summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:05:17 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:05:17 -0700
commit37588066ae04d1e0b495b6f890c369931e9f9cfe (patch)
tree0e67c700878ad6392ca5f8cc5c2f91d4bddf5658 /old
initial commit of ebook 36194HEADmain
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/36194-8.txt14204
-rw-r--r--old/36194-8.zipbin0 -> 221573 bytes
2 files changed, 14204 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/36194-8.txt b/old/36194-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..e445f46
--- /dev/null
+++ b/old/36194-8.txt
@@ -0,0 +1,14204 @@
+Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Wonderen van den Antichrist
+
+Author: Selma Lagerlöf
+
+Translator: Betsy Nort
+
+Release Date: May 22, 2011 [EBook #36194]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST
+
+ Naar het Zweedsch
+ van
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ Schrijfster van "Gösta Berling", "Ingrid", "De Koninginnen van
+ Kungahälla", "Jeruzalem", "Onzichtbare ketenen", enz.
+
+ Door
+ Betsy Nort
+
+ Met toestemming van de schrijfster
+
+
+ Als de Antichrist komt, zal hij
+ volkomen op Christus gelijken.
+
+ Daar zal groote nood heerschen
+ en de Antichrist zal van land tot
+ land gaan en den armen brood geven.
+
+ En hij zal vele aanhangers verkrijgen.
+
+ Siciliaansche Volkssage.
+
+
+ Tweede Druk
+
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+ 1904
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+
+ Als de Antichrist komt, zal hij
+ volkomen op Christus gelijken.
+
+
+I.
+
+HET VISIOEN VAN DEN KEIZER.
+
+
+In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning
+over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille
+en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht,
+welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben,
+dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was.
+
+'t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde
+op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van
+den hemel kwam geen enkele lichtstraal.
+
+Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar
+aangezicht afgewend.
+
+En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren
+hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het
+espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan,
+dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen,
+en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe
+voeten geknarst.
+
+Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te
+verstoren. 't Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de
+bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.
+
+Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of
+blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze
+dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door
+zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot
+kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.
+
+In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen 's keizers woning op
+den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum
+naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren
+den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel
+oprichtten op Rome's heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk
+zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden
+welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en
+hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn
+genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.
+
+En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer
+ging brengen.
+
+Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het
+beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf
+droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen
+priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn
+naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg
+te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven,
+die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al
+het andere droegen, dat voor het offeren noodig was.
+
+Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte
+geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen
+zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd
+was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons
+plaats greep.
+
+Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de
+rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst,
+dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij,
+dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots
+verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn
+dan de oude sibylle.
+
+Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit
+gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar
+huis gevlucht zijn.
+
+"Dat is zij," fluisterden ze, "die zoo vele jaren telt als er
+zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom
+is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den
+keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen
+schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert,
+die het noodig heeft?"
+
+Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden
+hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één
+beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos
+was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling,
+en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren
+nacht tuurde.
+
+Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien
+dat ergens ver weg geschiedde.
+
+Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht!
+
+Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg
+hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich
+uitzien. En welk een stilte! welk een rust!
+
+Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren.
+
+Maar 't was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet
+parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en
+machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren.
+
+Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden
+tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur
+hield den adem in om een nieuwen god te begroeten.
+
+Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden,
+dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn
+genius te begroeten.
+
+Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een
+visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen
+was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende
+zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze
+onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes
+waren.
+
+Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen
+aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende
+kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op
+het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het
+vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze
+de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen.
+
+Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten,
+die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen?
+
+En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven
+doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden
+zich naast de menschen neder.
+
+Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den
+berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte,
+kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der
+beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren.
+
+Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon
+vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif
+zich en verdween in de duisternis van den nacht.
+
+Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude
+sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte.
+
+Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur
+dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in
+den doodstillen nacht begon te trillen?
+
+Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de
+aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en
+toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden.
+
+Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende,
+heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar
+den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw
+offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de
+tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten
+inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif
+uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht.
+
+De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar
+en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht
+te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen
+te voorspellen.
+
+Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar
+ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het
+laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op
+hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange
+fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven.
+
+Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op
+citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach
+en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit
+hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis
+behoorden, om het wonder te verhalen.
+
+Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle
+volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote,
+stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop
+blonk als zilver in het licht der ster.
+
+Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de
+herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen
+ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een
+lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het
+was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur.
+
+Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer
+engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op
+de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende
+vleugels daarboven zweven.
+
+Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd,
+ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het
+Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche,
+streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen
+op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen,
+de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel
+en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven
+aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer.
+
+Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche
+vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. "Ave
+Cesar," riepen zij. "Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god,
+die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden."
+
+En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden,
+was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar
+uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling
+en begaf zich tusschen de menschen. 't Was alsof een donkere wolk uit
+den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk
+om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken
+rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de
+donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel
+naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet.
+
+Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze
+naar het verre Oosten.
+
+"Zie," beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en
+zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door
+tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een
+steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In
+den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind,
+dat op een stroobos op den grond lag.
+
+En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind.
+
+"Ave Cesar," zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. "Daar is de
+god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden."
+
+Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige
+geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te
+branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat
+die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht
+bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak
+woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen:
+
+"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden
+aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen."
+
+Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen
+mannen, daalde langzaam van den berg en verdween.
+
+Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem
+een tempel op het Kapitool op te richten.
+
+In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind
+bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+ROME'S HEILIG KIND.
+
+
+Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond
+werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als
+een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een
+wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt
+en staart.
+
+Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in
+Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der
+sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen.
+
+Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling
+van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou
+worden aangebeden.
+
+En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen
+om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en
+wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist.
+
+Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche
+godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden.
+
+Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten,
+en tuurden in de wereld.
+
+Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden
+ze den Antichrist te ontdekken.
+
+"Hij is hier, hij is daar," riepen ze. En ze fladderden in hun bruine
+pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die
+op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen.
+
+Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle
+heeft het gezegd. De Antichrist moet komen.
+
+Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen
+niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle.
+
+Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door
+boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van
+Gods woord.
+
+Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken,
+werden de menschen krachteloozer en zwakker.
+
+De monniken zeiden:
+
+"Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet
+een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus."
+
+Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de
+wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van
+geweld en kracht zou worden.
+
+Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld
+door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij
+was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even
+geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed
+aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver,
+vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat
+broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde
+en nergens vrede te vinden was.
+
+En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee
+der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen:
+"De Antichrist, de Antichrist!"
+
+En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de
+monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum.
+
+En ze zeiden: "Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten
+vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken."
+
+Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken
+nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun
+dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich
+naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar
+sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen,
+en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten,
+waren ze mat als na een zware ziekte.
+
+De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende
+Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer
+een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om
+daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een
+afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde
+waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die
+deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën,
+zoo lang hij het beeld aanschouwde.
+
+Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het
+hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden
+van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het
+hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met
+schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar
+gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En
+als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf:
+
+"God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt
+aangebeden."
+
+De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen
+hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der
+vertroosting. "Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?" zei hij. "Wie
+kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt
+Rome's heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij
+zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen
+zult op het Kapitool worden aangebeden."
+
+Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die
+stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den
+loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was,
+waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher
+hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden.
+
+"Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen," zei de monnik. "Uw rijk
+moet blijven bestaan."
+
+En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting
+en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar
+indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen
+oogenblik rust gevonden hebben.
+
+Zoo hadden Aracoeli's monniken zich onder gebed en strijd door de
+tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want
+zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich
+zijn plaats in te nemen.
+
+En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een
+te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want
+het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden.
+
+Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang
+was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met
+grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als
+nooit te voren.
+
+In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar
+Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze
+dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij
+ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte
+smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen.
+
+Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met
+gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld,
+dat hun eenige troost was, niet willen afstaan.
+
+Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld,
+dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden.
+
+En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen,
+besloot ze het beeld te stelen.
+
+Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een
+onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar
+ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te
+bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen,
+dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli.
+
+'t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane's olijvenberg
+gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten
+snijden, dat volkomen daarop geleek.
+
+'t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd.
+
+Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde
+hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld
+geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het
+beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder
+haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk
+aan het heilige beeld werd.
+
+Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die
+waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde
+sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen
+sterren--maar dat alles was van koper en glas--en zij kleedde het,
+zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden.
+
+Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon:
+"Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+'t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld
+kon onderscheiden. En 't was alsof ze haar geweten had willen
+geruststellen. "Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen
+maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts
+van deze wereld."
+
+Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder
+en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen
+vóór het Christusbeeld.
+
+Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de
+ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken
+vertoonde, begon ze te trillen en te beven en 't scheen alsof ze
+bezwijmen zou.
+
+De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om
+water te halen en zij bleef alleen in de kapel.
+
+En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd.
+
+Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en
+machtelooze daarvoor in de plaats gezet.
+
+De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche
+beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging
+huiswaarts met Aracoeli's schat. Zij plaatste het in haar paleis op een
+voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was.
+
+In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden
+had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had
+aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals
+gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk.
+
+Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria's schoot en
+rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang
+de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en
+werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli's basiliek geheven. Dan
+predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het
+kleine Christuskind.
+
+Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou,
+dat zij Aracoeli's Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij
+voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was.
+
+"Dit is een nagemaakt beeld," zei ze, "het is zoo gelijk aan het
+echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt."
+
+Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen
+deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak:
+
+"Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien
+gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te
+Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem
+geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een
+kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem
+kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij
+slechts kunnen!"
+
+Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot
+het beeld:
+
+"Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik
+vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in
+processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem,
+en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden
+voor hem.
+
+"Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!"
+
+En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld
+sprak:
+
+"Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het
+beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt
+bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen,
+maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En
+men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om
+goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer
+roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge
+aangeroepen wordt en niet kunt helpen."
+
+Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht
+werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de
+poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de
+poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend
+metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle
+monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden
+door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de
+Antichrist gekomen was.
+
+Maar toen men de poort opende--toen men de poort opende!
+
+Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. 't Was
+zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn
+kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.
+
+De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag
+hij, dat het tranen in de oogen had.
+
+Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat
+had het niet moeten zien!
+
+Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo
+veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had
+moeten ondervinden!
+
+De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij
+waren verbaasd dat het 's nachts buiten was gekomen.
+
+Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een
+godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken
+naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het
+beeld weer op zijn plaats te zetten.
+
+Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel
+monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar
+ontsnapt waren.
+
+"Hoe zou het ons gegaan zijn," zeiden ze, "indien onze eenige troost
+van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome's heilig
+kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?"
+
+Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen,
+vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift
+droeg: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.
+
+Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:
+
+"Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met
+zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen
+een groot feest vieren.
+
+"Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking
+geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd
+hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken.
+
+"God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het
+teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden.
+
+"Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven,
+heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden
+van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten
+aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.
+
+"Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere
+profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden.
+
+"Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam
+en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld
+van Gods Zoon behoefde te aanschouwen.
+
+"Gelukkig is Aracoeli's klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil
+volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade."
+
+Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn
+handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar
+trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met
+honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een
+afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid:
+"Anatema Antichristo" en slingerde het beeld van de hoogte van 't
+Kapitool naar beneden in de wereld.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+OP DE BARRICADE.
+
+
+Toen de rijke Engelsche 's morgens ontwaakte, miste zij het beeld en
+wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders
+dan Aracoeli's monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging
+ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote
+marmeren trap, die naar Aracoeli's basiliek voert. En haar hart klopte
+onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht.
+
+Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich
+huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal.
+
+Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er
+een deuk in de kroon gekomen was.
+
+Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en
+in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf
+gegrift had:
+
+"Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte
+weer in Aracoeli's kapel stond.
+
+Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den
+volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer
+blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam
+zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere,
+dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen.
+
+Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze
+werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het
+beeld kwam, was het alsof Christus' macht verminderde, zonder dat
+iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er
+machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd
+was met koperen ringen en glazen kralen.
+
+Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood
+was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook
+voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde.
+
+
+
+Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld
+in Parijs.
+
+Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten
+trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze
+plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der
+rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de
+straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden
+de straten met barricades.
+
+Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten
+reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en
+sleepte den wagen naar één der barricades.
+
+Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die
+de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het
+slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook
+het verworpen Christusbeeld.
+
+'t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte
+spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en
+men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot
+hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon
+te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren:
+"Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun
+veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en
+plantten het daar als een banier.
+
+Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen
+arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de
+studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder
+de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden;
+voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren.
+
+Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp
+te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze
+roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de
+oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet
+vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en
+dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar
+stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden
+rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het
+leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit.
+
+Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het
+kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven
+op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd
+hij getroffen door de woorden: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht
+schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in
+rook of in bloed.
+
+Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte
+den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar
+hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen
+moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing
+gegeven had.
+
+Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen "Uw rijk
+is slechts van deze wereld." Daarom moet gij trachten dit leven
+gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen
+deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden,
+en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk
+worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en
+niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar
+het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht.
+
+Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade
+stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder
+en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting.
+
+Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De
+troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en
+vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad.
+
+Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen
+te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. 't Eerst
+zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli.
+
+Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had,
+begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme
+genoemd wordt, maar het Antichristendom is.
+
+En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom,
+zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van
+Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het
+valsche beeld zegt zij: "Mijn rijk is slechts van deze wereld."
+
+Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt
+is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om
+die te verlossen en te herscheppen.
+
+Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt
+velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch
+geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook,
+die over de wereld is gegaan sedert Christus' tijd.
+
+
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+ "Daar zal groote nood heerschen."
+
+
+I.
+
+DE MONGIBELLO.
+
+
+Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano
+Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der
+oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten
+verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch
+ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit
+barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.
+
+Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater
+hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.
+
+Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele
+familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie
+van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster
+wilde nemen.
+
+Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar
+zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!
+
+Hij zou immers monnik worden.
+
+Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar
+niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het
+haar niets baatte hem dat te vragen?
+
+Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken,
+zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar
+de ontvangkamer.
+
+Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar
+gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij
+droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen
+waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs
+alleroudste kaftan.
+
+Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.
+
+"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem
+de hand.
+
+Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden,
+zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had
+niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe
+zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de
+courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen
+hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis
+naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen
+te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om
+hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!
+
+Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man
+was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar
+broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet
+waar Diamante lag?
+
+De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.
+
+"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?"
+
+"Neen."
+
+Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte
+Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?"
+
+Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat
+Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij,
+zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch,
+nadat zij hen aan het lachen gebracht had.
+
+"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te
+zien?" vroeg ze vlug.
+
+"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele
+wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op
+hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn
+aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.
+
+Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.
+
+En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had,
+wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat
+hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om
+het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En
+langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren
+heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder
+wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.
+
+Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij,
+dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een
+echte Alagona.
+
+En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig
+heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden
+te rijden.
+
+En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote
+bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden,
+die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was,
+dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een
+kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden
+bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen
+beschutting kon vinden bij onweer.
+
+Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar
+waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin
+was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere
+stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere,
+die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich
+bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen,
+leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn,
+indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.
+
+Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als
+een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien,
+als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit
+getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was,
+dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet
+kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of
+hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica
+van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook
+gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in
+een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op
+den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg
+reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht
+vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap,
+den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren,
+hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht
+dat op Sicilië was tot recht te maken.
+
+En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur
+nog niet uit zijn grot was gekomen.
+
+Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij
+toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog,
+maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet
+denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het
+werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo
+grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet
+op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.
+
+De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een
+gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen
+werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.
+
+Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver
+alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.
+
+Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello
+genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens,
+zoo te heeten.
+
+Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou
+kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen
+zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.
+
+Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog
+was hij niet in dat net gevangen.
+
+Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben
+om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide
+reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met
+vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen
+smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.
+
+En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was
+die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.
+
+Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders
+bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna
+Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa
+Agatha van Catania.
+
+En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten,
+dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.
+
+Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe
+was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het
+was een merkwaardige signora!
+
+Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:
+
+"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen
+vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar
+verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren,
+nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de
+Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de
+groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een
+heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart,
+lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts
+steenen, geen enkele grashalm!
+
+Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde,
+dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde,
+als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon
+hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende
+lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar
+lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op
+den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende,
+totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!
+
+Neen, nooit!
+
+De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.
+
+Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te
+vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde
+en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd
+en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts
+stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder
+op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.
+
+Kon dat iets anders zijn dan de cactus?
+
+Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk
+een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?
+
+Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus
+was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft
+toovenaar.
+
+De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.
+
+Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten
+had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.
+
+De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich
+nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal
+en moet ze!
+
+O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.
+
+Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte
+veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en
+schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.
+
+Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op
+uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den
+grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En
+nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.
+
+En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond
+palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een
+groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het
+hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.
+
+Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's
+hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand
+naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee
+doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger,
+misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets
+eens merken, als hij haar hand kuste?
+
+Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het
+geheel niet.
+
+Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.
+
+En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!
+
+Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en
+gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des
+oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek,
+op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op,
+die juist bij de hand lag.
+
+Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg
+gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur
+naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met
+huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze
+wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters
+verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon
+men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den
+berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk
+heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch
+geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.
+
+Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd,
+en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.
+
+Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen,
+dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem
+wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en
+op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de
+bergen rondom geweest waren.
+
+Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De
+gansche zee zag men daar.
+
+Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar
+pater Jozef werd zeer ongeduldig.
+
+"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij
+heel vriendelijk.
+
+Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was
+te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote
+huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.
+
+Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en
+toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers
+daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.
+
+Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan
+te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs
+beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd
+met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen
+der Alagona's gebrand.
+
+Dat zou hij toch zeker willen zien?
+
+Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen
+op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet
+merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja,
+het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets
+van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote
+praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er
+was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels
+en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk
+van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar
+zij zou er met hem heengaan.
+
+Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?
+
+O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had
+zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles
+boven staan, zooals het stond.
+
+Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't
+Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders
+zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn
+hoofd had gezet.
+
+Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.
+
+Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen
+haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te
+vertellen, hoe zij het zelf had.
+
+Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de
+stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was
+ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij
+medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst
+behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel
+gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest
+mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.
+
+Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te
+snijden, want hij was artist, signor Antonelli.
+
+En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er
+zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in
+de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een
+paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een
+nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen
+als hij bij haar wilde komen.
+
+Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.
+
+Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij
+het wagen haar te streelen?
+
+Hij keek tersluiks naar pater Jozef.
+
+Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij
+gewoonlijk deed.
+
+Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.
+
+Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht,
+die Luca heette.
+
+Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert
+zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in
+den winkel kon laten helpen.
+
+En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest,
+had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in
+den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.
+
+Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar
+Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar
+was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.
+
+Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude
+Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar
+gezegd:
+
+"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier
+hebben."
+
+Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.
+
+Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen
+te zijn.
+
+En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano
+dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef,
+dat Gaetano zelf zou beslissen.
+
+En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de
+laatste van zijn geslacht was.
+
+Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot.
+
+Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.
+
+Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.
+
+Pater Jozef kwam hem te hulp.
+
+"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano."
+
+"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij
+verklarend tot donna Elisa.
+
+Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien,
+maar ze had tranen in de oogen.
+
+"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij.
+
+"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu
+woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en
+vele priesters en een groote menigte monniken.
+
+"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien
+tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd
+dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten
+dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde,
+hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat
+dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.
+
+"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou
+morgen terugkomen."
+
+Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en
+ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor
+haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had,
+maar hij kon niet.
+
+Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou
+krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan
+de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan
+een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van
+hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.
+
+En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak
+hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu
+genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar
+kon vertrekken!
+
+Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen
+den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en
+prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano
+kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.
+
+"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan
+den Mongibello weerstaan."
+
+Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.
+
+"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello
+is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en
+luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen
+der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem
+te lokken."
+
+Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de
+aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat
+hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.
+
+"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij
+zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als
+hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen
+naar den hemel."
+
+Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde
+optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer,
+waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet.
+
+"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei
+pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of
+gij hem behouden kunt."
+
+Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij
+zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te
+vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en
+de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+FRA GAETANO.
+
+
+Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig
+geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna
+Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen
+en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op
+een gouden stoel met zilveren zonneschermen.
+
+Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna
+Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater
+Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen
+om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort.
+
+De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de
+leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van
+de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of
+het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed
+droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en
+ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen.
+
+Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling
+na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een
+heilige zag.
+
+Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de
+hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde
+neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide
+handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat
+had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat
+het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak.
+
+"Gezegend! gezegend! gezegend!" zeiden allen als uit één mond. De
+meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid,
+daarvoor was de eerbied te groot.
+
+En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden.
+
+"Gezegend! gezegend!" klonk het over de geheele markt. "Gezegend zijn
+uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!"
+
+De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering,
+maar toch was het alsof een storm door de lucht voer.
+
+Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep
+Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik.
+
+Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde
+hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou.
+
+Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen
+en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn
+stem boven alle andere uitklonk.
+
+Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano
+naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis.
+
+Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed.
+
+Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje,
+zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij
+wilde wegloopen.
+
+Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo
+gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles
+beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden
+door de menschen.
+
+Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten
+om legenden te vertellen.
+
+Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa's tuin
+en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee
+om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den
+Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van
+wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit
+zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen.
+
+Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan
+zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel.
+
+Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis
+met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn
+dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van
+de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden.
+
+Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd
+een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou
+nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel
+moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen.
+
+Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen
+moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen,
+maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke
+lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap.
+
+Dat was de deur van donna Elisa's kamer en Gaetano waagde het niet
+verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als
+zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels
+van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der
+trap om te wachten.
+
+Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht
+moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep
+getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen.
+
+En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij
+daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte
+donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren
+omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn,
+wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar
+Palermo was gekomen om hem te halen.
+
+Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa
+trachtte te troosten. 't Was zoo jammer voor haar, dat zij niet
+begreep, welk loon haar wachtte.
+
+Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien
+jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de
+beroemde heremiet fra Gaetano.
+
+Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een
+groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten
+zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige
+doeken, dekens en kransen.
+
+Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem
+niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou
+echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna
+Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden
+van haar weggeloopen was.
+
+"Gaetano," zou donna Elisa dan antwoorden, "gij geeft mij een zee
+van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?"
+
+Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al
+heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa
+zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem
+vinden zou.
+
+En dan zou ze hem niet laten gaan.
+
+Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde
+kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En 't was niet alleen
+donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn,
+wanneer hij terugkwam als een heilig man.
+
+Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer
+vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis
+spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen
+toestroomen.
+
+Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en
+roepen: "Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!"
+
+En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor
+donna Elisa's winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle
+zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen.
+
+Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand
+kussen.
+
+Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen.
+
+En Giannita, donna Elisa's peetdochter, zou voor Gaetano buigen en
+hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou
+zoo gelukkig zijn.
+
+
+
+O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. 't Was klaarlichte dag en
+donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat
+op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en
+zijn bundeltje aan de voeten.
+
+Donna Elisa en Pacifica schreiden. "Hij wilde wegloopen van ons,"
+zeiden ze.
+
+"Waarom zit je daar, Gaetano?"
+
+"Donna Elisa, ik wilde wegloopen."
+
+Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof
+het de natuurlijkste zaak ter wereld was.
+
+"Wilde jij wegloopen?" riep donna Elisa.
+
+"Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden."
+
+"En waarom zit je dan hier?"
+
+"Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben."
+
+Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was.
+
+Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten
+leed en schreide bitter.
+
+"Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa," zei Gaetano.
+
+"Gij blijven!" riep donna Elisa uit. "Ge moogt gerust gaan. Zie hem
+aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij
+is een avonturier."
+
+'t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een
+gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden
+al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar
+grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona's
+stam.
+
+"Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa," zei de
+knaap. "Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet
+dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren
+geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en
+toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder
+en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: "Wij
+zullen vader gaan zoeken!" En wij gingen. Het werd avond, het regende
+hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg.
+
+"Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze
+joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen
+bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over
+den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij
+de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik
+slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op
+het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor
+klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door
+den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar
+ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan
+land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik
+God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden,
+dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan
+om heremiet te worden.
+
+"Want, donna Elisa, ik moet God dienen."
+
+Donna Elisa gaf zich nu gewonnen.
+
+"Ja, ja, Gaetano," zei zij, "maar het doet mij zoo'n verdriet. Ik
+kan niet verdragen dat je van mij weggaat."
+
+"Neen, maar ik ga ook niet weg," zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk,
+dat hij lust gevoelde te lachen.
+
+"Ik zal niet weggaan."
+
+"Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt
+komen?" vroeg donna Elisa ootmoedig.
+
+"Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets
+begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets
+anders gedacht."
+
+"Wat hebt ge bedacht?" vroeg zij treurig.
+
+"Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat,
+donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja,
+donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon
+niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis
+en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik
+maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig.
+
+"Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een
+hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en
+schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa,
+ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart,
+maar moeder.
+
+"Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang,
+want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg,
+en maakte hem los.
+
+"Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij
+niet boos op mij was.
+
+"Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de
+kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel
+zat en die waren zoo mooi.
+
+"Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?" vroeg moeder.
+
+"Ja," antwoordde ik.
+
+"Dan kan je God daarmee dienen," zei moeder.
+
+"Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?"
+
+"Neen," zei moeder.
+
+"En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij."
+
+Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan.
+
+"Wat meende moeder daar nu mee?"
+
+Donna Elisa stond verbaasd.
+
+Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte.
+
+"Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou
+kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden,
+donna Elisa!"
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DE GODSZUSTER.
+
+
+Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen
+dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder
+mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar
+of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt.
+
+Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en
+broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar
+dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn
+geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste
+toevertrouwen, zonder bedrogen te worden.
+
+Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder
+geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni
+Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.
+
+Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar
+rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met
+hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht
+is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk
+gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om
+godszusters en broeders te zoeken.
+
+En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te
+geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis
+kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje,
+dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg
+een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken
+kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de
+dochter van donna Olivia die groenten verkocht.
+
+Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls
+over, wat zij voor haar zou kunnen doen.
+
+Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen
+en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had
+Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.
+
+Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een
+wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita
+een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De
+reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze
+eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den
+zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad.
+
+Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer
+verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar
+donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere
+Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.
+
+Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen
+der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's
+jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge
+signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte
+zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend
+haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het
+geheel niet opmerkte.
+
+Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan,
+liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.
+
+Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij
+sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.
+
+Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden
+beiden:
+
+
+ "Zuster, zuster, zuster mijn,
+ Ik ben dijn en gij zijt mijn.
+ Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,
+ Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs,
+ Dijn mijn plaats in 't Paradijs."
+
+
+Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar.
+
+"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine
+signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan.
+
+Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden,
+toen ze van elkaar gingen.
+
+Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk
+in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd
+bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania.
+
+Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita
+zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren,
+zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.
+
+Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer
+donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op
+een kier gezet om wat meer licht te hebben.
+
+Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe
+Rosa Alfari voorbij.
+
+Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat
+zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met
+versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag
+men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd.
+
+Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen
+omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.
+
+Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu
+was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht
+alleen naar Catania te reizen.
+
+"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt,"
+zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt
+men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee
+uur in Catania kom?"
+
+Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:
+
+"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?"
+
+Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.
+
+Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei
+zij. "Wil je het werkelijk?"
+
+Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij,
+"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!"
+
+Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk,
+haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen.
+
+Dat was een heerlijke reisgenoote!
+
+"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met
+mij mede, dat is afgesproken."
+
+Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij
+dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te
+moede weer in haar nabijheid te zijn.
+
+Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den
+menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had
+het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste,
+dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden.
+
+Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania
+woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen
+verlaten, maar was bij hem gebleven.
+
+"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita.
+
+En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij:
+Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.
+
+En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek
+op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's
+hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster
+verlangd.
+
+Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano
+Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar
+te trouwen.
+
+Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst
+had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft
+kon uitnoodigen.
+
+Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer
+gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij
+nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was?
+
+Dat zou glans geven aan haar geheele reis.
+
+Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen
+aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote
+oplichterijen!"
+
+De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij
+ijlde.
+
+"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op
+het punt hem te slaan.
+
+"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de
+knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte
+zij de zaak Palmeri.
+
+"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij
+onze lezers daarvan op de hoogte stellen."
+
+Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het
+begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting
+trilde, toen zij het eindelijk begreep.
+
+De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was
+geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.
+
+En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds
+gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag
+zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de
+courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot
+verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.
+
+Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf
+jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat
+moet dit alles beteekenen?"
+
+Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te
+zeggen, wat er gebeurd was.
+
+Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag
+moest zijn?
+
+"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt,
+maar ik moet naar de terechtzitting."
+
+Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in
+haar besluit doen wankelen.
+
+"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om
+uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te
+nemen?" zei zij tot Rosa Alfari.
+
+Geen oogenblik twijfelde Giannita.
+
+Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis
+van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers
+op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank
+der aangeklaagden.
+
+Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita
+herkende hem dadelijk.
+
+Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf
+en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van
+God was.
+
+Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.
+
+Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri.
+
+Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen
+ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.
+
+In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar
+godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had
+smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.
+
+"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze,
+"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien
+kunnen beloonen."
+
+Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van
+het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar.
+
+Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde
+is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de
+arme Giannita van Diamante ben?
+
+Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar
+godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende
+terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.
+
+Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de
+signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet
+haar spreken."
+
+"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de
+bediende.
+
+Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster,
+haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik
+moet haar spreken."
+
+De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.
+
+Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God
+gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar
+stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania
+geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht
+hierheen te gaan.
+
+Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht!
+
+De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar
+geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen
+te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op
+den drempel.
+
+"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij.
+
+"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela."
+
+Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij
+was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna
+Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela
+niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?"
+
+De signorina luisterde niet naar haar.
+
+"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst
+in haar stem.
+
+"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster,"
+zei Giannita.
+
+De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze
+bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde
+vertellen.
+
+Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij
+zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.
+
+"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo
+vlug mogelijk."
+
+Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij
+was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een
+veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles
+wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen.
+
+Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het
+verborgen te houden.
+
+Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo
+spoedig een antwoord kon geven.
+
+Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd
+en de woorden stroomden over haar lippen.
+
+Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar
+nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.
+
+Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar
+haten! Integendeel! Integendeel!
+
+"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd
+was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar
+steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar
+viel haar voortdurend in de rede.
+
+Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste
+dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen
+kon.
+
+"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten,"
+zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader
+verloochend, haar vader verzaakt.
+
+"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw
+uit in tal van onstuimige vragen.
+
+"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij
+verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid."
+
+Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij
+wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.
+
+Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet
+hard jegens haar te zijn.
+
+Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond
+dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het
+theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven
+haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had,
+zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin
+dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de
+oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets
+veel vreeselijkers.
