summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--34638-8.txt3466
-rw-r--r--34638-8.zipbin0 -> 60910 bytes
-rw-r--r--34638-h.zipbin0 -> 712334 bytes
-rw-r--r--34638-h/34638-h.htm3583
-rw-r--r--34638-h/images/cover.jpgbin0 -> 74507 bytes
-rw-r--r--34638-h/images/ill_pii.pngbin0 -> 288086 bytes
-rw-r--r--34638-h/images/ill_piii.pngbin0 -> 225647 bytes
-rw-r--r--34638-h/images/ill_piiit.pngbin0 -> 26819 bytes
-rw-r--r--34638-h/images/ill_piit.pngbin0 -> 30889 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
12 files changed, 7065 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/34638-8.txt b/34638-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1a2e23a
--- /dev/null
+++ b/34638-8.txt
@@ -0,0 +1,3466 @@
+The Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Judith
+ treurspel in vijf bedrijven
+
+Author: Friedrich Hebbel
+
+Translator: Nico van Suchtelen
+
+Release Date: December 13, 2010 [EBook #34638]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan |
+ | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
+ | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
+ | ~uitgespatieerd~. Tekst in een kleiner lettertype is als |
+ | #kleiner lettertype# weergegeven. |
+ | |
+ | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+ | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven |
+ | als »aanhalingstekens«. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van |
+ | dit e-boek op https://www.gutenberg.org |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+JUDITH
+
+
+
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+ TOONEELBIBLIOTHEEK
+ Onder leiding van L. Simons
+
+
+ HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
+
+
+ UITGEGEVEN DOOR:
+ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
+ GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
+
+
+
+
+[Decoratieve illustratie]
+
+ FRIEDRICH HEBBEL
+
+
+ JUDITH
+
+
+ TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN
+ (1839-1840)
+
+
+ UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR
+ NICO VAN SUCHTELEN
+
+ MET INLEIDING
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Van Friedrich Hebbel is dit het tweede werk, dat wij thans in eene
+vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B.
+verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk
+treurspel _Maria Magdalena_ met twee korte inleidingen.
+
+_Judith_, dat we hier doen volgen in de vertaling door de
+Tooneelvereeniging gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over
+den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De
+Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's
+kunst en Levensbeschouwing.
+
+ REDACTIE T. B.
+
+
+
+
+PERSONEN.
+
+
+ IN HET EERSTE BEDRIJF.
+
+ Holofernes Louis van Gasteren.
+ De Opperpriester Joh. Schmidt.
+ Een Heraut Carel Rijken.
+ Een Soldaat Fré Williams.
+ 1ste Hopman H. K. Teune.
+ 2de Hopman Jac. van Hoven.
+ Gezant van Lydië Joh. Brandenburg Jr.
+ Gezant van Mesopotamië G. J. van Staalduynen.
+ Achior Jaap van der Poll.
+
+ IN HET TWEEDE BEDRIJF.
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Mirza Lize Hamel.
+ Ephraïm Joh. Timrott.
+
+ IN HET DERDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Mirza Lize Hamel.
+
+ IN HET DERDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Mirza Lize Hamel.
+ Ephraïm Joh. Timrott.
+ Ammon Joh. Brandenburg Jr.
+ Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge.
+ Ben Jac. van Hoven.
+ Samuël G. Pilger.
+ Z'n kleinzoon Carel Rijken.
+ Een Priester Joh. Schmidt.
+ Assad G. J. van Staalduynen.
+ Daniël Adolf Bouwmeester.
+ Samaja H. K. Teune.
+ Josua Fré Williams.
+ Achior Jaap van der Poll.
+
+ IN HET VIERDE BEDRIJF.
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Holofernes Louis van Gasteren.
+ Mirza Lize Hamel.
+ 1ste Hopman H. K. Teune.
+ 2de Hopman Jac. van Hoven.
+ 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge.
+
+ IN HET VIJFDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Holofernes Louis van Gasteren.
+ Mirza Lize Hamel.
+ 1ste Hopman H. K. Teune.
+ 2de Hopman Jac. van Hoven.
+ 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge.
+ Een Dienaar Carel Rijken.
+ Ephraïm Johan Timrott.
+
+ IN HET VIJFDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).
+
+ Judith Julia Cuypers.
+ Mirza Lize Hamel.
+ Ephraïm Johan Timrott.
+ Ammon Joh. Brandenburg Jr.
+ Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge.
+ Ben Jac. van Hoven.
+ Een Priester Joh. Schmidt.
+ Josua Fré Williams.
+ Een Moeder Marie Faassen.
+ Een Bewaker Carel Rijken.
+
+ Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk.
+
+#De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4den
+November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande
+rolverdeeling.#
+
+
+
+
+EERSTE BEDRIJF.
+
+
+#(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den
+veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd
+door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).#
+
+(_De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent.
+Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de
+muziek verstomt_).
+
+~Holofernes.~ Het offer!
+
+~Opperpriester.~ Voor welken god?
+
+~Holofernes.~ Wien werd gisteren geofferd?
+
+~Opperpriester.~ Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op
+Baal.
+
+~Holofernes.~ Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen,
+dien gij allen kent en toch niet kent.
+
+~Opperpriester~ (_met luider stem_). Holofernes beveelt dat wij aan
+een god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen!
+
+~Holofernes~ (_lachend_). Dat is de god dien ik het meest vereer.
+_(Er wordt geofferd)._
+
+~Holofernes.~ Trawant!
+
+~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?
+
+~Holofernes.~ Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te
+beklagen, trede voor. Roep het uit!
+
+~Heraut~ (_door de rijen der soldaten gaande_). Wie zich te beklagen
+heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren.
+
+~Een soldaat.~ Ik klaag mijn hopman aan!
+
+~Holofernes.~ Waarvan?
+
+~De soldaat.~ Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin
+buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet
+durfde aan te raken. De hopman komt tegen den avond in mijn tent,
+terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat
+ze zich tegen hem verzet.
+
+~Holofernes.~ De beschuldigde hopman is des doods! (_tot een ruiter_)
+Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het
+eerst.
+
+~De soldaat.~ Gij wilt mij doen dooden met hem?
+
+~Holofernes.~ Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel
+uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken
+toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor
+de klachten der hoplieden zelf?
+
+~De soldaat.~ Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù
+geven.
+
+~Holofernes.~ Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat
+zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor
+als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik
+ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten
+wijn, voor je gedood wordt. Voort! (_De soldaat wordt door den ruiter
+weggeleid naar den achtergrond_).
+
+~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Laat de kameelen toomen!
+
+~Hopman.~ Het is reeds geschied.
+
+~Holofernes.~ Had ik het bevel dan al gegeven?
+
+~Hopman.~ Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven
+zoudt.
+
+~Holofernes.~ Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het
+hoofd te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe!
+Mijn wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit!
+
+~Hopman.~ Vergeving! (_af_).
+
+~Holofernes~ (_alleen_). Dàt is de kunst: zich niet laten raden,
+eeuwig een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de
+zee bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur
+verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur
+al door en door kennen en nu heeft het voor iederen schooier zijn
+kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft
+haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar
+hun schaduw.--Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en
+gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren
+uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar
+mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen
+die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag
+tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden
+getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten.
+Ik zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als
+een voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al
+dit armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond;
+alsof zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen,
+dat ik hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer.
+Maar inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen,
+trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur
+dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen
+slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen;
+ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op
+hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets
+dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar
+met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet
+meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid.
+Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik
+haar hem weer afnemen!
+
+~Een hopman.~ Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning.
+
+~Holofernes.~ Breng hem dadelijk bij mij! (_voor zich_). Nek, zijt ge
+nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen
+niet verleert!
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en
+heerschappij gegeven is van opgang tot ondergang, biedt zijn veldheer
+Holofernes den groet des Gezags.
+
+~Holofernes.~ Deemoedig wacht ik zijn bevelen.
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem
+worden vereerd.
+
+~Holofernes~ (_trotsch_). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit
+genomen, toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen
+had.
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de
+altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen.
+
+~Holofernes.~ Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak.
+Maar niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt
+zijn blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen
+beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen
+grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (_luid_) Nebucad Nezar
+heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad!
+
+~Bode.~ Wij zijn de goden daarvoor dankbaar.
+
+~Holofernes.~ Hemzelf, wilt ge zeggen.
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij
+zonsopgang een offer brenge.
+
+~Holofernes.~ Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij
+zonsondergang aan hem denken.
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge
+uzelf zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen.
+
+~Holofernes.~ Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden
+uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn
+leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings
+en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden.
+
+~Bode.~ Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen
+en dat hij nog veel voor u te doen had.
+
+~Holofernes.~ Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het
+beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (_Bode af_). Trawant!
+
+~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?
+
+~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit!
+
+~Heraut~ (_door de rijen der soldaten loopend_). Er is geen god buiten
+Nebucad Nezar! (_Een opperpriester gaat voorbij_).
+
+~Holofernes.~ Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen?
+
+~Priester.~ Ja.
+
+~Holofernes.~ Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout
+schenk ik u.
+
+~Priester.~ Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb?
+
+~Holofernes.~ Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge
+slaat den god stuk of ge hangt uzelf op.
+
+~Priester.~ Ik zal hem stuk slaan. (_voor zich_) Baal draagt gouden
+armbanden.
+
+~Holofernes~ (_alleen_). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij
+hij, omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot
+eere brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb
+ik het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel;
+een god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal
+hij toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover
+haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van
+huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak,
+te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het
+doodsuur een jubelkreet af te dwingen!--Nebucad Nezar weet het zich
+gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik
+moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (_De opperpriester
+gaat weer voorbij_). Is Baal verbrijzeld?
+
+~Priester.~ Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven!
+
+~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de
+gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons
+goud en ge hebt drie dagen tijd.
+
+~Priester.~ Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (_Af_).
+
+~Hopman.~ Gezanten van een koning smeeken om gehoor!
+
+~Holofernes.~ Van welken koning?
+
+~Hopman.~ Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u
+verdeemoedigden, onmogelijk onthouden!
+
+~Holofernes~ (_werpt hem een gouden ketting toe_). De eerste
+onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (_De gezanten komen op
+en werpen zich voor Holofernes ter aarde_).
+
+~Gezant.~ Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen,
+wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken.
+
+~Holofernes.~ Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet
+éérgisteren?
+
+~Gezant.~ Heer!
+
+~Holofernes.~ Was de afstand te groot, of de eerbied te klein?
+
+~Gezant.~ Wee ons!
+
+~Holofernes~ (_voor zich_). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap
+tegen Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te
+verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden!
+(_luid_). Staat op en zegt uwen koning...
+
+~Hopman~ (_op_). Gezanten uit Mesopotamië!
+
+~Holofernes.~ Breng ze binnen. (_De gezanten op, zij werpen zich ter
+aarde_).
+
+~Gezant uit Mes.~ Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn
+onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen.
+
+~Holofernes.~ Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet.
+
+~Gezant uit Mes.~ Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich
+op iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade.
+
+~Holofernes.~ Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang
+getalmd.
+
+~Gezant uit Mes.~ Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte.
+
+~Holofernes.~ Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst
+voor mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden.
+
+~Gezant uit Mes.~ Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij,
+dat de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich
+verschanst hebben.
+
+~Holofernes.~ Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de
+onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van
+diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden.
+(_tot de Lybische gezanten_) Meldt gij uw koning hetzelfde! (_tot de
+Mesopotamische gezanten_) Wie zijn die Hebraeërs?
+
+~Gezant uit Mes.~ Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet
+het reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog
+beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij
+niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en
+wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden,
+van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte.
+
+~Holofernes.~ Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning
+heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking?
+
+~Gezant uit Mes.~ Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten
+niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met
+vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst
+vechten zij met ons.
+
+~Holofernes.~ Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt
+beantwoorden? (_Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na
+kniebuiging en nedervallen_) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten
+moeten vòòrkomen! (_Heraut af_) Ik acht een volk dat mij tegenstand
+wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (_De
+hoplieden op, onder hen Achior_).
+
+~Holofernes.~ Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist?
+
+~Achior.~ Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee
+gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer
+en zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen
+god stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed
+bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk
+is dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij
+dat verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch
+bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan
+is het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten
+vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat
+het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg
+loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt
+een koele dronk.
+
+~Holofernes.~ Hoe heet hun god?
+
+~Achior.~ Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te
+spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden.
+
+~Holofernes.~ Welke steden hebben zij?
+
+~Achior~ (_wijzend op de stad in het gebergte_). De stad die het
+dichtst bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun
+hoofdstad heet Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun
+god gezien. Hij heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen
+ik er bewonderend vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en
+mij omlaag drukte; ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist
+hoe het kwam. Ze hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond,
+voelde ik een onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden.
+En daarop staat de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en
+vertelde mij dit, ik weet niet of ze het deed uit medelijden met
+mijn jeugd of uit vrees voor de verontreiniging des tempels door een
+heiden.--Luister nu naar mij, o Heer, en acht mijn woorden niet
+gering. Laat uitvorschen of dit volk ook tegen zijn god gezondigd
+heeft; en is dat zoo, laat ons dan er op los trekken; dan zal hun god
+ze zeker aan u overleveren en zult ge ze gemakkelijk onder den voet
+krijgen. Maar hebben ze nìet tegen hun god gezondigd, keer dan om;
+want hun god zal hen beschermen en wij zullen tot spot worden voor het
+geheele land. Gij zijt een geweldìg held, maar hun god is te machtig;
+en al kan hij niemand tegenover u stellen die u evenaardt, zoo kan hij
+u toch dwingen tegen uzelf in opstand te komen en u met eigen hand uit
+den weg te ruimen.
+
+~Holofernes.~ Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon
+u straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen.
+Maar ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben.
+Wat den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert
+hem ongedeerd tot hen! (_het geschiedt_) En wie hem, bij de inneming
+der stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn
+gewicht in goud betalen. (_met verheffing van stem_) En nu, op naar
+Bethulië! (_De stoet zet zich in beweging_).
+
+
+
+
+TWEEDE BEDRIJF.
+
+
+(_Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw_).
+
+~Judith.~ Wat denk je van dien droom?
+
+~Mirza.~ Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.
+
+~Judith.~ Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist
+ik niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na;
+dan was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik
+tegen mijzelf en liep nog sneller dan eerst.
+
+~Mirza.~ Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.
+
+~Judith~ (_zonder naar haar te luisteren_). Plotseling stond ik op
+een hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch;
+de zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar
+boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar
+schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik
+was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde
+voorwaarts. »God, God,« riep ik in mijn angst. »Hier ben ik,« klonk
+het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte
+armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand
+dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was
+te zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem
+weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...
+
+~Mirza.~ Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?
+
+~Judith.~ 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke
+droomen moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor:
+als een mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn
+zelfbewustzijn; dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten
+en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als
+schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend.
+Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast;
+dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en
+voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men
+kort voor zijn dood nog wel zou droomen.
+
+~Mirza.~ Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?
+
+~Judith.~ Omdat ik gruw van mannen.
+
+~Mirza.~ En u hebt toch zelf een man gehad!
+
+~Judith.~ Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was
+krankzinnig!
+
+~Mirza.~ Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?
+
+~Judith.~ Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet
+bang wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een
+gruwelijk, ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar
+was ik toen ik tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel
+herinneren, je volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd
+ik angstiger; nu eens dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan
+dat ik eerst moest beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo
+verleidelijk, men kòn hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn
+sluier op alsof hij zeggen wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem
+vast, want ik voelde hoe mijn gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn
+vader liep naast mij, hij was heel ernstig en sprak veel waar ik niet
+naar luisterde. Soms zag ik naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal
+er stellig anders uitzien. Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart
+er immers ook bij?
+
+~Mirza.~ Ik schaamde mij met u.
+
+~Judith.~ Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij
+met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te
+noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen
+en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en
+olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als
+een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam
+Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en
+driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar
+het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of
+mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg.
+
+~Mirza.~ U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen
+sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van.
+
+~Judith.~ Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel
+wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek
+binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als
+een zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo
+alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde
+ze uitdooven. »Niet doen, niet doen,« vroeg ik smeekend. »Dwaas kind,«
+zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de
+lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde
+het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer
+en zei: »Het derde doof ik zelf.« »Gauw, gauw dan,« riep ik, want
+het liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder
+de kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het
+gelaat. Manasses riep: »Ik zie je zoo duidelijk als overdag,« en
+meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof
+de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had
+vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. »Kom, kom!« riep ik, zonder mij
+er over te schamen dat ik dit deed. »Ik kan niet,« antwoordde hij
+dof en traag. »Ik kan niet,« herhaalde hij nog eens en staarde mij
+vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het
+venster en zei wel tienmaal achter elkaar »Ik kan niet.« Hij scheen
+niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben.
+
+~Mirza.~ Ongelukkige!
+
+~Judith.~ Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als
+verontreinigd, ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve,
+teere woorden; ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van
+te komen, begon hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen,
+het was mij of ik in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste
+wroette ik mij in als in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam
+aan, mijzelf in den slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik
+ontwaakte. Den volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek
+mij met eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik
+had wel willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik
+barstte in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag
+mij donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen
+woord sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een
+hoek. »Bah!« riep hij plotseling luid en boos. »Judith is een engel!«
+voegde hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem
+mijn mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te
+zijn. (_Na een lange pauze_). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest...
+hij heeft mij nooit aangeraakt.
+
+~Mirza.~ En...
+
+~Judith.~ Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij
+bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets
+duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking
+die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen,
+uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl
+in mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den
+gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag
+lag hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof
+gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het
+scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde.
+Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim
+niet meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben het hem
+te vragen. »Manasses,« zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog,
+»wat was dat in onzen huwelijksnacht?« Zijn donkere oogen waren al
+dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want
+hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen.
+Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: »Ja, ja, ja... nù mag ik het je
+zeggen; je...« Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de
+Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (_Na een lang
+zwijgen_). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik
+ophoud Manasses voor krankzinnig te houden?
+
+~Mirza.~ Ik huiver.
+
+~Judith.~ Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het
+weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en
+begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik
+zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te
+redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen
+in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in
+den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water.
+
+~Mirza~ (_gedwongen afleidend_). Op zulke oogenblikken moest u liever
+eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en
+schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht
+nemen.
+
+~Judith.~ O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter
+is het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen
+bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden;
+mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige
+dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn
+de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en
+toch ook geen vrouw.
+
+~Mirza.~ Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man
+jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten?
+
+~Judith~ (_zeer ernstig_). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn
+schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood!
+
+~Ephraim~ (_haastig binnentredend_). Ha, ge zit daar zoo kalm,
+terwijl Holofernes voor de stad staat!
+
+~Mirza.~ Dan zij God ons genadig!
+
+~Ephraim.~ Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb,
+zou je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik
+inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van
+kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en
+poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al
+die gruwelen konden zien!
+
+~Judith.~ Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen.
+
+~Ephraim.~ Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu
+niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te
+weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is
+een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt...
+
+~Judith.~ Laat hij licht opsteken.
+
+~Ephraim.~ Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in
+brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan
+anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar
+bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn
+vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn
+kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een
+struisvogel-ei kunt bakken?
