegd, dat je 't mooiste meisje bent tusschen 't Löfvenmeer +en de Klarbeek?" + +"Je bent dom, Gösta, dat weten de menschen wel. Hij heeft 't huwelijk +van mij en den ouden Dahlberg afgekondigd." + +"Als ik dat geweten had, had ik je niet in mijn slee willen hebben, +en niet hier achterop gestaan. Dat had ik je nooit willen rijden." + +De trotsche erfdochter antwoordde: "Ik zou zonder Gösta Berling nog +wel naar Borg gekomen zijn." + +"'t Is toch jammer van je, Anna," zei Gösta nadenkend, "dat je geen +vader of moeder hebt. Daardoor ben je geworden zooals je nu bent, +en niemand kan je nu hooge eischen stellen." + +"'t Is nog meer jammer, dat je dat niet eerder gezegd hebt; dan had +een ander me kunnen rijden." + +"De dominé's-vrouw denkt zeker als ik, dat je behoefte hebt aan iemand, +die een vader voor je kan zijn; anders had ze je zeker niet met zoo'n +ouden knol ingespannen." + +"Dat heeft de dominé's-vrouw niet gedaan." + +"De hemel beware me, heb je zelf zóo'n knappen man gekozen?" + +"Hij neemt mij niet om mijn geld." + +"Neen, zulke oude heeren kijken alleen naar blauwe oogen en roode +wangen. En ze hebben nog gelijk!" + +"Foei, Gösta, schaam je je niet!" + +"Maar pas nu op, dat je niet langer met de jonge mannen speelt. Je +plaats is nu op de canapé. Met dans en spel is 't nu voorbij. Nu mag +je een kaartje leggen met den ouden Dahlberg." + +Zwijgend reden zij voort, tot ze de steile heuvels bij Borg opreden. + +"Dank je voor den rit! 't Zal lang duren eer ik weer met Gösta +Berling rijd." + +"Dank je voor die belofte! Ik ken menigeen, dien 't berouwd heeft +dat hij met je naar het feest reed." + +Zeer ontstemd trad de fiere schoonheid van het stadje de danszaal in +en zag de verzamelde gasten aan. + +'t Allereerst zag ze den kleinen, kalen Dahlberg naast den grooten, +slanken, blonden Gösta Berling. Zij had hen allebei de zaal wel uit +willen jagen. Haar verloofde kwam haar ten dans noodigen, maar zij +ontving hem met honende verbazing. + +"Wil jij dansen? Ben jij dat gewoon?" + +En de jonge meisjes kwamen om haar geluk te wenschen. + +"Speel geen comedie, meisjes! Je gelooft toch niet, dat iemand verliefd +kan worden op den ouden Dahlberg? Maar hij is rijk en ik ben rijk; +daarom passen we goed bij elkaar." + +De oude dames gingen naar haar toe, drukten haar de witte hand en +spraken over 't grootste geluk in 't leven. + +"Feliciteer de dominé's-vrouw liever," antwoordde zij. "Zij is er +gelukkiger mee dan ik." + +Maar daar stond Gösta Berling, de vroolijke kavalier, met gejuich +begroet om zijn helderen lach, zijn geestige woorden, die gouden +glans wierpen over 't grijze, dagelijksche leven. Nooit te voren +had ze hem zoo gezien als dien avond. Hij was geen verstootene, geen +verworpeling, geen daklooze grappenmakker, neen, een koning onder de +mannen, vorstelijk van geboorte! + +Hij en de andere jonge mannen smeedden een samenzwering tegen haar. Zij +moest er maar eens over nadenken hoe verkeerd ze deed, toen zij zich +zelf met haar schoonheid en rijkdom aan den ouden man gaf. En zij +lieten haar tien dansen over zitten. Zij voelde haar bloed koken van +spijt en smart. + +Voor den elfden dans kwam een man haar uitnoodigen; hij was de +geringste onder de geringen, een stumper, met wien geen ander dansen +wilde. + +"Als 't bier op is, komt 't zaksel in 't glas," zeide zij. + +Toen speelden ze een pandspel. Blonde jonge meisjes staken de +hoofden bijeen en veroordeelden haar te kussen wie ze 't liefst +had. En glimlachend verwachtten ze haar den ouden Dahlberg te zien +kussen. Maar zij stond in haar toorn. + +"Mag ik niet liever een oorveeg geven aan wie ik 't minst liefheb?" + +Een oogenblik later brandde Gösta's wang onder haar vaste hand. Hij +werd rood tot over de ooren, maar bedwong zich, greep haar hand, +hield die een oogenblik vast en fluisterde: + +"Kom over een half uur in de roode zaal beneden." + +Zijne blauwe oogen straalden en boeiden haar als met tooverkracht. Zij +voelde, dat zij gehoorzamen moest. + +Zij ontmoette hem beneden met trots en booze woorden. + +"Wat gaat het Gösta Berling aan, met wien ik trouwen wil?" + +Hij vond nog niet dadelijk zachte woorden, en 't scheen hem ook niet +geraden dadelijk over Ferdinand te spreken. + +"Ik vind niet, dat 't een te strenge straf was, dat je tien dansen +moest blijven zitten. Maar je wilt ongestraft je woord breken. Als +een beter man dan ik de straf in zijn hand genomen had, zou die harder +geworden zijn." + +"Wat heb ik jullie toch gedaan, dat je mij niet met rust kunt +laten? Jullie vervolgt me om mijn geld! Ik zal 't in 't meer gooien, +dan kan, wie er zin in heeft, het opvisschen." Ze hield de handen +voor de oogen en schreide. + +Toen werd het hart van den dichter geroerd. Hij schaamde zich over +zijn strengheid, en zijn stem werd zacht: + +"Ach, kind, vergeef me. Vergeef den armen Gösta Berling. Niemand +geeft er om wat zulk een lummel zegt of doet; dat weet je immers +wel. Niemand schreit er om, dat hij boos is; je kunt even goed om +een muggebeet schreien. 't Was onzin, maar ik wou verhinderen, dat +het mooiste en rijkste van onze jonge meisjes met dien ouden man zou +trouwen. En nu heb ik je alleen maar bedroefd gemaakt." + +Hij ging naast haar in de sofa zitten en sloeg zijn arm om haar +schouders, om haar met teerheid te steunen en op te beuren. Zij trok +zich niet terug. Zij leunde tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn +hals en schreide met het mooie hoofdje op zijn schouder. + +Och, arme dichter, sterkste en zwakste onder de menschen; niet om uw +hals moesten die blanke armen rusten. + +"Als ik het geweten had," fluisterde zij, "dan had ik den ouden nooit +genomen. Ik heb je van avond gezien. Zoo is er geen ander." + +Maar met bleeke lippen stamelde Gösta: + +"Ferdinand." + +Zij sloot hem de lippen met een kus. + +"Hij is niets waard. Wie kan in je schaduw staan? Ik zal je trouw +zijn." + +"Ik ben Gösta Berling," zei hij, somber; "mijn vrouw kun je niet +worden." + +"Ik heb je lief! De eerste onder de mannen. Je behoeft niets te zijn, +niets te doen. Een geboren koning ben je." + +Toen bruiste het bloed van den dichter. Ze was zoo schoon, zoo +bekoorlijk in haar liefde. Hij sloot haar in zijn armen. + +"Als je de mijne wilt zijn, kun je niet in de pastorie blijven. Laat +ik je dadelijk naar Ekeby brengen van nacht; ik zal je wel weten te +verdedigen tot we bruiloft kunnen vieren." + + + +'t Werd een onvergetelijke tocht dien nacht. Zij gaven toe aan hun +jonge liefde en lieten zich door Don Juan meevoeren. 't Knetteren +van de sneeuw onder de slee klonk als de klachten der bedrogenen. Wat +stoorden zij zich daaraan! Zij lag aan zijn borst, en hij boog zich +over haar heen en fluisterde haar in 't oor: "Is er iets zaligers +dan gestolen vreugde?" + +Een huwelijks-afkondiging. Wat beteekende dat? Zij hadden hun +liefde. En de toorn der menschen? Gösta Berling geloofde aan het +noodlot. Het lot had hem gedwongen. Tegen het lot kan niemand zich +verzetten. Al waren de sterren de bruiloftskaarsen geweest, en Don +Juans bellen de kerkklokken, die haar bruiloft inluidden met den +ouden Dahlberg, dan had ze toch met Gösta Berling moeten vluchten. Zóó +machtig is 't noodlot. + +Zij waren goed en wel voorbij de pastorie en Munkerud gekomen. Op de +helft van den weg naar Ekeby lag Berga. De weg ging langs het bosch; +rechts lagen hooge donkere bergen, links een lang, besneeuwd dal. + +Daar kwam Tancred aanrennen. Hij stoof over den weg. Huilend van +schrik sprong hij in de slee en kromp ineen aan Anna's voeten. + +Door Don Juans leden ging een schok! Hij versnelde zijn vaart met +groote sprongen. + +"Wolven," zei Gösta Berling. + +Zij zagen een lange, grauwe streep zich langs den weg bewegen. 't +Ware minstens een dozijn. + +Anna werd niet bang. De dag was zoo rijk aan verrassingen geweest, +en de nacht beloofde ook zoo te worden. Dit was leven--voort te +snellen over de blinkende sneeuw, trots wilde dieren en menschen. + +Gösta stootte een vloek uit, boog zich voorover en gaf Don Juan een +geweldige slag met de zweep. + +"Ben je bang?" vroeg hij. "Zij snijden den hoek af en halen ons daar +ginds bij de bocht van den weg in." + +Don Juan sprong voort en liep om 't hardst met de wilde dieren in +'t bosch. Tancred huilde van woede en angst. Zij kwamen aan de bocht +gelijk met de wolven en Gösta verdreef den voorsten met de zweep. + +"Ach, Don Juan, mijn jongen, hoe gemakkelijk zou je niet twaalf wolven +ontloopen, als je ons menschen maar niet meê te sleepen hadt." + +Zij bonden de groene reisdeken achteraan de slee. De wolven werden +er bang voor en hielden zich een tijd lang op een afstand. Maar toen +ze hun vrees overwonnen hadden, stoof een van hen, blazend, met de +tong uit den bek en open muil, op de slee af. Toen nam Gösta Madame +de Staëls Corinna en wierp het in den wolvenmuil. + +Weer kregen ze een poosje rust, tot de dieren dien buit verscheurd +hadden; maar toen voelden ze weer het rukken van de wolven aan de +groene reisdeken, en hoorden hun snelle, korte ademhaling. Zij wisten, +dat ze niet aan een menschenwoning kwamen voor ze Berga bereikten; +maar erger dan de dood scheen het Gösta toe de menschen te ontmoeten, +die hij bedrogen had. Hij zag in, dat het paard moe zou worden, +en wat zou er dan van hen worden? + +Daar zagen ze Berga aan den zoom van 't bosch liggen. Er brandde +licht in de vensters. Gösta wist wel voor wie! + +Maar nu vluchtten de wolven, uit vrees voor de nabijheid van menschen, +en Gösta reed Berga voorbij. Hij kwam toch niet verder dan tot de +plaats, waar de weg opnieuw het bosch in gaat; daar zag hij een +donkere plek voor zich uit. De wolven wachtten hem op. + +"Laat ons naar de pastorie teruggaan en zeggen, dat we een +pleziertochtje in 't sterrenlicht gedaan hebben. Dit gaat niet." + +Zij keerden om; maar in 't volgende oogenblik was de slee weer door +wolven omringd. Grauwe gestalten gleden hen voorbij, de witte tanden +glinsterden in de open muilen en de gloeiende oogen tintelden. Zij +huilden van honger en bloeddorstigheid. Ze verlangden hun glimmende +tanden in 't weeke menschenvleesch te drukken. De wolven sprongen +Don Juan op den rug en hingen aan het tuig. Anna zat er over na +te denken of zij hen heelemaal op zouden eten, dan of er nog iets +over zou blijven en of de menschen den volgenden morgen afgeknaagde +ledematen zouden vinden in de bloedige, vertrapte sneeuw. + +"Nu geldt het ons leven," zei ze, boog zich neer en greep Tancred +bij den nek. + +"Doe dat niet; dat helpt niet. 't Is niet om den hond, dat de wolven +van nacht in 't bosch zwerven." + +Met die woorden reed Gösta Berling Berga binnen; maar de wolven +vervolgden hen tot vlak bij de stoep. Hij moest ze met de zweep van +zich afhouden. + +"Anna," zeide hij, toen zij bij de stoep stil hielden. "God wilde het +niet. Houd je nu goed; als je de vrouw bent, waar ik je voor houd, +houd je dan goed." + +In 't huis hoorde men de bellen van de slee en kwam naar buiten. + +"Hij heeft haar," riepen ze, "hij heeft haar! Leve Gösta Berling!" En +de pas aangekomenen werden hartelijk omhelsd. + +Er werden niet veel vragen gedaan. 't Was al diep in den nacht; +de reizigers waren geschokt door hun gevaarlijken tocht en hadden +behoefte aan rust. 't Was immers alles goed, nu Anna gekomen was. + +Alles was goed! Alleen Corinna en de groene reissjaal, een kostbaar +geschenk van juffrouw Ulrika, waren bedorven. + +Alles sliep in huis. Toen stond Gösta op, kleedde zich aan en sloop +naar buiten. Ongemerkt haalde hij Don Juan uit den stal, spande hem +voor de slee en wilde wegrijden. Toen kwam Anna Stjärnhök uit het huis. + +"Ik hoorde je uitgaan," zeide zij. "Toen ben ik ook opgestaan. Ik ga +met je mee." + +Hij ging naar haar toe en vatte haar hand. + +"Begrijp je het nog niet? Het kan niet. God wil het niet. Luister nu +en probeer het te verstaan. Ik was hier vanmiddag, en zag hoe bedroefd +ze waren over je ontrouw. Toen reed ik naar Borg, om je naar Ferdinand +terug te brengen. Maar ik ben altijd een ellendeling geweest, en zal +'t wel altijd blijven. Ik werd hem ontrouw en wilde je voor mijzelf +houden. Hier woont een oude vrouw, die gelooft dat ik éens een man +zal worden. Haar werd ik ontrouw. Je waart zoo mooi en de zonde zoo +bekoorlijk. Gösta Berling is zoo licht te verleiden. Ach, wat ben ik +toch een verachtelijk wezen! Ik weet hoe lief zij hun tehuis hebben, +en ik was op het punt het te laten plunderen. Ik vergat alles om +jou. Je was zoo bekoorlijk met je liefde. Maar nu, Anna, nu ik hun +vreugde over je terugkomst gezien heb, wil ik je niet houden. O, +mijn lieveling. Hij daarboven speelt met onze plannen. Nu moeten +wij ons buigen onder zijn straffende hand. Zeg me, dat je van nu +af aan je deel van den zwaren last op je nemen wilt. Zij allen daar +binnen vertrouwen op je. Zeg me, dat je bij hen blijven wilt, en ze +steunen en helpen. Als je me liefhebt, als je mijn bitter verdriet +wilt verzachten, beloof me dit dan. Mijn lieveling, is je hart zóó +groot, dat je jezelf kunt overwinnen, en 't glimlachend doen?" + +Zij aanvaardde met geestdrift den plicht der ontbering. + +"Ik zal doen wat je wilt--mij offeren, en 't met een glimlach +doen!" Zij glimlachte droevig. "Zoolang ik je liefheb, zal ik hen +liefhebben." + +"Nu eerst zie ik wat voor een vrouw je bent. 't Valt me zwaar van je +heen te gaan." + +"Vaarwel, Gösta; God zij met je! Mijn liefde zal je niet tot zonde +verleiden." + +Zij keerde zich om en wilde naar binnen gaan. Hij volgde haar. + +"Zul je me gauw vergeten?" + +"Ga nu heen, Gösta; wij zijn maar menschen." + +Hij sprong in de slee. Maar toen kwam zij terug. + +"Denk je wel aan de wolven?" + +"Ja zeker, maar zij hebben hun werk gedaan. Met mij hebben zij vannacht +niets meer te maken." + +Nog eens strekte hij de armen naar haar uit. Maar Don Juan werd +ongeduldig en draafde weg. Hij greep de teugels niet. Hij lag voorover +op de bank en zag achteruit. Toen steunde hij met het hoofd op den +rand van de slee en schreide als een wanhopige. + +"Ik had het geluk in handen en stootte het terug. Zelf stootte ik +het terug. Ach, waarom hield ik het niet!" + +Ach, Gösta Berling, sterkste en zwakste onder de menschen. + + + + + + + +IV. + +LA CACHUCHA. + + +Strijdros, strijdros! Arm, oud ros, dat daar staat op de weide, +vastgebonden aan een touw. Herinnert ge u uw jeugd? + +Herinnert ge u den dag van den strijd? Ge sprongt voort als droegen u +vleugelen; uw manen golfden om u heen als flakkerende vlammen; bloed +en schuim glinsterde op uw zwarte borst. In 't met goud versierde +tuig vloogt ge voort. Het veld dreunde onder uw hoeven. Ge trildet +van vreugde, gij moedig dier! Ach, hoe schoon waart gij! + +In den kavaliersvleugel van Ekeby heerscht grauwe schemering. In +de groote zaal staan de roodgeschilderde kisten der kavaliers langs +den wand en hun zondagskleeren hangen aan de haken in den hoek. Het +schijnsel van het vuur speelt op de witte muren en op de geel geruite +gordijnen voor de alcoven in den muur. De kavaliersvleugel is geen +vorstelijk paleis, geen serail. + +Maar Liljecrona's viool klinkt er. Hij speelt la cachucha in den +schemer. En hij speelt haar telkens weer van voren af aan. + +Snijd de snaren door! Breek den strijkstok. Waarom speelt hij dien +vervloekten dans? Waarom toch speelt hij dien, nu Örneclou, de +vaandrig, met jicht te bed ligt, zóó stijf dat hij zich niet roeren +kan? O, ruk hem de viool uit de hand en werp die tegen den muur als +hij niet ophoudt! + +La cachucha, speelt ge die voor ons, meester? Kunnen we die nu hier +dansen, op de krakende planken van den kavaliersvleugel, tusschen +deze nauwe muren, zwart van rook en ruig van vuil, onder dit lage +dak? Wee u, dat ge hier la cachucha speelt! + +La cachucha, is die voor ons, kavaliers? Buiten huilt de +sneeuwstorm! Wilt ge de sneeuwvlokken op maat leeren dansen, speelt +ge voor de lichte kinderen van den sneeuwjacht? + +Vrouwengestalten, die trillen onder den heeten polsslag van hun +bloed, kleine zwarte handjes, die de pannen hebben weggeworpen om de +kastagnetten te grijpen, bloote voeten onder de opgeschorte rokken, +een hof met marmeren vloer, zigeuners, die neergehurkt zitten en op +den doedelzak blazen, of den tambourijn slaan, moorsche bogengangen, +maneschijn en zwarte oogen.... kunt ge ons dat alles geven, meester? O, +laat anders uw strijkstok rusten. + +Ginds bij het vuur drogen de kavaliers hunne natte kleeren. Hoe kunnen +zij dansen met hun hooge laarzen met ijzer beslagen, en met dikke +zolen. Den heelen dag hebben ze door voeten hooge sneeuw gewaad om den +beer in zijn hol te bereiken. Meent ge dat ze met dien ruigen kameraad +willen dansen in hun bombazijnen pakken? Een avondhemel vol sterren, +roode rozen in donkere vrouwenlokken, warme avondlucht vol bedwelmende +geuren, aangeboren schoonheid van beweging, liefdesgeluk, dat opstijgt +uit de aarde, neerdaalt uit den hemel, zweeft in de lucht--hebt gij +dat alles, meester? Ach, waarom wekt gij ons verlangen naar die dingen! + +Wreedaard? Gij blaast het signaal van den slag voor 't gekluisterde +strijdros! Rutger van Örneclou ligt te bed, door de jicht +verstijfd. Spaar hem de marteling van al die schoone herinneringen. Ook +hij heeft de sombrero en 't bonte haarnet gedragen, ook hij droeg +eens het fluweelen buis en den dolk in den gordel. Spaar den ouden +Örneclou, meester. + +Maar Liljecrona speelt la cachucha, altijd la cachucha. En Örneclou +wordt gepeinigd als de minnaar, die de zwaluwen ziet heentrekken naar +de woning zijner geliefde, als het hert, dat door zijn vervolgers +voorbij den verfrisschenden stroom gejaagd wordt. + +Liljecrona neemt een oogenblik de viool van de kin. + +"Vaandrig, herinner je je Rosalie van Berger?" + +Örneclou vloekt geweldig. + +"Ze was licht en gracieus als een vlam. Ze vonkelde en danste als +een diamant in den punt van een strijkstok. Je herinnert je haar nog +wel van 't theater in Karlstad? We zagen haar toen we nog jong waren, +weet je nog wel, vaandrig?" + +Of de vaandrig 't nog weet! Ze was klein en wild en glinsterend als +vuur. Zij kon de cachucha dansen. Zij leerde alle jonge heeren in +Karlstad de cachucha dansen en kastagnetten slaan. Op het bal van +den gouverneur dansten de vaandrig en Mejuffrouw van Berger een "pas +de deux" als Spanjaarden gekleed. En hij had gedanst, zooals men +danst onder vijgeboomen en platanen, als een Spanjaard, een echte +Spanjaard. Niemand in heel Wermeland kon de cachucha dansen zooals +hij. Niemand kon háár zoo dansen, dat 't de moeite waard was er naar +te kijken, behalve hij. Welk een kavalier had Wermeland niet in hem +verloren, toen de jicht zijn leden deed verstijven en zijn gewrichten +deed zwellen. Hij was zoo slank, zoo schoon, zoo ridderlijk! "De mooie +Örneclou" noemden de jonge meisjes hem en er waren er, die levenslang +boos op elkaar werden om zijnentwil. + +En Liljecrona begint weer la cachucha te spelen--altijd weer la +cachucha en Örneclou wordt teruggevoerd naar den ouden tijd. + +Weer staat hij naast Rosalie van Berger! Zij zijn juist een oogenblik +alleen in de kleedkamer geweest, als Spanjaarden verkleed. En hij +heeft haar mogen kussen; maar voorzichtig, want zij was bang voor zijn +zwartgeverfden baard. Nu dansen ze. Ach! zooals men onder vijgeboomen +en platanen danst. Zij wijkt, hij volgt, hij wordt stoutmoedig, +zij trotsch, hij vertoornd, zij tot verzoening geneigd. En als hij +eindelijk op de knieën valt en haar in zijn open armen opvangt, +gaat er een zucht door de zaal, een zucht van verrukking. + +Hij was een Spanjaard--een echte Spanjaard. + +Juist bij dezen streek van den strijkstok had hij zich zoo gebogen +en de armen uitgestrekt en den voet opgeheven om op de teenen voort +te zweven. Welk een gratie. Men had hem in marmer kunnen uithouwen! + +Hij weet zelf niet hoe 't kwam, maar hij heeft de voet over de +beddeplank gestoken, hij staat recht overeind, hij buigt zich, heft +de armen op, knipt met de vingers en wil over den grond zweven als +in den ouden tijd, toen hij zulke nauwe schoenen droeg, dat hij de +voeten van de kousen moest knippen. + +"Bravo, Örneclou! bravo, Liljecrona, speel leven in hem!" + +Maar zijn voet weigert. Hij kan niet op zijn teenen staan. Hij trekt +een paar keer krampachtig met het ééne been.... + +Schoone Sennor, ge zijt oud geworden! De Sennorita misschien ook? + +Alleen onder Granada's platanen wordt de cachucha gedanst door eeuwig +schoone Ginatos. Eeuwig jong zijn ze als de rozen, omdat iedere lente +nieuwe brengt. + +Is dan nu de tijd gekomen om de snaren van de viool door te snijden? + +Neen, speel voort, Liljecrona, speel de cachucha, altijd weer de +cachucha. Leer ons, dat we, al zijn we in de kavaliersvleugel dik +en stijf geworden, in onze harten toch dezelfde bleven--dat we nog +Spanjaarden zijn. + +Strijdros! arm strijdros, beken, dat ge de tonen der trompet liefhebt, +die u tot galoppeeren uitnoodigen, al slaat ge ook de pooten ten +bloede in uw kluister. + + + + + + + +V. + +HET BAL OP EKEBY. + + +O, gij vrouwen uit vroeger tijden. Wie van u spreekt, is het als +vertoeven zijn gedachten in 't Paradijs. Louter liefelijkheid waart +ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge, en vriendelijk +als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge +eekhorens, sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde +uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen +werden nooit ruw of hard. Gij, zachte heiligen, als versierde beelden +stondt ge in den tempel van het tehuis. Wierook en gebeden werden u +geofferd; door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel +straalde de gulden aureool der poëzie. + +O, gij vrouwen uit vroeger tijden, ik zal nu verhalen hoe een van u +aan Gösta Berling haar liefde schonk. + +Veertien dagen na het bal op Borg, was er feest op Ekeby. Dat was +het heerlijkste feest van de wereld. Oude mannen en vrouwen werden +jong opnieuw, lachten en waren vroolijk, als zij daarover spraken. + +Maar toen waren ook de kavaliers alleenheerschers op Ekeby. De +Majoorske ging het land door met den bedelstaf en de Majoor woonde +op Sjö. Hij kon niet eens bij het feest zijn; want de pokken waren +uitgebroken op Sjö en hij was bang de besmetting over te brengen.--Wat +een overvloed van genot brachten die twaalf heerlijke uren niet +mee! van 't eerste knallen van de kurken aan tafel tot de laatste +streek van den strijkstok, lang na middernacht! + +Zij zonken neer in den afgrond der tijden die vorstelijke uren, +bezield door vonkelenden wijn, door de fijnste gerechten, door de +heerlijkste muziek, door de geestigste comedies en de schoonste +tableaux-vivants. Ze zonken neer, duizelend door de sierlijkste +dansen. Waar vond men zulke gladde dansvloeren, zulke ridderlijke +kavaliers, zulke schoone vrouwen? + +Ja, gij vrouwen uit vroeger dagen. De zalen van Ekeby wemelden van +de schoonsten onder u. Daar is de jonge gravin Dohna, tintelend van +vroolijkheid en altijd bereid tot spel en dans, zooals 't past bij +haar twintig jaren; daar zijn de mooie dochters van den rechter van +Munkerud en de vroolijke jonge dames van Berga, daar is Anna Stjärnhök, +duizendmaal bekoorlijker nog dan vroeger door den zachten weemoed, +die over haar gekomen was na dien nacht, toen zij door de wolven +vervolgd werd; daar zijn er nog velen, die nog wel niet vergeten zijn, +maar spoedig zullen vergeten worden, en daar is ook de hartveroverende +Marianne Sinclaire. + +Zij de wijdberoemde, die schitterde aan 't hof van den koning en +straalde in de kasteelen der graven, de koningin der schoonheid, +die 't land doortrok en overal gehuldigd werd;--zij die de vonk der +liefde ontstak, waar ze zich vertoonde, zij had zich verwaardigd op +het feest der kavaliers te komen. + +De eer van Wermeland was groot in de tijden, door zooveel fiere +namen gedragen. De blijde kindren van dat schoone land hadden veel +om trotsch op te wezen. Maar als zij hun grootheden noemden, dan +vergaten ze nooit van Marianne Sinclaire te spreken. + +De roem van haar overwinningen ging door 't geheele land. + +Men sprak van de gravenkronen, die om haar hoofd gezweefd hadden, +van de millioenen, die voor haar voeten gelegd waren, van de zwaarden +der krijgslieden en de kransen der dichters, die haar hadden gewenkt. + +En zij was niet alleen schoon. Zij was geestvol en ontwikkeld. De +beste mannen van dien tijd verheugden zich als zij met haar konden +spreken. Zelf schreef zij niet; maar veel van haar gedachten, door +haar in de zielen der dichters onder haar vrienden gelegd, leefden +voort in liederen. + +In Wermeland, in het berenland vertoefde ze maar zelden. Haar leven +bracht ze meestal op reis door. Haar vader, de rijke Melchior Sinclaire +was thuis met zijn vrouw op Björne en liet Marianne reizen naar haar +voorname vrienden in de groote steden, of op de prachtige buitens. Hij +vertelde graag van al het geld, dat zij verkwistte, en de twee oude +menschen leefden gelukkig in den glans van Mariannes stralend bestaan. + +Haar leven was vol genoegens en hulde. De lucht om haar heen was +liefde. Liefde was haar licht bij dag en in de schemering, liefde +haar dagelijksch brood. + +Dikwijls had ze zelf liefgehad.... dikwijls, dikwijls! Maar nooit +had zulk een vlam lang genoeg gebrand om er de ketens in te smeden, +die binden voor heel een leven. + +"Ik wacht op de liefde, die komt als een veroveraar," placht zij te +zeggen. "Tot nu toe is ze nog niet over een wal geklommen of over een +sloot gezwommen. Ik wacht op de geweldige, die me buiten mij zelf +brengt. Zóó sterk wil ik de liefde in me voelen, dat ik voor haar +beef. Nu ken ik alleen de liefde, waarover mijn verstand glimlacht." + +Haar nabijheid gaf vuur aan de woorden en leven aan den wijn. Haar +ziel vol gloed gaf den strijkstok vaart en de dans zweefde lichter, +meer bekorend dan vroeger over den dansvloer, wanneer zij die aanraakte +met haar fijnen voet. + +Zij schitterde in de tableaux, zij bezielde de comedies, haar schoone +lippen.... Ach, stil toch, het was haar schuld niet. Zij had het nooit +zoo bedoeld, het kwam door het balkon, door den maneschijn, door de +kanten sluier, het riddercostuum, het gezang. De arme jonge menschen +waren onschuldig. En alles wat oorzaak was van zooveel ongeluk werd +met de beste bedoelingen gedaan. Patroon Julius, die overal verstand +van had, had een tableau vivant gearrangeerd, enkel en alleen opdat +Marianne in al haar heerlijkheid zou uitkomen. + +In het theater, dat in de groote zaal op Ekeby opgeslagen was, +zaten honderden gasten en zagen op het tooneel de gouden Spaansche +maan langs een donkeren nachtelijken hemel drijven. Een Don Juan +sluipt langs de straten van Sevilla en houdt stil onder een balkon, +met klimop bedekt. Hij was als monnik verkleed; maar men zag een +geborduurde manchet uit de wijde mouw komen en een blinkende degenpunt +stak beneden uit de monnikspij. + +Hij verhief zijn stem en zong: + + + "Mij lokt geen beker gulden wijn, + Mij lokt geen roode vrouwenmond, + Een smeekend oog, dat liefde vraagt, + Beweegt mij 't harte niet. + + Toon mij uw fiere schoonheid niet + O sennorita, wijk van mij! + Der Heilige Maagd behoort mijn hart + Zij troost me in 's werelds leed." + + +Toen hij zweeg, trad Marianne te voorschijn op het balkon, in een +zwart fluweelen gewaad, met kanten sluier. Zij boog zich over het +hek en zong langzaam en ironisch: + + + "Waarom vertoeft gij, vrome man, + Te middernacht bij mijn balkon? + Zeg, bidt gij voor mijn ziel?" + + +En toen plotseling, warm en innig: + + + "O vlucht! vlucht snel, u dreigt gevaar + Men kan uw degen duidlijk zien. + En hoort, trots al uw vroom gezang, + De sporen van uw hiel." + + +Bij deze woorden wierp de monnik zijn kleed af en Gösta Berling stond +onder 't balkon in een ridderkleed van zijde en goud. Hij stoorde +zich niet aan de waarschuwing van de schoone vrouw, maar klauterde +tegen de zuilen van 't balkon op, sprong over het hek en viel, zooals +Patroon Julius had voorgeschreven, op de knieën aan de voeten van de +schoone Marianne. + +Zij glimlachte vriendelijk en reikte hem de hand om die te kussen, +en terwijl de twee jongelieden elkaar vol liefde aanzagen, viel +het gordijn. + +En vóór haar knielde Gösta Berling met een gezicht, zacht en zielvol +als dat van een dichter, en kloek als dat van een veldheer, met diepe +oogen, guitig en geestig, oogen, die smeekten en dreigden. Slank en +krachtig was hij, bezielend en innemend. + +En het gordijn ging op en neer, en de jongelieden bleven staan in +dezelfde houding. Gösta's oogen bleven de schoone Marianne aanzien; +zij smeekten en dreigden. + +Eindelijk hield het applaudisseeren op. 't Gordijn bleef neer. Niemand +kon hen zien. Toen boog de schoone Marianne zich neer en kuste Gösta +Berling. Zij wist niet waarom; zij kon niet anders. Hij legde den arm +om haar hals en hield haar vast. Zij kuste hem nog eens, en nog eens. + +Maar 't kwam door 't balkon, door den maneschijn, door de kanten +sluier, 't ridderkostuum, het gezang, het applaus; de arme jonge +menschen waren onschuldig. Zij hadden dit niet gewild. Zij had de +gravenkronen niet van zich gestooten, die boven haar hoofd zweefden, +zij was de millioenen, die aan haar voeten gelegd werden niet voorbij +gegaan, uit verlangen naar Gösta Berling en hij had Anna Stjärnhök niet +vergeten. Neen, zij waren onschuldig, geen van beiden had dit gewild. + +'t Was de zachtmoedige Löwenborg, hij met de tranen in de oogen +en den glimlach op de lippen,--die het gordijn ophaalde en liet +vallen. Verdiept in vele treurige herinneringen, had hij maar weinig +aandacht over voor de dingen dezer wereld en had nooit geleerd ze +behoorlijk te behartigen. Toen hij nu zag, dat Gösta en Marianne eene +andere houding hadden aangenomen, meende hij, dat dit bij het tableau +hoorde en trok het gordijn weer op. + +De jonge menschen op 't balkon bemerkten er niets van, eer de storm +van applaus weer losbarstte in de zaal. + +Een schok voer Marianne door de leden, en zij wilde vluchten; maar +Gösta hield haar vast en fluisterde: "sta stil, ze denken dat dit +bij het tableau hoort." + +Hij voelde haar beven van angst en de gloed der kussen sterven op +haar lippen. "Wees niet bang," fluisterde hij, "schoone lippen hebben +recht tot kussen." + +Zij moesten stil blijven staan, terwijl het gordijn op en neer ging, +en ieder keer, dat die honderden oogen hen aanzagen, ging een storm +van applaus door de zaal. + +Want het is heerlijk twee schoone jonge menschen het geluk der liefde +te zien voorstellen. Niemand dacht, dat deze kussen iets anders dan +tooneelkussen waren, niemand vermoedde dat de Sennora beefde van +schaamte en de ridder trilde van onrust. Iedereen dacht, dat alles +bij het tableau hoorde. + +Eindelijk stonden Marianne en Gösta achter de coulissen. Zij streek +zich over het voorhoofd en over het haar: "Ik begrijp mij zelf niet," +zeide zij. + +"Foei, juffrouw Marianne," zei hij en trok een leelijk gezicht, terwijl +hij een afwerende beweging met de hand maakte. "Gösta Berling kussen, +wel foei!" + +Marianne moest lachen. + +"Iedereen weet, dat Gösta Berling onweerstaanbaar is," antwoordde +ze. "Mijn schuld is niet grooter dan die van ieder ander." + +En ze spraken af zich goed te houden, zoodat niemand de waarheid +zou vermoeden. + +"Kan ik er op vertrouwen, dat de waarheid nooit uitkomt, mijnheer +Gösta?" vroeg zij toen zij in de zaal zouden gaan. + +"Daar kunt u zeker van zijn, juffrouw Marianne. De kavaliers zwijgen; +ik sta voor hen in." + +Zij sloeg de oogen neer en een eigenaardige glimlach krulde haar +lippen. + +"Als nu de waarheid toch uitkomt, wat zullen de menschen dan wel van +me denken, mijnheer Gösta?" + +"Ze zullen niets denken; zij weten, dat dit niets beduidt. Ze zullen +denken, dat we in onze rollen waren en doorspeelden." + +Nog een vraag sloop te voorschijn van onder de neergeslagen oogen en +den gedwongen glimlach. + +"Maar wat denkt Mijnheer Gösta er zelf van?" + +"Ik denk, dat Juffrouw Marianne verliefd op mij is," zei hij lachende. + +"Geloof dat niet," antwoordde ze glimlachend, "want dan zou ik Mijnheer +Gösta met mijn Spaansche dolk moeten doorboren om hem te bewijzen, +dat hij ongelijk heeft." + +"Vrouwenkussen zijn duur," zei Gösta. "Kost het iemand het leven als +Juffrouw Marianne hem kust?" + +Toen zond Marianne hem een vlammenden blik, zóó scherp, dat hij dien +voelde als een dolkstoot. + +"Ik wou, dat je dood waart, Gösta Berling! dood! dood!" + +Die woorden wakkerden 't oude heimwee van den dichter weer aan. + +"Ach," zeide hij, "waren die woorden maar meer dan woorden, waren ze +maar pijlen, die fluitend aankwamen uit 't donkere kreupelhout, waren +ze maar dolken of giftdroppels! Hadden ze maar macht dit ellendig +lichaam weg te nemen en mijn ziel vrij te maken!" + +Zij was weer rustig geworden en glimlachte: "Kinderpraat," zei ze en +nam zijn arm om naar binnen te gaan. + +Zij hielden hun kostumes aan en werden in triomf ingehaald, toen zij +zich in de zaal vertoonden. Allen prezen hen. Niemand vermoedde iets. + +'t Bal begon, maar Gösta ging weg uit de balzaal. Zijn hart deed +hem pijn, na dien blik van Marianne, als ware 't door scherp staal +gekwetst. Hij begreep wel, wat ze bedoelde. 't Was schande hem lief +te hebben, schande door hem bemind te worden--een schande, erger dan +de dood. Hij wilde niet meer dansen; hij wilde ze niet meer zien, +die schoone vrouwen. Hij wist het wel. Hun fluweelen oogen, hun +roode wangen waren niet voor hem. Niet voor hem zweefden hun lichte +voeten door de zaal, niet voor hem klonk hun frissche lach. Ja, met +hem dansen, met hem dwepen--dat konden ze, maar geen van hen zou in +allen ernst de zijne willen zijn. + +Hij ging in de rookkamer naar de oude heeren en zette zich aan een der +speeltafeltjes. Toevallig kwam hij aan 't zelfde, waar de machtige +Heer van Björne zat. Nu eens speelde hij, dan hield hij de bank en +verzamelde een grooten stapel geld voor zich. + +'t Spel ging al hoog. Nu voerde Gösta 't nog hooger op. De groene +bankpapieren kwamen voor den dag en steeds groeide de stapel geld +voor den machtigen Melchior aan. + +Maar ook voor Gösta lagen spoedig bankbiljetten en kopergeld in +overvloed en spoedig was hij de eenige die 't tegenover Melchior +Sinclaire van Björne kon volhouden. Spoedig begonnen zelfs de +geldstukken van hem naar Gösta Berling te verhuizen. + +"Nu Göstalief!" riep hij uit, toen hij alles had verspeeld wat hij +in zijn beurs en portefeuille had, "wat zullen we nu doen? Ik ben +lens en speel nooit met geleend geld. Dat heb ik mijn moeder beloofd." + +Hij vond er toch iets op. Hij verspeelde zijn horloge en zijn pels +van berenvel en was juist van plan zijn slee en paard op te zetten, +toen Sintram hem tegenhield. + +"Zet wat op, dat de moeite waard is," raadde de booze Heer van +Fors. "Zet wat op dat 't geluk kan doen verkeeren." + +"De duivel hale als ik weet wat dat is." + +"Speel om je dierbare oogappel, Melchior, speel om je dochter!" + +"Dat kunt u gerust wagen," zei Gösta lachende, "dien prijs zal ik +nooit winnen." + +De machtige landheer kon niet anders dan meelachen. Hij had niet graag, +dat Mariannes naam aan de speeltafel genoemd werd; maar deze inval +was zóó onzinnig, dat hij niet boos kon worden. Marianne aan Gösta +Berling verspelen.... ja, dat kon hij wel wagen. + +"Dat wil zeggen," verklaarde hij, "dat als je haar jawoord kunt winnen, +Gösta, zet ik mijn zegen op jelui huwelijk op deze kaart." + +Gösta zette alles op, wat hij gewonnen had en 't spel begon. Hij +won en Melchior Sinclaire hield met spelen op. 't Geluk liep hem +tegen. Hij zag wel dat 't niet ging. + +De nacht ging voorbij. 't Was al over twaalven. + +De wangen der schoonen begonnen te verbleeken, het haar ging uit +de krul, de garneeringen der baljaponnen waren gekreukeld. De oude +dames stonden op uit de sofa's en zeiden, dat 't feest nu twaalf uren +geduurd had en dat het tijd werd om naar huis te gaan. + +En 't heerlijk feest was voorbij, maar Liljecrona nam zelf de viool +en speelde nog een laatste polka. De sleden stonden voor de deur, +de oude dames deden haar pelzen en kappen aan, de oude heeren bonden +de cache-nez om den hals en knoopten hun bonten overschoenen dicht. + +Maar de jongelieden konden nog niet uit de danszaal scheiden. Zij +dansten met hoed en mantel om. Ze dansten de polka à quatre, de +slingerpolka, de ringpolka, een onzinnige dans was het. Zoo vaak een +cavalier zijn dame losliet, kwam een ander en danste met haar weg. + +Zelfs de treurige Gösta werd meegesleept in den wervelwind. Hij wilde +de smart en de vernedering wegdansen, hij wilde weer de levenslust +door zijn aderen voelen bruisen; hij wilde blij zijn, blij zooals +alle anderen. En hij danste dat de zaal met hem in 't rond draaide +en zijn gedachten verward werden. + +Wat was dat nu voor een dame, waar hij nu meê danste? Ze was licht +en slank en 't was hem als gingen stroomen vuur van hem naar haar en +van haar naar hem. Ach! Marianne! + +Terwijl Gösta met Marianne danste, zat Sintram al in zijn slee +beneden op de plaats en naast hem stond Melchior Sinclaire. De +machtige landheer was ongeduldig geworden, omdat hij op Marianne moest +wachten. Hij stampte op de sneeuw met zijn groote, met bont gevoerde +laarzen en sloeg met de armen, want 't was bitter koud. + +"Je hadt misschien Marianne maar liever niet aan Gösta moeten +verspelen, Sinclaire," zei Sintram. + +"Wat blief je??"-- + +Sintram maakte de teugels in orde en hief de zweep op, eer hij +antwoordde: + +"Dat gekus hoorde volstrekt niet bij het tableau." + +De machtige Melchior hief den arm op tot een verpletterenden slag; +maar Sintram was al weg. Hij draafde weg en zweepte de paarden aan +tot een woeste vaart zonder te durven omzien. Want Melchior Sinclaire +had een sterken arm en weinig geduld. + +De Heer van Björne ging nu in de danszaal om zijn dochter te halen +en zag daar hoe Gösta en Marianne dansten. Woest en onstuimig werd +die laatste polka gedanst. Enkele paren waren bleek; andere gloeiend +rood. 't Stof stond als een wolk door de zaal. De kaarsen gloeiden; +ze waren in de kandelaars neergebrand, en midden in dien ongezelligen +chaos vlogen Gösta en Marianne rond, vorstelijk in hun frissche +onvermoeidheid in hun vlekkelooze schoonheid, blijde zich latende +gaan in de heerlijke beweging van den dans. + +Melchior Sinclaire zag een poos naar hen, toen ging hij heen en +liet Marianne dansen. Hij sloeg de deur hard dicht, stampte woest +op de trappen, zette zich zonder een woord te spreken in de slee, +waar zijn vrouw hem al wachtte en reed naar huis. + +Toen Marianne na den dans naar haar ouders vroeg, waren ze +weggereden. Toen zij dat hoorde, hield zij zich goed en toonde geen +verwondering. Zij kleedde zich stil aan en ging naar buiten. De +dames in de kleedkamer meenden, dat zij haar eigen slee had. Maar ze +spoedde zich in haar dunne zijden schoentjes voort langs den weg, +zonder aan iemand haar nood te klagen. Niemand herkende haar in +het donker. Niemand kon denken, dat de wandelaarster, die door de +voorbijrijdende sleden in de hooge sneeuwhoopen langs den weg gedrongen +werd, de mooie Marianne was. Zoodra de weg vrij was en zij midden op +kon loopen, liep ze zoo hard als ze kon. Als ze moe werd, hield ze even +op, dan draafde ze weer. Een akelige, pijnlijke angst dreef haar voort. + +Van Ekeby naar Björne is niet verder dan een vierde mijl. Marianne was +spoedig thuis, maar ze meende eerst dat ze verkeerd geloopen was. Toen +zij het huis naderde, waren alle deuren dicht, alle lichten uit. Ze +dacht eerst, dat haar ouders nog niet thuis gekomen waren. + +Ze ging naar de hoofddeur en liet den klopper een paar malen zwaar +neervallen. Zij greep den deurknop en rukte er aan, dat het door +'t geheele huis klonk. Niemand deed open; maar toen ze den ijzeren +knop, dien ze met haar bloote handen had aangegrepen, wilde loslaten, +werd de huid van haar hand door den ijskouden knop gescheurd. + +De machtige eigenaar van Björne, Melchior Sinclaire, was naar huis +gereden om de poort van zijn goed te sluiten voor zijn eenig kind: +hij was bedwelmd door den drank, en woest van toorn. Hij haatte zijn +dochter, omdat ze van Gösta Berling hield, hij sloot de dienstboden +in de keuken op en zijn vrouw in de slaapkamer. Met geweldige vloeken +dreigde hij ieder, die het waagde Marianne binnen te laten komen, +armen en beenen stuk te slaan. Zij wisten dat hij woord zou houden. + +Zóó boos had nog niemand hem ooit gezien. Grooter leed was hem nooit +overkomen. Was zijn dochter hem onder de oogen gekomen, hij had haar +misschien gedood. + +Hij had haar gouden sieraden en zijden kleederen gegeven; hij had haar +fijne beschaving en veel kennis gegeven. Zij was zijn eer, zijn glorie +geweest. Hij was trotsch op haar geweest als droeg ze een kroon! Ach +zijn vorstelijke, goddelijke, aangebedene, zijn schoone fiere +Marianne! Had hij iets ontzien, waar 't haar gold? Had hij zich niet +te onbeschaafd gevoeld om haar vader te zijn? Ach Marianne, Marianne! + +Zou hij haar niet haten, zij die verliefd is op Gösta Berling en hem +kust! Zou hij haar niet verstooten en zijn deur voor haar sluiten, +als ze zijn eer krenkt door zulk een man lief te hebben?--Laat ze +op Ekeby blijven. Laat ze bij de buren een onderkomen zoeken, laat +ze in de sneeuw slapen. Hem kan 't niet schelen. Ze is toch al door +den modder gehaald. Haar glans--de glans van zijn leven is weg! + +Hij ligt daar binnen in bed en hoort haar kloppen op de deur. Wat +gaat hem dat aan? Hij slaapt. Daar buiten staat iemand, die met een +afgezetten dominé trouwen wil. Zulke menschen hooren niet in zijn +huis. Had hij haar minder liefgehad, was hij minder trotsch op haar +geweest, dan had hij haar misschien nog ingelaten. + +Ja, zijn zegen kon hij hen niet onthouden. Dien had hij aan Gösta +Berling verspeeld. Maar in zijn huis zou ze geen voet meer zetten, +dàt verkoos hij niet.--Ach Marianne! + +De schoone jonge vrouw stond nog altijd buiten de deur van haar +ouderlijk huis. Nu eens rukte ze aan de deur in machtelooze woede, +dan weer viel ze op haar knieën, vouwde haar gekwetste handen en +smeekte om vergeving. Maar niemand deed open. + +Ach, was dat niet verschrikkelijk? + +Ontzetting grijpt me aan, terwijl ik het vertel. Zij kwam van +een bal, waar ze koningin van 't feest geweest was. Ze was fier, +rijk en gelukkig en in één oogenblik werd ze in zulk een hopelooze +ellende gestort. Uitgestooten uit haar huis, aan de felle winterkou +prijs gegeven; niet gehoond, geslagen of vervloekt, maar enkel koud, +onverbiddelijk, liefdeloos buitengesloten. + +Ik denk aan den kouden, sterrenheldren nacht, die zich over haar +welfde, de groote wijde nacht met de verlatene, eenzame sneeuwvelden, +met de stille bosschen. Alles was stil, alles lag zonder smart in diepe +rust, slechts één enkel levend punt in al dat slapende witte. Alle +smart en angst en schrik, die anders over heel de wereld verdeeld +is, kwam nu samen op dat ééne punt. O, God! alleen te lijden in die +slapende, stijfbevroren wereld. + +Voor 't eerst in haar leven ontmoette ze onbarmhartigheid en +hardheid. Haar moeder wilde niet eens uit haar bed opstaan, om haar +te redden. Oude, trouwe dienaren, die haar eerste schreden geleid +hadden, hoorden haar, maar verroerden geen vinger om harentwil. Voor +welke misdaad werd ze toch gestraft! Waar kon ze barmhartigheid +verwachten, als ze die hier niet vond! Als ze een mensch vermoord had, +zou ze toch nog hier aangeklopt hebben, in de overtuiging, dat zij +daarbinnen haar vergeven zouden. Al was ze de ellendigste onder de +menschen geworden, al was ze diep gezonken en in lompen, dan nog zou +ze met vertrouwen naar deze deur zijn gegaan en een liefdrijk welkom +verwacht hebben. Deze deur was de ingang naar haar huis. Daarachter +kon ze alleen liefde ontmoeten. Had haar vader haar nu nog niet genoeg +beproefd? Zouden ze nu niet gauw opendoen? + +"Vader, vader!" riep ze, "laat me toch binnen. Ik heb 't zoo koud, +ik ril 't Is hier buiten zoo vreeselijk!" + +"Moeder, moeder; u hebt zooveel voor me gedaan! u hebt zoo dikwijls +bij me gewaakt! Waarom slaapt u nu? Moeder, moeder waak nog dezen +éénen nacht, en ik zal u nooit meer verdriet doen!" + +Zij roept, en luistert dan ademloos naar antwoord. Maar niemand hoort +het, niemand helpt, niemand antwoordt. Dan wringt zij de handen van +angst; maar ze heeft nog geen tranen. + +Het lange donkre huis met zijn gesloten deuren en donkre vensters +lag schrikwekkend, onbewegelijk, in den stillen nacht. Wat moest er +van haar, arme daklooze worden. Gebrandmerkt en onteerd zou ze zijn, +zoolang ze leefde. En 't was haar vader zelf, die haar 't gloeiend +brandijzer in de schouders drukte. + +"Vader," riep ze nog eens, "wat moet er van me worden? De menschen +zullen allerlei kwaad van me denken." Zij schreide en jammerde; +zij was geheel verstijfd van kou. + +O! dat zulk een ellende kan komen over iemand, die pas zóó +hoog stond. Dat men zóó licht onder 't zwaarste leed gebogen kan +worden! Moeten we niet bang worden voor 't leven? Wie is er veilig? Om +ons heen golft de smart als een woeste zee. Zie, de golven dringen +op om ons scheepje, begeerig om er bruisend overheen te storten. O, +geen zeker voetpad, geen vaste grond, geen veilig vaartuig, zoover +het oog reikt! Slechts een onbekende hemel over zee van smart. + +Stil! Eindelijk, eindelijk! Lichte schreden klinken in de vestibule. + +"Is u 't moeder?" vroeg Marianne. + +"Ja, mijn kind." + +"Mag ik nu binnen komen?" + +"Vader wil je niet binnen laten." + +"Ik ben van Ekeby hierheen geloopen met mijn dunne schoenen door de +sneeuw. Ik heb hier een uur staan roepen en kloppen. Ik vries hier +dood! Waarom is u weggereden?" + +"Ach, kind, kind, waarom heb je Gösta Berling gekust!" + +"Maar zeg toch aan vader, dat ik niet van hem houd! 't Was immers +maar spel! Gelooft hij dan dat ik Gösta hebben wil?" + +"Ga naar de boerderij, Marianne en vraag of je daar van nacht moogt +blijven. Vader is dronken. Met vader is niet te praten, hij heeft +mij boven gevangen gehouden. Ik ben weggeslopen, toen ik dacht, +dat hij sliep. Hij slaat je dood, als je binnenkomt." + +"Moeder, moeder, moet ik naar vreemden gaan als ik een huis heb? Is +moeder even hard als vader. Hoe kunt gij er vrede meê hebben, dat ik +buiten gesloten word. Ik ga hier in de sneeuw liggen, als u me niet +binnen laat." + +Toen nam Mariannes moeder de deursleutel in de hand om open te doen; +maar op 't zelfde oogenblik hoorde ze zware schreden op de trap en +een scherpe stem riep haar. + +Marianne luisterde; haar moeder haastte zich weg; de scherpe stem +schold haar uit en toen.... + +Marianne hoorde iets vreeselijks--in 't doodstille huis kon ze ieder +geluid hooren. + +Ze hoorde 't geluid van een slag, van een stokslag of een oorvijg, +toen een zwak geritsel en toen weer een slag. + +Hij sloeg haar moeder, de verschrikkelijke, reusachtige Melchior +Sinclaire sloeg zijn vrouw! + +Doodsbleek van schrik wierp Marianne zich neer op den drempel en +wrong de handen van angst. Nu schreide zij en haar tranen bevroren +op den drempel van haar ouderlijk huis. + +Genade! Erbarming! Doe open, doe open, opdat zij haar rug kan krommen +onder de slagen. O! dat hij moeder kan slaan, haar slaan, omdat ze +haar dochter niet dood in de sneeuw wil zien liggen, omdat zij haar +kind heeft willen troosten! + +Hoe diep werd Marianne dien nacht vernederd! Ze had gedroomd, dat +zij koningin was en daar lag ze nu, weinig beter dan een slavin, +gekromd onder de zweep van haar meester. + +Maar zij stond op in ijskoude verontwaardiging. Nog eens sloeg ze +met haar bloedende hand op de deur en riep: + +"Hoor wat ik je nu zeg, jij die mijn moeder slaat! Je zult schreien, +Melchior Sinclaire, bloedige tranen schreien!" Daarop ging zij heen, +de schoone Marianne en legde zich ter ruste in een sneeuwhoop. Ze +gooide haar pels af en lag daar in haar zwart fluweelen feestkleed, +scherp afstekend tegen de witte sneeuw en ze dacht er aan hoe haar +vader den volgenden morgen vroeg zou uitgaan en haar vinden. Zij +hoopte alleen dat hij haar zelf vinden zou. + + + +Op Ekeby waren alle lichten uitgebluscht en alle gasten vertrokken. De +kavaliers stonden alleen boven in de kavaliersvleugel, om den laatsten +halfleegen bowl. + +Toen tikte Gösta tegen den rand van den bowl, en sloeg een toast op u, +gij vrouwen uit vroeger dagen. + +Wie van u sprak, zei hij, hem was het als vertoefden zijn gedachten in +'t Paradijs. Louter heerlijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong, +eeuwig schoon waart ge en vriendelijk als de oogen der moeder, die +naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens sloegt ge de armen om +den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw +voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw en hard. Gij +zachte heiligen, als versierde beelden stond ge in den tempel van +het tehuis. De mannen lagen aan uw voeten en brachten u wierook en +gebeden ten offer, door u verrichtte de liefde haar wonderen en om +uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie. + +En de kavaliers sprongen op, bedwelmd door den wijn, bedwelmd ook +door zijn woorden, de feestvreugde nog bruisend door hun bloed. De +oude oom Eberhard en de luie neef Christoffel bleven niet achter. In +vliegende vaart spanden zij allen te samen de paarden voor de sleden +en ijlden voort door den kouden nacht om nog een hulde te brengen aan +haar, die nooit genoeg gehuldigd werden, om een serenade te brengen +aan ieder, die met haar roode wangen en heldere oogen schitterde in +de groote zalen van Ekeby. + +Maar de kavaliers brachten 't niet ver op dien tocht. Want toen ze +bij Björne kwamen, vonden zij de schoone Marianne in de sneeuw liggen +voor de poort van haar ouderlijk huis. + +Zij rilden! Zij werden bedroefd en vertoornd toen ze haar daar zoo +zagen liggen. Het was hun als vonden ze een heiligenbeeld vernield +en uitgeplunderd bij de kerkdeur liggen, alsof een baldadige hand de +snaren van een stradivarius had doorgesneden. + +Gösta balde de vuist tegen het donkere huis. "Gij kindren der +duisternis!" riep hij. "Als hagel en storm hebt ge Gods paradijs +verwoest!" + +Beerencreutz stak zijn hoornen lantaren aan en lichtte er de +bewustelooze meê in 't blauwbleeke gezicht. Toen zagen de kavaliers +haar gekwetste handen, en de tranen, die in haar wimpers bevroren waren +en zij jammerden luid. Want zij was toch meer dan een heiligenbeeld +of een kostbaar muziekinstrument;--ze was een schoone vrouw, die tot +vreugd voor hun oude harten geweest was. + +Gösta Berling wierp zich naast haar op de knieën. + +"Hier ligt ze nu, mijn bruid," riep hij uit. "Zij gaf mij voor een +paar uur de eerste kus en haar vader heeft mij zijn zegen beloofd. Zij +ligt en wacht, tot ik haar sneeuwwit bed kom deelen." En Gösta hief +de levenlooze op in zijn sterke armen. + +"Naar huis, naar Ekeby met haar!" riep hij uit. "Nu is ze de mijne! In +de sneeuw heb ik haar gevonden, nu zal niemand mij haar afnemen. Wij +zullen hen daarbinnen niet wakker maken. Wat zou zij daar achter die +poort doen, waartegen zij de handen aan bloed sloeg!" + +Hij mocht doen wat hij wilde. Hij legde Marianne in de voorste slee +en zette zich naast haar. Beerencreutz ging er achter op staan en +greep de teugels. + +"Wrijf haar met sneeuw, Gösta," raadde hij. + +De kou had haar verlamd, anders niet. Haar woest oproerig hart klopte +nog. Zij was niet eens bewusteloos. Zij had alles gehoord en wist, dat +de kavaliers haar gevonden hadden; maar zij kon zich niet bewegen. Ze +lag stijf en onbewegelijk in de slee, terwijl Gösta Berling haar met +sneeuw wreef en beurtelings schreide en haar kuste, en zij voelde een +oneindig verlangen om slechts éen hand zóóveel te kunnen verroeren, +dat ze zijn liefkoozingen beantwoorden kon. + +Zij herinnerde zich alles; ze lag daar wel stijf en machteloos, +maar haar gedachten waren helderder dan ooit. Had zij Gösta Berling +lief? Ja, dat deed ze! Was het maar een inval van dien avond? Neen, +zij had hem al lang, al vele jaren liefgehad. + +Ze vergeleek zich zelf met hem en de andere menschen in Wermeland. Zij +waren allen kinderen van het oogenblik. lederen opkomenden lust +volgden ze. Zij leefden alleen het uiterlijke leven en hadden nooit +de diepte hunner ziel gepeild. Maar zij was geworden zooals men wordt +door veel onder menschen te verkeeren. Zij kon zich nooit geheel aan +iets overgeven. Als zij liefhad--ja, wat ze ook deed--altijd stond +de eene helft van haar Ik met een koelen spottenden glimlach toe te +zien op wat de andre helft deed. Zij had verlangd naar een hartstocht, +die over haar komen zou en haar meêslepen in woeste vaart. En nu was +hij gekomen, de machtige. Toen zij Gösta Berling gekust had op het +balkon, had zij voor het eerst zich zelf vergeten. + +En nu kwam de hartstocht op nieuw over haar. Haar hart sloeg zóó +heftig, dat zij 't hooren kon. Zou zij niet eindelijk haar ledematen +weer meester worden?--Zij voelde een woeste blijdschap, omdat ze +uit haar huis verstooten was. Nu wilde ze Gösta toebehooren, zonder +eenige bedenkingen. Wat was ze toch dom geweest, toen ze jaren lang +haar liefde bedwong. O heerlijk, heerlijk is 't zich over te geven aan +de liefde, haar te voelen branden in 't hart. Maar zou ze dan nooit, +nooit uit de kluisters van ijs bevrijd worden? Tot nu toe was ze van +binnen koud en van buiten vol gloed geweest. Nu was 't haar als droeg +ze een ziel van vuur in een lichaam van ijs. + +Daar voelt Gösta twee armen zacht zich opheffen en om zijn hals leggen +met een zwak, bijna onmerkbaar drukken. + +Hij kon 't maar juist even voelen. + +En Marianne meende, dat zij haar gesmoorden hartstocht lucht gegeven +had in een brandende omhelzing. + +Toen Beerencreutz dat zag, liet hij 't paard over aan zich zelf op +den bekenden weg. Hij hief zijn oogen op en staarde hardnekkig en +onafgebroken naar 't zevengesternte. + + + + + + + +VI. + +DE OUDE VOERTUIGEN. + + +Vrienden, menschenkinderen! Wanneer het mocht zijn, dat ge dit zit +of ligt te lezen in den nacht, zooals ik dit schrijf in stilte en +duisternis, slaak dan geen zucht van verlichting bij de gedachte, +dat de goede heeren van Ekeby ongestoord konden slapen, toen ze thuis +gekomen waren met Marianne en haar een goed bed gegeven hadden in de +beste logeerkamer bij de groote zaal. + +Ze gingen wel naar bed en sliepen in; maar het viel hen niet te beurt +om rustig te slapen tot midden op den dag, zooals gij en ik zouden +doen, als we tot vier uur opgebleven waren en de leden ons pijn deden +van vermoeidheid. + +Want ge moet niet vergeten, dat de oude Majoorske door 't land ging +met den bedelstaf en dat het niet in haar aard lag, bij 't uitvoeren +van gewichtige plannen, rekening te houden met het gemak van vermoeide +zondaars. En nu deed ze dat nog veel minder, omdat ze voornemens was +dezen nacht de kavaliers van Ekeby te verdrijven. + +De tijd, toen zij in glans en heerlijkheid op Ekeby zat en vreugde +om zich heen strooide over de wereld, zooals God sterren zaait over +den ganschen hemel--die tijd was voorbij. En terwijl zij verlaten +ronddwaalde, was de macht en eer van het groote goed aan de kavaliers +overgelaten, die het verzorgden, zooals de wind de asch, zooals de +lentezon de sneeuw. + +Nu en dan gebeurde het, dat de kavaliers in een lange slede reden met +klinkende bellen. Wanneer zij dan de Majoorske ontmoetten, die als +bedelaarster langs den weg ging, sloegen zij de oogen niet neer. De +luidruchtige troep balde de vuisten tegen haar. Met een zwaai van de +slee drongen ze haar in de sneeuwhoopen op zij van den weg en Majoor +Fuchs, de beerenjager, spuwde altijd drie keer op den grond om het +booze voorteeken van zulk een ontmoeting de kracht te ontnemen. + +Zij hadden geen medelijden met haar, ze beschouwden haar als een +leelijke heks. + +Als haar een ongeluk getroffen had, zouden ze het zich niet meer +hebben aangetrokken, dan wanneer ze op een avond een geweer hadden +afgeschoten met koperen knoopen en dan toevallig een voorbijvliegende +tooverheks geraakt hadden. + +De arme kavaliers meenden hun ziel te redden door de Majoorske te +vervolgen. + +De menschen hebben elkaar vaak 't gruwelijkst gepijnigd, als zij in +angst waren voor de zaligheid hunner ziel. + +Als de kavaliers laat in den nacht van hun drinkgelag naar 't venster +gingen, om naar 't weer te kijken, zagen ze vaak een donkere schaduw +door den hof glijden en ze begrepen dan, dat de Majoorske naar haar +geliefd tehuis kwam kijken. Maar dan daverde de kavaliersvleugel van +het honend lachen der oude zondaars en spottende woorden klonken uit +de open vensters in haar ooren. + +Voorwaar! Harteloosheid en hoogmoed namen hun intrek bij de arme +avonturiers. Sintram had haat in hun harten gezaaid. Als de Majoorske +in vrede op Ekeby was gebleven, kon hun ziel niet in grooter gevaar +geweest zijn. Er vallen meer krijgers op de vlucht dan in den slag. + +De Majoorske was niet bijzonder boos op de kavaliers. Had zij er +nog de macht voor gehad, dan had zij ze met een roede afgestraft +als ondeugende jongens en hen dan weer in genade aangenomen. Maar +ze was bekommerd voor haar geliefd tehuis, dat aan de kavaliers +was overgelaten en door hen verzorgd werd zooals de wolf het schaap +verzorgt. + +Ach! hoevelen hebben dezelfde smart gedragen. Zij is niet de eenige, +die haar dierbaar thuis heeft zien verwaarloozen, die gevoeld heeft +wat het is als het ouderlijk huis ons aanziet als een gewond dier. Hoe +menigeen voelt zich als ware hij een misdadiger, als hij de boomen +met mos en de paden met gras ziet begroeien. Hij zou op de knieën +kunnen vallen op die velden, vroeger golvend van graan en ze smeeken +hem niet aan te klagen om de schande, die over hen kwam. Hij wendt +zijn hoofd af voor den blik der arme oude paarden. Hij durft niet aan +'t hek blijven staan om 't vee van de weiden te zien thuiskomen. Geen +plek op aarde is zóó droevig om te zien als een vervallen thuis. + +Ach, ik smeek u, gij allen, die velden en weiden en tuinen met bloemen, +die vreugde brengen, bezit of te verzorgen hebt--verzorg ze goed. Geef +ze uw liefde, uw arbeid. Het is niet goed, als de natuur moet treuren +over de menschen! Als ik er aan denk wat het trotsche Ekeby heeft +moeten lijden, onder het bestuur der kavaliers, dan betreur ik het, +dat de Majoorske haar doel niet bereikte, dat Ekeby hun niet afgenomen +werd. + +Het was niet haar bedoeling zelf weer aan het bestuur te komen. Zij +had maar één doel: haar huis te bevrijden van die dwazen, sprinkhanen, +die roovers, die geen grassprietje overlieten. + +Terwijl ze bedelend door 't land trok en van aalmoezen leefde, moest +zij steeds aan haar moeder denken, en de gedachte, dat er nooit betere +tijden voor haar zouden komen, vóor haar moeder den vloek van haar +weggenomen had, die haar zoo zwaar drukte, schoot wortel in haar ziel. + +Niemand had haar nog den dood der oude vrouw gemeld. Zij leefde +dus zeker nog in het Elvedal, daar boven op haar hoeve. Negentig +jaar oud leefde ze daar nog en werkte onafgebroken, verzorgde haar +melkschotels in den zomer en haar kolenbranderijen in den winter, +werkte tot het laatste toe, verlangend naar den dag, dat zij haar +arbeid volbracht had. + +En de Majoorske dacht, dat als de oude vrouw zóólang bleef leven, +'t zeker zijn zou, omdat ze den vloek van haar leven wegnemen zou. De +moeder, die zulk een ellende over 't hoofd van haar kind had gebracht, +kon niet sterven. + +Daarom wilde de Majoorske naar haar toegaan, opdat ze beide rust zouden +vinden. Zij wilde door de donkre bosschen heen opgaan langs de lange +beek naar haar ouderlijk huis. Eer kon ze geen rust vinden. Er waren +velen, die haar in die dagen een gezellig tehuis en trouwe vriendschap +aanboden, maar zij had geen blijvende plaats. Barsch en toornig ging +zij van de eene hoeve naar de andere, want de vloek drukte haar. + +Zij wilde naar haar moeder gaan, maar eerst wilde zij haar +geliefd Ekeby redden. Zij wilde het niet achterlaten in de handen +van lichtzinnige pretmakers, van onbruikbare zwierbollen, van +onverschillige verkwisters van Gods goede gaven. Zou zij heengaan om +later haar bezittingen verwoest, haar smidse verlaten, haar paarden +verwaarloosd, haar dienstboden vertrokken te vinden? Neen, nog eens +wilde ze al haar kracht verzamelen en de kavaliers wegjagen. + +Wel wist ze, dat haar man met vreugde zag hoe 't toeging op Ekeby. Maar +ze kende hem genoeg om te weten dat, als zij maar eens zijn sprinkhanen +verdreven had, hij te lui zou zijn om anderen te zoeken. Waren +de kavaliers maar eerst weg, dan zou haar oude rentmeester en de +meesterknecht Ekeby wel op de oude manier besturen. + +Daarom had men haar zwarte schaduw vele nachten lang zien rondsluipen +op de zwarte wegen bij de ijzermijnen. Zij was de arbeidershuizen +uit en ingegaan; ze had gefluisterd met den molenaar en zijn knechts +in de benedenste kelders van den molen; zij had beraadslaagd met de +smeden in 't donkere kolenhok. + +En allen hadden ze gezworen haar te helpen. De eer en 't aanzien van +'t oude landgoed zou niet langer overgelaten worden aan slordige +kavaliers, om door hen verzorgd te worden zooals de wind de asch, +de wolf de kudden verzorgt. + +En in dezen nacht, die de vroolijke heeren verdanst, en verdronken +hebben, tot ze doodmoe op hun bedden in slaap gevallen zijn, in +dezen nacht nog moeten zij weg. Zij heeft hen laten feestvieren. Met +een barsch gezicht heeft zij in de smidse gezeten en gewacht tot +het feest voorbij was. Zij heeft nog langer gewacht, totdat de +kavaliers terugkwamen van hun nachtelijken rit; zij heeft zwijgend +gewacht tot haar werd aangezegd, dat het laatste licht uit was op +de kavaliersvleugel en dat alles op het groote landgoed sliep. Toen +stond ze op en ging naar buiten. 't Was al vijf uur in den morgen; +maar nog welfde zich de donkere, van sterren vonkelende Februarinacht +over de aarde. + +De Majoorske gebood heel het dienstpersoneel van 't landgoed zich +bij den kavaliersvleugel te verzamelen. Zelf ging ze eerst naar het +hoofdgebouw, klopte aan en werd binnen gelaten. De dochter van den +predikant te Broby, die zij had opgeleid tot een bekwaam dienstmeisje, +ontving haar. + +"Mevrouw is zoo hartelijk welkom," zei het meisje en kuste haar +de hand. + +"Doe het licht uit," zei de Majoorske. "Meen je, dat ik hier den weg +niet kan vinden zonder licht?" + +En toen begon zij haar wandeling door het stille huis. Zij ging +van den zolder tot den kelder om afscheid te nemen. Zacht slopen +de beide vrouwen van 't eene vertrek naar het andere. De Majoorske +sprak met haar herinneringen. 't Meisje zuchtte en jammerde niet, +maar groote tranen rolden aanhoudend over haar wangen, terwijl ze haar +meesteres volgde. De Majoorske liet de linnenkast en de zilverkast +opendoen en streek met de hand over de fijne damasten tafellakens en +over de prachtige zilveren kannen. Zij liet de hand over de groote +stapels donzen dekens en kussens glijden op de beddenkamer. Al het +huisraad: de weefstoelen, de spinnewielen, de garenwinders, moest zij +aanraken. Zij stak onderzoekend haar hand in de kruiddoos en voelde +aan de vetkaarsen, die aan den zolder hingen. + +"De kaarsen zijn droog," zeide ze. "Nu kunnen ze afgenomen en +opgeborgen worden." In den kelder ging ze, klopte op de vaten liet +de hand glijden langs de rekken met wijnflesschen. Zij was in de +provisiekamer en in de keuken en betastte alles, onderzocht alles. Zij +strekte de handen uit en nam afscheid van alles in het huis. + +Eindelijk ging zij in de kamers. In de eetzaal streek zij met de hand +over de groote uittrektafel. + +"Menigeen is verzadigd geworden aan deze tafel," zeide zij. + +Zij ging door alle kamers. Zij vond de lange breede sofa's op hun +plaatsen, zij streelde het koude marmer op de consoles die, door +vergulde draken gedragen, de kostbare spiegels ondersteunden. + +"Een rijk huis," zei ze, "een heerlijk man was hij, die mij dat alles +gaf om te besturen." + +In de groote zaal, waar zoo pas de dans nog weêrklonken had, stonden +de leuningstoelen met hooge ruggen al weer op een stijve rij langs +den muur. Zij ging naar de piano en sloeg zacht een paar tonen aan. + +"Ook in mijn tijd ontbrak 't hier niet aan vreugd en vroolijkheid," +zeide zij. + +De Majoorske ging ook in de logeerkamer achter de groote zaal. 't +Was pikdonker. + +De Majoorske voelde voor zich uit en raakte bij toeval 't gezicht van +'t meisje aan. + +"Schrei je?" vroeg zij, want haar hand was nat van tranen. + +Toen barstte het meisje in luid weenen uit. "Ach mevrouw, lieve +mevrouw," snikte ze, "zij vernielen alles. Waarom gaat mevrouw van +ons weg en laat de kavaliers het heele huis bederven!" + +De Majoorske trok het gordijn ter zijde en wees naar beneden in den +hof. "Heb ik je geleerd te schreien en te jammeren?" vroeg zij. "Zie, +de plaats is vol menschen. Morgen is er geen enkele kavalier meer +op Ekeby." + +"En komt mevrouw dan terug?" vroeg het meisje. + +"Mijn tijd is nog niet gekomen," zeide de Majoorske. "De straatweg is +mijn huis, een sloot mijn bed. Maar jij moet Ekeby voor mij bewaren, +meisje, terwijl ik weg ben." + +En zij gingen verder. Geen van beiden wist of dacht er aan, dat +Marianne juist in deze kamer sliep. + +Zij sliep ook niet. Ze lag klaar wakker, zij hoorde en begreep +alles. Zij had in haar bed een hymne aan de liefde liggen dichten. "Gij +heerlijke, die me verhieft boven mij zelf," zeide zij, "ik lag +in grondelooze ellende verzonken en gij hebt die in een paradijs +herschapen. Aan den ijzeren knop van den gesloten poort bleven mijn +handen hangen en werden er gekwetst; op den drempel van mijn tehuis +liggen mijn tranen tot ijspaarlen bevroren. IJzige woede deed mijn +hart rillen toen ik slagen hoorde dalen op mijn moeders rug. In de +koude sneeuw wilde ik mijn toorn vergeten. Maar toen kwaamt gij, o +liefde! Kind van 't vuur! Gij kwaamt! Tot de arme van koude bevangen +zijt gij gekomen. Als ik mijn ellende vergelijk met de heerlijkheid, +die ik daardoor won, is zij als niets. Van alle banden ben ik +bevrijd. Geen vader of moeder of thuis heb ik meer. De menschen zullen +alle mogelijke kwaad van mij gelooven en zich van mij afwenden. Welaan, +uw wil geschiede, machtige Liefde. Waarom zou ik meer zijn dan de man, +dien ik liefheb? Hand in hand zullen wij de wereld doorgaan. Arm is de +Bruid van Gösta Berling. In de sneeuw heeft hij haar gevonden. Laat ons +te zamen ons vestigen, niet in de hooge zalen; maar in een boerenhut +aan den rand van het woud. Ik zal hem helpen in de kolenbranderij, +en met het strikken zetten voor vogels en hazen. Ik zal zijn eten +bereiden en zijn kleeren verzorgen. O mijn liefste, gelooft ge, dat ik +ontbering of droefheid zal voelen, terwijl ik alleen in onze hut zit en +u wacht? En toch zal ik dat, maar niet naar de dagen van mijn rijkdom, +alleen naar u zal ik uitzien en verlangen, naar uw schreden op 't pad, +naar uw vroolijk gezang, als ge met de bijl op den schouder thuiskomt." + +Zoo had ze stil gelegen en hymnen gedicht aan den aller harten +beheerschenden God der liefde en geen slaap had haar oogen geloken, +toen de Majoorske binnenkwam. Toen ze weer was heengegaan, stond +Marianne op en kleedde zich aan. Nog eens moest ze het zwart fluweelen +kleed en de dunne balschoenen aantrekken. Zij sloeg de deken om +zich heen als een shawl en spoedde zich op nieuw voort door den +vreeselijken nacht. + +Rustig, vol sterren en bijtend koud rustte de Februarinacht nog over +de aarde, het was als zou ze nooit voorbijgaan. En de duisternis en +de kou door de nacht gebracht, bleef op aarde hangen lang nadat de +zon was opgegaan, lang nadat de sneeuw, waardoor de schoone Marianne +gewaad had, tot water versmolten was. + +Marianne haastte zich voort van Ekeby om hulp te zoeken. Zij kon +niet toelaten, dat de mannen, die haar uit de sneeuw hadden opgenomen +en hun huis en hart voor haar geopend, van hun haardsteden verjaagd +zouden worden. Zij wilde naar Sjö gaan, naar Majoor Samzelius. Eerst +over een uur kon ze terug zijn. + +Toen de Majoorske afscheid van haar huis genomen had, ging ze naar +buiten op de plaats, waar het volk haar wachtte en de strijd om den +kavaliersvleugel begon. + +De Majoorske stelt al het volk op rondom het hooge smalle gebouw, +waaraan het bovenste gedeelte de beruchte woning der kavaliers is. In +de groote kamer daarboven met de gewitte muren, de roodgeschilderde +kisten en de groote tafel, waar de kaarten nog op de met brandewijn +bemorste tafel liggen, waar de breede bedden door geel geruite +gordijnen verborgen worden--daar slapen de kavaliers. Ach, die +zorgeloozen? + +En in den stal voor de gevulde ruif slapen de kavalierspaarden en +droomen van de heldenfeiten hunner jeugd. + +Liefelijk is het in de rustdagen te droomen van de avonturen der jeugd, +van de marktreizen, toen ze dag en nacht onder den blooten hemel +moesten staan, van hardrijderijen, van proefritten voor een verkoop, +als hun door wijn verhitte meesters hun van uit de wagens allerlei +vloeken toeriepen. Lieflijk zijn die droomen voor hen, nu ze weten +dat ze nooit meer den warmen stal, de gevulde ruif van Ekeby zullen +verlaten. Ach, die zorgeloozen! + +In een oud vervallen wagenhuis, waar stukgereden karossen en +afgedankte sleden bewaard worden, staat een wonderlijke verzameling +voertuigen. Daar staan groen geschilderde mandenwagens en sjeezen +en sleden en allerlei soorten van rijtuigen. Daar staat de eerste +kariool, die in Wermeland gezien is, en die door Beerencreutz in den +oorlog van 1814 is buit gemaakt. Daar staat de lange slee, waarin +plaats is voor twaalf man en de kleine slee waarin neef Christoffel +kwam aanrijden en Örneclous' oude familieslee met berenvellen en +'t wapen op 't zeil en verder een oneindig aantal kapsleden. + +Vele kavaliers hebben al geleefd en zijn gestorven op Ekeby. Hun +namen zijn vergeten en zij hebben geen plaats meer in de harten der +menschen; maar de Majoorske heeft de voertuigen bewaard, waarin zij +naar Ekeby kwamen. Ze heeft ze allen bijeen in het oude wagenhuis. + +En daarbinnen staan zij stil en laten de stof dicht op zich neervallen. + +Nagels en spijkers houden niet meer in 't vermolmde hout, de verf +valt er af in groote stukken, en door de motgaten komt het opvulsel +van kussens en dekken naar buiten. + +"Laat ons rusten, laat ons vervallen," zeggen de oude voertuigen. "Wij +hebben lang genoeg langs de wegen geschommeld, wij hebben vocht genoeg +opgezogen in de regenbuien. Laat ons rusten! 't Is lang geleden, +dat wij de jonge heeren naar hun eerste bal reden, lang geleden, +dat wij netjes gepoetst en glimmend uittrokken op sleepartijtjes, +lang geleden, dat we op moerassige wegen in de lente de jonge heeren +naar den slag van Trössnäs reden. De meesten van hen gingen ter ruste, +de laatsten en de besten zullen Ekeby niet meer verlaten." + +En het leder der voetenzakken barst, de banden springen van de wielen, +wielspaken en naaf vermolmen. De oude voertuigen geven niet meer om +het leven. Zij willen sterven. + +'t Stof ligt over hen als een lijkwade en zij laten onder die bedekking +den ouderdom steeds meer macht over hen krijgen. In hardnekkige luiheid +laten ze zich vervallen. Niemand raakt hen aan en toch vallen zij +aan stukken. Eéns in het jaar wordt de schuur geopend, als een nieuwe +kameraad is aangekomen, die zich op Ekeby wil vestigen en zoodra de +deuren gesloten zijn valt de moeheid, de slaap, 't verval, de zwakte +van den ouderdom ook over de nieuw aangekomene. Ratten en houtwormen +en motten en hoe al die roofdieren verder mogen heeten, werpen zich +op hen en zij verroesten en vermolmen in droomlooze, liefelijke rust. + +Maar nu in den kouden Februarinacht laat de Majoorske de deuren van +de wagenschuur openen. + +En met lantarens en fakkels laat zij de voertuigen uitzoeken, die +aan de tegenwoordige kavaliers van Ekeby behooren: 't oude kariool +van Beerencreutz en de met wapens versierde slee van Örneclou en +'t smalle sleetje van Neef Christoffel. + +Ze geeft er niet om of 't zomer- of winterrijtuigen zijn, ze past +alleen op, dat ieder 't zijne krijgt. + +En in den stal worden al de oude kavalierspaarden gewekt, die zoo +pas nog voor de gevulde kribben droomden. + +Uw droomen zullen werkelijkheid worden, gij zorgeloozen! + +De steile heuvels zult ge weer afrennen en 't muffe hooi weer proeven +in den herbergstal, en de zweep van den paardenkooper voelen en +deelnemen aan onzinnige wedrennen op zulk glad ijs, dat ge er voor +beeft. + +Nu is 't zooals 't behoort, nu de oude voertuigen bespannen zijn. + +Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge +spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor +lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als 't gebit +in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen +en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen +blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten, +spatten en gehoest komen nu aan het licht. + +De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen +nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want +ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen. + +"Span Don Juan voor onze beste kapslee," antwoordt de Majoorske, +"en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen." En als de +jongens aarzelen, gaat ze voort: "Er is geen paard op mijn stal, dat ik +niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet." + +Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt,--maar de kavaliers +slapen nog altijd. + +Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar +'t is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige +paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze +zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen +gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. 't Is zoo makkelijk +hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen, +die hen weg zullen voeren. + +Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht +bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de +kavaliers slapen. + +"'t Is mijn hooiberg," zegt ze, "heel Ekeby hoort mij toe." + +En als nu de hooiberg in lichtelaaie vlam staat roept ze: "Wek hen nu!" + +Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De +menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord: +"Brand! brand!" + +Maar de kavaliers slapen. + +De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers +slapen. + +Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen +een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen. + +Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen +van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van +vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht. + +Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om +hen te wekken. + +Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en +gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep +als dooden. + +Die gezegende slaap zal hen redden. + +'t Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar +steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen; +gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker +achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt, +neer te vellen. + +Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met +hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een +beer in zijn hol? 't Volk brult: "Brand! brand!" keer op keer; maar +niets helpt. + +Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat +de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de +slaapkamer open en roept naar binnen: + +"Brand! Brand!" + +Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan 't +schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen +onmiddellijk de twaalf mannen 't bed uit, zien den vuurgloed, trekken +haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op. + +Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke +molenaarsjongens,--en een groote schande komt over de kavaliers. Want +wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en +voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of +slee gelegd. + +Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche +overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh, +de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke, +de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske +overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers. + +'t Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in +de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige +blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde +uitbarstingen van onmachtige woede. + +De Majoorske gaat van den een naar den ander. + +"Je moet zweren," zegt ze, "dat je nooit meer naar Ekeby terug +zult komen." + +"Och loop, oude tooverheks!" + +"Je moet zweren," zegt zij, "anders gooi ik je in den kavaliersvleugel, +gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand +ik den kavaliersvleugel. Nu weet je 't!" + +"Dat durft de Majoorske toch niet." + +"Durf ik 't niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je, +dat ik 't niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg +tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje +te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken +om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? 't Is je +geraden te zweren!" + +En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden, +want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met +bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken +te voorkomen. + +Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö +bereikt. + +De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin, +waar hij zijn beren voerde. + +Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in 't berenhok, +bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten +en haastte zich naar Ekeby. + +Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar +zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen. + +Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat +zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden +verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden? + +Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in +wilde vaart naar Ekeby. + +Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant +zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor +de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan: + +"De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren." + +Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan. + +"Jij hebt hem gehaald," zei ze tegen Marianne. + +"Vlucht!" roept deze nog dringender. "Weg van hier, in Godsnaam! Ik +weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich." + +Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan. + +"Ik dank jelui voor je hulp, kinderen," zei deze kalm tot het +volk. "Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van +jelui voor 't gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar +huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga +nu heen." + +Maar zij bleven dralen. + +Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne. + +"Ik weet, dat je liefhebt," zeide ze. "Je handelt in waanzin, door +liefde gedreven. 'k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je +machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd +meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is! + +"Komt nu kinders, komt nu!" met deze woorden wendde ze zich weer tot +het volk. "God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als +je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en 't land +in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme +menschen." + +Toen ging ze heen, door 't volk gevolgd. + +Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling +behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden,--een lange +treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was +'t al even droevig gesteld. 't Leven had geen van allen gespaard. + +Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag +hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij +schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog +nooit gedragen. + +"Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van +Björne knielde," zeide Marianne. + +En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude +voertuigen weer in 't wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de +kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De +dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met +licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen, +dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en +de uilen krassen. + +Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis +waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden +om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen. + +"Leve de Majoorske!" riepen zij. + +Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden +ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren. + +Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg, +dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden? + + + + + + + +VII. + +DE GROOTE BEER OP GURLITA KLÄTT. + + +In de duisternis der wouden huizen de onheilige dieren, de kaken +gewapend met glinsterende tanden of scherpe bekken; en scherpe klauwen +aan de pooten. Zij verlangen er naar zich aan een bloedigen hals vast +te klampen,--hun oogen vonkelen van moordlust. + +Daar huizen de wolven, die 's nachts te voorschijn komen om de slede +der boeren te jagen, tot de vrouw het kindje, dat op haar schoot zit, +moet opnemen en het uit de slee werpen om haar leven en dat van haar +man te redden. + +Daar huist de los, die 't volk "göpä" noemt, want, in het bosch ten +minste, is 't gevaarlijk hem bij zijn rechten naam te noemen. Hij, +die op den dag over hem gesproken heeft, mag 's avonds wel goed +de deuren en luiken van 't schapenhok nazien, anders komt hij. Hij +klautert recht tegen 't schapenhok op, want zijn klauwen zijn sterker +dan ijzeren nagels. Hij glijdt door 't nauwste luikje en werpt zich +op de schapen. En hij hangt aan hun hals en drinkt hun bloed uit de +aderen en vermoordt en verscheurt ze tot er geen enkel schaap meer +over is. Zijn woede bedaart niét zoolang nog éen van hen teekenen +van leven geeft. + +En 's morgens vindt de boer alle schapen dood in 't hok met afgebeten +halzen; want de los laat geen levend vee achter, waar hij komt. + +Daar huist de uil, die huilt in de schemering. Als ge hem dan nadert, +komt hij op zijn breede vleugels aansuizen en steekt u de oogen +uit. Want hij is geen gewone uil. Een boschduivel is hij! + +En daar huist de verschrikkelijkste van allen, de beer, die zoo sterk +is als twaalf man en die, nu hij volwassen is, alleen met zilveren +kogels geveld kan worden. Kan iets een dier verschrikkelijker maken dan +dat het alleen met zilveren kogels kan geveld worden? Wat zijn dat voor +vreeselijke, geheime krachten, die in hem wonen, die hem voor gewoon +lood onkwetsbaar maken? Kan niet menig kind vele uren wakker liggen +en beven voor het wilde dier, dat door booze machten beschut wordt. + +En als men hem in 't bosch tegen mocht komen, groot en hoog als +een wandelende rots, dan moet men niet opspringen, zich ook niet +verdedigen; maar zich op den grond laten vallen en zich dood +houden. Vele kinderen hebben in gedachten op 't veld gespeeld en +den beer bij zich gehad. Hij heeft ze met de poot om en om gerold, +en ze hebben zijn heeten, snuivenden adem in hun gezicht gevoeld, +maar ze hebben stil gelegen, tot hij wegging om een gat te graven, +waar hij ze in bewaren wilde. + +Toen zijn ze stil opgestaan en weggeloopen,--eerst langzaam, maar +later in vliegende vaart. + +Maar o! Stel u eens voor, dat de beer ze niet goed dood gevonden +had, maar nog eens had toegebeten, of dat hij ergen honger had en ze +dadelijk had willen opeten, of dat hij ze gezien had, toen ze zich +bewogen en ze nagesprongen was! O God! + +Een heks is de angst. Ze zit in de schemering der wouden, dicht +tooverliederen voor de oogen der menschen en vult hun harten met +ontzettende gedachten. Daardoor ontstaat die verlammende vrees, +die 't leven zwaar maakt en de schoonheid der lachende dreven +verwoest. Boosaardig is de natuur, valsch als een slapende +draak. Nergens kan men op vertrouwen. + +Daar ligt het Löfvenmeer in zijn heerlijke schoonheid, maar vertrouw +het niet. Het loert op roof; ieder jaar moet het zijn schatting van +drenkelingen brengen. + +Daar ligt het woud; verlokkend vredig; maar vertrouw het niet. 