diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 34638-8.txt | 3466 | ||||
| -rw-r--r-- | 34638-8.zip | bin | 0 -> 60910 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h.zip | bin | 0 -> 712334 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h/34638-h.htm | 3583 | ||||
| -rw-r--r-- | 34638-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 74507 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h/images/ill_pii.png | bin | 0 -> 288086 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h/images/ill_piii.png | bin | 0 -> 225647 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h/images/ill_piiit.png | bin | 0 -> 26819 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 34638-h/images/ill_piit.png | bin | 0 -> 30889 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
12 files changed, 7065 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/34638-8.txt b/34638-8.txt new file mode 100644 index 0000000..1a2e23a --- /dev/null +++ b/34638-8.txt @@ -0,0 +1,3466 @@ +The Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Judith + treurspel in vijf bedrijven + +Author: Friedrich Hebbel + +Translator: Nico van Suchtelen + +Release Date: December 13, 2010 [EBook #34638] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | + | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | + | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~. Tekst in een kleiner lettertype is als | + | #kleiner lettertype# weergegeven. | + | | + | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | + | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | + | als »aanhalingstekens«. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | + | dit e-boek op https://www.gutenberg.org | + | | + +------------------------------------------------------------+ + + + + +JUDITH + + + + +[Decoratieve illustratie] + + TOONEELBIBLIOTHEEK + Onder leiding van L. Simons + + + HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN. + + + UITGEGEVEN DOOR: + DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN + GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM + + + + +[Decoratieve illustratie] + + FRIEDRICH HEBBEL + + + JUDITH + + + TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN + (1839-1840) + + + UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR + NICO VAN SUCHTELEN + + MET INLEIDING + + + + +VOORBERICHT. + + +Van Friedrich Hebbel is dit het tweede werk, dat wij thans in eene +vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B. +verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk +treurspel _Maria Magdalena_ met twee korte inleidingen. + +_Judith_, dat we hier doen volgen in de vertaling door de +Tooneelvereeniging gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over +den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De +Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's +kunst en Levensbeschouwing. + + REDACTIE T. B. + + + + +PERSONEN. + + + IN HET EERSTE BEDRIJF. + + Holofernes Louis van Gasteren. + De Opperpriester Joh. Schmidt. + Een Heraut Carel Rijken. + Een Soldaat Fré Williams. + 1ste Hopman H. K. Teune. + 2de Hopman Jac. van Hoven. + Gezant van Lydië Joh. Brandenburg Jr. + Gezant van Mesopotamië G. J. van Staalduynen. + Achior Jaap van der Poll. + + IN HET TWEEDE BEDRIJF. + + Judith Julia Cuypers. + Mirza Lize Hamel. + Ephraïm Joh. Timrott. + + IN HET DERDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL). + + Judith Julia Cuypers. + Mirza Lize Hamel. + + IN HET DERDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL). + + Judith Julia Cuypers. + Mirza Lize Hamel. + Ephraïm Joh. Timrott. + Ammon Joh. Brandenburg Jr. + Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge. + Ben Jac. van Hoven. + Samuël G. Pilger. + Z'n kleinzoon Carel Rijken. + Een Priester Joh. Schmidt. + Assad G. J. van Staalduynen. + Daniël Adolf Bouwmeester. + Samaja H. K. Teune. + Josua Fré Williams. + Achior Jaap van der Poll. + + IN HET VIERDE BEDRIJF. + + Judith Julia Cuypers. + Holofernes Louis van Gasteren. + Mirza Lize Hamel. + 1ste Hopman H. K. Teune. + 2de Hopman Jac. van Hoven. + 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge. + + IN HET VIJFDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL). + + Judith Julia Cuypers. + Holofernes Louis van Gasteren. + Mirza Lize Hamel. + 1ste Hopman H. K. Teune. + 2de Hopman Jac. van Hoven. + 3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge. + Een Dienaar Carel Rijken. + Ephraïm Johan Timrott. + + IN HET VIJFDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL). + + Judith Julia Cuypers. + Mirza Lize Hamel. + Ephraïm Johan Timrott. + Ammon Joh. Brandenburg Jr. + Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge. + Ben Jac. van Hoven. + Een Priester Joh. Schmidt. + Josua Fré Williams. + Een Moeder Marie Faassen. + Een Bewaker Carel Rijken. + + Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk. + +#De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4den +November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande +rolverdeeling.# + + + + +EERSTE BEDRIJF. + + +#(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den +veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd +door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).# + +(_De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent. +Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de +muziek verstomt_). + +~Holofernes.~ Het offer! + +~Opperpriester.~ Voor welken god? + +~Holofernes.~ Wien werd gisteren geofferd? + +~Opperpriester.~ Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op +Baal. + +~Holofernes.~ Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen, +dien gij allen kent en toch niet kent. + +~Opperpriester~ (_met luider stem_). Holofernes beveelt dat wij aan +een god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen! + +~Holofernes~ (_lachend_). Dat is de god dien ik het meest vereer. +_(Er wordt geofferd)._ + +~Holofernes.~ Trawant! + +~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes? + +~Holofernes.~ Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te +beklagen, trede voor. Roep het uit! + +~Heraut~ (_door de rijen der soldaten gaande_). Wie zich te beklagen +heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren. + +~Een soldaat.~ Ik klaag mijn hopman aan! + +~Holofernes.~ Waarvan? + +~De soldaat.~ Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin +buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet +durfde aan te raken. De hopman komt tegen den avond in mijn tent, +terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat +ze zich tegen hem verzet. + +~Holofernes.~ De beschuldigde hopman is des doods! (_tot een ruiter_) +Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het +eerst. + +~De soldaat.~ Gij wilt mij doen dooden met hem? + +~Holofernes.~ Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel +uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken +toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor +de klachten der hoplieden zelf? + +~De soldaat.~ Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù +geven. + +~Holofernes.~ Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat +zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor +als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik +ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten +wijn, voor je gedood wordt. Voort! (_De soldaat wordt door den ruiter +weggeleid naar den achtergrond_). + +~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Laat de kameelen toomen! + +~Hopman.~ Het is reeds geschied. + +~Holofernes.~ Had ik het bevel dan al gegeven? + +~Hopman.~ Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven +zoudt. + +~Holofernes.~ Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het +hoofd te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe! +Mijn wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit! + +~Hopman.~ Vergeving! (_af_). + +~Holofernes~ (_alleen_). Dàt is de kunst: zich niet laten raden, +eeuwig een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de +zee bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur +verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur +al door en door kennen en nu heeft het voor iederen schooier zijn +kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft +haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar +hun schaduw.--Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en +gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren +uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar +mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen +die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag +tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden +getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten. +Ik zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als +een voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al +dit armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond; +alsof zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen, +dat ik hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer. +Maar inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen, +trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur +dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen +slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen; +ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op +hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets +dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar +met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet +meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid. +Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik +haar hem weer afnemen! + +~Een hopman.~ Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning. + +~Holofernes.~ Breng hem dadelijk bij mij! (_voor zich_). Nek, zijt ge +nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen +niet verleert! + +~Bode.~ Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en +heerschappij gegeven is van opgang tot ondergang, biedt zijn veldheer +Holofernes den groet des Gezags. + +~Holofernes.~ Deemoedig wacht ik zijn bevelen. + +~Bode.~ Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem +worden vereerd. + +~Holofernes~ (_trotsch_). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit +genomen, toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen +had. + +~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de +altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen. + +~Holofernes.~ Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak. +Maar niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt +zijn blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen +beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen +grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (_luid_) Nebucad Nezar +heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad! + +~Bode.~ Wij zijn de goden daarvoor dankbaar. + +~Holofernes.~ Hemzelf, wilt ge zeggen. + +~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij +zonsopgang een offer brenge. + +~Holofernes.~ Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij +zonsondergang aan hem denken. + +~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge +uzelf zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen. + +~Holofernes.~ Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden +uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn +leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings +en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden. + +~Bode.~ Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen +en dat hij nog veel voor u te doen had. + +~Holofernes.~ Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het +beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (_Bode af_). Trawant! + +~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes? + +~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit! + +~Heraut~ (_door de rijen der soldaten loopend_). Er is geen god buiten +Nebucad Nezar! (_Een opperpriester gaat voorbij_). + +~Holofernes.~ Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen? + +~Priester.~ Ja. + +~Holofernes.~ Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout +schenk ik u. + +~Priester.~ Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb? + +~Holofernes.~ Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge +slaat den god stuk of ge hangt uzelf op. + +~Priester.~ Ik zal hem stuk slaan. (_voor zich_) Baal draagt gouden +armbanden. + +~Holofernes~ (_alleen_). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij +hij, omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot +eere brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb +ik het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel; +een god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal +hij toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover +haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van +huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak, +te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het +doodsuur een jubelkreet af te dwingen!--Nebucad Nezar weet het zich +gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik +moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (_De opperpriester +gaat weer voorbij_). Is Baal verbrijzeld? + +~Priester.~ Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven! + +~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de +gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons +goud en ge hebt drie dagen tijd. + +~Priester.~ Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (_Af_). + +~Hopman.~ Gezanten van een koning smeeken om gehoor! + +~Holofernes.~ Van welken koning? + +~Hopman.~ Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u +verdeemoedigden, onmogelijk onthouden! + +~Holofernes~ (_werpt hem een gouden ketting toe_). De eerste +onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (_De gezanten komen op +en werpen zich voor Holofernes ter aarde_). + +~Gezant.~ Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen, +wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken. + +~Holofernes.~ Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet +éérgisteren? + +~Gezant.~ Heer! + +~Holofernes.~ Was de afstand te groot, of de eerbied te klein? + +~Gezant.~ Wee ons! + +~Holofernes~ (_voor zich_). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap +tegen Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te +verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden! +(_luid_). Staat op en zegt uwen koning... + +~Hopman~ (_op_). Gezanten uit Mesopotamië! + +~Holofernes.~ Breng ze binnen. (_De gezanten op, zij werpen zich ter +aarde_). + +~Gezant uit Mes.~ Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn +onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen. + +~Holofernes.~ Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet. + +~Gezant uit Mes.~ Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich +op iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade. + +~Holofernes.~ Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang +getalmd. + +~Gezant uit Mes.~ Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte. + +~Holofernes.~ Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst +voor mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden. + +~Gezant uit Mes.~ Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij, +dat de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich +verschanst hebben. + +~Holofernes.~ Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de +onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van +diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden. +(_tot de Lybische gezanten_) Meldt gij uw koning hetzelfde! (_tot de +Mesopotamische gezanten_) Wie zijn die Hebraeërs? + +~Gezant uit Mes.~ Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet +het reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog +beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij +niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en +wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden, +van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte. + +~Holofernes.~ Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning +heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking? + +~Gezant uit Mes.~ Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten +niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met +vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst +vechten zij met ons. + +~Holofernes.~ Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt +beantwoorden? (_Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na +kniebuiging en nedervallen_) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten +moeten vòòrkomen! (_Heraut af_) Ik acht een volk dat mij tegenstand +wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (_De +hoplieden op, onder hen Achior_). + +~Holofernes.~ Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist? + +~Achior.~ Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee +gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer +en zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen +god stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed +bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk +is dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij +dat verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch +bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan +is het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten +vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat +het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg +loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt +een koele dronk. + +~Holofernes.~ Hoe heet hun god? + +~Achior.~ Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te +spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden. + +~Holofernes.~ Welke steden hebben zij? + +~Achior~ (_wijzend op de stad in het gebergte_). De stad die het +dichtst bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun +hoofdstad heet Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun +god gezien. Hij heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen +ik er bewonderend vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en +mij omlaag drukte; ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist +hoe het kwam. Ze hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond, +voelde ik een onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden. +En daarop staat de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en +vertelde mij dit, ik weet niet of ze het deed uit medelijden met +mijn jeugd of uit vrees voor de verontreiniging des tempels door een +heiden.--Luister nu naar mij, o Heer, en acht mijn woorden niet +gering. Laat uitvorschen of dit volk ook tegen zijn god gezondigd +heeft; en is dat zoo, laat ons dan er op los trekken; dan zal hun god +ze zeker aan u overleveren en zult ge ze gemakkelijk onder den voet +krijgen. Maar hebben ze nìet tegen hun god gezondigd, keer dan om; +want hun god zal hen beschermen en wij zullen tot spot worden voor het +geheele land. Gij zijt een geweldìg held, maar hun god is te machtig; +en al kan hij niemand tegenover u stellen die u evenaardt, zoo kan hij +u toch dwingen tegen uzelf in opstand te komen en u met eigen hand uit +den weg te ruimen. + +~Holofernes.~ Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon +u straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen. +Maar ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben. +Wat den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert +hem ongedeerd tot hen! (_het geschiedt_) En wie hem, bij de inneming +der stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn +gewicht in goud betalen. (_met verheffing van stem_) En nu, op naar +Bethulië! (_De stoet zet zich in beweging_). + + + + +TWEEDE BEDRIJF. + + +(_Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw_). + +~Judith.~ Wat denk je van dien droom? + +~Mirza.~ Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide. + +~Judith.~ Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist +ik niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; +dan was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik +tegen mijzelf en liep nog sneller dan eerst. + +~Mirza.~ Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit. + +~Judith~ (_zonder naar haar te luisteren_). Plotseling stond ik op +een hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; +de zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar +boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar +schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik +was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde +voorwaarts. »God, God,« riep ik in mijn angst. »Hier ben ik,« klonk +het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte +armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand +dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was +te zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem +weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang... + +~Mirza.~ Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen? + +~Judith.~ 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke +droomen moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: +als een mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn +zelfbewustzijn; dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten +en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als +schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend. +Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast; +dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en +voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men +kort voor zijn dood nog wel zou droomen. + +~Mirza.~ Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek? + +~Judith.~ Omdat ik gruw van mannen. + +~Mirza.~ En u hebt toch zelf een man gehad! + +~Judith.~ Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was +krankzinnig! + +~Mirza.~ Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben? + +~Judith.~ Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet +bang wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een +gruwelijk, ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar +was ik toen ik tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel +herinneren, je volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd +ik angstiger; nu eens dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan +dat ik eerst moest beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo +verleidelijk, men kòn hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn +sluier op alsof hij zeggen wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem +vast, want ik voelde hoe mijn gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn +vader liep naast mij, hij was heel ernstig en sprak veel waar ik niet +naar luisterde. Soms zag ik naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal +er stellig anders uitzien. Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart +er immers ook bij? + +~Mirza.~ Ik schaamde mij met u. + +~Judith.~ Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij +met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te +noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen +en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en +olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als +een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam +Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en +driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar +het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of +mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg. + +~Mirza.~ U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen +sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van. + +~Judith.~ Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel +wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek +binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als +een zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo +alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde +ze uitdooven. »Niet doen, niet doen,« vroeg ik smeekend. »Dwaas kind,« +zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de +lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde +het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer +en zei: »Het derde doof ik zelf.« »Gauw, gauw dan,« riep ik, want +het liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder +de kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het +gelaat. Manasses riep: »Ik zie je zoo duidelijk als overdag,« en +meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof +de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had +vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. »Kom, kom!