diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:05:17 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:05:17 -0700 |
| commit | 37588066ae04d1e0b495b6f890c369931e9f9cfe (patch) | |
| tree | 0e67c700878ad6392ca5f8cc5c2f91d4bddf5658 /old | |
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/36194-8.txt | 14204 | ||||
| -rw-r--r-- | old/36194-8.zip | bin | 0 -> 221573 bytes |
2 files changed, 14204 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/36194-8.txt b/old/36194-8.txt new file mode 100644 index 0000000..e445f46 --- /dev/null +++ b/old/36194-8.txt @@ -0,0 +1,14204 @@ +Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Wonderen van den Antichrist + +Author: Selma Lagerlöf + +Translator: Betsy Nort + +Release Date: May 22, 2011 [EBook #36194] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST + + Naar het Zweedsch + van + SELMA LAGERLÖF + + Schrijfster van "Gösta Berling", "Ingrid", "De Koninginnen van + Kungahälla", "Jeruzalem", "Onzichtbare ketenen", enz. + + Door + Betsy Nort + + Met toestemming van de schrijfster + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + Daar zal groote nood heerschen + en de Antichrist zal van land tot + land gaan en den armen brood geven. + + En hij zal vele aanhangers verkrijgen. + + Siciliaansche Volkssage. + + + Tweede Druk + + Amsterdam + H. J. W. Becht + 1904 + + + + + + +INLEIDING + + + Als de Antichrist komt, zal hij + volkomen op Christus gelijken. + + +I. + +HET VISIOEN VAN DEN KEIZER. + + +In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning +over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille +en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, +welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, +dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was. + +'t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde +op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van +den hemel kwam geen enkele lichtstraal. + +Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar +aangezicht afgewend. + +En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren +hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het +espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, +dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, +en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe +voeten geknarst. + +Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te +verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de +bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen. + +Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of +blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze +dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door +zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot +kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten. + +In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op +den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum +naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren +den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel +oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk +zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden +welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en +hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn +genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen. + +En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer +ging brengen. + +Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het +beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf +droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen +priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn +naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg +te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, +die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al +het andere droegen, dat voor het offeren noodig was. + +Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte +geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen +zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd +was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons +plaats greep. + +Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de +rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, +dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, +dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots +verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn +dan de oude sibylle. + +Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit +gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar +huis gevlucht zijn. + +"Dat is zij," fluisterden ze, "die zoo vele jaren telt als er +zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom +is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den +keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen +schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert, +die het noodig heeft?" + +Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden +hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één +beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos +was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling, +en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren +nacht tuurde. + +Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien +dat ergens ver weg geschiedde. + +Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht! + +Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg +hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich +uitzien. En welk een stilte! welk een rust! + +Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren. + +Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet +parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en +machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren. + +Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden +tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur +hield den adem in om een nieuwen god te begroeten. + +Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden, +dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn +genius te begroeten. + +Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een +visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen +was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende +zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze +onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes +waren. + +Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen +aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende +kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op +het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het +vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze +de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen. + +Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten, +die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen? + +En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven +doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden +zich naast de menschen neder. + +Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den +berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, +kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der +beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren. + +Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon +vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif +zich en verdween in de duisternis van den nacht. + +Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude +sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte. + +Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur +dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in +den doodstillen nacht begon te trillen? + +Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de +aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en +toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden. + +Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende, +heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar +den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw +offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de +tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten +inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif +uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht. + +De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar +en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht +te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen +te voorspellen. + +Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar +ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het +laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op +hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange +fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven. + +Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op +citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach +en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit +hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis +behoorden, om het wonder te verhalen. + +Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle +volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, +stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop +blonk als zilver in het licht der ster. + +Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de +herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen +ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een +lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het +was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur. + +Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer +engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op +de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende +vleugels daarboven zweven. + +Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels. + +Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd, +ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het +Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche, +streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen +op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, +de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel +en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven +aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer. + +Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche +vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. "Ave +Cesar," riepen zij. "Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god, +die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden." + +En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, +was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar +uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling +en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit +den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk +om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken +rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de +donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel +naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet. + +Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze +naar het verre Oosten. + +"Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en +zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door +tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een +steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In +den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind, +dat op een stroobos op den grond lag. + +En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind. + +"Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. "Daar is de +god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden." + +Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige +geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te +branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat +die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht +bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak +woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen: + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen." + +Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen +mannen, daalde langzaam van den berg en verdween. + +Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem +een tempel op het Kapitool op te richten. + +In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind +bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli. + + + + + + +II. + +ROME'S HEILIG KIND. + + +Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond +werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als +een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een +wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt +en staart. + +Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in +Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der +sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen. + +Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling +van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou +worden aangebeden. + +En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen +om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en +wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist. + +Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche +godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden. + +Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten, +en tuurden in de wereld. + +Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden +ze den Antichrist te ontdekken. + +"Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine +pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die +op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen. + +Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle +heeft het gezegd. De Antichrist moet komen. + +Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen +niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle. + +Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door +boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van +Gods woord. + +Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken, +werden de menschen krachteloozer en zwakker. + +De monniken zeiden: + +"Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet +een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus." + +Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de +wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van +geweld en kracht zou worden. + +Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld +door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij +was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even +geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed +aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver, +vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat +broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde +en nergens vrede te vinden was. + +En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee +der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: +"De Antichrist, de Antichrist!" + +En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de +monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum. + +En ze zeiden: "Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten +vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken." + +Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken +nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun +dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich +naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar +sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen, +en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten, +waren ze mat als na een zware ziekte. + +De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende +Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer +een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om +daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een +afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde +waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die +deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën, +zoo lang hij het beeld aanschouwde. + +Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het +hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden +van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het +hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met +schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar +gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En +als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf: + +"God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt +aangebeden." + +De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen +hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der +vertroosting. "Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. "Wie +kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt +Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij +zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen +zult op het Kapitool worden aangebeden." + +Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die +stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den +loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, +waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher +hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden. + +"Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. "Uw rijk +moet blijven bestaan." + +En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting +en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar +indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen +oogenblik rust gevonden hebben. + +Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de +tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want +zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich +zijn plaats in te nemen. + +En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een +te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want +het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden. + +Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang +was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met +grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als +nooit te voren. + +In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar +Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze +dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij +ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte +smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen. + +Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met +gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld, +dat hun eenige troost was, niet willen afstaan. + +Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, +dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden. + +En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, +besloot ze het beeld te stelen. + +Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een +onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar +ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te +bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, +dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli. + +'t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg +gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten +snijden, dat volkomen daarop geleek. + +'t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd. + +Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde +hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld +geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het +beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder +haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk +aan het heilige beeld werd. + +Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die +waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde +sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen +sterren--maar dat alles was van koper en glas--en zij kleedde het, +zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden. + +Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +'t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld +kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen +geruststellen. "Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen +maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts +van deze wereld." + +Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder +en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen +vóór het Christusbeeld. + +Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de +ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken +vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze +bezwijmen zou. + +De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om +water te halen en zij bleef alleen in de kapel. + +En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd. + +Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en +machtelooze daarvoor in de plaats gezet. + +De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche +beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging +huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een +voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was. + +In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden +had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had +aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals +gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk. + +Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en +rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang +de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en +werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan +predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het +kleine Christuskind. + +Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, +dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij +voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was. + +"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het +echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt." + +Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen +deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak: + +"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien +gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te +Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem +geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een +kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem +kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij +slechts kunnen!" + +Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot +het beeld: + +"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik +vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in +processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, +en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden +voor hem. + +"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!" + +En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld +sprak: + +"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het +beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt +bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, +maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En +men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om +goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer +roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge +aangeroepen wordt en niet kunt helpen." + +Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht +werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de +poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de +poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend +metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle +monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden +door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de +Antichrist gekomen was. + +Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende! + +Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was +zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn +kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had. + +De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag +hij, dat het tranen in de oogen had. + +Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat +had het niet moeten zien! + +Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo +veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had +moeten ondervinden! + +De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij +waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen. + +Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een +godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken +naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het +beeld weer op zijn plaats te zetten. + +Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel +monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar +ontsnapt waren. + +"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost +van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig +kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?" + +Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, +vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift +droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift. + +Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen: + +"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met +zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen +een groot feest vieren. + +"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking +geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd +hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken. + +"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het +teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden. + +"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, +heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden +van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten +aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware. + +"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere +profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden. + +"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam +en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld +van Gods Zoon behoefde te aanschouwen. + +"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil +volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade." + +Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn +handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar +trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met +honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een +afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: +"Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't +Kapitool naar beneden in de wereld. + + + + + + +III. + +OP DE BARRICADE. + + +Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en +wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders +dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging +ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote +marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte +onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht. + +Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich +huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal. + +Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er +een deuk in de kroon gekomen was. + +Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en +in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf +gegrift had: + +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte +weer in Aracoeli's kapel stond. + +Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den +volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer +blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam +zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere, +dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen. + +Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze +werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het +beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat +iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er +machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd +was met koperen ringen en glazen kralen. + +Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood +was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook +voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde. + + + +Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld +in Parijs. + +Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten +trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze +plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der +rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de +straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden +de straten met barricades. + +Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten +reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en +sleepte den wagen naar één der barricades. + +Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die +de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het +slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook +het verworpen Christusbeeld. + +'t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte +spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en +men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot +hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon +te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren: +"Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun +veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en +plantten het daar als een banier. + +Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen +arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de +studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder +de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; +voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren. + +Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp +te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze +roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de +oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet +vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en +dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar +stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden +rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het +leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit. + +Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het +kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven +op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd +hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht +schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in +rook of in bloed. + +Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte +den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar +hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen +moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing +gegeven had. + +Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk +is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven +gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen +deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, +en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk +worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en +niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar +het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht. + +Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade +stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder +en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting. + +Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De +troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en +vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad. + +Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen +te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst +zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli. + +Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, +begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme +genoemd wordt, maar het Antichristendom is. + +En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, +zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van +Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het +valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld." + +Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt +is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om +die te verlossen en te herscheppen. + +Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt +velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch +geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, +die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd. + + + + + + +EERSTE DEEL. + + + "Daar zal groote nood heerschen." + + +I. + +DE MONGIBELLO. + + +Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano +Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der +oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten +verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch +ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit +barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen. + +Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater +hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken. + +Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele +familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie +van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster +wilde nemen. + +Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar +zou ze toch zeker de macht niet toe hebben! + +Hij zou immers monnik worden. + +Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar +niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het +haar niets baatte hem dat te vragen? + +Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, +zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar +de ontvangkamer. + +Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar +gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij +droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen +waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs +alleroudste kaftan. + +Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag. + +"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem +de hand. + +Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, +zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had +niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe +zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de +courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen +hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis +naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen +te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om +hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest! + +Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man +was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar +broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet +waar Diamante lag? + +De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte. + +"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?" + +"Neen." + +Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte +Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?" + +Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat +Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, +zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, +nadat zij hen aan het lachen gebracht had. + +"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te +zien?" vroeg ze vlug. + +"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele +wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op +hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn +aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen. + +Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken. + +En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, +wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat +hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om +het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En +langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren +heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder +wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen. + +Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, +dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een +echte Alagona. + +En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig +heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden +te rijden. + +En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote +bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, +die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, +dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een +kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden +bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen +beschutting kon vinden bij onweer. + +Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar +waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin +was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere +stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, +die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich +bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, +leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn, +indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch. + +Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als +een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien, +als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit +getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, +dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet +kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of +hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica +van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook +gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in +een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op +den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg +reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht +vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, +den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, +hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht +dat op Sicilië was tot recht te maken. + +En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur +nog niet uit zijn grot was gekomen. + +Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij +toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, +maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet +denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het +werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo +grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet +op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond. + +De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een +gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen +werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen. + +Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver +alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren. + +Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello +genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, +zoo te heeten. + +Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou +kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen +zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar. + +Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog +was hij niet in dat net gevangen. + +Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben +om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide +reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met +vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen +smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat. + +En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was +die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden. + +Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders +bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna +Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa +Agatha van Catania. + +En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, +dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren. + +Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe +was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het +was een merkwaardige signora! + +Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen: + +"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen +vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar +verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, +nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de +Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de +groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een +heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, +lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts +steenen, geen enkele grashalm! + +Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, +dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, +als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon +hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende +lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar +lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op +den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, +totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen! + +Neen, nooit! + +De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht. + +Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te +vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde +en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd +en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts +stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder +op zijn pruik en leden zoo vele als een worm. + +Kon dat iets anders zijn dan de cactus? + +Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk +een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? + +Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus +was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft +toovenaar. + +De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen. + +Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten +had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben. + +De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich +nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal +en moet ze! + +O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam. + +Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte +veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en +schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen. + +Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op +uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den +grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En +nooit had hij aan zitten of liggen gedacht. + +En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond +palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een +groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het +hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd. + +Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's +hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand +naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee +doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, +misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets +eens merken, als hij haar hand kuste? + +Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het +geheel niet. + +Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen. + +En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante! + +Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en +gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des +oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, +op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, +die juist bij de hand lag. + +Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg +gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur +naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met +huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze +wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters +verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon +men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den +berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk +heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch +geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen. + +Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, +en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet. + +Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, +dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem +wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en +op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de +bergen rondom geweest waren. + +Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De +gansche zee zag men daar. + +Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar +pater Jozef werd zeer ongeduldig. + +"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij +heel vriendelijk. + +Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was +te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote +huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd. + +Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en +toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers +daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn. + +Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan +te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs +beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd +met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen +der Alagona's gebrand. + +Dat zou hij toch zeker willen zien? + +Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen +op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet +merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, +het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets +van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote +praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er +was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels +en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk +van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar +zij zou er met hem heengaan. + +Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde? + +O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had +zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles +boven staan, zooals het stond. + +Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't +Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders +zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn +hoofd had gezet. + +Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig. + +Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen +haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te +vertellen, hoe zij het zelf had. + +Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de +stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was +ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij +medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst +behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel +gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest +mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats. + +Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te +snijden, want hij was artist, signor Antonelli. + +En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er +zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in +de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een +paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een +nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen +als hij bij haar wilde komen. + +Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen. + +Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij +het wagen haar te streelen? + +Hij keek tersluiks naar pater Jozef. + +Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij +gewoonlijk deed. + +Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet. + +Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, +die Luca heette. + +Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert +zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in +den winkel kon laten helpen. + +En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, +had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in +den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde. + +Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar +Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar +was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen. + +Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude +Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar +gezegd: + +"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier +hebben." + +Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden. + +Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen +te zijn. + +En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano +dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, +dat Gaetano zelf zou beslissen. + +En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de +laatste van zijn geslacht was. + +Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot. + +Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden. + +Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora. + +Pater Jozef kwam hem te hulp. + +"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano." + +"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij +verklarend tot donna Elisa. + +Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, +maar ze had tranen in de oogen. + +"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij. + +"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu +woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en +vele priesters en een groote menigte monniken. + +"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien +tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd +dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten +dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, +hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat +dat betreft, kon hij gerust daar heengaan. + +"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou +morgen terugkomen." + +Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en +ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor +haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, +maar hij kon niet. + +Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou +krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan +de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan +een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van +hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten. + +En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak +hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu +genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar +kon vertrekken! + +Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen +den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en +prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano +kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit. + +"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan +den Mongibello weerstaan." + +Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien. + +"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello +is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en +luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen +der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem +te lokken." + +Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de +aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat +hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden. + +"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij +zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als +hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen +naar den hemel." + +Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde +optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, +waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet. + +"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei +pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of +gij hem behouden kunt." + +Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij +zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te +vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en +de bergwanden zich achter hem gesloten hadden. + + + + + + +II. + +FRA GAETANO. + + +Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig +geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna +Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen +en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op +een gouden stoel met zilveren zonneschermen. + +Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna +Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater +Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen +om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort. + +De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de +leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van +de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of +het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed +droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en +ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen. + +Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling +na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een +heilige zag. + +Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de +hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde +neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide +handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat +had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat +het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak. + +"Gezegend! gezegend! gezegend!" zeiden allen als uit één mond. De +meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid, +daarvoor was de eerbied te groot. + +En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden. + +"Gezegend! gezegend!" klonk het over de geheele markt. "Gezegend zijn +uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!" + +De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, +maar toch was het alsof een storm door de lucht voer. + +Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep +Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik. + +Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde +hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou. + +Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen +en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn +stem boven alle andere uitklonk. + +Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano +naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis. + +Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed. + +Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje, +zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij +wilde wegloopen. + +Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo +gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles +beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden +door de menschen. + +Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten +om legenden te vertellen. + +Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa's tuin +en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee +om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den +Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van +wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit +zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen. + +Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan +zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel. + +Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis +met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn +dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van +de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden. + +Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd +een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou +nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel +moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen. + +Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen +moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, +maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke +lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap. + +Dat was de deur van donna Elisa's kamer en Gaetano waagde het niet +verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als +zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels +van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der +trap om te wachten. + +Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht +moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep +getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen. + +En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij +daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte +donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren +omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, +wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar +Palermo was gekomen om hem te halen. + +Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa +trachtte te troosten. 't Was zoo jammer voor haar, dat zij niet +begreep, welk loon haar wachtte. + +Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien +jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de +beroemde heremiet fra Gaetano. + +Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een +groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten +zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige +doeken, dekens en kransen. + +Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem +niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou +echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna +Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden +van haar weggeloopen was. + +"Gaetano," zou donna Elisa dan antwoorden, "gij geeft mij een zee +van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?" + +Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al +heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa +zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem +vinden zou. + +En dan zou ze hem niet laten gaan. + +Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde +kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En 't was niet alleen +donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn, +wanneer hij terugkwam als een heilig man. + +Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer +vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis +spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen +toestroomen. + +Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en +roepen: "Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!" + +En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor +donna Elisa's winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle +zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen. + +Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand +kussen. + +Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen. + +En Giannita, donna Elisa's peetdochter, zou voor Gaetano buigen en +hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou +zoo gelukkig zijn. + + + +O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. 