't +Bosch is vol onheilige dieren, waarin de zielen van booze toovenaars +en moordlustige schurken gevaren zijn. + +Vertrouw de beek niet met het zachte water. 't Brengt u vreeselijke +ziekten en den dood, als ge er in baadt na zonsondergang. Vertrouw +den koekoek niet, die zoo vroolijk riep in 't voorjaar. In den herfst +wordt hij een havik met booze oogen en scherpe klauwen. Vertrouw het +mos niet, noch het heidekruid, noch de berghelling. Boosaardig is de +natuur, bezield door onzichtbare machten, die de menschen haten. Er +is geen plaats waar ge een voet veilig neer kunt zetten. Wonderlijk is +'t, dat dit zwak geslacht zoo veel vervolging ontkomen kan. + +Een heks is de angst. Zit ze nog in de duisternis der bosschen van +Wermeland haar tooverliederen te zingen? Verduistert ze er nog de +schoonheid van 't lachend landschap, verlamt ze nog de vreugde over +'t leven? Groot is haar macht geweest, ik weet dat! Ik, die haar +ijzeren hand om mijn hart heb gevoeld. + +Maar nu moet niemand meenen, dat ik nu iets griezeligs of vreeselijks +vertellen zal. 't Is maar een oud verhaal van den grooten beer in +Gurlita Klätt, dat ik moet doen en 't staat ieder volkomen vrij het +te gelooven of niet, zooals 't immers met alle echte jachtverhalen +het geval is. + + + +De groote beer heeft zijn hol op den prachtigen bergtop, die Gurlita +Klätt heet en zich steil en ontoegankelijk aan den oever van 't +boven-Löfvenmeer verheft. + +De wortels van een omgevallen den, waartusschen 't mos is blijven +hangen, vormen de wanden en 't dak van zijn woning; takken en twijgjes +beschutten die en de sneeuw dekt ze toe. Daar binnen kan hij liggen +en rustig slapen van den eenen zomer tot den andren. + +Is hij dan een dichter, een verweekelijkt droomer, die ruige +boschkoning, die roover in de sneeuw verborgen? Zal hij de koude +nachten en de grauwe dagen van den winter verslapen om door +murmelende beekjes en vogelgezang gewekt te worden? Zal hij daar +liggen droomen van heuvels met roode boschbessen bedekt en van +mierenhoopen vol lekkere, bruine miertjes en van de lammeren die op +de groene berghellingen weiden? Zal hij, de gelukkige, aan 's levens +winter ontkomen? + +Buiten giert de sneeuwjacht door de dennen; buiten zwerven wolven +en vossen rond, waanzinnig van honger. Waarom zou alleen de beer +slapen? Hij zal opstaan en voelen hoe snerpend de kou is, hoe zwaar +het valt door de diepe sneeuw te waden. + +Hij ligt daar zoo heerlijk. Hij lijkt de prinses uit de sage +wel. Zooals zij door de liefde gewekt werd, zoo zal hij door de lente +gewekt worden. Door een zonnestraal, die door de takjes heen glijdt en +zijn snuit verwarmt; door droppeltjes smeltende sneeuw, die zijn pels +nat maken, zal hij gewekt worden. Wee hem, die hem ontijdig stoort. + +Als nu maar iemand er rekening meê hield, hoe de woudkoning zijn +leven heeft ingericht. Als nu maar niet plotseling een zwerm hagel +door de takjes kwam suizen en de korrels in zijn huid kropen als +nijdige muggen. + +Hij hoort plotseling geraas, roepen en schieten. Hij schudt zich +den slaap uit de leden en breekt door de takken om te zien wat er +is. Daar is werk voor den ouden strijdheld. De lente is het niet, +die buiten zijn hol ruischt en buldert; ook de wind niet, die de +dennen omrukt en de jachtsneeuw doet opstuiven; 't zijn de kavaliers, +de kavaliers van Ekeby,--oude kennissen van den woudkoning. + +Hij herinnert zich den nacht nog wel toen Fuchs en Beerencreutz op +den loer zaten bij de schuur op de hoeve van den boer van Nygaard, +waar men een bezoek van hem wachtte. Ze waren juist bij hun brandewijn +flesch ingeslapen, toen hij kwam en door 't met plaggen gedekte dak +van den stal kroop; maar ze werden wakker, toen hij de gedoode koe +uit de stal wilde slepen. De koe namen ze hem af en zijn ééne oog; +maar 't leven redde hij. Ja, zoowaar! de kavaliers en hij zijn oude +kennissen. De woudkoning herinnert zich nog hoe ze hem een anderen +keer overvielen, toen hij en zijne hooge gemalin zich juist ter ruste +hadden gelegd voor den winterslaap in den ouden koningsburcht hier op +Gurlita Klätt en hun jongen bij zich hadden. Hij herinnert zich nog, +hoe onverwacht ze kwamen. Hij ontkwam wel, maar moest loopen wat hij +kon, en mank werd hij voor zijn leven, door een schot in de dij. En +toen hij des nachts naar den Koningsburg terug keerde, vond hij de +sneeuw rood van 't bloed van zijn hooge gemalin, en de vorstelijke +kindren waren weggevoerd naar de vlakte, om daar als dienaren en +vrienden der menschen op te groeien. + +Ja, nu beeft de grond, en de sneeuw trilt, die 't dak bedekt, nu breekt +hij los, de groote beer, de oude vijand der kavaliers. Geeft nu acht, +Fuchs, oude berendooder, geef nu acht, Beerencreutz, in 't spel +bedreven overste, geef acht, Gösta Berling, held van honderd avonturen! + +Wee de dichters, de droomers, de helden van liefdesavonturen! Daar +staat nu Gösta Berling met den vinger aan den trekker en de beer komt +recht op hem af. Waarom schiet hij niet, waar denkt hij aan? + +Waarom zendt hij niet fluks den beer een kogel in de breede borst? Hij +staat juist op de rechte plaats om dat te kunnen doen. De andren +kunnen niet schieten op dat oogenblik. Meent hij soms, dat hij voor +zijn woudmajesteit op parade staat? + +Gösta staat natuurlijk te droomen van de schoone Marianne, die in +deze dagen zwaar ziek ligt op Ekeby, ziek, na dien nacht, dat ze in +de sneeuw heeft geslapen. + +Hij denkt aan haar, die ook een offer van den vloek van den haat is, +van dien vloek, die over de aarde rust en hij beeft als hij bedenkt, +dat hij is uitgegaan om te vervolgen en te dooden. + +En daar komt de groote beer recht op hem af, blind aan één oog, +door een houw van 't mes van een kavalier, mank aan één poot door +een kogel uit 't geweer van een kavalier, ruig en knorrig en alleen; +sinds zij zijn vrouw gedood hebben en zijn kinderen weggevoerd. En +Gösta ziet hem zooals hij is: een arm, vervolgd dier, dat hij niet +van 't leven berooven wil, 't eenige, wat hij nog over heeft, sinds +de menschen hem alles ontnamen, + +"Hij mag mij dooden," denkt Gösta, "maar ik schiet niet." + +En terwijl de beer op hem aankomt, blijft hij stil staan, precies als +op een parade. En als de woudkoning vlak voor hem staat, presenteert +hij 't geweer en gaat op zij. + +De beer vervolgt zijn weg, wel wetende, dat hij geen tijd te verliezen +heeft. Hij baant zich een weg door de manshooge sneeuw, rolt van de +steile hellingen en vlucht zonder ophouden, terwijl alle kavaliers, +die met overgetrokken hanen op Gösta's schot hebben staan wachten, +hun geweer op hem afschieten. + +Maar 't is te vergeefs. De ring is gebroken en de beer is weg. Fuchs +bromt en Beerencreutz vloekt; maar Gösta doet niets dan lachen. + +Hoe kunnen ze toch willen, dat een mensch, zoo gelukkig als hij, +één van Gods schepselen kwaad zal doen? + +De groote beer van Gurlita Klätt kwam er dus levend af. Uit zijn +winterslaap is hij gewekt, dat zullen de boeren gewaar worden. Geen +beer is behendiger dan hij in 't openscheuren van de daken op hun +lage kelderachtige veestallen; geen kan beter wegsluipen uit een +gestelde hinderlaag. + +De menschen daar aan 't Löfvenmeer wisten weldra geen raad meer +met hem. Den eenen bode na den anderen zenden ze naar de kavaliers, +met verzoek, dat ze toch zullen komen en den beer dooden. + +Dag aan dag, nacht op nacht, de heele maand Februari door, trekken +nu de kavaliers naar 't boven Löfvenmeer om den beer te zoeken; +maar hij vermijdt hen. Heeft hij de sluwheid van den vos geleerd +en de snelheid van den wolf? Als ze op wacht liggen op een hoeve, +dan teistert hij een naburige hoeve, en zoeken ze hem in 't bosch, +dan vervolgt hij de boeren op het ijs. Hij is de brutaalste aller +roovers geworden. Hij kruipt naar binnen op den zolder en likt moeders +honingpotten leeg. Hij scheurt het paard weg voor vaders slee? + +Maar langzamerhand begint men te begrijpen wat het voor een beer is +en waarom Gösta niet op hem schieten kon. Akelig is 't om te zeggen, +vreeselijk te gelooven; maar 't is geen gewone beer. Niemand kan +er aan denken hem te vellen, die niet een zilvren kogel in zijn +geweer heeft. Een kogel van zilver en klokkenmetaal, gegoten op +een donderdagavond, met nieuwe maan op den kerktoren, zonder dat de +predikant of de koster of eenig ander mensch 't weet. Die zou hem +wel dooden; maar die is zoo makkelijk niet te krijgen. + + + +Op Ekeby is een man, die meer dan iemand anders zich ergert over dit +alles. Men begrijpt wel, dat dit Anders Fuchs, de berendooder is. Hij +kan niet slapen en niet eten, zoo spijt het hem dat hij den grooten +beer in Gurlita Klätt niet vellen kan. Eindelijk begrijpt hij ook, +dat de beer alleen met een zilvren kogel geschoten kan worden. + +De grimmige Majoor Anders Fuchs was geen mooi man. Hij had een +zwaar lomp lichaam, een breed, rood gezicht met hangwangen en meer +dan één onderkin. Stijf als een borstel zat de kleine zwarte knevel +boven zijn dikke lippen en 't zwarte haar stond stijf en recht uit +om zijn hoofd. Hij sprak weinig en at veel. Hij hoorde niet tot hen, +die de vrouwen met zoeten lach en open armen te gemoet komen en hij +zond haar ook geen vriendelijke blikken toe. Men geloofde niet, dat +er een vrouw was met wie hij 't eens zou kunnen worden en alles wat +op dweperij en liefde leek, was hem vreemd. + +'t Is een donderdagavond; de maan is juist twee vingers breed en +blijft een paar uur boven den horizont na zonsondergang. De Majoor +gaat heen van Ekeby zonder te zeggen wat hij van plan is. Hij heeft +vuursteen en staal en kogelvormen in zijn jachttasch, 't geweer op +den rug. Hij gaat naar de kerk van Bro om zijn geluk te beproeven. + +De kerk ligt op 't oostelijke strand van de smalle straat tusschen +'t boven en beneden Löfvenmeer en de Majoor moest over de brug om +daar te komen. + +Hij gaat dus diep in gedachten daarheen zonder naar den Brobyheuvel +op te zien, waar de huizen zich scherp afteekenen tegen den helderen +avondhemel, of tegen Gurlita Klätt die zijn ronden top in 't avondrood +opheft. Hij kijkt naar den grond en peinst er over, hoe hij den +sleutel zal krijgen, zonder dat iemand het weet. + +Toen hij bij de brug komt, hoort hij iemand zóó wanhopig schreeuwen, +dat hij wel opkijken moet. + +In dien tijd was de kleine Duitscher Faber organist in Bro. Hij was een +mager klein kereltje, en niet veel waard. En de koster was Jan Larsson, +een flinke boer maar arm, want de predikant van Broby had hem zijn +vaderlijk erfdeel afhandig gemaakt,--volle vijfhonderd rijksdaalders. + +De koster wil met de zuster van den organist trouwen, met de kleine, +fijne juffrouw Faber; maar de organist wil het niet hebben en daarom +waren die twee mannen geen vrienden. Dezen avond is de koster den +organist op de brug tegengekomen en is recht op hem toegevlogen. Hij +pakt hem bij de borst, en houdt hem met gestrekten arm over de leuning +en zweert bij hoog en laag, dat hij hem in 't water zal gooien, +als hij hem niet de kleine, fijne jonge dame wil geven. + +Het Duitschertje wil toch niet toegeven; hij spartelt en schreeuwt +en zegt aldoor: "neen!" hoewel hij onder zich 't donkre water door +de witte ijsschotsen ziet schijnen. + +"Neen, neen," schreeuwt hij. "Neen! neen!" + +En 't is niet zeker dat de koster in zijn toorn hem niet naar beneden +had laten dansen in 't koude, donkre water, als niet juist toen +Majoor Fuchs over de brug was gekomen. Toen werd de koster bang, +zette Faber op vasten grond en liep weg zoo hard hij kon. + +De kleine Faber valt nu den Majoor om den hals en dankt hem, omdat +hij zijn leven heeft gered; maar de Majoor schudt hem af en zegt, +dat het niet de moeite waard is om voor te bedanken. De Majoor houdt +niet van de Duitschers sinds hij te Putbus op Rügen ingekwartierd is +geweest, in den oorlog met Pommeren. + +Nooit in zijn leven is hij zoo dicht bij den hongerdood geweest +als toen. + +De kleine Faber wil naar den leensman Scharling om den koster voor +poging tot moord aan te klagen; maar de Majoor zegt hem, dat het niet +helpt in dit land, want hier is 't niet strafbaar een Duitscher dood +te slaan. + +Dan kalmeert de kleine Faber wat en noodigt den Majoor uit, het +avondeten bij hem aan huis te gaan gebruiken. + +De Majoor neemt de uitnoodiging aan, want, denkt hij, de organist zal +wel een sleutel van de kerk hebben. En zoo gaan ze den Brobyheuvel +op, waar de kerk, de pastorie, 't huis van den organist en dat van +den koster bij elkaar liggen. + +"Bitte, bitte," zegt de kleine Faber, terwijl hij en de Majoor zijn +huis binnentreden. "U moet 't eenvoudige voor lief nemen. Ik heb +opruiming gehouden, mijn zuster en ik. Wij hebben een haan geslacht." + +"Dat treft prachtig," roept de Majoor uit. + +De kleine gedistingeerde juffrouw Faber komt dadelijk binnen met een +verfrisschenden dronk in groote aarden kruiken. Nu weet ieder, dat de +Majoor geen goed oog op de vrouwen heeft; maar de kleine juffrouw Faber +moet hij toch met welgevallen aanzien, toen ze daar met haar keurig +mutsje binnenkwam. Het lichte haar lag zoo glad om het voorhoofd, +het zelf geweven kleedje was zoo net en vlekkeloos rein, haar kleine +handen waren zoo vlug en vlijtig en haar gezichtje zoo roozerood en +rond, dat hij niet laten kon te denken, dat als hij zulk een vrouwtje +voor twintig jaar geleden ontmoet had, hij haar dadelijk ten huwelijk +gevraagd zou hebben. + +Maar hoe net en vlug en handig ze ook is, haar oogen zijn geheel +beschreid. Dat juist maakt hem zoo zacht gestemd tegenover haar. + +Terwijl de mannen eten en drinken, gaat zij de kamer in en uit. Eens +komt ze naar haar broeder toe, maakt een kniks en zegt: "Hoe zullen +we de koeien in de schuur zetten." + +"Zet twaalf links en elf rechts, dan vechten ze niet," antwoordde de +kleine Faber. + +"Wel verbazend! Heeft Faber zooveel koeien?" roept de Majoor. + +Maar de zaak was, dat de organist maar twee koeien had. Hij noemde de +eene: "elf" en de andre "twaalf" omdat 't goed zou klinken, als hij +over hen sprak. En hij vertelt den Majoor, dat zijn stal verbouwd wordt +en de koeien daarom overdag buiten en 's nachts in de schuur staan. + +De Majoor vraagt den organist, waarom zijn zuster zulke roode oogen +heeft en hoort nu, dat ze schreit, omdat hij haar niet wil laten +trouwen met den armen koster, die geen cent bezit en in schulden +steekt. + +Door dit alles raakt de Majoor al dieper en dieper in gedachten +verdiept. Hij ledigt de eene kroes na de andere en eet de eene worst na +de andere op, zonder het zelf te merken. De kleine Faber is verstijfd +van schrik over zulk een eetlust! Maar hoe meer de Majoor eet en +drinkt, hoe helderder zijn hoofd wordt en hoe meer zijn besluit rijpt, +iets voor de kleine Faber te doen. + +Hij heeft intusschen den grooten sleutel in 't oog gekregen, die aan +een knop bij de deur hangt, en zoodra de kleine Faber, die den Majoor +onder 't drinken bescheid moest doen, 't hoofd op de tafel legt en +snurkt, heeft majoor Fuchs den sleutel, zet zijn muts op en haast +zich weg. + +Een minuut later stommelt hij den torentrap op, door zijn hoornen +lantaarntje bijgelicht en komt zoo eindelijk boven in den klokkentoren, +waar de klokken hun groote monden boven hem openen. Daar boven schraapt +hij wat metaal van een der klokken met een vijl, en wil juist den +kegelvorm en den vuursteen te voorschijn halen, toen hij merkt, +dat hij 't allergewichtigste nog mist, dat hij geen zilver bij zich +heeft. Als er eenige kracht in die kogel zal zijn, moet hij immers +in dien toren gegoten worden. Nu is alles in orde: donderdagavond is +het nieuwe maan en niemand vermoedt, dat hij hierboven zit, en nu kan +hij niets doen. Hij vloekt in de stilte van den nacht zóó krachtig, +dat het weerklinkt in de klokken. + +Onmiddelijk daarna hoort hij een zwak gedruisch beneden in de kerk +en meent stappen op de trap te hooren. Ja, waarlijk het is zoo, +met zware schreden hoort hij iemand de trap opkomen. + +Majoor Fuchs, die daar boven stond te vloeken, dat 't weerklonk in +de klokken, werd een beetje bezorgd. Hij zou wel eens willen weten, +wie hem daar bij 't kogelgieten wil komen helpen. De stappen komen +al nader, zelfs tot bij den klokkentoren. + +De Majoor verstopt zich tusschen de balken en blaast het licht +uit. Niet, dat hij nu juist bang is; maar alles is immers bedorven, +als iemand hem daar ziet. En nauwelijks heeft hij zich daarboven +verstopt, of de nieuw aangekomene steekt zijn hoofd boven den grond. + +De Majoor kent hem wel. 't Is de gierige dominé van Broby. Hij, die +nu zoo goed als waanzinnig is van gierigheid, heeft de gewoonte zijn +geld op de wonderlijkste plaatsen te herbergen. Nu komt hij met een +pakje muntbiljetten, die hij in den klokkentoren verstoppen wil. Hij +weet niet, dat iemand hem ziet. Hij licht een plank op uit den vloer, +legt 't geld daar onder en gaat weer heen. + +Maar de Majoor licht snel dezelfde plank op. Och, wat een geld! 't Eene +pakje muntbiljetten naast 't andere en daar tusschen in lederen zakjes +met geld, vol zilvren munten. De Majoor neemt juist zooveel zilver, +als hij voor een kogel noodig heeft; 't overige laat hij liggen. + +Als hij beneden op 't veld komt, heeft hij een zilveren kogel op +zijn geweer. Hij loopt er over te denken, hoe alles hem meeloopt en +vraagt zich af hoe 't geluk hem verder dienen zal in dezen nacht. Want +'t is wonderlijk met die donderdagavonden, zooals ieder weet. Hij +gaat maar eerst naar 't huis van den organist. Want 't kon zijn, +dat dat canaille van een beer wist, dat Fabers koeien in een oude +schuur staan zoo goed als onder den blooten hemel. + +Jawel! ziet hij daar niet iets groots en donkers over 't veld op de +schuur aankomen. Dat moest de beer zijn. + +Hij legt 't geweer aan; en zal juist schieten maar dan krijgt hij +berouw. + +'t Is hem of hij in 't donker de beschreide oogen van juffrouw Faber +voor zich ziet. Hij denkt er aan, dat hij haar en den koster wil +helpen; maar 't gaat hem aan 't hart den grooten beer van Gurlita +Klätt niet zelf te dooden. Hij heeft zelf later gezegd, dat niets +in de wereld hem meer gekost heeft, maar omdat 't meisje zoo fijn en +teer en zoo lief was, moest dat offer gebracht worden. + +Hij gaat naar 't huis van den koster, wekt hem, haalt hem half gekleed +uit huis en zegt hem, dat hij den beer moet schieten, die om de schuur +van Faber sluipt. + +"Als je den beer schiet, dan geeft hij je zijn zuster wel," zegt hij, +"want dan word je opeens een geacht en geëerd man. 't Is geen gewone +beer, die daar, en de beste man van 't land zou het voor een eer +houden hem te vellen." + +En hij duwt hem zijn eigen geweer in de hand, met den kogel van zilver +en klokkenmetaal er in, in een kerktoren op donderdagavond gegoten, +met nieuwe maan. En hij kan niet laten te trillen van afgunst, omdat +nu een ander dan hij den grooten woudkoning, den ouden beer in Gurlita +Klätt, zal schieten. + +De koster mikt. De hemel beware mij! Hij mikt alsof hij den grooten +beer aan den hemel moet schieten, ook wel de wagen genoemd, die in +een kring om de poolster draait, en niet een beer, die op 't veld +loopt. En 't schot gaat af met een knal, die over heel Gurlita Klätt +gehoord wordt. + +Maar hoe hij ook gemikt had--de beer viel. Zoo gaat het, als men met +zilvren kogels schiet. Men treft den beer in het hart al mikt men +ook op den wagen. + +Uit alle nabijliggende hoeven komen menschen toeschieten en zijn +verbaasd over 't gebeurde; want nooit knalde een schot zóó sterk en +wekte zooveel slapenden, als dit--en de koster werd zeer geprezen, +want de beer was een echte landplaag. + +De kleine Faber komt ook naar buiten, maar nu wordt de Majoor Fuchs +bitter teleurgesteld. Daar staat de koster met eer overladen en heeft +nog op den koop toe Faber's koeien gered; maar de kleine organist +is niet dankbaar, niet eens bewogen. Hij ontvangt hem niet met open +armen en begroet hem niet als een held of als zijn zwager. + +De Majoor staat met gefronste wenkbrauwen en stampvoet van boosheid +over zulk een ellendigen kerel. Hij wil spreken en den hebzuchtigen +snaak aan 't verstand brengen welk een heldendaad dat is; maar hij +begint te stotteren en kan er geen woord uitbrengen. + +Ach 't is hem ook onbegrijpelijk, dat iemand, die zulk een heldenstuk +volbracht, niet de fierste bruid op aarde waard zou zijn. + +De koster en eenige jonge mannen zullen den beer villen; zij gaan +slijpsteenen en scherpe messen halen; de anderen gaan naar huis en +naar bed. Majoor Fuchs blijft alleen bij den dooden beer achter. + +Dan gaat hij nog eens naar de kerk, steekt weer den sleutel in het +slot, klimt de smalle trappen op, schrikt de slapende duiven op uit +hun rust en bereikt nog eens den klokkentoren. + +Later, als de beer onder toezicht van den Majoor gevild wordt, vindt +men tusschen zijn kaken een pakje bankbriefjes. 't Zijn vijfhonderd +rijksdaalders. Niemand weet, hoe die daar gekomen zijn; maar dit is +immers een wonderlijke beer, en daar de koster 't dier geveld heeft is +'t geld voor hem, dat spreekt van zelf. + +Toen dit bekend werd, begreep de kleine Faber plotseling welk eervol +heldenstuk de koster heeft uitgevoerd, en verklaart, dat hij er +trotsch op wezen zal hem zijn zwager te noemen. + +Op Vrijdagavond keert Majoor Anders Fuchs naar Ekeby terug, na +meegeweest te zijn naar 't feest in 't huis van den koster ter eere +van zijn meesterschot en naar 't verlovingsfeest bij den organist aan +huis. Hij loopt voort met een droevig hart. Hij voelt geen vreugd over +den val van zijn vijand, en is niet blij met de prachtige berenhuid, +die de koster hem ten geschenke heeft gegeven. Nu meenen velen zeker, +dat hij er over treurt, dat het fijne, mooie juffertje een ander +toebehoort? Ach neen! dat baart hem geen smart. Maar wat hem aan +'t hart knaagt is, dat de oude eenoogige woudkoning nu geveld is, +zonder dat hij den zilverkogel op hem heeft mogen afschieten. + +Zoo komt hij boven in den kavaliersvleugel, waar de kavaliers om 't +vuur zitten, en werpt zonder een woord te zeggen het berenvel voor +hen neer. Niemand moet denken, dat hij iets van zijn tocht vertelde, +eerst veel, veel later heeft men uit hem gekregen, wat er eigenlijk +gebeurd was. Ook verraadde hij de geheime bergplaats van den dominé +van Broby niet, en deze merkte misschien nooit den diefstal. + +De kavaliers onderzoeken 't vel. + +"'t Is een mooie huid," zegt Beerencreutz. + +"Hoe zou die snaak uit den winterslaap gewekt zijn? Of heb je hem in +zijn hol geschoten?" + +"Hij is in Bro geschoten." + +"Ja, zoo groot als de beer van Gurlita was hij toch niet," zegt Gösta; +"maar 't was een mooi dier." + +"Als hij één oog had gehad," zegt Kevenhüller, "dan zou ik denken, +dat het de oude zelf was, zóó groot is hij; maar deze is aan de oogen +niet gewond geweest dus 't is de oude niet." + +Fuchs vloekt over zijn eigen domheid, maar dan heldert zijn gezicht +op. Hij straalt van vreugd en dat maakt hem bijna mooi. + +Dus is dan de groote beer toch niet door 't schot van een ander +gevallen. + +"Heere God, wat zijt gij goed!" fluistert hij en vouwt de handen. + + + + + + + +VIII. + +DE VERKOOPING OP BJÖRNE. + + +Vaak verwonderen wij jongeren ons over de verhalen der ouden. + +"Was er dan elken dag bal, heel uw heerlijke jeugd door?" vroegen +wij hen. "Was het leven dan één voortdurend sprookje? Waren alle +jonge dames toen mooi en beminlijk? En eindigde ieder feest met een +schaking door Gösta Berling?" + +Dan schudden de ouden hun eerwaardige hoofden en begonnen te vertellen +van het snorren der spinnewielen en 't klapperen der weefstoelen, +van de drukte in de keukens, van 't slaan van den dorschvlegel op +den dorschvloer, van 't klinken van den bijl in 't bosch. Maar het +duurde niet lang, of ze waren weer op den ouden toon aan 't vertellen. + +Dan hielden de sleden voor de stoep stil, dan snelden de paarden voort +door donkere bosschen, met de vroolijke jonge menschen, dan ging de +dans door de zalen en de snaren van de viool klonken. Dan suisde +met gezang en gedruisch de wilde jacht om 't Löfvenmeer. Ver weg +kondt ge hen hooren. De boomen in 't bosch wankelden en vielen. Alle +machten des verderfs werden ontketend, de vlammen knetterden, de +waterval verwoestte geheele gebouwen, de wilde dieren slopen rond om +de hoeven. Onder de hoeven der achtvoetige paarden werd alle stille +geluk vernield. Waar de wilde jacht voorbij kwam werden de harten der +mannen wild en de vrouwen moesten bleek van schrik vluchten van hun +haardsteden. En wij luisterden--verwonderd, zwijgend, bang en toch +met stil genot. + +"Wat voor menschen waren dat toch!" dachten wij. + +"Nooit zullen we zulke menschen zien!" + +"Dachten die menschen nooit over wat zij deden?" vroegen wij. + +"Ja zeker dachten ze, kinderen," antwoordden de ouden. + +"Maar niet, zooals wij denken," beweerden wij. Maar dan begrepen de +ouden niet wat wij meenden. + +Maar wij dachten aan den wonderlijken geest der zelfbeschouwing, +die reeds zijn intrede in onze harten gedaan had. Wij dachten aan +hem, aan zijn ijzige oogen en zijn lange, kromme vingers;--aan hem, +die in den donkersten hoek van onze ziel zit en ons zieleleven uit +elkaar haalt, zooals oude vrouwen met lapjes wol doen,--en stuk pluist. + +Stuk voor stuk hadden die lange, harde kromme vingers uit elkaar +gehaald, tot onze heele ziel daar lag als een bundel vodden en toen +waren onze beste gevoelens, onze meest impulsmatige gedachten, alles, +wat we gedaan en gezegd hadden, onderzocht, doorgekeken en uit elkaar +gehaald en de ijzige oogen hadden er naar gekeken en de tandelooze +mond had hoonend gelachen en gefluisterd. "Zie, 't zijn vodden, +enkel vodden." + +Er waren ook in dien tijd wel menschen, die hun ziel hadden opengezet +voor den geest met de ijzige oogen. Bij één van hen zat hij aan de bron +der handelingen, honend lachend om goed en kwaad, alles begrijpend, +niets veroordeelend, onderzoekend, vorschend, uit elkaar pluizend, +de bewegingen van haar hart en de kracht harer gedachten verlammend +door onophoudelijk honend te lachen. + +De schoone Marianne droeg den geest der zelfbeschouwing in zich. Zij +voelde dat zijn koude oogen en zijn hoonlachen ieder van haar daden +en woorden volgde. Haar leven was een tooneelstuk, waarvan hij de +eenige toeschouwer was. Zij was geen mensch meer, zij leed niet, +genoot niet, had niet lief; zij speelde de rol van de mooie Marianne +Sinclaire en de zelfbeschouwing zat met ijskoude oogen en vlijtig, +pluizende vingers en zag haar optreden. + +Zij was als 't ware in twee helften verdeeld. Bleek, onsympathiek +en hoonend zat de éene helft van haar ziel spottend neer te zien op +de andere, die handelde en nooit had die wonderlijke geest, die haar +ziel uit elkaar pluisde, een enkel woord van meêgevoel. + +Maar waar was hij dan geweest, die bleeke bewaker van de bron harer +handelingen, in dien nacht toen zij 's levens volheid had leeren +kennen? + +Waar was hij toen zij, de verstandige Marianne, Gösta Berling kuste, +terwijl honderden oogen op hen rustten, en toen zij in wanhoop +zich neerwierp in de sneeuw om te sterven? Toen waren de ijskoude +oogen verblind, de hoonlach verdwenen, want de hartstocht was haar +ziel binnengestormd. 't Gedruisch van de wilde jacht had gebruist +in haar ooren. Zij was geheel en al mensch geweest in dien éénen +verschrikkelijken nacht. + +O! gij hoonende geest der zelfbeschouwing. Toen Marianne met +onuitsprekelijke inspanning haar verstijfde armen ophief en ze om +Gösta's hals legde, toen moest gij, als de oude Beerencreutz uw oogen +opheffen van de aarde en de sterren aanzien. In dien nacht was uw macht +gebroken. Ge waart dood, terwijl zij haar hymne aan de liefde dichtte, +dood, terwijl zij naar Sjö ijlde, naar den Majoor, dood, toen zij de +vlammen den hemel rood zag tinten boven de toppen der boomen. + +Zie, zij waren gekomen, de sterke stormvogels, de demonische arenden +van den hartstocht. Met vlammende vleugels en stalen klauwen daalden +zij ruischend neer over u, gij geest met de ijzige oogen. Zij sloegen +hun klauwen in uw nek en slingerden u ver weg in de onbekende +ruimte. Dood en verbrijzeld waart ge. Maar nu waren ze voorbij +gevlogen, de fieren, de geweldigen, wier wegen niet te berekenen zijn +en die geen menschenoog ooit heeft gevolgd. En van uit de onbekende +diepte was de geest der zelfbeschouwing weer verrezen en had opnieuw +zijn intocht gehouden in de ziel der schoone Marianne. + +De geheele maand Februari lag Marianne ziek op Ekeby. Op Sjö was +zij door de pokken besmet. Die vreeselijke ziekte had haar geweldig +aangetast, uitgeput en verkouden als ze was. Zij was den dood nabij; +maar aan 't eind der maand werd zij beter. Zwak was zij voortdurend +en zeer geschonden. Nooit meer zou men haar "de mooie Marianne" noemen. + +Het verlies van haar schoonheid, dat rouw over heel Wermeland zou +brengen, alsof 't land een zijner kostbaarste schatten verloren had, +was nog aan niemand dan aan haar zelf en haar verpleegster bekend. + +Zelfs de kavaliers wisten 't niet. Niemand werd in de besmette +ziekenkamer toegelaten. + +Maar wanneer is de macht der zelfbeschouwing grooter dan bij 't +herstellen van een ernstige ziekte? Dan zit hij en staart ons aan +met zijn ijzige oogen; en plukt en pluist met zijn harde, kromme +vingers. En als men goed toekijkt, ziet men achter hem nog een bleek +schepsel en dat staart ons aan en verlamt ons met zijn hoonenden +glimlach en daarachter nog een en nog een, allen glimlachend om elkaar +en om de geheele wereld. + +En terwijl Marianne daar lag en zich zelf bekeek met al die ijzige +oogen, stierf alle sterk en warm gevoel in haar. + +Zij lag daar--en ze speelde, dat zij ziek was, dat ze ongelukkig, +verliefd, wraakzuchtig was. Wel was ze dat alles; maar 't was maar +spel. Alles werd onwerkelijk, werd spel onder 't staren van die ijzige +oogen, die haar aanzagen, en die zelf weer door andren werden bekeken +in een eindelooze rij. Alle sterke levenskrachten sluimerden weer +in haar. Zij had kracht gehad tot gloeienden haat, tot toewijdende +liefde voor ééne nacht, langer niet. Zij wist niet eens of ze Gösta +Berling wel lief had. Zij verlangde hem te zien om te probeeren of +hij haar buiten zichzelve kon brengen. Zoolang de ziekte duurde, +had zij maar één heldere gedachte gehad: zij had er voor gezorgd, +dat haar ziekte niet bekend werd. Zij wilde haar ouders niet zien; +zij wilde geen verzoening met haar vader. Ze wist, dat hij berouw +zou hebben over wat hij gedaan had, als hij wist hoe ziek ze was. + +Daarom beval zij, dat aan haar ouders en alle anderen gezegd zou +worden, dat een oogziekte, die ze vaak had, haar noodzaakte achter +dichte gordijnen te zitten. Zij verbood de kavaliers een dokter uit +Karlstad te halen. Ze had wel pokken, maar in een zeer lichten graad +en in de huisapotheek te Ekeby was genoeg om haar leven te redden. + +Zij dacht niet aan sterven; zij lag er alleen op te wachten, +dat ze beter zou zijn om met Gösta naar den geestelijke te gaan +om hun huwelijk te laten sluiten. Maar nu was de ziekte voorbij, +de koorts af. Zij was weer koud en verstandig. 't Was haar, alsof +zij de eenige wijze in een wereld van dwazen was. Zij haatte niet +en had niet lief. Zij begreep haar vader, zij begreep hen allen. Hij +die begrijpt, haat niet meer. + +Zij had gehoord, dat Melchior Sinclaire van plan was auctie te +houden op Björne en alles te vernielen, wat hij bezat, opdat zij +'t niet van hem erven zou. Men zei, dat hij alles zoo grondig +mogelijk bederven wilde: eerst zou hij de meubels en 't huisraad +verkoopen, dan 't vee en de landbouw-gereedschappen en eindelijk de +geheele hoeve. En al het geld zou hij in een zak doen en die in 't +Löfvenmeer gooien. Verstrooid, vernield, vernietigd zou haar erfdeel +worden. Marianne glimlachte goedkeurend, toen zij dat hoorde. Zóó +was zijn karakter, zoo moest hij handelen.--Zonderling kwam het haar +voor; dat zij ooit den lof der liefde gezongen had. Zij had gedroomd +van een hut en van zijn hart; nu kon ze niet begrijpen, dat zij zoo +gedroomd had. + +Zij snakte naar natuur! Zij was dat eeuwige tooneelspelen zoo +moe. Nooit voelde zij diep en sterk. Ze betreurde nauwlijks haar +schoonheid, alleen huiverde ze voor 't medelijden van vreemden. + +O als ze maar één oogenblik zichzelf vergeten kon. Eén woord zeggen, +één beweging maken, één daad doen, die niet berekend was. + +Op een morgen toen haar kamer ontsmet was en zij gekleed op de sofa +lag, liet zij Gösta Berling roepen. Het antwoord was, dat hij naar +de verkooping op Björne was. + + + +'t Was een groote verkooping op Björne. + +'t Was een oud rijk huis. Van alle kanten stroomden de menschen toe +om te bieden. De groote Melchior Sinclaire had alles wat in huis was, +opeengehoopt, in de groote zaal. Duizenden dingen waren er op groote +hoopen gestapeld, die tot aan den zolder reikten. Hij was zelf 't huis +rond gegaan, als de engel der verwoesting op den dag des oordeels en +had alles, wat hij wilde verkoopen, bijeen gesleept. Keukengerei: +zwarte pannen, houten stoelen, tinnen kroesen--dat alles liet hij +met rust, want daaraan was niets wat hem aan Marianne deed denken; +maar dat was ook 't eenigste, wat aan zijn toorn ontkwam. + +In Mariannes kamer brak hij in en vernielde alles. Haar poppenkastje +stond daar en haar boekenrekje, het stoeltje, dat hij voor haar +had laten maken, haar versierselen, haar kleeren, haar sofa, haar +bed,--dat alles moest weg. + +Daarna ging hij van de eene kamer naar de andere. Hij rukte alles weg, +wat hem hinderde en droeg zware lasten naar de auctiezaal. Hij steunde +onder 't gewicht der zware sofa's en marmeren tafels, maar hij hield +vol. En hij haalde alles door elkaar in een ontzettende verwarring. Hij +brak de kasten open en haalde er 't prachtige familiezilver uit. Weg er +meê: Marianne had het aangeraakt. Hij nam armen vol van 't sneeuwwitte +damast, sterke zelfgeweven stukken, de vrucht van vele jaren arbeid +en smeet het op hoopen. Weg er meê. Marianne was niet waard het te +bezitten. Hij stormde door de kamers, met stapels porcelein. Hij gaf er +niet om of hij dozijnen borden brak, en greep de oude servies koppen, +met het familiewapen er in gebakken. Weg er meê. Wie ze hebben wil, +mag ze nemen. Hij gooide bergen beddengoed van den zolder: kussens +en dekens zóó zacht, dat men er in neerzonk, als in een golf. Weg er +meê! Marianne heeft er op geslapen. Hij wierp de oude, welbekende +meubels verbitterde blikken toe. Was er wel een stoel of een sofa, +waar zij niet op gezeten had, een schilderij waar zij niet naar gezien, +een kroon, die haar niet had verlicht, een spiegel, die haar beeld +niet had weerkaatst. Hij balde somber de vuist tegen deze wereld van +herinneringen. 't Allerliefst was hij er op ingestormd met een knods +en had alles kort en klein geslagen. + +Maar 't scheen hem toe, alsof hij nog grondiger wraak nam door 't +alles te verkoopen. Weg naar vreemden moest het. Weg om te vervuilen +in de huizen der armen, weg om te worden verwaarloosd onder de handen +van onverschillige vreemden. Kende hij ze niet van uit de kamers +der boeren, de slordige meubelen op verkoopingen gekocht, verkocht +en onteerd, zooals nu zijn mooie dochter was. Weg met hen. Laat ze +staan met 't paardenhaar uitpuilend uit de gaten, met afgestooten +verguldsel, met gebroken pooten en gesprongen tafelbladen: laat ze +'t heimwee hebben naar hun vroeger tehuis. Weg er meê naar alle +wereldstreken! zoodat geen oog ze meer zien, geen hand ze weer +bijeenbrengen kan. + +Toen de auctie begon, had hij de halve zaal gevuld met een ongelooflijk +verwarden hoop huisraad. + +Dwars door de zaal had hij een lang aanrecht laten zetten. Daarachter +stond de verkooper en riep op; daar zaten de schrijvers en noteerden, +en daar had Melchior Sinclaire een vat brandewijn staan. In de +andre helft der zaal in de vestibule en buiten op de plaats stonden +de koopers. + +Er waren er vele! En er was veel gedruisch en vroolijkheid. Er werd +druk geboden en verkocht. Maar bij 't brandewijnvat, met al zijn +bezittingen in een grenzelooze verwarring achter zich, zat Melchior +Sinclaire, half dronken en half krankzinnig. 't Haar zat in verwarde +pruiken om zijn rood gezicht, zijn woeste, met bloed beloopen oogen +rolden in hun kassen. Hij schreeuwde en lachte alsof hij in de beste +stemming was, en ieder, die een bod deed, riep hij bij zich en bood +hem een borrel aan. + +Onder hen, die hem zagen, was ook Gösta Berling, die zich onder de +koopers had gemengd, maar zorgvuldig vermeed hem onder de oogen te +komen. Hij rilde van wat hij zag, en zijn hart werd beklemd door een +bang voorgevoel van naderend onheil. + +Hij vroeg zich verwonderd af, waar Mariannes moeder wel zijn zou. En +nu ging hij, half tegen zijn zin, maar door 't noodlot gedreven, +Mevrouw Gustava Sinclaire zoeken. + +Hij ging door vele deuren eer hij haar vond. De groote landeigenaar had +maar weinig geduld en hij hield niet van klachten en vrouwentranen. Hij +was haar onophoudelijk schreien over 't lot, dat de schatten van +haar huis trof, moede. 't Maakte hem razend, dat zij kon schreien om +linnen en beddegoed nu zij, die zooveel meer waard was, zijn mooie +dochter verloren was, en hij had haar met gebalde vuisten 't heele +huis doorgejaagd, door de keuken heen in de provisiekamer. + +Verder kon ze niet en hij had zich vergenoegd met haar daar te zien +zitten in elkaar gekrompen achter de trap, harde slagen, misschien +den dood verwachtend. Hij liet haar daar zitten, maar sloot de deur +af en stak den sleutel in zijn zak. Daar kon ze nu blijven zitten tot +de verkooping voorbij was. Honger lijden zou ze niet en hij was vrij +van haar gejammer te hooren. + +Daar zat ze gevangen in haar eigen provisiekamer, toen Gösta de gang +door naar de keuken ging. Daar zag hij plotseling 't gezicht van +Mevrouw Gustava voor 't venster hoog in de muur. Zij was daarheen +naar boven gekropen en keek uit haar gevangenis. + +"Wat doet u daarboven, tante?" [1] + +"Hij heeft me opgesloten!" + +"De landheer?" + +"Ja, ik was bang, dat hij me dood zou slaan. Maar hoor eens Gösta, +neem den sleutel van de deur van de zaal en ga door de keuken naar de +deur van de provisiekamer; daar past die sleutel op. Doe de deur open, +dan kom ik hier uit." + +Gösta deed het en een paar minuten later stond het oude vrouwtje in +de groote, leege keuken. + +"U hadt een van de meisjes de deur moeten laten opendoen," zeide Gösta. + +"Meen je, dat ik hun dat kunstje leeren wil? Neen, dan zouden ze mijn +provisiekast nooit meer met rust laten. En ik heb ook de bovenste +planken wat opgeruimd. Dat was wel noodig. Ik kan niet begrijpen dat +ik daar zoo'n rommel heb kunnen maken." + +"U hebt ook zooveel te doen, tante," zei Gösta verontschuldigend. + +"Ja, daar kun je van op aan! als ik niet overal te gelijk ben, dan +komt er geen spinnewiel en geen weefstoel in beweging. En als...." + +Ze hield plotseling op en droogde haar tranen af. + +"Goede hemel, wat sta ik toch te praten," zei ze, "ik zal nu wel nooit +meer iets hebben na te zien. Hij verkoopt immers alles, wat we hebben." + +"Ja, 't is ellendig," zei Gösta. + +"Je weet wel, de groote spiegel in de zaal, dat prachtige stuk! Er is +geen naad in 't glas, geen vlekje op de lijst! Ik heb hem van moeder +gekregen en die wil hij nu verkoopen." + +"Maar wat bezielt hem toch?" vroeg Gösta. + +"Och, 't is alleen, omdat Marianne niet weerom komt. Hij heeft daar +aldoor op gewacht. Hij heeft dagen lang in de groote laan op en neer +geloopen en naar haar uitgezien. Hij verlangt zóó, dat ik bang ben +dat hij er gek van wordt. Maar ik durf niets te zeggen." + +"Marianne meent, dat hij boos op haar is." + +"Och dat meent ze niet. Ze kent hem wel. Maar ze is trotsch en wil +niet de minste zijn. Ze zijn allebei even hard en koppig. En ik zit +er tusschen in en op mij komt alles neer!" + +"Weet u, dat Marianne met mij trouwen wil, tante?" + +"Och Gösta, dat doet ze toch niet! Dat zegt ze maar om haar vader te +plagen. Ze is veel te verwend om met een arm man te trouwen, en veel +te trotsch ook. Ga nu gauw naar huis en zeg haar, dat haar erfdeel +weg is als ze niet dadelijk komt. Och! hij laat alles gaan zonder er +behoorlijk geld voor te krijgen!" + +Gösta werd boos. Daar zat die vrouw nu op haar groote keukentafel en +had geen hart voor iets anders, dan voor haar spiegels en porcelein. + +"U moest u schamen!" barstte hij uit. "U laat uw dochter in de +sneeuw liggen en dan meent u, dat 't uit pure boosaardigheid is, +dat ze niet thuiskomt. + +"En u meent, dat ze den man, waar ze van houdt, zal verlaten, alleen +om haar erfdeel niet te verliezen." + +"Lieve Gösta, wordt nu ook niet boos! Ik weet immers niet, wat ik +zeg. Ik heb geprobeerd Marianne binnen te laten, maar hij trok me weg +van de deur. Ze zeggen hier altijd, dat ik nergens verstand van heb. Ik +gun je Marianne graag, Gösta, als je haar gelukkig kunt maken. Maar +'t is zoo makkelijk niet een vrouw gelukkig te maken, Gösta!" + +Gösta zag haar aan. Hoe kon hij boos worden op zulk een menschje! Schuw +en gejaagd was zij, maar ze had toch zulk een goed hart. + +"Tante vraagt niet eens, hoe 't met Marianne is," zei hij zacht. + +Zij barstte in schreien uit. "Word je dan niet boos, als ik dat +vraag?" zei ze. "Ik heb er aldoor naar verlangd 't je te vragen. Ik +weet niets meer van haar, dan dat ze leeft. Geen groet heb ik van +haar gehad al dien tijd; niet eens toen ik haar kleeren zond. En toen +dacht ik dat jelui me niets meer van haar wilden vertellen." + +Gösta kon het niet langer uithouden. Hij was woest en dwaas. Soms +moest onze Lieve Heer hem zijn wolven achterna zenden om hem tot +gehoorzaamheid te dwingen--maar de tranen van de oude vrouw waren +voor hem erger dan 't huilen der wolven! + +Hij vertelde haar de waarheid: + +"Marianne is al dien tijd ziek geweest," zei hij, "ze heeft de pokken +gehad. Vandaag mocht ze opstaan en op de sofa liggen. Ik heb haar +sinds dien eersten nacht niet meer gezien." + +Met een sprong stond Mevrouw Gustava op den grond. Ze liet Gösta +staan zonder een woord te zeggen en vloog weg naar haar man. + +De menschen in de zaal zagen haar naar hem toe loopen en hem haastig +iets in 't oor fluisteren. Zij zagen, dat zijn gezicht nog rooder +werd en dat zijn hand, die hij aan de kraan van 't vat hield, die +onwillekeurig omdraaide, zoodat de brandewijn over den vloer stroomde. + +Allen kwam het voor, dat Mevrouw Gustava zulke gewichtige tijding +bracht, dat de verkooping onmiddellijk gestaakt moest worden. De hamer +van den oproeper viel niet meer neer, de pennen van de schrijvers +krasten niet meer, geen nieuw bod werd gehoord. + +Melchior Sinclaire schrikte op uit zijn gedachten. + +"Nu," riep hij uit. "Wat moet dat worden?" + +En een oogenblik later was de verkooping weer in vollen gang. + +Gösta zat in de keuken te wachten en Mevrouw Gustava kwam schreiend +naar hem terug. + +"Het hielp niet," zei ze. "Ik dacht, dat hij zou ophouden, als hij +hoorde, dat Marianne ziek geweest was; maar hij laat ze doorgaan. Hij +zou wel willen ophouden, maar hij durft niet om de menschen." + +Gösta trok de schouders op en nam afscheid van haar. + +In de vestibule kwam hij Sintram tegen. + +"Een verduiveld vermakelijke historie!" riep Sintram en wreef zich in +de handen. "Je bent toch een kranige kerel, Gösta, dat je dat klaar +gekregen hebt." + +"'t Wordt nog vermakelijker over een poosje," fluisterde Gösta. "De +predikant van Broby is hier met een slee vol geld. Men zegt, dat hij +'t heele Björne koopen wil en contant betalen. Ik wil wel eens zien +wat de landheer dan voor een gezicht zetten zal." + +Sintram trok beide schouders op en lachte lang, zich inwendig +verkneukelend. Toen ging hij de groote zaal in, recht op Melchior +Sinclaire af. + +"Wil je een borrel, Sintram, dan moet je voor den duivel eerst een +bod doen." + +"Je bent toch een geluksvogel," zei Sintram. "Hier komt iemand +aanrijden met een slee vol geld. Hij wil Björne koopen met inboedel en +veestapel en al. Hij heeft afspraak gemaakt met een massa menschen, +dat ze voor hem bieden zullen. Hij zelf zal zich vooreerst wel niet +vertoonen." + +"Je wilt zeker wel zeggen wie 't is, als ik je een borrel voor je +moeite geef?" + +Sintram nam het glas en ging een paar stappen achteruit, eer hij +antwoordde. + +"'t Moet de dominé van Broby zijn, broeder Melchior." + +Melchior Sinclaire had beter vrienden dan de predikant van Broby. Jaren +lang bestond er al een veete tusschen hen. Men zei, dat de groote +landeigenaar in donkre nachten op den loer gelegen had op den weg, +waarlangs de predikant moest komen en hem menig pak slaag gegeven had, +dien duitendief, dien boerenplaag! + +Wel was Sintram een eind achteruit gegaan; maar toch ontkwam hij +niet geheel aan den toorn van Melchior Sinclaire. Hij kreeg een glas +tusschen de oogen en 't heele vat brandewijn over zijn voeten; maar +toen volgde er ook een tooneel, dat nog lang zijn hart verheugde. + +"Wil de dominé mijn landgoed hebben!" brulde Sinclaire. "Staan jelui +hier aan den dominé mijn goed te verkoopen? + +"De verkooping is uit," schreeuwde hij. + +"Weg met jelui! Nooit, zoolang ik leef, krijgt de dominé van Broby +mijn goed. Weg met jelui! Ik zal je leeren voor den dominé te bieden!" + +Hij stoof op den oproeper en de schrijvers af. Zij weken uit. In de +verwarring werd de toonbank omgegooid en de landheer stoof als een +razende op de menigte vreedzame menschen in. + +En ze vluchtten in wilde verwarring. Een paar honderd menschen drongen +naar de deur, bang voor één man. + +Hij bleef staan en schreeuwde: "weg met jelui!" Hij zond ze vloeken +achterna en zwaaide een stoel boven zijn hoofd als wapen. + +Hij vervolgde ze tot in de vestibule; maar niet verder. Toen de laatste +vreemde de trap op was, ging hij in de zaal terug en sloot de deur +achter zich. Toen trok hij een matras en een paar kussens uit den +hoop, ging er op liggen en sliep in--midden in de wanorde. Hij werd +niet wakker voor den volgenden morgen. + +Toen Gösta thuis kwam, hoorde hij, dat Marianne hem spreken wilde. Dat +trof goed, hij had er juist over gedacht, hoe hij haar te spreken +zou krijgen. + +Toen hij in de donkre kamer kwam, waar ze lag, bleef hij eerst aan +de deur staan. Hij kon niet zien waar ze was. + +"Blijf, waar je ben Gösta," zei Marianne, "'t kan gevaarlijk zijn +dicht bij me te komen." + +Maar Gösta was de trap op komen stormen, bevend van ontroering en +verlangen. Wat kon hem de besmetting schelen! Hij wilde de zaligheid +genieten haar weer te zien. + +Want zij was schoon, zijn geliefde. Niemand had zulk zacht haar, +zulk een hoog rein voorhoofd. Haar geheele gelaat was één geheel van +schoone vormen en lijnen. Hij dacht aan de wenkbrauwen, scherp en fijn +geteekend, als de honingweg in de lelie, aan de kloeke gebogen lijnen +van de neus, aan de lippen, licht gekruld als kleine golfjes, aan +'t ovaal der wangen en aan den uitgezocht fijnen vorm der kin. Hij +dacht aan de teere tint der huid, aan de donkere wimpers onder 't +lichte haar, aan den blauwen oogappel in 't heldre wit en aan den +gloed harer oogen. + +Heerlijk was ze, zijn geliefde! hij dacht aan haar warm hart, dat ze +onder dat trotsch uiterlijk verborg. Ze had kracht tot toewijding en +zelfopoffering en verborg die onder haar elegante houding en trotsche +woorden. Het was een zaligheid haar te zien. + +In twee sprongen was hij de trap opgekomen en meende ze nu, dat hij +aan de deur zou blijven staan? Hij stormde de kamer door en viel op +de knieën naast de sofa. + +Hij wilde haar zien, haar kussen en afscheid van haar nemen. Hij had +haar lief en zou nooit ophouden haar lief te hebben; maar zijn hart +was gewend in 't stof getreden te worden. + +O, waar zou hij haar vinden, de roos zonder wortel of steun, +die hij tot zich kon nemen en de zijne noemen. Niet eens haar, +die hij verworpen en halfdood aan den weg gevonden had, mocht hij +behouden. Wanneer zou zijn liefde ooit een lied aanheffen, zóó luide +en rein, dat geen wanklank het overstemde? Wanneer zou hij 't paleis +van zijn geluk op een grond bouwen, dien niet door een ander hart +met onrust en verlangen werd begeerd? + +Hij dacht er over, hoe hij afscheid van haar nemen zou. + +"Er is groot lijden in je ouderlijk huis!" zou hij zeggen. "Mijn hart +breekt als ik er aan denk. Ge moet naar huis gaan en je vader zijn +verstand hergeven--je moeder verkeert in voortdurend levensgevaar. Ge +moet naar huis, mijn liefste!" + +Zie, zulke woorden van vrijwillig ontberen had hij op de lippen. Maar +hij sprak ze niet uit. + +Hij viel op de knieën aan haar sofa en nam haar hoofd tusschen zijn +beide handen--maar kon niet spreken. Zijn hart begon zóó geweldig te +slaan, als zou 't zijn borst doen springen. + +De pokken hadden dat heerlijke gelaat geteisterd. De huid was grof +geworden en vol lidteekens. Nooit meer zou het roode bloed de wangen +kleuren of de fijne blauwe aderen aan de slapen zichtbaar worden. De +oogen lagen wat onder de gezwollen oogleden. De wenkbrauwen waren +uitgevallen en 't witte email der oogen was geel geworden. Alles +was vernield. De fijne lijnen waren grof en zwaar geworden. Er waren +velen, die later Mariannes vervlogen heerlijkheid beschreiden. Maar +de eerste man, die haar zag nadat ze haar schoonheid verloren had, +gaf zich niet over aan zijn smart. Onuitsprekelijke gevoelens +vervulden zijn ziel. Hoe langer hij haar aanzag, hoe warmer 't in +hem werd. Zijn liefde steeg en steeg als een rivier in de lente. Als +vuurgolven bruischte zij op uit zijn hart, zij vulde heel zijn wezen, +zij steeg op naar zijn oogen als tranen, naar zijn lippen als snikken, +ze deed zijn handen, zijn geheele lichaam trillen. + +O, haar lief te hebben! haar te verdedigen, haar alles, alles te +vergoeden! Haar slaaf, haar beschermengel te zijn! + +Sterk is de liefde, als zij den vuurdoop van de smart heeft +ondergaan. Hij kon niet tot Marianne spreken over scheiding en +zelfverloochening. Hij kon haar niet verlaten. Hij was haar 't leven +verschuldigd. Hij zou doodzonden kunnen begaan om harentwil. + +Hij sprak geen verstandig woord. Hij kuste haar en schreide tot de +oude ziekenverpleegster het tijd vond, dat hij heenging. + +Toen hij was heengegaan lag Marianne te denken aan hem en zijn +ontroering. "Het doet goed zóó bemind te worden," dacht ze. + +Ja, dat deed goed.... maar hoe was 't met haar zelf? Wat voelde +zij? Och niets, minder dan niets. + +Was zij dood--haar liefde--of gevlucht? Waar was het kind van haar +hart gebleven? Leefde het nog? Was het in den donkersten hoek van haar +hart gekropen verstijfd door den blik der ijzige oogen, verschrikt door +'t hoonlachen, half gesmoord door de beenige vingers. + +"Och, mijn liefde!" zuchtte ze, "kind van mijn hart! Leeft gij? of +zijt ge dood--dood als mijn schoonheid?" + + + +Den volgenden morgen vroeg kwam de machtige landheer bij zijn +vrouw. "Zorg dat het huis weer in orde komt, Gustava," zeide hij, +"ik rijd uit om Marianne thuis te halen". + +"Ja, beste Melchior, ik zal er voor zorgen," antwoordde zij. + +Daarmeê was alles in orde tusschen hen. Een uur later was de landheer +op weg naar Ekeby. + +Men kon zich geen beschaafder en welwillender oude heer voorstellen +dan de landheer, zooals hij daar in de open caleche zat in zijn besten +pels, met zijn fijnsten halsdoek om. Nu lag zijn haar plat gekamd om +zijn schedel; maar zijn gezicht was bleek, zijn oogen ingezonken. + +Een weergalooze glans stroomde van den heldren hemel op dien +Februarimorgen. De sneeuw fonkelde als de oogen van jonge meisjes, +als de eerste dans gespeeld wordt. De berken staken hun kantwerk van +fijne, bruinroode twijgen op naar den hemel; hier en daar zat een +donzige franje van schitterende naaldjes. + +Er lag feestglans over dien dag. De paarden hieven, als dansten +ze, de voorpooten op, en de koetsier knalde met de zweep uit pure +vergenoegdheid. + +Na een korten rit hield de slee van den landheer stil voor Ekeby. De +knecht kwam naar buiten. + +"Waar zijn de heeren?" vroeg de landheer. + +"Op de jacht. Zij jagen op den grooten beer van de Gurlita Klätt." + +"Allemaal?" + +"Allemaal, mijnheer! Wie niet meêgaat om den beer, gaat meê om den +knapzak." + +De landheer lachte, dat 't over de geheele plaats klonk en gaf den +knecht een daalder voor dat antwoord. + +"Zeg mijn dochter, dat ik hier ben om haar te halen. Ze behoeft niet +bang voor de kou te zijn. Ik sla de kap van de caleche op en heb de +wolfspels bij me om er haar in te wikkelen." + +"Wil mijnheer niet binnenkomen?" + +"Neen, dank je, ik zit hier goed!" + +De knecht verdween en de landheer zette zich tot wachten. Hij was +dien morgen in een onverstoorbaar goed humeur. Hij had wel gedacht, +dat hij wat op Marianne zou moeten wachten. Misschien was ze nog niet +eens op. Hij zou in dien tijd maar wat rondkijken. + +Aan 't dak hing een lange ijspegel, waar de zon een gruwelijken last +meê had. Zij begon van boven af, smolt een droppel los, en wilde die +er langs naar beneden laten loopen. Maar als de droppel halfweg was, +was ze weer verstijfd. Aanhoudend deed de zon opnieuw moeite, maar +zonder resultaat. + +Eindelijk was er een kleine zonnestraal, een vrijbuiter, die zich +vasthechtte aan de punt van den ijspegel;--een kleintje, dat glinsterde +van opgewondenheid en in een oogenblik had hij zijn doel bereikt: +een droppel plaste op den grond. De landheer zag lachend naar hem. "Je +bent nog zoo dom niet," zei hij tegen den zonnestraal. + +De plaats was stil en leeg. Geen geluid kwam uit het groote huis. Maar +de landheer werd niet ongeduldig. Hij wist, dat de vrouwlui veel tijd +noodig hebben eer ze klaar zijn. + +Hij zat naar de duiventil te kijken. Die was dicht. De duiven werden +opgesloten in den winter, opdat de havik ze niet grijpen zou. Nu en +dan kwam een duif en stak haar witte kop door de tralies. + +"Die wacht op het voorjaar," zei Melchior Sinclaire. "Maar ze zal +nog wat geduld moeten hebben." + +De duif kwam zoo regelmatig terug, dat hij zijn horloge uithaalde en +op haar lette. + +Precies iedere drie minuten kwam ze terug. + +"Neen, kleintje!" zei hij, "meen je, dat het voorjaar in drie minuten +klaar komt? Je moet leeren wachten." + +En zelf moest hij ook wachten; maar hij had den tijd. + +De paarden krabden eerst ongeduldig in de sneeuw; maar toen werden ze +slaperig van 't staan en 't in de zon kijken. Ze staken de koppen bij +elkaar en sliepen in. De koetsier zat stijf op den bok, met zweep en +teugel in de hand, 't gezicht naar de zon gekeerd en sliep zóó vast, +dat hij snorkte. + +Maar de landheer sliep niet. Hij was nooit minder gestemd tot slapen +dan nu. Zelden had hij genoegelijker uren doorgebracht, dan deze +blijde uren wachtens. + +Marianne was ziek geweest. Zij had niet eerder kunnen komen; maar +nu zou ze wel komen. Ja, natuurlijk zou ze komen. En alles zou weer +goed worden. + +Nu kon ze toch wel zien, dat hij niet boos op haar was. Hij was immers +zelf gekomen met de caleche en twee paarden er voor. + +Daar ginds op de plank buiten de opening van de bijenkorf had een mees +een echte duivelsche list bedacht. Hij moest middageten hebben. En +daarom klopte hij op het plankje met zijn scherp snaveltje. Binnen +in de korf hingen de bijen in een groote, donkere zak. Alles in de +beste orde. De hofmeesters deelen de porties eten uit, de schenkers +draven van mond tot mond met nectar en ambrosia. Zij, die in 't midden +zitten, ruilen altijd door van plaats met de buitenste, opdat warmte +en comfort gelijkelijk verdeeld worden. + +Daar hooren ze 't kloppen van den mees. En er gaat een gegons +van nieuwsgierigheid door de geheele korf. Is dat een vriend of +een vijand? Is er gevaar voor de bijenmaatschappij? De koningin +heeft een kwaad geweten. Zij kan den loop der zaken niet rustig +afwachten. Zijn het de geesten der vermoorde hommels? broedbijen, +die daar buiten spoken? + +"Ga zien, wat dat is," beveelt zij de portierster. + +Deze gaat. Met een "Leve de koningin!" stormt ze naar buiten, en +wip, heeft de mees ze gepakt. Met uitgestrekten hals en vleugels, +die trillen van spanning, grijpt hij haar aan, verbrijzelt haar en +eet haar op. Niemand bericht haar dood aan haar meesteres. + +En de mees begint weer te kloppen. En de bijenkoningin gaat voort haar +portiersters naar buiten te zenden en allen verdwijnen ze. Niemand +komt terug om te vertellen wie er klopte. Hu! 't wordt griezelig daar +in de donkre korf. 't Zijn de wraakgeesten, die daar buiten hun spel +drijven. Hadden ze maar geen ooren! konden ze hun nieuwsgierigheid, +maar bedwingen en rustig afwachten. + +De machtige landheer lachte, dat hem tranen in de oogen kwamen, +over de domme vrouwlui daar in de korf en den slimmen baas daar buiten. + +'t Is geen kunst te wachten, als men zoo zeker van zijn zaak is en +zooveel heeft om zich meê bezig te houden. + +De zon begon te dalen in 't westen. Melchior Sinclaire keek op zijn +horloge. + +'t Was drie uur! en Moeder zat al van twaalf uur af met het eten +te wachten. + +Op 't zelfde oogenblik kwam de knecht zeggen, dat Juffrouw Marianne +hem wenschte te spreken. + +De landheer nam de wolfspels over den arm en liep vroolijk de +trappen op. + +Toen Marianne zijn zware stappen op de trap hoorde wist ze nog niet, +of ze meê naar huis wilde gaan of niet. Zij wist alleen, dat er een +eind moest komen aan dat lange wachten. + +Zij had gehoopt, dat de kavaliers terug zouden komen; maar ze kwamen +niet. Dus moest ze zelf zorgen, dat er een eind aan kwam. Dit kon ze +niet langer uithouden. + +Ze had gedacht, dat hij boos weer weg zou rijden, als hij vijf +minuten gewacht had, of dat hij de deuren zou hebben opengebroken of +'t huis in brand gestoken, maar hij zat daar rustig, glimlachend en +wachtte. Ze voelde haat noch liefde voor hem. Maar er was een stem +in haar hart, die haar waarschuwde zich niet weer in zijn macht te +laten komen. En behalve dat wilde zij haar woord aan Gösta houden. Was +hij maar in slaap gevallen of onrustig geworden of had hij maar eenig +teeken van twijfel gegeven, of was hij maar met de slee in de schaduw +gereden. Maar hij was louter geduld en zóó zeker van zijn zaak. Zoo +zeker, zóó aanstekelijk zeker, dat ze komen zou, als hij maar wachtte. + +Dat deed haar pijn in 't hoofd. 't Deed iedere zenuw in haar +trillen. Ze had geen rust, zoolang ze wist, dat hij daar zat. 't Was +alsof zijn sterke wil haar bond en de trappen afsleepte. Zij wilde +ten minste met hem spreken. + +Eer hij kwam, liet zij de gordijnen opentrekken, en ging zoo liggen, +dat haar gezicht in 't volle daglicht kwam. Haar doel was hem daarmeê +op de proef te stellen, maar Melchior Sinclaire was dien dag een +wonderlijk man. + +Toen hij haar zag, vertrok hij zijn gezicht niet, sprak geen +woord. 't Was alsof hij niet zag, hoe veranderd ze was. Hij wist, +hoe trotsch hij geweest was op haar schoonheid. Maar hij liet geen +smart blijken. Hij beheerschte zich volkomen, om haar geen verdriet +te doen. Dat trof haar. Zij begon te begrijpen hoe 't mogelijk was, +dat haar moeder nog altijd van hem hield. + +Hij toonde geen den minsten twijfel. Hij deed geen verwijten, maakte +geen verontschuldigingen. + +"Ik zal je de wolfspels aandoen, Marianne. Die is niet koud. Hij +heeft altijd door op mijn schoot gelegen." + +Toch ging hij naar den haard en warmde de pels. Toen hielp hij haar +op te staan, sloeg de pels om haar heen, deed een shawl om haar hoofd, +kruiste die over de borst en bond die op den rug vast. + +Zij liet hem begaan.--Ze had geen wil meer. 't Deed haar goed zoo +verzorgd te worden, 't was zalig niet te hoeven willen. 't Was zoo +rustig voor een mensch zóó moe en geslingerd als zij, voor een mensch, +die niet één gedachte, niet één aandoening zijn eigen noemen kon. + +De landheer lichtte haar op in zijn armen, droeg haar naar beneden +in de sleê, sloeg de kap op, stopte de pels goed over haar heen en +reed van Ekeby weg. + +Ze sloot de oogen en zuchtte, gedeeltelijk van welbehagen, gedeeltelijk +van smart. Ze nam afscheid van 't leven, van 't werkelijke leven. Maar +wat deed dat er toe voor haar, die toch niet leven kon--alleen maar +komediespelen! + +Een paar dagen later zorgde haar moeder er voor, dat ze Gösta spreken +kon. Zij zond hem een boodschap, terwijl de landheer zijn lange +wandeling deed naar de houthakkerij, en bracht hem bij Marianne. + +--Gösta kwam binnen, maar hij groette of sprak niet. Hij bleef aan +de deur staan en zag voor zich neer als een koppige jongen. + +"Maar Gösta!" barstte Marianne uit. Zij zat in een leunstoel. + +"Ja, zoo heet ik!" + +"Kom hier, kom eens bij me, Gösta." + +Hij ging zwijgend naar haar toe, maar hief de oogen niet op. + +"Kom toch dichter bij, kniel hier naast me." + +"Goede hemel, wat moet dat beteekenen?" riep hij uit--maar +gehoorzaamde. + +"Gösta, ik wilde je zeggen, dat ik geloof dat het 't beste was, +dat ik weer thuis kwam." + +"Laat ons hopen, dat ze juffrouw Marianne niet weer in de sneeuw voor +de deur laten liggen." + +"O Gösta, geef je niet meer om me? Ben ik te leelijk geworden?" + +Hij trok haar hoofd naar zich toe en kuste haar, maar bleef er even +koel uitzien. + +Eigenlijk vond ze 't grappig. Als hij zich nu in 't hoofd gezet had +jaloersch op haar ouders te wezen--nu, wat zou dat? + +'t Zou wel weer overgaan. 't Vermaakte haar te probeeren hem weer +te winnen. Ze wist nauwelijks, waarom ze hem vast wilde houden; +maar dat wilde ze nu. Zij dacht er aan, dat het hem toch eens gelukt +was haar van zichzelven vrij te maken. Hij was misschien de eenige, +die dat weer zou kunnen doen. + +En nu begon zij te spreken, zich inspannende om hem terug te +winnen. Ze zei, dat het niet haar bedoeling geweest was hem voor +goed te verlaten; maar voor een poos moesten zij hun verbintenis +verbreken. Hij had immers zelf gezien, dat haar vader op 't punt +geweest was krankzinnig te worden, en dat haar moeder in voortdurend +levensgevaar verkeerde. Hij zou toch kunnen begrijpen, dat ze naar +huis moest. + +Toen barstte zijn toorn in woorden los. Zij behoefde geen comedie te +spelen. Hij wilde niet langer haar speelbal zijn. Zij had hem verlaten, +zoo gauw ze maar kans zag thuis te komen en hij kon haar niet langer +liefhebben. Toen hij eergisteren thuis kwam van de jacht en haar niet +vond, zelfs geen groet, geen enkel woord, toen was hem 't bloed in +de aderen verstijfd; hij was bijna gestorven van smart. Maar hij kon +iemand, die hem zóó had doen lijden, niet liefhebben. Zij had hem ook +nooit liefgehad. Ze was een coquette, die ook hier in de buurt iemand +wilde hebben, die haar kuste en liefkoosde--dat was de heele zaak!-- + +Meende hij dan, dat zij zich door jonge heeren placht te laten kussen? + +Och ja, dat was best mogelijk. De vrouwen waren niet zoo heilig, +als ze zich wel voordeden. Egoïsme en coquetterie was schering en +inslag bij haar. Ze had maar eens moeten weten wat hij voelde, toen +hij van de jacht thuiskwam. 't Was als baadde hij in ijswater. Hij +zou nooit over die smart heenkomen, die zou hij levenslang met zich +omdragen. Hij zou nooit weer een gewoon mensch worden. + +Ze beproefde hem uit te leggen hoe alles gegaan was. Ze wilde hem +bewijzen, dat ze hem nog altijd trouw was. + +Ja, dat kwam er nu niet meer op aan, want nu had hij haar niet meer +lief. Nu had hij haar doorzien. Zij was een egoïst. Ze had hem niet +lief. Ze was van hem heengegaan, zonder een woord tot afscheid. + +Telkens kwam hij hierop terug. Ze moest er bijna om lachen. Boos kon +ze niet worden. Ze begreep zijn boosheid zoo goed. Voor een werkelijke +breuk tusschen hun beiden was ze niet bang. Maar eindelijk werd ze +toch ongerust. Was er werkelijk in hem zulk een verandering gekomen, +dat hij haar niet meer liefhebben kon? + +"Gösta, was ik egoïst toen ik naar Sjö ging om den Majoor te halen? Ik +wist, dat er pokken waren. 't Is ook niet prettig, door de sneeuw en +de kou met dunne schoenen te loopen." + +"Liefde leeft alleen van liefde, en niet van diensten en weldaden," +antwoordde Gösta. + +"Wil je dan dat we van nu af aan vreemden voor elkaar zullen zijn, +Gösta?" + +"Ja, dat wil ik." + +"Je bent veranderlijk." + +"Ja, dat zegt men." + +Hij was ijskoud, niet te ontdooien, en eigenlijk was ze zelf nog +kouder. De zelfbeschouwing zat over haar poging de rol van verliefde +te spelen, hoonend te lachen. + +"Gösta," zei ze met inspanning, "ik heb je nooit met opzet onrecht +aangedaan; al lijkt het misschien zoo; ik smeek je, vergeef 't me." + +"Ik kan 't je niet vergeven." + +Ze wist dat als ze maar zelf diep en scherp gevoeld had, ze hem weer +had kunnen winnen. En ze probeerde de rol van de hartstochtelijke te +spelen. De ijsoogen lachten hoonend; maar ze probeerde het toch. Ze +wilde hem niet verliezen. + +"Ga niet heen, Gösta, ga niet boos heen. Denk er aan hoe leelijk ik +geworden ben. Niemand kan me meer liefhebben." + +"Dat doe ik ook niet," antwoordde hij. "Je zult moeten verdragen +zooals zooveel anderen, dat je hart in 't stof getreden wordt." + +"Gösta! ik heb nooit iemand anders dan jou kunnen liefhebben. Vergeef +me, verlaat me niet. Je bent de eenige, die me voor mezelf bewaren +kan." + +Hij stootte haar terug. "Je spreekt de waarheid niet," sprak hij +ijskoud. "Ik weet niet, wat je van me wilt; maar ik zie, dat je +liegt. Waarom wil je mij vasthouden? Je bent zoo rijk, dat je altijd +aanbidders genoeg zult hebben." + +En met die woorden ging hij heen. + +En nauwlijks had hij de deur achter zich toe getrokken, toen smart +en gemis in volle majesteit hun intocht deden in Mariannes hart. + +'t Was de liefde, 't kind van haar eigen hart, dat te voorschijn kwam +uit den hoek, waarheen de ijsoogen het verbannen hadden. Zij kwam, +de smartelijk verlangde, nu het te laat was. Ze kwam,--ernstig en +almachtig--en 't gemis en de smart droegen de slippen van haar mantel. + +Toen Marianne de zekerheid had, dat Gösta Berling haar verlaten +had, voelde zij een lichamelijke smart, zóó hevig, dat ze er bijna +bewusteloos van werd. Ze drukte de handen tegen het hart en zat +uren lang op dezelfde plaats, zonder tranen, strijdende tegen haar +zielelijden. + +En zij zelf was het, die leed, geen vreemde, geen tooneelspeelster. Zij +was het zelf. + +O, waarom kwam haar vader en scheidde hen van elkaar! Haar liefde +was immers niet dood! Alleen door haar zwakte na de ziekte kon ze +haar macht niet voelen. + +O God, o God! Ze had hem verloren! O waarom was haar liefde te laat +ontwaakt. + +Ach, hij was de eenige, die haar hart beheerschte. Van hem kon ze alles +verdragen. Goedheid en booze woorden van hem bogen haar slechts onder +'t juk van ootmoedige liefde. Als hij haar geslagen had, ze zou als +een hond aan zijn voeten gekropen en zijn hand gekust hebben. + +Ze wist niet wat ze doen zou om die vreeselijke smart te verlichten. + +Zij greep pen en papier en schreef met koortsachtige haast. Eerst +schreef zij over haar gemis en haar liefde; daarna smeekte ze--niet om +zijn liefde, alleen maar om zijn erbarming. 't Was een soort gedicht, +dat ze schreef. + +Toen ze klaar was, meende ze, dat als hij dit las, hij toch gelooven +zou, dat ze hem had liefgehad. En waarom zou ze hem niet zenden, +wat ze geschreven had. + +Ze zou 't den volgenden dag wegzenden. + +Ze geloofde wel, dat 't hem bij haar terug zou brengen. + +Den volgenden dag ging in angst en strijd voorbij. Wat ze geschreven +had kwam haar zoo erbarmelijk dom voor. Er was geen rijm of maat +aan. 't Was gewoon proza. Hij zou lachen om zulke verzen. + +Haar trots werd ook wakker. Als hij haar niet langer liefhad, was +'t toch een gruwelijke vernedering om zijn liefde te smeeken. + +Nu en dan sprak ook haar verstand een woord meê en zei, dat ze er +blij om moest zijn, dat ze aan die verbintenis met Gösta Berling en +al de droevige gevolgen daarvan, ontsnapt was. + +Maar de pijn in haar hart was zóó vreeselijk, dat het gevoel ten +slotte de overhand behield. Drie dagen nadat ze tot het bewustzijn +van haar liefde, gekomen was, werden de verzen in een couvert gelegd +en Gösta's naam daarop geschreven. + +Maar ze werden nooit afgezonden, want eer zij een geschikte bode had +kunnen vinden, hoorde zij dingen van Gösta Berling, die haar deden +inzien, dat het te laat was om hem terug te winnen. + +Maar dàt werd 't groote verdriet van haar leven, dat ze die verzen +niet bij tijds had afgezonden. Al haar smart kwam telkens tot dat +punt terug: "Had ik maar niet zoolang gewacht;--had ik 't maar niet +zooveel dagen uitgesteld!" + +'t Geluk van haar leven, 't werkelijke leven hadden die geschreven +woorden haar moeten teruggeven. Zij was er zeker van, dat zij hem +teruggebracht zouden hebben. + +Maar de smart deed voor haar 't zelfde wat de liefde gedaan had. Zij +maakte haar tot een mensch--met de macht zich geheel te geven in goed +en in kwaad. Brandende gevoelens stroomden door haar ziel, zonder door +de ijskoude zelfbeschouwing te worden gestuit. En daarom werd zij ook, +trots haar leelijkheid zeer bemind. + +Maar men zegt, dat ze nooit Gösta Berling vergat. Zij treurde over hem, +zooals men over een bedorven leven treurt. + +En die arme verzen, die een tijd lang zooveel gelezen werden, zijn +lang vergeten. Toch zijn ze wonderlijk zooals ze nu voor me liggen, +geschreven op geel geworden papier met verbleekten inkt en in dicht +zorgvuldig schrift. Heel de ontbering van een menschenleven ligt in +die arme woorden en ik schrijf ze af met geheimzinnige ontroering, +alsof er geheime krachten in hen woonden. + +Ik smeek u, lees ze, en denk er over. + +Wie weet toch, welke macht ze gehad zouden hebben, als ze afgezonden +waren? Zij zijn zóo vol lijden, dat ze wel getuigen van waar +gevoel. Misschien hadden ze hem wel tot haar teruggebracht. + +Zij zijn zoo aandoenlijk, zoo teer in hun onbeholpen +vormeloosheid. Niemand kan wenschen ze in 't keurs van rijm en +maat gesnoerd te zien. En toch is 't zoo weemoedig te denken, dat +misschien juist hun onvolkomenheid oorzaak was, dat ze niet op tijd +werden afgezonden. + +Ik smeek u lees ze, en heb ze lief. 't Is een mensch in zielenood, +die ze geschreven heeft: + + + "Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer + Zult gij Liefdes vreugde bezitten. + De storm van 't lijden ging door uw ziel + Wees blij dat ge tot rust zijt gekomen! + Niet meer zal u de vreugd ten hemel verheffen + Wees blij dat ge tot rust gekomen zijt! + Niet meer zult ge in den afgrond der smart verzinken-- + Neen, nimmermeer! + + Kind, ge hebt liefgehad, maar nimmermeer + Zal uw ziel in laaien gloed ontvlammen + Ge waart als een dor grasveld + Een korten tijd vlamde 't op in gloed. + Voor de wentelende rookwolken en de verkoolde massa's + Vloden de vogelen des hemels met kreten van schrik. + Zij kunnen terugkeeren! Ge zult niet meer branden, + Kunt niet meer branden. + + Kind, ge hebt liefgehad; maar nimmermeer + Zult ge de stem der liefde hooren. + De krachten van uw hart zitten als moede kinderen + Op de harde schoolbanken en zien naar buiten + Verlangend naar spel en vrijheid; + Maar niemand roept hen meer! + Zij zitten als op een vergeten post + Niemand roept hen meer! + + Kind, die ééne is heengegaan + En met hem ging de liefde en liefdes vreugde! + Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u geleerd had + Op vleugelen te drijven door het luchtruim; + Hij, dien ge hebt liefgehad, alsof hij u had gewezen + De eenige veilige plaats in een overstroomde stad, + Hij is heen gegaan! Hij de eenige, die den sleutel had + Van de deur uws harten. + + Ik wil u dit eene slechts vragen, geliefde + Leg nooit op mijn schouders de last van uw haat + 't Zwakste van alles--is dat niet een menschenhart? + Hoe zou 't kunnen leven met de verzengende gedachte, + Dat 't een ander een kwelling was. + + O mijn geliefde--begeert ge mijn dood + Koop u geen dolk, geen gif, geen strop. + Laat mij alleen weten, dat ge wenscht mij te zien verdwijnen + Van de groene aarde, van uit 't levens sferen + En ik zal weerzinken in het graf. + + Gij gaaft me 's levens volheid, Gij gaaft me liefde + En gij naamt uw gave terug. O, ik weet het wel! + Maar geef mij geen haat in ruil. + Ik heb het leven nog lief, o bedenk dat wel! + Ik weet, dat ik sterven zal onder den last van uw haat." + + + + + + + +IX. + +DE JONGE GRAVIN. + + +De jonge gravin slaapt tot tien uur en wil elken dag versch brood +hebben. De jonge gravin borduurt en leest verzen. Van eten koken en +weven heeft zij geen verstand. De jonge gravin is verwend. + +Maar zij is opgewekt en laat haar vroolijkheid schijnen over alles +en iedereen. Men vergeeft haar graag haar lang slapen en het versche +brood, want zij overlaadt de armen met weldaden en is vriendelijk +voor iedereen. + +De vader van de jonge gravin is een Zweedsch edelman, die zijn heele +leven in Italië heeft gewoond, omdat in dit prachtige land een van +zijn mooie dochters hem vast gehouden heeft. Toen graaf Hendrik Dohna +in Italië reisde, werd hij opgenomen in het huis van den edelman, +maakte kennis met diens dochters, trouwde met één van hen en voerde +haar mee naar Zweden. + +Zij, die al vroeg Zweedsch geleerd heeft en alles liefheeft wat +Zweedsch is, voelt zich gelukkig in 't berenland. Vroolijk doet ze mee +aan den reidans van genoegens om 't Löfvenmeer, en men zou denken, +dat ze er altijd gewoond had. Maar van 't gravin zijn heeft ze niet +veel verstand. Er is geen spoor van stijfheid, van waardigheid, van +"uit de hoogte zijn," in deze jonge vrouw. Vooral de oude heeren zijn +met de jonge gravin ingenomen. 't Was merkwaardig te zien, hoe hoog zij +bij hen aangeschreven stond. Als ze haar op een bal ontmoet hadden, +kon men er zeker van zijn, dat ze allemaal, de rechter in Munkerud, +de proost in Bro, Melchior Sinclaire, zoo goed als de kapitein van +Berga, hun vrouw in diep vertrouwen vertellen, dat--als ze de jonge +gravin voor 30 of 40 jaar ontmoet hadden, ja dan zouden ze.... + +"Ja, toen was ze nog niet geboren," antwoordden dan de oude dames. En +als zij de jonge gravin later ontmoeten, plagen ze er haar mee, +dat zij hun de harten der oude heeren ontsteelt. + +De oude dames zijn wat bekommerd over haar. Zij weten nog zoo goed hoe +'t met gravin Märta ging. Zij was even vroolijk en goed en bemind, toen +zij voor 't eerst naar Borg kwam, en zij werd een ijdele, genotzieke +coquette, die er nu alleen aan denkt hoe zij zich 't best amuseeren +zal. "Had zij maar een man, die haar aan 't werk kon houden!" zeggen +de oude dames. "Kon ze maar een weefsel opzetten." Want weven troost +in alle verdriet en absorbeert alle belangstelling. 't Weefgetouw +heeft menige vrouw gered. + +De jonge gravin wil graag een knappe huishoudster worden. Zij kan +zich niets heerlijkers voorstellen dan als een gelukkige huisvrouw +in een goed onderhouden huis te leven; op groote feesten gaat zij +vaak bij de oude dames zitten. + +"Hendrik wil zoo graag dat ik een knappe huishoudster worden zal," +zegt zij, "zoo als zijn moeder is. Wilt u mij leeren, hoe ik een +weefsel opzetten moet?" + +Dan zuchten de oude dames tweemaal. Eerst over graaf Hendrik, die zich +verbeeldt, dat zijn moeder een knappe huishoudster is, en dan over +de moeielijkheid van een zoo onkundig jong kind zulke ingewikkelde +zaken te verklaren. Als men maar begint over "schering" en "inslag," +over "spoel" en "tweedraads" of "vierdraads," dat loopt het haar al +door elkaar. En dan nog "oogjesgoed" en "gerstekorrel"!! + +Ieder, die de jonge gravin ziet, is er verbaasd over, hoe zij met den +dommen graaf Hendrik heeft kunnen trouwen. Die arme domooren! Zij +hebben het kwaad waar ze ook zijn. Maar 't allerergst hebben zij +'t in Wermeland. + +Er liepen al allerlei verhalen over graaf Hendriks domheid, en hij +was pas twee- of drie-en-twintig jaar oud. Men vertelt b.v. hoe hij +Anna Stjärnhök amuseerde op een sleevaart. + +"Je bent mooi, Anna," zei hij. + +"Och kom, Henrik." + +"Je bent de mooiste in heel Wermeland." + +"Neen, dat ben ik volstrekt niet." + +"De mooiste op deze sledevaart ben je toch." + +"Neen, Henrik, dat ben ik ook niet." + +"Nu, maar de mooiste in deze slee ben je toch zeker; dat kun je +niet ontkennen." + +Neen, dat kon ze niet. Want graaf Henrik is niet mooi; hij is even +leelijk als dom. Men beweert, dat het hoofd, dat op zijn schouders zit, +de laatste paar honderd jaar door de heele familie gebruikt is, en dat +daarom de hersens van den laatsten erfgenaam zóo versleten zijn. "Zijn +hoofd is al door zijn vader en grootvader gebruikt; hoe zou anders zijn +haar zoo dun, zijn lippen zoo bloedeloos en zijn kin zoo spits zijn?" + +Hij heeft altijd grappenmakers om zich heen, die hem uitlokken om +allerlei domheden te zeggen, en deze dan verbreiden in een verbeterde +uitgave. 't Is een geluk voor hem, dat hij 't niet merkt. Zelf is +hij plechtig en waardig in zijn heele optreden; hij kan zich niet +voorstellen, dat anderen dat niet zouden zijn. De waardigheid zit +hem in zijn heele lichaam; hij beweegt zich afgemeten, loopt stijf +en draait zijn hoofd niet om; zonder dat zijn heele lichaam meegaat. + +Maar de jonge gravin houdt toch van hem, niettegenstaande zijn +oudemannetjeshoofd. Zij wist immers niet, toen zij hem in Rome +ontmoette, dat hij in zijn eigen land met den aureool van domheid +omgeven was. Daar was iets van den glans der jeugd over hem, en zij +waren onder zulke romantische omstandigheden tot elkaar gekomen. Men +moest de gravin maar eens hooren vertellen hoe graaf Henrik haar +had moeten schaken. De monniken en kardinalen waren woedend geweest, +omdat zij den godsdienst van haar moeder, waarin zij was opgevoed, +verloochenen wou en Protestant worden. 't Heele volk was in oproer +geweest en had haar vaders paleis belegerd. Henrik werd door bandieten +vervolgd; haar moeder en zusters smeekten haar dit huwelijk op te +geven. Maar haar vader was razend geworden, omdat dat Italiaansche +canaille hem verbieden wou, zijne dochter te geven aan wien hij +verkoos. Hij beval graaf Henrik haar te schaken. En toen, omdat het +onmogelijk voor hen was thuis te trouwen, slopen zij en Henrik door +allerlei achterstraatjes naar het Zweedsche consulaat. En toen zij +daar haar Katholiek geloof afgezworen had en Protestant geworden was, +werden ze oogenblikkelijk getrouwd en naar 't noorden gezonden in +een gesloten wagen, met een paar vlugge paarden er voor. "Er was +geen tijd voor een huwelijks-afkondiging, zie je," placht de jonge +gravin te zeggen. "En 't was ook akelig op een kantoor te trouwen, +in plaats van in een van de mooie kerken; maar anders had Henrik +mij ook nooit kunnen krijgen. Zij zijn bij ons allemaal zoo driftig; +allemaal! Papa en mama, en de kardinalen en de monniken, allen zijn ze +driftig. Daarom moest alles zoo in 't geheim gaan, want als de menschen +ons hadden zien wegsluipen, hadden ze ons zeker allebei doodgeslagen, +alleen om mijn ziel te redden. Henrik was toch al verloren." + +Maar de jonge gravin houdt van haar man, ook nadat zij op Borg zijn +gekomen en daar een kalmer leven leiden. Zij heeft in hem den glans +van zijn ouden naam en van zijn beroemde voorvaderen lief. Zij ziet +zoo graag hoe haar tegenwoordigheid zijn stijfheid verzacht; zij hoort +zoo graag hoe zijn stem week wordt, als hij met haar spreekt. En dan +houdt hij van haar en verwent haar. En dan is ze nu eenmaal met hem +getrouwd. De jonge gravin kan zich niet voorstellen, dat een getrouwde +vrouw niet van haar man houden zou. + +En tot zekere hoogte beantwoordt hij dan ook aan haar ideaal van +manlijkheid. Hij is rechtschapen en waarheidlievend. Hij heeft nog +nooit zijn woord gebroken. Zij houdt hem voor een echten edelman. + +Den achtsten Maart viert de leenman Scharling zijn verjaardag, +en dan wemelt het van gasten, die den Brobyheuvel bestijgen. Zij +komen van Oost en West, bekenden en onbekenden, en stroomen naar het +landgoed van de Scharlings. Allen zijn welkom. Er is spijs en drank +genoeg voor allen, en in de danszaal is plaats voor de danslustigen +van zeven gemeenten. De jonge gravin komt ook; zij komt overal, +waar men dans en vroolijkheid verwachten kan. + +Maar zij is niet zoo opgewekt als anders. 't Is alsof zij er een +voorgevoel van heeft, dat 't nu haar beurt is in de wilde jacht van +het avontuur te worden meegesleept. + +Onderweg heeft ze naar de ondergaande zon zitten kijken. Die ging niet +onder te midden van gouden strepen op lichte wolkjes. Grauwbleek was +de schemering, met korte, koude windstooten. De jonge gravin zag hoe +dag en nacht met elkaar streden en hoe alles, wat leefde, door angst +werd aangegrepen onder dien geweldigen strijd. De paarden stoven voort +met hun laatste vracht om onder dak te komen. De houthakkers haastten +zich weg uit het bosch, de meisjes naar huis. De wilde dieren huilden +in het woud. En de dag, de vriend der menschen, werd overwonnen! De +kleuren verdwenen; het licht werd gedoofd; koud en leelijk was alles +wat ze zag. Wat zij gehoopt, liefgehad en gedaan had--'t was haar of +ook dat alles werd gehuld in 't grauw van de schemering. 't Was het uur +van vermoeidheid, van nederlaag, van machteloosheid, voor haar, zoowel +als voor de heele natuur. Zij denkt er aan, hoe haar eigen hart, dat +nu met zijn tintelende vroolijkheid alles in purper en goud hulde--hoe +datzelfde hart eens de kracht zal missen om haar wereld te verlichten. + +"O, onmacht! de onmacht van mijn eigen hart," zei ze tot zichzelf, +"die verstikkende grauwe schemering! Eens zal die ook mijn ziel +beheerschen! Dan zal ik 't leven leelijk en grauw zien, zooals 't +misschien wel is; dan zal mijn haar grijs worden, mijn rug gekromd, +mijn hersens verlamd." + +Op hetzelfde oogenblik draaide de slede het landgoed van den leenman +in, en toen de jonge gravin opzag, viel haar oog op een getralied +venster in een zijgebouw, en daarachter zag zij een gezicht met een +paar booze oogen. + +Dat was het gezicht van de Majoorske van Ekeby. En nu voelde de jonge +vrouw, dat het met haar genoegen voor dien avond gedaan was. Men kan +nog wel blij zijn, als men de smart niet ziet, maar ze alleen hoort +bespreken, als iemand, die ver weg is. Maar moeilijker is het de +vreugd des harten te bewaren, als men van aangezicht tot aangezicht +tegenover het bitter lijden staat. + +De jonge gravin weet wel, dat de leenman de Majoorske heeft laten +arresteeren en dat zij aangeklaagd zal worden, omdat zij met een paar +anderen de kavaliers 's nachts overvallen en gebonden heeft, en ze +weg zou gevoerd hebben, als niet de Majoor met zijn beren gekomen was, +om ze te bevrijden. Maar zij heeft er niet aan gedacht, dat ze daar op +het landgoed bewaard werd, zoo dicht bij de balzaal, dat men van daar +haar venster kan zien en zij de dansmuziek en al het vroolijk gedruisch +van 't bal hooren kan. En de gedachte aan haar rooft haar alle genot. + +De gravin danst wel mee. Ze danst de wals en de quadrille, het menuet +en de anglaise, maar na elken dans kan zij niet laten naar 't venster +te sluipen en naar 't zijgebouw te zien. Er is licht in 't venster van +de Majoorske en ze kan haar heen en weer door de kamer zien loopen. 't +Lijkt wel of ze nooit rust, maar aanhoudend heen en weer loopt. En +ieder keer als de gravin naar buiten gezien heeft, bewegen haar voeten +zich onwilliger in den dans, en 't lachen stokt haar in de keel. + +De vrouw van den leenman merkt, dat zij de beslagen glazen afveegt, +om naar buiten te zien, en gaat naar haar toe. + +"Och, wat een ellende toch," fluistert zij de gravin in. + +"Ik vind 't bijna onmogelijk vanavond te dansen," antwoordt de gravin, +ook fluisterend. + +"'t Is waarlijk niet voor mijn pleizier, dat we hier bal hebben, +terwijl zij daar zit," antwoordt mevrouw Scharling. "Ze heeft al +dien tijd in Karlstad gezeten; maar nu komt de zaak gauw voor, en +daarom is ze vandaag hierheen overgebracht. We konden haar niet in +'t ellendige arresthok op 't raadhuis brengen, en daarom gaven we +haar de groote weefkamer daarboven. Als niet juist al die menschen +hier vandaag geweest waren, had ik haar mijn kamer afgestaan. Ja, +de gravin kent haar nauwelijks; maar zij was ons aller moeder, onze +koningin. Wat moet ze wel van ons denken, dat we hier dansen, terwijl +zij 't zoo treurig heeft? 