« riep ik, zonder mij +er over te schamen dat ik dit deed. »Ik kan niet,« antwoordde hij +dof en traag. »Ik kan niet,« herhaalde hij nog eens en staarde mij +vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het +venster en zei wel tienmaal achter elkaar »Ik kan niet.« Hij scheen +niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben. + +~Mirza.~ Ongelukkige! + +~Judith.~ Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als +verontreinigd, ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve, +teere woorden; ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van +te komen, begon hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen, +het was mij of ik in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste +wroette ik mij in als in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam +aan, mijzelf in den slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik +ontwaakte. Den volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek +mij met eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik +had wel willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik +barstte in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag +mij donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen +woord sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een +hoek. »Bah!« riep hij plotseling luid en boos. »Judith is een engel!« +voegde hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem +mijn mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te +zijn. (_Na een lange pauze_). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest... +hij heeft mij nooit aangeraakt. + +~Mirza.~ En... + +~Judith.~ Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij +bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets +duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking +die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen, +uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl +in mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den +gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag +lag hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof +gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het +scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde. +Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim +niet meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben het hem +te vragen. »Manasses,« zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog, +»wat was dat in onzen huwelijksnacht?« Zijn donkere oogen waren al +dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want +hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen. +Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: »Ja, ja, ja... nù mag ik het je +zeggen; je...« Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de +Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (_Na een lang +zwijgen_). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik +ophoud Manasses voor krankzinnig te houden? + +~Mirza.~ Ik huiver. + +~Judith.~ Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het +weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en +begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik +zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te +redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen +in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in +den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water. + +~Mirza~ (_gedwongen afleidend_). Op zulke oogenblikken moest u liever +eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en +schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht +nemen. + +~Judith.~ O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter +is het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen +bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden; +mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige +dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn +de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en +toch ook geen vrouw. + +~Mirza.~ Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man +jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten? + +~Judith~ (_zeer ernstig_). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn +schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood! + +~Ephraim~ (_haastig binnentredend_). Ha, ge zit daar zoo kalm, +terwijl Holofernes voor de stad staat! + +~Mirza.~ Dan zij God ons genadig! + +~Ephraim.~ Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb, +zou je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik +inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van +kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en +poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al +die gruwelen konden zien! + +~Judith.~ Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen. + +~Ephraim.~ Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu +niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te +weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is +een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt... + +~Judith.~ Laat hij licht opsteken. + +~Ephraim.~ Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in +brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan +anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar +bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn +vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn +kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een +struisvogel-ei kunt bakken? + +~Judith.~ Ik zou hem willen zien! (_voor zich_) Wat heb ik daar +gezegd? + +~Ephraim.~ Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen +door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard. +Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om +jouwentwil gekomen zijn! + +~Judith~ (_glimlachend_). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar +naar hem toe te gaan en stad en land waren gered! + +~Ephraim.~ Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken. + +~Judith.~ En waarom niet? Ééne voor allen; en nog wel eene die zich +altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet +om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij +geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met +zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo +werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om +hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk. + +~Ephraim~ (_voor zich_). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst +aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij +als gevonnist wanneer ik haar in de oogen zie. Ik hoopte dat zij in +dezen algemeenen nood naar een beschermer zou uitzien, en wie was haar +dan nader dan ik? (_luid_) Judith, je bent zòò moedig, dat je ophoudt +mooi te zijn. + +~Judith.~ Als je een man bent, moog je mij dit zeggen. + +~Ephraim.~ Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk, Judith, +er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die wonen in +hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader, broeder +noch man hebt? + +~Judith.~ Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger +maken? + +~Ephraim.~ Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en +als de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen, +zou ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes? + +~Judith.~ Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan. + +~Ephraim.~ Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en +waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het +al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken, +want mijn bloed zou het hebben doen roesten. + +~Judith.~ Geef hier! (_Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij +terugtrekt_) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je +siddert voor een prik in je hand! + +~Ephraim.~ Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor jou, en ik heb nu +mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou! +Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is +in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap +de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare +macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet +waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te +maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt. + +~Judith~ (_reikt hem de hand_). + +~Ephraim.~ Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt +het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je +wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed +als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen +dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid +mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een +dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen. +Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt, +welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt +waarheid is? + +~Mirza.~ Voelt ge 't niet, Judith? + +~Judith.~ Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven, +opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven. + +~Ephraim.~ Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag +verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn +waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken. + +~Judith.~ Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden +scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een +van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen +zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in +mijn eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.--Ephraim, ik +heb je pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer +beminnenswaardig zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik +je bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je +mij nu niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken +heb, de Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel +staat; wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te +volvoeren!--Ga heen... doodt Holofernes!--Daarna, daarnà eisch van mij +het loon dat je verlangt. + +~Ephraim.~ Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe +zou dat kunnen? + +~Judith.~ Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik +weet alleen dat het mòet! + +~Ephraim.~ Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem. + +~Judith.~ Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend +oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt, +schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond, +daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat. + +~Ephraim.~ Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik +het wagen. Maar nu... + +~Judith.~ Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de +tinnen des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten +aantrekken om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten. +Want je wilt wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar +eersten toorn en waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke +geboorte van haar eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen +zal, tenzij slechts om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in +gefolterden droom. + +~Ephraim.~ Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch +je het ondenkbare. + +~Judith~ (_gloeiend_). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een +gedachte brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die +jij lief hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je +wederliefde te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is +voor jou niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt? +Kijk, als je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig naar je +zwaard gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig +vaarwel; dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg +geworpen; ik zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van +een hart dat siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden +hebben of ik zou je gevolgd zijn.