+
+Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van
+angst heen en weer wiegde.
+
+Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede.
+
+Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had
+haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin.
+
+Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten
+verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering
+geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo
+liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest
+dan dat van iemand anders.
+
+Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot
+haar gezegd:
+
+"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen
+heb, maar dat is niet waar."
+
+Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden
+voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania,
+op den Etna en over geheel Sicilië.
+
+Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het
+volk te zeggen:
+
+"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen,
+anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben."
+
+En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving
+hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen
+en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit
+kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens
+lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?"
+
+Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar
+vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was,
+ging zij naar haar vader.
+
+"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar
+ik kan u niet meer helpen."
+
+O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch
+geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam
+kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was,
+liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit
+ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.
+
+Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren
+gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf
+aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat,
+had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en
+het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat
+was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem
+wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar
+doodvonnis verwachtte.
+
+"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep
+zij uit. "Je doodt mij."
+
+Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je
+moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de
+kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag
+zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds
+gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind.
+
+"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een
+valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd,
+dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes
+waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk
+geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en
+droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl
+ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen.
+
+"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot
+het Christuskind.
+
+"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik
+hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger;
+juist toen begon een pendule te slaan.
+
+"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't
+Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had
+geantwoord.
+
+"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van
+justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met
+geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond.
+
+"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp
+me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet
+mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken.
+
+"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van
+gistermiddag vier uur, werd ik bang.
+
+"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij,
+die mijn vader verloochend heb."
+
+Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos
+naar hetgeen Giannita zou vertellen.
+
+En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.
+
+"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in
+twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht
+hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op
+straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot
+mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster
+zou kunnen helpen."
+
+Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht.
+
+Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien
+te ontvangen.
+
+"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita
+"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen
+of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud
+huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien,
+zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat
+het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je
+verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je
+doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden."
+
+De signorina boog zich over tot Giannita.
+
+"Nu!" zei zij angstig.
+
+"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb
+je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om
+haar godszuster sloeg.
+
+"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina.
+
+"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar
+een arm meisje."
+
+Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge
+signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen
+begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was.
+
+"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit
+een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden
+om mijnentwille?"
+
+"Ja, ja," fluisterde Giannita.
+
+"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij
+jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?"
+
+"Ja zeker, hij was het."
+
+"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?"
+
+"Neen, God heeft je niet verlaten."
+
+Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam,
+Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden,"
+zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik
+dacht, dat God mij haatte."
+
+"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita.
+
+Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.
+
+"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld
+gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet,
+dat God mij niet verlaten heeft."
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+DIAMANTE.
+
+
+Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van
+Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den
+postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van
+den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert.
+
+Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving
+kunnen onderscheiden.
+
+De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat
+met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het
+begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't
+Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon
+bewegen het landschap te beschouwen.
+
+"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij.
+
+Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna
+gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg
+ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over
+den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te
+gloeien, en vonken en stralen verspreidde.
+
+Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan
+de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna
+gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan
+in den zonsopgang.
+
+Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze
+moest zien, dat niet.
+
+Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar
+glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden
+in het dal.
+
+Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats.
+
+Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het
+zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid
+met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen
+de stralen der zon.
+
+En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door
+muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den
+zonneschijn.
+
+Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of
+dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden.
+
+Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even
+spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat
+er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het
+dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn
+langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen.
+
+Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke
+aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen.
+
+Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid
+bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen
+was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en
+giftbloemen zou vinden.
+
+Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een
+heiligdom betrad.
+
+En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid
+zou kunnen bieden.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+DON FERRANTE.
+
+
+Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed
+wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano
+maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers
+tot Gods eer.
+
+Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in
+hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had
+doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij
+spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was
+over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van
+stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in
+Diamante gekomen.
+
+Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om
+iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde,
+stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in
+groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer
+en nood, omdat zij nu niets kon verdienen.
+
+Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de
+wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed,
+want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden,
+die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien,
+die nooit door de vingers van een biddende gleden.
+
+Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal
+stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen
+van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou
+komen om de koorstoelen, 't altaarhek, den preekstoel, 't boekenrek
+en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk,
+dat hem wachtte.
+
+Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht
+men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in
+landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog
+niet bedekt was met heilige gebouwen.
+
+Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met
+verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou
+hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor
+haar verdiende.
+
+Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot
+te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om
+tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen,
+want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij
+niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken.
+
+Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen
+zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te
+zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk.
+
+Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde.
+
+Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien
+had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht
+in een der grotten van den Etna leefden.
+
+"Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te
+hooren?" vroeg donna Elisa.
+
+"Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien
+en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond,
+gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man
+don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman
+met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don
+Ferrante, die hem 's Zondags niet de muziek had zien dirigeeren.
+
+"Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen
+hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten
+met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op
+zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels
+van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn.
+
+"Men zou hem bijna schoon kunnen noemen.
+
+"Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen
+ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de
+markt meegezongen hadden!
+
+"Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een
+liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven
+als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd.
+
+"En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat
+Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten
+roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de
+open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag.
+
+"Don Ferrante," had hij gezegd, "gij verheft ons ten hemel gelijk de
+Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee."
+
+"Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten
+liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een
+statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok
+neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de
+gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had
+een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen
+Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco's-vrouw op de
+steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling
+gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had:
+
+"Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel
+goed trouwen, trots zijn vijftig jaar."
+
+"En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom
+bad.
+
+"Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed
+over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen
+waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier
+was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht
+achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een
+lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden,
+men had bijna geloofd dat het een spook was.
+
+"O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest.
+
+"De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote
+groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den
+hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd
+in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede
+vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te
+beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig
+uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten
+en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello's
+sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna
+grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest.
+
+"Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was,
+hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises
+gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis
+waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden
+afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren,
+had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de
+zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van
+allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden?
+
+"Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep?
+
+"Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek
+was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn
+al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen
+slechts in het ongeluk storten!
+
+"Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft
+van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar
+gelaat niet durft toonen?
+
+"En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en
+trad haar bij de kerkdeur in den weg.
+
+"Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. "Indien ik
+mij niet al te zeer vergis," had don Ferrante gezegd, "is u signorina
+Palmeri. Ik heb een verzoek aan u."
+
+"Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was
+toch gebleven.
+
+"Het betreft mijn zuster, donna Elisa," had hij gezegd. "Zij heeft
+uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis
+te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?"
+
+"En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna
+Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had
+trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had
+kunnen weerstaan.
+
+"Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet
+gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide
+wangen gekust.
+
+"Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar
+ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden,
+zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien
+geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want
+daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven,
+dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in
+een gezicht zette, dat rond en blozend was.
+
+"Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd
+en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had
+zij met een glimlach opgezien.
+
+"'t Was alsof haar glimlach had willen zeggen:
+
+"O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en
+tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen
+haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?"
+
+"Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een
+glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!"
+
+Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede.
+
+"Waar is zij nu?" zei hij. "Ik moet haar zien."
+
+Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend
+klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een
+donkerrood op.
+
+"Gij zult haar vroeg genoeg zien," zei ze kortaf. En zij had berouw
+van elk woord, dat zij gesproken had.
+
+Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij
+kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens
+was te vertrekken, naar Amerika te reizen.
+
+Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest
+zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen,
+dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land
+te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter,
+wier vader een dief was.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DON MATTEO'S ZENDING.
+
+
+En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo,
+zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde
+soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn
+gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde
+aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten;
+en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide.
+
+Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven
+bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De
+steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap,
+voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de
+goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren,
+genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er
+waschgoed aan de drooglijnen.
+
+Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don
+Matteo's gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel,
+alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd.
+
+Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar
+zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was
+groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge
+buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met
+zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar
+groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel
+spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten.
+
+Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen,
+dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit
+de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken.
+
+En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en
+linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren:
+
+"Met welk doel komt don Matteo hier?
+
+"Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt,
+en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina,
+wier vader in de gevangenis zit?"
+
+Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door
+lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen
+waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep
+in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten
+lavagrond joegen.
+
+Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede
+luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te
+kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren.
+
+Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den
+kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen,
+en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op
+de een of andere wijze gewaar werd.
+
+Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een
+vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard
+als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet
+meer waard was dan drie soldi.
+
+Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem
+in de oogen kwamen.
+
+Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze
+hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof
+zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen:
+
+"U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk
+oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt
+u in de kelders naar mozaïekwerk?" Want de pastoor werd verlegen,
+toen hij signorina Palmeri zag.
+
+Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet
+vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor.
+
+Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis
+en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar
+te redden.
+
+Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante
+kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn
+aanzoek had afgeslagen.
+
+Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm
+scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in
+Diamante was?
+
+En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot
+aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En
+hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen
+toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen.
+
+Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina
+plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te
+spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen.
+
+Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon
+antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. 't Was
+alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden.
+
+"Zij kon wel begrijpen," zei zij, "dat don Ferrante wilde weten waarom
+zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar,
+maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij
+bracht smaad en schande als bruidsgift mede."
+
+"Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina," zei don Matteo,
+"behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge
+zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn
+zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend,
+ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en
+handel moeten drijven.
+
+"Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet
+verduisterd zal worden door een huwelijk met u.
+
+"Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met
+don Ferrante zoudt willen huwen."
+
+Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante
+moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar
+bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van
+deze vreeselijke woorden.
+
+Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat
+haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen,
+zonder dat haar stem beefde.
+
+Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd
+om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van
+haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem,
+haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de
+schouders te slaan.
+
+Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de
+gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest.
+
+De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo
+vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader,
+die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen.
+
+Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen,
+maar kon geen geluid uitbrengen.
+
+Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit,
+maar gaf toch niet toe.
+
+Hij wist ten slotte geen raad meer.
+
+Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede
+en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn
+oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina
+was dus een geloovige.
+
+Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem
+gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak,
+was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep,
+dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak.
+
+"Mijn dochter," zei hij, terwijl hij oprees, "om der wille van uw vader
+zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter."
+
+Er kwam iets imponeerends over don Matteo's uiterlijk. Zoo had nog
+geen mensch hem ooit gezien.
+
+De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had,
+en zij vouwde haar handen.
+
+"Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante," zei don
+Matteo, "en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden
+ouderdom zal hebben."
+
+Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo
+inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de
+knieën en boog het hoofd.
+
+"Ik zal doen wat gij beveelt," zei ze.
+
+
+
+Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen
+Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en
+begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en
+sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen,
+alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek.
+
+Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren.
+
+Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis
+geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij
+bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna's naam
+gegeven had.
+
+Don Matteo bad en las en las en bad.
+
+Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem
+vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware!
+
+Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels,
+die naar huis gedreven werden met reizende signorina's op hun rug, hij
+liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden
+en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in
+haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel.
+
+Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis
+lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde,
+en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank
+was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers.
+
+En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde,
+zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden
+verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van
+Catania naar Diamante gebracht hadden.
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE KLOKKEN VAN SAN PASQUALE.
+
+
+Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna
+Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien
+als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan
+een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het
+leven, dat zij geleid had.
+
+Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums,
+balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts
+speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had
+nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze
+was niet eens ooit verliefd geweest.
+
+Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even
+licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek
+dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles
+wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad
+Diamante leek donna Micaela een paradijs.
+
+Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don
+Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het
+kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij
+had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen
+zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen
+te maken in hun zwarte lavapaleizen.
+
+Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige
+mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En
+ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die
+tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen
+werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante
+geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten
+van een kleine stad.
+
+Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen
+op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania
+en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige
+muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen
+optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië.
+
+Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te
+kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich
+te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om
+canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze
+gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië.
+
+Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit
+de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij
+bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne
+met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof;
+en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van
+den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had
+zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij
+onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit
+teeder jegens haar.
+
+Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets
+bemerkte.
+
+Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man,
+dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen
+blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren,
+haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen
+voortgaan haar te haten!
+
+O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren
+hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen
+was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar
+liefhad.
+
+
+
+Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar
+vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante
+uit zijn winkel kwam om met haar te spreken.
+
+En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was
+voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig
+hart te Catania.
+
+Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela
+hem volstrekt niet te verstaan.
+
+Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat
+het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in
+een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden.
+
+Zij vroeg slechts: "Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?"
+
+"O," zei don Ferrante, "kan het mij niet vervelen kostbaren wijn
+van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust
+hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had,
+wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen.
+
+"Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is,"
+zeide zij.
+
+"Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen."
+
+"Arme oude mannen?"
+
+"O ja, ze zijn juist niet rijk."
+
+"Ze hebben zeker geen eigen kamer?"
+
+"Neen, maar zeer groote slaapzalen."
+
+"En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?"
+
+"Neen, ze zullen wel uit porselein eten."
+
+"Maar zonder tafelkleed?"
+
+"Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!"
+
+Hij trachtte haar gerust te stellen. "Daar wonen heel goede
+menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen,
+dat men cavaliere Palmeri aannam."
+
+Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar
+ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had
+van rang en stand en een gewone koopman was geworden.
+
+Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis
+slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme,
+ellendige stad.
+
+En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don
+Ferrante moest iets anders verzinnen.
+
+Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa
+gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed.
+
+Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom
+den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren,
+dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig:
+
+"Heb je iets tegen mijn vader?"
+
+"Hij is te duur."
+
+"Maar je bent immers rijk."
+
+"Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet
+werken?"
+
+"Wees dan liever zuinig met iets anders."
+
+"Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg
+geschenken gekregen."
+
+"Neen, onthoud mij liever iets."
+
+"Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt."
+
+Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen,
+dat hem bang zou maken.
+
+"En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat
+geworden ben?"
+
+"O, ja."
+
+"Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?"
+
+"Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan."
+
+"Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in
+Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet
+gekregen had?"
+
+"Dat weet ik."
+
+"En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde
+te zien en zich voor hen schamen moest?"
+
+"Zij komen ook niet in de broederschap."
+
+"Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader
+te doen?"
+
+"Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang."
+
+"Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu.
+
+"O, ja," antwoordde hij onverschillig.
+
+"Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het
+je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel
+Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het
+oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?"
+
+Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar.
+
+"Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van
+Via Etnea!"
+
+"O, neen."
+
+"Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen
+haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als
+wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen."
+
+Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op
+de knieën voor hem.
+
+Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn
+uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien.
+
+In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem
+gevestigd.
+
+"Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!"
+
+Don Ferrante lachte. "Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij
+eerst boos gemaakt."
+
+Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op.
+
+"'t Is goed," zei hij, "dat je voor het vervolg weet, hoe je je
+gedragen moet."
+
+Nog steeds lag ze op haar knieën.
+
+Toen vroeg hij: "Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?"
+
+Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij
+rees op en antwoordde trotsch:
+
+"Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult
+hem niets laten merken."
+
+"Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. "Een korte ellende
+is aangenamer voor mij."
+
+Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante,
+omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij
+kende wel iemand, die haar helpen zou.
+
+
+
+In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld,
+en dit is zijn geschiedenis:
+
+Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een
+grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht,
+dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met
+heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de
+Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud
+wilden opwegen.
+
+Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar
+Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had.
+
+In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en
+onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan
+alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld
+niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken.
+
+Maar de kapitein weigerde dat.
+
+"Ik breng het naar Engeland," zei hij, "en de Engelschen zullen het
+tegen goud opwegen."
+
+De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem
+door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek.
+
+Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan,
+maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het
+strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.
+
+En wat geschiedde er?
+
+Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren
+geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen
+lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was.
+
+Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den
+heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het
+schip de haven uitzeilen.
+
+Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt
+het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in
+de domkerk.
+
+Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te
+bidden.
+
+Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren
+hoek van de domkerk.
+
+Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een
+belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door
+al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna.
+
+'t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het
+in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter
+het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna
+schoon was, en straalde van mildheid.
+
+En haar hart was vervuld van hoop.
+
+Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder
+Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij,
+die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.
+
+Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven
+te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte
+Madonna haar zou bijstaan.
+
+Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde
+oogenblik van meening veranderde.
+
+Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen,
+dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.
+
+
+
+'t Was een morgen, drie weken later.
+
+Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan,
+maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's
+winkel om een waskaars te koopen.
+
+'t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou
+zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een
+geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den
+winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en
+weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.
+
+Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar
+een jonge man.
+
+Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want
+Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar
+te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij
+zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders
+van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend
+heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te
+verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië.
+
+Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot
+was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert,
+maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen
+als zij iets schoons zag.
+
+Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij
+herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke
+schilderijenverzameling in het paleis te Catania.
+
+Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg
+hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een
+breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd
+door den grooten meester Van Dijck.
+
+Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar
+te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die
+iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te
+zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de
+doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij
+zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En
+het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker
+veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het
+heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek
+en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer
+de zon daarop straalt.
+
+Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.
+
+Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door
+den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot
+hen gezegd:
+
+"O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo
+weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet
+bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd."
+
+Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een
+gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad
+er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude
+edele heeren.
+
+Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op
+dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan
+hadden.
+
+En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide,
+dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht
+om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest
+helpen zoeken.
+
+Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië
+te vertrekken.
+
+Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl
+hij zelf haar stil beschouwde.
+
+Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te
+zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.
+
+Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen
+hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam
+en daarmee naar haar toe kwam.
+
+Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende
+San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier
+wikkelde.
+
+Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te
+nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was,
+dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter
+macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste
+plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou
+zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te
+verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En
+nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.
+
+Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.
+
+Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden
+was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn
+opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van
+San Michaëls voet?
+
+Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij
+zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?
+
+Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het
+zacht ter zijde.
+
+Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij
+wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk,
+maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar
+zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.
+
+En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij
+tot haar.
+
+Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen
+geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San
+Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen
+was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen
+had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël
+gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat
+deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?
+
+Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon
+helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan,
+die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen,
+indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?
+
+Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond
+zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.
+
+"Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen
+Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging
+hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna
+beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd,
+haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.
+
+En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen,
+die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de
+Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.
+
+Gaetano luisterde aandachtig naar haar.
+
+Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.
+
+"Donna Micaela," zei hij, "ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in
+de domkerk."
+
+"Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?"
+
+Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig:
+
+"Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de
+zwarte Madonna?"
+
+"Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar
+gesmeekt en gebeden."
+
+Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.
+
+Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had
+en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan
+opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.
+
+En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij
+geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte,
+en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.
+
+Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond
+glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de
+toonbank stonden.
+
+"Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij.
+
+Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd
+al haar zonden af te leggen.
+
+Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw
+met de beenwonde te verplegen.
+
+Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.
+
+Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht
+bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar
+gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst,
+de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend?
+
+Hij trok slechts zijn schouders op. "Had zij niets anders beproefd?"
+
+"Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd
+had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij
+legde de rozenkrans niet uit haar handen."
+
+Gaetano's woorden wonden haar op.
+
+Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:
+
+"Niets anders? Niets anders?"
+
+"Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, "don Ferrante geeft mij
+toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het
+mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat
+toch begrijpen!"
+
+Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der
+geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God
+dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die
+geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.
+
+"Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. "De geheele samenhang
+was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De
+gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten
+hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de
+heiligen geen macht hadden.
+
+"Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen."
+
+Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht
+en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven,
+dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.
+
+Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp
+die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar
+de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de
+armen te doen.
+
+Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij
+nog een steek daaraan naaide.
+
+"Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij,
+terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.
+
+"Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u
+ernst is en geen spel.
+
+"Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien
+ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante,
+indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna
+niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult,
+waarom zal ze u dan helpen?"
+
+Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank
+vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.
+
+"Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen,
+indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult
+storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat
+men heiligen dwingt."
+
+Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den
+winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom
+en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.
+
+Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond
+Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het
+gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op
+straat gaat.
+
+Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze
+bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen
+en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over
+de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om
+te hooren of ze zijn raad gevolgd had.
+
+"Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?"
+
+Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan
+gewerkt had.
+
+"Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna
+Micaela."
+
+"Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano."
+
+Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want
+zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen,
+liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de
+palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.
+
+Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.
+
+Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd
+zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide.
+
+Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien
+had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De
+Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst,
+opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond
+achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.
+
+Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag
+en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel
+waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op
+het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend
+witte bloemenpracht.
+
+Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling
+geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot
+wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp!
+
+'t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden
+zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze
+had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene.
+
+Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!
+
+'t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En
+wist hij, wat het grootste ongeluk was?
+
+Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze
+nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar
+haar kijken kon.
+
+Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die
+in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar
+verteld werden!
+
+Drie weken verspild met het bidden tot haar!
+
+Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was
+geen Madonna!
+
+Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur
+loopt.
+
+De geheele wereld rondom hen was wit.
+
+Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder
+op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder
+een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde
+en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver
+gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde,
+dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna
+verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat
+zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de
+maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en
+in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.
+
+Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd
+voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon
+niet zwijgen.
+
+Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van
+alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke
+Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende,
+voor den geest geroepen had.
+
+Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de
+stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En
+zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote
+koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna
+meer bestond.
+
+Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor
+die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van
+haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader
+nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar
+huis mogen behouden.
+
+Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.
+
+O, God! O, God!
+
+En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante
+meer vereerde dan iets anders.
+
+Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur
+geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen:
+
+"Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit."
+
+Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders
+gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het
+leven wist te schikken.
+
+Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe
+getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas
+kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in
+het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze
+begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze
+ging slechts haastig verder en begon toen te weenen.
+
+Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij
+was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en
+die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij
+een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde
+medelijden met haar gevoelen moest.
+
+Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde
+hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep
+hem aan.
+
+Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij
+sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door
+aandoening.
+
+"Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u
+niet helpt?"
+
+Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij
+niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging
+naar de stad terug.
+
+Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar
+gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze
+plaats zou kunnen verlaten.
+
+
+
+Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den
+derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.
+
+Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met
+hem vluchten moest.
+
+Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren.
+
+Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd
+was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.
+
+Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw
+door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting
+zou vinden bij een hart, dat haar beminde.
+
+Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden,
+dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken
+haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna
+weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van
+haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten,
+dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij
+opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op
+den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang
+in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het
+ouderlijk huis is gekomen.
+
+Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.
+
+Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de
+wereld, dat het zijne was.
+
+Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest,
+zij moest!
+
+Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën.
+
+Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte
+haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de
+zijne was.
+
+Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat
+te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?
+
+Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen
+tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.
+
+"Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk.
+
+"Ik vertrek Zaterdag van Diamante."
+
+"En wanneer gaat de stoomboot?"
+
+"Die vertrekt Zondagavond uit Messina."
+
+Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.
+
+"Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij.
+
+"Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen."
+
+Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer
+te zeggen had. Toen bleef zij staan.
+
+"Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen
+ge wilt."
+
+Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te
+houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou
+vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.
+
+
+
+Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk
+doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën
+geworpen.
+
+"O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote
+zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad
+van mij te spreken?"
+
+En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te
+vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don
+Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden
+scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.
+
+Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.
+
+--En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met
+Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de
+moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar
+man te wreken?
+
+En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man,
+dien zij niet liefhad?
+
+Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een
+verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij
+dacht geen gezonde, klare gedachten meer.
+
+Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij
+opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op
+met bidden.
+
+Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde
+zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in
+groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken
+ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.
+
+"Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat
+ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak."
+
+Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar
+onrust en angst.
+
+"Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, "dan zou ik weten wat
+ik wil."
+
+Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte
+nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem
+te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen
+beschouwd te worden als een gevallen vrouw.
+
+Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze
+ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En
+toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat
+ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In
+den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen
+het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze
+de gelukzaligheid gesmaakt had.
+
+
+
+Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan
+San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats
+in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van
+iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op,
+als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich,
+zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen
+heeft.
+
+'t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite
+waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen
+heeft. Die kwam van San Pasquale.
+
+Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San
+Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met
+een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen.
+
+En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn
+booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's
+steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit
+opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den
+laatsten dag der wereld.
+
+Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen
+deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San
+Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen,
+en verzamelde deze in zijn zak.
+
+Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar
+San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf,
+nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen,
+die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker
+niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het
+ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij
+kan ook teekens geven met iets anders dan steenen.
+
+Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters
+ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende,
+en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen
+intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om
+den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer
+begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En
+het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt
+aan zoo iets?
+
+Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft
+den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar
+hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond
+niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen,
+zonder dat het eene een vloek was.
+
+En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem
+waarschuwden?
+
+Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale
+voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht
+slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht,
+naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen
+enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken.
+
+San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea
+ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm,
+maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch
+van amandelboomen.
+
+Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de
+schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich
+daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig
+kleed gelijk.
+
+San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer
+een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de
+Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen
+ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster,
+dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de
+kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen
+en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd
+werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.
+
+Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan
+de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan
+de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch
+de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk.
+
+Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San
+Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te
+vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot
+steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen
+om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst
+beter dan San Pasquale.
+
+Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante
+vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit
+stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.
+
+En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden
+regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing
+zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat
+niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even
+vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden
+der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken,
+zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar
+zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed
+een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van
+Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige
+uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in
+een dichten nevel hulde.
+
+En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet
+wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden
+en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was
+juist Diamante.
+
+Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het
+palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij
+in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela
+eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was,
+vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan
+een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.
+
+Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot
+wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het
+begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen
+door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk
+van San Pasquale.
+
+En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.
+
+San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt
+worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en
+evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel;
+men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken,
+dat langs den kerkmuur hangt.
+
+Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet
+zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene,
+die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster
+zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om
+ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen
+beginnen te luiden zonder hulp.
+
+Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was
+stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand,
+die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de
+klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken
+heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden
+sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.
+
+Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag
+langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had
+zij nog nooit gehoord.
+
+Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het
+heerlijk klonk.
+
+En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken.
+
+Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op
+dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat
+de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven
+en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen
+begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en
+onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.
+
+En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn
+van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer
+verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano
+liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.
+
+En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen
+morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:
+
+"Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt
+de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als
+ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen."
+
+Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat
+haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk
+deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden.
+
+Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde
+men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde
+uur.--------
+
+Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet
+konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was
+het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het,
+alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof
+de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door
+den dichten mist.
+
+Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San
+Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok
+van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van
+het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist
+zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze
+slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze
+meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg
+en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren,
+die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal
+wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts,
+dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen,
+en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte
+men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen,
+omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend
+maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels
+heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf
+volkomen duidelijk oplazen.
+
+Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien,
+die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En
+de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen
+hadden.
+
+Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich
+op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers
+van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen,
+die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.
+
+En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden
+en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het
+gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren,
+terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men
+hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe
+alles zich op de maat van het gelui bewoog.
+
+En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het
+klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen,
+die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk
+en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En
+alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela,
+die door de liefde voor allen angst behoed werd.
+
+Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist
+de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af
+wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde
+dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles
+wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde
+nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.
+
+Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden,
+was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde,
+dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het
+jaar zouden sterven.
+
+En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela
+en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.
+
+"O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San
+Pasquale!
+
+"Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. "De nevel
+verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat
+een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk
+uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven."
+
+Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San
+Pasquale dacht.
+
+"Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den
+regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita.
+
+Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de
+klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij
+zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.
+
+Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst.
+
+Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets
+anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.
+
+En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij
+verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een
+volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd,
+hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag
+in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld
+werd op het altaar der heiligen.
+
+Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen
+dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis
+belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men
+slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde
+afwezigen geschreven kreeg.
+
+En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden
+den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een
+gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis,
+opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.
+
+Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een
+vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten,
+ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.
+
+En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.
+
+Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen,
+verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed
+ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan,
+die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings.
+
+En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad,
+zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de
+grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf,
+door de poort zou gaan, die hij bewaakte.
+
+En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo
+liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van
+huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem
+bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in
+al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank
+en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze
+meegeholpen hadden hem te bedriegen.
+
+En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap
+in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit
+aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders
+konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen
+en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag
+der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.
+
+Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen
+het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken,
+die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts
+aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale
+voorspelde dat hij op reis zou omkomen.
+
+En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij
+verdiende.
+
+Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven
+doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.
+
+Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel
+Diamante verwoest zou worden.
+
+In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de
+aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen,
+zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat
+en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs
+de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over
+hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat
+men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta
+Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te
+overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend
+vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op
+den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder
+grondeloos was.
+
+De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar
+buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met
+een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.
+
+In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San
+Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude
+vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie
+beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een
+pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het
+beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden,
+dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand,
+die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods
+stem tot zwijgen te brengen.
+
+Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice
+kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene,
+die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.
+
+Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij
+zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.
+
+Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten
+hartstocht in haar ziel luidde.
+
+"Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook
+niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want
+allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui
+dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's
+was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.
+
+Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En
+allen zeiden tegen hem:
+
+"Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons
+worden, don Ferrante?"
+
+Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don
+Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui
+duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo
+te koopen.
+
+Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel,
+nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag
+bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste
+smarten lijdend zonder een woord te spreken.
+
+Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met
+de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don
+Ferrante zijn straf zou ontvangen.
+
+Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin
+ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe
+meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel
+binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.
+
+'t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui
+en voor de ramp, die het voorspelde.
+
+Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker
+verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten,
+ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat
+er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de
+geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde
+wegzenden.
+
+Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf
+niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen,
+wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik
+in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:
+
+"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?"
+
+En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo
+en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere
+Palmeri wilde wegzenden.
+
+'t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem
+rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:
+
+"Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?"
+
+Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij
+volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen,
+dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.
+
+"Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het
+ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij
+zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij
+Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu
+alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.
+
+Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig
+nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld
+te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was
+overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.
+
+Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest
+schijnen, bestond niet meer voor haar.
+
+Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.
+
+Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen
+te hooren.
+
+Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de
+woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij
+zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof
+liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij
+zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden,
+wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.
+
+De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto
+Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met
+zijn mes verwond had.
+
+Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na
+veertien dagen geheel hersteld zijn.
+
+Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden
+in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te
+zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met
+eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn
+huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!
+
+Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader
+zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied
+om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!
+
+Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.
+
+Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don
+Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het
+was zoo.
+
+Zij kon niet vertrekken.
+
+Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was
+dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen,
+het was zoo, zij kon niet weggaan.
+
+Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en
+gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou
+zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar
+niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar
+dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu
+nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen
+en toch nooit vertrekken kunnen.
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+TWEE CANZONES.
+
+
+Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden
+en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag,
+toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel
+verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij
+bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd,
+de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote
+trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren
+van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk
+veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen
+om zich heen te zien.
+
+Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die
+nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide
+zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al
+deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten,
+nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één
+dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken,
+want nu had zij geld in overvloed.
+
+Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur
+stilhouden.
+
+Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde,
+nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde
+hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:
+
+"Donna Elisa! Donna Elisa!"