't Is maar goed, dat de meesten niet weten, +dat zij daar zit." + +"Zij had nooit gearresteerd moeten worden," zegt de jonge gravin, +streng. + +"Neen, dat is een waar woord; maar het kon niet anders, als we +ten minste erger ongelukken wilden voorkomen. Er was niemand, die +haar verbieden kon haar eigen stroobossen in brand te steken en de +kavaliers weg te jagen; maar de Majoor maakte immers gewoonweg jacht +op haar. Niemand weet wat hij gedaan zou hebben, als zij niet in +verzekerde bewaring gebracht was. Scharling heeft er veel last van +gehad, dat hij haar gevangen nemen liet. Zelfs in Karlstad waren +de menschen ontevreden, omdat hij niet alles door de vingers zag; +maar hij deed immers wat hij meende dat het best was." + +"Nu zal ze wel veroordeeld worden," zegt de gravin. + +"Och, neen, veroordeeld wordt ze niet. De Majoorske van Ekeby wordt +wel vrijgesproken; maar het is toch te veel voor haar, al wat ze +deze dagen moet doorleven. Denk eens aan, zoo'n trotsche vrouw, +en dan als een misdadiger behandeld te worden. Als zij maar niet +krankzinnig wordt. Ik geloof, dat we haar hadden moeten toestaan +hierheen te loopen, dan was ze misschien wel weggeloopen." + +"Laat haar vrij!" zegt de gravin. + +"Dat kan ieder ander doen, behalve de leenman en zijn vrouw," fluistert +mevrouw Scharling. "Wij moeten immers op haar passen. Vooral vannacht, +nu er zooveel van haar hier zijn. Daarom zitten twee knechts op wacht +voor haar deur, en die is gegrendeld en gesloten, zoodat niemand bij +haar komen kan. Maar als iemand er haar uit wilde helpen, gravin, +dan zouden Scharling en ik even blij zijn." + +"Mag ik niet naar haar toe gaan?" vraagt de jonge gravin. + +Mevrouw Scharling grijpt snel haar hand en trekt haar meê. In de +voorkamer slaan ze elk een shawl om en haasten zich over de plaats. + +"'t Kan best zijn, dat zij niet eens met ons spreken wil," zegt +mevrouw Scharling. "Maar ze kan dan ten minste zien, dat we haar +niet vergeten." + +Zij gaan door de eerste kamer, waar twee mannen zitten en wacht houden +voor de gesloten deur, en ze komen ongehinderd bij de Majoorske. Zij +was opgesloten in een groote kamer, vol weefgetouwen en toebehooren. 't +Vertrek werd gebruikt als weefkamer; maar er waren ijzeren stangen +voor de ramen en zware sloten op de deur, om 't in tijd van nood als +gevangenis te gebruiken. + +De Majoorske blijft heen en weer loopen zonder op hen te letten. Zij +moet een lange reis maken in die dagen. Zij kan aan niets anders +denken, dan dat zij dertig mijl loopen moet, naar haar moeder, die +daar, in de Elvedalsbosschen, op haar zit te wachten. Zij heeft geen +tijd om te rusten; zij moet gaan. Zij is rusteloos en heeft het gevoel +van voort te moeten. Haar moeder is al in de negentig. Zij kan niet +lang meer leven. + +Zij heeft de lengte van den vloer in ellen uitgemeten, en nu telt zij, +en legt de ellen aan elkaar tot vamen, de vamen tot mijlen. + +Moeilijk en lang schijnt de weg haar toe, en toch durft zij niet +te rusten. Zij waadt door hooge sneeuwhoopen. Zij hoort de eeuwige +bosschen ruischen, waar zij ook gaat. Zij rust in de rookkamers van +de Finnen en in de hutten der houthakkers, van takken gebouwd. + +Soms als er geen menschen te zien zijn, vele mijlen ver, moet ze +een bed van takken maken en onder de wortels van een omgewaaiden +den slapen. + +En eindelijk heeft zij het doel bereikt: de dertig mijl zijn afgelegd; +ze komt uit het bosch en ziet roode huizen op een plaats, met sneeuw +bedekt. De beek bruist schuimend voort in een rij kleine watervallen, +en aan het welbekende bruisen hoort zij, dat ze thuis is. + +En haar moeder, die haar ziet aankomen, bedelende zooals ze gewild +heeft, gaat haar te gemoet en.... + +Als de Majoorske zoo ver gekomen is, heft zij het hoofd, ziet om zich +heen, krijgt de afgesloten deur in het oog, en dan weet ze waar ze is. + +Ze vraagt zich af of ze op weg is gek te worden en gaat zitten om te +rusten en na te denken. Maar een oogenblik later is ze weer op weg, +telt de ellen en de vamen, tot ze mijlen heeft, rust in de hutten, +en slaapt dag noch nacht, eer ze de dertig mijl heeft afgelegd. In +al den tijd, dat zij gearresteerd zit, heeft zij bijna nooit geslapen. + +En de twee vrouwen die haar zijn komen bezoeken, zien haar met angst +aan. De jonge gravin heeft nooit kunnen vergeten hoe ze daar heen en +weer liep. + +Ze ziet haar dikwijls in haar droomen, en wordt dan wakker, met de +oogen vol tranen en een klacht op de lippen. + +De oude vrouw is vreeselijk vervallen. Heur haar is zoo dun geworden, +en losse vlokken steken uit de kleine vlecht. Het gezicht is scherp en +ingevallen; de kleeren zijn onordelijk en verscheurd. Maar trots dat +alles heeft zij nog zóoveel voornaams over zich, iets zóo gebiedends, +dat zij niet alleen medelijden, maar ook eerbied inboezemt. + +Maar wat de gravin allerminst vergeten kon, waren de oogen, ingezonken, +als naar binnen ziende, met nog een greintje verstandelijken +gloed, maar bijna gedoofd, en met een vonk van wildheid in de +diepte. Onwillekeurig werdt ge bang, dat de oude u aan zou vallen, +met de tanden bijten en met de nagels krabben. Ze hebben daar lang +gestaan, toen de Majoorske plotseling stilstaat voor de jonge vrouw +en haar streng aanziet. De gravin wijkt een stap terug en grijpt +mevrouw Scharling bij den arm. Opeens komt er leven en uitdrukking +in de trekken van de Majoorske. Hare oogen zien weer de wereld in +met helder bewustzijn. + +"Ach neen, ach neen," zegt ze glimlachend, "zoo erg is het nog niet, +mijn lieve, jonge dame." + +Zij verzoekt hen plaats te nemen en gaat zelf zitten. Zij krijgt weer +een waas van de oude waardigheid, zoo welbekend door de groote feesten +op Ekeby en de bals in 't paleis van den gouverneur te Karlstad. Zij +vergeten de lompen en de gevangenis, en zien alleen de trotsche, +de rijkste vrouw van Wermeland. + +"Lieve gravin," zegt zij, "wat brengt u er toe het bal te verlaten, +om een eenzame, oude vrouw als ik ben op te zoeken? U is al te goed." + +Gravin Elisabeth kan niet antwoorden; haar stem wordt verstikt door +ontroering. Mevrouw Scharling antwoordt voor haar, dat zij niet kon +dansen, omdat ze aan de Majoorske dacht. + +"Lieve mevrouw Scharling," antwoordt de Majoorske; "is het nu zóo ver +met mij gekomen, dat ik de jongelieden in hun vreugde stoor? Schrei +niet om mij, mijn lieve, jonge gravin," ging ze voort. "Ik ben een +oude, slechte vrouw, die haar verdiende loon krijgt. U vindt het +immers niet goed, als iemand zijn moeder slaat?" + +"Neen, maar...." + +De Majoorske valt haar in de rede en strijkt haar het lichte, krullende +haar van het voorhoofd. "Kind, kind," zegt zij, "hoe kon je er toch +toe komen dien dommen Henrik Dohna te nemen!" + +"Maar ik houd van hem." + +"Ja, ik begrijp het wel, ik begrijp het wel," zegt de Majoorske. "Een +goed kind en niet meer; schreit met de bedroefden en lacht met de +blijden. En is gedwongen: "Ja" te zeggen tegen den eerste, die zegt: +"Ik heb je lief." Ach, ja. Ga nu naar binnen en dans, mijn lieve, +jonge gravin. Dans en wees blij; in u is geen kwaad." + +"Maar ik zou zoo graag iets voor de Majoorske doen." + +"Kind," zei de Majoorske, plechtig: "eens woonde er een oude vrouw +op Ekeby, die de winden des hemels bedwong. Nu is ze zelf gevangen +en de winden zijn vrij. Is het dan wonder, dat er een storm over +'t land gaat? Ik die oud ben, heb dat meer gezien, gravin. Ik ken +dat. Ik weet, dat Gods geweldige storm over ons komt. Nu vaart hij +over de groote rijken, dan over de kleine, vergeten landen. Gods storm +komt overal! Over de grooten en over de kleinen. Het is grootsch Gods +storm te zien komen. + +"Gods storm! Adem Gods, kom en blaas over de aarde! Stemmen uit water +en lucht, klinkt tot onze ontzetting. Laat de stormvlagen suizen over +het land, aanbonzen tegen de wankelende muren, de verroeste sloten +breken en de hellende huizen omwerpen. + +"Angst zal komen over het land. De kleine vogelnesten worden uit de +takken geschud. Het nest van den gier-sperwer zal uit den spar met +geraas ter aarde vallen, en tot in 't uilennest in de bergkloof zal +de wind met zijn drakentong reiken. + +"Wij meenden, dat alles hier zoo goed was, maar dat was zoo niet. Wij +hadden behoefte aan den storm, die van God komt. Ik begrijp dat en +klaag niet. Ik verlang alleen naar huis--naar mijn moeder te komen." + +Plotseling zonk zij ineen. + +"Ga nu, jonge vrouw," zegt zij. "Ik heb geen tijd meer. Ik moet op +weg. Ga nu; maar hoed u voor hem, die op de wieken van den storm komt." + +En zij begint weer haar rusteloos heen en weer loopen. Haar trekken +worden slapper; de oogen krijgen weer die zonderlinge uitdrukking, +alsof ze naar binnen zien. De gravin en mevrouw Scharling kunnen +niets anders doen dan heengaan. + +Zoodra zij bij de dansenden terugkomen, gaat de jonge gravin regelrecht +naar Gösta Berling toe. + +"Ik moet u de groete van de Majoorske doen, Mijnheer Berling," zegt +zij. "Zij verwacht, dat u haar uit de gevangenis helpen zult." + +"Dan zal zij lang moeten wachten, mevrouw de gravin." + +"Och, help haar toch, mijnheer Berling." + +Gösta ziet somber voor zich. "Neen," zegt hij; "waarom zou ik haar +helpen? Waarvoor ben ik haar dank schuldig? Alles, wat ze gedaan heeft, +diende tot mijn ongeluk!" + +"Maar, mijnheer Berling!...." + +"Als zij er niet geweest was," antwoordde hij heftig, "dan sliep ik +nu daarginds in de eeuwige bosschen. Ben ik verplicht mijn leven voor +haar te wagen, omdat ze mij tot kavalier op Ekeby gemaakt heeft? Meent +mevrouw de gravin soms, dat het een bijzonder eervolle betrekking is?" + +De jonge gravin wendt zich af, zonder te antwoorden. Ze is boos. + +Zij gaat naar haar plaats terug, met bitterheid vervuld over de +kavaliers. Hier zijn ze gekomen met waldhoorn en viool en willen +den strijkstok over de snaren laten gaan, tot de haren versleten +zijn, zonder er aan te denken, dat de vroolijke tonen tot in de +armoedige kamer van de gevangenis klinken. Hier zijn ze gekomen om +zich de schoenzolen stuk te dansen, en denken er niet aan, dat hun +oude weldoenster hun schaduwen voorbij de beslagen vensters kan +zien glijden. Ach, hoe grauw en leelijk wordt de wereld! Ach, wat +donkere schaduwen werpen nood en hardheid over de ziel van de jonge +gravin! Kort daarna komt Gösta Berling haar ten dans noodigen. + +Zij weigert ronduit. + +"Wil de gravin niet met mij dansen?" vraagt hij, terwijl het bloed +hem naar de wangen stijgt. + +"Met u evenmin als met een van de andere kavaliers," antwoordt zij. + +"Zijn wij zulk een eer niet waard?" + +"Dat is geen eer, mijnheer Berling. Maar ik heb er geen pleizier in +met menschen te dansen, die den plicht der dankbaarheid vergeten." + +Gösta heeft zich al op zijn hiel omgedraaid. + +Dit tooneel is door velen gehoord en gezien. Allen geven de gravin +gelijk. De ondankbaarheid en harteloosheid van de kavaliers tegenover +de Majoorske heeft de algemeene verontwaardiging gewekt. + +Maar Gösta Berling is in die dagen gevaarlijker dan een wild dier in +het bosch. + +Sinds hij van de jacht is thuis gekomen en Marianne niet meer op +Ekeby vond, is zijn hart één open wonde. + +Hij is in een stemming om iemand een bloedig onrecht aan te doen en +smart en pijn om zich heen te verspreiden. + +Zij zal haar verdiende loon hebben, zegt hij in zichzelf. Zij zal er +niet gemakkelijk afkomen. De gravin houdt er immers van geschaakt te +worden. Zij zal haar zin hebben. Hij heeft niets tegen een avontuur. + +Acht dagen lang heeft hij geleden ter wille van een vrouw. Dat is nu +lang genoeg. + +Hij roept Beerencreutz, den overste, Kristiaan Bergh, den sterken +kapitein, en den tragen neef Kristofer, die zich nooit bedenken, +als er sprake van een dollen streek is, en beraadslaagt met hen, +hoe zij de gekrenkte eer van de kavaliers wreken zullen. + +Het eind van het feest is gekomen. Een lange rij sleden rijdt de plaats +op. De heeren trekken hun pelzen aan. De dames zoeken naar hun goed, +dat in een wanhopige wanorde in de kleedkamer ligt. + +De jonge gravin heeft zich gehaast om van dit afschuwelijke bal weg +te komen. Zij is het eerst klaar van alle dames. Zij staat glimlachend +midden in de kamer en ziet de verwarring aan, toen de deur opengerukt +wordt en Gösta Berling zich op den drempel vertoont. Geen man heeft +het recht in deze kamer binnen te dringen. Oude dames staan daar +met hun dun haar. Zij hebben de fijne mutsjes afgezet. En de jongere +hebben hun kleedjes onder de pelzen opgenomen, om de garneering niet +te kreukelen onder het rijden. + +Maar zonder zich te storen aan het waarschuwend roepen van alle kanten, +springt Gösta Berling op de gravin af en grijpt haar aan. Hij neemt +haar op in zijn armen en vliegt de kamer uit, de voorkamer in en van +daar de stoep af. + +Het geschreeuw der verschrikte vrouwen houdt hem niet terug. Als zij +hem nasnellen zien zij alleen, dat hij in een slee springt met de +gravin in de armen. Zij hooren den koetsier met de zweep klappen en de +paarden voortstuiven. Zij kennen den koetsier: dat is Beerencreutz; +zij kennen het paard: dat is Don Juan. En diep bekommerd over het +lot der gravin roepen zij de mannen. + +En deze verliezen geen tijd met veel vragen! Met den graaf aan 't +hoofd zetten zij den vrouwenroover na. + +Maar hij ligt in de sleê en houdt de jonge gravin vast. Alle smart is +vergeten, en onder de blijde bekoring van het avontuur, zingt hij uit +volle borst een lied van liefde en rozen. Hij houdt haar vast tegen +zich aan gedrukt; maar zij doet geen poging om te ontvluchten. Haar +gezichtje rust wit, als versteend, aan zijn borst. + +Och, wat zal een man doen, als hij een bleek, hulpeloos gezichtje +zóo dicht bij zich ziet, als hij de blonde haren, die anders het +glanzende, witte voorhoofd bedekken, ter zijde ziet geschoven, als +de oogleden zich zwaar over de schelmsche, schitterende grijze oogen +gesloten hebben. + +Kussen natuurlijk, de bleeke lippen, de gesloten oogen, het blanke +voorhoofd kussen. + +Maar daar komt de jonge vrouw tot zich zelf. Zij gooit zich +achterover. Als een stalen veer is zij. En hij moet met haar worstelen +om te voorkomen, dat zij uit de slee springt, tot hij haar bevend en +overwonnen in een hoek gedrongen heeft. + +"Zie eens," zegt Gösta dan heel rustig tot Beerencreutz. "De gravin +is de derde, die Don Juan en ik dezen winter wegvoeren. De anderen +hingen om mijn hals en kusten mij; maar zij wil niet door me gekust +worden en ook niet met me dansen. Kun jij uit die vrouwen wijs worden, +Beerencreutz?" + +Maar toen Gösta de plaats afreed, toen de vrouwen gilden en de mannen +vloekten, toen de sleebellen klonken en de zweepen klapten en alles +rumoer en verwarring was, werden de mannen, die de Majoorske bewaakten, +wonderlijk te moede. + +"Wat is er te doen?" dachten ze; "waarom schreeuwen ze zoo?" + +Op eens wordt de deur opengetrokken, en een stem roept: "Zij is +weg! Nu rijdt hij met haar weg!" + +En zij springen op en vliegen als dwazen voort zonder te zien of het +de Majoorske of iemand anders is, die weg is. En ze treffen 't goed, +want ze krijgen een slee, en zij rijden ver weg en lang, eer ze te +weten komen wie ze eigenlijk vervolgen. + +En kapitein Bergh en Kristofer gaan op hun gemak naar de deur, steken +kalm het slot open en doen de deur open. + +"De Majoorske is vrij," zeggen zij. + +Zij komt naar buiten. Zij staan stokstijf elk aan een kant van de +deur en zien haar niet aan. + +Buiten wacht slede en paard. + +Zij gaat naar buiten, zet zich in de slee en rijdt weg. Háár vervolgde +niemand, en niemand weet ook waar zij heen rijdt. + +Don Juan draaft den Brobyheuvel af, naar het toegevroren meer. Het +fiere dier vliegt over den weg. Versterkend giert de ijskoude wind +om de wangen van den rijdenden. De bellen klinken. Maan en sterren +schijnen blauwachtig, wit ligt de sneeuw in 't rond en glanst en +schittert. + +Gösta voelt poëtische gedachten in zich ontwaken. "Beerencreutz," zegt +hij, "dit is leven! Zooals Don Juan met die jonge vrouw voortrent, +zoo sleept de tijd de menschen meê. Jij bent de noodzakelijkheid, die +den rit bestuurt. Ik ben de begeerte, die den wil gevangen houdt. En +zoo wordt de machtelooze dieper en dieper omlaag getrokken." + +"Houd je mond toch!" schreeuwt Beerencreutz; "nu halen ze ons haast +in." En met zwiepende zweepslagen hitst hij Don Juan aan tot aanhoudend +sneller vaart. + +"Zij zijn de wolven, wij zijn de buit!" roept Gösta. "Don Juan, +mijn jongen, verbeeld je, dat je een jonge eland bent. Stuif door 't +kreupelhout, waad door het moeras, spring van de rotsen in het heldere +meer, zwem er over, den kop fier omhoog, en verdwijn in de reddende +duisternis van het dennenwoud. Draaf, Don Juan, oude vrouwenroover, +draaf als een jonge eland!" + +Zijn woest hart zwelt van blijdschap onder dien dollen rit. De kreten +der vervolgers zijn als een juichlied voor hem. Zijn woest hart zwelt +van blijdschap, als hij merkt, dat de gravin beeft van schrik, zoodat +haar tanden klapperen. + +Plotseling laat zijn ijzeren vuist haar los, hij staat op in de slee +en zwaait met zijn muts. + +"Ik ben Gösta Berling!" roept hij. "Heer van tienduizend kussen en +dertienduizend liefdesbrieven. Hoera voor Gösta Berling! Pak hem als +je kunt!" + +'t Volgend oogenblik fluistert hij de gravin in: "Is dit niet een +heerlijke rit? Achter 't meer Löfven ligt 't Weenermeer. Daarachter +de zee! Overal oneindige, heldere, blauwgrijze ijsvlakten! Rollende +donder, krakend ijs, geroep en geschreeuw achter ons, vallende sterren +in de lucht, klinkende bellen vóór ons! Altijd voort! Hebt u lust de +reis te wagen, lieve, jonge mevrouw?" + +Hij laat haar los. Zij stoot hem heftig terug. + +Een oogenblik later ligt hij op de knieën aan haar voeten. + +"Ik ben een ellendeling, een ellendeling. U hadt mij niet +moeten tergen. U stond daar zoo fier en hoog, en meende, dat een +kavaliersvuist u nooit bereiken kon. U heeft aarde en hemel lief. U +hadt geen steenen moeten toevoegen aan den last, dien hij, die door +aarde en hemel veracht wordt, dragen moet!" + +Hij grijpt haar handen en brengt ze aan zijn gezicht. + +"Als u wist wat het is, te weten dat men een uitvaagsel is!" zegt +hij. "Dan geef je er niet meer om, wat je doet,--'t kan je niet +meer schelen." + +Daar voelt hij, dat ze geen handschoenen aan heeft. Hij trekt een paar +groote ruige wanten uit den zak en doet ze haar aan. En nu is hij +opeens heelemaal kalm en zet zich in de slee neer, zoo ver mogelijk +van de jonge gravin. + +"U hoeft niet bang te zijn," zegt hij. "Ziet u niet waar we +heenrijden? U kunt toch wel begrijpen, dat wij u geen kwaad durven +doen." + +Zij is bijna bewusteloos geweest van schrik; maar nu ziet zij, dat zij +'t meer al over zijn gereden en dat Don Juan nu den steilen heuvel +opklautert naar Borg. Zij laten het paard stilhouden bij de stoep +van 't hoofdgebouw en laten de jonge gravin uitstappen voor haar +eigen huis. + +En toen zij zich door haar dienstboden omringd ziet, die naar buiten +komen loopen, krijgt zij haar moed en tegenwoordigheid van geest terug. + +"Wil je voor het paard zorgen, Anderson," zegt zij tegen den +koetsier. "Deze heeren, die mij naar huis gereden hebben, zijn +zeker wel zoo vriendelijk even mee naar binnen te gaan. De graaf +komt dadelijk." + +"Zooals u wenscht," antwoordt Gösta en stapt dadelijk uit de +slee. Beerencreutz werpt de leidsels weg, zonder zich een oogenblik +te bedenken. Maar de jonge gravin gaat vooruit en leidt hen met slecht +verborgen leedvermaak in de groote zaal. + +Zij had stellig gedacht, dat de kavaliers zich tweemaal zouden +bedenken, eer zij haar voorstel, om haar man af te wachten, +aannamen. Zij wisten dus niet welk een streng en rechtvaardig man +hij was. Zij vreesden niet voor de straf, die hij hun zou opleggen, +omdat zij haar met geweld aangegrepen hadden en haar gedwongen met +hen te rijden. + +Zij wilde hem hun hooren verbieden ooit weer hun voeten in haar huis +te zetten. Zij wilde hem de bedienden zien roepen en de kavaliers +aanwijzen als mannen, die zij nooit meer binnen de poorten van Borg +mochten laten komen. Zij wilde hem zijn verachting hooren uitspreken, +niet alleen voor wat zij haar gedaan hadden, maar ook voor hun gedrag +tegenover de Majoorske, hun weldoenster. + +Ja, hij, die voor haar louter teerheid en oplettendheid was, hij zou +in regelmatige toorn opstaan tegen haar vervolgers. De liefde zou +zijn woorden gloed geven. Hij, die haar beschutte en omringde als een +wezen van hooger orde, hij zou niet verdragen, dat ruwe mannen op haar +aanvielen en haar aangrepen als een roofvogel een muschje. Heel die +kleine vrouw gloeide van wraakzucht, van 't hoofd tot de voeten. Haar +man zou haar helpen en de donkere schaduwen verdrijven. + +De overste Beerencreutz, met den dikken witten snor ging toch +onvervaard de eetzaal binnen en stapte naar den haard, waar altijd +vuur moest branden, als de gravin van een bal naar huis kwam. + +Gösta bleef in het donker bij de deur en zag zwijgend naar de gravin, +terwijl een bediende haar goed afdeed. En terwijl hij daar zat en die +jonge vrouw aanzag, werd hij zóó tevreden, als hij in vele jaren niet +geweest was. Het werd hem helder; het was hem als een openbaring, +dat in haar binnenste een leliereine ziel woonde. + +Lang had die gebonden en sluimerend gelegen, maar nu zou die wel +voor den dag komen. Hij was zoo gelukkig, doordat hij alle reinheid +en vroomheid en onschuld ontdekt had, die in haar hart woonden. Hij +moest bijna om haar lachen, omdat ze zoo boos keek en daar stond met +gloeiende wangen en gefronste wenkbrauwen. + +"Ze weet het zelf niet, hoe zacht en goed ze is," dacht hij. + +De zijde van haar natuur, die naar buiten gekeerd was, zou nooit haar +inwendig ik geheel tot zijn recht laten komen, dacht hij. Maar Gösta +Berling moest haar van dat oogenblik dienen, zooals men al wat schoon +en verheven is dienen moet. Ja, het was hem onmogelijk er berouw over +te hebben, dat hij zoo pas nog zoo ruw tegen haar gedaan had. Als +zij niet zoo bang geweest was, als zij hem niet zoo heftig van zich +gestooten had, als hij niet gevoeld had hoe heel haar ziel in opstand +gekomen was tegen zijn ruwheid, dan was hij nooit te weten gekomen +welk een fijne, edele ziel er in haar woonde. + +Hij had geen reden gehad dat vroeger te gelooven. + +Zij was immers louter danslust en vroolijkheid geweest. En dan had +zij immers dien dommen graaf Henrik kunnen trouwen! + +Maar nu zou hij haar slaaf zijn tot zijn dood. Haar hond en haar +slaaf,--zooals Kaptein Kristiaan zei,--en anders niet. + +Hij zat daar bij de deur, Gösta Berling, met gevouwen handen, en hield +een soort van eeredienst. Sedert dien dag, dat hij de vlammen der +inspiratie over zich had voelen komen, had hij niet zulk een hoogtij +in zijn ziel gevoeld. Hij liet zich niet storen, hoewel graaf Dohna +met een massa menschen binnen kwam, die vloekten en raasden over de +duizend dolle streken van de kavaliers. + +Hij liet Beerencreutz den storm afwachten. Hij had wel wat anders om +over na te denken. + +De overste stond kalm aan den haard, met den voet op het hekje er +voor, den elleboog op de knie gesteund en de kin op de hand, en zag +de binnenstormenden aan. + +"Wat moet dat beteekenen?" schreeuwde de kleine graaf hem toe. + +"Dat beteekent," antwoordde hij, "dat, zoo lang er vrouwen zijn, +men ook dwazen vindt, die naar hun pijpen dansen." + +De jonge graaf werd vuurrood. "Ik vraag wat dat beduidt?" herhaalde +hij. + +"Ja, dat zou ik ook wel willen weten," spotte Beerencreutz. "Mag ik +weten wat het beteekent, dat de vrouw van Henrik Dohna niet met Gösta +Berling dansen wil?" + +De graaf zag zijn echtgenoote vragend aan. + +"Ik kon niet, Henrik," barstte zij uit. "Ik kon niet met hem dansen, +noch met een van de anderen. Ik dacht aan de Majoorske, die zij in +de gevangenis lieten versmachten." + +De kleine graaf richtte fier zijn stijf lijfje op en hief zijn +oudemannetjeshoofd zoo hoog mogelijk. + +"Wij, kavaliers," ging Beerencreutz voort, "staan niemand toe ons te +hoonen. Wie niet met ons dansen wil, moet met ons rijden. Er is de +jonge gravin niets kwaads gebeurd, en daarmee is 't uit." + +"Neen," zei de graaf, "daarmee is 't niet uit. Ik ben aansprakelijk +voor de handelingen van mijn vrouw. Nu vraag ik waarom Gösta Berling +zich niet tot mij wendde om voldoening, toen mijn vrouw hem beleedigd +had." + +Beerencreutz glimlachte. "Ik vraag," herhaalde de graaf. + +"Men vraagt den vos geen permissie om hem te villen," antwoordde +de overste. + +De graaf legde de hand op de smalle borst. + +"Ik heb den naam, dat ik een rechtvaardig man ben," zei hij. "Ik +kan mijn dienstboden richten. Waarom zou ik geen gericht over mijn +vrouw kunnen houden? De kavaliers hebben daar geen recht toe. De +straf, die zij haar gegeven hebben, hef ik op. Die heeft niet plaats +gehad. Begrijpt gij, heeren? Die heeft nooit plaats gehad." + +De graaf kraaide die woorden uit in zijn hoogste falset. + +Beerencreutz wierp een snellen blik om zich heen. Er was niet éen +der aanwezigen: Sintram en Daniël Bender en Dahlberg of wie dan ook, +die niet inwendig lachte, omdat hij zoo den gek stak met den dommen +Henrik Dohna. + +De jonge gravin begreep het niet direct. Wat zou voor niets gerekend +worden? Haar angst, de kavaliers, die ruw haar fijn lichaam aangegrepen +hadden, dat woeste zingen, de ruwe woorden, de wilde kussen--moest +dat alles niets? Was er van dezen avond niets, waar de grauwe godin +van de schemering geen macht over had? + +"Maar, Henrik...." + +"Zwijg," antwoordde hij. En hij zette zich in postuur om een +straf-predikatie tegen haar te houden. "Wee u, dat gij, een vrouw, +u tot rechter wildet verheffen over mannen. Wee u, dat gij, die +mijn echtgenoote zijt, het waagt iemand te beleedigen, wiens hand +ik druk. Wat gaat het u aan, dat de kavaliers de Majoorske in de +gevangenis hebben gezet? Hadden zij geen gelijk? Gij zult nooit +begrijpen hoe het een man in de ziel grijpt te hooren spreken over +ontrouw van vrouwen. Wilt ge soms zelf den boozen weg opgaan dat ge +zulk een vrouw verdedigt?" + +"Maar Henrik!".... + +Zij klaagde als een kind, en strekte de armen uit, als om de harde +woorden af te weren. Zóo was zij misschien nooit te voren toegesproken. + +Zij was zoo hulpeloos onder die harde mannen, en nu keerde zich haar +eenige verdediger tegen haar. Nooit meer zou haar hart de kracht +hebben de wereld licht te maken. + +"Maar Henrik! jij moest mij toch beschermen!" + +Gösta Berling werd nu uit zijn overpeinzingen wakker, nu het te laat +was. Hij wist niet wat hij doen moest. Hij meende het zoo goed met +haar. Maar hij durfde geen partij te kiezen tusschen man en vrouw. + +"Waar is Gösta Berling?" vroeg de graaf. + +"Hier," antwoordde Gösta. En hij deed een erbarmelijke poging over +alles heen te schertsen. "De graaf hield zeker een toespraak, en ik +ben in slaap gevallen. Wat zou de graaf er van zeggen, als wij nu +naar huis gingen, zoodat u naar bed kon gaan?" + +"Gösta Berling, daar mijn echtgenoote geweigerd heeft met u te dansen, +beveel ik, dat zij uwe hand zal kussen en u om vergeving vragen." + +"Mijn waarde graaf Henrik," zei Gösta, glimlachend, "dit is geen hand, +die 't een jonge vrouw past te kussen. Gisteren was ze rood van 't +bloed van een geschoten eland, morgen zal ze zwart van roet zijn na +een gevecht met een kolenbrander. De graaf heeft een edel en verheven +vonnis geveld. Dat is mij voldoening genoeg. Kom, Beerencreutz!" + +Maar de graaf versperde hem den weg. + +"Ga niet heen," zei hij. "Mijn vrouw moet mij gehoorzamen. Ik wil, +dat mijn echtgenoote zal weten wat er van komt, als zij eigenmachtig +handelt." + +Gösta bleef staan, niet wetend wat te doen. De gravin stond bleek +en onbeweegelijk. + +"Ga nu," zeide de graaf. + +"Ik kan niet, Henrik." + +"Je kunt wèl," antwoordde hij hard. "Je kunt. Maar ik weet wel +wat je wilt. Je wilt mij tot een tweegevecht met dien man dwingen, +omdat je in je grilligheid niet met hem op hebt. Goed, als jij hem +geen voldoening wilt geven, dan zal ik het doen. Vrouwen zien altijd +graag, dat mannen om hunnentwil gedood worden. Ik zal duelleeren, +mijn echtgenoote! Over eenige uren zal ik een bloedig lijk zijn." + +Zij zag hem lang aan. En zij zag hem toen zooals hij was: dom, laf, +opgeblazen van hoogmoed en ijdelheid--het erbarmelijkste mensch, +dat men zien kon. + +"Wees gerust," zei ze. En ze was ijskoud geworden. "Ik zal het doen." + +Maar nu werd Gösta Berling heftig bewogen. "Mevrouw de gravin mag +het niet doen! Neen, u mag niet! U is immers een kind, een zwak, +onschuldig kind, en u zoudt mijn hand kussen! U, die zoo'n mooie, +reine ziel hebt. Ik zal u nooit meer aanraken, o, nooit meer. Ik breng +dood en verderf over alles, wat goed en onschuldig is. U moogt me niet +aanraken. Ik ben bang voor u als 't vuur voor 't water; u mag niet!" + +En hij hield de handen op den rug. + +"'t Kan mij niet schelen," antwoordde zij. "Nu kan 't mij niet meer +schelen. Ik vraag u om vergeving. Ik verzoek u mij uw hand te laten +kussen." + +Maar Gösta hield steeds de handen op den rug. Hij liet zijn oogen +door de zaal gaan en ging naar de deur. + +"Als ge de voldoening niet aanneemt, die mijn vrouw u aanbiedt, +Gösta Berling, moet ik met u vechten en behalve dat haar een andere, +hardere straf opleggen." + +De gravin haalde de schouders op. "Hij weet immers geen raad van +angst," fluisterde zij. "Laat ik het nu doen. 't Doet er niet toe, +of ik vernederd word. U hebt dat immers zoo gewild." + +"Heb ik dat gewild? Gelooft u, dat ik dat gewild heb? Nu, als ik geen +handen meer heb, die u kussen kunt, zult u wel begrijpen dat ik dàt +niet gewild heb." + +Hij liep naar den haard en stak er beide handen in. De vlam sloeg +er om heen, de huid schrompelde, de nagels knetterden. Maar op 't +zelfde oogenblik greep Beerencreutz hem in den nek en slingerde hem +met kracht over den vloer. + +Hij tuimelde op een stoel en bleef daar zitten. En hij schaamde zich +bijna over zijn gedrag. Zou zij denken, dat het vertooning was? Zich +zoo aan te stellen in een kamer vol menschen moest wel een dwaze +vertooning lijken. Er was immers volstrekt geen gevaar bij. + +Maar eer hij van de stoel was opgestaan, lag de gravin naast hem op +de knieën. Zij greep de roode, met roet bezoedelde handen en bekeek ze. + +"Ik zal ze kussen," barstte zij uit, "ze kussen, zoodra ze niet meer +te ziek en pijnlijk zijn." En groote tranen rolden haar over de wangen, +toen zij de blaren onder de geblakerde huid zag opkomen. + +Zoo werd hij voor haar als een openbaring van een ongekende +heerlijkheid. O, dat zóó iets nog op de wereld gebeuren kon, dat men +zóó iets om harentwille kon doen! Wat was hij toch voor een man! Tot +alles in staat, geweldig in goed en kwaad, de man van groote daden, +van sterke woorden, van schitterende dingen. Een held, een held! Van +andere stof gemaakt dan de anderen. De slaaf van een luim, van den lust +van het oogenblik, woest en verschrikkelijk, maar met een ontembare +kracht, voor niets ter wereld vervaard. + +Zij had zich den heelen avond gedrukt gevoeld en niets anders dan +smart, wreedheid en lafheid gezien. Nu was dat alles vergeten. De +jonge gravin was weer blij, dat zij een mensch was. De godin van de +schemering was overwonnen. De jonge gravin zag weer licht en kleuren +in de wereld. + + + +Toen de gravin kort daarna hoorde, dat de Majoorske bevrijd was, +gaf zij een groot feest voor de kavaliers. Van dien tijd af begon de +lange vriendschap tusschen haar en Gösta Berling. + + + + + + + +X. + +SPOOKHISTORIES. + + +O gij kinderen van dezen tijd. Ik heb u niets nieuws te vertellen, +alleen oude, half vergeten verhalen. Sprookjes uit de kinderkamer, waar +de kleintjes op lage bankjes zaten om de grijze sprookjesvertelster, +of van 't vuur in de hut, waar de knechts en de daglooners zaten te +praten, terwijl de damp uit hun natte kleeren sloeg en ze 't mes uit +de lederen schede trokken om de boter op hun dikke, zachte sneê brood +te smeren; of uit de zalen waar de oude heeren in schommelstoelen +zaten en over den ouden tijd spraken bij hun dampende toddy. + +Stond dan een kind, dat naar de sprookjesvertelster geluisterd had, +of naar de daglooners, of naar de oude heeren 's wintersavonds voor +'t venster, dan waren 't geen wolken, die het aan den horizont zag, +maar de kavaliers, die daar voort joegen in hun oude kariolen; de +sterren waren kaarsen, die in de oude gravenburcht op Borg brandden +en bij 't spinnewiel, dat in de kamer naast hem snorde, zat de oude +Ulrika Dillner. Want 't hoofd van zoo'n kind zat vol menschen uit +den ouden tijd en het dweepte met hen en was met hen vervuld. + +Maar werd zulk een kind, waarvan de ziel met sprookjes verzadigd +was, over den donkren zolder naar 't provisiekamertje gestuurd om +linnen of beschuiten te halen, dan vlogen zijn voetjes voort, dan +ging 't in vliegende vaart de trappen af, de vestibule door naar de +keuken. Want boven in 't donker had 't kind aan alle oude verhalen +gedacht, die het gehoord had van den boozen grondeigenaar op Fors, +van hem, die zijn ziel aan den duivel verkocht had. + +Het stof van den boozen Sintram rust al sinds lang op het kerkhof te +Svartsjö, maar niemand moet gelooven, dat zijn ziel rust vond in God, +zooals op den grafsteen staat. + +Terwijl hij leefde, hoorde hij tot de menschen, voor wier huis op lange +regenachtige Zondagmiddagen gewoonlijk een zware koets stilhield, met +zwarte paarden bespannen. Een elegant, in 't zwart gekleed heer stapt +uit den wagen en helpt den heer des huizes met kaart en dobbelspel de +langzaam voortkruipende uren verdrijven, die hem door hun eentonigheid +wanhopend maakten, 't Spel duurt tot na middernacht en als de vreemde +tegen de morgenschemering vertrekt, laat hij gewoonlijk een of ander +onheilspellend afscheidscadeau achter. + +Ja, zoolang Sintram leefde, werd zijn komst door geesten +aangekondigd. Voor hem uit gaan ze, hun wagen rolt de plaats op, hun +zweep knalt, hun stem hoort men op de stoep, de huisdeur gaat open +en dicht. De honden en menschen worden door 't gedruisch gewekt; maar +er komt niemand. 't Zijn de geesten, die Sintrams komst aankondigen. + +Brr! die vreeselijke menschen, die door booze geesten bezocht +worden. Wat zou dat toch wel voor een groote hond geweest zijn, die +zich in Sintrams tijd op Fors vertoonde. Hij had verschrikkelijke, +vonkelende oogen en een lange vuurroode tong, die van uit den gapenden +muil hing. Op een dag, juist toen de knechts in de keuken waren om te +eten, had hij aan de keukendeur gekrabd en alle dienstmeisjes hadden +gegild van schrik. Maar de grootste en sterkste van de knechts had een +vlammend stuk hout uit 't vuur genomen, de keukendeur opengerukt en +'t brandend hout in den bek van den hond geslingerd. Die was met een +vervaarlijk gehuil gevlucht. Vuur en rook was uit zijn muil gekomen, +vonken spatten om hem heen en zijn voetspoor op den weg glom als +vuur. En was 't ook niet verschrikkelijk, hoe het toeging als de +grondeigenaar op reis ging?--Hij reed uit met paarden; maar als hij +laat in den nacht thuiskwam, had hij altijd zwarte stieren voor den +wagen. De menschen, die aan den straatweg woonden, konden de groote +zwarte horens tegen den nachthemel duidelijk onderscheiden, als hij +voorbij reed. Ze hoorden de dieren loeien en zagen met ontzetting +de strepen vonken, die hun hoeven en de wielen van den wagen uit +'t dorre gras sloegen. + +Ja de kleine voetjes moeten zich wel haasten over den grooten donkren +zolder. Stel u eens voor, dat er eens iets verschrikkelijks--b. v. hij, +wiens naam men niet noemen mag, uit dien donkren hoek daar te +voorschijn kwam. Wie was veilig voor hem? Hij verscheen niet alleen +voor de boozen. Had niet Ulrika Dillner hem gezien? Zij en Anna +Stjärnhök konden vertellen hoe ze hem gezien hadden. + + + +Vrienden, menschenkindren! Gij die danst en lacht. Ik bid u, ik smeek +u, danst voorzichtig, lacht zachtjes, want er wordt zooveel onheil +gesticht, als uw dunne zijden schoentjes op menschenharten treden, +en uw zilveren lach kan zielen tot vertwijfeling brengen. + +'t Was zeker omdat de voeten der jongeren te hard op 't hart van de +oude Ulrika getreden hadden, en 't lachen der jongeren te overmoedig +in haar ooren had geklonken, dat er plotseling een onweerstaanbaar +verlangen naar den naam en de waardigheid van een getrouwde vrouw +over haar kwam. Zij zei eindelijk: Ja! tegen den boozen Sintram, die +haar al vaak ten huwelijk had gevraagd en volgde hem naar Fors als +zijn vrouw. Zoo werd ze gescheiden van de oude vrienden op Berga, +de oude, haar liefgeworden bezigheden en de oude zorgen voor 't +dagelijksch brood. + +Het huwelijk ging hals over kop. Sintram kreeg met kerstmis het jawoord +en zij vierden bruiloft in Februari. Anna Stjärnhök woonde nu in 't +huis van kapitein Uggla. Zij was een uitstekende plaatsvervangster +voor de oude Ulrika, dus deze kon zonder gewetensbezwaar heengaan en +den titel van Mevrouw veroveren. + +Zonder gewetensbezwaar, ja! maar niet zonder spijt. Ze was niet op +een goede plaats gekomen. De groote leege kamers waren vol griezelige +dingen. Zoodra 't donker werd, begon ze te trillen van angst. Ze +verging van heimwee. + +De lange zondagmiddagen waren het ergste. Ze waren eindeloos, en +eindeloos waren ook de bittere gedachten, die dan voortkropen door +haar hersens. + +Op een zondag, dat Sintram niet thuis gekomen was uit de kerk, +ging zij in de groote zaal en zette zich voor de piano. Die was haar +laatste troost. De piano met een fluitspeler en een herderinnetje op +de witte klep geschilderd, was haar eigendom, een erfstuk van haar +ouders. Aan die piano klaagde ze haar nood, die begreep haar. + +Maar weet ge wat ze speelt? Niets dan een polka! En dat zij, die zoo +bitter bedroefd is. + +Ach, zij kan niet anders spelen! Eer haar vingers gekromd werden om +den potlepel en 't voorsnijmes, had ze die éene polka geleerd. Die +zit haar nog in de vingers, maar ze kan niets anders spelen--geen +treurmarsch, geen hartstochtelijke sonate, niet eens een weemoedig +volksliedje, alleen een polka. + +Die speelt ze zoo vaak ze haar oude piano iets toevertrouwen wil. Die +speelt ze als ze lacht en schreit; toen ze haar bruiloft vierde, +speelde ze die en toen ze voor 't eerst in haar eigen woning kwam. En +die speelt ze ook nu. + +De oude snaren begrijpen haar wel. Ze is ongelukkig, diep ongelukkig. + +Een wandelaar, die voorbij kwam en die tonen hoorde, zou denken, +dat de booze grondeigenaar een bal gaf aan zijn buren en vrienden, +zoo vroolijk klinkt de polka. 't Is een fleurige, vroolijke +melodie. Daarmee speelde ze den honger weg op Berga. + +Als die klonk, moesten alle dansen. + +Dan sprong de band, die de jicht om de gewrichten gelegd had en +tachtigjarige heeren werden naar den dansvloer gelokt. De heele wereld +kreeg lust te dansen bij die polka, zóó vroolijk klonk ze--maar de +oude Ulrika schreit. + +Ze heeft onwillige bedienden om zich heen en nijdige dieren. Ze +verlangt zoo naar een vriendelijk gezicht, naar een lachenden mond. Dat +smartelijk verlangen moet de polka weêrgeven. + +De menschen kunnen maar niet onthouden, dat ze Mevrouw Sintram +is. Ze noemen haar allemaal juffrouw Dillner. En haar berouw over +de ijdelheid, die haar verlokte den titel van Mevrouw na te jagen, +wil ze uiten in de polka. + +De oude Ulrika speelt alsof ze de snaren wil stukspelen. Er is zooveel +dat ze verdooven wil; 't gejammer van verarmde boeren, de vloeken +van afgebeulde arbeiders, 't hoonlachen van onwillige bedienden en +dan allermeest de schande! De schande, dat ze de vrouw is van een +slechten man. + +Bij die tonen heeft Gösta Berling de gravin Dohna ten dans +gevoerd. Marianne Sinclaire en haar aanbidders dansten er op. En de +Majoorske van Ekeby heeft er zich bij op de maat bewogen, toen de +mooie Altring nog leefde. Zij ziet ze voorbij zweven, paar aan paar, +jong en schoon. Een stroom van vroolijkheid ging uit van haar naar +hen, van hen naar haar. Haar polka deed hun wangen gloeien, hun oogen +stralen. Nu is zij van dat alles gescheiden! Laat de polka klinken, +er zijn zooveel, ach! zóóveel herinneringen te verdooven. + +Ze speelt om haar angst te dempen. Haar hart krimpt ineen van angst +als ze den zwarten hond ziet, als ze de bediende hoort fluisteren +over de zwarte stieren. Ze speelt de polka aldoor weer van voren af +aan om haar angst te dempen. + +Daar merkt ze, dat haar man is thuisgekomen. Ze hoort hoe hij de kamer +inkomt en in den schommelstoel gaat zitten. Ze kent het krakend geluid +van den stoel zoo goed, dat ze niet eens omkijkt. + +En terwijl ze speelt, hoort ze den schommelstoel krakend heen en weer +gaan. Nu hoort ze haar eigen spelen al niet meer--alleen het kraken. + +Arme, oude Ulrika, gepijnigd, eenzaam, hulpeloos, als zwervend in +een vijandelijk land, zonder een vriend om haar nood aan te klagen, +zonder andere troost dan een rammelende oude piano, die haar antwoordt +met een polka. Is het niet als een schaterlach op een begrafenis, +als een drinklied in een kerk? + +Maar terwijl de schommelstoel maar altijd door blijft kraken, hoort ze +plotseling een geluid alsof de piano met haar klachten spot. Ze houdt +op, midden in een maat.... Ze staat op en kijkt naar den schommelstoel. + +En in 't volgend oogenblik ligt ze bewusteloos op den grond. Want +'t was haar man niet, die daar zat; maar een ander. Hij, wiens naam +de kindren niet mogen noemen, hij, die ze dood zou doen schrikken, +als ze hem op den eenzamen zolder tegenkwamen. + + + +Zou hij, wiens ziel met sprookjes gevuld werd, wel ooit zich aan hun +macht kunnen ontworstelen? + +Buiten huilt de nachtwind. Een ficus en een oleander slaan tegen +'t hek van 't balkon met hun stijve bladen. + +De hemel welft zich duister over de lange rijen bergen en ik, die hier +alleen zit in den nacht en schrijf bij 't lamplicht, met opgetrokken +gordijnen; ik die nu oud ben en wijs moest zijn, ik voel dezelfde +rilling langs mijn rug, als toen ik deze geschiedenis voor 't eerst +hoorde, en ik moet telkens van mijn werk opzien om te kijken of zich +iemand daar in den hoek verbergt, en ik moet naar buiten op 't balkon +om te zien, of niet een groot zwart hoofd over 't hek kijkt. Die +ontzetting, die de oude verhalen wekken, als de nacht donker en de +eenzaamheid groot is, verlaat me nooit en beheerscht me eindelijk zoo +geheel, dat ik naar bed moet gaan en de dekens over mijn hoofd trekken. + +Als kind was ik er altijd verbaasd over, dat Ulrika Dillner dien +middag overleefde. Ik had het zeker niet gedaan. + +'t Was een geluk, dat Anna Stjärnhök kort daarna naar Fors kwam +rijden, dat ze haar op den grond in de zaal vond liggen en haar weer +bijbracht. Met mij zou dat zeker niet zoo gegaan zijn. Ik zou al lang +dood geweest zijn. + +Ik hoop voor u allen, lieve vrienden, dat ge geen tranen in de oogen +der ouden moogt zien. Dat ge niet radeloos zult staan bij een oude +van dagen, die 't grijze hoofd tegen uw borst leunt om daar steun +te vinden of de oude handen om de uwe vouwt. Dat ge geen oude lieden +moogt zien, die gebogen gaan onder leed, dat gij niet kunt verlichten. + +Wat zijn de klachten der jongen! Zij hebben nog kracht en hoop. Maar +hoe ellendig is 't niet de ouden te zien schreien, als zij, die u +steunden in uw jonge jaren, neerzinken en machteloos jammeren. + +Daar zat Anna Stjärnhök naar de oude Ulrika te luisteren en zag geen +uitkomst voor haar. De oude vrouw schreide en beefde. Haar oogen +stonden verwilderd, ze sprak soms zoo verward, alsof ze niet meer +wist, waar ze was. De duizend rimpels, in haar gezicht waren éens +zoo diep als gewoonlijk. Haar krullen, die over de oogen hingen, +waren door haar tranen uit de krul gegaan en haar geheele magere +gestalte schokte van 't snikken. + +Eindelijk neemt Anna het besluit aan die ellende een eind te maken. Zij +zal haar meê naar Berga nemen. Wel was zij de vrouw van Sintram; +maar op Borg kon ze niet blijven. Ze zou nog krankzinnig worden, als +ze bij dien boozen man bleef. Anna besloot de oude Ulrika mee te nemen. + +Ach, de oude was zoo verschrikt en zoo blij door dat besluit. Maar +zij durfde waarlijk niet zoo haar huis en haar man te verlaten. Hij +was in staat den grooten zwarten hond op haar af te sturen. + +Maar Anna Stjärnhök overwon haar tegenstand, half met scherts en half +met dreigementen en eer er een half uur voorbij was, had ze haar bij +zich in de slee. + +Anna reed zelf en 't was de oude Disa, die voor de slee liep. De weg +was slecht, want 't was in Maart; maar 't deed de oude Ulrika goed +weer in de oude, welbekende slee te zitten, met het oude paard er +voor, dat al zooveel jaren een oude getrouwe op Berga geweest was, +juist als zij zelf. + +Daar ze van aard opgeruimd en moedig was, de oude sloof, hield ze met +schreien op toen ze voorbij Arvidstorp waren, bij Högbro lachte ze +weer en toen ze voorbij Munkeby reden, was ze aan 't vertellen van +haar jeugd, toen ze bij de gravin op Svaneholm was. + +Ze reden nu door de eenzame, verlaten streken ten noorden van Munkeby +op een heuvelachtigen, steenachtigen weg. De weg sleepte zich voort +over alle heuvels, die hij bereiken kon, kroop ze langzaam op in groote +bochten, viel ze halsoverkop weer af en haastte zich dan rechtuit door +'t dal om zoo gauw mogelijk weer een nieuwen heuvel te vinden om bij +op te klauteren. + +Ze reden juist de Vestratorpsheuvel af toen de oude Ulrika plotseling +zweeg, en Anna in den arm kneep. Zij staarde naar een grooten, +zwarten hond aan den kant van den weg. + +"Kijk eens," fluisterde ze. + +De hond stoof het bosch in. Anna had hem niet goed gezien. + +"Rijd voort," zei de oude Ulrika, "rijd zoo hard je kunt. Nu komt +Sintram te weten, dat ik hier ben." + +Anna probeerde haar angst weg te schertsen, maar ze hield vol. + +"Je zult zien, nu hooren we zijn bellen gauw, we hooren ze, eer we +op den volgenden heuvel zijn." + +En terwijl de oude Disa op den top van den Elofsheuvel even uitblies, +hoorde men 't geluid van bellen beneden uit het dal komen. + +Nu werd de arme Ulrika weer radeloos van angst. Ze jammerde en +schreide, zooals kort geleden in de zaal op Fors. Anna wilde Disa +aanzetten, maar die keerde alleen de kop om en keek haar verbaasd +aan. Meende ze, dat Disa niet wist, wanneer ze draven of stapvoets +rijden moest? Wou ze haar soms leeren, hoe ze een slee moest trekken, +haar, die al twintig jaar lang elken steen, elke brug, elken heuvel +en helling hier in den omtrek kende? + +Intusschen klonken de bellen steeds dichterbij. + +"Daar is hij, daar is hij. Ik ken zijn bellen wel," jammerde de +oude Ulrika. + +'t Geluid kwam steeds nader. Nu en dan klonk 't zoo onnatuurlijk +sterk, dat Anna omkeek om te zien of 't paard van Sintram de kop ook +in haar slee stak, dan weer stierf het weg. 't Is of alleen de bellen +hen vervolgen. + +'t Is als wanneer men 's nachts van een feest naar huis rijdt. Bellen +klinken in melodieën, ze spreken, ze zingen, ze antwoorden, 't Woud +weerklinkt van hun gerinkel. Anna verlangt er bijna naar, dat hun +vervolgers zoo nabij komen, dat ze Sintram zelf en zijn rood paard +zien kon. Ze huiverde van dat ontzettende bellengerinkel. Ze is niet +bang, ze is 't nooit geweest, maar die bellen vindt ze vreeselijk, +ze martelen haar. + +"Die bellen doen me pijn," zegt ze. En dadelijk vangen de bellen de +woorden op. "Doen pijn," zingen ze; "doen pijn, pijn, pijn! doen pijn, +pijn, pijn!" klinkt het op alle mogelijke melodieën. 't Was nog niet +lang geleden, dat ze dezen zelfden weg reed, door wolven vervolgd. Ze +had in 't donker hun witte tanden in de open muil zien blinken; ze +had gedacht, dat de wilde dieren van 't woud haar zouden verscheuren; +maar toen was ze niet bang geweest. En heerlijker nacht had ze nooit +beleefd. Schoon en sterk was 't paard geweest, dat hen voorttrok, +schoon en heerlijk de man, die de vreugde van 't avontuur met haar +deelde. + +Maar ach! dit oude paard, deze oude bevende reisgenoot. Ze voelt zich +zóó machteloos, dat ze wel had willen schreien. Ze kan niet weg komen +van die verschrikkelijke bellen, die haar nog krankzinnig zullen maken. + +Ze houdt stil en stapt uit de slee. Dit moet uit zijn! Waarom zal ze +vluchten, alsof ze bang was voor dien verachtelijken ellendeling. + +Eindelijk ziet ze een paardenkop uit de steeds toenemende schemering te +voorschijn komen, dan een paard en ten slotte een slee en daarin zit +Sintram. Maar ze let er niet op, dat ze niet over den weg komen. 't +Leek wel of ze voor haar oogen ontstonden, en uit het duister te +voorschijn komen, naarmate ze klaar gekomen zijn. + +Anna werpt de teugels aan Ulrika toe en gaat Sintram te gemoet. Hij +houdt zijn paard in. + +"Zie eens, wat treft dat mooi," zegt hij. "Lieve juffrouw Stjärnhök, +laat mij mijn reisgenoot naar uw slee overbrengen. Hij moet naar +Berga van avond, en ik moet gauw naar huis." + +"Waar is uw reisgenoot?" + +Sintram maakt het zeil van de slee los en laat Anna een man zien, die +slapend onder in de slee ligt. "Hij is een beetje dronken," zegt hij; +"maar wat zou dat? Hij blijft wel slapen. En 't is ook een goede +kennis van u, juffrouw Stjärnhök. 't Is Gösta Berling." + +Anna rilt. + +"Want dit moet ik u zeggen," gaat Sintram voort, "wie zijn geliefde +verlaat, verkoopt hem aan den duivel. Op die manier ben ik ook in zijn +klauwen gekomen. Men meent natuurlijk goed te doen. Zelfverloochening +is goed en liefhebben is uit den booze." + +"Wat meent u, mijnheer Sintram? waar spreekt u over?" vraagt Anna +diep geschokt. + +"Ik meen, dat u Gösta niet van u hadt moeten laten heengaan." + +"Dat was Gods wil." + +"Ja, natuurlijk. Zelfverloochening is goed en liefde uit den +booze. De goede God wil de menschen niet gelukkig zien. Hij zendt +hen zijn wolven achterna. Maar stel nu eens, dat het God niet was, +die 't deed, juffrouw Anna! Kon ik 't niet even goed geweest zijn, +die mijn grauwe lammetjes van Dovrefjeld haalde en ze den jongen +man en 't jonge meisje achterna zond? Als ik 't nu eens was, die de +wolven gestuurd had, omdat ik iemand, die mij behoorde, niet missen +wilde? Als God het nu eens niet gedaan had!" + +"Mijnheer Sintram," zegt Anna met zwakke stem, "u moet me daar niet +aan doen twijfelen, want dan ben ik verloren." + +"Zie nu eens hier," zegt Sintram en buigt zich over den slapenden +Gösta, "zie eens naar zijn pink. Dat wondje geneest nooit. Daar namen +wij bloed uit, waarmeê we 't contract onderteekenden. Hij behoort +mij. Er is groote kracht in bloed. Hij behoort mij. Alleen liefde +kan hem redden; maar als ik hem maar behouden mag, zal ik wel wat +van hem maken." + +Anna Stjärnhök verweert zich krachtig tegen de betoovering, die over +haar komt. 't Is immers onzin, pure onzin! Niemand kan zijn ziel +aan den Booze verkoopen. Maar ze heeft geen macht over haar eigen +gedachten. De schemering ligt zwaar op haar. 't Bosch staat daar zoo +donker en zwijgend. Ze kan zich niet los maken uit de verschrikkelijke +macht van dit oogenblik. + +"Meent u misschien, juffrouw Stjärnhök," gaat de grondeigenaar voort, +"dat er niet zoo veel meer aan hem te bederven valt? Geloof dat +niet. Heeft hij de boeren verdrukt? Is hij arme vrienden ontrouw +geworden? Heeft hij ooit valsch gespeeld? Is hij ooit de minnaar van +een getrouwde vrouw geweest? Juffrouw Anna?" + +"Ik geloof dat u de duivel zelf zijt, mijnheer Sintram." + +"Laat ons ruilen, juffrouw Anna. Neem Gösta Berling en word zijn +vrouw. Behoud hem en geef geld aan de familie op Berga. Ik sta hem u +af. U weet, dat hij mij toebehoort. Denk maar, dat het niet God was, +die de wolven uitzond dien nacht en ruil met mij?" + +"Wat wilt u in ruil hebben?" + +Sintram grijnsde. + +"Wat ik hebben wil? O, ik ben met weinig tevreden. Ik wil maar dat +oudje hebben, dat daar in uw slee zit, juffrouw Anna." + +"Satan, verzoeker!" roept Anna uit, "ga weg van mij. Zal ik een oude +vriendin, die op mij vertrouwt, ontrouw worden? Zal ik haar in uw +macht geven, opdat ge haar plagen kunt tot ze krankzinnig is?" + +"Stil, stil, wees kalm, juffrouw Anna. Denk er eens over. Hier is +een mooie jonge man en daar een versleten oude sloof. Een van hen +moet ik hebben. Wie wilt u me geven?" + +Anna lachte; een wanhopig, vertwijfeld lachen, "zullen we hier zielen +staan ruilen, mijnheer Sintram, zooals men paarden verruilt op de +markt van Broby?" + +"Ja juist.--Maar als juffrouw Anna wil, kunnen we 't ook van een +ander standpunt bezien. Uit dat van de eer der familie Stjärnhök." + +En hij roept met luider stem zijn vrouw, die in Anna's slee zit, +en tot onuitsprekelijken schrik van 't jonge meisje, gehoorzaamt ze +oogenblikkelijk, stapt uit de slee en komt bevend en rillend naar +hem toe. + +"Zie zoo, dat is nu eens een gehoorzame vrouw," zegt Sintram, "juffrouw +Anna kan 't niet helpen, dat ze komt, als haar man roept. Nu neem ik +Gösta uit mijn slee en leg hem hier neer. Ik verlaat hem voor altijd +juffrouw Anna. Nu kan, wie wil, hem meênemen." + +Hij buigt zich neer om Gösta op te tillen. Maar daar komt Anna vlak bij +hem, ziet hem doorborend aan en sist als een gemarteld dier: "In Gods +naam, man, rijd naar huis. Weet je niet wie er in den schommelstoel +op de zaal zit en op je wacht? Durf je hem te laten wachten?" + +'t Is voor Anna nog 't vreeslijkste van alles te zien, hoe die woorden +op den boozen man werken. Hij rukt aan de teugels, wendt zijn slee +en rijdt naar huis, terwijl hij 't paard aanzet met zweepslagen en +woest geschreeuw. De steile helling af met levensgevaar, terwijl +een lange streep vonken onder de wielen en de paardehoeven uitspat, +in de lichte Maartsche sneeuw. + +Anna Stjärnhök en Ulrika Dillner staan alleen op den weg; maar ze +spreken geen woord. Ulrika rilt voor Anna's blik, en Anna heeft de arme +stumper, voor wie ze haar geliefde geofferd heeft, niets te zeggen. + +Zij had kunnen schreien en tieren, zich op den grond kunnen werpen, +sneeuw en zand op haar hoofd strooien. Vroeger had ze 't lieflijke +der zelfverloochening gevoeld, nu smaakte ze er al de bitterheid +van. Wat was het offer van haar liefde tegenover het offer van den +geliefde zelf?-- + +Zij reden zwijgend naar Berga, maar toen ze daar aankwamen en de +deur van de kamer openging, viel Anna Stjärnhök flauw,--voor 't eerst +en voor 't laatst van haar leven. Want daar binnen zaten Sintram en +Gösta rustig te praten. 't Blaadje met toddy stond al voor hen. Ze +waren er al minstens een uur. + +Anna Stjärnhök viel flauw, maar de oude Ulrika bleef rustig staan. Zij +had wel gemerkt, dat 't niet in den haak was met hem daar op den weg. + +Later kwamen de kapitein en zijn vrouw met den grondeigenaar overeen, +dat de oude Ulrika op Berga zou blijven. + +Hij wilde haar werkelijk niet krankzinnig maken, zei hij. + + + +Gij kindren van dezen tijd. Ik verlang immers niet, dat iemand deze +oude verhalen gelooven zal. 't Zijn immers louter verzinsels en +leugens! Maar 't berouw, dat de harten heen en weer slingert tot ze +jammeren als de planken van Sintrams zaal onder den schommelstoel, en +de twijfel, die voor onze ooren zingt als de bellen voor Anna Stjärnhök +in 't eenzame woud.... wanneer worden zij tot verzinsels en leugens? + +Ach, konden ze dat maar worden! + + + + + + + +XI. + +DE GESCHIEDENIS VAN EBBA DOHNA. + + +Wacht u voor de fraaie landtong op den oostelijken oever van 't +Löfvenmeer, door de baai van weerskanten met vriendelijke golfjes +omsloten, voor de trotsche landtong, waar Borg ligt.--O wacht u wel +die te betreden! + +Nooit zag men 't Löfvenmeer mooier dan van hier uit. Niemand weet, +hoe schoon het meer van mijn droomen is, eer hij van de landtong +van Borg uit, de morgennevelen heeft zien wegglijden van zijn gladde +oppervlakte, eer hij van uit het venster van het blauwe kabinet, waar +zooveel herinneringen wonen, een bleek rooden zonsondergang zich heeft +zien spiegelen in het meer. Maar toch--ik zeg u: ga daar niet heen. + +Want misschien voelt ge den wensch in u opkomen, om in dien ouden +burcht te blijven en te wonen in die zalen vol rouw; misschien zult +ge eigenaar van dit prachtig plekje worden en er u met een jonge +vrouw vestigen. + +Neen--'t is beter de mooie landtong van Borg niet te zien; want op +Borg kan geen geluk wonen. Dit moet ge weten, hoe rijk, hoe gelukkig +ge ook zijt, gij die dit huis betrekt!--Op deze vloeren, met tranen +gedrenkt, zullen spoedig ook uw tranen vloeien, en deze wanden, +die allen klachten weerkaatsen, zullen ook uw zuchten hooren. + +Er drukt een noodlot op dit schoone landgoed. Het is, alsof het ongeluk +daar begraven is, maar in zijn graf geen rust kan vinden. Telkens +verrijst het weer tot schrik voor de levenden. Als ik Heer van Borg +was, dan zou ik de aarde doorzoeken, den steengrond in 't dennenbosch, +en de keldervloer in 't huis en de teelaarde op 't veld, tot ik 't +door de wormen verteerde lijk van de heks vond en ik zou haar een +gewijd graf geven op 't kerkhof te Svartsjö. En bij de begrafenis +zou ik niet zien op wat meer geld voor den klokkenluider; maar de +kerkklokken zouden lang en luid weerklinken en ik zou rijke giften +zenden aan den predikant en den koster, opdat ze met dubbele kracht +haar zouden inwijden in de eeuwige rust met lijkrede en gezang. + +En als dat niet hielp, dan zou ik in een stormachtigen nacht vuur +leggen aan de oude houten muren en de vlammen alles laten verwoesten, +zoodat geen menschen meer zouden verlokt worden om te gaan wonen in +dit onzalige huis. Niemand zou die vervloekte plaats meer betreden, +en alleen de zwarte kraaien in den kerktoren zouden een kolonie mogen +stichten in den grooten schoorsteen, die vol roet, akelig afstak over +de zwart verbrande massa. + +Maar ik zou mij zeker wonderlijk beklemd voelen, als ik de vlammen +boven 't dak zag uitslaan, als dikke rookwolken, rood van den vuurgloed +en vol vonken, heenrolden over 't oude goed. In 't knetteren en sissen +van 't vuur zou ik meenen de klachten der daklooze herinneringen te +hooren, en op de blauwe punten der vlammen zou ik meenen de verjaagde +geesten te zien zweven. Ik zou er aan denken, hoe de smart schoon +maakt, hoe het ongeluk glans verleent en ik zou schreien, alsof een +tempel voor oude goden opgericht tot ondergang gedoemd was. + +Maar zwijg toch, gij raaf, die door uw krassen ondergang +voorspelt. Wacht tot de nacht gekomen is, als ge met de uilen in 't +woud om 't hardst wilt huilen. Nog ligt Borg stralend in de zon op +de landtong door zijn parken van geweldige dennen beschut, en de met +sneeuw bedekte velden beneden schitteren in den heldren Maartschen +zonneschijn. Nog wordt binnen de muren 't vroolijke lachen van gravin +Elisabeth gehoord. + +'s Zondags gaat ze naar de kerk van Svartsjö, die dicht bij Borg ligt, +en noodigt daarna gasten om meê bij haar aan huis te gaan eten. De +rechter van Munkerud pleegt te komen en de kapitein van Berga en de +kapelaan en de booze Sintram. En als Gösta Berling over 't ijs naar +Svartsjö gekomen is, noodigt ze hem ook. Waarom zou ze Gösta Berling +niet noodigen? + +Ze weet immers niet, dat de laster er over begint te fluisteren, +dat Gösta Berling zoo dikwijls naar den overkant gaat om de gravin te +ontmoeten. Misschien komt hij ook wel om met Sintram te spelen en te +drinken; maar daar wordt niet over gesproken. Ieder weet, dat zijn +lichaam van ijzer is, maar met zijn hart is 't wat anders. Niemand +gelooft, dat hij een paar stralende oogen kan zien en licht haar, +dat krult om een blank voorhoofd, zonder verliefd te worden. + +De jonge gravin is vriendelijk voor hem. Daar is niets bijzonders +in; ze is vriendelijk voor iedereen. Ze neemt in lompen gekleede +bedelaarskinderen op schoot en als ze op den weg een armen stumper +voorbijrijdt, laat ze den koetsier ophouden en neemt den armen +voetganger in haar sleê op. + +Gösta zit graag in 't blauwe kabinet, waar men het prachtige uitzicht +naar 't noorden heeft over 't meer en leest haar verzen voor. Daar +kan toch geen kwaad in zijn. Hij vergeet niet, dat zij gravin en hij +maar een zwervend avonturier is en 't is goed voor hem om te gaan met +iemand, die hooger staat dan hij en heilig voor hem is. Hij kon 't even +goed in 't hoofd krijgen, verliefd te worden op de koningin van Saba, +wier portret in de kerk te Svartsjö hangt, dan op de jonge gravin. + +Hij wenscht niet anders dan haar te mogen dienen, zooals een page +zijn meester dient. Hij hoopt haar schaatsen aan te mogen binden, +garen voor haar op te houden en haar slee te besturen. Er kan geen +sprake van liefde zijn tusschen die twee; maar hij is juist de man +om zich gelukkig te voelen in romantisch, onschuldig gedweep. + +De jonge graaf is rustig en kalm en Gösta tintelt van vroolijkheid. Een +gezelschap als 't zijne is juist wat de jonge gravin wenscht. Niemand +die haar ziet kan denken, dat ze aan een ongeoorloofde liefde lijdt. Ze +denkt aan dans en vroolijkheid. Ze zou 't liefst hebben, dat de aarde +overal glad was zonder steenen, rotsen of meren, zoodat ze de wereld +door kon dansen. Op kleine, dunne schoentjes zou ze van de wieg tot +'t graf willen dansen. + +Maar de praatjes sparen de jonge vrouwen niet. + +Als deze gasten naar Borg komen en daar eten, gaan de heeren na tafel +gewoonlijk naar de kamer van den graaf, om te slapen of te rooken. En +de oude dames zinken neer in de leuningstoelen in de zaal en leunen +hun eerwaardige hoofden tegen de hooge leuningen, maar de gravin en +Anna Stjärnhök gaan naar het blauwe kabinet en doen elkaar eindelooze +vertrouwelijke mededeelingen. + +Daar zitten ze ook den zondag, nadat Anna Stjärnhök de oude Ulrika +Dillner naar Borg terug heeft gehaald. + +Niemand op de wereld is zoo ongelukkig als 't jonge meisje. Al haar +vroolijkheid is weg. Met haar fierheid, waarmee ze ieder die haar te +na komt, op een afstand hield, is 't gedaan. + +Alles wat er op dien rit van Fors naar Berga gebeurde ligt voor haar +bewustheid weer in 't halfdonker, waaruit het te voorschijn werd +getooverd. Geen enkle heldre indruk bleef er van over. + +Ja toch! Eén: + +"Als God het nu eens niet was, die 't gedaan had!" fluistert ze telkens +weer op nieuw. "Als nu de wolven eens niet door God gezonden waren." + +Ze begeert teekenen, ze vraagt wonderen! Ze bespiedt hemel en +aarde. Maar ze ziet niets. Geen vinger uit de wolken wijst haar den +weg. Geen rookwolk of vuurzuil zweeft voor haar uit. + +Zooals ze nu vlak tegenover de gravin zit in 't kleine blauwe kabinet, +valt haar oog op een bouquetje blauwe anemonen, die de gravin in de +hand heeft. En als een bliksemstraal treft het haar, dat ze weet waar +die anemonen gegroeid zijn, dat ze weet wie ze geplukt heeft. + +Ze behoeft het niet te vragen. Waar toch groeien hier in den omtrek +blauwe anemonen al in 't begin van April, behalve in 't berkenboschje +op Ekeby. + +En ze zit op die blauwe sterretjes te staren, die gelukkige bloemen, +die alle menschen liefhebben, die kleine profeten, die zelf schoon, +ook nog door den glans bestraald worden van de schoonheid die ze +aankondigen, die zeker komen zal. En terwijl ze naar hen zit te staren, +hoopt zich de toorn op in haar ziel als een donderbui. + +"Met welk recht," denkt ze, "draagt gravin Dohna die bouquet blauwe +anemonen, die op den heuvel aan 't strand bij Ekeby zijn geplukt?" + +Ze waren allemaal verleiders: Sintram, de gravin, alle menschen wilden +Gösta Berling tot kwaad verleiden; maar zij zou hem verdedigen, +verdedigen tegen hen allen. Ze zou 't doen al moest het ook haar +hartebloed kosten. + +Ze voelt, dat ze de bloemen uit de hand van de gravin moet gerukt +zien en op den grond geworpen, vertrapt, verbrijzeld--eer ze dat +kleine kabinet verlaat. + +Dat voelt ze en de strijd tegen de kleine blauwe sterretjes +begint. Binnen in de zaal leunen de oude dames met hun eerwaardige +hoofden tegen de stoelruggen en vermoeden niets. De heeren rooken +op hun gemak hun pijpen in de kamer van den graaf. Maar in 't kleine +kabinet wordt een wanhopende strijd gestreden. + +Ach, hoe wijs zijn zij, die de handen van 't zwaard afhouden, die +kunnen zwijgen en wachten, hun harten tot rust brengen en God laten +zorgen. Altijd dwaalt het onrustige hart. Altijd maakt kwaad het +kwaad erger. + +Maar Anna Stjärnhök meent, dat ze nu eindelijk een vinger in de wolken +ziet, die haar den weg wijst. + +"Anna," zegt de gravin, "vertel eens een verhaaltje." + +"Waarvan?" + +"Och," zegt de gravin en liefkoost de bloemen met haar witte +hand. "Weet je geen liefdesgeschiedenis?" + +"Neen, van liefde weet ik niets." + +"Wat een praatje! Is er niet een landgoed dat Ekeby heet, en is dat +niet vol kavaliers?" + +"Ja!" zegt Anna, "daar is een plaats, die Ekeby heet en daar zijn +mannen, die 't land uitzuigen, die ons ongeschikt maken voor ernstig +werk, die het opkomende geslacht bederven en onze beste vrienden doen +dwalen. Wil je iets van hen hooren? Zal ik je een liefdesgeschiedenis +van een van hen vertellen?" + +En dan begint Anna Stjärnhök te vertellen. Ze spreekt in korte strofen, +bijna als die van een oud psalmboek, want ze wordt bijna verstikt +door den storm in haar hart. Stille hartstocht trilt in haar woorden, +en de gravin moet naar haar luisteren in angstige spanning. + +"Wat is liefde, wat is trouw voor een kavalier? Een liefje hier en +daar, vandaag en morgen in 't Oosten of 't Westen. Niets is hem te +hoog of te laag. Vandaag een gravin, morgen een bedelaarster. Niets +in de wereld is zoo ruim als zijn hart. Maar wee de arme, die een +kavalier liefheeft. Zij moet hem zoeken als hij dronken aan den weg +ligt. Ze moet zwijgend toezien als hij het tehuis van haar kinderen +verspeelt. Ze moet het verdragen, dat hij vreemde vrouwen zoekt. Ach, +Elisabeth, als een kavalier een fatsoenlijke vrouw een dans vraagt, +moest ze dien weigeren, als hij haar bloemen aanbiedt, moest zij ze op +den grond gooien en vertrappen, als ze hem liefheeft moest ze liever +sterven dan zijn vrouw worden. + +Er was een onder de kavaliers, die een afgezet predikant was. Hij +had zijn ambt verloren door dat hij dronk. Hij was dronken in de +kerk. Hij dronk den avondmaalswijn op. Heb je ooit van hem gehoord?" + +"Neen, nooit." + +"Zoodra hij afgezet was, zwierf hij rond als bedelaar. Hij dronk als +een krankzinnige. Hij was in staat te stelen om brandewijn te krijgen." + +"Hoe heet hij?" + +"Hij is niet meer op Ekeby. De Majoorske ontfermde zich over hem, +gaf hem kleeren en haalde je stiefmoeder, gravin Dohna, over hem tot +huisonderwijzer voor je man te nemen, voor Henrik Dohna." + +"Een afgezet predikant?" + +"Och, hij was jong en krachtig en had veel kennis. Er was niets op +hem aan te merken, als hij maar niet dronk. Gravin Märta nam het zoo +nauw niet. Ze had er pleizier in den dominé en den kapelaan te plagen. + +Maar ze beval toch, dat niemand over zijn vroeger leven met haar +kinderen spreken zou, want dan zou haar zoon geen respekt meer voor +hem hebben en haar dochter hem niet in haar nabijheid dulden; want +zij was een heilige. + +Zoo kwam hij naar Borg, hij bleef aan de deur staan; hij zat op de +kant van zijn stoel; hij zweeg aan tafel, en vluchtte naar buiten in +'t park als er gasten kwamen. + +Maar daar buiten op de eenzame paden ontmoette hij dikwijls de +jonge Ebba Dohna. Zij hield niet van de feesten vol gedruisch, die +in de zalen op Borg gevierd werden sinds de Gravin weduwe was. Ze +was zoo zacht, zoo schuchter. Zelfs toen zij zeventien jaar was, +was ze nog als een kind; maar prachtig was ze met haar bruine oogen, +en den teeren, fijnen blos op de wangen. Haar slank lichaam was iets +gebogen. Haar smalle hand gleed in de uwe met een zachten druk. Haar +kleine mond sprak weinig en er lag een ernstige trek om. En haar stem, +haar zachte stem, die de woorden zoo langzaam en welluidend sprak, +maar nooit jong en frisch en warm was, maar mat klonk en wegstierf als +'t slotakkoord van een vermoeid kunstenaar! + +Ze was niet als de anderen. Haar voetstap was zoo licht, alsof ze +vluchtte over de aarde. De oogen hield ze meestal neergeslagen, +alsof ze niet gestoord wilde worden in de heerlijke visioenen in +haar ziel. Haar ziel had zich reeds van de wereld afgewend toen ze +nog een kind was. + +Toen ze klein was placht haar grootmoeder haar sprookjes te +vertellen. Op een avond zaten zij samen bij het vuur. De sprookjes +waren afgehandeld; de helden en heldinnen daaruit waren aan hun +oogen voorbijgegaan in glans en heerlijkheid. Maar 't handje van 't +kind lag nog steeds op de knie van de oude vrouw en ze streek over +den zijden rok, die aardige zij, die kraakte en soms piepte als een +vogeltje. In die beweging lag een verzoek. Want ze hoorde tot die +kindren, die nooit in woorden om iets vragen. + +Toen begon de oude zacht te vertellen van een kindje in 't Jodenland, +een klein kindje, dat geboren werd om koning te worden. De engelen +hadden de lucht met lofzangen vervuld bij zijn geboorte, en oude mannen +en vrouwen hadden zijn heerlijkheid voorspeld. Dat kind groeide op tot +grooter schoonheid en wijsheid dan eenig ander kind. Toen het twaalf +jaar was, was hij al wijzer dan de opperpriester en schriftgeleerden. + +Toen vertelde de oude van 't schoonste op aarde; van 't leven van +dat kind, terwijl 't onder de menschen verkeerde, die booze menschen, +die 't niet als hun koning wilden erkennen. + +Zij vertelde hoe 't kind opgroeide tot een man door wonderen omgeven +en bestraald. Alles op aarde diende hem en had hem lief, behalve de +menschen. De visschen lieten zich vangen in zijn netten, 't brood +vulde zijn korven, 't water veranderde in wijn, op zijn wensch. + +Maar de menschen zetten den grooten koning niet op een troon en boden +hem geen gouden kroon aan. Hij had geen hofstoet om zich heen. Zij +lieten hem omzwerven als een bedelaar. + +En toch was de groote koning zoo goed voor hen. Hij genas hun zieken, +gaf de blinden 't gezicht terug en wekte de dooden op. + +"Maar," zeide de oude, "de menschen wilden den goeden koning niet +als hun heer erkennen. Zij zonden krijgslieden uit om hem te vangen, +ze gaven hem spottend een kroon en scepter en een langen mantel +en lieten hem naar de rechtsplaats gaan met een zwaar kruis op den +rug.--O kindje, die goede koning had de hooge bergen zoo lief. Hij +beklom ze vaak 's nachts om met de hemelbewoners te spreken en overdag +zat hij graag tegen de berghellingen om voor de luisterende menschen te +spreken. Maar nu voerden zij hem naar een berg om hem te kruisigen. Zij +sloegen nagels door zijn handen en voeten en hingen den goeden koning +aan het kruis alsof hij een roover--een misdadiger was. + +En 't volk bespotte hem. Alleen zijn moeder en zijn vrienden schreiden, +omdat hij sterven moest, eer hij als koning erkend was. + +Ach, hoe treurde alles om zijn dood. + +De zon verloor haar glans, de bergen beefden, 't voorhangsel van den +tempel scheurde en de graven openden zich, opdat de dooden mochten +uitgaan en hun rouw toonen." + +Toen lag de kleine met 't hoofd op grootmoeders schoot en schreide, +alsof haar hart zou breken. + +"Schrei niet, kindje, de goede koning is opgestaan uit zijn graf en +opgevaren naar zijn Vader in den Hemel." + +"Maar grootmoeder," snikte 't kind, "heeft hij nooit een rijk gehad?" + +"Hij zit aan Gods rechterhand in den Hemel." + +Maar dat troostte haar niet. Ze schreide zoo wanhopend en aanhoudend +als alleen een kind schreien kan. + +"O, waarom waren ze zoo slecht tegen hem? Hoe konden ze zoo slecht +tegen hem zijn!" + +De oude vrouw werd ongerust over die overweldigende smart. + +"Grootmoeder, grootmoeder, o, u hebt 't zeker niet goed verteld, +nietwaar? Zóó eindigt 't verhaal toch niet. Zóó slecht waren ze +toch niet voor den goeden koning. Hij kreeg toch wel een rijk hier +op aarde!" + +Ze sloeg de armen om den hals der oude vrouw en smeekte en schreide +maar al voort. + +"Kindje, kindje," zei toen de grootmoeder om haar te troosten, +"de menschen zeggen, dat hij weerom zal komen. Dan zal hij de aarde +aan zich onderwerpen en die regeeren en dan wordt deze schoone aarde +zijn heerlijk rijk. Dat zal duizend jaar bestaan. Dan worden de wilde +dieren tam, kindertjes zullen met de slangen spelen, beren en koeien +zullen tam grazen. De menschen zullen elkaar geen kwaad meer doen; +de spiesen zullen tot zeisen en de zwaarden tot ploegijzers worden +omgesmeed. En alles zal vreugde en heerlijkheid zijn en de goeden +zullen de aarde beërven. + +Toen klaarde 't gezichtje van 't kind op onder haar tranen. + +"Krijgt de goede koning dan een troon, grootmoeder?" + +"Een gouden troon!" + +"En een hofstoet en een gouden kroon?" + +"Ja, die krijgt hij." + +"Komt hij gauw, grootmoeder?" + +"Niemand weet, wanneer hij komt." + +"En mag ik dan op een bankje aan zijn voeten zitten?" + +"Ja, dat mag je!" + +"O, grootmoeder, hoe heerlijk!" zegt de kleine. + +--Avond aan avond, vele winters lang zaten die twee bij 't vuur en +spraken over den goeden koning en zijn rijk. De kleine droomde van 't +duizendjarig rijk bij dag en bij nacht. Ze werd nooit moe het in haar +fantaisie te versieren met al de schoonheid, die ze maar uitdenken kon. + +Zoo gaat het met zoovelen van die zwijgende kinderen om ons +heen. Ze verbergen in hun ziel een droom, waarover ze niet durven +spreken. Wonderlijke gedachten roeren zich onder het zijde-achtige +haar, de zachte bruine oogen zien wonderlijke visioenen onder de +neergeslagen oogleden. Meer dan één maagd heeft haar bruidegom in +den hemel, meer dan één vrouw wenscht vurig de voeten van den goeden +koning te mogen zalven en ze met heur haar af te drogen. + +Ebba Dohna waagde niet er met iemand over te spreken, maar sinds +dien avond leefde ze alleen voor den terugkomst van den Heer en zijn +duizendjarig rijk. + +Als 's avonds de purperen wolken in 't westen zich schaarden om de +dalende zon dacht zij er aan, of hij nu niet te voorschijn zou treden +in al zijn heerlijkheid, door een heerschare van engelen gevolgd, +haar voorbij zweven en haar vergunnen den zoom van zijn kleed aan te +raken. Ze dacht ook gaarne aan de vrome vrouwen, die hem zeker even +liefgehad hadden als zij,--die den nonnensluier hadden omgeslagen, en +de oogen niet meer van de aarde ophieven, maar zich hadden opgesloten +in de rust van 't klooster, in de duistere kleine cellen, om daar +ongestoord de stralende visioenen te zien, die nederdalen in den +nacht der ziel. + +Zoo was ze opgegroeid, zoo was ze toen de nieuwe huisonderwijzer en +zij elkaar in de eenzame paden in het park ontmoetten. + +Ik wil niet meer kwaad van hem zeggen dan noodig is. Ik wil graag +gelooven, dat hij dit kind liefhad, dat hem spoedig tot gezel op de +eenzame paden koos. Ik geloof, dat zijn ziel haar vleugelen weer +voelde groeien, als hij naast dat stille kind ging, dat nooit een +ander haar vertrouwen geschonken had; ik geloof dat hij zich zelf +een kind voelde wórden; een goed vroom kind. + +Maar als hij haar werkelijk liefhad, waarom dacht hij er dan niet +aan, dat niets voor haar minder waard kon zijn dan zijn liefde! Hij, +een door de wereld verworpene, wat wilde hij, waar dacht hij aan, +als hij aan de zijde der gravendochter ging? Waar dacht de afgezette +predikant aan, als ze hem haar vrome droomen toevertrouwde. Hij, die +een dronkaard en een vechtersbaas geweest was en die 't weer worden +zou, als de omstandigheden er toe leidden, wat wilde hij van haar, +die droomde van een bruidegom in den hemel? Waarom vluchtte hij niet +ver weg? Was 't niet beter voor hem geweest 't land door te zwerven +als een bedelaar en een dief, dan daar in de stille lanen te loopen +en weer vroom en goed te worden, na 't leven, dat hij geleid had +en dat toch niet overgeleefd kon worden, nu 't onvermijdelijk was, +dat Ebba Dohna hem lief moest hebben? + +Meen niet, dat hij er als een dronkaard uitzag, met bleeke wangen +en roode oogen. Hij was nog een statig man, schoon en krachtig, +een vorstelijk figuur met een ijzeren lichaam, dat het wildste leven +kon verdragen. + +"Leeft hij nog?" vraagt de gravin. + +"Ach neen, hij is nu zeker dood. Dit is al zoo lang geleden." + +Anna Stjärnhök begint bang te worden voor wat ze doet. En ze neemt zich +voor de gravin nooit te zeggen, wie de man is, waar ze over spreekt; +maar haar te laten denken, dat hij nu dood is. + +"Toen was hij nog jong," vertelt ze verder, "de levensvreugde vlamde +weer op in zijn ziel. Hij bezat de gave van 't woord en een vurig hart, +licht tot geestdrift bewogen. + +En er kwam een avondure, dat hij tot Ebba Dohna van liefde sprak. Ze +antwoordde niet. Ze zei hem alleen, wat haar grootmoeder haar 's +wintersavonds verteld had en beschreef het land van haar droomen voor +hem. En ze nam hem een gelofte af. Ze liet hem zweren, dat hij een +verkondiger van het woord zou worden, een van hen, die den weg des +Heeren bereiden, die zijn komst verhaasten. + +Wat moest hij doen? Hij was een afgezette predikant, en geen weg +was zoo volkomen afgesloten, dan juist dien eenen dien ze verlangde, +dat hij zou betreden. Hij beloofde al wat ze wilde. + +Meer was tusschen hen niet noodig, het was uitgemaakt, dat zij eenmaal +zijn vrouw zou worden. Ze wisselden geen kussen en liefkozingen. Hij +waagde nauwelijks haar te naderen. Ze was fijngevoelig als de teerste +bloem. Maar nu en dan sloeg ze haar bruine oogen op en zocht de +zijnen. Als ze 's avonds in den maneschijn op de veranda zaten, +leunde ze tegen hem aan en hij kuste heur haar zonder dat ze 't merkte. + +Je ziet wel wat zijn zonde was: hij vergat 't verleden en de +toekomst. Dat hij arm en gering was, mocht hij wel vergeten, maar +hij had er aan moeten denken, dat de dag komen zou, dat in haar hart +de eene liefde tegen de andere zou opstaan, dat ze zou moeten kiezen +tusschen hemel en aarde, tusschen hem en den glorierijken heerscher in +'t duizendjarige rijk en dat zij dien strijd niet zou kunnen dragen. + +Zoo ging een zomer, een najaar, een winter voorbij. Toen 't voorjaar +kwam en 't ijs smolt werd Ebba Dohna ziek. 't IJs kruide in de +dalen, er lag ijs op de heuvels, de meren waren gevaarlijk, de wegen +onmogelijk te begaan of te berijden. + +Gravin Dohna wilde den dokter uit Karlstad laten halen. Er was geen +andere dichter bij. Maar haar bevelen klonken vergeefs. Ze kon met +smeeken noch dreigen haar bedienden bewegen de reis te ondernemen. Ze +wierp zich voor den koetsier op de knieën maar hij zei "neen!" Ze +kreeg toevallen van smart en angst over haar dochter--want gravin +Märta is woest in vreugde en in verdriet. + +Ebba Dohna had longontsteking en haar leven was in gevaar. Maar er +kon geen dokter gehaald worden. + +Toen reed de huisonderwijzer naar Karlstad. Dien rit te wagen, op zulke +wegen was zijn leven op 't spel zetten; maar hij deed het. Over golvend +ijs, over gladde heuvels ging het. Nu en dan moest hij trappen in 't +ijs houwen voor 't paard, dan weer het uit de natte klei trekken. Men +zegt, dat de dokter weigerde meê te gaan, maar dat hij er hem met +een pistool in de hand toe dwong. + +Toen hij weerkwam, wierp de gravin zich bijna aan zijn voeten. "Neem +alles!...." riep ze, "vraag wat ge wilt, zeg wat ge verlangt, mijn +dochter, mijn hoeve, mijn geld".... + +"Uw dochter," antwoordde hij. + +Nu zwijgt Anna Stjärnhök plotseling. + +"En toen....? en toen?" vraagt gravin Elisabeth. + +"Nu is 't genoeg," antwoordt Anna, want ze is een van die ongelukkige +menschen, die altijd twijfelen met angst en beven. Dat heeft ze nu +al een heele week gedaan. Wat haar 't éene oogenblik goed toeschijnt, +komt haar 't andere oogenblik verkeerd voor. Nu wilde ze, dat ze dit +verhaal nooit begonnen had. + +"Ik geloof dat je me voor den gek wilt houden, Anna. Begrijp je niet, +dat ik 't eind van deze geschiedenis weten moet?" + +"Er is niet veel meer te vertellen. Het uur van strijd was voor de +jonge Ebba Dohna geslagen. Liefde stond op tegen liefde in haar hart, +de aarde tegen den hemel. + +Gravin Märta vertelde haar van de levensgevaarlijke reis, die de +jonge man om harentwil gedaan had, en zij zeide haar, dat ze hem tot +belooning daarvoor haar hand beloofd had. + +De jonge Ebba Dohna was nu zooveel beter, dat ze gekleed op de sofa +lag. Ze was mat bleek en nog stiller dan gewoonlijk. + +Toen ze die woorden hoorde, sloeg ze klagend en verwijtend haar bruine +oogen naar haar moeder op en zei: + +"Moeder gij hebt mij beloofd aan een afgezet predikant, aan een, +die zijn recht Gods dienaar te zijn, heeft verspeeld aan een man, +die een dief en een bedelaar geweest is." + +"Maar kind, wie heeft je dat verteld. Ik dacht niet, dat je daar iets +van wist." + +"Ik heb het gehoord. Uw gasten praatten er over den dag, dat ik +ziek werd." + +"Maar kind, bedenk, dat hij je leven heeft gered." + +"Ik kan er alleen aan denken, dat hij mij bedrogen heeft. Hij had +mij moeten zeggen wie hij was." + +"Hij zegt, dat je hem lief hebt." + +"Dat heb ik gedaan. Maar ik kan iemand, die mij bedriegt, niet meer +liefhebben." + +"Hoe heeft hij je dan bedrogen?" + +"Dat kunt u niet begrijpen, moeder." + +Ze wil met haar moeder niet spreken over het duizendjarig rijk van +haar droomen, die haar geliefde zou helpen stichten. + +"Ebba," zegt de gravin, "als je hem lief hebt dan moet je niet vragen, +wat hij geweest is, maar zijn vrouw worden. Wie met een gravin Dohna +trouwt, wordt zóó rijk en machtig, dat de zonde van zijn jeugd hem +wel vergeven kan worden, + +"Om de zonde van zijn jeugd geef ik niet moeder. Ik kan zijn vrouw +niet worden omdat hij mij bedrogen heeft en omdat hij nooit kan worden, +wat ik wilde dat hij worden zou." + +"Denk er aan, dat ik hem mijn woord gegeven heb, Ebba." + +'t Jonge meisje werd doodsbleek. + +"Moeder, dit zeg ik u, als u mij aan hem tot vrouw geeft, dan scheidt +u mij van God." + +"Ik heb besloten je gelukkig te maken," zegt de Gravin. "Ik weet zeker, +dat je met dien man gelukkig zult zijn. Je hebt hem immers al tot een +heilige gemaakt. Ik heb besloten 't verschil in stand tusschen ons +en hem over 't hoofd te zien, te vergeten, dat hij arm en veracht is, +om je in staat te stellen hem te redden. Ik voel, dat wat ik doe goed +is. Je weet, dat ik niet aan vooroordeelen hecht." + +Maar dat alles zegt ze maar omdat ze niet velen kan, dat iemand zich +tegen haar wil verzet. Misschien meende ze 't ook wel op dat oogenblik, +want gravin Märta is niet zoo gemakkelijk te begrijpen. + +'t Jonge meisje bleef op de sofa liggen, lang nadat de gravin van +haar was weggegaan. Zij streed haar strijd: den strijd tusschen aarde +en hemel, tusschen de liefde voor den goeden koning en die voor haar +geliefde. Maar de eerste overwon. Daar waar ze lag--op deze sofa--zag +ze den hemel in 't westen gloeien door een heerlijken zonsondergang. 't +Was haar als een groet van den goeden koning, en daar ze de kracht +niet had hem trouw te blijven, als ze moest blijven leven, besloot ze +te sterven. Zij kon niets anders doen nu haar moeder besloten had, +dat zij een man zou toebehooren, die niet de dienstknecht van den +goeden koning worden kon. + +Ze ging naar 't venster, deed het open en liet den kouden avondwind +langs haar arm, zwak lichaam gaan tot ze versteend van kou was. 't +Was gemakkelijk voor haar, zich den dood op den hals te halen. En die +zou zeker volgen als de ziekte zich weer verhief. En dat gebeurde.