't Was klaarlichte dag en +donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat +op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en +zijn bundeltje aan de voeten. + +Donna Elisa en Pacifica schreiden. "Hij wilde wegloopen van ons," +zeiden ze. + +"Waarom zit je daar, Gaetano?" + +"Donna Elisa, ik wilde wegloopen." + +Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof +het de natuurlijkste zaak ter wereld was. + +"Wilde jij wegloopen?" riep donna Elisa. + +"Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden." + +"En waarom zit je dan hier?" + +"Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben." + +Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was. + +Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten +leed en schreide bitter. + +"Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa," zei Gaetano. + +"Gij blijven!" riep donna Elisa uit. "Ge moogt gerust gaan. Zie hem +aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij +is een avonturier." + +'t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een +gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden +al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar +grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona's +stam. + +"Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa," zei de +knaap. "Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet +dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren +geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en +toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder +en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: "Wij +zullen vader gaan zoeken!" En wij gingen. Het werd avond, het regende +hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg. + +"Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze +joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen +bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over +den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij +de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik +slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op +het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor +klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door +den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar +ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan +land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik +God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, +dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan +om heremiet te worden. + +"Want, donna Elisa, ik moet God dienen." + +Donna Elisa gaf zich nu gewonnen. + +"Ja, ja, Gaetano," zei zij, "maar het doet mij zoo'n verdriet. Ik +kan niet verdragen dat je van mij weggaat." + +"Neen, maar ik ga ook niet weg," zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk, +dat hij lust gevoelde te lachen. + +"Ik zal niet weggaan." + +"Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt +komen?" vroeg donna Elisa ootmoedig. + +"Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets +begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets +anders gedacht." + +"Wat hebt ge bedacht?" vroeg zij treurig. + +"Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat, +donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja, +donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon +niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis +en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik +maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig. + +"Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een +hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en +schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa, +ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, +maar moeder. + +"Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, +want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, +en maakte hem los. + +"Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij +niet boos op mij was. + +"Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de +kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel +zat en die waren zoo mooi. + +"Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?" vroeg moeder. + +"Ja," antwoordde ik. + +"Dan kan je God daarmee dienen," zei moeder. + +"Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?" + +"Neen," zei moeder. + +"En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij." + +Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan. + +"Wat meende moeder daar nu mee?" + +Donna Elisa stond verbaasd. + +Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte. + +"Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou +kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden, +donna Elisa!" + + + + + + +III. + +DE GODSZUSTER. + + +Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen +dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder +mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar +of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt. + +Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en +broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar +dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn +geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste +toevertrouwen, zonder bedrogen te worden. + +Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder +geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni +Battista, den meest gevreesde van alle heiligen. + +Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar +rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met +hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht +is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk +gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om +godszusters en broeders te zoeken. + +En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te +geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis +kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, +dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg +een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken +kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de +dochter van donna Olivia die groenten verkocht. + +Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls +over, wat zij voor haar zou kunnen doen. + +Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen +en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had +Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad. + +Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een +wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita +een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De +reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze +eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den +zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad. + +Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer +verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar +donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere +Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden. + +Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen +der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's +jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge +signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte +zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend +haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het +geheel niet opmerkte. + +Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, +liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken. + +Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij +sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften. + +Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden +beiden: + + + "Zuster, zuster, zuster mijn, + Ik ben dijn en gij zijt mijn. + Dijn mijn hut, dijn mijn spijs, + Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs, + Dijn mijn plaats in 't Paradijs." + + +Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar. + +"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine +signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan. + +Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden, +toen ze van elkaar gingen. + +Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk +in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd +bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania. + +Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita +zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, +zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid. + +Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer +donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op +een kier gezet om wat meer licht te hebben. + +Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe +Rosa Alfari voorbij. + +Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat +zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met +versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag +men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd. + +Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen +omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag. + +Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu +was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht +alleen naar Catania te reizen. + +"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt," +zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt +men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee +uur in Catania kom?" + +Toen riep Giannita plotseling uit den winkel: + +"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?" + +Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten. + +Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei +zij. "Wil je het werkelijk?" + +Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij, +"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!" + +Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk, +haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen. + +Dat was een heerlijke reisgenoote! + +"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met +mij mede, dat is afgesproken." + +Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij +dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te +moede weer in haar nabijheid te zijn. + +Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den +menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had +het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, +dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden. + +Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania +woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen +verlaten, maar was bij hem gebleven. + +"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita. + +En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: +Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt. + +En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek +op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's +hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster +verlangd. + +Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano +Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar +te trouwen. + +Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst +had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft +kon uitnoodigen. + +Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer +gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij +nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was? + +Dat zou glans geven aan haar geheele reis. + +Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen +aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote +oplichterijen!" + +De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij +ijlde. + +"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op +het punt hem te slaan. + +"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de +knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte +zij de zaak Palmeri. + +"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij +onze lezers daarvan op de hoogte stellen." + +Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het +begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting +trilde, toen zij het eindelijk begreep. + +De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was +geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest. + +En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds +gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag +zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de +courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot +verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht. + +Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf +jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat +moet dit alles beteekenen?" + +Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te +zeggen, wat er gebeurd was. + +Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag +moest zijn? + +"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt, +maar ik moet naar de terechtzitting." + +Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in +haar besluit doen wankelen. + +"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om +uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te +nemen?" zei zij tot Rosa Alfari. + +Geen oogenblik twijfelde Giannita. + +Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis +van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers +op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank +der aangeklaagden. + +Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita +herkende hem dadelijk. + +Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf +en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van +God was. + +Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij. + +Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri. + +Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen +ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat. + +In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar +godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had +smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief. + +"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze, +"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien +kunnen beloonen." + +Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van +het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar. + +Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde +is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de +arme Giannita van Diamante ben? + +Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar +godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende +terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden. + +Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de +signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet +haar spreken." + +"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de +bediende. + +Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster, +haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik +moet haar spreken." + +De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet. + +Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God +gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar +stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania +geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht +hierheen te gaan. + +Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht! + +De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar +geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen +te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op +den drempel. + +"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij. + +"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela." + +Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij +was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna +Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela +niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?" + +De signorina luisterde niet naar haar. + +"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst +in haar stem. + +"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster," +zei Giannita. + +De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze +bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde +vertellen. + +Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij +zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte. + +"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo +vlug mogelijk." + +Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij +was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een +veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles +wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen. + +Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het +verborgen te houden. + +Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo +spoedig een antwoord kon geven. + +Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd +en de woorden stroomden over haar lippen. + +Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar +nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij. + +Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar +haten! Integendeel! Integendeel! + +"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd +was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar +steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar +viel haar voortdurend in de rede. + +Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste +dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen +kon. + +"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten," +zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader +verloochend, haar vader verzaakt. + +"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw +uit in tal van onstuimige vragen. + +"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij +verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid." + +Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij +wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede. + +Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet +hard jegens haar te zijn. + +Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond +dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het +theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven +haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, +zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin +dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de +oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets +veel vreeselijkers. + +Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van +angst heen en weer wiegde. + +Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede. + +Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had +haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin. + +Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten +verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering +geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo +liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest +dan dat van iemand anders. + +Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot +haar gezegd: + +"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen +heb, maar dat is niet waar." + +Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden +voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, +op den Etna en over geheel Sicilië. + +Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het +volk te zeggen: + +"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen, +anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben." + +En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving +hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen +en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit +kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens +lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?" + +Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar +vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, +ging zij naar haar vader. + +"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar +ik kan u niet meer helpen." + +O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch +geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam +kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was, +liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit +ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had. + +Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren +gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf +aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, +had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en +het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat +was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem +wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar +doodvonnis verwachtte. + +"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep +zij uit. "Je doodt mij." + +Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je +moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de +kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag +zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds +gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind. + +"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een +valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd, +dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes +waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk +geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en +droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl +ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen. + +"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot +het Christuskind. + +"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik +hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger; +juist toen begon een pendule te slaan. + +"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't +Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had +geantwoord. + +"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van +justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met +geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond. + +"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp +me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet +mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken. + +"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van +gistermiddag vier uur, werd ik bang. + +"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij, +die mijn vader verloochend heb." + +Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos +naar hetgeen Giannita zou vertellen. + +En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis. + +"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in +twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht +hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op +straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot +mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster +zou kunnen helpen." + +Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht. + +Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien +te ontvangen. + +"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita +"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen +of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud +huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien, +zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat +het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je +verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je +doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden." + +De signorina boog zich over tot Giannita. + +"Nu!" zei zij angstig. + +"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb +je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om +haar godszuster sloeg. + +"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina. + +"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar +een arm meisje." + +Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge +signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen +begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was. + +"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit +een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden +om mijnentwille?" + +"Ja, ja," fluisterde Giannita. + +"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij +jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?" + +"Ja zeker, hij was het." + +"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?" + +"Neen, God heeft je niet verlaten." + +Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam, +Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden," +zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik +dacht, dat God mij haatte." + +"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita. + +Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar. + +"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld +gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet, +dat God mij niet verlaten heeft." + + + + + + +IV. + +DIAMANTE. + + +Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van +Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den +postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van +den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert. + +Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving +kunnen onderscheiden. + +De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat +met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het +begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't +Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon +bewegen het landschap te beschouwen. + +"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij. + +Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna +gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg +ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over +den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te +gloeien, en vonken en stralen verspreidde. + +Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan +de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna +gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan +in den zonsopgang. + +Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze +moest zien, dat niet. + +Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar +glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden +in het dal. + +Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats. + +Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het +zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid +met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen +de stralen der zon. + +En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door +muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den +zonneschijn. + +Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of +dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden. + +Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even +spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat +er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het +dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn +langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen. + +Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke +aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen. + +Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid +bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen +was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en +giftbloemen zou vinden. + +Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een +heiligdom betrad. + +En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid +zou kunnen bieden. + + + + + + +V. + +DON FERRANTE. + + +Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed +wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano +maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers +tot Gods eer. + +Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in +hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had +doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij +spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was +over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van +stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in +Diamante gekomen. + +Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om +iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde, +stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in +groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer +en nood, omdat zij nu niets kon verdienen. + +Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de +wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed, +want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden, +die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien, +die nooit door de vingers van een biddende gleden. + +Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal +stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen +van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou +komen om de koorstoelen, 't altaarhek, den preekstoel, 't boekenrek +en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk, +dat hem wachtte. + +Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht +men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in +landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog +niet bedekt was met heilige gebouwen. + +Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met +verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou +hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor +haar verdiende. + +Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot +te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om +tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen, +want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij +niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken. + +Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen +zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te +zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk. + +Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde. + +Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien +had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht +in een der grotten van den Etna leefden. + +"Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te +hooren?" vroeg donna Elisa. + +"Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien +en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond, +gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man +don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman +met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don +Ferrante, die hem 's Zondags niet de muziek had zien dirigeeren. + +"Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen +hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten +met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op +zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels +van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn. + +"Men zou hem bijna schoon kunnen noemen. + +"Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen +ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de +markt meegezongen hadden! + +"Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een +liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven +als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd. + +"En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat +Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten +roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de +open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag. + +"Don Ferrante," had hij gezegd, "gij verheft ons ten hemel gelijk de +Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee." + +"Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten +liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een +statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok +neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de +gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had +een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen +Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco's-vrouw op de +steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling +gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had: + +"Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel +goed trouwen, trots zijn vijftig jaar." + +"En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom +bad. + +"Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed +over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen +waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier +was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht +achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een +lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden, +men had bijna geloofd dat het een spook was. + +"O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest. + +"De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote +groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den +hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd +in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede +vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te +beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig +uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten +en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello's +sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna +grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest. + +"Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was, +hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises +gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis +waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden +afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren, +had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de +zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van +allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden? + +"Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep? + +"Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek +was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn +al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen +slechts in het ongeluk storten! + +"Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft +van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar +gelaat niet durft toonen? + +"En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en +trad haar bij de kerkdeur in den weg. + +"Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. "Indien ik +mij niet al te zeer vergis," had don Ferrante gezegd, "is u signorina +Palmeri. Ik heb een verzoek aan u." + +"Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was +toch gebleven. + +"Het betreft mijn zuster, donna Elisa," had hij gezegd. "Zij heeft +uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis +te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?" + +"En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna +Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had +trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had +kunnen weerstaan. + +"Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet +gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide +wangen gekust. + +"Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar +ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden, +zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien +geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want +daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven, +dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in +een gezicht zette, dat rond en blozend was. + +"Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd +en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had +zij met een glimlach opgezien. + +"'t Was alsof haar glimlach had willen zeggen: + +"O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en +tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen +haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?" + +"Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een +glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!" + +Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede. + +"Waar is zij nu?" zei hij. "Ik moet haar zien." + +Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend +klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een +donkerrood op. + +"Gij zult haar vroeg genoeg zien," zei ze kortaf. En zij had berouw +van elk woord, dat zij gesproken had. + +Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij +kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens +was te vertrekken, naar Amerika te reizen. + +Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest +zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen, +dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land +te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter, +wier vader een dief was. + + + + + + +VI. + +DON MATTEO'S ZENDING. + + +En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo, +zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde +soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn +gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde +aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten; +en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide. + +Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven +bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De +steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap, +voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de +goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren, +genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er +waschgoed aan de drooglijnen. + +Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don +Matteo's gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel, +alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd. + +Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar +zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was +groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge +buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met +zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar +groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel +spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten. + +Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen, +dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit +de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken. + +En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en +linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren: + +"Met welk doel komt don Matteo hier? + +"Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt, +en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina, +wier vader in de gevangenis zit?" + +Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door +lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen +waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep +in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten +lavagrond joegen. + +Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede +luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te +kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren. + +Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den +kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen, +en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op +de een of andere wijze gewaar werd. + +Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een +vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard +als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet +meer waard was dan drie soldi. + +Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem +in de oogen kwamen. + +Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze +hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof +zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen: + +"U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk +oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt +u in de kelders naar mozaïekwerk?" Want de pastoor werd verlegen, +toen hij signorina Palmeri zag. + +Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet +vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor. + +Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis +en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar +te redden. + +Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante +kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn +aanzoek had afgeslagen. + +Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm +scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in +Diamante was? + +En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot +aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En +hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen +toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen. + +Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina +plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te +spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen. + +Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon +antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. 't Was +alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden. + +"Zij kon wel begrijpen," zei zij, "dat don Ferrante wilde weten waarom +zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar, +maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij +bracht smaad en schande als bruidsgift mede." + +"Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina," zei don Matteo, +"behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge +zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn +zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend, +ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en +handel moeten drijven. + +"Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet +verduisterd zal worden door een huwelijk met u. + +"Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met +don Ferrante zoudt willen huwen." + +Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante +moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar +bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van +deze vreeselijke woorden. + +Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat +haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen, +zonder dat haar stem beefde. + +Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd +om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van +haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem, +haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de +schouders te slaan. + +Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de +gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest. + +De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo +vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader, +die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen. + +Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen, +maar kon geen geluid uitbrengen. + +Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit, +maar gaf toch niet toe. + +Hij wist ten slotte geen raad meer. + +Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede +en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn +oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina +was dus een geloovige. + +Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem +gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak, +was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep, +dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak. + +"Mijn dochter," zei hij, terwijl hij oprees, "om der wille van uw vader +zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter." + +Er kwam iets imponeerends over don Matteo's uiterlijk. Zoo had nog +geen mensch hem ooit gezien. + +De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had, +en zij vouwde haar handen. + +"Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante," zei don +Matteo, "en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden +ouderdom zal hebben." + +Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo +inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de +knieën en boog het hoofd. + +"Ik zal doen wat gij beveelt," zei ze. + + + +Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen +Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en +begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en +sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen, +alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek. + +Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren. + +Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis +geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij +bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna's naam +gegeven had. + +Don Matteo bad en las en las en bad. + +Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem +vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware! + +Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels, +die naar huis gedreven werden met reizende signorina's op hun rug, hij +liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden +en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in +haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel. + +Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis +lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde, +en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank +was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers. + +En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde, +zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden +verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van +Catania naar Diamante gebracht hadden. + + + + + + +VII. + +DE KLOKKEN VAN SAN PASQUALE. + + +Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna +Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien +als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan +een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het +leven, dat zij geleid had. + +Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, +balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts +speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had +nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze +was niet eens ooit verliefd geweest. + +Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even +licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek +dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles +wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad +Diamante leek donna Micaela een paradijs. + +Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don +Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het +kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij +had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen +zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen +te maken in hun zwarte lavapaleizen. + +Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige +mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En +ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die +tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen +werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante +geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten +van een kleine stad. + +Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen +op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania +en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige +muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen +optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië. + +Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te +kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich +te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om +canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze +gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië. + +Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit +de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij +bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne +met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof; +en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van +den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had +zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij +onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit +teeder jegens haar. + +Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets +bemerkte. + +Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, +dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen +blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, +haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen +voortgaan haar te haten! + +O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren +hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen +was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar +liefhad. + + + +Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar +vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante +uit zijn winkel kwam om met haar te spreken. + +En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was +voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig +hart te Catania. + +Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela +hem volstrekt niet te verstaan. + +Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat +het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in +een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden. + +Zij vroeg slechts: "Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?" + +"O," zei don Ferrante, "kan het mij niet vervelen kostbaren wijn +van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust +hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had, +wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen. + +"Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is," +zeide zij. + +"Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen." + +"Arme oude mannen?" + +"O ja, ze zijn juist niet rijk." + +"Ze hebben zeker geen eigen kamer?" + +"Neen, maar zeer groote slaapzalen." + +"En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?" + +"Neen, ze zullen wel uit porselein eten." + +"Maar zonder tafelkleed?" + +"Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!" + +Hij trachtte haar gerust te stellen. "Daar wonen heel goede +menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, +dat men cavaliere Palmeri aannam." + +Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar +ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had +van rang en stand en een gewone koopman was geworden. + +Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis +slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme, +ellendige stad. + +En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don +Ferrante moest iets anders verzinnen. + +Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa +gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed. + +Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom +den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren, +dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig: + +"Heb je iets tegen mijn vader?" + +"Hij is te duur." + +"Maar je bent immers rijk." + +"Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet +werken?" + +"Wees dan liever zuinig met iets anders." + +"Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg +geschenken gekregen." + +"Neen, onthoud mij liever iets." + +"Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt." + +Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, +dat hem bang zou maken. + +"En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat +geworden ben?" + +"O, ja." + +"Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?" + +"Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan." + +"Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in +Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet +gekregen had?" + +"Dat weet ik." + +"En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde +te zien en zich voor hen schamen moest?" + +"Zij komen ook niet in de broederschap." + +"Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader +te doen?" + +"Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang." + +"Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu. + +"O, ja," antwoordde hij onverschillig. + +"Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het +je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel +Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het +oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?" + +Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar. + +"Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van +Via Etnea!" + +"O, neen." + +"Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen +haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als +wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen." + +Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op +de knieën voor hem. + +Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn +uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien. + +In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem +gevestigd. + +"Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!" + +Don Ferrante lachte. "Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij +eerst boos gemaakt." + +Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op. + +"'t Is goed," zei hij, "dat je voor het vervolg weet, hoe je je +gedragen moet." + +Nog steeds lag ze op haar knieën. + +Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?" + +Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij +rees op en antwoordde trotsch: + +"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult +hem niets laten merken." + +"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende +is aangenamer voor mij." + +Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, +omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij +kende wel iemand, die haar helpen zou. + + + +In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, +en dit is zijn geschiedenis: + +Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een +grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, +dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met +heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de +Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud +wilden opwegen. + +Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar +Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had. + +In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en +onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan +alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld +niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken. + +Maar de kapitein weigerde dat. + +"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het +tegen goud opwegen." + +De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem +door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek. + +Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan, +maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het +strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren. + +En wat geschiedde er? + +Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren +geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen +lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was. + +Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den +heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het +schip de haven uitzeilen. + +Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt +het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in +de domkerk. + +Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te +bidden. + +Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren +hoek van de domkerk. + +Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een +belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door +al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna. + +'t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het +in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter +het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna +schoon was, en straalde van mildheid. + +En haar hart was vervuld van hoop. + +Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder +Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, +die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen. + +Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven +te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte +Madonna haar zou bijstaan. + +Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde +oogenblik van meening veranderde. + +Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, +dat haar vader haar niet behoefde te verlaten. + + + +'t Was een morgen, drie weken later. + +Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, +maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's +winkel om een waskaars te koopen. + +'t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou +zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een +geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den +winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en +weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen. + +Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar +een jonge man. + +Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want +Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar +te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij +zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders +van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend +heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te +verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië. + +Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot +was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, +maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen +als zij iets schoons zag. + +Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij +herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke +schilderijenverzameling in het paleis te Catania. + +Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg +hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een +breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd +door den grooten meester Van Dijck. + +Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar +te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die +iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te +zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de +doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij +zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En +het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker +veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het +heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek +en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer +de zon daarop straalt. + +Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was. + +Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door +den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot +hen gezegd: + +"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo +weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet +bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd." + +Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een +gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad +er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude +edele heeren. + +Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op +dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan +hadden. + +En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, +dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht +om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest +helpen zoeken. + +Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië +te vertrekken. + +Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl +hij zelf haar stil beschouwde. + +Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te +zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak. + +Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen +hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam +en daarmee naar haar toe kwam. + +Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende +San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier +wikkelde. + +Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te +nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, +dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter +macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste +plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou +zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te +verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En +nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen. + +Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend. + +Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden +was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn +opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van +San Michaëls voet? + +Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij +zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde? + +Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het +zacht ter zijde. + +Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij +wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, +maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar +zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats. + +En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij +tot haar. + +Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen +geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San +Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen +was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen +had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël +gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat +deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet? + +Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon +helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, +die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, +indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was? + +Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond +zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak. + +"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen +Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging +hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna +beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, +haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben. + +En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, +die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de +Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren. + +Gaetano luisterde aandachtig naar haar. + +Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde. + +"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in +de domkerk." + +"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?" + +Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig: + +"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de +zwarte Madonna?" + +"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar +gesmeekt en gebeden." + +Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen. + +Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had +en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan +opnieuw met haar smeekbeden te beginnen. + +En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij +geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, +en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde. + +Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond +glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de +toonbank stonden. + +"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij. + +Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd +al haar zonden af te leggen. + +Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw +met de beenwonde te verplegen. + +Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven. + +Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht +bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar +gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, +de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend? + +Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?" + +"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd +had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij +legde de rozenkrans niet uit haar handen." + +Gaetano's woorden wonden haar op. + +Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts: + +"Niets anders? Niets anders?" + +"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij +toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het +mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat +toch begrijpen!" + +Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der +geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God +dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die +geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen. + +"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang +was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De +gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten +hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de +heiligen geen macht hadden. + +"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen." + +Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht +en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven, +dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren. + +Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp +die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar +de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de +armen te doen. + +Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij +nog een steek daaraan naaide. + +"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij, +terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek. + +"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u +ernst is en geen spel. + +"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien +ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, +indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna +niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, +waarom zal ze u dan helpen?" + +Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank +vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast. + +"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, +indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult +storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat +men heiligen dwingt." + +Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den +winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom +en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna. + +Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond +Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het +gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op +straat gaat. + +Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze +bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen +en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over +de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om +te hooren of ze zijn raad gevolgd had. + +"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?" + +Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan +gewerkt had. + +"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna +Micaela." + +"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano." + +Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want +zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, +liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de +palmbosschen van den Monte Chiaro leiden. + +Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven. + +Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd +zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide. + +Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien +had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De +Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst, +opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond +achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien. + +Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag +en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel +waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op +het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend +witte bloemenpracht. + +Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling +geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot +wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp! + +'t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden +zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze +had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene. + +Het was geen Madonna. O, neen! O, neen! + +'t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En +wist hij, wat het grootste ongeluk was? + +Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze +nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar +haar kijken kon. + +Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die +in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar +verteld werden! + +Drie weken verspild met het bidden tot haar! + +Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was +geen Madonna! + +Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur +loopt. + +De geheele wereld rondom hen was wit. + +Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder +op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder +een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde +en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver +gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde, +dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna +verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat +zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de +maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en +in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde. + +Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd +voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon +niet zwijgen. + +Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van +alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke +Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, +voor den geest geroepen had. + +Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de +stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En +zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote +koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna +meer bestond. + +Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor +die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van +haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader +nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar +huis mogen behouden. + +Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen. + +O, God! O, God! + +En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante +meer vereerde dan iets anders. + +Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur +geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen: + +"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit." + +Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders +gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het +leven wist te schikken. + +Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe +getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas +kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in +het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze +begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze +ging slechts haastig verder en begon toen te weenen. + +Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij +was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en +die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij +een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde +medelijden met haar gevoelen moest. + +Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde +hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep +hem aan. + +Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij +sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door +aandoening. + +"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u +niet helpt?" + +Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij +niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging +naar de stad terug. + +Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar +gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze +plaats zou kunnen verlaten. + + + +Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den +derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken. + +Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met +hem vluchten moest. + +Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren. + +Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd +was, en nu was hij tot klaarheid gekomen. + +Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw +door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting +zou vinden bij een hart, dat haar beminde. + +Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden, +dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken +haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna +weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van +haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten, +dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij +opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op +den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang +in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het +ouderlijk huis is gekomen. + +Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard. + +Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de +wereld, dat het zijne was. + +Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, +zij moest! + +Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën. + +Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte +haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de +zijne was. + +Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat +te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet? + +Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen +tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken. + +"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk. + +"Ik vertrek Zaterdag van Diamante." + +"En wanneer gaat de stoomboot?" + +"Die vertrekt Zondagavond uit Messina." + +Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras. + +"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij. + +"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen." + +Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer +te zeggen had. Toen bleef zij staan. + +"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen +ge wilt." + +Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te +houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou +vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben. + + + +Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk +doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën +geworpen. + +"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote +zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad +van mij te spreken?" + +En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te +vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don +Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden +scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden. + +Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen. + +--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met +Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de +moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar +man te wreken? + +En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, +dien zij niet liefhad? + +Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een +verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij +dacht geen gezonde, klare gedachten meer. + +Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij +opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op +met bidden. + +Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde +zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in +groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken +ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind. + +"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat +ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak." + +Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar +onrust en angst. + +"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat +ik wil." + +Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte +nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem +te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen +beschouwd te worden als een gevallen vrouw. + +Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze +ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En +toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat +ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In +den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen +het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze +de gelukzaligheid gesmaakt had. + + + +Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan +San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats +in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van +iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op, +als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich, +zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen +heeft. + +'t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite +waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen +heeft. Die kwam van San Pasquale. + +Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San +Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met +een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen. + +En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn +booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's +steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit +opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den +laatsten dag der wereld. + +Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen +deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San +Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, +en verzamelde deze in zijn zak. + +Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar +San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, +nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, +die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker +niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het +ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij +kan ook teekens geven met iets anders dan steenen. + +Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters +ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, +en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen +intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om +den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer +begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En +het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt +aan zoo iets? + +Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft +den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar +hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond +niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, +zonder dat het eene een vloek was. + +En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem +waarschuwden? + +Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale +voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht +slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht, +naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen +enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken. + +San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea +ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, +maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch +van amandelboomen. + +Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de +schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich +daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig +kleed gelijk. + +San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer +een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de +Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen +ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, +dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de +kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen +en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd +werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden. + +Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan +de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan +de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch +de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk. + +Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San +Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te +vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot +steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen +om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst +beter dan San Pasquale. + +Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante +vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit +stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen. + +En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden +regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing +zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat +niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even +vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden +der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken, +zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar +zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed +een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van +Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige +uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in +een dichten nevel hulde. + +En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet +wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden +en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was +juist Diamante. + +Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het +palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij +in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela +eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, +vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan +een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had. + +Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot +wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het +begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen +door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk +van San Pasquale. + +En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf. + +San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt +worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en +evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; +men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, +dat langs den kerkmuur hangt. + +Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet +zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, +die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster +zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om +ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen +beginnen te luiden zonder hulp. + +Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was +stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, +die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de +klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken +heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden +sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt. + +Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag +langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had +zij nog nooit gehoord. + +Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het +heerlijk klonk. + +En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken. + +Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op +dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat +de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven +en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen +begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en +onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht. + +En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn +van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer +verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano +liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten. + +En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen +morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde: + +"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt +de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als +ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen." + +Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat +haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk +deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden. + +Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde +men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde +uur.-------- + +Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet +konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was +het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het, +alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof +de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door +den dichten mist. + +Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San +Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok +van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van +het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist +zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze +slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze +meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg +en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, +die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal +wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, +dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, +en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte +men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, +omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend +maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels +heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf +volkomen duidelijk oplazen. + +Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, +die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En +de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen +hadden. + +Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich +op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers +van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, +die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen. + +En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden +en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het +gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren, +terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men +hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe +alles zich op de maat van het gelui bewoog. + +En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het +klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, +die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk +en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En +alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, +die door de liefde voor allen angst behoed werd. + +Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist +de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af +wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde +dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles +wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde +nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem. + +Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, +was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, +dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het +jaar zouden sterven. + +En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela +en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde. + +"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San +Pasquale! + +"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel +verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat +een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk +uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven." + +Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San +Pasquale dacht. + +"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den +regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita. + +Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de +klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij +zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen. + +Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst. + +Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets +anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde. + +En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij +verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een +volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, +hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag +in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld +werd op het altaar der heiligen. + +Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen +dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis +belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men +slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde +afwezigen geschreven kreeg. + +En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden +den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een +gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis, +opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde. + +Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een +vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten, +ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten. + +En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden. + +Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen, +verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed +ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan, +die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings. + +En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, +zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de +grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, +door de poort zou gaan, die hij bewaakte. + +En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo +liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van +huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem +bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in +al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank +en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze +meegeholpen hadden hem te bedriegen. + +En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap +in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit +aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders +konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen +en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag +der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken. + +Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen +het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, +die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts +aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale +voorspelde dat hij op reis zou omkomen. + +En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij +verdiende. + +Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven +doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden. + +Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel +Diamante verwoest zou worden. + +In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de +aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, +zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat +en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs +de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over +hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat +men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta +Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te +overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend +vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op +den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder +grondeloos was. + +De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar +buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met +een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen. + +In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San +Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude +vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie +beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een +pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het +beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden, +dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, +die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods +stem tot zwijgen te brengen. + +Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice +kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, +die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen. + +Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij +zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees. + +Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten +hartstocht in haar ziel luidde. + +"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook +niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want +allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui +dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's +was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden. + +Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En +allen zeiden tegen hem: + +"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons +worden, don Ferrante?" + +Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don +Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui +duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo +te koopen. + +Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, +nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag +bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste +smarten lijdend zonder een woord te spreken. + +Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met +de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don +Ferrante zijn straf zou ontvangen. + +Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin +ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe +meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel +binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden. + +'t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui +en voor de ramp, die het voorspelde. + +Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker +verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, +ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat +er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de +geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde +wegzenden. + +Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf +niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, +wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik +in zijn winkel en zeide evenals alle anderen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?" + +En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo +en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere +Palmeri wilde wegzenden. + +'t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem +rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen: + +"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?" + +Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij +volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, +dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou. + +"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het +ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij +zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij +Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu +alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken. + +Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig +nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld +te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was +overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet. + +Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest +schijnen, bestond niet meer voor haar. + +Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer. + +Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen +te hooren. + +Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de +woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij +zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof +liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij +zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, +wat het was, omdat er zoo veel menschen waren. + +De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto +Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met +zijn mes verwond had. + +Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na +veertien dagen geheel hersteld zijn. + +Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden +in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te +zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met +eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn +huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit! + +Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader +zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied +om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn! + +Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart. + +Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don +Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het +was zoo. + +Zij kon niet vertrekken. + +Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was +dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, +het was zoo, zij kon niet weggaan. + +Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en +gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou +zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar +niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar +dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu +nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen +en toch nooit vertrekken kunnen. + + + + + + +VIII. + +TWEE CANZONES. + + +Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden +en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, +toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel +verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij +bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, +de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote +trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren +van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk +veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen +om zich heen te zien. + +Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die +nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide +zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al +deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, +nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één +dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, +want nu had zij geld in overvloed. + +Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur +stilhouden. + +Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, +nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde +hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand: + +"Donna Elisa! Donna Elisa!" + +'t Was Gaetano. + +"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij. + +"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe +beelden voor u te snijden." + +"Maar hoe weet je dat?" + +"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft +mij alles verteld." + +"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je +den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!" + +"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano. + +Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna +Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk +in de deur der werkplaats om naar hem te kijken. + +Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen +vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken. + +Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde +zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop. + +Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te +verlokken. + +Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante +was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden. + +En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met +het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem +aangeroepen had. + +De regen en het klokgelui was zijn werk! + +Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een +wonder was geschied om harentwille. + +Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij +zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig +aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering. + +Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar +haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de +hand en sprak in het geheel niet tot haar. + +Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat +het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar +niet wilde verleiden of verlokken. + +Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem +zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen. + +Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, +maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden +opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker +smacht naar de eerste roos in de lente. + +Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte +te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit +had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om +met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de +Madonna wel een wonder kon verrichten. + +Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet +vervolgd had, maar teruggekeerd was. + +Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen +bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog +het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar +nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don +Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar +aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als +een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, +zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar +den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden. + +Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem +meester gemaakt. + +Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen +was. + +Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben. + +"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt +stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op +zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven +was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een +arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan +de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het +don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige +muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets +kon een oude koopman niet doen! + +Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij +moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam. + +Wat de koning en wat de koningin zou zeggen. + +"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het +hof gezegd worden. + +"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en +vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, +is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de +voerlieden uitschold? + +"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan +onmogelijk dezelfde zijn." + +Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, +dag uit met hem sprak. + +Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem. + +Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen. + +"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje +bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij. + +"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela. + +"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor +Gaetano, dat ik het u vraag." + +Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje +niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en +nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen +bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht. + +Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw +maakte zich van haar meester. + +Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, +die geholpen was door het heilige Christuskind. + +Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had +gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde: + + + O, had ik antwoord op één enkle vrage! + 'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren, + Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken. + 'k Goot reeds het lood in het kokende water, + Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte. + 'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten, + 'k Smeekte ten slotte de engelenscharen. + Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed? + + +Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen. + +Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd +noemde. + +Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, +was te weten of Gaetano haar liefhad. + +Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij +don Ferrante. + +Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt. + +"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn +grooten magnolieboom. + +"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien." + +En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan. + +Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt +vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de +lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels! + +Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij +was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn +groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar +nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden +en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men +voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna +Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare +macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken +naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, +begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren. + +"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa. + +"Niets, niets." + +"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in +de magnoliebloemen." + +"Misschien doen zij dat nog." + +"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt." + +"Gij kunt immers niet lezen." + +"Maar ik heb Gaetano toch." + +"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt." + +Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa +werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was +daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit +het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord +geven. Maar zij maakte zich belachelijk. + +Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het +beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar +het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord. + +En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, +dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis +was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud +was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in +leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot +waren als het waterrad van een molen. + +Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed +met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd. + +Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en +als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen +uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen +werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de +koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde +leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets +spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten. + +Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te +schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags +niet in zijn wagen op de corso vertoonde. + +Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou +iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij +niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's? + +Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte +genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed. + +Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En +de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat +deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde +niet gunnen? + +Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen +te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante +geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen +zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten +wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen +rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië. + +"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet, +dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet +eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn." + +Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den +ouden galawagen. + +Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was +niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen +even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna +Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren. + +In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben +willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te +stellen had met don Ferrante. + +Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem +slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met +zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, +en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon +vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, +dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden +haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er +niemand in Diamante die lachte. + +Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man! + +De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren. + +Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte +pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want +behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat +op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, +en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en +in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal +naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En +door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl. + +Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als +voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen +broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte +coupé, waarop de reizigers zaten. + +Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, +de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige +jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna +maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden +galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er +naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de +hooge, stille huizen van Diamante. + +Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig. + +Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, +als zij thuis kwamen? + +"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij +vertellen en lachen, en vertellen en lachen. + +Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets +anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets +anders doen dan tobben met don Ferrante. + +Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en +krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen. + +Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname +menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij +zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij +leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de +echtgenoote was van een voornamen heer. + +In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar +vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder +de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder +begeleiding van een gitaar of viool. + +Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of +roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, +die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, +krekels en sprinkhanen een concert gaven. + +"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat +is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi +is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet +te beminnen." + +Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler +minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, +anders woonde zij nu in het zomerpaleis. + +Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don +Ferrante zoo lastig was geworden. + +Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna +Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil +naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid. + +En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen +begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar +werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem. + +Op één der bladen was geprikt: + +"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder: + +"Gaetano." + +Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen. + +Bij een der kleine canzones stond een teeken: + + + Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten. + Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren, + Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u. + Gierig bewaakte ik angstig mijn schat. + Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed, + Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren. + Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond. + 'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee. + + +De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht +en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en +versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur. + + + + + + +IX. + +DE VLUCHT. + + +In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in +Diamante. + +De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, +dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele +eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich +ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon +krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, +altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat +zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk. + +Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij +bij haar in het hotel zou komen. + +Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd +gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden +over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen. + +Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers +van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles +was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar +hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar +waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden +hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden. + +Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de +lippen, en begon zijn beelden in te pakken. + +Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen +beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol +deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De +verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die +hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van +ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss +Tottenham verkoopen, maar stil heengaan. + +En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit: + +"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij +of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij +had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen +uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd +laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, +hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen +heiligenbeelden verkoopen." + +Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, +verrukt! + +Hier was het ware geloof en heilige toorn. + +Deze jonge man moest kunstenaar worden. + +Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester +zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem +die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen +te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen. + +Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, +omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten. + +Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde +dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok. + +Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks +iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet +gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen. + + + + + + +X. + +DE SIROCCO. + + +Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in +Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer +en armer werden. + +Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst +moest worden. + +In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; +in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline. + +Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er +is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen +nacht en men weet niet meer wat slaap is. + +Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den +berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen +fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt +deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende +gezichten der jonge vrouwen van den Etna. + +Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de +phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, +geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich +naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken. + +In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den +Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, +kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel +met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo +lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend +blies de met ongeluk bezwangerde sirocco. + +Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat +men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet +te versmachten. + +Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden +geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde +zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen. + +En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat +bij haar ouden man, don Ferrante. + +Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De +menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, +dat zij bijkans schenen te bersten. + +En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij +begreep dat zij in opstand moesten komen. + +Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander +middel over. + +In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de +menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood. + +"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is +gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is +verongelukt. Waarvan moest men dan leven?" + +En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was. + +Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook +te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen +en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was. + +En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke +bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op +zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te +gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen +prijs moest koopen in de winkels der regeering? + +En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de +boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang +boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op +de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, +dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers +zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen? + +In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de +regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te +gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in +het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, +dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten? + +De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers +niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of +indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars? + +Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En +opnieuw begon zij te vragen: + +Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden? + +En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende +vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat +degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te +vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te +vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, +dat zij stierven van den honger? + +De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde +van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, +dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door +de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden +de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden +werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, +en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen. + +"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's +millioenen!" + +Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo +vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden +zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten +uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden +door de roofgierige bende. + +Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom +moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig +leven in Rome of in Parijs? + +Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men +niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden. + +Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der +groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen +herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar +zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer +voor de zonden der rijken tegenover de armen. + +Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië +opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden. + +Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting. + +De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel +werd tot in Diamante gehoord. + +De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering +niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de +regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het +was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de +corso te zien komen aanrijden. + +Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen +meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan +en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts +de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief, +dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was +niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele +ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten +omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van +hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten +zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, +duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde. + +In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden +vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders +der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden, + +Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle +onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was +hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men +hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da +Felice of Umberto? + +Toen greep ontzetting haar aan. + +Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over +de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen. + +Giannita trachtte haar gerust te stellen. + +"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante +denkt men er niet aan om oproer te maken." + +Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, +dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen +verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher +Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde? + +Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, +zou ook Diamante wel meedoen. + +Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had +den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo +Geraci. + +Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen +beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij +het ochtendgekriek. + +Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen. + +Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote +handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, +fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs +ontslagen galeiboeven in hen te herkennen. + +Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, +en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid +was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles +rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg. + +Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was +overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich +in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij +wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag +wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan +zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan +de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en +aanvoerders der verwoesting gelijk. + +Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar +vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek +lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor +hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven +te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen +hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, +dat hoog in aanzien stond. + +Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls +naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij +thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts +in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in +haar ziel heerschen. + +Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in +gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef. + +Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat +hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten +had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want +dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, +dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep. + +In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, +welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden. + +Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl +zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring +gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar +geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij +smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven +te geven. + +Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had +willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich +tot hem getrokken, meegesleept. + +"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd, +de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn." + +Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere +vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren +geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend. + +Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde +en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk +bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig +verlangen was het, dat uit elk woord sprak. + +Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was +geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar +van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte. + +Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen +nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook +zoo behaagde. + +Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord +te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij +was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem +liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen +vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, +dat hij ze niet vond. + +Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela +nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij +gevaarlijker dan de mannen uit de bergen. + +En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon +iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die +te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim. + +Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er +van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden. + +De socialisten hielden voortdurend redevoeringen. + +Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden +waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden! + +Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou +losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het +was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid. + +Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten +waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven. + +Het eiland werd in staat van beleg verklaard. + +Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En +het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te +moorden naar hartelust. + +Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op +in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op +de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze +groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, +zagen er onheilspellend uit. + +Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis +zouden plunderen. + +Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker +don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen. + +Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, +nu zij ook don Ferrante moest verliezen. + +Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde? + +Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed +bij zijn legerstede. + +Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna +Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de +eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde +den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij +liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, +opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen. + +Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden +zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te +zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, +opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de +treurende vrouwen. + +Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen +gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk +zouden wegvoeren. + +In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten +daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek +in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, +dat over den doode gespreid was. + +Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde, +een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was +afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit +gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar +te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat +haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder +bescherming stond tusschen het verwoede volk. + +Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De +oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta? + +"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken." + +Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op +de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden +verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk. + +Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een +verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna +Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar +kamer binnentraden. + +De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote. + +"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan +zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn +meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters +gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet +verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig." + +"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders +weggedragen? + +"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man +verloren, mijn man, mijn man!" + +De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte +in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag +der jammerende vrouwen. + +Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een +echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren +hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij +niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en +ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en +dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren +zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer +hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf. + + + +Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en +Nieuwjaar. + +Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds +hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco +Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en +dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, +om Diamante binnen te stormen en te plunderen. + +Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden +opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden +gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden. + +Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken +en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen +bij honderden tegelijk doodschoten. + +Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch +niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten. + +Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed +evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante +niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij +niets anders was dan trillende vrees. + +Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof +Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis +gekomen. + +En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel +verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te +hebben, die haar beschermen kon. + +Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien +hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij +wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was. + +Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het +zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem. + +"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand +over hem spreekt?" + +"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over +Gaetano, hoe beter het is voor hem." + +Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou +verhalen, dat Gaetano socialist was geworden. + +"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft +niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer +de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij +geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren +aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en +hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten +te helpen." + +Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen +zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had. + +Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd +hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken +slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had! + +Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk +opriep. + +De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle +socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de +kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden +uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou +uitloopen. + +Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er +zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in +de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's +rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen. + + + +Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron +gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar +had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes +de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, +statige schreden haar weg vervolgden. + +Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar +menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig +de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken. + +Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij +zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood +zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven +te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest +geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat +de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder +steun en beschutting zou zijn. + +Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta +en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat +men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg +was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en +zieken gezorgd zou worden? + +Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk +leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en +aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer +honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der +kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, +dat zij nooit meer brood zouden derven. + +Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten +niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat +deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen +troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij +sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken. + +"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er +geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde +bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot +ellendelingen en misdadigers opgroeiden? + +"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en +in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde +rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon? + +"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken +anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en +armen moesten zijn. + +"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden +zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen +en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten +voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had +de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl +anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij +zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld +ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne +gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot +voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?" + +En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel +niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in +aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen. + +Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te +heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar +waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op +en vreesden het nieuwe licht? + +Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen +om hem heen. + +Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe +helderder zijn stem. + +Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar +hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst. + +Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het +vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen +in hun rijk. + +Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren +reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad. + +Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat +zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik +was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat +zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, +dat het vervoerde en meesleepte. + +Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde, +dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht +zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien +nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging, +dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met +allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden. + +Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard +kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men +voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen. + +Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, +wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer +terug was gekomen. + + + +Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de +ziekenkamer en fluisterde: + +"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar +aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania +gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier +zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden +zal uitbreken." + +Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou +blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel. + +Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij +werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs +de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren. + +"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem +spreken." + +"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna +Elisa. "Hij is in den tuin." + +Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren +omgeven tuin. + +In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras +slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En +de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen +en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden +voor zich uit kon zien. + +Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, +vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe +ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den +tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op +één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer +en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep +hij haar met uitgestrekte handen tegemoet. + +Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten. + +"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf +te storten?" + +Hij begon te lachen. + +"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier +geweest. Komt gij nu ook nog hier?" + +Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en +den pastoor. + +Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam. + +"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij +hier vanavond oproer krijgen?" + +"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer." + +En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna +bedroefde om zijnentwille. + +"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los. + +"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot. + +"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u +allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet." + +Zij antwoordde: + +"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood." + +"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon." + +"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden." + +"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door +hen wil laten vermoorden?" + +"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle +rijken gedood zullen worden." + +Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om +zich niet te overijlen. + +"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat +mij het u eens verklaren." + +En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar +het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had +kunnen begrijpen. + +Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij +het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren +spreken over het socialisme. + +'t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was +begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig +gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld. + +"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij +is het werkelijk." + +Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou +zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd. + +Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en +gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom +en verward. + +Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo +spreken kon. + +En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was +zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een +indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke +man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij +over haar had. + +Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken +om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken, +dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben. + +Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de +klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen +kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd +had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten +om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had. + +Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid, +omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren. + +Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over +socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in +donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca +had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden +zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende +bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit +pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca +verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging +de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna +bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het +was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was, +dat zij aan Gaetano had gedacht. + +Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden +gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts +gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij +slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde. + +Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig +bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou +schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf +kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen +de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts +doorspreken over kapitalisten en arbeiders. + +Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij +had haar niet meer lief. + +Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde +dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen, +maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord. + +Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en +naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een +portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan +weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien. + +'t Was een portret van Gaetano geweest. + +Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken, +gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer +was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts +sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken. + +Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij +herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij +haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar +te trouwen. + +Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te +beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano +geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad. + +Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar +eindelijk te luisteren, naar wat hij zei. + +"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier +in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping, +zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar +beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten +in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag +draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor +den dag komen en ge zult iets geheel anders zien! + +"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het +niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk +aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam: + +--"Denk aan den hemel." + +"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij +bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig +worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat +wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons +verlost zijn van dat hiernamaals. + +"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben +haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder, +die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen. + +"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven +jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over +de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor +haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan +zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen +der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar +schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid, +kennis en schoonheid geven." + +Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij +ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde +hij de door de maan beschenen aarde omvatten. + +"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon." + +En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te +gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk +omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en +lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich +slingeren door die schitterende wereld van schoonheid. + +"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan +het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en +boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt +het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij +zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de +verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen +maken." + +"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met +liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen, +die niets geeft, noch iets vermag." + +Zij viel hem plotseling in de rede. + +Zij begon hem al meer en meer te vreezen. + +"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?" + +"Wat meent ge?" + +"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond, +gezegd heeft, dat gij-- -- --" + +"Wat heeft hij gezegd?" + +"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders." + +"Wie zegt dat?" + +"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt." + +"Omdat ik nu socialist ben?" + +"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?" + +"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn +meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij +zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --" + +Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging +naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat +reikte hij donna Micaela. + +'t Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt." + +Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart +marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het +beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in +verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij +een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te +scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar +mede in zijn zonde! + +"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij. + +O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het +stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen +los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den +Simeto neerploffen. + +"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano. + +Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren +gezien. + +In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en +statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging +als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud +en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en +te winnen. + +"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij. + +Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf +een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij +zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, +ondempbare kloof tusschen hen gelegd. + +Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging. + +Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend. + +Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede. + +"Hoe zijt ge zoo geworden?" + +"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend. + +"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend. + +"En waarom kwaamt gij thuis?" + +"Ik kwam terug om een oproer te verwekken." + +'t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij +zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen +zou zijn. + +"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng. + +"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig. + +"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker +gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen +gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet +juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten +verhinderen in onze plannen? + +"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland +bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!" + +Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En +om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk +verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter +spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken +om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij +het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn +eenige schat in de wereld. + +"Ze strijden vandaag in Paterno." + +"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent +niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den +geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben, +dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele +boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men +scheldt ons niets kwijt." + +Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, +haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde +immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was +vrij en hij wilde haar bezitten. + +Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde. + +Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één. + +Zij naderde hem en greep hem bij den pols. + +"Is dit het oproer?" vroeg zij. + +Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en +geroep van menschen, die door de straten stormden. + +"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!" + +"Leve het socialisme!" + +Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook +daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar +te behooren. + +Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de +tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er +niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten. + +Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde +gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat +klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, +en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, +leve het socialisme! + +Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was +gevangen, hij kon er niet bij zijn. + +Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had +hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden. + +"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel +uit het slot heb genomen." + +"Gij, gij?" zei hij. + +"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u +hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde +u redden." + +"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand. + +Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen. + +"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?" + +Zij gaf geen antwoord. + +"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf +te storten?" + +Zij zweeg nog steeds. + +"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?" + +"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht. + +"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij. + +Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem +den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden. + +Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen, +verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond. + +Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, +die de zijne zochten. + +In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij +wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In +haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als +een vluchteling snelde hij heen. + + + + + + +XI. + +HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN. + + +Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna +Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken. + +Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano +niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader, +dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had. + +Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De +schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf, +dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd. + +Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het +verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren +wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog +meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook +niet gesloten was. + +Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter +Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te +zien op den binnenhof. + +Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets +hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal +stond. Een paar schreden verder vond zij een mes. + +Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam, +vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het +bloed moest zijn. + +En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd +had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen +om het te plunderen. + +En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader, +die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn. + +Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar +nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en +zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en +weerloos was. + +Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede +strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag +een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. + +Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam. + +Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde +aan den hals. + +Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over +de borst en sloot haar de oogen. + +Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed +voelde, begon zij te schreien. + +"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong +leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven +hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis +te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van +mij heeft genomen? + +"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik +liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan? + +"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?" + +Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft +het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge +weet dat ik u heb liefgehad." + +Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde +vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap +en berouw. + +En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij +voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden +geest op zijn tocht naar God te steunen. + +Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf +kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar +vader wedervaren was. + +Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en +vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar +het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den +sleutel om te draaien. + +Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was. + +Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel +alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te +dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar +spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat +dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd +had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een +langdurige bezwijming. + +Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar +onmacht. Toen was er veel voorgevallen. + +De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en +hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten +paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders +laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar +moeders huis. + +Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast +haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij +donna Elisa spreken. + +"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn +zoon zoowel als mijn dochter verloren." + +Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar +lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt +was. + +"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het +begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten +op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij +slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te +lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het +zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen +bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere! + +"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten, +toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de +bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte +Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?" + +Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te +spreken, dat zij nog droomde. + +Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En +weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe +het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen. + +"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is +het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig +maakt? + +"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig +geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch +altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in +de armen. + +"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was +gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten +wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en +woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt +de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd: +"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan. + +"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want +zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en +trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen +soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn, +hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in +hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even +tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit +wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de +stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij +krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk +met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd +en vrouwen vermoord hebben. + +"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?" + +Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf +wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich +niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was. + +"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar +gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa. + +"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven? + +"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita." + +Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen, +opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij, +dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden. + +"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen," +klaagde donna Elisa. + +"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens +een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben, +omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik +nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb? + +"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide +mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik +antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij +heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een +jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik +zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch." + +Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden, +maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat +scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen +op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te +laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde +oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de +tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen +haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol +veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud. + +"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was +reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons +arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een +bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten, +evenals zij dat de anderen gedaan hebben. + +"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op +het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe +zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden, +hij zal ziek worden, en spoedig sterven." + +Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en +richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij +haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita. + +Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur +bleef staan en tegen den deurpost leunde. + +"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --" + +De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen +in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken. + +Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna +Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren +dat donna Micaela haar trachtte af te weren. + +"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare +stem. "Ik heb het gedaan." + +Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna +Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde. + +Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar +men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen +wat zij meende. + +"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen +riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte. + +Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en +kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving +voor hetgeen zij gedaan had. + +"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela +zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het +waar was. + +"Ja, zeker is het waar." + +Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij +dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna +Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd +als tegen haar. Kon zij haar vergeven? + +"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna +Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts. + +"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het, +maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet." + +"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa. + +Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar +het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand +kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon +geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd +tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet. + + + +Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder +ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan +een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten, +dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar +een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk. + +"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano +heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij +was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van +het leven zelve voor haar. + +Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende +hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk +tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij +nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem +te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij +verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was, +zij nooit de zijne kon worden. + +Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij +vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste +zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel +te kunnen redden. + +Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden +haar lief te hebben. + +Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook +hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij +moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien +hij wist hoe zij van hem droomde! + +En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik +sterven, Gaetano?" vroeg zij. + +"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is +mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis +gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben, +omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze +liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief, +ik sterf als ge mij niet lief hebt." + +Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds +op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn +terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin +zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad. + +Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano +te ontvangen. + +'t Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den +postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd +genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had. + +Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende +oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die +moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet +kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen. + +En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij +mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden +van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets. + +Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen +antwoord. + +Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde +zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad. + +En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op +te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het +liefst alleen. + +Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone +oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben. + +Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar +den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi +voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde, +dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij +kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar +dat kwam niet. + +Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te +glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San +Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt. + +Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de +laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood +en kommer de gemoederen te veel drukten. + +Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol +vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis +smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister +te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen, +zei men. + +En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou +duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken +der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche +optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten +lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend +en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en +men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna. + +Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden, +was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze +kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren. + +"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en +groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten +vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die +dit huis vervullen." + +Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte +veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij +sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk +op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen +en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden +daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen, +en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een +waskaars prijkte, in de hand houden. + +Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van +alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak, +en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige +waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid. + +Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd +tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten +van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin. + +Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door +leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis +binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even +heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder +was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den +winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het +had een immortel of een bellis in de hand. + +En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat +aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men +moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel +in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle +huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren +touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke +tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere +eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van +gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte +tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes. + +Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men +die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen +versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de +poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen. + +Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van +blauw-roode anemonen. + +En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig +als een stijgende vloed. + +Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan +vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en +geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden +met versierde leidsels. + +Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale +opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige +menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden. + +Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen +plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat, +menschen voor de ramen, menschen op de balkons. + +Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol, +de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de +stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar +zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende +menschenmenigte. + +De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet +alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog +positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel, +speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen, +die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei +marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de +Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men +de muziek in geheel Diamante kon hooren. + +Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in +de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken +uit haar verdooving. + +Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had. + +"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te +leven." + +Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het +leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten +zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing +vinden, dan moet ik sterven." + +Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne +een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar +kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En +daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden +om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem. + +En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen +man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood. + +"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man. + +"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat +hij Sicilië wilde redden." + +Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder. + +Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te +zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht +en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten +of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren. + +Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er +gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren. + +"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met +mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke +canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze +verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw +en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode, +die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen +schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het +machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk +als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen +van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden." + +Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar +zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri +te spreken over Gaetano. + +"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij. + +"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela. + +"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen +en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had +nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan +deelde zij de koralen uit." + +Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij +wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen. + +"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei +hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien +hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de +schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat +hij niet grooter was dan zóó." + +Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig +dat hij moest afbreken. + +Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had +een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen +rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd +had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen. + +Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San +Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze +ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan." + +Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu +wendde zij zich om. + +"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan." + +Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van +de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het +zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna +Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna +Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd +was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou +ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet +zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde. + +Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en +gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was. + +Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing +geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden, +ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik +hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben, +maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet +meer liefhebben." + +En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren, +scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit +donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij +vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar +voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar +gelaat in de kussens. + +Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke +omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet +liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had, +al deze armen te helpen. + +Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze +geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind +zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat +alles geëindigd was. + +Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld +in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de +kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk. + +Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij +was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend +had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond, +maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham, +zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht. + + + +Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al +haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en +haar oude vader alleen in het groote huis waren. + +Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd +der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde +donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten +hem te volgen. + +Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was +in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet +met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden. + +"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't +Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak +meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had. + +Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had +een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in +Diamante kwam. + +Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein +heiligdom van God. + +Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van +stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij +begrijpen kon, wat het was. + +Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was +met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine +stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein +olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van +een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit +gezien had. + +Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet +noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende. + +Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht +door een vuurwolk. + +Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte +diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude +betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag, +maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis +met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en +de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij +kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier +getroffen had. + +Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond +was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in +donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze, +die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was. + +Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar +oploste in bruisende bergstroomen. + +Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd +dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij +het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts +bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde +zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende +handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in +gebed gevouwen waren. + +Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een +groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek +bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld +zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd. + +Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania, +die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië, +een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter +van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het +waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij +dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand +had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche +leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren. + +Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het +lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo +het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was +immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde +onderwerp zouden spreken. + +De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude +Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden +om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde +zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond, +bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw +tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde +die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het +jaar vijftienhonderd. + +Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed +en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren, +werden bang voor den kleinen Gandolfo. + +"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem +niet gelukken." + +"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den +verlovingsband niet uit haar vlechten." + +Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al +kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren +hoe zijn tanden klapperden van vrees. + +Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren, +maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht +had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling +van hetgeen de anderen gezegd hadden. + +Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam +de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood +kleurde zijn wangen. + +"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen +mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór +mij zie!" + +En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij +zelf gezien had. + +Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis, +over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder +een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad +verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen. + +Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der +aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen, +die erger waren dan dieren. + +Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo +had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen, +die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde +roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei, +dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek, +het hart beefde. + +Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze +menschen. + +Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de +bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken +op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als +zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden. + +"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering +en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet +gij, wat gij gedaan hebt? + +"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik +het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op +hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al +die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel +lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren +schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden +en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche +beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn +medegevangenen een vreeselijken lach toe. + +"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach. + +Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking. + +Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het +was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die +rood was van bloed. + +Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid +gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in +het huis, waar zijn geliefden woonden? + +Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu +zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen +hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd. + +Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname +man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet +verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had +willen plunderen bij twee vrouwen. + +En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid +in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke. + +"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó, +dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt, +waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een +lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde +Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en +men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen. + +"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het +lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het +kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke +zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde +uit het huis der Alagona's zijn moest. + +"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt +stond te vallen. + +"In dit oogenblik vroeg de rechter hem: + +"Kent ge de vermoorde?" + +En hij antwoordde: "Ja." + +Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze +u na?" + +En don Gaetano antwoordde: + +"Ik heb haar lief." + +Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat +donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken, +maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich. + +"Stil, stil," zei hij tot haar. + +En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en +dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht. + +Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend +had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had: + +"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap +staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?" + +Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn +vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof +hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten. + +"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan +met deze menschen?" + +Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers +en moordenaars. + +De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op +dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken. + +Maar toen was er een Godswonder geschied. + +Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de +tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een +el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon +en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren +zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed, +viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano. + +Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en +beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had. + +Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik +ontnam de soldaat van de wacht hem die. + +Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was +het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede? + +Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als +voor een wonder, want hij was geheel veranderd. + +"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en +zijn oogen waren mild en straalden zacht. + +"En er was geen toorn meer in hem. + +"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden +voor hun leven. + +"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad, +dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden +leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven," +zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld." + +"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij +sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun +levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij +sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden. + +"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don +Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren. + +"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige +menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en +hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden +over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde. + +"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede. + +"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek +niet voor anderen." + +Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer +dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn +werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik +heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets +ofschoon niet veel." + +De rechter had hem bijna gesmeekt: + +"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt." + +Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem +te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen +en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt +de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge +het mij gaan, zooals zij wilde." + +"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de +soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg. + +"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste +vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem +doen zou. + +"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden, +opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen +improvisator, ik kon niet!" + +Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij, +dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze +gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen +spreken over u en nu zult ge hem niet helpen." + +Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de +kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij +hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand +gesproken had als hij, neen niemand. + +Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over +hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem +wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de +golven der zee in het sterke licht van de domkerk. + +"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk. + +En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den +kleinen Gandolfo. + +Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht +er niet aan bevreesd te zijn. + +Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen +stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende. + +Dat was de hoogste zegening. + +Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij +had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad. + +Toen hij deze woorden aanhaalde: + +"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen," +had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was, +die onder het lijkkleed der Alagona's lag. + +En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief." + +Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar +tranen vloeiden. + +"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich +willoos door de volksmassa meevoeren liet. + +"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven." + +Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij +hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om +lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen. + + + + + + +TWEEDE DEEL. + + + "De Antichrist zal van land tot land + gaan en den armen brood geven." + + +I. + +DE VROUW VAN EEN GROOT MAN. + + +Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld +rondom Diamante te bloeien. + +Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten +amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een +vaas in de muziekzaal gezet. + +Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren +dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle +weken zou men ze nu overal vinden. + +Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de +graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar +gedragen worden. + +Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij +zouden prijken op het zwarte lavaveld. + +En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de +klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde +een heel leven met hem te zullen leven. + +Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat +het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit +meer zou zien. + +Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden +met kloppen en zij sloot de oogen. + +Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen. + +Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de +hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina +Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een +jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op +het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden. + +Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man +met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of +hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat +zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door +hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden +en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten. + +Zij vraagt hem waar hij thuis behoort. + +Hij antwoordt: "In Diamante." + +"Is dat ver weg?" + +"Vier uur met den postwagen." + +"En met den trein?" + +"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina." + +"Ge moest er een aanleggen." + +"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij +voor ons een spoorweg willen aanleggen." + +Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij +zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is +tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.