+
+'t Was Gaetano.
+
+"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij.
+
+"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe
+beelden voor u te snijden."
+
+"Maar hoe weet je dat?"
+
+"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft
+mij alles verteld."
+
+"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je
+den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!"
+
+"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano.
+
+Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna
+Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk
+in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.
+
+Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen
+vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.
+
+Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde
+zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.
+
+Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te
+verlokken.
+
+Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante
+was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden.
+
+En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met
+het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem
+aangeroepen had.
+
+De regen en het klokgelui was zijn werk!
+
+Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een
+wonder was geschied om harentwille.
+
+Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij
+zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig
+aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.
+
+Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar
+haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de
+hand en sprak in het geheel niet tot haar.
+
+Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat
+het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar
+niet wilde verleiden of verlokken.
+
+Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem
+zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.
+
+Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben,
+maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden
+opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker
+smacht naar de eerste roos in de lente.
+
+Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte
+te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit
+had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om
+met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de
+Madonna wel een wonder kon verrichten.
+
+Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet
+vervolgd had, maar teruggekeerd was.
+
+Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen
+bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog
+het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar
+nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don
+Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar
+aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als
+een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden,
+zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar
+den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.
+
+Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem
+meester gemaakt.
+
+Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen
+was.
+
+Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.
+
+"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt
+stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op
+zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven
+was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een
+arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan
+de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het
+don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige
+muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets
+kon een oude koopman niet doen!
+
+Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij
+moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.
+
+Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.
+
+"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het
+hof gezegd worden.
+
+"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en
+vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje,
+is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de
+voerlieden uitschold?
+
+"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan
+onmogelijk dezelfde zijn."
+
+Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in,
+dag uit met hem sprak.
+
+Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.
+
+Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.
+
+"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje
+bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij.
+
+"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela.
+
+"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor
+Gaetano, dat ik het u vraag."
+
+Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje
+niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en
+nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen
+bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.
+
+Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw
+maakte zich van haar meester.
+
+Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij,
+die geholpen was door het heilige Christuskind.
+
+Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had
+gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:
+
+
+ O, had ik antwoord op één enkle vrage!
+ 'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren,
+ Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.
+ 'k Goot reeds het lood in het kokende water,
+ Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.
+ 'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,
+ 'k Smeekte ten slotte de engelenscharen.
+ Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?
+
+
+Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.
+
+Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd
+noemde.
+
+Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had,
+was te weten of Gaetano haar liefhad.
+
+Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij
+don Ferrante.
+
+Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.
+
+"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn
+grooten magnolieboom.
+
+"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien."
+
+En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.
+
+Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt
+vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de
+lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!
+
+Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij
+was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn
+groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar
+nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden
+en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men
+voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna
+Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare
+macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken
+naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken,
+begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.
+
+"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa.
+
+"Niets, niets."
+
+"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in
+de magnoliebloemen."
+
+"Misschien doen zij dat nog."
+
+"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt."
+
+"Gij kunt immers niet lezen."
+
+"Maar ik heb Gaetano toch."
+
+"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt."
+
+Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa
+werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was
+daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit
+het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord
+geven. Maar zij maakte zich belachelijk.
+
+Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het
+beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar
+het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.
+
+En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval,
+dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis
+was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud
+was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in
+leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot
+waren als het waterrad van een molen.
+
+Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed
+met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.
+
+Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en
+als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen
+uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen
+werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de
+koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde
+leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets
+spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.
+
+Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te
+schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags
+niet in zijn wagen op de corso vertoonde.
+
+Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou
+iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij
+niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's?
+
+Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte
+genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.
+
+Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En
+de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat
+deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde
+niet gunnen?
+
+Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen
+te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante
+geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen
+zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten
+wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen
+rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.
+
+"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet,
+dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet
+eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn."
+
+Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den
+ouden galawagen.
+
+Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was
+niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen
+even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna
+Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.
+
+In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben
+willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te
+stellen had met don Ferrante.
+
+Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem
+slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met
+zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden,
+en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon
+vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd,
+dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden
+haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er
+niemand in Diamante die lachte.
+
+Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!
+
+De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.
+
+Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte
+pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want
+behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat
+op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden,
+en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en
+in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal
+naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En
+door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.
+
+Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als
+voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen
+broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte
+coupé, waarop de reizigers zaten.
+
+Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren,
+de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige
+jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna
+maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden
+galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er
+naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de
+hooge, stille huizen van Diamante.
+
+Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.
+
+Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen,
+als zij thuis kwamen?
+
+"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij
+vertellen en lachen, en vertellen en lachen.
+
+Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets
+anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets
+anders doen dan tobben met don Ferrante.
+
+Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en
+krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.
+
+Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname
+menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij
+zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij
+leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de
+echtgenoote was van een voornamen heer.
+
+In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar
+vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder
+de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder
+begeleiding van een gitaar of viool.
+
+Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of
+roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren,
+die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen,
+krekels en sprinkhanen een concert gaven.
+
+"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat
+is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi
+is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet
+te beminnen."
+
+Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler
+minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder,
+anders woonde zij nu in het zomerpaleis.
+
+Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don
+Ferrante zoo lastig was geworden.
+
+Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna
+Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil
+naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.
+
+En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen
+begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar
+werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.
+
+Op één der bladen was geprikt:
+
+"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder:
+
+"Gaetano."
+
+Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.
+
+Bij een der kleine canzones stond een teeken:
+
+
+ Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.
+ Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,
+ Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.
+ Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.
+ Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed,
+ Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren.
+ Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond.
+ 'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.
+
+
+De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht
+en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en
+versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+DE VLUCHT.
+
+
+In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in
+Diamante.
+
+De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante,
+dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele
+eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich
+ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon
+krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk,
+altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat
+zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk.
+
+Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij
+bij haar in het hotel zou komen.
+
+Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd
+gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden
+over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.
+
+Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers
+van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles
+was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar
+hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar
+waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden
+hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.
+
+Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de
+lippen, en begon zijn beelden in te pakken.
+
+Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen
+beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol
+deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De
+verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die
+hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van
+ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss
+Tottenham verkoopen, maar stil heengaan.
+
+En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:
+
+"Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij
+of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij
+had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen
+uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd
+laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde,
+hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen
+heiligenbeelden verkoopen."
+
+Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt,
+verrukt!
+
+Hier was het ware geloof en heilige toorn.
+
+Deze jonge man moest kunstenaar worden.
+
+Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester
+zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem
+die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen
+te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.
+
+Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden,
+omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.
+
+Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde
+dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.
+
+Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks
+iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet
+gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+DE SIROCCO.
+
+
+Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in
+Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer
+en armer werden.
+
+Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst
+moest worden.
+
+In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen;
+in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.
+
+Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er
+is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen
+nacht en men weet niet meer wat slaap is.
+
+Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den
+berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen
+fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt
+deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende
+gezichten der jonge vrouwen van den Etna.
+
+Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de
+phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken,
+geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich
+naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken.
+
+In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den
+Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood,
+kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel
+met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo
+lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend
+blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.
+
+Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat
+men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet
+te versmachten.
+
+Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden
+geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde
+zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.
+
+En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat
+bij haar ouden man, don Ferrante.
+
+Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De
+menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling,
+dat zij bijkans schenen te bersten.
+
+En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij
+begreep dat zij in opstand moesten komen.
+
+Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander
+middel over.
+
+In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de
+menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.
+
+"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is
+gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is
+verongelukt. Waarvan moest men dan leven?"
+
+En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.
+
+Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook
+te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen
+en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.
+
+En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke
+bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op
+zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te
+gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen
+prijs moest koopen in de winkels der regeering?
+
+En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de
+boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang
+boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op
+de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling,
+dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers
+zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?
+
+In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de
+regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te
+gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in
+het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord,
+dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?
+
+De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers
+niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of
+indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?
+
+Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En
+opnieuw begon zij te vragen:
+
+Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?
+
+En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende
+vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat
+degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te
+vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te
+vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden,
+dat zij stierven van den honger?
+
+De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde
+van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag,
+dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door
+de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden
+de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden
+werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven,
+en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.
+
+"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's
+millioenen!"
+
+Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo
+vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden
+zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten
+uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden
+door de roofgierige bende.
+
+Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom
+moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig
+leven in Rome of in Parijs?
+
+Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men
+niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.
+
+Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der
+groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen
+herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar
+zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer
+voor de zonden der rijken tegenover de armen.
+
+Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië
+opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.
+
+Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.
+
+De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel
+werd tot in Diamante gehoord.
+
+De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering
+niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de
+regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het
+was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de
+corso te zien komen aanrijden.
+
+Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen
+meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan
+en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts
+de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief,
+dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was
+niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele
+ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten
+omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van
+hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten
+zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek,
+duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.
+
+In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden
+vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders
+der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,
+
+Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle
+onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was
+hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men
+hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da
+Felice of Umberto?
+
+Toen greep ontzetting haar aan.
+
+Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over
+de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.
+
+Giannita trachtte haar gerust te stellen.
+
+"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante
+denkt men er niet aan om oproer te maken."
+
+Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende,
+dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen
+verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher
+Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?
+
+Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen,
+zou ook Diamante wel meedoen.
+
+Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had
+den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo
+Geraci.
+
+Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen
+beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij
+het ochtendgekriek.
+
+Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.
+
+Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote
+handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde,
+fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs
+ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.
+
+Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden,
+en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid
+was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles
+rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.
+
+Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was
+overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich
+in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij
+wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag
+wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan
+zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan
+de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en
+aanvoerders der verwoesting gelijk.
+
+Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar
+vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek
+lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor
+hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven
+te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen
+hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was,
+dat hoog in aanzien stond.
+
+Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls
+naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij
+thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts
+in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in
+haar ziel heerschen.
+
+Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in
+gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.
+
+Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat
+hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten
+had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want
+dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken,
+dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.
+
+In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach,
+welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden.
+
+Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl
+zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring
+gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar
+geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij
+smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven
+te geven.
+
+Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had
+willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich
+tot hem getrokken, meegesleept.
+
+"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd,
+de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn."
+
+Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere
+vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren
+geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.
+
+Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde
+en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk
+bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig
+verlangen was het, dat uit elk woord sprak.
+
+Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was
+geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar
+van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.
+
+Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen
+nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook
+zoo behaagde.
+
+Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord
+te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij
+was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem
+liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen
+vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter,
+dat hij ze niet vond.
+
+Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela
+nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij
+gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.
+
+En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon
+iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die
+te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim.
+
+Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er
+van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.
+
+De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.
+
+Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden
+waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!
+
+Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou
+losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het
+was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.
+
+Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten
+waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.
+
+Het eiland werd in staat van beleg verklaard.
+
+Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En
+het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te
+moorden naar hartelust.
+
+Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op
+in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op
+de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze
+groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden,
+zagen er onheilspellend uit.
+
+Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis
+zouden plunderen.
+
+Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker
+don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.
+
+Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang,
+nu zij ook don Ferrante moest verliezen.
+
+Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?
+
+Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed
+bij zijn legerstede.
+
+Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna
+Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de
+eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde
+den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij
+liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken,
+opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.
+
+Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden
+zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te
+zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen,
+opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de
+treurende vrouwen.
+
+Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen
+gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk
+zouden wegvoeren.
+
+In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten
+daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek
+in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed,
+dat over den doode gespreid was.
+
+Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde,
+een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was
+afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit
+gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar
+te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat
+haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder
+bescherming stond tusschen het verwoede volk.
+
+Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De
+oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?
+
+"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken."
+
+Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op
+de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden
+verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.
+
+Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een
+verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna
+Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar
+kamer binnentraden.
+
+De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.
+
+"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan
+zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn
+meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters
+gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet
+verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig."
+
+"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders
+weggedragen?
+
+"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man
+verloren, mijn man, mijn man!"
+
+De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte
+in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag
+der jammerende vrouwen.
+
+Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een
+echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren
+hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij
+niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en
+ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en
+dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren
+zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer
+hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.
+
+
+
+Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en
+Nieuwjaar.
+
+Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds
+hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco
+Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en
+dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer,
+om Diamante binnen te stormen en te plunderen.
+
+Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden
+opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden
+gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.
+
+Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken
+en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen
+bij honderden tegelijk doodschoten.
+
+Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch
+niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.
+
+Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed
+evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante
+niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij
+niets anders was dan trillende vrees.
+
+Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof
+Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis
+gekomen.
+
+En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel
+verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te
+hebben, die haar beschermen kon.
+
+Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien
+hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij
+wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.
+
+Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het
+zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.
+
+"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand
+over hem spreekt?"
+
+"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over
+Gaetano, hoe beter het is voor hem."
+
+Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou
+verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.
+
+"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft
+niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer
+de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij
+geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren
+aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en
+hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten
+te helpen."
+
+Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen
+zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.
+
+Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd
+hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken
+slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!
+
+Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk
+opriep.
+
+De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle
+socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de
+kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden
+uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou
+uitloopen.
+
+Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er
+zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in
+de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's
+rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.
+
+
+
+Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron
+gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar
+had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes
+de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste,
+statige schreden haar weg vervolgden.
+
+Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar
+menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig
+de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.
+
+Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij
+zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood
+zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven
+te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest
+geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat
+de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder
+steun en beschutting zou zijn.
+
+Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta
+en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat
+men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg
+was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en
+zieken gezorgd zou worden?
+
+Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk
+leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en
+aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer
+honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der
+kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante,
+dat zij nooit meer brood zouden derven.
+
+Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten
+niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat
+deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen
+troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij
+sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.
+
+"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er
+geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde
+bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot
+ellendelingen en misdadigers opgroeiden?
+
+"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en
+in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde
+rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?
+
+"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken
+anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en
+armen moesten zijn.
+
+"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden
+zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen
+en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten
+voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had
+de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl
+anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij
+zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld
+ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne
+gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot
+voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?"
+
+En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel
+niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in
+aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.
+
+Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te
+heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar
+waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op
+en vreesden het nieuwe licht?
+
+Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen
+om hem heen.
+
+Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe
+helderder zijn stem.
+
+Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar
+hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.
+
+Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het
+vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen
+in hun rijk.
+
+Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren
+reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.
+
+Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat
+zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik
+was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat
+zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend,
+dat het vervoerde en meesleepte.
+
+Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde,
+dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht
+zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien
+nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging,
+dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met
+allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.
+
+Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard
+kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men
+voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.
+
+Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild,
+wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer
+terug was gekomen.
+
+
+
+Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de
+ziekenkamer en fluisterde:
+
+"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar
+aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania
+gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier
+zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden
+zal uitbreken."
+
+Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou
+blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel.
+
+Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij
+werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs
+de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.
+
+"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem
+spreken."
+
+"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna
+Elisa. "Hij is in den tuin."
+
+Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren
+omgeven tuin.
+
+In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras
+slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En
+de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen
+en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden
+voor zich uit kon zien.
+
+Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes,
+vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe
+ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den
+tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op
+één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer
+en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep
+hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.
+
+Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.
+
+"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf
+te storten?"
+
+Hij begon te lachen.
+
+"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier
+geweest. Komt gij nu ook nog hier?"
+
+Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en
+den pastoor.
+
+Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam.
+
+"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij
+hier vanavond oproer krijgen?"
+
+"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer."
+
+En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna
+bedroefde om zijnentwille.
+
+"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los.
+
+"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot.
+
+"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u
+allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet."
+
+Zij antwoordde:
+
+"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood."
+
+"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon."
+
+"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden."
+
+"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door
+hen wil laten vermoorden?"
+
+"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle
+rijken gedood zullen worden."
+
+Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om
+zich niet te overijlen.
+
+"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat
+mij het u eens verklaren."
+
+En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar
+het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had
+kunnen begrijpen.
+
+Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij
+het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren
+spreken over het socialisme.
+
+'t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was
+begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig
+gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.
+
+"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij
+is het werkelijk."
+
+Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou
+zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd.
+
+Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en
+gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom
+en verward.
+
+Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo
+spreken kon.
+
+En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was
+zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een
+indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke
+man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij
+over haar had.
+
+Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken
+om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken,
+dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.
+
+Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de
+klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen
+kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd
+had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten
+om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.
+
+Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid,
+omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren.
+
+Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over
+socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in
+donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca
+had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden
+zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende
+bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit
+pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca
+verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging
+de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna
+bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het
+was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was,
+dat zij aan Gaetano had gedacht.
+
+Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden
+gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts
+gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij
+slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde.
+
+Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig
+bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou
+schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf
+kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen
+de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts
+doorspreken over kapitalisten en arbeiders.
+
+Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij
+had haar niet meer lief.
+
+Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde
+dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen,
+maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord.
+
+Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en
+naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een
+portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan
+weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.
+
+'t Was een portret van Gaetano geweest.
+
+Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken,
+gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer
+was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts
+sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.
+
+Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij
+herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij
+haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar
+te trouwen.
+
+Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te
+beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano
+geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad.
+
+Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar
+eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.
+
+"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier
+in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping,
+zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar
+beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten
+in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag
+draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor
+den dag komen en ge zult iets geheel anders zien!
+
+"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het
+niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk
+aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam:
+
+--"Denk aan den hemel."
+
+"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij
+bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig
+worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat
+wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons
+verlost zijn van dat hiernamaals.
+
+"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben
+haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder,
+die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen.
+
+"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven
+jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over
+de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor
+haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan
+zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen
+der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar
+schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid,
+kennis en schoonheid geven."
+
+Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij
+ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde
+hij de door de maan beschenen aarde omvatten.
+
+"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon."
+
+En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te
+gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk
+omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en
+lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich
+slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.
+
+"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan
+het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en
+boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt
+het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij
+zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de
+verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen
+maken."
+
+"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met
+liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen,
+die niets geeft, noch iets vermag."
+
+Zij viel hem plotseling in de rede.
+
+Zij begon hem al meer en meer te vreezen.
+
+"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?"
+
+"Wat meent ge?"
+
+"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond,
+gezegd heeft, dat gij-- -- --"
+
+"Wat heeft hij gezegd?"
+
+"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders."
+
+"Wie zegt dat?"
+
+"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt."
+
+"Omdat ik nu socialist ben?"
+
+"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?"
+
+"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn
+meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij
+zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --"
+
+Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging
+naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat
+reikte hij donna Micaela.
+
+'t Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt."
+
+Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart
+marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het
+beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in
+verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij
+een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te
+scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar
+mede in zijn zonde!
+
+"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij.
+
+O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het
+stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen
+los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den
+Simeto neerploffen.
+
+"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano.
+
+Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren
+gezien.
+
+In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en
+statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging
+als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud
+en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en
+te winnen.
+
+"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij.
+
+Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf
+een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij
+zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke,
+ondempbare kloof tusschen hen gelegd.
+
+Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.
+
+Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.
+
+Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.
+
+"Hoe zijt ge zoo geworden?"
+
+"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend.
+
+"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend.
+
+"En waarom kwaamt gij thuis?"
+
+"Ik kwam terug om een oproer te verwekken."
+
+'t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij
+zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen
+zou zijn.
+
+"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng.
+
+"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig.
+
+"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker
+gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen
+gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet
+juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten
+verhinderen in onze plannen?
+
+"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland
+bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!"
+
+Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En
+om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk
+verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter
+spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken
+om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij
+het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn
+eenige schat in de wereld.
+
+"Ze strijden vandaag in Paterno."
+
+"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent
+niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den
+geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben,
+dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele
+boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men
+scheldt ons niets kwijt."
+
+Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan,
+haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde
+immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was
+vrij en hij wilde haar bezitten.
+
+Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.
+
+Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één.
+
+Zij naderde hem en greep hem bij den pols.
+
+"Is dit het oproer?" vroeg zij.
+
+Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en
+geroep van menschen, die door de straten stormden.
+
+"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!"
+
+"Leve het socialisme!"
+
+Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook
+daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar
+te behooren.
+
+Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de
+tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er
+niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.
+
+Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde
+gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat
+klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen,
+en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid,
+leve het socialisme!
+
+Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was
+gevangen, hij kon er niet bij zijn.
+
+Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had
+hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.
+
+"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel
+uit het slot heb genomen."
+
+"Gij, gij?" zei hij.
+
+"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u
+hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde
+u redden."
+
+"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand.
+
+Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen.
+
+"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?"
+
+Zij gaf geen antwoord.
+
+"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf
+te storten?"
+
+Zij zweeg nog steeds.
+
+"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?"
+
+"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht.
+
+"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij.
+
+Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem
+den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.
+
+Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen,
+verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond.
+
+Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen,
+die de zijne zochten.
+
+In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij
+wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In
+haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als
+een vluchteling snelde hij heen.
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+HET FEEST VAN SAN SEBASTIAAN.
+
+
+Toen Gaetano weg was, stond donna Micaela nog langen tijd in donna
+Elisa's tuin. Zij stond daar als versteend en kon voelen noch denken.
+
+Toen ontwaakte de gedachte plotseling in haar, dat zij en Gaetano
+niet alleen op de wereld bestonden. Zij dacht aan haar zieken vader,
+dien zij gedurende zoo vele uren geheel vergeten had.
+
+Ze ging door de poort naar de corso, die eenzaam en verlaten lag. De
+schoten en het geschreeuw klonken zeer ver weg en zij zei tot zichzelf,
+dat er zeker bij de Porta Etnea gestreden werd.
+
+Heldere maneschijn gleed over den gevel van het zomerpaleis en het
+verbaasde haar, dat op dezen tijd en in dezen nacht de balkondeuren
+wijd openstonden en dat de vensterluiken niet gesloten waren. En nog
+meer was zij verbaasd dat de poort openstond en de winkeldeur ook
+niet gesloten was.
+
+Toen zij door het poortgewelf ging, zag zij daar den ouden poortwachter
+Piero niet. De lantaarn was niet opgestoken en geen mensch was er te
+zien op den binnenhof.
+
+Ze ging de trap op naar de galerij, haar voet stiet tegen iets
+hards. Het was een kleine bronzen vaas, die anders in de muziekzaal
+stond. Een paar schreden verder vond zij een mes.
+
+Het was een scherp geslepen mes gelijk een dolk. Toen zij het opnam,
+vielen een paar donkere druppels van de punt. Zij begreep dat het
+bloed moest zijn.
+
+En eveneens begreep zij, dat hetgeen zij den ganschen herfst gevreesd
+had, nu geschied was. Bandieten waren in het zomerpaleis gedrongen
+om het te plunderen.
+
+En allen, die vluchten konden, waren gevlucht, maar haar vader,
+die zijn bed niet kon verlaten, zou nu zeker vermoord zijn.
+
+Ze kon onmogelijk weten of de roovers nog in haar huis waren. Maar
+nu zij midden in het grootste gevaar was, verdween haar angst en
+zij haastte zich verder zonder er aan te denken, dat zij alleen en
+weerloos was.
+
+Zij ging door de galerij en kwam in de muziekzaal. Daar vielen breede
+strepen maanlicht over den vloer en midden in een dezer strepen lag
+een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.
+
+Donna Micaela boog zich over dit onbeweeglijke lichaam.
+
+Het was Giannita. Zij was vermoord, zij had een diepe gapende wonde
+aan den hals.
+
+Donna Micaela legde het lichaam terecht, kruiste haar de handen over
+de borst en sloot haar de oogen.
+
+Zij kreeg bloed aan haar handen en toen zij dit lauwe kleverige bloed
+voelde, begon zij te schreien.
+
+"Ach mijn goede, beminde zuster," zei zij luide, "het is uw jong
+leven dat weggevloeid is met dit bloed. Gedurende uw gansche leven
+hebt ge mij liefgehad en nu hebt ge uw bloed geofferd, om mijn huis
+te beschermen. Is het tot straf voor mijn hardheid, dat God u van
+mij heeft genomen?
+
+"Is het omdat ik u niet gunde dengene te beminnen, dien ik
+liefhad? Zijt gij daarom van mij gegaan?
+
+"Ach zuster, zuster, kondt gij mij niet minder hard straffen?"
+
+Zij boog zich voorover en kuste de doode op het voorhoofd. "Ge gelooft
+het niet," zei zij. "Ge weet dat ik u altijd trouw ben geweest. Ge
+weet dat ik u heb liefgehad."
+
+Toen herinnerde zij zich dat de doode nu niet meer op de aarde
+vertoefde en zij niet meer behoefte had aan betuigingen van vriendschap
+en berouw.
+
+En zij deed een paar gebeden bij het lijk, omdat het eenige, dat zij
+voor haar zuster doen kon, was met vrome gedachten den vluchtenden
+geest op zijn tocht naar God te steunen.
+
+Daarna ging zij verder, niet meer bevreesd voor iets, dat haar zelf
+kon treffen, maar in een onbeschrijflijken angst voor hetgeen haar
+vader wedervaren was.
+
+Toen zij eindelijk door de lange zalen in de praalwoning kwam, en
+vóór de deur stond van de ziekenkamer, zochten haar handen lang naar
+het slot en toen zij het gevonden had, ontbrak haar de kracht om den
+sleutel om te draaien.
+
+Toen riep haar vader van uit zijn kamer wie daar was.
+
+Nu zij zijn stem hoorde en begreep dat hij leefde, had zij het gevoel
+alsof alles in haar trilde en brak, en het vermogen verloor haar te
+dienen. Haar hart en verstand hielden tegelijk op te werken en haar
+spieren konden haar niet langer staande houden. Zij dacht nog, dat
+dit het gevolg was van de vreeselijke spanning waarin zij verkeerd
+had. En met een eigenaardig gevoel van verlichting zonk zij in een
+langdurige bezwijming.
+
+Donna Micaela ontwaakte tegen den volgenden morgen uit haar
+onmacht. Toen was er veel voorgevallen.
+
+De bedienden waren te voorschijn gekomen uit hun schuilplaatsen en
+hadden donna Elisa gewaarschuwd. Zij had het beheer over het verlaten
+paleis genomen, en om de politie gezonden, zij had de witte broeders
+laten komen. En dezen hadden het lijk van Giannita gedragen naar haar
+moeders huis.
+
+Toen donna Micaela ontwaakte, lag ze op een sofa in een vertrek naast
+haar vaders kamer. Niemand was bij haar, maar daarbinnen hoorde zij
+donna Elisa spreken.
+
+"Mijn zoon en mijn dochter," zei donna Elisa snikkend. "Ik heb mijn
+zoon zoowel als mijn dochter verloren."
+
+Donna Micaela trachtte zich op te richten, maar zij kon niet. Haar
+lichaam lag nog in een verstijving, hoewel haar ziel reeds ontwaakt
+was.
+
+"Cavaliere, cavaliere," zei donna Elisa "kunt gij het
+begrijpen? Bandieten van den Etna sluipen in de stad, zij schieten
+op het tolkantoor en roepen: "Leve het socialisme!" En dat doen zij
+slechts om de menschen van de straat te jagen en de karabiniers te
+lokken bij de Porta Etnea. Geen enkele man van Diamante was er bij. Het
+zijn bandieten, die dit plan slechts beraamd hebben om te plunderen
+bij miss Tottenham en bij donna Micaela, bij twee vrouwen, cavaliere!
+
+"Wat moeten die heeren officieren, die in den krijgsraad zitten,
+toch gedacht hebben? Geloofden zij dat Gaetano samenspande met de
+bandieten? Zagen zij dan niet dat hij een edelman was, een echte
+Alagona, een kunstenaar? Hoe hebben ze hem kunnen veroordeelen?"
+
+Donna Micaela luisterde met ontzetting, maar zij trachtte zich in te
+spreken, dat zij nog droomde.
+
+Ze hoorde opnieuw hoe Gaetano haar vroeg of zij hem aan God offerde. En
+weer meende zij te antwoorden, dat zij dat deed. Nu droomde zij hoe
+het zou zijn, indien hij werkelijk gevangen was genomen.
+
+"Wat is dit toch voor een ongeluksnacht?" zei donna Elisa. "Wat is
+het toch, dat in de lucht zweeft en de menschen verward en waanzinnig
+maakt?
+
+"Ge kent Gaetano, cavaliere. Hij is immers altijd heftig en vurig
+geweest, maar hij was toch niet zonder verstand, hij kon zich toch
+altijd wel beheerschen. Maar hedennacht werpt hij zich den vijand in
+de armen.
+
+"Gij weet, dat hij oproer wilde maken, ge weet dat hij thuis was
+gekomen om oproer te verwekken. Toen hij nu hoort dat er geschoten
+wordt en dat men roept "Leve het socialisme" wordt hij wild en
+woest. Hij zegt tot zich zelf, dat dit het oproer is, en hij ijlt
+de straat op om er bij te zijn. En hij roept den ganschen tijd:
+"Leve het socialisme", zoo hard hij slechts kan.
+
+"En toen ontmoet hij een groote menige soldaten, een gansch leger. Want
+zij waren op weg naar Paterno maar hoorden het schieten in Diamante en
+trokken hier binnen om te zien wat er gaande was. En Gaetano kan geen
+soldatenmuts meer herkennen, hij gelooft dat het de oproerlingen zijn,
+hij meent in hen gezanten des hemels te zien, en hij stort zich in
+hun midden en laat zich zoo gevangennemen. En de soldaten, die even
+tevoren alle bandieten hadden opgevangen, terwijl zij met hun buit
+wegslopen, leggen nu ook de hand op Gaetano. En zij gaan verder door de
+stad en vinden alles rustig. Maar vóórdat zij wegtrekken, houden zij
+krijgsraad over hun gevangenen. En zij veroordeelen Gaetano tegelijk
+met de anderen, veroordeelen hem evenals hen, die inbraak gepleegd
+en vrouwen vermoord hebben.
+
+"Hadden zij hun verstand niet verloren, cavaliere?"
+
+Donna Micaela kon niet hooren wat haar vader antwoordde. Zij zelf
+wilde duizend vragen stellen, maar zij was nog verstijfd en kon zich
+niet verroeren. Zij zou willen weten of Gaetano doodgeschoten was.
+
+"Wat bedoelden zij met hem te veroordeelen tot negen en twintig jaar
+gevangenisstraf?" vroeg donna Elisa.
+
+"Gelooven zij dat hij of iemand, die hem liefheeft zoo lang kan leven?
+
+"Hij is dood, cavaliere, dood voor mij, evenals Giannita."
+
+Donna Micaela had een gevoel alsof zij gebonden was met sterke ketenen,
+opdat zij niet zou kunnen ontvluchten. Dit was erger, vond zij,
+dan aan een schandpaal gebonden te zijn en gegeeseld te worden.
+
+"'t Is al de vreugde van mijn ouderdom, die nu van mij is genomen,"
+klaagde donna Elisa.