+
+~Judith.~ Ik zou hem willen zien! (_voor zich_) Wat heb ik daar
+gezegd?
+
+~Ephraim.~ Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen
+door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard.
+Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om
+jouwentwil gekomen zijn!
+
+~Judith~ (_glimlachend_). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar
+naar hem toe te gaan en stad en land waren gered!
+
+~Ephraim.~ Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken.
+
+~Judith.~ En waarom niet? Ééne voor allen; en nog wel eene die zich
+altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet
+om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij
+geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met
+zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo
+werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om
+hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk.
+
+~Ephraim~ (_voor zich_). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst
+aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij
+als gevonnist wanneer ik haar in de oogen zie. Ik hoopte dat zij in
+dezen algemeenen nood naar een beschermer zou uitzien, en wie was haar
+dan nader dan ik? (_luid_) Judith, je bent zòò moedig, dat je ophoudt
+mooi te zijn.
+
+~Judith.~ Als je een man bent, moog je mij dit zeggen.
+
+~Ephraim.~ Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk, Judith,
+er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die wonen in
+hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader, broeder
+noch man hebt?
+
+~Judith.~ Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger
+maken?
+
+~Ephraim.~ Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en
+als de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen,
+zou ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes?
+
+~Judith.~ Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan.
+
+~Ephraim.~ Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en
+waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het
+al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken,
+want mijn bloed zou het hebben doen roesten.
+
+~Judith.~ Geef hier! (_Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij
+terugtrekt_) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je
+siddert voor een prik in je hand!
+
+~Ephraim.~ Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor jou, en ik heb nu
+mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou!
+Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is
+in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap
+de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare
+macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet
+waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te
+maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt.
+
+~Judith~ (_reikt hem de hand_).
+
+~Ephraim.~ Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt
+het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je
+wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed
+als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen
+dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid
+mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een
+dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen.
+Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt,
+welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt
+waarheid is?
+
+~Mirza.~ Voelt ge 't niet, Judith?
+
+~Judith.~ Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven,
+opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven.
+
+~Ephraim.~ Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag
+verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn
+waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken.
+
+~Judith.~ Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden
+scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een
+van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen
+zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in
+mijn eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.--Ephraim, ik
+heb je pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer
+beminnenswaardig zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik
+je bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je
+mij nu niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken
+heb, de Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel
+staat; wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te
+volvoeren!--Ga heen... doodt Holofernes!--Daarna, daarnà eisch van mij
+het loon dat je verlangt.
+
+~Ephraim.~ Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe
+zou dat kunnen?
+
+~Judith.~ Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik
+weet alleen dat het mòet!
+
+~Ephraim.~ Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem.
+
+~Judith.~ Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend
+oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt,
+schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond,
+daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat.
+
+~Ephraim.~ Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik
+het wagen. Maar nu...
+
+~Judith.~ Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de
+tinnen des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten
+aantrekken om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten.
+Want je wilt wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar
+eersten toorn en waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke
+geboorte van haar eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen
+zal, tenzij slechts om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in
+gefolterden droom.
+
+~Ephraim.~ Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch
+je het ondenkbare.
+
+~Judith~ (_gloeiend_). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een
+gedachte brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die
+jij lief hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je
+wederliefde te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is
+voor jou niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt?
+Kijk, als je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig naar je
+zwaard gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig
+vaarwel; dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg
+geworpen; ik zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van
+een hart dat siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden
+hebben of ik zou je gevolgd zijn.--Maar nu? Ah! ik ben meer dan
+gerechtvaardigd; je liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij
+werd je vloek om je te verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij
+betrapte op ook maar een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en
+al, ik begrijp zelfs dat het hoogste voor jou lijken moet als het
+meest gewone, dat je moet glimlachen als ik bid.
+
+~Ephraim.~ Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het
+onmogelijke mogelijk maakt.
+
+~Judith.~ Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen?
+En als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle
+mannen in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te
+vermijden, dàn heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad,
+dàn... ah! ik heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij
+mogelijk is!
+
+
+
+
+DERDE BEDRIJF.
+
+
+(_Vertrek van Judith_).
+
+~Judith~ (_zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid,
+ineengedoken terneer_).
+
+~Mirza~ (_treedt binnen en blijft naar haar kijken_). Zoo zit zij nu
+al drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt
+niet. Ze zucht of klaagt niet eens. »'t Huis staat in brand!«
+schreeuwde ik haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van
+streek was. Zij vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat
+zij het liefst zou hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel
+dichtspijkerde en wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar
+zegt er toch niets op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen?
+
+~Judith~ (_wenkt haar met de hand om heen te gaan_).
+
+~Mirza.~ Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om
+u vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij
+aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag
+zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en
+nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar
+vrees te vergeten. (_Af_).
+
+~Judith~ (_op de knieën vallend_). God, God! Het is mij of ik u bij
+een slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te
+zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik
+adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet
+tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie,
+hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met
+angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen.
+Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was
+het niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken wildet voor uw
+uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief
+de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk
+op mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag
+ik dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het
+hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk
+van zijn armzaligheid schuilkroop. »Jij bent 't, jij bent 't!« riep ik
+mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed
+nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot
+het hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen
+binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel
+zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat
+ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten
+mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts
+ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet
+van u. Of kwam zij wél van u? (_zij springt op_) Zij kwàm van u! De
+weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj
+maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij
+tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik
+daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te
+onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik
+mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of
+er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven,
+nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom
+en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te
+hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen!
+(_zij treedt voor den spiegel_) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt
+u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en
+mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en
+zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt;
+kussen moet ge de Ontzetting (_zij gaat van den spiegel heen_).
+Holofernes! dit alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb
+mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als
+ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit
+mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven
+mij doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het
+geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik
+u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige
+gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie!
+
+~Mirza~ (_binnen komend_). Riept ge mij, Judith?
+
+~Judith.~ Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien.
+
+~Mirza.~ Wilt ge niet eten?
+
+~Judith.~ Neen, ik wil dat je mij aankleedt.
+
+~Mirza.~ Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden.
+
+~Judith.~ Jij?
+
+~Mirza.~ Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik:
+dan wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen
+medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't
+u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen.
+
+~Judith.~ Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was.
+
+~Mirza.~ Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste
+keer zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn
+opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te
+bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar
+naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst
+te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron
+kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al
+in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand
+was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het
+gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar
+een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat.
+
+~Judith.~ O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan,
+de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar
+ontrooft den menschen niet, midden in den overvloed der natuur, het
+meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald.
+
+~Mirza.~ Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien
+hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd.
+
+~Judith.~ Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als
+zij iets goeds willen doen.
+
+~Mirza.~ Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem.
+
+~Judith.~ Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van
+iederen man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je
+er een ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man
+kan een ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't
+een kruk als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er
+een noodig hebt.
+
+~Mirza.~ Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou
+gehoorzamen?
+
+~Judith.~ Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die
+daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik
+sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden
+zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn
+hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet.
+
+~Mirza.~ Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen?
+
+~Judith.~ Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet
+raken. Doel... oog... hand... zoo moet het! (_met een blik ten hemel_)
+O, ik zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt
+om te broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend
+openging, moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga
+eten en tooi mij daarna.
+
+~Mirza.~ Ik wacht zoolang als gij wacht!
+
+~Judith.~ Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar
+daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor
+een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht.
+(_Af_).
+
+
+#(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers,
+gewapend).#
+
+~Een burger~ (_tot een ander_). Wat zeg je, Ammon?
+
+~Ammon.~ Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard,
+die zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te
+vreezen en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten
+staat?
+
+~Hosea.~ Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog
+was. Door spreken krijg je nog erger dorst.
+
+~Ammon.~ Je hebt gelijk.
+
+~Ben~ (_een derde burger_). Je komt er nog toe jezelf te benijden om
+die paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf
+als een vat kunnen aftappen. (_hij steekt den vinger in den mond_).
+
+~Hosea.~ Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger
+vergeet.
+
+~Ammon.~ Nu, te eten hebben we nog wel.
+
+~Hosea.~ Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons
+dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen
+dragen.
+
+~Ammon.~ Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.
+
+~Hosea.~ In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten
+op de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de
+schransen altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet
+hen maar de ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt;
+komen zij om, dan is 't ook een voordeel.
+
+~Ammon~ (_geeft hem een oorvijg_).
+
+~Hosea.~ Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud
+dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal
+bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.
+
+~Ammon.~ Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem
+smeden uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor
+die, welke je morgen krijgt.
+
+~Ben.~ Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je
+dadelijk naar de wallen moet.
+
+~Ammon.~ Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met
+elkaar twisten, denken we niet aan onze ellende.
+
+~Ben.~ Komt, komt, we moeten hier vandaan.
+
+~Ammon.~ Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor
+Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.
+
+~Ben.~ Dan zou ìk hem dooden. (_Alle drie af_).
+
+(_Twee andere burgers_).
+
+~Een burger.~ Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?
+
+~Ander burger.~ Ja.
+
+~Een burger.~ Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.
+
+~Ander burger.~ Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken
+te bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. »Heb je
+gehoord,« vraagt hij dien, »wat ik gezegd heb?« »Neen« antwoordt de
+vent. »Dat is je geluk,« zegt de tyran, »anders liet ik je je kop
+afslaan, omdat er ooren aanzitten«.
+
+~Een burger.~ Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo
+iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar
+half doodt, niet heelemaal.
+
+~Ander burger.~ Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij
+zulk een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (_zij gaan
+voorbij_).
+
+(_Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt
+op_).
+
+~Kleinzoon.~ Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt
+eeuwiglijk.
+
+~Samuel.~ Eeuwiglijk! (_hij gaat op een steen zitten_) Samuel dorst,
+mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?
+
+~Kleinzoon.~ Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij
+het vergeten!
+
+~Samuel.~ De psalm! luider! Waarom blijf je steken?
+
+~Kleinzoon.~ Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of
+ge een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud
+om te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.
+
+~Samuel~ (_boos_). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel
+noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn
+kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?
+
+~Kleinzoon~ (_zeer luid_). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken,
+de heidenen hebben groote macht over Israël!
+
+~Samuel~ (_opstaand_). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij
+golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder
+danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den
+weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip
+joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's
+muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in
+zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen
+niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen?
+Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk
+Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt
+te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige
+verdelgt worde met den schuldige. (_hij grijpt zich in den baard_)
+Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen,
+diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam
+Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting
+toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van
+den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot
+zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.
+
+~Kleinzoon.~ Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de
+zoon van Ham.
+
+~Samuel.~ Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn
+deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren
+en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de
+pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging
+voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij
+had den moed niet haar te roepen.
+
+~Kleinzoon.~ Kom, kom! (_hij leidt hem terzijde_).
+
+~Samuel.~ Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn
+broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop
+uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!
+
+~Kleinzoon.~ Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn
+broeder, het gansche geslacht.
+
+~Samuel.~ Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat
+de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee,
+wee! (_de kleinzoon leidt hem weg_).
+
+(_Twee burgers_).
+
+~Eerste burger.~ Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er
+zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs
+dagelijks een paar keer wasschen.
+
+~Tweede burger.~ O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets
+vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in
+zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer
+dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als
+een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een
+beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met
+een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er
+goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn
+naaste.
+
+~Eerste burger.~ Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet
+als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?
+
+~Tweede burger.~ Wat?
+
+~Eerste burger.~ Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (_gaan
+voorbij_).
+
+(_Een der ouderlingen op_).
+
+~Ouderling.~ Hoort, hoort! mannen van Bethulië (_het volk verzamelt
+zich om hem heen_). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door
+mijn mond weten doet!
+
+~Assad~ (_een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand
+leidend_). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn
+zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.
+
+~Een ander burger.~ Laster niet!
+
+~Assad.~ Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de
+bron kan scheppen.
+
+~Ouderling.~ Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het
+zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen
+voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.
+
+~Assad.~ Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?
+
+~Ouderling.~ Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom
+des Heeren in gevaar ìs.
+
+~Assad.~ Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op
+neer dat wij Hèm beschermen moeten.
+
+~Ouderling.~ En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u
+laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en
+kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.
+
+~Assad.~ Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen
+uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb,
+die tot mijn schande rondloopen? (_tot den ouderling_) Man, je lippen
+beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden,
+waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van
+ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit
+naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te
+openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor
+mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de
+vrouwen en kinderen. (_omstanders geven teekenen van instemming_) Geef
+het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.
+
+~Daniël~ (_zich losrukkend_). Steenigt hem! Steenigt hem!
+
+~Volk.~ Was die man niet stom?
+
+~Assad~ (_vol ontzetting zijn broeder aanziend_). Stom en blind! Hij
+is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord
+gesproken.
+
+~Daniël.~ Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs
+en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft
+voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe
+broeder. (_zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer
+als door ontzetting aangegrepen van zich weg_) Steenigt hem! Steenigt
+hem!
+
+~Assad.~ Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den
+stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (_Het volk achtervolgt hem, hem
+steenigend_).
+
+~Samaja~ (_hen verschrikt naloopend_). Wat wilt ge doen! (_Af_).
+
+~Daniël~ (_in vervoering_). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge
+moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet
+wanneer het tijd is.
+
+~Volk.~ Een profeet, een profeet!
+
+~Daniël.~ Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd.
+Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik
+zeg u, dat zal nooit geschieden! (_Judith en Mirza verschijnen onder
+de burgers_).
+
+~Volk~ (_zich ter aarde werpend_). Heil ons!
+
+~Daniël.~ En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig
+noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen
+bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (_na een
+pauze_) Broeder, je hand!
+
+~Samaja~ (_terugkeerend_). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord!
+Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered;
+wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen
+die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. »Zorg voor Daniël!« riep
+hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. »Als een
+gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.«
+
+~Daniël~ (_wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt_).
+
+~Samaja~ (_tot het volk_). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en
+schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u
+allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt
+ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den
+ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft
+gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er
+in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier
+verried hij zijn afschuw. (_tot den ouderling_) Al wat mijn vriend
+eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping
+op genade of ongenade. (_tot Daniël_) Laat nu zien dat de Heer uit je
+sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!
+
+~Daniël~ (_in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet_).
+
+~Samaja.~ Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken
+wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor
+eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze
+tot broedermoordenaars te maken.
+
+~Daniël~ (_slaat zichzelf_).
+
+~Judith~ (_tusschen het volk tredend_). Laat u niet in verzoeking
+brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in
+heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat
+men uw diepste gevoel liegen heet?
+
+~Samaja.~ Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt?
+Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (_tot
+Daniël_) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den
+muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog
+op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.
+
+~Volk.~ Hij heeft gelijk!
+
+~Judith~ (_tot Samaja_). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien
+Hij gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?
+
+~Samaja.~ Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen
+onder onze vaderen, onze vaderen waren beter dan wij. Als Hij nù
+wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom
+bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den
+aftocht te bewegen?
+
+~Een burger~ (_op Daniël indringend_). Sterf, zondaar, die ons er toe
+verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.
+
+~Samaja~ (_tusschen beiden tredend_). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo
+sprak de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in
+mij. En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog
+tot morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht
+dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij
+neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u
+zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht
+uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes
+zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat
+alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij
+hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote
+moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den
+vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich
+eerst te laten bidden. (_grijpt Daniël bij de hand_) Den stomme neem
+ik mee naar mijn huis. (_voor zich_) Neen zeker, de stad, die zijn
+broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik
+zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand
+duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in
+naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd.
+Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (_met
+Daniël af_).
+
+~Volk~ (_door elkaar_). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat
+geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen
+de poorten openen. Komt!
+
+~Josua~ (_een burger_). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet
+verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds
+gebogen nekken weer trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de
+wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?
+
+~Volk.~ Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?
+
+~Judith.~ O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets
+tot iets gemaakt hebben!--(_luid_) Ziet ge in het ongeluk dat u treft
+slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?
+
+~Josua~ (_tusschen de burgers rondgaande_). Toen ik van Holofernes'
+tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om
+genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (_allen
+zwijgen_) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen;
+had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen
+weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft
+genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te
+vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een
+vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.
+
+~Volk.~ Wee, wee!
+
+~Josua.~ En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd
+hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen
+en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den
+eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen
+en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je
+de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet,
+dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.
+
+~Volk.~ Zal dat ons redden?
+
+~Judith.~ Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan
+verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.
+
+~Volk.~ Zou het werkelijk helpen?
+
+~Josua.~ Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand
+af.
+
+~Volk.~ Je hebt gelijk. Dat is de weg.
+
+~Josua~ (_tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken_). Wat zeg je
+daarvan?
+
+~Ouderling.~ Ik zou er zelf den raad toe geven als 't helpen kon. Ik
+ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot
+mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het
+er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik
+zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar
+als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk
+u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en
+het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd,
+dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen,
+van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér
+ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te
+tellen?
+
+~Judith~ (_woest_). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te
+slaan, zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen?
+O, nu zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad
+leiden, nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd
+éér het al deze hoofden had afgemaaid!
+
+~Josua.~ De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij
+zich niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat
+op een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen
+enkel geslacht zou worden. (_tot Judith_) U zult stellig de eenige
+niet zijn die hij geroerd heeft.
+
+~Judith.~ Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch
+te schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar
+zijn zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te
+beletten; maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal
+uit zijn gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.
+
+~Ouderling.~ Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het
+gemunt.
+
+~Volk.~ Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.
+
+~Judith.~ Hebt dank.
+
+~Josua.~ Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch
+zeker staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit
+zoo wreed kan zijn als een die ze zelf moet openen. (_tot den
+ouderling_) Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn
+voorstel, dat wil zeggen morgen, als ik dan nog leef.
+
+~Judith~ (_tot den ouderling_). Zeg neen!
+
+~Ouderling.~ Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan
+moet komen.
+
+~Achior~ (_tusschen het volk tredend_). Zet maar open, maar verwacht
+geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het
+laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er
+geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.
+
+~Judith.~ Dat heeft hij gezworen?
+
+~Achior.~ Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge
+daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van
+uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te
+slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò
+weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en
+wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen
+omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk
+kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij
+voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij
+u heeft toegedacht.
+
+~Volk.~ We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten
+sterven, dan hebben we zelf nog zwaarden!
+
+~Josua.~ Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde
+komen.
+
+~Volk.~ Een tijd, een tijd!
+
+~Ouderling.~ Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt
+de hulp des Heeren.
+
+~Judith.~ En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?
+
+~Ouderling.~ Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het
+in deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop
+beleven.
+
+~Judith~ (_plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit_). Dus binnen
+vijf dagen moet hij sterven!
+
+~Ouderling.~ Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te
+houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de
+olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!
+
+~Judith.~ Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste
+aan? (_tot het volk_) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine
+bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene
+moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten
+drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.
+
+~Ouderling.~ Ge ziet het, niemand antwoordt.
+
+~Judith~ (_tot het volk_). Wat moet ik hiervan denken? (_na een
+pauze_) En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op
+te nemen tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo
+vermetel zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand
+uit te strekken naar zijn altaarspijzen.
+
+~Ouderling.~ Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat
+andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der
+stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den
+dood.
+
+~Judith.~ David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David,
+zoo wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.
+
+~Een uit het volk.~ Waarom luisteren we toch naar haar?
+
+~Ander.~ Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?