-- + +Niemand dan ik weet, dat zij den dood zocht. Ik vond haar voor 't +open venster. Ik hoorde haar ijlen. Ze had mij gaarne bij zich in +haar laatste dagen. + +Ik heb haar zien sterven. Ik zag haar de armen uitstrekken naar den +gloeienden avondhemel, en sterven met een glimlach, alsof ze iemand +uit den zonnegloed had zien komen om haar te ontvangen. Ik moest ook +haar laatste groeten brengen aan hem, dien ze had liefgehad. Ik moest +hem vragen 't haar te vergeven, dat ze zijn vrouw niet had kunnen +worden. De goede koning wilde het niet toestaan. + +Maar ik heb niet den moed gehad dien man te zeggen, dat hij haar +vermoord had. Ik had niet den moed hem den last van zulk een lijden +op de schouders te leggen. En toch.... hij, die door een leugen haar +liefde verwierf, was hij haar moordenaar niet? Was hij dat niet, +Elisabeth?" + +Gravin Dohna heeft al lang opgehouden met blauwe bloempjes te +spelen. Nu staat ze op en 't bouquet valt op den grond. + +"Anna, je maakt me voortdurend wat wijs. Je zegt dat het een oude +historie is, en dat de man al lang dood is. Maar ik weet immers, +dat het nauwlijks vijf jaar geleden is, dat Ebba Dohna stierf. En dan +zeg je, dat je dit zelf beleefd hebt. Je bent niet oud. Zeg mij nu, +wie die man is!" + +Anna Stjärnhök begint te lachen. + +"Je vroeg immers om een liefdesgeschiedenis. Nu heb je er een gehoord, +die je tranen en onrust gebracht heeft." + +"Is het dan niet waar?" + +"Wel neen, 't zijn maar verzinsels!" + +"Je bent slecht, Anna." + +"Ja, dat kan wel zijn. Ik ben ook juist niet bijzonder gelukkig, moet +je weten. Maar ik hoor de heeren komen en de dames zijn wakker. Laat +ons naar de zaal gaan." + +In de deur komt ze Gösta Berling tegen, die de dames komt roepen. + +"U moet geduld met me hebben," zegt hij glimlachend. "Ik zal u +niet langer dan tien minuten plagen, maar u moet even een gedicht +aanhooren." + +En hij vertelt hun, dat hij dien nacht zoo levendig gedroomd heeft, +als nooit te voren. Hij heeft gedroomd, dat hij verzen geschreven had. + +Hij, die de menschen "de dichter" noemden en die tot nu toe dien naam +geheel onverdiend droeg, hij was midden in den nacht opgestaan en had +half slapend, half wakker aan zijn schrijftafel gezeten. En 's morgens +had hij een heel gedicht op zijn schrijftafel gevonden. Hij had het +nooit van zich zelf gedacht... En nu moesten de dames even luisteren. + +En hij las een gedicht voor, waarin hij klaagde over de vele +herinneringen, die hem hier omgaven. + +Hij sprak daarin van een avond waarop zij die hem liefhad, gezegd had, +dat ze na haar dood niet ver van hem zijn zou, maar dat haar ziel de +zijne zou zoeken en vinden en hem op aarde vergezellen. En hij sprak +er van, hoe hij leed onder 't gevoel, dat hij door zijn liefde haar +ziel, de bezoedelde gebonden had. + +"Gösta," schertste Anna, terwijl angst haar de keel toesnoerde, +"men zegt van je, dat je meer gedichten beleefd hebt, dan een ander +ooit geschreven heeft, maar 't is heusch 't beste, dat je maar op je +oude manier blijft dichten: dit gedicht is nachtwerk!" + +"Je oordeelt niet zacht." + +"Hier te komen en ons allerlei van dood en ellende voor te lezen! Foei, +je moest je schamen!" + +Maar Gösta luistert niet meer naar haar. Gösta ziet onafgebroken de +jonge gravin aan. Ze zit daar, onbewegelijk en bleek als een marmeren +beeld. Hij is bang dat ze flauw zal vallen. + +Maar met onuitsprekelijke moeite perst ze eindelijk een woord van +haar lippen: + +"Ga heen." + +"Wie moet heengaan? Moet ik heengaan?" + +"De dominé moet heengaan," stamelt zij. + +"Elisabeth, zwijg toch." + +"De dominé, die dronkaard moet uit mijn huis!" + +"Anna, Anna," vraagt Gösta, "wat meent ze?" + +"'t Is 't beste, dat je heengaat, Gösta." + +"Waarom moet ik heengaan? Wat beteekent dit toch?" + +"Anna," zegt gravin Elisabeth, "zeg hem...." + +"Neen, gravin, zeg het hem zelf." + +De gravin zet de tanden op elkaar en wordt eindelijk haar ontroering +meester. + +"Mijnheer Berling," zegt ze, en gaat naar hem toe. "U hebt er +verwonderlijk slag van de menschen te doen vergeten, wie u is. Ik heb +het niet geweten voor vandaag. Ik heb pas het verhaal van Ebba Dohna's +dood gehoord en dat de zekerheid, dat de man, dien ze liefhad, haar +niet waard was, haar in den dood dreef. Uit uw gedicht begrijp ik, dat +u die man waart. Ik begrijp niet hoe een man met een verleden als het +uwe, in het gezelschap van fatsoenlijke vrouwen wordt toegelaten. Dat +begrijp ik niet, mijnheer Berling. Spreek ik nu duidelijk genoeg?" + +"Mevrouw de gravin spreekt duidelijk genoeg. Ik zal alleen één +woord tot mijn verdediging zeggen. Ik heb aldoor vast geloofd, dat u +alles van me wist. Ik heb nooit geprobeerd iets te verbergen. Maar +'t is niet aangenaam zijn grootste smarten van de daken te hooren +verkondigen en nog minder dat zelf te doen." + +Hij gaat heen. En op 't zelfde oogenblik zet gravin Dohna haar kleinen +voet op 't bouquetje blauwe anemonen. + +"Nu heb je gedaan, wat ik wilde," zegt Anna Stjärnhök op harden toon +tot haar. "Maar nu is 't ook gedaan met onze vriendschap. Meen niet, +dat ik het je ooit vergeven zal, dat je zoo wreed tegen hem geweest +bent. Je hebt hem afgestooten, gekwetst, beleedigd, hem, dien ik +graag in armoede en schande zou volgen. Ik zal hem beschermen en +behoeden. Je hebt gedaan wat ik wou; maar ik vergeef het je nooit." + +"Maar Anna, Anna!" + +"Dacht je, dat ik je dat alles vertelde met een licht hart?--Alsof +ik hier niet mijn eigen ziel aan stukken had zitten scheuren!" + +"Maar waarom deedt je het dan?" + +"Waarom?--Omdat ik niet wou.... Neen, ik wil het niet!--dat hij de +minnaar van een getrouwde vrouw zal worden." + + + + + + + +XII. + +JUFFROUW MARIE. + + +O stil, wees stil! + +Daar gonst iets boven mijn hoofd. 't Moet een bij zijn, die aan +komt vliegen. + +O neen, stil toch! + +Welk een geur. Zoowaar! Zijn dat geen geuren van lavendel, seringen +en pinksterbloemen? 't Is een heerlijkheid ze in te ademen op dezen +grijzen najaarsdag midden in de stad. Als ik maar denk aan dat gezegend +plekje grond, dan begint 't dadelijk om mij heen te gonzen en te +geuren. En eer ik het zelf weet, zit ik in een kleinen rozentuin +vol bloemen, en omheind door een ligusterhaag. En de hoeken onder de +seringen met smalle houten banken en om de bloembedden, gevormd als +harten en sterren, loopen smalle paden, met wit zand bestrooid. Aan +drie zijden van den rozentuin staat het bosch. + +Lijsterbessen en vogelkers, die vol mooie bloemen zitten staan 't +dichtste bij en vermengen hun geuren met die der seringen. Achter hen +komen de berken, en daarachter begint het dennenbosch, een echt bosch, +stil en donker, met recht opstaande, lang gebaarde boomen. + +En aan de vierde zij ligt een klein grijs huis. + +De rozentuin, waar ik nu aan denk, was voor zestig jaar het eigendom +van de oude Mevrouw Moraeus, die met borduurwerk en eten koken voor +boerenfeesten haar brood verdiende. + +Lieve vrienden. Van al 't goeds, wat ik u toewensch, wil ik 't +allereerst een borduurraam en een rozentuin noemen. Een groot +ouderwetsch borduurraam, waar vijf of zes personen te gelijk aan +kunnen werken, en waaraan men doen kan, wie 't gauwste werken kan en +wie de mooiste steken aan den achterkant kan maken; waarbij men onder +'t werk gepiepte appels kan eten en babbelen en allerlei spelletjes +doen, als "ik zie, ik zie wat jij niet ziet," en "wat zeg je van +mijn vriend," en dan lachen, lachen dat de eekhorens van schrik uit +de boomen vallen. Een borduurraam voor den winter en een rozentuin +voor den zomer. Niet een grooten tuin, waar men meer geld in steekt, +dan genoegen van heeft; neen, een klein rozentuintje, dat men zelf +onderhouden kan. Daar moesten kleine rozestruikjes midden in de bedjes +staan en een krans vergeet-mij-nietjes daarom heen; de groote klaproos, +die zich zelf zaait, moest overal opkomen, aan den kant van 't gras +en op de paden en er moest een bruin gedroogde grasbank zijn, waar +paardebloemen en keizerskroon groeiden op de zitting en op den rug. + +De oude mevrouw Moraeus bezat van allerlei. Ze had drie vroolijke, +vlugge dochters en een huisje aan den weg. Ze had een appeltje voor +den dorst in haar geldkistje, mooie zijden shawls, leuningstoelen met +hooge ruggen en verstand van vele zaken, die nuttig zijn voor hen, +die hun eigen brood moeten verdienen. Maar 't beste, wat ze had, was +haar borduurraam, dat haar 't geheele jaar werk gaf, en de rozentuin, +waar ze den heelen zomer plezier van had. + +En dan moet ik vertellen, dat in 't huisje van mevrouw Moraeus een +inwoonster was, een kleine, uitgedroogde juffrouw van bij de veertig, +die in 't zolderkamertje woonde boven in den gevel. Juffrouw Marie, +zooals ze altijd genoemd werd, had haar eigen begrippen over allerlei, +zooals die menschen, die veel alleen zitten en hun gedachten laten +gaan over wat ze gezien hebben, meestal krijgen. + +Juffrouw Marie meende, dat liefde de wortel en oorsprong was van alle +kwaad in deze wereld. + +Elken avond, eer ze slapen ging, vouwde ze de handen en deed haar +avondgebed. En als ze haar Onze Vader had opgezegd, eindigde ze altijd +met God te vragen haar voor de liefde te bewaren. + +"Dat zou immers niets dan ellende zijn," zeide ze, "ik ben oud en +leelijk en arm. Neen, ik hoop nooit verliefd te worden." + +Dag uit, dag in zat ze op haar zolderkamertje in 't huisje van Mevrouw +Moraeus en knoopte gordijnen en kleedjes. Die verkocht ze later aan +de boeren en op de groote buitens. Zij had met dat knoopwerk al een +aardig duitje verdiend. Want een eigen huisje op den heuvel over de +kerk te Svartsjö, dat was wat zij wenschte, een huis, dat zoo hoog op +een heuvel lag, dat men ver uit kon zien. Daar droomde ze van. Maar +van liefde wilde ze niet hooren. + +Als ze 's zomeravonds de viool hoorde klinken van den kruisweg, waar +de speelman op het hek zat en de jonge lui de polka dansten, zoodat +'t stof hen om de ooren stoof, dan maakte ze een langen omweg door +'t bosch om dat niet te zien en te hooren. + +Op den tweeden Kerstdag, als de boeren-bruidjes kwamen, soms vijf +of zes te gelijk, om door Mevrouw Moraeus en haar dochters gekleed +te worden, als ze dan met myrthen versierd werden en met kransen van +glaskralen, met zijden ceintures en bouquetten van gemaakte bloemen, +als hun kleedje met zulke bloemen werd versierd, dan sloot juffrouw +Marie zich op in haar kamertje. Ze wou niet zien hoe die jonge meisjes +versierd werden ter eere van de liefde. + +Als de meisjes Moraeus 's wintersavonds aan 't borduurraam zaten, +was 't zoo innig gezellig in de groote kamer, als de appels piepten +in de kachel, en als de mooie Gösta Berling of de goede Ferdinand op +visite kwamen en de meisjes plaagden, door den draad uit de naald +te trekken of ze scheeve steken lieten maken en de kamer weerklonk +van hun gesprekken, hun grappen en hun lachen; als hun handen elkaar +ontmoetten onder 't borduurraam, dan rolde juffrouw Marie geërgerd +haar knoopwerk op en ging heen, want zij haatte de liefde en al wat +daarmee in verband stond. + +Maar al wat de liefde ooit misdreven had, wist ze. Daar kon ze van +vertellen. Ze kon niet begrijpen, dat Amor zich nog op de wereld +durfde vertoonen, dat hij niet angstig vluchtte voor de klachten +der verlatenen, voor de vloeken van hen, die hij tot misdaad verleid +had, voor 't gejammer van hen, die hij in gehate kluisters gesmeed +had. Zij kon niet begrijpen, dat zijn vleugels hem zoo luchtig en +vrij droegen en dat hij niet al lang in een afgrond van schaamte en +smart was verzonken. + +Neen, wel was ze jong geweest als ieder ander, maar van de liefde +had ze nooit gehouden. Nooit had ze zich laten verlokken tot dans +of liefkozingen. + +De gitaar van haar moeder hing bestoven en zonder snaren op den +zolder. Nooit zong ze daar liefdesliedjes bij. + +'t Rozeboompje van haar moeder stond in haar venster. Ze gaf het +nauwelijks water. Ze hield niet van de bloemen, die kindren der +liefde. De bladen waren bestoven; spinnen maakten hun net tusschen +de takken, en de knoppen kwamen nooit uit. En in den rozentuin van +Mevrouw Moraeus waar de vlinders fladderden en de vogels zongen, +waar geurende bloemen boden zonden naar gonzende bijen, waar alles +van den gehate sprak--daar zette ze zelden een voet. + +Nu gebeurde het, dat de gemeente van Svartsjö een orgel in de kerk liet +zetten. Dat was in den zomer, dat de kavaliers op Ekeby regeerden. Een +jong orgelmaker kwam naar 't dorp. Hij kwam ook bij Mevrouw Moraeus +inwonen en kreeg het andere gevelkamertje op den zolder. + +Toen maakte hij dat orgel, dat zulke wonderlijke toonen heeft, waar +de bazuin plotseling klinkt, soms midden in een psalm, niemand weet +waarom of van waar, zoodat de kinderen in de kerk beginnen te schreien. + +'t Kan best wezen, dat de jonge orgelmaker geen meester in zijn kunst +was. Maar hij was een vroolijke snaak, met oogen vol zonneschijn. Hij +had voor ieder een vriendelijk woord, voor arm en rijk, voor jong +en oud. Hij werd gauw goede vrienden met zijn huisgenooten. Ach, +meer dan dat! + +Als hij 's avonds thuiskwam van zijn werk hield hij garen op voor +Mevrouw Moraeus, en werkte met de jonge meisjes in den tuin. Dan +declameerde hij;--Aksel en Walborg en zong van Fritjof. Dan raapte +hij juffrouw Maries kluw op, hoe dikwijls ze die ook liet vallen en +bracht zelf haar oude pendule weer in orde. + +Hij kwam nooit thuis van een bal, zonder dat hij met allen gedanst had, +van de oudste dame tot het kleinste meisje. En als hem iets tegenliep, +ging hij naast de eerste de beste vrouw zitten, die hij ontmoette en +maakte haar tot zijn vertrouweling. Ja hij was een van die mannen, +zooals de vrouwen in haar droomen zien. + +Men moest niet meenen, dat hij tot iemand over liefde sprak. Maar +toen hij eenige weken in 't huis van Mevrouw Moraeus gewoond had, +waren alle dochters op hem verliefd. Zelfs de arme juffrouw Marie. Nu +wist ze, dat ze te vergeefs gebeden had. + +'t Was een tijd van vreugde en van leed. Tranen vielen op 't +borduurraam en wischten er de krijtstreepjes uit, 's avonds zat er +vaak een bleeke droomster in 't bleeke prieel en boven op juffrouw +Maries kamertje werden nieuwe snaren op de guitaar gezet en bij diens +tonen zong ze oude liefdesliedjes, die ze van haar moeder geleerd had. + +Maar de jonge orgelmaker bleef even vroolijk en zorgeloos en strooide +glimlachjes en kleine diensten rond onder die smachtende vrouwen, +die om hem kibbelden, als hij aan zijn werk was. En eindelijk kwam +de dag, dat hij vertrekken moest. + +Het rijtuig stond voor de deur. Zijn tasch was gepakt en in den wagen +gebracht en de jonge man nam afscheid. Hij kuste Mevrouw Moraeus de +hand, omhelsde de schreiende meisjes en kuste ze op de wang. Zelf +schreide hij ook, omdat hij weg moest, want hij had een heerlijke +zomer gehad in 't kleine grijze huisje. En eindelijk keek hij rond +naar juffrouw Marie. + +Daar kwam ze de zoldertrap af met haar beste kleeren aan, de gitaar om +den hals aan een breed groen zijden lint. In de hand had ze een bouquet +maandrozen, want dit jaar had haar moeders rozeboom gebloeid. Ze +bleef voor den jongen man staan, tingelde op de guitaar en zong: + + + "Ge gaat van ons heen! O, kom spoedig terug + Steeds wordt ge hier welkom geheeten! + 't Geluk ga met u. O, wil nooit op uw tocht + Een, die u zoo liefheeft vergeten!" + + +En toen stak ze de bloemen in zijn knoopsgat en kuste hem op den +mond. Ja, dat deed ze en toen verdween ze de zoldertrap weer op! de +oude ziel. + +De liefde had zich op haar gewroken en haar tot spot van iedereen +gemaakt. Maar zij sprak nooit meer kwaad van de liefde. Ze hing de +gitaar niet meer weg en vergat nooit meer de rozeboom van haar moeder +te verzorgen. + +Zij had geleerd de liefde met al haar smart, haar tranen en verlangen +lief te hebben. + +"Beter bedroefd door liefde, dan vroolijk zonder haar," dacht ze. + +De tijd ging voorbij. De Majoorske werd van Ekeby verjaagd. De +kavaliers kregen de macht in handen en het gebeurde, zooals ik reeds +verteld heb, dat Gösta op een Zondag avond een gedicht voorlas voor +de gravin op Borg en zij hem de deur wees. + +Er wordt verteld, dat toen Gösta de deur van Borg achter zich +dichtsloeg, hij eenige sleden zag aanrijden. Hij wierp een blik op een +kleine dame, die in de voorste zat. Hoe duister die ure ook voor hem +was, 't werd nog duisterder voor hem toen hij haar zag. Hij haastte +zich voort om niet herkend te worden, maar een voorgevoel van onheil +vervulde zijn ziel. Had het gesprek daarbinnen die vrouw opgeroepen? 't +Eene onheil baart gewoonlijk het andere. + +De bedienden kwamen aanloopen. 't Zeil van de sleê werd losgemaakt. Wie +kwam daar zoo onverwacht? Was 't werkelijk Märta Dohna, de wijdberoemde +gravin zelf? + +Zij was de vroolijkste en lichtzinnigste van alle vrouwen. De vreugde +van deze wereld had haar op zijn troon gezet en haar tot zijn koningin +gemaakt. Vermaken en grappen waren haar onderdanen. Spel en dans en +avonturen waren haar deel bij de rolverdeeling van 't leven. Zij was +nu niet ver van de vijftig, maar ze hoorde tot die wijze menschen, +die de jaren niet tellen. "Wie de voeten niet meer voor een dans +of den mond niet meer voor een glimlach bewegen kan, die is oud," +zei ze. "Hem drukt de last der jaren. Mij niet." + +De vreugd regeerde niet ongestoord in de dagen van haar jeugd. Maar +'t was alsof de onveiligheid en de veranderlijkheid der omstandigheden +haar vroolijk bestaan nog vroolijker maakte. De blijdschap met haar +vlindervleugels hield den eenen dag feest bij de hofdames in Stockholm +en danste den anderen dag in Parijs. Ze bezocht Napoleon op 't veld +en voer op de vloot van Nelson over de blauwe Middellandsche zee; +ze woonde een congres in Berlijn bij en waagde zich in Brussel op een +bal, den nacht voor een beroemden veldslag. En waar de blijdschap was, +daar was Märta Dohna haar uitverkorene. + +Dansend, spelend en schertsend joeg gravin Dohna de wereld rond. Wat +had ze al niet gezien, wat had ze niet beleefd? Tronen omgedanst, +écarté om vorstendommen gespeeld en gelachen, terwijl verwoestende +oorlogen Europa teisterden. + +En als de vreugde geen plaats kon vinden op de tot in een slagveld +veranderde wereld, placht ze voor langer of korter tijd naar het oude, +grafelijke slot aan 't Löfvenmeer te komen. + +Daar was ze ook heengegaan, toen de vorsten en hun hoven haar te +somber werden in den tijd van heilige alliance. Op zulk een bezoek +had zij het in 't hoofd gekregen, Gösta Berling tot huisonderwijzer +van haar zoon te maken. + +Zij voelde zich behagelijk in Wermeland. Nooit had de vreugde een +schooner rijk dan daar. Daar waren zang en spel, mannen, die van +avonturen hielden en schoone, vroolijke vrouwen. Het ontbrak er niet +aan bals en feesten, aan zeiltochtjes op 't meer in den maneschijn +of roeitochtjes, sleetochtjes door donkere bosschen, of schokkende +gebeurtenissen en liefdesvreugd en leed. + +Maar na den dood van haar dochter had ze Borg niet meer bezocht. Ze +was er nu in geen vijf jaar geweest. En nu kwam ze eens zien, hoe haar +schoondochter 't maakte, tusschen de dennenbosschen, de sneeuwhoopen +en de beren. Ze vond het haar plicht eens te gaan zien of die domme +Henrik haar niet had doodverveeld. Zij wilde nu de goede engel van +dat huis zijn. Zonneschijn en geluk bracht ze meê in haar vijf en +twintig volgepakte leeren koffers, vroolijkheid was haar kamermeisje, +scherts haar koetsier, spel haar juffrouw van gezelschap. + +En toen ze de stoep opkwam, werd ze met open armen ontvangen. Haar oude +kamers in de benedenste verdieping stonden altijd voor haar klaar. Haar +knecht, haar juffrouw van gezelschap, haar kamenier, de vijf en +twintig leeren koffers, haar dertig hoedendoozen, haar necessaire, +haar shawls en pelzen, alles kwam langzamerhand in huis. Overal was +drukte en beweging. Er werd met deuren geslagen en de trappen op en +af gedraafd. Het was wel te merken, dat gravin Märta gekomen was. + + + +'t Was een lenteavond, een heerlijke avond, hoewel men nog niet ver in +'t voorjaar was en 't ijs nog niet weggedooid. Juffrouw Marie zat boven +op haar kamertje voor 't open venster, tingelde op de gitaar en zong. + +Ze was zoo verdiept in haar gitaar en haar herinneringen, dat ze +niet merkte, dat er een wagen voor 't huis stilhield. In die wagen +zat gravin Märta en ze had pleizier in juffrouw Marie, die daar in 't +venster zat met de gitaar om den hals, de oogen naar den hemel gericht +en oude, lang vergeten liefdesliedjes zong. Eindelijk stapte de gravin +uit haar wagen en ging het huis binnen, waar de jonge meisjes om het +borduurraam zaten. Ze was niet hoogmoedig. De storm der revolutie was +over haar heengegaan en had haar frissche lucht in de longen geblazen. + +Ze bestelde borduursel bij mevrouw Moraeus en prees de dochters. Ze +bekeek den rozentuin en vertelde van haar reisavonturen. Want zij +beleefde altijd avonturen. Eindelijk waagde zij zich de zoldertrap +op, die gruwelijk steil en smal was en bezocht juffrouw Marie op +haar zolderkamertje. + +Zij liet haar zwarte oogen over dat eenzame, kleine menschje gaan +en haar melodische stem streelde haar ooren. Ze kocht gordijnen van +haar. Ze kon daar op Borg niet leven zonder geknoopte gordijnen voor +alle vensters en op al haar tafels moest ze een paar van juffrouw +Marie's geknoopte kleedjes hebben. + +En toen vroeg ze haar gitaar te leen en zong voor haar van vreugde +en liefde. Ze vertelde haar allerlei verhalen, zoodat juffrouw Marie +zich opeens in de vroolijke, veel bewogen wereld verplaatst voelde. En +er was zulk een muziek in den lach der gravin, dat de vogels in den +rozentuin begonnen te zingen, als zij dien hoorden en haar gezicht, dat +niet mooi meer was--want haar huid was door blanketsel bedorven en om +haar mond lag een trek van ruwe zinnelijkheid--kwam juffrouw Marie zóó +verrukkelijk voor, dat ze niet begreep dat de spiegel, die 't eenmaal +opgevangen had, 't niet voor altijd vasthield. En toen ze heenging, +kuste ze juffrouw Marie en noodigde haar uit op Borg te komen. + +Juffrouw Marie's hart stond leeg als een zwaluwnest op kersttijd. Ze +was vrij, maar ze smachtte naar ketenen als een vrijgemaakte slaaf. + +Nu begon weer een tijd van vreugde en smart voor juffrouw Marie; maar +die duurde niet lang--slechts acht dagen. Ieder oogenblik haalde de +gravin haar naar Borg. Zij speelde comedie voor haar en vertelde haar +van haar aanbidders, en Juffrouw Marie lachte, zooals ze nog nooit +gelachen had. Ze werden de beste vriendinnen van de wereld en spoedig +wist de gravin alles van den jongen orgelmaker en van zijn afscheid. En +in 't donker haalde ze juffrouw Marie over zich in de vensterbank van +het kleine, blauwe kabinet te zetten, hing haar de gitaar om den hals +en liet haar liefdesliedjes zingen. En dan zat de gravin er naar te +kijken, hoe het figuur van de uitgedroogde, magere oude juffrouw met +het leelijke, kleine hoofdje uitkwam tegen den rooden avondgloed, +en zij zei, dat de arme een smachtende burchtjonkvrouw geleek. Maar +alle liedjes zongen van teedere herders en wreede herderinnen en +juffrouw Marie's stem was zoo dun, zoodat ieder begrijpen kan, dat +zulk een comedie allervermakelijkst voor de gravin moest zijn. + +Zoo was er eens feest op Borg; dat was natuurlijk omdat de moeder +van den graaf gekomen was. Het ging er als gewoonlijk vroolijk +toe. Het gezelschap was toch niet groot, 't waren alleen menschen +uit de gemeente. + +De eetzaal lag in de benedenste verdieping en na den maaltijd gingen de +gasten niet meer naar boven, maar men bleef in de kamers van de gravin +Märta bijeen. Toen haalde de gravin Juffrouw Marie's gitaar voor den +dag en begon voor de gasten te zingen. Zij was een vroolijke vrouw, +gravin Märta en zij kon alle menschen nadoen. Nu kreeg zij den inval +Juffrouw Marie na te doen. Zij sloeg de oogen ten hemel en zong met +eene dunne, krijschende kinderstem. + +"Ach, neen, ach neen, Mevrouw de Gravin," smeekte Juffrouw Marie. + +Maar de gravin vond het grappig en de meeste gasten konden 't lachen +niet laten, ofschoon ze wel vonden, dat 't niet aardig was tegenover +Juffrouw Marie. + +De gravin nam een handvol rozenbladen uit een schaal, ging met +tragische gebaren voor Juffrouw Marie staan en zong diep geroerd: + + + "Gij gaat van ons heen! o kom spoedig terug + Steeds wordt ge hier welkom geheeten. + 't Geluk ga met u. O wil nooit op uw tocht + Een, die u zoo liefheeft, vergeten." + + +en toen strooide ze de rozenbladen op Juffrouw Marie's hoofd. + +De gasten lachten, maar Juffrouw Marie werd buiten zich zelf van +drift. Zij zag er uit, alsof zij de gravin de oogen wilde uitkrabben. + +"Je bent een slecht mensch, Märta Dohna" riep ze. "Geen eerlijke +vrouw moest meer met je omgaan." + +Maar nu werd gravin Märta ook boos. + +"De deur uit, Juffrouw! Nu heb ik genoeg van je zotheden." + +"Jawel, ik zal wel heengaan," zei Juffrouw Marie, "als ik maar eerst +geld voor mijn gordijnen krijg." + +"Die prullen," riep de gravin, "wil je nog geld voor die oude prullen +hebben? Neem ze meê. Ik wil ze nooit meer zien. Neem ze dadelijk mee." + +En de gravin rukt de gordijnen af en gooit ze Juffrouw Marie +achterna. Want nu is ze woedend. + +Den volgenden dag, smeekte de jonge gravin haar schoonmoeder, zich +met Juffrouw Marie te verzoenen, maar de gravin wilde 't niet. + +Juffrouw Marie verveelde haar. Toen reed gravin Elisabeth naar haar +toe en kocht haar al haar geknoopte gordijnen af en hing ze op voor +de vensters van de bovenste verdieping. En toen vond Juffrouw Marie, +dat zij in haar eer hersteld was. + +Gravin Märta schertste dikwijls met haar schoondochter over haar +liefde voor geknoopte gordijnen. Maar ze kon ook haar toorn verbergen +en dien jaren lang even frisch bewaren. Want gravin Märta is een +begaafde vrouw. + + + + + + + +XIII. + +NEEF CHRISTOFFEL. + + +Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat +altijd in 't hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat 't vuur niet +uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel +en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals +boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter +zijn pels om. + +Hij was bij den zwerm geweest, die in 't gevolg van den grooten keizer +over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand +met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij +meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had +meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten +heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden +en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden +waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven, +nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende. + +Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te +verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was. + +En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den +Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen +werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend. + +In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen +zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand +veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen +noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij +juist dien naam gekregen had. + +'t Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan +wat anders gewend, dan van 't eene stokje op 't andere te springen +en gevoerd te worden. Doodsgevaar en 't moorden van menschen brachten +eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede. + +'t Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes +niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een +berenjacht was 't eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde +levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele +vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor 't eerst +gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig +als de oorlogskans, prikkelend als 't gevaar, tintelend van leven en +pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs +zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf +jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen +is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.--Hij +moest dieper in zijn pels en dichter bij 't vuur kruipen. + + + +Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de +paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen +bij den haard. + +Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge 't niet? + +De lente, de heerlijke lente is gekomen! + +De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen +kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen +aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij +luiden als met duizend klokjes: "weest blij, de lente is gekomen! de +heerlijke lente!" + +Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt +met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en +van den boom der eer, die op 't slagveld groeit. Voor de oogen van +zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de +lente niet noodig hebben om te bloeien. + +O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den +kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit +zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op +'t kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend +is en geboren is om te vervolgen en te dooden? + +O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den +kavaliersvleugel. Op--drink den vonkelenden wijn des levens in +de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een +brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het +Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht, +maar de inhoud heeft betrekking op u. 't Is zoo wonderlijk u te zien, +terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen +glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen +en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit! + + + +Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt +hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die +aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra +rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard. + +Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij +ook, dat de lente gekomen is. + +Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De +dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen +en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na +een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke +krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit. + +Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen +botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen, +om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn +vreugde te deelen. + +Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem +uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn +horen en wekt alom zalige vreugde. + +En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en +zetten hun paarden aan. 't Geluk zelf staat op de teenen in 't zadel; +en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig +Arabisch paard. + +Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit. + +De lijster roept hem aan: + +"Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?" + +"Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!" antwoordt +neef Christoffel. + +"Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen +zorg!" roept de vogel hem na. + +Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel +af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en +wordt bij de gravin toegelaten. + +Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel +ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op +zijn slot te heerschen. + +Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den +brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van +dat wachten. + +Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht +en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten, +waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen, +begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo +vermakelijk als ze kan. + +"Ja," zegt ze eindelijk, "zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die +gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. 't Is een +ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!" + +De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende +oogen. + +"Ik ben ook oud en arm," zegt hij, "en ik heb tien jaar lang aan den +haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat +soms ook belachelijk!" + +"O, dat is heel wat anders!" barst de gravin uit. + +"God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen +eens anders brood te eten," zegt neef Christoffel ernstig. "Ik heb +geleerd de armoede te eerbiedigen." + +"U ook al!" roept de gravin en heft de handen ten hemel. "Wat zijn +de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!" + +"Ja," zegt hij, "onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer +macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te +deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat, +die met de armoede spot." + +"Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel." + +En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar +Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem +niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet. + +Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de +paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo +gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht +geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit 't +armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om +den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats. + +Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de +lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks +wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al +wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van +den booze te fnuiken. + +Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te +kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn +manchet en gooit dien op 't vuur. God alleen weet, wat hij op dat +oogenblik dacht. + +Misschien verbeeldde hij zich, dat 't gravin Märta zelf was, die daar +op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles +samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo, +er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had. + +Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt +zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in 't hoekje van den haard +zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam +weg als een gevangen arend. + +Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De +wereld staat hem open. 't Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar +hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan. + + + + + + + +XIV. + +DE WEGEN DES LEVENS. + + +Moeilijk zijn de wegen, die de menschen te gaan hebben op aarde. + +Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden! + +Waarom gaat daar zooveel smart ongehinderd haar gang, tot ze +verdwaalt in de woestijn of neerzinkt in 't moeras of neerstort van +de bergen? Waar zijn de kleine boerenmeisjes, waar zijn de prinsessen +uit de sprookjes, in wier spoor rozen groeien; waar zijn zij, die +bloemen moeten strooien op de moeilijke wegen? + +Nu heeft Gösta Berling, de dichter, besloten te trouwen. Hij zoekt +alleen nog maar een bruid, die arm en gering genoeg is voor een +gekken predikant. Schoone, edele vrouwen hebben hem liefgehad; maar +zij zullen niet te voorschijn treden en naar zijn hand dingen. De +verstooteling moet kiezen uit de verstootenen. + +Wie zal hij kiezen? + +Soms komt er een arm jong meisje op Ekeby uit een eenzaam wouddorpje +boven op de bergen; zij verkoopt bezems. In dat stadje, waar altijd +armoede en groote ellende heerscht, zijn er velen, die niet bij hun +volle verstand zijn, en het meisje met de bezems is er een van. + +Maar mooi is ze. Haar lang zwart haar is opgenomen in zulke dikke +vlechten, dat ze ternauwernood plaats kunnen vinden op haar hoofd; +haar wangen zijn fijn gerond, haar neus recht en niet heel groot, +haar oogen blauw. Zij hoort tot de melancholieke, madonna-achtige +type, die men nog vindt onder de mooie meisjes aan de oevers van het +lange Löfvenmeer. + +Dus--nu had Gösta een bruid--een half wijs meisje met bezems is +een goede vrouw voor een gekken predikant. Hij heeft dus maar naar +Karlstad te reizen om ringen te halen, en dan kunnen ze weer eens een +vroolijken dag hebben aan 't Löfvenmeer. Ze zullen nog eens om Gösta +Berling lachen, als hij zich met het bezemverkoopstertje verlooft +en haar trouwt. Wat zullen ze lachen! Een vermakelijker streek heeft +hij nooit uitgehaald! + +Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan: woestijnpaden, +moeraspaden, bergpaden! + +Moet niet de verstootene den weg der verstootenen gaan? Den weg +van toorn, van smaad, van onheil? Wat doet het er toe of hij valt, +of hij te gronde gaat? Is er iemand, die het de moeite waard vindt +hem tot staan te brengen? + +Is er iemand, die hem een helpende hand, een verkwikkenden drank +reikt? Waar zijn de kleine bloemenmeisjes, waar de princessen uit het +sprookje?--waar zijn zij, die rozen moeten strooien op de moeilijke +wegen? + +Neen, neen, de jonge gravin op Borg zal Gösta Berling in zijn plannen +niet storen; zij zal aan haar reputatie denken, aan den toorn van +haar man, aan den haat van haar schoonmoeder; zij zal niets doen om +hem terug te houden. + +Onder de lange godsdienstoefening in de kerk van Svartsjö zal zij haar +hoofd buigen, haar handen vouwen en voor hem bidden. In slapelooze +nachten kan zij misschien over hem schreien en bezorgd voor hem zijn; +maar zij heeft geen bloemen, om op den weg van den verstootene te +strooien, geen droppel water, om den dorstende te reiken, geen lichten +handdruk, die hem van den rand van den afgrond terug kan voeren. + +Gösta Berling geeft er niet om of zijn bruid met zijde en sieraden +getooid is. Hij laat haar van hoeve tot hoeve gaan met bezems, zooals +gewoonlijk; maar als hij alle aanzienlijke mannen en vrouwen uit den +omtrek op Ekeby bijeenverzameld heeft, dan zal hij zijn verloving +afkondigen. Dan zal hij haar uit de keuken binnenroepen, zooals zij +van haar lange zwerftochten komt, met het stof en het vuil van den +weg op haar kleeren, misschien in lompen en met ongekamde haren, met +verwilderde oogen, met verwarde woorden op de lippen. En dan wil hij de +gasten vragen of hij nu niet een bruid gekozen heeft, die goed bij hem +past, of niet de gekke predikant trotsch wezen mag op zulk een schoone +bruid, op dat zachte madonnagezicht, met die blauwe, dwepende oogen. + +Niemand zou er van te voren iets van weten; maar het gelukte hem +niet zijn geheim te bewaren, en éen van hen, die het te weten kwam, +was de jonge gravin Elisabeth Dohna. Maar wat kon zij er aan doen? + +De dag van de verloving is gekomen; de schemering is gevallen. De +gravin staat aan het venster van haar blauwe kabinet, en staart naar +het noorden. Zij gelooft haast, dat zij Ekeby zien kan, hoewel de +nevel en haar tranen haar de oogen verduisteren. Zij ziet duidelijk +het groote huis met de drie verdiepingen; de drie rijen verlichte +vensters stralen. Zij stelt zich voor hoe de champagne ingeschonken +wordt, de toasten hoort ze, en hoe Gösta Berling zijn verloving met +het bezemverkoopstertje afkondigt. + +Als ze nu bij hem stond en stil de hand op zijn arm lei, of alleen +maar hem vriendelijk aanzag, zou hij dan niet terugkeeren van den +slechten weg der verstootenen? Heeft niet een woord van haar hem +tot die wanhopende daad gedreven? Zou niet een woord van haar hem +kunnen terughouden? + +De gravin rilt voor de zonde, die hij begaan zal tegenover dat arme, +ongelukkige kind, dat nu verlokt zal worden hem lief te hebben voor de +grap van éen dag. Misschien ook--en zij rilde nog meer voor de zonde, +die hij tegenover zichzelf beging--om als een drukkende last hem voor +'t leven te bezwaren en zijn geest voor goed de kracht te ontnemen +om zich weer omhoog te werken. + +En alles samen genomen, was het toch haar schuld. Zij had met +veroordeelende woorden hem den slechten weg opgedreven. Zij, die had +moeten zegenen en verzachten, waarom had zij een doorn te meer in de +doornenkroon van den zondaar gevlochten? + +Ja, nu weet ze wat ze doen zal. Zij zal de zwarte paarden voor de +sleê laten spannen, Ekeby binnen stormen, vlak voor Gösta Berling +gaan staan, en hem zeggen, dat ze hem niet veracht, dat ze niet +wist wat zij zei, toen ze hem uit haar huis joeg.... Neen--zoo iets +kon ze toch niet doen. Ze zou verlegen worden en geen woord durven +zeggen. Ze was immers getrouwd en moest voorzichtig zijn. 't Zou tot +allerlei praatjes aanleiding geven, als ze zoo iets deed. Maar als +ze het niet deed, hoe zou het dan met hem gaan? + +Ze moest voort. + +En dan denkt ze er aan, dat ze daar onmogelijk heen kan komen. Om +dezen tijd van het jaar kunnen geen paarden meer over 't Löfvenmeer +gaan. 't IJs is op 't punt van te smelten; 't is al aan den oever +losgeraakt. 't Ligt los, gebarsten en vuil; 't water spiegelt er +door naar boven; op sommige plaatsen staat het op 't ijs in zwarte +plassen, op andere plaatsen is het ijs verblindend wit. Maar voor +'t grootste gedeelte is 't toch grauw en vuil door smeltende sneeuw, +en de wegen gaan er als lange, zwarte strepen overheen. + +Hoe kan zij er aan denken om heen te gaan! Haar schoonmoeder, de +oude gravin Märta, zou het haar nooit toestaan. Den heelen avond +moest zij naast haar in de groote huiskamer zitten en naar de oude +hofgeschiedenissen hooren, die de vreugd van de oude dame zijn. + +Maar de nacht komt. En haar man is niet thuis. Nu is ze vrij! + +Rijden kan ze niet; zij durft de bedienden niet roepen; maar de angst +drijft haar uit haar huis. Ze kan niet anders. + +Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan op aarde. Woestijnpaden, +moeraspaden, bergpaden! + +Maar deze weg in den nacht over het smeltende ijs--waarmede zal ik dien +vergelijken? Is dat niet de weg, dien de kleine bloemenmeisjes zelf +moeten gaan, een onzekere, wankelende, gladde weg, de weg van hen, +die geslagen wonden willen genezen, van hen, die willen oprichten, +de weg van hen met vlugge voeten, met heldere oogen, met moedige, +liefdevolle harten! + +'t Was over middernacht, toen de gravin den oever van Ekeby +bereikte. Zij was op het ijs gevallen, was over de breede kloven +gesprongen, zij was vlug en licht over de plaatsen geloopen, waar +haar voetspoor met water volgeloopen was; zij was uitgegleden. Zij +had gekropen. 't Was een zware gang geweest. Zij had onder 't loopen +geschreid. Zij was nat en moe geworden, en buiten op het ijs hadden +de duisternis, de eenzaamheid en de leegte om haar heen haar angstig +gemaakt. Nu, vlak bij Ekeby, was zij door water van een voet hoog +gewaad, om aan land te komen. + +En toen zij op den oever gekomen was, had zij geen moed voor iets +anders gehad, dan om zich op een steen te zetten en van moeheid en +hulpeloosheid te schreien. + +Moeilijke wegen gaan de menschenkinderen, en de kleine bloemenmeisjes +zinken soms naast hun korf neer, juist als zij degenen bereiken, +op wier wegen zij bloemen willen strooien. + +Deze voorname jonge vrouw was toch een beminnelijk heldinnetje. Zulke +wegen was zij niet gewend te gaan in haar zonnig vaderland. Geen +wonder dus, dat zij aan den oever van het onheilspellende, vreeselijke +meer zit, nat, moe en ongelukkig, en denkt aan de effen, met bloemen +omzoomde paden van haar vaderland. + +Ach, voor haar bestaan Zuid en Noord niet meer. Zij staat midden in het +leven. Zij schreit niet van heimwee; zij schreit, arm bloemenmeisje, +kleine heldin, omdat ze zoo moe is, dat ze hem niet bereiken kan, +op wiens weg ze bloemen wil strooien. Zij schreit, omdat ze gelooft, +dat ze te laat gekomen is. + +Daar komen eenige menschen haastig langs het strand aanloopen. Ze ijlen +haar voorbij, zonder haar te zien, maar ze hoort hun woorden: "Als +de dam doorbreekt, gaat de smidse er aan," zegt de een; "en de molen +en de werkplaats en 't huis van den smid," voegt een ander er bij. + +Dan herleeft haar moed. Zij staat op en volgt hen. + +De molen en de smidse van Ekeby lagen op een smal, vooruitstekend stuk +land, waaromheen de Björksjöbeek bruiste. Die kwam bruisend tegen de +landpunt aan, wit schuimende van den geweldigen val daarboven, en +om de bebouwde streek voor het water te beschutten, lag er in dien +tijd een geweldige golfbreker voor. Maar de kisting was oud en de +kavaliers hadden 't roer in handen. Zij dansten over stok en steen; +maar zij hadden geen tijd om toe te zien, hoe de koude en de tijd de +oude steenen kisting hadden geteisterd. + +Toen kwam het water in 't voorjaar en de kisting begon te wijken. + +De waterval bij Ekeby is een geweldige grauw steenen trap, waar de +golven van de Björksjöbeek bruisend langs storten. Ze worden duizelig +van de vaart, tuimelen omver en bonzen tegen elkaar. Ze stuiven in +toorn op en bespatten elkaar met schuim, vallen nu over een steen, +dan over een stok, en springen weer op, om opnieuw te vallen, al +schuimend en proestend en donderend. + +En die wilde, opgehitste golven, door de lentelucht als in een roes, +dronken door hun pas herwonnen vrijheid, loopen nu storm op den +ouden steenen muur. Zij komen, werkend en proestend, stormen hoog +op hem af, en trekken zich weer terug, alsof zij hun witte koppen +gestooten hebben. Maar 't is een stormloopen: zij gebruiken groote +ijsstukken als schild, stukken hout als stormrammen; zij storten, +bonzen en bruisen tegen den armen muur op, tot het opeens is, alsof +deze hun een: "Wees voorzichtig!" toeroept. Zij stuiven terug, en een +groote steen, die van de kisting is losgeraakt, komt hen achterna en +zinkt bulderend in den stroom. + +'t Is alsof zij daarvan geschrikt zijn; zij staan stil, ze jubelen, +ze houden raad, en dan stuiven ze weer voort. Daar zijn ze weer met +ijsblokken en stukken hout, vol dwaze streken, onbarmhartig, wild, +dol van vernielzucht. + +"Als die kisting maar weg was," zeggen de golven; "als die kisting +maar weg was! Dan kwamen de smidse en de molen aan de beurt. + +"De dag der vrijheid is gekomen--weg met de menschen en het +menschenwerk. Ze hebben ons besmeerd met steenkool; ze hebben ons +onder 't juk gebracht als ossen, ons in 't rond laten rijden, ons +opgesloten, ons met planken den weg versperd, ons gedwongen de zware +wielen te trekken, de lompe blokken timmerhout te dragen! + +"Maar nu willen we ons vrijmaken. + +"De dag der vrijheid is gekomen! Hoort het, o, golven daar boven, +in Björksjö. Hoort het, broeders en zusters in moeras, beek en +woudstroom; komt, komt, stort u weêr in de Björksjöbeek; komt met +frissche krachten, bulderend, suizend, om 't juk van eeuwen te breken, +komt, komt! Het bolwerk der tirannie moet vallen. Dood over Ekeby!" + +En zij komen. Golf aan golf stort neer langs den waterval, om tegen +de kisting storm te loopen, om mee te helpen aan 't groote werk. Als +in een roes door de pas herwonnen vrijheid, in grooten getale, als +éen man, komen ze en maken steen voor steen los. De eene aardkluit +na de andere vegen ze weg van den wankelenden golfbreker. + +Maar waarom laten de menschen toch de woeste golven razen, zonder +weerstand te bieden? Is Ekeby uitgestorven? + +Neen, er zijn menschen, een radelooze, verwarde, hulpelooze schare. De +nacht is donker, ze kunnen elkaar niet zien, ze kunnen niet zien waar +ze loopen. De waterval bruist geweldig; er is een vervaarlijk gedruisch +van barstend ijs en tegen elkaar bonzend hout. Ze kunnen niet hooren, +wat ze zeggen. + +De woestheid, die over de bruisende golven is gekomen, vult ook de +hersens der menschen; zij hebben geen enkele gedachte in hun hoofd; +zij zijn als zinneloozen. + +De fabrieksklok luidt: "Hij, die oore heeft om te hooren, die +hoore. Wij hier, bij Ekeby's smidse, zijn den ondergang nabij. De +beek valt ons aan. De dam wankelt, de smidse is in gevaar, de molen +ook en onze eigen armelijke huisjes, die we liefhebben, hoe klein ze +ook zijn." + +De golven meenen zeker, dat het klokgelui hun vrienden roept, want +er vertoont zich geen mensch. Maar in 't bosch en in 't moeras komt +beweging. "Help, help!" roept de klok. "Na eeuwen van slavernij hebben +we ons eindelijk vrijgemaakt. Komt, komt!" + +De bruisende golven en de luidende fabrieksklok zingen het doodslied +over Ekeby's eer en roem. + +En intusschen wordt de eene bode na den anderen naar de kavaliers +gezonden. + +Zijn zij in een stemming om aan de smidse en den molen te denken? + +Honderden gasten zijn in Ekeby's groote zalen bijeen. 't Meisje met de +bezems wacht in de keuken. Het spannend oogenblik van de verrassing +is gekomen. De champagne parelt in de glazen. Julius staat op om den +eersten toast te houden. Al de oude avonturiers verheugen zich over +de stomme verbazing, die over het gezelschap zal komen. + +Buiten op 't ijs van het Löfvenmeer gaat de jonge gravin Dohna een +duisteren, levensgevaarlijken gang, om Gösta Berling een waarschuwend +woord te kunnen toefluisteren, + +Aan de beek loopen de golven storm op Ekeby's eer en aanzien; maar +in de groote zalen heerscht alleen vreugde en gespannen verwachting; +de kaarsen schitteren, de wijn stroomt; daarbinnen denkt niemand aan +wat daarbuiten gebeurt, in den donkeren, stormachtigen voorjaarsnacht. + +Nu is het oogenblik gekomen. Gösta staat op en gaat zijn bruid +halen. Hij moet door de vestibule. De groote deuren staan wijd open; +hij blijft staan; hij ziet naar buiten in den stikduisteren nacht. En +hij hoort, hij hoort! + +Hij hoort de klok luiden, de beek bruisen; hij hoort het gedreun van +het barstende ijs, het gedruisch van het tegen elkaar bonzend hout, +den bruischenden, honenden, fieren overwinnaars- en vrijheidszang +van de golven. + +Dan vergeet hij alles en vliegt naar buiten in den nacht. Zijnentwege +mogen zij daarbinnen blijven staan met opgeheven glazen en wachten +tot den jongsten dag, hij geeft er niet om. Zijn bruid mag wachten, +Julius' toast op zijn lippen besterven. Vannacht worden er geen +ringen gewisseld; geen stomme verbazing zal het schitterend gezelschap +vervullen. + +Wee u, gij oproerige golven; nu geldt het in waarheid een strijd voor +de vrijheid! Nu komt Gösta Berling naar de beek; nu hebben de lieden +een aanvoerder, nu staan de verdedigers op de muren; nu begint een +geweldige strijd. + +Hoor, hoe hij de menigte toeroept! Hij beveelt, hij zet allen aan +'t werk. + +"Licht moeten we hebben, allereerst licht. Hier hebben we niet genoeg +aan de hoornen lantaarn van den molenaar. Zie die hopen takken daar, +draag ze hierheen en steek ze in brand. Dat is werk voor vrouwen en +kinderen. Gauw maar! Maak een groot vuur van takken. Dat zal ons bij +'t werk lichten; dat wordt van verre gezien en roept hulp hierheen. En +zorg er voor, dat het niet uitgaat; haal stroo en sprokkelhout, +en laat de heldere vlammen tot de wolken gaan. + +"Hier, mannen, hier is werk voor jullie. Hier is hout en planken, +timmert een noodkisting, dien we voor den wankelenden muur kunnen +neerlaten. Snel aan 't werk! Maakt hem sterk en vast. Houdt steenen en +zakken met zand klaar, om hem te doen zinken. Vlug, neemt je bijlen, +laat de hamerslagen dreunen, zet de boor in 't hout, en laat de zaag +door de droge planken gaan. + +"En waar zijn de jongens? Hierheen! Komt voor den dag, wilde +rekels. Haalt stangen, haalt bootshaken, en komt hier midden in +'t gevecht. Op den dam, jongens! Midden tusschen de golven, al +schuimen en koken ze ook, en bespatten ons met hun wit schuim. Weert +ze af, verzwakt ze, weert ze af, die aanvallen, die de muren doen +barsten. Schuift de stukken timmerhout en de ijsblokken op zij; gaat +liggen, als 't niet anders kan, en houdt de losgerukte steenen met je +handen vast; bijt er in, pakt ze met ijzeren vuisten. Vechten! jongens, +deugnieten, wilde katers! Hier op de muren met jelui! Wij zullen +vechten om iederen duimbreed grond!" + +Zelf gaat Gösta 't verst vooruit op den dam, en staat midden in 't +schuim, terwijl de grond onder zijn voeten beeft. De golven brullen +en razen, maar zijn woest hart geniet van het gevaar, van de onrust +en den strijd. Hij lacht, hij heeft vroolijke invallen voor de jongens +om zich heen op den dijk; nooit woonde hij een vroolijker nacht bij. + +Het reddingswerk gaat goed vooruit. Het vuur vlamt op, de bijlen +dreunen, de dam houdt nog. + +Ook de andere kavaliers en de honderd gasten zijn aan den waterval +gekomen. Van heinde en ver komen menschen; allen zijn aan 't werk +bij de vuren, de kisting bij de zandzakken en op de wankelende, +bevende, steenen kisting. Ziezoo, nu is de kisting klaar. Nu moet hij +neergelaten worden voor den wankelenden, schuddenden golfbreker. Houdt +de steenen en zandzakken klaar, en de bootshaken en de touwen, +opdat hij niet weggeslagen worde, opdat de menschen overwinnen en de +onderworpen golven tot hun slavernij terugkeeren. + +Daar, op het beslissende oogenblik, krijgt Gösta een vrouw in het +oog, die op een steen aan de beek zit. De vlammen van het takkenvuur +verlichten haar, zooals ze daar zit en op de golven staart. Hij kan +haar niet duidelijk zien door den mist en het schuim: maar zijn oogen +worden onophoudelijk tot haar getrokken. Telkens en telkens moet hij +naar haar zien; het is alsof die vrouw juist hem wat te zeggen heeft. + +Onder al die honderden, die aan den oever zich bewegen en werken, is +zij de eenige, die stil zit, en zijn blik zoekt haar onophoudelijk, +hij ziet alleen haar. + +Zij zit ver vooruit, zóo ver, dat de golven om haar voeten slaan en +'t schuim over haar heen spat. Zij moet druipnat zijn. Zij is donker +gekleed, heeft een zwarte sjaal om het hoofd, zit in elkaar gedoken, +met de hand onder de kin, en staart onophoudelijk naar hem heen, naar +den golfbreker. Hij voelt, dat die starende oogen trekken en lokken, +hoewel hij haar gezicht niet onderscheiden kan; hij denkt aan niets +anders dan aan haar, die daar aan den oever bij de witte golven zit. + +"'t Is de meermin uit het Löfvenmeer, die hierheen de beek op is +gekomen, om mij in 't ongeluk te lokken," denkt hij, "Zij zit daar +en lokt en lokt; ik moet haar wegjagen." + +Het komt hem voor, alsof al die golven, met de witte koppen het leger +van die vrouw zijn; zij heeft ze opgehitst, zij heeft ze tot dezen +aanval op hem aangevoerd. + +"Ik moet ze immers wel wegjagen," zegt hij. Hij grijpt een bootshaak, +springt aan land en snelt op de vrouw toe. Hij verlaat zijn plaats op +de buitenste punt van den golfbreker, om de meermin weg te jagen. Het +was hem in dit oogenblik van overspanning alsof de booze machten uit +de diepte tegen hem streden. Hij wist niet wat hij dacht, wat hij +geloofde; maar hij moest die zwarte wegjagen van steen tot steen, +daar aan den oever. + +Ach, Gösta, waarom is uw plaats ledig in 't beslissend oogenblik! Nu +komen ze met de kisting; een lange rij mannen staan op den golfbreker; +zij hebben touwen en steenen en zandzakken klaar, om hem te laten +zakken en vast te leggen; zij staan klaar en wachten en luisteren. Waar +is de bevelhebber? Waar is de stem, die gebiedt en regelt? + +Neen, Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zijn stem wordt niet +gehoord; zijne bevelen leiden 't werk niet. + +Dus moet de kisting zonder hem worden neergelaten. De golven wijken +op zij; hij stort neer in de diepte, en steenen en zandzakken achter +hem aan. Maar hoe werd het werk zonder leider uitgevoerd! Zonder +voorzichtigheid, zonder orde! de golven bruisen weer voort; met +vernieuwde razernij strijden zij met dit nieuw beletsel; zij rollen +de zandzakken op zij, rukken de touwen stuk, maken de steenen los, +en zie--het lukt! het lukt! Honend, jubelend, tillen ze de heele +kisting op hun schouders, rukken en trekken--en nu hebben ze hem in +hun macht. Weg met die ellendige verschansing! In 't Löfvenmeer er +mee! En dan opnieuw op den wankelenden, hulpeloozen, steenen dam aan. + +Maar Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zij zag hem aankomen +met de bootshaak. Zij werd bang. 't Scheen wel of zij in 't water +wilde springen; maar zij bedenkt zich en springt aan land. + +"Meermin!" roept Gösta, en zwaait de bootshaak over haar hoofd. Zij +vlucht in de elzestruiken aan den oever, raakt vast in de dichte +takken en blijft staan. + +Dan werpt Gösta Berling de bootshaak weg, gaat naar haar toe en legt +de hand op haar schouder. + +"U is vanavond laat buiten, gravin Elisabeth," zegt hij. + +"Laat mij met rust; laat mij naar huis gaan." + +Hij gehoorzaamt oogenblikkelijk en keert zich om. + +Maar omdat zij niet alleen een voorname dame, maar eigenlijk een goed +mensch is, die de gedachte niet kan verdragen, dat zij een ander tot +vertwijfeling gebracht heeft; omdat zij een klein bloemenmeisje is, +die altijd rozen genoeg in haar korf heeft, om ook den eenzaamsten weg +te versieren, heeft zij dadelijk spijt, loopt hem na en vat zijn hand. + +"Ik kwam...." zegt zij, stotterend, "ik kwam om te.... ach!.... o, +u hebt het toch niet gedaan? Toe, zegt u me, dat u 't niet gedaan +hebt! Ik werd zoo bang, toen u op me afkwam; maar ik zocht u juist. Ik +wou u vragen er niet meer aan te denken, wat ik laatst gezegd heb, +maar weer als vroeger bij ons te komen." + +"Hoe is mevrouw de gravin hierheen gekomen?" + +Zij lacht zenuwachtig. "Ik weet wel, dat ik te laat zou komen; maar +ik wilde niemand zeggen, dat ik wegging, en dan ook.... u weet wel, +dat men niet meer over het meer kan rijden." + +"Is u dan over 't meer geloopen?" + +"Ja, ja, dat ben ik.... maar antwoord me nu. Is u verloofd? U begrijpt +wel, dat ik zoo graag zou willen, dat 't niet waar was. 't Is immers +toch verkeerd en 't is alsof 't mijn schuld zou zijn, alles mijn +schuld! U moest niet zoo aan een woord van mij hechten. Ik ben immers +een vreemde, die de gebruiken van het land niet kent. Het was zoo +leeg op Borg, sinds u niet meer bij ons kwaamt." + +Zooals Gösta Berling daar nu staat, tusschen de natte elzestruiken +op den moerassigen grond, is het alsof iemand handevol rozen over hem +strooit. Tot aan de knieën staat hij in de rozen; zij schitteren voor +zijn oogen, in 't donker; hij ademt begeerig hun geur in. + +"Is het gebeurd?" herhaalt zij. + +Hij moet haar antwoorden en een einde aan haar angst maken, hoewel +hij er zoo gelukkig door is. Hoe warm wordt het in hem en hoe licht, +als hij er aan denkt, wat voor een weg zij gegaan is, hoe nat zij is, +hoe moe, hoe bang ze moet zijn en hoe haar stem vol tranen is. "Neen," +zegt hij, "Ik ben niet verloofd." + +Dan grijpt ze nog eens zijn hand en drukt die. "Ik ben zoo blij, +zoo blij," zegt zij, en haar borst, die door angst is samengeknepen +geweest, trilt nu door haar snikken. + +Nu zijn er bloemen genoeg op den weg van den dichter. Al wat donker +en slecht en hatelijk is, smelt weg uit zijn hart. + +"Wat is u goed, wat is u goed," zegt hij. + +Dicht bij hen loopen de golven storm op al de eer en heerlijkheid van +Ekeby. Nu hebben de menschen geen leider meer, niemand, die hun moed +en hoop inspreekt. Nu stort de golfbreker omver, de golven sluiten +zich over hem, en storten, trotsch als overwinnaars, naar de landpunt, +waar de molen en de smidse liggen. Niemand werkt meer om de golven +weerstand te bieden, niemand denkt nu aan iets anders dan aan leven +en have te redden. + +De twee jonge menschen vinden het zoo natuurlijk, dat Gösta de gravin +naar huis brengt; hij kan haar immers niet alleen laten in den +duisteren nacht, haar niet nog eens alleen over het smeltende ijs +laten gaan. Zij denken er niet eens aan, dat men hem noodig heeft, +daar ginds bij de smidse; zij zijn er zoo blij om, dat ze weer goede +vrienden zijn. + +'t Ligt zoo voor de hand te gelooven, dat deze jonge menschen een +warme liefde voor elkaar koesteren; maar wie kan dit zeker weten? In +losse en verspreide stukken heeft het schitterende sprookje van hun +leven mij bereikt. Ik weet immers niets van wat er diep in hun zielen +leefde. Wat kan ik zeggen van de motieven tot hun daden? Ik weet +alleen, dat in dien nacht een jonge schoone vrouw haar leven, haar eer +en naam, haar gezondheid waagde, om een armen stumper op den goeden +weg terug te brengen. Ik weet alleen, dat in dien nacht Gösta Berling +het geliefde landgoed liet ondergaan, om met haar mee te gaan, die +om zijnentwil de vrees voor dood en schande en straf overwonnen had. + +Vaak heb ik hen in gedachten over 't ijs gevolgd, dien vreeselijken +nacht, die toch voor hen zoo goed afliep. Ik geloof niet, dat er +in hun ziel iets verborgens of verbodens was, dat onderdrukt moest +worden op dat oogenblik, terwijl zij vroolijk over het ijs loopen, +over alles pratende, wat er in den tijd van hun scheiding gebeurd was. + +Hij is weer haar slaaf, haar page, die aan haar voeten ligt, en zij +is zijn dame. Zij zijn alleen blij, enkel gelukkig. Geen van hen zegt +een woord, dat op liefde doelt. Lachende plassen zij door 't water aan +den oever. Zij lachen, als ze verdwalen en als ze den weg vinden, als +ze glijden en als ze vallen, en als ze weer opstaan,--altijd lachen ze. + +'t Is weer een vroolijk spel, dit gezegende leven, en zij zijn +kinderen, die ondeugend geweest zijn en gekibbeld hebben. + +Ach! wat is 't heerlijk weer goede vrienden te zijn en weer als +vroeger samen te spelen! + +'t Gerucht zweefde heen en weer en te zijner tijd bereikte Anna +Stjärnhök het gerucht van deze wandeling. + +"Nu zie ik," zei ze, "dat God meer dan een snaar op zijn lier heeft. Ik +zal mijn hart tot rust brengen en hier blijven, waar men mij noodig +heeft. God kan een man van Gösta Berling maken, ook zonder mijn hulp." + + + + + + + +XV. + +BOETE. + + +Lieve vrienden, als 't u ooit gebeuren mocht, dat ge een armen stumper +op uw weg ontmoet, een bedroefd wezentje, dat haar hoed op den rug +laat hangen en de schoenen in de hand draagt, om ook niet de minste +beschutting tegen de gloeiende zon en de steenen op den weg te hebben, +een hulpelooze, die uit vrijen wil alle smarten laat neerdalen op +haar hoofd--gaat haar voorbij met eerbiedig beven. + +'t Is de boetvaardige, weet ge?--de boetelinge op weg naar het +heilige graf. + +De boetelinge draagt een ruwen mantel en leeft van water en brood, +al is hij ook een koning. Hij moet loopen en mag niet rijden. Hij +moet bedelen--hij mag niets bezitten. Hij moet tusschen de distels +slapen. Hij moet de harde grafsteenen uithollen met de knieën. Hij +moet den geesel over zijn rug laten gaan. Hij kan slechts vreugde in +lijden vinden, geen ander genot dan in smart. + +De jonge gravin Elisabeth was eenmaal een van hen, die den ruwen +mantel droegen en den weg der doornen gingen. Haar hart klaagde haar +aan. Zij smachtte naar lijden, als de vermoeide naar een verkwikkend +bad. Nood en ellende bracht zij over zich, en jubelend daalde zij +neer in den nacht van smart. + +Haar man, de jonge graaf met het oude hoofd, kwam op Borg terug, +den morgen na den nacht, toen de molen en de smidse van Ekeby door +den stroom waren verwoest. Hij was pas thuis gekomen, toen Gravin +Märta hem roepen liet en hem wonderlijke dingen vertelde. + +"Je vrouw is uit geweest vannacht, Henrik. Zij bleef vele uren weg. Ze +kwam thuis met een man. Ik hoorde hem haar goeden nacht zeggen. Ik +weet ook wie hij is. Ik zag haar uitgaan en terugkomen;--dat was +zeker haar bedoeling niet. Zij bedriegt je, Henrik. Ze bedriegt je, +dat schijnheilige wezen. Ze heeft je nooit liefgehad, mijn arme +jongen. Haar vader wilde haar alleen maar goed getrouwd hebben. Zij +nam je alleen om bezorgd te zijn." + +Zij deed haar woord zoo goed, dat graaf Henrik buiten zichzelf was. Hij +wilde scheiden. Hij wilde zijn vrouw naar haar vader terugzenden. + +"Neen, mijn jongen," zei Gravin Märta; "op die manier zou ze heelemaal +te gronde gaan. Zij is verwend en heeft een slechte opvoeding +gehad. Laat haar maar aan mij over; ik zal haar wel tot haar plicht +terugbrengen." + +En de graaf liet de gravin binnenroepen, om haar te zeggen, dat zij +voortaan onder zijn moeder zou staan. Ach, welk een tooneel volgde +er nu! Een jammerlijker comedie werd er wel nooit gespeeld in dit +huis der smart. + +Vele booze woorden sprak hij tot haar. Hij hief zijn handen ten hemel +en klaagde dien aan, omdat hij toegelaten had, dat zijn naam door +een schaamtelooze vrouw door het slijk gesleurd werd. Hij dreigde +haar met de gebalde vuist en vroeg haar welke straf ze groot genoeg +achtte voor een misdaad als de hare. + +Zij was in 't geheel niet verlegen voor haar man. Ze meende nog steeds, +dat ze goed gehandeld had. Ze zeide hem, dat ze al een geduchte +verkoudheid had opgedaan, en dat dàt straf genoeg was. + +"Elisabeth," zegt gravin Märta; "dit is niet iets om gekheid over +te maken." + +"Wij beiden," antwoordt de jonge vrouw, "zijn 't nooit eens kunnen +worden over den rechten tijd voor ernst en gekheid." + +"Maar je moet toch begrijpen, Elisabeth, dat geen eerbare vrouw midden +in den nacht uit haar huis gaat, om met een berucht avonturier rond +te zwerven." + +Toen begreep Elisabeth Dohna, dat haar schoonmoeder besloten had +haar ongelukkig te maken. Ze begreep dat ze tot het uiterste moest +strijden, opdat het haar niet gelukken zou een vreeselijke ellende +over haar te brengen. + +"Henrik," smeekte zij, "laat je moeder zich niet tusschen +ons zetten. Laat mij je vertellen hoe alles gegaan is. Je bent +rechtvaardig; je zult me niet veroordeelen zonder me te hooren. Laat +mij je alles vertellen, en dan zul je zien, dat ik alleen gehandeld +heb zooals je me geleerd hebt." + +De graaf knikte zwijgend, als teeken van toestemming. En gravin +Elisabeth vertelde nu hoe zij er toegekomen was Gösta Berling op den +verkeerden weg te drijven. Zij vertelde alles, ook hoe zij door haar +geweten gedreven was geworden uit te gaan en hem te redden, wien zij +onrecht gedaan had. "Ik had immers geen recht hem te veroordeelen," +zeide zij, "en mijn man heeft mij zelf geleerd dat geen offer te +groot is, als men een onrecht goed wil maken, niet waar, Henrik?" + +Graaf Henrik wendde zich tot zijn moeder. + +"Wat zegt moeder hiervan?" vroeg hij. Zijn klein lichaam was nu +heelemaal stijf van waardigheid, en zijn hoog, smal voorhoofd lag in +majestueuze plooien. + +"Ik?" vroeg de gravin; "ik zeg, dat Anna Stjärnhök wel wist wat ze +deed, toen ze Elisabeth die historie vertelde." + +"Moeder begrijpt me niet," zei de graaf. "Ik vraag wat moeder van +die historie zegt. Heeft gravin Märta Dohna beproefd haar dochter, +mijn zuster, over te halen met een ontslagen predikant te trouwen?" + +Gravin Märta zweeg een oogenblik. Ach, wat was Henrik toch dom! Nu +jaagde hij immers op het verkeerde spoor. Haar jachthond zette den +jager na en liet den haas loopen. Maar gravin Märta bleef nooit lang +een antwoord schuldig. + +"Beste jongen," zei ze en haalde de schouders op, "er is alle reden om +die oude histories te laten rusten, dezelfde reden, waarom ik je ook +verzoek alle publiek schandaal te voorkomen. 't Is namelijk hoogst +waarschijnlijk, dat hij vannacht omgekomen is." + +Ze zei dit op zachten, treurigen toon--maar er was geen woord waar +van al wat ze zei. + +"Elisabeth heeft lang geslapen vanmorgen, en heeft daardoor niet +gehoord, dat er al menschen om het meer heen zijn gezonden om Gösta +Berling te zoeken. Hij is niet naar Ekeby teruggekomen, en men vreest +dat hij verdronken is. 't IJs is van morgen gaan kruien. Zie maar, +de storm heeft het aan duizend stukken geslagen." + +Gravin Elisabeth zag naar buiten. Het meer was bijna vrij van ijs. + +Toen schaamde zij zich over zichzelf. Zij had God's rechtvaardigheid +willen ontvluchten. Zij had gelogen en gehuicheld. Zij had zich gehuld +in 't kleed van de onschuld. + +De wanhopige vrouw wierp zich op de knieën voor haar man, en de +bekentenis barstte los van hare lippen. + +"Veroordeel me, verstoot me! Ik heb hem liefgehad. Twijfel er niet aan +of ik hem heb liefgehad! Ik ruk mij de haren uit; ik verscheur mijn +kleeren van smart. Ik geef om niets meer, nu hij dood is. Ik wil mij +niet meer verdedigen. Je zult alles weten. Ik heb de liefde van mijn +hart van mijn man weggenomen en die aan een vreemde gegeven. Ach, +ik ongelukkige, ik heb mij laten verlokken tot verboden liefde." + +Arme, jonge, wanhopige vrouw! Lig daar aan de voeten van uw rechters en +zeg hun alles. Wees welkom, martelaarschap! Wees welkom, schande! Ach, +kondt gij den bliksem van den hemel afroepen over uw jong hoofd! + +Zeg uw man, hoe ontzet ge waart, toen de hartstocht over u kwam, +geweldig en onweerstaanbaar, hoe ge hebt gesidderd over de ellendigheid +van uw hart. Liever hadt ge de spoken op het kerkhof van aangezicht +tot aangezicht gezien, dan de demonen in uw eigen ziel. + +Zeg hun, hoe gij, van Gods aangezicht verdreven, u onwaardig voelde +op aarde te zijn. Onder tranen en gebeden hebt ge gestreden. "O, +God, red mij! O, Zone Gods, die de duivelen uitdrijft, red mij," +hebt gij gebeden. Zeg hun, dat ge meendet, dat het 't best was alles +te verbergen. Niemand zou weten hoe slecht ge waart. Ge meendet, dat +het God welbehagelijk was zoo te handelen. Ge geloofdet ook, dat het +de weg Gods was, dien ge gingt, toen ge den man, dien ge lief hadt, +wilde redden. Hij wist niets van uwe liefde. + +Hij zou niet verloren gaan om uwentwil. Wist gij wat recht of wat +onrecht was? God alleen wist het en hij had u veroordeeld. Hij had +den afgod van uw hart getroffen. Hij had u gevoerd op den grooten +weg der boete en der verlossing. + +Zeg hun, dat ge weet, dat verbergen geen redding brengt. De demonen +hebben het duister lief. Laat de handen van uw rechters zich maar om +den geesel klemmen. De straf zal als verzachtende balsem op de wond +der zonden dalen. Uw hart smacht naar lijden. + +Zeg hun dit alles, terwijl ge daar op uw knieën ligt op den vloer, +de handen wringt in uw vreeselijke smart, spreekt op den woesten +toon der vertwijfeling en met een wilden lach de gedachte begroet +aan straf en schande, tot uw man u aangrijpt en u opheft van den vloer. + +"Gedraag je zooals 't een gravin Dohna past; anders zal ik moeder +moeten verzoeken je als een kind te tuchtigen." + +"Doe met mij wat je wilt!" + +Daar valt het vonnis van den graaf: + +"Moeder heeft voor je gesproken. Daarom mag je in mijn huis blijven +wonen. Maar in 't vervolg zal zij bevelen en jij gehoorzamen." + + + +Zie den weg der boete! De jonge gravin is de geringste der +dienstmaagden geworden. + +Hoe lang, ach, hoe lang? + +Hoe lang zal een trotsch hart zich kunnen buigen? Hoe lang ongeduldige +lippen zwijgen? Hoe lang een heftige hand teruggehouden worden? + +Weldadig is de ellende der vernedering. Terwijl de rug zeer doet door +den zwaren arbeid, zwijgt het hart. Bij hen, die maar een paar uren +op den harden stroozak rusten, komt de slaap ongeroepen. + +Zelfs als de oude vrouw tot een boozen geest wordt, om de jonge genoeg +te kunnen plagen, dankt zij haar weldoenster. Nog is het kwaad niet +dood in haar. Jaag de doodmoede op, ieder morgen om vier uur. Draag de +ongeoefende werkster een zware dagtaak op aan 't zware weefgetouw. Dat +is goed! De boetvaardige heeft misschien geen kracht genoeg om zelf +den geesel voldoende te zwaaien. + +Als de tijd van de groote voorjaarswasch komt, laat gravin Märta +haar aan de tobbe in 't waschhok staan. Zij komt zelf om op 't werk +toe te zien. "'t Water in je tobbe is koud," zegt zij, neemt kokend +water uit een pan en giet het haar over de bloote armen. + +'t Is een koude dag, als de waschvrouwen aan het meer moeten staan +en het goed uitspoelen. + +Regenbuien stroomen op hen neer, met sneeuw vermengd, en doorweeken hun +kleeren. Die worden koud en zwaar als lood.'t Is een hard werk wat ze +moeten doen. Het bloed springt te voorschijn van onder de fijne nagels. + +Maar gravin Elisabeth klaagt niet. Gods goedheid zij geloofd! Waar +vindt de boetvaardige meer verlichting dan in lijden? Als rozebladen +dalen de geeselslagen op haar rug. + +De jonge vrouw verneemt spoedig, dat Gösta Berling leeft. De oude heeft +haar door list tot bekentenis willen brengen. Maar wat zou dat? Het +was Gods wil. God heeft het zoo beschikt. Zoo is de zondares op den +reddenden weg der verzoening gelokt. + +Er is maar één ding, dat haar beangstigt. Hoe zal het haar schoonmoeder +gaan, wier hart om harentwille verhard werd? O, God zal haar genadig +oordeelen. Zij moet boos zijn, om de zondares te helpen Gods liefde +te herwinnen. + +Zij wist niet hoe vaak een ziel, die alle ander genot beproefd +heeft, eindelijk haar vreugde in wreedheid zoekt. Als de ongeduldige, +verduisterde ziel vleierij en liefkoozingen, de prikkeling van dans en +spel mist, dan zinkt ze neer in haar eigen duistere diepte en zoekt de +wreedheid. Dan is er nog een bron van genot voor het verslapt gevoel in +'t pijnigen van dieren en menschen. + +De oude is zich geen boosaardigheid bewust. + +Ze gelooft, dat ze een lichtzinnige echtgenoote straft. Ze ligt des +nachts wakker en bedenkt nieuwe pijnigingen. Wee haar, ze bedrijft +heiligschennis. De arbeid zelf, die groote weldaad, verandert zij in +een straf en een plaag. + +Op een avond gaat zij door het huis en laat de gravin haar met een +kaars bijlichten. + +Zij draagt die in de hand zonder blaker. + +"De kaars is opgebrand," zegt de jonge gravin. + +"Laat dan den kandelaar branden," antwoordt gravin Märta. + +En zij gaan voort, tot de walmende pit uit gaat op de verbrande hand. + +Maar dit zijn maar kleinigheden. Er zijn pijnigingen voor de ziel, +die alle lichamelijke pijnen te boven gaan. Gravin Märta noodigt +gasten en laat de huisvrouw dienen aan haar eigen tafel. + +Zie, dat is een vreeselijke dag voor de boetelinge. Vreemde menschen +zullen haar in haar vernedering zien. Zij zullen het zien, dat zij +niet meer waardig is aan de tafel van haar man te zitten. O, hoe +honend zullen hun koele blikken op haar rusten! Maar 't is erger, +veel erger! Niemand ziet haar aan. Allen zitten stil en gedrukt aan +tafel. Mannen en vrouwen zijn even ontstemd. Maar zij verzamelt al +die dingen en legt ze als gloeiende kolen op haar hoofd. Is haar +zonde zóo vreeselijk? Is het een schande, in haar nabijheid te zijn? + +Maar dan komt de verzoeking: Anna Stjärnhök, die haar vriendin geweest +is, en haar buurman, de rechter van Munkerud, slaan de armen om haar +heen, als ze bij hen komt, nemen haar den schotel met vleesch uit de +hand, schuiven een stoel aan en willen haar niet loslaten. + +"Kom hier zitten, mijn kind, kom hier zitten," zegt de rechter. "Je +hebt niets kwaads gedaan." + +En als uit éen mond verklaren alle gasten dat zij, als zij niet aan +tafel blijft zitten, allen zullen heengaan. Zij zijn geen beulen. Zij +willen niet naar de pijpen van gravin Märta dansen. Zij laten zich +niet zoo gemakkelijk wat wijs maken als die schaapskop van een graaf. + +"Ach, goede heeren, ach, lieve vrienden! Weest niet zoo barmhartig. U +dwingt er me toe zelf mijn zonde bekend te maken. Er is éen, dien ik +te lief gehad heb." + +"Kind, je weet niet eens wat zonde is. Je weet niet hoe onschuldig je +bent. Gösta Berling wist immers niet eens, dat je van hem hield. Neem +nu in je huis de plaats weer in, die je toekomt. Je hebt niets +kwaads gedaan." + +Zij doen haar moed herleven voor een poosje, en zijn op eens zelf +zoo vroolijk als kinderen. Gelach en scherts klinken om de tafel. Die +driftige, lichtbewogen menschen, ze zijn zoo goed; maar ze zijn toch +van den Booze gezonden. Zij willen haar wijsmaken dat ze een martelares +is, en honen openlijk gravin Märta, alsof ze een heks was. Maar zij +begrijpen het niet. Ze weten niet hoe de ziel naar reinheid smacht; +zij weten niet hoe de boetvaardige door haar hart gedwongen wordt de +steenen op den weg en de gloeiende zon te verdragen. + +Soms dwingt gravin Märta haar dagen lang aan het borduurraam te zitten, +en dan vertelt ze eindelooze geschiedenissen van Gösta Berling, +dien predikant en avonturier. Reikt haar geheugen niet ver genoeg, +dan verzint ze maar wat. Ze zorgt er alleen voor, dat zijn naam den +heelen dag de jonge vrouw in de ooren klinkt. Daar is zij 't meest +bang voor. Op zulke dagen voelt zij, dat haar boete nooit eindigen +zal. Haar liefde zal niet sterven. Zij gelooft, dat zij zelf eerder +sterven zal. Haar lichaamskrachten gaan haar begeven. Ze voelt zich +dikwijls zoo ziek. + +"Maar waar blijft je ridder toch?" vraagt de gravin, honend. "Dag +aan dag verwacht ik, dat hij komen zal aan 't hoofd van de +kavaliers. Waarom bestormt hij Borg niet, zet je op den troon, en +werpt je man en mij geboeid in den toren? Heeft hij je al vergeten?" + +Zij zou hem wel willen verdedigen en vertellen, dat ze zelf hem +verboden heeft haar op welke wijze ook te helpen. Maar, neen, 't is +beter te zwijgen, te zwijgen en te lijden. + +Dag aan dag wordt ze door overspanning verteerd. Ze heeft aanhoudend +koorts, en is zoo moe, dat zij zich nauwelijks op de been kan +houden. Zij verlangt alleen te sterven. Haar sterke levenslust is +onderdrukt. Liefde en vreugde wagen zich niet meer te bewegen. Zij +heeft voor het lijden geen vrees meer. + +'t Is of haar man niet meer weet, dat zij bestaat. Hij zit bijna den +heelen dag in zijn kamer, en studeert in half onleesbare handschriften +en oud, vuil, gedrukt papier. Hij leest perkamenten bewijzen van +adel, met het groote, geweldige, Zweedsche rijkszegel er aan, van +rood was in een gedraaid, houten huisje bewaard. Hij bestudeert oude +wapens met lelies in een wit veld en een gier in een blauw veld. Zulke +dingen begrijpt hij, en hij kan ze gemakkelijk vertalen. En hij leest +en herleest oude lijkredenen en bijzonderheden over de edele graven +Dohna, waarin hun daden vergeleken worden met die van Israël's helden +en de goden van Hellas. + +Al die oude dingen hadden hem altijd genot verschaft. Maar om zijn +jonge vrouw geeft hij niet meer. + +Gravin Märta heeft een woord gezegd, dat alle liefde in hem gedood +heeft: "Zij heeft je om je geld genomen." Dat kan geen enkel man +verdragen. Dat dooft alle liefde. Nu was 't hem onverschillig, hoe +het de jonge vrouw ging. Als zijn moeder haar tot haar plicht terug +kon brengen, des te beter. Graaf Henrik bewonderde zijn moeder zeer. + +De ellende duurde een maand lang. Maar die heele tijd was +natuurlijk niet zoo stormachtig en bewogen, als het schijnt, +wanneer de gebeurtenissen op een paar bladzijden bij elkaar gedrongen +worden. Gravin Elisabeth moet voor het oog altijd heel kalm geweest +zijn. Alleen toen ze hoorde, dat Gösta Berling dood zou zijn, was ze +door haar ontroering overmeesterd. Maar zóó groot was haar berouw, +omdat ze de liefde voor haar man niet had kunnen bewaren, dat ze +waarschijnlijk zich door gravin Märta zou hebben laten doodplagen, +als niet op een avond haar oude huishoudster met haar gesproken had. + +"Mevrouw de gravin moet met den graaf spreken," zei de oude. "Lieve +hemel, mevrouw lijkt wel een kind. Mevrouw weet misschien niet eens +wat haar wacht, maar ik zie wel hoe de zaken staan." + +Maar dàt kon ze juist haar man niet zeggen, nu hij zulk een vreeselijk +wantrouwen tegen haar koesterde. + +Dien nacht kleedde zij zich stil aan en ging uit. Zij droeg een gewoon +boerinnekostuum en had een pakje in de hand. Zij was van plan haar +huis te verlaten en nooit terug te komen. Zij ging niet heen om smart +en lijden te ontkomen. Maar nu geloofde zij, dat God haar een teeken +gegeven had, dat ze heengaan mocht, omdat ze haar lichaamskracht en +gezondheid bewaren moest. + +Ze ging niet naar 't Westen over 't meer, want daar woonde hij, +dien ze liefhad. Ze ging ook niet naar 't Noorden, want daar woonden +velen van haar vrienden, en ook niet naar 't Zuiden, want daar was +haars vaders huis, en dat wilde zij geen stap nader komen. Maar ze +ging naar het Oosten, want ze wist, dat ze daar geen tehuis had, +geen geliefden vriend, geen mensch, dien ze kende, geen hulp of troost. + +Ze ging niet met een licht hart, want zij voelde zich niet verzoend met +God. Maar toch was zij er blij om, dat zij den last van haar zonde in +'t vervolg onder vreemden zou dragen. Hun onverschillige blikken zouden +op haar rusten, verzachtend als ijs op een gezwollen lichaamsdeel. + +Zij zou loopen tot ze een armoedig huis aan den boschkant zag, +waar niemand haar kende. "Ge ziet wel hoe 't met me gesteld is en +mijn ouders hebben me weggejaagd," zou ze zeggen. "Geef me voedsel +en kleeren en een dak boven mijn hoofd, tot ik zelf mijn brood kan +verdienen. Ik heb nog wel wat geld." + +Zoo ging ze langzaam weg in den lichten Juninacht, want de maand Mei +was onder haar bitter lijden voorbij gegaan. + +Ach, Meimaand! Schoone tijd, als de berkeboomen hun lichtgroen in +het duister van het dennenbosch doen lichten, als de Zuidenwind weer +komt, verzadigd van warmte. Ik schijn wel heel ondankbaar, meer dan +anderen, die zich over uw gaven verheugen, heerlijke maand. Met geen +enkel woord heb ik uw schoonheid geprezen. Ach, Meimaand, heerlijke +lichte maand, hebt ge wel eens op een kind gelet, dat op moeders +schoot zit en sprookjes hoort vertellen? Zoolang het kind hoort van +wreede reuzen en het bitter lijden van schoone prinsessen, houdt het +zijn hoofd omhoog en de oogen open; maar als de moeder van geluk en +zonneschijn gaat vertellen, dan sluit de kleine de oogen en slaapt +stil in met het hoofd aan haar borst. + +Zie, lieve Meimaand, zoo'n kind ben ik ook. Laat anderen luisteren naar +verhalen van bloemen en zonneschijn, ik voor mij verkies de donkere +nachten vol visioenen en avonturen; ik verkies de treurige levens, +de smartelijke hartstochten van verdoolde harten. + + + + + + + +XVI. + +HET IJZER VAN EKEBY. + + +Het was voorjaar, en het ijzer van alle ijzermijnen van Wermeland +moest naar Götaborg gezonden worden. + +Maar op Ekeby had men geen ijzer om te verzenden. In 't najaar was er +gebrek aan water geweest; in 't voorjaar hadden de kavaliers geregeerd. + +In dien tijd schuimde het sterke bier langs de breede grauwe steenen +trappen van den Björksjöwaterval, en het lange Löfvenmeer was niet +meer met water, maar met brandewijn gevuld. In hun tijd werd er geen +ijzer in den oven gelegd; maar de smeden stonden met schootsvel en op +klompen voor het vuur, en draaiden onmetelijke stukken gebraad om aan +'t lange spit, en de smidsjongens hielden met lange tangen gelardeerde +kapoenen boven 't vuur. In die dagen ging er dans over de heuvels; +men sliep op de schaafbank en speelde kaart aan het aanbeeld. + +In die dagen werd geen ijzer gesmeed. + +Maar het voorjaar kwam, en op de kantoren van de groothandelaars te +Götaborg begon men op het ijzer van Ekeby te wachten. Men haalde de +contracten voor den dag, die met den Majoor en de Majoorske gesloten +waren en daarin stonden leveranties van vele honderden ponden genoemd. + +Maar wat gaven de kavaliers om de contracten van de Majoorske! Zij +onderhielden de vreugde en 't vioolspel en de feesten. Zij zorgden +er voor, dat de dans over de heuvelen ging. + +Er kwam ijzer van Stömne, er kwam ijzer van Sölje. Van Kymsberg werd +ijzer aangevoerd over de heide naar 't Weenermeer. + +Van Uddeholm kwam ijzer en van Munkefors en van alle hoeven. Maar +waar blijft het ijzer van Ekeby? + +Is Ekeby niet meer de grootste ijzermijn van Wermeland? Waakt niemand +voor de eer van het oude goed? + +Dat is aan onverschillige kavaliers overgelaten, die den dans laten +gaan over de heuvelen. Voor wat anders kunnen hun armzalige hersens +zorgen? + +Maar waterval en beek, schuiten en pramen, havens en sluizen +verwonderen zich en vragen: "Komt het ijzer van Ekeby niet?" + +En er wordt gefluisterd en gevraagd in berg en dal, in bosch en meer: +"Komt het ijzer van Ekeby niet? Komt er nooit meer ijzer van Ekeby?" + +En diep in de bosschen lacht de kolenbranderij, en het is alsof de +koppen van de groote hamers in de donkere smidse honend grijnzen; +de groeven doen hun groote muilen open en schateren; de lessenaars +op de kantoren van de groothandelaars, waarin de contracten met de +Majoorske liggen, schudden van 't lachen. + +"Heb je ooit zoo iets geks gehoord? Ze hebben geen ijzer op Ekeby! O, +in de beste mijn van heel Wermeland hebben ze geen ijzer!" + +Op, zorgeloozen! op, zwervers! Hoe kun jullie 't verdragen, dat zulk +een schande over Ekeby komt? + +Zoo waarachtig je dat mooiste plaatsje op Gods groene aarde lief +hebt, zoo waarachtig dat het doel is, waarnaar je verlangen uitgaat +in den vreemde, zoo waarachtig je het niet noemen kunt onder vreemden +zonder tranen in de oogen te krijgen, staat op kavaliers, en redt de +eer van Ekeby! + +Nu, al hebben de hamers van Ekeby gerust, dan hebben ze toch wel +gewerkt in de zes andere mijnen. Er moet genoeg ijzer zijn, meer +dan genoeg! + +En Gösta Berling gaat op reis, om met de opzichters van de zes andere +mijnen te spreken. Op Lögfors, dat dicht bij de Björksjöbeek even boven +Ekeby lag, vond hij 't niet noodig te vragen. Dat lag al te dicht bij +Ekeby en was geheel onder het beheer van de kavaliers geweest. Maar hij +reed een paar mijl naar 't Noorden, naar Lötafors. Daar was 't mooi, +dat was zeker! 