-- + +Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd +had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano +kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn +beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden +de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen. + +Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder +Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te +hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het +plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania +en Diamante. + +Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te +doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest +gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij +was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan +iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante +slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn, +honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk +konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn. + +Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou +kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar +geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte, +moest zij gehoorzamen. + +Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen +afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat +zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur +was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen. + +Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt +ge een bazaar houden?" + +"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg." + +"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders +aan gedacht hebben." + +"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?" + +"O niets." + +En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk. + +"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?" + +"Neen." + +"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?" + +"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna +Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken." + +Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of +andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen. + +Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden, +dat dit heerlijke plan Diamante zou redden. + +Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al +sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers. + +Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar +welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren. + +Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam, +antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm. + +De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den +bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar +van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De +stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen +afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit. + +Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor +waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie +noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen? + +Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen, +sommigen werden boos op haar. + +Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen, +waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te +vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden, +met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in +een verhaal was, moest zij wachten. + +Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote, +die op de estrade aan zijn voeten zat te breien. + +Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen +zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van +buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's +lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem +te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had, +toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen. + +Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in +zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan +de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem +verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van +buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den +toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam. + +Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof +ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en +daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken. + +En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier +had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen +doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar +ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden +meester Pamphilio te hooren vertellen. + +Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in +droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt, +zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist, +wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal +geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of +hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de +duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden. + +Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij, +"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten." + +En meester Pamphilio vertelde: + +"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte, +die Guglielmo de Slechte heette? + +"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij +beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En +hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen. + +"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog +gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een +zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de +man bood het paard te koop aan en riep luid: + +"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!" + +"Maar er was niemand, die het paard kon koopen. + +"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo, +de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover. + +"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit +paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester. + +"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij +een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de +Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden +munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor." + +"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden +niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der +Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen. + +"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn, +zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele +priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte. + +"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster +der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht +het paard daarvoor. + +"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard +uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu +werd de hertog voor den koning gevoerd. + +"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo +de Slechte. + +"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde +vanwaar hij de munt gekregen had. + +"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog +geld bezitten." + +"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den +mond der dooden te nemen." + +Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde +donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela. + +"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij. + +"Ben ik dat? ik?" + +"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een +spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men +zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen, +die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij +onze voorvaderen plunderden." + +Donna Micaela wilde haar kalmeeren. + +"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij +zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die +bloedzuigers in Rome hebben u betaald." + +Donna Micaela wendde zich van haar af. + +"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den +grijsaard. + +"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in +de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij +nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela." + +Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik, +zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God +ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester +Pamphilio! + + + + + + +II. + +PANEM ET CIRCENSES. + + +In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het +punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te +zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren +zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn. + +Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat, +beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere +gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd +te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt: + +Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de +wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij +gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche +leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft. + +Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen +dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren +een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen, +dat duurzaamheid bezit. + +Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te +vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte. + +Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere +uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld. + +Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden, +gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde +niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit +aanschouwd hadden. + +'t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was +een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam, +was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf +te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot +genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen +als een koningin. + +De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong +steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel, +dat de straten der stad iederen dag geveegd werden? + +Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante +voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij +hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als +gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een +dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het +kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en +haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo +of Nicolosi konden rijden. + +En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch +te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en +donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen! + +Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden +op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in +den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen +aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor +haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten +rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven +om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk +lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis +der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar +uit deze te komen zien. + +Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij +waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als +zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop +op de Engelsche signorina vestigde. + +Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij +weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te +worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij +gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij +nam hem. + +Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als +zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag +weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds +een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in +Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze +kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen +en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op +den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het +dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was +daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde. + +Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden. + +Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden +tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat +gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen! + +Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en +kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich +voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar +zij regeerde. + +Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd +tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen. + +Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd +een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der +oude keizers gedaan zou hebben. + +Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten +kwam! + +Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van +de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van +het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn +gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren +deuren van het Grieksche theater openschuift. + +Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen, +die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers +hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de +oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken. + +Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien +kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche +leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest +en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als +een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels, +met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders +en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die +wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer +die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen, +allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest. + +De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie +bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche +signorina haar te overwinnen. + +Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt +stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs +de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij +had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en +keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in +witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij +haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten. + +Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna, +de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu +aan San Pasquale gewijd was. + +En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen +van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het +hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen, +zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de +hielen volgde. + +Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina +ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat, +was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts, +zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam +en een zwaar, plomp gemoed. + +Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel +ander mensch. + +Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen +liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij +aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats +aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een +gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer +bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en +niets anders was het! + +Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de +menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter, +die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor +haar en zei: + +"Ik drink op uw welzijn, signorina." + +Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor +haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een +ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de +mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan +om te worden aangebeden? + +Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo +worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar +niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven +haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn. + +Ze hielden toespraken tot haar. + +"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die +Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort. + +En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer, +dat zij glimlachen kon. + +Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der +Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen +zij noodig had. + +Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar +Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar +was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote +weldoenster. + +Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn +waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht. + +De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met +de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te +kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging +als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina +heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar +aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in +het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem. + +"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij. + +"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten +en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En +plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te +voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!" + +En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te +voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen, +hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden +zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij +gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft? + +Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een +goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het +hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam +werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er +kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat +men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht +met hun gejubel en gedans te vervullen. + +Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat +was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar +gasten aan te bieden? + +Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar, +de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit +alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al +haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken +en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun +eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel +het schoone panorama aanschouwden. + +De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze +krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig +in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met +een schat van lof. + +Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al +deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar +gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert +en bezielt. + +Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk. + +Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit +afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, +maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die +haar liefhadden. + +Zij trad het laatst van allen op. + +Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te +treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie +geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd +te worden. + +Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men +wilde den grond verpletteren om haar te huldigen. + +Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot +achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op +de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit +en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag. + +Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn +en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet +van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot. + +Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen +op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden, +opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en +zwak. En de menschen kenden elken toon. + +Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele +gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche +signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo +lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de +handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een +krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet. + +Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, +die valsch zingen. + +Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven +gedaan hadden. + +Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele +zuivere toon! + +Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven, +dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom +zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om +hun ooren te pijnigen met vijl en zaag? + +Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet +nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om +in een daverend gelach uit te barsten? + +Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina! + +Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend +onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen. + +Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat +zij niet zien kon. + +Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was, +dat haar niet aanging. + +Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval +op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels +en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon +zien schudden van 't lachen. + +Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen +vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde +van 't lachen en de zee glinsterde van pret. + +Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo +gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij +riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden +zij zich niet laten ontgaan. + +En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos. + +Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om +haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij +de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd +in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren +verslonden te worden. + +En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, +werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook +bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf. + +Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende +volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen, +omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij +bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was +een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde +en zij was bang. + +En zij lachten en lachten! + +Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, +gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was +misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij +behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was.... + +Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer +uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, +bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn +vrouw te worden. + +Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en +trouwde met hem. + +Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed +niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante +zijn. + +Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat, +maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche. + +Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar +zelf merkte men niets. + +Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet +of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij +de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche +huisvrouw behoort te zijn. + +Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij +paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot +stand brengen, dat duurzaamheid bezit. + + + + + + +III. + +DE VERWORPELING. + + +Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen +hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover +te betuigen. + +Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen +naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde +en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van +Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille +van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen +te blijven. + +Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol +reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster +zou vertrekken. + +In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, +donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van +het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor +de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche +signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen. + +Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij +was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde. + +"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat +geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den +arm en werp mij in den Etna." + +De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks +haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën +willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven. + +"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht +schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van +Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad +verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met +haar, signora!" + +Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging +met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht +donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham +sprak met signor Favara over zaken. + +Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om +de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde +zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat +zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan +u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, +indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde +zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde +zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor +Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven, +zou niemand dat kunnen. + +Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den +ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij +niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg. + +"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote +weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden. + +"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!" + +Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij +duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit. + +Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had +ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden +menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers +bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der +helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt +hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra +Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder +gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, +werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon, +dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra +Felice zeker niet gewoon. + +Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en +verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, +trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van +de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, +hadden heden tijd om aan fra Felice te denken. + +De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij +was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den +monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice +staande hield. + +Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den +grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen +een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte +niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen +en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn +cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd +was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij +fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan? + +Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote +Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de +kerk van San Pasquale. + +Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster +opgeheven en aan een koopman verkocht werd. + +De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij +niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus +te verkoopen. + +Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te +noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef. + +Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden +der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan +de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een +verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd +gedaan had. + +De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde +zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de +groote wijngaarden, die er bij behoorden. + +Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster +en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren +witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, +ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice +zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een +rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster. + +Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in +oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere +wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden. + +Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn +gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik. + +Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had +moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het +pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, +dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen +en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij +had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze +kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde +zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen. + +Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat +niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over +te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de +verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat. + +Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd +haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn +droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn +verzoek toegestaan. + +Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen +op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen. + +Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten +veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen +geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen +gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt +van scheiden kon. + +Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en +nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, +maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld. + +Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles +wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde. + +Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op +dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had. + +Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te +spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen. + +Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar +te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien. + +Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen +glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice." + +"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij +nooit weer onder de oogen komen." + +Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er +aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, +glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, +het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige +steenen. + +Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege +hoogaltaar van zijn kerk plaatste. + + + +Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan +en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer +vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de +schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen +boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In +dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad. + +Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem +schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens +dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen +niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl +de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het +koord ongebonden op zijn rug. + +De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon +danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter +haast aansporen. + +De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef +zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende +hem niet. + +De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de +hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat +uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts, +waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle +hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter +den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij +bleef stilstaan. + +Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een +poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte +hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje +riep de signora. + +"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet +spreken." + +Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar +adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op +zijn wangen. + +Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur +de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen. + +Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven +het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, +maar het beeld was onbeschadigd gebleven. + +En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had +niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd. + +Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem +naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest +het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming +genomen had. + +En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn +klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte. + +Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, +vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, +en dat het een wonderdoener was. + +"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij. + +Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er +bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring +van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht +heeft en welk niet. + +Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren, +alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje +speelde. + +Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn +gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd +verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling, +dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen +kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor, +en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle +heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk +ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat. + + + + + + +IV. + +HET OUDE PASSIESPEL. + + +Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd +vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te +Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, +die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn +levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat +hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust +van het graf zou schenken. + +Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het +geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde +hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt +worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook +niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat +in te grijpen en te leiden. + +Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken +zooals hij altijd gedaan had. + +Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat +hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk +zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven +binnen vier muren. + +Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van +hem ontving. + +Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of +Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien +zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de +buitenwereld hooren. + +Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar +spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, +maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, +en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, +die zij op haar bazaar wilde verkoopen. + +Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet +Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde +haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet +haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en +doosjes van schelpen maken. + +Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen +op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze +vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over +zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame. + +Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want +hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld. + +Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, +dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn +hoofd en wees op zijn kalen schedel. + +"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg +uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt." + +"Wát meent gij, fra Felice?" + +"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot +plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?" + +"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice." + +"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als +iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro +moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand +begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw +spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden." + +'t Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen +schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het +gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en +beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, +indien zij dit slechts deed. + +Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk +beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale. + +Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan +en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor +den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar. + +'t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote +van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale +te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is. + +In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit +te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek +aan geld hadden. + +Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met +minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen +bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft. + +Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den +lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte +oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op +het verguldsel der kronen. + +Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar +in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te +brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar +een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, +dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd +op dezelfde wijze hebben. + +Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging +steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de +twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, +die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden. + +Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, +en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een +zeer hooge betaling. + +Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan. + +Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van +geheel Diamante bleven weg van het theater. + +Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, +niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten +weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don +Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden. + +En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood +dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er +heen te gaan. + +Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, +alles weer zooals vroeger in te richten. + +Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en +broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn +familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond +zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij +kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij +kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, +die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus. + +En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet +gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde +dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de +muzikanten. + +Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met +prachtige monteering. + +Maar ook dat hielp niets. + +Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt +en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele +machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten +moet zijn, voordat het gespeeld kan worden. + +Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende +een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis. + +Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij +behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers. + +Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder +Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard +waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio +een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een +vergelijk komen. + +In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in +een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren. + +Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar +nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, +maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet +verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken. + +Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den +heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen +voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar +toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden. + +"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat +heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk +binnen. + +Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd +beeld en de groote collectebus. + +En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat +donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem +in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op +haar knieën zonk om te bidden. + +En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit +hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de +groote bus, die naast hem hing. + +Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren +en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien +het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, +dat haar zeide, wat zij doen moest. + +Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de +domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura. + +En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen: + +"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel +hoorde." + +Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: +"het Passiespel." + +Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen +konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig +verlengd was. + +Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode +lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij +vele mijlen afgelegd had. + +Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn +beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio +aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen +uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er +door scheen. + +Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een +verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn +gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht +hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan +niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij +het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren. + +Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was +nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had +hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij +had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan +een idee ontbrak. + +Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit: + +"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen +vol koningsvijgen!" + +En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook +zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had. + +Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen +vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een +onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude +Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude +passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld +werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende +een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld. + +Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel +vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog +slechts als een sage in de herinnering van het volk. + +In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters +gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was +het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd. + +Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde +met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, +die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop +in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon +zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm +uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was. + +Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte +zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op +gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er +niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet +denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden +zij het oude passiespel ook niet liefhebben? + +Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het +te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en +witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, +en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht +en de kruisiging. + +Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond +viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws +belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, +als het beeld hen wilde bijstaan. + +Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en +tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen. + +In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het +oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had +zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, +indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen. + +Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden +der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de +rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes +uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen +dag duurde. + +Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, +toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het +passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort +de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en +het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij +een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een +berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten +van des sindaco's tuin. + +Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in +don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar +trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de +tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen. + +En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden +schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd +te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf +had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde +gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: +"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie +bedrijven door cavaliere Filippo Orioles." + +Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming +was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater +gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel +duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door. + +Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was +niemand ongeruster dan donna Micaela. + +"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond +haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden +er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden +komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het +loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden. + +Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop +geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen +hadden besloten don Antonio te ruïneeren. + +Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij +overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel +dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater, +maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote +vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde. + +Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten +voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht. + +Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela," +zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio +zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste +treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft." + +Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed +was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude +passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, +met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek +bekleed. + +Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don +Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de +coulisse. + +"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken +geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen +toeschouwers noodig." + +Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend +de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen +te laten. + +"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij +begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd +in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, +dat mij tot priester gemaakt heeft." + +Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en +broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen +opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met +don Antonio. + +De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg +tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed +en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad. + +Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes. + +Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand +het theater vulden. + +Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer +zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, +eigenzinnige knapen. + +Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of +een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden +allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op +hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken. + +Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het +niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in +hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun +onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters +was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen +gestormd. + +Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, +of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, +het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in +Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, +het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke +gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht +nog niet verloren. + +Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het +avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten. + +Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd. + +Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden +af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine +oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in +de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven. + +Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield +op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine +poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot +priester gemaakt had. + +Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen +zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij +waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich +nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven! + + + + + + +V. + +DE DAME MET DEN IJZEREN RING. + + +Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij +in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast +het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat +donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, +maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had +zij dezelfde wijs gezongen. + +"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn +glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn +haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd +is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit +meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden +om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen +omstrengelen." + +Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof +het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te +voorspellen, dat haar wachtte. + + + +Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van +de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden +op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein +aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er +wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de +zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden +jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe +spoorweg!" riepen ze. + +Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein. + +En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den +koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg. + +"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend +met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger +gevoerd hadden. + +"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de +vrijheid aan den laatsten Alagona!" + +En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen +op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, +die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna. + + + +Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, +zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien +had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg +zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte +zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar +zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te +Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong +zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel +ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen +en den hals van den gevangene. + +O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen +werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken +om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich +niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat +zij hem geen oogenblik vergete! + + + + + + +VI. + +FRA FELICE'S TESTAMENT. + + +Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor +de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen +queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was +het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, +en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het +geliefde treurspel te zien. + +Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor +dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond. + +Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde +en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus +van het kleine beeld. + +In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen +gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige +wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan. + +"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco +geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij +beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's +spoorweg?" + +Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht +alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk. + +Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, +die het beeld reeds verricht had. + +"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, +als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa. + +Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende +zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon +zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval. + +Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de +eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen +richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa +het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben +willen helpen. + +Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar +schoonzuster wilden bijstaan. + +Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan +gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela +en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een +zondaar, gekweld door gewetenswroeging. + +Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in +deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten. + +"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze +houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit." + +Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar +voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren +lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes. + +Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar +gedachten terug. + +"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren +op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de +heilige Gaetano zou helpen." + +Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag +een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën +en altaarstukken in breede vergulde lijsten. + +Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het +kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige +moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te +leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met +muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen. + +Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de +rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, +naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, +die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de +stad gekomen? + +Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam +er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken +zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk +hangt tot nagedachtenis der dooden. + +Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat +er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen. + +De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een +theater zou veranderen. + +Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't +Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde +toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad +voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou +verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men +zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch +zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; +men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen. + +Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat +er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo +goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden. + +Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel +aangenomen. + +Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille +en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote +haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt. + +Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden +dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu? + +Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, +leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de +breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, +een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat +waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo +hard zij slechts konden. + +"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa. + +"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en +tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want +de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk. + +In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote, +donna Concetta. + +"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets +vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan." + +Maar donna Elisa ging verder. + +In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar +in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een +grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag. + +"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor +Arrigo los." + +En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen +had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost +te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu +werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot +grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart +marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep +over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men +placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem. + +"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En +door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor +waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden +Jezuïet aan te raken. + +Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister +en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna +gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met +medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, +dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van +zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte. + +De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich +verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen +en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa +en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at +bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, +blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren +er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het +zonnelicht zien. + +Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van +hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te +vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen. + +En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, +don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen +om de bedroefden te troosten. + +Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze +menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk +een ellende treffen? + +Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen +hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, +don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien. + +Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa. + +"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude +vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door +de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan +den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, +alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik +strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, +toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, +dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat. + +"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, +niets, niets was er." + +"Och, arme!" zei donna Elisa. + +"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met +Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de +nis van Sor Arrigo kwam. + +"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij. + +"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand +en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij +mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze +kerk voor een theater! + +"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog +hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen +geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en +bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet +meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij." + +"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa. + +"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, +dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons +een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen +van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen. + +"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even +rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags +telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen +dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende. + +"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we +niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen." + +Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over +stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen +aandeed. + +Toen ging donna Elisa naar don Matteo. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?" + +"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft +met hem te spreken, dan dat ik het doe." + +"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit +hooren spreken over de blinden." + +"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest +en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat +hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is. + +"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad +kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de +mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd +worden." + +Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde +man kwam binnen. + +"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa." + +Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in +deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een +langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen. + +Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats +en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar +vader Elisa om met hem te spreken. + +"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De +grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn +grove oudemannenstem: + +"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge +dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?" + +Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met +hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem +verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten +reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het +recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen +te beoordeelen. + +"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en +dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat +zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, +dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een +wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, +omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer. + +"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude +gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe +dichten. + +"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het +edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde +laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem +dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat +de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons +wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren? + +"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons +veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun +niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, +dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in +Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document." + +"Wat antwoordde hij toen?" + +"Hij lachte mij uit." + +"Kan geen der andere raadsleden u helpen?" + +"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen +van Pontius naar Pilatus gezonden." + +"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge +vergeten de heiligen aan te roepen?" + +"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en +Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts +bij naam kende." + +"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog +meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde +geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?" + +"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos. + +"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa, +"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld +beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen +zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden +bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij +weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, +vader Elisa. Een belofte kost niets." + +"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard. + +Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep +dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten +te worden. + +"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze. + +"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard. + + + +Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn +kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen +hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den +zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had. + +Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk +als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond +veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen +de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze +rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den +baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, +evenals fra Felice zelf. + +"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben +nog vele jaren te leven." + +Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een +beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale +hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik +werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij +gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan +den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem +weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich +naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich +in zijn pij wikkelde. + +'t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je +noodig, fra Felice." + +Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden." + +Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra +Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te +voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het +beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden. + +Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen +had om hem vaarwel te zeggen. + +Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde +hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het +niet aanging zoo uit het leven te glijden. + +'t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem +keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij +had immers niemand om hen te halen. + +Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer +en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij +geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn +pij wikkelen. + +Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen +was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden. + +Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden +geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak +bevorderd zou worden. + +Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen +en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer. + +Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet +sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: +"Ik ga sterven." + +Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen. + +"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw +het stof van den grond te wisschen. + +Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde +halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug. + +"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa." + +'t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar +adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten. + +Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op +in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol +vuur en zonder eenige moeite. + +"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't +Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien +ik die zou nalaten." + +"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is +geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan." + +Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij +over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor +hem was geweest. + +"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca +te maken?" zei hij. + +"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa. + +"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave," +zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven +werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een +zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, +het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet +en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor +een armen monnik, donna Elisa." + +Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd +geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden +vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven. + +"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam +de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl +hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten +tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele +steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben +nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in +het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is +een goede gave geweest, donna Elisa." + +"Ja, dat is waar," zei donna Elisa. + +"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice. + +"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten +dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei +en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, +het was een Godsgave." + +"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa. + +Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, +als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags +en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de +loting is." + +Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets +anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen +in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde +zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij +wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel. + +"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice." + +"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo +moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik +haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, +die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het +geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?" + +"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?" + +"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel." + +Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde +heftig. + +"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster +verloren hebben," fluisterde hij. + +En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne +willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons +allen waakt." + +"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa. + +"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel." + +Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij: + +"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa." + +Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak +rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op. + +"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij +stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar +overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van +Diamante." + +"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers, +die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard +geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan +de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws +aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn +testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, +een heele quinterne, donna Elisa." + +Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te +geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet +vele oogenblikken meer te leven. + +"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra +Felice denken. + +"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan +het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?" + +"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te +Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel +naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, +aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer +wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, +alle honderd. + +"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van +verwachting, gelijk de zee trilt bij storm. + +"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol +spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd +hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste +hoop te koesteren. + +"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, +zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want +zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede +cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren +van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden +winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede +winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het +rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer. + +"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij +zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, +men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men +is rijk. Geheel Diamante is rijk..." + +Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl +hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar +achterover. De oude fra Felice was dood. + + + +Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele +menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep +getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, +maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa +Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier +honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij +naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken. + +Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen +was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden +gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was +een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, +maar niet toegegeven. + +Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de +vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen +zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich +terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden +niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had. + +Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het +testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al +de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening +in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij +had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden +bijstaan. + +Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet +alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de +gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het +volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, +zouden ze verpanden en verkoopen. + +De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en +vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden +te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen +dag lastig gevallen was door allerlei menschen. + +"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna +Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak. + +Toen vertelde zij hem van het testament. + +De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd. + +"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar +het papier. + +Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg: + +"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw +voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?" + +"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van +een stervende." + +Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament +het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten. + +"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten +bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu. + +"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel +vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij +vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu +het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan +ik niet." + +"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?" + +"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster, +maar zulk een klooster bestaat niet meer. + +"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?" + +"Men zou u liefhebben als een goeden man." + +"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen +er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een +of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te +houden. Morgen zal het vergeten zijn." + +"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten." + +De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk +van Diamante beter te kennen dan zij. + +"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij. + +"Ja, dat geloof ik, signor sindaco." + +Toen glimlachte de sindaco weer. "Geef mij dien brief eens, signora." + +Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken. + +"Ik wil u zeggen," sprak hij, "dat ik juist nu verneem, dat de oude +fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij +heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de +loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog +gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is." + +Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen +hij gezegd had. + +En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: "De cijfers, de cijfers!" + +De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen. + +"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten +kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen. + +"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen +verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds +zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat +iemand het gelezen heeft." + +"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!" + +"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof +ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden." + +Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in +de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de +leuning vast. + +"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij +het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?" + +"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook +in de toekomst de armoede dragen." + +"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een +andere. + +De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan +en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk +toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde. + +De kerk der blinden was gered. + +"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen +gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers +verbranden! Dat is een wonder." + + + +'s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij +zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd +was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een +arme, oude, verlaten vrouw. + +Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer +insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar +moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en +het bedierven. + +Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor +altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien. + +De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan +twijfelen, dat er nu een wonder was geschied. + +De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, +dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden +waren door een wonder. + +Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna +Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en +donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu +binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna +Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken. + +Donna Micaela was overgelukkig. + +"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!" + +"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!" + +"Donna Elisa!" + +"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat +zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze +u liefhebben." + +Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen +waarom donna Elisa kwaad op haar was. + +"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur +hart drukte: + +"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht +tegen me waart." + +"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?" + +"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad, +terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te +verwijten indien hij thuis was." + +Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op. + +"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een +zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd. + +"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel +onmogelijk hem niet lief te hebben. + +"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang +voor hem ben. + +"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben." + +"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af. + +Donna Micaela geraakte buiten zich zelf. + +"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij +had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen, +en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge +boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem +te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen." + +Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers +nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist +een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel +om haar heen slaan. + +"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij. + + + + + + +VII. + +NA HET WONDER. + + +Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de +Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude +blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij +waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun +kruk naast zich liggen. + +Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten, +wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van +deze heerlijke, oude academie. + +Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de +geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten, +maar spoedig was alles weer rustig en stil. + +De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op +om nieuwe gedichten voor te dragen. + +"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van +hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft +u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee +lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten +van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel. + +"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij +zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn, +die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen +zij verlangt." + +"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij +staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van +blik en zijne diamanten zijn van glas. + +"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel +voor mij, gij ellendigen. + +"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe +hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en +als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden +schoentjes dragen, met paarlen versierd." + +En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het +aangenomen of verworpen. + +De blinden gingen met groote strengheid te werk. + +Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg +in het hart van het volk. + + + +Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te +geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd +lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de +stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden +niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram. + +"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t +Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt. + +"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg +zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze +goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen." + +Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle +inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel +ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein +stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet +zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden. + +Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was +niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden +ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de +meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende. + +Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname +heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de +spoorweg wel tot stand komen. + +Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel +voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den +Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen +was, en hem vrij over hun grond laten gaan. + +Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een +spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante +en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te +maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was +niet zoo moeilijk. + +Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan +te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna +Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op +den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven +voor den nieuwen spoorweg. + +Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers +niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament, +dat hen met heiligen waanzin vervulde. + +Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg! + +Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de +concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur. + + + + + + +VIII. + +EEN JETTATORE. + + +In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van +alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest. + +Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het +beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in +het geheel niet. + +Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename +gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie, +oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren, +dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje, +dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde +handen was terechtgekomen. + +Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe +oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den +jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken. + +Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk. + +Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël. + +Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone +jettatore. + +Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan +dat men zich brandt aan een netel. + +Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind +is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij +ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds +met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje +komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte +in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en +haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets. + +Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls +treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf +denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed +te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die +priester zijn. + +Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele +schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad +stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten, +hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier +huwelijk zij inzegenen. + +Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen +aanleggen. + +Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch +niet weten, dat hij een jettatore was. + +Maar, o, welk een ellende, welk een ellende! + +Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets +dan ongelukken. + +Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats, +als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer. + +Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door +de rondvliegende steenen. + +De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore. + +Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen +hun vingers en ledematen. + +"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze. + +Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den +minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te +verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar +beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid +te wijten, dat er ongelukken geschiedden. + +En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven +ontploften. + +Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was +verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was. + +Had iemand hem soms vermoord? + +O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden! + +Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was. + +Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan +haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een +bazaar houden in het groote Franciscanerklooster. + +Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude +zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor +ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van +Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn +rondom de kloosterbron opstapelen. + +Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met +den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van +het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo +door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder +tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar +tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij +een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer +cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten. + +"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze +voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor +de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te +zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van +het graf! + +"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij. + +Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat +Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij +kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij +kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen. + +Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En +niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen +cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig +van angst worden. + +Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren +van angst. + +O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou +ze roepen! + +Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen, +zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten. + +En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen, +en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden. + +Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half +uur in de cel geweest. + +O, waarom kwam hij toch niet? + +Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen +Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest? + +Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf +minuten in de cel. + +O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's +leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven +zich zag. + +Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo +haar een raam met luiken en groene gordijnen. + +"Woont daar iemand?" vroeg zij. + +"Ja, donna Micaela." + +Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan +'s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak. + +"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela. + +"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt, +dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering." + +Donna Micaela stelde veel belang in dezen man. + +"Hoe heet hij?" vroeg ze. + +"Ik noem hem signor Alfredo." + +"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem. + +"Ik kook voor hem," zei Gandolfo. + +"En kleeren?" + +"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften +bezorg." + +Donna Micaela zweeg een tijdlang. + +"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand +hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je +ongelukkigen gevangene!" + +Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan +den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een +bloem of een vrucht. + +'t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte +haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit +alles zond. + +Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna +Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster. + +"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of +hij vanavond op het feest wil komen." + +Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug. + +"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de +knaap. "Hij wil gaarne komen." + +Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven +vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen. + +Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den +kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd +geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een +aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar +is hij, donna Micaela," zei Gandolfo. + +Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En +meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit +niet begrijpen. + +Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze +overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano +verwachtte.-- + +Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te +droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename +wederwaardigheden. + +Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone. + + + Waarde vriendin, donna Micaela, + + Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan + te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn + toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat + ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen. + + Hooggeboren en edele signora, ik verblijf + + uw nederige dienaar, + Falco Falcone. + + P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven. + + +Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar +alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar +heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar. + +Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo, +bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen. + +Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava, +dan asch en dan weer lava. + +Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het +aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een +spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er +verstand van had. + +Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan. + +Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk +daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws. + +Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen +woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze +hoorden van den spoorweg. + +Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna, +hadden ze gezegd. + +De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen +spoorweg van zich afslingeren. + +En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die +gelegd was. + +Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van +haar doel. + +"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei +ze mismoedig. + +En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's +Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden, +had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op +de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten +op straat liep, was men doornat. + +Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende +het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar +geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen +en bedienen. + +Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al +dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht? + +Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een +pilaar leunde en haar beschouwde. + +Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore +van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen. + +Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe. + +"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem +voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan +wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij +moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven +verwoestte. + +Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling +stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen. + +Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij +het Christusbeeld. + +Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had +zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold +was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten. + +Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet. + +Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht +van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier +te verwijderen. + +Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het +Christusbeeld. + +Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde +zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij +gevangen zat, hij evenals Gaetano. + +Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat +wilde zij nu doen? + +Hem weer in de gevangenis zenden? + +Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden +keer zijn, dat zij... + +Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf. + +Eindelijk begon de jettatore te spreken. + +"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?" + +Donna Micaela maakte een ontkennende beweging. + +"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?" + +"Ik begrijp u niet, signor." + +"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks +overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen." + +"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend. + +Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De +vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend. + +"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?" + +"Dan doen we het morgen weer over." + +"Hebt ge mij dan niet herkend?" + +"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien." + +"En gij zijt niet bang voor den jettatore?" + +"Ja, vroeger als kind." + +"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?" + +Zij ontweek hem te antwoorden. + +"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze. + +"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen, +toen gij mij hierheen voerdet?" + +Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest +hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die +haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld. + +"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen. + +"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk +met mijn eenige hoop te vernietigen." + +"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u +verzoeken wilde," zeide zij. + +"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt." + +"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?" + +"Ja, dat weet ik." + +"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?" + +"Ik! Ik!" + +Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te +vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het +hem vroeg. + +"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel, +dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter, +dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt +slechts uw tijd." + +Hij keek haar bijna streng aan. + +"Weet ge, wat ge daar zegt?" + +"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek." + +"Ja juist, een vermetel verzoek." + +Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil, +dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam. + +"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest." + +Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij +had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan, +goed te zijn. + +"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist. + +"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore. + +"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men +kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen." + +"Neen, waarom zou men dat ook doen?" + +Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen. + +"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik +mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij +zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand +een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het +kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken, +en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood, +aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf +niet te gelooven." + +"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela. + +"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te +stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar +niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door +den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen +ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was, +en alle gasten ontsteld waren. + +"Wat is er gebeurd?" vroeg ik. + +"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een +ellende!" + +"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang +met menschen. + +"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers +geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad +doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven? + +"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik +fra Felice in een der gangen ontmoette. + +"Fra Felice, waar is de kat?" + +"De kat, signor?" + +"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?" + +"Zij is in een rattenval geraakt." + +"Wat zegt u, fra Felice?" + +"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet +bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van +honger gestorven." + +"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?" + +"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +Zij trok de schouders op. "Ach, welk een dwaasheid!" + +"Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij +om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op +dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf +gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen. + +"'t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn +zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te +trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten, +de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water. + +"En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één +dag getroffen hadden. + +"Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik. + +"Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?--Palmeri-- + +"O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend." + +"Ja, 't is waar, ik heb u herkend." + +"Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd, +dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre +van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden." + +"Waarom zoudt gij u daar verre van houden?" + +"Ik ben immers een jettatore." + +"Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven." + +"Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge, +dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die +even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf? + +"Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij +toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof +het dus zelf." + +"Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u +daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer." + +"Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?" + +"Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt." + +Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen. + +"Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien." + +"Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?" + +"Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn." + +"Beteekent die spoorweg iets voor u?" + +"Die beteekent leven en geluk voor mij." + +"Hoezoo?" + +"Die moet iemand winnen, dien ik liefheb." + +"Zeer lief?" + +Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik. + +Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep, +dat hij den zoom van haar kleed kon kussen. + +"Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien +ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!" + +"Maar ge moet mij dienen," zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn +ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar +deren zou. + +Hij sprong op. + +"Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen +wanneer ik naar u zie." + +"O, waarom niet?" + +"Beproef het!" + +En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede +voelde zij zich onzeker. + +Maar toen dacht zij: "Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het +zeker wel." En toen ging het ook. + +Zij liep heen en weer. + +"Zal ik het nog één maal doen?" Hij knikte. + +Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op: + +Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij +wil helpen. + +Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe. + +"Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?" + +"Ben ik dat niet?" + +"Neen, neen!" zij greep hem bij den arm en schudde dien. "Begrijpt +ge dan niet, ziet ge dan niet? 't Is van u genomen." + +De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk. + +"Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen, +donna Micaela! Waar zijt ge?" + +"Regent het dan niet meer?" zei de jettatore met onzekere stem. + +"'t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld +heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen +dienen." + +De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht. + +"'t Is weg. 'k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij, +maar nu..." + +Weer wilde hij knielen voor donna Micaela. + +"Dank mij niet," zei zij. "Maar hem, hem!" en zij wees op het +Christusbeeld. + +Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder +snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en +verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had. + +Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En +hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch. + + + + + + +IX. + +HET PALEIS GERACI EN HET PALEIS CORVAJA. + + +In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang +voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante +twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het +palazzo Corvaja. + +De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de +kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden +hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken. + +De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom +een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid +was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde +naar de tweede verdieping. + +Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte +plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met +zuilen versierde loggia's. + +De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer +en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters, +maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er +waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt +konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren, +dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn. + +De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van +hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op +de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor +goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek +geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen. + +Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke +zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan +de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo. + +Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende +de gansche bouwperiode. + +Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja +versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis +Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het +palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer +met wit ingelegd. + +Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een +dakterras met hooge vazen op de balustrade. + +Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet +tusschen de families die ze gebouwd hadden. + +De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen +aan allen, die daarin woonden. + +Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja. + +Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde +Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar +Napels om voor Robert en Johanna te strijden. + +Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci +een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door +een goed huwelijk. + +De beide geslachten konden nooit tot rust komen. + +Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om +strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels, +niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar +ook waren. + +De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen +bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen. + +Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude +bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet +overstraald zou worden. + +'t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen, +opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen. + +Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening +met de galons der livreien en met het tuig der paarden. + +De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan +die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate +vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen +hebben als die van Corvaja. + +Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen +beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in +het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere. + +Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel +ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de +hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd +en gebroken. + +In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de +andere is een schoenmakerswerkplaats. + +De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den +kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde +menschen. + +En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter. + +Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote +zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven. + +Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte +in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde +vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel. + +Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet +geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele +geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren +en onderhoorigen. + +Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt +er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad, +die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat, +scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft. + +Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje +van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten +drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen. + +San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna +de schutspatrones van Corvaja is. + +Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel +Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven. + +Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci +niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven. + +Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de +bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen +kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken. + +Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren +naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan, +dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was. + +Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello +geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door +een spoorweg wilde bedwingen. + +Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te +gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen, +die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal. + +Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd +wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren. + +Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de +citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken +aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg +op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren, +sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld +met steenen.-- + +--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van +den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge +huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen +kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen +in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden +gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van +het paleis Corvaja. + +Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig +waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het +was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder, +koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere +heerlijkheden van Corvaja. + +Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart +gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel +verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch +zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten. + +Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en +keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen +te spreken. Zij vertelde hun sagen. + +"Er was eens," zei ze. + +Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich +in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes' +soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te +dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat +eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen +koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze +kapot wilde slaan. + +Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar +heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat +de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen +bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar +huis gingen. + +Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om +te luisteren. + +De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove, +zwarte mantels en slappe hoeden. + +Plotseling zei de oude dame tot de kinderen: + +"Houdt ge van het Christuskind?" + +"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden. + +"Zoudt ge het gaarne willen zien?" + +"Ja, ja," riepen de kinderen. + +De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein +Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het +hoofd en gouden schoentjes aan de voeten. + +"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen." + +De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het +ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe. + +"Is hij niet schoon?" zei de oude dame. + +"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen. + +Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen, +zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken. + +De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te +verbergen. + +"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man. + +De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen +tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich +slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om +het beeld aan het volk te toonen. + +"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet +tot wonderen dwingen." + +Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het +beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd +te worden. + +Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen +in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich +zou winnen. + +Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over +haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het +beeld nam. + +"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God, +neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine +stukjes hakken. + +"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop. + +"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte +Madonna." + +Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze +kon noch vluchten, noch zich verzetten. + +"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!" + +Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart +gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond +het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't +Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor +zij altijd zoo bang was. + +Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok +het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit. + +"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede +tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt." + +Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den +donkeren arbeider toe. + +Hij wendde zich naar zijn kameraden. + +"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend. + +En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten. + +Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade, +die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief +de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag, +die in eens het gehate beeld zou verpletteren. + +Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd. + +"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug. + +Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst. + +Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was. + +"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!" + +"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij. + +Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut, +die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het +waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten. + +De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem +dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was, +maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder, +en sprong de trede van het terras op. + +De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen +de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en +zei haastig: + +"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn +zijde staan." + +Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met +de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den +vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij +mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden. + +Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen, +die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend +tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde +uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen +van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas. + +"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt +niemand meer aan ons." + +Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij +schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men +kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar +leven te verliezen. + +Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel +nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong +meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is +een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht. + +Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw. + +"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa. + +De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan. + +"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!" + +'t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de +werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan. + +De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te +krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen. + +"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers +wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was, +maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert +Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta, +die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het +niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten +slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco +heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen. + +"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend. + +Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja. + +"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den +karabinier gesloten. + +"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het +niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek +bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons +het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen +dat haar kind op het kerkhof lag. + +"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik +keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het +luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar. + +"Francesco," antwoordde zij dadelijk. + +"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en +ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad +binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij +en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij +zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want +het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van +Ninetta. Marcia heeft er geen recht op." + +Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem, +die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts +weinige maar edele gebaren. + +"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en +kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet +genomen had. + +"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het +kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen +lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden." + +De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den +karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier +te merken, dat hem de zege zou geworden. + +Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco. + +"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal +je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van +Ninetta." + +Piero wendde zich tot donna Micaela. + +"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld. + +Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde +voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden +van inmenging. + +"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft." + +De vrouw zag haar ontsteld aan. + +"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk +als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen, +als je het niet wilt." + +"Hij zal mij dooden," zei Marcia. + +"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt," +zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij. + +Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia +met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige +ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij, +maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog +eens, nu klonk het als een doordringende kreet. + +"Het kind is van mij." + +"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het +kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar, +dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was +ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam, +zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God, +indien het mijn kind was geweest! + +"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat +Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij +deed, gelijk ik wilde. + +"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je: + +"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden +geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed, +en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij +leefden als in een paradijs." + +Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op +den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem +en hij vervolgde stil zijn weg. + +Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den +karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de +ongelukkige vrouw te beschermen. + +Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen: + +Die vrouw staat buiten de wet. + +De een na den ander ging weg. + +Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets +geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem +tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, +zou er iets ontzettends gebeuren. + +En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om +haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de +zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen +veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond +voor zijn toornigen meester. + +De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer +van haar man beleedigd hebben. + +De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit +zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero, +indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een +edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht +gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge +u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik +u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het +kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws +middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou +zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond. + + + +Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw +hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden +door een ondoordringbaren muur. + +Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij +keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en +zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij +dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen +had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg. + +Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken +zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, +maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste +heengegaan was. + +Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld +en legde het in Marcia's armen. + +"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze. + +De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was +alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen +zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich +gereedmaakt tot een sprong. + +Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen. + +De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde. + +Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man +bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En +zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de +gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende +over hem te brengen. + +"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je +naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde +naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men +begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar. + +Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind +vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, +juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor +haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een +paar mannen hielden haar vast. + +"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!" + +Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij +was diep ontroerd. + +"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere +oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden. + +"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik +mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia." + +Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis +in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere +baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden +aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia. + +Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep +voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna +Micaela kuste Marcia. + +"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze. + + + + + + +X. + +FALCO FALCONE. + + +Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's +spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen +avond vol gaven. + +Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende +vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, +die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte. + +Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam +brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan. + +In de laatste weken waren geschenken van alle kanten +toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations, +anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl +weer anderen eten gaven aan de arbeiders. + +Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen +'s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens +en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen. + +Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen, +zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt +had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen. + +Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd: + +Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone? + +Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over +den Etna geregeerd heeft? + +Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg +niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging? + +Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert? + +Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts +met spaden en houweelen komen aangeslopen? + +Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen +te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het +zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van +dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela +zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht +hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?" + +Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, +sprak men over niets anders dan over hem. + +Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover +den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den +naakten rotswand. + +'t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die +is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat +er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten +tegen den muur moeten opslingeren. + +Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer +symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom. + +In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts +arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed +zich ontwikkeld bij Falco. + +Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van +haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar +buren verachtten haar. + +Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind +verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte +wie dien het eerst zou betreden. + +Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een +dochter baren? + +Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, +waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam +van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, +het bleef een even getal. + +Zij zou dus een zoon baren. + +Den volgenden dag telde zij weer opnieuw. + +"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze. + +Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem +om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader +binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog +diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken +en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het +over de straat vloeien. + +Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk +gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken, +bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde. + +Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd +gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en +toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn +moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei: + +"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb." + +Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den +hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon +niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren. + +Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril +was, en C een slang. Dat kon hij leeren. + +Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar +legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg +haar, en zij liet hem met rust. + +"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze. + +In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen, +als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, +maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten. + +Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer +aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij +achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om +dat te toonen. + +En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden +was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond +niet toe, dat men hem bespotte. + +"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze. + +Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal +het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen +men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken +aan een andere geschiedenis van hem. + +Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme +menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar +het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week, +en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was +blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde +zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte +kussens gespreid te vinden. + +Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar +huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een +zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, +wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag +nog op den deurdrempel. + +Hoe, waren allen in huis overleden? + +Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur +haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar +vinger figuren op den grond. + +"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof +zij tot den grond sprak. + +"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht." + +"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders. + +"Zij willen ons eer en brood ontnemen." + +Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo, +en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood, +dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel, +dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert +Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik. + +"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis. + +"Signora Gasparo had haar weggejaagd." + +"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was. + +"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben. + +"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar +dienst te nemen. + +"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk." + +"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag +het hem slechts." + +"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt +niet vóór de volgende maand thuis." + +"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst +komen." + +"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer +in huis neemt." + +"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan +ontneem ik u 't leven." + +"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan." + +"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst +zoeken." + +"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en +signor Gasparo." + +"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino. + +"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het +avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo. + +"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen, +omdat zij hem...." + +"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet +voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa." + +"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia. + +"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te +verschaffen." + +Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't +Was Falco. + +Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora +Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij +Pepa's broer zag, maar zij dacht: + +"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet +nog van niets." + +"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het +goed met den wijnbouw?" + +Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven. + +Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde +haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan. + +"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?" + +"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik." + +En zij vroeg hem hoe het gebeurd was. + +"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een +signora om te hooren?" + +"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden." + +"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en +legde zijn hand op het hoofd der vrouw. + +"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En +terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen +schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien +gezonden, hij bleef daar vijf jaar. + +Toen men dit vertelde wies de angst. + +"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn +voornemen afbrengen." + +Toen herinnerde men zich nog een voorval. + +Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij +Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag +kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het +land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis +aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over +hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en +den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden. + +"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio. + +"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio. + +Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan. + +Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was. + +"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe. + +Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover +hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen +aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat +hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop +in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen +stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen. + +'s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen +hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun +vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en +doodgeschoten. + +En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt +men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen. + +En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen +bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken. + +Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, +en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten. + +Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt. + +Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten +op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een +groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld. + +Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden +als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco +had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij +was niet toegevend, hij was zeer streng. + +Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders +hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist +geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo, +maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf +honderd lire." + +"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni. + +"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino. + +Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij +slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen. + +Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen. + +"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn +snuifdoos zal halen," zei don Giovanni. + +En Nino stond hem drie dagen uitstel toe. + +"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij. + +Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het +geld te krijgen. + +Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende? + +Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco. + +"Wat beduidt dit, don Giovanni?" + +"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te +krijgen. Wees barmhartig jegens mij." + +Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij +hem geweest was. + +"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen." + +Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante. + +Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer +Nino. Deze verscheen op een der balkons. + +"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen +afzetten!" + +"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen." + +Nu werd Falco strenger. + +"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik +hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij +legde zijn geweer aan en schoot Nino dood. + +Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van +schrik bijna van zijn ezel viel. + +"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's +aanslag tegen u?" + +En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts +gedurende vijf jaar roover was geweest. + +"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis +hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde? + +Men herinnert zich nog een ander voorval. + +Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo +verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd +werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster +in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer +naast zich om op Falco te wachten. + +En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is +hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan. + +De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging +iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige +oogen achter de ruiten schitteren. + +Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien +werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van +haar man. + +Als men dit hoort, groeit de vrees. + +Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan +zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem +stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit +verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen +pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen. + +Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier +der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht +georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere +gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een +kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn +manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer +in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet. + +Toen ontmoette hij een boer. + +"Heb je Falco Falcone ook gezien?" + +"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te +groeten." + +"Diavolo!" + +"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het +punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij +dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen." + +"Diavolo! Diavolo!" + +"Maar indien ge nog eenmaal tracht...." + +"Diavolo! Diavolo! Diavolo!" + +Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar +een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen? + +En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen: + +Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de +soldaten vreezen hem. + +Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij +geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds +zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en +bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming. + +Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun +goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu +veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te +schaden, die hem schatting betalen. + +Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten, +kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen. + +En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die +opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens +staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola +Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die +het wilde maaien. + +Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het +gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg +ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder. + +"Waar rijdt ge heen, Nicola?" + +Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel +bij de teugels en keerden om. + +"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis." + +Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen +zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen: + +"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken, +jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco +Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet." + +De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen +kant en Biagio aan den anderen. + +En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als +men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet. + +"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft." + +Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als +Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen +genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle +gevaren ontsnapt. + +Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn +zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de +galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf, +ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen. + +In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is +bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in +de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook +weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de +laatste groote roover is. + +Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij +dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat +van Messina getrokken en in Italië geweest. + +Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het +pantserschip te doopen. + +Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft +vierden. + +Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de +arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil." + +Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin +Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei: + +"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn +zilveren bruiloft met den Mongibello vieren." + +De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede +gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de +Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem +beschermd en gediend als een echtgenoote. + +Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den +Mongibello. + +En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft +zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn. + +Dan denken de arbeiders: + +Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En +er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te +werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn +verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor +Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid. + + + +Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op +den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, +omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik +van zijn geweer te komen. + +Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun +voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij +hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en +de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen. + +Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve +schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas. + +Daar is niet Sicilië, daar is Indië. + +In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat +ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo +groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen +hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een +bed van rozeblâren. + +Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans +te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet +op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril +op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus. + +Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door +het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk +de bloemen vast te houden. + +Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels. + +Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij +er slechts naar kijkt. + +Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel +zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio +en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben +een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem +opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, +rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof +zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil +willen voegen. + +Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang +hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden +of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet +eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder. + +Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en +op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt +in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken +op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de +karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt +als een slang om Falco's voeten en beenen. + +Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken +werden aan zijn voeten. + +En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan +een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der +galeien zijn rug geeselde. + +Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze +liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels, +want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de +steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar +aan den arbeid waren. + +Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den +zonsondergang. + +"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie +eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in +de steengroeve." + +En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders +gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling +houdt Biagio op met lachen. + +"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te +hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal +drijven." + +De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan. + +"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore. + +Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets +meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van +hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, +soms is hij reeds uren lang waanzinnig. + +Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid +niet dragen, ze worden allen waanzinnig. + +Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden +beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu +begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand +zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots. + +Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, +dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was. + +Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en +gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve +en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk +op den top van den Mongibello te komen. + +Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met +elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen +ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten +waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze +gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels +op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, +zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man. + +Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen, +dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes. + +Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's +heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, +zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van +den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke +dichte wouden. + +In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun +paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen +beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij +oud is, spreekt hij gaarne. + +Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die +hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid +gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien +tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven +citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig +geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was +hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar +die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op +den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid +stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop, +hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men +moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon. + +Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg. + +Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille +ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden, +velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten. + +En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus. + +Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende +ontzetting. + +De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk +in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de +voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden, +doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende +wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend. + +--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er +dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk +aan die van den Etna? + +Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, +die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen +omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den +vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, +dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige +vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden +liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft. + +Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen +aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch +en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans +en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen. + +Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte +bereikt heeft, breekt de zon door. + +De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door +het heerlijke morgenlicht. + +Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof +Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt, +dwars over het gansche eiland. + +Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent +Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen +naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen +in het Zuiden. + +Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en +zijne grootheid erkent. + +Falco legt den krans op Mongibello's top. + +Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand, +en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen +opneemt en in zijn zak doet. + +Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn +leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit +tevoren gevoeld. + +Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken. + +Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den +Mongibello te bevrijden van den spoorweg. + + + +Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die +is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, +die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen +eenzaam te wonen. + +'t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit +voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de +hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort. + +Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip +hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de +leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat +over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang +en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, +dat men meent dat hij heen en weert slingert. + +Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem +eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt. + +Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar +buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni. + +"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en +wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben." + +De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te +spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek. + +"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's +spoorweg?" vraagt de bedelaar. + +Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend. + +"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u +kunnen wreken." + +"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den +man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem +gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn +vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten." + +Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl +zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar, +die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik +stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als +een slang. + +Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd +is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe +zij Falco na twintig jaar zou herkennen. + +"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij +geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft." + +Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis +zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen +aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal +hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam, +als zij de macaroni op den schotel doet. + +Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te +wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem +aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een +steen, dien hij den hond toewerpt. + +De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt +dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij +er mee weg. + +Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van +den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den +steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk. + +"Geef hier den steen." + +De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef +hier den steen, canaille!" + +De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen. + +"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van +den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt +achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt +hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt. + +Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia: +"Uw hond is toch wel gezond?" + +"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood." + +"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?" + +"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze. + +Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat +stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu +zelf watervrees zal krijgen. + + + +Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft +het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's +avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het +gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt +er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines. + +Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt +er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt +een geheel mensch op het balkon. + +Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden +nog. + +'t Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als +herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie, +op zijn rug vastgebonden. + +Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel, +en treedt daarmee de kamer binnen. + +Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen +tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten. + +Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan, +zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit. + +De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer +aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt. + +Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om +haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar +haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan. + +"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst. + +De man trekt zich haastig terug. + +"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken." + +Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt. + +"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij. + +"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij. + +Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een +kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug +naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt, +dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon. + +"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn." + +Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij: + +"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij +wil uw spoorweg niet meer vernielen." + +"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij. + +Somber antwoordt de man haar: + +"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die +hij geweest is." + +Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans +gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben, +want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was +voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen. + +"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op +en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht +dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de +wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is." + +"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs +ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich +niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs. + +"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond." + +Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan. + +"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik +in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?" + +Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden. + +Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de +arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich +verzet tegen haar liefste wenschen. + +Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een +schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar. + +Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet, +zij kan niet begrijpen, wie Falco is. + +Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was, +heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd +in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem, +zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen, +dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker +opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en +zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En +Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte +gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar +was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een +jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof +de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest. + +Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem +luistert en hem begrijpt. + +Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een +echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens +een roover? + +Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat +zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld +gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door +Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken. + +Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn +gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland +zou worden, zooals hij vroeger geweest was. + +Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren. + +Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest +lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe +trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen, +neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel. + +"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen, +wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet +bang meer." + +"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het +Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet +gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op +zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij: +"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de +kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat +ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming, +dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding." + +"Nu?" vroeg donna Micaela. + +"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming +gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij. + +Passafiore wringt zijn handen in wanhoop. + +"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van +den hond, maar hij was reeds lang ziek." + +Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het +zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot +man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft. + +Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had +gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en +donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om +mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden." + +En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit. + +Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot +hem komen, anders wilde hij niet gaan. + +Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen, +hij waagt het niet op te zien. + +Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het +Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds +waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in +het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind, +stil antwoordt: + +"Passafiore, ik zal je volgen." + +En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar +den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de +steengroeve te beklimmen. + +Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den +ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op, +even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar +geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun +eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen. + +Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij +zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen +barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den +nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar +geleid heeft. + +Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina +voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming +gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen. + +"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem +gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan." + +Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand. + +Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij +oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten. + +De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen +beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos +zitten. + +Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat +zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen. + +Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen. + +"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij. + +Maar ze is mild en vriendelijk. + +"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het +geweer aan den anderen kant van de tafel. + +Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat +en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De +uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is +gebroken en vernietigd! + +Bijna wekt hij haar medelijden op. + +"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft +beloofd mij bij te staan." + +De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met +hen over zijn geluk wil spreken. + +"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen, +niets meer. Hij helpt mij." + +De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet +een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich +op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer +slingert over den weg. + +"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd. + +Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat. + +Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer +beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen +en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde. + +Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar +onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de +wraakzucht in zich gevoed. + +Nu beheerscht die haar volkomen. + +"Catherina, Catherina," gilt haar nicht. + +"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt +zij. + +De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber: + +"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen." + + + + + + +XI. + +OVERWINNINGEN. + + +In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op +Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk +en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was. + +Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een +feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, +dat zijn gasten riepen: + +"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!" + +Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles: + +"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet +ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt." + +En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den +brandenden krater. + +"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik +levend onder de goden opgenomen ben." + +Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op +den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze +Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in +den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken. + +En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had +opgeworpen. + +Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten, +en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft. + +Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de +villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren +en bronzen beelden en mozaïekwerk. + +Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen, +dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen +reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was +toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel, +een spade op zij en een grooten ransel op den rug. + +Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna +Micaela van Dominico. + +Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had +Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld. + +Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij +stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest +doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men +hem een nagemaakte oude munt vertoonde. + +Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar +vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk +gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking. + +Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar +onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar +spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij +werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige +belangstelling voor zijn dochter. + +Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela +plotseling over den spoorweg te spreken. + +Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk +had zij overwonnen. + +Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen +stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst +gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden. + +Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar +nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan +haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan +om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren +bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd. + +Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den +arbeid aanvangen. + +Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van +geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige +vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de +oogen van het Christuskind in San Pasquale. + +'t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was +alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele +wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, +dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat +Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot +zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het +kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige +als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren! + +O, God was goed. + +Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel +en onbewogen tegenover haar. + +"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts. + +"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?" + +"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen." + +Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar +geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar +in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde! + +En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar +gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd. + +"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer +vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?" + +De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken: + +"Gela, Gela!" + +"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde +van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde +donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het +ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de +rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het +een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door +het dorp komt. + +"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de +kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk +nooit van Gela gehoord?" + +Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst: + +"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit +aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken." + +"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze +hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen, +de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in +Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen +zijn er bijna altijd ziek. + +"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het +is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen +drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels, +ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven +daar geheel vergeten en verlaten. + +"Hebt ge nooit gehoord van Gela?" + +Zij zag er heel verbaasd uit. + +Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens +gehoord...." + +Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich +haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes +te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken. + +"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat +van schalkscheid. + +"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw +schoenen op." + +Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in +zijn stoel. + +"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij +zich moet verdedigen. + +Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als +tevoren. + +"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het +punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen +wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte, +dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun +toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast +worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken +stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche +wijndruif gekweekt moet worden. + +"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde." + +"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar +vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde +zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had. + +"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe +planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze +lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie, +zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela." + +"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri +met een poging het af te breken. + +"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar +ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek +over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met +geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding." + +Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op +heeterdaad betrapte misdadiger. + +"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen +hij aangeklaagd werd wegens diefstal. + +Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen. + +"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik +wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling +waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren +aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen." + +Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken. + +Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien. + +Ze keek hem vast in de oogen. + +"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden," +zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven +hem waterkers te eten. + +"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van +zijn-- -- --" + +Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen. + +"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg? + +"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest." + +Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie +uit den zak. + +"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van +nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen." + +"Hoor nu eens, kind!" + +Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde. + +Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te +verzoenen. + +"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige, +dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok." + +Zij was louter stralende vroolijkheid. + +"Maar kind!" + +"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar +geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid, +misschien ook wel boete-- --" + +Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen +en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude +heer kon zoo niet met zich laten spotten. + +"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen." + +"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid +verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen +Dominico streelen, maar ik-- --" + +"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?" + +Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen. + +"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij. + +Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend +op, ze wist niet of zij goed zag. + +"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik +nu voor me zelf over." + +"Om de villa te ontdekken?" + +"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal, +nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest." + +En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog +donna Micaela in haars vaders armen. + + + + + + +DERDE DEEL. + + + "En hij zal vele aanhangers krijgen." + + +I. + +DE OASE IN DE WOESTIJN. + + +In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en +in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust, +omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee. + +De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, +maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, +grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, +oude steden der Saracenen. + +"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze. + +In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen +het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een +tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet +eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, +dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen. + +Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend +stofgoud. + +Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, +zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich +naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde +een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden +terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd +bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men +moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, +die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, +vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals +zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige +stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, +dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel +hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde. + +De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de +oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen, +hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet +voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig +zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond? + +Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was +aan een oase in een woestijn. + +De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde +dieren der woestijn. Zoo ook Diamante. + +De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig +te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon +worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad. + +Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, +mislukte. + +Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te +hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en +smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar. + +De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze +konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde +met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te +schenken aan een Siciliaanschen oproerling? + +Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering +zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden +op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan. + +"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in +Diamante op den Etna." + +En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, +dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden +en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld. + +Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan +een weigerend antwoord. + +"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij +verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet +te wanhopen. + +"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het +nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat +Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter, +dat hij voorzichtig moet zijn." + +Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht +eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde +ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven +van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem +spreken zou. + +Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden. + +Deze verbood haar met Gaetano te spreken. + +"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt, +dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat +gelooven. Laat hem dat gelooven! + +"Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door +verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als +hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding +zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen +drie maanden dood zijn." + +Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken. + +Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling! + +Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig +gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan +losrukken uit zijn droom. + +Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd +waren. + +Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: "Toen ik Gaetano +bevrijdde." Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden. + +Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming, +die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer +uit den Etna graven? + +Zij kon maar geen besluit nemen. + +En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte +de geheele stad. + +Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die +niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging +en mislukte. + +Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er +ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog. + +De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens. + +Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in +de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij +gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig +en goed voor hun naasten wilden zijn. + +Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel +bekeeren. + +"Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren," zei +het volk in Diamante. + +"Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam," zeiden ze. "Wij willen +bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en +weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden, +en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien +hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden, +zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met +ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt, +zal ontkiemen en een rijken oogst dragen." + +Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden, +kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij +Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood +of gevangengenomen. + +Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af. + +En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de +wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid +aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk +het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice, +Bosco, Verro, Barbato en Alagona. + +Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze +beproefde niet te schreien. + +Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld +de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had +God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen +voor het Christusbeeld en te zeggen: + +"Mijn God en Meester." + +En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven +gelijk vóór zijn gevangenistijd. + +Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte +verheugd te zijn. 't Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij +was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee! + +Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had. + +De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase. + + + + + + +II. + +IN PALERMO. + + +Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts. + +Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed, +kleeden zich aan en gaan op straat. + +En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de +café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen +plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij +sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de +trage tijd begint iets vlugger te gaan. + +Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar +de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle +harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten, +zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en +fijne dames. Allen zijn even verheugd. + +"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt," +zeggen ze. + +De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in +Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en +gekleurde lampions. + +Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte +aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student +te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun +fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich. + +'t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap +in het hart vlamt. + +De vreemdelingen in de hotels worden gewekt. + +"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori." + +"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen. + +"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid +gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels." + +"Wat is hij voor een man?" + +"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief." + +En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad. + +Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine +ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband +zullen dragen. + +En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar +het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo +vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag. + +De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe +kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen +worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor +anderen, dan mag ze aan zichzelf denken. + +Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat +hooger. Heden moet zij mooi zijn! + +Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men +vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek +der straten. + +De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens +en telkens geheel uitverkocht. + +Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel +Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur. + +De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige +taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen +opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen +van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De +arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde, +die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een +onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de +studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren, +trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld, +verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven" +voor den ouden despoot. + +Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist +te geven. + +Daarna trekken de studenten naar de haven. + +Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar +daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals +geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te +roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw +in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen, +de zangers omhelzen. + +Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar +hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar +zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers +en de visschers. + +Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de +vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt +over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu +eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft. + +En de menschenmassa jubelt: + +"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!" + +Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de +haven gaat, vraagt hij verbaasd: + +"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?" + +Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven. + +Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag +genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven +in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions, +en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten +omhoog. + +Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens +gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo, +gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes +zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk +afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels +en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water, +met bloemguirlandes om de stoompijpen. + +En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat +de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de +waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar +goud. + +Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze +kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig. + +Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen. + +Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt. + +Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna +stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de +stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den +berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.