+
+~Een derde.~ Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het
+ons goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in
+het openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù,
+nu we op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt
+tusschen ons om ons moed in te spreken.
+
+~Vorige.~ Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij
+ééns gezegd heeft? »Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den
+armen.« En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij
+alleen daarom geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden
+de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het
+om harentwil!
+
+~Judith~ (_tot Achior_). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.
+
+~Achior.~ Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik
+hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij
+toeriep: »Doodt mij, anders dood ik jou!«... ik weet niet wat ik zou
+doen.
+
+~Judith.~ Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij
+gelaten.
+
+~Achior.~ Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het
+bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering
+hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot
+zijn vijanden stuurt.
+
+~Judith.~ Hij is een tyran.
+
+~Achior.~ Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt
+zichzelf en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik
+met hem door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan
+een kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de
+sporen, maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg:
+»hij is bodemloos«. »Ik wil ook niet er in, maar er òver!« roept hij
+en waagt den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer
+omgekeerd en naast mij. »Ik dacht daar een bron te zien,« zeide hij,
+»en wilde drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar
+verslapen.« Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn
+paard en slaapt. Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af,
+raakte zijn gewaad aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon,
+dat hij schaduw had. Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat
+ik hem prijs wanneer ik over hem spreek.
+
+~Judith.~ Houdt hij van vrouwen?
+
+~Achior.~ Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.
+
+~Judith.~ Vloek over hem!
+
+Achior. Wat zegt ge?--Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen
+volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn
+slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed
+gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.
+
+~Judith.~ En wat deed hij?
+
+~Achior.~ Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.
+
+~Judith.~ Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te
+denken om moed te hebben als een man.
+
+~Achior.~ Wat hebt ge?
+
+~Judith.~ O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet
+vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij
+onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer
+op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult
+ge betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de
+jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn
+armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden
+beschermen! (_tot Achior_) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?
+
+~Achior.~ Nooit zag men uwsgelijke.
+
+~Judith~ (_tot den ouderling_). Ik heb iets bij Holofernes te doen.
+Wilt ge de poort voor mij doen openen?
+
+~Ouderling.~ Wat zijt ge van plan?
+
+~Judith.~ Niemand mag het weten als de Heer onze God.
+
+~Ouderling.~ Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.
+
+~Ephraim.~ Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!
+
+~Judith~ (_tot Mirza_). Heb je moed mij te vergezellen?
+
+~Mirza.~ Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.
+
+~Judith.~ En heb je gedaan wat ik je beval?
+
+~Mirza.~ Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.
+
+~Judith.~ Het is nog te veel.
+
+~Ephraim~ (_voor zich_). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar
+woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.
+
+~Judith~ (_gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het
+volk_) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen
+kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (_Zij gaat op de poort
+toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve
+Ephraim, op de knieën_).
+
+~Ephraim.~ Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf
+beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze
+het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen.
+Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder
+dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (_af_).
+
+~Delia~ (_in groote ontsteltenis op_). Wee, wee!
+
+~Een ouderling.~ Wat is er?
+
+~Delia.~ De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!
+
+~Een stem.~ Dat is de vrouw van Samaja.
+
+~Ouderling~ (_tot Delia_). Hoe is dat gebeurd?
+
+~Delia.~ Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de
+achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den
+stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar
+de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met
+een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige
+verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil
+uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij
+stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja,
+sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem
+bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met
+hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen
+gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al
+gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij
+ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij
+stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. »Moordenaar« roep
+ik.--Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op
+den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst,
+alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.
+
+~Priester.~ Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten
+spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de
+wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn
+voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft
+hij zijn loon ontvangen.
+
+~Stemmen uit het volk.~ Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!
+
+~Priester.~ De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen!
+Gaat heen en bidt!
+
+(_Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten_).
+
+~Delia.~ Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat
+hij, dien ik lief had, een zondaar was (_af_).
+
+
+
+
+VIERDE BEDRIJF.
+
+
+#(Tent van Holofernes.--Holofernes en twee zijner hoplieden).#
+
+~Een der hoplieden.~ De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het
+punt van uitgaan staat.
+
+~De tweede hopman.~ Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al
+wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.
+
+~Eerste hopman.~ Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was
+zichzelf van kant te maken?
+
+~Tweede hopman.~ Het is toch niet waar?
+
+~Eerste hopman.~ Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap
+denkt hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt
+zijn dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller
+ruggelings te doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig
+glijdt het staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het
+en roept den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: »Laat
+maar loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.«
+
+~Tweede hopman.~ Het klinkt ongelooflijk.
+
+~Eerste hopman.~ Vraag het den kamerdienaar maar.
+
+~Holofernes~ (_zich snel omwendend_). Vraag 't mijzelf! (_zij
+schrikken_). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet
+wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei
+kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (_voor zich_) Zij
+verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg
+voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich
+niet zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de
+grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De
+ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars en slaven
+hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt.
+(_tot de hoplieden_) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn
+schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te
+kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag
+drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch
+eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen
+dood in mijn bed gevonden hadt?
+
+~De hoplieden.~ Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?
+
+~Holofernes.~ Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf
+uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort
+er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer
+zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou
+deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld
+dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben
+met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben
+gekregen!--Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.
+
+~Eerste hopman.~ Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.
+
+~Holofernes.~ Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het
+ieder uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en
+zuigen het in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals
+gisteren en vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn
+tegendeel wel inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen
+voor niets anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons
+door eten te behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze
+tanden tegen de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek
+heerlijk door het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten
+aanzwellen dat de ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten
+wellust en den huiver der vernietiging met elkaar te vermengen.
+Dikwijls komt het mij voor als had ik eens tot mijzelf gezegd: Nu wil
+ik leven! Toen werd ik losgelaten als uit een teedere omhelzing, het
+werd licht om mij heen, ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo
+zou ik ook eens tot mijzelf willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als
+ik niet, zoodra ik het woord heb gesproken, opgelost in alle winden
+verstuif en door alle dorstende lippen der schepping wordt opgezogen,
+dan zal ik mij schamen en mij zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb
+uit ketenen. Ik houd het voor mogelijk dat zich nog eens iemand doodt
+alleen door de gedachte.
+
+~Eerste hopman.~ Holofernes!
+
+~Holofernes.~ Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat
+is waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk
+nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik
+heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn
+breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het
+eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen
+dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en
+bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de
+wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (_tot de hoplieden_)
+Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak
+en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een
+bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die
+men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik
+heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben
+bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten
+dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te
+gebruiken.
+
+~Een hopman~ (_binnentredend_). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we
+op den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.
+
+~Holofernes.~ Wat voor soort?
+
+~De hopman.~ Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren.
+Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen
+bij de bron te wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen
+we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was
+gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks
+kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren,
+wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden.
+Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers
+trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen--want
+de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren--maar hij bukte
+zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan,
+zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij
+nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot
+den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar
+sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor
+haar voeten geworpen. Maar zij zeide: »Breng mij naar Holofernes, ik
+kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te
+onthullen«.
+
+~Holofernes.~ Brengt haar hier! (_de hopman af_) Alle vrouwen ter
+wereld zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik
+ook nooit zien.
+
+~Een hopman.~ Welke is dat?
+
+~Holofernes.~ Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf.
+Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers
+hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een
+leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw
+zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor
+haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen!
+Hij kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een
+erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met
+smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar,
+dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van
+zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.
+
+~Judith~ (_treedt binnen, begeleid door Mirza en den_ _hopman, die
+beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward,
+beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te
+voet_). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!
+
+~Holofernes.~ Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud
+glimt, hier de meester zijn moet.
+
+~Judith.~ Slechts één kan er zoo uitzien!
+
+~Holofernes.~ Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de
+voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.
+
+~Een der hoplieden~ (_tot den ander_). Een volk dat zulke vrouwen
+heeft is niet te verachten.
+
+~De ander.~ Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten.
+Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen
+zijn heelen toorn verstikt.
+
+~Holofernes~ (_in den aanblik van Judith verloren_). Is 't niet of
+men, zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat
+men ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje
+uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij
+brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik
+zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (_tot Judith_) Ge
+ligt nog op de knieën? Sta op! (_Zij doet het, hij neemt plaats op den
+vorstelijken zetel onder een tapijt_) Hoe heet ge?
+
+~Judith.~ Ik heet Judith.
+
+~Holofernes.~ Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne
+mij beviel.
+
+~Judith.~ Dat is het doel van al mijn wenschen!
+
+~Holofernes.~ En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad
+verlaten en ben je bij mij gekomen?
+
+~Judith.~ Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen
+God de mijnen in uw hand wil overleveren.
+
+~Holofernes~ (_lachend_). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt
+op je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?
+
+~Judith.~ Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij
+heeft sinds lang door zijn profeten laten verkondigen dat hij zijn
+volk wil straffen om zijner zonden wil.
+
+~Holofernes.~ Wat is zonde?
+
+~Judith~ (_na een pooze_). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat
+kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.
+
+~Holofernes.~ Vertel verder.
+
+~Judith.~ Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer
+bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst.
+En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten
+van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het
+zal tot vuur worden in hun ingewanden!
+
+~Holofernes.~ Waarom geven zij zich niet over?
+
+~Judith.~ Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het
+ergste hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het
+van hen zal afwenden? (_voor zich_). Ik wil hem verzoeken. (_luid_) In
+hun angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak
+zou mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den
+held en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in
+uw gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven
+hij in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen,
+want ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere
+gruweldaad van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe
+zelfkwelling maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een
+beul te zien omdat zijzelf den dood waardig zijn. (_zij valt voor hem
+neer_) Op mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging
+van mijn verblinde volk.
+
+~Holofernes.~ Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.
+
+~Judith~ (_opstaand_). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge
+glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent
+het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts
+tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken
+schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste der mijnen zeggen: zijzelf
+zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort
+openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en
+hen bang maakte. »Wat wilt ge doen?« riep hij. »Weet ge niet dat hij u
+allen den ondergang gezworen heeft?« Ik weet dat ge hem het leven en
+de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen
+op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen
+uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te
+schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein
+volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig
+acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie
+ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken,
+omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En
+wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe
+kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf,
+al wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat
+is tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (_zij ziet hem aan, hij
+zwijgt_) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou
+ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren
+als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen
+nu voor u in gindsche stad. »Ge hebt mij getrotseerd,« zou ik hen
+toeroepen, »maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, schenk ik u het
+leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u niet, opdat
+ge geheel en al mijn slaven zijn zult.«
+
+~Holofernes.~ Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk
+maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was
+opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan
+nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!
+
+~Judith~ (_in een wild lachen uitbarstend_). Vergeef. Sta toe dat ik
+mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij
+lachen zullen als zij het staal zien blinken dat hen moet spietsen.
+Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door
+hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik
+dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het
+afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat
+hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù
+mijn eigen zwakheid onderschoof.
+
+~Holofernes.~ Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al
+staat de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar
+kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen.
+Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met
+mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet
+weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en
+zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen
+krijgen.
+
+~Judith.~ Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed
+en kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den
+weg weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood
+verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer,
+mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door
+een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij!
+dat uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de
+tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden
+in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen
+voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet
+of zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes
+zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en
+doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich
+misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en
+razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou
+vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg
+hen! Dìt laat de Heer, mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil
+uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.
+
+~Holofernes.~ Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar
+neen, ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (_na een
+poos_) Ge beschuldigt de uwen zwaar.
+
+~Judith.~ Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf
+voor mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne.
+Geloof niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den
+algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt
+zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou
+durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God
+het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk
+overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij
+gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën
+lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte;
+toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn
+stem klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen,
+Hij sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel
+met het beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik
+gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn
+voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier
+redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie,
+zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is
+méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.
+
+~Holofernes.~ Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik
+niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd
+hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als
+nog nooit een vrouw geweest is. (_tot den kamerdienaar_) Breng haar
+naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.
+
+~Judith.~ Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij
+bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om van mijn God af te vallen,
+maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van
+te eten.
+
+~Holofernes.~ En als dat op is?
+
+~Judith.~ Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn
+God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen
+heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het
+uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef
+daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar
+buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar
+bidden kan en wachten op een openbaring.
+
+~Holofernes.~ Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog
+nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!
+
+~Judith~ (_werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur_).
+Binnen vijf dagen, Holofernes!
+
+~Mirza~ (_die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren
+te kennen gaf_). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?
+
+~Judith.~ Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn
+woorden gelooft.
+
+~Mirza.~ Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?
+
+~Judith.~ Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker
+niet!
+
+~Mirza.~ Weent ge?
+
+~Judith.~ Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de
+kracht der leugen in mijn mond. (_af_).
+
+
+
+
+VIJFDE BEDRIJF.
+
+
+#(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een
+gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).#
+
+(_Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar_).
+
+~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Ben je op verkenning
+uitgeweest? Hoe staat het er mee in de stad?
+
+~Hopman.~ Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de
+poort bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een
+van hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al
+vanzelf dood neer.
+
+~Holofernes.~ Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't
+mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet
+dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het
+geheel niet te bezitten.
+
+~Hopman.~ Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen.
+Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die
+den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de
+handen vouwen.
+
+~Holofernes.~ Dat men zulke priesters vooral niet doode! De
+vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.
+
+~Hopman.~ Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God,
+maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel
+lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende
+stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten
+hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.
+
+~Holofernes.~ Dat hebben we meer gezien. (_lachend_) Hebben we
+niet zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw
+achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst
+voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk
+zijn! (_het geschiedt_) Is het niet morgen de vijfde dag?
+
+~Hopman.~ Ja.
+
+~Holofernes.~ Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals
+de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij
+toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te
+leggen...
+
+~Hopman.~ Twijfelt Holofernes?
+
+~Holofernes.~ Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals
+die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef
+aan te kloppen, dan...
+
+~Hopman.~ Dan?
+
+~Holofernes.~ Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb
+gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij
+een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te
+Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen
+beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (_tot den
+kamerdienaar_) hoe zei je ook weer dat hij heet?
+
+~Kamerdienaar.~ Jehovah!
+
+~Holofernes.~ Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt
+het u, en een die het niet behoeft te doen.
+
+~Hopman.~ En als Bethulië zich niet overgeeft?
+
+~Holofernes.~ Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de
+stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen.
+Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?
+
+~Hopman.~ O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.
+
+~Holofernes.~ Heb je dat ondervonden?
+
+~Hopman~ (_zwijgt verlegen_).
+
+~Holofernes~ (_met woesten blik_). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat
+ze mìj behaagt? Daar, hond! (_hij_ _slaat hem neer_) Haalt hem weg en
+brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons
+Assyriërs rondloopt! (_Het lijk wordt weggedragen_) Vrouw is vrouw en
+toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man
+nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw.
+Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in
+tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze
+vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals
+vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt
+en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige
+tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen
+opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het
+hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden...
+ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite
+gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden
+beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren
+vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken,
+zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die
+nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben!
+Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd.
+Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen
+als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God...
+en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms
+wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te
+trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld.
+Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar
+eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.
+
+~Judith~ (_met Mirza binnen tredend_). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en
+uw maagd gehoorzaamt.
+
+~Holofernes.~ Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij
+mij gevonden.
+
+~Judith.~ Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit
+in mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.
+
+~Holofernes.~ Waarom aarzel je?
+
+~Judith~ (_huiverend, op het versche bloed wijzend_). Heer, ik ben een
+vrouw.
+
+~Holofernes.~ Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je
+ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand
+was.
+
+~Judith.~ Wee mij!
+
+~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Andere tapijten! (_tot de
+hoplieden_) Gaat heen. (_De tapijten worden gebracht, de hoplieden
+verwijderen zich_).
+
+~Judith~ (_voor zich_). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik
+U, mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet
+zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.
+
+~Holofernes.~ Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt.
+Ben ik zoo afschrikwekkend voor je?
+
+~Judith.~ Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.
+
+~Holofernes.~ Wees oprecht, vrouw!
+
+~Judith.~ Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...
+
+~Holofernes.~ Nu?
+
+~Judith.~ Als ik u kon liefhebben.
+
+~Holofernes.~ Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een
+woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.
+
+~Judith~ (_verlegen_). Heer, ik begrijp u niet.
+
+~Holofernes.~ Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat
+hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk
+aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de
+leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten.
+Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik
+met mijn leger je vaderland bedreigde?
+
+~Judith.~ Niets dacht ik.
+
+~Holofernes.~ Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes
+hoort.
+
+~Judith.~ Ik dacht aan den God mijner vaderen.
+
+~Holofernes.~ En vervloekte mij?
+
+~Judith.~ Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.
+
+~Holofernes.~ Geef mij den eersten kus. (_hij kust haar_).
+
+~Judith~ (_voor zich_). O, waarom ben ik een vrouw!
+
+~Holofernes.~ En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen
+mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?
+
+~Judith.~ Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat
+er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.
+
+~Holofernes.~ Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om
+je volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd
+had en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?
+
+~Judith.~ Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer
+ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen
+mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich
+als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw
+ik van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon
+inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste
+gedierte herbergt.
+
+~Holofernes~ (_haar van terzijde aanziend_). Hoe zij gloeit! Zij doet
+mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den
+hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen
+van den haat!--Kus mij, Judith! (_zij doet het_) Haar lippen zuigen
+zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith.
+In den wijn is al wat ons ontbreekt.
+
+~Judith~ (_drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken_). Ja, in den
+wijn is moed, moed!
+
+~Holofernes.~ Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten,
+om mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.
+
+~Judith.~ O gij... (_zich beheerschend_) Vergeef. (_zij weent_).
+
+~Holofernes.~ Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand
+en vertel mij van je haat.
+
+~Judith.~ Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner
+menschelijkheid!
+
+~Holofernes.~ Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!
+
+~Judith.~ Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (_zij
+richt zich op_) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je
+zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet
+krankzinnig worden.--Doodt mij nu!
+
+~Holofernes.~ Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst
+samen naar bed gaan.
+
+~Judith~ (_voor zich_). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het
+doen!
+
+~Kamerdienaar~ (_treedt binnen_). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor
+de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't
+hoogste belang...
+
+~Holofernes~ (_opstaand_). Van den vijand? Breng hem binnen. (_tot
+Judith_) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de
+namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.
+
+~Ephraim~ (_hem te voet vallend_). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?
+
+~Holofernes.~ Ja.
+
+~Ephraim.~ Welaan! (_nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar
+Holofernes, die uitwijkt_).
+
+~Kamerdienaar~ (_snel binnen tredend_). Schurk! ik zal je leeren hoe
+je een man neerslaat. (_wil Ephraim neerslaan_).
+
+~Holofernes.~ Halt!
+
+~Ephraim~ (_wil zich in zijn eigen zwaard storten_). Judith heeft het
+gezien! Eeuwige schande over mij!
+
+~Holofernes~ (_hem weerhoudend_). Probeer dat niet voor den tweeden
+keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je
+het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt
+hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en
+leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is
+een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan,
+naar Holofernes geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen.
+Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (_Kamerdienaar met Ephraim af_).
+(_tot Judith_) Zijn er veel slangen in Bethulië?
+
+~Judith.~ Neen, maar veel razenden.
+
+~Holofernes.~ Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den
+wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen
+begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn
+tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het
+noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen
+verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen
+op kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen
+edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf
+en listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is
+goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al
+probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.