+
+"Giannita en Gaetano! Ik had altijd gedacht, dat deze twee nog eens
+een paar zouden worden. Zij zouden zoo goed bij elkaar gepast hebben,
+omdat beiden mijn kinderen waren en mij liefhadden. Waarvoor zal ik
+nu leven, nu ik niet langer jeugd om mij heen heb?
+
+"Ik had het dikwijls zeer arm, toen Gaetano bij mij kwam en men zeide
+mij, dat ik minder zorg zou hebben, indien ik alleen was. Maar ik
+antwoordde: "Daar geef ik niets om, indien ik slechts jeugd om mij
+heen heb." En ik hoopte, dat hij, als hij volwassen zou zijn, een
+jonge vrouw zou nemen en zij zouden kleine kinderen krijgen en ik
+zou nooit eenzaam behoeven te zitten als een onnut oud mensch."
+
+Donna Micaela moest er aan denken, dat zij Gaetano had kunnen redden,
+maar niet had gewild. Maar waarom had zij toch niet gewild? Dat
+scheen haar nu onbegrijpelijk. Zij begon bij zich zelf al de redenen
+op te sommen, die zij gehad had om hem zich in het verderf te
+laten storten. Hij was een godloochenaar en socialist en hij wilde
+oproer maken. En dit had opgewogen tegen al het andere, toen zij de
+tuinpoort voor hem opende. Deze redenen hadden ook opgewogen tegen
+haar liefde. Nu begreep zij dat niet. Het was alsof een schaal vol
+veeren had kunnen opwegen tegen een schaal vol goud.
+
+"Mijn mooie jongen," klaagde donna Elisa, "mijn mooie jongen. Hij was
+reeds een groot man daarginds in Engeland, en hij kwam thuis om ons
+arme Sicilianen te helpen. En nu hebben zij hem veroordeeld als een
+bandiet. Men zegt dat zij op het punt stonden hem dood te schieten,
+evenals zij dat de anderen gedaan hebben.
+
+"Misschien was het beter geweest, cavaliere. 't Ware beter hem op
+het kerkhof te weten, dan dat hij in de gevangenis versmacht. Hoe
+zal hij dat lijden kunnen dragen? Hij zal het niet kunnen uithouden,
+hij zal ziek worden, en spoedig sterven."
+
+Toen zij dit zei, rukte donna Micaela zich los uit haar verdooving en
+richtte zich op van de sofa. Zij wankelde door de kamer en kwam bij
+haar vader en donna Elisa, even doodsbleek als de vermoorde Giannita.
+
+Zij was zoo zwak, dat zij het niet waagde te loopen, maar bij de deur
+bleef staan en tegen den deurpost leunde.
+
+"Hier ben ik," zei zij, "donna Elisa, hier ben ik-- -- --"
+
+De woorden wilden niet over haar lippen komen. Zij wrong de handen
+in vertwijfeling, omdat zij niet kon spreken.
+
+Donna Elisa was oogenblikkelijk bij haar. Zij legde haar arm om donna
+Micaela's middel om haar te steunen, zonder zich er om te bekommeren
+dat donna Micaela haar trachtte af te weren.
+
+"Gij moet mij vergeven, donna Elisa," zei zij met nauwelijks hoorbare
+stem. "Ik heb het gedaan."
+
+Donna Elisa lette niet veel op hetgeen zij zeide. Zij zag dat donna
+Micaela koorts had en geloofde dat zij ijlde.
+
+Haar lippen bewogen zich, en men zag dat zij iets wilde zeggen, maar
+men hoorde slechts enkele woorden. 't Was onmogelijk te begrijpen
+wat zij meende.
+
+"Tegen hem, zooals tegen mijn vader," zei zij herhaaldelijk. En toen
+riep zij, dat zij allen, die haar liefhadden, in het verderf stortte.
+
+Donna Elisa had haar naar een stoel geleid en daar zat donna Micaela en
+kuste donna Elisa's oude rimpelige handen, en vroeg haar om vergeving
+voor hetgeen zij gedaan had.
+
+"Ja, zeker! Ja, zeker! donna Elisa vergaf het haar." Donna Micaela
+zag haar scherp aan met groote koortsachtige oogen en vroeg of het
+waar was.
+
+"Ja, zeker is het waar."
+
+Toen legde zij haar hoofd op donna Elisa's schouder en snikte. Zij
+dankte haar en zei dat zij niet had kunnen leven, indien zij donna
+Elisa's vergiffenis niet ontving. Tegen niemand had zij zoo gezondigd
+als tegen haar. Kon zij haar vergeven?
+
+"Ja, ja," zei donna Elisa keer op keer en zij geloofde dat donna
+Micaela ijlde, tengevolge van schrik en koorts.
+
+"Er is iets dat ik u moet zeggen," zei donna Micaela. "Ik weet het,
+maar gij weet het niet. Gij vergeeft mij nooit, indien ge het weet."
+
+"Ja zeker vergeef ik het u," zei donna Elisa.
+
+Op deze wijze spraken zij lang, zonder elkaar te begrijpen, maar
+het was goed voor de oude donna Elisa, dat ze dien nacht iemand
+kon koesteren en troosten en versterkende kruiden en droppels kon
+geven. Het was goed voor haar, dat er nog iemand was, die het hoofd
+tegen haar schouder legde en weende over haar verdriet.
+
+
+
+Donna Micaela, die gedurende drie jaar Gaetano had liefgehad, zonder
+ooit te denken, dat zij elkaar eens zouden toebehooren, had zich aan
+een eigenaardige soort liefde gewend. 't Was haar genoeg te weten,
+dat Gaetano haar liefhad. Als zij daaraan dacht, doorstroomde haar
+een heerlijk gevoel van veiligheid en geluk.
+
+"Wat doet het er toe?" zei zij als zij tegenspoed ondervond. "Gaetano
+heeft mij lief!" Hij was haar altijd nabij om haar op te beuren. Hij
+was een deel van al haar gedachten en plannen. Hij was de ziel van
+het leven zelve voor haar.
+
+Zoo spoedig donna Micaela zijn adres wist, schreef zij hem. Ze bekende
+hem, dat zij de vaste overtuiging had gehad, dat hij zijn ongeluk
+tegemoet ging. Maar zij was zoo bevreesd geweest voor hetgeen hij
+nog in de toekomst zou verrichten, dat zij het niet gewaagd had hem
+te redden. Zij schreef ook hoezeer zij zijn leer verafschuwde. Zij
+verborg niets voor hem. Zij zeide, dat zelfs indien hij vrij was,
+zij nooit de zijne kon worden.
+
+Zij vreesde hem. Hij had zulk een macht over haar dat indien zij
+vereenigd waren, hij haar tot een godloochenaarster en socialiste
+zou maken. Zij moest altijd van hem gescheiden leven, om haar ziel
+te kunnen redden.
+
+Maar zij bad en smeekte hem, dat hij trots alles niet zou ophouden
+haar lief te hebben.
+
+Hij mocht niet doen gelijk haar vader. 't Was waarschijnlijk, dat ook
+hij haar nu uit zijn hart bande, maar dat mocht hij niet doen. Hij
+moest barmhartig zijn. Indien hij wist hoe lief zij hem had, indien
+hij wist hoe zij van hem droomde!
+
+En zij bekende hem, dat hij het leven zelf voor haar was. "Moet ik
+sterven, Gaetano?" vroeg zij.
+
+"Is het dan niet reeds ongelukkig genoeg, dat deze leer ons scheidt? Is
+mijn ongeluk niet reeds groot genoeg, nu men u in de gevangenis
+gevoerd heeft? Zult gij nu ook nog ophouden mij lief te hebben,
+omdat wij niet gelijk denken? Och, Gaetano, heb mij toch lief. Onze
+liefde leidt tot niets, er is geen hoop voor ons, maar heb mij lief,
+ik sterf als ge mij niet lief hebt."
+
+Donna Micaela had nauwelijks dezen brief verzonden, of zij begon reeds
+op het antwoord te wachten. Zij geloofde, dat zij een brief vol toorn
+terug zou krijgen, maar zij hoopte, dat zij een enkel woord daarin
+zou vinden, dat haar bewees, dat hij haar nog liefhad.
+
+Maar zij wachtte verscheidene weken zonder een brief van Gaetano
+te ontvangen.
+
+'t Baatte haar niets, dat zij iederen dag buiten op de galerij den
+postbode opwachtte, en hem bijna bedroefd maakte, omdat hij altijd
+genoodzaakt was te zeggen, dat hij niets voor haar had.
+
+Een dag ging zij zelf naar het postkantoor en verzocht met smeekende
+oogen, dat men haar toch den brief zou geven, dien zij verwachtte. "Die
+moest er toch zijn," zei zij. Misschien hadden zij het adres niet
+kunnen lezen, misschien was hij in een verkeerd vak gekomen.
+
+En haar mooie smeekende oogen bewogen den postmeester, zoodat zij
+mocht zoeken tusschen hoopen oude, onafgehaalde brieven en alle laden
+van het postkantoor mocht nazien. Maar dat alles baatte niets.
+
+Toen schreef zij een tweeden brief aan Gaetano, maar er kwam geen
+antwoord.
+
+Nu trachtte zij te gelooven, wat haar onmogelijk scheen. Zij beproefde
+zich zelf te overtuigen, dat Gaetano haar niet meer liefhad.
+
+En naarmate deze overtuiging vaster vorm aannam, begon zij zich op
+te sluiten in haar kamer. Zij werd bang voor de menschen en was het
+liefst alleen.
+
+Dag aan dag werd zij zwakker. Zij liep gebogen en zelfs haar schoone
+oogen schenen allen glans en leven verloren te hebben.
+
+Na eenige weken was zij zoo verzwakt, dat zij niet meer kon staan, maar
+den geheelen dag op de sofa moest liggen. Ze was een gemakkelijke prooi
+voor een ziekte, die haar al haar levenskracht ontnam. Zij voelde,
+dat zij den dood nabij was en zij was bevreesd te sterven. Maar zij
+kon niets doen. Een enkel geneesmiddel bestond er voor haar, maar
+dat kwam niet.
+
+Terwijl donna Micaela op deze wijze zacht uit het leven scheen te
+glijden, maakte men in Diamante toebereidselen om het feest van San
+Sebastiaan te vieren dat in het eind van Januari valt.
+
+Het was het grootste feest dat in Diamante gehouden werd, maar in de
+laatste jaren was het niet met de gewone pracht gevierd, omdat nood
+en kommer de gemoederen te veel drukten.
+
+Maar dit jaar nadat het oproer mislukt was, terwijl Sicilië nog vol
+vreemde troepen was en de geliefde helden van het volk in de gevangenis
+smachtten, stelde men voor, het feest met ouderwetschen luister
+te vieren. Want nu was het geen tijd de heiligen te verwaarloozen,
+zei men.
+
+En het vrome volk van Diamante besloot, dat het feest drie dagen zou
+duren en dat San Sebastiaan gevierd zou worden door het uitsteken
+der vlaggen, het versieren der huizen, hardrijderijen en bijbelsche
+optochten, illuminaties en een wedstrijd van zangers. En met grooten
+lust en ijver toog men aan het werk. In ieder huis werd er geboend
+en gewreven. Men haalde de oude processiekleederen te voorschijn en
+men bereidde zich tot de ontvangst van vreemden van den geheelen Etna.
+
+Het eenige huis in Diamante, waar geen toebereidselen gemaakt werden,
+was het zomerpaleis. Donna Elisa was daarover diep bedroefd, maar ze
+kon donna Micaela niet bewegen het zomerpaleis te versieren.
+
+"Hoe kunt gij verlangen, dat ik een huis van rouw met bloemen en
+groen zal versieren?" zei zij. "De rozen zullen haar bladeren laten
+vallen, indien ik ze wilde gebruiken om de rampen te bedekken, die
+dit huis vervullen."
+
+Maar donna Elisa dacht aan niets anders dan aan het feest en verwachtte
+veel goeds van het vieren der heiligen, gelijk in vroegere dagen. Zij
+sprak over niets anders dan hoe de priesters den gevel der domkerk
+op oud-Siciliaansche wijze lieten versieren met zilveren bloemen
+en spiegels. En zij beschreef den feestrit. Zooveel ruiters zouden
+daaraan meedoen, en zulke hooge pluimen zouden zij op den hoed dragen,
+en zij zouden lange, met bloemslingers omwonden stokken, waarop een
+waskaars prijkte, in de hand houden.
+
+Toen de feestdag aanbrak, was donna Elisa's huis het mooist van
+alle versierd, Italië's groen-rood-witte vlag wapperde van het dak,
+en roode kleeden met gouden franje en het naamcijfer van den heilige
+waren over de vensterkozijnen en balkonhekken gespreid.
+
+Maar langs den muur slingerden zich guirlandes van steeneik, gevormd
+tot bogen en sterren, en rondom de ramen waren kransen gevlochten
+van de kleine witte rozen uit donna Elisa's tuin.
+
+Boven den ingang stond het beeld van San Sebastiaan, omlijst door
+leliën, en op den drempel lagen cypressetakken. En ware men het huis
+binnengetreden, dan zou men gezien hebben, dat het van binnen even
+heerlijk versierd was als van buiten. Van den kelder tot den zolder
+was het schoongemaakt en met bloemen getooid en op de planken in den
+winkel stond nog niet zoo'n klein en nietig heiligenbeeldje of het
+had een immortel of een bellis in de hand.
+
+En evenals bij donna Elisa, had men in het arme Diamante straat
+aan straat versierd. Er was zoo'n gewapper van vlaggen, dat men
+moest denken aan het waschgoed, dat van den grond tot den hemel
+in de steeg hing, waar het huis van den kleinen Moor stond. Alle
+huizen en eerepoorten droegen vlaggen en dwars over de straat waren
+touwen gespannen, waaraan wimpel naast wimpel waaide. En bij elke
+tien schreden had men eerepoorten opgericht. En boven op iedere
+eerepoort stond het beeld van den heilige, omlijst door kransen van
+gele immortellen. De balkons waren bekleed met roode doeken en bonte
+tafelkleeden, en langs de muren slingerden zich stijve guirlandes.
+
+Er was zooveel groen en bloemen, dat niemand begrijpen kon hoe men
+die bijeen had kunnen krijgen in Januari. Alles was met bloemen
+versierd. De bezemsteel droeg een krans van krokusjes en de
+poortklopper was versierd met een bouquet hyacinthen.
+
+Maar voor de ramen stonden borden met naamcijfers en inscripties van
+blauw-roode anemonen.
+
+En tusschen deze versierde huizen bruiste de menschenstroom, machtig
+als een stijgende vloed.
+
+Het waren niet alleen de inwoners van Diamante, die San Sebastiaan
+vierden. Van den ganschen Etna kwamen gele, prachtig beslagen en
+geverfde karretjes vol menschen aanrollen, getrokken door paarden
+met versierde leidsels.
+
+Zieken, bedelaars en blinde zangers waren in grooten getale
+opgekomen. En er waren heele pelgrimstochten van arme ongelukkige
+menschen, die nu na de ongelukken iemand hadden om voor te bidden.
+
+Er waren zooveel menschen bijeen, dat men verbaasd was, hoe allen
+plaats konden vinden binnen de stadsmuren. Er waren menschen op straat,
+menschen voor de ramen, menschen op de balkons.
+
+Op de hooge steenen trappen zaten menschen, en de winkels waren vol,
+de groote huisdeuren stonden wijd open en in de vestibule waren de
+stoelen in een halven cirkel geplaatst zooals in een theater. Daar
+zaten de eigenaars met hun gasten en keken naar de voorbijtrekkende
+menschenmenigte.
+
+De heele stad was vervuld van een feestelijk geruisch. Niet
+alleen lachten en spraken alle menschen, maar er waren ook nog
+positiefspelers, die op een positief, zoo groot als een orgel,
+speelden. Er waren straatzangers en er waren mannen en vrouwen,
+die Tasso declameerden met heesche, schreeuwende stemmen. Allerlei
+marktventers waren er en uit alle kerken stroomden orgeltonen. Op de
+Markt boven op den bergtop speelden stadsmuzikanten zoo luid dat men
+de muziek in geheel Diamante kon hooren.
+
+Dit vroolijk rumoer en deze bloemengeur, al dit vlaggen-gewapper in
+de lucht voor donna Micaela's venster had de macht haar op te wekken
+uit haar verdooving.
+
+Zij rees op, alsof het leven zelf om haar gezonden had.
+
+"Ik wil niet sterven," zei ze tot zich zelf. "Ik wil trachten te
+leven."
+
+Zij leunde op haar vaders arm, en ging op straat. Zij hoopte dat het
+leven daarbuiten haar zou bedwelmen, zoodat zij haar smart vergeten
+zou. "Gelukt dit mij niet," dacht zij, "kan ik geen verstrooiing
+vinden, dan moet ik sterven."
+
+Maar nu woonde er in Diamante een arme, oude beeldhouwer, die gaarne
+een paar soldi met het feest wilde verdienen. Daarom had hij een paar
+kleine lavabustes gemaakt van San Sebastiaan en van Paus Leo XIII. En
+daar hij wist dat velen in Diamante Gaetano liefhadden en treurden
+om zijn lot, maakte hij ook een paar beelden van hem.
+
+En dadelijk toen donna Micaela op straat kwam, ontmoette zij dezen
+man die haar een van zijn kleine, ellendige beeldjes te koop aanbood.
+
+"Koop don Gaetano, donna Micaela," zei de man.
+
+"Koop don Gaetano, dien de regeering gevangengenomen heeft, omdat
+hij Sicilië wilde redden."
+
+Donna Micaela drukte haar vaders arm heftig en spoedde zich verder.
+
+Maar in het café Europa stond de zoon van den waard canzones te
+zingen. Ter eere van het feest had hij eenige nieuwe liederen gedicht
+en onder andere ook een paar over Gaetano. Hij kon immers niet weten
+of de menschen niet juist van Gaetano wilden hooren.
+
+Donna Micaela ging voorbij het café, toen zij echter hoorde, dat er
+gezongen werd, bleef zij staan om te luisteren.
+
+"Ach, Gaetano Alagona," zong de jonge man. "Zangers zijn machtig. Met
+mijn liederen zal ik u vrij zingen. Eerst zend ik u de lieflijke
+canzone. Die zal glijden door de traliën van uw gevangenis en deze
+verbreken. Dan zend ik u het sonnet, dat schoon is als een vrouw
+en dat uw bewakers zal omkoopen. Daarna dicht ik de heerlijke ode,
+die de hooge gevangenismuren door haar trotschen rhythmus zal doen
+schudden! Maar als niets u helpt, treed ik te voorschijn met het
+machtige epos, dat een leger van woorden bezit. O, Gaetano, sterk
+als een krijgsschaar, schrijdt het epos voorwaarts. Al de legioenen
+van het oude Rome bezaten niet de macht het tegen te houden."
+
+Donna Micaela klemde zich krampachtig vast aan haar vaders arm, maar
+zij zei niets, ze ging slechts verder. Toen begon cavaliere Palmeri
+te spreken over Gaetano.
+
+"Ik wist niet dat hij zoo bemind was," zei hij.
+
+"Ik ook niet," fluisterde donna Micaela.
+
+"Maar heden zag ik hoe vreemde menschen in donna Elisa's winkel kwamen
+en haar smeekten iets te mogen koopen, dat hij gesneden had. Ze had
+nog slechts een paar oude rozenkransen, die trok zij stuk en daarvan
+deelde zij de koralen uit."
+
+Donna Micaela zag haar vader smeekend aan. Maar hij wist niet of zij
+wilde, dat hij zou zwijgen of doorgaan met vertellen.
+
+"Donna Elisa's oude vrienden loopen in den tuin met Luca," zei
+hij. "Luca wijst hun Gaetano's lievelingsplekjes en den grond, dien
+hij gewoonlijk bewerkte. En Pacifica zit in de werkplaats naast de
+schaafbank en vertelt al het mogelijke van hem van af den tijd dat
+hij niet grooter was dan zóó."
+
+Meer kon hij niet vertellen, het gedrang en het rumoer werd zoo hevig
+dat hij moest afbreken.
+
+Zij gingen naar den dom. Op de domtrap zat de oude Assunta. Zij had
+een rozenkrans in de hand en mompelde hetzelfde gebed, den geheelen
+rozenkrans langs. Zij smeekte den heilige dat Gaetano, die beloofd
+had de armen te helpen, weer in Diamante zou terugkomen.
+
+Toen donna Micaela haar voorbijging, hoorde zij haar zeggen: "San
+Sebastiaan, geef ons Gaetano. Ach, uit barmhartigheid, ach, om onze
+ellende, geef ons Gaetano terug, San Sebastiaan."
+
+Donna Micaela was van plan geweest naar de kerk te gaan, maar nu
+wendde zij zich om.
+
+"Er is zulk een gedrang," zei zij. "Ik durf er niet ingaan."
+
+Zij ging weer naar huis. Maar terwijl ze weg was, had donna Elisa van
+de gelegenheid gebruik gemaakt. Zij had een vlag op het dak van het
+zomerpaleis geheschen en doeken over de balkons gespreid en toen donna
+Micaela thuis kwam, was zij bezig een guirlande vast te maken. Donna
+Elisa kon het niet verdragen, dat het zomerpaleis niet versierd
+was. Zij wilde, dat dezen keer niets aan San Sebastiaans feest zou
+ontbreken. En zij vreesde, dat de heilige Diamante en Gaetano niet
+zou helpen, indien het oude paleis der Alagona's hem niet vierde.
+
+Donna Micaela kwam terug, bleek als een ter dood veroordeelde en
+gebogen alsof zij een tachtigjarig besje was.
+
+Zij mompelde in zich zelf: "Ik maak geen bustes van hem, ik zing
+geen liederen over hem, ik waag het niet God voor hem te bidden,
+ik koop geen zijner koralen. Hoe zal hij dan kunnen gelooven, dat ik
+hem liefheb? Hij moet al die anderen, die hem aanbidden, liefhebben,
+maar niet mij. Ik behoor niet tot zijn wereld, mij kan hij niet
+meer liefhebben."
+
+En toen zij zag dat men haar huis met bloemen wilde versieren,
+scheen haar dat zoo stuitend leelijk, dat zij den krans rukte uit
+donna Elisa's hand en haar dien voor de voeten wierp, terwijl zij
+vroeg of donna Elisa haar wilde vermoorden. Daarna ging zij haar
+voorbij. Zij wierp zich in haar kamer op de sofa en verborg haar
+gelaat in de kussens.
+
+Nooit vroeger had zij begrepen hoe al deze uiterlijke
+omstandigheden hem van haar scheidden. De volksman kon haar niet
+liefhebben. Daarenboven had zij het gevoel, dat zij hem verhinderd had,
+al deze armen te helpen.
+
+Hoe moest hij haar verafschuwen! hoe moest hij haar haten! Haar booze
+geest kwam weer over haar. Dit booze dat bestond in het niet bemind
+zijn! Dat zou haar vermoorden. Zij dacht dat nu alles voorbij, dat
+alles geëindigd was.
+
+Terwijl zij zoo lag, kwam haar plotseling het kleine Christusbeeld
+in de gedachten. Het was alsof hij in al zijn armoedige pracht de
+kamer binnentrad. Zij zag hem duidelijk.
+
+Donna Micaela begon het Christuskind om hulp aan te roepen. En zij
+was verbaasd, dat zij zich niet vroeger tot dezen wonderdoener gewend
+had. Maar dat kwam zeker, omdat het beeld niet in een kerk stond,
+maar rondgevoerd werd als een der rariteiten van miss Tottenham,
+zoodat zij slechts in den hoogsten nood aan hem dacht.
+
+
+
+Het was laat op den avond van denzelfden dag. Donna Micaela had al
+haar bedienden verlof gegeven naar het feest te gaan, zoodat zij en
+haar oude vader alleen in het groote huis waren.
+
+Maar tegen tien uur stond haar vader op en zei dat hij den wedstrijd
+der zangers op de markt wilde gaan hooren. En toen hij ging, wilde
+donna Micaela niet alleen achterblijven, en moest zij wel besluiten
+hem te volgen.
+
+Toen zij op de markt kwamen, zagen zij dat het plein veranderd was
+in een theater met rijen stoelen naast elkaar. Elk plekje was bezet
+met menschen en ternauwernood konden zij een plaats vinden.
+
+"Vanavond is Diamante heerlijk, Micaela," zei cavaliere Palmeri. 't
+Was alsof de lieflijkheid van den nacht hem zachter stemde. Hij sprak
+meer en teederder tot haar, dan hij sedert langen tijd gedaan had.
+
+Donna Micaela scheen het, dat haar vader de waarheid sprak. Zij had
+een gevoel, zooals zij gehad had, toen zij voor de eerste maal in
+Diamante kwam.
+
+Het was de stad der wonderen, de stad van schoonheid, een klein
+heiligdom van God.
+
+Tegenover haar verrees een hoog, statig gebouw, opgetrokken van
+stralende diamanten. Zij moest een tijdlang nadenken, vóórdat zij
+begrijpen kon, wat het was.
+
+Toch was het niets anders dan de gevel der domkerk, die bedekt was
+met bloemen van stijf zilver- en goudpapier, waarin duizenden kleine
+stukken spiegelglas waren gestoken. En in elke bloem hing een klein
+olieglas met een vlammetje zoo groot als een vuurvlieg. Het was van
+een zeldzame bekoring, de mooiste illuminatie, die donna Micaela ooit
+gezien had.
+
+Er was geen andere verlichting op de markt, en dat was ook niet
+noodig. Deze groote muur van diamanten verlichtte voldoende.
+
+Het zwarte palazzo Geraci stond gloeiend rood als werd het verlicht
+door een vuurwolk.
+
+Men zag niets van de wereld behalve de markt; daarbuiten heerschte
+diepe duisternis en dit maakte dat donna Micaela opnieuw het oude
+betooverde Diamante meende te herkennen, dat niet op de aarde lag,
+maar een heilige burcht was op een der hemelsche bergen. Het raadhuis
+met de zware balkons en de hooge trap, het groote nonnenklooster en
+de Romeinsche poort waren opnieuw heerlijk en wonderbaarlijk. En zij
+kon nauwelijks gelooven, dat zulk een vreeselijk lijden haar hier
+getroffen had.
+
+Te midden van deze menschenmassa voelde men geen koude. De winteravond
+was zwoel als een nacht in 't voorjaar. Een lentestemming kwam op in
+donna Micaela. Het begon in haar te beven en te trillen op een wijze,
+die tegelijkertijd heerlijk en vreeselijk was.
+
+Zoo moest de sneeuwmassa op den Etna zich gevoelen als de zon haar
+oploste in bruisende bergstroomen.
+
+Zij zag naar de menschen, die de markt vulden en zij was verbaasd
+dat hun aanblik haar des voormiddags zoo gepijnigd had. Nu vond zij
+het heerlijk dat zij Gaetano liefhadden. Ach, indien hij haar slechts
+bleef liefhebben, zou zij zoo onuitsprekelijk trotsch op hun liefde
+zijn, gelukkig over hun vereering. Dan zou zij deze oude bevende
+handen willen kussen, die beelden van hem maakten en voor hem in
+gebed gevouwen waren.
+
+Toen zij dit dacht, werden de kerkdeuren wijd opengeslagen en een
+groote, platte wagen rolde uit de kerk. Boven op den met rood doek
+bekleeden wagen stond San Sebastiaan bij een paal, en onder het beeld
+zaten de vier zangers, die deelnamen aan den wedstrijd.
+
+Het was een oude blinde zanger van Nicolosi, een kuiper van Catania,
+die beschouwd werd als de beste improvisatore van geheel Sicilië,
+een smid van Termine en de kleine Gandolfo, zoon van den poortwachter
+van het raadhuis. Alle menschen waren verbaasd, dat Gandolfo het
+waagde deel te nemen aan zulk een gevaarlijken wedstrijd. Deed hij
+dat misschien om zijn bruid, de kleine Rosalie, te behagen? Niemand
+had ooit geweten, dat hij kon improviseeren. Hij had zijn gansche
+leven niets anders gedaan dan mandarijnen eten en naar den Etna staren.
+
+Het eerste dat gedaan werd, was de deelnemers te laten loten, en het
+lot viel zoo, dat de kuiper het eerst aan de beurt kwam en Gandolfo
+het laatst. Toen de loting zoo uitviel, verbleekte Gandolfo. 't Was
+immers vreeselijk het laatst te komen, daar allen over hetzelfde
+onderwerp zouden spreken.
+
+De kuiper sprak over San Sebastiaan, toen hij legionair in het oude
+Rome was en terwille van zijn geloof aan een paal werd vastgebonden
+om als mikpunt voor zijn kameraden te dienen. Na hem kwam de blinde
+zanger, die verhaalde hoe een vrome Romeinsche den martelaar vond,
+bloedend en doorboord met pijlen en hoe het haar gelukte hem opnieuw
+tot het leven te roepen. Toen kwam de smid, die al de wonderen vertelde
+die San Sebastiaan verricht had op Sicilië gedurende de pest van het
+jaar vijftienhonderd.
+
+Zij werden alle drie geprezen. Zij gebruikten sterke woorden van bloed
+en dood en het volk juichte hen toe. Maar zij, die van Diamante waren,
+werden bang voor den kleinen Gandolfo.
+
+"De smid heeft hem alle woorden ontnomen," zei men, "het zal hem
+niet gelukken."
+
+"O," zeiden anderen, "de kleine Rosalie neemt om die reden den
+verlovingsband niet uit haar vlechten."
+
+Maar Gandolfo kroop ineen in zijn hoek van den wagen. Hij werd al
+kleiner en kleiner. Zij, die in zijn nabijheid zaten, konden hooren
+hoe zijn tanden klapperden van vrees.
+
+Toen eindelijk zijn beurt kwam, stond hij op en begon te improviseeren,
+maar hij sprak zeer slecht, nog veel slechter dan iemand verwacht
+had. Hij stamelde een paar verzen, maar het was slechts een herhaling
+van hetgeen de anderen gezegd hadden.
+
+Toen zweeg hij plotseling en haalde heftig adem. In dit oogenblik kwam
+de kracht der wanhoop over hem. Hij richtte zich op en een zacht rood
+kleurde zijn wangen.
+
+"O, signori," zei de kleine Gandolfo. "Laat mij spreken over hetgeen
+mij altijd vervult. Laat mij spreken over hetgeen ik altijd vóór
+mij zie!"
+
+En hij begon met wegsleepende welsprekendheid te vertellen wat hij
+zelf gezien had.
+
+Hij verhaalde hoe hij, de zoon van den poortwachter van het raadhuis,
+over donkere zolders geslopen was en verborgen had gelegen onder
+een der galerijen van de gerechtszaal in den nacht dat de krijgsraad
+verzameld was om de oproerlingen van Diamante te vonnissen.