't Boven-Löfvenmeer breidde er zich voor uit, en vlak +er achter lag de Gurlita Klätt met zijn steilen top en zijn wild, +romantisch aanzien, dat zoo goed bij een ouden berg past. Maar de +smidse, die is niet in orde. Het drijfwerk is kapot en is 't geheele +jaar kapot geweest. + +"Maar waarom is 't niet gemaakt?" + +"De timmerman, beste vriend, de timmerman, de eenige in den omtrek, +die het maken kan, was op andere plaatsen in beslag genomen." + +"Maar waarom heb je hem geen boodschap gestuurd?" + +"Een boodschap! Alsof we niet den eenen bode na den anderen gezonden +hebben! Elken dag! Maar hij kon immers niet komen! Hij had het te +druk met het bouwen van kegelbanen en prieeltjes op Ekeby!" + +Toen werd het plotseling Gösta Berling duidelijk hoe 't hem op deze +reis gaan zou. + +Hij trekt verder naar 't Noorden, naar Björnide. IJzer! Is er +ijzer? Neen, natuurlijk niet! Zij hadden immers geen kolen gehad, +en van Ekeby hadden ze geen geld voor de kolenbranders gekregen, noch +mannen om de kolen te halen. 't Werk had den heelen winter stilgestaan. + +Dan gaat Gösta naar 't Zuiden. Hij komt bij Hän aan den oostelijken +oever van 't Löfvenmeer, en bij Löfstafors, diep in 't bosch, en bij +Elgfors--maar 't gaat hem daar niet beter. Nergens hebben ze ijzer, +en overal schijnt het, dat het de schuld van de kavaliers is, dat er +niets is. + +Dan gaat Gösta terug naar Ekeby. En de kavaliers zien met sombere +gezichten naar de vijftig pond die in 't magazijn liggen, en ze +buigen de hoofden van smart en schaamte, want zij hooren hoe heel +de natuur honend om Ekeby lacht, en het komt hen voor, als beefde +de aarde van snikken, als dreigden de boomen hen met booze gebaren, +als klaagden gras en kruid--omdat het gedaan is met de eer van Ekeby. + +Maar waarom toch al dat gepraat en al die verwondering? Daar is het +ijzer van Ekeby immers! + +Daar is het, op pramen geladen aan den oever van den Klarelv, klaar +om de beek afgevoerd te worden, klaar om gewogen te worden op de +ijzerwaag te Karlstad, klaar om op een Weener schuit naar Götaborg +gebracht te worden. Dus de eer van Ekeby is gered. + +Maar hoe is dat mogelijk? Op Ekeby was immers niet meer dan vijftig +pond ijzer; op de zes andere plaatsen was immers niets? Hoe is 't nu +mogelijk, dat volgeladen pramen nu een ongehoorde menigte ijzer naar +de waag te Karlstad kunnen brengen? + +Ja, dat moet ge de kavaliers vragen. + +De kavaliers zijn zelf aan boord van de zware, leelijke vaartuigen. Zij +zijn van plan zelf het ijzer van Ekeby naar Götaborg te brengen. Geen +gewone veerman mag meegaan. De kavaliers zijn zelf gekomen met +flesschen en proviandkorven, met waldhoorn en viool, met geweren en +vischsnoeren en kaarten. Zij willen alles voor hun dierbaar ijzer doen, +en 't niet verlaten, eer het aan de kade te Götaborg gelost is. Ze +willen zelf lossen en laden, op het zeil en het roer passen. Zij zijn +juist de rechten om dat goed te doen. Is er wel een zandbank in de +Klarelv of een rif in 't Weenermeer, dat zij niet kennen? Vat hun hand +niet even zeker het roer of de talie als den strijkstok of den teugel? + +Geen van de kavaliers is thuis gebleven. Oom Eberhard heeft zijn +schrijflessenaar verlaten, neef Christoffel kwam uit den hoek bij de +kachel. Zelfs de stille Löwenborg ging mee. Niemand houdt zich terug, +als het de eer van Ekeby geldt. + +Maar het is niet goed voor Löwenborg den Klarelv te zien. Hij heeft +hem in zeven-en-dertig jaar niet gezien, en al dien tijd is hij niet +meer in een boot geweest. Hij haat de glinsterende oppervlakte van +het meer en de grijze beken. Hij denkt aan al te droevige dingen, +als hij op het water komt, en daarom doet hij het liever niet. Maar +vandaag kon hij niet tehuis blijven. Hij moest ook mee de eer van +Ekeby te redden. Voor zeven-en-dertig jaar heeft hij zijn bruid in +den Klarelv zien verdrinken, en sinds dien tijd is zijn arm hoofd +vaak verward geweest. + +En terwijl hij daar staat en naar de beek ziet, beginnen zijn oude +hersens meer en meer beneveld te worden. Die grauwe beek, die daar +wegspoelt met zooveel kleine, blinkende golfjes, is een groote slang +met zilveren schubben, die op roof loert. De hooge, gele zandmuren aan +weerskanten zijn de wanden van een val. Op den bodem ligt de slang, +en de breede landweg, die door den wand heen breekt en door mul zand +naar 't veer loopt, waar naast de pramen vastliggen, is de ingang +naar dat vreeselijk hol des doods. + +En de kleine, oude man staat met zijn blauwe oogjes te staren. Zijn +lange, witte haren fladderen in den wind, en zijn wangen, gewoonlijk +zachtrood, zijn doodsbleek van angst. Hij weet zoo zeker, of iemand +'t hem gezegd heeft, dat er spoedig langs dien weg iemand komen zal +en zich in den muil van de loerende slang werpen. + +Nu zijn de kavaliers gereed van wal te steken. Zij grijpen de lange +stangen, om de pramen midden in den stroom te steken; maar daar roept +Löwenborg, plotseling: "Houd op, om Godswil! Houd op!" + +Zij weten wel, dat hij weer verward wordt, omdat hij de praam onder +zich voelt bewegen, maar onwillekeurig heffen zij de stangen nog niet +op. En hij, die ziet, dat de beek op roof loert en dat er noodzakelijk +een moet komen, om zich in haar muil te werpen, wijst waarschuwend +naar den weg, alsof hij iemand komen ziet. + +Dit weten wij allen, dat 't leven vaak zulke toevalligheden meebrengt, +als wat er nu volgen zal. Hij, die daar nog verbaasd over wezen kan, +mag zich er over verwonderen, dat de kavaliers met hun pramen juist +aan het meer bij Klarelv moesten liggen op den morgen na den nacht, +toen Gravin Elisabeth haar tocht naar 't Oosten begon. Maar het zou +nog veel wonderlijker geweest zijn, als de jonge vrouw geen hulp in +haar nood had gevonden. Het trof nu zoo, dat zij, die den heelen +nacht geloopen had, langs den weg kwam, die naar het veer leidde, +juist toen de kavaliers van land wilden stooten. En zij bleven staan +en zagen naar haar, terwijl zij met den veerman sprak en hij zijn boot +losmaakte. Zij was gekleed als een boerenmeisje en zij vermoedden niet +wie zij was. Maar zij keken haar toch aan, omdat zij er zoo bekend +uitzag. Terwijl zij nu met den veerman stond te praten, werd er een +stofwolk zichtbaar op den weg, en uit die stofwolk kwam een groote gele +calèche te voorschijn. Zij begreep dadelijk, dat die van Borg kwam, +dat zij haar zochten, en dat zij nu ontdekt zou worden. Zij kon er +niet aan denken in de boot van den veerman weg te komen, en de eenige +schuilplaats, die zij zag, waren de pramen van de kavaliers. Zij vloog +er heen, zonder te zien wie er aan boord was. En 't was goed dat ze +'t niet zag, want anders had zij zich liever onder de hoeven van de +paarden geworpen, dan tot hen haar toevlucht te nemen. + +Toen ze aan boord was, riep ze alleen: "Verberg mij, verberg mij!" En +toen struikelde zij en viel op het ijzer. Maar de kavaliers spraken +haar moed in. Zij stootten snel van land, zoodat de pramen in den +stroom kwamen en naar Karlstad dreven, juist toen de calèche bij den +veerman kwam. + +In den wagen zaten gravin Märta en graaf Henrik. De graaf liep op den +veerman toe om hem te vragen of hij de gravin gezien had. Maar daar +hij een beetje verlegen was, omdat hij naar zijn weggeloopen vrouw +moest vragen, zei hij alleen: + +"Er is iets weggeraakt." + +"Zoo?" antwoordde de veerman. + +"Er is iets weggeraakt. Ik vraag of je iets gezien hebt." + +"Waar vraagt u naar?" + +"Dat doet er niet toe; maar er is iets weggeraakt. Ik vraag of je +iets over de beek hebt gezet vandaag." + +Maar op die manier kwam hij niets te weten, en gravin Märta moest zelf +met den veerman spreken. Een minuut later wist zij, dat zij, die zij +zochten aan boord van een van die langzaam voortglijdende pramen was. + +"Wat zijn dat voor menschen op die pramen?" + +"Och, dat zijn immers de kavaliers, zooals wij ze noemen." + +"O zoo!" zegt de gravin. "Ja, dan is je vrouw goed bewaard, Henrik. Dan +kunnen we even goed dadelijk weer naar huis gaan." + + + +Maar op de pramen heerscht nu juist niet zulk een groote vreugde +als gravin Märta meende. Zoolang de gele calèche in 't gezicht was, +zat de verschrikte jonge vrouw in elkaar gedoken op de lading, zonder +zich te verroeren of een woord te spreken. Zij staarde maar voor zich +heen in 't water. + +'t Is zeer waarschijnlijk, dat zij de kavaliers pas herkende, toen +zij de gele calèche had zien verdwijnen. Zij vloog op. 't Was alsof +ze opnieuw vluchten wilde; maar zij werd door de naastbijstaanden +teruggehouden en zonk toen zacht jammerend weer neer op de lading. + +En de kavaliers durfden niet tegen haar te spreken of haar iets te +vragen. Zij zag er uit alsof zij aan den rand van den waanzin stond. + +De hoofden der zorgeloozen begonnen gebukt te gaan onder hun +verantwoordelijkheid. + +Dat ijzer alleen was al een zware last voor hun ongeoefende schouders, +en nu moesten ze bovendien nog op een jonge adellijke dame passen, +die van haar man gevlucht was. + +Als ze die jonge vrouw op de winterfeesten ontmoet hadden, was 't +dezen of genen onder hen gebeurd, dat hij aan een klein zusje dacht +dat hij eens heel lief gehad had. Als hij met haar gespeeld had en zijn +kracht gemeten, dan had hij haar voorzichtig moeten aanpakken; als hij +met haar sprak, was hij gewoon op zichzelf te passen en geen leelijke +woorden te gebruiken. Als een vreemde jongen onder 't spelen ruw tegen +haar geweest was of leelijke liedjes voor haar gezongen had, dan had +hij zich op dien jongen geworpen met grenzenlooze verbittering en hem +half dood geslagen; want zijn zusje moest nooit iets leelijks hooren +of verdriet hebben of kennis maken met slechtheid en onvriendelijkheid. + +Gravin Elisabeth was de vroolijke zuster van alle kavaliers +geweest. Als zij haar handje in hun harde vuisten gelegd had, was het +geweest alsof ze gezegd had: "Voel hoe zwak ik ben; maar u is mijn +groote broer; u zult mij beschermen tegen anderen, tegen u zelf." En +zij waren hoffelijke ridders geweest, zoolang zij haar gezien hadden. + +Nu zagen de kavaliers haar ontzet aan en herkenden haar nauwlijks. Zij +was vervallen en vermagerd. Haar hals had zijn ronding verloren, +haar gezichtje was doorschijnend. Zij had zich zeker gestooten op haar +nachtelijke wandeling; want nu en dan siepelde er een bloeddroppel uit +een wondje aan haar slaap, en haar licht krullend haar, dat over het +voorhoofd hing, was aan elkaar gekleefd door bloed. Haar kleed was vuil +na de lange wandeling op wegen, vochtig van dauw en haar schoenen zagen +er treurig uit. De kavaliers hadden 't gevoel alsof zij een vreemde +was. Die gravin Elisabeth, die ze gekend hadden, had niet zulke wilde, +brandende oogen. Hun arm zusje was bijna tot waanzin gebracht. Het was +alsof een ziel, uit een andere wereld neergedaald, met de werkelijke +ziel streed om de heerschappij in dit gepijnigde lichaam. + +Maar zij behoeven zich niet te bekommeren over de vraag, wat zij met +haar moeten doen. + +De oude gedachten worden bij haar wakker. + +Daar is de verzoeking immers weer. God wil haar opnieuw beproeven. Zie, +nu is zij onder vrienden. Is zij nu voornemens den weg der boete +te verlaten? + +Zij staat op en roept, dat ze weg moet. + +De kavaliers beproeven de gravin te kalmeeren. Zij zeggen haar, dat +ze gerust kan zijn. Zij zullen haar voor alle vervolging beschutten. + +Zij smeekt in de kleine boot te mogen gaan, die zij achter de praam aan +sleepen, aan land te mogen roeien en haar tocht alleen voort te zetten. + +Maar zij kunnen haar immers niet laten gaan. Wat moet er van haar +worden? Het is beter, dat ze bij hen blijft. Wel zijn ze maar arme, +oude lieden, maar zij zullen er wel wat op vinden haar te helpen. + +Dan wringt ze de handen en smeekt hen haar te laten gaan. Maar zij +kunnen dat verzoek niet inwilligen. Ze zien, dat ze zoo zwak en +ellendig is, dat ze op den weg sterven zal. + +Gösta Berling staat een eind van hen af en staart neer in 't +water. Misschien wil die jonge vrouw hem liefst niet zien. Hij +weet het niet, maar zijn gedachten spelevaren en juichen. "Nu weet +niemand, waar ze is," denkt hij; "nu kunnen wij haar mee naar Ekeby +nemen. Wij houden haar daar verborgen, wij kavaliers! en wij zullen +goed voor haar zijn. Zij zal onze Koningin, onze heerscheres zijn, +maar niemand zal weten, dat ze daar is. Wij zullen haar zoo goed +bewaken, zóó goed! Misschien kan ze gelukkig bij ons worden: al de +ouden zullen haar met liefderijke zorg, als een dochter behandelen. + +Hij heeft zich nooit durven afvragen of hij haar liefheeft. Hij +kan haar niet tot de zijne maken zonder zonde, en hij wil haar niet +neerhalen tot iets laags of slechts; dat was alles, wat hij wist! Maar +haar op Ekeby te verbergen en goed voor haar te zijn, nu anderen +slecht voor haar geweest zijn, haar al het goede te laten genieten wat +'t leven maar geven kan, och, wat een droom, wat een zalige droom! + +Maar hij wordt daaruit gewekt, want de jonge gravin is wanhopend, +en haar woorden hebben den snijdenden klank der vertwijfeling. Zij +ligt op de knieën tusschen de kavaliers en smeekt weg te mogen gaan. + +"God heeft mij nog niet vergeven," roept zij; "laat mij gaan!" + +Gösta ziet, dat geen van de anderen in staat is haar te +gehoorzamen. Hij ziet in, dat hij het doen moet. Hij, die haar +liefheeft, hij moet het doen. + +Het was zwaar voor hem naar haar toe te gaan. 't Was of ieder lid +van zijn lichaam er zich tegen verzette. Hij sleept zich naar haar +voort en zegt, dat hij haar aan land wil zetten. + +Zij staat dadelijk op. Hij draagt haar in de boot en roeit met haar +naar den oostelijken oever. Hij legt aan bij een klein plankje en +helpt haar uit de boot. + +"Wat zal er nu van u worden, mevrouw de gravin?" zegt hij. + +Zij heft ernstig den vinger omhoog en wijst naar den hemel. + +"Als u ooit in nood komt...." + +Hij kan niet spreken; zijn stem begeeft hem, maar zij begrijpt hem +en antwoordt: + +"Ik zal u bericht zenden, als ik u noodig heb." + +"Ik zou u zoo graag voor alle kwaad bewaren," zegt hij. + +Zij reikt hem de hand ten afscheid, en hij is niet in staat iets meer +te zeggen. Haar hand ligt koud en slap in de zijne. + +Zij heeft geen oor voor iets anders dan voor de inwendige stemmen, +die haar dwingen onder vreemden te gaan. Zij weet nauwlijks, dat het +juist de man is, dien ze liefheeft, dien ze nu verlaat. + +En zoo laat hij haar gaan en roeit naar de kavaliers terug. + +Toen hij weer op de praam terugkwam, beefde hij van vermoeidheid, +en zag er afgemat en zwak uit. Het was hem alsof hij 't zwaarste +werk in zijn leven verricht had. Nog een paar dagen hield hij moed, +tot de eer van Ekeby gered was. Hij bracht het ijzer naar de waag +te Karlstad. Maar toen was het voor langen tijd uit met zijn kracht +en levensmoed. + +De kavaliers merkten niets aan hem zoolang zij aan boord waren. Hij +hield elke zenuw gespannen, om vroolijk en zorgeloos te schijnen; +want door vroolijkheid en zorgeloosheid moest de eer van Ekeby worden +gered. Hoe zou dit gewaagde spel gelukken, als zij begonnen waren +met bekommerde gezichten en bedrukte harten? + +Als het nu waar is, wat het gerucht zegt, dat de kavaliers meer zand +dan ijzer in de pramen hadden; als het waar is, dat ze onophoudelijk +dezelfde stangen heen en weer naar de waag te Karlstad droegen, tot +al de vele honderden ponden waren afgewogen--als het waar is, dat dit +alles gebeuren kon, omdat de weger en zijn ondergeschikten zoo goed +getracteerd werden uit de flesschen en de manden met proviand, die +de kavaliers van Ekeby hadden meegenomen, dan kan men wel begrijpen, +dat zij vroolijk moesten zijn op de ijzerpramen. + +Wie kan dat nu weten? Maar als het zoo was, is het zeker, dat Gösta +Berling geen tijd had om te treuren. + +Gösta voelde niets van de vreugde van 't avontuur en 't gevaar. Zoo +vaak hij durfde, zonk hij ineen van vertwijfeling. + +"Ekeby! Land, dat ik liefheb," sprak hij dan in zichzelf, "dat uw +eer strale over de wereld!" + +Zoo spoedig de kavaliers de quitantie van den weger hadden gekregen, +laadden zij hun ijzer op een Weener schuit. Gewoonlijk werd dit door +schippers gedaan, die ook het ijzer naar Götaborg vervoerden. De +eigenaars van de mijnen in Wermeland bekommerden zich in den regel +niet verder om hun ijzer, als ze de quitantie van den weger hadden. + +Maar de kavaliers wilden niets ten halve doen. Zij wilden hun ijzer +zelf naar Götaborg brengen. Op weg trof hen een ongeluk. Er brak in +den nacht een storm los; de schuit dreef af door den wind en de golven, +stootte op een klip en zonk met heel zijn kostbare lading. De waldhoorn +en 't kaartspel en de volle wijnflesschen zonken mee. Maar als men er +goed over dacht, deed het er niet zooveel toe, dat het ijzer verloren +ging. De eer van Ekeby was toch gered. Het ijzer was gewogen op de +waag te Karlstad. En al moest nu de Majoor aan de groothandelaars +te Götaborg schrijven, dat, nu zij hun ijzer niet gekregen hadden, +hij ook hun geld niet hebben wou, dit deed er eigenlijk ook niet toe, +want Ekeby was zoo rijk, en de eer van 't goed was toch gered! + +Maar als nu havens en sluizen, slooten en kolenbranderijen, schuiten +en pramen wonderlijke dingen beginnen te fluisteren? Als er nu een dof +gesuis door de bosschen gaat dat de heele vaart bedriegerij was? Als +men nu in heel Wermeland beweert, dat er nooit meer dan die ellendige +vijftig pond op de pramen geweest is, en dat de schipbreuk met opzet +veroorzaakt is? Dan is er een slimme streek uitgevoerd, een echte +kavalierstreek! Dat schaadt de eer van het oude goed niet. + +Maar het is nu zoo lang geleden. 't Kan immers best zijn, dat de +kavaliers op andere plaatsen ijzer gekocht hebben, of dat ze iets in +een of ander pakhuis gevonden hebben, waar ze eerst niet van wisten. In +zulke dingen komt men nooit achter de waarheid. De weger wilde er +tenminste niet van hooren dat bedrog mogelijk geweest was. En hij zou +'t toch wel weten. + +Toen de kavaliers thuis kwamen, hoorden ze groot nieuws. 't Huwelijk +van graaf Dohna zou ontbonden worden. De graaf had zijn hofmeester +naar Italië gezonden, om bewijzen te halen, dat het huwelijk onwettig +was. Hij kwam in den zomer met voldoende inlichtingen terug. Waarin +die nu eigenlijk bestonden, weet ik zoo precies niet meer. Men +moet voorzichtig zijn met die oude verhalen. Ze zijn als half +verdorde rozen; de bladen vallen licht uit, als men ze te stevig +aanpakt. De menschen zeggen, dat het huwelijk in Italië niet door +een werkelijken priester is gesloten. Ik weet er ook niet meer van, +dan dat de rechtbank te Bro het huwelijk van Graaf Dohna en Elisabeth +van Thurn verklaarde nooit een wettig huwelijk te zijn geweest. + +Maar daar wist de jonge vrouw toch niets van. Zij leefde onder de +boeren, ver van daar. Als zij ten minste nog leefde. + + + + + + + +XVII. + +'T HUIS VAN LILJECRONA. + + +Er was onder de kavaliers een, die ik dikwijls een groot musicus +genoemd heb. Hij was een groot, zwaargebouwd man, met een groot hoofd +en zwart ruig haar. Hij was toen zeker niet veel ouder dan veertig +jaar, maar had een grof gezicht en iets kalms. Dat maakte, dat men hem +voor ouder aanzag dan hij was. Hij was een goed man, maar droefgeestig. + +Op een namiddag nam hij zijn viool onder den arm en ging weg van +Ekeby. Hij nam van niemand afscheid, maar toch was hij niet van plan +ooit weerom te komen. Hij walgde van 't leven daar, van 't oogenblik +af, dat hij gravin Elisabeth in haar ongeluk gezien had. Hij liep door +zonder te rusten dien avond en den heelen nacht, tot hij 's morgens +vroeg tegen zonsopgang aan een kleine hoeve kwam: Löfdala genoemd, +die hem toebehoorde. + +'t Was zoo vroeg, dat er nog niemand op was. Liljecrona ging +zitten op de groene wipplank voor 't hoofdgebouw en keek naar zijn +bezittingen. Lieve hemel, er was toch geen mooier plekje op de +wereld. 't Grasveld voor 't huis lag op een zachte helling en was +met fijn lichtgroen gras bedekt. + +Er was geen tweede grasveld zoo mooi als dit. De schapen mochten er op +grazen, en de kindren er op spelen met hun speelgoed, 't bleef altijd +even groen en frisch. 't Werd nooit gemaaid, maar minstens eens in de +week liet de huismoeder alle stokjes en strookjes en verdorde bladen +wegvegen uit het frissche gras. + +Hij keek naar de paden voor 't huis en trok plotseling zijn voeten +terug. De kinderen hadden er den vorigen avond mooie patroontjes +in geharkt en zijn groote voeten hadden 't kunstwerk al niet weinig +beschadigd. + +Wat groeide toch alles hier. De zes vogelbessenboomen, die de plaats +als 't ware bewaakten, waren zoo hoog als beuken en zoo breed van +kroon als eiken. Zulke boomen waren zeker nergens te vinden. Prachtig +waren ze met hun dikke stammen, met geel mos begroeid en met groote +witte bloemtrossen, die uit het donkere loof staken. Hij moest aan +den hemel met zijn sterren denken.--'t Was toch wonderlijk zooals +de boomen daar op de plaats groeiden. Daar stond een oude wilg, +zóó dik, dat twee man hem niet omspannen konden. Nu was hij hol en +gespleten en de bliksem had hem den top afgeslagen, maar hij wilde +niet doodgaan. Ieder voorjaar schoot een bos frissche takken uit den +geknakten hoofdstam, om te toonen, dat hij leefde. De lijsterbes aan +den oostelijken gevel was zoo groot geworden, dat hij 't heele huis +overschaduwde; 't heele dak was wit van de afgevallen bloem-bladen, +want de boom was al uitgebloeid. En de berken, die in kleine groepen +hier en daar op 't veld stonden, zij waren op zijn hoeve in hun +paradijs. Zij groeiden daar op zooveel verschillende manieren, alsof +ze afgesproken hadden andre boomen na te apen. De een leek op een +linde, dicht van loof, met een groote kroon, een ander stond rank, +als een pyramide, gevormd als een populier, en een ander weer liet +zijn takken hangen als een treurwilg. Er waren er geen twee gelijk; +maar prachtig waren ze allemaal. + +Toen stond hij op en liep om het huis. Daar lag de tuin, zoo wonderlijk +mooi, dat hij onwillekeurig bleef staan en diep ademhaalde. + +De appelboomen bloeiden. Dat wist hij immers wel. Dat had hij immers +op alle hoeven gezien, 't was alleen maar, dat ze nergens zóó bloeiden +als hier in dezen tuin, waar hij ze al had zien bloeien van toen hij +nog klein was, af. + +Hij liep met gevouwen handen en heel voorzichtig de paden op +en neer. De aarde was wit en de boomen waren wit, hier en daar +met een tintje bleek rood. Zoo iets heerlijks had hij nog nooit +gezien! Hij kende iederen boom, zooals men zijn broers en zusters +en schoolkameraden kent. De astrakan-appelboom was heelemaal wit, +dat was ook een winterappel. Maar de bloesems van de zomerappels +waren bleek-rood en die van de paradijsappels heelemaal rood. + +'t Allermooist was de oude wilde appelboom, die niet geënt was, waarvan +de kleine, wrange appels niet te eten waren. Die was niet zuinig op +zijn bloesems. Hij leek wel een groote sneeuwberg in de morgenzon. + +Denk er om, 't was morgen en heel vroeg! + +De dauw deed alle bladen glinsteren, al 't stof was weggespoeld. Over +de met bosschen bekleede bergen, waar de hoeve dicht bij lag, kwamen +de eerste zonnestralen aansluipen. 't Leek wel alsof ze de dennetoppen +in brand gestoken hadden. Over de frissche klavervelden, over rogge +en gerstvelden en over den jongen haver lagen de fijnste nevels als +doorzichtige sluiers en de schaduwen waren nog scherp geteekend--als +bij maneschijn. + +Hij stond stil en keek naar de groote groentebedden tusschen de +paden. Hij wist, dat de huismoeder en de meisjes daaraan gewerkt +hadden. Ze hadden gegraven, geharkt, gemest en gewied en den grond +bewerkt tot die fijn en licht werd. Toen ze 't bed glad gemaakt en de +kanten scherp afgezet hadden, hebben ze touwtjes en stokjes genomen +en 't in strepen en vierkanten verdeeld. Toen hebben ze de paden +vastgetrapt en gezaaid en geplant tot alle strepen en vierkanten vol +waren. En de kinderen hebben meêgedaan en waren een en al ijver en +pret, hoewel 't een zwaar werk voor hen was, gebogen te staan en de +armen over de breede bedden te rekken. En ongelooflijk goed hebben +ze geholpen, dat kan ieder wel begrijpen. + +Nu begonnen de plantjes op te komen! + +Wat stonden ze daar allerliefst, de erwten en boonen met hun twee +dikke zaadlobben en hoe mooi gelijk kwamen de worteltjes en raapjes +op. 't Alleraardigste waren de kleine gekroesde peterselieblaadjes, +die de aarde boven zich ophieven, alsof ze nog verstoppertjes met +het leven speelden. + +En hier was een klein bedje, waar de strepen niet heel gelijk op waren +en waar de kleine vierkantjes er uit zagen als een staalkaart van alles +wat er geplant en gezaaid kon worden. Dat was de tuin van de kinderen. + +Liljecrona zette vlug de viool aan de kin en begon te spelen. De +vogels begonnen te zingen in 't hooge kreupelhout, dat den tuin voor +den noordenwind beschutte. 't Was niet mogelijk te zwijgen voor al +wie een stem had, zoo heerlijk was de morgen. De strijkstok bewoog +zich van zelf. + +Liljecrona ging op en neer in de paden en speelde. "Neen," dacht hij, +"mooier dan hier is 't nergens. Wat is Ekeby met Löfdala vergeleken?" + +Zijn huis is met graszoden gedekt en maar éen verdieping hoog. 't +Lag aan den zoom van 't woud, met den berg achter zich en 't lange +dal voor zich. Er was niets bijzonders aan te zien. Er was geen meer, +geen waterval, geen strand en geen park, maar het was toch mooi! 't +Was mooi omdat het een goed, vreedzaam thuis was. Daar was 't leven +licht. Alles wat elders bitterheid en haat gebaard zou hebben, werd +daar met zachtheid verholpen. Zoo moest het zijn in een tehuis. + +Binnen in 't huis ligt de huismoeder te slapen in een kamer, die op den +tuin uitziet. Ze wordt plotseling wakker en luistert, maar ze beweegt +zich niet. De muziek komt al dichter en dichter bij en eindelijk +is het, alsof de speelman onder haar venster blijft staan. 't Is +niet de eerste keer, dat ze die viool onder haar venster hoort. Zóó +pleegt haar man te komen, als ze op Ekeby een ongewoon wilden streek +hebben uitgehaald. + +Hij staat daar en biecht en vraagt om vergeving. Hij vertelt haar van +de duistere machten, die hem weglokken van wat hij 't liefste heeft: +van haar en de kinderen. Want hij heeft hen lief. Waarachtig! Hij +heeft hen lief. + +Terwijl hij spreekt, staat ze op en kleedt zich aan, zonder eigenlijk +te weten, wat ze doet. Ze is geheel verdiept in zijn spel. + +"'t Zijn geen weelde, geen uitspattingen, die me weglokken," +speelt hij. "Geen liefde voor andere vrouwen, geen eer, maar de +bekoorlijke veelzijdigheid van 't leven. Ik moet er al de schoonheid, +de bitterheid, den rijkdom van voelen om mij heen. Maar nu heb er +genoeg van, ik ben moe en verzadigd. Ik wil mijn huis niet meer +verlaten. Vergeef me, heb geduld met me." + +Dan trekt ze 't gordijn op zij en hij ziet haar mooi, goed gezicht. + +Ze is goed en ze is verstandig. Haar oogen brengen, als de zon, zegen +over alles wat ze bestralen. Zij bestuurt en bewaakt het huis. Waar zij +is, moet alles groeien en gedijen. Zij draagt het geluk met zich meê. + +Hij springt op de vensterbank bij haar en is gelukkig als een +bruidegom. + +En hij licht haar op in zijn armen en zet haar in den tuin onder de +appelboomen. Daar zegt hij haar hoe mooi alles is en wijst haar de +groentebedden en de tuin van de kinderen en de aardige, vroolijke +peterselieblaadjes. + +Als de kinderen wakker worden is er groote verrukking en luid gejubel, +omdat vader gekomen is. Ze leggen beslag op hem. Hij moet al het +nieuwe en merkwaardige zien, 't kleine molentje, dat ze aan de beek +gemaakt hebben, 't vogelnestje in den wilgenboom en de kleine karpers +in den vijver, die bij duizenden in den waterspiegel zwemmen. + +En dan maken vader, moeder en alle kinderen een lange wandeling over +de velden. + +Hij moet zien, hoe dik de rogge staat, hoe de klaver groeit en hoe +de aardappelen hun gekrulde bladen beginnen op te steken uit de aarde. + +Hij moet de koeien zien, als ze thuis komen van 't veld, de jonggeboren +kalfjes en lammetjes begroeten, naar eieren zoeken en alle paarden +suiker geven. + +De kinderen hangen den heelen dag aan zijn arm. Geen lessen, geen werk, +maar alleen met vader rondzwerven. + +En 's avonds speelt hij polka's voor hen en den heelen dag is hij +zulk een vriend en speelkameraad voor hen, dat ze in slaap vallen +met het smeekend verzoek of vader nu altijd bij hen blijven wil. + +Hij blijft ook acht heele dagen en is al dien tijd gelukkig als een +kind. Hij is verliefd op alles thuis, op vrouw en kinderen en denkt +niet aan Ekeby. + +Maar dan komt er een morgen, dat hij weer weg is. Hij kon het niet +langer dragen, het was te veel geluk voor hem. + +Ekeby was duizendmaal minder; maar Ekeby lag midden in den stroom der +groote gebeurtenissen. Och! wat was daar veel om over te droomen en te +musiceeren. Hoe kon men toch leven zonder de heldendaden der kavaliers +en het lange Löfvenmeer, waar de wilde jacht van het avontuurlijke +om heen bruischte. + +Op zijn hoeve ging alles den ouden rustigen gang. Alles groeide +en gedijde onder de zorg van de vriendelijke huismoeder. Allen +daar op de hoeve waren stil gelukkig. Alles wat op andere plaatsen +tweedracht en bitterheid gebaard zou hebben, ging daar zonder klacht +of verdriet. Alles was zooals 't behoorde. Als nu de heer des huizes +verlangde als kavalier op Ekeby te leven, wat zou dat? Helpt het wat +er over te klagen, dat de zon 's avonds in 't westen ondergaat en de +aarde in duisternis achterlaat? + +Wie is onbedwingbaar zonder onderwerping! Wie is zeker van overwinning +zonder geduld! + + + + + + + +XVIII. + +DE HEKS VAN DOVRE. + + +De heks van Dovre gaat langs den oever van 't Löfvenmeer. Men heeft +haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een +kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van +de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van +de rotsen in de groene dalen? + +Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de +bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige +weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden +zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van +boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand +nauwelijks meer te onderscheiden is door 't eeuwenoude vuil. Ze stopt +haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er +pleizier in haar wat te geven;--ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg. + +Ze is oud. Hoe lang is 't wel geleden, dat de lichte glans der +jeugd lag over 't breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;--over +den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als +gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is 't geleden, dat ze als een +klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen +antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen +geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij +niet door 't land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen +zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf, +heb haar zelf gezien. + +Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt +nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in 't grint van +den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet +de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan +veel kwaad, maar weinig goed doen. 't Is 't beste haar te vriend te +houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt +uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind +sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand. + +Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met +een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet +enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen +haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en +afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te +voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel. + +Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En +dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die +verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze +zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over +'t meer, stormknoopen kan ze binden. + +Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van +de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor +haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige +goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de +wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval, +kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van +de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen +van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame +woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik, +dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten, +zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt, +zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van +de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn +macht als zij van 't rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de +heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen, +en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat +ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op; +ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde +paden, even kalm alsof ze op 't bergpad wandelt. + +Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de +pracht van den Junidag te genieten. + +Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar +de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt +wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich +in. "Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?" zeggen de meisjes, +"en eens ruiken of die genoeg gerookt is?" + +Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning +van de trap van 't terras en ziet naar den ham, maar op 't zelfde +oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen. + +Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die +frissche lucht van pas gerookten ham. 't Is godenspijs! Die moet de +heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham. + +De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het +niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven? + +Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom +past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op +wat ze wenscht en dat is het hare. + +Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. "Weg, +bedelaarster!" zegt ze. + +"Geef mij dien ham," zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen. + +"Je bent dwaas!" riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in +de provisiekamer te brengen. + +De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van +begeerte. "Geef mij dien bruinen ham!" herhaalt ze, "of je zult er +berouw van hebben." + +"'k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent." + +Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en +zwaait die wild. + +Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge, +haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken. + +"Jou zelf zullen de eksters opvreten!" schreeuwt ze eindelijk. + +En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar +staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar 't zuiden gaat +ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de +bergen naar 't dal trok. + +Gravin Märta blijft op 't terras staan en lacht om haar onredelijke +boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar +komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze +droomt; maar ze komen--de eksters die haar zullen verslinden. Uit +'t park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters +bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar +te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels +schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle +eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en +zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De +staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner +kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel +en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de +deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl +de schreeuwende eksters buiten rondvliegen. + +Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid +van den zomer en van 's levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet +meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was +er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde. + +Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar +zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen +willen, dat zóó de sage luidt. + +De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op 't dak. Ze +zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou +om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in 't park en bleven +daar. 't Was onmogelijk ze te verjagen van 't landgoed. Als men op +ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel, +kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen +weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten +achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit +een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof--dan kwamen +ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar 't woonhuis met +bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in +'t huis. + +Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal +uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in +dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd +werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den +grond, sluipende, fluisterende menschen. + +In 't hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid +kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw. + +Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht; +'s nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep, +dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen +over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit +angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen +en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen +en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht +en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit. + +Geen menschenlot kon bitterder zijn. + +Wie kan laten haar te beklagen? + +Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb, +was niet veel goeds. 't Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was +toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk +verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek +geen plaats vonden. + +Maar 't is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel +altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En +als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst +anderen en dan zich zelf. + + + + + + + +XIX. + +HET ZOMERFEEST. + + +'t Was midden in den zomer, evenals nu ik dit schrijf. De heerlijkste +tijd van het jaar was gekomen. + +In dien tijd werd Sintram, de booze eigenaar van Fors, angstig en +treurig. Hij ergerde zich over de overwinning van 't licht en de +nederlaag van de duisternis. + +Hij was boos over den mantel van bladen, dien de boomen hadden +omgeslagen en over 't bontgekleurde kleed, dat de velden bedekte. + +Alles hulde zich in schoonheid. Zelfs de weg, hoe nat en vuil hij +ook was, werd met bloemen omzoomd, met gele en paarse bloemen. + +Toen de pracht van den langsten dag over de bergen lag en 't klokgelui +uit de kerk van Bro door den wind naar Fors gedragen werd, stond +Sintram op in toorn. 't Scheen hem alsof God en menschen waagden hem +te vergeten en hij besloot ook naar de kerk te gaan. + +Zij die over den zomer jubelden, zouden eens zien dat hij er nog +was, hij Sintram, die de duisternis zonder morgen, den dood zonder +opstanding, den winter zonder lente liefheeft. + +Hij deed zijn wolvenpels aan en de ruige bonten wanten. Hij liet zijn +rood paard voor de kapslee spannen en liet bellen aan 't glanzende, +fraai versierde tuig hangen. En gekleed alsof er een kou van dertig +graden heerschte reed hij naar de kerk. Hij meende, dat het knarsen +onder de slee van de scherpe kou kwam. Hij meende dat 't witte schuim +op den rug van 't paard rijp was. Hij voelde geen warmte. Van hem +ging kou uit, zooals warmte uitstraalt van de zon. + +Hij reed over de groote vlakte ten noorden van Bro. Groote, welvarende +dorpen kwam hij voorbij en velden, waarboven de zingende leeuwerikken +fladderden. Nooit heb ik de leeuwerikken hooren zingen als over die +velden. Dikwijls heb ik er me over verwonderd hoe hij doof kon zijn +voor die honderden zangers. + +Veel moest hij voorbij op zijn weg wat hem geërgerd zou hebben, als +hij er naar gekeken had. Hij zou dan voor elke deur twee wuivende +berken gezien hebben en door open vensters zou hij in kamers gezien +hebben, waarvan de wanden en den zolder met bloemen en groen versierd +waren. 't Armste bedelkind liep op den weg met een tak seringen in +de hand en elke boerenvrouw had een bouquetje in haar zakdoek gestoken. + +Meiboomen met verwelkte bloemen en slap hangende kransen stonden op +de hoeven. Daaromheen was het gras plat getrapt, want de vroolijke +dansmuziek had er geklonken in den zomernacht. + +Beneden op 't Löfvenmeer wemelde 't van houtvlotten. De kleine witte +zeilen waren opgeheschen ter eere van den dag, hoewel de wind ze niet +deed zwellen en elke masttop droeg een groenen krans. + +Op de vele wegen die naar Bro voerden, kwamen de kerkgangers +aanwandelen. De vrouwen waren vooral fraai uitgedoscht in haar lichte +zelfgeweven zomerkleeren, die juist voor dien dag gemaakt waren. + +Allen waren in feestgewaad. + +En de menschen waren een en al vreugde over de vrede van den +heiligendag en de rust na het werk van de week, over de liefelijke +warmte, over den veelbelovenden oogst en de aardbeien, die aan de +kant van 't pad al rood begonnen te worden. Zij letten op de stilte +in de lucht, den hemel zonder wolken en 't gezang van den leeuwerik +en zeiden: + +"Is 't niet alsof dit een dag des Heeren is?" + +Daar kwam Sintram aanrijden. Hij vloekte en zwaaide de zweep over +het steigerende paard. 't Zand knarste leelijk onder zijn slee, +'t gerinkel van zijn bellen verdrong 't luiden van de kerkklok. + +Zijn voorhoofd was in toornige rimpels samengetrokken onder de +pelsmuts. + +De kerkgangers rilden en meenden, dat ze den Booze zelf gezien +hadden. Zelfs vandaag op 't zomerfeest konden zij 't booze en de +koude niet vergeten. Bitter is 't lot van hen, die hier op aarde zijn. + +De menschen, die in de schaduw van de kerk stonden, of op den muur van +'t kerkhof zaten te wachten op 't begin van de godsdienstoefening, +zagen hem met stille verwondering aan, toen hij naar de kerkdeur +ging. Zoo pas nog had de heerlijke dag hun hart met vreugde over 't +leven vervuld; toen ze Sintram zagen, kwam een voorgevoel van onheil +over hen. + +Sintram trad de kerk in en nam plaats in zijn stoel, sloeg met zijn +wanten op de bank, zoodat 't gerammel van de wolfsklauwen, die aan +de pels genaaid waren, door de heele kerk klonk. En enkele vrouwen, +die al op de voorste banken hadden plaats genomen, vielen flauw en +moesten weggedragen worden. + +Maar niemand waagde 't Sintram te verjagen. Hij stoorde hun aandacht, +maar allen waren te bang voor hem, dan dat iemand hem durfde te +bevelen de kerk te verlaten. + +Vergeefs sprak de oude predikant over de lichtende hoogtij van den +zomer. Niemand luisterde naar hem. De menschen dachten alleen aan +'t booze en aan de kou en aan 't onheil, dat de booze grondeigenaar +over hen brengen zou. + +Toen de godsdienstoefening voorbij was zag men den booze naar de +helling gaan waar de kerk van Bro ligt. Hij zag neer op het water +en volgde het voorbij de pastorie tot waar het in 't Löfvenmeer +valt. En men zag hoe hij de vuist balde en die schudde tegen 't +bovenste gedeelte van 't meer en zijn groene oevers. Daarop gleden +zijn blikken zuidwaarts over 't benedenmeer tot aan de blauwende +landtongen, die 't meer schenen af te sluiten. En voorwaarts vlogen +ze, mijlen ver voorbij Gurlita Klätt tot Björnide waar 't meer +ophoudt. Hij zag naar 't westen en 't oosten waar de hooge bergen +'t dal omzoomen en hij balde opnieuw de vuist. En ieder voelde, dat +als hij een bundel bliksemstralen in zijn rechterhand gehad had, +hij die met woeste blijdschap over 't rustige land geslingerd zou +hebben en dood en ellende verspreid zoover hij kon. Want nu had hij +zijn hart zoozeer aan 't kwaad gewend, dat hij alleen in jammer en +smart behagen schepte. Langzamerhand had hij zich gewend al wat laag +en leelijk was lief te hebben; hij was krankzinniger dan de meest +woeste waanzinnige; maar dat begreep niemand. + +Er gingen na dien dag wonderlijke verhalen door 't land. Er werd +gezegd, dat toen de kerkknecht de kerk kwam sluiten, de kop van den +sleutel brak, omdat een hard samengevouwen papier in het sleutelgat +stak. Hij gaf het aan den proost. Het was, zooals men wel begrijpen +kon, een brief, een waarschuwing uit de andere wereld. + +Men fluisterde over den inhoud. De proost had het papier verbrand, +maar de kerkknecht was er bij geweest toen het duivelstuig brandde. De +letters hadden rood op zwarten grond gegloeid. Hij kon niet laten +het te lezen. + +Hij las, zei men, dat de Booze 't land verwoesten zou, zoover men +den kerktoren van Bro kon zien. Hij wilde 't woud de kerk zien +verdringen. Hij wilde de beren en raven zien huizen in de woningen +der menschen. + +De akkers zouden braak liggen, en men zou geen hond of haan op de +velden hooren. De Booze zou zijn heer dienen door leed over alle +menschen te brengen. Dat was wat hij beloofde. + +En de menschen wachtten in stille vertwijfeling op de dingen, die komen +zouden; want zij wisten, dat de macht van den Booze groot was, dat hij +al wat leefde haatte, dat hij verwildering wilde zien komen over 't +dal en gaarne oorlog of pest of hongersnood te hulp zou roepen om ieder +te verdrijven, die den gezegenden, vreugde brengenden arbeid liefhad. + + + + + + + +XX. + +VROUW MUSICA. + + +Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de +jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken +bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen +troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal +te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en +de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele, +zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken +werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas +van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit +marmeren tafels mochten weer schitteren in 't licht; de witte godinnen +dansten weer in 't zwarte veld boven de spiegels; de verschillende +bloemen in 't zijden damast glinsterden in 't avondrood. Er werden +rozen geplukt en in 't water gezet, en de geheele zaal werd met hun +geur vervuld. 't Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende +en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele +rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en +roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren, +die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode +met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen, +die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen +te verlustigen. + +Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen +instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want +nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta +Berling te troosten. + +Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de +kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en +ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen; +anders zouden ze immers geen kavaliers zijn. + +Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is +voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige +zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is +immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het +beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij +is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de +ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben. + +En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna +onhoorbaar suizen. + +De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den +bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers +spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over +de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn +lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange +fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan +slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok. + +'t Gaat goed, 't gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf +te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve +vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde, +waar hij thuis behoort. + +Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit, +en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is +'t voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland. + +Ik weet waarom de ouden hem liefhadden. + +Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de +duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan +wel begrijpen hoe het was als hij kwam. + +Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten +traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in +de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een +enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor, +een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend. + +Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de +sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer +in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij +doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude +snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij +maakt alle huisgenooten gelukkig. + +Hij had het nooit koud en was nooit moe. + +De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch +een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja, +men moest de ouden over hem hooren spreken. + +'t Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de +goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze +vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk +daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw. + +En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. "Ga maar voor +de piano zitten, Gösta Berling," zeide hij, "daar doe je 't meeste +nut." En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje +gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude, +verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen +den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo +dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in, +en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op, +sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar +was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch. + +De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei +ze: "Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo +dwaas maken." + +Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw +Musica's poging om hem op te wekken. Misschien was hij 't allerliefst +met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de +muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het +zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen +pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd +is. 't Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn. + +En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt +het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en +schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende +tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt +als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer. + +Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers +moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een +van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht +en doet koeien en schapen na. + +Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling +met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt +hij hun de waarheid. + +"Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad +uitricht hier in de wereld," zegt hij, "dan moet jullie, kavaliers, +toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie +zijn, moesten zich daarvoor wachten!" + +Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet +laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en +beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat +helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel +van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling +herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder +de kavaliers heeft. + +Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft +in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij +sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan +en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen. + +Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop +hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij +uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten +gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt +hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade +bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd +heeft. + +Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan +zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst. + +Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende +instrument, waarop zooveel polka's getrommeld worden, is voor hem +een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk +ding met de vele snaren, die aan 't werk van den grooten meester leven +kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk +hoort hij de andantes en de scherzo's daarbinnen bruisen. Ja, de piano +is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar +hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo +rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit +den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid +die voor hem open te doen. + +Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes +op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het +heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en +jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen +klank laten hooren. + +Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen +is. Hij zal moed vatten en 't heiligdom aanroeren en zijn jongen heer +en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid +te verheugen. + +Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en +verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door, +beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het +voorhoofd, doet het over--en slaat dan de handen voor 't gezicht +en schreit. + +Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. 't Heiligdom is immer +geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te +droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende +orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs +vervulden, is er overgebleven. 't Is een oude, rammelende piano en +anders niet. + +Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt +Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de +geschilderde toetsen. + +"Ziehier, Löwenborg," zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, "hier +is je piano. Speel nu voor Gösta." + +En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor +zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden. + +In 't hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan +niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta +merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt. + +Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige +moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem +hooren kon. + +Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen +toon met bovenaardsche kracht. + +"o Smart," speelt hij, "waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw +lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw +blik versteent?" + +"o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde +moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij +verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde +u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig. + +"Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar +verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht +in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige, +onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met +sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen +verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een +brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde, +en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u +heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op +de fluit. Het was zalig u te zien. + +"Maar gij verdweent, ach, gij verdweent. + +"En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde +volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn +klachten waren als 't gebrul van een wild dier, als de donder van +den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de +groene aarde. + +"Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen +komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende, +dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed. + +"o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet +liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier +liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?" + +Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en +geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken, +en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden. + +Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie; +maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar, +die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht +er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in +lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad, +verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn +houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken. + +Hij voelde zich beschaamd. "Gösta," zei hij tot zichzelf, "kun je niet +meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard +werdt, jij, die elken boom in 't bosch, elk grasje op 't veld hebt +hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in +een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst +van verdragen verleerd? + +"Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in +'t hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer +zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren; +laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en +een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met +vroolijke woorden tegemoet. + +"'t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en +blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand +het kunnen uithouden. + +"Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je +hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet. + +"Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit, +of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge? + +"Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef." + +En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig +en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan. + +Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een +vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als +in geestvervoering. Dat is Gösta Berling's oude lach! Zijn goed +vriendelijk, aanstekelijk lachen. 't Is de lieflijkste muziek, die +de oude in zijn leven gehoord heeft. + +"Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?" barstte hij +uit. "Nu ben je immers beter!" + +Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling's melancholie +genas. + + + + + + + +XXI. + +DE PREDIKANT VAN BROBY. + + +Liefde, gij almachtige, gij weet wel, dat het soms schijnt, alsof een +mensch zich aan uw macht heeft ontworsteld. Alle zachte gevoelens, +die de menschen vereenigen, schijnen in zijn hart gestorven. Reeds +strekt de waanzin zijn klauwen uit naar den ongelukkige; maar dan komt +gij in uwe almacht, gij 's levens goede engel en 't verschrompelde +hart bloeit opnieuw als de staf van den heilige. + +Niemand kan gieriger zijn dan de predikant van Broby, niemand +meer van alle menschen verwijderd dan hij door boosheid en +onbarmhartigheid. Zijn kamers worden den heelen winter niet verwarmd, +hij zit op een ongeverfde houten bank, hij kleedt zich in lompen, +leeft van droog brood en wordt woedend als een bedelaar bij hem +aanklopt. Hij laat het paard honger lijden in den stal en verkoopt het +hooi; zijn koeien knagen 't dorre gras aan den kant van den weg en +'t mos van de huismuren, en men kan zijn uitgehongerde schapen tot +op den weg hooren blaten. + +De boeren gooien hem 't eten toe, wat de honden niet willen eten en +de kleeren, die de armen niet meer willen dragen. Zijn hand is steeds +uitgestrekt om te bedelen, zijn rug gebogen om te danken. Zoodra hij +een muntstuk ziet, trilt zijn hart van onrust, tot het in zijn zak +zit en wee hem, die niet op den vervaldag zijn pacht betaalt. + +Hij trouwde laat, en 't was beter geweest als hij 't nooit gedaan +had. Van verdriet en vermoeienis stierf zijn vrouw. Nu dient zijn +dochter bij vreemden. Hij wordt oud; maar de ouderdom verlicht zijn +zwaren arbeid niet. De waanzin der gierigheid is over hem gekomen. + +Maar op een schoonen dag in 't begin van Augustus komt een zware +koets, door vier paarden getrokken, den Brobyheuvel op. Een deftige +oude dame komt aanrijden in galatoilet met koetsier en palfrenier +en een juffrouw van gezelschap. Zij komt den predikant van Broby +bezoeken. Zij heeft hem gekend in haar jeugd. + +Zij hadden elkaar liefgehad, terwijl hij huisonderwijzer was op +het buiten van haar vader, maar haar trotsche familie belette het +huwelijk. En nu komt zij den Brobyheuvel oprijden om hem te zien, vóór +zij sterft. Alles wat het leven haar nog geven kan is den geliefde +van haar jeugd weer te zien. + +De deftige oude dame zit te droomen in haar koets. Zij rijdt niet +den Brobyheuvel op naar een kleine, armoedige pastorie. Zij is op weg +naar 't koele, donkere prieel beneden in 't park, waar haar geliefde +wacht. Zij ziet hem voor zich! Hij is jong, hij kust haar, hij heeft +haar lief. Nu ze weet dat ze hem zien zal, stijgt zijn beeld voor haar +op met wonderlijke helderheid. Hoe mooi is hij toch. Hij kan dwepen, +hij kan gloeien, hij vult haar ziel met verrukking. + +Nu is ze geel bleek, vervallen en oud. Hij herkent haar misschien +niet, zestig jaar oud, als ze nu is, maar ze komt ook niet om gezien +te worden, maar om te zien, om den geliefde van haar jeugd te zien, +die ongedeerd door den tand des tijds, nog altijd jong en mooi en +warm van hart is. + +Zij komt ver weg, zoo ver weg, dat ze nooit iets van een predikant +van Broby gehoord heeft. + +Nu ratelt de koets den heuvel op en nu ziet zij de pastorie boven op +den top liggen. + +"Om Godswil," jammert een bedelaar aan den kant van den weg, "geef +een arm man een penning." + +De voorname dame geeft hem een zilverstuk en vraagt of de pastorie +van Broby hier dicht bij is. + +De bedelaar ziet haar met sluwen, scherpen blik aan. "De pastorie +ligt daar," zegt hij, "maar de dominé is niet thuis; er is niemand +thuis in de pastorie." + +De deftige oude dame ziet er uit alsof ze een flauwte nabij was. Het +koele prieel verdwijnt, haar geliefde is er niet. Hoe kon ze ook +hopen hem na veertig jaar terug te vinden. + +Wat wilde de freule in de pastorie! + +De freule was gekomen om den dominé te bezoeken. Zij had hem vroeger +gekend. + +Zestig mijlen en veertig jaar hadden hen gescheiden. En bij elke mijl, +die ze dichterbij gekomen is, heeft ze een jaar achter zich gelaten +met al zijn lasten en zorgen. En nu ze de pastorie heeft bereikt is +ze weer een twintigjarig meisje zonder zorg en zonder herinneringen. + +De bedelaar staat haar aan te zien en voor zijn oogen wordt ze van +zestig twintig en van twintig weer zestig jaar oud. + +"De dominé komt van middag weer thuis," zegt hij. "De freule doet +'t best met naar de herberg in Bro te rijden en van middag weer terug +te komen. Dan sta ik er voor in, dat hij weer thuis is." + +Een oogenblik later rolt de zware koets met de kleine oude dame den +heuvel af naar de herberg; maar de bedelaar staat haar na te zien en +beeft over 't heele lichaam. Hij had wel op de knieën willen vallen en +'t wagenspoor kussen. + +Keurig gekleed, gewasschen en geschoren, met schoenen met glimmende +gespen aan, met zijden kousen, met geplooide kraag en manchetten +staat de dominé van Broby op dien zelfden middag voor de vrouw van +den proost in Bro. + +"Een deftige dame, de dochter van een graaf! hoe kunt u meenen, dat +ik, arme man! die in mijn huis noodigen kan. Mijn vloeren zijn zwart, +mijn mooie kamer is zonder meubelen, de zolder in de zaal is groen +van schimmel en vocht! Help mij, lieve Mevrouw. Denk er aan dat ze +de dochter van een graaf is!" + +"Kunt u niet zeggen dat u op reis is." + +"Lieve Mevrouw, ze heeft 40 mijl gereisd om mij, arme man! te zien. Ze +weet niet hoe ik het heb. Ik heb geen bed om haar te logeeren. Ik +heb niet eens een bed voor haar dienstboden." + +"Welnu, laat haar dan heengaan." + +"Lieve, beste Mevrouw! Begrijpt u dan niet wat ik meen? Ik wil liever +alles geven wat ik heb, alles wat ik met vlijt en moeite heb bijeen +gegaard, dan dat ze weg zou gaan, zonder dat ik haar onder mijn dak +ontvangen had. Ze was twintig jaar, toen ik haar het laatst zag; +dat is nu veertig jaar geleden, denk daarom, lieve Mevrouw. Help mij, +zoodat ik haar bij mij ontvangen kan. Hier is geld als dat helpen kan, +maar hier is meer dan geld noodig." + +O, Eros, de vrouwen hebben U lief. Ze doen liever honderd moeielijke +dingen voor U, dan één voor andere goden. + +In 't huis van den proost worden kamers en de keuken en de +provisiekamer leeggedragen. + +Als de proost van zijn catechisatie terugkomt, vindt hij de kamers +leeg en kijkt om de deur van de keuken om naar zijn middageten te +vragen en vindt daar niemand. Geen eten, zijn vrouw is er niet en +evenmin de dienstboden. Wat is daaraan te doen! Eros wil het zoo. Eros, +de machtige! + +En op den middag komt dan de zware wagen den Brobyheuvel +opschommelen. En het kleine oude dametje zit er aan te denken of er +nu niet weer een nieuwe tegenspoed komen zal, en of het nu werkelijk +waar is dat zij de eenige vreugde van haar leven genieten zal. + +En daar draait de koets de pastorie in, maar houdt stil in het hek. Het +groote hek is te klein, de koets te breed. De koetsier knalt met de +zweep. De paarden zetten aan, de knecht vloekt, maar 't achterste +wiel van de koets zit vast en blijft vast zitten. De gravendochter +kan niet in den tuin van haar geliefde komen. + +Maar daar komt iemand. Hij is het! Hij licht haar uit den wagen. Hij +draagt haar met onverzwakte kracht en drukt haar in de armen even warm +als vroeger voor veertig jaar. Zij ziet hem in de oogen. Zij stralen, +zooals ze deden toen ze nog pas vijf en twintig zomers gezien hadden. + +Een storm van aandoeningen, een stroom van warmte bruist haar door de +ziel. Ze herinnert zich, dat hij haar eens de trap van 't terras heeft +opgedragen. Ze had gemeend dat haar liefde al die jaren geleefd had, +maar ze was toch vergeten wat het was, in sterke armen gesloten te +worden en in jonge, stralende oogen te zien. + +Zij ziet niet dat hij oud is. Zij ziet alleen in zijn oogen. + +Zij ziet de zwarte vloeren niet, noch de zolderingen die groen van +vochtigheid zijn, zij ziet alleen zijn stralende oogen. De predikant +van Broby is een statig man. Hij is zelfs mooi op dit oogenblik. Hij +wordt innemend alleen door haar aan te zien. Hij hoort zijn stem, +zijn heldere, sterke stem, die klinkt als een liefkozing. Zóó spreekt +hij alleen tot haar. Wat had hij toch meubels van den proost noodig +in zijn leege kamers, wat had hij eten en dienstboden van noode. De +oude dame zou dat alles bijna niet gemist hebben. + +Hoort zij zijn stem niet? Ziet ze zijn oogen niet? Nooit, nooit te +voren is ze zóo gelukkig geweest. Hoe sierlijk buigt hij, sierlijk +en fier als was zij een vorstin en hij haar gunsteling. Hij spreekt +zooals ouden van dagen doen, met vele stereotype gezegden, als hij +tot haar spreekt. + +Zij glimlacht maar en is gelukkig! + +Tegen den avond biedt hij haar den arm en ze wandelen in zijn ouden +vervallen tuin. Zij ziet niet dat die leelijk en slecht onderhouden is; +vergroeide struiken worden tot geschoren hagen, 't onkruid tot zachte, +smaragdgroene grasperken in haar oogen. Lange lanen beschaduwen haar +en door 't donkere loof ziet zij witte beelden schemeren van jeugd, +trouw, hoop en liefde. + +Ze weet, dat hij getrouwd geweest is, maar ze denkt er niet aan. Hij +is immers vijf en twintig, zij twintig jaar. Hij is zeker niet ouder, +jong en vol kracht als hij is. Is hij dezelfde, die eens de gierige +dominé van Bro worden zal. Hij! die glimlachende jongeling? Soms suist +het in zijn ooren. Zouden 't boden van een donkere toekomst zijn? Maar +de ellende der armen, de vloek der bedrogenen, de schimpscheuten der +verachting, de spotliederen, de hoon, dat alles bestaat nog niet voor +hem. Zijn hart brandt van eene reine, onschuldige liefde. Die fiere, +jonge man zal nooit geld zóó liefhebben, dat hij in 't stof, ja in 't +vuil kruipen zal om het op te rapen, van de voorbijgangers bedelen, +vernedering, schande, koude en honger verdragen om het machtig te +worden. Zal hij zijn kind honger laten lijden, zijn vrouw pijn doen, +alleen om dat ellendige geld! Dat is immers onmogelijk. Zoo kan hij +niet zijn. Hij is een goed mensch, zooals anderen. Hij is geen monster. + +De geliefde van zijn jeugd gaat niet aan de zijde van een verachte +ellendeling, die 't ambt, dat hij gewaagd heeft te aanvaarden, +onwaardig is. Neen, Eros, almachtige God, ten minste dezen avond +niet. Dezen avond is hij niet de predikant van Broby en ook den +volgenden en den daaropvolgenden niet. + +Den dag daarna vertrekt zij. Het hek is breeder gemaakt. De koets +rolt den Brobyheuvel af zoo snel als uitgeruste paarden loopen kunnen. + +Welk een droom, welk een heerlijken droom! Geen enkele wolk in al +die drie dagen. + +Zij reed glimlachende terug naar haar kasteel en haar +herinneringen. Nooit hoorde zij zijn naam meer noemen, zij vroeg +nooit naar hem. Zij wenschte niet anders dan dezen droom steeds weer +te droomen, zoolang ze leefde. + +De predikant van Broby zat in zijn eenzaam huis en schreide, schreide +als een wanhopende. Zij had hem jong gemaakt! Zou hij nu weer oud +moeten worden? Zou de booze geest terugkomen? Zou hij weer verachtelijk +moeten worden, verachtelijk als hij geweest was? + + + + + + + +XXII. + +DE HEILIGENBEELDEN. + + +De kerk van Svartsjö is wit van binnen en van buiten; de wanden +zijn wit, de preekstoel, de banken, de zolder, de vensterbanken, het +altaarkleed--alles is wit. In de kerk van Svartsjö zijn geen sieraden, +geen schilderijen, geen wapens. Boven 't altaar ziet men alleen een +houten kruis en een witte doek. + +Vroeger was dat alles anders. Toen was de zolder geschilderd en +allerlei bonte figuren van steen en klei stonden in dit godshuis. + +Op een dag, in den zomer, heel lang geleden, had een kunstenaar +in Svartsjö naar den hemel staan kijken en acht geslagen op het +trekken der wolken langs den hemel, de zon tegemoet. Hij had de witte +glinsterende wolken gezien, die des morgens aan den horizont staan; +hij zag hoe ze zich hooger en hooger opstapelden; hij had de kolossen +grooter en grooter zien worden en zich verheffen om naar boven te +stormen. Zij hieven hun standaard op als krijgers, zij trokken uit om +den ganschen hemel te veroveren. Tegenover de zon, den beheerscher +van 't wereldruim, huichelden zij en namen een onschuldige gedaante +aan. Hier was een leeuw, die zich in een gepoederde dame veranderde, +dáár een reus met armen, die koorden verbrijzelde; hij legde zich neer +als een droomende sphinx; eenigen bedekten hun naaktheid door mantels +met gouden randen om te slaan, anderen legden rood op hun sneeuwwitte +wangen. Hier waren vlakten, daar wouden, ginds gemetselde burchten, +met hooge torens. De witte wolken veroverden den zomerhemel. Zij vulden +het geheele blauwe gewelf. Zij bereikten de zon en verborgen haar. + +"O hoe schoon zou 't zijn," dacht de vrome kunstenaar, "als de zielen +vol verlangen op deze torenhooge bergen konden klimmen, en door hen als +door een wiegend vaartuig al hooger en hooger konden worden gebracht." + +En toen begreep hij in eens, dat de witte zomerwolken de vaartuigen +waren, waarin de zielen der zaligen wegvoeren. + +Hij zag ze daarboven! Daar stonden ze op de bewegelijke massa's met +leliën in de hand en gouden kronen op het hoofd. De lucht weergalmde +van hun zangen. De engelen zweefden hun op breede, sterke vleugels te +gemoet. O, welk een oneindig aantal zaligen. Al naarmate de wolken +zich uitbreidden, zag hij er meer; zij rustten op wolkenbedden als +witte waterlelies op het meer. Zij versierden ze als leliën het +veld. Welk een jubelende vaart naar den hooge! de eene wolk na de +andere rolde voort! Allen waren bezet met hemelsche heirscharen in +zilveren wapenrustingen, met onsterfelijke zangers in mantels met +purper afgezet. + +Die kunstenaar had later de zoldering in de kerk van Svartsjö +geschilderd. Hij had de drijvende wolken van den zomerschen hemel +willen weêrgeven, die de zaligen in de heerlijkheid des hemels zouden +invoeren. De hand die 't penseel gevoerd had, was krachtig geweest, +maar ook wat stijf, zoodat de wolken meer op de gekrulde haren van een +allongepruik leken dan op aangroeiende bergen van zachte nevelen. En +zooals de heiligen zich voor de fantaisie van den meester vertoonden, +had hij ze niet kunnen weergeven; maar hij had ze als menschen gekleed +met lange roode mantels en stijve bisschopsmutsen of in zwarte lange +kleederen met stijve gepijpte kragen. Hij had ze groote hoofden +en kleine lichamen gegeven en ze van zakdoeken en gebedenboeken +voorzien. Latijnsche spreuken kwamen uit hun mond en voor hen, +die hij 't hoogste stelde, had hij stevige houten stoelen op de +wolkenruggen gezet, zoodat ze in een gemakkelijke zittende houding +naar de eeuwigheid zouden kunnen gaan. + +Maar iedereen wist immers, dat geesten en engelen zich nooit aan +den armen kunstenaar hadden vertoond en daarom verwonderde men er +zich niet erg over, dat hij ze niet bovenaardsch schoon had kunnen +maken. Menigeen had toch zeker de schilderij van den goeden meester +buitengewoon mooi gevonden en het had velen ernstig en godsdienstig +gestemd. 't Was wel waard door onze oogen gezien te worden. + +Maar in 't jaar van de kavaliers liet Graaf Dohna de heele kerk wit +schilderen. Toen werd de geschilderde zolder bedorven. En ook liet +hij al de heiligenbeelden van klei vernietigen. + +Ach, die heiligenbeelden! + +'t Zou beter voor me zijn, als nood en ellende van menschen me zóóveel +verdriet kon doen, als ik voelde over 't wegnemen van die beelden van +klei; als de wreedheid van menschen tegenover menschen mijn hart met +een bitterheid vervullen kon als die ik om hunnentwille gevoeld heb. + +Maar éen van hen was ook St. Olof met de kroon om den helm, de bijl +in de hand en een overwonnen reus onder den voet; op de preekstoel +stond Judith met een rood lijf en een blauwen rok, met een zwaard in +de eene en een zandlooper in de andere hand--in plaats van het hoofd +van den assyrischen veldheer; daar was ook een geheimzinnige koningin +van Saba met een blauw lijf en rooden rok, met een ganzepoot aan 't +eene been en de handen vol sibyllijnsche boeken; daar was de heilige +Christoffel met zijn bloeienden staf, en de heilige Erik met scepter +en bijl en een ouden mantel met gouden bloemen om. + +Ik heb daar in de kerk van Svartsjö zoo menig Zondag gezeten en er +me over geërgerd, dat de beelden weg waren. Hoe verlangde ik naar +hen. Ik zou er niet zoo precies op gezien hebben of er een neus of +een voet ontbrak, of 't verguldsel er wat afgesleten was en de verf +verbleekt. Ik zou om hun hoofd de glorie der legende hebben gezien. + +'t Moet altoos zoo geweest zijn met die heiligenbeelden, dat ze hun +scepters of ooren en handen verloren en gerepareerd en opgeknapt +moesten worden. Dat verveelde de gemeente en zij verlangde van +hen af te komen. Maar de boeren zouden toch de heiligen geen kwaad +gedaan hebben, als graaf Dohna er niet geweest was. Hij heeft ze +laten wegnemen. + +Ik heb er hem om gehaat, zooals een kind haten kan. Ik heb hem +gehaat, zooals een hongerige bedelaar de gierige huismoeder haat, +die hem brood weigert. Ik heb hem gehaat, zooals een arme visscher +den onwetenden knaap haat, die zijn net heeft bedorven en een gat +in zijn boot gehakt. Hoe hongerde en dorstte mijn ziel niet onder de +lange godsdienstoefeningen. En hij had het brood, waar mijn ziel van +leven moest, weggenomen. Hoe verlangde ik niet naar het oneindige, naar +den hemel. En hij had mijn vaartuig bedorven, en mijn net verscheurd, +waarmee ik de hemelsche visioenen had willen vangen. + +In de wereld der volwassenen is geen plaats voor echte haat. Hoe zou +ik nu zulk een ellendig wezen als graaf Dohna kunnen haten of een +armen waanzinnige zooals Sintram of een afgeleefde wereldsche vrouw +als gravin Märta. Maar toen ik een kind was, ja, toen was 't maar +gelukkig voor hen, dat ze al lang dood waren. + +De predikant stond misschien wel op den preekstoel te spreken over +vrede en verzoening; maar op onze plaats in de kerk kon men hem niet +verstaan. Ach, had ik de oude heiligenbeelden van klei maar bij me +gehad--zij zouden wel voor me gepreekt hebben, zoodat ik ze kon hooren +en verstaan. + +Maar nu zat ik er meestal over te denken hoe 't gekomen was, dat ze +weggeroofd en bedorven werden. + +Toen graaf Dohna zijn huwelijk voor onwettig had laten verklaren, +inplaats van zijne vrouw op te zoeken en 't huwelijk te laten wettigen, +had hij aller verontwaardiging gewekt; want men wist, dat zijn vrouw +alleen zijn huis had verlaten om niet doodgeplaagd te worden. Nu +scheen het, dat hij Gods genade en de achting der menschen wilde +herwinnen door een goed werk en daarom liet hij de kerk van Svartsjö +opknappen. Hij liet de heele kerk wit schilderen en de geschilderde +zoldering wegnemen. Hij zelf droeg met zijn knechts de schilderijen +naar beneden in een boot en wierp ze in de diepte van 't Löfvenmeer. + +Hoe durfde hij 't toch wagen de hand aan die uitverkorenen Gods +te slaan. + +Dat zulk een gruwel toch gebeuren kon! Voerde de hand, die 't hoofd +van Holofernes afsloeg dan 't zwaard niet? Had de koningin van Saba +dan alle geheime wijsheid vergeten, die dieper wondt dan een vergiftige +pijl. Heilige Olof, gij oude viking, St. Joris, gij oude drakendooder, +leeft dan de roem uwer daden niet meer, is de glorie uwer wonderen +verbleekt?--Maar de zaak zal wel geweest zijn, dat de heiligen geen +geweld met geweld willen keeren. Daar de boeren van Svartsjö geen +verf voor hunne kleeren en geen verguldsel voor hun kronen meer over +hadden, lieten zij graaf Dohna begaan, toen hij hen wegdroeg en ze in +'t diepe Löfvenmeer wierp. Zij wilden Gods huis niet ontsieren. Die +armen! Zij dachten zeker aan den tijd, dat men voor hen knielde en +gebeden tot hen opzond. + +En ik zat te denken aan die boot, met heiligen belast, die op +een stillen zomeravond heengleed over den blanken spiegel van 't +Löfvenmeer. De knecht, die roeide, nam langzame, groote slagen en +wierp schuwe blikken op de wonderlijke passagiers, die op den voor- +en achtersteven lagen; maar graaf Dohna, die er ook bij was, voelde +zich dapper. Hij nam ze een voor een met zijn eigen handen en wierp ze +in 't water. Zijn voorhoofd was helder en hij haalde diep adem. Hij +meende een strijder voor de reine evangelische leer te zijn. En er +geschiedde geen wonder ter eere der heiligen. Stil en moedeloos zonken +ze neer en gingen hun vernietiging te gemoet. + +Maar den volgenden Zondag stond daar de kerk van Svartsjö vlekkeloos +wit. Geen beelden stoorden meer de aandacht der kerkgangers. Alleen +met de oogen der ziel moet de vrome de heerlijkheid des hemels en +'t gelaat der heiligen zien. De gebeden der menschen moeten op hun +eigen sterke vleugels den Allerhoogste bereiken. Zij behoeven zich +niet meer vast te klampen aan de gewaden der heiligen. + +Groen is de aarde, de heerlijke woning der menschen, blauw is de +hemel, waar ze allen naar verlangen. De wereld straalt in duizend +kleuren. Waarom is de kerk wit?