+
+~Judith.~ Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (_zacht_) God
+mijner vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet
+wat ik het diepst verafschuw. Hij is een màn!
+
+~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Maak mijn leger gereed.
+(_Kamerdienaar af_) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de
+elbogen gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en
+verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk
+en ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets
+beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht
+zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen
+van zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. »O Holofernes,
+ge weet niet wat dit is« kreunde eens een man dien ik op een gloeiend
+rooster liet braden. »Dat weet ik werkelijk niet« zei ik en ging naast
+hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.
+
+~Judith~ (_voor zich_). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als
+ik niet voor hem knielen wil.
+
+~Holofernes.~ Kracht, kracht! dat is alles! Laat komen wie tegen
+mij opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam
+niets te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten
+fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen
+dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard;
+als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De
+orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar
+de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens
+werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt
+het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van
+walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is
+hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor.
+Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens
+de tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der
+menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen
+staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste
+oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! »Komt hier, allen
+die ik leed gedaan heb«, roep ik uit, »gij, die ik verminkte, wien ik
+uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen
+en verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het
+mij drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij
+te eten.« En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en
+ik hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het
+mij niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij
+staan en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en
+waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: »Knielt neer, want ìk ben
+ùw god«. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en
+ongemerkt.
+
+~Judith~ (_sidderend_). En als de hemel een bliksem naar u slingert om
+u te verpletteren?
+
+~Holofernes.~ Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood
+en de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.
+
+~Judith.~ Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten stuiven door
+elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u
+tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.
+
+~Holofernes.~ Val neer en aanbidt mìj!
+
+~Judith.~ Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt
+ge dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?
+
+~Holofernes.~ Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.
+
+~Judith.~ Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En
+als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot
+voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn
+rossen wordt verslonden.
+
+~Holofernes.~ Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de
+wijsheid, die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn
+linkerbeen den knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch
+vooral niet op den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de
+woestijn, die tegen zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd
+uitriep: »Nu ben ik verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de
+wereld!« die zot was eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont
+mij het vuur dat zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont
+mij toch het vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar
+zegt mij dan of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over
+het vuur te vonnissen!
+
+~Judith.~ Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn
+gedachten huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta
+ik niet meer.
+
+~Holofernes.~ Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw
+zooiets niet begrijpelijk willen maken.
+
+~Judith.~ Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te
+vermoorden! En zij zegt het u!
+
+~Holofernes.~ En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te
+maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat
+ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te
+beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.
+
+~Judith.~ Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels
+die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.
+
+~Holofernes.~ Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar
+wat tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (_hij
+drinkt_) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (_tot den
+kamerdienaar_) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost
+het zijn kop. (_hij trekt Judith met geweld mee_).
+
+~Judith.~ Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid
+als ik niet kan! (_beiden af in het slaapvertrek_).
+
+~Kamerdienaar~ (_tot Mirza_). Blijf je hier?
+
+~Mirza.~ Ik moet mijn meesteres bedienen.
+
+~Kamerdienaar.~ Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan
+kon ik even gelukkig zijn als mijn Heer.
+
+~Mirza.~ Waarom ben jij niet een man als Holofernes?
+
+~Kamerdienaar.~ Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe.
+Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en
+zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed
+brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord:
+Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.
+
+~Mirza.~ Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.
+
+~Kamerdienaar.~ Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan
+spuwen, als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes
+heeft eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam,
+neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het
+altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij
+Hebreeuwsche spin, en houd je stil (_af_).
+
+~Mirza~ (_alleen_). Stil, ja stil. Ik geloof (_wijst naar het
+slaapvertrek_) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het
+Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en
+zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de
+angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik
+kon en ik schreeuwde àlleen om ~zijn~ schreeuwen niet te hooren. Zòò
+spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel
+dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik
+je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde
+ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken
+en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik
+ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de
+vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij
+mannen dooden!
+
+~Judith~ (_stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede
+gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het
+hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard_). Het is hier te licht.
+Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.
+
+~Mirza~ (_jubelend_). Zij leeft... en ~hij~ leeft (_tot Judith_). Wat
+hebt ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten!
+Uw oogen zien zoo schuw.
+
+~Judith.~ Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (_zij
+wankelt_).
+
+~Mirza.~ Leun tegen mij aan, ge wankelt.
+
+~Judith.~ Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik
+kan nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!
+
+~Mirza.~ Kom, laten we vanhier vluchten!
+
+~Judith.~ Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij
+tot zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte,
+dat alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de
+vernietiging die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over
+die ruwe greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de
+onteerende kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu
+bloos je er niet over dat je mij wilt meetronen?
+
+~Mirza.~ Ongelukkige, waaraan denkt ge?
+
+~Judith.~ Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je
+niet zeggen? Ik denk aan moord! (_als Mirza achteruit deinst_) Is er
+dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat
+zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om
+mij!
+
+~Mirza.~ Kom!
+
+~Judith.~ Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een
+vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je
+vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht
+vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep
+mij in 't oor: »Je bent een hoer!« Dan zal ik opspringen; misschien
+grijp ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe:
+»Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!«
+O, Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.
+
+~Mirza.~ Uw gedachten groeien u boven het hoofd.
+
+~Judith.~ Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen.
+Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het
+heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat
+siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan
+kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd
+te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin
+zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij
+eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde
+van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles...
+is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en
+zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?
+
+~Mirza.~ Hoe zou ìk niet luisteren?
+
+~Judith.~ Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel
+het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven
+handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt
+waarin dit ontzettendste mogelijk is.
+
+~Mirza.~ Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?
+
+~Judith.~ Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste
+vernedering; het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst
+wordt om in de plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen
+roes met een nog gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop
+de inslapende begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze
+noodig heeft om het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen
+zelf, als dronken gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen,
+tegen je opstaan; waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je
+denken en voelen, voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je
+schande voor je waarachtige wezen.
+
+~Mirza.~ Wèl mij, dat ik niet schoon ben!
+
+~Judith.~ Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar
+hoe zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (_zij wijst naar het
+slaapvertrek_) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op
+het klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den
+verschrikkelijke en steunde: »Spaar me!« Had hij naar den angstkreet
+van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn
+antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees.
+In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. »Matig je gloed, je
+gaat te ver!« lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij
+begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets
+glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn
+duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn
+recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer
+heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (_zij stort de kamer binnen
+en neemt het zwaard af_).
+
+~Mirza~ (_op haar knieën_). God, laat hem wakker worden!
+
+~Judith~ (_op de knieën vallend_). Mirza, o, wat bid je daar?
+
+~Mirza~ (_weer opstaand_). God zij geloofd, zij kan het niet!
+
+~Judith.~ Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede
+menschen omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (_Zij staat op en
+beschouwt Holofernes_) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat
+de moord zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha!
+laffe vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden?
+Die rustige slaap, na zùlk een oogenblik... is dat niet de ergste
+misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof
+er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (_zij trekt
+het zwaard uit de scheede_) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen
+glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen
+hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn
+droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je
+schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige
+begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (_zij slaat
+Holofernes het hoofd af_). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha!
+Holofernes, acht ge mij nu?
+
+~Mirza~ (_bezwijmt_). Houdt mij vast!
+
+~Judith~ (_door een siddering overvallen_). Zij bezwijmt; is mijn daad
+dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet
+verstijven en haar voor dood neerwerpt? (_heftig_) Ontwaak uit je
+onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik
+niet.
+
+~Mirza~ (_weer bijkomend_). Werp er toch een doek overheen!
+
+~Judith.~ Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke
+huivering van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen,
+dat wreede afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou
+mij kunnen doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan
+moest ik immers ook mijzelf... (_zij grijpt naar het zwaard_).
+
+~Mirza~ (_werpt zich aan haar borst_).
+
+~Judith.~ Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij,
+zij vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode
+niet zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die
+omarming een tweede onmacht? (_stoot haar van zich weg_).
+
+~Mirza.~ U doet me pijn, en uzelf nog meer.
+
+~Judith~ (_haar hand vattend_). Niet waar Mirza, als het een
+gruwelstuk was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou
+je mij dat immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij
+vonnissen en verdoemen, vriendelijk tot mij zeggen: »Je doet jezelf
+onrecht, het was een heldendaad?«
+
+~Mirza~ (_zwijgt_).
+
+~Judith.~ Ah! verbeeld je maar niet dat ik al als een bedelares voor
+je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou begenadiging
+verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes en ìk... ik
+ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik zou den held
+willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel gekost heeft
+als mij de mijne!
+
+~Mirza.~ U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt
+ge in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het
+nooit betreden, dan had ge niets te wreken gehad.
+
+~Judith.~ Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij
+hierheen, de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die
+zich den pols openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O,
+nù ben ik weer met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door
+mijn eigen smart.
+
+~Mirza.~ Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen
+ge uw hand in bloed dompelde.
+
+~Judith~ (_langzaam, vernietigd_). Neen, neen, je hebt gelijk... dat
+was het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O,
+hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes
+verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù
+mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen
+en ze vermorzelt mij!
+
+~Mirza.~ Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat
+zult ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?
+
+~Judith.~ O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het
+slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte
+houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in
+stukken scheuren! (_zij wil gaan_).
+
+~Mirza~ (_kalm_). Dan verscheuren ze mij ook.
+
+~Judith~ (_blijft staan_). Wat moet ik doen? Mijn hersens lossen op
+tot rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken
+dan aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat
+naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik
+kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik
+zal in niets verdwijnen.
+
+~Mirza~ (_luisterend_). God! men komt!
+
+~Judith~ (_verward_). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de
+wereld in het hart gestoken. (_lachend_) En ik trof haar goed. Moet ze
+blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg
+naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de
+sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben
+immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan
+komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?
+
+~Mirza.~ Judith!
+
+~Judith.~ Au! mijn naam doet mij pijn!
+
+~Mirza.~ Judith!
+
+~Judith~ (_als wrevelig_). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is
+'t niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die
+mij zeide waarom.
+
+~Mirza.~ Het is met haar gedaan... Judith, je bent een kìnd.
+
+~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, dat wist ik niet meer, ik had
+me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een kerker, en ze was
+achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een bronzen deur.
+(_lachend_) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en overmorgen
+ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets beters.
+Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. Hu! Zeg
+maar wat ik nu zijn moet.
+
+~Mirza~ (_afgewend_). God, ze wordt krankzinnig!
+
+~Judith.~ Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer
+wat ik was.
+
+~Mirza~ (_op Holofernes wijzend_). Kijk!
+
+~Judith.~ Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel
+immers maar om den waanzin; maar het schemert alleen zoo hier en daar
+een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend
+molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge
+verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.
+
+~Mirza~ (_in hoogsten angst_). De morgen is niet ver meer; ze zullen
+mij en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid
+uitrukken.
+
+~Judith.~ Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat
+allen dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik
+het ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven!
+Ah! wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als
+kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor
+altijd. O, men léért iets in smart. (_op Holofernes wijzend_) Ook die
+is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of
+hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het
+geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.
+
+~Mirza.~ Judith, heb medelijden, ga mee!
+
+~Judith.~ Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik
+doen moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.
+
+~Mirza.~ Volg mij dan.
+
+~Judith.~ Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek
+het hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt
+niet? Dan verzet ik geen voet! (_Mirza gehoorzaamt met afschuw_) Kijk,
+dat hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in
+Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen
+wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook
+dááraan tevoren gedacht.
+
+~Mirza~ (_wil gaan_). Nu?
+
+~Judith.~ Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij
+het gedaan hebt.
+
+~Mirza.~ Ik?
+
+~Judith.~ Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de
+moed mij ontzonken was, maar dat de geest des Heeren over jou gekomen
+is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal
+men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw
+deel zal eer en lofzang zijn in Israël.
+
+~Mirza.~ Nooit.
+
+~Judith.~ O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de
+klank hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren
+en dat zal mijn loon zijn. Kom! (_beiden af_).
+
+ * * * * *
+
+
+#(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met
+gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en staand
+in verschillende groepen. Het wordt dag).#
+
+(_Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz._).
+
+~Een vrouw.~ Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God
+almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij
+belooft?
+
+~Priester.~ Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen
+gebonden. Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.
+
+~Vrouwen.~ Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?
+
+~Priester.~ Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.
+
+~Een moeder.~ Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig
+kind moet verdorsten? (_zij houdt haar kind omhoog_).
+
+~Priester.~ De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er
+geen.
+
+~De moeder.~ En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan
+zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog
+verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij,
+om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als het
+ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns
+moeten haten en verachten.
+
+~Priester.~ Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch
+en bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen
+vervolgen.
+
+~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Is er nog niet genoeg
+vertwijfeling in de stad?
+
+~Eerste priester.~ Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet
+wortel waar de bodem los is.
+
+~Moeder.~ Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal
+mij opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij
+voor elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf
+pijnigen tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!
+
+~Tweede priester.~ Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je
+God.
+
+~De moeder~ (_drukt het aan haar borst_). Ja, ik zal het zóó lang
+aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en
+zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet
+als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een
+afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te
+boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt
+en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?
+
+~Eerste priester.~ Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen
+erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.
+
+~De moeder.~ Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te
+voorschijn. Dat was een rots! (_slaat zich op de borst_) Vervloekte
+borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van
+buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen
+druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm
+nog één keer te drinken!
+
+~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Ontroert u dit niet?
+
+~Eerste priester.~ Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts
+een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost
+de man zich op in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er
+viooltjes mee laven.
+
+~Tweede priester.~ Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn
+geoorloofd.
+
+~Een andere vrouw~ (_op de moeder wijzend_). Hebt ge geen troost voor
+haar?
+
+~Eerste priester~ (_koud_). Neen.
+
+~De vrouw.~ Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!
+
+~Eerste priester.~ Dit woord alleen verdient dat Bethulië in
+Holofernes' handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der
+stad. Je vraagt waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (_zij
+gaan voorbij_).
+
+(_Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren_).
+
+~Eerste burger.~ Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze
+vrouw. Het is ontzettend.
+
+~Tweede burger.~ Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst,
+als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten!
+(_Hij slaat zich voor het hoofd_) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al
+bedacht heeft.
+
+~Eerste burger.~ Je raast!
+
+~Tweede burger.~ Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit
+huis gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de
+onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch
+vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij,
+in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond
+zij op en zei, zacht, heel zacht: »is 't dan een òngeluk dat de jongen
+sterft?« Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: »Er
+is nog leven in hem«. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar
+kind alleen nog maar een stuk vleesch.
+
+~Eerste burger.~ Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze
+mijn eigen zuster.
+
+~Tweede burger.~ Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich
+niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten
+had.
+
+~Derde burger~ (_er bij komend_). Misschien komt nog redding. Heden
+is 't de dag waarop Judith terug zou komen.
+
+~Tweede burger.~ Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn
+gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is
+een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal
+U roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in
+toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen
+kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle
+gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar
+vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt,
+als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei
+en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (_gaan voorbij_).
+
+~Mirza~ (_voor de poort_). Doet open, doet open!
+
+~Bewakers.~ Wie daar?
+
+~Mirza.~ Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!
+
+~Bewakers~ (_roepen, terwijl zij openen, de stad in_). Hallo, hallo!
+Judith is terug!
+
+(_Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en
+Mirza treden de poort binnen_).
+
+~Mirza~ (_werpt het hoofd neer_). Kent ge dien?
+
+~Volk.~ Neen, dien kennen wij niet.
+
+~Achior~ (_naderbij tredend, valt op de knieën_). Groot zijt ge, God
+van Israël! en er is geen God buiten u! (_hij staat op_) Dit is het
+hoofd van Holofernes! (_hij grijpt Judith bij de hand_) En dit is de
+hand, waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u
+aanzie!
+
+~Ouderlingen.~ Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!
+
+~Volk~ (_bijeen stroomend_). Heil Judith!
+
+~Judith.~ Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood,
+opdat gìj (_tot een der omstanders_) in vrede uw schapen weiden en gij
+(_tot een ander_) uw kool planten en gij (_tot een derde_) uw nering
+drijven en kinderen die u gelijken, teelen kunt.
+
+~Stemmen uit het volk.~ Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!
+
+~Achior.~ Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde.
+Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze
+hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.
+
+~Judith.~ Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt
+afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad
+doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan
+kan ik haar verantwoorden. (_Men hoort een wild verward getier_).
+
+~Achior.~ Hoort! nu is het tijd!
+
+~Een priester~ (_op het hoofd wijzend_). Steekt het op een spiets en
+draagt het vooraan!
+
+~Judith~ (_zich voor het hoofd plaatsend_). Dit hoofd moet dadelijk
+begraven worden!
+
+~Bewakers~ (_van den muur af roepend_). De bewakers van de bron
+vluchten in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg,
+zij trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet
+hollen. Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet!
+
+~Ephraim~ (_voor de poort_). Open, open!
+
+(_De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open,
+men ziet voorbij vluchtende Assyriërs_).
+
+~Ephraim.~ Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat
+alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't
+allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn!
+
+~Achior.~ Op, op!
+
+(_Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van
+Judith!_)
+
+~Judith~ (_wendt zich walgend af_). Dat is slagersmoed.
+
+(_De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen_).
+
+~Een der ouderlingen.~ Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe
+in hun plaats gezet.
+
+~Eerste priester.~ Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen.
+Niet meer om het duister verleden, op u zal ik voortaan wijzen als ik
+toonen wil hoe groot de Heer, onze God is.
+
+~Priesters en ouderlingen.~ Eisch uw loon!
+
+~Judith.~ Spot ge met mij? (_tot de ouderlingen_) Als het geen heilige
+plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en
+misdaad? (_tot de priesters_) Wanneer een offerdier rochelend voor
+het altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs
+het zou verlangen voor zijn bloed en leven? (_na een pauze, als bij
+plotselinge ingeving_) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te
+voren, dat ge het niet zult weigeren!
+
+~Ouderlingen en priesters.~ Wij beloven het. Uit naam van gansch
+Israël!
+
+~Judith.~ Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang!
+
+~Allen~ (_ontzet_). U dooden?
+
+~Judith.~ Ja. En ik heb uw woord.
+
+~Allen~ (_gruwend_). Ge hebt ons woord.
+
+~Mirza~ (_grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar
+voren_) Judith! Judith!
+
+~Judith.~ Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot
+onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig!