+
+Toen had hij don Gaetano Alagona zien zitten op de bank der
+aangeklaagden in een gezelschap van een menigte woeste gezellen,
+die erger waren dan dieren.
+
+Hij vertelde hoe schoon Gaetano geweest was. Den kleinen Gandolfo
+had hij een god toegeschenen naast de vreeselijke menschen,
+die hem omringden. En hij beschreef deze bandieten met hun wilde
+roofdiergezichten, hun ruig haar en plompe ledematen. Hij zei,
+dat ze er zoo woest uitzagen, dat iemand die hen in de oogen keek,
+het hart beefde.
+
+Toch was in al zijn schoonheid don Gaetano angstwekkender dan deze
+menschen.
+
+Gandolfo wist niet hoe zij het waagden naast hem te zitten op de
+bank. Onder zijn saamgetrokken wenkbrauwen schoten vlammende blikken
+op zijn medegevangenen, die hun zielen vermoord zouden hebben, als
+zij gelijk andere menschen zielen bezeten hadden.
+
+"Wie zijt gij," scheen hij te vragen, "dat ge het waagt op plundering
+en moord uit te trekken, terwijl gij de heilige vrijheid aanroept? Weet
+gij, wat gij gedaan hebt?
+
+"Weet gij, dat ik nu ter wille van uw list gevangen zit? En dat ik
+het ben, die Sicilië gered zou hebben?" En iedere blik, dien hij op
+hen wierp, was een terdoodveroordeeling. Zijn blikken vielen op al
+die zaken, die de bandieten gestolen hadden en nu op de gerechtstafel
+lagen. Hij herkende deze voorwerpen. Zou hij de pendules en zilveren
+schalen van het zomerpaleis niet kennen, zou hij de heiligenbeelden
+en munten niet kennen, die zij geroofd hadden van zijn Engelsche
+beschermster? Maar toen hij deze zaken herkend had, zond hij zijn
+medegevangenen een vreeselijken lach toe.
+
+"Gij helden, gij hebt geplunderd bij twee vrouwen," zei deze lach.
+
+Zijn edel gelaat wisselde voortdurend van uitdrukking.
+
+Eens had Gandolfo het plotseling zien samentrekken van schrik. Het
+was toen de man, die naast hem zat, een hand had uitgestrekt, die
+rood was van bloed.
+
+Had hij toen misschien plotseling een vermoeden van de waarheid
+gekregen? Dacht hij er aan, dat deze menschen ingebroken hadden in
+het huis, waar zijn geliefden woonden?
+
+Gandolfo vertelde hoe de officieren, die rechters zouden zijn, nu
+zwijgend en ernstig binnen waren gekomen en plaats hadden genomen. Toen
+hij deze hooge heeren gezien had, was zijn onrust verminderd.
+
+Hij had tot zich zelf gezegd, dat zij wisten, dat Gaetano een voorname
+man was en dat zij hem niet zouden veroordeelen. Zij zouden hem niet
+verwarren met de bandieten. Niemand kon toch gelooven, dat hij had
+willen plunderen bij twee vrouwen.
+
+En zie, toen de rechter Gaetano Alagona opriep, was er geen strengheid
+in zijn stem. Hij sprak tot hem als tot een gelijke.
+
+"Maar," zei Gandolfo, "toen nu don Gaetano zich verhief, stond hij zóó,
+dat hij op de markt kon zien. En op de markt, op deze zelfde markt,
+waar nu zoo vele menschen zitten in vreugde en genot, naderde toen een
+lijkstoet. Het waren de witte broeders, die het lijk van de vermoorde
+Giannita droegen naar haar moeders huis. Ze liepen met fakkels en
+men kon duidelijk de baar zien, die zij op hun schouders droegen.
+
+"Terwijl de stoet langzaam over de markt schreed, kon men het
+lijkkleed herkennen dat gespreid was over de doode. Het was het
+kleed der Alagona's, versierd met het groote wapen en de rijke
+zilverfranjes. Maar toen Gaetano dit zag, begreep hij dat de vermoorde
+uit het huis der Alagona's zijn moest.
+
+"Zijn gelaat werd aschgrauw en hij wankelde, alsof hij op het punt
+stond te vallen.
+
+"In dit oogenblik vroeg de rechter hem:
+
+"Kent ge de vermoorde?"
+
+En hij antwoordde: "Ja."
+
+Toen vervolgde de rechter, die een barmhartig mensch was: "Stond ze
+u na?"
+
+En don Gaetano antwoordde:
+
+"Ik heb haar lief."
+
+Toen Gandolfo zoo ver met zijn verhaal was gekomen zag men dat
+donna Micaela haastig oprees, alsof zij hem wilde tegenspreken,
+maar cavaliere Palmeri trok haar vlug naast zich.
+
+"Stil, stil," zei hij tot haar.
+
+En ze zat stil met het gelaat tusschen haar handen verborgen. Nu en
+dan schokte haar lichaam en jammerde zij zacht.
+
+Maar Gandolfo verhaalde hoe de rechter, toen don Gaetano dit bekend
+had, op zijn medegevangenen gewezen en hem gevraagd had:
+
+"Indien ge deze vrouw lief hebt, hoe kunt ge dan in eenige gemeenschap
+staan met deze menschen, die haar vermoord hebben?"
+
+Toen had Gaetano zich plotseling tot de bandieten gewend. Hij had zijn
+vuist gebald en naar hen opgeheven. En hij had er uitgezien, alsof
+hij zich een dolk wenschte om hen één voor één te kunnen neerstooten.
+
+"Met dezen!" had hij uitgeroepen. "Zou ik in eenige gemeenschap staan
+met deze menschen?"
+
+Zeker had hij willen zeggen, dat hij niets had te maken met roovers
+en moordenaars.
+
+De rechter had mild gelachen en er uitgezien alsof hij slechts op
+dit antwoord gewacht had om don Gaetano vrij te spreken.
+
+Maar toen was er een Godswonder geschied.
+
+Gandolfo verhaalde hoe tusschen al de gestolen zaken, die op de
+tafel lagen, ook een klein Christusbeeld geweest was. Dat was een
+el hoog en rijk versierd met ringen en getooid met een gouden kroon
+en gouden schoentjes. Juist op dit oogenblik boog een der officieren
+zich voorover en trok het beeld naar zich toe. Terwijl hij dit deed,
+viel de kroon op den grond en rolde naar don Gaetano.
+
+Deze nam de Christuskroon, hield die een oogenblik in zijn handen en
+beschouwde ze nauwkeurig. Het scheen alsof hij daarop iets gelezen had.
+
+Hij hield de kroon slechts even in zijn handen, op hetzelfde oogenblik
+ontnam de soldaat van de wacht hem die.
+
+Donna Micaela zag bijna verschrikt op. Het Christusbeeld! Daar was
+het dus reeds. Zou zij spoedig antwoord krijgen op haar bede?
+
+Gandolfo vervolgde: "Maar toen Gaetano nu opkeek, beefden allen als
+voor een wonder, want hij was geheel veranderd.
+
+"O, signori, hij was zoo bleek, dat zijn gelaat scheen te lichten en
+zijn oogen waren mild en straalden zacht.
+
+"En er was geen toorn meer in hem.
+
+"En hij begon te smeeken voor zijn medegevangenen, hij begon te bidden
+voor hun leven.
+
+"Hij smeekte dat zij deze arme menschen niet zouden dooden. Hij bad,
+dat de hooge rechters iets voor hen doen zouden, opdat zij eens konden
+leven als andere menschen. "Wij hebben slechts dit leven te leven,"
+zei hij. "Ons rijk is slechts van deze wereld."
+
+"Hij begon te verhalen hoe deze menschen geleefd hadden. Hij
+sprak alsof hij had kunnen lezen in hun ziel. Hij beschreef hun
+levensgeschiedenis zoo somber en ongelukkig, als die werkelijk was. Hij
+sprak zoo dat enkelen der hooge heeren weenden.
+
+"Zijn woorden klonken sterk en machtig, zoodat het was alsof don
+Gaetano rechter was en de rechters misdadigers waren.
+
+"Zie," zei hij tot hen, "wiens schuld is het, dat deze ongelukkige
+menschen te gronde gaan? Zijt gij het niet, die de macht bezit, en
+hen in uw bescherming moest nemen?" En men zag hoe allen ontstelden
+over de verantwoordelijkheid, die hij hun oplegde.
+
+"Maar plotseling viel de rechter hem in de rede.
+
+"Spreek tot uw eigen verdediging, Gaetano Alagona," zei hij. "Spreek
+niet voor anderen."
+
+Toen had Gaetano gelachen. "Signor," zei hij, "ik heb niet veel meer
+dan gij om mij te verdedigen. Maar ik heb toch iets. Ik heb mijn
+werkkring in Engeland verlaten om oproer te maken op Sicilië. Ik
+heb wapens meegebracht. Ik heb oproerige taal gesproken. Ik heb iets
+ofschoon niet veel."
+
+De rechter had hem bijna gesmeekt:
+
+"Spreek zoo niet, don Gaetano. Denk aan hetgeen gij zegt."
+
+Maar hij had bekentenissen gedaan, die de rechters gedwongen hadden hem
+te veroordeelen. Toen men hem zei, dat hij veroordeeld was tot negen
+en twintig jaar gevangenisstraf, had hij uitgeroepen: "Nu geschiedt
+de wil van haar, wier baar hier zoo juist voorbij gedragen werd. Moge
+het mij gaan, zooals zij wilde."
+
+"En meer zag ik niet van hem," zei de kleine Gandolfo, "want de
+soldaten van de wacht namen hem in hun midden en voerden hem weg.
+
+"Maar ik, die hem hoorde smeeken voor degenen, die zijn liefste
+vermoord hadden, deed mij zelf de gelofte, dat ik iets voor hem
+doen zou.
+
+"Ik beloofde een schoone improvisatie over San Sebastiaan te houden,
+opdat deze hem zou helpen. Maar dit is mij niet gelukt. Ik ben geen
+improvisator, ik kon niet!"
+
+Hij zweeg en wierp zich luid weenend voor het beeld. "Vergeef mij,
+dat ik niet kon," riep hij, "en help hem toch. Ge weet, dat ik deze
+gelofte deed toen hij veroordeeld werd. Maar nu heb ik niet kunnen
+spreken over u en nu zult ge hem niet helpen."
+
+Donna Micaela wist nauwelijks hoe het gegaan was, maar zij en de
+kleine Rosalie, die Gandolfo liefhad, waren bijna gelijktijdig bij
+hem. Ze trokken hem naar zich toe en kusten hem en zeiden, dat niemand
+gesproken had als hij, neen niemand.
+
+Zag hij niet, dat allen weenden? San Sebastiaan was tevreden over
+hem. Donna Micaela schoof een ring aan Gandolfo's vinger, rondom hem
+wuifde men met veelkleurige zijden doeken, die glinsterden als de
+golven der zee in het sterke licht van de domkerk.
+
+"Viva Gaetano, viva Gandolfo!" riep het volk.
+
+En het regende bloemen, vruchten, zijden doeken en sieraden op den
+kleinen Gandolfo.
+
+Donna Micaela werd bijna met geweld van hem gerukt. Maar zij dacht
+er niet aan bevreesd te zijn.
+
+Zij stond midden in de golvende menschenmassa te weenen. Tranen
+stroomden over haar gelaat en zij weende van vreugde, omdat zij weende.
+
+Dat was de hoogste zegening.
+
+Zij wilde weer naar Gandolfo, zij kon hem niet genoeg danken. Hij
+had haar immers verteld, dat Gaetano haar liefhad.
+
+Toen hij deze woorden aanhaalde:
+
+"De wil geschiede van haar wier baar hier werd voorbijgedragen,"
+had zij plotseling begrepen, dat Gaetano meende, dat zij het was,
+die onder het lijkkleed der Alagona's lag.
+
+En van de doode had hij gezegd: "Ik heb haar lief."
+
+Het bloed stroomde opnieuw door haar aderen, haar hart klopte, haar
+tranen vloeiden.
+
+"Dit is het leven, het leven," zei ze tot zich zelf, terwijl zij zich
+willoos door de volksmassa meevoeren liet.
+
+"Het leven is weer tot mij gekomen, ik zal niet sterven."
+
+Allen wilden naar den kleinen Gandolfo om hem te danken, omdat hij
+hun iemand geschonken had om op te hopen, om naar te verlangen, om
+lief te hebben in deze dagen van tegenspoed, nu alles verloren scheen.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+ "De Antichrist zal van land tot land
+ gaan en den armen brood geven."
+
+
+I.
+
+DE VROUW VAN EEN GROOT MAN.
+
+
+Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld
+rondom Diamante te bloeien.
+
+Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten
+amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een
+vaas in de muziekzaal gezet.
+
+Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren
+dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle
+weken zou men ze nu overal vinden.
+
+Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de
+graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar
+gedragen worden.
+
+Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij
+zouden prijken op het zwarte lavaveld.
+
+En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de
+klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde
+een heel leven met hem te zullen leven.
+
+Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat
+het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit
+meer zou zien.
+
+Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden
+met kloppen en zij sloot de oogen.
+
+Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen.
+
+Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de
+hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina
+Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. 't Is een
+jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op
+het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden.
+
+Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man
+met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of
+hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat
+zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door
+hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden
+en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten.
+
+Zij vraagt hem waar hij thuis behoort.
+
+Hij antwoordt: "In Diamante."
+
+"Is dat ver weg?"
+
+"Vier uur met den postwagen."
+
+"En met den trein?"
+
+"Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina."
+
+"Ge moest er een aanleggen."
+
+"Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij
+voor ons een spoorweg willen aanleggen."
+
+Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij
+zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is
+tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.--
+
+Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd
+had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano
+kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn
+beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden
+de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen.
+
+Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder
+Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te
+hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het
+plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania
+en Diamante.
+
+Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te
+doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest
+gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij
+was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan
+iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante
+slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn,
+honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk
+konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn.
+
+Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou
+kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar
+geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte,
+moest zij gehoorzamen.
+
+Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen
+afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat
+zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur
+was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen.
+
+Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. "Waarvoor wilt
+ge een bazaar houden?"
+
+"Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg."
+
+"Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders
+aan gedacht hebben."
+
+"Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?"
+
+"O niets."
+
+En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk.
+
+"Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?"
+
+"Neen."
+
+"En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?"
+
+"Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft," antwoordde donna
+Elisa, "moest niet aan dergelijke grapjes denken."
+
+Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of
+andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen.
+
+Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden,
+dat dit heerlijke plan Diamante zou redden.
+
+Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al
+sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers.
+
+Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar
+welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren.
+
+Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam,
+antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm.
+
+De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den
+bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar
+van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De
+stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen
+afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit.
+
+Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor
+waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie
+noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen?
+
+Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen,
+sommigen werden boos op haar.
+
+Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen,
+waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te
+vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden,
+met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in
+een verhaal was, moest zij wachten.
+
+Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio's echtgenoote,
+die op de estrade aan zijn voeten zat te breien.
+
+Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta's lippen
+zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van
+buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio's
+lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem
+te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had,
+toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen.
+
+Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in
+zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan
+de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem
+verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van
+buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den
+toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam.
+
+Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof
+ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en
+daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken.
+
+En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier
+had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen
+doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar
+ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden
+meester Pamphilio te hooren vertellen.
+
+Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in
+droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt,
+zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist,
+wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal
+geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of
+hij haar wilde helpen. 't Viel hem moeielijk neen te zeggen op de
+duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden.
+
+Donna Concetta kwam hem te hulp. "Meester Pamphilio," zei zij,
+"verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten."
+
+En meester Pamphilio vertelde:
+
+"Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte,
+die Guglielmo de Slechte heette?
+
+"Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij
+beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En
+hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen.
+
+"Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog
+gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een
+zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de
+man bood het paard te koop aan en riep luid:
+
+"Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!"
+
+"Maar er was niemand, die het paard kon koopen.
+
+"Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo,
+de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover.
+
+"Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit
+paard niet kan koopen," zei hij tot zijn hofmeester.
+
+"Signor duca," antwoordde de hofmeester, "ik kan u zeggen, waar gij
+een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de
+Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden
+munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor."
+
+"Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden
+niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der
+Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen.
+
+"O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn,
+zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele
+priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte.
+
+"De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster
+der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht
+het paard daarvoor.
+
+"Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard
+uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu
+werd de hertog voor den koning gevoerd.
+
+"Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?" zei Guglielmo
+de Slechte.
+
+"Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader." En hij verhaalde
+vanwaar hij de munt gekregen had.
+
+"'t Is waar ook," zei de koning. "Ik had vergeten, dat de dooden nog
+geld bezitten."
+
+"En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den
+mond der dooden te nemen."
+
+Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde
+donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela.
+
+"Gij zijt het die met het paard uitgaat," zei zij.
+
+"Ben ik dat? ik?"
+
+"Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: "Zij leggen een
+spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk." En men
+zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen,
+die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij
+onze voorvaderen plunderden."
+
+Donna Micaela wilde haar kalmeeren.
+
+"Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij
+zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die
+bloedzuigers in Rome hebben u betaald."
+
+Donna Micaela wendde zich van haar af.
+
+"Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio," zei zij tot den
+grijsaard.
+
+"Maar ik ben het, die u antwoorden zal," viel donna Concetta haar in
+de reden, "want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij
+nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela."
+
+Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik,
+zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God
+ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester
+Pamphilio!
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+PANEM ET CIRCENSES.
+
+
+In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het
+punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te
+zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren
+zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn.
+
+Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat,
+beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere
+gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd
+te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt:
+
+Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de
+wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij
+gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche
+leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft.
+
+Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen
+dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren
+een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen,
+dat duurzaamheid bezit.
+
+Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te
+vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte.
+
+Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere
+uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld.
+
+Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden,
+gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde
+niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit
+aanschouwd hadden.
+
+'t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was
+een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam,
+was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf
+te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot
+genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen
+als een koningin.
+
+De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong
+steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel,
+dat de straten der stad iederen dag geveegd werden?
+
+Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante
+voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij
+hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als
+gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een
+dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het
+kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en
+haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo
+of Nicolosi konden rijden.
+
+En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch
+te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en
+donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen!
+
+Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden
+op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in
+den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen
+aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor
+haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten
+rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven
+om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk
+lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis
+der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar
+uit deze te komen zien.
+
+Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij
+waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als
+zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop
+op de Engelsche signorina vestigde.
+
+Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij
+weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te
+worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij
+gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij
+nam hem.
+
+Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als
+zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag
+weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds
+een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in
+Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze
+kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen
+en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op
+den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het
+dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was
+daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde.
+
+Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden.
+
+Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden
+tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat
+gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen!
+
+Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en
+kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich
+voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar
+zij regeerde.
+
+Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd
+tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen.
+
+Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd
+een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der
+oude keizers gedaan zou hebben.
+
+Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten
+kwam!
+
+Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van
+de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van
+het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn
+gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren
+deuren van het Grieksche theater openschuift.
+
+Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen,
+die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers
+hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de
+oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken.
+
+Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien
+kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche
+leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest
+en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als
+een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels,
+met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders
+en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die
+wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer
+die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen,
+allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest.
+
+De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie
+bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche
+signorina haar te overwinnen.
+
+Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt
+stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs
+de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij
+had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en
+keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in
+witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij
+haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten.
+
+Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna,
+de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu
+aan San Pasquale gewijd was.
+
+En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen
+van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het
+hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen,
+zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de
+hielen volgde.
+
+Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina
+ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat,
+was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts,
+zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam
+en een zwaar, plomp gemoed.
+
+Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel
+ander mensch.
+
+Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen
+liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij
+aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats
+aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een
+gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer
+bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en
+niets anders was het!
+
+Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de
+menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter,
+die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor
+haar en zei:
+
+"Ik drink op uw welzijn, signorina."
+
+Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor
+haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een
+ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de
+mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan
+om te worden aangebeden?
+
+Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo
+worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar
+niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven
+haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn.
+
+Ze hielden toespraken tot haar.
+
+"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die
+Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort.
+
+En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer,
+dat zij glimlachen kon.
+
+Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der
+Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen
+zij noodig had.
+
+Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar
+Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar
+was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote
+weldoenster.
+
+Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn
+waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht.
+
+De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met
+de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te
+kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging
+als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina
+heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar
+aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in
+het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem.
+
+"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij.
+
+"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten
+en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En
+plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te
+voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!"
+
+En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te
+voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen,
+hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden
+zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij
+gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft?
+
+Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een
+goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het
+hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam
+werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er
+kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat
+men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht
+met hun gejubel en gedans te vervullen.
+
+Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat
+was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar
+gasten aan te bieden?
+
+Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar,
+de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit
+alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al
+haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken
+en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun
+eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel
+het schoone panorama aanschouwden.
+
+De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze
+krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig
+in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met
+een schat van lof.
+
+Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al
+deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar
+gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert
+en bezielt.
+
+Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk.
+
+Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit
+afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben,
+maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die
+haar liefhadden.
+
+Zij trad het laatst van allen op.
+
+Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te
+treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie
+geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd
+te worden.
+
+Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men
+wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.
+
+Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot
+achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op
+de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit
+en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.
+
+Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn
+en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet
+van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.
+
+Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen
+op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden,
+opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en
+zwak. En de menschen kenden elken toon.
+
+Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele
+gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche
+signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo
+lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de
+handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een
+krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.
+
+Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden,
+die valsch zingen.
+
+Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven
+gedaan hadden.
+
+Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele
+zuivere toon!
+
+Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven,
+dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom
+zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om
+hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?
+
+Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet
+nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om
+in een daverend gelach uit te barsten?
+
+Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!
+
+Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend
+onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.
+
+Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat
+zij niet zien kon.
+
+Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was,
+dat haar niet aanging.
+
+Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval
+op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels
+en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon
+zien schudden van 't lachen.
+
+Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen
+vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde
+van 't lachen en de zee glinsterde van pret.
+
+Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo
+gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij
+riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden
+zij zich niet laten ontgaan.
+
+En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.
+
+Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om
+haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij
+de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd
+in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren
+verslonden te worden.
+
+En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren,
+werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook
+bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf.
+
+Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende
+volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen,
+omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij
+bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was
+een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde
+en zij was bang.
+
+En zij lachten en lachten!
+
+Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw,
+gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was
+misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij
+behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....
+
+Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer
+uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara,
+bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn
+vrouw te worden.
+
+Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en
+trouwde met hem.
+
+Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed
+niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante
+zijn.
+
+Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat,
+maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.
+
+Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar
+zelf merkte men niets.
+
+Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet
+of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij
+de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche
+huisvrouw behoort te zijn.
+
+Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij
+paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot
+stand brengen, dat duurzaamheid bezit.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DE VERWORPELING.
+
+
+Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen
+hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover
+te betuigen.
+
+Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen
+naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde
+en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van
+Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille
+van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen
+te blijven.
+
+Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol
+reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster
+zou vertrekken.
+
+In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden,
+donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van
+het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor
+de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche
+signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.
+
+Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij
+was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.
+
+"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat
+geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den
+arm en werp mij in den Etna."
+
+De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks
+haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën
+willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven.
+
+"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht
+schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van
+Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad
+verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met
+haar, signora!"
+
+Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging
+met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht
+donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham
+sprak met signor Favara over zaken.
+
+Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om
+de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde
+zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat
+zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan
+u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken,
+indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde
+zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde
+zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor
+Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven,
+zou niemand dat kunnen.
+
+Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den
+ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij
+niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.
+
+"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote
+weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.
+
+"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!"
+
+Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij
+duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.
+
+Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had
+ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden
+menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers
+bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der
+helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt
+hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra
+Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder
+gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen,
+werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon,
+dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra
+Felice zeker niet gewoon.
+
+Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en
+verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij,
+trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van
+de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen,
+hadden heden tijd om aan fra Felice te denken.
+
+De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij
+was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den
+monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice
+staande hield.
+
+Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den
+grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen
+een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte
+niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen
+en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn
+cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd
+was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij
+fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?
+
+Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote
+Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de
+kerk van San Pasquale.
+
+Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster
+opgeheven en aan een koopman verkocht werd.
+
+De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij
+niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus
+te verkoopen.
+
+Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te
+noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef.
+
+Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden
+der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan
+de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een
+verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd
+gedaan had.
+
+De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde
+zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de
+groote wijngaarden, die er bij behoorden.
+
+Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster
+en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren
+witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen,
+ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice
+zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een
+rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster.
+
+Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in
+oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere
+wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.
+
+Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn
+gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.
+
+Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had
+moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het
+pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen,
+dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen
+en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij
+had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze
+kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde
+zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen.
+
+Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat
+niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over
+te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de
+verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.
+
+Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd
+haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn
+droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn
+verzoek toegestaan.
+
+Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen
+op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.
+
+Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten
+veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen
+geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen
+gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt
+van scheiden kon.
+
+Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en
+nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit,
+maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld.
+
+Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles
+wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.
+
+Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op
+dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.
+
+Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te
+spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.
+
+Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar
+te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien.
+
+Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen
+glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice."
+
+"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij
+nooit weer onder de oogen komen."
+
+Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er
+aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice,
+glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje,
+het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige
+steenen.
+
+Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege
+hoogaltaar van zijn kerk plaatste.
+
+
+
+Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan
+en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer
+vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de
+schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen
+boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In
+dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.
+
+Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem
+schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens
+dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen
+niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl
+de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het
+koord ongebonden op zijn rug.
+
+De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon
+danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter
+haast aansporen.
+
+De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef
+zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende
+hem niet.
+
+De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de
+hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat
+uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts,
+waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle
+hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter
+den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij
+bleef stilstaan.
+
+Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een
+poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte
+hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje
+riep de signora.
+
+"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet
+spreken."
+
+Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar
+adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op
+zijn wangen.
+
+Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur
+de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen.
+
+Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven
+het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld,
+maar het beeld was onbeschadigd gebleven.
+
+En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had
+niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd.
+
+Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem
+naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest
+het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming
+genomen had.
+
+En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn
+klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.
+
+Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken,
+vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag,
+en dat het een wonderdoener was.
+
+"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij.
+
+Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er
+bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring
+van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht
+heeft en welk niet.
+
+Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren,
+alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje
+speelde.
+
+Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn
+gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd
+verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling,
+dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen
+kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor,
+en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle
+heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk
+ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+HET OUDE PASSIESPEL.
+
+
+Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd
+vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te
+Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano,
+die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn
+levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat
+hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust
+van het graf zou schenken.
+
+Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het
+geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde
+hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt
+worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook
+niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat
+in te grijpen en te leiden.
+
+Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken
+zooals hij altijd gedaan had.
+
+Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat
+hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk
+zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven
+binnen vier muren.
+
+Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van
+hem ontving.
+
+Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of
+Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien
+zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de
+buitenwereld hooren.
+
+Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar
+spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante,
+maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide,
+en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen,
+die zij op haar bazaar wilde verkoopen.
+
+Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet
+Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde
+haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet
+haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en
+doosjes van schelpen maken.
+
+Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen
+op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze
+vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over
+zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.
+
+Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want
+hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.
+
+Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen,
+dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn
+hoofd en wees op zijn kalen schedel.
+
+"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg
+uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt."
+
+"Wát meent gij, fra Felice?"
+
+"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot
+plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?"
+
+"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice."
+
+"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als
+iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro
+moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand
+begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw
+spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden."
+
+'t Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen
+schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het
+gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en
+beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden,
+indien zij dit slechts deed.
+
+Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk
+beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.
+
+Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan
+en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor
+den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.
+
+'t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote
+van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale
+te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.
+
+In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit
+te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek
+aan geld hadden.
+
+Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met
+minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen
+bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.
+
+Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den
+lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte
+oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op
+het verguldsel der kronen.
+
+Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar
+in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te
+brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar
+een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen,
+dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd
+op dezelfde wijze hebben.
+
+Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging
+steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de
+twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso,
+die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.
+
+Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen,
+en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een
+zeer hooge betaling.
+
+Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.
+
+Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van
+geheel Diamante bleven weg van het theater.
+
+Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar,
+niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten
+weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don
+Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden.
+
+En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood
+dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er
+heen te gaan.
+
+Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen,
+alles weer zooals vroeger in te richten.
+
+Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en
+broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn
+familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond
+zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij
+kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij
+kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen,
+die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.
+
+En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet
+gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde
+dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de
+muzikanten.
+
+Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met
+prachtige monteering.
+
+Maar ook dat hielp niets.
+
+Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt
+en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele
+machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten
+moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.
+
+Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende
+een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.
+
+Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij
+behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.
+
+Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder
+Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard
+waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio
+een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een
+vergelijk komen.
+
+In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in
+een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.
+
+Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar
+nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte,
+maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet
+verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.
+
+Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den
+heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen
+voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar
+toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.
+
+"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat
+heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk
+binnen.
+
+Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd
+beeld en de groote collectebus.
+
+En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat
+donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem
+in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op
+haar knieën zonk om te bidden.
+
+En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit
+hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de
+groote bus, die naast hem hing.
+
+Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren
+en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien
+het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren,
+dat haar zeide, wat zij doen moest.
+
+Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de
+domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.
+
+En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:
+
+"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel
+hoorde."
+
+Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk:
+"het Passiespel."
+
+Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen
+konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig
+verlengd was.
+
+Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode
+lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij
+vele mijlen afgelegd had.
+
+Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn
+beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio
+aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen
+uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er
+door scheen.
+
+Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een
+verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn
+gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht
+hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan
+niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij
+het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.
+
+Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was
+nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had
+hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij
+had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan
+een idee ontbrak.
+
+Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:
+
+"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen
+vol koningsvijgen!"
+
+En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook
+zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.
+
+Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen
+vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een
+onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude
+Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude
+passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld
+werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende
+een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.
+
+Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel
+vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog
+slechts als een sage in de herinnering van het volk.
+
+In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters
+gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was
+het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.
+
+Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde
+met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon,
+die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop
+in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon
+zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm
+uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.
+
+Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte
+zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op
+gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er
+niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet
+denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden
+zij het oude passiespel ook niet liefhebben?
+
+Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het
+te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en
+witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal,
+en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht
+en de kruisiging.
+
+Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond
+viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws
+belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen,
+als het beeld hen wilde bijstaan.
+
+Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en
+tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.
+
+In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het
+oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had
+zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien,
+indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.
+
+Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden
+der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de
+rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes
+uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen
+dag duurde.
+
+Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven,
+toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het
+passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort
+de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en
+het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij
+een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een
+berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten
+van des sindaco's tuin.