--Wit als de winter, naakt als de +armoede, bleek als de angst. Ze schittert niet van rijp als een bosch +in den winter. Ze prijkt niet met paarlen en kant als een bruid. De +kerk staat daar wit en koud met geverfd leem bedekt, zonder een enkel +beeld, zonder een schilderij. + +Dien Zondag zat graaf Dohna in een met bloemen versierden leuningstoel +in het koor, opdat allen hem zouden zien en prijzen. Nu zou hij geëerd +worden, omdat hij de oude banken in orde had laten maken, de leelijke +beelden wegnemen, nieuwe ruiten inplaats van de gebroken zetten en +de heele kerk wit verven. Het stond hem natuurlijk vrij dat alles +te doen. Als hij den toorn des Almachtigen wilde verzachten, was het +immers goed, dat hij naar zijn beste weten Zijn tempel versierde. Maar +waarom nam hij er dan eerbewijzen voor aan? + +Hij, die daar kwam met de zonde der onverzoenlijkheid op zijn geweten, +hij had immers op de knieën moeten vallen op 't zondaarsbankje en +zijn broeders en zusters smeeken God te bidden, hem in zijn heiligdom +te dulden. Het ware hem beter geweest daar te staan als een arme +zondaar, dan daar ginds in 't koor te zitten en lof aan te nemen, +omdat hij zich met God had willen verzoenen. + +Ach, graaf Dohna! God had u zeker op 't zondaarsbankje verwacht. Hij +liet er zich niet door verblinden, dat de menschen u niet durfden +te berispen. + +Toen de godsdienstoefening voorbij was en de laatste psalm gezongen, +verliet niemand de kerk, maar de predikant ging den preekstoel op +om een dankrede aan den graaf te houden, maar zóó ver zou het toch +niet komen. Want de deur ging open, en daar kwamen de oude heiligen +de kerk binnen, druipend van 't water uit het Löfvenmeer, vuil van +groen kroos en bruinen modder. Ze hadden zeker gehoord, dat hier een +lofrede gehouden zou worden op hem, die hen ten val gebracht, ze uit +'t heilige huis Gods verjaagd en ze neergestort had in de koude, alles +vernietigende golven. De oude heiligen wilden een woordje meespreken. + +Zij houden niet van 't eentonig kabbelen der golven. Ze zijn gewend +aan psalmen en gebeden. Zij zwegen en berustten in alles, zoolang ze +meenden, dat het dienen moest tot Gods eer. Maar zoo was het niet. + +Hier zit graaf Dohna met eer overladen in 't koor en wil aangebeden +en geprezen worden in Gods huis. Daarom zijn ze opgestegen uit hun +vochtig graf en komen de kerk in. En de geheele gemeente herkent +hen. Daar gaat de heilige Olof met de kroon om den helm en St. Erik +met de gouden bloemen op den mantel en den grijzen Sint Joris en de +heilige Christoffel. Meer niet, de Koningin van Saba en Judith waren +niet meêgekomen. + +Maar toen de menschen wat van hun verbazing bekomen waren, ging er +een hoorbaar gefluister door de kerk. "De kavaliers". + +Ja zeker, 't zijn de kavaliers. En zij gaan recht op den graaf af +zonder een woord te spreken, lichten zijn stoel op hun schouders op, +dragen hem de kerk uit en zetten hem daar buiten op den kerkheuvel. + +Ze zeggen niets, en zien rechts noch links. Zij dragen eenvoudig +graaf Dohna uit Gods huis en als dat gedaan is gaan ze weer heen, +den naasten weg naar het meer. + +Niemand houdt hen tegen en zij verspillen ook geen tijd met het +verklaren van hun meening. Die was duidelijk genoeg: "Wij, kavaliers +van Ekeby, hebben onze eigen overtuiging. Graaf Dohna verdient niet +in Gods huis geprezen te worden. Daarom dragen wij hem naar buiten. Nu +kan ieder, die wil, hem weer binnen brengen." + +Maar hij werd niet weer naar binnen gebracht. De lofrede van den +predikant werd nooit gehouden. De gemeente stroomde de kerk uit. Er +was niemand, die niet vond, dat de kavaliers goed gedaan hadden. + +Zij herinnerden zich de vroolijke jonge gravin en hoe gruwelijk zij op +Borg gepijnigd was geworden. Zij dachten aan haar, die zoo goed voor +de armen was, die zoo mooi was geweest, dat 't voor hen al een troost +was naar haar te kijken. Wel was het zondig met zulke vertooningen in +de kerk te komen; maar de predikant en de gemeente voelden, dat zij +zelf op het punt geweest waren nog erger den spot met den Allerhoogste +te drijven. En zij schaamden zich tegenover de dwazen. + +"Als de menschen zwijgen, moeten de steenen spreken," zeiden ze. + +Maar na dien dag kon graaf Henrik het niet meer uithouden op Borg. Op +een donkeren nacht in 't begin van Augustus reed een gesloten kales tot +dicht voor de groote stoep. Alle dienstboden gingen er omheen staan +en gravin Märta kwam naar buiten, in doeken gehuld met een dichten +sluier voor 't gelaat. De graaf gaf haar den arm, maar ze sidderde +en beefde. Slechts met de grootste moeite kon men haar bewegen door +'t voorhuis en den stoep af te gaan. + +Eindelijk kwam zij in den wagen, de graaf sprong er ook in, de +deuren werden dicht geslagen en de koetsier liet de paarden in galop +wegrijden. + +Toen de eksters den volgenden morgen wakker werden, was ze weg. + +De graaf leefde nog lang in het zuiden. Borg werd verkocht en is +menigmaal van eigenaar verwisseld. Allen hadden ze het landgoed lief; +maar slechts weinigen bezaten het met genoegen. + + + + + + + +XXIII. + +GODS GEZANT. + + +Kapitein Lennart, Gods gezant, kwam op een namiddag in Augustus in +de herberg te Broby en ging in de keuken. Hij was toen op weg naar +zijn huis "Helgesaeter," dat een kwart mijl ten noorden van Bro ligt, +dicht bij den zoom van 't woud. + +Kapitein Lennart wist toen nog niet, dat hij een van Gods gezanten zou +worden op aarde. Zijn hart was tot overloopens toe vol van vreugd, +omdat hij zijn tehuis weer zou zien. Hij had veel geleden, maar nu +kwam hij weer thuis en alles zou weer goed worden. Hij wist niet, +dat hij een van hen zou worden, die niet onder een eigen dak mochten +rusten of zich bij een eigen haard koesteren. + +Kapitein Lennart was recht in zijn schik. Toen hij niemand in de +keuken aantrof, hield hij er huis als een wilde jongen. Een, twee, +drie verzette hij 't weefgetouw en bracht het spinnewiel in de war, +hij smeet de kat op den kop van den hond en lachte, dat het door 't +huis klonk, toen de twee kameraden in den oogenblikkelijken schrik de +oude vriendschap braken en op elkaar aanvlogen met gekromde klauwen, +nijdige oogen en de haren te berge. + +Toen kwam de herbergierster op al dat gedruisch aan. Zij bleef op +den drempel staan en keek naar den man, die om de vechtende dieren +stond te lachen. Ze kende hem wel; maar toen ze hem 't laatst zag, +zat hij op de gevangenkar met de handboeien aan. + +Ze wist het nog best. Voor vijf en een half jaar geleden had een +dief op de winterkermis te Karlstad de sieraden van de vrouw van den +Gouverneur gestolen. Veel ringen, armbanden en gespen, waar de rijke +dame grooten prijs op stelde--want 't meeste had ze geërfd of present +gekregen--waren toen verloren gegaan. Ze werden nooit gevonden, maar +'t gerucht liep spoedig door 't heele land, dat kapitein Lennart op +Helgesaeter de dief wezen moest. + +De boerin had nooit kunnen begrijpen waar zulk een gerucht vandaan +gekomen was. + +Was kapitein Lennart dan niet een goed en eerlijk man? Hij leefde +gelukkig met zijn vrouw, waarmeê hij eerst een paar jaar geleden +getrouwd was, want hij had pas laat een vrouw kunnen onderhouden. Had +hij nu niet een goed inkomen door zijn tractement en zijn landgoed? En +nog wonderlijker vond zij het, dat kapitein Lennart zijn ontslag +kreeg, zijn ridderorde moest teruggeven en tot vijf jaar dwangarbeid +veroordeeld werd. + +Hij zelf had gezegd, dat hij op de markt was geweest en van daar +was weggereden, eer hij iets van den diefstal gehoord had. Op den +straatweg had hij een leelijke oude gesp gevonden, die hij mee naar +huis genomen had en aan zijn kinderen gegeven. Maar die gesp behoorde +tot de gestolen zaken en dat werd zijn ongeluk. Maar eigenlijk was +het alles Sintrams schuld geweest. De booze grondeigenaar had voor +aanklager gespeeld en bij het getuigenverhoor de verklaring afgelegd, +die hem had doen vallen. 't Scheen dat het noodig voor hem was, +kapitein Lennart uit den weg te werken, want kort daarna werd er tegen +hemzelf een proces gevoerd, omdat men ontdekt had, dat hij kruit aan +de Moren had verkocht in den oorlog van 1814. De menschen meenden, +dat hij bang was voor de verklaring, die kapitein Lennart tegen hem +had moeten afleggen. Nu werd hij vrijgesproken, bij gebrek aan bewijs. + +De herbergierster kon dien man niet genoeg aanzien. Zijn haar was grijs +geworden en zijn rug gebogen. Hij had 't zeker niet best gehad. Maar +zijn vriendelijk gezicht en zijn goed humeur had hij nog. Hij was +nog dezelfde kapitein Lennart, die haar naar het altaar gebracht had, +toen zij de bruid was [2] en die bij haar bruiloft gedanst had. Hij +bleef zeker nog op den weg staan praten met ieder, die hij tegenkwam, +en hij wierp zeker nog elk kind een geldstuk toe. Hij zou nog tegen +elk gerimpeld oudje zeggen, dat ze met den dag jonger en mooier werd +en hij zou nog best eens op een ton kunnen gaan zitten en op de viool +spelen voor hen, die om den Meistang wilden dansen. Och hemel, ja! + +"Nu, moeder Karen!" begon hij, "durf je me niet aan te zien?" + +Hij was daar eigenlijk binnen gegaan om te hooren, hoe het bij hem +thuis was, en of zij hem daar verwachtten. Zij konden immers wel +nagaan, dat hij zoowat tegen dezen tijd zijn straf had uitgediend. + +De herbergierster vertelde hem niets dan goed nieuws. Zijn vrouw was +zoo flink geweest als een man. Zij had een hoeve gepacht en alles +was goed gegaan onder haar bestuur. De kinderen waren gezond, het +was een lust ze te zien. En natuurlijk verwachtten ze hem. De vrouw +van den kapitein was een strenge vrouw, die nooit sprak over wat +ze dacht. Maar dit wist de herbergierster, dat niemand met kapitein +Lennarts lepel had mogen eten of in zijn stoel zitten, terwijl hij +weg was. Nu in 't voorjaar was er geen dag voorbijgegaan, dat zij +niet naar den steen op den top van den Brobyheuvel gegaan was en +den weg langs gekeken had of hij niet komen zou. En nieuwe kleeren +had zij voor hem gereed, thuisgeweven kleeren, waarvan zij zelf 't +grootste deel gemaakt had. Zie, aan dat alles kon men wel merken, +dat hij gewacht werd, al zeide ze ook niets. + +"Ze gelooven het dus niet?" vroeg kapitein Lennart. + +"Neen, kapitein," antwoordde de boerin: "niemand gelooft het!" + +Toen bleef kapitein Lennart niet langer in de kamer, hij wilde +naar huis. + +Buiten trof hij toevallig goede oude vrienden aan. De kavaliers +van Ekeby waren juist in de herberg aangekomen. Sintram had ze daar +uitgenoodigd om zijn verjaardag te vieren. En de kavaliers bedachten +zich geen oogenblik; maar drukten den dwangarbeider de hand en heetten +hem welkom thuis. Dat deed Sintram ook. + +"Lieve Lennart," zei hij, "wees er maar zeker van, dat onze lieve +Heer hier een bedoeling meê heeft gehad." + +"Jou schurk!" riep kapitein Lennart. "Meen je dat ik niet weet, +dat het "onze lieve Heer" niet was, die jou van het schavot redde?" + +De anderen lachten. Maar Sintram werd heelemaal niet boos. Hij had +er niets tegen, dat er toespelingen werden gemaakt op zijn verbond +met den Booze. + +Ja, toen namen zij kapitein Lennart weer mee naar binnen om hem een +welkom toe te drinken. Daarna mocht hij dadelijk verder gaan. Maar +'t liep slecht met hem af. Hij had zulke verraderlijke dingen in vijf +jaar niet gedronken. Hij had misschien den heelen dag niet gegeten +en was uitgeput door zijn lange wandeling. En daarom werd hij al +wonderlijk in 't hoofd door een paar glazen. + +Toen de kavaliers hem zoover gekregen hadden, dat hij niet recht +meer wist wat hij deed, gaven ze hem 't eene glas na het andere. Zij +meenden er niets kwaads mee. 't Was pure vriendelijkheid. Hij had +immers in geen vijf jaar wat lekkers gehad. + +Anders was hij de matigste man, die men zich kan voorstellen. En +men kan ook wel begrijpen, dat hij niet van plan was zich dronken +te drinken, hij zou immers naar huis gaan,--naar vrouw en kinderen, +maar nu bleef hij liggen op de bank in de herberg en viel in slaap. + +En toen hij daar nu lag zonder bewustzijn, nam Gösta een stuk +houtskool en wat bessensap en grimeerde hem. Hij gaf hem een echt +misdadigersgezicht; dat paste goed bij hem, meende hij, omdat hij uit +de gevangenis kwam. Hij gaf hem een "blauw oog," een rood lidteeken +over den neus, streek zijn haar over 't voorhoofd in verwarde vlokken +en smeerde zijn heele gezicht met roet in. + +Zij lachten er een poosje om, en toen wilde Gösta 't weer afwasschen. + +"Neen, laat 't zitten," zei Sintram, "dan kan hij 't zien als hij +wakker wordt. Hij zal er pleizier in hebben." + +En zoo bleef het zooals 't was. En de kavaliers dachten niet meer aan +den kapitein. 't Feest duurde den heelen nacht. Tegen den morgen braken +ze op. Toen was er ongetwijfeld meer wijn dan verstand in hun hersens. + +Nu was het de vraag, wat zij met Lennart zouden doen. + +"Wij zullen hem thuis brengen," zei Sintram. "Wat zal zijn vrouw +blij zijn. 't Zal heerlijk wezen haar vreugde te zien. Ik word al +aangedaan als ik er aan denk. Laten we hem naar huis brengen." + +Zij werden allen geroerd door die gedachte. Lieve hemel, wat zal ze +blij zijn, die strenge vrouw op Helgesaeter! + +Zij schudden kapitein Lennart half wakker, en zetten hem in een van de +rijtuigen, die de slaperige staljongens al lang geleden hadden doen +voorkomen. En toen trok de heele schaar naar Helgesaeter. Sommigen +sliepen half en vielen bijna uit den wagen, andren zongen om wakker +te blijven. Zij leken veel op een bende vagebonden met hun wezenlooze, +gezwollen gezichten. + +Zij kwamen toch tot Helgesaeter. Ze lieten paarden en wagens achter +op de plaats en trokken met zekere plechtigheid op naar het huis. + +Beerencreutz en Julius hadden kapitein Lennart tusschen zich in. + +"Word nu wakker, Lennart," zeiden ze tot hem. + +"Je bent nu thuis. Zie je dan niet, dat je thuis bent?" + +Hij deed de oogen open en werd bijna nuchter. Hij werd aangedaan, +omdat ze hem thuis brachten. + +"Mijn vrienden," zeide hij en bleef staan om ze allen te gelijk toe +te spreken. "Ik heb God gevraagd waarom ik zóó veel heb moeten lijden." + +"Och, houd toch je mond, Lennart, schei uit met je gepreek," schreeuwde +Beerencreutz. + +"Laat hem doorgaan," riep Sintram, "hij spreekt goed." + +"Ik heb Hem dat gevraagd. Ik begreep het niet. Maar nu begrijp ik +het. Hij wilde mij toonen wat voor goede vrienden ik had. Vrienden, +die mij naar huis wilden brengen om de vreugde van mij en mijn vrouw +te zien. Want mijn vrouw wacht mij. Wat zijn vijf ellendige jaren, +daarbij vergeleken!" + +En nu bonsden hun vuisten op de deur. De kavaliers hadden geen geduld +om meer te hooren. + +Binnen kwam beweging. De dienstmeisjes werden wakker en zagen naar +buiten. Zij trokken haastig wat kleeren aan, maar ze durfden niet +open doen voor al die mannen. Eindelijk werd de grendel van de deur +gedaan en de vrouw des huizes trad zelf naar buiten. + +"Wat beteekent dit?" vroeg ze. + +Beerencreutz antwoordde: "Wij zijn hier met uw man." + +Ze duwden kapitein Lennart naar voren en ze zag hem aankomen, +zwaaiend, dronken, met een misdadigersgezicht. En achter hem een +schare beschonken, zwaaiende mannen. + +Ze deed een stap achteruit. Hij kwam dichterbij met open armen. "Je +ging heen als een dief," barstte ze uit, "en je komt terug als een +vagebond." En toen wilde ze naar binnen gaan. + +Hij begreep haar niet, hij wilde haar volgen maar ze stootte hem terug. + +"Meen je dat ik iemand als jij als heer over mijn huis en mijn kinders +wil aannemen?" + +De deur vloog toe en de grendel werd er van binnen +voorgeschoven. Kapitein Lennart vloog op de deur toe en rukte aan +de knop. + +Toen konden de kavaliers het lachen niet laten. Hij was zoo zeker +van zijn vrouw geweest en nu wilde ze niets van hem weten. Dat was +komiek--vonden ze. + +Toen kapitein Lennart hoorde, dat ze lachten, stoof hij op hen af +en wilde hen slaan. Zij liepen weg en sprongen in de wagens. Hij +vloog ze na, maar in zijn boosheid struikelde hij over een steen +en viel. Hij stond op; maar vervolgde ze niet verder. Een gedachte +had hem getroffen. In deze wereld geschiedde er niets buiten Gods +wil. Neen, niets! + +"Waarheen wilt Gij mij leiden?" vroeg hij. "Ik ben als een veer +door Uw adem meegevoerd. Ik ben Uw speelbal. Waarheen wilt Gij mij +leiden? Waarom sluit Gij de deur van mijn huis voor me?" + +En hij ging heen van zijn huis. Hij geloofde dat het Gods wil was. + +Toen de zon opging, stond hij op den Brobyheuvel en zag neer in het +dal. Ach, toen wisten de arme dalbewoners niet, dat hun redder nabij +was. Geen behoeftige of bedroefde had groene kransen gevlochten en +die aan de deur van zijn hut gehangen. Geen geurende lavendelbladen +of veldbloemen sierden den drempel, die hij betreden zou. De moeders +namen hun kinderen niet op den arm, opdat zij hem zouden zien komen. De +hutten waren niet opgeruimd en groen gemaakt ter eere van hem. De +mannen werkten niet rusteloos op den akker om zijn hart te verheugen +met goed bebouwde velden en goed gegraven slooten. + +Ach, van de hoogte waarop hij stond, zag zijn bekommerd oog, hoe de +droogte de geheele streek had geteisterd, hoe 't graan verschroeid +was, en hoe 't volk zich niet meer inspande om den grond te bereiden +voor den zaaitijd. Hij zag naar de blauwe bergen op en de heldere +morgenzon verlichtte de bruine, verzengde plekken waar de boschbrand +gewoed had. Hij zag naar de bergen aan den kant van den weg. Zij waren +bijna dood door de droogte. Hij merkte 't aan allerlei kleinigheden, +aan omgevallen hekken aan 't weinige brandhout, dat gehakt en naar +huis gereden was, dat de menschen niet meer op hun zaken pasten; dat de +nood voor de deur stond en zij hun troost zochten in onverschilligheid +en brandewijn. + +Maar misschien was het goed voor hem, dat hij alles zag. Want het +was niet voor hem weggelegd het zaad te zien ontkiemen en opkomen +op zijn eigen akker; het was niet voor hem weggelegd aan zijn eigen +haard te zitten en er de gloeiende kolen te zien dooven, of de zachte +handen van zijn kinderen in de zijnen te voelen of een liefhebbende +vrouw aan zijn zijde te hebben. Misschien was het goed voor hem, +wiens ziel door diepe smart werd gedrukt, dat er andren waren, die +hij in hun armoede kon vertroosten. Misschien was het goed voor hem +dat deze tijd zulk een droevige tijd was, waarin de karigheid der +natuur gebrek over de armen bracht en waar velen die 't beter hadden, +deden wat ze konden om 't volk te gronde te richten. + +Want 't was niet voor niet, dat de predikant van Broby als een +begeerige vrek rondging onder zijn gemeenteleden in plaats van hun +een goede herder te zijn. + +'t Was niet voor niet, dat de kavaliers regeerden in dronkenschap en +overdaad, niet voor niet, dat Sintram hen had doen gelooven, dat dood +en verderf hen allen treffen zou. + +Kapitein Lennart stond daar op den Brobyheuvel en meende, dat God +hem misschien wel gebruiken kon. En zijn vrouw riep hem ook niet +berouwvol terug. + +'t Moet gezegd worden, dat de kavaliers later volstrekt niet begrepen, +hoeveel schuld zij hadden aan de hardheid van de vrouw van den +kapitein. Sintram zei niets. Menigeen sprak afkeurend over de vrouw, +die te trotsch geweest was zulk een goeden man weer te ontvangen. Zij +kon niet verdragen, dat men zijn naam noemde. Kapitein Lennart deed +niets om haar tot andere gedachten te brengen. + +'t Was een dag later. + +Een oude boer in Högberg lag op zijn sterfbed, hij had het sakrament +der stervenden ontvangen en zijn levenskracht was verbruikt. Hij moest +sterven. Rusteloos als iemand, die op 't punt staat eene lange reis +te maken, liet hij zijn bed van de keuken in de kamer, van de kamer in +de keuken brengen. Daaraan kan men merken, meer nog dan aan zijn zwaar +ademhalen en half gebroken oogen, dat zijn laatste ure gekomen is. + +Om hem heen staan zijn vrouw, zijn kinderen en dienstboden. Hij is +gelukkig, rijk en geacht geweest. Zijn sterfbed is niet eenzaam. Hij is +in zijn laatste oogenblikken niet door ongeduldige vreemden omgeven. De +oude man spreekt over zich zelf, alsof hij voor Gods aangezicht stond +en onder zuchten en met veel woorden bevestigen de omstanders, wat +hij zegt. + +"Ik ben een vlijtig arbeider en eene goede huisheer geweest," zegt +hij. "Ik heb mijn vrouw liefgehad als mijn rechterhand. Ik heb mijn +kindren niet zonder zorg en tucht op laten groeien. Ik heb niet +gedronken, ik heb de grenssteenen op den akker niet verzet. Ik heb +de paarden, die den heuvel opgingen, niet voortgezweept. Ik heb de +koeien in den winter geen honger laten lijden; ik heb de schapen niet +in den zomer met hun wol laten loopen." + +En om hem heen herhalen de bedienden schreiend, als een echo: "hij +was een goed huisheer. Ach God, onze Heer. Hij heeft het paard, +dat den heuvel opging, niet voortgezweept; hij heeft de koeien geen +honger laten lijden in den winter." + +Zonder dat iemand het merkte, is een arm man de deur ingekomen om +wat eten te vragen. Ook hij hoort de woorden van den stervende, +en blijft zwijgend aan de deur staan. + +En de zieke begint weer: "Ik heb bosschen omgehakt, velden drooggelegd; +ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd. Ik heb de schuur driemaal +vergroot, zoodat er driemaal meer koren in kon, dan in den tijd van +mijn voorvaderen; ik heb drie zilveren bekers laten maken van blanke +rijksdaalders en mijn vader liet er maar één maken." + +De woorden van den stervende dringen door tot hem, die daar staat en +luistert. Hij hoort hem van zichzelf getuigen alsof hij voor Gods troon +staat. Hij hoort de dienstboden en de kinderen bevestigend herhalen: +"hij stuurde de ploeg in rechte voren, ja dat deed hij." + +"God zal mij wel een goede plaats in den hemel geven;" zegt de oude. + +"De Heer zal den boer wel in den hemel opnemen," zeggen de dienstboden. + +De man aan de deur hoort die woorden en ontzetting grijpt hem aan; hem, +die vijf lange jaren Gods speelbal geweest is, een veer die door Zijn +adem wordt voortgedreven. Hij gaat naar den zieke toe en vat zijn hand. + +"Ach vriend," zegt hij, en zijn stem beeft van ontroering. "Hebt +ge bedacht, wie de Heer is voor wiens aangezicht ge spoedig zult +verschijnen? Hij is groot, Hij is geweldig. De wereld is Zijn akker, +de storm Zijn dienaar. De hemel trilt onder den tred Zijner voeten. En +gij stelt u tegenover Hem en zegt: "ik heb de ploeg in rechte voren +gestuurd, ik heb rogge gezaaid, ik heb bosschen omgehakt." Wilt ge +u zelven prijzen tegenover Hem en u met Hem meten? Weet ge dan niet +hoe machtig de Heer is, naar wiens rijk gij gaan zult?" + +De oude spert de oogen open; zijn gelaat wordt van angst vertrokken +en zijn adem gaat nog zwaarder. + +"Stel u niet voor het aangezicht van uw God met groote woorden," +gaat de zwerver voort. "De machtigen der aarde zijn als kaf in Zijn +schuur. Zijn dagwerk is zonnen te scheppen. Hij heeft de zee gegraven +en de bergen omhoog doen stijgen; Hij heeft de aarde met groen +bekleed. Hij is een arbeider zonder weerga, gij kunt u met Hem niet +meten. Buig u voor Hem, arme menschenziel! werp u in het stof voor +den Heer, uw God. Gods storm vaart over u heen. Gods toorn zal over +u komen als een verteerend vuur. Buig u neer. Grijp als een kind een +slip van Zijn kleed en bid om Zijn bescherming. Kniel in het stof en +smeek om Zijn genade. Verootmoedig u voor uw Schepper, o menschenziel." + +De oogen van den zieke staan wijd open. Hij vouwt de handen; maar +zijn gezicht heldert op en 't zware ademhalen houdt op. + +"Menschenziel, arme menschenziel," barst de vreemdeling uit. "Zoo +waarachtig als gij nu in uw laatste ure u in ootmoed voor uw God +gebogen hebt, zoo waarachtig zal Hij u als een kind in de armen nemen +en u doen ingaan in de heerlijkheid van den Hemel." + +De oude man geeft den laatsten snik en alles is voorbij. Kapitein +Lennart buigt het hoofd en bidt. Allen in de kamer bidden onder +zuchten en tranen. + +En als zij opzien, ligt de oude boer daar stil en vredig. Zijn oog +schijnt nog te stralen van den weerschijn der heerlijke visioenen, +zijn mond glimlacht,--zijn aangezicht is schoon. Hij heeft God gezien. + +"O gij groote, schoone menschenziel," denken zij die hem zien; "zoo +hebt ge dan de boeien van 't stof verbroken. In uw laatste uren hieft +ge u op tot uw Schepper. Ge hebt u voor Hem verootmoedigd en Hij nam +u als een kind in de armen." + +"Hij heeft God gezien," zegt de zoon en drukt den doode de oogen dicht. + +"Hij zag den hemel open," snikten de kinderen en de bedienden. + +De oude huismoeder legt haar bevende hand in die van kapitein Lennart +en zegt: "de kapitein hielp hem door 't ergste heen." + +Hij staat verstomd. De gave van 't machtige woord,--van de sterke daad +is hem gegeven, hij weet niet hoe! Hij trilt als een vlinder op den +rand van 't pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn +vleugels zich in den zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf. + + + +Dat oogenblik was het, dat kapitein Lennart deed uitgaan onder het +volk. Anders was hij zeker wel naar huis gegaan en had aan zijn vrouw +zijn eigen gezicht laten zien, maar van dat oogenblik geloofde hij, dat +God hem gebruiken kon. Toen werd hij Gods gezant; die den armen hulp +kon brengen. De nood was groot in dien tijd en er was veel ellende, +waar verstand en goedheid beter in zouden helpen dan goud en macht. + +Kapitein Lennart kwam op een dag bij de arme boeren, die in den +omtrek van Gurlita Klätt woonden. Groot was hun nood, zij hadden geen +aardappelen meer, en zij konden geen rogge op de afgebrande velden +zaaien, want zij hadden geen koren. + +Toen nam kapitein Lennart een bootje en roeide dwars over 't +meer naar Fors en vroeg Sintram om rogge en aardappelen voor de +arme boeren. Sintram ontving hem vriendelijk; hij nam hem mee naar +de groote welvoorziene korenzolders en naar de kelders, waar nog +aardappelen lagen van den oogst van verleden jaar en hij liet hem alle +zakken en zakjes vullen, die hij meegebracht had. Maar toen Sintram +'t kleine bootje zag, waarin Lennart gekomen was, vond hij die te +klein voor zulk een zwaren last. De booze man liet de zakken in een +van zijn groote booten dragen en liet zijn knecht, de sterke Mons, +ze over 't water roeien. Kapitein Lennart had niet anders dan zijn +leeg bootje te besturen. + +Maar sterke Mons kwam hem toch vooruit, hij was een meester in het +roeien en buitengewoon sterk. Kapitein Lennart zit te droomen, terwijl +hij over 't prachtige meer roeit; hij denkt aan 't wonderlijke lot van +de kleine zaadjes. Nu zullen ze op de zwarte aarde geworpen worden, die +vol asch is, midden tusschen steenen en boomstronken, maar zij zullen +toch wel groeien en wortel schieten in 't woeste veld. Hij denkt aan +de zachte, lichtgroene sprietjes, die de aarde zullen bedekken en hij +buigt zich in gedachten neer en streelt ze liefkozend met de hand. En +dan denkt hij er aan hoe de herfst en de winter zal heengaan over +die zwakke stumpertjes, die zoo laat nog opkwamen uit de warme aarde, +en hoe ze toch frisch en moedig zullen zijn, als het voorjaar komt, +en in ernst aan 't groeien zullen gaan. En dan verheugt zich zijn oud +soldatenhart bij de gedachte aan de stijve halmen; die zoo rank en +recht zullen staan met de spitse aar aan de punt. De stampers zullen +wuiven met hun veerbosjes, 't stof der meeldraden zal opstuiven tot aan +de toppen der boomen en zoo zullen de aren gevuld worden met zachte, +zoete korrels. En later, als de zeis komt en de halmen vallen en als de +dorschvlegel bulderend over hen heen gaat, als de molenaar de korrels +tot meel maalt en 't meel tot brood gebakken is, hoeveler honger zal +dan door 't koren in die boot daar vóór hem niet gestild worden. + +De knecht van Sintram legde aan bij de landingsplaats der +Gurlita-boeren en veel hongerige menschen kwamen op de boot af. Toen +zei de knecht, zooals zijn heer hem bevolen had: + +"De grondeigenaar zendt jelui mout en koren. Hij heeft gehoord, +dat je gebrek hebt aan brandewijn." + +Toen werden de menschen als waanzinnigen; ze vlogen naar de boot +en sprongen in 't water om zakken machtig te worden. Maar dàt was +waarlijk de bedoeling van kapitein Lennart niet geweest. Hij was nu +ook aan land gekomen en werd boos toen hij de boeren zoo opgewonden +zag. Hij wilde de aardappels voor voeding en de rogge voor zaad laten +gebruiken. Hij zou er nooit over denken om mout te vragen. Hij riep ze +toe, dat ze de zakken moesten laten liggen; maar zij luisterden niet. + +"'k Wou, dat de rogge tot zand in je mond werd en de aardappelen +in steenen veranderden," riep hij toen, want hij was ten hoogste +verbitterd, door dat ze 't koren wegrukten. + +Op 't zelfde oogenblik leek het, alsof kapitein Lennart een wonder had +verricht. Twee vrouwen, die om een zak vochten, trokken er een gat in +en er liep zand uit. De knechten, die de aardappelenzakken droegen, +merkten dat ze zoo zwaar waren, alsof er steenen in zaten. + +'t Was alles zand en steenen, anders niet. In stille ontzetting stond +het volk den man Gods aan te zien, die tot hen was gekomen. Kapitein +Lennart stond een oogenblik stom van verbazing. Maar sterke Mons +lachte. + +"Roei naar huis, man," zei kapitein Lennart, "eer de boeren begrijpen, +dat er nooit anders dan zand in de zakken geweest is, anders ben ik +bang dat ze een gat in je boot boren." + +"Ik ben zoo bang niet," zei de knecht. + +"Roei nu toch naar huis," zei kapitein Lennart zóó bevelend, dat +de man gehoorzaamde. Toen vertelde kapitein Lennart aan de boeren, +dat Sintram hem bedrogen had, maar wat hij ook zei, zij wilden niet +anders gelooven dan dat er een wonder gebeurd was. Het gerucht hiervan +verspreidde zich snel en daar de onontwikkelden van al wat wonderlijk +is, houden, werd het een algemeen volksgeloof, dat kapitein Lennart +wonderen kon doen. Daardoor kreeg hij veel macht over de boeren en +zij noemden hem Gods gezant. + + + + + + + +XXIV. + +HET KERKHOF. + + +'t Was een heerlijke avond in Augustus. 't Löfvenmeer lag spiegelglad; +'t was koel geworden en een fijne nevel, door de zon verlicht, +verborg de bergen. + +Beerencreutz, de overste met den witten knevel, klein en forsch, +reusachtig sterk en met 't kaartspel in den zak, kwam naar 't strand +en zette zich in de breede schuit. + +Achter hem kwamen Majoor Anders Fuchs, zijn oude wapenbroeder en +de kleine Ruster, de fluitspeler, die tamboer bij de jagers van +Wermeland geweest was en vele jaren den overste als vriend en dienaar +gevolgd had. + +Op den anderen oever van 't meer ligt het kerkhof, 't verwaarloosde +kerkhof van Svartsjö, dun bezaaid met scheve, rammelende ijzeren +kruisjes, ruig als een nooit geploegd veld, begroeid met stijf en +hoog gras, dat daar staat als herinnering aan de waarheid, dat geen +menschenleven op een ander gelijkt, maar dat ze onderling verschillen +als de halmen van 't gras. + +Men vindt daar geen met grint bedekte paden, geen schaduwrijke boomen, +behalve de groote linde op een vergeten graf. + +De steenen muur sluit zich hoog en afwijzend om 't armoedige +veldje. Armelijk en troosteloos is het kerkhof, leelijk als 't +gezicht van een gierigaard, geteisterd door de weeklachten van hem, +wiens levensgeluk hij verstoorde. + +En toch zijn zij zalig, die daarbinnen rusten, zij die in de gewijde +aarde werden neergelaten onder psalmen en gebeden. Acquilon, de speler, +hij, die verleden jaar stierf op Ekeby, is buiten den muur moeten +begraven worden. Die man, die eens zoo fier en ridderlijk was, die +dappere krijgsman, die kloeke jager, de speler wien 't geluk diende, +hij was geëindigd met 't erfdeel van zijn kinderen te verspillen. + +Alles wat hij zelf had verworven, alles wat zijn vrouw zoo zuinig +bijeengehouden had. Vrouw en kinderen had hij voor vele jaren verlaten +om op Ekeby als kavalier te gaan leven. + +Op een avond in den vorigen zomer had hij de hoeve verspeeld, waar +zij woonden. Liever dan zijn schuld te betalen, had hij zich voor +'t hoofd geschoten. Maar 't lijk van den zelfmoordenaar werd begraven +buiten den bemosten muur van het kerkhof. + +Sinds hij stierf waren de kavaliers maar met hun twaalven +geweest. Niemand was gekomen om de plaats van den dertiende in te +nemen--niemand dan de zwarte, die uit den grooten oven was gekomen +op Kerstavond. + +De kavaliers hadden zijn lot droeviger dan dat van zijn voorgangers +gevonden. Wel wisten ze, dat er ieder jaar een van hen sterven +moest. Maar wat zou dat? Kavaliers moesten niet oud worden. Als hun +verduisterde oogen de kaarten niet meer konden onderscheiden, als +hun bevende handen het glas niet meer konden opheffen, wat is dan 't +leven voor hen en wat kan 't leven dan meer van hen verwachten? Maar +als een hond buiten den muur van 't kerkhof te liggen, waar 't gras, +dat hem bedekt geen rust kan krijgen, maar wordt betreden door het +blatende schaap, door spade of ploeg beschadigd; waar de wandelaar +gaat zonder zijn schreden te matigen, waar kinderen spelen zonder +lachen en scherts terug te houden; daar te liggen, waar de steenen +muur 't geluid belet door te dringen als de engel van den jongsten +dag met zijn bazuin de dooden daarbinnen wekt--o, daar te liggen!.... + +Nu roeit Beerencreutz zijn boot over 't meer. Hij vaart van avond over +'t meer mijner droomen, aan wiens oevers ik goden zie wandelen en +uit wiens diepte mijn tooverslot opstijgt. Hij vaart voorbij Lagön, +waar de dennen rechtop uit 't water steken, gegroeid als ze zijn op +lage, cirkelvormige zandbanken en waar de splinters van de verwoeste +zeerooversburchten nog op schuine hellingen liggen. Hij vaart voort +langs de dennenparken van Borg, waar de oude dennen nog aan dikke +wortels over den bergkloof hangen, waar de geweldige beer gevangen +werd en waar oude hunnebedden en grafheuvels van den ouderdom der +streek getuigen. + +Hij roeit om de landtong heen, stapt uit beneden het kerkhof en +gaat over het gemaaide veld, dat aan den graaf van Borg hoort, naar +Acquillons graf. + +Daar aangekomen buigt hij zich neer en streelt het gras, zooals men +allicht de deken liefkoost, waaronder een zieke vriend rust. Dan +neemt hij het kaartspel en zet zich bij het graf. + +"Hij is hier zoo alleen buiten, Johan Frederik. Hij verlangt zeker +wel naar een partijtje." + +"Zonde en schande is 't dat een kerel als hij hier buiten moet liggen," +zegt de groote beerenjager Anders Fuchs en zet zich naast hem neer. + +Maar de kleine Ruster, de fluitspeler, spreekt met bewogen stem, +terwijl tranen hem aanhoudend langs de wangen loopen: "Naast u overste, +naast u was hij de beste man van de wereld." + +De drie waardige mannen zitten nu om het graf en geven de kaarten +rond. Ernstig en ijverig beginnen zij hun spel. + +Ik zie rond in de wereld. En ik zie veel graven. Daar rusten de +machtigen door 't marmer gedrukt. Treurmarschen klinken daarover. Vanen +worden neergelaten over die graven. Ik zie graven waaraan veel zorg en +liefde wordt besteed. Bloemen, met tranen en kussen bedekt, rusten op +hun groene kleeden. Vergeten graven zie ik, vermetele, leugenachtige +graven, anderen die niets zeggen; maar nooit zag ik ruiten boer en +klaveren vrouw te gast genood op een graf. + +"Johan Frederik heeft het gewonnen," zegt de overste trotsch. "Zei +ik het niet? Ik heb hem spelen geleerd. Ja, nu zijn wij dood." + +Daarmeê neemt hij de kaarten op, staat op en gaat door de anderen +gevolgd naar Ekeby terug. + +Nu zal de doode toch wel geweten of gevoeld hebben, dat niet allen +hem en zijn verlaten graf hebben vergeten. Wonderlijke hulde brengen +verwilderde harten aan hen die ze liefhebben, maar zij wiens lijk +geen rust in gewijde aarde mag vinden, hij moet toch blij zijn als +niet allen hem verwerpen. + +Vrienden, menschenkinderen, als ik sterf, zal ik zeker rusten midden +op het kerkhof in het graf mijner vaderen. Zeker zal ik de mijnen niet +van hun dak hebben beroofd, noch de hand aan mijn eigen leven geslagen +hebben; maar zeer zeker zal ik niet zulk een liefde gewonnen hebben, +zeker zal niemand zóóveel voor mij doen als de kavaliers voor dezen +misdadiger. Zeer zeker komt niemand des avonds als de zon ondergaat en +'t eenzaam en treurig in 't verblijf der dooden wordt, om tusschen +mijn verstijfde vingers de bonte kaarten te leggen. + +Niet eens zal men komen--wat ik liever zou hebben--want kaarten bekoren +mij niet--met viool en strijkstok bij mijn graf, opdat mijn schim, +die om 't vergaande stof zweeft, mag wiegen op den stroom der tonen +als een zwaan op de vonkelende golven. + + + + + + + +XXV. + +OUDE LIEDEREN. + + +Marianne Sinclaire zat op een stillen namiddag in 't eind van Augustus +in haar kamer en maakte haar brieven en oude papieren in orde. + +Van alles lag om haar heen. Groote leeren tasschen en kistjes met ijzer +beslagen, waren in haar kamer gebracht. Haar kleeren lagen uitgespreid +op stoelen en sofa's. Van den zolder en uit kasten en uit de laden der +commodes was alles voor den dag gehaald: zijde en fijn linnen; sieraden +om te poetsen, shawls en bontwerk om te onderzoeken en uit te kiezen. + +Marianne was bezig alles klaar te maken voor een lange reis. 't +Was niet zeker of ze ooit weer thuis zou komen. Ze stond voor een +keerpunt in haar leven en verbrandde daarom een menigte oude brieven +en dagboeken. Zij wilde niet langer gedrukt worden door herinneringen +aan 't verleden. + +Zooals ze daar nu zit, krijgt ze een bundel oude liedjes in handen. 't +Waren copieën van oude volksliedjes, die haar moeder voor haar placht +te zingen toen ze klein was. Zij maakte het lint los, dat er om heen +gebonden was en begon te lezen. + +Ze glimlachte weemoedig, toen ze een poosje gelezen had; het was een +wonderlijke wijsheid, die de oude liedjes verkondigden. + +Geloof niet aan 't geluk, niet aan voorteekenen van geluk, geloof +niet aan rozen en liefelijke bloemen. + +Geloof niet aan een lach, zeiden ze. Zie Valberg de schoone Jonkvrouw +rijdt in een gouden koets en toch is ze zoo bedroefd, alsof de +paardenhoeven en de wielen haar geluk zullen verbrijzelen. + +Geloof niet aan den dans, zeiden ze. Menig voet glijdt licht over den +gewreven dansvloer, terwijl het hart zwaar is als lood. Kleine Kirsten +danste zoo vroolijk en blij en toch verdanste zij haar jong leven. + +Geloof niet aan scherts. Menigeen gaat aan den feestdisch met +schertsende woorden en zou graag willen sterven van droefheid. Daar +zit schoone Adelheid en laat zich 't hart van hertog Frydenborg in +negen stukken voordienen, omdat ze er zeker van is, dat ze na dat +gezien te hebben kracht tot sterven zal krijgen.-- + +Och gij oude liedjes, waar mag men dan aan gelooven. Aan tranen +en lijden? + +Zelden zucht een vroolijk hart; maar vaak lacht een bedroefde mond. Aan +tranen en zuchten gelooven de oude liedjes, aan smart en voorteekenen +van verdriet. Smart is werkelijkheid, de vaste rots onder het zand. Aan +smart en aan haar kenteekenen kan men gelooven. + +Hoe troosteloos zijt ge, zeide Marianne, hoe schiet uw oude wijsheid +te kort bij 's levens volheid. + +Zij ging naar het venster en keek uit in den tuin waarin haar ouders +wandelden. Zij liepen op en neer op de breede paden en spraken over +alles wat zij zagen, over al wat hun oogen trof, over 't gras op het +veld en de vogelen des hemels. + +"Zie," zeide Marianne, "daar gaat nu een hart, dat zucht van smart, +hoewel 't nooit vroeger zoo gelukkig is geweest." En plotseling viel +haar de gedachte in, dat misschien ten slotte alles aan de menschen +zelf lag, dat vreugde en smart maar afhing van hun verschillende +wijzen van zien. Zij vroeg zich af of het vreugde of smart was, +wat ze dit jaar doorgemaakt had. Ze wist het zelf bijna niet. + +Ze had bitter lijden beleefd. Haar ziel was ziek geweest, ze was ter +aarde gebogen door diepe vernedering. Want toen ze weer thuis gekomen +was, had ze in zich zelf gezegd: "ik wil me niets kwaads van mijn +vader herinneren" + +Maar haar hart sprak anders. "Hij heeft mij het bitterst leed +aangedaan," zeide het, "hij heeft mij gescheiden van hem dien ik +liefheb, hij heeft me tot vertwijfeling gebracht toen hij moeder +sloeg. Ik wensch hem niets kwaads; maar ik ben bang voor hem." + +En ze merkte, dat zij zich moest dwingen om stil te blijven zitten, +als haar vader zich naast haar zette; ze had lust van hem weg +te loopen. Ze beproefde zich te vermannen, ze sprak met hem als +gewoonlijk en was bijna altijd bij hem. Zij kon zich beheerschen, +maar zij leed onuitsprekelijk. En eindelijk kwam het zoover dat ze +alles aan hem verafschuwde; zijn zware, grove stem, zijn zwaren stap, +zijn groote handen, zijn reusachtige gestalte. Zij wenschte hem geen +kwaad, zij wilde hem niet schaden, maar ze kon hem niet naderen zonder +angst en afschuw. Haar onderdrukt hart wreekte zich. "Ge liet me niet +liefhebben," zei het, "maar ik ben toch uw meester. Ge zult eindigen +met te haten." + +Gewend als ze was, alles waar te nemen wat zich in haar ziel bewoog, +merkte ze dat die afschuw van dag tot dag toenam. En tegelijkertijd +was ze voor goed aan huis gebonden. Zij zag in dat het het beste zou +zijn als ze weg kon gaan naar andere menschen; maar daar kon ze na +haar ziekte niet toe komen. Er zou nooit eenige verlichting in dit +alles komen. Ze zou altijd meer gepijnigd worden, en eindelijk zou +haar zelfbeheersching tekort schieten, en ze zou uitbarsten tegenover +haar vader en hem de verbittering van haar hart toonen, en er zou +strijd en ellende van komen. + +Zoo was het voorjaar en de voorzomer voorbij gegaan. In Juli had zij +zich verloofd met baron Adriaan om een eigen tehuis te hebben. + +Op een schoonen dag was baron Adriaan 't landgoed op komen rijden op +een prachtig paard. Zijn huzarenrok schitterde in de zon, zijn sporen, +sabel en tuig straalden en vonkelden, om niet te spreken van zijn +eigen frisch gezicht en stralende oogen. Melchior Sinclaire had zelf +op de stoep gestaan en hem ontvangen toen hij kwam. Marianne had aan +'t venster zitten naaien. Ze had hem zien komen en hoorde nu ieder +woord, dat ze samen spraken. + +"Goeden dag, ridder Zonneschijn," riep de grondeigenaar. "Wel drommel, +wat ben je mooi. Je bent toch niet op een vrouw uit." + +"Ja oom, dat is 't juist," antwoordde hij lachend. + +"Maar schaam je je niet kerel! Wat heb jij om een vrouw van te +onderhouden?" + +"Geen cent, oom. Had ik wat dan mocht de duivel gaan trouwen, voor +mijn part." + +"En dat zeg jij, ridder Zonneschijn, dat zeg jij? Maar die geborduurde +jas heb je toch kunnen koopen." + +"Op krediet, oom!" + +"En je paard dan? Dat is een kostbaar beestje, jongetje. Waar heb je +dat dan vandaan." + +"Geleend, oom!" + +Daar kon de groote grondeigenaar niet tegen. "God zegen je, jongen," +zei hij, "je hebt wel een vrouw met een zakduitje noodig. Als je +Marianne kunt krijgen, neem haar dan." + +En zoo was de zaak al in orde, eer de baron van zijn paard gekomen +was. Maar Melchior Sinclaire wist wel wat hij deed, want baron Adriaan +was een flinke man. + +Daarop was de jonge man bij Marianne gekomen en was onmiddellijk met +zijn boodschap voor den dag gekomen. + +"Och Marianne, lieve Marianne, ik heb al met je vader gesproken. Ik +zou je zoo graag tot vrouw hebben. Zeg dat je wilt, Marianne." + +Ze had al gauw de waarheid uit hem gekregen. + +De oude baron, zijn vader, had zich weer laten verleiden tot het koopen +van eenige leege mijnen. De oude baron had zijn heele leven mijnen +gekocht en er was nooit iets in geweest. Zijn moeder was in zorgen; +hij zelf had schulden gemaakt en nu vroeg hij haar om daarmeê zijn +vaderlijk huis en zijn huzarenrok te redden. Zijn tehuis was Hekeby, +het lag aan den andren kant van het meer vlak over Björne. Ze kende +hem goed, ze waren even oud en speelkameraden. + +"Je kon best met mij trouwen Marianne, ik heb nu een ellendig +leven. Ik moet op geleende paarden rijden en kan mijn kleermaker niet +betalen. Dat kan immers op den duur niet. Ik zal mijn ontslag moeten +vragen, en dan schiet ik mij voor den kop." + +"Maar Adriaan, wat moet dat nu voor een huwelijk worden. We zijn +immers in 't minst niet op elkaar verliefd." + +"Nu ja, wat liefde betreft, om dien onzin geef ik geen steek," had +hij toen gezegd, "Ik rijd graag op een goed paard, en ga op de jacht; +maar ik ben geen kavalier; ik wil werken. Als ik maar geld krijgen kon, +zoodat ik de hoeve thuis overnemen kon en mijn moeder een rustigen +ouden dag bezorgen kon, dan zou ik al heel tevreden zijn. Ik kan wel +zaaien en ploegen, want ik houd van flink werken. + +En hij had haar met zijn goedige oogen aangezien, en ze wist, dat hij +waarheid sprak en dat hij een man was, waar ze op vertrouwen kon. Ze +verloofde zich met hem, voor 't grootste gedeelte om van huis te komen, +maar ook omdat ze hem wel lijden mocht. + +Maar nooit zou ze die maand vergeten, die nu volgde, dien Augustusavond +dat hun engagement publiek werd, heel dien waanzinnigen tijd. + +Baron Adriaan was elken dag gedrukter en stiller geworden. Hij kwam +dikwijls genoeg naar Björne, soms tweemaal per dag, maar ze merkte hoe +ontstemd hij was. Als hij bij anderen was kon hij lachen en schertsen, +maar als hij met haar samen was, werd hij onmogelijk! Zwijgend en +vervelend. Zij begreep wel wat er aan scheelde: het was zoo gemakkelijk +niet als hij gedacht had, met een leelijk meisje te gaan trouwen. Nu +had hij iets tegen haar. Niemand wist beter dan zij zelf hoe leelijk +ze was. Ze had hem dadelijk getoond, dat zij niet van liefkozingen +of betuigingen van liefde hield, maar hij leed natuurlijk onder +de gedachte, dat zij zijn vrouw zou worden en dat werd bij den dag +erger. Maar waarom liep hij zichzelf te plagen? Waarom verbrak hij +zijn engagement niet. Ze had hem toch duidelijk wenken in die richting +gegeven. Zelf kon ze niets doen, want haar vader had haar ronduit +gezegd, dat haar naam geen extravagances wat engagementen betreft meer +lijden kon. Toen had zij hen beiden diep veracht, en elke uitweg om +deze beide meesters te ontsnappen, kwam haar geoorloofd voor. En toen, +maar een paar dagen na hun verlovingsfeest was een verandering gekomen, +plotseling en wonderlijk! + +Op 't pad van Björne voor de stoep lag een groote steen, die veel +moeite en ergernis gaf. Wagens kantelden er door om, paarden en +menschen vielen er over, meisjes die met zware melkvaten kwamen, +struikelden er over en morsten met melk, maar de steen bleef toch +liggen, omdat hij er al zoolang gelegen had; hij had er al gelegen +in den tijd van Sinclaires vader, lang voor dat iemand er aan had +gedacht Björne te bouwen. De grondeigenaar kon niet inzien, waarom +hij nu opeens weg moest. + +Maar op een van de laatste dagen in Augustus gebeurde het, dat twee +meisjes, die met een zware tobbe aan kwamen dragen, over den steen +vielen. Zij bezeerden zich leelijk en de ontevredenheid over den +steen was groot. + +'t Was tegen twaalf uur. De grondeigenaar was op zijn morgenwandeling, +maar daar het werkvolk juist op de hoeve was tusschen acht en negen, +beval Mevrouw Gustava een paar knechts den steen los te graven. Zij +kwamen met spaden en hefboomen, groeven en zwoegden en eindelijk +kregen zij den steen des aanstoots weg van zijn plaats. Zij droegen +hem naar den tuin, zes man hadden er genoeg werk aan. + +Nauwelijks was de steen weg of de grondeigenaar kwam thuis en dadelijk +zag hij wat er gebeurd was. 't Is wel mogelijk dat hij boos was. 't +Was alsof het 't zelfde huis niet meer was, vond hij. Wie had gewaagd +den steen weg te nemen? O zoo! had Mevrouw Gustava het bevolen. Die +vrouwen hebben ook geen hart. Wist zijn vrouw dan niet hoe lief hij +dien steen had. + +En hij ging op den steen af en droeg hem van den tuin weg over de +hoeve, heelemaal naar de plaats waar hij gelegen had en gooide hem +daar weer neer. En 't was een steen, die zes man met moeite verdragen +hadden. Die daad werd zeer bewonderd in Wermeland. + +Terwijl hij den steen over de plaats droeg, had Marianne aan het +venster in de eetzaal gestaan en naar hem gezien. Zij had hem +nooit zóó verschrikkelijk gezien. En hij was haar heer en meester, +die vreeselijke man met zijn grenzenlooze kracht, een onredelijke, +grillige meester, die nooit naar iets anders dan zijn eigen lust vroeg. + +Zij zouden juist aan het tweede ontbijt gaan en zij stond met het +broodmes in de hand. Onwillekeurig lichtte zij het op. + +Mevrouw Gustava greep haar bij de pols. + +"Marianne!" + +"Wat is er, moeder!" + +"Ach Marianne, je ziet er zoo vreemd uit. Ik word er bang van." + +Marianne zag haar lang aan. Zij was een kleine, uitgedroogde vrouw, +met grijs haar en gerimpeld. En ze was pas vijftig jaar. Ze had lief +als een hond, trots schoppen en slagen. Ze was meestal opgewekt en +maakte toch zulk een treurigen indruk. Ze was als een boom die door +storm geteisterd is, ze had nooit tijd tot groeien gehad. + +Ze had geleerd langs omwegen te gaan, loog als het noodig was en +hield zich vaak dommer dan ze was om verwijten te ontgaan. Zij was +alles te zamen genomen, geheel door haar man gevormd. + +"Zou u heel bedroefd zijn als vader stierf, moeder?" vroeg Marianne. + +"Marianne, je bent boos op je vader, je bent altijd boos op hem. Waarom +kan alles niet weer goed worden, nu je een anderen verloofde hebt." + +"Ach, moeder, ik kan er niets aan doen. Ik kan 't niet helpen, +dat ik voor hem ril. Weet u dan niet hoe hij is. Hoe kan ik van hem +houden. Hij is driftig en ruw, hij heeft u geplaagd zoodat u oud is +geworden vóór uw tijd. Waarom moet hij onze meester zijn! Hij doet +immers alsof hij gek is. Waarom moet ik hem eeren en achten? Hij is +niet goed, niet barmhartig. Ik weet dat hij sterk is; hij kan ons +doodslaan, wanneer hij maar wil. Hij kan ons uit het huis zetten als +hij wil. Moet ik hem daarom liefhebben?" + +Maar toen werd mevrouw Gustava heel anders dan ze gewoonlijk +was. Ze werd sterk en moedig en sprak op een toon van gezag: "Pas op, +Marianne! Ik begin bijna te gelooven dat je vader gelijk had, toen hij +je van den winter buiten de deur sloot. Je zult zien, dat je hiervoor +gestraft zult worden. Je moet leeren te verdragen zonder te haten, +te lijden zonder je te willen wreken." + +"Ach moeder, ik ben zoo ongelukkig." + +En onmiddellijk volgde de straf. Uit de vestibule klonk een dof +dreunen, alsof er iets zwaars viel. + +Niemand kwam ooit te weten of Melchior Sinclaire op den stoep gestaan +had en door de open deur van de eetkamer Mariannes woorden gehoord had, +of dat alleen de lichamelijke overspanning hem een aanval van beroerte +bezorgd had. Toen zij buiten kwamen was hij bewusteloos. Zij waagden +later niet hem naar de aanleiding te vragen. Zelf liet hij nooit +merken, dat hij iets gehoord had. Marianne waagde nooit te denken, +dat hij zich onwillekeurig gewroken had. Maar toen zij haar vader +daar zag liggen op dezelfde plek waar zij geleerd had hem te haten, +verdween plotseling de bitterheid uit haar hart. + +Hij kwam spoedig bij en nadat hij zich een paar dagen rustig gehouden +had, was hij weer beter;--maar heel anders dan vroeger. + +Marianne zag haar ouders in den tuin wandelen. Dat deden ze nu +vaak. Hij ging nooit alleen uit, ging niet van huis, werd knorrig als +er gasten kwamen of als iets anders hem van zijn vrouw scheidde. Hij +was plotseling oud geworden. Hij kon er niet toe komen een brief te +schrijven; zijn vrouw moest het doen; hij besliste nooit meer iets +alleen, maar vroeg haar opinie overal over en liet alles gebeuren +zooals zij wenschte. En hij was altijd zacht en vriendelijk. Hij zelf +merkte de verandering, die over hem gekomen was en zag hoe gelukkig +zijn vrouw was. "Nu heeft ze het goed," zei hij eens tegen Marianne +en wees op mevrouw Gustava. + +"Och, lieve Melchior," barstte ze uit, "je weet wel dat ik veel liever +had, dat je weer beter werdt." + +En dat had ze werkelijk liever gehad. 't Was haar een genot te +vertellen hoe de groote grondeigenaar in zijn sterke dagen was. Ze +vertelde hoe hij alles verdragen kon, zoo goed als de kavaliers +van Ekeby, hoe hij zaken deed en veel geld verdiende, juist als zij +meende, dat zijn woestheid hun huis en hof ontnemen zou. Maar Marianne +wist dat ze gelukkig was niettegenstaande al die klachten. Alles +voor hem te zijn, was haar genoeg. Beiden zagen zij er oud uit, +afgeleefd vóór hun tijd. Marianne kon zich wel voorstellen hoe hun +leven zou worden. Hij zou langzamerhand zwakker en zwakker worden; +de eene attaque na de andere zou hem steeds meer hulpeloos maken en +zij zou hem oppassen tot de dood hen scheidde, maar dat kon nog lang +duren. Mevrouw Gustava kon haar geluk nog lang behouden. "En dat is +billijk," dacht Marianne, "want het leven is haar nog veel schuldig.'" + +Ook zij zelf had het nu beter. Ze voelde niet meer die hopelooze +vertwijfeling, die haar tot een huwelijk dwong om ten minste een andere +heer en meester te krijgen. Haar gewond hart had rust gevonden. Haat +en liefde hadden het geslingerd; maar nu dacht ze niet meer aan alles +wat ze geleden had. Ze moest erkennen dat haar zieleleven meer waard, +grooter en rijker geworden was dan vroeger, hoe zou ze dan kunnen +wenschen dat dit alles niet gebeurd was. Was het misschien waar, +dat alle leed iets goeds bracht? Kon alles medewerken ten goede? Ze +was begonnen alles goed te noemen, wat haar als mensch op hooger +ontwikkelingstrap bracht. De oude liedjes hadden geen gelijk. De +smart was niet de eenige werkelijkheid. Nu wilde ze op reis gaan en +een betrekking zoeken, waarin ze nuttig zou kunnen zijn. Was haar +vader nog de oude geweest, dan had hij haar nooit toegelaten haar +verloving te verbreken. Nu had mevrouw Gustava voorzichtig de zaak +in orde gebracht. Marianne mocht zelf Baron Adriaan helpen met het +geld wat hij noodig had. + +Ook aan hem kon ze nu met vreugde denken; nu was hij immers vrij! In +zijn frisschen moed en levenslust had hij haar altijd aan Gösta Berling +doen denken; nu zou ze hem weer blij zien. Hij zou opnieuw de Ridder +Zonneschijn zijn, die stralend was komen aanrijden op haars vaders +landgoed. Ze zou hem grond bezorgen, waar hij kon graven en ploegen, +zooveel zijn hart maar begeerde en zou hem een mooie jonge bruid naar +het altaar zien voeren. + +Onder zulke gedachten zet zij zich neer om aan hem te schrijven en hem +zijn vrijheid terug te geven. Ze schrijft vriendelijk en dringend, +verstandig en schertsend en toch zóo, dat hij kan begrijpen, hoe +ernstig ze het meent. + +Terwijl ze schrijft, hoort ze hoefslagen op den weg. + +"Lieve ridder Zonneschijn," denkt ze, "dat is nu voor het laatst." + +En onmiddellijk daarop komt de baron bij haar binnen. + +"Maar Adriaan! kom je hier binnen," en ze ziet verschrikt naar al de +wanorde om haar heen. + +Hij wordt dadelijk verlegen en beschroomd en stamelt een +verontschuldiging. + +"Ik zat juist aan je te schrijven," zegt ze, "zie hier; je kunt den +brief ook wel dadelijk lezen." + +Hij neemt den brief en zij zit hem aan te zien, terwijl hij leest. Ze +verlangt er naar, zijn gezicht te zien ophelderen en stralen van +vreugd. Maar hij heeft nog niet veel gelezen, toen hij vuurrood wordt, +den brief op den grond gooit, hem onder den voet trapt en vloekt dat +'t huis er van dreunt. + +Marianne beeft. Ze is geen beginner in de studie der liefde. En toch +begrijpt ze eerst nu dien onervaren knaap, dat groote kind. + +"Adriaan, lieve Adriaan," zegt ze, "wat is dat toch voor een comedie, +die je met me gespeeld hebt. Kom eens hier en vertel me alles." + +Hij kwam en smoorde haar bijna door zijn liefkozingen. Arme jongen, +hoe had hij verlangd en geleden! + +Kort daarna zag zij het venster uit. Daar wandelde mevrouw Gustava +nog altijd en babbelde met den grooten grondeigenaar over bloemen en +vogels, en hier zat zij te babbelen over liefde. + +"'t Leven heeft ons beiden zijn heiligen ernst laten zien," dacht ze, +en glimlachte weemoedig. + +"'t Zal ons troosten, dat we ieder ons groot kind hebben om meê +te spelen." + +'t Deed haar toch goed, dat men haar lief kon hebben. Het was heerlijk +hem te hooren fluisteren over de tooverkracht, die van haar uitging, +en hoe hij zich schaamde over wat hij in hun eerste gesprek gezegd +had. Hij wist toen niet welk een macht ze had. Och, geen man kon haar +naderen, zonder haar lief te hebben. Maar ze had hem bang gemaakt. Hij +had zich zoo wonderlijk onderdrukt gevoeld. + +'t Was geen geluk!--maar ook geen ongeluk. Zij zou beproeven het +leven met dien man te aanvaarden. + +Zij begon zichzelf te begrijpen en dacht aan de woorden in 't oude +liedje van de tortelduif, den vogel van het verlangen. "Ze drinkt +nooit het heldere water, ze maakt het eerst troebel met haar voet, +dan past het beter voor haar droevige stemming." Zoo zou zij ook niet +uit de bron des levens het heldere onvermengde geluk drinken. Troebel +door weemoed, zoo was het leven 't beste voor haar. + + + + + + + +XXVI. + +DE DOOD ALS BEVRIJDER. + + +Mijn bleeke vriend, de Dood, kwam in Augustus, toen de nachten bleek +waren, in den maneschijn, bij 't huis van kapitein Uggla. Maar hij +durfde niet aanstonds binnengaan onder het gastvrije dak, want er +zijn maar weinigen, die hem liefhebben. + +Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder heeft een moedig +hart. Het is hem een lust te rijden door de lucht, door gloeiende +kanonskogels gedragen. Hij neemt de sissende granaat op den nek en +lacht als die springt en de splinters om hem heen vliegen. Hij danst +met de spoken op het kerkhof en schuwt de pestzalen in het hospitaal +niet, maar hij beeft aan de deur der rechtschapenen, op den drempel +der goede menschen. + +Want hij wil niet met tranen begroet worden, maar met stille vreugd; +hij die de zielen bevrijdt van de boeien der smart, van de ketenen +van 't stof en ze laat genieten van het vrije, heerlijke leven in +de wereldruimte. + +En de Dood sloop in 't oude bosch, achter 't woonhuis, waar nog op +den huidigen dag de slanke beuken met hun witte stammen wedijveren, +om aan de fijne bladknoppen in hun toppen 't licht des hemels te +verschaffen. In dat bosch, dat toen jong en vol dicht groen was, +verschool mijn bleeke vriend zich terwijl de zon aan den hemel stond, +maar des nachts stond hij aan den zoom van 't woud, wit en bleek met +zijn zeis, die blonk in den maneschijn. + +O Eros, aan u behoorde eens dit woud. De ouden van dagen weten te +vertellen, hoe verliefde paren er vroeger rust en schaduw zochten. En +nog heden, als ik voorbij Berga kom, knorrig over de steile heuvels +en over 't verstikkende stof, verheug ik mij over uw bosch met de nu +maar weinige witte stammen, die stralen van herinneringen aan jonge, +schoone menschen, die elkaar liefhadden. + +Maar nu stond de Dood daar en de nachtdieren zagen hem. Avond aan avond +hoorden de bewoners van Berga, hoe de vos huilde om zijn komst aan te +kondigen. De adder kronkelde over 't pad tot dicht bij 't huis. Hij +kon niet spreken, maar men begreep wel, dat hij den machtige aan kwam +kondigen. En in den appelboom buiten 't venster van mevrouw Uggla liet +de uil zijn gekras hooren. Want alles in de natuur kent den dood en +beeft voor hem. + +En zoo geschiedde het dat de rechter van Munkerud, die op een feest +bij den proost van Bro geweest was, ongeveer tegen twee uur 's nachts +voorbij Berga reed en een licht zag branden in 't venster van de +logeerkamer. Hij zag duidelijk een gele vlam en de witte kaars en later +sprak hij met verwondering over dat licht, dat in den zomernacht had +gebrand. Toen lachten de vroolijke jonge dames op Berga en zeiden dat +de rechter een vizioen gehad had, want hun vetkaarsen waren al lang +opgebrand in Maart; en de kapitein vloekte er op, dat er niemand in +de logeerkamer geweest was sinds velen weken, maar de vrouw van den +kapitein werd bleek en zweeg; want die witte kaars met de heldere +vlam placht zich te vertoonen, als iemand uit haar familie verlost +zou worden door den Dood, den grooten Bevrijder. + +Kort daarna, op een heerlijken Augustusdag, kwam Ferdinand thuis +van zijn landmetersdienst in de noordelijke bosschen. Hij was bleek +en ziek, door een onherstelbare longziekte aangetast, en zoodra +zijn moeder hem zag, wist ze dat haar jongen sterven zou. Ze zou +hem dan moeten missen, dien goeden zoon, die nooit zijn ouders 't +allerminste verdriet deed. De jonge man moest de aarde met al haar +vreugd verlaten, en zijn geliefde bruid, die hem wachtte, de rijke +hoeven, en de dreunende smidse, die hem zouden toebehooren. + +Eindelijk, toen mijn bleeke vriend een maand lang geaarzeld had, +vatte hij moed en ging op een nacht naar het woonhuis. Hij wist dat +nood en honger daar met vroolijke gezichten ontvangen werden, waarom +zouden ze hem dan niet met blijdschap tegemoet komen. + +Zacht ging hij 't pad langs en wierp een donkere schaduw over 't +grasveld, waar de dauwdroppels in den maneschijn glinsterden. Hij +kwam niet als een vroolijk maaier met bloemen op den hoed en den arm +om het middel van zijn meisje. Hij liep gebogen als een uitgeteerde +stumpert en verborg zijn zeis in de plooien van zijn mantel, terwijl +uilen en vleermuizen om hem heen fladderden. + +Dien nacht hoorde mevrouw Uggla, die wakker lag, dat er aan 't +venster geklopt werd, en zij ging overeind in het bed zitten en vroeg: +"wie klopt daar?" + +En de ouden vertellen, dat de Dood haar antwoordde: "'t is de Dood, +die aanklopt." + +Toen stond ze op, deed het venster open en zag vleermuizen en uilen +in den maneschijn fladderen, maar den Dood zag ze niet. + +"Kom binnen," zei ze halfluid, "Vriend en Bevrijder. Waarom toefdet ge +zoo lang? Ik heb u gewacht, ik heb u geroepen. Kom binnen en bevrijd +mijn zoon." + +Toen gleed de Dood binnen, gelukkig als een onttroonden koning, die +in zijn hoogen ouderdom zijn kroon terugkrijgt, blij als een kind, +dat naar zijn spel geroepen wordt. + +Den volgenden dag zat Mevrouw Uggla aan 't ziekbed van haar zoon en +sprak met hem over de zaligheid der verloste zielen en hun heerlijk +leven. + +"Zij werken," zeide ze, "zij werken zeker. 't Zijn kunstenaars, +groote kunstenaars, mijn jongen! Als ge bij hen komt, zeg mij dan +eens wat gij zult worden. + +Een van de beeldhouwers zonder beitel, die rozen en leliën uithouwt, +of een van de schilders die 't avondrood scheppen? En als de zon +dan ondergaat in al zijn heerlijkheid zal ik hier zitten en denken: +dat is Ferdinand's werk. + +Mijn beste jongen, denk er eens aan hoeveel er te zien en te doen +is daarboven. Denk aan alle zaadjes, die in 't voorjaar ten leven +moeten gewekt worden, alle stormen, die gestuurd moeten worden, alle +droomen, die uitgezonden moeten worden. En denk aan de lange reizen +door 't hemelruim van de eene wereld naar de andere. + +Denk eens aan mij, jongelief, als je zooveel moois te zien krijgt. Je +arme moeder zal nooit wat anders zien dan Wermeland. + +Maar op een schoonen dag ga je naar onzen lieven Heer en vraagt Hem +of Hij je niet een van de wereldbollen geven wil, die rondwentelen +in 't hemelruim en dan doet Hij dat. Als je die krijgt is hij koud +en vochtig, vol afgronden en klippen en er zijn geen bloemen of +dieren op. Maar dan zul je werken aan de ster, die God je gegeven +heeft. Je maakt er licht en warmte en lucht, je brengt er planten +en nachtegalen en klaaroogige gazellen heen, je laat er watervallen +storten in de afgronden, je heft de bergen op en bezaait de vlakte +met roode rozen. En als ik sterf, Ferdinand, en mijn ziel terugbeeft +voor de lange reis en er tegen opziet van de oude bekende plaatsen +te scheiden, dan zit je te wachten buiten 't venster in een wagen +met paradijsvogels bespannen, in een schitterende gouden koets. + +En mijn arme onrustige ziel wordt opgenomen in je wagen en komt naast +je te zitten en wordt geëerd als een koningin. Dan rijden we door +het hemelruim, voorbij de stralende wereldbollen en als wij bij éen +van die hemelsche woningen komen, die al heerlijker en heerlijker +worden, dan vraag ik--want ik weet niet beter: "zullen we hier of +daar niet blijven?" + +Maar dan glimlach je zwijgend en spoort je paradijsvogels aan. En +eindelijk komen we op de kleinste van alle hemelbollen, maar 't is +de schoonste van allen, die ik gezien heb. En dan houden we stil +buiten het gulden slot en je leidt me binnen in 't huis van de +eeuwige blijdschap. + +En daar is de provisiekast altijd gevuld en de boekenkasten ook. De +dennenbosschen staan er niet, zooals hier op Berga, vlak om het huis en +sluiten de heele mooie wereld af, maar ik kan uitzien over de oneindige +zee en door de zon beschenen vlakten. En duizend jaar is als één dag. + +Zoo stierf Ferdinand, verrukt door de lichtende visioenen, glimlachend +tegen de heerlijkheden die hem wachtten. + +Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder had nooit zoo iets +schoons beleefd. Want wel waren er die schreiden bij Ferdinand's +sterfbed, maar de zieke zelf glimlachte tegen den man met de zeis, +toen hij zich op den rand van het bed zette, en zijn moeder luisterde +naar zijn laatsten snik als een liefelijke muziek. Ze was bang, dat +de dood zijn werk niet zou kunnen volbrengen, en toen alles voorbij +was, kwamen er tranen in haar oogen. Maar 't waren vreugdetranen, +die op het verstijfde gelaat van haar zoon vielen. + +Nooit was mijn bleeke vriend zoo gevierd geworden als bij de begrafenis +van Ferdinand Uggla. Als hij zich had durven vertoonen, zou hij +verschenen zijn in een met goud bestikten mantel, met een baret +met veeren versierd en zou voor den lijkstoet uit naar 't kerkhof +gedanst hebben, maar nu zat hij, de oude eenzame ineengedoken op den +muur van de begraafplaats met zijn oude zwarte mantel om en zag den +stoet aankomen. + +'t Was een wonderlijke begrafenis! Zon en gulden wolkjes maakten +den dag schitterend, lange rijen roggeschoven versierden 't veld, +de appels in den boomgaard van den proost blonken in heldre kleuren +tusschen 't loof en in den tuin van den koster glinsterden dalia's +in den zonneschijn. + +'t Was een wonderlijke lijkstoet, die tusschen de lindeboomen door +trok. Voor de met bloemen getooide kist uit gingen mooie kindren en +strooiden bloemen. Men zag geen rouwkleeren, geen krip, geen witte +plooikragen met breede plooien. De vrouw van den kapitein had het +zoo gewild. Hij, die in vreugde stierf zou niet door een sombren +lijkstoet, maar door een schitterende bruidschaar naar zijn goede +rustplaats gebracht worden. + +Onmiddellijk achter de kist ging Anna Stjärnhök, de schoone, +schitterende bruid van den doode. Zij had den bruidskrans op het hoofd, +de bruidssluier voor en was gekleed in een wit sleepend bruidsgewaad +van witte, glanzende zijde. Zoo getooid ging zij naar 't graf om daar +aan haar bruidegom verbonden te worden. + +Achter haar kwamen paar aan paar aanzienlijke oude dames en deftige +heeren. De sierlijk uitgedoschte vrouwen kwamen met vonkelende +gespen en broches, met melkwitte paarlen, kettingen en gouden +armbanden. De veeren op hun mutsen wiegden op zijde en kant boven +hun krullend haar, van hun schouders golfden de fijne zijden shawls, +die zij als bruidsgeschenk gekregen hadden, neer over de bontkleurige +zijden kleederen. En de mannen kwamen in hun galagewaad, met kanten +kragen, met jassen met vergulde knoopen en vesten van brokaat en +rijk geborduurd fluweel. 't Was een bruiloftsstoet. Zoo had de +kapiteinsvrouw het gewild. + +Zelf ging ze naast Anna Stjärnhök aan den arm van haar man. Had zij +een gewaad van schitterend brokaat bezeten, zij zou het gedragen +hebben; had ze kostbaarheden en een fijne kanten muts gehad, zij had +ze aangedaan om haar zoon te huldigen op zijn bruiloftsdag. Maar +nu had ze niet anders dan dit zwarte stoffen kleedje en die oude, +geel geworden kanten, waarmeê ze al zoo menig feest bijwoonde en zij +droeg het ook bij deze plechtigheid. + +Maar hoewel de begrafenisgasten met pracht en praal kwamen, bleef +er geen oog droog, toen zij bij 't luiden der klokken naar het graf +opgingen. Mannen en vrouwen schreiden, niet zoozeer over den doode, +als wel over zichzelf. Zie--daar ging de bruid, daar werd de bruidegom +weggedragen, daar gingen ze zelve als voor een feest getooid, en toch +wie van hen, die de paden dezer wereld betreedt, weet niet dat hem +droefheid en rouw, smart en dood wacht. Zij schreiden bij de gedachte, +dat niets op aarde hen daarvoor bewaren kon. + +De kapiteinsvrouw schreide niet, maar zij was de eenige wier oogen +droog bleven. + +Toen nu de gebeden gelezen waren en de aarde op de kist geworpen, +gingen allen vandaar naar de rijtuigen. Slechts de kapiteinsvrouw +en Anna Stjärnhök bleven bij 't graf om den doode nog voor 't laatst +vaarwel te zeggen. De oude zette zich bij het graf neer en Anna nam +naast haar plaats. + +"Zie," zei de kapiteinsvrouw, "ik heb tegen God gezegd: "Laat de Dood, +de bevrijder komen en mijn zoon wegnemen. Laat hem, dien ik 't meest +liefheb wegvoeren naar Uw vrede en die stille dreven, en slechts +vreugdetranen zullen er in mijn oogen zijn; met bruiloftspraal zal ik +hem naar 't graf brengen, en mijn roode rozenstruik, de rijkbloeiende +zal ik hem mede geven naar het kerkhof. En nu is het zoo! Mijn zoon +is dood. Ik heb den dood als een vriend begroet; ik heb hem de liefste +namen gegeven; ik heb vreugdetranen over 't verstijfde gelaat van mijn +kind geschreid en als het herfst zal zijn, als de bladeren vallen, +zal ik mijn roode rozenstruik hierheen verplaatsen. Maar weet jij, +die hier naast me zit, waarom ik aldus tot God gebeden heb?" + +Zij zag Anna Stjärnhök vragend aan, maar 't meisje zat bleek en +stil aan haar zij. Misschien streed zij om de inwendige stemmen te +smoren, die reeds nu, op het graf van den doode, haar begonnen toe +te fluisteren, dat zij nu eindelijk vrij was. + +"'t Is jouw schuld!" zeide de kapiteinsvrouw. + +'t Meisje zonk ineen als onder een knotsslag. Zij antwoordde niet. + +"Anna Stjärnhök, eens was je trotsch en eigenzinnig. Toen heb je +met mijn zoon gespeeld, hem genomen en weer verstooten. Maar wat was +dat! Hij moest het verdragen, hij zoo goed als anderen. En 't kan ook +zijn, dat wij allen je geld even liefhadden als jezelf. Maar toen je +terugkwam, bracht je zegen over ons huis, je waart toen vriendelijk +en zachtmoedig, sterk en goed! Je omringde ons met liefde, je hebt +ons zoo gelukkig gemaakt, Anna Stjärnhök, en wij arme menschen lagen +aan je voeten. + +En toch.... En toch wilde ik dat je niet gekomen waart. Dan had ik God +niet hoeven te bidden het leven van mijn zoon te verkorten. Hij zou met +kerstmis je verlies hebben kunnen dragen. Maar sinds hij je had leeren +kennen, zooals je nu bent, zou hij er de kracht niet toe gehad hebben. + +Hoor nu, Anna Stjärnhök! vandaag heb je je bruidskleed aangetrokken +om mijn zoon te volgen, maar als hij was blijven leven, hadt je hem +nooit als bruid mogen volgen naar de kerk van Bro. Want je hadt hem +niet lief! + +Ik zag het wel. Je bent alleen uit barmhartigheid gekomen, omdat +je ons droevig lot wou verzachten. Je hadt hem niet lief! Meen je, +dat ik de liefde niet ken, dat ik haar niet zie, waar ze is, en voel +waar ze ontbreekt. Toen dacht ik: "O dat God 't leven van mijn zoon +wegneemt vóór hem de oogen opengaan. + +Ach hadt je hem toch maar liefgehad! Was je maar nooit bij ons +ingekomen, hadt je maar nooit ons leven mooier gemaakt, nu je hem toch +niet lief hadt. Ik wist wat mijn plicht was: als hij niet gestorven +was had ik hem moeten zeggen, dat je hem niet liefhadt, maar dat +je alleen zijn vrouw wilde worden, omdat je de barmhartigheid zelf +bent. Ik had hem moeten dwingen je vrij te laten en dan zou zijn +levensgeluk bedorven zijn geweest. Zie je! daarom bad ik God, dat +hij sterven mocht, opdat ik de rust van zijn hart niet zou behoeven +te storen. En ik heb me verheugd over zijn ingezonken wangen, over +zijn zware ademhaling, ik heb gebeefd van angst dat de dood zijn taak +niet volvoeren wou." + +Zij zweeg en wachtte op antwoord. Maar Anna Stjärnhök kon nog niet +spreken. Zij luisterde nog naar vele stemmen in de diepte van haar +ziel. + +Toen barstte de kapiteinsvrouw in wanhoop uit: + +"O, hoe gelukkig zijn zij, die hun dooden mogen betreuren! Zij die +stroomen tranen mogen vergieten. Ik moet met droge oogen staan aan +'t graf van mijn zoon, ik moet blij zijn dat hij gestorven is. Wat +ben ik toch rampzalig!" + +Toen drukte Anna Stjärnhök de handen vast tegen haar borst. Zij dacht +aan dien winternacht, toen zij bij haar jonge liefde gezworen had deze +arme menschen tot steun en troost te zijn. En zij rilde! Was dan alles +te vergeefs geweest? Was haar offer niet door God aangenomen? Moest +alles in vloek verkeeren in plaats van zegen te brengen? + +Maar als zij nu alles ten offer bracht, zou God dan haar werk niet +zegenen en haar tot een steun, een hulp, een zegen voor de menschen +maken? + +"Wat verlangt u dan om uw zoon te kunnen betreuren?" vroeg zij. + +"Dan moest ik mijn oude oogen niet meer kunnen gelooven! Als ik +geloofde, dat je mijn zoon hadt liefgehad, zou ik treuren over +zijn dood." + +Toen stond het meisje op, de oogen schitterend van geestvervoering. Zij +rukte haar bruidssluier af en breidde die over het graf. Zij nam haar +krans en legde die daarop. + +"Zie nu hoe lief ik hem had!" riep zij uit. "Ik geef hem mijn krans +en mijn sluier. Aan hem verbind ik mij. Nooit zal ik een ander +toebehooren." + +Toen stond ook de kapiteinsvrouw op. Zij bleef een oogenblik +zwijgend staan. Haar geheele lichaam beefde, haar gezicht vertrok +zich krampachtig. Maar eindelijk kwamen de tranen, tranen van rouw! + +Maar mijn bleeke vriend, de Dood, de Bevrijder, rilde toen hij die +tranen zag. Dus ook hier was hij niet met vreugde begroet, niet eens +hier was men van harte blij geweest bij zijn komst. + +Hij trok de kap diep over 't gezicht, gleed zacht van den kerkhofsmuur +naar beneden en verdween tusschen de schoven op het veld. + + + + + + + +XXVII. + +DE DROOGTE. + + +Als levenlooze dingen kunnen liefhebben, als aarde en water vrienden +van vijanden onderscheiden, dan zou ik gaarne hun liefde bezitten. Ik +zou willen dat de zwarte aarde mijne voetstappen niet als een zware +last voelde drukken, dat zij me gaarne vergaf dat ze om mijnentwil +door ploeg en eg gekwetst wordt, en dat zij zich gewillig opende om +mijn lijk te ontvangen. En ik zou willen dat het water, als ik zijn +blanken spiegel stuk sla met mijn roeiriemen, het zelfde geduld met +mij had als een moeder met een wild kind, dat op haar knie klautert +zonder de gladde zijde van haar feestkleed te ontzien. + +Ik zou goede vrienden willen zijn met de heldere lucht, die boven de +bergen trilt, met de stralende zon en met de vonkelende sterren. Want +vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende +voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot +als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd +door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend +stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede, +weldoende handen. Heeft niet wellicht het water in 't wagenspoor op +den weg als bloed door kloppende harten gestroomd? + +De geest van 't leven woont nog in de doode dingen. Wat voelt hij, +terwijl hij slaapt den droomloozen slaap? Gods stem hoort hij. Zou +hij der menschen stem ook vernemen? + +O, gij menschen van later tijd, hebt ge dat niet gezien? Als twist en +haat de aarde vervullen, moeten ook de doode dingen veel lijden. Dan +wordt de weg wild en roofzuchtig als een roover, dan wordt de akker +karig als een gierigaard. Maar wee hem, door wiens schuld de wouden +zuchten en de bergen treuren. + +'t Was een merkwaardig jaar, toen de kavaliers regeerden. Mij dunkt, +toen moet de onrust der menschen de rust der doode dingen verstoord +hebben. Hoe zal ik de besmetting roemen, die zich toen over 't land +verspreidde. Zou men niet meenen dat de kavaliers de goden dier streek +waren en dat allen door hun geest bezield werden? Door den geest van +'t avontuurlijke, van zorgeloosheid en verwildering. + +Kon men alles vertellen, wat er in dat jaar onder de menschen op de +kust van 't Löfvenmeer gebeurde, dan zou de wereld verbaasd staan. Want +oude liefde ontwaakte, nieuwe werd geboren. Oude haat vlamde op en +lang gesuste wraak greep naar buit! Allen vlogen op in begeerte naar 's +levens lieflijkheden: dans en spel, muziek en feestgelagen jaagden zij +na. Alles wat zich anders diep in de zielen verbergt, werd openbaar. + +Van Ekeby ging die besmettelijke onrust uit. Zij verspreidde zich +eerst tot de mijnen en heerehoeven en joeg de menschen in dwaasheid +en zonde. Tot zoover hebben wij het kunnen volgen, doordat de ouden +van dagen de herinnering bewaard hebben aan een en ander, wat op +de groote hoeven gebeurd is, maar hoe zij zich verder verspreidde +onder het volk, daarvan weten wij weinig. Maar niemand behoeft +er aan te twijfelen, dat de onrust der tijden van stad tot stad, +van hut tot hut ging. Waar een zonde verborgen was, barstte zij uit; +waar een breuk was tusschen man en vrouw werd die tot een klove, waar +een groote deugd of een sterke wil was werden ook die openbaar. Want +niet alles wat geschiedde, was uit den booze; maar de tijd was zoo, +dat het goede vaak evenveel verderf bracht als het booze. Het ging als +met hevige stormen diep in 't bosch, als de eene op den andere valt, +den eene spar den anderen meesleept en ook het kreupelhout meegerukt +wordt door de neerstortende reuzen. + +Ach, twijfel er niet aan of die gisting ook gevoeld werd door de +boeren en de bedienden. Overal verwilderden de harten en werden de +hoofden verward. Nooit ging de dans zóó lustig bij de kruiswegen; +nooit was de afstand tusschen booze woorden en messteken zóó kort. + +Maar bij de menschen bleef de onrust niet. Zij verspreidde zich over +al wat leeft. Nooit hadden wolf en beer erger huisgehouden, nooit +hadden vos en uil onheilspellender gehuild, en onbeschaamder geroofd, +nooit verdwaalden de schapen vaker in 't bosch, nooit heerschte er +zooveel ziekte onder den kostbaren veestapel. + +Hij, die den samenhang der dingen wil zien, moet uit de stad weggaan +en in een eenzame hut aan den zoom van 't bosch gaan wonen. Hij moet +vele nachten waken bij de kolenbranderij, of bij de groote meren dagen +en nachten doorbrengen in de lichte zomermaanden, als de houtvlotten +langzaam voortdrijven naar het Weenermeer; dan zal hij leeren op alle +teekenen in de natuur acht te geven en begrijpen hoe de doode dingen +in verband staan met de levende. Hij zal zien dat als er onrust op +de aarde is, de vrede van de doode dingen verstoord wordt. + +Het volk weet dat wel. In zulke tijden dooft de booze boschnimf het +vuur in de kolenbranderij, slaat de meermin de booten stuk, zendt de +stroomgeest ziekten uit en laat de kabouter de koeien verhongeren. En +zoo ging het dit jaar. Nooit had de overstrooming in de lente zóóveel +schade aangericht. De molen en smidse van Ekeby waren haar eenige +offers niet. + +Kleine beekjes, die vroeger als de lente haar krachten gaf, hoogstens +een leege schuur konden meenemen, vielen nu geheele hoeven aan +en spoelden ze weg. Nooit had men gehoord, dat de donder al vóór +St. Jansdag zóóveel schade had aangericht. Na dien tijd hoorde men +hem niet meer. + +Toen kwam de droogte! + +Zoolang de lichte nachten duurden, kwam er geen regen. Alleen +zonnestralen daalden op de aarde neer. Ach, die heerlijke +zonneschijn! de leven brengende, hoe zal ik van haar kwaadstichten +vertellen! De zonneschijn is als de liefde. Wie weet niet hoeveel +ellende zij brengt--en wie kan laten haar te vergeven? De zonneschijn +is als Gösta Berling--zij brengt ieder vreugde; daarom zwijgt ieder +over 't kwaad dat zij doet. + +Zulk een droogte na St. Jansdag zal wel niet overal zooveel onheil +brengen als in Wermeland. Maar hier was de lente laat gekomen. 't +Gras was nog niet ver en werd niet lang. De rogge werd niet voedzaam +toen zij aren zette; 't lentekoren waarvan toen ter tijde 't meeste +brood gebakken werd, had dunne aartjes op stengels, die nog geen +kwart el hoog waren; de laat gezaaide rapen groeiden niet en zelfs +de aardappelen tierden niet in den steenharden grond. + +In zulke jaren worden zij angstig, die daar in de boschhutten wonen +en van de bergen daalt de schrik neer tot de rustige vlaktebewoners. + +Er is iemand wien Gods hand zoekt--zeggen de menschen. + +En ieder slaat zich voor de borst en vraagt: "Ben ik het? O moeder +natuur, ben ik het? Houdt om mijn schuld de regen zich ver? Is +het uit toorn tegen mij, dat de strenge aarde uitdroogt en hard +wordt? En stroomt die eindelooze zonneschijn daarom iederen dag van +den wolkeloozen hemel om gloeiende kolen op mijn hoofd te stapelen? En +als ik het niet ben, wien zoekt Gods hand dan? + +Terwijl nu de rogge kwijnt in de kleine aren, terwijl de aardappel +geen voedsel in den grond vindt, terwijl het vee met roode oogen +en snuivend van de hitte zich om de opgedroogde bronnen verdringt, +terwijl de angst voor de toekomst de harten dichtsnoert, gaan er +wonderlijke geruchten door de streek. + +"Zulk een bezoeking komt niet zonder reden," zeggen de menschen. "Wie +is het, dien Gods hand zoekt?" + +'t Was een Zondag in Augustus. De Godsdienstoefening was geëindigd. De +menschen gingen in groepjes over den heeten zonnigen weg. In het +rond zagen zij verschroeide wouden en een mislukten oogst. De rogge +stond in kleine schoofjes, dun over 't veld verspreid. Zij die de +stoppels zouden afbranden, hadden dit jaar een gemakkelijk werk; maar +daarentegen was het droge bosch ook vaak in brand geraakt. En wat de +boschbrand gespaard had, hadden de insekten genomen. 't Dennenbosch had +zijn naalden laten vallen en stond kaal als loofboomen in den winter, +de berkenbladen hingen gespleten neer, met kale nerven en misvormd. + +De sombere schare had geen gebrek aan stof tot gesprek. Daar was nog +menigeen, die vertellen kon hoe vreeslijk de noodjaren van 1808 en +1809 geweest was en in den strengen winter van 1812, toen de menschen +doodvroren. Hongersnood was hun niet vreemd. Zij hadden zijn woest +gezicht wel eerder gezien. Zij wisten hoe men brood van boombast bakt +en dat men de koeien kan wennen mos te eten. + +Er was een vrouw die proeven genomen had met het bakken van een nieuw +soort brood van boschbessen en gerstenmeel. Zij had er stukjes van +meegebracht en liet het de andere proeven. Zij was trotsch op haar +uitvinding. Maar hen allen drukte dezelfde vraag; die staarde uit aller +oogen en zweefde op aller lippen: "Wie is het, dien Gods hand zoekt?" + +"Gestrenge God! wie heeft u het offer van gebeden en goede werken +onthouden, dat gij ons, armen, het brood ontneemt?" + +Een man uit den somberen stoet, die westwaarts over de brug over de +Sond en over den Brobyheuvel gegaan was, hield een oogenblik stil +voor den weg, die naar het huis van den gierigen predikant van Broby +leidde. Hij nam een droog stokje van 't veld en wierp dat op den weg +naar de pastorie. + +"Zoo droog als dit stokje zijn de gebeden geweest, die hij tot den +Heer opzond," zei de man. + +Hij, die naast hem liep, bleef ook staan. Hij nam een dorren tak op +en gooide die bij het stokje. + +"Dat is een best offer voor dien dominé," zei hij. + +De derde in 't groepje volgde dit voorbeeld. + +"Als de droogte is hij voor ons geweest. Stokjes en strootjes was +alles wat hij ons overliet." + +De vierde zeide: "Wij geven hem wat hij ons gaf." + +En de vijfde: "Tot een eeuwige schande gooi ik dit hier voor hem +neer. Ik wou dat hij verdroogde en verschrompelde als deze tak!" + +"Droog voer voor den droogte-dominé," zeide de zesde. + +De menschen die achter hen aankwamen, zagen wat ze deden en hoorden +wat zij zeiden. Nu kregen ze antwoord op hun vragen. + +"Geef hem wat hem toekomt. Hij heeft de droogte over ons gebracht," +riepen allen. En ieder staat stil, spreekt een woord en werpt een +takje op den hoop, eer hij verder gaat. + +In den hoek waar de wegen uiteen loopen lag spoedig een hoop stokjes +en stroo--de schandeheuvel voor den predikant van Broby. + +Dat was de geheele wraak van het volk. Niemand hief zijn hand op tegen +den predikant of zeide hem een boos woord. Hun harten vol wanhoop en +vertwijfeling, werden verlicht door het werpen van een dorren tak op +den heuvel. Zelf namen zij geen wraak. Zij wezen alleen den schuldige +aan voor den God der wrake. + +"Als wij U niet goed gediend hebben, dan is het de schuld van dien +man. Wees barmhartig, Heer! en laat hem alleen lijden. Wij teekenen +hem met onteering en schande. Wij zijn niet één met hem." + +'t Werd spoedig gebruik, dat ieder, die voorbij de pastorie ging een +takje op den schandeheuvel wierp. "God en menschen mogen 't zien," +dachten zij. "Ook ik veracht den man, die Gods toorn over ons bracht." + +De oude gierigaard merkte spoedig dien heuvel daar aan den weg. Hij +liet hem wegnemen--sommigen beweerden, dat hij er zijn keukenvuur +mee stookte. Maar den volgenden dag lag er een nieuwe schandeheuvel +en zoo gauw hij dien weg ruimde kwam er een nieuwe. + +Die dorre takken lagen daar en riepen: "Schande! Schande over den +predikant van Broby!" + +'t Waren brandend heete, droge hondsdagen. Zwaar van rook, verzadigd +van brandlucht was de lucht over de geheele streek. 't Was moeilijk +daarin adem te halen. De gedachten der menschen werden verward in +de verhitte hersens. De predikant van Broby was in hun verbeelding +tot den demon der droogte geworden. Het kwam de boeren voor, alsof +de gierigaard op wacht zat bij de hemelsche sluizen. + +Spoedig werd de bedoeling van de gemeente den predikant duidelijk. Hij +begreep, dat ze hem aanwees als oorzaak van al deze ellende. In toorn +over hem liet God de aarde versmachten. 't Scheepsvolk dat in noode +verkeerde op de woeste baren had het lot geworpen. Hij was de man, die +overboord moest. Hij beproefde te lachen om hen en hun dorre takjes; +maar toen dit een week geduurd had lachte hij niet meer.--Och, wat +een kinderspel! Wat konden hem die takjes schelen! Hij begreep wel +dat jaren lang de haat een reden gezocht had om zich te uiten. Hij +was niet aan liefde gewend. + +Hij werd er niet zachter door. Hij had misschien gewenscht zich te +beteren, sinds de oude Freule bij hem geweest was, maar nu kon hij +'t niet. Hij wilde niet tot beterschap gedwongen worden. + +Maar langzamerhand werd die schandeheuvel hem toch te machtig. Hij +moest er aanhoudend aan denken, en de overtuiging, die allen koesterden +schoot ook wortel bij hem. Dat was toch een verschrikkelijke +getuigenis, dat werpen met dorre takken! Hij lette steeds op den +heuvel, telde de takjes, die er elken dag bij kwamen, en de gedachte +daaraan breidde zich uit en verdrong alle andere gedachten. Die +schandeheuvel brak zijn kracht. + +Iederen dag moest hij den menschen meer gelijk geven. Hij verviel +en werd een oud man in een paar weken. Hij had berouw en werd +ziekelijk. Het was of dat alles door dien heuvel kwam, alsof zijn +geweten gezwegen zou hebben en de lasten van den ouderdom niet gekomen +zouden zijn, als die heuvel maar niet aldoor was aangegroeid. + +Eindelijk zat hij er den ganschen dag naast en hield de wacht. Maar +de menschen waren onbarmhartig: 's nachts werden er altijd nieuwe +takken bijgegooid. + + + +Op een dag komt Gösta Berling langs den weg. De predikant van Broby zit +aan den kant, oud en vervallen. Hij zit aan de dorre takjes te plukken +en legt ze aan rijen en op hoopjes, er meê spelende als een kind. + +Gösta wordt bedroefd om zijn ellendigen toestand. + +"Wat doet u daar?" vraagt hij en springt snel uit zijn wagen. + +"Ach, ik zit maar te plukken, ik doe eigenlijk niets." + +"U moest naar huis gaan en niet hier zoo aan den stoffigen weg zitten." + +"Neen. 