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: verschansd hebben. |
+ | C: verschanst hebben. |
+ | B: als gevonnisd wanneer ik haar |
+ | C: als gevonnist wanneer ik haar |
+ | B: ~Ephraim~ Ik bèn een man en |
+ | C: ~Ephraim.~ Ik bèn een man en |
+ | B: ~Judith~ Het is zoo blank |
+ | C: ~Judith.~ Het is zoo blank |
+ | B: ~Daniel.~ Ja, dat is |
+ | C: ~Daniël.~ Ja, dat is |
+ | B: beleedigd hebt, sçhenk ik u het |
+ | C: beleedigd hebt, schenk ik u het |
+ | B: al mijn slaven zijn zult. |
+ | C: al mijn slaven zijn zult.« |
+ | B: spin, en houdt je stil |
+ | C: spin, en houdt je stil |
+ | B: Mirza, o, wat bidt je daar? |
+ | C: Mirza, o, wat bidt je daar? |
+ | B: Ah! verbeeldt je maar niet |
+ | C: Ah! verbeeld je maar niet |
+ | B: je bent een kind. |
+ | C: je bent een kìnd. |
+ | B: ~Judìth.~ Ja ja, goddank! Verbeeldt je, |
+ | C: ~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, |
+ | B: Hallo, Hallo! |
+ | C: Hallo, hallo! |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH ***
+
+***** This file should be named 34638-8.txt or 34638-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/4/6/3/34638/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/34638-8.zip b/34638-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..1b94d30
--- /dev/null
+++ b/34638-8.zip
Binary files differ
diff --git a/34638-h.zip b/34638-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..9fc942c
--- /dev/null
+++ b/34638-h.zip
Binary files differ
diff --git a/34638-h/34638-h.htm b/34638-h/34638-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e653a73
--- /dev/null
+++ b/34638-h/34638-h.htm
@@ -0,0 +1,3583 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl">
+
+<head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Judith, by Friedrich Hebbel.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;}
+
+h1 {text-align: center; clear: both; letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; font-size: 233%;}
+h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 1em; font-size: 120%;}
+.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+
+p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;}
+p.tp {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+p.einde {text-indent: 0em; font-variant: small-caps; text-align: center; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;}
+p.locatie {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; font-size: 80%;}
+p.aanwijzing {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: left;}
+
+div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; text-align: center;}
+div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 133%;}
+div.voorrede {margin-top: 5em; margin-bottom: 2em;}
+div.personen {margin-top: 5em; margin-bottom: 2em;}
+div.rand {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;
+ width: 30em; text-align: center; padding-top: 1.5em; padding-bottom: 1.5em;
+ border-top: 5px double black; border-bottom: 5px double black;}
+.spreker {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;}
+
+/* TB */
+hr {width: 33%; clear: both;
+ margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+hr.chend {width: 15%; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;}
+hr.hr20 {width: 20%;}
+
+.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right;
+ font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal;
+ letter-spacing: normal; color: #888888;}
+span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";}
+
+/* TABLES */
+table {margin-left: auto; margin-right: auto;
+ padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;}
+td.tdl {text-align: left; vertical-align: top; text-indent: -1em;
+ padding-left: 1.5em; padding-right: 0.5em; width: 12em;}
+td.bedrijf {text-align: center; padding: 0.5em;}
+td.tdc {text-align: center; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+
+/* ALIGN */
+.right {text-align: right;}
+.ri1 {padding-right: 1em;}
+sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;}
+.smcap {font-size: 80%;}
+.mixcap {font-variant: small-caps;}
+.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;}
+.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+ins.info {border-bottom: 1px dotted green; text-decoration: none;}
+
+/* IMAGES */
+img {border: 0;}
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+.size67 {font-size: 67%;}
+.size80 {font-size: 80%;}
+.size85 {font-size: 85%;}
+.size120 {font-size: 120%;}
+.size133 {font-size: 133%;}
+.size150 {font-size: 150%;}
+.size233 {font-size: 233%;}
+
+/* Transcriber Note */
+.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em;
+ background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;}
+.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;}
+.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;}
+.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;}
+.TNbox th {text-align: left;}
+.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;}
+td.td2 {width: 20%;}
+td.td4 {width: 40%;}
+
+ </style>
+</head>
+
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Judith
+ treurspel in vijf bedrijven
+
+Author: Friedrich Hebbel
+
+Translator: Nico van Suchtelen
+
+Release Date: December 13, 2010 [EBook #34638]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="TNbox">
+
+ <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2>
+
+ <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.
+ Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p>
+
+ <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p>
+
+ <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
+ <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>,
+ waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br />
+ Variaties in spelling zijn behouden.</p>
+
+ <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p>
+
+</div>
+
+<div class="figcenter" style="width: 458px;">
+<img src="images/cover.jpg" width="458" height="725" alt="" title="Voorkant boek." />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="i"></span><a id="p_i"></a></p>
+
+<div class="voorblad">JUDITH</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="ii"></span><a id="p_ii"></a></p>
+
+<div class="title">
+
+ <div class="figcenter" style="width: 300px;">
+ <a href="images/ill_pii.png"><img src="images/ill_piit.png" width="300" height="451" alt="" title="Titelpagina #1; klik voor vergroting (1251×1878px, 281kb)" /></a>
+ </div>
+
+ <p class="tp"><span class="size233">TOONEELBIBLIOTHEEK</span><br />
+ <span class="mixcap size150">Onder leiding van L. Simons</span></p>
+
+ <p class="tp size67">HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.</p>
+
+ <p class="tp size133">UITGEGEVEN DOOR:<br />
+ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN<br />
+ GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="iii"></span><a id="p_iii"></a></p>
+
+<div class="title">
+
+ <div class="figcenter" style="width: 299px;">
+ <a href="images/ill_piii.png"><img src="images/ill_piiit.png" width="299" height="448" alt="" title="Titelpagina #2; klik voor vergroting (1245×1869px, 220kb)" /></a>
+ </div>
+
+ <p class="tp size133" xml:lang="de">FRIEDRICH HEBBEL</p>
+
+ <h1>JUDITH</h1>
+
+ <p class="tp"><span class="size85 ls2">TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN</span><br />
+ <span class="size120">(1839-1840)</span></p>
+
+ <p class="tp"><span class="size80">UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR</span><br />
+ <span class="size120 ls2">NICO VAN SUCHTELEN</span><br /><br />
+ <span class="tp size80">MET INLEIDING</span></p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="iv"></span><a id="p_iv"></a>
+<span class="pagenum" title="v"><br /></span><a id="p_v"></a></p>
+
+<div class="voorrede">
+
+ <div class="h2inh rand"><h2 id="VOORBERICHT">VOORBERICHT.</h2></div>
+
+ <p>Van <span class="mixcap">Friedrich Hebbel</span> is dit het tweede werk, dat wij thans in eene
+ vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B.
+ verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk
+ treurspel <i>Maria Magdalena</i> met twee korte inleidingen.</p>
+
+ <p><i>Judith</i>, dat we hier doen volgen in de vertaling door de
+ <span class="mixcap">Tooneelvereeniging</span> gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over
+ den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De
+ Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's
+ kunst en Levensbeschouwing.</p>
+
+ <p class="right ri1">REDACTIE T. B.</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="vi"></span><a id="p_vi"></a>
+<span class="pagenum" title="1"><br /></span><a id="p_1"></a></p>
+
+<div class="personen">
+
+<div class="h2inh rand"><h2 id="PERSONEN">PERSONEN.</h2></div>
+
+<table summary="overzicht spelers eerste uitvoering">
+<tbody>
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#EERSTE_BEDRIJF">EERSTE BEDRIJF</a>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">De Opperpriester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Heraut</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Soldaat</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Gezant van Lydië</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Gezant van Mesopotamië</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. J. van Staalduynen</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Achior</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jaap van der Poll</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#TWEEDE_BEDRIJF">TWEEDE BEDRIJF</a>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers.</span></td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Timrott</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET DERDE BEDRIJF (<a href="#DERDE_BEDRIJF_1" class="smcap">EERSTE TAFEREEL</a>).</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET DERDE BEDRIJF (<a href="#DERDE_BEDRIJF_2" class="smcap">TWEEDE TAFEREEL</a>).</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Timrott</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ammon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Hosea</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ben</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Samuël</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. Pilger</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Z'n kleinzoon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Priester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Assad</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. J. van Staalduynen</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Daniël</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Adolf Bouwmeester</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Samaja</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><span class="pagenum" title="2"></span><a id="p_2"></a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Josua</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Achior</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jaap van der Poll</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#TWEEDE_BEDRIJF">VIERDE BEDRIJF</a>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">3de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET VIJFDE BEDRIJF (<a href="#VIJFDE_BEDRIJF_1" class="smcap">EERSTE TAFEREEL</a>).</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">3de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Dienaar</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Johan Timrott</span>.</td></tr>
+
+ <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET VIJFDE BEDRIJF (<a href="#VIJFDE_BEDRIJF_2" class="smcap">TWEEDE TAFEREEL</a>).</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Johan Timrott</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ammon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Hosea</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Ben</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Priester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Josua</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Moeder</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Marie Faassen</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl">Een Bewaker</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr>
+ <tr><td class="tdc" colspan="2">Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk.</td></tr>
+</tbody>
+</table>
+
+<p class="locatie">De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4<sup>den</sup>
+November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande
+rolverdeeling.</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="3"></span><a id="p_3"></a></p>
+
+<div class="rand"><h2 id="EERSTE_BEDRIJF">EERSTE BEDRIJF.</h2></div>
+
+<p class="locatie">(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den
+veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd
+door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).</p>
+
+<p class="aanwijzing">(<i>De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent.
+Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de
+muziek verstomt</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Het offer!</p>
+
+<p><span class="spreker">Opperpriester.</span> Voor welken god?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wien werd gisteren geofferd?</p>
+
+<p><span class="spreker">Opperpriester.</span> Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op
+Baal.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen, dien
+gij allen kent en toch niet kent.</p>
+
+<p><span class="spreker">Opperpriester</span> (<i>met luider stem</i>). Holofernes beveelt dat wij aan een
+god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>lachend</i>). Dat is de god dien ik het meest vereer. <i>(Er
+wordt geofferd).</i></p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Trawant!</p>
+
+<p><span class="spreker">Trawant.</span> Wat beveelt Holofernes?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te
+beklagen, trede voor. Roep het uit!</p>
+
+<p><span class="spreker">Heraut</span> (<i>door de rijen der soldaten gaande</i>). Wie zich te beklagen
+heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een soldaat.</span> Ik klaag mijn hopman aan!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarvan?</p>
+
+<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin
+buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet
+durfde aan te raken. De hopman <span class="pagenum" title="4"></span><a id="p_4"></a>komt tegen den avond in mijn tent,
+terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat
+ze zich tegen hem verzet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> De beschuldigde hopman is des doods! (<i>tot een ruiter</i>)
+Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het
+eerst.</p>
+
+<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Gij wilt mij doen dooden met hem?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel
+uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken
+toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor
+de klachten der hoplieden zelf?</p>
+
+<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù
+geven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat
+zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor
+als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik
+ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten
+wijn, voor je gedood wordt. Voort! (<i>De soldaat wordt door den ruiter
+weggeleid naar den achtergrond</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot een der hoplieden</i>). Laat de kameelen toomen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Het is reeds geschied.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Had ik het bevel dan al gegeven?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven zoudt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het hoofd
+te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe! Mijn
+wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit!</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Vergeving! (<i>af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>alleen</i>). Dàt is de kunst: zich niet laten raden, eeuwig
+een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de zee
+bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur
+verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur
+al door en door kennen en nu heeft het voor <span class="pagenum" title="5"></span><a id="p_5"></a>iederen schooier zijn
+kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft
+haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar
+hun schaduw.&mdash;Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en
+gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren
+uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar
+mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen
+die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag
+tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden
+getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten. Ik
+zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als een
+voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al dit
+armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond; alsof
+zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen, dat ik
+hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer. Maar
+inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen,
+trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur
+dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen
+slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen;
+ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op
+hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets
+dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar
+met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet
+meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid.
+Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik
+haar hem weer afnemen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Een hopman.</span> Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Breng hem dadelijk bij mij! (<i>voor zich</i>). Nek, zijt ge
+nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen
+niet verleert!</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en
+heerschappij gegeven is van opgang <span class="pagenum" title="6"></span><a id="p_6"></a>tot ondergang, biedt zijn veldheer
+Holofernes den groet des Gezags.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Deemoedig wacht ik zijn bevelen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem
+worden vereerd.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>trotsch</i>). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit genomen,
+toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen had.</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de
+altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak. Maar
+niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt zijn
+blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen
+beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen
+grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (<i>luid</i>) Nebucad Nezar
+heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad!</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Wij zijn de goden daarvoor dankbaar.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Hemzelf, wilt ge zeggen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij zonsopgang
+een offer brenge.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij
+zonsondergang aan hem denken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge uzelf
+zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden
+uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn
+leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings
+en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen
+en dat hij nog veel voor u te doen had.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het
+beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (<i>Bode af</i>). Trawant!</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="7"></span><a id="p_7"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Trawant.</span> Wat beveelt Holofernes?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit!</p>
+
+<p><span class="spreker">Heraut</span> (<i>door de rijen der soldaten loopend</i>). Er is geen god buiten
+Nebucad Nezar! (<i>Een opperpriester gaat voorbij</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Ja.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout
+schenk ik u.</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge slaat
+den god stuk of ge hangt uzelf op.</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Ik zal hem stuk slaan. (<i>voor zich</i>) Baal draagt gouden
+armbanden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>alleen</i>). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij hij,
+omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot eere
+brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb ik
+het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel; een
+god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal hij
+toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover
+haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van
+huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak,
+te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het
+doodsuur een jubelkreet af te dwingen!&mdash;Nebucad Nezar weet het zich
+gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik
+moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (<i>De opperpriester
+gaat weer voorbij</i>). Is Baal verbrijzeld?</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de
+gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons
+goud en ge hebt drie dagen tijd.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="8"></span><a id="p_8"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (<i>Af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Gezanten van een koning smeeken om gehoor!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Van welken koning?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u
+verdeemoedigden, onmogelijk onthouden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>werpt hem een gouden ketting toe</i>). De eerste
+onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (<i>De gezanten komen op
+en werpen zich voor Holofernes ter aarde</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant.</span> Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen,
+wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet
+éérgisteren?</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant.</span> Heer!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Was de afstand te groot, of de eerbied te klein?</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant.</span> Wee ons!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>voor zich</i>). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap tegen
+Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te
+verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden!
+(<i>luid</i>). Staat op en zegt uwen koning...</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman</span> (<i>op</i>). Gezanten uit Mesopotamië!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Breng ze binnen. (<i>De gezanten op, zij werpen zich ter
+aarde</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn
+onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich op
+iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang
+getalmd.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="9"></span><a id="p_9"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst voor
+mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij, dat
+de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich
+<ins class="corr" id="corr1" title="Bron: verschansd">verschanst</ins> hebben.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de
+onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van
+diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden.
+(<i>tot de Lybische gezanten</i>) Meldt gij uw koning hetzelfde! (<i>tot de
+Mesopotamische gezanten</i>) Wie zijn die Hebraeërs?</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet het
+reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog
+beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij
+niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en
+wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden,
+van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning
+heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking?</p>
+
+<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten
+niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met
+vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst
+vechten zij met ons.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt
+beantwoorden? (<i>Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na
+kniebuiging en nedervallen</i>) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten
+moeten vòòrkomen! (<i>Heraut af</i>) Ik acht een volk dat mij tegenstand
+wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (<i>De
+hoplieden op, onder hen Achior</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="10"></span><a id="p_10"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee
+gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer en
+zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen god
+stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed
+bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk is
+dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij dat
+verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch
+bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan is
+het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten
+vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat
+het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg
+loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt
+een koele dronk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Hoe heet hun god?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te
+spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Welke steden hebben zij?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>wijzend op de stad in het gebergte</i>). De stad die het dichtst
+bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun hoofdstad heet
+Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun god gezien. Hij
+heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen ik er bewonderend
+vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en mij omlaag drukte;
+ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist hoe het kwam. Ze
+hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond, voelde ik een
+onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden. En daarop staat
+de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en vertelde mij dit, ik
+weet niet of ze het deed uit medelijden met mijn jeugd of uit vrees
+voor de verontreiniging des tempels door een heiden.&mdash;Luister nu naar
+mij, o Heer, en acht mijn woorden niet gering. Laat uitvorschen of dit
+volk ook tegen zijn god gezondigd heeft; en is dat zoo, laat ons dan
+er op los trekken; dan zal hun god ze zeker aan u overleveren <span class="pagenum" title="11"></span><a id="p_11"></a>en zult
+ge ze gemakkelijk onder den voet krijgen. Maar hebben ze nìet tegen
+hun god gezondigd, keer dan om; want hun god zal hen beschermen en wij
+zullen tot spot worden voor het geheele land. Gij zijt een geweldìg
+held, maar hun god is te machtig; en al kan hij niemand tegenover u
+stellen die u evenaardt, zoo kan hij u toch dwingen tegen uzelf in
+opstand te komen en u met eigen hand uit den weg te ruimen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon u
+straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen. Maar
+ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben. Wat
+den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert hem
+ongedeerd tot hen! (<i>het geschiedt</i>) En wie hem, bij de inneming der
+stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn gewicht
+in goud betalen. (<i>met verheffing van stem</i>) En nu, op naar Bethulië!
+(<i>De stoet zet zich in beweging</i>).</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="12"></span><a id="p_12"></a></p>
+
+<div class="rand"><h2><a id="TWEEDE_BEDRIJF"></a>TWEEDE BEDRIJF.</h2></div>
+
+<p class="aanwijzing">(<i>Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat denk je van dien droom?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist ik
+niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; dan
+was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik tegen
+mijzelf en liep nog sneller dan eerst.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zonder naar haar te luisteren</i>). Plotseling stond ik op een
+hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; de
+zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar
+boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar
+schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik
+was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde
+voorwaarts. &bdquo;God, God,&rdquo; riep ik in mijn angst. &bdquo;Hier ben ik,&rdquo; klonk
+het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte
+armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand
+dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was te
+zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem
+weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke droomen
+moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: als een
+mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn
+zelfbewustzijn; <span class="pagenum" title="13"></span><a id="p_13"></a>dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten
+en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als
+schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend.
+Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast;
+dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en
+voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men
+kort voor zijn dood nog wel zou droomen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Omdat ik gruw van mannen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> En u hebt toch zelf een man gehad!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was krankzinnig!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet bang
+wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een gruwelijk,
+ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar was ik toen ik
+tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel herinneren, je
+volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd ik angstiger; nu eens
+dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan dat ik eerst moest
+beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo verleidelijk, men kòn
+hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn sluier op alsof hij zeggen
+wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem vast, want ik voelde hoe mijn
+gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn vader liep naast mij, hij was
+heel ernstig en sprak veel waar ik niet naar luisterde. Soms zag ik
+naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal er stellig anders uitzien.
+Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart er immers ook bij?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik schaamde mij met u.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij
+met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te
+noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen
+<span class="pagenum" title="14"></span><a id="p_14"></a>en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en
+olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als
+een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam
+Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en
+driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar
+het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of
+mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen
+sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel
+wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek
+binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als een
+zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo
+alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde
+ze uitdooven. &bdquo;Niet doen, niet doen,&rdquo; vroeg ik smeekend. &bdquo;Dwaas kind,&rdquo;
+zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de
+lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde
+het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer
+en zei: &bdquo;Het derde doof ik zelf.&rdquo; &bdquo;Gauw, gauw dan,&rdquo; riep ik, want het
+liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder de
+kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het
+gelaat. Manasses riep: &bdquo;Ik zie je zoo duidelijk als overdag,&rdquo; en
+meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof
+de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had
+vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. &bdquo;Kom, kom!&rdquo; riep ik, zonder mij
+er over te schamen dat ik dit deed. &bdquo;Ik kan niet,&rdquo; antwoordde hij dof
+en traag. &bdquo;Ik kan niet,&rdquo; herhaalde hij nog eens en staarde mij
+vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het
+venster en zei wel tienmaal achter elkaar &bdquo;Ik kan niet.&rdquo; Hij scheen
+niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben.<span class="pagenum" title="15"></span><a id="p_15"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ongelukkige!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als verontreinigd,
+ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve, teere woorden;
+ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van te komen, begon
+hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen, het was mij of ik
+in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste wroette ik mij in als
+in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam aan, mijzelf in den
+slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik ontwaakte. Den
+volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek mij met
+eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik had wel
+willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik barstte
+in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag mij
+donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen woord
+sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een hoek.
+&bdquo;Bah!&rdquo; riep hij plotseling luid en boos. &bdquo;Judith is een engel!&rdquo; voegde
+hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem mijn
+mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te zijn.
+(<i>Na een lange pauze</i>). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest... hij
+heeft mij nooit aangeraakt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> En...</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij
+bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets
+duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking
+die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen,
+uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl in
+mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den
+gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag lag
+hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof
+gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het
+scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde.
+Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim niet
+meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben <span class="pagenum" title="16"></span><a id="p_16"></a>het hem te
+vragen. &bdquo;Manasses,&rdquo; zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog, &bdquo;wat
+was dat in onzen huwelijksnacht?&rdquo; Zijn donkere oogen waren al
+dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want
+hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen.
+Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: &bdquo;Ja, ja, ja... nù mag ik het je
+zeggen; je...&rdquo; Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de
+Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (<i>Na een lang
+zwijgen</i>). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik
+ophoud Manasses voor krankzinnig te houden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik huiver.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het
+weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en
+begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik
+zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te
+redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen
+in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in
+den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>gedwongen afleidend</i>). Op zulke oogenblikken moest u liever
+eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en
+schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht
+nemen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter is
+het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen
+bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden;
+mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige
+dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn
+de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en
+toch ook geen vrouw.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man
+jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zeer ernstig</i>). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn
+schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood!</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="17"></span><a id="p_17"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>haastig binnentredend</i>). Ha, ge zit daar zoo kalm, terwijl
+Holofernes voor de stad staat!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Dan zij God ons genadig!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb, zou
+je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik
+inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van
+kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en
+poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al
+die gruwelen konden zien!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu
+niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te
+weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is
+een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt...</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Laat hij licht opsteken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in
+brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan
+anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar
+bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn
+vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn
+kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een
+struisvogel-ei kunt bakken?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zou hem willen zien! (<i>voor zich</i>) Wat heb ik daar gezegd?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen
+door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard.
+Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om
+jouwentwil gekomen zijn!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>glimlachend</i>). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar
+naar hem toe te gaan en stad en land waren gered!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> En waarom niet? Ééne voor allen; en nog <span class="pagenum" title="18"></span><a id="p_18"></a>wel eene die zich
+altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet
+om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij
+geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met
+zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo
+werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om
+hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor zich</i>). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst
+aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij
+als <ins class="corr" id="corr2" title="Bron: gevonnisd">gevonnist</ins> wanneer ik haar in de oogen zie. Ik
+hoopte dat zij in dezen algemeenen nood naar een beschermer zou
+uitzien, en wie was haar dan nader dan ik? (<i>luid</i>) Judith, je bent
+zòò moedig, dat je ophoudt mooi te zijn.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Als je een man bent, moog je mij dit zeggen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">.</ins></span> Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk,
+Judith, er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die
+wonen in hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader,
+broeder noch man hebt?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger maken?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en als
+de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen, zou
+ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith<ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">.</ins></span> Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en
+waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het
+al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken,
+want mijn bloed zou het hebben doen roesten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Geef hier! (<i>Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij
+terugtrekt</i>) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je
+siddert voor een prik in je hand!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor <span class="pagenum" title="19"></span><a id="p_19"></a>jou, en ik heb nu
+mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou!
+Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is
+in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap
+de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare
+macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet
+waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te
+maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>reikt hem de hand</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt
+het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je
+wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed
+als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen
+dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid
+mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een
+dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen.
+Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt,
+welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt
+waarheid is?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Voelt ge 't niet, Judith?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven,
+opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag
+verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn
+waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden
+scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een
+van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen
+zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in mijn
+eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.&mdash;Ephraim, ik heb je
+pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer
+beminnenswaardig <span class="pagenum" title="20"></span><a id="p_20"></a>zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik je
+bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je mij nu
+niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken heb, de
+Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel staat;
+wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te
+volvoeren!&mdash;Ga heen... doodt Holofernes!&mdash;Daarna, daarnà eisch van mij
+het loon dat je verlangt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe zou
+dat kunnen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik weet
+alleen dat het mòet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend
+oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt,
+schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond,
+daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik
+het wagen. Maar nu...</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de tinnen
+des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten aantrekken
+om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten. Want je wilt
+wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar eersten toorn en
+waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke geboorte van haar
+eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen zal, tenzij slechts
+om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in gefolterden droom.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch je
+het ondenkbare.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>gloeiend</i>). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een gedachte
+brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die jij lief
+hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je wederliefde
+te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is voor jou
+niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt? Kijk, als
+je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig <span class="pagenum" title="21"></span><a id="p_21"></a>naar je zwaard
+gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig vaarwel;
+dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg geworpen; ik
+zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van een hart dat
+siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden hebben of ik zou
+je gevolgd zijn.&mdash;Maar nu? Ah! ik ben meer dan gerechtvaardigd; je
+liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij werd je vloek om je te
+verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij betrapte op ook maar
+een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en al, ik begrijp zelfs
+dat het hoogste voor jou lijken moet als het meest gewone, dat je moet
+glimlachen als ik bid.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het onmogelijke
+mogelijk maakt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen? En
+als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle mannen
+in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te vermijden, dàn
+heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad, dàn... ah! ik
+heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij mogelijk is!</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="22"></span><a id="p_22"></a></p>
+
+<div class="rand"><h2 id="DERDE_BEDRIJF_1">DERDE BEDRIJF.</h2></div>
+
+<p class="aanwijzing">(<i>Vertrek van Judith</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid,
+ineengedoken terneer</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>treedt binnen en blijft naar haar kijken</i>). Zoo zit zij nu al
+drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt niet.
+Ze zucht of klaagt niet eens. &bdquo;'t Huis staat in brand!&rdquo; schreeuwde ik
+haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van streek was. Zij
+vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat zij het liefst zou
+hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel dichtspijkerde en
+wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar zegt er toch niets
+op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>wenkt haar met de hand om heen te gaan</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om u
+vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij
+aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag
+zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en
+nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar
+vrees te vergeten. (<i>Af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>op de knieën vallend</i>). God, God! Het is mij of ik u bij een
+slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te
+zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik
+adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet
+tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie,
+hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met
+angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen.
+Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was het
+niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken <span class="pagenum" title="23"></span><a id="p_23"></a>wildet voor uw
+uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief
+de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk op
+mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag ik
+dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het
+hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk
+van zijn armzaligheid schuilkroop. &bdquo;Jij bent 't, jij bent 't!&rdquo; riep ik
+mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed
+nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot het
+hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen
+binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel
+zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat
+ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten
+mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts
+ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet
+van u. Of kwam zij wél van u? (<i>zij springt op</i>) Zij kwàm van u! De
+weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj
+maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij
+tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik
+daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te
+onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik
+mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of
+er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven,
+nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom
+en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te
+hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen!
+(<i>zij treedt voor den spiegel</i>) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt
+u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en
+mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en
+zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt;
+kussen moet ge de Ontzetting (<i>zij gaat van den spiegel heen</i>).
+Holofernes! dit <span class="pagenum" title="24"></span><a id="p_24"></a>alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb
+mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als
+ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit
+mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven mij
+doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het
+geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik
+u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige
+gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>binnen komend</i>). Riept ge mij, Judith?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wilt ge niet eten?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, ik wil dat je mij aankleedt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Jij?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik: dan
+wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen
+medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't
+u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste keer
+zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn
+opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te
+bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar
+naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst
+te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron
+kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al
+in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand
+was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het
+gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar
+een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan,
+de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar
+ontrooft den menschen <span class="pagenum" title="25"></span><a id="p_25"></a>niet, midden in den overvloed der natuur, het
+meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien
+hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als zij
+iets goeds willen doen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van iederen
+man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je er een
+ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man kan een
+ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't een kruk
+als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er een
+noodig hebt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou
+gehoorzamen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die
+daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik
+sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden
+zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn
+hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet raken.
+Doel... oog... hand... zoo moet het! (<i>met een blik ten hemel</i>) O, ik
+zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt om te
+broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend openging,
+moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga eten en
+tooi mij daarna.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik wacht zoolang als gij wacht!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar
+daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor
+een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht.
+(<i>Af</i>).</p>
+
+<hr class="hr20" />
+
+<p><span class="pagenum" title="26"></span><a id="p_26"></a></p>
+
+<p class="locatie" id="DERDE_BEDRIJF_2">(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers,
+gewapend).</p>
+
+<p><span class="spreker">Een burger</span> (<i>tot een ander</i>). Wat zeg je, Ammon?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard, die
+zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te vreezen
+en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten staat?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hosea.</span> Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog
+was. Door spreken krijg je nog erger dorst.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Je hebt gelijk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ben</span> (<i>een derde burger</i>). Je komt er nog toe jezelf te benijden om die
+paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf als
+een vat kunnen aftappen. (<i>hij steekt den vinger in den mond</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Hosea.</span> Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger
+vergeet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Nu, te eten hebben we nog wel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Hosea.</span> Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons
+dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen
+dragen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Hosea.</span> In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten op
+de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de schransen
+altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet hen maar de
+ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; komen zij
+om, dan is 't ook een voordeel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon</span> (<i>geeft hem een oorvijg</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Hosea.</span> Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud
+dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal
+bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem smeden
+uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor die,
+welke je morgen krijgt.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="27"></span><a id="p_27"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Ben.</span> Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je
+dadelijk naar de wallen moet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met elkaar
+twisten, denken we niet aan onze ellende.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ben.</span> Komt, komt, we moeten hier vandaan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor
+Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ben.</span> Dan zou ìk hem dooden. (<i>Alle drie af</i>).</p>
+
+<p>(<i>Twee andere burgers</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Een burger.</span> Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Ja.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een burger.</span> Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken te
+bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. &bdquo;Heb je
+gehoord,&rdquo; vraagt hij dien, &bdquo;wat ik gezegd heb?&rdquo; &bdquo;Neen&rdquo; antwoordt
+de vent. &bdquo;Dat is je geluk,&rdquo; zegt de tyran, &bdquo;anders liet ik je je kop
+afslaan, omdat er ooren aanzitten&rdquo;.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een burger.</span> Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo
+iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar
+half doodt, niet heelemaal.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij zulk
+een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (<i>zij gaan voorbij</i>).</p>
+
+<p>(<i>Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt op</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt
+eeuwiglijk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel.</span> Eeuwiglijk! (<i>hij gaat op een steen zitten</i>) Samuel dorst,
+mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij
+het vergeten!</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel.</span> De psalm! luider! Waarom blijf je steken?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="28"></span><a id="p_28"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of ge
+een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud om
+te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel</span> (<i>boos</i>). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel
+noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn
+kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon</span> (<i>zeer luid</i>). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, de
+heidenen hebben groote macht over Israël!</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel</span> (<i>opstaand</i>). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij
+golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder
+danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den
+weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip
+joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's
+muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in
+zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen niet
+sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? Staat
+op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk Jonas
+sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt te
+voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige
+verdelgt worde met den schuldige. (<i>hij grijpt zich in den baard</i>)
+Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen,
+diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam
+Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting
+toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van
+den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot
+zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de zoon
+van Ham.</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel.</span> Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn deur,
+wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren en
+langer, tot hij <span class="pagenum" title="29"></span><a id="p_29"></a>zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de pest
+ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging
+voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij
+had den moed niet haar te roepen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Kom, kom! (<i>hij leidt hem terzijde</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel.</span> Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn
+broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop
+uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!</p>
+
+<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn
+broeder, het gansche geslacht.</p>
+
+<p><span class="spreker">Samuel.</span> Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat de
+Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee,
+wee! (<i>de kleinzoon leidt hem weg</i>).</p>
+
+<p>(<i>Twee burgers</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er
+zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs
+dagelijks een paar keer wasschen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets
+vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in
+zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer
+dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als
+een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een
+beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met
+een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er
+goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn
+naaste.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet als
+klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Wat?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (<i>gaan
+voorbij</i>).</p>
+
+<p>(<i>Een der ouderlingen op</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Hoort, hoort! mannen van Bethulië <span class="pagenum" title="30"></span><a id="p_30"></a>(<i>het volk verzamelt
+zich om hem heen</i>). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door
+mijn mond weten doet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad</span> (<i>een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand
+leidend</i>). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn
+zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een ander burger.</span> Laster niet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad.</span> Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de bron
+kan scheppen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het
+zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen
+voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad.</span> Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom
+des Heeren in gevaar ìs.</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad.</span> Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op neer
+dat wij Hèm beschermen moeten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u
+laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en
+kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad.</span> Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen
+uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb,
+die tot mijn schande rondloopen? (<i>tot den ouderling</i>) Man, je lippen
+beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden,
+waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van
+ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit
+naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te
+openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor
+mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de
+vrouwen en kinderen. (<i>omstanders geven teekenen van instemming</i>) Geef
+het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>zich losrukkend</i>). Steenigt hem! Steenigt hem!</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Was die man niet stom?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="31"></span><a id="p_31"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Assad</span> (<i>vol ontzetting zijn broeder aanziend</i>). Stom en blind! Hij is
+mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord
+gesproken.</p>
+
+<p><span class="spreker"><ins class="corr" id="corr5" title="Bron: Daniel">Daniël</ins>.</span> Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met
+spijs en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij
+heeft voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn
+trouwe broeder. (<i>zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar
+weer als door ontzetting aangegrepen van zich weg</i>) Steenigt hem!
+Steenigt hem!</p>
+
+<p><span class="spreker">Assad.</span> Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den
+stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (<i>Het volk achtervolgt hem, hem
+steenigend</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>hen verschrikt naloopend</i>). Wat wilt ge doen! (<i>Af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>in vervoering</i>). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge
+moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet
+wanneer het tijd is.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Een profeet, een profeet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël.</span> Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. Meent
+ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik zeg u,
+dat zal nooit geschieden! (<i>Judith en Mirza verschijnen onder de burgers</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>zich ter aarde werpend</i>). Heil ons!</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël.</span> En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig noodig
+om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen bij u
+en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (<i>na een pauze</i>)
+Broeder, je hand!</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>terugkeerend</i>). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord!
+Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered;
+wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen
+die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. &bdquo;Zorg voor Daniël!&rdquo; riep
+hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. &bdquo;Als een
+gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>tot het volk</i>). Schaamt u, dat ge op de <span class="pagenum" title="32"></span><a id="p_32"></a>knieën ligt, en
+schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u
+allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt
+ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den
+ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft
+gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er
+in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier
+verried hij zijn afschuw. (<i>tot den ouderling</i>) Al wat mijn vriend
+eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping
+op genade of ongenade. (<i>tot Daniël</i>) Laat nu zien dat de Heer uit je
+sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja.</span> Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken
+wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor
+eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze
+tot broedermoordenaars te maken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>slaat zichzelf</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tusschen het volk tredend</i>). Laat u niet in verzoeking
+brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in
+heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat
+men uw diepste gevoel liegen heet?</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja.</span> Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt?
+Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (<i>tot
+Daniël</i>) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den
+muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog
+op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Hij heeft gelijk!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Samaja</i>). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien Hij
+gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja.</span> Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen
+onder onze vaderen, onze vaderen <span class="pagenum" title="33"></span><a id="p_33"></a>waren beter dan wij. Als Hij nù
+wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom
+bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den
+aftocht te bewegen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Een burger</span> (<i>op Daniël indringend</i>). Sterf, zondaar, die ons er toe
+verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>tusschen beiden tredend</i>). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo sprak
+de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in mij.
+En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog tot
+morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht
+dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij
+neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u
+zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht
+uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes
+zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat
+alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij
+hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote
+moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den
+vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich
+eerst te laten bidden. (<i>grijpt Daniël bij de hand</i>) Den stomme neem
+ik mee naar mijn huis. (<i>voor zich</i>) Neen zeker, de stad, die zijn
+broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik
+zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand
+duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in
+naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd.
+Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (<i>met
+Daniël af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>door elkaar</i>). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat
+geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen
+de poorten openen. Komt!</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>een burger</i>). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet
+verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds
+gebogen nekken weer <span class="pagenum" title="34"></span><a id="p_34"></a>trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de
+wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets tot
+iets gemaakt hebben!&mdash;(<i>luid</i>) Ziet ge in het ongeluk dat u treft
+slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>tusschen de burgers rondgaande</i>). Toen ik van Holofernes'
+tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om
+genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (<i>allen
+zwijgen</i>) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen;
+had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen
+weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft
+genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te
+vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een
+vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Wee, wee!</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua.</span> En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd
+hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen
+en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den
+eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen
+en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je
+de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet,
+dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Zal dat ons redden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan
+verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Zou het werkelijk helpen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua.</span> Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand
+af.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Je hebt gelijk. Dat is de weg.</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken</i>). Wat zeg je
+daarvan?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ik zou er zelf den raad toe geven als <span class="pagenum" title="35"></span><a id="p_35"></a>'t helpen kon. Ik
+ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot
+mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het
+er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik
+zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar
+als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk
+u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en
+het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd,
+dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen,
+van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér
+ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te
+tellen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>woest</i>). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te slaan,
+zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen? O, nu
+zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad leiden,
+nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd éér het al
+deze hoofden had afgemaaid!</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua.</span> De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij zich
+niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat op
+een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen enkel
+geslacht zou worden. (<i>tot Judith</i>) U zult stellig de eenige niet zijn
+die hij geroerd heeft.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch te
+schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar zijn
+zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te beletten;
+maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal uit zijn
+gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het
+gemunt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Hebt dank.</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua.</span> Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch zeker
+staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit zoo
+wreed kan zijn als een <span class="pagenum" title="36"></span><a id="p_36"></a>die ze zelf moet openen. (<i>tot den ouderling</i>)
+Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn voorstel, dat wil
+zeggen morgen, als ik dan nog leef.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot den ouderling</i>). Zeg neen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan moet
+komen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>tusschen het volk tredend</i>). Zet maar open, maar verwacht
+geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het
+laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er
+geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat heeft hij gezworen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge
+daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van
+uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te
+slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò
+weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en
+wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen
+omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk
+kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij
+voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij
+u heeft toegedacht.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten sterven,
+dan hebben we zelf nog zwaarden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Josua.</span> Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde komen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Een tijd, een tijd!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt de
+hulp des Heeren.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het in
+deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop
+beleven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit</i>). Dus binnen vijf
+dagen moet hij sterven!</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="37"></span><a id="p_37"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te
+houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de
+olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste aan?