+
+Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in
+don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar
+trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de
+tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.
+
+En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden
+schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd
+te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf
+had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde
+gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen:
+"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie
+bedrijven door cavaliere Filippo Orioles."
+
+Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming
+was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater
+gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel
+duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.
+
+Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was
+niemand ongeruster dan donna Micaela.
+
+"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond
+haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden
+er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden
+komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het
+loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.
+
+Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop
+geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen
+hadden besloten don Antonio te ruïneeren.
+
+Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij
+overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel
+dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater,
+maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote
+vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.
+
+Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten
+voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.
+
+Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela,"
+zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio
+zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste
+treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft."
+
+Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed
+was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude
+passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen,
+met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek
+bekleed.
+
+Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don
+Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de
+coulisse.
+
+"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken
+geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen
+toeschouwers noodig."
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend
+de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen
+te laten.
+
+"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij
+begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd
+in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was,
+dat mij tot priester gemaakt heeft."
+
+Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en
+broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen
+opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met
+don Antonio.
+
+De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg
+tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed
+en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.
+
+Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.
+
+Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand
+het theater vulden.
+
+Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer
+zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde,
+eigenzinnige knapen.
+
+Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of
+een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden
+allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op
+hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.
+
+Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het
+niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in
+hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun
+onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters
+was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen
+gestormd.
+
+Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten,
+of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O,
+het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in
+Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo,
+het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke
+gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht
+nog niet verloren.
+
+Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het
+avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.
+
+Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.
+
+Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden
+af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine
+oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in
+de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.
+
+Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield
+op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine
+poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot
+priester gemaakt had.
+
+Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen
+zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij
+waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich
+nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+DE DAME MET DEN IJZEREN RING.
+
+
+Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij
+in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast
+het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat
+donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd,
+maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had
+zij dezelfde wijs gezongen.
+
+"Ik heb een lok geknipt van mijn haren," zoo zong ze. "Ik heb mijn
+glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn
+haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd
+is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit
+meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden
+om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen
+omstrengelen."
+
+Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof
+het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te
+voorspellen, dat haar wachtte.
+
+
+
+Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van
+de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden
+op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein
+aanglijden op nieuwe glinsterende rails. 't Was een feesttrein. Er
+wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de
+zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden
+jubelende menschen. "Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe
+spoorweg!" riepen ze.
+
+Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.
+
+En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den
+koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg.
+
+"Verlang een gunst van ons, vorstinne!" zei de koning, haar aansprekend
+met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona's vroeger
+gevoerd hadden.
+
+"Sire," antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, "schenk de
+vrijheid aan den laatsten Alagona!"
+
+En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen
+op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had,
+die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.
+
+
+
+Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed,
+zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien
+had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg
+zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte
+zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar
+zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te
+Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong
+zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel
+ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen
+en den hals van den gevangene.
+
+O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen
+werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken
+om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich
+niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat
+zij hem geen oogenblik vergete!
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+FRA FELICE'S TESTAMENT.
+
+
+Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor
+de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen
+queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was
+het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang,
+en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het
+geliefde treurspel te zien.
+
+Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor
+dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.
+
+Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde
+en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus
+van het kleine beeld.
+
+In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen
+gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige
+wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.
+
+"Hebt ge gehoord, donna Elisa," zei men, "dat don Antonio Greco
+geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij
+beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela's
+spoorweg?"
+
+Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht
+alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.
+
+Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen,
+die het beeld reeds verricht had.
+
+"Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk,
+als het zulk een groote wonderdoener is," zei donna Elisa.
+
+Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende
+zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon
+zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.
+
+Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de
+eenige der oude Alagona's die nog in Diamante woonde. De menschen
+richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa
+het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben
+willen helpen.
+
+Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar
+schoonzuster wilden bijstaan.
+
+Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan
+gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela
+en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een
+zondaar, gekweld door gewetenswroeging.
+
+Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in
+deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.
+
+"Donna Micaela is geen vrouw van den Etna," zei zij tot zich zelf. "Ze
+houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit."
+
+Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar
+voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren
+lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.
+
+Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar
+gedachten terug.
+
+"Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona's te versieren
+op San Sebastiaans feest," dacht zij. "Zij wilde zeker niet dat de
+heilige Gaetano zou helpen."
+
+Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag
+een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën
+en altaarstukken in breede vergulde lijsten.
+
+Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het
+kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige
+moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te
+leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met
+muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.
+
+Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de
+rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen,
+naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden,
+die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de
+stad gekomen?
+
+Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam
+er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken
+zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk
+hangt tot nagedachtenis der dooden.
+
+Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat
+er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.
+
+De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een
+theater zou veranderen.
+
+Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. 't
+Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde
+toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad
+voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou
+verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men
+zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch
+zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken;
+men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.
+
+Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat
+er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo
+goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.
+
+Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel
+aangenomen.
+
+Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille
+en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote
+haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.
+
+Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden
+dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?
+
+Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange,
+leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de
+breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen,
+een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat
+waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo
+hard zij slechts konden.
+
+"Wat is er te doen?" vroeg donna Elisa.
+
+"Ze willen ons onze kerk ontnemen," jammerden de kinderen en
+tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want
+de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.
+
+In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio's echtgenoote,
+donna Concetta.
+
+"Ach, donna Elisa," zei ze, "nooit in uw leven hebt ge zoo iets
+vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan."
+
+Maar donna Elisa ging verder.
+
+In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar
+in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een
+grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.
+
+"Mijn God," zei donna Elisa en vouwde haar handen, "ze breken Sor
+Arrigo los."
+
+En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen
+had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost
+te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu
+werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot
+grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart
+marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep
+over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men
+placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.
+
+"Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?" dacht donna Elisa. En
+door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor
+waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden
+Jezuïet aan te raken.
+
+Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister
+en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna
+gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met
+medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest,
+dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van
+zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.
+
+De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich
+verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen
+en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa
+en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at
+bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers,
+blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren
+er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het
+zonnelicht zien.
+
+Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van
+hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te
+vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.
+
+En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor,
+don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen
+om de bedroefden te troosten.
+
+Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze
+menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk
+een ellende treffen?
+
+Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen
+hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer,
+don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.
+
+Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.
+
+"Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa," zei het oude
+vrouwtje. "Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door
+de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan
+den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer,
+alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik
+strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën,
+toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje,
+dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.
+
+"Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui,
+niets, niets was er."
+
+"Och, arme!" zei donna Elisa.
+
+"Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. "Wat doet ge met
+Sor Arrigo?" riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de
+nis van Sor Arrigo kwam.
+
+"Wij moeten hem wegvoeren," antwoordde men mij.
+
+"Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand
+en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij
+mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze
+kerk voor een theater!
+
+"Waar is pater Succi?" vraag ik eindelijk. "Is pater Succi nog
+hier?" En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen
+geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en
+bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet
+meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij."
+
+"De pastoor zal jelui een andere kerk geven," zei donna Elisa.
+
+"Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen,
+dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons
+een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen
+van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.
+
+"Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even
+rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags
+telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen
+dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.
+
+"Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we
+niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen."
+
+Donna Elisa's hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over
+stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen
+aandeed.
+
+Toen ging donna Elisa naar don Matteo.
+
+"Uw Hoogeerwaarde," zei ze, "heeft u gesproken met den sindaco?"
+
+"Ach, ach, donna Elisa," zei don Matteo. "'t Is beter, dat gij beproeft
+met hem te spreken, dan dat ik het doe."
+
+"Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit
+hooren spreken over de blinden."
+
+"Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest
+en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat
+hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.
+
+"Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad
+kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de
+mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd
+worden."
+
+Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde
+man kwam binnen.
+
+"Vader Elisa," fluisterde men. "Vader Elisa."
+
+Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in
+deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een
+langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.
+
+Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats
+en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar
+vader Elisa om met hem te spreken.
+
+"Vader Elisa," zei ze, "ge moest naar den sindaco gaan." De
+grijsaard herkende donna Elisa's stem en hij antwoordde met zijn
+grove oudemannenstem:
+
+"Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge
+dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?"
+
+Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met
+hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. "Ik heb hem
+verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten
+reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het
+recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen
+te beoordeelen.
+
+"En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en
+dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat
+zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem,
+dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een
+wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende,
+omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.
+
+"Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude
+gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe
+dichten.
+
+"Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het
+edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde
+laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem
+dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat
+de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons
+wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?
+
+"Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons
+veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun
+niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning,
+dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in
+Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document."
+
+"Wat antwoordde hij toen?"
+
+"Hij lachte mij uit."
+
+"Kan geen der andere raadsleden u helpen?"
+
+"Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen
+van Pontius naar Pilatus gezonden."
+
+"Vader Elisa," zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, "hebt ge
+vergeten de heiligen aan te roepen?"
+
+"Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en
+Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts
+bij naam kende."
+
+"Gelooft gij, vader Elisa," zei donna Elisa en zij liet haar stem nog
+meer dalen, "dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde
+geld te geven voor donna Micaela's spoorweg?"
+
+"Ik heb geen geld te geven," zei de grijsaard moedeloos.
+
+"Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa," zei donna Elisa,
+"nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld
+beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen
+zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden
+bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij
+weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven,
+vader Elisa. Een belofte kost niets."
+
+"Ik wil beloven wat gij slechts wilt," zei de grijsaard.
+
+Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep
+dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten
+te worden.
+
+"Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?" zei ze.
+
+"Doe gelijk gij wilt, donna Elisa," zei de grijsaard.
+
+
+
+Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur 's morgens opgestaan en zijn
+kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen
+hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den
+zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.
+
+Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk
+als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond
+veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen
+de stralen fra Felice's oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze
+rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den
+baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak,
+evenals fra Felice zelf.
+
+"Wij zien er uit als jonge knapen," dacht de grijsaard. "We hebben
+nog vele jaren te leven."
+
+Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een
+beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale
+hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik
+werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij
+gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan
+den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem
+weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich
+naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich
+in zijn pij wikkelde.
+
+'t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: "Nu heb ik je
+noodig, fra Felice."
+
+Hij knikte terug. "Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden."
+
+Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra
+Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te
+voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het
+beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.
+
+Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen
+had om hem vaarwel te zeggen.
+
+Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde
+hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het
+niet aanging zoo uit het leven te glijden.
+
+'t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem
+keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij
+had immers niemand om hen te halen.
+
+Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer
+en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. 't Was alsof hij
+geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn
+pij wikkelen.
+
+Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen
+was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.
+
+Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden
+geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela's zaak
+bevorderd zou worden.
+
+Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen
+en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.
+
+Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. "Ik moet
+sterven," zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei:
+"Ik ga sterven."
+
+Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.
+
+"Ga hier zitten," zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw
+het stof van den grond te wisschen.
+
+Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde
+halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.
+
+"Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa."
+
+'t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar
+adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.
+
+Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op
+in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol
+vuur en zonder eenige moeite.
+
+"Donna Elisa," zei fra Felice, "ik heb een erfenis weg te schenken. 't
+Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien
+ik die zou nalaten."
+
+"Fra Felice," zei donna Elisa, "wees daarover niet bezorgd. Er is
+geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan."
+
+Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij
+over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor
+hem was geweest.
+
+"Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca
+te maken?" zei hij.
+
+"Ja, dat is een groote gave," zei donna Elisa.
+
+"Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave,"
+zei fra Felice. "Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven
+werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. 't Is alsof men een
+zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen,
+het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet
+en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor
+een armen monnik, donna Elisa."
+
+Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd
+geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden
+vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.
+
+"Als ik langs den weg kwam in zonnehitte," zei fra Felice, "kwam
+de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl
+hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten
+tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele
+steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben
+nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in
+het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. 't Is
+een goede gave geweest, donna Elisa."
+
+"Ja, dat is waar," zei donna Elisa.
+
+"En 't is geen harde arbeid geweest," zei fra Felice.
+
+"Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten
+dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei
+en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa,
+het was een Godsgave."
+
+"Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice," zei donna Elisa.
+
+Fra Felice glimlachte: "Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag,
+als de trekking pas geweest is," zei hij. "Maar Donderdags en Vrijdags
+en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de
+loting is."
+
+Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets
+anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen
+in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde
+zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij
+wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.
+
+"Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice."
+
+"Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo
+moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik
+haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen,
+die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het
+geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?"
+
+"Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?"
+
+"Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel."
+
+Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde
+heftig.
+
+"Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster
+verloren hebben," fluisterde hij.
+
+En na een tijdje vervolgde fra Felice: "Ik zou het ook wel gaarne
+willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons
+allen waakt."
+
+"Zijt gij zoo rijk, fra Felice?" vroeg donna Elisa.
+
+"Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel."
+
+Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:
+
+"Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa."
+
+Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak
+rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.
+
+"Ziehier, donna Elisa," zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij
+stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar
+overreikte. "Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van
+Diamante."
+
+"Hier, donna Elisa," zei fra Felice, "hier zijn de vijf cijfers,
+die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard
+geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan
+de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws
+aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn
+testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers,
+een heele quinterne, donna Elisa."
+
+Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te
+geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet
+vele oogenblikken meer te leven.
+
+"Als het nu Zaterdag is," zei fra Felice, "zullen er velen aan fra
+Felice denken.
+
+"Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?" zullen zij vragen. "Kan
+het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?"
+
+"Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te
+Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel
+naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine,
+aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer
+wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn,
+alle honderd.
+
+"Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van
+verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.
+
+"En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol
+spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd
+hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste
+hoop te koesteren.
+
+"Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa,
+zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want
+zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede
+cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren
+van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. "Heden
+winnen zij niets," zullen zij zeggen, "heden maakt de staat een goede
+winst." Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het
+rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.
+
+"Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij
+zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt,
+men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men
+is rijk. Geheel Diamante is rijk..."
+
+Donna Elisa had fra Felice's hoofd met haar arm gesteund, terwijl
+hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar
+achterover. De oude fra Felice was dood.
+
+
+
+Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele
+menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep
+getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land,
+maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa
+Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier
+honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij
+naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.
+
+Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen
+was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden
+gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was
+een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan,
+maar niet toegegeven.
+
+Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de
+vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen
+zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich
+terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden
+niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.
+
+Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het
+testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al
+de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening
+in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij
+had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden
+bijstaan.
+
+Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet
+alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de
+gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het
+volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten,
+zouden ze verpanden en verkoopen.
+
+De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en
+vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden
+te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen
+dag lastig gevallen was door allerlei menschen.
+
+"Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?" zei hij. Donna
+Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.
+
+Toen vertelde zij hem van het testament.
+
+De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.
+
+"Dat is zeer interessant," zei hij en strekte de hand uit naar
+het papier.
+
+Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:
+
+"Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw
+voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?"
+
+"Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van
+een stervende."
+
+Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament
+het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.
+
+"Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten
+bijeenkomen, behoort ook tot de dooden," sprak zij nu.
+
+"Signora Antonelli, begint gij ook hierover?" zei de sindaco heel
+vriendelijk. "'t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij
+vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu
+het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan
+ik niet."
+
+"Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?"
+
+"Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster,
+maar zulk een klooster bestaat niet meer.
+
+"En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?"
+
+"Men zou u liefhebben als een goeden man."
+
+"Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen
+er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een
+of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te
+houden. Morgen zal het vergeten zijn."
+
+"Morgen!" zei donna Elisa. "Nooit zullen wij het vergeten."
+
+De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk
+van Diamante beter te kennen dan zij.
+
+"Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?" vroeg hij.
+
+"Ja, dat geloof ik, signor sindaco."
+
+Toen glimlachte de sindaco weer. "Geef mij dien brief eens, signora."
+
+Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken.
+
+"Ik wil u zeggen," sprak hij, "dat ik juist nu verneem, dat de oude
+fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij
+heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de
+loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog
+gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is."
+
+Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen
+hij gezegd had.
+
+En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: "De cijfers, de cijfers!"
+
+De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.
+
+"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten
+kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen.
+
+"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen
+verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds
+zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat
+iemand het gelezen heeft."
+
+"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!"
+
+"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof
+ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden."
+
+Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in
+de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de
+leuning vast.
+
+"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij
+het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?"
+
+"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook
+in de toekomst de armoede dragen."
+
+"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een
+andere.
+
+De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan
+en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk
+toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.
+
+De kerk der blinden was gered.
+
+"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen
+gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers
+verbranden! Dat is een wonder."
+
+
+
+'s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij
+zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd
+was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een
+arme, oude, verlaten vrouw.
+
+Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer
+insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar
+moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en
+het bedierven.
+
+Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor
+altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.
+
+De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan
+twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.
+
+De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben,
+dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden
+waren door een wonder.
+
+Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna
+Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en
+donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu
+binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna
+Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken.
+
+Donna Micaela was overgelukkig.
+
+"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!"
+
+"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!"
+
+"Donna Elisa!"
+
+"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat
+zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze
+u liefhebben."
+
+Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen
+waarom donna Elisa kwaad op haar was.
+
+"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur
+hart drukte:
+
+"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht
+tegen me waart."
+
+"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?"
+
+"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad,
+terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te
+verwijten indien hij thuis was."
+
+Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.
+
+"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een
+zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd.
+
+"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel
+onmogelijk hem niet lief te hebben.
+
+"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang
+voor hem ben.
+
+"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben."
+
+"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af.
+
+Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.
+
+"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij
+had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen,
+en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge
+boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem
+te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen."
+
+Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers
+nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist
+een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel
+om haar heen slaan.
+
+"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij.
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+NA HET WONDER.
+
+
+Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de
+Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude
+blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij
+waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun
+kruk naast zich liggen.
+
+Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten,
+wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van
+deze heerlijke, oude academie.
+
+Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de
+geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten,
+maar spoedig was alles weer rustig en stil.
+
+De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op
+om nieuwe gedichten voor te dragen.
+
+"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van
+hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft
+u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee
+lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten
+van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel.
+
+"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij
+zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn,
+die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen
+zij verlangt."
+
+"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij
+staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van
+blik en zijne diamanten zijn van glas.
+
+"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel
+voor mij, gij ellendigen.
+
+"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe
+hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en
+als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden
+schoentjes dragen, met paarlen versierd."
+
+En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het
+aangenomen of verworpen.
+
+De blinden gingen met groote strengheid te werk.
+
+Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg
+in het hart van het volk.
+
+
+
+Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te
+geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd
+lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de
+stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden
+niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram.
+
+"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t
+Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt.
+
+"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg
+zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze
+goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen."
+
+Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle
+inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel
+ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein
+stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet
+zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden.
+
+Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was
+niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden
+ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de
+meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende.
+
+Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname
+heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de
+spoorweg wel tot stand komen.
+
+Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel
+voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den
+Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen
+was, en hem vrij over hun grond laten gaan.
+
+Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een
+spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante
+en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te
+maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was
+niet zoo moeilijk.
+
+Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan
+te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna
+Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op
+den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven
+voor den nieuwen spoorweg.
+
+Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers
+niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament,
+dat hen met heiligen waanzin vervulde.
+
+Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg!
+
+Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de
+concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur.
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+EEN JETTATORE.
+
+
+In Catania leefde eens een man met "het booze oog", een jettatore. Van
+alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest.
+
+Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het
+beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in
+het geheel niet.
+
+Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename
+gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie,
+oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren,
+dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje,
+dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde
+handen was terechtgekomen.
+
+Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe
+oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den
+jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken.
+
+Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk.
+
+Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël.
+
+Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone
+jettatore.
+
+Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan
+dat men zich brandt aan een netel.
+
+Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind
+is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij
+ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds
+met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje
+komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte
+in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en
+haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets.
+
+Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls
+treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf
+denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed
+te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die
+priester zijn.
+
+Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele
+schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad
+stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten,
+hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier
+huwelijk zij inzegenen.
+
+Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen
+aanleggen.
+
+Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch
+niet weten, dat hij een jettatore was.
+
+Maar, o, welk een ellende, welk een ellende!
+
+Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets
+dan ongelukken.
+
+Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats,
+als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer.
+
+Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door
+de rondvliegende steenen.
+
+De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore.
+
+Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen
+hun vingers en ledematen.
+
+"Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal," zeiden ze.
+
+Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den
+minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te
+verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar
+beter bij het werk opletten. 't Was aan hun eigen onvoorzichtigheid
+te wijten, dat er ongelukken geschiedden.
+
+En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven
+ontploften.
+
+Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was
+verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was.
+
+Had iemand hem soms vermoord?
+
+O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden!
+
+Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was.
+
+Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan
+haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een
+bazaar houden in het groote Franciscanerklooster.
+
+Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude
+zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor
+ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van
+Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn
+rondom de kloosterbron opstapelen.
+
+Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met
+den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van
+het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo
+door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder
+tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar
+tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij
+een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer
+cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten.
+
+"Nu ben ik een gevangene," zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze
+voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor
+de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te
+zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van
+het graf!
+
+"Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene," dacht zij.
+
+Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat
+Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij
+kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij
+kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen.
+
+Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En
+niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen
+cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig
+van angst worden.
+
+Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren
+van angst.
+
+O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou
+ze roepen!
+
+Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen,
+zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten.
+
+En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen,
+en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden.
+
+Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half
+uur in de cel geweest.
+
+O, waarom kwam hij toch niet?
+
+Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen
+Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest?
+
+Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf
+minuten in de cel.
+
+O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano's
+leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven
+zich zag.
+
+Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo
+haar een raam met luiken en groene gordijnen.
+
+"Woont daar iemand?" vroeg zij.
+
+"Ja, donna Micaela."
+
+Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan
+'s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak.
+
+"Is hij krankzinnig?" vroeg donna Micaela.
+
+"O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt,
+dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering."
+
+Donna Micaela stelde veel belang in dezen man.
+
+"Hoe heet hij?" vroeg ze.
+
+"Ik noem hem signor Alfredo."
+
+"Hoe krijgt hij eten?" vroeg zij hem.
+
+"Ik kook voor hem," zei Gandolfo.
+
+"En kleeren?"
+
+"Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften
+bezorg."
+
+Donna Micaela zweeg een tijdlang.
+
+"Gandolfo," zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand
+hield, "leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je
+ongelukkigen gevangene!"
+
+Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan
+den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een
+bloem of een vrucht.
+
+'t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. 't Gelukte
+haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit
+alles zond.
+
+Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna
+Micaela 's morgens reeds vroeg in het klooster.
+
+"Gandolfo," zei ze, "ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of
+hij vanavond op het feest wil komen."
+
+Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug.
+
+"Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela," zei de
+knaap. "Hij wil gaarne komen."
+
+Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven
+vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen.
+
+Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den
+kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd
+geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een
+aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. "Daar
+is hij, donna Micaela," zei Gandolfo.
+
+Zij was gelukkig. 't Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En
+meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit
+niet begrijpen.
+
+Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze
+overwoog, hoe zij zich 's avonds zou kleeden. 't Was alsof zij Gaetano
+verwachtte.--
+
+Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te
+droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename
+wederwaardigheden.
+
+Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone.
+
+
+ Waarde vriendin, donna Micaela,
+
+ Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan
+ te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn
+ toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat
+ ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen.
+
+ Hooggeboren en edele signora, ik verblijf
+
+ uw nederige dienaar,
+ Falco Falcone.
+
+ P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven.
+
+
+Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar
+alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar
+heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar.
+
+Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo,
+bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen.
+
+Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava,
+dan asch en dan weer lava.
+
+Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het
+aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een
+spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er
+verstand van had.
+
+Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan.
+
+Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk
+daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws.
+
+Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen
+woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze
+hoorden van den spoorweg.
+
+Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna,
+hadden ze gezegd.
+
+De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen
+spoorweg van zich afslingeren.
+
+En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die
+gelegd was.
+
+Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van
+haar doel.
+
+"Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?" zei
+ze mismoedig.
+
+En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. 's
+Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden,
+had het nog niet zoo geregend in Diamante. 't Was alsof de wolken op
+de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten
+op straat liep, was men doornat.
+
+Tegen zes uur, toen donna Micaela's bazaar geopend zou worden, regende
+het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar
+geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen
+en bedienen.
+
+Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al
+dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht?
+
+Donna Micaela's blikken vielen op een vreemden man, die tegen een
+pilaar leunde en haar beschouwde.
+
+Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore
+van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen.
+
+Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe.
+
+"Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem
+voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan
+wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij
+moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven
+verwoestte.
+
+Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling
+stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen.
+
+Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij
+het Christusbeeld.
+
+Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had
+zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold
+was voor Gaetano's voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten.
+
+Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet.
+
+Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En 't was slecht
+van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier
+te verwijderen.
+
+Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het
+Christusbeeld.
+
+Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde
+zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij
+gevangen zat, hij evenals Gaetano.
+
+Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat
+wilde zij nu doen?
+
+Hem weer in de gevangenis zenden?
+
+Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden
+keer zijn, dat zij...
+
+Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf.
+
+Eindelijk begon de jettatore te spreken.
+
+"Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?"
+
+Donna Micaela maakte een ontkennende beweging.
+
+"Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?"
+
+"Ik begrijp u niet, signor."
+
+"Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks
+overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen."
+
+"Ik ben zeer moede," zei donna Micaela ontwijkend.
+
+Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De
+vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend.
+
+"Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?"
+
+"Dan doen we het morgen weer over."
+
+"Hebt ge mij dan niet herkend?"
+
+"Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien."
+
+"En gij zijt niet bang voor den jettatore?"
+
+"Ja, vroeger als kind."
+
+"Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?"
+
+Zij ontweek hem te antwoorden.
+
+"Zijt ge zelf bang?" vroeg ze.
+
+"Zeg de waarheid!" zei hij ongeduldig. "Wat wildet gij mij zeggen,
+toen gij mij hierheen voerdet?"
+
+Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest
+hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die
+haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld.
+
+"Eischt gij dit van mij?" scheen ze hem te vragen.
+
+"Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk
+met mijn eenige hoop te vernietigen."
+
+"Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u
+verzoeken wilde," zeide zij.
+
+"Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt."
+
+"Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?"
+
+"Ja, dat weet ik."
+
+"Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?"
+
+"Ik! Ik!"
+
+Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te
+vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het
+hem vroeg.
+
+"Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel,
+dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter,
+dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt
+slechts uw tijd."
+
+Hij keek haar bijna streng aan.
+
+"Weet ge, wat ge daar zegt?"
+
+"Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek."
+
+"Ja juist, een vermetel verzoek."
+
+Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil,
+dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam.
+
+"Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest."
+
+Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij
+had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan,
+goed te zijn.
+
+"Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn," zei ze beslist.
+
+"Hoor naar mij, donna Micaela," zei de jettatore.
+
+"Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men
+kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen."
+
+"Neen, waarom zou men dat ook doen?"
+
+Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen.
+
+"Toen ik eerst over de zaak begon te denken," zei hij, "troostte ik
+mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij
+zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand
+een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het
+kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken,
+en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood,
+aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf
+niet te gelooven."
+
+"Het is zoo ongerijmd," zei donna Micaela.
+
+"Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te
+stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar
+niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door
+den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen
+ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was,
+en alle gasten ontsteld waren.
+
+"Wat is er gebeurd?" vroeg ik.
+
+"Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een
+ellende!"
+
+"Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang
+met menschen.
+
+"Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers
+geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad
+doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven?
+
+"Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik
+fra Felice in een der gangen ontmoette.
+
+"Fra Felice, waar is de kat?"
+
+"De kat, signor?"
+
+"Ja, de kat van 't klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?"
+
+"Zij is in een rattenval geraakt."
+
+"Wat zegt u, fra Felice?"
+
+"De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet
+bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van
+honger gestorven."
+
+"Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?"
+
+"Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?"
+
+"Ik ben immers een jettatore."
+
+Zij trok de schouders op. "Ach, welk een dwaasheid!"
+
+"Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij
+om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op
+dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf
+gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen.
+
+"'t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn
+zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te
+trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten,
+de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water.
+
+"En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één
+dag getroffen hadden.
+
+"Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik.
+
+"Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?--Palmeri--
+
+"O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend."
+
+"Ja, 't is waar, ik heb u herkend."
+
+"Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd,
+dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre
+van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden."
+
+"Waarom zoudt gij u daar verre van houden?"
+
+"Ik ben immers een jettatore."
+
+"Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven."
+
+"Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge,
+dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die
+even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf?
+
+"Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij
+toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof
+het dus zelf."
+
+"Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u
+daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer."
+
+"Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?"
+
+"Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt."
+
+Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen.
+
+"Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien."
+
+"Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?"
+
+"Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn."
+
+"Beteekent die spoorweg iets voor u?"
+
+"Die beteekent leven en geluk voor mij."
+
+"Hoezoo?"
+
+"Die moet iemand winnen, dien ik liefheb."
+
+"Zeer lief?"
+
+Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik.
+
+Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep,
+dat hij den zoom van haar kleed kon kussen.
+
+"Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien
+ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!"
+
+"Maar ge moet mij dienen," zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn
+ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar
+deren zou.
+
+Hij sprong op.
+
+"Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen
+wanneer ik naar u zie."
+
+"O, waarom niet?"
+
+"Beproef het!"
+
+En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede
+voelde zij zich onzeker.
+
+Maar toen dacht zij: "Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het
+zeker wel." En toen ging het ook.
+
+Zij liep heen en weer.
+
+"Zal ik het nog één maal doen?" Hij knikte.
+
+Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op:
+
+Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij
+wil helpen.
+
+Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe.
+
+"Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?"
+
+"Ben ik dat niet?"
+
+"Neen, neen!" zij greep hem bij den arm en schudde dien. "Begrijpt
+ge dan niet, ziet ge dan niet? 't Is van u genomen."
+
+De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk.
+
+"Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen,
+donna Micaela! Waar zijt ge?"
+
+"Regent het dan niet meer?" zei de jettatore met onzekere stem.
+
+"'t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld
+heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen
+dienen."
+
+De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht.
+
+"'t Is weg. 'k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij,
+maar nu..."
+
+Weer wilde hij knielen voor donna Micaela.
+
+"Dank mij niet," zei zij. "Maar hem, hem!" en zij wees op het
+Christusbeeld.
+
+Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder
+snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en
+verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had.
+
+Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En
+hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch.
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+HET PALEIS GERACI EN HET PALEIS CORVAJA.
+
+
+In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang
+voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante
+twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het
+palazzo Corvaja.
+
+De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de
+kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden
+hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken.
+
+De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom
+een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid
+was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde
+naar de tweede verdieping.
+
+Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte
+plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met
+zuilen versierde loggia's.
+
+De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer
+en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters,
+maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er
+waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt
+konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren,
+dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn.
+
+De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van
+hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op
+de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor
+goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek
+geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen.
+
+Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke
+zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan
+de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo.
+
+Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende
+de gansche bouwperiode.