't Is maar het beste, dat ik hier blijf zitten." + +Nu gaat Gösta Berling naast hem zitten. + +"'t Is niet makkelijk om predikant te zijn," zegt hij na een poosje +zwijgen. + +"Hier gaat het nog al, hier zijn ten minste menschen. Daar boven is +'t erger!" + +Gösta weet wel, wat hij bedoelt. Hij kent die gemeenten in Wermeland +wel, waar soms niet eens een pastorie is, die groote gemeenten in +de bosschen, waar de Finnen in de rookkamers wonen, waar een mijl +in den omtrek maar enkele huizen staan; waar de predikant de eenige +ontwikkelde man is in de gemeente. De predikant van Broby had meer +dan twintig jaar in zulk een gemeente gestaan. + +"Daar worden we heengezonden als we nog jong zijn," zegt Gösta. "'t +Is onmogelijk het leven daar uit te houden. En dan wordt men voor zijn +geheele toekomst bedorven. Er zijn velen in die streken ondergegaan." + +"Dat zijn er," antwoordt de predikant. "De eenzaamheid verderft +de menschen." + +"Je komt er," gaat Gösta voort, "vol vuur en ijver; je spreekt +en vermaant en meent, dat alles goed zal gaan en de menschen zich +verbeteren zullen." + +"Ja, juist!" + +"Maar al gauw merk je, dat woorden niet baten. De armoede staat een +beter leven in den weg." + +"Armoede," mompelt de predikant; "armoede heeft mijn leven verwoest." + +"Een jong dominé komt in zulk een plaats," gaat Gösta voort, "en +is even arm als de anderen, hij zegt tegen den dronkaard: houd op +met drinken!" + +"Maar de dronkaard antwoordt," valt de predikant in, "geef me dan +wat beters dan brandewijn. Brandewijn is als een pels in den winter, +als koelte in den zomer. Brandewijn is een warme kamer en een zacht +bed. Geef mij dat en ik zal niet meer drinken." + +"En dan," herneemt Gösta, "zegt de predikant tegen den dief, ge moogt +niet stelen," en tegen den booze "ge moogt uw vrouw niet slaan," en +tot den bijgeloovige: "ge moet aan God gelooven en niet aan den duivel +en de booze geesten." Maar dan antwoordt de dief: "Geef mij brood," en +de booze zegt: "maak ons rijk, dan zullen we niet meer twisten," en de +bijgeloovige: "leer mij wat beters." Maar wie kan helpen zonder geld?" + +"Het is waar! al wat ge daar zegt!" barst de oude uit. "Aan God +geloofden zij; maar nog meer aan den duivel, 't meest aan den boozen +berggeest en den kabouter in de schuur. Al het graan werd in den +brandewijnketel gestopt. Niemand zag een eind aan de ellende. In +de meeste grauwe kamers heerschte nood. Verborgen smart maakte de +tongen der vrouwen bitter. De ongezelligheid dreef de mannen tot +dronkenschap. Akkers en vee verzorgden zij niet. Zij vreesden den +landheer en bespotten den predikant. Wat kon men met hen beginnen? Wat +ik hen op den preekstoel zei, begrepen zij niet. En niemand om raad +te vragen, niemand die mij hielp om moed te houden." + +"Er zijn er, die het onthouden," zegt Gösta. "Gods genade is voor +sommigen zóó groot geweest, dat zij na zulk een leven niet als +gebrokenen weêrkomen. Hun krachten waren toereikend; zij hebben de +eenzaamheid, de armoede, de hopeloosheid verdragen. Zij hebben 't +beetje goed gedaan, wat ze konden en niet gewanhoopt. Zulke mannen zijn +er altijd geweest en zijn er nog. Ik zal ze begroeten als helden. Ik +wil ze eeren, zoolang ik leef. Ik zou het niet kunnen uithouden." + +"Ik kon het niet," zucht de predikant. + +"Zulk een predikant denkt," gaat Gösta peinzend voort, "dat hij rijk +wil worden, buitengewoon rijk! Geen arme kan het kwaad bestrijden. En +dan moet hij sparen." + +"Als hij niet spaarde, zou hij gaan drinken," gaat de predikant +voort. "Hij ziet zooveel ellende." + +"Of suf en lui worden en alle kracht verliezen. 't Is gevaarlijk +daarheen te komen voor hen, die er niet geboren zijn." + +"Hij moet hard wezen om te sparen. Eerst stelt hij zich zoo aan--later +wordt het gewoonte." + +"Hij moet hard voor zichzelf en anderen zijn," gaat Gösta +voort. "Sparen is moeilijk. Hij moet haat en verachting verdragen; +hij moet kou lijden en honger en zijn medelijden dooden; 't is bijna +alsof hij vergeet waarom hij is begonnen te sparen." + +De predikant van Broby ziet hem schuin aan. Hij vraagt zich af of +Gösta hem voor den gek zit te houden. Maar Gösta is een en al ernst +en ijver. Het is alsof hij zijn eigen zaak bepleit. + +"Zoo is het mij gegaan," zegt de oude zacht. + +"Maar God behoedt hem," gaat Gösta verder. "Hij wekt de gedachten van +zijn jeugd bij den mensch op, die genoeg gespaard heeft. Hij geeft +den predikant een teeken als Gods volk hem noodig heeft." + +"Maar als de predikant dan niet gehoorzaamt, Gösta Berling!" + +"Hij kan het niet laten," zegt Gösta met een vriendelijken +glimlach. "Hem bekoort de gedachte aan de warme hutten, die hij de +armen zal helpen bouwen." + +De predikant ziet neer op de kleine gebouwtjes die hij met de stokjes +van den schandeheuvel heeft zitten bouwen. Hoe langer hij met Gösta +praat, hoe meer hij overtuigd wordt, dat deze gelijk heeft. Hij +heeft altijd plan gehad om goed te doen, als hij maar eerst genoeg +had. Hij houdt de gedachte krampachtig vast. Natuurlijk is dat zijn +bedoeling geweest. + +"Waarom bouwt hij dan die hutten niet," vraagt hij schuw. + +"Hij is er verlegen meê. Menigeen zal denken dat hij uit menschenvrees +doet, wat hij altijd van plan is geweest." + +"Hij kan geen dwang verdragen, dat is het." + +"Hij kan toch in stilte helpen. Er is van 't jaar zooveel hulp +noodig. Hij kan iemand zoeken, die zijn gaven uitdeelt. O, ik begrijp +alles!" barste Gösta uit en zijn oogen straalden, "van 't jaar zullen +duizenden brood krijgen van hem, dien ze met hun vloek vervolgen." + +"Zoo zal het zijn, Gösta!" + +Er kwam een roes over deze twee, die zoo weinig aan de door hen +gevoelde roeping hadden beantwoord. De lust hunner jeugd: God en +menschen te dienen keerde weer in hun ziel. Zij zwelgden in de +weldaden, die zij zouden bewijzen. Gösta zou de helper van den +predikant worden. + +"Allereerst moeten wij voor brood zorgen," zegt de predikant. + +"Wij moeten voor onderwijzers zorgen en voor landmeters, die 't land +verdeelen. Dan zal 't volk leeren hun akker te verzorgen en hun vee +te hoeden." + +"Wij zullen wegen maken en land ontginnen." + +"Wij zullen sluizen bouwen bij den waterval van Berg, zoodat de weg +tusschen 't Löfven- en Weenermeer vrijkomt." + +"Al de rijkdom, die 't bosch bevat, zal dubbelen zegen verspreiden, +als de weg naar de zee open is." + +"Uw hoofd zal zich buigen onder aller zegenbeden!" roept Gösta uit. + +De predikant ziet op. Zijn oogen ontmoeten die van Gösta en ze lezen +in elkaars blikken dezelfde gloeiende geestdrift. + +Maar op 't zelfde oogenblik zien ze beiden naar den schandeheuvel. + +"Gösta," zegt de oude, "voor dat alles zijn de krachten noodig van +een jong mensch en ik zal spoedig sterven. Dat daar vermoordt me." + +"Ruim het weg!" + +"Ach! hoe kan ik dat!" + +Gösta treedt dicht op hem toe en ziet hem scherp in de oogen. "Bid +God om regen," zegt hij. "U moet aanstaanden Zondag spreken. Bid dan +God om regen!" + +De oude predikant krimpt ineen van ontzetting. + +"Als het u ernst is, als u niet degeen zijt, die de droogte over +'t land bracht, als u den Allerhoogste hebt willen dienen door uw +hardheid, bid dan God om regen. Dat zal het teeken zijn. Daaraan +zullen wij weten of God wil wat wij willen." + +Toen Gösta wegreed van den Brobyheuvel was hij verbaasd over zich +zelf en de geestdrift, die hem had meêgesleept. Maar dat kon toch +een heerlijk leven worden. Ja,--maar niet voor hem. Van zijn diensten +wou God niet weten! + +In de kerk van Broby was de preek geëindigd en de gewone gebeden +gelezen. De predikant zou juist de trappen van den preekstoel +afgaan. Maar hij aarzelde. Eindelijk viel hij daarboven op de knieën +en bad om regen. + +Hij bad zooals een wanhopende bidt, met weinig woorden, onzamenhangend: +"Als het mijn zonde is, die u toorn heeft gewekt, o, straf dan mij +alleen. Als Gij barmhartig zijt, o God! laat het regenen op mijn +gebed. Laat regen neerdalen op den akker der armen! Geef uw volk +brood!" + +'t Was heet! Een verstikkende atmospheer was in de kerk. De gemeente +had half bedwelmd neergezeten; maar bij 't hooren van deze afgebroken +geluiden van die heesche, wanhopende stem, werden allen helder wakker. + +"Als er voor mij nog herstel van eer mogelijk is, Heer! geef dan +regen...." Hij zweeg. + +De deuren stonden open. Daar kwam een heftige windstoot +aanbruischen. Die voer over 't veld, vloog tegen de kerk op en zond +een wolk van stof, stokjes en stroo naar binnen. De predikant kon niet +meer spreken. Hij daalde wankelend de trappen van den preekstoel af. + +De menschen rilden. Moest dat een antwoord beteekenen? + +Maar die windstoot was maar de voorlooper van het naderend onweer, +dat met ongekende snelheid kwam opzetten. + +Toen de psalm gezongen was en de predikant bij het altaar stond, vlamde +de bliksem en barstte de donder los, alle andere geluiden overstemmend. + +Toen de koster den slotpsalm speelde, tikten de eerste regendroppels +reeds tegen de groene ruiten en stormden de menschen allen naar +buiten om den regen te zien. Sommigen schreiden, andren lachten, +terwijl ze de stortregen over zich heen lieten stroomen. + +Ach! hoe groot was hun nood geweest! Hoe hadden ze geleden! Maar God +is goed. God zendt zijn regen neer. Wat een uitkomst! Wat een zegen! + +De predikant was de eenige, die niet naar buiten kwam om den regen +te zien. Hij lag voor het altaar geknield en stond niet weer op. + +De vreugde was te groot voor hem. Hij was gestorven van blijdschap. + + + + + + + +XXVIII. + +DE MOEDER VAN HET KIND. + + +Daar moesten toch allen 't wel eens over zijn: dat het kind een vader +moest hebben. + +'t Kind was 't erbarmelijkste kleine wezentje, dat men zich kon +voorstellen, klein en rood, met duizend plooien in de huid. 't Was een +wurmpje, dat altijd schreeuwde en stuipen had van de geboorte af aan, +een arme zwerveling, die in 't leven gekomen was zes of zeven weken +voor hij er permissie toe had, en daarom zich niet recht schikken +kon in deze wereld. + +'t Kind woog zoo weinig, dat het niet eens de moeite waard is te +zeggen hoeveel. Men moest het in een lamsvelletje naaien, en 't wilde +niet drinken, noch slapen. Maar 't leefde. Niemand begreep hoe 't in +leven bleef; maar 't leefde! + +'t Kind was geboren in een boerenhuisje ten oosten van de Klarelv. De +moeder van 't kind was daar gekomen en had er haar dienst aangeboden +op een dag, in 't begin van Juni. Zij was ongelukkig gemaakt, had ze +tegen de bewoners van het huis gezegd, en haar moeder was toen zoo +hard tegen haar geweest, dat ze genoodzaakt was te vluchten. Zij heette +Elisabeth Karls dochter, maar ze wou niet zeggen waar ze vandaan was, +want dan zouden haar ouders misschien te weten komen waar ze was, en +als zij haar vonden, zouden zij haar dood plagen, daar was ze zeker +van. Zij verlangde geen loon, alleen voedsel en een dak boven haar +hoofd. Zij kon werken, weven of spinnen of voor de koeien zorgen--wat +ze maar wilden. Als zij 't verlangden, kon ze ook wel wat betalen. + +Zij was zoo verstandig geweest met bloote voeten op de plaats te komen, +met de schoenen onder den arm; ze had grove handen, ze sprak de taal +van het land en was als een boerenmeisje gekleed. + +Zij geloofden haar. + +De man vond dat ze er zwak uitzag, en had niet veel vertrouwen in +haar werkkracht. Maar ergens moest ze toch wezen, de stumper. En zoo +stonden ze haar toe te blijven. + +Zij had iets over zich, dat maakte, dat allen op de boerderij +vriendelijk voor haar waren. Zij had het goed getroffen. De menschen +daar waren rustig en kalm. + +De huismoeder hield van haar, sinds ze had ontdekt, dat ze weven +kon. Zij leende een weefgetouw van den proost, en de moeder van het +kind had den heelen zomer aan het weefgetouw gezeten. + +Niemand dacht er aan, dat zij gespaard moest worden. Zij moest als +een boerin werken, al dien tijd. Zij wilde dat zelf ook het liefst +en was niet bijzonder ongelukkig. Het leven onder de boeren trok +haar aan, ofschoon zij alle comfort, waar ze aan gewend was, moest +ontberen. Maar men nam hier alles zoo eenvoudig en kalm op. Aller +gedachten draaiden zich om het werk, en de dagen gleden zoo eentonig +voorbij, dat men er zich door vergiste en meende midden in de week +te zijn, als de Zondag kwam. + +Op een dag in 't eind van Augustus hadden zij 't druk gehad met den +haveroogst en de moeder van het kind was mee naar het veld gegaan, +om schoven te binden. Toen had zij zich te veel vermoeid en het kind +was geboren, maar te vroeg. Zij wachtte het eerst in October. + +Nu stond de huismoeder met het kind in de armen en warmde het bij +'t vuur, want het stumpertje had het koud in de warmste dagen van +Augustus. De moeder lag in 't kamertje daar binnen en luisterde naar +wat er van het kind gezegd werd. Zij kon zich voorstellen hoe de +knechts en de meisjes er heen gingen en het bekeken. + +"Zoo'n klein stumpertje!" zeiden zij altijd, en dan volgde: "arm +klein ding, dat je geen vader hebt." + +Deze en gene verwonderde er zich over, dat het zoo rood en gerimpeld +was; maar dan was er altijd een, die antwoordde, dat alle kindren +zoo waren. + +Zij klaagden niet over 't schreien van het kind. Zij waren overtuigd +dat kinderen moeten schreien, en alles samen genomen, was het kind +vrij krachtig voor zijn leeftijd. 't Scheen, dat alles in orde geweest +zou zijn--als het kind maar een vader had gehad. + +De moeder lag naar dat alles te luisteren en was verwonderd. De zaak +kwam haar plotseling zoo heel gewichtig voor. Hoe zou dat stumpertje, +dat geen vader had, door het leven komen? + +Zij had van te voren haar plan gemaakt. Zij wilde het eerste jaar op +de boerderij blijven. Later zou zij een kamer huren en haar brood +met weven verdienen. Zelf zou zij 't noodige verdienen om het kind +te voeden en te kleeden. Haar man kon gerust blijven denken, dat +zij hem onwaardig was. Zij had gedacht, dat het kind misschien een +beter mensch zou worden, als het door haar alleen werd opgevoed, +dan wanneer een domme, trotsche vader het leiden zou. + +Maar nu het kind geboren was, kon zij niet meer zoo over dat alles +denken. Nu kwam het haar voor, dat ze egoïst geweest was. "'t Kind +moest een vader hebben," zei ze in zichzelf. + +Was de kleine niet zoo'n stumpertje geweest, had hij maar gedronken +en geslapen als andere kinderen, had zijn hoofd maar niet altijd op +den eenen schouder gehangen, en was hij niet telkens den dood nabij +geweest door een stuip, dan zou die questie haar niet zóó gewichtig +geschenen hebben. Maar deze hulpelooze stumper moest een vader hebben. + +'t Was niet gemakkelijk een besluit te nemen; maar dat moest zij toch +doen, en dat wel dadelijk. Het kind was drie dagen oud en de boeren in +Wermeland wachten zelden langer met hun kind te laten doopen. Onder +welken naam moest nu 't kind in 't doopboek ingeschreven worden? En +wat moest de dominé van de moeder van 't kind weten? 't Was toch +zeker niet goed tegenover 't kind het als een vaderlooze te doen +inschrijven. 't Was nu eenmaal in deze wereld vol ellende gekomen; +maar het scheen er naar te verlangen weer heen te gaan. Misschien zou +'t beter tieren als het een vader had. Als dit kind nu een zwak en +ziekelijk man werd, hoe kon zij dan verantwoorden, dat zij hem van +de voordeelen van een hooge geboorte en rijkdom beroofd had? + +De moeder wist immers wel, dat het een gewichtige gebeurtenis en +een groote vreugde is, als er een kind ter wereld komt. Nu scheen +het haar toe, dat het zwaar moest zijn te leven voor dien kleine, +waar allen medelijden mee hadden. + +Zij zou hem graag willen zien slapen op zijde en kant. Zij wilde +hem zien omgeven met blijdschap en trots. Ja, het kind moest een +vader hebben. + +De moeder begon er ook over te denken, dat zij een al te groot onrecht +beging tegenover den vader van het kind. Had zij het recht het voor +zich alleen te behouden? Dat kon zij toch niet. Zulk een dierbaar, +klein wezentje, wiens waarde door geen mensch te bepalen is, zou zij +zich toeëigenen? + +Dat kon toch niet eerlijk zijn. + +De moeder wilde niet gaarne naar haar man terug. Zij was bang, dat +zij dat niet overleven zou. + +Maar de kleine was in grooter gevaar dan zij. Hij kon ieder oogenblik +sterven, en hij was niet gedoopt. + +Dat, wat haar van huis gedreven had, haar groote zonde, was weg. Nu +voelde zij waarlijk geen liefde voor iemand anders dan dien kleinen +vaderlooze, die een vader moest hebben. + +De moeder liet den man en de vrouw van het huis bij zich komen en zeide +hun alles. De man reed toen naar Borg, om graaf Dohna te vertellen, +dat zijn vrouw leefde en dat er een kind geboren was, dat een vader +moest hebben. + +De boer kwam 's avonds laat tehuis. Hij had den graaf niet tehuis +gevonden, want die was op reis; maar toen was hij naar den predikant +te Svartsjö gegaan en had met hem over de zaak gesproken. Zoo hoorde +de gravin, dat haar huwelijk onwettig verklaard was en zij geen man +meer had. + +De predikant schreef haar een vriendelijken brief en bood haar zijn +huis aan. Er werd haar ook een brief van haar eigen vader aan graaf +Dohna gezonden, die een paar dagen na haar vlucht op Borg moest zijn +aangekomen. Het was misschien juist die brief, waarin de oude den +graaf verzocht, zich te haasten met het wettigen van zijn huwelijk, +die den graaf den kortsten weg gewezen had, om van zijn vrouw af +te komen. Men kan zich wel voorstellen, dat de moeder van het kind +nog meer boos dan bedroefd werd, toen zij het verhaal van den boer +hoorde. De moeder van een sterk, mooi kind kon zulk een bericht +met verachting hebben ontvangen en er trotsch op geweest zijn, dat +zij het kind alleen mocht behouden. Maar de moeder van dit arme, +hulpelooze kindje had bijna een gevoel, alsof ze haar man zou hebben +kunnen vermoorden. Zij had geen trots om zich mee te troosten. + +Dien nacht kwam er geen slaap in haar oogen. 't Kind moest een vader +hebben, dacht zij telkens weer. + +Den volgenden morgen moest de boer op haar verzoek naar Ekeby rijden +en Gösta Berling halen. + +Gösta deed den zwijgenden man vele vragen, maar kwam niets te +weten. Ja, de gravin was den heelen zomer in zijn huis geweest. Zij +was gezond geweest en had gewerkt. Nu was er een kind geboren, +'t Kind was zwak, maar de moeder zou gauw weer beter zijn. + +Gösta vroeg of de gravin wist, dat haar huwelijk ontbonden was. + +Ja, nu wist zij het. Zij had het gisteravond gehoord. + +Op dien geheelen tocht had Gösta nu eens een gevoel van koortshitte, +dan weer koude rillingen. Wat wilde zij van hem? Waarom liet zij +hem roepen? + +Hij dacht aan het leven in dien zomer aan de oevers van het +Löfvenmeer. Zij hadden de dagen met scherts en spel en met +pleiziertochtjes doorgebracht, en in dien tijd had zij gewerkt en +geleden. Nooit had hij zich de mogelijkheid voorgesteld haar weer te +zien. Ach, had hij dat maar durven hopen! Dan zou hij als een beter +man voor haar gestaan hebben. Nu had hij alleen zijn gewone dwaasheden +om op terug te zien. + +Tegen acht uur des avonds bereikte hij de boerderij en werd dadelijk +bij de moeder van het kind gebracht. 't Was halfdonker in de kamer; +hij kon haar nauwelijks zien zooals zij daar lag. De man en de vrouw +kwamen ook binnen. + +Nu moet men niet vergeten, dat zij, wier bleek gezichtje hem in 't +donker te gemoet scheen, steeds het reinste en hoogste was, wat hij +kende, de schoonste ziel, die een aardschen vorm had aangenomen. Toen +hij nu weer den zegen van haar tegenwoordigheid voelde, had hij +behoefte zich op de knieën te werpen en haar te danken, omdat zij +zich opnieuw aan hem openbaarde; maar hij was zóó ontroerd, dat hij +niets kon zeggen of doen. + +"Lieve gravin Elisabeth," zei hij alleen. + +"Goeden avond, Gösta." + +Zij reikte hem de hand, die weer wit en doorschijnend geworden was. Zij +lag stil, terwijl hij zijne ontroering trachtte te bedwingen. + +De moeder werd niet door een heftig gevoel geschokt toen zij Gösta +zag. Het verwonderde haar alleen, dat hij 't meest aan haar scheen +te denken. Hij kon toch wel begrijpen, dat het nu de hoofdzaak was, +dat het kind een vader moest hebben. + +"Gösta," zei ze zacht. "Nu moet je me helpen, zooals je me eens +beloofd hebt. Je weet, dat mijn man mij verlaten heeft, mijn kind +geen vader heeft." + +"Ja, Mevrouw de gravin, maar dat moet veranderd kunnen worden. Nu +er een kind is moet de graaf gedwongen kunnen worden het huwelijk te +wettigen. U kunt er op aan, dat ik u helpen zal." + +De moeder glimlachte: "Geloof je, dat ik mij weêr aan graaf Dohna +opdringen wil?" + +'t Bloed steeg Gösta naar 't hoofd. Wat wilde ze dan? Wat verlangde +zij van hem? + +"Kom eens hier, Gösta," zeide zij en reikte hem opnieuw de hand. "Je +moet niet boos worden om wat ik nu zeggen wil: maar ik dacht, dat jij, +die.... die...." + +"Een afgezette predikant zijt, een zwierbol, een kavalier, de +moordenaar van Ebba Dohna...." "Ik ken al mijn verdiensten op mijn +duim!" viel Gösta haar in de rede. + +"Ben je nu al boos, Gösta?" + +"Ik zou het liefst willen, dat Mevrouw de gravin niets meer zei." + +Maar de moeder van het kind ging voort: "Er is er meer dan éen, Gösta, +die je vrouw zou willen worden uit liefde; maar zoo is het niet met +mij. Als ik je liefhad, zou ik geen moed hebben te spreken zooals +ik nu doe. Voor mijzelf zou ik zoo iets niet vragen, Gösta; maar, +zie je, het kind moet toch een vader hebben. Nu begrijp je zeker wel, +wat ik je vragen wou. 't Is wel een groote vernedering voor je, omdat +ik een vrouw zonder man ben en een kind heb. Ik dacht er niet aan, +dat je het misschien wel zoudt willen doen, omdat je minder bent dan +anderen--ofschoon, ja, daar dacht ik ook aan. Maar het meest dacht ik +er aan, dat je 't misschien zoudt willen doen omdat je zoo goed bent, +Gösta, omdat je een held bent en je kunt opofferen. Maar misschien +is het te veel gevergd. Misschien kan een man zooveel niet doen. Als +je me te veel veracht, als het je te veel tegen de borst stuit, vader +van het kind van een ander genoemd te worden, zeg het dan maar. Ik zal +er niet boos om worden. Ik zie wel dat het te veel verlangd is. Maar +mijn kind is zoo ziek, Gösta. Het is zoo hard, dat men bij zijn doop +den naam van zijn vader niet noemen kan." + +Terwijl hij naar haar luisterde, voelde hij hetzelfde, als toen hij +op dien voorjaarsmorgen haar aan land moest zetten en haar aan haar +lot overlaten. Nu moest hij haar helpen om haar toekomst,--haar heele +toekomst te verwoesten. Hij moest het doen, hij, die haar liefhad. + +"Ik wil alles doen wat gij wilt," antwoordde hij. + +Den volgenden dag sprak hij er over met den Proost in Bro, want +Svartsjö is met Bro gecombineerd, en daar moest het huwelijk +afgekondigd worden. De goede, oude Proost werd geroerd door zijn +verhaal, en beloofde alle noodige maatregelen te nemen. + +"Ja," zeide hij, "je moet haar helpen, Gösta, dat moet je. Zij zou +anders waanzinnig kunnen worden. Zij gelooft, dat het haar kind +schaden zal, als ze zijn vader niet noemen kan. Zij heeft een heel +teer geweten." + +"Maar ik weet, dat ik haar ongelukkig zal maken," barstte Gösta uit. + +"Dat mag je volstrekt niet, Gösta! Nu moet je zien een verstandig +man te worden nu je vrouw en kind hebt om voor te zorgen." + +Intusschen zou de Proost naar Svartsjö gaan om met den predikant en +rechter te spreken. En ten slotte werd in de kerk van Svartsjö het +huwelijk van Gösta Berling en Elisabeth van Thurn afgekondigd. + +Toen werd de moeder van het kind met de grootste voorzichtigheid naar +Ekeby gebracht, en daar werd het kind gedoopt. + +De Proost sprak toen met haar en wees er haar op, dat ze nog op +haar besluit terugkomen kon. Ze moest bedenken wat zij deed, als ze +trouwde met een man als Gösta Berling. Zij moest tenminste eerst aan +haar vader schrijven. + +"Ik kan er geen spijt van hebben," antwoordde zij; "denk eens, dat +mijn kind stierf eer het een vader had." + +Toen het huwelijk voor de derde maal werd afgekondigd, was de moeder +hersteld en al verscheidene dagen op geweest. Des middags kwam +de Proost naar Ekeby en sloot het huwelijk tusschen haar en Gösta +Berling. Maar niemand dacht er aan, dat dit een bruiloft was. Er +waren geen gasten genoodigd. Men gaf alleen het kind een vader; +dat was alles. + +De moeder straalde van stille vreugd, alsof zij een groot doel bereikt +had. De bruidegom was bedroefd. Hij dacht er aan, hoe ze haar toekomst +bedierf door haar huwelijk met hem. Hij merkte met ontzetting, dat hij +nauwelijks voor haar bestond. Al haar gedachten waren voor het kind. + +Een paar dagen later hadden de vader en de moeder een groot +verdriet. Het kind stierf in een stuip. + +'t Kwam menigeen voor, dat de moeder niet zóo heftig en bitter bedroefd +was als men verwacht had: er lag een waas van triomf over haar. Het was +alsof zij er in juichte, dat zij haar toekomst had bedorven ter wille +van het kind. Als de kleine bij de engelen in den hemel kwam, zou hij +het toch weten, dat hij op aarde een moeder had gehad, die hem liefhad. + + + +Dit alles gebeurde stil en ongemerkt. Toen het huwelijk van Gösta +Berling en Elisabeth von Thurn in Svartsjö werd afgekondigd, wisten de +meesten niet eens wie de bruid was. De geestelijken en het personeel +van de hoeven, die wisten hoe alles was toegegaan, spraken er zoo +min mogelijk over. Het was alsof ze er bang voor waren, dat de +een of ander, die niet meer geloofde aan de macht van het geweten, +aan het gedrag van de jonge vrouw een boosaardige verklaring zou +geven. Men was zoo bang, dat iemand zeggen zou: "Nu kan je wel zien, +dat zij haar liefde voor Gösta niet heeft kunnen overwinnen. Nu is ze +met hem getrouwd, onder een voorwendsel, dat zoo mooi lijkt." Ach, de +ouden waren zoo teer voor die jonge vrouw. Nooit konden ze verdragen, +dat men wat kwaads van haar zei. Zij wilden nauwelijks toegeven, +dat zij gezondigd had. Zij wilden niet inzien, dat eenig kwaad die +ziel bevlekte, die zoo bang voor het booze was. + +Een andere gewichtige gebeurtenis, die juist in dien tijd plaats had, +maakte ook, dat Gösta's huwelijk maar weinig besproken werd. Majoor +Samzelius werd door een ongeluk getroffen. Hij was meer en meer +zonderling en menschenschuw geworden. Hij ging 't meest met dieren +om en had een heelen dierentuin gemaakt op Sjö. Gevaarlijk was het +ook, want hij had gedurig zijn geladen geweer bij zich en schoot +dat telkens af, zonder op te passen, waar hij op mikte. Op een dag +werd hij door een tammen beer gebeten, waar hij zonder nadenken op +geschoten had. Het gewonde dier viel op hem aan, terwijl hij dicht +bij de tralies stond, en beet hem vreeselijk in den arm. Daarop brak +het los en liep het bosch in. + +De Majoor werd bedlegerig en stierf aan de wond, maar eerst kort vóór +Kerstmis. Als de Majoorske geweten had, dat hij ziek was, had zij +het bestuur op Ekeby weer in handen kunnen nemen. Maar de kavaliers +dachten aan het contract met den Booze op Kerstavond in de smidse. Zij +wisten wel, dat zij niet komen zou, eer hun jaar om was. + + + + + + + +XXIX. + +LIEFDE OVERWINT ALLES. + + +Onder de trap naar de galerij in de kerk te Svartsjö is een groote +kast, vol versleten spaden van de doodgravers, van gebroken kerkbanken, +oude stukken blik en andere prullen. + +Daarin, onder een dikke laag stof, voor de oogen der menschen +verborgen, staat een kist met prachtig mozaiek van paarlemoer +ingelegd. Veegt men 't stof weg dan glimt en glinstert zij als +de bergwand in een sage. De kist is gesloten en de sleutel is goed +bewaard en wordt niet gebruikt. Geen sterveling mag een oog in die kist +slaan. Niemand weet wat er in is. Eerst als de negentiende eeuw haar +einde nadert wordt de sleutel in 't slot gestoken, de deksel opgelicht +en de schatten die daar verborgen zijn aan menschenoogen vertoond. + +Zoo heeft de eigenaar van de kist het beschikt. + +Op de koperen plaat op den deksel staat: Labor vincit omnia. (De +arbeid overwint alles). Maar een ander opschrift zou beter gepast +hebben. Er had moeten staan: Amor vincit omnia. (De liefde overwint +alles). Ook die oude kist in de kast onder de trap in de kerk is een +bewijs voor de almacht der liefde. + +O Eros, alles beheerschende God! + +Voorwaar! Gij, o Liefde zijt eeuwig. Oud is het menschengeslacht op +aarde; maar gij hebt het gevolgd door alle eeuwen heen. Waar zijn +de goden van 't Oosten, de sterke helden, die den bliksem als wapen +voerden, zij die aan de oevers van den heiligen stroom offers aannamen +van melk en honing? + +Dood zijn ze! Dood is Bel, de sterke krijgsman, dood Thot, de reus +met de havikskop; dood zijn de heerlijke goden, die rustten op bedden +van wolken van den Olympus, dood zij, die heldendaden deden en in +het wel versterkte Walhalla woonden. Al de goden der ouden zijn dood, +behalve Eros, Eros de alles beheerschende. + +Zijn werk is alles wat ge ziet. Hij houdt de geslachten in stand. Hem +ziet ge overal. Waar kunt gij gaan, dat ge zijn voetspoor niet +ziet? Wat hooren uw ooren, waar ge niet den wiekslag van zijn suizende +vleuglen in hoort. Hij woont in de harten der menschen en in den +kiemenden zaadkorrel. Voel zijn hartslag trillen in de dooden dingen +en beef! + +Wat woont er op aarde, dat niet verlangen voelt naar hem en zijn +lokstem hoort. Niets ontkomt aan zijn macht. Alle oude wraakgoden +zullen vallen, alle kracht en geweld voorbij gaan. Maar voorwaar! Gij, +o liefde, zijt eeuwig! + +De oude Eberhard zit aan zijn schrijftafel, een prachtig meubel, met +ontelbare laden, met marmeren blad en beslagen met oud koper. Hij werkt +met vlijt en ijver, alleen boven in den kavaliersvleugel. O, Eberhard, +waarom zwerft ge niet rond in bosch en veld in de laatste dagen van den +stervenden zomer, zooals de andere kavaliers doen. Ge weet het toch, +dat niemand ongestraft de godin der wijsheid dient. Gebogen is uw rug, +al zijt ge ook maar even zestig jaar; het haar dat uw schedel dekt is +uw eigen niet, rimpels zijn gegroefd in uw voorhoofd, dat zich over +uw ingezonken oogen welft, en het verval van den ouderdom vertoont +zich in de vele plooien om uw tandeloozen mond. + +O Eberhard! Waarom zwerft gij niet door bosschen en velden? De dood +zal U zooveel te eerder van uw schrijftafel halen, omdat ge u door +'t leven er niet van weg hebt laten lokken. + +Oom Eberhard haalt een dikke streep onder zijn laatsten regel. Uit +de ontelbare laden van zijn schrijftafel haalt hij de geelgeworden, +gekreukelde vellen te voorschijn, al de ongelijke deelen van zijn +groot werk, dat werk, dat den naam van Eberhard Berggren door de +tijden heen zal dragen. Maar juist als hij 't eene pak op 't andere +heeft gestapeld en er in stille verrukking op zit te staren, gaat de +deur open en de jonge gravin treedt binnen. + +Daar is zij, de jonge heerscheres. Zij die allen vereeren en dienen, +meer dan grootouders den kleinzoon. Zij, die ze als een arme zieke +gevonden hebben en alle heerlijkheid der aarde schonken, zoo als een +Sagenkoning de arme schoone, die hij vond in het woud. + +Voor haar klinken waldhoorn en viool op Ekeby. Voor haar roert zich +alles, voor haar leven en werken allen op het groote landgoed. + +Zij is nu gezond; maar nog zeer zwak. De eenzaamheid in dit groote huis +valt haar lang, en nu ze weet dat de kavaliers weg zijn, wil ze eens +zien hoe het er in den kavaliersvleugel uitziet, dat beruchte vertrek. + +Zoo komt ze zacht binnen en ziet naar de gewitte muren en de +geelgeruite bedgordijnen; maar ze wordt verlegen, nu ze merkt dat er +iemand in de kamer is. + +Oom Eberhard gaat haar plechtig te gemoet en voert haar naar den +grooten stapel papieren. + +"Zie eens, Mevrouw de gravin, zegt hij, "nu is mijn werk gereed. Nu +zal het de wereld in gaan. Nu zullen groote dingen geschieden." + +"Wat zal er dan gebeuren, Oom Eberhard?" + +"Och Mevrouw de gravin! als een bliksemstraal zal dit werk +inslaan in de wereld, licht brengen en dooden! Sedert Mozes hem +van uit Sinaïs donderwolk deed neêrdalen en hem in 't heilige +der heilige van den Tempel plaatste,--al dien tijd is hij veilig +geweest, de oude Jehova! Nu zal het ieder duidelijk worden wie hij +is! Inbeelding! leegte! damp! het doodgeboren kind van onze eigen, +arme hersens!--Hij zal in 't niet verzinken," zei de grijsaard en +legde zijn gerimpelde hand op de papieren. "Hier staat het en als de +menschen dat lezen, moeten zij 't gelooven. Zij zullen verschrikt +opstaan en hun domheid inzien; zij zullen de kruisen stukslaan en +voor brandhout gebruiken, de kerken voor korenbeurzen en de priesters +zullen de aarde gaan bebouwen." + +"Ach, oom Eberhard," zei de jonge gravin met een lichte rilling, +"is u zulk een verschrikkelijk mensch? staan er zulke vreeselijke +dingen in dat boek?" + +"Vreeslijk?" herhaalde de oude man--"het is immers de waarheid!--Maar +wij zijn als kinderen die hun gezicht in den schoot van een vrouw +verbergen, zoodra ze een vreemdeling zien. Wij zijn gewoon ons voor +de waarheid te verbergen, voor de eeuwig vreemde! Maar nu zal zij +komen en haar tenten onder ons opslaan, nu zullen allen haar kennen." + +"Allen?" + +"Niet alleen de filosofen, maar allen, Mevrouw de Gravin, allen!" + +"En zal dan Jehova sterven?" + +"Hij en alle engelen, alle heiligen, alle duivelen, alle leugens!" + +"En wie zal dan de wereld besturen?" + +"Gelooft u dan werkelijk dat iemand die vroeger bestuurde? Gelooft u +dan aan een voorzienigheid, die de menschen en de haren der menschen +telde? Niemand heeft de wereld bestuurd en niemand zal het voortaan +doen." + +"Maar wat zal er dan van ons, arme menschen, worden?" + +"Wat we geweest zijn! Stof! Hij die uitgebrand is, kan niet meer +branden. Hij is dood! Wat zijn wij, die door 't leven fladderen? De +vonken des levens spatten van den een op den ander. Wij worden +ontstoken, vlammen op en worden uitgebluscht. Dat is het leven!" + +"Ach Eberhard, is er dan geen leven na dit?" + +"Neen!" + +"Niets aan de andere zijde van 't graf?" + +"Niets!" + +"Geen goed of kwaad, geen hoop, geen doel?" + +"Niets." + +De jonge vrouw trad naar 't venster. Zij zag uit over 't gele loof van +den herfst, over de dahlias en asters, die hun hoofden lieten hangen +op de door den wind gebroken stengels. Zij zag de zwarte golven van +'t Löfvenmeer, en een oogenblik geeft ze toe aan den twijfel. + +"Oom Eberhard," zegt ze, "wat is de wereld grauw en leelijk! Wat is +alles hoopeloos. Ik wil graag sterven!" + +Maar op hetzelfde oogenblik was het haar als hoorde zij een jammerkreet +diep in haar ziel. Haar sterke levenskracht, haar warm voelen riepen +luide om 't geluk te mogen leven! + +"Is er dan niets, dat 't leven schoonheid geven kan, nu u me God en +onsterfelijkheid afneemt?" barstte ze uit. + +"Arbeid!" antwoordde de grijsaard. + +Maar op haar gezicht komt een uitdrukking van verachting voor deze +arme wijsheid. Het ondoorgrondelijke rijst voor haar op! Zij voelt +den geest, die in alles leeft. Zij voelt de macht, die gebonden +neerligt in alle schijnbaar doode stof, maar die zich ontwikkelen kan +tot eindloos wisselend leven. Met duizelend hoofd zoekt zij een naam +voor het goddelijk leven in de natuur. + +"Ach, Eberhard!" zegt zij. "Wat is arbeid? Is dat een God? Heeft dat +een doel in zich zelf? Noem iets anders!" + +"Ik weet niets anders," antwoordde de grijsaard. + +Daar heeft zij den naam gevonden, dien ze zoekt, een armen, vaak +bezoedelden naam. + +"Oom Eberhard, waarom noemt u de liefde niet?" + +Daar glijdt een glimlach langs den tandenloozen mond door rimpels en +plooien omgeven. + +"Hier," antwoordt de filosoof en slaat met de gebalde vuist op het +zware pak, "hier worden alle goden vermoord. En ik heb Eros niet +vergeten. Wat is liefde anders dan een drang van het lichaam? Waarom +zou ze hooger staan dan andere lichamelijke behoeften? Maakt de honger +ons tot een God? Of de vermoeidheid? Zij zijn even veel waard. Het +moet nu uit zijn met die dwaasheid. Leve de waarheid!" + +De jonge gravin buigt het hoofd. Dat is niet waar! Dat kan niet waar +zijn. Maar zij weet er niets tegen te zeggen. + +"Uw woorden hebben mijn ziel gewond," antwoordde ze, "maar nog geloof +ik u niet. De goden van wraak en geweld kunt ge dooden. Meer kunt ge +niet doen!" + +Maar de grijsaard vat haar hand en legt die op zijn boek en antwoordt +met al het fanatisme van het ongeloof. + +"Als u dit gelezen hebt, moet u mij wel gelooven!" + +"Dan hoop ik, dat het mij nooit onder de oogen komt!" antwoordt +ze. "Want als ik dat gelooven moet, kan ik niet langer leven." + +En diep bedroefd gaat ze heen. + +Maar hij blijft lang zitten peinzen, nadat zij is weggegaan. + +Die oude papieren met godslasterlijk schrift bedekt, zijn de wereld +nog niet ingegaan. Nog heeft de naam van oom Eberhard niet door de +wereld geklonken. + +Zijn groot werk ligt wel bewaard in de kist in de kerkkast onder +de trap te Svartsjö, en zal eerst aan 't eind van deze eeuw het +licht zien. + +Maar waarom heeft hij dat gedaan? Vreesde hij voor de kracht van +zijn bewijzen? Was hij bang voor vervolging? Ach hoe weinig kent ge +oom Eberhard. Begrijp dit nu goed! Hij heeft de waarheid liefgehad, +niet zijn eigen eer! En daarom heeft hij de laatste opgeofferd, niet +de eerste, opdat een kind, dat hij als een vader liefhad zou kunnen +sterven in het geloof aan wat haar heilig was. + +O liefde, gij zijt eeuwig! + + + + + + + +XXX. + +HET MEISJE VAN NYGAARD. + + +Niemand kent die plek aan den voet van den berg, waar de dennen het +dichtst groeien en waar een dikke laag zacht mos de aarde dekt. Hoe +zou iemand die kennen? Dit is nooit te voren betreden door een +menschenvoet; geen menschentong heeft haar een naam gegeven; geen +voetpad voert naar die verborgen plaatsen. Rotsblokken zijn er om +heen opgestapeld, gedoornde braamranken sluiten haar af, afgewaaide +takken versperren den weg, de herder kan haar niet vinden, de vos +veracht haar. Het is de eenzaamste plek in 't bosch, en nu zoeken +duizenden menschen er naar! + +Wat een eindelooze stoet van zoekenden! Zij zouden de kerk van Bro +kunnen vullen, en niet alleen die van Bro, maar die van Löfvik en +Svartsjö. Wat een eindelooze stoet van zoekenden! + +Kinderen, die niet met den stoet mee mogen, staan aan den weg of +hangen over 't hek, overal waar hij voorbijkomt. De kleinen hebben +niet gedacht, dat er zulk een massa menschen in de wereld waren, +zulk een eindelooze massa. Als ze groot worden, zullen ze zich dien +langen, golvenden menschenstoet herinneren. + +Hun oogen zullen vol tranen staan bij de herinnering aan den +overweldigenden indruk, dien het maakte, dien eindeloozen stoet langs +wegen te zien trekken, waar men dagen lang niemand zag dan een paar +eenzame wandelaars, eenige groepjes bedelaars of een boerenwagen. + +Allen, die aan den weg wonen, springen op en vragen: "Is er een ongeluk +gebeurd in het land? Komen de vijanden? Waar gaat ge heen? Waar gaat +ge toch heen?" + +"Wij zoeken," antwoordden zij: "we hebben al twee dagen lang +gezocht. Wij zullen ook vandaag nog zoeken, en dan kunnen wij het +niet langer uithouden. Wij willen het Björnebosch doorzoeken en de +met dennen begroeide heuvels ten westen van Ekeby." + +De stoet is van Nygaard uitgegaan, een armoedig dorpje tusschen de +oostelijke bergen. Het mooie, jonge meisje, met het dikke, zwarte +haar en de roode wangen, is al acht dagen lang weg. Het meisje met de +bezems, dat Gösta Berling tot zijn bruid wilde maken, is in de groote +bosschen verdwaald. In acht dagen heeft niemand haar gezien. Toen +gingen menschen uit Nygaard uit om haar te zoeken, en alle menschen, +die hen zagen voorbij komen, gingen mee om te zoeken. Uit ieder huis +kwamen menschen, om zich bij den stoet aan te sluiten. + +Dan gebeurde het vaak, dat een nieuw aangekomene vroeg: "Mannen +van Nygaard, waarom is dit alles? Waarom liet men dit mooie meisje +alleen gaan op eenzame wegen? 't Bosch is groot en God had haar het +verstand ontnomen." + +"Er is niemand, die haar kwaad doet," antwoordden ze dan, "en zij +doet niemand kwaad. Zij gaat veilig als een kind. Wie is wel beter +bewaard dan die door God zelf bewaard wordt! Vroeger is zij altijd +teruggekomen." + +Zoo is de stoet der zoekenden door de bosschen ten oosten getrokken, +die Nygaard van de vlakte scheiden. Nu, den derden dag, trekken zij +voorbij de kerk van Bro, naar de bosschen ten westen van Ekeby. + +Maar waar de stoet heentrekt, wekt hij de grootste verbazing; telkens +moet een der mannen achterblijven, om te antwoorden op de vraag: +"Wat wilt ge, wat zoekt ge?" + +"Wij zoeken het meisje met de donkere haren en de blauwe oogen. Zij is +naar 't bosch gegaan om te sterven. Zij is al acht dagen weg geweest." + +"Waarom is zij naar het bosch gegaan, om te sterven? Had zij +honger? Was zij ongelukkig?" + +"Neen, nood heeft ze niet geleden, maar een ongeluk heeft haar dit +voorjaar getroffen. Zij heeft Gösta Berling, den gekken predikant, +gezien en hem vele jaren lang liefgehad. Zij wist niet beter. God +heeft haar het verstand ontnomen." + +"Ja, dan heeft God haar zeker van het verstand beroofd, mannen van +Nygaard." + +"In dit voorjaar kwam het ongeluk--vroeger heeft hij nooit naar haar +omgezien. Toen heeft hij haar gezegd, dat zij zijn bruid zou zijn. 't +Was maar een grap;--hij liet haar weer gaan; maar zij kon zich niet +troosten. Zij kwam aanhoudend naar Ekeby terug. Zij volgde hem op de +hielen, waar hij ook heen ging. Zij verveelde hem. Toen zij er het +laatst was, hebben zij de honden op haar aangehitst. Sinds dien tijd +heeft niemand haar gezien." + +Op, alle mannen! 't Geldt een menschenleven. + +Een mensch is de bosschen ingegaan, om te sterven. Misschien is zij +al dood. Of misschien zwerft ze nog om, zonder den weg te vinden. 't +Bosch is groot en haar verstand is bij God. + +Ga mee met den stoet, ga mee! Laat de haver in schoven staan, tot +de dunne korrel uit de aar valt; laat den aardappel in den grond +verrotten; laat de paarden los, opdat ze niet in den stal verdorsten; +laat de deur van den koestal open staan, zoodat de koeien des nachts +onder dak kunnen komen; neem de kinderen mee, want de kinderen behooren +aan God. God is met hen. Hij leidt hun schreden. + +Zij zullen helpen, waar het menschelijk verstand te kort komt. + +Komt allen mee, mannen, vrouwen en kinderen. Wie durft thuis te +blijven? Wie weet of God niet juist van plan is hem als werktuig te +gebruiken? Komt, allen die barmhartigheid behoeft, opdat niet eenmaal +uw ziel hulpeloos rond zal zwerven op eenzame plaatsen, rust zoeken +en ze niet vinden zal. Komt, God heeft haar het verstand ontnomen, +en 't bosch is groot. + +Ach! Wie kan de plek vinden, waar de dennen het dichtst groeien +en 't mos het zachtst is? Ligt daar iets donkers, dicht onder den +bergwand? Ach, 't is een mierenhoop. Geloofd zij Hij, die den voet +der zinneloozen bestuurt; 't is anders niet! + +Welk een tocht! Niet de feestlijk versierde feeststoet, die den +overwinnaar begroet, die bloemen strooit op zijn wegen en zijn +ooren met gejubel vult; niet de pelgrimsstoet met psalmgezang en de +zwiepende geeselslagen, op weg naar het heilige graf; niet de stoet +der landverhuizers op krakende, zwaar beladen wagens, die uittrekken +om een nieuw tehuis te zoeken voor menschen, die nood lijden; niet een +leger met trommen en wapens; het zijn maar boeren, in baaien werkpakken +en versleten schootsvellen; 't zijn maar hun vrouwen, met breikousen +in de hand, en de kinderen op den rug of hangend aan de rokken. + +'t Is grootsch menschen bijeen te zien voor een groot doel. Laat +ze uittrekken om hun weldoeners te huldigen, om hun vaderland te +verdedigen, laat ze uittrekken! Maar noch honger, noch godsvrucht, noch +oorlog heeft deze menschen op weg gedreven. Hun moeite is vergeefsch, +hun arbeid zonder loon, zij zoeken alleen een zinnelooze. Hoeveel +zweetdroppels, hoeveel uren gaans, angst en gebeden het hun ook kost, +het wordt toch alleen maar beloond door 't weervinden van een arme +verdwaalde, wier verstand bij God is. Kan men anders dan dit volk +liefhebben? + +Moet niet wie aan den weg staat en hen voorbij ziet trekken, tranen +in de oogen krijgen, als hij 't zich herinnert: mannen met scherpe +trekken en harde handen, vrouwen met vroeggerimpelde voorhoofden en +vermoeide kinderen, die God zou leiden naar de rechte plaats? + +Hij vult den weg, die stoet van bedroefde zoekenden. Met ernstige +blikken zien zij naar het bosch; zij gaan voort met sombere gezichten, +want zij weten, dat zij eerder een doode, dan een levende zullen +vinden. + +Ach, dat zwarte onder aan den bergwand! Het is toch geen mierenhoop, +maar een omgevallen boom! De Hemel zij geloofd, 't is maar een +omgevallen boom. Maar zoo precies kan men 't ook niet zien, want de +dennen staan zoo dicht bij elkaar. + +Zóó lang is de stoet, dat de voorsten, de sterke mannen, heel bij het +bosch ten Westen van Björne zijn, als de achtersten, de mismaakten, +de zwakke ouden en de vrouwen, die hun kleine kinderen dragen, +nauwelijks de kerk te Broby voorbij zijn. + +En dan verdwijnt de heele stoet in het donkere bosch. De vóórmiddagzon +beschijnt hen tusschen de dennen door--de avondzon zal de schare +beschijnen, als zij uit het bosch komt. + +'t Is de derde dag van 't zoeken; zij zijn aan 't werk gewend. Ze +zoeken onder aan den steilen bergwand, waar de voet licht uitglijdt, +onder de omgevallen boomen, waar men armen en beenen kan breken, +onder de dichte dennentakken, die over het zachte mos hangen en tot +rusten uitnoodigen. + +Het leger van den beer, het hol van den vos, de onderaardsche woning +van den das, de zwarte grond van de kolenbranderij, de dennen met +de witte naalden, de berg, die door den boschbrand geteisterd is een +maand geleden, de steen, die door den reus weggeworpen is, dat alles is +gevonden; maar niet de plek onder den bergwand, waar dat zwarte ligt. + +Niemand is er geweest om te zien of het een mierenhoop of een +omgevallen boomstam of een mensch is. Ach! het is wel een mensch; +maar niemand is er geweest en heeft haar gezien! + +De avondzon ziet op hen neer aan den anderen kant van het bosch, +maar de jonge vrouw, wier verstand God heeft weggenomen, is niet +gevonden. Wat zullen ze nu doen? Zullen ze het bosch nog eens +doorzoeken? 't Bosch is gevaarlijk in 't donker; daar zijn bodemlooze +moerassen en steile kloven. En wat kunnen zij, die niets vonden, +toen de zon scheen, nu vinden, daar het donker is? + +"Laat ons naar Ekeby gaan!" roept éen onder de menigte. + +"Laat ons naar Ekeby gaan!" roepen dan allen samen: "Laat ons naar +Ekeby gaan!" + +"Laat ons die kavaliers vragen, waarom ze de honden op iemand +hebben aangehitst, wier verstand God had weggenomen; waarom ze een +zinnelooze tot vertwijfeling hebben gebracht. Onze arme, hongerige +kinderen schreien, onze kleeren zijn gescheurd, het koren staat in +schoven, tot de korrels uit de aren vallen, de aardappelen verrotten +in den grond, onze paarden loopen wild rond, onze koeien worden niet +verzorgd, wijzelf vergaan bijna van vermoeienis--en dat alles is hun +schuld. Laat ons naar Ekeby gaan en gericht over hen houden. Laat +ons naar Ekeby gaan!" + +"In dit vervloekte jaar komt alles op ons, boeren, neer. God's hand +drukt zwaar op ons. De winter zal hongersnood brengen. Wie is het dien +Gods straf zoekt? Niet den predikant van Broby. Zijn gebeden rijzen +nog op tot God. Wie kan het anders zijn dan deze kavaliers. Laat ons +naar Ekeby gaan!" + +"Zij hebben de hoeve bedorven. Zij hebben de Majoorske op den weg +laten zwerven als bedelares. Het is hun schuld, dat we geen werk +hebben. Het is hun schuld, dat we honger moeten lijden. De nood is +hun werk. Laat ons naar Ekeby gaan!" + +En daar snellen sombere, verbitterde mannen naar de groote hoeve; +hongerige vrouwen met schreiende kinderen op den arm volgen +hen. Achteraan komen de mismaakten en de afgematte ouden. En als een +zwellende stroom gaat de verbittering door de rijen, van de ouden +naar de vrouwen, van de vrouwen naar de sterke mannen vooraan. + +'t Is de najaarsstroom, die komt. Weet ge nog wel hoe de +voorjaarsstroom kwam, kavaliers? Nu komen de golven van de bergen, +nu gaat er opnieuw een adem van verwoesting over Ekeby's macht en eer. + +Een arbeider, die het veld beploegt langs den boschkant, hoort het +woeste geschreeuw van het volk. Hij spant éen van de paarden af, +springt er op en draaft naar Ekeby. "Er komt een ongeluk!" roept +hij: "de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen +Ekeby in." Hij rijdt door de hoeve, buiten zichzelf van schrik: +"alle spoken uit het bosch zijn losgebroken!" roept hij, "de booze +geesten komen en steken de hoeve in brand en slaan de kavaliers dood." + +En achter hem hoort men leven en gehuil van de aanstormende menigte. De +najaarsstroom bruist op Ekeby toe! + +Weten ze wat ze willen, die daar vol verbittering aanstormen? Willen +ze brand? moord? plundering? + +Het zijn geen menschen, die daar aankomen; 't zijn de spoken uit het +bosch, de wilde dieren van de velden. Wij, duistere machten, die ons +onder de aarde verborgen moeten houden, wij zijn vrij voor éen zalig +uur. De wraak heeft ons vrijgemaakt. + +Het zijn de geesten van de bergen, die het erts gebroken hebben, de +geesten van het woud, die boomen geveld en de kolen gebrand hebben, +de geesten van het veld, die het koren lieten groeien; zij zijn vrij, +zij gebruiken hun kracht om te verwoesten. Dood over Ekeby, dood over +de kavaliers! + +Hier vloeit de brandewijn in stroomen. Hier ligt het goud in de +kelder-gewelven opgestapeld. Hier is de voorraadschuur vol koren en +vleesch. Waarom zullen de kinderen der rechtvaardigen honger lijden +en de boosdoeners volop hebben? + +Maar nu is hun tijd voorbij, de maat is vol, kavaliers! Leliën, die +nooit gesponnen hebt, vogels, die nooit vergaderd hebt in de schuren, +de maat is vol! In het woud ligt zij, die u oordeelt; wij zijn haar +boden. Het zijn geen rechters, die uw vonnis vellen. Zij, die in het +woud ligt, heeft u geoordeeld. + +De kavaliers staan in het hoofdgebouw en zien het volk komen. Zij +weten al, waarvoor zij aangeklaagd worden. Voor deze éene keer zijn +zij onschuldig. Als het arme meisje naar het bosch gegaan is om +te sterven, dan is dat niet omdat zij de honden op haar afgejaagd +hebben--dat hebben zij nooit gedaan,--maar omdat Gösta Berling voor +acht dagen met gravin Elisabeth getrouwd is. + +Maar wat baat het met deze razende menschen te spreken? Zij zijn +moe, zij zijn hongerig; de wraak hitst hen op; de roofzucht verlokt +hen. Zij komen aanrennen met woest geschreeuw, en voor hen uit rijdt de +arbeider, die van den schrik waanzinnig is geworden: "de beren komen, +de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in. + +De kavaliers hebben de jonge gravin verborgen in 't binnenste +kamertje. Löwenborg en oom Eberhard zullen daar zitten en op haar +passen; de anderen gaan de schare te gemoet. Zij staan op de stoep +voor het hoofdgebouw, ongewapend en glimlachende, als de eerste +schreeuwende bende aankomt. + +En het volk blijft staan voor die kleine schaar rustige mannen. Er +zijn er wel, die in hun gloeiende verbittering ze graag op den grond +geworpen en met hun met ijzer beslagen hielen vertrapt hadden, zooals +het volk van de ijzermijn te Sund met den chef en den inspecteur vóor +vijftig jaar gedaan hebben; maar zij hadden gesloten deuren verwacht, +opgeheven wapens, weerstand en gevecht. + +"Beste vrienden," zeggen de kavaliers, "besten vrienden, jullie zijn +moe en hongerig, laat ons je wat te eten geven en proeft eerst van +Ekeby's eigengemaakten brandewijn." + +De menigte wil er niet van hooren. Zij huilt en dreigt. Maar de +kavaliers worden niet boos. + +"Wacht maar," antwoorden ze, "wacht maar even. Zie, Ekeby is open. De +kelderdeur, de provisiekamer, de melkkamer, alles is open. Jullie +vrouwen vallen bijna om van vermoeienis; de kinderen schreien. Laat +ons ze eerst eten geven. Dan kun jelui ons laten doodslaan. Wij zullen +niet wegloopen. Maar we hebben den zolder vol appelen. Laat ons even +appels voor de kinderen halen." + + + +Een uur later is het feest in vollen gang op Ekeby. Het grootste feest, +dat de groote hoeve ooit heeft gezien, wordt in den herfstnacht, in +'t schijnsel van de groote, heldere, volle maan, gevierd. + +De stapels brandhout zijn aangestoken; over de heele hoeve vlammen +groote vuren. Het volk zit in groepjes en geniet warmte en rust, +terwijl alle goede gaven over hen uitgestort worden. + +Kloeke mannen zijn in de schuur gegaan en hebben genomen wat +noodig was. Kalven en schapen zijn geslacht, ook een paar grootere +stukken vee. De dieren werden in stukken gehouwen en in een oogenblik +gebraden. Deze honderden hongerige menschen verslinden de spijzen. Het +eene dier na het andere wordt naar buiten gebracht en geslacht. Het +schijnt alsof de heele schuur op één nacht geledigd zal worden. + +Juist dien middag was het bakken voor den winter klaar gekomen. Nadat +de jonge gravin op Ekeby was, waren de lieden weer aan 't werk +gegaan. Het was alsof de jonge vrouw er geen oogenblik aan dacht, +dat zij nu de vrouw van Gösta Berling was. Noch hij, noch zij spraken +daar ooit over; maar daarentegen nam zij de plaats in van huisvrouw op +Ekeby. Zij beproefde, zooals een goede en bekwame vrouw altijd doet, +met vurigen ijver de wanorde en verkwisting tegen te gaan, die op +de hoeve heerschten. En zij werd gehoorzaamd. De dienstboden voelden +met een zeker welbehagen, dat er weer een huisvrouw boven hen stond. + +Maar wat hielp dat nu, dat zij den keukenzolder met brood had laten +vullen, dat zij had laten karnen en brouwen en kaas maken heel de +lange Septembermaand, die zij daar geweest was? Wat hielp het? + +Naar buiten, naar 't volk, met alles wat er is, opdat ze Ekeby niet +verbranden en de kavaliers doodslaan. Naar buiten met brood en boter +en kaas? Naar buiten met tonnen en vaten, met hammen van den zolder, +met de brandewijnflesschen en appels! + +Hoe kan al wat er op Ekeby is den toorn van de boeren verzachten! Zij +mogen blij zijn, als zij ze daar vandaan krijgen, zonder dat er een +of andere misdaad gebeurt. + +Alles wat er gebeurt is toch ten slotte om harentwille--ter wille van +de huisvrouw van Ekeby. De kavaliers zijn moedige en in de wapenen +geoefende mannen. Zij zouden zich verdedigd hebben, als zij hun eigen +zin gedaan hadden. Zij zouden liever die roofzuchtige scharen met +een paar schoten hebben verjaagd, als zij er niet geweest was, zij, +die zacht en goed was en voor het volk gesproken had. + +Hoe later het in den nacht wordt, hoe zachter de schare gestemd +wordt. De warmte en de rust en het eten en de brandewijn doen +hun geweldige opgewondenheid bedaren. Zij beginnen te lachen en +te schertsen; zij vieren het begrafenisfeest van het meisje uit +Nygaard. Wee hem, die niet drinkt en schertst bij het begrafenisfeest; +dat is in de eerste plaats noodig. + +Kinderen vallen aan op de massa's vruchten, die hen gebracht +worden. Arme dagloonerskinderen, die blauwbessen en boschbessen voor +lekkernij aanzien, bijten nu in blanke glasappels, die in den mond +smelten, langwerpige, zoete paradijsappels, geelachtige citroenappels, +peren met roode wangen en pruimen van allerlei soort: gele, roode +en blauwe. Ach, niets is te goed voor het volk, dat zijn macht durft +te toonen. + +Tegen middernacht is het, alsof de menigte aan naar huis gaan denkt. De +kavaliers houden op spijzen en wijn te brengen, flesschen open te +trekken en bier af te tappen. Zij slaken een zucht van verlichting, +in het gevoel, dat het gevaar voorbij is. + +Maar juist op dat oogenblik komt er een licht te voorschijn aan een +venster in het hoofdgebouw. Allen, die het zien, schreeuwen luid. Het +is een jonge vrouw, die 't licht draagt. + +'t Duurt maar een oogenblik; dan is ze weer weg; maar het volk meent, +dat zij haar herkend hebben. + +"Ze had dik, zwart haar en roode wangen!" roepen ze. "Ze is hier. Ze +houden haar hier verborgen!" + +"Ach, kavaliers! Heb jullie haar hier? Heb jullie ons kind, van wie God +het verstand weggenomen heeft, hier op Ekeby? Goddeloozen, wat doe je +met haar? Nu laat je ons in angst over haar de heele week lang, en we +zoeken haar drie dagen! Weg met wijn en spijzen! Nu willen we haar hier +buiten hebben. Later zul je wel zien wat we met jelui doen zullen." + +De getemde wilde dieren huilen en brullen. Met woeste sprongen vallen +ze op Ekeby aan. + +Ze zijn vlug; maar de kavaliers zijn nog vlugger. Zij vliegen op en +slaan de grendels voor de deur naar de vestibule. Maar wat kunnen +zij uitrichten tegen de vooruitdringende schare? De eene deur na de +andere wordt opengerukt. De kavaliers worden teruggedrongen; zij zijn +ongewapend. Zij worden in de dichte menigte ingesloten, zoodat zij +zich niet kunnen bewegen. Het volk wil naar binnen en het meisje van +Nygaard zoeken. + +Zij vinden haar in het binnenste kamertje. + +Niemand heeft tijd om toe te zien of ze blond of donker is. Zij lichten +haar op en dragen haar naar buiten. Ze moet niet bang zijn, zeggen +ze. Ze wilden alleen maar de kavaliers te lijf. Zij zijn gekomen om +haar te redden. + +Maar als zij naar buiten stroomen uit het gebouw, komen zij een +anderen stoet tegen. + +Op de eenzame plek in het bosch rust nu niet meer het lijk van een +vrouw, die van de hooge helling neerstortte en stierf door den val. Een +kind heeft haar gevonden. Enkele zoekenden, die nog in het bosch +waren achtergebleven, hebben haar opgenomen op hun schouders. Zie, +daar komen zij. + +Zij is schooner in den dood dan zij in het leven was. Schoon is zij, +zooals zij daar ligt met haar lang, donker haar. Het is een prachtige +gestalte, nu de eeuwige vrede op haar neergedaald is. + +Op de schouders van de mannen wordt zij door de volksmenigte +gedragen. Het wordt heel stil, waar ze voorbij gaat. Met gebogen +hoofden huldigen allen de majesteit van den dood. + +"Zij is pas gestorven," fluisteren de mannen. "Zij heeft zeker door +'t bosch geloopen tot vandaag toe. Ze heeft zeker voor ons willen +vluchten en is toen van de rots gestort." + +Maar als dit het meisje van Nygaard is, wie is dan zij, die uit Ekeby +naar buiten gedragen wordt? + +De stoet uit het bosch ontmoet den stoet uit het huis. De vuren op +de hoeve vlammen nog. Het volk kan de twee vrouwen zien en herkent +ze. Die andere is immers de jonge gravin van Borg! + +Maar wat beteekent dat? Zijn we nu een nieuwe misdaad op 't +spoor? Waarom is de jonge gravin hier, op Ekeby? Waarom heeft men +ons verteld, dat ze ver weg of dood was? In naam van de eeuwige +rechtvaardigheid, zullen we nu de kavaliers niet aanvallen en ze tot +pulver stampen onder onze, met ijzer beslagen hielen? + +Daar hoort men een ver klinkende stem. + +Gösta Berling is op de leuning van de stoep geklommen en spreekt: + +"Luister naar mij, jullie ondieren! jullie duivels! Meen je, dat er +geen geweren en kruit op Ekeby zijn, jullie dwazen? Meen je dat ik +geen lust gehad heb jelui neer te schieten als dolle honden;--maar +zij daar heeft voor jelui gesproken! O! als ik geweten had, dat je +haar zoudt aanraken, dan was geen van jelui er levend afgekomen. + +"Waarom kom jelui hier spektakel maken van avond, als roovers,--en +dreigt ons met moord en brand? Wat heb ik met jelui krankzinnige +meisjes te maken? Weet ik, waar ze heen loopen? Ik ben te vriendelijk +voor haar geweest, dat is de zaak. Ik zou de honden op haar aangehitst +hebben! 't Was beter voor ons beiden geweest, als ik het gedaan +had--maar ik heb het niet gedaan. Ik heb nooit beloofd met haar te +trouwen, dat heb ik nooit gedaan. Onthoud dat wel! + +"Maar nu zeg ik jelui, dat je haar los zult laten, die je hier uit huis +gesleept hebt. Laat haar los, zeg ik je, en dat de handen, die haar +hebben aangeraakt, in 't eeuwige vuur mogen branden! Begrijp je niet, +dat ze even ver boven jelui staat als de hemel boven de aarde is? Zij +is even fijn als jelui grof zijn, even goed als jelui slecht zijn! + +"Nu zal ik je zeggen wie ze is. Ten eerste is ze een engel uit den +hemel; ten tweede is zij het, die met den graaf van Borg is getrouwd +geweest. Maar haar schoonmoeder plaagde haar dag en nacht. Zij +moest aan het meer staan en goed wasschen als een dienstmeid. Ze +werd geslagen en gepijnigd, zoodat geen van jelui vrouwen het erger +hebben kan. Ja 't scheelde niet veel of ze was in de beek gesprongen, +want ze plaagden haar bijna dood. Ik zou wel eens willen weten wie +van jelui, ellendige kerels, toen bij de hand geweest zijt om haar +leven te redden. Niemand van jelui was er; maar wij, kavaliers, +hebben het gedaan. Ja, wij hebben het gedaan. + +"En toen later haar kind geboren werd op een boerderij, en de graaf +haar groeten liet en zeggen: "wij trouwden in een vreemd land, wij +deden 't niet volgens de wetten en 't gebruik; je bent mijn vrouw niet, +ik ben je man niet, en je kind kan me niet schelen"--ja, toen de zaken +zóo stonden, en ze niet hebben wou, dat haar kind als vaderloos in +'t doopboek komen zou--toen zou jelui wel trotsch geweest zijn, als +ze toen tegen een van jelui gezegd had: "kom hier en trouw met mij; +ik moet een vader voor mijn kind hebben." Maar zij koos geen van +jelui; zij nam Gösta Berling, den gekken predikant, die nooit meer +Gods woord verkondigen mag. Ja, dat zeg ik jelui, boeren, zwaarder +dingen heb ik nooit gedaan. Want ik was haar zóó weinig waard, dat ik +haar niet in de oogen durfde zien; maar ik durfde ook niet weigeren, +want zij was wanhopend. + +"En nu mag jelui van ons, kavaliers, al het kwaad gelooven wat +je maar wilt, maar haar daar hebben wij zooveel goed gedaan als +we maar konden. En aan haar heb jelui te danken, dat we je niet +allemaal hebben neergeschoten van nacht. En nu zeg ik jelui: laat +haar los en gaat heen; anders geloof ik, dat de aarde zich openen +zal, om je te verzwelgen. En als je van hier gaat, bidt dan God, +dat Hij je vergeeft, dat je haar verschrikt en bedroefd hebt, haar, +die zoo goed en onschuldig is. En maakt nu dat je weg komt. We hebben +genoeg van jelui." + +Lang vóordat hij uitgesproken had, hadden zij, die de jonge gravin +naar buiten hadden gedragen, haar op éen der treden van de stoep +neergezet, en nu kwam een groote boer kalm naar haar toe en reikte +haar zijn groote hand. + +"Nacht, mevrouw, ik dank u wel," zei hij; "wij meenen het goed met u." + +Na hem kwam een ander en drukte haar voorzichtig de hand: "Nacht, +mevrouw, dank u wel, wees u maar niet boos." + +Gösta sprong naar beneden en kwam naast haar staan. Toen gaven ze +ook hem de hand. + +En zoo kwamen ze langzaam en kalm, de een na den ander, om hen goeden +nacht te zeggen vóor ze heen gingen. Zij waren weer getemd; zij +waren weer menschen zooals zij waren, toen zij dien morgen hun huis +verlieten, eer honger en wraaklust hen tot wilde dieren gemaakt had. + +Zij zagen de gravin vlak in 't gezicht, en Gösta merkte, dat het +gezicht van al de onschuld en vroomheid, die zij zagen, tranen in +veler oogen deden opwellen. Bij allen was een stille aanbidding van het +edelste, wat zij gezien hadden: het waren menschen, die er zich over +verheugden, dat éen van hen zoo'n groote liefde voor het goede had. + +Allen konden ze haar de hand niet reiken. Er waren er zooveel, en de +jonge vrouw was moe en zwak. Maar allen moesten zij haar toch zien, +en dan konden ze Gösta de hand drukken. Hij kon wel velen, dat ze +zijn arm schudden. + +Gösta stond als in een droom. Op dien avond ging er een nieuwe liefde +in zijn hart op. + +"O, mijn volk," dacht hij, "o, mijn volk, hoe heb ik je lief!" Hij +voelde, dat hij heel die schare liefhad, die daar voorttrok in de +duisternis van den nacht, met het doode meisje vooraan gedragen in den +stoel; al die menschen met hun grove kleeren en hun kwalijk riekende +schoenen; al die menschen die in de grauwe huizen aan den boschkant +woonden, die geen pen konden voeren en vaak ook niet konden lezen, +die 's levens vollen rijkdom niet kenden, maar alleen het zwoegen +voor het dagelijksch brood. Was het toch niet een kloek volk, een +heerlijk volk? Waren ze niet moedig en volhardend, waren ze niet +handig en ondernemend? Was de arme niet vaak goed voor den arme? Was +niet op de meeste gezichten kracht en verstand te lezen? Was er niet +een tintelende humor in hun gesprekken? + +Hij had ze lief met een smartelijke, brandende teerheid, die hem de +tranen in de oogen deed springen. Hij wist niet wat hij voor hen wilde +doen, maar hij had ze lief, allen, met al hun gebreken en zwakheden. O, +God! als eens de dag kwam, dat zij ook hem liefhadden! + +Hij werd uit zijn droomerijen gewekt doordat zijn vrouw de hand op +zijn arm legde. Het volk was weg. Ze stonden geheel alleen op de stoep. + +"Ach, Gösta, Gösta, hoe kon je zoo doen!" + +Zij hield de handen voor het gezicht en schreide. + +"Het is waar wat ik gezegd heb!" barstte hij uit. "Ik heb het meisje +van Nygaard nooit beloofd met haar te trouwen. Kom hier Vrijdagavond, +heb ik gezegd, dan zal je wat grappigs zien. Dat was alles. Ik kan +het niet helpen dat zij verliefd op mij was." + +"Ach, dat meen ik niet. Maar hoe kon je toch zeggen, dat ik goed +en rein was? Gösta, Gösta, weet je dan niet, dat ik je al liefhad, +toen ik het nog niet mocht? Ik schaamde me voor die menschen. O, +ik stierf bijna van schaamte!" + +En zij barstte in snikken uit. + +Hij stond haar aan te zien. "O, mijn lieveling," zei hij zacht. "Wat +ben je gelukkig, omdat je zoo goed bent. Wat ben je gelukkig, omdat +je zoo'n mooie ziel hebt." + + + + + + + +XXXI. + +KEVENHÜLLER. + + +In 1770 werd in Duitschland de later zoo geleerde en beroemde +Kevenhüller geboren. Hij was de zoon van een burchtgraaf en zou +hebben kunnen wonen in een groot kasteel en rijden aan de zijde van +den keizer, als hij gewild had; maar hij had er geen lust in. + +Hij zou molenwieken hebben willen vastmaken aan den hoogsten +toren van den burcht, de ridderzaal tot een smederij inrichten +en de vrouwenvertrekken tot horlogemakerswerkplaats. Hij zou het +kasteel met snorrende wielen hebben willen vullen en met bewegende +hefboomen. Maar daar dit niet aanging, zei hij al die weelde vaarwel +en werd horlogemakersleerling. Hij leerde al wat er te leeren was +van kamraderen, van veeren en slingers. Hij leerde zonnewijzers en +sterrenwijzers maken, pendules met fluitende kanarievogeltjes en +herders, die op den hoorn bliezen, klokkenspel, dat een heelen toren +vulde met zijn wonderlijke machinerie en uurwerken zóo klein, dat ze +in een medaillon gezet konden worden. Toen hij zijn getuigschrift als +meester gekregen had, nam hij den ransel op den rug, den knuppel ter +hand en ging van de eene plaats naar de andere om alles te bestudeeren, +wat door rollen en raderen bewogen werd. Kevenhüller was geen gewoon +horlogemaker, hij wilde een groot uitvinder en wereldhervormer worden. + +Toen hij zooveel landen doorgezworven had, kwam hij ook naar Wermeland, +om er molenwielen en mijnmachines te bestudeeren. Op een heerlijken +zomermorgen gebeurde het, dat hij dwars over de markt te Karlstad +ging. Maar op dienzelfden tijd had de boschvrouw goedgevonden haar +wandeling tot in de stad uit te strekken. En Hare Hoogheid kwam in +eigen persoon, dwars over de markt, maar van den anderen kant, en +zoo kwam zij Kevenhüller tegen. + +Dat was een ontmoeting voor een eenvoudig horlogemaker. Zij had +schitterende groene oogen en licht, golvend haar, dat bijna op den +grond hing, en zij was gekleed in groene zijde met weerschijn. Een +heidin en een heks was ze, maar ze was schooner, dan al de +christenvrouwen, die Kevenhüller ooit gezien had. Hij stond als +betooverd en zag haar aan, terwijl zij naar hem toe kwam. + +Zij kwam regelrecht uit het dichtste kreupelhout in het hart van 't +bosch, waar de varens zoo hoog worden als boomen, waar de reusachtige +dennen het zonlicht buiten sluiten, zoodat slechts hier en daar een +zonnestraal als een lichtende droppel op het gele mos kan vallen, +en waar de kamperfoelie over de bemoste steenen kruipt. + +Ik had wel in Kevenhüllers plaats willen zijn. Ik had haar graag +gezien, toen zij daar aankwam met varens en dennenaalden in 't ruige +haar en een kleine zwarte adder om den hals, met de veerkrachtige +stap van een wild dier, omringd van den frisschen geur van harst en +aardbeien, van kamperfoelie en mos. + +Wat zullen de menschen haar toch aangekeken hebben, toen ze daar over +de markt te Karlstad liep. De paarden zullen wel verschrikt geworden +zijn door den glans van haar lang haar, dat door den morgenwind +opwoei. De straatjongens liepen haar zeker achterna. De knechts +lieten hun werktuigen vallen om haar aan te gapen. De vrouwen gilden +en stormden naar den bisschop en het domkapittel om het monster de +stad uit te doen zetten. + +Zelf ging ze rustig en majestueus voort en glimlachte over al dit +alarm, zoodat Kevenhüller haar kleine roofdier-tandjes achter de +roode lippen zag glinsteren. + +Zij had een mantel om den rug hangen, opdat niemand aan haar hollen +rug zou merken wie zij was; maar 't ongeluk wilde, dat ze vergeten +had haar staart te verbergen. Die sleepte haar na over de straat. + +Kevenhüller zag de staart; maar het speet hem, dat hare hoogheid zoo +ten spot voor de stadbewoners zou zijn, en hij boog voor de schoone +en zeide eerbiedig: "Zou Uwe Hoogheid haar sleep niet willen opnemen." + +De boschvrouw werd getroffen; niet minder door zijn vriendelijkheid, +dan door zijn hoffelijkheid. Zij bleef vlak voor hem staan en zag +hem aan, zoodat het hem was, alsof er vonken uit haar oogen in zijn +hersens sprongen. + +"Let goed op, Kevenhüller," zeide zij, "van nu af aan zult ge met uw +twee handen elk kunstwerk kunnen maken wat ge wilt; maar niet meer +dan één van elke soort." + +Dat zei ze, en ze kon haar woord houden. Want wie weet niet, dat de +in 't groen gekleede uit 't kreupelhout in 't bosch, macht heeft +bekwaamheid en wonderbare krachten te schenken aan hen, die haar +gunst weten te winnen! + +Kevenhüller bleef in Karlstad en huurde daar een werkplaats. Hij +hamerde en werkte dag en nacht. In acht dagen had hij een wonderwerk +klaar. 't Was een wagen, die van zelf reed. Die ging den heuvel op +en af, kon gestuurd en gekeerd worden, ging snel of langzaam, stond +stil of ging voort al naar men wilde. Een prachtige wagen was het. + +Nu werd Kevenhüller een beroemd man en kreeg vrienden door de heele +stad. Hij was zoo trotsch op zijn wagen, dat hij naar Stockholm reed om +hem aan den koning te laten zien. Hij hoefde nergens op nieuwe paarden +te wachten of met de knechts aan stations te kibbelen. Hij hoefde +geen sneeuwhoen op te jagen of te slapen op de bank in de herberg. Hij +reed fier in zijn eigen wagen en deed de reis in een paar uur. + +Hij reed regelrecht naar het paleis. En de koning kwam met de hofdames +naar buiten en zag hem rijden. Zij konden hem niet genoeg prijzen. + +Toen zeide de koning: "Dien wagen moogt ge mij wel geven, Kevenhüller." + +En hoewel hij weigerde, hield de koning vol en wilde den wagen hebben. + +Toen zag Kevenhüller, dat in 't gevolg van den koning een hofdame +stond met licht haar en in 't groen gekleed. Hij herkende haar wel en +begreep, dat zij het was, die den koning geraden had om zijn wagen +te vragen. Maar hij werd wanhopend. Hij kon niet verdragen dat een +ander zijn wagen zou bezitten, en hij durfde toch den koning zijn +dringend verzoek niet weigeren. Daarom reed hij met zulk een vaart +tegen den slotmuur, dat de wagen in duizend stukken sprong. + +Toen hij weer in Karlstad teruggekomen was, probeerde hij een nieuwen +wagen te maken, maar hij kon het niet. + +Toen werd hij verschrikt door de gave, die de boschvrouw hem had +geschonken. + +Hij had het luie leven op 't kasteel van zijn vader verlaten om een +weldoener voor velen te worden, niet om tooverdingen te maken, die +maar één mensch gebruiken kon. Wat baatte het hem een groot meester +te worden, ja de grootste van allen, als hij zijn wonderwerk niet +vermenigvuldigen kon, zoodat het duizenden ten goede kwam. En de +geleerde, algemeen ontwikkelde man verlangde zóó naar kalm, verstandig +werk, dat hij steenhouwer en metselaar werd. + +Toen bouwde hij den grooten toren bij de Westerbrug, naar het model +van den hoofdtoren van zijn vaders ridderslot, en zijn bedoeling was +ook woonhuizen, portalen, binnenplaatsen, wallen en een hangenden +toren te bouwen, zoodat een heele ridderburcht zou verrijzen aan den +oever van den Klarelv. + +En daar zou hij den droom zijner kinderjaren tot werkelijkheid maken. + +Alles wat industrie en handenarbeid was, zou zijn plaats vinden in +de zalen van zijn slot. Witte molenaarsjongens en zwarte smeden, +horlogemakers met groene schermen voor de vermoeide oogen, verwers +met donkre handen, wevers, draaiers, vijlers, allen zouden ze hun +werkplaats hebben in zijn kasteel. + +En alles ging goed. Van de steenen, die hij zelf gehouwen had, +bouwde hij met eigen handen zijn toren. Hij maakte er molenwieken +aan vast--want de toren zou een molen worden en nu zou hij aan de +smidse beginnen. + +Zoo stond hij er op een dag naar te kijken, hoe de lichte sterke +wieken door den wind werden bewogen. En toen kwam zijn oude kwaal +weer over hem. + +Het was hem alsof de groen gekleede hem weer aanzag met haar vonkelende +oogen, tot zijn hersens opnieuw ontvlamden. Hij sloot zich op in zijn +werkplaats, at niet en sliep niet, maar werkte zonder ophouden. En +zoo maakte hij in acht dagen een nieuw wonderding. + +Op een dag steeg hij op zijn toren en begon vleugels aan zijn schouders +vast te maken. + +Twee straatjongens en een gymnasiast, die op de brug zaten en +kattekwaad bedachten, zagen hem en zij gaven een gil, die door +de heele stad klonk. Ze vlogen weg en draafden de straten op en +neer, bonsden op alle deuren en riepen: "Kevenhüller gaat vliegen, +Kevenhüller gaat vliegen!" + +Intusschen stond de groote uitvinder heel kalm op zijn toren en trok +zijn vleugels aan, terwijl daar beneden de menschenmassa te voorschijn +golfde uit de nauwe straten van het oude Karlstad. + +De dienstmeisjes lieten de kokende spijs in de pan staan en liepen +weg van 't rijzende deeg. De oude vrouwtjes lieten de breikous +vallen, zetten den bril op en liepen de straat op. De raadsheeren +en de burgemeester stonden van de rechtbank op. De rector gooide de +grammatica in een hoek, de schooljongens liepen uit de school zonder +verlof te vragen. De geheele stad liep uit naar de Westerbrug. + +Spoedig was de heele brug zwart van menschen. De markt stond volgepakt +en de oevers van de beek tot het huis van den bisschop toe, wemelden +van menschen. Er was nog grooter gedrang dan op de jaarmarkt, er waren +nog meer toeschouwers dan toen koning Gustaaf III door de stad kwam +rijden, door acht paarden getrokken, en in zulk een woeste vaart, +dat de wagen op twee wielen stond bij 't zwenken. + +Eindelijk had Kevenhüller zijn vleugels aan en zette af. Hij deed een +paar slagen en was toen in de vrije lucht. Hij dreef in de wolkenzee +hoog boven de aarde. + +Hij ademde met volle teugen de frissche lucht in. Die was zoo krachtig +en zuiver daar boven. Zijn borst zette zich uit, en 't oude ridderbloed +begon in hem te koken. Hij daalde neer als een duif, zweefde hoog +in de lucht als een havik, zijn vleugels waren vlug als die van een +zwaluw, hij stuurde zijn vlucht met de zekerheid van een valk. En +hij zag neer op die menschenmassa's daar beneden, die aan de aarde +gekluisterd waren, terwijl hij daar ronddreef in de wolkenzee. Ach, +kon hij toch voor ieder van hen maar een paar vleugels maken! Kon hij +toch iedereen maar de macht geven zich zoo hoog in de frissche lucht +te verheffen. Hoe anders zouden ze dan worden! De herinnering aan de +ellende van zijn leven verliet hem zelfs niet in dit oogenblik van +triomf. Hij kon niet alleen genieten. Ach, die boschvrouw! Kon hij +ze maar vinden! + +Zijn oogen waren bijna verblind door den sterken zonneschijn. Toen +zag hij hoe daar iets op hem aan kwam vliegen. Groote vleugels, juist +als de zijne zag hij bewegen en daar tusschen in een menschelijk +lichaam. Geel haar fladderde in den wind, groene zijde golfde achter +haar en wilde oogen schitterden. Daar was zij! + +Daar was ze! + +Kevenhüller bedacht zich niet. Met wilde vaart stoof hij op de +wonderbare toe om haar te kussen.... of te slaan.... Hij wist het +zelf niet.--Maar in ieder geval om haar te dwingen den vloek van +zijn bestaan op te heffen. In die wilde vaart verloor hij zijn +bezinning. Hij merkte niet waar hij heenvloog, hij zag niets dan +de wilde oogen en het vliegend haar. Hij kwam dicht bij haar en +strekte de armen uit om haar te grijpen.... Toen verwarden zijn +vleugels zich in de hare en de hare waren sterker. Zijn vleugels +werden tegengehouden en gebroken. Hij zelf werd een paar maal in +'t rond geslingerd, hij wist niet waarheen. + +Toen hij weer tot bewustheid kwam, lag hij op 't dak van zijn eigen +toren met de verbrijzelde vliegmachine naast zich. Hij was recht op +zijn eigen molen afgevlogen. De wieken hadden hem gegrepen, hem een +paar keer rondgedraaid en hem toen op 't torendak geworpen. + +Zoo was dus dit spel voorbij! + +Kevenhüller was op nieuw wanhopend. Eerlijk werk verveelde hem en +tooverkunsten durfde hij niet meer te probeeren. Maakte hij op nieuw +een wonderwerk en brak dat weer--dan zou zijn hart ook van droefheid +breken. En al brak het niet, dan zou de gedachte dat hij er niemand +meê van nut kon zijn, hem nog krankzinnig maken. + +Hij zocht zijn ransel en knuppel weer op, liet zijn molen staan en +besloot de boschvrouw op te gaan zoeken. + +Hij nam een paard en wagen, want hij was niet meer zoo jong en vlug +ter been. En men zegt dat hij, als hij aan een bosch kwam uit zijn +wagen ging en de groengekleede uit 't kreupelhout riep: + +"Boschvrouw! Boschvrouw! Ik ben het, Kevenhüller, kom dan toch." + +Maar ze kwam niet. + +Op deze reizen kwam hij ook naar Ekeby een paar jaar vóór dat de +Majoorske verdreven werd. Hij werd er vriendelijk ontvangen en +hij bleef er. En de schare in de kavaliersvleugel werd verrijkt +met een lange, krachtige ridderfiguur, een flink man, die zich bij +drinkgelagen en op de jacht niet onbetuigd liet. De herinneringen +uit zijn kinderjaren kwamen weer boven: hij stond toe dat men hem +"Graaf" noemde, en hij kreeg meer en meer het uiterlijk van een ouden +roofridder, met zijn grooten arendsneus, zijn zware wenkbrauwen, +zijn vollen baard, die spits onder de kin uitliep en de op zijde +uitstaande snor. + +Hij werd een der kavaliers en was niet beter dan een van de anderen +in de schaar, die volgens 't volksgeloof, door de Majoorske voor den +Booze in gereedheid gebracht werd. Zijn haar werd grijs en zijn hersens +sliepen. Zoo oud was hij, dat hij niet meer aan de heldendaden van zijn +jeugd kon gelooven. Hij was niet de man met de wonderkrachten. Hij +had nooit de van zelf rijdende wagen en de vliegmachine gemaakt. Ach +neen! praatjes! allemaal praatjes. + +Maar toen gebeurde het, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd en +de kavaliers heeren en meesters werden van het groote landgoed. Toen +begon daar een leven zooals nooit te voren! Er ging een storm over +het land; al het kwade kwam in beweging; al het goede beefde, de +menschen streden op aarde en de geesten in den hemel. Wolven kwamen +van 't Dovrefjeld met heksen op den rug, de natuurmachten braken los +en de boschvrouw kwam naar Ekeby. + +De kavaliers kenden haar niet. Zij meenden, dat het een arme vrouw in +nood was die een wreede schoonmoeder tot vertwijfeling had gebracht. En +zij gaven haar bescherming, ze eerden haar als een koningin en hadden +haar lief als een kind. + +Alleen Kevenhüller zag wie ze was. In het begin was hij ook verblind, +zooals alle anderen. Maar op een dag had ze een kleed van groene zijde +aan, met weerschijn en toen ze dat aanhad, herkende Kevenhüller haar. + +Daar zat ze op zijden kussens, op de beste sofa van Ekeby, en al die +oude heeren stelden zich aan als dwazen door haar te bedienen. De +een was haar kok, de ander haar kamerheer, een derde haar voorlezer, +een vierde haar hofmuzikant, een vijfde haar schoenmaker. Ieder deed +het zijne in haar dienst. + +'t Moest verbeelden dat zij ziek was, die booze heks! Maar Kevenhüller +wist wel wat er van die ziekte aan was. Ze hield hen allen voor den +gek, dat deed ze! + +Hij waarschuwde de kavaliers voor haar: "Zie toch naar haar kleine, +scherpe tanden," zei hij, "naar haar wilde, schitterende oogen. Zij +is de boschvrouw--al het booze komt los in dezen verschrikkelijken +tijd. Ik zeg jelui, ze is de boschvrouw en komt hier om ons in 't +verderf te storten. Ik heb haar meer gezien!" + +Maar nu Kevenhüller de boschvrouw gezien en herkend had, kwam de +werklust weer over hem. 't Begon weer te branden en te koken in +zijn hersens, zijn vingers tintelden van verlangen hamer en vijl +te grijpen, hij kon zich niet beheerschen. Met een verbitterd hart +trok hij het werkpak weer aan en sloot zich in de oude smidse op, +die zijn werkplaats zou zijn. + +En van Ekeby ging er een roep uit over Wermeland: "Kevenhüller is +weer aan 't werk gegaan." + +En ademloos luisterde men naar de hamerslagen in de afgesloten +werkplaats, naar het gekras van de vijlen en 't steunen van de +blaasbalg. + +Een nieuw wonderwerk zal ontstaan. Wat zal dat wel zijn? Zal hij +ons nu leeren over 't water te loopen? of een ladder maken naar 't +zevengesternte. Niets is onmogelijk voor dien man. Met eigen oogen +hebben we hem op vleugels door de lucht zien zweven. Wij hebben +zijn wagen door de straten zien gaan. Hij heeft de gave van de +boschvrouw. Niets is onmogelijk voor hem. + +Op een nacht, heel in 't begin van October had hij zijn wonderwerk +klaar. Hij kwam uit zijn werkplaats en had het in zijn hand. Het was +een wiel, dat onophoudelijk in 't rond ging. En de spaken straalden +als vuur, en warmte en licht gingen van hen uit. Kevenhüller had +een zon gemaakt. Toen hij die naar buiten bracht in den winternacht, +werd het zóó licht dat de musschen begonnen te tjilpen en de wolken +straalden van morgenrood. + +Dat was een heerlijke uitvinding. Er zou geen kou en geen duisternis +meer op aarde zijn. Hij duizelde als hij daaraan dacht. De zon zou +blijven op- en ondergaan, maar als ze verdween, zouden duizenden +van zijn vuurwielen over 't land vlammen en de lucht zou trillen +van warmte als op een heeten zomerdag. Men zou den oogst binnenhalen +onder den winterlijken sterrenhemel, aardbeien en boschbessen zouden +'t geheele jaar door den grond in 't bosch bekleeden, nooit zou +'t water tot ijs verstijven. + +Nu die uitvinding gedaan was zou de geheele aarde vernieuwd +worden. Zijn vuurwiel zou de pels der armen, de zon der mijnwerkers +zijn. Het zou aan de fabrikanten drijfkracht, aan de natuur leven en +aan de menschen een rijk en gelukkig bestaan geven. + +Maar op 't zelfde oogenblik wist hij dat dit maar droomen waren, +en dat de boschvrouw hem nooit zou toestaan zijn vuurwiel te +vermenigvuldigen. En in zijn woede en wraakzucht wenschte hij haar +te dooden en hij wist nauwelijks wat hij deed. Hij ging naar het +hoofdgebouw en in de vestibule; dicht onder de trap zette hij zijn +vuurwiel neer, hij hoopte dat het huis in brand zou raken en de +heks verbranden. + +Toen ging hij weer in zijn werkplaats en bleef daar stil zitten +luisteren. + +Op de plaats riep en schreeuwde men. Nu was het te hooren, dat er +een heldendaad was verricht. + +Ja! spring en schreeuw en jammer maar! Nu verbrandt ze toch, die +boschvrouw, die jelui op zijden kussens hebt gezet. + +Zou zij nu de handen wringen van angst? zou ze nu voor de vlammen +vluchten van de eene kamer in de andere? + +Wat zal die groene zij mooi branden en hoe zullen de vlammen spelen +met heur golvend haar; houd moed knetterende vlammen! steek haar aan, +verbrand, verniel haar! Laat de heks verbranden. Vrees niet voor +haar tooverspreuken. Er zijn er wel, die levenslang branden voor +haar schuld! + +Klokken luiden, wagens ratelen, spuiten komen te voorschijn, water +wordt uit het meer aangedragen, van uit alle dorpen stroomen de +menschen toe. Men hoorde geschreeuw, gejammer en luide bevelen; +nu stortte het dak in met verschrikkelijk gekraak en in een zee +van vonken. Maar Kevenhüller stoorde er zich niet aan. Hij zat op +zijn aanbeeld en wreef de handen. Daar hoorde hij een geraas alsof +de hemel instortte en jubelend vloog hij op. "Nu is het gebeurd," +juichte hij. "Nu kan ze niet ontkomen, nu is ze verbrijzeld onder de +balken of door de vlammen verkoold. Nu is 't gedaan!" + +Toen dacht hij aan de eer en macht van Ekeby, die moest opgeofferd +worden om haar te vernietigen. Die heerlijke zalen, waar zooveel +vreugde gewoond had, de kamers, waar de schoonste herinneringen +fluisterden, de tafel, die eens zooveel smakelijke gerechten droeg, +de kostbare oude meubels, het zilver en porselein, dat niet meer +terug te krijgen was! + +En met een kreet sprong hij op. Zijn vuurwiel! zijn zon! 