+(<i>tot het volk</i>) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine
+bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene
+moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten
+drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ge ziet het, niemand antwoordt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot het volk</i>). Wat moet ik hiervan denken? (<i>na een pauze</i>)
+En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op te nemen
+tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo vermetel
+zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand uit te
+strekken naar zijn altaarspijzen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat
+andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der
+stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den
+dood.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David, zoo
+wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een uit het volk.</span> Waarom luisteren we toch naar haar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ander.</span> Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?</p>
+
+<p><span class="spreker">Een derde.</span> Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het ons
+goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in het
+openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù, nu we
+op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt
+tusschen ons om ons moed in te spreken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Vorige.</span> Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij ééns
+gezegd heeft? &bdquo;Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den
+armen.&rdquo; En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij
+alleen daarom <span class="pagenum" title="38"></span><a id="p_38"></a>geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden
+de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het
+om harentwil!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Achior</i>). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik
+hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij
+toeriep: &bdquo;Doodt mij, anders dood ik jou!&rdquo;... ik weet niet wat ik zou
+doen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij
+gelaten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het
+bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering
+hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot
+zijn vijanden stuurt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Hij is een tyran.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt zichzelf
+en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik met hem
+door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan een
+kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de sporen,
+maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg: &bdquo;hij is
+bodemloos&rdquo;. &bdquo;Ik wil ook niet er in, maar er òver!&rdquo; roept hij en waagt
+den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer omgekeerd
+en naast mij. &bdquo;Ik dacht daar een bron te zien,&rdquo; zeide hij, &bdquo;en wilde
+drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar verslapen.&rdquo;
+Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn paard en slaapt.
+Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af, raakte zijn gewaad
+aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon, dat hij schaduw had.
+Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat ik hem prijs wanneer
+ik over hem spreek.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Houdt hij van vrouwen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="39"></span><a id="p_39"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Vloek over hem!</p>
+
+<p>Achior. Wat zegt ge?&mdash;Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen
+volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn
+slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed
+gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> En wat deed hij?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te
+denken om moed te hebben als een man.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Wat hebt ge?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet
+vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij
+onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer
+op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult ge
+betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de
+jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn
+armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden
+beschermen! (<i>tot Achior</i>) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Nooit zag men uwsgelijke.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot den ouderling</i>). Ik heb iets bij Holofernes te doen. Wilt
+ge de poort voor mij doen openen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Wat zijt ge van plan?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Niemand mag het weten als de Heer onze God.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Mirza</i>). Heb je moed mij te vergezellen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> En heb je gedaan wat ik je beval?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Het is nog te veel.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="40"></span><a id="p_40"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor zich</i>). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar
+woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het
+volk</i>) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen
+kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (<i>Zij gaat op de poort
+toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve
+Ephraim, op de knieën</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf
+beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze
+het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen.
+Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder
+dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (<i>af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Delia</span> (<i>in groote ontsteltenis op</i>). Wee, wee!</p>
+
+<p><span class="spreker">Een ouderling.</span> Wat is er?</p>
+
+<p><span class="spreker">Delia.</span> De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!</p>
+
+<p><span class="spreker">Een stem.</span> Dat is de vrouw van Samaja.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderling</span> (<i>tot Delia</i>). Hoe is dat gebeurd?</p>
+
+<p><span class="spreker">Delia.</span> Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de
+achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den
+stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar
+de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met
+een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige
+verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil
+uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij
+stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja,
+sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem
+bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met
+hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen
+gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al
+gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij
+<span class="pagenum" title="41"></span><a id="p_41"></a>ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij
+stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. &bdquo;Moordenaar&rdquo; roep
+ik.&mdash;Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op
+den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst,
+alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten
+spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de
+wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn
+voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft
+hij zijn loon ontvangen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Stemmen uit het volk.</span> Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen! Gaat
+heen en bidt!</p>
+
+<p>(<i>Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Delia.</span> Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat
+hij, dien ik lief had, een zondaar was (<i>af</i>).</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="42"></span><a id="p_42"></a></p>
+
+<div class="rand"><h2 id="VIERDE_BEDRIJF">VIERDE BEDRIJF.</h2></div>
+
+<p class="locatie">(Tent van Holofernes.&mdash;Holofernes en twee zijner hoplieden).</p>
+
+<p><span class="spreker">Een der hoplieden.</span> De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het
+punt van uitgaan staat.</p>
+
+<p><span class="spreker">De tweede hopman.</span> Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al
+wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was
+zichzelf van kant te maken?</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede hopman.</span> Het is toch niet waar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap denkt
+hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt zijn
+dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller ruggelings te
+doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig glijdt het
+staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het en roept
+den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: &bdquo;Laat maar
+loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede hopman.</span> Het klinkt ongelooflijk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Vraag het den kamerdienaar maar.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>zich snel omwendend</i>). Vraag 't mijzelf! (<i>zij
+schrikken</i>). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet
+wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei
+kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (<i>voor zich</i>) Zij
+verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg
+voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich niet
+zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de
+grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De
+ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars <span class="pagenum" title="43"></span><a id="p_43"></a>en slaven
+hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt.
+(<i>tot de hoplieden</i>) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn
+schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te
+kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag
+drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch
+eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen
+dood in mijn bed gevonden hadt?</p>
+
+<p><span class="spreker">De hoplieden.</span> Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf
+uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort
+er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer
+zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou
+deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld
+dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben
+met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben
+gekregen!&mdash;Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het ieder
+uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en zuigen het
+in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals gisteren en
+vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn tegendeel wel
+inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen voor niets
+anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons door eten te
+behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze tanden tegen
+de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek heerlijk door
+het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten aanzwellen dat de
+ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten wellust en den huiver
+der vernietiging met elkaar te vermengen. Dikwijls komt het mij voor
+als had ik eens tot mijzelf <span class="pagenum" title="44"></span><a id="p_44"></a>gezegd: Nu wil ik leven! Toen werd ik
+losgelaten als uit een teedere omhelzing, het werd licht om mij heen,
+ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo zou ik ook eens tot mijzelf
+willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als ik niet, zoodra ik het woord
+heb gesproken, opgelost in alle winden verstuif en door alle dorstende
+lippen der schepping wordt opgezogen, dan zal ik mij schamen en mij
+zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb uit ketenen. Ik houd het voor
+mogelijk dat zich nog eens iemand doodt alleen door de gedachte.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Holofernes!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat is
+waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk
+nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik
+heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn
+breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het
+eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen
+dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en
+bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de
+wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (<i>tot de hoplieden</i>)
+Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak
+en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een
+bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die
+men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik
+heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben
+bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten
+dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te
+gebruiken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een hopman</span> (<i>binnentredend</i>). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we op
+den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat voor soort?</p>
+
+<p><span class="spreker">De hopman.</span> Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren.
+Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen
+bij de bron te <span class="pagenum" title="45"></span><a id="p_45"></a>wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen
+we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was
+gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks
+kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren,
+wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden.
+Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers
+trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen&mdash;want
+de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren&mdash;maar hij bukte
+zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan,
+zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij
+nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot
+den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar
+sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor
+haar voeten geworpen. Maar zij zeide: &bdquo;Breng mij naar Holofernes, ik
+kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te
+onthullen&rdquo;.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Brengt haar hier! (<i>de hopman af</i>) Alle vrouwen ter wereld
+zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik ook
+nooit zien.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een hopman.</span> Welke is dat?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf.
+Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers
+hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een
+leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw
+zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor
+haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen! Hij
+kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een
+erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met
+smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar,
+dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van
+zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>treedt binnen, begeleid door Mirza en den</i> <span class="pagenum" title="46"></span><a id="p_46"></a><i>hopman, die
+beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward,
+beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te
+voet</i>). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud
+glimt, hier de meester zijn moet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Slechts één kan er zoo uitzien!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de
+voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een der hoplieden</span> (<i>tot den ander</i>). Een volk dat zulke vrouwen heeft
+is niet te verachten.</p>
+
+<p><span class="spreker">De ander.</span> Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten.
+Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen
+zijn heelen toorn verstikt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>in den aanblik van Judith verloren</i>). Is 't niet of men,
+zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat men
+ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje
+uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij
+brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik
+zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (<i>tot Judith</i>) Ge
+ligt nog op de knieën? Sta op! (<i>Zij doet het, hij neemt plaats op den
+vorstelijken zetel onder een tapijt</i>) Hoe heet ge?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik heet Judith.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne mij
+beviel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is het doel van al mijn wenschen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad verlaten
+en ben je bij mij gekomen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen God
+de mijnen in uw hand wil overleveren.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>lachend</i>). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt op
+je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij heeft
+sinds lang door zijn profeten <span class="pagenum" title="47"></span><a id="p_47"></a>laten verkondigen dat hij zijn volk wil
+straffen om zijner zonden wil.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat is zonde?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>na een pooze</i>). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat
+kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vertel verder.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer
+bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst.
+En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten
+van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het
+zal tot vuur worden in hun ingewanden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom geven zij zich niet over?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het ergste
+hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het van
+hen zal afwenden? (<i>voor zich</i>). Ik wil hem verzoeken. (<i>luid</i>) In hun
+angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak zou
+mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den held
+en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in uw
+gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven hij
+in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen, want
+ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere gruweldaad
+van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe zelfkwelling
+maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een beul te zien
+omdat zijzelf den dood waardig zijn. (<i>zij valt voor hem neer</i>) Op
+mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging van mijn
+verblinde volk.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>opstaand</i>). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge
+glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent
+het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts
+tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken
+schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste <span class="pagenum" title="48"></span><a id="p_48"></a>der mijnen zeggen: zijzelf
+zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort
+openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en
+hen bang maakte. &bdquo;Wat wilt ge doen?&rdquo; riep hij. &bdquo;Weet ge niet dat hij u
+allen den ondergang gezworen heeft?&rdquo; Ik weet dat ge hem het leven en
+de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen
+op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen
+uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te
+schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein
+volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig
+acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie
+ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken,
+omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En
+wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe
+kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf, al
+wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat is
+tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (<i>zij ziet hem aan, hij
+zwijgt</i>) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou
+ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren
+als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen nu
+voor u in gindsche stad. &bdquo;Ge hebt mij getrotseerd,&rdquo; zou ik hen
+toeroepen, &bdquo;maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, <ins class="corr" id="corr6" title="Bron: sçhenk">schenk</ins>
+ik u het leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u
+niet, opdat ge geheel en al mijn slaven zijn zult.<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk
+maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was
+opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan
+nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>in een wild lachen uitbarstend</i>). Vergeef. Sta toe dat ik
+mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij
+lachen zullen als zij het <span class="pagenum" title="49"></span><a id="p_49"></a>staal zien blinken dat hen moet spietsen.
+Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door
+hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik
+dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het
+afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat
+hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù
+mijn eigen zwakheid onderschoof.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al staat
+de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar
+kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen.
+Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met
+mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet
+weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en
+zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen
+krijgen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed en
+kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den weg
+weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood
+verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer,
+mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door
+een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij! dat
+uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de
+tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden
+in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen
+voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet of
+zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes
+zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en
+doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich
+misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en
+razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou
+vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg
+hen! Dìt laat de Heer, <span class="pagenum" title="50"></span><a id="p_50"></a>mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil
+uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar neen,
+ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (<i>na een poos</i>)
+Ge beschuldigt de uwen zwaar.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf voor
+mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne. Geloof
+niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den
+algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt
+zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou
+durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God
+het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk
+overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij
+gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën
+lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte;
+toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn stem
+klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen, Hij
+sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel met het
+beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik
+gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn
+voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier
+redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie,
+zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is
+méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik
+niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd
+hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als
+nog nooit een vrouw geweest is. (<i>tot den kamerdienaar</i>) Breng haar
+naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij
+bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om <span class="pagenum" title="51"></span><a id="p_51"></a>van mijn God af te vallen,
+maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van
+te eten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En als dat op is?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn
+God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen
+heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het
+uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef
+daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar
+buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar
+bidden kan en wachten op een openbaring.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog
+nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur</i>). Binnen
+vijf dagen, Holofernes!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren te
+kennen gaf</i>). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn
+woorden gelooft.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker
+niet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Weent ge?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de kracht
+der leugen in mijn mond. (<i>af</i>).</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="52"></span><a id="p_52"></a></p>
+
+<div class="rand"><h2 id="VIJFDE_BEDRIJF_1">VIJFDE BEDRIJF.</h2></div>
+
+<p class="locatie">(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een
+gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).</p>
+
+<p class="aanwijzing">(<i>Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot een der hoplieden</i>). Ben je op verkenning uitgeweest?
+Hoe staat het er mee in de stad?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de poort
+bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een van
+hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al vanzelf
+dood neer.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't
+mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet
+dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het
+geheel niet te bezitten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen.
+Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die
+den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de
+handen vouwen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat men zulke priesters vooral niet doode! De
+vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God,
+maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel
+lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende
+stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten
+hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="53"></span><a id="p_53"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat hebben we meer gezien. (<i>lachend</i>) Hebben we niet
+zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw
+achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst
+voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk
+zijn! (<i>het geschiedt</i>) Is het niet morgen de vijfde dag?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Ja.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals
+de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij
+toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te
+leggen...</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Twijfelt Holofernes?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals
+die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef
+aan te kloppen, dan...</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> Dan?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb
+gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij
+een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te
+Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen
+beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (<i>tot den
+kamerdienaar</i>) hoe zei je ook weer dat hij heet?</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Jehovah!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt het
+u, en een die het niet behoeft te doen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> En als Bethulië zich niet overgeeft?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de
+stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen.
+Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman.</span> O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Heb je dat ondervonden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Hopman</span> (<i>zwijgt verlegen</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>met woesten blik</i>). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat ze
+mìj behaagt? Daar, hond! (<i>hij</i> <span class="pagenum" title="54"></span><a id="p_54"></a><i>slaat hem neer</i>) Haalt hem weg en
+brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons
+Assyriërs rondloopt! (<i>Het lijk wordt weggedragen</i>) Vrouw is vrouw en
+toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man
+nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw.
+Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in
+tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze
+vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals
+vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt
+en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige
+tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen
+opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het
+hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden...
+ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite
+gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden
+beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren
+vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken,
+zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die
+nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben!
+Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd.
+Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen
+als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God...
+en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms
+wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te
+trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld.
+Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar
+eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>met Mirza binnen tredend</i>). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en
+uw maagd gehoorzaamt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij
+mij gevonden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="55"></span><a id="p_55"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit in
+mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom aarzel je?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>huiverend, op het versche bloed wijzend</i>). Heer, ik ben een
+vrouw.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je
+ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand
+was.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wee mij!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot den kamerdienaar</i>). Andere tapijten! (<i>tot de
+hoplieden</i>) Gaat heen. (<i>De tapijten worden gebracht, de hoplieden
+verwijderen zich</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik U,
+mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet
+zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt. Ben
+ik zoo afschrikwekkend voor je?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wees oprecht, vrouw!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Nu?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Als ik u kon liefhebben.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een
+woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>verlegen</i>). Heer, ik begrijp u niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat
+hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk
+aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de
+leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten.
+Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik
+met mijn leger je vaderland bedreigde?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Niets dacht ik.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes
+hoort.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik dacht aan den God mijner vaderen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="56"></span><a id="p_56"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En vervloekte mij?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Geef mij den eersten kus. (<i>hij kust haar</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). O, waarom ben ik een vrouw!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen
+mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat
+er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om je
+volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd had
+en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer
+ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen
+mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich
+als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw ik
+van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon
+inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste
+gedierte herbergt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>haar van terzijde aanziend</i>). Hoe zij gloeit! Zij doet
+mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den
+hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen
+van den haat!&mdash;Kus mij, Judith! (<i>zij doet het</i>) Haar lippen zuigen
+zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith.
+In den wijn is al wat ons ontbreekt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken</i>). Ja, in den
+wijn is moed, moed!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten, om
+mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O gij... (<i>zich beheerschend</i>) Vergeef. (<i>zij weent</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand
+en vertel mij van je haat.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="57"></span><a id="p_57"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner
+menschelijkheid!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (<i>zij
+richt zich op</i>) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je
+zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet
+krankzinnig worden.&mdash;Doodt mij nu!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst samen
+naar bed gaan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het
+doen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>treedt binnen</i>). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor
+de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't
+hoogste belang...</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>opstaand</i>). Van den vijand? Breng hem binnen. (<i>tot
+Judith</i>) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de
+namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>hem te voet vallend</i>). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja.</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Welaan! (<i>nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar
+Holofernes, die uitwijkt</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>snel binnen tredend</i>). Schurk! ik zal je leeren hoe je
+een man neerslaat. (<i>wil Ephraim neerslaan</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Halt!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>wil zich in zijn eigen zwaard storten</i>). Judith heeft het
+gezien! Eeuwige schande over mij!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>hem weerhoudend</i>). Probeer dat niet voor den tweeden
+keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je
+het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt
+hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en
+leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is
+een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan,
+naar Holofernes <span class="pagenum" title="58"></span><a id="p_58"></a>geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen.
+Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (<i>Kamerdienaar met Ephraim af</i>).
+(<i>tot Judith</i>) Zijn er veel slangen in Bethulië?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, maar veel razenden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den
+wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen
+begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn
+tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het
+noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen
+verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen op
+kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen
+edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf en
+listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is
+goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al
+probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (<i>zacht</i>) God mijner
+vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet wat ik
+het diepst verafschuw. Hij is een màn!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot den kamerdienaar</i>). Maak mijn leger gereed.
+(<i>Kamerdienaar af</i>) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de elbogen
+gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en
+verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk en
+ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets
+beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht
+zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen van
+zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. &bdquo;O Holofernes, ge
+weet niet wat dit is&rdquo; kreunde eens een man dien ik op een
+gloeiend rooster liet braden. &bdquo;Dat weet ik werkelijk niet&rdquo; zei
+ik en ging naast hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als
+ik niet voor hem knielen wil.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kracht, kracht! dat is alles! Laat <span class="pagenum" title="59"></span><a id="p_59"></a>komen wie tegen mij
+opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam niets
+te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten
+fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen
+dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard;
+als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De
+orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar
+de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens
+werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt
+het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van
+walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is
+hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor.
+Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens de
+tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der
+menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen
+staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste
+oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! &bdquo;Komt hier, allen
+die ik leed gedaan heb&rdquo;, roep ik uit, &bdquo;gij, die ik verminkte, wien ik
+uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen en
+verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het mij
+drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij te
+eten.&rdquo; En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en ik
+hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het mij
+niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij staan
+en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en
+waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: &bdquo;Knielt neer, want ìk ben
+ùw god&rdquo;. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en
+ongemerkt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>sidderend</i>). En als de hemel een bliksem naar u slingert om u
+te verpletteren?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood en
+de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten <span class="pagenum" title="60"></span><a id="p_60"></a>stuiven door
+elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u
+tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Val neer en aanbidt mìj!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt ge
+dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En
+als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot
+voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn
+rossen wordt verslonden.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de wijsheid,
+die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn linkerbeen den
+knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch vooral niet op
+den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de woestijn, die tegen
+zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd uitriep: &bdquo;Nu ben ik
+verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de wereld!&rdquo; die zot was
+eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont mij het vuur dat
+zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont mij toch het
+vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar zegt mij dan
+of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over het vuur te
+vonnissen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn gedachten
+huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta ik niet
+meer.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw
+zooiets niet begrijpelijk willen maken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te
+vermoorden! En zij zegt het u!</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te
+maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat
+ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te
+beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="61"></span><a id="p_61"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels
+die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.</p>
+
+<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar wat
+tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (<i>hij
+drinkt</i>) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (<i>tot den
+kamerdienaar</i>) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost
+het zijn kop. (<i>hij trekt Judith met geweld mee</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid
+als ik niet kan! (<i>beiden af in het slaapvertrek</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>tot Mirza</i>). Blijf je hier?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik moet mijn meesteres bedienen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan kon
+ik even gelukkig zijn als mijn Heer.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Waarom ben jij niet een man als Holofernes?</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe.
+Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en
+zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed
+brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord:
+Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan spuwen,
+als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes heeft
+eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam,
+neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het
+altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij
+Hebreeuwsche spin, en <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: houdt">houd</ins> je stil (<i>af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>alleen</i>). Stil, ja stil. Ik geloof (<i>wijst naar het
+slaapvertrek</i>) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het
+Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en
+zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de
+angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik
+kon en ik schreeuwde àlleen om <em class="g">zijn</em> schreeuwen <span class="pagenum" title="62"></span><a id="p_62"></a>niet te hooren. Zòò
+spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel
+dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik
+je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde
+ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken
+en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik
+ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de
+vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij
+mannen dooden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede
+gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het
+hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard</i>). Het is hier te licht.
+Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>jubelend</i>). Zij leeft... en <em class="g">hij</em> leeft (<i>tot Judith</i>). Wat hebt
+ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten! Uw
+oogen zien zoo schuw.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (<i>zij
+wankelt</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Leun tegen mij aan, ge wankelt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik kan
+nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Kom, laten we vanhier vluchten!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij tot
+zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte, dat
+alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de vernietiging
+die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over die ruwe
+greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de onteerende
+kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu bloos je er
+niet over dat je mij wilt meetronen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ongelukkige, waaraan denkt ge?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je
+niet zeggen? Ik denk aan moord! (<i>als Mirza achteruit deinst</i>) Is er
+dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat
+<span class="pagenum" title="63"></span><a id="p_63"></a>zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om
+mij!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Kom!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een
+vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je
+vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht
+vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep mij
+in 't oor: &bdquo;Je bent een hoer!&rdquo; Dan zal ik opspringen; misschien grijp
+ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe:
+&bdquo;Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!&rdquo; O,
+Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Uw gedachten groeien u boven het hoofd.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen.
+Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het
+heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat
+siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan
+kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd
+te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin
+zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij
+eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde
+van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles...
+is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en
+zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Hoe zou ìk niet luisteren?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel
+het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven
+handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt
+waarin dit ontzettendste mogelijk is.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste vernedering;
+het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst wordt om in de
+plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen roes met een nog
+<span class="pagenum" title="64"></span><a id="p_64"></a>gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop de inslapende
+begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze noodig heeft om
+het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen zelf, als dronken
+gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen, tegen je opstaan;
+waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je denken en voelen,
+voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je schande voor je
+waarachtige wezen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wèl mij, dat ik niet schoon ben!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar hoe
+zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (<i>zij wijst naar het
+slaapvertrek</i>) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op het
+klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den
+verschrikkelijke en steunde: &bdquo;Spaar me!&rdquo; Had hij naar den angstkreet
+van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn
+antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees.
+In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. &bdquo;Matig je gloed, je
+gaat te ver!&rdquo; lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij
+begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets
+glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn
+duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn
+recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer
+heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (<i>zij stort de kamer binnen
+en neemt het zwaard af</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>op haar knieën</i>). God, laat hem wakker worden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>op de knieën vallend</i>). Mirza, o, wat <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: bidt">bid</ins> je daar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>weer opstaand</i>). God zij geloofd, zij kan het niet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede menschen
+omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (<i>Zij staat op en beschouwt
+Holofernes</i>) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat de moord
+zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha! laffe
+vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden? Die
+rustige slaap, na zùlk een oogenblik... <span class="pagenum" title="65"></span><a id="p_65"></a>is dat niet de ergste
+misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof
+er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (<i>zij trekt het
+zwaard uit de scheede</i>) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen
+glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen
+hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn
+droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je
+schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige
+begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (<i>zij slaat
+Holofernes het hoofd af</i>). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha!
+Holofernes, acht ge mij nu?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>bezwijmt</i>). Houdt mij vast!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>door een siddering overvallen</i>). Zij bezwijmt; is mijn daad
+dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet
+verstijven en haar voor dood neerwerpt? (<i>heftig</i>) Ontwaak uit je
+onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik
+niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>weer bijkomend</i>). Werp er toch een doek overheen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke huivering
+van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen, dat wreede
+afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou mij kunnen
+doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan moest ik
+immers ook mijzelf... (<i>zij grijpt naar het zwaard</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>werpt zich aan haar borst</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij, zij
+vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode niet
+zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die
+omarming een tweede onmacht? (<i>stoot haar van zich weg</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> U doet me pijn, en uzelf nog meer.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>haar hand vattend</i>). Niet waar Mirza, als het een gruwelstuk
+was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou je mij dat
+immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij vonnissen en
+verdoemen, <span class="pagenum" title="66"></span><a id="p_66"></a>vriendelijk tot mij zeggen: &bdquo;Je doet jezelf onrecht, het
+was een heldendaad?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>zwijgt</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ah! <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: verbeeldt">verbeeld</ins> je maar niet dat ik al als een
+bedelares voor je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou
+begenadiging verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes
+en ìk... ik ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik
+zou den held willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel
+gekost heeft als mij de mijne!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt ge
+in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het nooit
+betreden, dan had ge niets te wreken gehad.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij hierheen,
+de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die zich den pols
+openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O, nù ben ik weer
+met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door mijn eigen smart.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen ge
+uw hand in bloed dompelde.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>langzaam, vernietigd</i>). Neen, neen, je hebt gelijk... dat was
+het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O,
+hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes
+verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù
+mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen
+en ze vermorzelt mij!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat zult
+ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het
+slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte
+houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in
+stukken scheuren! (<i>zij wil gaan</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>kalm</i>). Dan verscheuren ze mij ook.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>blijft staan</i>). Wat moet ik doen? Mijn <span class="pagenum" title="67"></span><a id="p_67"></a>hersens lossen op tot
+rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken dan
+aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat
+naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik
+kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik
+zal in niets verdwijnen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>luisterend</i>). God! men komt!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>verward</i>). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de wereld
+in het hart gestoken. (<i>lachend</i>) En ik trof haar goed. Moet ze
+blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg
+naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de
+sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben
+immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan
+komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Au! mijn naam doet mij pijn!</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>als wrevelig</i>). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is 't
+niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die mij
+zeide waarom.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Het is met haar gedaan... Judith, je bent een <ins class="corr" id="corr11" title="Bron: kind">kìnd</ins>.</p>
+
+<p><span class="spreker"><ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Judìth">Judith</ins>.</span> Ja ja, goddank! <ins class="corr" id="corr13" title="Bron: Verbeeldt">Verbeeld</ins> je, dat wist ik niet
+meer, ik had me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een
+kerker, en ze was achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een
+bronzen deur. (<i>lachend</i>) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en
+overmorgen ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets
+beters. Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht.
+Hu! Zeg maar wat ik nu zijn moet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>afgewend</i>). God, ze wordt krankzinnig!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer wat
+ik was.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>op Holofernes wijzend</i>). Kijk!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel
+immers maar om den waanzin; <span class="pagenum" title="68"></span><a id="p_68"></a>maar het schemert alleen zoo hier en daar
+een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend
+molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge
+verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>in hoogsten angst</i>). De morgen is niet ver meer; ze zullen mij
+en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid
+uitrukken.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat allen
+dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik het
+ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven! Ah!
+wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als
+kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor
+altijd. O, men léért iets in smart. (<i>op Holofernes wijzend</i>) Ook die
+is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of
+hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het
+geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith, heb medelijden, ga mee!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik doen
+moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Volg mij dan.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek het
+hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt niet?
+Dan verzet ik geen voet! (<i>Mirza gehoorzaamt met afschuw</i>) Kijk, dat
+hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in
+Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen
+wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook
+dááraan tevoren gedacht.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>wil gaan</i>). Nu?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij
+het gedaan hebt.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de
+moed mij ontzonken was, maar dat <span class="pagenum" title="69"></span><a id="p_69"></a>de geest des Heeren over jou gekomen
+is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal
+men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw
+deel zal eer en lofzang zijn in Israël.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Nooit.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de klank
+hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren en dat
+zal mijn loon zijn. Kom! (<i>beiden af</i>).</p>
+
+<hr class="hr20" />
+
+<p class="locatie" id="VIJFDE_BEDRIJF_2">(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met
+gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en
+staand in verschillende groepen. Het wordt dag).</p>
+
+<p class="aanwijzing">(<i>Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz.</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Een vrouw.</span> Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God
+almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij
+belooft?</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen gebonden.
+Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.</p>
+
+<p><span class="spreker">Vrouwen.</span> Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een moeder.</span> Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig kind
+moet verdorsten? (<i>zij houdt haar kind omhoog</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er
+geen.</p>
+
+<p><span class="spreker">De moeder.</span> En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan
+zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog
+verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij,
+om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als <span class="pagenum" title="70"></span><a id="p_70"></a>het
+ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns
+moeten haten en verachten.</p>
+
+<p><span class="spreker">Priester.</span> Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch en
+bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen
+vervolgen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede priester</span> (<i>tot den eerste</i>). Is er nog niet genoeg
+vertwijfeling in de stad?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet
+wortel waar de bodem los is.</p>
+
+<p><span class="spreker">Moeder.</span> Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal mij
+opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij voor
+elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf pijnigen
+tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede priester.</span> Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je
+God.</p>
+
+<p><span class="spreker">De moeder</span> (<i>drukt het aan haar borst</i>). Ja, ik zal het zóó lang
+aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en
+zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet
+als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een
+afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te
+boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt
+en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen
+erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.</p>
+
+<p><span class="spreker">De moeder.</span> Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te
+voorschijn. Dat was een rots! (<i>slaat zich op de borst</i>) Vervloekte
+borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van
+buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen
+druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm
+nog één keer te drinken!</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede priester</span> (<i>tot den eerste</i>). Ontroert u dit niet?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts
+een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost
+de man zich op <span class="pagenum" title="71"></span><a id="p_71"></a>in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er
+viooltjes mee laven.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede priester.</span> Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn geoorloofd.</p>
+
+<p><span class="spreker">Een andere vrouw</span> (<i>op de moeder wijzend</i>). Hebt ge geen troost voor
+haar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester</span> (<i>koud</i>). Neen.</p>
+
+<p><span class="spreker">De vrouw.</span> Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Dit woord alleen verdient dat Bethulië in Holofernes'
+handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der stad. Je vraagt
+waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (<i>zij gaan voorbij</i>).</p>
+
+<p>(<i>Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze
+vrouw. Het is ontzettend.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst,
+als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten!
+(<i>Hij slaat zich voor het hoofd</i>) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al
+bedacht heeft.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Je raast!</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit huis
+gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de
+onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch
+vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij,
+in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond
+zij op en zei, zacht, heel zacht: &bdquo;is 't dan een òngeluk dat de jongen
+sterft?&rdquo; Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: &bdquo;Er
+is nog leven in hem&rdquo;. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar
+kind alleen nog maar een stuk vleesch.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze
+mijn eigen zuster.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich
+niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten
+had.</p>
+
+<p><span class="spreker">Derde burger</span> (<i>er bij komend</i>). Misschien komt <span class="pagenum" title="72"></span><a id="p_72"></a>nog redding. Heden is
+'t de dag waarop Judith terug zou komen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn
+gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is
+een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal U
+roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in
+toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen
+kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle
+gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar
+vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt,
+als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei
+en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (<i>gaan voorbij</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>voor de poort</i>). Doet open, doet open!</p>
+
+<p><span class="spreker">Bewakers.</span> Wie daar?</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!</p>
+
+<p><span class="spreker">Bewakers</span> (<i>roepen, terwijl zij openen, de stad in</i>). Hallo,
+<ins class="corr" id="corr14" title="Bron: Hallo">hallo</ins>! Judith is terug!</p>
+
+<p>(<i>Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en
+Mirza treden de poort binnen</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>werpt het hoofd neer</i>). Kent ge dien?</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk.</span> Neen, dien kennen wij niet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>naderbij tredend, valt op de knieën</i>). Groot zijt ge, God van
+Israël! en er is geen God buiten u! (<i>hij staat op</i>) Dit is het hoofd
+van Holofernes! (<i>hij grijpt Judith bij de hand</i>) En dit is de hand,
+waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u aanzie!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderlingen.</span> Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!</p>
+
+<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>bijeen stroomend</i>). Heil Judith!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood, opdat
+gìj (<i>tot een der omstanders</i>) in vrede uw schapen weiden en gij (<i>tot
+een ander</i>) uw kool planten en gij (<i>tot een derde</i>) uw nering drijven
+en kinderen die u gelijken, teelen kunt.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="73"></span><a id="p_73"></a></p>
+
+<p><span class="spreker">Stemmen uit het volk.</span> Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde.
+Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze
+hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt
+afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad
+doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan
+kan ik haar verantwoorden. (<i>Men hoort een wild verward getier</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Hoort! nu is het tijd!</p>
+
+<p><span class="spreker">Een priester</span> (<i>op het hoofd wijzend</i>). Steekt het op een spiets en
+draagt het vooraan!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zich voor het hoofd plaatsend</i>). Dit hoofd moet dadelijk
+begraven worden!</p>
+
+<p><span class="spreker">Bewakers</span> (<i>van den muur af roepend</i>). De bewakers van de bron vluchten
+in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg, zij
+trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet hollen.
+Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor de poort</i>). Open, open!</p>
+
+<p>(<i>De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open,
+men ziet voorbij vluchtende Assyriërs</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat
+alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't
+allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn!</p>
+
+<p><span class="spreker">Achior.</span> Op, op!</p>
+
+<p>(<i>Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van
+Judith!</i>)</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>wendt zich walgend af</i>). Dat is slagersmoed.</p>
+
+<p>(<i>De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen</i>).</p>
+
+<p><span class="spreker">Een der ouderlingen.</span> Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe
+in hun plaats gezet.</p>
+
+<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen. Niet
+meer om het duister verleden, <span class="pagenum" title="74"></span><a id="p_74"></a>op u zal ik voortaan wijzen als ik
+toonen wil hoe groot de Heer, onze God is.</p>
+
+<p><span class="spreker">Priesters en ouderlingen.</span> Eisch uw loon!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Spot ge met mij? (<i>tot de ouderlingen</i>) Als het geen heilige
+plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en
+misdaad? (<i>tot de priesters</i>) Wanneer een offerdier rochelend voor het
+altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs het
+zou verlangen voor zijn bloed en leven? (<i>na een pauze, als bij
+plotselinge ingeving</i>) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te
+voren, dat ge het niet zult weigeren!</p>
+
+<p><span class="spreker">Ouderlingen en priesters.</span> Wij beloven het. Uit naam van gansch Israël!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang!</p>
+
+<p><span class="spreker">Allen</span> (<i>ontzet</i>). U dooden?</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja. En ik heb uw woord.</p>
+
+<p><span class="spreker">Allen</span> (<i>gruwend</i>). Ge hebt ons woord.</p>
+
+<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar
+voren</i>) Judith! Judith!</p>
+
+<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot
+onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig!</p>
+
+<p class="einde">Einde.</p>
+
+<div class="TNbox" id="correctie">
+
+<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2>
+
+<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table summary="correcties in tekst">
+ <thead>
+ <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr>
+ </thead>
+ <tbody>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 9</a></td><td class="td4">verschansd</td><td class="td4">verschanst</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 18</a></td><td class="td4">gevonnisd</td><td class="td4">gevonnist</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 31</a></td><td class="td4">Daniel</td><td class="td4">Daniël</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 48</a></td><td class="td4">sçhenk</td><td class="td4">schenk</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 48</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 61</a></td><td class="td4">houdt</td><td class="td4">houd</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 64</a></td><td class="td4">bidt</td><td class="td4">bid</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 66</a></td><td class="td4">verbeeldt</td><td class="td4">verbeeld</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 67</a></td><td class="td4">kind</td><td class="td4">kìnd</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 67</a></td><td class="td4">Judìth</td><td class="td4">Judith</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 67</a></td><td class="td4">Verbeeldt</td><td class="td4">Verbeeld</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 72</a></td><td class="td4">Hallo</td><td class="td4">hallo</td></tr>
+ </tbody>
+</table>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH ***
+
+***** This file should be named 34638-h.htm or 34638-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/4/6/3/34638/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/34638-h/images/cover.jpg b/34638-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d3c830e
--- /dev/null
+++ b/34638-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/34638-h/images/ill_pii.png b/34638-h/images/ill_pii.png
new file mode 100644
index 0000000..c103f76
--- /dev/null
+++ b/34638-h/images/ill_pii.png
Binary files differ
diff --git a/34638-h/images/ill_piii.png b/34638-h/images/ill_piii.png
new file mode 100644
index 0000000..a8f4aa5
--- /dev/null
+++ b/34638-h/images/ill_piii.png
Binary files differ
diff --git a/34638-h/images/ill_piiit.png b/34638-h/images/ill_piiit.png
new file mode 100644
index 0000000..7f06833
--- /dev/null
+++ b/34638-h/images/ill_piiit.png
Binary files differ
diff --git a/34638-h/images/ill_piit.png b/34638-h/images/ill_piit.png
new file mode 100644
index 0000000..241cd2b
--- /dev/null
+++ b/34638-h/images/ill_piit.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..45cc102
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #34638 (https://www.gutenberg.org/ebooks/34638)