+
+Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja
+versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis
+Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het
+palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer
+met wit ingelegd.
+
+Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een
+dakterras met hooge vazen op de balustrade.
+
+Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet
+tusschen de families die ze gebouwd hadden.
+
+De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen
+aan allen, die daarin woonden.
+
+Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja.
+
+Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde
+Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar
+Napels om voor Robert en Johanna te strijden.
+
+Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci
+een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door
+een goed huwelijk.
+
+De beide geslachten konden nooit tot rust komen.
+
+Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om
+strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels,
+niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar
+ook waren.
+
+De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen
+bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen.
+
+Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude
+bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet
+overstraald zou worden.
+
+'t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen,
+opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen.
+
+Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening
+met de galons der livreien en met het tuig der paarden.
+
+De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan
+die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate
+vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen
+hebben als die van Corvaja.
+
+Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen
+beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in
+het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere.
+
+Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel
+ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de
+hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd
+en gebroken.
+
+In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de
+andere is een schoenmakerswerkplaats.
+
+De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den
+kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde
+menschen.
+
+En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter.
+
+Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote
+zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven.
+
+Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte
+in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde
+vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel.
+
+Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet
+geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele
+geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren
+en onderhoorigen.
+
+Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt
+er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad,
+die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat,
+scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft.
+
+Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje
+van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten
+drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen.
+
+San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna
+de schutspatrones van Corvaja is.
+
+Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel
+Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven.
+
+Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci
+niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven.
+
+Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de
+bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen
+kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken.
+
+Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren
+naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan,
+dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was.
+
+Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello
+geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door
+een spoorweg wilde bedwingen.
+
+Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te
+gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen,
+die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal.
+
+Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd
+wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren.
+
+Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de
+citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken
+aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg
+op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren,
+sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld
+met steenen.--
+
+--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van
+den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge
+huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen
+kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen
+in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden
+gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van
+het paleis Corvaja.
+
+Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig
+waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het
+was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder,
+koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere
+heerlijkheden van Corvaja.
+
+Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart
+gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel
+verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch
+zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten.
+
+Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en
+keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen
+te spreken. Zij vertelde hun sagen.
+
+"Er was eens," zei ze.
+
+Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich
+in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes'
+soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te
+dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat
+eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen
+koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze
+kapot wilde slaan.
+
+Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar
+heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat
+de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen
+bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar
+huis gingen.
+
+Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om
+te luisteren.
+
+De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove,
+zwarte mantels en slappe hoeden.
+
+Plotseling zei de oude dame tot de kinderen:
+
+"Houdt ge van het Christuskind?"
+
+"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden.
+
+"Zoudt ge het gaarne willen zien?"
+
+"Ja, ja," riepen de kinderen.
+
+De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein
+Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het
+hoofd en gouden schoentjes aan de voeten.
+
+"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen."
+
+De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het
+ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe.
+
+"Is hij niet schoon?" zei de oude dame.
+
+"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen.
+
+Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen,
+zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken.
+
+De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te
+verbergen.
+
+"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man.
+
+De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen
+tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich
+slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om
+het beeld aan het volk te toonen.
+
+"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet
+tot wonderen dwingen."
+
+Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het
+beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd
+te worden.
+
+Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen
+in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich
+zou winnen.
+
+Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over
+haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het
+beeld nam.
+
+"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God,
+neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine
+stukjes hakken.
+
+"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop.
+
+"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte
+Madonna."
+
+Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze
+kon noch vluchten, noch zich verzetten.
+
+"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!"
+
+Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart
+gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond
+het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't
+Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor
+zij altijd zoo bang was.
+
+Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok
+het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit.
+
+"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede
+tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt."
+
+Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den
+donkeren arbeider toe.
+
+Hij wendde zich naar zijn kameraden.
+
+"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend.
+
+En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten.
+
+Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade,
+die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief
+de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag,
+die in eens het gehate beeld zou verpletteren.
+
+Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd.
+
+"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug.
+
+Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst.
+
+Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was.
+
+"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!"
+
+"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij.
+
+Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut,
+die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het
+waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten.
+
+De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem
+dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was,
+maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder,
+en sprong de trede van het terras op.
+
+De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen
+de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en
+zei haastig:
+
+"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn
+zijde staan."
+
+Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met
+de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den
+vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij
+mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden.
+
+Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen,
+die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend
+tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde
+uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen
+van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas.
+
+"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt
+niemand meer aan ons."
+
+Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij
+schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men
+kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar
+leven te verliezen.
+
+Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel
+nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong
+meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is
+een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht.
+
+Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw.
+
+"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa.
+
+De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.
+
+"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!"
+
+'t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de
+werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan.
+
+De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te
+krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen.
+
+"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers
+wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was,
+maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert
+Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta,
+die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het
+niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten
+slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco
+heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen.
+
+"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend.
+
+Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja.
+
+"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den
+karabinier gesloten.
+
+"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het
+niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek
+bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons
+het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen
+dat haar kind op het kerkhof lag.
+
+"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik
+keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het
+luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar.
+
+"Francesco," antwoordde zij dadelijk.
+
+"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en
+ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad
+binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij
+en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij
+zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want
+het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van
+Ninetta. Marcia heeft er geen recht op."
+
+Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem,
+die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts
+weinige maar edele gebaren.
+
+"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en
+kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet
+genomen had.
+
+"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het
+kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen
+lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden."
+
+De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den
+karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier
+te merken, dat hem de zege zou geworden.
+
+Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.
+
+"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal
+je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van
+Ninetta."
+
+Piero wendde zich tot donna Micaela.
+
+"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld.
+
+Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde
+voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden
+van inmenging.
+
+"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft."
+
+De vrouw zag haar ontsteld aan.
+
+"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk
+als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen,
+als je het niet wilt."
+
+"Hij zal mij dooden," zei Marcia.
+
+"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt,"
+zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij.
+
+Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia
+met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige
+ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij,
+maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog
+eens, nu klonk het als een doordringende kreet.
+
+"Het kind is van mij."
+
+"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het
+kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar,
+dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was
+ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam,
+zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God,
+indien het mijn kind was geweest!
+
+"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat
+Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij
+deed, gelijk ik wilde.
+
+"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:
+
+"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden
+geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed,
+en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij
+leefden als in een paradijs."
+
+Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op
+den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem
+en hij vervolgde stil zijn weg.
+
+Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den
+karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de
+ongelukkige vrouw te beschermen.
+
+Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:
+
+Die vrouw staat buiten de wet.
+
+De een na den ander ging weg.
+
+Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets
+geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem
+tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn,
+zou er iets ontzettends gebeuren.
+
+En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om
+haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de
+zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen
+veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond
+voor zijn toornigen meester.
+
+De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer
+van haar man beleedigd hebben.
+
+De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit
+zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero,
+indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een
+edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht
+gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge
+u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik
+u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het
+kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws
+middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou
+zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond.
+
+
+
+Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw
+hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden
+door een ondoordringbaren muur.
+
+Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij
+keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en
+zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij
+dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen
+had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg.
+
+Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken
+zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend,
+maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste
+heengegaan was.
+
+Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld
+en legde het in Marcia's armen.
+
+"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze.
+
+De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was
+alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen
+zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich
+gereedmaakt tot een sprong.
+
+Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen.
+
+De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde.
+
+Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man
+bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En
+zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de
+gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende
+over hem te brengen.
+
+"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je
+naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde
+naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men
+begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar.
+
+Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind
+vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond,
+juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor
+haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een
+paar mannen hielden haar vast.
+
+"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!"
+
+Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij
+was diep ontroerd.
+
+"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere
+oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden.
+
+"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik
+mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia."
+
+Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis
+in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere
+baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden
+aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia.
+
+Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep
+voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna
+Micaela kuste Marcia.
+
+"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+FALCO FALCONE.
+
+
+Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's
+spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen
+avond vol gaven.
+
+Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende
+vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen,
+die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.
+
+Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam
+brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan.
+
+In de laatste weken waren geschenken van alle kanten
+toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations,
+anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl
+weer anderen eten gaven aan de arbeiders.
+
+Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen
+'s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens
+en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen.
+
+Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen,
+zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt
+had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen.
+
+Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:
+
+Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone?
+
+Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over
+den Etna geregeerd heeft?
+
+Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg
+niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?
+
+Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?
+
+Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts
+met spaden en houweelen komen aangeslopen?
+
+Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen
+te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het
+zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van
+dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela
+zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht
+hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?"
+
+Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten,
+sprak men over niets anders dan over hem.
+
+Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover
+den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den
+naakten rotswand.
+
+'t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die
+is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat
+er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten
+tegen den muur moeten opslingeren.
+
+Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer
+symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom.
+
+In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts
+arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed
+zich ontwikkeld bij Falco.
+
+Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van
+haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar
+buren verachtten haar.
+
+Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind
+verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte
+wie dien het eerst zou betreden.
+
+Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een
+dochter baren?
+
+Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand,
+waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam
+van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af,
+het bleef een even getal.
+
+Zij zou dus een zoon baren.
+
+Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.
+
+"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze.
+
+Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem
+om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader
+binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog
+diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken
+en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het
+over de straat vloeien.
+
+Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk
+gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken,
+bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.
+
+Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd
+gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en
+toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn
+moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei:
+
+"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb."
+
+Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den
+hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon
+niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren.
+
+Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril
+was, en C een slang. Dat kon hij leeren.
+
+Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar
+legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg
+haar, en zij liet hem met rust.
+
+"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze.
+
+In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen,
+als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste,
+maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.
+
+Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer
+aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij
+achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om
+dat te toonen.
+
+En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden
+was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond
+niet toe, dat men hem bespotte.
+
+"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze.
+
+Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal
+het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen
+men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken
+aan een andere geschiedenis van hem.
+
+Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme
+menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar
+het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week,
+en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was
+blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde
+zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte
+kussens gespreid te vinden.
+
+Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar
+huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een
+zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen,
+wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag
+nog op den deurdrempel.
+
+Hoe, waren allen in huis overleden?
+
+Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur
+haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar
+vinger figuren op den grond.
+
+"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof
+zij tot den grond sprak.
+
+"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht."
+
+"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders.
+
+"Zij willen ons eer en brood ontnemen."
+
+Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo,
+en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood,
+dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel,
+dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert
+Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik.
+
+"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.
+
+"Signora Gasparo had haar weggejaagd."
+
+"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was.
+
+"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben.
+
+"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar
+dienst te nemen.
+
+"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk."
+
+"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag
+het hem slechts."
+
+"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt
+niet vóór de volgende maand thuis."
+
+"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst
+komen."
+
+"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer
+in huis neemt."
+
+"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan
+ontneem ik u 't leven."
+
+"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan."
+
+"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst
+zoeken."
+
+"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en
+signor Gasparo."
+
+"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino.
+
+"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het
+avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo.
+
+"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen,
+omdat zij hem...."
+
+"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet
+voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa."
+
+"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia.
+
+"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te
+verschaffen."
+
+Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't
+Was Falco.
+
+Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora
+Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij
+Pepa's broer zag, maar zij dacht:
+
+"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet
+nog van niets."
+
+"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het
+goed met den wijnbouw?"
+
+Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.
+
+Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde
+haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.
+
+"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?"
+
+"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik."
+
+En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.
+
+"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een
+signora om te hooren?"
+
+"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden."
+
+"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en
+legde zijn hand op het hoofd der vrouw.
+
+"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En
+terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen
+schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien
+gezonden, hij bleef daar vijf jaar.
+
+Toen men dit vertelde wies de angst.
+
+"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn
+voornemen afbrengen."
+
+Toen herinnerde men zich nog een voorval.
+
+Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij
+Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag
+kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het
+land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis
+aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over
+hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en
+den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden.
+
+"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio.
+
+"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio.
+
+Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan.
+
+Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.
+
+"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe.
+
+Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover
+hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen
+aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat
+hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop
+in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen
+stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen.
+
+'s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen
+hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun
+vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en
+doodgeschoten.
+
+En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt
+men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.
+
+En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen
+bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.
+
+Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft,
+en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.
+
+Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt.
+
+Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten
+op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een
+groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.
+
+Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden
+als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco
+had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij
+was niet toegevend, hij was zeer streng.
+
+Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders
+hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist
+geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo,
+maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.
+
+"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf
+honderd lire."
+
+"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni.
+
+"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino.
+
+Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij
+slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.
+
+Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.
+
+"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn
+snuifdoos zal halen," zei don Giovanni.
+
+En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.
+
+"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij.
+
+Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het
+geld te krijgen.
+
+Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?
+
+Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.
+
+"Wat beduidt dit, don Giovanni?"
+
+"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te
+krijgen. Wees barmhartig jegens mij."
+
+Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij
+hem geweest was.
+
+"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen."
+
+Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.
+
+Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer
+Nino. Deze verscheen op een der balkons.
+
+"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen
+afzetten!"
+
+"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen."
+
+Nu werd Falco strenger.
+
+"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik
+hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij
+legde zijn geweer aan en schoot Nino dood.
+
+Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van
+schrik bijna van zijn ezel viel.
+
+"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's
+aanslag tegen u?"
+
+En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts
+gedurende vijf jaar roover was geweest.
+
+"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis
+hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?
+
+Men herinnert zich nog een ander voorval.
+
+Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo
+verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd
+werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster
+in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer
+naast zich om op Falco te wachten.
+
+En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is
+hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.
+
+De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging
+iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige
+oogen achter de ruiten schitteren.
+
+Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien
+werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van
+haar man.
+
+Als men dit hoort, groeit de vrees.
+
+Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan
+zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem
+stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit
+verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen
+pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.
+
+Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier
+der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht
+georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere
+gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een
+kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn
+manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer
+in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet.
+
+Toen ontmoette hij een boer.
+
+"Heb je Falco Falcone ook gezien?"
+
+"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te
+groeten."
+
+"Diavolo!"
+
+"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het
+punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij
+dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen."
+
+"Diavolo! Diavolo!"
+
+"Maar indien ge nog eenmaal tracht...."
+
+"Diavolo! Diavolo! Diavolo!"
+
+Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar
+een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?
+
+En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:
+
+Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de
+soldaten vreezen hem.
+
+Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij
+geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds
+zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en
+bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming.
+
+Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun
+goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu
+veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te
+schaden, die hem schatting betalen.
+
+Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten,
+kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.
+
+En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die
+opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens
+staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola
+Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die
+het wilde maaien.
+
+Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het
+gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg
+ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder.
+
+"Waar rijdt ge heen, Nicola?"
+
+Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel
+bij de teugels en keerden om.
+
+"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis."
+
+Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen
+zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:
+
+"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken,
+jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco
+Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet."
+
+De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen
+kant en Biagio aan den anderen.
+
+En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als
+men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.
+
+"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft."
+
+Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als
+Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen
+genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle
+gevaren ontsnapt.
+
+Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn
+zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de
+galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf,
+ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen.
+
+In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is
+bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in
+de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook
+weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de
+laatste groote roover is.
+
+Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij
+dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat
+van Messina getrokken en in Italië geweest.
+
+Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het
+pantserschip te doopen.
+
+Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft
+vierden.
+
+Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de
+arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil."
+
+Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin
+Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei:
+
+"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn
+zilveren bruiloft met den Mongibello vieren."
+
+De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede
+gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de
+Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem
+beschermd en gediend als een echtgenoote.
+
+Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den
+Mongibello.
+
+En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft
+zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.
+
+Dan denken de arbeiders:
+
+Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En
+er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te
+werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn
+verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor
+Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.
+
+
+
+Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op
+den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten,
+omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik
+van zijn geweer te komen.
+
+Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun
+voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij
+hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en
+de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen.
+
+Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve
+schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.
+
+Daar is niet Sicilië, daar is Indië.
+
+In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat
+ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo
+groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen
+hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een
+bed van rozeblâren.
+
+Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans
+te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet
+op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril
+op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.
+
+Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door
+het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk
+de bloemen vast te houden.
+
+Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels.
+
+Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij
+er slechts naar kijkt.
+
+Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel
+zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio
+en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben
+een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem
+opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen,
+rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof
+zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil
+willen voegen.
+
+Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang
+hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden
+of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet
+eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder.
+
+Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en
+op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt
+in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken
+op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de
+karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt
+als een slang om Falco's voeten en beenen.
+
+Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken
+werden aan zijn voeten.
+
+En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan
+een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der
+galeien zijn rug geeselde.
+
+Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze
+liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels,
+want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de
+steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar
+aan den arbeid waren.
+
+Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den
+zonsondergang.
+
+"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie
+eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in
+de steengroeve."
+
+En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders
+gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling
+houdt Biagio op met lachen.
+
+"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te
+hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal
+drijven."
+
+De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.
+
+"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore.
+
+Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets
+meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van
+hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden,
+soms is hij reeds uren lang waanzinnig.
+
+Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid
+niet dragen, ze worden allen waanzinnig.
+
+Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden
+beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu
+begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand
+zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots.
+
+Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt,
+dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.
+
+Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en
+gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve
+en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk
+op den top van den Mongibello te komen.
+
+Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met
+elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen
+ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten
+waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze
+gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels
+op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder,
+zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man.
+
+Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen,
+dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes.
+
+Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's
+heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze,
+zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van
+den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke
+dichte wouden.
+
+In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun
+paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen
+beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij
+oud is, spreekt hij gaarne.
+
+Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die
+hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid
+gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien
+tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven
+citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig
+geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was
+hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar
+die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op
+den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid
+stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop,
+hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men
+moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon.
+
+Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.
+
+Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille
+ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden,
+velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.
+
+En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.
+
+Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende
+ontzetting.
+
+De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk
+in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de
+voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden,
+doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende
+wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.
+
+--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er
+dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk
+aan die van den Etna?
+
+Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen,
+die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen
+omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den
+vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd,
+dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige
+vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden
+liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.
+
+Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen
+aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch
+en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans
+en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.
+
+Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte
+bereikt heeft, breekt de zon door.
+
+De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door
+het heerlijke morgenlicht.
+
+Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof
+Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt,
+dwars over het gansche eiland.
+
+Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent
+Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen
+naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen
+in het Zuiden.
+
+Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en
+zijne grootheid erkent.
+
+Falco legt den krans op Mongibello's top.
+
+Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand,
+en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen
+opneemt en in zijn zak doet.
+
+Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn
+leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit
+tevoren gevoeld.
+
+Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.
+
+Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den
+Mongibello te bevrijden van den spoorweg.
+
+
+
+Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die
+is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia,
+die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen
+eenzaam te wonen.
+
+'t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit
+voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de
+hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.
+
+Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip
+hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de
+leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat
+over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang
+en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo,
+dat men meent dat hij heen en weert slingert.
+
+Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem
+eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt.
+
+Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar
+buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.
+
+"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en
+wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben."
+
+De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te
+spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.
+
+"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's
+spoorweg?" vraagt de bedelaar.
+
+Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.
+
+"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u
+kunnen wreken."
+
+"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den
+man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem
+gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn
+vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten."
+
+Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl
+zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar,
+die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik
+stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als
+een slang.
+
+Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd
+is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe
+zij Falco na twintig jaar zou herkennen.
+
+"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij
+geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft."
+
+Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis
+zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen
+aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal
+hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam,
+als zij de macaroni op den schotel doet.
+
+Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te
+wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem
+aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een
+steen, dien hij den hond toewerpt.
+
+De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt
+dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij
+er mee weg.
+
+Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van
+den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den
+steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk.
+
+"Geef hier den steen."
+
+De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef
+hier den steen, canaille!"
+
+De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen.
+
+"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van
+den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt
+achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt
+hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt.
+
+Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia:
+"Uw hond is toch wel gezond?"
+
+"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood."
+
+"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?"
+
+"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze.
+
+Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat
+stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu
+zelf watervrees zal krijgen.
+
+
+
+Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft
+het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's
+avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het
+gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt
+er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines.
+
+Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt
+er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt
+een geheel mensch op het balkon.
+
+Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden
+nog.
+
+'t Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als
+herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie,
+op zijn rug vastgebonden.
+
+Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel,
+en treedt daarmee de kamer binnen.
+
+Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen
+tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten.
+
+Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan,
+zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit.
+
+De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer
+aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt.
+
+Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om
+haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar
+haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan.
+
+"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst.
+
+De man trekt zich haastig terug.
+
+"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken."
+
+Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt.
+
+"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij.
+
+"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij.
+
+Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een
+kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug
+naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt,
+dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon.
+
+"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn."
+
+Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij:
+
+"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij
+wil uw spoorweg niet meer vernielen."
+
+"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij.
+
+Somber antwoordt de man haar:
+
+"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die
+hij geweest is."
+
+Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans
+gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben,
+want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was
+voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen.
+
+"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op
+en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht
+dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de
+wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is."
+
+"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs
+ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich
+niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs.
+
+"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond."
+
+Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan.
+
+"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik
+in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?"
+
+Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden.
+
+Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de
+arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich
+verzet tegen haar liefste wenschen.
+
+Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een
+schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar.
+
+Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet,
+zij kan niet begrijpen, wie Falco is.
+
+Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was,
+heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd
+in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem,
+zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen,
+dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker
+opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en
+zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En
+Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte
+gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar
+was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een
+jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof
+de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest.
+
+Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem
+luistert en hem begrijpt.
+
+Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een
+echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens
+een roover?
+
+Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat
+zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld
+gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door
+Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken.
+
+Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn
+gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland
+zou worden, zooals hij vroeger geweest was.
+
+Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren.
+
+Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest
+lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe
+trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen,
+neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel.
+
+"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen,
+wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet
+bang meer."
+
+"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het
+Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet
+gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op
+zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij:
+"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de
+kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat
+ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming,
+dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding."
+
+"Nu?" vroeg donna Micaela.
+
+"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming
+gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij.
+
+Passafiore wringt zijn handen in wanhoop.
+
+"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van
+den hond, maar hij was reeds lang ziek."
+
+Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het
+zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot
+man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft.
+
+Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had
+gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en
+donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om
+mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden."
+
+En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit.
+
+Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot
+hem komen, anders wilde hij niet gaan.
+
+Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen,
+hij waagt het niet op te zien.
+
+Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het
+Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds
+waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in
+het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind,
+stil antwoordt:
+
+"Passafiore, ik zal je volgen."
+
+En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar
+den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de
+steengroeve te beklimmen.
+
+Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den
+ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op,
+even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar
+geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun
+eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen.
+
+Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij
+zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen
+barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den
+nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar
+geleid heeft.
+
+Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina
+voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming
+gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen.
+
+"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem
+gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan."
+
+Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand.
+
+Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij
+oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten.
+
+De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen
+beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos
+zitten.
+
+Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat
+zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen.
+
+Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen.
+
+"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij.
+
+Maar ze is mild en vriendelijk.
+
+"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het
+geweer aan den anderen kant van de tafel.
+
+Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat
+en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De
+uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is
+gebroken en vernietigd!
+
+Bijna wekt hij haar medelijden op.
+
+"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft
+beloofd mij bij te staan."
+
+De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met
+hen over zijn geluk wil spreken.
+
+"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen,
+niets meer. Hij helpt mij."
+
+De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet
+een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich
+op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer
+slingert over den weg.
+
+"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd.
+
+Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat.
+
+Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer
+beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen
+en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde.
+
+Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar
+onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de
+wraakzucht in zich gevoed.
+
+Nu beheerscht die haar volkomen.
+
+"Catherina, Catherina," gilt haar nicht.
+
+"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt
+zij.
+
+De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber:
+
+"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen."
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+OVERWINNINGEN.
+
+
+In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op
+Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk
+en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was.
+
+Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een
+feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden,
+dat zijn gasten riepen:
+
+"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!"
+
+Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:
+
+"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet
+ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt."
+
+En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den
+brandenden krater.
+
+"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik
+levend onder de goden opgenomen ben."
+
+Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op
+den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze
+Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in
+den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.
+
+En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had
+opgeworpen.
+
+Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten,
+en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft.
+
+Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de
+villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren
+en bronzen beelden en mozaïekwerk.
+
+Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen,
+dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen
+reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was
+toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel,
+een spade op zij en een grooten ransel op den rug.
+
+Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna
+Micaela van Dominico.
+
+Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had
+Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.
+
+Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij
+stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest
+doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men
+hem een nagemaakte oude munt vertoonde.
+
+Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar
+vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk
+gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.
+
+Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar
+onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar
+spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij
+werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige
+belangstelling voor zijn dochter.
+
+Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela
+plotseling over den spoorweg te spreken.
+
+Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk
+had zij overwonnen.
+
+Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen
+stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst
+gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.
+
+Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar
+nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan
+haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan
+om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren
+bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd.
+
+Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den
+arbeid aanvangen.
+
+Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van
+geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige
+vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de
+oogen van het Christuskind in San Pasquale.
+
+'t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was
+alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele
+wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze,
+dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat
+Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot
+zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het
+kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige
+als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!
+
+O, God was goed.
+
+Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel
+en onbewogen tegenover haar.
+
+"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts.
+
+"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?"
+
+"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen."
+
+Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar
+geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar
+in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!
+
+En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar
+gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.
+
+"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer
+vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?"
+
+De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:
+
+"Gela, Gela!"
+
+"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde
+van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde
+donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het
+ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de
+rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het
+een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door
+het dorp komt.
+
+"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de
+kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk
+nooit van Gela gehoord?"
+
+Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:
+
+"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit
+aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken."
+
+"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze
+hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen,
+de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in
+Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen
+zijn er bijna altijd ziek.
+
+"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het
+is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen
+drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels,
+ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven
+daar geheel vergeten en verlaten.
+
+"Hebt ge nooit gehoord van Gela?"
+
+Zij zag er heel verbaasd uit.
+
+Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens
+gehoord...."
+
+Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich
+haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes
+te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.
+
+"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat
+van schalkscheid.
+
+"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw
+schoenen op."
+
+Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in
+zijn stoel.
+
+"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij
+zich moet verdedigen.
+
+Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als
+tevoren.
+
+"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het
+punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen
+wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte,
+dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun
+toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast
+worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken
+stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche
+wijndruif gekweekt moet worden.
+
+"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde."
+
+"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar
+vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde
+zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.
+
+"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe
+planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze
+lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie,
+zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela."
+
+"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri
+met een poging het af te breken.
+
+"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar
+ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek
+over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met
+geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding."
+
+Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op
+heeterdaad betrapte misdadiger.
+
+"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen
+hij aangeklaagd werd wegens diefstal.
+
+Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen.
+
+"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik
+wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling
+waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren
+aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen."
+
+Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken.
+
+Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien.
+
+Ze keek hem vast in de oogen.
+
+"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden,"
+zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven
+hem waterkers te eten.
+
+"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van
+zijn-- -- --"
+
+Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.
+
+"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg?
+
+"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest."
+
+Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie
+uit den zak.
+
+"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van
+nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen."
+
+"Hoor nu eens, kind!"
+
+Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.
+
+Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te
+verzoenen.
+
+"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige,
+dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok."
+
+Zij was louter stralende vroolijkheid.
+
+"Maar kind!"
+
+"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar
+geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid,
+misschien ook wel boete-- --"
+
+Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen
+en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude
+heer kon zoo niet met zich laten spotten.
+
+"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen."
+
+"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid
+verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen
+Dominico streelen, maar ik-- --"
+
+"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?"
+
+Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen.
+
+"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij.
+
+Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend
+op, ze wist niet of zij goed zag.
+
+"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik
+nu voor me zelf over."
+
+"Om de villa te ontdekken?"
+
+"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal,
+nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest."
+
+En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog
+donna Micaela in haars vaders armen.
+
+
+
+
+
+
+DERDE DEEL.
+
+
+ "En hij zal vele aanhangers krijgen."
+
+
+I.
+
+DE OASE IN DE WOESTIJN.
+
+
+In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en
+in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust,
+omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee.
+
+De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid,
+maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte,
+grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere,
+oude steden der Saracenen.
+
+"Zie eens, welk een sprookjesland!" zeggen ze.
+
+In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen
+het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een
+tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet
+eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde,
+dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen.
+
+Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend
+stofgoud.
+
+Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde,
+zou men geantwoord hebben: "het Christusbeeld." Alles voegde zich
+naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde
+een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden
+terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd
+bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men
+moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond,
+die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven,
+vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals
+zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige
+stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld,
+dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel
+hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde.
+
+De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de
+oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen,
+hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet
+voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig
+zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond?
+
+Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was
+aan een oase in een woestijn.
+
+De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde
+dieren der woestijn. Zoo ook Diamante.
+
+De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig
+te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon
+worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad.
+
+Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had,
+mislukte.
+
+Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te
+hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en
+smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar.
+
+De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze
+konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde
+met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te
+schenken aan een Siciliaanschen oproerling?
+
+Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering
+zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden
+op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan.
+
+"Heilige vader," zei ze, "laat u verhalen wat er geschied is in
+Diamante op den Etna."
+
+En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze,
+dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden
+en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld.
+
+Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan
+een weigerend antwoord.
+
+"Waarde vorstin Micaela," zei de paus, "deze gebeurtenissen die gij
+verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet
+te wanhopen.
+
+"Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het
+nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat
+Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter,
+dat hij voorzichtig moet zijn."
+
+Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht
+eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde
+ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven
+van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem
+spreken zou.
+
+Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden.
+
+Deze verbood haar met Gaetano te spreken.
+
+"Ge wilt den gevangene zien?" zei hij. "Neen, dat kan niet. Ge zegt,
+dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat
+gelooven. Laat hem dat gelooven!
+
+"Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door
+verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als
+hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding
+zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen
+drie maanden dood zijn."
+
+Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken.
+
+Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling!
+
+Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig
+gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan
+losrukken uit zijn droom.
+
+Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd
+waren.
+
+Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: "Toen ik Gaetano
+bevrijdde." Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden.
+
+Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming,
+die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer
+uit den Etna graven?
+
+Zij kon maar geen besluit nemen.
+
+En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte
+de geheele stad.
+
+Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die
+niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging
+en mislukte.
+
+Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er
+ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog.
+
+De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens.
+
+Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in
+de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij
+gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig
+en goed voor hun naasten wilden zijn.
+
+Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel
+bekeeren.
+
+"Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren," zei
+het volk in Diamante.
+
+"Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam," zeiden ze. "Wij willen
+bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en
+weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden,
+en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien
+hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden,
+zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met
+ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt,
+zal ontkiemen en een rijken oogst dragen."
+
+Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden,
+kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij
+Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood
+of gevangengenomen.
+
+Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af.