't model +waar alles van afhing!----Had hij 't niet onder de trap gezet om +'t huis aan te steken? + +Kevenhüller zag voor zich uit, versteend van schrik. + +"Ben ik dan krankzinnig?" zei hij. "Hoe kon ik dat toch doen!" + +Op 't zelfde oogenblik ging de goed gegrendelde deur van zijn +werkplaats open en de boschvrouw trad binnen. + +Ze stond op den drempel, glimlachend en stralend van schoonheid. Haar +groen kleed had vlek noch rimpel. Geen brandlucht was aan haar golvend +haar. Ze zag er uit, als toen hij haar op de markt te Karlstad in +zijn jeugd gezien had. De staart sleepte om haar voeten en zij had +al de wildheid en geuren van 't woud over zich. + +"Nu staat Ekeby in brand," riep ze lachend. + +Kevenhüller had den hamer opgeheven en wilde die naar haar hoofd +werpen, maar toen zag hij dat zij zijn vuurwiel in de hand had. + +"Zie eens, wat ik voor je gered heb," zei ze. Kevenhüller wierp zich +voor haar op de knieën. "U hebt mijn wagen gebroken, mijn vleugels +verbrijzeld, mijn leven verwoest! Genade! Erbarming!" + +Zij sprong op de schaafbank en ging daar zitten, even jong en even +schalks, als toen hij haar op de markt te Karlstad zag. + +"Ik geloof, dat je weet wie ik ben," zei ze. + +"Ik ken u, ik heb u altijd gekend," antwoordde de arme man. "U is het +genie! Maar laat mij nu vrij. Neem uw gave van mij weg. Neem mij mijn +wonderkracht af! Laat mij een gewoon mensch zijn! Waarom vervolgt u +mij. Waarom vernietigt u mij!" + +"Dwaas," zei de boschvrouw. "Ik heb niet anders dan goed bedoeld. Ik +gaf je een groot geschenk, maar ik kan het wel terugnemen als je dat +wilt. Maar bedenk je wel! Je zult er berouw van hebben!" + +"Neen, neen, neem mij mijn wonderkracht af!" barstte hij uit. + +"Eerst moet je dit vernielen," zei ze en wierp het vuurwiel voor hem +op den grond. + +Hij aarzelde niet. Hij zwaaide den hamer over de vuurzon, dat toch +maar een leelijk tooverding was, nu het toch niet tot nut van duizenden +dienen kon. De vonken vlogen door de kamer, scherven en vlammen dansten +om hem heen en zoo lag daar zijn laatste meesterwerk in splinters. + +"Ja, nu neem ik mijn geschenk terug," zei de boschvrouw. + +Toen ze heenging bleef ze in de deur staan en de weerschijn van den +brand daarbuiten was om haar heen. Hij zag haar na. + +Schooner dan ooit te voren scheen zij hem toe. Niet meer boosaardig, +maar fier en streng. + +"Dwaas!" zei ze. "Heb ik je ooit verboden andren je werk te +laten namaken? Wat wilde ik anders dan het genie vrij maken van +handenarbeid!" + +Toen verdween zij. + +Kevenhüller was een paar dagen krankzinnig. Daarna werd hij weer een +gewoon mensch. + +Maar in zijn waanzin had hij Ekeby doen afbranden. Geen mensch was er +toch bij gekwetst. Maar 't was een groot verdriet voor de kavaliers, +dat het gastvrije thuis, waar ze zooveel goeds genoten hadden, +zooveel schade moest lijden in hun tijd. + +Ach, kinderen van later tijd! Hadden gij of ik de boschvrouw maar +ontmoet op de markt van Karlstad! Meent ge dat ik niet door 't +bosch geloopen heb en geroepen: "Boschvrouw, boschvrouw! Hier ben ik +Kevenhüller, Kevenhüller!" + +Maar wie ziet haar tegenwoordig nog? Wie klaagt er tegenwoordig over, +dat hij te veel van haar gaven ontving? + + + + + + + +XXXII. + +DE MARKT VAN BROBY. + + +Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby, +die acht dagen duurt. 't Is 't groote feest van den herfst. Die wordt +voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe +winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor 't eerst gedragen +te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken +staan den heelen dag op tafel; 't brandewijnrantsoen wordt verdubbeld; +er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve. + +Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen +wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in +kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in +de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge +stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor +zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel +wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven +worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen +van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen +van marktgeschenken en marktgeld. + +En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de +heuvels bij Bro, bij en over 't groote jaarmarktsveld! Kramen +zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft +uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun +goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven +het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde +vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers +en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen +vaten op rijen. + +Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de +tuiniers van de groote hoeven. + +Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door +roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel. + +Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op +Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan 't Löfvenmeer. De +handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is +nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard +verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten, +spannenden paardenhandel. + +Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft +voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En 't is +niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit +hun eenzame huizen in 't bosch komen naar de markt met haar golvende +menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden +als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven. + +Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is +toch de hoofdzaak niet. 't Is er vooral veel om te doen veel vrienden +en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst, +spritsen en brandewijn te tracteeren, of "het" meisje over te halen een +gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes +te zoeken voor de kleintjes thuis. + +Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te +passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers +van Ekeby en de boeren uit 't bosch van Nygaard, de paardenkoopers +uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers +van den grooten weg. + +Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in +steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet, +wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de +menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een +omgevallen kar op te rapen. En 't volgend oogenblik is er een nieuwe +oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt +meisje heeft. + +En dan--tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben +uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en +eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat +men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in +die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was +er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of +wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat +er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De +kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en +op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om +de Westgothlanders te helpen. + +Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij +en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid +en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn +landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun +kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van +de metalen plaat, die 't dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware +stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed +en hij zwaait dit geweldige wapen. + +Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur +doorgetrapt in 't cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het +meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij +met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de +heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar +sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en +rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar +iemand slaan, nu hij eenmaal zoo'n best wapen heeft. + +De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen +schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de +hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en +koeien, die wild worden door 't geraas verhinderen hen voort te komen. + +In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt, +en op haar stormt de reus af. + +Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft +de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten +de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag. + +Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken +door de hoog opgeheven armen van een man. + +Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de +omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al +die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een +man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook +bewusteloos op het veld. + +Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft +den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel +viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder +tegenstand binden en wegvoeren. + +Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke +Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend +van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden. + +En 't wordt stil op dat groote veld, waar nog pas 't leven bruiste in +al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren +bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser 't volk bij +zijn lijn. + +De vriend van het volk is dood. Er is rouw over 't volk +gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij +ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,--volkomen bewusteloos. Een wond +ziet men niet, maar 't is alsof zijn schedel iets platter geworden is. + +Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat, +die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog +leeft. + +"Waar zullen wij hem heendragen?" vragen zij elkaar. + +"Naar huis," antwoordde een barsche stem uit de schare. + +O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders +en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een +veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis. + +'t Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust, +op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een +zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden; +hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is +hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar +'t land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur +voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem, +die stierf om vrouwen en kinderen te redden. + +Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers +begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde, +wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis. + +En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt, +leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar +zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De +mannen ontblooten 't hoofd, de vrouwen buigen 't hunne zooals ze in +de kerk doen als Gods naam wordt genoemd. + +Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk, +hoe handig in 't helpen en raden, hoe vroom. En 't is merkwaardig +om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander +zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet. + +Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers +staan. + +"Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt," zegt +Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê +naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd. + +'t Marktveld is als uitgestorven. 't Volk gaat met kapitein Lennart +naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al +die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de +marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, 't psalmboek +wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank +van den koopman. + +Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt. + +Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En +weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle +bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en +bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open. + +En ze vraagt,--zooals ze al eens te voren vroeg: "Wat wilt gij?" + +En de overste antwoordt,--zooals hij al eens te voren geantwoord heeft: + +"Wij zijn hier met uw man." + +Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet +naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa +daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende +oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man, +die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart. + +"Dat is zijn eigen gezicht!" mompelde zij. Zonder meer te vragen, +buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur +wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer. + +De overste helpt haar 't groote ledikant naar voren trekken, bed en +kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons +en wit linnen gelegd. + +"Leeft hij nog?" vraagt ze. + +"Ja," antwoordt de overste. + +"Is er nog hoop?" + +"Neen, er is niets aan te doen." + +'t Blijft een poos stil in de kamer;--dan komt plotseling een gedachte +in haar op: + +"Schreien die allen om hem?" + +"Ja." + +"Wat heeft hij dan gedaan?" + +"'t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en +kinderen van den dood te redden." + +Zij zit weer een poos stil en denkt na. + +"Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden +geleden thuiskwam?" + +De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst! + +"Gösta had hem immers geschilderd!" + +"Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn +huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?" + +Beerencreutz haalde de breede schouders op. + +"Ik heb veel te verantwoorden." + +"Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt." + +"Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En +dan ook--hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij." + +"Wie dan?" + +"Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik +weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken." + +"Dat is waar," antwoordt zij. + +Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen. + +Hij vertelt alles, zoo goed als hij 't zich herinneren kan. Zij +luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op +het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan +die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle +kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen, +tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt. + +Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw +haar stem: + +"Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. 't +Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit." + +Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo +doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart +gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare +verootmoedigde mannen. + +Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: "Wil iemand van hen, die +mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is +en wat hij gedaan heeft?" + +En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein +Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar +hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar +spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen +hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de +dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om +het volk te helpen. + +'t Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt +en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander +treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet +heeft willen hooren noemen. + +Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op 't ziekbed gevonden heeft +en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft, +bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd +nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had, +heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en +geloof wekken. + +Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer. + +Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op 't eind. Zij +weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan 't ziekbed gesproken wordt, +fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes +vooruit. "Daar is een die getuigen kan," zeggen de anderen, en laten +hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun +getuigenis af en treden weer in 't duister terug. + +"Wat zegt zij nu?" vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten +komt. "Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter. + +"Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft +zijn leuningstoel voor 't bed gezet en de kleederen er op gelegd, +die ze zelf voor hem geweven heeft." + +Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar +allen weten het: "hij sterft." + +Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg. + +Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe +kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij +haalt diep adem en geeft den geest. + +Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen +stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied +omhoog. 't Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel. + + + + + + + +XXXIII. + +DE KLEINE HOEVE IN 'T BOSCH. + + +'t Was lang vóór 't jaar, waarin de kavaliers Ekeby bestuurden. + +De herdersjongen en 't herderinnetje speelden samen in 't bosch, +bouwden huizen van steenen, plukten boschbessen en maakten +herdersfluitjes. Beiden waren in 't bosch geboren. 't Woud was hun +tehuis en hun zomerweide. Zij leefden er in vrede met hun omgeving, +zooals men in vrede leeft met zijn bedienden en huisdieren. + +De kinders noemden de los en de vos hun hofhonden, de wezel hun kat; +hazen en eekhorens maakten hun veestapel uit. Uilen en korhoenders +zaten in hun vogelkooi; de dennen waren hun dienaars en de jonge +berken gasten op hun feesten. Zij kenden de holen wel, waar de adder +lag ineengekruld voor den winterslaap en als zij baadden, zagen zij de +ringslang door 't klare water aankomen; maar zij waren voor slangen +en kabouters niet bang. Die hoorden nu eenmaal in 't bosch en daar +voelden zij zich tehuis. Daar waren zij nergens bang voor. + +Diep in 't bosch lag het huisje, waar de jongen woonde. Een boschweg +leidde over heuvels daarheen; bergen stonden er om heen en sloten +de zon buiten; bodemlooze moerassen lagen in de nabijheid en zonden +'t heele jaar ijskoude dampen uit. Weinig bekoorlijk was zulk een +woonplaats voor stedelingen. + +De herdersjongen en 't herderinnetje zouden eenmaal trouwen, daar +op die kleine hoeve wonen en van hun handenwerk leven. Maar eer ze +trouwden, kwam de ellende van den oorlog over 't land en de jongen +werd soldaat. Hij kwam heelhuids en ongedeerd terug, maar zijn ziel +behield een lidteeken door dien tocht. Al te veel van het kwaad der +wereld en der menschen wreedheid had hij gezien. Hij was niet meer +in staat het goede te vinden. + +In 't begin merkte niemand eenige verandering aan hem. Hij ging met +zijn meisje naar den predikant en hun huwelijk werd ingezegend. De +kleine hoeve in 't bosch bij Ekeby werd hun tehuis, zooals zij al +lang geleden afspraken, maar in dat huisje vonden zij het geluk niet. + +De vrouw liep daar rond en zag haar man als een vreemde aan. Sinds +hij uit den oorlog teruggekomen was, herkende ze hem niet meer. Ze +lachte hard en luid en sprak weinig. Ze was bang voor hem. + +Hij deed niemand kwaad en was een vlijtig werkman. Toch was hij niet +bemind, want hij geloofde van ieder kwaad. Zelf voelde hij zich als een +gehate vreemdeling. Nu waren de dieren in 't bosch zijn vijanden. De +berg, die de zon verborg en 't moeras, dat dampen uitzond waren zijn +tegenstanders.--'t Bosch is een gevaarlijke woonplaats voor hem, +die booze gedachten in zich omdraagt. + +Wie in de wildernis wonen wil, verwerve zich vriendelijke +herinneringen. Anders ziet hij enkel moord en verdrukking bij planten +en dieren, zooals hij die vroeger onder de menschen zag. Hij verwacht +kwaad van allen, die hij ontmoet. + +Jan Hök, de soldaat kon zelf niet verklaren wat hem scheelde. Hij +voelde alleen, dat niets hem goed ging. Zijn tehuis bood hem geen +vrede. Zijn zonen die daar opgroeiden werden sterk, maar woest. Geharde +en moedige mannen werden het; maar ook zij leefden in oneenigheid +met allen. + +Zijn vrouw begon in haar verdriet de geheimen van de wildernis +te bespieden. In 't moeras en 't kreupelbosch zocht zij heelende +kruiden. Zij peinsde over 't doen en laten der onderaardsche machten +en zij wist welk offer hun welgevallig was. Zij kon ziekten genezen +en hun, die door liefde leden, goeden raad geven. Zij kreeg de naam +van een heks te zijn, en men schuwde haar, hoewel zij veel menschen +tot groot nut was. + +Eens begon de vrouw tegen haar man over haar kommer te spreken: + +"Sinds je naar den oorlog ging," zei ze, "ben je heelemaal +veranderd. Wat hebben ze je daar toch gedaan?" + +Maar hij stoof op en had haar bijna geslagen, en zoo ging het ieder +keer, als zij over den oorlog sprak. Dan werd hij bijna waanzinnig +van drift. Van niemand kon hij het woord "oorlog" hooren; spoedig +werd het bekend, dat hij niet kon verdragen, dat men daarvan sprak, +en dus vermeden de menschen dit onderwerp. + +Maar geen van zijn kameraden wist er iets van, dat hij meer kwaad zou +gedaan hebben dan anderen. Hij had gevochten als een goed soldaat. 't +Was alleen al dat vreeselijke wat hij gezien had, dat hem zóó +verschrikt had, dat hij sinds dien tijd niets anders zien kon. Aan +den oorlog had hij al zijn verdriet te danken. Hij meende dat heel +de natuur hem haatte, omdat hij aan zulke dingen had meêgedaan. Zij, +die ontwikkelder zijn, kunnen zich troosten met de gedachte, dat zij +voor hun vaderland en hun eer streden. Maar wat wist hij daarvan? Hij +voelde alleen, dat alles hem haten moest, omdat hij bloed vergoten +had en anderen geschaad. + +In den tijd, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd, +woonde hij alleen in zijn huisje. Zijn vrouw was dood en zijn +zonen heengegaan. Maar op markttijden was toch zijn kamer vol +gasten. Zwartharige, donkergekleurde landloopers kwamen daar +binnen. Zij voelen zich 't meest op hun plaats bij hen, die de +menschen schuwen. Kleine, langharige paardjes klauteren 't boschpad +op, en trekken karretjes met vertinde pannen, met kinderen en hoopen +vodden. Vrouwen, oud vóór hun tijd, met gezichten door rooken en +drinken opgezwollen, en mannen met bleeke, scherpe gezichten en +gespierde lichamen volgen de karren. Als de landloopers aan de kleine +hoeve komen, begint daar een vroolijk leven. Brandewijn en kaartspel +en vreugdegedruisch brengen ze mee. En ze spreken van dieverijen en +paardenhandel en van bloedige vechtpartijen weten ze te vertellen. + +Op Vrijdag begon de jaarmarkt in Broby en toen werd kapitein Lennart +gedood. Sterke Mons, die den doodelijken slag toebracht, was de zoon +van den grijsaard in de boschhut. Toen dus de landloopers Zondagmiddag +daar bijeenzaten, reikten ze Jan Hök de brandewijnflesch vaker +dan gewoonlijk en spraken met hem over 't leven in de gevangenis, +over gevangeniskost en huisonderzoek, want dat alles kenden zij bij +ondervinding. + +De oude zat op het aambeeld in 't hoekje bij den haard en sprak +weinig. Zijn groote, glanslooze oogen staarden heen over dien wilden +troep in de kamer. De schemering was gevallen, maar 't turfvuur +gaf licht. + +Lompen, ellende en nood verlichtte het! + +Heel zacht werd de deur geopend en twee vrouwen traden binnen, +'t Was de jonge gravin Elisabeth, gevolgd door de dochter van den +predikant van Broby. + +Wonderlijk scheen zij den oude toe, toen zij beminlijk en stralend in +haar liefelijke schoonheid in den lichtkring van 't vuur trad. Zij +vertelde hun, dat Gösta Berling sinds den dood van kapitein Lennart +niet meer op Ekeby gezien was. Zij en haar dienstmeisje hadden in +'t bosch heen en weer geloopen en hem dien heelen middag gezocht. Nu +zag zij, dat hier binnen mannen waren, die veel gezworven hadden en +alle paden kenden. Hadden zij hem gezien? Zij was hier gekomen om +wat te rusten en te vragen of zij hem gezien hadden. + +'t Was vruchteloos vragen. Niemand van hen had hem gezien. + +Zij boden haar een stoel. Zij zonk er op neer en bleef een poosje +zwijgend zitten. 't Gedruisch in de kamer was verstomd. Allen zagen +haar verwonderd aan. Toen schrikte ze van de stilte om zich heen en +zocht een onverschillig onderwerp om over te spreken. + +Zij wendde zich tot den grijsaard in den hoek. "Ik meen gehoord te +hebben dat u soldaat geweest zijt, vadertje," begon ze. "Vertel me +eens iets van den oorlog." + +Maar toen werd 't nog stiller. De grijsaard bleef zitten, alsof hij +niets gehoord had. + +"Ik zou heel graag eens van den oorlog hooren vertellen, door iemand +die er zelf bij geweest was," ging de gravin voort. + +Maar ze hield plotseling op; want de dochter van den predikant van +Broby zag haar aan en schudde met het hoofd. Zij moest iets gezegd +hebben wat ongepast was. Alle menschen in de kamer keken haar aan, +alsof ze tegen de allereerste regelen van wellevendheid gezondigd +had. Plotseling vroeg een landloopster met harde, scherpe stem: + +"Is zij dat niet, die vroeger gravin op Borg was?" + +"Ja, dat is ze." + +"Dat was toch heel wat anders, dan in 't bosch naar den gekken dominé +te loopen zoeken. Wel foei wat een ruil!" + +De gravin stond op en nam afscheid. Zij had genoeg gerust. De vrouw, +die gesproken had ging met haar mee tot buiten de deur. + +"Mevrouw de gravin, u begrijpt wel, dat ik wat zeggen moest. Want +'t gaat niet aan met den oude over den oorlog te praten. Hij kan niet +verdragen dat woord te hooren. Ik meende het goed." + +Gravin Elisabeth haastte zich voort; maar spoedig bleef ze staan. Zij +zag het dreigende, donkre bosch, de groote berg en het dampend +moeras. Akelig moest het wezen hier te wonen voor hem, die 't hart +vol booze herinneringen had. Zij kreeg medelijden met den oude, +die daar binnen zat met de donkergekleurde landloopers tot gezelschap. + +"Anna Lize," zeide ze, "laat ons omkeeren. Die menschen daarbinnen +waren vriendelijk voor ons; maar ik heb mij leelijk gedragen. Ik wil +den oude over prettiger dingen praten." + +En blij, dat ze iemand gevonden had, wien ze troosten kon, ging zij +de kamer weer binnen. + +"Ik geloof," zei ze, "dat Gösta Berling hier in 't bosch rondzwerft +en er over denkt zich van kant te maken. Hij moet dus gauw gezocht +en daarin verhinderd worden. Juffrouw Anna Lize en ik hebben gemeend +hem nu en dan te zien; maar dan verdween hij weer. Hij houdt zich +in die streek bij den berg op, waar 't meisje van Nygaard gevonden +is. En nu kwam ik op de gedachte, dat ik niet naar Ekeby hoef te +gaan om hulp te halen. Hier zitten zooveel flinke mannen, die hem +gemakkelijk zullen vinden." + +"Ga dan toch heen, kerels!" barstte de landloopster uit. "Als de +gravin zich niet te goed rekent om jelui een dienst te vragen, moet +jelui dadelijk gaan!" + +De mannen stonden onmiddellijk op en gingen uit om te zoeken. + +De oude Jan Hök zat stil voor zich uit te staren met zijn doffe +oogen. Afschrikwekkend, somber en hard zat hij daar. De jonge vrouw +vond geen woorden om hem aan te spreken. Toen zag ze, dat een kind ziek +lag op een bos stroo en dat een vrouw een gekwetste hand had. Dadelijk +begon zij hen te helpen. Zij was spoedig goede vrienden met de +babbelende vrouwen en vroeg om de kleinste kinderen te mogen zien. + +Een uur later kwamen de mannen terug. Zij brachten Gösta Berling +gebonden in de kamer. Op den vloer voor het vuur legden zij hem +neer. Zijn kleeren waren gescheurd en vuil, zijn gezicht uitgeteerd +en zijn oogen woest. Vreeslijke dagen had hij gehad. Op de vochtige +aarde had hij gelegen, met gezicht en handen in 't mos gewroet, zich +langs steenhellingen en door 't dichtst van 't bosch voortgesleept. Hij +wilde de mannen niet goedwillig volgen; daarom hadden zij hem overmand +en gebonden. + +Toen zijn vrouw hem zoo weerzag werd zij boos. Ze maakte zijn banden +niet los, maar liet hem op den grond liggen. Met verachting wendde +ze zich van hem af. + +"Wat zie je er uit," zei ze. + +"Ik had niet meer onder je oogen willen komen," antwoordde hij. + +"Ben ik dan je vrouw niet? Heb ik dan geen recht te verwachten, dat +je bij mij zult komen met je verdriet? Met bittre angst heb ik deze +twee dagen op je gewacht." + +"Ik heb immers kapitein Lennart ongelukkig gemaakt. Hoe zou ik bij +je durven komen. Hoe kon ik dat?" + +"Je bent nooit bang geweest, Gösta." + +"De eenige dienst, dien ik je bewijzen kan, Elisabeth, is je van mij +te bevrijden." + +Onuitsprekelijke verachting vonkelde in haar oogen. + +"Wil je me dan tot de vrouw van een zelfmoordenaar maken?" + +Zijn gezicht vertrok zich smartelijk. + +"Elisabeth, laat ons samen 't stille bosch ingaan en daar met elkander +spreken." + +"Waarom zouden deze menschen ons niet mogen hooren?" barstte ze +uit, met harde, verbitterde stem sprekend. "Zijn wij dan beter dan +zij? Heeft één van hen zooveel verdriet en ellende in de wereld +gebracht dan wij? Zij zijn de kindren van 't bosch en den grooten +weg; ieder haat hen. Laten zij 't hooren, hoe zonde en smart ook +den heerscher over Ekeby vervolgt, den door allen beminden Gösta +Berling. Meen je, dat je vrouw zich voor beter houdt dan zij? Of doe +jij dat?" + +Hij hief zich met moeite op de ellebogen op en zag haar met opvlammende +fierheid aan: "Ik ben zoo'n ellendeling niet als je wel meent." + +En toen hoorde ze wat er in de laatste twee dagen gebeurd was. + +'t Eerste etmaal had Gösta in 't bosch rondgeloopen, door +gewetenswroeging voortgejaagd. Hij kon niet verdragen, dat de menschen +hem aanzagen. Maar aan sterven had hij niet gedacht. Hij wilde ver +weg trekken, naar een ander land. Maar op den Zondagmorgen kwam hij +neer van de heuvels en ging naar de kerk te Broby. Nog ééns wilde hij +'t volk zien, het arme, hongerige volk van Löfsjö, dat hij verlangd +had te helpen, toen hij bij den schandeheuvel zat van den predikant +van Broby, en dat hij had liefgehad toen hij het in den nacht had +zien wegtrekken met 't doode meisje van Nygaard. + +De godsdienstoefening was begonnen, toen hij bij de kerk kwam. Hij +sloop naar boven naar de galerij en zag neer op het volk. Bittre +smart greep hem aan. Hij had tot hen willen spreken, hen troosten +in hun armoede en hulpeloosheid. Had hij maar mogen spreken in Gods +huis! Hij zou--zoo hopeloos als hij zelf was, wel woorden van hoop +en redding voor hen allen gevonden hebben. + +Toen verliet hij de kerk, ging in de sakristy en schreef het bericht, +dat zijn vrouw ontvangen had. Hij had geloofd, dat de arbeid zou hervat +worden op Ekeby en koren uitgedeeld, aan die er 't meest behoefte aan +hadden. Hij had gehoopt, dat zijn vrouw en de kavaliers zijn beloften +zouden vervullen als hij weg was. + +Toen hij uit de kerk kwam, zag hij een kist staan voor de +sakristy. Die was grof en haastig in elkaar geslagen, maar met +rouwfloers en bloemkransen versierd, hij begreep, dat het de kist +van kapitein Lennart was. Men had zeker de kapiteinsvrouw verzocht, +de begrafenis te verhaasten, zoodat de groote menigte marktbezoekers +aan de plechtigheid deel kon nemen. + +Hij stond naar de kist te zien, toen hij een zware hand op zijn +schouders voelde. Sintram stond achter hem. + +"Gösta," zei hij, "als je iemand goed plagen wilt ga dan heen en +sterf. Er is niets wat zóó een eerlijk man, die geen kwaad vermoedt, +in de war kan brengen. Ga heen en sterf, zeg ik je." + +Ontzet luisterde Gösta naar wat de booze sprak. Hij klaagde er over, +dat zijn goed beraamde plannen in de war gestuurd waren. Verlaten +dorpen had hij willen zien aan het strand van het Löfvenmeer. Daarom +had hij de kavaliers tot Heeren van Ekeby gemaakt; daarom had hij +de predikant van Broby de gemeente laten uitmergelen; daarom had +hij droogte en honger over het land gebracht. Op de markt te Broby +zou de beslissende slag zijn gevallen. Door ellende aangehitst zou +'t volk tot moord en diefstal zijn overgegaan. Daarna zou 't gerecht +zijn gekomen en 't volk nog ellendiger gemaakt hebben. Hongersnood, +oproer en allerlei ellende zouden het geteisterd hebben. Zoo akelig en +gehaat zou op 't laatst dit land geworden zijn, dat niemand er meer +wilde wonen en dat alles zou dan Sintrams werk geweest zijn. En dat +zou zijn vreugde en trots geweest zijn, want hij was boos! Hij had +verlaten streken en onbebouwde velden lief. Maar deze man, die op +'t juiste oogenblik gestorven was, had hem 't spel bedorven. + +Toen vroeg Gösta hem, waartoe dit alles gediend zou hebben. + +"'t Zou mij genot gegeven hebben, Gösta. Want ik ben boos! Ik ben +de wilde beer op de rotsen, de sneeuwstorm op de vlakte. Moorden en +vervolgen is mijn lust. Weg met de menschen en hun werk! Ik houd niet +van menschen. Ik kan ze wel een poosje laten loopen en met hen spelen +als een kat met de muis, dat is wel eens aardig voor een poosje! maar +nu was ik 't spelletje moe, Gösta, nu wilde ik toebijten, dood en +verderf brengen!" + +Hij was krankzinnig, volslagen krankzinnig. Hij was lang geleden +voor de grap met deze duivelskunstenarijen begonnen en nu had de +boosheid macht over zijn ziel gekregen en hij meende een booze geest +uit de hel te zijn. Zóólang had hij het booze in zijn ziel gekweekt en +gevoed, dat het zijn geest verduisterde. Zoo kan de boosheid menschen +krankzinnig maken, zoo goed als de liefde en smart. + +De booze mijneigenaar was razend. En in zijn woede begon hij aan de +kransen en 't rouwfloers van de kist te rukken, maar toen riep Gösta: + +"Raak die kist niet aan!" + +"Zie eens hier! Zou ik die niet aanraken? Ja zeker, ik zal mijn vriend +Lennart op 't veld gooien en zijn kransen vertrappen. Zie je dan niet, +wat hij mij heeft gedaan? Zie je niet in welk een mooie grauwe koets +ik rijd?" + +En toen zag Gösta, dat een paar gevangenwagens met politiedienaars +en veldwachters buiten den kerkhofmuur stonden te wachten. + +"Zie eens hier! Moet ik de vrouw van den rechter niet bedanken, omdat +zij gisteren in oude papieren is gaan zitten pluizen om bewijzen +tegen mij te vinden in die oude kruithistorie? Moet ik haar dan niet +vertellen, dat ze zich liever had moeten bezighouden met brouwen +en bakken, dan mij 't recht op den hals te sturen? Moet ik niet +wat hebben voor al de tranen, die ik geschreid heb om Scharling te +bewegen mij hierheen te laten gaan om te bidden bij 't lijk van mijn +goeden vriend?" + +En weer begon hij aan 't rouwfloers te rukken. + +Toen ging Gösta dicht bij hem staan en hield zijn armen vast. + +"Alles wil ik er voor geven als u die kist niet aanraakt," zei hij. + +"Doe wat je wilt!" zei de krankzinnige, "en roep wie je wilt! Ik zal +toch nog wel iets gedaan krijgen eer de leensman hier is. Vecht maar +met me als je lust hebt. 't Zal mooi staan als we hier bij de kerk +vechten. Laten we eens vechten bij al die kransen en het rouwkleed." + +"Ik wil de rust van dezen doode koopen tegen welken prijs u wilt," +zei Gösta; "neem alles wat ik heb, neem mijn leven!" + +"Dat zijn groote woorden, jongetje!" + +"U kunt 't immers probeeren." + +"Nu maak je dan van kant." + +"Dat wil ik graag doen; maar eerst moet deze kist ongedeerd in 't +graf staan." + +En hierbij bleef het. Sintram liet Gösta zweren, dat hij 12 uren na +de begrafenis van kapitein Lennart er niet meer zou zijn. Want dan +weet ik ten minste, dat je geen brave kerel meer worden kunt." + +Dat was gemakkelijk te beloven voor Gösta Berling. Hij was er blij om +dat hij zijn vrouw de vrijheid hergeven kon. Zijn wroeging had hem +voortgejaagd, tot hij doodmoe was. 't Eenige wat hem bezorgd maakte +was, dat hij aan de Majoorske beloofd had niet te sterven, zoolang +de dochter van den predikant van Broby op Ekeby diende. Maar Sintram +zei, dat ze nu niet meer als een dienstmeisje kon beschouwd worden, +nu ze haar vaders schatten geërfd had. + +Gösta bracht daartegen in, dat hij zijn schatten zoo goed verstopt +had, dat niemand ze had kunnen vinden; maar Sintram lachte en zei, +dat ze tusschen de duivennesten in den toren van Broby verborgen +waren. Toen ging hij heen. + +Gösta ging toen het bosch in. 't Liefst wilde hij sterven op de plaats, +waar het meisje van Nygaard gestorven was. Hij had daar den heelen +middag rondgezworven. Hij had zijn vrouw in 't bosch gezien. En daarom +had hij zich nog niet van kant kunnen maken. + +Dit alles vertelde hij aan zijn vrouw, terwijl hij daar gebonden lag +op de vloer in de boschhut. + +"Ach," zeide ze treurig, toen hij had uitgesproken, "hoe goed ken ik +dat alles. + +"Heldenmanieren, heldenfeiten! Altijd gereed om handen in 't vuur te +steken, Gösta! altijd bereid je zelf weg te gooien. Hoe groot leek +me dat eens! En nu--hoe waardeer ik kalmte en bezonnenheid. Wat nut +deedt je den doode met die belofte! Al had nu Sintram die kist eens +omgegooid en er 't rouwfloers afgerukt. Die zou wel weer opgezet zijn +en met nieuw floers en nieuwe kransen bedekt. Als je nu je hand op de +kist van dien goeden man hadt gelegd en daar, voor Sintrams oogen hadt +gezworen te leven om dat arme volk te helpen--dan zou ik je geprezen +hebben. Als je nu, toen je 't volk in de kerk gezien hadt, tegen je +zelf hadt gezegd: "Ik zal het helpen, ik zelf zal al mijn krachten +besteden om het te helpen," en niet dien last op de schouders van je +zwakke vrouw en van oude mannen met weinig kracht gelegd hadt--dan +zou ik je geprezen hebben."-- + +Gösta Berling lag een poos zwijgend vóór zich te kijken. + +"Wij, kavaliers zijn vrije mannen," zei hij toen. "Wij hebben elkaar +beloofd te leven voor de vreugde, en voor vreugde alleen! Wee ons +allen als een die belofte ontrouw wordt." + +De gravin vertelde toen op haar beurt wat zij de laatste dagen gezien +en gehoord had. + +'t Was stil in de woning van de kavaliers. De kromme waldhoorns, +die ter eere van den marktdag gepoetst en met nieuwe groene koorden +en kwasten versierd waren, hingen ongebruikt aan de haken aan den +wand. De violen lagen in ruwe zijde gewikkeld, elk in haar kist, +met den strijkstok er naast, met de harst en een paar snaren aan 't +hoofdeind. De fluiten werden niet uit het bad genomen, waar zij in +gelegd waren, om dicht te worden. Men hoorde geen Bellmansliedjes, +geen scherts of lachen. Op de groote tafel, die vol witte kringen +was van de toddyglazen, stond het blaadje nog, maar niemand mengde +den dampenden drank. Beerencreutz zat met de kaarten te spelen, +maar niemand maakten aanstalten om het spel te beginnen. + +Deze kavaliers, die de koningen der vreugd zouden zijn--wat waren +ze nu? Zij leken wel halfbevroren wintervliegen, die een warm hoekje +zochten achter de kachel in 't donker. 't Was eenzaam en koud om hen +heen geworden. Den vorigen dag was de doodsdag van kapitein Lennart +geweest. + +Toen had Gösta Berling gehoord, dat de kavaliers onwillekeurig door +een hunner drinkgelagen aanleiding geweest waren, dat er in 't laatste +jaar misverstand en scheiding gekomen was tusschen den kapitein en +zijn vrouw. Van zijn sterfbed was Gösta in de bosschen en velden +gevlucht, zooals hij gewoon was te doen, zoo vaak zijn geweten een +diepe, smartelijke wonde kreeg. Zij wisten, dat hij lang, misschien +wel weken lang, weg zou blijven, tot de tijd zijn ellende zou verzacht +hebben. De jonge gravin bleef op haar kamer en wilde geen van hen zien. + +De rozen waren verwelkt, de bladeren vielen af, het gras was geel +geworden, de herfst was gekomen. En de kavaliers begonnen te gelooven, +dat het leven zelf uitgebloeid was. Örneclou zag op eens, dat hij oud +en leelijk was. Oom Eberhard had zijn groot wetenschappelijk werk af, +'t geweten van patroon Julius wilde niet meer slapen, Liljecrona +verlangde naar huis. + +En zij vroegen zichzelf af, waarmee ze verdiend hadden, dat de wijn +niet meer smaakte, het kaartspel niet vermakelijk meer was en muziek +hen niet meer opwekte. Waarom was de blijdschap van hen geweken? Wat +hadden zij voor kwaad gedaan, die arme stumpers van kavaliers? + +Daar ging de deur open, en de dochter van den predikant van Broby kwam +binnen. Zij was een vlijtig meisje, die dit heele jaar een hopeloozen +strijd gestreden had tegen wanorde en verkwisting. Er was iets zoo +strengs en plichtmatigs over haar, dat de kavaliers altijd een zeker +respect voor haar gehad hadden, ofschoon ze niet veel meer dan een +kind was. + +"Ik ben vandaag weer naar huis geweest en heb naar mijn vaders geld +gezocht," zei ze tegen de kavaliers; "maar ik heb niets gevonden. Alle +schuldbekentenissen zijn doorgeschrapt, en laden en kasten zijn leeg." + +"Dat is jammer voor u, juffrouw," antwoordde Beerencreutz. + +"Toen de Majoorske van Ekeby wegging," ging de dochter van den +predikant van Broby voort, "vroeg ze mij haar huis te besturen. En +als ik nu 't geld van mijn vader gevonden had, zou ik Ekeby weer +opgebouwd hebben. Maar toen ik niets anders vond om mee te nemen, +nam ik een paar takjes mee van mijn vaders schandeheuvel; want mij +wacht groote schande, als mijn meesteres thuiskomt en mij vraagt wat +er van Ekeby geworden is." + +"U moet u geen dingen aantrekken, waar u geen schuld aan hebt," +antwoordde Beerencreutz. + +"Maar ik heb niet alleen takjes voor mij meegenomen," zei de dochter +van den predikant, "ik heb ook een paar voor de heeren meegebracht. Als +het u belieft, heeren. Mijn vader is toch de eenige niet, die schade +en schande in de wereld gebracht heeft." + +En zij ging van den een naar den ander en legde eenige van de dorre +takjes voor elk van hen neer. Enkelen vloekten; maar de meesten lieten +haar begaan. Eindelijk zeide Beerencreutz met de waardigheid van een +voornaam heer: "Het is goed, ik dank u, juffrouw. U kunt gaan." + +Toen zij weg was, sloeg hij met de gebalde vuist op de tafel, zoodat +de glazen rammelden. "Van dit oogenblik af," zei hij, "drink ik nooit +meer. Zoo iets zal de brandewijn mij geen tweede keer leveren!" + +Daarop stond hij op en ging heen. En weer werd het drukkend stil in +de woning van de kavaliers. + +Maar voor ieder van hen lagen een paar takjes van den +"schandeheuvel". En van die takjes klonken allerlei akelige vragen: + +"Waar is de Majoorske? Wat is er van Ekeby's eer en macht +geworden? Waarom is kapitein Lennart vermoord? Waar is de rijkdom +van Löfsjö?" + +En plotseling was het, alsof het huis vol stemmen was, die allen +antwoordden. Het was den ouden heeren te moede alsof ze midden in een +gonzenden, stekenden bijenzwerm zaten. Want op al die vragen kwamen +antwoorden, die staken en brandden. + +De kavaliers hebben hun weldoenster verdreven. + +De kavaliers, aan wie zij een tehuis gegeven had, hebben haar laten +rondzwerven. Zij gaf hun voedsel en vreugde; zij gaven haar honger +en smart. + +De kavaliers hebben het schoonste landgoed in Wermeland bedorven. De +kavaliers hebben voor kapitein Lennart de deur van zijn huis +gesloten. De kavaliers hebben zorgeloosheid en dronkenschap onder de +armen verspreid, zij hebben de gemeente van Löfsjö bedorven. + +De stemmen hadden nog niet lang gegonsd en gestoken, voor de een na +den ander van de kavaliers opstond en heenging. En toevallig kwamen +ze langzamerhand allen bij elkaar aan de beek, daar waar de smidse +en de molen gestaan hadden. + +Daar zag men overal de sporen van de verwoesting, door de vlammen +aangericht. De groote hamer stak uit een grooten hoop balken en staken; +de zware buitenmuren stonden nog; maar daaromheen was alles verwoest, +en beneden op den grond zag men nog de zwarte stookplaats met haar +wijden muil gapen. + +En ziet, ziet! In al die wanorde liep de overste al heen en weer, +en werkte! Hij ruimde een plaats leeg voor een nieuwen molen en een +nieuwe smidse. En naarmate de anderen kwamen, haastten ook zij zich +aan het werk. Spoedig waren zij er allen. Zij sleepten balken weg, +groeven steenen uit en hieuwen en staken. En spoedig klonken er weer +liedjes; lachen en schertsen werd gehoord. Zij waren weer moedig en +sterk; zij zouden Ekeby wel weer opbouwen. Zij zouden de Majoorske +naar huis halen: zoo gauw mogelijk wilden zij de dochter van den +predikant van Broby zenden om haar te halen. De armen in de gemeente +Löfsjö zouden weer werk krijgen. + +Maar het contract dan? Het zwarte, met bloed geschreven contract van +den Kerstnacht? + +Ach, zij handelden nu meer kavaliersachtig dan vroeger! Zij werkten, +en zij zouden blijven werken; maar hun loon zou uit eer, niet uit +geld bestaan. + +"En wat zul je nu doen, Gösta?" vroeg de gravin toen ze dit alles +verteld had. + +"Wat wil je van mij--een afgezet predikant, door de menschen verworpen, +door God gehaat!" antwoordde hij droevig. + +"Ik ben vandaag ook in de kerk van Bro geweest, Gösta. Ik moet je de +groeten overbrengen van twee vrouwen. "Zeg aan Gösta," zeide Marianne +Sinclaire, "dat een vrouw zich niet schamen wil over hem dien ze +heeft liefgehad." "Zeg aan Gösta," zei Anna Stjärnhök, "dat ik het nu +goed heb. Ik bestuur zelf mijn hoeven. De menschen zeggen van mij, +dat ik een tweede Majoorske worden zal. Ik denk niet aan liefde, +enkel aan werken. Ook op Berga is de eerste bitterheid van de smart +overwonnen. Maar we treuren alleen over Gösta. We gelooven in hem en +bidden voor hem; maar wanneer,--wanneer wordt hij toch een man!" + +"Ben jij nu door de menschen verworpen?" ging de gravin voort. "Al +te veel liefde heb je genoten--dat was je ongeluk. Vrouwen en mannen +hebben je liefgehad. Als je maar schertste en lachte, als je maar +zong en speelde, vergaf men je alles. Wat je in den zin kreeg te doen +was hun goed. En je durft je een verworpeling noemen. En je noemt +je van God gehaat?--Waarom bleef je kapitein Lennarts begrafenis +niet bijwonen? + +Omdat hij stierf op een marktdag, was het gerucht van zijn dood +ver verbreid geworden. Na de godsdienstoefening kwamen duizenden +menschen naar de kerk. 't Geheele kerkhof en de muur en 't veld +er om heen was zwart van menschen. De lijkstoet werd geordend voor +de consistoriekamer. Men wachtte nog maar op den ouden Proost. Hij +was ziek en had niet gepreekt. Maar op de begrafenis van kapitein +Lennart had hij beloofd te komen. En hij kwam met gebogen hoofd, +in zijn eigen droomen verdiept, zooals hij nu pleegt te doen in zijn +ouderdom en stelde zich aan 't hoofd van den stoet. Hij bemerkte niets +bijzonders. De oude man had al zóóveel lijkstoeten voorgegaan. Hij +ging voort op de bekende wegen zonder op te zien. Hij las de gebeden +en wierp aarde op de kist en merkte nog steeds niets. + +Toen hief de koster een psalm aan. Nog geloof ik niet, dat zijn grove +stem, die anders altijd alleen zingt den ouden Proost uit zijn droomen +zou hebben gewekt. + +Maar nu zong de koster niet alleen. Honderden en honderden stemmen +vielen in! Mannen, vrouwen en kinderen zongen. Toen ontwaakte +de Proost. Hij streek zich over de oogen en klom op de opgeworpen +aardhoop om te zien, waar al die stemmen vandaan kwamen. Nooit had +hij zulk een treurende schare gezien. + +De mannen hadden de oude versleten begrafenishoeden op; de vrouwen +de witte boezelaars met de breede zoomen voor. Allen zongen, allen +hadden tranen in de oogen, allen droegen rouw in hun hart. + +Toen begon de oude Proost te beven van ontroering. Wat moest hij aan +dit rouwdragende volk zeggen?--Hij moest ze zien te troosten. + +Toen het zingen had opgehouden, strekte hij de armen uit. + +"Ik zie dat het volk in rouw is," sprak hij "en smart is zwaarder te +dragen voor hen, die nog lang deze aarde zullen betreden, dan voor mij, +die spoedig van hier zal gaan." + +Hij zweeg verschrikt. Zijn stem was te zwak en hij aarzelde in de +keus van zijn woorden. Maar spoedig begon hij opnieuw. Zijn stem had +de kracht harer jeugd terug gekregen en zijn oogen straalden. + +Hij hield een heerlijke toespraak, Gösta. Eerst vertelde hij, wat +hij wist van Gods gezant. Toen herinnerde hij er ons aan, dat geen +uiterlijke glans of groot vermogen dien man zóó bemind had gemaakt; +maar alleen dit, dat hij altijd Gods wegen ging. En nu smeekte hij +ons om Gods en Christus wille te doen als hij. Ieder moest den +ander liefhebben en helpen, ieder moest van den ander het goede +gelooven. Ieder moest handelen als kapitein Lennart, want daarvoor +had men geen groote gave noodig; maar alleen een vroom hart. En hij +verklaarde ons allen, wat er dit jaar gebeurd was. Hij zei, dat het +een voorbereiding was voor een jaar van liefde en geluk, dat nu zeer +zeker te wachten was. Hij had vaak menschelijke goedheid zien schijnen +in verspreide stralen. Nu zou ze schitteren als een heerlijke zon. + +En 't was ons allen, als hoorden wij een profeet spreken. Allen wilden +wij elkaar liefhebben en weldoen. + +Hij hief de oogen en de handen op en bad vrede af over ons allen. "In +Gods naam," zei hij, "zal de onrust ophouden. Vrede wone in uwe harten +en in de geheele natuur. Mogen ook de doode dingen, de dieren en de +planten rust voelen en ophouden schade aan te richten." + +En 't was alsof een heilige rust neerdaalde over de geheele streek. Het +was alsof de hoogten schitterden in 't licht, en de dalen lachten en +de herfstnevelen werden rozenrood. + +Toen riep hij een helper voor 't volk aan. + +"Er moet iemand komen," zeide hij, "Het is Gods wil niet, dat gij +zult te gronde gaan. God zal iemand opwekken, die de hongerigen zal +verzadigen en u op Zijn wegen zal leiden." + +Toen dachten we allen aan jou, Gösta. We wisten dat de Proost over je +sprak. 't Volk dat deze verkondiging hoorde, ging naar huis en sprak +over je. En toen Gösta, toen liep je in 't bosch rond en wilde sterven! + +'t Volk wacht op je! In de hutten ver in 't rond zitten ze er over +te praten, dat de gekke dominé van Ekeby hen nu wil helpen, en dat +nu alles goed zal worden. Je ben aller held, aller redder kun je +worden. Ja, Gösta, 't is zeker dat de oude over jou sprak. En dat +moet je toch wel doen verlangen te leven. Maar ik, die je vrouw ben, +ik zeg je dit: dat je nu in allen eenvoud je plicht moet doen. Ga +nu niet droomen, dat je Gods gezant ben. Dat zijn we allen, begrijp +je? Je moet werken zonder heldendaden, je moet niet schitteren en +de wereld verbazen, je moet zóó leven, dat je naam niet al te vaak +op de lippen der menschen komt. Bedenk je wèl, voor je je belofte +aan Sintram terugneemt. Nu heb je een soort recht te sterven, en +'t leven kon je wel eens weinig heerlijks aanbieden. + +Een tijd lang ben ik voornemens geweest naar 't zuiden terug te gaan, +Gösta. Mij, de met schuld beladene, scheen het een al te groot geluk +toe, je vrouw te zijn en naast je door 't leven te gaan. Maar nu +zal ik blijven. Als je durft te leven, zal ik hier blijven. Maar +verwacht daar geen geluk van. Ik zal je den weg wijzen van strenge +plichtsbetrachting. Wacht van mij geen woorden van vreugde en +hoop. Al de smart en de rampen, die wij beiden veroorzaakt hebben, +zal ik als wachten aan onzen haard zetten. Kan een hart, dat zóó veel +geleden heeft als het mijne, nog liefhebben? Zonder tranen en zonder +blijdschap zal ik naast je voortgaan. Bedenk je wel Gösta, voor je +'t leven kiest. Wij moeten den weg der boeten gaan." + +Zij wachtte zijn antwoord niet af. Zij wenkte de dochter van den +predikant en ging heen. Toen zij in 't bosch gekomen was, begon ze +bitter te schreien en schreide tot zij op Ekeby aankwam. + +En eerst toen bedacht zij, dat zij vergeten had met Jan Hök, den +soldaat, over vroolijker dingen te praten. + +In de boschhut bleef het doodstil, nadat ze was heengegaan. + +"God, de Heer zij geloofd en geprezen!" sprak plotseling de oude +soldaat. + +Zij zagen hem aan. Hij was opgestaan en zag met geestdrift om zich +heen. + +"Boos en slecht is alles geweest!" zei hij. "Al wat ik gezien heb, +sinds mij de oogen geopend werden, was slecht! Slechte mannen en +slechte vrouwen! Haat en boosheid in bosch en veld! Maar zij is +goed. Een goed mensch heeft in mijn huis gestaan. Als ik hier alleen +zit, zal ik aan haar denken. Zij zal met mij zijn op mijne wandelingen +in 't bosch." + +Hij boog zich over Gösta heen; maakte zijn banden los, richtte hem +op en nam zijn hand in de zijnen. + +"Door God gehaat," zei hij zacht en knikte nadenkend. "Ja, dat is +het juist. Maar nu is dat voorbij. Ik ben het ook niet meer, nu zij +in mijn huis heeft gestaan. Zij is goed!" + +Den volgenden dag kwam de oude Jan bij den leensman Scharling. + +"Ik wil mijn kruis opnemen," zei hij. "Ik ben een boos man geweest; +daarom kreeg ik booze zonen." + +En hij vroeg of hij niet voor zijn zoon in de gevangenis mocht +gaan. Maar dat kon immers niet toegestaan worden? + + + + + + + +XXXIV. + +MARGARETHA CELSING. + + +In de dagen voor Kerstmis kwam de Majoorske naar de gemeente van +Löfsjö reizen, maar eerst op Kerstavond bereikte zij Ekeby. Op de +reis was zij aldoor ziek. Zij had longontsteking en hevige koorts; +maar nooit had men haar gelukkiger gezien of zooveel vriendelijke +woorden van haar gehoord. + +De dochter van den predikant te Broby, die sinds October bij haar +geweest was op de hoeve in de Elvedalsbosschen, zat naast haar in de +sleê en wilde gaarne de reis verhaasten; maar zij kon de oude niet +verhinderen de paarden te laten stilstaan en iederen voorbijganger +aan de sleê te roepen, om naar nieuws te vragen. + +"Hoe gaat het hier in Löfsjö?" vroeg de Majoorske. + +"Het gaat ons goed," kreeg zij dan ten antwoord. "Nu komen betere +tijden. De gekke predikant te Ekeby en zijn vrouw helpen ons allen." + +"Nu komt een goede tijd," antwoordde een ander. "Sintram is weg. De +kavaliers op Ekeby zijn begonnen te werken. Het geld van den predikant +te Broby is gevonden in den kerktoren te Bro. Er is zóo veel, dat +Ekeby in eer en heerlijkheid hersteld kan worden. Er is genoeg om +aan de hongerigen brood te geven." + +"Onze oude Proost is tot nieuw leven en nieuwe kracht ontwaakt," +zeide een derde. "Iederen Zondag spreekt hij ons van de Komst van +Gods Koninkrijk, Wie zou nu lust hebben te zondigen? De heerschappij +van het goede breekt aan." + +En de Majoorske reed verder en vroeg ieder, dien ze ontmoette: +"Hoe gaat het u? Ontbreekt het u aan iets hier in de gemeente?" + +En de koortshitte en de stekende pijn in de borst verminderden, +als zij haar antwoordden: + +"Hier zijn twee goede en rijke vrouwen, Marianne Sinclaire en Anna +Stjärnhök. Zij helpen Gösta Berling en gaan van huis tot huis, om +toe te zien dat niemand honger lijdt. En de brandewijnketel verslindt +geen koren meer." + +Het was alsof de Majoorske in haar sleê éen lange, lange +godsdienstoefening bijwoonde. Zij was in een heilig land gekomen. Zij +zag oude, gerimpelde gezichten opklaren, als er gesproken werd over +den tijd, die nu aangebroken was. De zieken vergaten hun pijnen, +om den dag der vreugde te prijzen. + +"Wij willen allen goed zijn; wij willen allen het goede gelooven; +wij willen niemand schaden. Wij willen de komst van het rijk van +God verhaasten." + +Zij vond allen door denzelfden geest bezield. Op de landgoederen +werd aan de armsten gratis spijzen uitgereikt. Allen, die werk te +verrichten hadden, lieten het nu doen, en in al de zeven ijzermijnen +van de Majoorske was het werk in vollen gang. Nooit had zij zich beter +gevoeld dan terwijl zij daar zat en de koude lucht haar pijnlijke +borst binnendrong. Zij kon geen hoeve voorbijkomen zonder stil te +houden en te vragen. + +"Nu is alles goed," was het antwoord. "Hier is groote nood geweest; +maar de heeren op Ekeby helpen ons. De Majoorske zal verwonderd zijn +over alles wat daar gedaan is. De molen is gauw klaar en de smidse +al in vollen gang." + +Het waren de nood en de hartverscheurende gebeurtenissen, die hen allen +veranderd hadden. Ach, dat zou wel niet lang duren; maar het was toch +goed terug te komen in een land, waar de een den ander hielp en waar +allen het goede wilden. De Majoorske voelde, dat zij de kavaliers +vergiffenis kon schenken, en daar dankte zij God voor. "Anna Lise," +zei ze, "ik, oud mensch, zit hier, en 't komt me voor, dat ik al op +weg naar den hemel ben." + +Toen zij eindelijk Ekeby bereikte, en de kavaliers zich naar buiten +haastten, om haar uit de sleê te helpen, herkenden ze haar nauwelijks; +want zij was even zacht en vriendelijk als hun jonge gravin. De +ouderen, die haar als jong meisje gekend hadden, fluisterden tegen +elkaar: "Dat is de Majoorske van Ekeby niet: dat is Margaretha Celsing, +die teruggekomen is." + +De vreugde der kavaliers, omdat ze zoo goed, zoo vrij van alle +wraakzucht teruggekomen was, ging, hoe groot die ook was, al spoedig +over in smart, toen zij zagen hoe ziek hun weldoenster was. Zij moest +dadelijk naar de slaapkamer gedragen worden en naar bed gebracht. Maar +op den drempel keerde zij zich om en sprak tot hen. + +"Gods storm is over het land gegaan," zei ze. "Gods storm! Ik weet nu, +dat alles om bestwil geweest is." + +Toen werd de deur der ziekenkamer gesloten, en zij zagen haar nooit +weer. + +Er is toch zooveel te zeggen aan iemand, die sterven zal. De woorden +verdringen zich als men weet, dat in die kamer daar naast iemand ligt, +wiens oor weldra voor goed gesloten zal zijn. "Ach, mijn vriend, +mijn beste vriend," zou men willen zeggen, "kun je me vergeven? Kun +je gelooven, trots alles, dat ik je heb liefgehad? Hoe kon ik je toch +zooveel verdriet doen, terwijl we hier samen rondwandelden? Ach, mijn +vriend, hoe dank ik je voor alle vreugd, die je me geschonken hebt." + +Zulke woorden en nog veel meer zou men willen zeggen. + +Maar de Majoorske lag in een gloeiende koorts, en de stemmen der +kavaliers konden haar niet bereiken. Zou zij dan nooit te weten komen, +hoe zij gewerkt hadden, hoe zij haar arbeid overgenomen en Ekeby's +eer gered hadden? Zou zij dat nooit te weten komen? + +"Kort daarna gingen de kavaliers naar de smidse. Al het werk daar stond +nu stil, maar zij wierpen nieuwe kolen en nieuw ruw ijzer in den oven +en bereidden het om gesmolten te worden. Zij riepen de smeden niet: +die waren naar huis gegaan, om Kerstmis te vieren, maar zij werkten +zelf. Als de Majoorske maar leven bleef tot de groote hamer in beweging +kwam, dan zou die wel voor hen tot haar spreken. + +Het werd avond en het werd nacht onder het werk. Velen onder hen +dachten er aan, hoe wonderlijk het was, dat zij nu weer Kerstavond +in de smidse zouden houden. + +De bekwame Kevenhüller, die de smidse en den molen gebouwd had, in +dezen drukken tijd en Kristiaan Berg, de sterke kapitein stonden +aan 't vuur en letten op de smeltkroes. Gösta en Julius brachten +kolen aan. Van de overigen zaten enkelen op het aanbeeld onder +den grooten hamer; anderen zaten op de kolenwagens of op een hoop +gietijzer. Löwenborg, de oude mystiker, sprak met Oom Eberhard, +den filosoof, die naast hem op 't aanbeeld zat. + +"Van nacht sterft Sintram," zei hij. + +"Waarom juist van nacht?" vroeg Oom Eberhard. + +"Je weet nog wel, dat we verleden jaar een weddingschap aangingen. Nu +hebben we niets gedaan wat niet voor kavaliers paste en dus heeft hij +'t verloren." + +"Maar als je daaraan gelooft, weet je toch wel, dat we heel wat +gedaan hebben, dat niet voor kavaliers paste. Ten eerste hielpen we +de Majoorske niet, ten tweede begonnen we te werken, ten derde was 't +niet heelemaal in orde, dat Gösta Berling zich niet van kant maakte, +toen hij het beloofd had." + +"Daar heb ik ook wel aan gedacht," antwoordde Löwenborg; "maar ik +geloof, dat je de zaken niet goed inziet. Te denken aan ons eigen +kleingeestig voordeel was ons verboden; maar niet te doen zooals onze +eer, onze liefde of onze eeuwige zaligheid 't eischte. Ik geloof, +dat Sintram 't verloren heeft." + +"Je kunt wel gelijk hebben." + +"Ik zal je wat zeggen; ik weet het. Ik heb den heelen avond zijn +bellen gehoord; maar 't zijn geen wezenlijke bellen. Hij zal zelf +wel gauw komen." + +En 't oude mannetje staarde door de openstaande deur van de smidse +naar buiten en naar den met sterren bezaaiden blauwen hemel, die er +door scheen. + +Een oogenblik later vloog hij op. + +"Zie je hem wel?" fluisterde hij. "Daar komt hij aansluipen. Zie je +hem wel, daar in de open deur?" + +"Ik zie niets," zei Oom Eberhard. Je hebt slaap; dat is alles!" + +"Ik zag hem zoo duidelijk tegen den lichten avondhemel. Hij had zijn +grooten wolfspels aan en zijn bonten muts op. + +Nu is hij daar in het donker en ik kan hem niet meer zien. Kijk, nu +staat hij daar bij den oven. Hij staat dicht naast Kristiaan Bergh, +maar Kristiaan ziet hem zeker niet. Nu sluipt hij voort en gooit iets +in 't vuur. Pas op vrienden, pas op!" + +Toen hij dat gezegd had schoot een vlam uit de oven en bedekte de +smidse en de mannen met asch en vonken. Maar niemand werd gekwetst. + +"Hij wil zich wreken," fluisterde Löwenborg. + +"Je ben dwaas!" barstte Eberhard uit. "Je moest nu toch wijzer zijn." + +"Ja dat kan men wel willen; maar dat helpt niet. Zie je nu niet, dat +hij daar bij den balk staat en tegen ons grijnst? Zoowaar! ik geloof, +dat hij den hamer losmaakt!" + +Hij vloog op Eberhard af en rukte hem van 't aanbeeld weg. Een +seconde later viel de groote hamer dreunend neer op 't aanbeeld. Er +was een kram losgegaan en Eberhard en Löwenborg waren ternauwernood +den dood ontsnapt. + +"Zie je nu wel, dat hij geen macht meer over ons heeft," riep Löwenborg +triomfeerend. "Maar 't schijnt dat hij zich wreken wil." + +En hij riep Gösta Berling. + +"Ga naar de vrouwen, Gösta. Misschien verschijnt hij haar ook. Ze zijn +daar niet zoo aan gewoon als ik. Ze konden wel eens bang worden. Maar +pas op, Gösta, want hij haat je en misschien heeft hij nog wat macht +over je om die onvervulde belofte." + +Later hoorde men dat Löwenborg gelijk had gehad, dat Sintram in +dien feestnacht gestorven was. Sommigen zeiden, dat hij zich in de +gevangenis had opgehangen. Anderen meenden, dat de gerechtsdienaars +hem in 't geheim gedood hadden, want 't proces was ten gunste van hem +gekeerd en 't ging immers niet aan hem op 't volk van Löfsjö los te +laten. Nog anderen waren er die geloofden, dat een heer in 't zwart +gekleed, in een zwarte wagen, door zwarte paarden getrokken, was komen +aanrijden en hem uit de gevangenis had meêgenomen. En Löwenborg was +de eenige niet, die hem in dien Kerstnacht zag. Ook op Fors was hij +gezien en aan Ulrika Dillner was hij in den droom verschenen. Velen +verhaalden hoe hij hun verschenen was, tot Ulrika Dillner zijn lijk +naar het kerkhof van Bro had laten brengen. Zij liet ook zijn booze +dienaars van Fors wegzenden en voerde daar een behoorlijk bestuur +in. Sinds dien tijd spookt het daar niet meer. + +Men verhaalt, dat dien avond een vreemde op de hoeve kwam en een brief +voor de Majoorske had afgegeven. Niemand kende den bode; maar de brief +werd binnengebracht en op tafel naast de zieke gelegd. Dadelijk daarna +werd zij geheel onverwacht beter, de koorts nam af, de pijnen werden +minder, en zij kon den brief lezen. + +De ouden geloofden, dat die beterschap door de machten der duisternis +bewerkt was. Sintram en zijn vrienden hadden er belang bij, dat de +Majoorske dien brief lezen kon. + +Het was een document, met bloed op zwart papier geschreven. De +kavaliers zouden het wel herkend hebben. Het was den vorigen Kerstnacht +in de smidse van Ekeby geschreven. + +En de Majoorske lag daar nu en las, dat zij, omdat zij een heks was en +de zielen der kavaliers naar de hel zond, veroordeeld werd om Ekeby te +verliezen. Dat en dergelijke dwaasheden las ze. Zij zag naar den datum +en de onderteekening, en vond het volgende bijschrift bij Gösta's naam: +"Omdat de Majoorske zich van mijn zwakheid bediende om mij van eerlijk +werk weg te lokken en mij als kavalier op Ekeby te behouden; omdat zij +mij tot Ebba Dohna's moordenaar heeft gemaakt, door haar te verraden, +dat ik een afgezette predikant was, daarom onderteeken ik." + +Langzaam vouwde de Majoorske het papier dicht en legde het in het +couvert; daarna lag zij stil na te denken over wat zij te weten +gekomen was. Zij begreep met bittere smart, dat de menschen dit van +haar dachten. Een heks en een toovenaarster was zij voor allen, die +ze had welgedaan, die ze arbeid en brood gegeven had. Dat was haar +loon. Zoo zou haar nagedachtenis zijn. Zij konden niet anders van de +echtbreekster denken. Maar wat gaf zij om die onnoozelen! Zij waren +haar toch immers vreemd gebleven; maar deze arme kavaliers, die door +haar mildheid geleefd hadden, die haar goed kenden--zij geloofden het +ook! Of ze deden alsof zij 't geloofden, om een voorwendsel te hebben, +zich Ekeby toe te eigenen. Haar gedachten vlogen onrustig rond; toorn +en wraakzucht vlamden in haar door de koorts verhit brein. Zij liet +de dochter van den predikant van Broby, die met gravin Elisabeth haar +verpleegde, een bode naar Högfors zenden, naar den rentmeester en den +inspecteur. Zij wilde haar testament maken. Weer lag ze te denken. Haar +wenkbrauwen trokken zich samen, haar gezicht werd akelig vertrokken. + +"De Majoorske is heel ziek," zei de gravin zacht. + +"Dat ben ik, erger dan ooit te voren." + +Weer werd het stil. Toen sprak de Majoorske op eens, met een harde, +scherpe stem: "'t Is wonderlijk om aan te denken, dat ook gravin +Elisabeth, die iedereen liefheeft, een echtbreekster is." + +De jonge gravin kromp ineen. + +"Ja, al is 't niet in daden, dan toch in gedachten en wenschen, +en dat is hetzelfde. Ik, die hier lig, voel, dat het 't zelfde is." + +"Dat weet ik, Majoorske." + +"En toch ben je nu gelukkig geworden. Je kunt hem, dien je lief hebt, +zonder zonde bezitten; het zwarte spook staat niet tusschen jelui, +als je elkaar ontmoet. Voor de wereld kun je elkaar toebehooren. Je +kunt naast elkaar door 't leven gaan." + +"Ach, lieve Majoorske...." + +"Hoe durf je bij hem te blijven?" ging de oude voort, met toenemende +heftigheid. "Doe boete, doe bijtijds boete! Reis naar huis, naar je +vader en je moeder, eer zij komen om je te vloeken. Durf je Gösta +Berling je man te noemen? Ga van hem weg. Ik wil hem Ekeby geven; +ik wil hem macht en eer geven. Durf je die met hem te deelen? Durf +je geluk en eer aan te nemen? Ik waagde het. Weet je nog hoe het mij +ging? Herinner je je den Kerstdag op Ekeby nog? Herinner je je mijn +gevangenschap op het landgoed van den leenman?" + +"Ach, Majoorske," zei de gravin, "wij, zondaren, gaan hier naast +elkaar zonder geluk. Ik pas hier op, dat de vreugde zich niet neerzet +aan onzen haard. Gelooft u niet, dat ik naar huis verlang? Ach, +ik verlang zoo bitter naar de warmte en steun van een tehuis; maar +die zal ik nooit vinden. Ik moet hier wonen met vrees en beven, +met het bewustzijn, dat al wat ik doe tot zonde en smart lijdt, dat, +wanneer ik den een help, ik den ander schaad. Ik ben te klein en te +zwak voor het leven hier, en toch ben ik gedwongen hier te blijven, +omdat ik gebonden ben aan een eeuwige boete." + +"Met zulke gedachte bedriegen wij ons zelf," barstte de Majoorske uit, +"maar dat is zwakheid. Je wilt niet van hem weg; dat is het eigenlijk." + +Eer de gravin antwoorden kon, kwam Gösta Berling de kamer in. + +"Kom hier, Gösta," zei de Majoorske dadelijk, en haar stem werd nog +scherper en harder. "Kom hier, jij, die geprezen wordt door de heele +gemeente van Löfsjö. Kom eens hier, jij, die den naam wilt nalaten, +dat je de redder van het volk waart. Nu moet je hooren hoe het je oude +Majoorske gegaan is, die je verlaten en veracht rond hebt laten loopen. + +"Eerst zal ik je vertellen, hoe het mij ging, toen ik in dit voorjaar +bij mijn moeder thuis kwam; want je moet het slot van die geschiedenis +weten. + +"Het was Maart. Ik was naar het landgoed in de Elvedalsbosschen +geloopen, Gösta. Ik zag er uit als een bedelaarster. Toen ik aankwam, +zei men mij, dat mijn moeder in den melkkelder was. Daar ging ik heen +en stond er lang zwijgend bij de deur. In het rond langs den muur, op +lange planken, stonden glimmende koperen bakken, gevuld met melk. En +mijn moeder, die over de negentig was, nam van den eenen bak na den +anderen de room af. Zij was kras, de oude vrouw; maar ik kon toch wel +merken hoe zwaar het haar viel de bakken te tillen. Ik wist niet of ze +mij gezien had;. maar na een poos sprak ze mij aan met een wonderlijk +scherpe stem. + +"Dus is het je gegaan, zooals ik wou," zei ze. Ik wilde met haar +spreken en haar vergeving vragen; maar dat hielp niet. Ze hoorde er +geen woord van: ze was stokdoof; maar een oogenblik later sprak ze +weer: "je kunt me komen helpen," zeide ze. + +"Toen ging ik heen en roomde de melk af. Ik nam de bakken, zette ze +neer in de juiste volgorde, en zette alles op zijn plaats, en stak +den roomlepel er juist diep genoeg in, en zij was tevreden. Ze had +geen van de dienstboden het afroomen kunnen toevertrouwen; maar ik +wist immers van vroeger hoe ze het hebben wilde. + +"Nu kun jij dat werk wel op je nemen," zei ze. En toen wist ik, +dat ze mij vergeven had. + +"En toen was het op eens, alsof ze niet meer werken kon. Zij zat stil +in haar leuningstoel en sliep bijna den heelen dag. Een paar weken +voor Kerstmis stierf zij. Ik zou graag eerder gekomen zijn, Gösta; +maar ik kon niet van de oude vrouw weg." + +De Majoorske hield op. Ze haalde met moeite adem; maar ze vermande +zich en sprak verder: + +"Het is waar, Gösta, dat ik je graag bij mij hier op Ekeby hebben +wou. Het is nu eenmaal zoo, dat allen graag bij je willen zijn. Als +je een behoorlijk mensch had kunnen worden, dan zou ik je veel macht +gegeven hebben. + +"Ik hoopte altijd, dat je een goede vrouw zoudt vinden. Eerst geloofde +ik, dat het Marianne Sinclaire zou zijn, want ik zag, dat ze je +liefhad, al toen je als houthakker in 't bosch leefde. Toen dacht ik, +dat het Ebba Dohna zou zijn, en ik reed naar Borg, om haar te zeggen, +dat ik je Ekeby zou laten erven, als ze met je trouwen wilde. Heb ik +daar verkeerd aan gedaan, dan moet je 't mij vergeven." + +Gösta lag op zijn knieën voor het bed, met het voorhoofd op den +rand. Hij steunde luid. + +"Zeg me nu, Gösta, hoe je denkt te zullen leven. Hoe wil je je vrouw +onderhouden? Zeg mij dat. Je weet, dat ik altijd voor jou 't beste +bedoeld heb!" + +En Gösta antwoordde haar glimlachend, ofschoon zijn hart bijna brak van +smart: "In den ouden tijd, toen ik beproefde arbeider hier op Borg te +worden, heeft de Majoorske mij een huis gegeven om in te wonen, en dat +heb ik nog. In dit najaar heb ik er alles in orde gebracht. Löwenborg +heeft mij geholpen. Wij hebben den zolder geschilderd en de muren +behangen. Het binnenste kamertje noemt Löwenborg: het kabinet van de +gravin, en hij heeft bij de boeren in den omtrek naar meubels gezocht, +die ze op de verkoopingen van landgoederen gekocht hebben. Die heeft +hij opgekocht, en nu zijn er leuningstoelen met hooge ruggen en +commodes met blinkend beslag, maar in de buitenste groote kamer staat +het weefgetouw van de jonge Mevrouw en mijn draaibank. Daar hebben we +ook ons huisraad en andere dingen, en daar hebben Löwenborg en ik al +vaak gezeten 's avonds en er over gesproken hoe de jonge gravin en +ik het in het arbeidershuisje zullen hebben. Maar mijn vrouw hoort +dit nu voor het eerst, Majoorske. Wij wilden het eerst zeggen, als +we van Ekeby vertrokken." + +"Ga voort, Gösta!" + +"Löwenborg sprak er altijd over, dat we een dienstmeisje moesten +hebben. "'s Zomers is 't hier heerlijk," zei hij, "maar 's winters +is het te eenzaam voor de jonge Mevrouw. Je moet werkelijk een +dienstmeisje nemen, Gösta." + +"En dat was ik wel met hem eens; maar ik wist niet hoe ik aan het +geld daarvoor zou komen. Toen kwam hij op een goeden dag met zijn +tafel met de geschilderde toetsen aanzetten. "Ik denk, dat jij ons +dienstmeisje wel worden zult, Löwenborg," zei ik. Hij antwoordde, +dat wij hem wel noodig zouden hebben, en vroeg of ik dan meende, dat +de jonge gravin eten koken en water en brandhout aandragen zou? Neen, +ik had niet gedacht, dat zij het allerminste van dien aard zou doen, +zoolang ik een paar handen had om mee te werken. + +"Maar hij meende toch, dat 't beter was, als wij met ons beiden waren, +zoodat zij den heelen dag op de sofa kon zitten te borduren. Ik kon +me heelemaal niet voorstellen, hoeveel bediening zoo'n klein vrouwtje +noodig had, zei hij." + +"Ga voort," zei de Majoorske, "dat verzacht mijn pijn. Geloofde je dan, +dat de jonge gravin in een arbeidershuis zou willen wonen?" + +Hij was verbaasd over haar honenden toon, maar ging voort: "Och, +Majoorske, ik durfde het niet te gelooven; maar het zou zoo heerlijk +geweest zijn, als zij 't wilde. De dichtstbij zijnde dokter woont hier +vijf mijl vandaan. Zij, die een zachte hand en liefderijk hart heeft, +zou werk genoeg vinden met het verbinden van wonden en koortslijders +te verplegen. En ik dacht, dat alle bedroefden den weg zouden vinden +naar de lieve Mevrouw in het arbeidershuisje. Er is zooveel smart +onder de armen, die door goede woorden en een vriendelijk hart te +verlichten is." + +"Maar jij dan, Gösta?" + +"Ik heb mijn werk aan de draai- en schaafbank, Majoorske. Ik moet van +nu aan mijn eigen leven leven. Als mijn vrouw mij niet volgen wil--het +zij zoo! Al bood men mij nu alle rijkdommen ter wereld, ze zouden mij +niet verlokken. Ik wil mijn eigen leven leven. Nu wil ik een arm man +zijn en blijven onder de boeren en hen helpen met wat ik kan. Zij +kunnen iemand noodig hebben, die voor hen kan spelen op bruiloften +en Kerstfeesten, iemand, die brieven aan de zonen in een vreemd land +kan schrijven,--en dat kan ik doen. Maar arm moet ik zijn, Majoorske." + +"Dat wordt een treurig leven voor je, Gösta." + +"Ach neen, Majoorske, dat zou het niet zijn als wij beiden ons maar +bij elkaar aansloten. De rijken en vroolijken zouden wel bij ons +komen, evengoed als de armen. Wij zouden vreugde genoeg in onze kamer +krijgen. De gasten zouden er niet om geven of het eten klaargemaakt +werd waar ze bij waren, of er boos om zijn, als ze twee aan twee van +één bord moesten eten." + +"En wat nut zou je daarmee stichten, Gösta? Wat eer zou je daarmeê +inleggen?" + +"'t Zou eer genoeg zijn, Majoorske, als de armen nog eens aan mij +dachten een paar jaar na mijn dood. Ik zou nut genoeg gedaan hebben, +als ik een paar appelboomen bij elk huis geplant had, als ik den +speelman een paar melodieën van oude meesters geleerd had, en als de +kinderen van den koewachter een paar mooie liedjes kenden om in 't +bosch te zingen. De Majoorske mag me gerust gelooven; ik ben dezelfde +gekke Gösta Berling van vroeger. Een boerenspeelman is alles, wat +ik worden kan, maar dat is genoeg. Ik heb veel goed te maken; maar +berouw te hebben en te schreien ligt niet in mijn aard. Ik wil aan +de armen vreugde brengen; dat zal mijn boete zijn." + +"Gösta," zei de Majoorske, "dat leven is te gering voor een man met +jou gaven. Ik wil je Ekeby geven." + +"O Majoorske," barstte hij verschrikt uit, "maak mij niet rijk! Leg +mij zulke plichten niet op! Scheid mij niet van de armen!" + +"Ik wil jou en de kavaliers Ekeby geven," hernam de Majoorske; +"je bent immers een uitstekend mensch en door het volk bemind. Ik +zeg als mijn moeder: "dit werk kun je nu voortaan wel op je nemen." + +"Neen, Majoorske, dit kunnen wij niet op ons nemen! Wij, die u miskend +hebben en u zooveel verdriet deden!" + +"Ik wil jelui Ekeby geven, hoor je?" + +Zij sprak hard en scherp, zonder eenige vriendelijkheid. Hij werd +steeds angstiger. + +"Breng de ouden niet in zulk een verzoeking, Majoorske; dat zou hen +immers tot lichtzinnige zwierbollen maken. Rijke kavaliers! Goede +hemel wat zou er van ons worden!" + +"Ik wil je Ekeby geven, Gösta! maar dan moet je beloven je vrouw haar +vrijheid te geven. Zoo'n fijn, klein dametje past niet bij je. Zij +heeft te veel geleden hier, in 't berenland. Zij verlangt naar haar +licht tehuis! Je moet haar laten gaan. Daarom zal ik je Ekeby geven." + +Maar nu kwam gravin Elisabeth dichter bij en knielde voor 't bed van +de Majoorske. "Ik verlang nu niet meer, Majoorske. Hij, mijn man heeft +het raadsel opgelost en het leven gevonden, dat ik leven kan. Ik hoef +niet meer koud en streng aan zijn zijde te gaan en hem aan berouw en +boete te herinneren. Armoede, nood en hard werk zullen dat wel doen. De +wegen, die naar de armen en zieken leiden, kan ik zonder zonde gaan. Ik +ben niet bang meer voor het leven hier in het noorden. Maar maak hem +niet rijk, Majoorske! Want dan durf ik niet te blijven." + +De Majoorske richtte zich in haar bed op. + +"Alle geluk verlangen jullie voor je zelf!" riep ze en dreigde hen met +de vuist. "Alle geluk en zegen! Neen, laat de kavaliers Ekeby hebben, +zoodat ze te gronde gaan. Laat man en vrouw gescheiden worden, zoodat +ze te gronde gaan. Een heks en een toovenaarster ben ik, en ik wil +jullie tot kwaad aansporen. Zooals mijn naam is wil ik ook zijn!" + +Zij greep den brief en slingerde hem Gösta in het gezicht. Het zware +papier fladderde op den grond. Gösta kende het wel. + +"Je hebt je misdadig tegenover me gedragen, Gösta! Je hebt me miskend, +mij, die een tweede moeder voor je geweest ben. Durf je weigeren je +straf uit mijn hand aan te nemen? Je moet Ekeby aannemen, en dat zal je +bederven, want je bent zwak. Je moet je vrouw naar huis zenden, zoodat +je niemand hebt om op te steunen. Je zult sterven met een naam, even +gehaat als de mijne. Margaretha Celsing laat den naam na van een heks +en een toovenaarster; de jouwe zal zijn: verkwister en boerenplager." + +Zij zonk in de kussens terug, en alles werd stil. + +Daar klonk door de stilte een doffe slag, toen weer een, en nog +een. De groote stoomhamer begon zijn dreunend lied. + +"Hoor," zei Gösta Berling, "zóó klinkt de naam van Margaretha +Celsing. Dat zijn niet de dwaasheden van dronken kavaliers. Dat is +het zegelied van den arbeid, dat aangeheven wordt ter eere van een +trouwe arbeidster. "Wij danken u," zegt het, "voor goeden arbeid, +voor het brood, dat ge den armen gaaft, voor de wegen, die ge gebaand, +de huizen, die ge gebouwd hebt. Wij danken u voor de vreugde, waarvoor +ge uw huis geopend hebt. Wij danken u! Rust in vrede, uw werk leeft +voort en houdt stand. Uw hoeve zal altijd een vrijplaats zijn voor +den arbeid, die geluk aanbrengt. Wij danken u! Veroordeel ons, die +gedwaald hebben, niet. Gij, die nu de reis aanvaardt naar het rijk +des vredes, denkt met zachtheid aan ons, die nog leven." + +Gösta zweeg; maar de stoomhamer ging door. Alle stemmen, die zacht +en liefderijk tot de Majoorske gesproken hadden, mengden zich in die +hamerslagen. Langzamerhand verdween de spanning uit haar trekken; +zij werden slap, en het was alsof de schaduw des doods over haar kwam. + +De dochter van den predikant van Broby kwam binnen om te zeggen dat de +heeren van Högfors gekomen waren. De Majoorske liet ze weer gaan. Zij +wilde geen testament meer maken. + +"Zie, Gösta Berling, man van daden," zei ze. "Je hebt dus ook nu +overwonnen. Buig je neer en laat mij je zegenen." + +De koorts kwam weer op met dubbele kracht, en de doodsstrijd begon. Het +lichaam moest nog bitter lijden doorstaan; maar de ziel wist er +spoedig niets meer van. Die begon reeds te staren in de hemelen, +die voor de stervende geopend werden. + +Zoo ging een uur voorbij en de doodsstrijd was gestreden. Daar lag ze, +zoo vredig, zoo mooi, dat alle omstanders diep bewogen waren. + +"Mijn lieve, oude Majoorske," zei Gösta toen; "zoo heb ik u vroeger +nog eens gezien. Nu is Margaretha Celsing teruggekomen. Nu zal zij +nooit meer wijken voor de Majoorske op Ekeby." + +Toen de kavaliers uit de smidse terugkwamen, werden zij ontvangen +met het bericht, dat de Majoorske overleden was. + +"Heeft zij den hamer gehoord?" vroegen ze. + +Ja, dat had zij, en daarmee moesten zij tevreden zijn. + +Later hoorden zij, dat ze van plan geweest was hun Ekeby te geven, +maar dat het testament nooit geschreven was. Dat vonden zij een groote +eer en beroemden er zich op zoolang zij leefden. Maar niemand hoorde +hen ooit klagen over de rijkdommen, die zij verloren hadden. + +Men zegt ook, dat in dezen Kerstnacht Gösta Berling naast zijn jonge +vrouw stond en voor 't laatst de kavaliers toesprak. + +Hij was bedroefd over hun lot, nu ze allen van Ekeby weg moesten. De +zwakheden van den ouderdom wachten hen. Hij, die oud en knorrig is, +wordt maar koel ontvangen, waar hij ook komt. De arme kavalier, die +gedwongen is, zich bij een boer in den kost te koopen, heeft geen +vroolijke dagen: ver van vrienden en avonturen kwijnt hij eenzaam weg. + +En toen sprak hij tegen hen, de zorgeloozen, door de wisseling van +het lot gehard. Nog ééns noemde hij hen: "Oude goden en ridders, +die gekomen waren om de vreugde te brengen in het ijzerland en den +ijzertijd." + +Maar hij klaagde er over, dat de tuin, waar de vreugde op vlinderwieken +ronddartelde, door rupsen werd verwoest, zoodat de vruchten niet +rijpten. + +Wel wist hij, dat de vreugde een zegen voor de kinderen der aarde was +en dat die gevonden moest kunnen worden. Maar als een duister raadsel +klonk de vraag over de wereld, hoe een mensch tegelijk verheugd en +goed kan zijn. Dat was het gemakkelijkste en tegelijk het moeilijkste +in de wereld, zei hij. Tot nu toe hadden zij dat raadsel niet kunnen +oplossen. Nu wilde hij aannemen, dat zij het geleerd hadden, dat zij +allen het geleerd hadden in dit jaar vol vreugde en nood, vol geluk +en smart. + + + + + + + +FINALE. + + +Ach, gij goede heeren kavaliers! ook voor mij ligt over deze ure de +bitterheid der scheiding. Dit is nu de laatste nacht, dien we samen +doorwaakten. Uw vroolijk lachen zal ik niet meer hooren, noch uw +lustige liedjes. Van u en al die blijde menschen aan den oever van +'t Löfvenmeer moet ik nu scheiden. + +Gij, vriendelijke ouden! Gij hebt mij goede gaven gegeven. Aan mij, +die in weelde leefde, bracht gij voor 't eerst geruchten van 's levens +bonte wisselingen. Een geweldigen reuzenstrijd zag ik strijden om de +meren uit de droomen van mijn kindsheid. Maar wat gaf ik u? + +Misschien heeft het u toch verheugd, dat uw namen nog eens genoemd +zijn, tezamen met die van uw geliefde hoeven. Ach, dat alle glans van +uw leven stralen moge over de streek waar ge geleefd hebt. Nog staat +Borg, nog staat Björne! nog ligt Ekeby aan 't Löfvenmeer, omringd door +watervallen en meertjes, door parken en bosschen en als men daar staat +op de breede balkons, zwermen de sagen om u heen als de bijen in den +zomer.... Van bijen gesproken! laat ik u nog even iets vertellen. + +De kleine Ruster, die als trommelslager voor 't Zweedsche leger +uitging, toen het in 1813 Duitschland introk, werd later het vertellen +van dat wonderbare land in 't zuiden nooit moe. De menschen waren +er zoo groot als kerktorens, de zwaluwen als arenden en de bijen +als ganzen. + +"Maar de bijenkorven dan?" + +"O! die waren als gewone bijenkorven." + +"En hoe kwamen de bijen er dan in?" + +"Ja, dat moeten zij weten," antwoordde kleine Ruster. + +Lieve lezers, moet ik niet 't zelfde zeggen? Hier hebben de reuzenbijen +der fantaisie om ons heen gegonsd, dag en nacht. Maar hoe ze in +de bijenkorf van de werkelijkheid zullen komen. Ja, dat moeten ze +wezenlijk zelf weten! + + + EINDE. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] In Zweden spreken jonge menschen oude vrienden dikwijls als "Oom" +en "Tante" aan. + +[2] In het noorden worden bruid en bruidegom afzonderlijk door +verwanten of vrienden naar het altaar gebracht. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Gösta Berling, by Selma Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GÖSTA BERLING *** + +***** This file should be named 36225-8.txt or 36225-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/6/2/2/36225/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/36225-8.zip b/old/36225-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fc3c7b5 --- /dev/null +++ b/old/36225-8.zip |