-- + +Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot +bevindt zich Bosco, de socialist. + +Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het +dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen, +komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet +met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo! + +Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van +kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie, +dat zou hij zoo gaarne willen weten. + +Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft +Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen +aanhanger doen winnen? + +Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de +koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt +over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid +zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu +nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de +verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het +zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts +den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er +een vuurwolk gloeit aan den horizon. + +En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende +tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een +geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange +jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf, +en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem +genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de +macht had zoo goed te zijn, als hij was. + +Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet +een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien. + +"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd +zoo'n lichtschijn boven de stad." + +Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen, +dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen, +dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn. + +Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande +zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek. + +"Palermo staat in brand," zegt een matroos. + +Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij +verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken +de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch +geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk +feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is, +en vraagt zijn moeder of het een feestdag is. + +Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de +groote stad dringt tot hen door. + +"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden. + +"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika," +meent een ander. + +Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat +naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet +met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren +voor een armen socialist? + +Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo +schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht +wordt. Kom mee om Palermo te zien." + +Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden +bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand, +zelfs niet zijn moeder.... + +Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een +noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt +nu zacht naast de stoomboot. + +Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te +bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op +de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal +brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem +tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of +van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn +naam, zijn naam! + +Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden +sterren valt neer. + +De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt; +de menschen weenen van blijdschap en vervoering. + +Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen +knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te +vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen. + + + +Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze +is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen +om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve +óf voor het moeras, dat zij wil dempen. + +Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet +haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge, +donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met +sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen. + +Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen +strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou +ik dan.... + +"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..." + +Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien +heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet +alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven, +dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze +blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan.... + +Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te +dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er +zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is. + +Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen, +kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik... + + + +Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt +door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche +koningen te Monreale. + +Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld, +dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit +de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en +majestueus. + +Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te +zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen, +die in verre landen naar hem smachten. + +De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor +de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de +knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen +zijn lippen: + +"O God! Mijn God!" + +Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de +mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar +slechts om te zeggen: + +Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo +behoort hem de geheele toekomst. + +De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd. + +Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt. + +Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal. + +En donna Micaela roept hem aan: + +"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben +mij van u te scheiden!" + + + + + + +III. + +DE THUISKOMST. + + +'t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis +zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn. + +Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit +de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig. + +"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle +andere." + +En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er +moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg +waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden +nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet +ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de +wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien, +en een menigte erwten en boonen liggen op de kade. + +Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de +grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn +met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't +Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken. + +Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw, +stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf, +dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het +eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede. + +Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De +Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger +dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan +zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit +zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn. + +Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds +ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met +houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en +uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek. + +Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op +de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den +wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand. + +Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het +hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling +bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet +meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden, +de bergen en de blauwe zee. + +Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren +bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te +denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge +uw kindsheid hebt doorgebracht. + +Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg +waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel +geleden hebt?-- + +Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die +ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig. + +"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze. + +En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw +liefde wil aannemen. + +O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De +schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine +hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar +haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag +wil zeggen? + +Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te +hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren, +als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge +ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u +gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt +komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u. + +Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er +thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken, +indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er +slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur. + +Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen, +de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan +den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een +heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom +is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat +bloeiende klaverveld. + +Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd +zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge +slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is, +terwijl ge afwezig waart. + +Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge +kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid +der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar +huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk +de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond, +maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme +moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken +steen, iederen grashalm. + + + +Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich +voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet +hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut +uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden, +maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en +pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft +ze donna Elisa duizenden malen gezegd. + +Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw +van een vrijdenker worden. + +Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden, +slechts een enkel half uurtje. + +Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare +en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds +vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen +zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven, +want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra +men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig. + +De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur. + +"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!" + +Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en +roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst +den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij +moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen +hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft +in de gevangenis. + +Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan. + +"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb +elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van +u kunnen zeggen." + +De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept: + +"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge +weggingt, don Gaetano." + +"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen +moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks, +iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle +van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat +droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...." + +Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen +op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en +kijkt naar hem. + +Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning +is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het +nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft, +en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet +staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen +den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem +niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn +hoofd tegen de steenen. + +Hij ligt daar als voor dood. + +Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een +dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om +hem te helpen. + +Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der +slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op +wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar +binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt +haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft +zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, +toen hij haar zag. + +De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te +roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De +dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet +of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers +niets, maar de slag op de harde steenen.... + +Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen +kunnen niets anders doen dan wachten en wachten. + +Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna +Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap +tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren. + +Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's +huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme +stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust +te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist +weer terug hebben gekregen. + +De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het +gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van +Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, +den laatsten Alagona, zal afloopen. + +Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, +indien hij slechts in het leven bleef.... + +"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die +het volk willen helpen, laat hij sterven." + +Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen +voor donna Elisa's huis. + +Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, +en daalt van de trap. + +"Is hij gered?" roepen ze allen. + +"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde." + +Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem: + +"Is het erger?" + +"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter +is bij hem." + +Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt +een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht +op elkaar gedrongen staan en liggen. + +"Is Gandolfo hier?" vraagt ze. + +"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn. + +"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna +Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in +San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze +staan allen op en willen met haar gaan. + +Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel +alsof haar hart grooter wordt. + +"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem. + +"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap +viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik +in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld +met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk +staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt +te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen." + +"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg, +was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En +nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is. + +"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw +in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En +indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als +mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote." + +Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar +Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen +zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om +te zien of er ook iemand in de kerk is. + +Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting +zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten +stakker? + +'t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft. + +Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug +heuvelafwaarts. + +Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De +lantaarn trilt in donna Elisa's hand. + +Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die. + +"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk +binnentreedt. + +Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar +van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar +het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven +het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand? + +Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt +en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is. + +Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals +op, en ziet om. 't Is donna Micaela. + +In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde +ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, +alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben. + +Maar nu zegt donna Micaela heel zacht: + +"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een +weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen. + +Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet +zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt: + +"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?" + +"Neen, niemand anders." + +Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna +Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar +middel. + +"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer. + +"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden." + +"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden." + +"Ja zeker, dat zult ge ook." + +"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen +te gaan." + +"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen." + +"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt, +tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen." + +"Wat zei hij?" + +"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken." + +"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?" + +"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het +gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen +en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde +helpen." + +"Ja, dat is zeker ook het geval." + +"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij." + +Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het +beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd. + +Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij +heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen +thuis had, om een man gesmeekt had. + +"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?" + +Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar +hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn. + +Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig. + +Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa, +donna Elisa." + +Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds. + +"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?" + +"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van +uw zoon, donna Elisa!" + +Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat! + +Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig +aan donna Elisa's schouder. + + + +Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De +straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen +zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in +het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier +groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen. + +De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft," +fluisteren zij. + +"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft," +zegt donna Micaela. + +Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een +tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij +stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat +er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat. + +Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder +te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar +ongeluk tegemoet gaat. + +De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap +op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen. + +Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten +zal tot den volgenden morgen. + +Dan hoort zij schreden op de galerij. + +Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft +zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn, +dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt? + +En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze +elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over +socialisme spreken? + +Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan +niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen +met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten +en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt +niet te doen, wat men van hem verwacht. + +Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren +geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk, +hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd +zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij +toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar +kalmte herwonnen heeft. + +"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij. + +Dat is alles wat hij zegt. + +Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat +hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, +dat hij haar liefheeft. + +Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben +een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij +zullen doen. + +Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet +eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur +en het eigenaardige reisgezelschap. + +Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te +smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar +waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen? + +"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij. + +"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de +schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet +hoe die tot stand is gekomen. + +Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij +haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar +ook zoo onderdanig? + +Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken +om haar te nemen? + +Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, +maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een +weinig te plagen. + +Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd +alsof ze een dochter uithuwelijken. + +Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te +verklaren. + +Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben. + +En zij beginnen te roepen: + +"Leve Gaetano! Leve Micaela!" + +Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij +moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat +naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij +daarbuiten stil willen zijn. + +Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar +de hand, hij wil gaan. + +Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij +doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug. + +"Neen, neen!" zegt zij. + +Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet +met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op +het hart ligt. + +Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone +verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende +zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar +onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was. + +En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij +waagt het niet hem te laten gaan. + +"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij +zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem +plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar +pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten +van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden, +die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft +doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en +verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest. + +In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang +voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan +waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het +geheel niet vroolijk meer. + +Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren +laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu +verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als +van een zalige. + +Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon +is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij +hem alles zeggen. + +Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert +nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar +geweest is. + +Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en +kust die. + +Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn +gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet +aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd, +dat het lichtte. + +Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, +verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij +haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt +niet uit. + +Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof +hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt +alles reeds te weten wat zij zegt. + +Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist +zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste, +dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn +leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had +die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde +hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en +niets te hoog is voor hem? + +Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet +wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien +een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de +vrouw van een socialist. + +Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, +dat zij bedelt om zijn liefde. + +Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, +dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af. + +"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en +ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij +liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn." + +"Werkelijk?" zegt hij. + +"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik +vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je +armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een +geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk +met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan +zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor +mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We +moeten scheiden." + +"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld. + +"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik +zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt +gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de +scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is." + +Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt +hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar. + +Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter +wereld zich van haar zou laten scheiden? + + + + + + +VI. + +SLECHTS VAN DEZE WERELD. + + +Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een +heilige, zij wordt stellig een heilige." + +Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de +Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt. + +Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg +hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er +was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita +Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men +moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen. + +Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook +de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens +en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een +trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns. + +Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, +en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten. + +De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling +goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht +van het Oosten. + +Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid +over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den +zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld. + +Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte +van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke +landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen. + +Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar +hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche +terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde +mijngangen. + +Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen +heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit +de mijnen aansleepten. + +"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar +geheugen haken. + +Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes! + +Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun +arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte +hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te +stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden +dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen: + + + De tocht is gedaan met pijn en nood, + Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood. + + +Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met +erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De +meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen, +die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water. + +Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij +de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze: + +"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!" + +En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang +klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn. + +De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden +in hun schouders. + +Terwijl ze op en neer gingen zongen ze: + + + Zeven tochten gedaan in pijn en nood, + 't Leven is erger dan de dood. + + +Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld +met deze ongelukkige kinderen. + +En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men +dat zij een heilige zou worden. + +Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen +was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de +wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht +met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, +zij verbond de wonden aan hun schouders. + +'t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de +wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita +Cornado niet kwam om hen te troosten. + +Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens +zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij +kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita +Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat +thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den +mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan +de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om +de wagentjes. + +Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die +Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze +begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn. + +"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en +heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken +over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel +vergeten." + +Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken. + +"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht, +hij heeft uw raad noodig." + +"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje. + +"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken +naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht. + +"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard +is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt." + +Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij +berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als +zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting +op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang +hij onder den grond was. + +Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs +tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes +en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen. + +Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door +zulk een bovenmatigen arbeid. + +Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden. + +Santuzza maakte een pauze. + +"En toen?" vroeg Margherita. + +"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur. + +"Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken +dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur +den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine +lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.--En nu is hij dood. Mijn +kleinzoon is dood, Margherita." + +Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij +slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes; +het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de +ellende in de zwarte mijnen. + +"Waarom laat men dien man leven?" riep zij uit. + +Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit +haar zak. + +"Dit zendt Orestes u met duizend vragen," zei ze. + +Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder +een woord te spreken. + +De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom +wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen +komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht +uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij +lag vermoord aan den wegkant. + +Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een +streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt. + +Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen +klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes, +aan als den moordenaar van haar bruidegom. + +Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan +alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij +zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen. + +Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een +hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar. + +In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als +een misdaad gerekend worden. + +Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt. + +Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een +voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde +haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den +vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar +was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde +het hoofd af om haar niet te groeten. + +Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het +berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde. + +Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf +een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was. + +Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van +de andere. + +Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets +ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der +gewetenswroeging van haar af te wentelen. + +In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in +Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht +naar Diamante te doen. + +Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog +niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun +tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het +beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia's en +broeder Tomasso's voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het +ochtendkrieken, verhaald van het beeld. + +En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen +wonderdoener. + +Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te +laten voorbijgaan. + +"Het Christuskind," zei hij, "wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu +is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil +hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten +door het heilige beeld." + +Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli's klooster +op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van +de duizenden wonderen, die hij verricht had. + +"En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden," +zei pater Gondo. + +"Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem! + +"Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die +het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het +Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op +het stroobed in de armoedige grot!" + +Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado's hart toen zij +dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo's +oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.--Veertig pelgrims +ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante. + +Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder +gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen, +alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte. + +"Weet ge," zei pater Gondo, "waarom Gods zoon grooter is dan alle +andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de +zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt, +omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is." + +Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van +de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde +zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de +moede pelgrims. + +En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth, +om den timmermanszoon te zien. + +"Hij zal het lijden van ons nemen," zei pater Gondo. "Als wij +terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling." + +En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn, +waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van +zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker +werd. + +"De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen," zei ze. + +Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van +Diamante's berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en +frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze +voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade. + +Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende +stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan. + +Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen +uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen +en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het +oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste +de pelgrims. + +Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen, +waarom ze niet eerder waren gekomen. + +Diamante's Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo +barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen +Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart +reeds verlost was van alle pijn. + +De menschen van Diamante troostten haar. + +"Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen," zeiden ze. + +"Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden." + +Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van +Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen +en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden +ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld +te gaan. + +Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij +vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór +alle anderen.... + +Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen, +zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen +hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam, +vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze +greep hem bij de keel en wilde hem worgen. + +Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd +vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te +binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest. + +De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden +brandende kaarsen in de hand. + +Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden +zich aangesloten bij de pelgrims. + +Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen, +de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen +verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg +het gezang. 't Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde +in een luid geweeklaag. + +Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun +kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone +verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood. + +Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken. + +Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder +slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn +eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen +op het harte. + +Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij +opgewekt had? + +Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn +gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op +de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel +geholpen worden. + +Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere +stem en schreed naar het altaar. + +Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang +opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen +strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen. + +"Het staat er, het staat er," mompelde hij, terwijl hij de kroon uit +zijn hand liet vallen. + +Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van +Aracoeli voor zich had. + +Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn +gewone zachtmoedigheid: + +"Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen." + +En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van +Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist +genoemd en in de wereld geworpen werd. + +"Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed," zei pater Gondo. + +"Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen: + +"'t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze +kleine voet, die tegen de poort schopte." + +"Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was, +zei hij altijd: "Wat zou er van hem geworden zijn? Rome's honden +hebben het zeker verscheurd." + +Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte +om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen. + +"Leest dit!" zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De +menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij, +die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een +opschrift was. + +En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het +laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims, +die zich om hem heen verzameld hadden. + +"Ik heb u hierheen gevoerd," zei hij tot hen, "opdat gij Hem zoudt +vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar +ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn +rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig +geworden," vervolgde pater Gondo, "omdat zij hier kwam en hoopte op +hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden +niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is +slechts van deze wereld." + +Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten, +wat zij van dit alles moesten denken. + +Toen vroeg hij zacht: "Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon +voert, nog langer een altaar ontheiligen?" + +"Neen, neen!" riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend, +door ontzetting bevangen. + +Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met +uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang. + +Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn +blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de +volksmenigte gerust. + +Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen +wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen +gedachte te denken. + +Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek +om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa. + +"Ook de kroon," zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt. + +Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San +Pasquale's beeld beschermt. + +Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig +weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze +stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak. + +Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar +stonden ze nog steeds, verlamd en willoos. + +Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde +verbranden, maar zij verzetten zich niet. + +Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden. + +Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld +volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden. + +"Mijn ongelukkige kinderen!" zei hij mild, terwijl hij zich tot +de menschen van Diamante wendde. "Gij hebt een vreeselijken gast +geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger +ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?" vervolgde +hij strenger. + +"Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo +is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden +heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel? + +"Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere +wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch +brood, gezondheid en geld? + +"Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer +had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade. + +"Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn," +zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop. + +"Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet +in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht +slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor +het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen: + +"Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt," en anderen zullen +getuigen: + +"Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden," en velen +zullen zeggen: + +"Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels +aanschouwen kan." + +"Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij +noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten +erkennen, dat ik mij vergist heb." + +Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige +ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen +te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden, +bleven zij aarzelend staan. + +"Ik wacht," zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen +te komen. + +Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke +smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar +niemand verroerde zich. + +"Mijn ongelukkige kinderen," zei pater Gondo diep bedroefd, "de +Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn +macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een +ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht. + +"Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen +waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante's inwoners +zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten, +die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De +Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd." + +Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk +in verzet te zullen komen. + +Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte. + +"Het beeld is heilig," riep een. "Toen hij de stad binnentrok, +luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag." + +"Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?" antwoordde +de monnik. + +En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder +het volk. + +"Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den +Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet +meer in u." + +"Hij was goed en barmhartig gelijk Christus," riep het volk. + +"Dat is juist uw ongeluk," zei de pater en plotseling was hij +vreeselijk in zijn toorn. "Hij heeft Christus' gedaante aangenomen +om u te verleiden. + +"Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen. + +"Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u +in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt. + +"Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen +gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een +hemelsche genade gesmeekt heeft." + +"Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore," zei iemand. + +"Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de +jettatore, dezen overwinnen?" antwoordde de pater somber. + +Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te +verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger +te maken. + +Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij +stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed +zij niets om haar geliefd beeld te redden. + +Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte +zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts +wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar. + +Zij waagde het niet zich te verzetten. + +Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de +macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel, +dat in opstand kwam tegen zijn woorden. + +"Neen, neen!" zei zij, "dat kan niet mogelijk zijn." + +Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had +gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen. + +En haar verstand begon zich te verdedigen. + +Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het +bovennatuurlijke in haar. + +Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf +ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat +nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen +wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een +toeval was geweest, niets dan een toeval! + +'t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had, +ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval, +werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel +verbeelding geweest. + +De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte +naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende +gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven. + +Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een +vrijdenkster werd? + +Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van +den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar. + +En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu +dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit. + +'t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar +geloof te redden. + +Maar donna Micaela's gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden +voorwaarts en plunderden haar ziel. + +Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot +niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets +kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen +enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde. + +"Maar ik wil gelooven aan God," zei ze, terwijl ze haar handen vouwde +als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden. + +"Uw oogen zijn wild en woest," zei pater Gondo. "God leeft niet onder +u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen." + +Donna Micaela's blik zocht opnieuw Gaetano. + +"Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te +leven?" schenen haar oogen te vragen. + +Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen. + +Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich +nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen +oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken. + +Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts +zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht +in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan +een gelukkige aarde. + +Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen? + +Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer +van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm +gevoelen als op dit oogenblik? + +Pater Gondo boog zich over de vlammen. + +"Ik zeg u nog éénmaal," riep hij, "indien slechts één uwer verklaart, +dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden." + +Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon +laten vernietigen. + +De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan +verbonden. + +"Gandolfo, Gandolfo!" fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had +zij hem naast zich gezien. + +"Ja, donna Micaela." + +"Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo." + +De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie +malen.--Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de +kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht +bij de vlammen. + +Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over +zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem +nu toebehoorde. + +Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over +de zielen. + +Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot +aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze +menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden +als zij zelf. + +"Gij, Antichrist," zei pater Gondo dreigend, "ziet ge wel dat niemand +aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet? + +"Gij zult in de vlammen omkomen." + +En hij legde het beeld op den brandstapel. + +Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep +het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen. + +Pater Gondo's pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een +woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro. + +Maar de kleine Gandolfo redde het beeld. + +Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo +bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in +den wagen te werpen. + +Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu +naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen: + +"Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche." + +'t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en +opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken. + +Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche. + + + + + + +V. + +EEN FRESCO VAN SIGNORELLI. + + +Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij +den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist +gevonden had in Christus' gedaante, en hoe deze het volk van Diamante +verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had +willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God +had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en +socialisme vervallen was. + +Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel +denken. + +Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen. + +De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om +pater Gondo's verhaal, hij was diep bedroefd. + +"Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld," +zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: "Hebt ge +nooit den dom in Orvieto gezien?"--"Neen, heilige vader." + +"Ga naar Orvieto om den dom te zien," zei de paus, "en als ge daar +geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt." + +Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen +dom. + +Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan. + +"Wat hebt ge gezien in Orvieto?" vroeg de paus. + +Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk +fresco's gezien had van Luca Signorelli, voorstellende "het laatste +Oordeel." Maar hij had noch gezien naar "den Dag des Oordeels," +noch naar "der Dooden Opstanding." + +Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat +de kerkwachter "de Wonderen van den Antichrist" genoemd had. + +"Wat hebt ge daarop gezien?" vroeg de paus. + +"Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en +geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik +zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus' gelaat +had gegeven." + +"Wat zaagt ge nog meer?" vroeg de paus. + +"Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo +preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten +legden. + +"Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en +door hem genezen werd. + +"Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf +voor de leer van den Antichrist. + +"Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de +menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze +geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door +het vuur." + +"Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?" vroeg de paus. + +"Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent +hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen +zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?" + +"Zaagt ge nog meer?" + +"Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een +grooten brandstapel bestegen en verbrand werden. + +"Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het +oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken." + +"Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?" + +"Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij +was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus' gedaante +en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken, +dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste +verleiding der wereld worden." + +"Begrijpt gij nu," zei de paus, "dat gij mij niets nieuws verteldet? De +kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust +met alle deugden van Christus." + +"Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?" vroeg +pater Gondo. + +"Zou ik hier jaar na jaar op Petrus' stoel zitten en niet weten, +dat hij gekomen is?" zei de paus. + +"Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde +voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven +offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe +ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: "Denk aan de aarde," +zooals vroeger uit het woord: "Denk aan den hemel." Ik wist dat hij, +dien Signorelli voorspeld had, gekomen was." + +Pater Gondo boog zwijgend het hoofd. + +"Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?" + +"Heilige vader, verklaar me mijn zonde." + +De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden +den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat +daarachter verborgen was. + +"Pater Gondo," zei hij, "het kleine kind, waarmee ge streedt in +Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus, +het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist +noemt, weet gij wie dat is?" + +"Neen, heilige vader." + +"En hij, die op Signorelli's schilderij zieken genas, rijken bewoog +afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde +en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?" + +"Neen, heilige vader." + +"Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme? + +De monnik zag verschrikt op. + +"Pater Gondo," zei de paus streng, "toen gij het beeld in uw armen +hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet +liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld +op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is? + +"Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote +volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar +windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus' voeten, en de +Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus' namaaksel +en hem erkennen als zijn heer en meester. + +"Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel, +en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen." + +Pater Gondo boog zijn knieën. "Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal +uitgaan om het beeld te zoeken." + +De paus verhief zich majestueus. + +"Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de +wereld laten gaan. We vreezen hem niet. + +"En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon +te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot +Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen. + +"Maar gij handelt verkeerd," vervolgde hij milder, "wanneer gij hem +haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der +wereldverlossers? + +"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden +aangebeden, Christus of Antichrist." + +"Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den +hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten." + +Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus. + +"Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië +verhaal. + +"Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep, +Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San +Pietro uit om te zien of de wereld gereed was. + +"Toen San Pietro terugkwam, zei hij: + +"Alle menschen weenen, snikken en klagen." + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en Hij +werkte verder. + +"Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde. + +"Alle menschen lachen, jubelen en juichen," zei San Pietro, toen +hij terugkwam. + +"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en werkte +verder. + +"San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden. + +"Sommigen lachen en sommigen weenen," zei hij toen hij terugkwam. + +"Dan is de wereld gereed," zei Onze lieve Heer. + +"En zoo zal het zijn en blijven," zei de oude paus, "Niemand kan de +menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden, +die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen." + + + EINDE. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST *** + +***** This file should be named 36194-8.txt or 36194-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/6/1/9/36194/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/36194-8.zip b/old/36194-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c216116 --- /dev/null +++ b/old/36194-8.zip |