+
+En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de
+wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid
+aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk
+het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice,
+Bosco, Verro, Barbato en Alagona.
+
+Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze
+beproefde niet te schreien.
+
+Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld
+de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had
+God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen
+voor het Christusbeeld en te zeggen:
+
+"Mijn God en Meester."
+
+En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven
+gelijk vóór zijn gevangenistijd.
+
+Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte
+verheugd te zijn. 't Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij
+was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee!
+
+Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had.
+
+De groote woestijn was zeer slecht jegens de arme oase.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+IN PALERMO.
+
+
+Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts.
+
+Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed,
+kleeden zich aan en gaan op straat.
+
+En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de
+café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen
+plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij
+sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de
+trage tijd begint iets vlugger te gaan.
+
+Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar
+de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle
+harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten,
+zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en
+fijne dames. Allen zijn even verheugd.
+
+"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt,"
+zeggen ze.
+
+De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in
+Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en
+gekleurde lampions.
+
+Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte
+aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student
+te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun
+fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich.
+
+'t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap
+in het hart vlamt.
+
+De vreemdelingen in de hotels worden gewekt.
+
+"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori."
+
+"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen.
+
+"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid
+gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels."
+
+"Wat is hij voor een man?"
+
+"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief."
+
+En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad.
+
+Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine
+ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband
+zullen dragen.
+
+En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar
+het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo
+vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag.
+
+De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe
+kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen
+worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor
+anderen, dan mag ze aan zichzelf denken.
+
+Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat
+hooger. Heden moet zij mooi zijn!
+
+Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men
+vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek
+der straten.
+
+De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens
+en telkens geheel uitverkocht.
+
+Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel
+Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur.
+
+De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige
+taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen
+opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen
+van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De
+arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde,
+die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een
+onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de
+studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren,
+trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld,
+verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven"
+voor den ouden despoot.
+
+Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist
+te geven.
+
+Daarna trekken de studenten naar de haven.
+
+Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar
+daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals
+geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te
+roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw
+in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen,
+de zangers omhelzen.
+
+Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar
+hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar
+zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers
+en de visschers.
+
+Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de
+vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt
+over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu
+eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft.
+
+En de menschenmassa jubelt:
+
+"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!"
+
+Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de
+haven gaat, vraagt hij verbaasd:
+
+"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?"
+
+Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven.
+
+Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag
+genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven
+in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions,
+en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten
+omhoog.
+
+Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens
+gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo,
+gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes
+zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk
+afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels
+en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water,
+met bloemguirlandes om de stoompijpen.
+
+En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat
+de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de
+waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar
+goud.
+
+Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze
+kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig.
+
+Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen.
+
+Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt.
+
+Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna
+stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de
+stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den
+berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.--
+
+Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot
+bevindt zich Bosco, de socialist.
+
+Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het
+dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen,
+komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet
+met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo!
+
+Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van
+kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie,
+dat zou hij zoo gaarne willen weten.
+
+Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft
+Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen
+aanhanger doen winnen?
+
+Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de
+koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt
+over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid
+zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu
+nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de
+verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het
+zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts
+den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er
+een vuurwolk gloeit aan den horizon.
+
+En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende
+tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een
+geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange
+jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf,
+en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem
+genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de
+macht had zoo goed te zijn, als hij was.
+
+Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet
+een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien.
+
+"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd
+zoo'n lichtschijn boven de stad."
+
+Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen,
+dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen,
+dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn.
+
+Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande
+zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek.
+
+"Palermo staat in brand," zegt een matroos.
+
+Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij
+verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken
+de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch
+geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk
+feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is,
+en vraagt zijn moeder of het een feestdag is.
+
+Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de
+groote stad dringt tot hen door.
+
+"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden.
+
+"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika,"
+meent een ander.
+
+Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat
+naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet
+met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren
+voor een armen socialist?
+
+Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo
+schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht
+wordt. Kom mee om Palermo te zien."
+
+Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden
+bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand,
+zelfs niet zijn moeder....
+
+Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een
+noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt
+nu zacht naast de stoomboot.
+
+Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te
+bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op
+de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal
+brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem
+tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of
+van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn
+naam, zijn naam!
+
+Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden
+sterren valt neer.
+
+De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt;
+de menschen weenen van blijdschap en vervoering.
+
+Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen
+knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te
+vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen.
+
+
+
+Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze
+is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen
+om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve
+óf voor het moeras, dat zij wil dempen.
+
+Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet
+haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge,
+donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met
+sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen.
+
+Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen
+strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou
+ik dan....
+
+"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..."
+
+Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien
+heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet
+alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven,
+dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze
+blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan....
+
+Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te
+dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er
+zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is.
+
+Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen,
+kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik...
+
+
+
+Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt
+door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche
+koningen te Monreale.
+
+Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld,
+dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit
+de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en
+majestueus.
+
+Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te
+zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen,
+die in verre landen naar hem smachten.
+
+De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor
+de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de
+knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen
+zijn lippen:
+
+"O God! Mijn God!"
+
+Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de
+mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar
+slechts om te zeggen:
+
+Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo
+behoort hem de geheele toekomst.
+
+De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd.
+
+Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt.
+
+Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal.
+
+En donna Micaela roept hem aan:
+
+"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben
+mij van u te scheiden!"
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DE THUISKOMST.
+
+
+'t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis
+zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn.
+
+Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit
+de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig.
+
+"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle
+andere."
+
+En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er
+moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg
+waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden
+nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet
+ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de
+wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien,
+en een menigte erwten en boonen liggen op de kade.
+
+Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de
+grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn
+met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't
+Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken.
+
+Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw,
+stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf,
+dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het
+eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede.
+
+Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De
+Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger
+dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan
+zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit
+zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn.
+
+Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds
+ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met
+houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en
+uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek.
+
+Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op
+de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den
+wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand.
+
+Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het
+hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling
+bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet
+meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden,
+de bergen en de blauwe zee.
+
+Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren
+bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te
+denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge
+uw kindsheid hebt doorgebracht.
+
+Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg
+waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel
+geleden hebt?--
+
+Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die
+ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig.
+
+"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze.
+
+En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw
+liefde wil aannemen.
+
+O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De
+schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine
+hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar
+haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag
+wil zeggen?
+
+Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te
+hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren,
+als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge
+ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u
+gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt
+komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u.
+
+Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er
+thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken,
+indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er
+slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur.
+
+Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen,
+de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan
+den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een
+heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom
+is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat
+bloeiende klaverveld.
+
+Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd
+zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge
+slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is,
+terwijl ge afwezig waart.
+
+Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge
+kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid
+der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar
+huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk
+de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond,
+maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme
+moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken
+steen, iederen grashalm.
+
+
+
+Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich
+voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet
+hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut
+uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden,
+maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en
+pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft
+ze donna Elisa duizenden malen gezegd.
+
+Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw
+van een vrijdenker worden.
+
+Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden,
+slechts een enkel half uurtje.
+
+Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare
+en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds
+vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen
+zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven,
+want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra
+men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig.
+
+De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur.
+
+"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!"
+
+Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en
+roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst
+den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij
+moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen
+hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft
+in de gevangenis.
+
+Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan.
+
+"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb
+elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van
+u kunnen zeggen."
+
+De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept:
+
+"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge
+weggingt, don Gaetano."
+
+"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen
+moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks,
+iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle
+van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat
+droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...."
+
+Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen
+op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en
+kijkt naar hem.
+
+Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning
+is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het
+nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft,
+en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet
+staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen
+den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem
+niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn
+hoofd tegen de steenen.
+
+Hij ligt daar als voor dood.
+
+Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een
+dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om
+hem te helpen.
+
+Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der
+slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op
+wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar
+binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt
+haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft
+zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte,
+toen hij haar zag.
+
+De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te
+roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De
+dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet
+of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers
+niets, maar de slag op de harde steenen....
+
+Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen
+kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.
+
+Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna
+Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap
+tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren.
+
+Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's
+huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme
+stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust
+te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist
+weer terug hebben gekregen.
+
+De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het
+gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van
+Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer,
+den laatsten Alagona, zal afloopen.
+
+Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht,
+indien hij slechts in het leven bleef....
+
+"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die
+het volk willen helpen, laat hij sterven."
+
+Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen
+voor donna Elisa's huis.
+
+Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur,
+en daalt van de trap.
+
+"Is hij gered?" roepen ze allen.
+
+"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde."
+
+Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:
+
+"Is het erger?"
+
+"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter
+is bij hem."
+
+Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt
+een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht
+op elkaar gedrongen staan en liggen.
+
+"Is Gandolfo hier?" vraagt ze.
+
+"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn.
+
+"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna
+Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in
+San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze
+staan allen op en willen met haar gaan.
+
+Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel
+alsof haar hart grooter wordt.
+
+"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem.
+
+"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap
+viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik
+in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld
+met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk
+staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt
+te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen."
+
+"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg,
+was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En
+nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is.
+
+"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw
+in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En
+indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als
+mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote."
+
+Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar
+Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen
+zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om
+te zien of er ook iemand in de kerk is.
+
+Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting
+zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten
+stakker?
+
+'t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft.
+
+Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug
+heuvelafwaarts.
+
+Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De
+lantaarn trilt in donna Elisa's hand.
+
+Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.
+
+"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk
+binnentreedt.
+
+Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar
+van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar
+het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven
+het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand?
+
+Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt
+en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is.
+
+Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals
+op, en ziet om. 't Is donna Micaela.
+
+In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde
+ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan,
+alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.
+
+Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:
+
+"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een
+weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen.
+
+Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet
+zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:
+
+"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?"
+
+"Neen, niemand anders."
+
+Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna
+Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar
+middel.
+
+"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer.
+
+"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden."
+
+"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden."
+
+"Ja zeker, dat zult ge ook."
+
+"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen
+te gaan."
+
+"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen."
+
+"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt,
+tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen."
+
+"Wat zei hij?"
+
+"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken."
+
+"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?"
+
+"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het
+gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen
+en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde
+helpen."
+
+"Ja, dat is zeker ook het geval."
+
+"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij."
+
+Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het
+beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd.
+
+Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij
+heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen
+thuis had, om een man gesmeekt had.
+
+"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?"
+
+Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar
+hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.
+
+Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig.
+
+Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa,
+donna Elisa."
+
+Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.
+
+"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?"
+
+"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van
+uw zoon, donna Elisa!"
+
+Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat!
+
+Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig
+aan donna Elisa's schouder.
+
+
+
+Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De
+straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen
+zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in
+het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier
+groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen.
+
+De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft,"
+fluisteren zij.
+
+"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft,"
+zegt donna Micaela.
+
+Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een
+tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij
+stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat
+er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.
+
+Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder
+te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar
+ongeluk tegemoet gaat.
+
+De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap
+op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.
+
+Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten
+zal tot den volgenden morgen.
+
+Dan hoort zij schreden op de galerij.
+
+Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft
+zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn,
+dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt?
+
+En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze
+elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over
+socialisme spreken?
+
+Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan
+niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen
+met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten
+en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt
+niet te doen, wat men van hem verwacht.
+
+Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren
+geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk,
+hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd
+zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij
+toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar
+kalmte herwonnen heeft.
+
+"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij.
+
+Dat is alles wat hij zegt.
+
+Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat
+hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen,
+dat hij haar liefheeft.
+
+Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben
+een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij
+zullen doen.
+
+Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet
+eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur
+en het eigenaardige reisgezelschap.
+
+Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te
+smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar
+waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?
+
+"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij.
+
+"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de
+schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet
+hoe die tot stand is gekomen.
+
+Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij
+haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar
+ook zoo onderdanig?
+
+Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken
+om haar te nemen?
+
+Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn,
+maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een
+weinig te plagen.
+
+Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd
+alsof ze een dochter uithuwelijken.
+
+Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te
+verklaren.
+
+Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.
+
+En zij beginnen te roepen:
+
+"Leve Gaetano! Leve Micaela!"
+
+Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij
+moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat
+naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij
+daarbuiten stil willen zijn.
+
+Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar
+de hand, hij wil gaan.
+
+Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij
+doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug.
+
+"Neen, neen!" zegt zij.
+
+Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet
+met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op
+het hart ligt.
+
+Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone
+verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende
+zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar
+onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.
+
+En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij
+waagt het niet hem te laten gaan.
+
+"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij
+zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem
+plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar
+pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten
+van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden,
+die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft
+doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en
+verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest.
+
+In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang
+voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan
+waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het
+geheel niet vroolijk meer.
+
+Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren
+laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu
+verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als
+van een zalige.
+
+Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon
+is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij
+hem alles zeggen.
+
+Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert
+nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar
+geweest is.
+
+Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en
+kust die.
+
+Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn
+gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet
+aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd,
+dat het lichtte.
+
+Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg,
+verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij
+haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt
+niet uit.
+
+Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof
+hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt
+alles reeds te weten wat zij zegt.
+
+Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist
+zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste,
+dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn
+leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had
+die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde
+hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en
+niets te hoog is voor hem?
+
+Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet
+wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien
+een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de
+vrouw van een socialist.
+
+Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent,
+dat zij bedelt om zijn liefde.
+
+Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd,
+dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.
+
+"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en
+ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij
+liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn."
+
+"Werkelijk?" zegt hij.
+
+"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik
+vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je
+armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een
+geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk
+met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan
+zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor
+mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We
+moeten scheiden."
+
+"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld.
+
+"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik
+zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt
+gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de
+scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is."
+
+Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt
+hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.
+
+Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter
+wereld zich van haar zou laten scheiden?
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+SLECHTS VAN DEZE WERELD.
+
+
+Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: "Zij wordt een
+heilige, zij wordt stellig een heilige."
+
+Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de
+Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt.
+
+Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg
+hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er
+was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita
+Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men
+moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen.
+
+Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook
+de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens
+en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een
+trillend kantwerk van beelden, loggia's en sierlijke baldakijns.
+
+Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee,
+en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten.
+
+De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling
+goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht
+van het Oosten.
+
+Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid
+over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den
+zonneschijn. 't Was een heele sprookjeswereld.
+
+Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte
+van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke
+landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen.
+
+Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar
+hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche
+terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde
+mijngangen.
+
+Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen
+heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit
+de mijnen aansleepten.
+
+"De kleine wagens" noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar
+geheugen haken.
+
+Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes!
+
+Zij kwamen 's morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun
+arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte
+hij zijn "wagentje" met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te
+stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden
+dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen:
+
+
+ De tocht is gedaan met pijn en nood,
+ Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood.
+
+
+Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met
+erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De
+meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen,
+die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water.
+
+Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij
+de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze:
+
+"Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!"
+
+En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang
+klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn.
+
+De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden
+in hun schouders.
+
+Terwijl ze op en neer gingen zongen ze:
+
+
+ Zeven tochten gedaan in pijn en nood,
+ 't Leven is erger dan de dood.
+
+
+Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld
+met deze ongelukkige kinderen.
+
+En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men
+dat zij een heilige zou worden.
+
+Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen
+was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de
+wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht
+met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat,
+zij verbond de wonden aan hun schouders.
+
+'t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de
+wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita
+Cornado niet kwam om hen te troosten.
+
+Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens
+zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij
+kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita
+Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat
+thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den
+mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan
+de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om
+de wagentjes.
+
+Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die
+Margherita's peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze
+begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn.
+
+"Margherita," zei de oude vrouw, "gij leeft in zulk een glans en
+heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken
+over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel
+vergeten."
+
+Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken.
+
+"Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht,
+hij heeft uw raad noodig."
+
+"Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza," zei het meisje.
+
+"Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken
+naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht.
+
+"Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard
+is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt."
+
+Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij
+berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als
+zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting
+op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang
+hij onder den grond was.
+
+Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs
+tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes
+en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen.
+
+Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door
+zulk een bovenmatigen arbeid.
+
+Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden.
+
+Santuzza maakte een pauze.
+
+"En toen?" vroeg Margherita.
+
+"Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur.
+
+"Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken
+dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur
+den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine
+lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.--En nu is hij dood. Mijn
+kleinzoon is dood, Margherita."
+
+Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij
+slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes;
+het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de
+ellende in de zwarte mijnen.
+
+"Waarom laat men dien man leven?" riep zij uit.
+
+Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit
+haar zak.
+
+"Dit zendt Orestes u met duizend vragen," zei ze.
+
+Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder
+een woord te spreken.
+
+De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom
+wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen
+komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht
+uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij
+lag vermoord aan den wegkant.
+
+Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een
+streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt.
+
+Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen
+klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes,
+aan als den moordenaar van haar bruidegom.
+
+Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan
+alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij
+zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen.
+
+Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een
+hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar.
+
+In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als
+een misdaad gerekend worden.
+
+Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt.
+
+Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een
+voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde
+haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den
+vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar
+was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde
+het hoofd af om haar niet te groeten.
+
+Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het
+berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde.
+
+Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf
+een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was.
+
+Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van
+de andere.
+
+Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets
+ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der
+gewetenswroeging van haar af te wentelen.
+
+In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in
+Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht
+naar Diamante te doen.
+
+Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog
+niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun
+tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het
+beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia's en
+broeder Tomasso's voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het
+ochtendkrieken, verhaald van het beeld.
+
+En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen
+wonderdoener.
+
+Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te
+laten voorbijgaan.
+
+"Het Christuskind," zei hij, "wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu
+is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil
+hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten
+door het heilige beeld."
+
+Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli's klooster
+op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van
+de duizenden wonderen, die hij verricht had.
+
+"En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden,"
+zei pater Gondo.
+
+"Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem!
+
+"Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die
+het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het
+Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op
+het stroobed in de armoedige grot!"
+
+Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado's hart toen zij
+dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo's
+oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.--Veertig pelgrims
+ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante.
+
+Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder
+gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen,
+alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte.
+
+"Weet ge," zei pater Gondo, "waarom Gods zoon grooter is dan alle
+andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de
+zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt,
+omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is."
+
+Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van
+de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde
+zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de
+moede pelgrims.
+
+En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth,
+om den timmermanszoon te zien.
+
+"Hij zal het lijden van ons nemen," zei pater Gondo. "Als wij
+terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling."
+
+En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn,
+waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van
+zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker
+werd.
+
+"De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen," zei ze.
+
+Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van
+Diamante's berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en
+frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze
+voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade.
+
+Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende
+stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan.
+
+Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen
+uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen
+en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het
+oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste
+de pelgrims.
+
+Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen,
+waarom ze niet eerder waren gekomen.
+
+Diamante's Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo
+barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen
+Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart
+reeds verlost was van alle pijn.
+
+De menschen van Diamante troostten haar.
+
+"Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen," zeiden ze.
+
+"Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden."
+
+Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van
+Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen
+en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden
+ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld
+te gaan.
+
+Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij
+vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór
+alle anderen....
+
+Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen,
+zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen
+hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam,
+vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze
+greep hem bij de keel en wilde hem worgen.
+
+Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd
+vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te
+binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest.
+
+De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden
+brandende kaarsen in de hand.
+
+Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden
+zich aangesloten bij de pelgrims.
+
+Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen,
+de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen
+verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg
+het gezang. 't Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde
+in een luid geweeklaag.
+
+Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun
+kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone
+verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood.
+
+Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken.
+
+Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder
+slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn
+eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen
+op het harte.
+
+Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij
+opgewekt had?
+
+Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn
+gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op
+de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel
+geholpen worden.
+
+Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere
+stem en schreed naar het altaar.
+
+Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang
+opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen
+strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen.
+
+"Het staat er, het staat er," mompelde hij, terwijl hij de kroon uit
+zijn hand liet vallen.
+
+Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van
+Aracoeli voor zich had.
+
+Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn
+gewone zachtmoedigheid:
+
+"Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen."
+
+En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van
+Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist
+genoemd en in de wereld geworpen werd.
+
+"Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed," zei pater Gondo.
+
+"Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen:
+
+"'t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze
+kleine voet, die tegen de poort schopte."
+
+"Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was,
+zei hij altijd: "Wat zou er van hem geworden zijn? Rome's honden
+hebben het zeker verscheurd."
+
+Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte
+om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen.
+
+"Leest dit!" zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De
+menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij,
+die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een
+opschrift was.
+
+En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het
+laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims,
+die zich om hem heen verzameld hadden.
+
+"Ik heb u hierheen gevoerd," zei hij tot hen, "opdat gij Hem zoudt
+vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar
+ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn
+rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig
+geworden," vervolgde pater Gondo, "omdat zij hier kwam en hoopte op
+hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden
+niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is
+slechts van deze wereld."
+
+Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten,
+wat zij van dit alles moesten denken.
+
+Toen vroeg hij zacht: "Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon
+voert, nog langer een altaar ontheiligen?"
+
+"Neen, neen!" riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend,
+door ontzetting bevangen.
+
+Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met
+uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang.
+
+Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn
+blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de
+volksmenigte gerust.
+
+Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen
+wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen
+gedachte te denken.
+
+Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek
+om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa.
+
+"Ook de kroon," zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt.
+
+Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San
+Pasquale's beeld beschermt.
+
+Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig
+weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze
+stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak.
+
+Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar
+stonden ze nog steeds, verlamd en willoos.
+
+Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde
+verbranden, maar zij verzetten zich niet.
+
+Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden.
+
+Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld
+volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden.
+
+"Mijn ongelukkige kinderen!" zei hij mild, terwijl hij zich tot
+de menschen van Diamante wendde. "Gij hebt een vreeselijken gast
+geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger
+ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?" vervolgde
+hij strenger.
+
+"Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo
+is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden
+heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel?
+
+"Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere
+wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch
+brood, gezondheid en geld?
+
+"Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer
+had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade.
+
+"Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn,"
+zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop.
+
+"Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet
+in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht
+slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor
+het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen:
+
+"Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt," en anderen zullen
+getuigen:
+
+"Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden," en velen
+zullen zeggen:
+
+"Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels
+aanschouwen kan."
+
+"Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij
+noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten
+erkennen, dat ik mij vergist heb."
+
+Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige
+ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen
+te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden,
+bleven zij aarzelend staan.
+
+"Ik wacht," zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen
+te komen.
+
+Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke
+smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar
+niemand verroerde zich.
+
+"Mijn ongelukkige kinderen," zei pater Gondo diep bedroefd, "de
+Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn
+macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een
+ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht.
+
+"Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen
+waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante's inwoners
+zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten,
+die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De
+Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd."
+
+Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk
+in verzet te zullen komen.
+
+Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte.
+
+"Het beeld is heilig," riep een. "Toen hij de stad binnentrok,
+luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag."
+
+"Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?" antwoordde
+de monnik.
+
+En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder
+het volk.
+
+"Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den
+Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet
+meer in u."
+
+"Hij was goed en barmhartig gelijk Christus," riep het volk.
+
+"Dat is juist uw ongeluk," zei de pater en plotseling was hij
+vreeselijk in zijn toorn. "Hij heeft Christus' gedaante aangenomen
+om u te verleiden.
+
+"Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen.
+
+"Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u
+in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt.
+
+"Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen
+gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een
+hemelsche genade gesmeekt heeft."
+
+"Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore," zei iemand.
+
+"Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de
+jettatore, dezen overwinnen?" antwoordde de pater somber.
+
+Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te
+verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger
+te maken.
+
+Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij
+stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed
+zij niets om haar geliefd beeld te redden.
+
+Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte
+zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts
+wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar.
+
+Zij waagde het niet zich te verzetten.
+
+Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de
+macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel,
+dat in opstand kwam tegen zijn woorden.
+
+"Neen, neen!" zei zij, "dat kan niet mogelijk zijn."
+
+Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had
+gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen.
+
+En haar verstand begon zich te verdedigen.
+
+Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het
+bovennatuurlijke in haar.
+
+Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf
+ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat
+nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen
+wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een
+toeval was geweest, niets dan een toeval!
+
+'t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had,
+ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval,
+werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel
+verbeelding geweest.
+
+De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte
+naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende
+gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven.
+
+Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een
+vrijdenkster werd?
+
+Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van
+den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar.
+
+En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu
+dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit.
+
+'t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar
+geloof te redden.
+
+Maar donna Micaela's gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden
+voorwaarts en plunderden haar ziel.
+
+Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot
+niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets
+kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen
+enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde.
+
+"Maar ik wil gelooven aan God," zei ze, terwijl ze haar handen vouwde
+als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden.
+
+"Uw oogen zijn wild en woest," zei pater Gondo. "God leeft niet onder
+u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen."
+
+Donna Micaela's blik zocht opnieuw Gaetano.
+
+"Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te
+leven?" schenen haar oogen te vragen.
+
+Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen.
+
+Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich
+nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen
+oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken.
+
+Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts
+zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht
+in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan
+een gelukkige aarde.
+
+Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen?
+
+Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer
+van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm
+gevoelen als op dit oogenblik?
+
+Pater Gondo boog zich over de vlammen.
+
+"Ik zeg u nog éénmaal," riep hij, "indien slechts één uwer verklaart,
+dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden."
+
+Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon
+laten vernietigen.
+
+De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan
+verbonden.
+
+"Gandolfo, Gandolfo!" fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had
+zij hem naast zich gezien.
+
+"Ja, donna Micaela."
+
+"Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo."
+
+De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie
+malen.--Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de
+kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht
+bij de vlammen.
+
+Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over
+zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem
+nu toebehoorde.
+
+Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over
+de zielen.
+
+Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot
+aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze
+menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden
+als zij zelf.
+
+"Gij, Antichrist," zei pater Gondo dreigend, "ziet ge wel dat niemand
+aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet?
+
+"Gij zult in de vlammen omkomen."
+
+En hij legde het beeld op den brandstapel.
+
+Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep
+het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen.
+
+Pater Gondo's pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een
+woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro.
+
+Maar de kleine Gandolfo redde het beeld.
+
+Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo
+bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in
+den wagen te werpen.
+
+Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu
+naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen:
+
+"Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche."
+
+'t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en
+opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken.
+
+Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+EEN FRESCO VAN SIGNORELLI.
+
+
+Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij
+den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist
+gevonden had in Christus' gedaante, en hoe deze het volk van Diamante
+verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had
+willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God
+had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en
+socialisme vervallen was.
+
+Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel
+denken.
+
+Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen.
+
+De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om
+pater Gondo's verhaal, hij was diep bedroefd.
+
+"Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld,"
+zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: "Hebt ge
+nooit den dom in Orvieto gezien?"--"Neen, heilige vader."
+
+"Ga naar Orvieto om den dom te zien," zei de paus, "en als ge daar
+geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt."
+
+Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen
+dom.
+
+Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan.
+
+"Wat hebt ge gezien in Orvieto?" vroeg de paus.
+
+Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk
+fresco's gezien had van Luca Signorelli, voorstellende "het laatste
+Oordeel." Maar hij had noch gezien naar "den Dag des Oordeels,"
+noch naar "der Dooden Opstanding."
+
+Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat
+de kerkwachter "de Wonderen van den Antichrist" genoemd had.
+
+"Wat hebt ge daarop gezien?" vroeg de paus.
+
+"Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en
+geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik
+zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus' gelaat
+had gegeven."
+
+"Wat zaagt ge nog meer?" vroeg de paus.
+
+"Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo
+preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten
+legden.
+
+"Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en
+door hem genezen werd.
+
+"Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf
+voor de leer van den Antichrist.
+
+"Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de
+menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze
+geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door
+het vuur."
+
+"Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?" vroeg de paus.
+
+"Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent
+hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen
+zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?"
+
+"Zaagt ge nog meer?"
+
+"Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een
+grooten brandstapel bestegen en verbrand werden.
+
+"Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het
+oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken."
+
+"Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?"
+
+"Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij
+was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus' gedaante
+en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken,
+dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste
+verleiding der wereld worden."
+
+"Begrijpt gij nu," zei de paus, "dat gij mij niets nieuws verteldet? De
+kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust
+met alle deugden van Christus."
+
+"Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?" vroeg
+pater Gondo.
+
+"Zou ik hier jaar na jaar op Petrus' stoel zitten en niet weten,
+dat hij gekomen is?" zei de paus.
+
+"Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde
+voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven
+offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe
+ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: "Denk aan de aarde,"
+zooals vroeger uit het woord: "Denk aan den hemel." Ik wist dat hij,
+dien Signorelli voorspeld had, gekomen was."
+
+Pater Gondo boog zwijgend het hoofd.
+
+"Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?"
+
+"Heilige vader, verklaar me mijn zonde."
+
+De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden
+den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat
+daarachter verborgen was.
+
+"Pater Gondo," zei hij, "het kleine kind, waarmee ge streedt in
+Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus,
+het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist
+noemt, weet gij wie dat is?"
+
+"Neen, heilige vader."
+
+"En hij, die op Signorelli's schilderij zieken genas, rijken bewoog
+afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde
+en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?"
+
+"Neen, heilige vader."
+
+"Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme?
+
+De monnik zag verschrikt op.
+
+"Pater Gondo," zei de paus streng, "toen gij het beeld in uw armen
+hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet
+liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld
+op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is?
+
+"Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote
+volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar
+windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus' voeten, en de
+Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus' namaaksel
+en hem erkennen als zijn heer en meester.
+
+"Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel,
+en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen."
+
+Pater Gondo boog zijn knieën. "Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal
+uitgaan om het beeld te zoeken."
+
+De paus verhief zich majestueus.
+
+"Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de
+wereld laten gaan. We vreezen hem niet.
+
+"En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon
+te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot
+Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen.
+
+"Maar gij handelt verkeerd," vervolgde hij milder, "wanneer gij hem
+haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der
+wereldverlossers?
+
+"Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden
+aangebeden, Christus of Antichrist."
+
+"Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den
+hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten."
+
+Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus.
+
+"Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië
+verhaal.
+
+"Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep,
+Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San
+Pietro uit om te zien of de wereld gereed was.
+
+"Toen San Pietro terugkwam, zei hij:
+
+"Alle menschen weenen, snikken en klagen."
+
+"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en Hij
+werkte verder.
+
+"Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde.
+
+"Alle menschen lachen, jubelen en juichen," zei San Pietro, toen
+hij terugkwam.
+
+"Dan is de wereld nog niet gereed," zei Onze lieve Heer en werkte
+verder.
+
+"San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden.
+
+"Sommigen lachen en sommigen weenen," zei hij toen hij terugkwam.
+
+"Dan is de wereld gereed," zei Onze lieve Heer.
+
+"En zoo zal het zijn en blijven," zei de oude paus, "Niemand kan de
+menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden,
+die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen."
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Wonderen van den Antichrist, by Selma Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST ***
+
+***** This file should be named 36194-8.txt or 36194-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/6/1/9/36194/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/36194-8.zip b/old/36194-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..c216116
--- /dev/null
+++ b/old/36194-8.zip
Binary files differ