--Maar nu? Ah! ik ben meer dan +gerechtvaardigd; je liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij +werd je vloek om je te verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij +betrapte op ook maar een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en +al, ik begrijp zelfs dat het hoogste voor jou lijken moet als het +meest gewone, dat je moet glimlachen als ik bid. + +~Ephraim.~ Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het +onmogelijke mogelijk maakt. + +~Judith.~ Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen? +En als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle +mannen in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te +vermijden, dàn heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad, +dàn... ah! ik heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij +mogelijk is! + + + + +DERDE BEDRIJF. + + +(_Vertrek van Judith_). + +~Judith~ (_zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid, +ineengedoken terneer_). + +~Mirza~ (_treedt binnen en blijft naar haar kijken_). Zoo zit zij nu +al drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt +niet. Ze zucht of klaagt niet eens. »'t Huis staat in brand!« +schreeuwde ik haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van +streek was. Zij vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat +zij het liefst zou hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel +dichtspijkerde en wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar +zegt er toch niets op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen? + +~Judith~ (_wenkt haar met de hand om heen te gaan_). + +~Mirza.~ Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om +u vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij +aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag +zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en +nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar +vrees te vergeten. (_Af_). + +~Judith~ (_op de knieën vallend_). God, God! Het is mij of ik u bij +een slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te +zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik +adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet +tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie, +hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met +angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen. +Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was +het niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken wildet voor uw +uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief +de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk +op mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag +ik dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het +hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk +van zijn armzaligheid schuilkroop. »Jij bent 't, jij bent 't!« riep ik +mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed +nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot +het hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen +binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel +zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat +ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten +mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts +ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet +van u. Of kwam zij wél van u? (_zij springt op_) Zij kwàm van u! De +weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj +maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij +tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik +daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te +onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik +mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of +er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven, +nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom +en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te +hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen! +(_zij treedt voor den spiegel_) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt +u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en +mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en +zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt; +kussen moet ge de Ontzetting (_zij gaat van den spiegel heen_). +Holofernes! dit alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb +mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als +ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit +mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven +mij doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het +geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik +u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige +gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie! + +~Mirza~ (_binnen komend_). Riept ge mij, Judith? + +~Judith.~ Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien. + +~Mirza.~ Wilt ge niet eten? + +~Judith.~ Neen, ik wil dat je mij aankleedt. + +~Mirza.~ Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden. + +~Judith.~ Jij? + +~Mirza.~ Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik: +dan wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen +medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't +u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen. + +~Judith.~ Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was. + +~Mirza.~ Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste +keer zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn +opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te +bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar +naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst +te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron +kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al +in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand +was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het +gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar +een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat. + +~Judith.~ O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan, +de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar +ontrooft den menschen niet, midden in den overvloed der natuur, het +meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald. + +~Mirza.~ Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien +hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd. + +~Judith.~ Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als +zij iets goeds willen doen. + +~Mirza.~ Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem. + +~Judith.~ Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van +iederen man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je +er een ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man +kan een ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't +een kruk als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er +een noodig hebt. + +~Mirza.~ Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou +gehoorzamen? + +~Judith.~ Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die +daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik +sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden +zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn +hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet. + +~Mirza.~ Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen? + +~Judith.~ Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet +raken. Doel... oog... hand... zoo moet het! (_met een blik ten hemel_) +O, ik zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt +om te broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend +openging, moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga +eten en tooi mij daarna. + +~Mirza.~ Ik wacht zoolang als gij wacht! + +~Judith.~ Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar +daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor +een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht. +(_Af_). + + +#(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers, +gewapend).# + +~Een burger~ (_tot een ander_). Wat zeg je, Ammon? + +~Ammon.~ Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard, +die zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te +vreezen en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten +staat? + +~Hosea.~ Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog +was. Door spreken krijg je nog erger dorst. + +~Ammon.~ Je hebt gelijk. + +~Ben~ (_een derde burger_). Je komt er nog toe jezelf te benijden om +die paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf +als een vat kunnen aftappen. (_hij steekt den vinger in den mond_). + +~Hosea.~ Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger +vergeet. + +~Ammon.~ Nu, te eten hebben we nog wel. + +~Hosea.~ Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons +dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen +dragen. + +~Ammon.~ Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan. + +~Hosea.~ In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten +op de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de +schransen altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet +hen maar de ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; +komen zij om, dan is 't ook een voordeel. + +~Ammon~ (_geeft hem een oorvijg_). + +~Hosea.~ Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud +dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal +bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken. + +~Ammon.~ Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem +smeden uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor +die, welke je morgen krijgt. + +~Ben.~ Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je +dadelijk naar de wallen moet. + +~Ammon.~ Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met +elkaar twisten, denken we niet aan onze ellende. + +~Ben.~ Komt, komt, we moeten hier vandaan. + +~Ammon.~ Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor +Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden. + +~Ben.~ Dan zou ìk hem dooden. (_Alle drie af_). + +(_Twee andere burgers_). + +~Een burger.~ Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord? + +~Ander burger.~ Ja. + +~Een burger.~ Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel. + +~Ander burger.~ Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken +te bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. »Heb je +gehoord,« vraagt hij dien, »wat ik gezegd heb?« »Neen« antwoordt de +vent. »Dat is je geluk,« zegt de tyran, »anders liet ik je je kop +afslaan, omdat er ooren aanzitten«. + +~Een burger.~ Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo +iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar +half doodt, niet heelemaal. + +~Ander burger.~ Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij +zulk een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (_zij gaan +voorbij_). + +(_Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt +op_). + +~Kleinzoon.~ Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt +eeuwiglijk. + +~Samuel.~ Eeuwiglijk! (_hij gaat op een steen zitten_) Samuel dorst, +mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen? + +~Kleinzoon.~ Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij +het vergeten! + +~Samuel.~ De psalm! luider! Waarom blijf je steken? + +~Kleinzoon.~ Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of +ge een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud +om te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan. + +~Samuel~ (_boos_). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel +noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn +kleinzoon niet scheppen al is de middag heet? + +~Kleinzoon~ (_zeer luid_). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, +de heidenen hebben groote macht over Israël! + +~Samuel~ (_opstaand_). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij +golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder +danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den +weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip +joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's +muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in +zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen +niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? +Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk +Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt +te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige +verdelgt worde met den schuldige. (_hij grijpt zich in den baard_) +Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen, +diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam +Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting +toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van +den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot +zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf. + +~Kleinzoon.~ Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de +zoon van Ham. + +~Samuel.~ Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn +deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren +en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de +pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging +voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij +had den moed niet haar te roepen. + +~Kleinzoon.~ Kom, kom! (_hij leidt hem terzijde_). + +~Samuel.~ Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn +broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop +uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed! + +~Kleinzoon.~ Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn +broeder, het gansche geslacht. + +~Samuel.~ Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat +de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee, +wee! (_de kleinzoon leidt hem weg_). + +(_Twee burgers_). + +~Eerste burger.~ Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er +zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs +dagelijks een paar keer wasschen. + +~Tweede burger.~ O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets +vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in +zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer +dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als +een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een +beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met +een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er +goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn +naaste. + +~Eerste burger.~ Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet +als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt? + +~Tweede burger.~ Wat? + +~Eerste burger.~ Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (_gaan +voorbij_). + +(_Een der ouderlingen op_). + +~Ouderling.~ Hoort, hoort! mannen van Bethulië (_het volk verzamelt +zich om hem heen_). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door +mijn mond weten doet! + +~Assad~ (_een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand +leidend_). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn +zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven. + +~Een ander burger.~ Laster niet! + +~Assad.~ Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de +bron kan scheppen. + +~Ouderling.~ Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het +zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen +voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande. + +~Assad.~ Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen? + +~Ouderling.~ Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom +des Heeren in gevaar ìs. + +~Assad.~ Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op +neer dat wij Hèm beschermen moeten. + +~Ouderling.~ En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u +laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en +kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden. + +~Assad.~ Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen +uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb, +die tot mijn schande rondloopen? (_tot den ouderling_) Man, je lippen +beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden, +waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van +ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit +naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te +openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor +mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de +vrouwen en kinderen. (_omstanders geven teekenen van instemming_) Geef +het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel. + +~Daniël~ (_zich losrukkend_). Steenigt hem! Steenigt hem! + +~Volk.~ Was die man niet stom? + +~Assad~ (_vol ontzetting zijn broeder aanziend_). Stom en blind! Hij +is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord +gesproken. + +~Daniël.~ Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs +en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft +voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe +broeder. (_zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer +als door ontzetting aangegrepen van zich weg_) Steenigt hem! Steenigt +hem! + +~Assad.~ Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den +stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (_Het volk achtervolgt hem, hem +steenigend_). + +~Samaja~ (_hen verschrikt naloopend_). Wat wilt ge doen! (_Af_). + +~Daniël~ (_in vervoering_). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge +moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet +wanneer het tijd is. + +~Volk.~ Een profeet, een profeet! + +~Daniël.~ Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. +Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik +zeg u, dat zal nooit geschieden! (_Judith en Mirza verschijnen onder +de burgers_). + +~Volk~ (_zich ter aarde werpend_). Heil ons! + +~Daniël.~ En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig +noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen +bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (_na een +pauze_) Broeder, je hand! + +~Samaja~ (_terugkeerend_). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord! +Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered; +wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen +die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. »Zorg voor Daniël!« riep +hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. »Als een +gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.« + +~Daniël~ (_wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt_). + +~Samaja~ (_tot het volk_). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en +schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u +allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt +ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den +ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft +gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er +in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier +verried hij zijn afschuw. (_tot den ouderling_) Al wat mijn vriend +eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping +op genade of ongenade. (_tot Daniël_) Laat nu zien dat de Heer uit je +sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte! + +~Daniël~ (_in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet_). + +~Samaja.~ Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken +wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor +eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze +tot broedermoordenaars te maken. + +~Daniël~ (_slaat zichzelf_). + +~Judith~ (_tusschen het volk tredend_). Laat u niet in verzoeking +brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in +heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat +men uw diepste gevoel liegen heet? + +~Samaja.~ Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt? +Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (_tot +Daniël_) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den +muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog +op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God. + +~Volk.~ Hij heeft gelijk! + +~Judith~ (_tot Samaja_). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien +Hij gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat? + +~Samaja.~ Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen +onder onze vaderen, onze vaderen waren beter dan wij. Als Hij nù +wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom +bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den +aftocht te bewegen? + +~Een burger~ (_op Daniël indringend_). Sterf, zondaar, die ons er toe +verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen. + +~Samaja~ (_tusschen beiden tredend_). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo +sprak de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in +mij. En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog +tot morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht +dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij +neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u +zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht +uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes +zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat +alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij +hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote +moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den +vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich +eerst te laten bidden. (_grijpt Daniël bij de hand_) Den stomme neem +ik mee naar mijn huis. (_voor zich_) Neen zeker, de stad, die zijn +broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik +zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand +duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in +naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd. +Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (_met +Daniël af_). + +~Volk~ (_door elkaar_). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat +geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen +de poorten openen. Komt! + +~Josua~ (_een burger_). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet +verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds +gebogen nekken weer trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de +wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten? + +~Volk.~ Wie anders dan de priesters en de ouderlingen? + +~Judith.~ O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets +tot iets gemaakt hebben!--(_luid_) Ziet ge in het ongeluk dat u treft +slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen? + +~Josua~ (_tusschen de burgers rondgaande_). Toen ik van Holofernes' +tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om +genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (_allen +zwijgen_) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen; +had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen +weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft +genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te +vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een +vòòrproefje van alle mogelijke martelingen. + +~Volk.~ Wee, wee! + +~Josua.~ En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd +hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen +en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den +eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen +en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je +de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet, +dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf. + +~Volk.~ Zal dat ons redden? + +~Judith.~ Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan +verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden. + +~Volk.~ Zou het werkelijk helpen? + +~Josua.~ Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand +af. + +~Volk.~ Je hebt gelijk. Dat is de weg. + +~Josua~ (_tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken_). Wat zeg je +daarvan? + +~Ouderling.~ Ik zou er zelf den raad toe geven als 't helpen kon. Ik +ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot +mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het +er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik +zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar +als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk +u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en +het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd, +dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen, +van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér +ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te +tellen? + +~Judith~ (_woest_). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te +slaan, zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen? +O, nu zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad +leiden, nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd +éér het al deze hoofden had afgemaaid! + +~Josua.~ De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij +zich niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat +op een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen +enkel geslacht zou worden. (_tot Judith_) U zult stellig de eenige +niet zijn die hij geroerd heeft. + +~Judith.~ Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch +te schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar +zijn zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te +beletten; maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal +uit zijn gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven. + +~Ouderling.~ Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het +gemunt. + +~Volk.~ Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen. + +~Judith.~ Hebt dank. + +~Josua.~ Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch +zeker staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit +zoo wreed kan zijn als een die ze zelf moet openen. (_tot den +ouderling_) Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn +voorstel, dat wil zeggen morgen, als ik dan nog leef. + +~Judith~ (_tot den ouderling_). Zeg neen! + +~Ouderling.~ Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan +moet komen. + +~Achior~ (_tusschen het volk tredend_). Zet maar open, maar verwacht +geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het +laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er +geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten. + +~Judith.~ Dat heeft hij gezworen? + +~Achior.~ Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge +daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van +uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te +slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò +weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en +wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen +omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk +kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij +voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij +u heeft toegedacht. + +~Volk.~ We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten +sterven, dan hebben we zelf nog zwaarden! + +~Josua.~ Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde +komen. + +~Volk.~ Een tijd, een tijd! + +~Ouderling.~ Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt +de hulp des Heeren. + +~Judith.~ En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had? + +~Ouderling.~ Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het +in deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop +beleven. + +~Judith~ (_plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit_). Dus binnen +vijf dagen moet hij sterven! + +~Ouderling.~ Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te +houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de +olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven! + +~Judith.~ Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste +aan? (_tot het volk_) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine +bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene +moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten +drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee. + +~Ouderling.~ Ge ziet het, niemand antwoordt. + +~Judith~ (_tot het volk_). Wat moet ik hiervan denken? (_na een +pauze_) En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op +te nemen tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo +vermetel zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand +uit te strekken naar zijn altaarspijzen. + +~Ouderling.~ Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat +andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der +stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den +dood. + +~Judith.~ David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David, +zoo wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst. + +~Een uit het volk.~ Waarom luisteren we toch naar haar? + +~Ander.~ Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel? + +~Een derde.~ Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het +ons goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in +het openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù, +nu we op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt +tusschen ons om ons moed in te spreken. + +~Vorige.~ Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij +ééns gezegd heeft? »Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den +armen.« En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij +alleen daarom geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden +de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het +om harentwil! + +~Judith~ (_tot Achior_). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem. + +~Achior.~ Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik +hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij +toeriep: »Doodt mij, anders dood ik jou!«... ik weet niet wat ik zou +doen. + +~Judith.~ Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij +gelaten. + +~Achior.~ Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het +bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering +hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot +zijn vijanden stuurt. + +~Judith.~ Hij is een tyran. + +~Achior.~ Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt +zichzelf en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik +met hem door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan +een kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de +sporen, maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg: +»hij is bodemloos«. »Ik wil ook niet er in, maar er òver!« roept hij +en waagt den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer +omgekeerd en naast mij. »Ik dacht daar een bron te zien,« zeide hij, +»en wilde drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar +verslapen.« Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn +paard en slaapt. Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af, +raakte zijn gewaad aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon, +dat hij schaduw had. Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat +ik hem prijs wanneer ik over hem spreek. + +~Judith.~ Houdt hij van vrouwen? + +~Achior.~ Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken. + +~Judith.~ Vloek over hem! + +Achior. Wat zegt ge?--Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen +volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn +slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed +gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem. + +~Judith.~ En wat deed hij? + +~Achior.~ Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak. + +~Judith.~ Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te +denken om moed te hebben als een man. + +~Achior.~ Wat hebt ge? + +~Judith.~ O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet +vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij +onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer +op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult +ge betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de +jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn +armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden +beschermen! (_tot Achior_) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg? + +~Achior.~ Nooit zag men uwsgelijke. + +~Judith~ (_tot den ouderling_). Ik heb iets bij Holofernes te doen. +Wilt ge de poort voor mij doen openen? + +~Ouderling.~ Wat zijt ge van plan? + +~Judith.~ Niemand mag het weten als de Heer onze God. + +~Ouderling.~ Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open. + +~Ephraim.~ Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren! + +~Judith~ (_tot Mirza_). Heb je moed mij te vergezellen? + +~Mirza.~ Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan. + +~Judith.~ En heb je gedaan wat ik je beval? + +~Mirza.~ Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig. + +~Judith.~ Het is nog te veel. + +~Ephraim~ (_voor zich_). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar +woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft. + +~Judith~ (_gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het +volk_) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen +kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (_Zij gaat op de poort +toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve +Ephraim, op de knieën_). + +~Ephraim.~ Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf +beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze +het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen. +Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder +dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (_af_). + +~Delia~ (_in groote ontsteltenis op_). Wee, wee! + +~Een ouderling.~ Wat is er? + +~Delia.~ De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd! + +~Een stem.~ Dat is de vrouw van Samaja. + +~Ouderling~ (_tot Delia_). Hoe is dat gebeurd? + +~Delia.~ Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de +achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den +stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar +de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met +een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige +verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil +uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij +stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja, +sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem +bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met +hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen +gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al +gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij +ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij +stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. »Moordenaar« roep +ik.--Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op +den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst, +alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken. + +~Priester.~ Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten +spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de +wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn +voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft +hij zijn loon ontvangen. + +~Stemmen uit het volk.~ Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen! + +~Priester.~ De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen! +Gaat heen en bidt! + +(_Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten_). + +~Delia.~ Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat +hij, dien ik lief had, een zondaar was (_af_). + + + + +VIERDE BEDRIJF. + + +#(Tent van Holofernes.--Holofernes en twee zijner hoplieden).# + +~Een der hoplieden.~ De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het +punt van uitgaan staat. + +~De tweede hopman.~ Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al +wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden. + +~Eerste hopman.~ Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was +zichzelf van kant te maken? + +~Tweede hopman.~ Het is toch niet waar? + +~Eerste hopman.~ Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap +denkt hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt +zijn dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller +ruggelings te doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig +glijdt het staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het +en roept den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: »Laat +maar loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.« + +~Tweede hopman.~ Het klinkt ongelooflijk. + +~Eerste hopman.~ Vraag het den kamerdienaar maar. + +~Holofernes~ (_zich snel omwendend_). Vraag 't mijzelf! (_zij +schrikken_). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet +wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei +kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (_voor zich_) Zij +verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg +voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich +niet zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de +grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De +ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars en slaven +hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt. +(_tot de hoplieden_) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn +schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te +kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag +drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch +eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen +dood in mijn bed gevonden hadt? + +~De hoplieden.~ Heer, wat zouden we hebben mòeten doen? + +~Holofernes.~ Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf +uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort +er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer +zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou +deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld +dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben +met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben +gekregen!--Één ding zou ik willen weten: wat de dood is. + +~Eerste hopman.~ Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben. + +~Holofernes.~ Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het +ieder uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en +zuigen het in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals +gisteren en vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn +tegendeel wel inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen +voor niets anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons +door eten te behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze +tanden tegen de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek +heerlijk door het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten +aanzwellen dat de ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten +wellust en den huiver der vernietiging met elkaar te vermengen. +Dikwijls komt het mij voor als had ik eens tot mijzelf gezegd: Nu wil +ik leven! Toen werd ik losgelaten als uit een teedere omhelzing, het +werd licht om mij heen, ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo +zou ik ook eens tot mijzelf willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als +ik niet, zoodra ik het woord heb gesproken, opgelost in alle winden +verstuif en door alle dorstende lippen der schepping wordt opgezogen, +dan zal ik mij schamen en mij zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb +uit ketenen. Ik houd het voor mogelijk dat zich nog eens iemand doodt +alleen door de gedachte. + +~Eerste hopman.~ Holofernes! + +~Holofernes.~ Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat +is waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk +nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik +heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn +breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het +eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen +dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en +bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de +wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (_tot de hoplieden_) +Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak +en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een +bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die +men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik +heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben +bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten +dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te +gebruiken. + +~Een hopman~ (_binnentredend_). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we +op den berg hebben opgepakt, staat voor de deur. + +~Holofernes.~ Wat voor soort? + +~De hopman.~ Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren. +Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen +bij de bron te wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen +we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was +gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks +kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren, +wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden. +Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers +trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen--want +de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren--maar hij bukte +zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan, +zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij +nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot +den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar +sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor +haar voeten geworpen. Maar zij zeide: »Breng mij naar Holofernes, ik +kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te +onthullen«. + +~Holofernes.~ Brengt haar hier! (_de hopman af_) Alle vrouwen ter +wereld zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik +ook nooit zien. + +~Een hopman.~ Welke is dat? + +~Holofernes.~ Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf. +Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers +hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een +leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw +zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor +haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen! +Hij kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een +erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met +smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar, +dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van +zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed. + +~Judith~ (_treedt binnen, begeleid door Mirza en den_ _hopman, die +beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward, +beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te +voet_). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes! + +~Holofernes.~ Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud +glimt, hier de meester zijn moet. + +~Judith.~ Slechts één kan er zoo uitzien! + +~Holofernes.~ Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de +voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben. + +~Een der hoplieden~ (_tot den ander_). Een volk dat zulke vrouwen +heeft is niet te verachten. + +~De ander.~ Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten. +Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen +zijn heelen toorn verstikt. + +~Holofernes~ (_in den aanblik van Judith verloren_). Is 't niet of +men, zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat +men ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje +uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij +brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik +zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (_tot Judith_) Ge +ligt nog op de knieën? Sta op! (_Zij doet het, hij neemt plaats op den +vorstelijken zetel onder een tapijt_) Hoe heet ge? + +~Judith.~ Ik heet Judith. + +~Holofernes.~ Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne +mij beviel. + +~Judith.~ Dat is het doel van al mijn wenschen! + +~Holofernes.~ En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad +verlaten en ben je bij mij gekomen? + +~Judith.~ Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen +God de mijnen in uw hand wil overleveren. + +~Holofernes~ (_lachend_). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt +op je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar? + +~Judith.~ Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij +heeft sinds lang door zijn profeten laten verkondigen dat hij zijn +volk wil straffen om zijner zonden wil. + +~Holofernes.~ Wat is zonde? + +~Judith~ (_na een pooze_). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat +kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet. + +~Holofernes.~ Vertel verder. + +~Judith.~ Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer +bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst. +En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten +van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het +zal tot vuur worden in hun ingewanden! + +~Holofernes.~ Waarom geven zij zich niet over? + +~Judith.~ Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het +ergste hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het +van hen zal afwenden? (_voor zich_). Ik wil hem verzoeken. (_luid_) In +hun angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak +zou mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den +held en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in +uw gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven +hij in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen, +want ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere +gruweldaad van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe +zelfkwelling maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een +beul te zien omdat zijzelf den dood waardig zijn. (_zij valt voor hem +neer_) Op mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging +van mijn verblinde volk. + +~Holofernes.~ Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt. + +~Judith~ (_opstaand_). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge +glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent +het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts +tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken +schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste der mijnen zeggen: zijzelf +zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort +openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en +hen bang maakte. »Wat wilt ge doen?« riep hij. »Weet ge niet dat hij u +allen den ondergang gezworen heeft?« Ik weet dat ge hem het leven en +de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen +op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen +uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te +schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein +volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig +acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie +ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken, +omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En +wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe +kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf, +al wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat +is tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (_zij ziet hem aan, hij +zwijgt_) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou +ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren +als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen +nu voor u in gindsche stad. »Ge hebt mij getrotseerd,« zou ik hen +toeroepen, »maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, schenk ik u het +leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u niet, opdat +ge geheel en al mijn slaven zijn zult.« + +~Holofernes.~ Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk +maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was +opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan +nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen! + +~Judith~ (_in een wild lachen uitbarstend_). Vergeef. Sta toe dat ik +mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij +lachen zullen als zij het staal zien blinken dat hen moet spietsen. +Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door +hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik +dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het +afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat +hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù +mijn eigen zwakheid onderschoof. + +~Holofernes.~ Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al +staat de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar +kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen. +Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met +mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet +weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en +zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen +krijgen. + +~Judith.~ Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed +en kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den +weg weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood +verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer, +mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door +een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij! +dat uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de +tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden +in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen +voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet +of zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes +zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en +doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich +misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en +razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou +vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg +hen! Dìt laat de Heer, mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil +uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt. + +~Holofernes.~ Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar +neen, ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (_na een +poos_) Ge beschuldigt de uwen zwaar. + +~Judith.~ Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf +voor mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne. +Geloof niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den +algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt +zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou +durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God +het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk +overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij +gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën +lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte; +toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn +stem klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen, +Hij sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel +met het beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik +gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn +voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier +redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie, +zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is +méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet. + +~Holofernes.~ Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik +niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd +hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als +nog nooit een vrouw geweest is. (_tot den kamerdienaar_) Breng haar +naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel. + +~Judith.~ Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij +bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om van mijn God af te vallen, +maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van +te eten. + +~Holofernes.~ En als dat op is? + +~Judith.~ Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn +God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen +heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het +uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef +daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar +buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar +bidden kan en wachten op een openbaring. + +~Holofernes.~ Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog +nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith! + +~Judith~ (_werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur_). +Binnen vijf dagen, Holofernes! + +~Mirza~ (_die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren +te kennen gaf_). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden? + +~Judith.~ Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn +woorden gelooft. + +~Mirza.~ Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken? + +~Judith.~ Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker +niet! + +~Mirza.~ Weent ge? + +~Judith.~ Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de +kracht der leugen in mijn mond. (_af_). + + + + +VIJFDE BEDRIJF. + + +#(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een +gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).# + +(_Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar_). + +~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Ben je op verkenning +uitgeweest? Hoe staat het er mee in de stad? + +~Hopman.~ Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de +poort bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een +van hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al +vanzelf dood neer. + +~Holofernes.~ Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't +mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet +dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het +geheel niet te bezitten. + +~Hopman.~ Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen. +Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die +den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de +handen vouwen. + +~Holofernes.~ Dat men zulke priesters vooral niet doode! De +vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot. + +~Hopman.~ Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God, +maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel +lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende +stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten +hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien. + +~Holofernes.~ Dat hebben we meer gezien. (_lachend_) Hebben we +niet zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw +achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst +voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk +zijn! (_het geschiedt_) Is het niet morgen de vijfde dag? + +~Hopman.~ Ja. + +~Holofernes.~ Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals +de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij +toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te +leggen... + +~Hopman.~ Twijfelt Holofernes? + +~Holofernes.~ Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals +die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef +aan te kloppen, dan... + +~Hopman.~ Dan? + +~Holofernes.~ Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb +gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij +een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te +Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen +beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (_tot den +kamerdienaar_) hoe zei je ook weer dat hij heet? + +~Kamerdienaar.~ Jehovah! + +~Holofernes.~ Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt +het u, en een die het niet behoeft te doen. + +~Hopman.~ En als Bethulië zich niet overgeeft? + +~Holofernes.~ Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de +stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen. +Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche? + +~Hopman.~ O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch. + +~Holofernes.~ Heb je dat ondervonden? + +~Hopman~ (_zwijgt verlegen_). + +~Holofernes~ (_met woesten blik_). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat +ze mìj behaagt? Daar, hond! (_hij_ _slaat hem neer_) Haalt hem weg en +brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons +Assyriërs rondloopt! (_Het lijk wordt weggedragen_) Vrouw is vrouw en +toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man +nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw. +Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in +tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze +vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals +vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt +en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige +tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen +opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het +hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden... +ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite +gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden +beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren +vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken, +zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die +nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben! +Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd. +Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen +als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God... +en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms +wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te +trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld. +Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar +eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen. + +~Judith~ (_met Mirza binnen tredend_). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en +uw maagd gehoorzaamt. + +~Holofernes.~ Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij +mij gevonden. + +~Judith.~ Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit +in mijn leven ben ik zòò geëerd geworden. + +~Holofernes.~ Waarom aarzel je? + +~Judith~ (_huiverend, op het versche bloed wijzend_). Heer, ik ben een +vrouw. + +~Holofernes.~ Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je +ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand +was. + +~Judith.~ Wee mij! + +~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Andere tapijten! (_tot de +hoplieden_) Gaat heen. (_De tapijten worden gebracht, de hoplieden +verwijderen zich_). + +~Judith~ (_voor zich_). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik +U, mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet +zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden. + +~Holofernes.~ Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt. +Ben ik zoo afschrikwekkend voor je? + +~Judith.~ Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest. + +~Holofernes.~ Wees oprecht, vrouw! + +~Judith.~ Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik... + +~Holofernes.~ Nu? + +~Judith.~ Als ik u kon liefhebben. + +~Holofernes.~ Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een +woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord. + +~Judith~ (_verlegen_). Heer, ik begrijp u niet. + +~Holofernes.~ Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat +hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk +aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de +leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten. +Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik +met mijn leger je vaderland bedreigde? + +~Judith.~ Niets dacht ik. + +~Holofernes.~ Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes +hoort. + +~Judith.~ Ik dacht aan den God mijner vaderen. + +~Holofernes.~ En vervloekte mij? + +~Judith.~ Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou. + +~Holofernes.~ Geef mij den eersten kus. (_hij kust haar_). + +~Judith~ (_voor zich_). O, waarom ben ik een vrouw! + +~Holofernes.~ En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen +mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen? + +~Judith.~ Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat +er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde. + +~Holofernes.~ Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om +je volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd +had en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden? + +~Judith.~ Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer +ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen +mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich +als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw +ik van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon +inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste +gedierte herbergt. + +~Holofernes~ (_haar van terzijde aanziend_). Hoe zij gloeit! Zij doet +mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den +hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen +van den haat!--Kus mij, Judith! (_zij doet het_) Haar lippen zuigen +zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith. +In den wijn is al wat ons ontbreekt. + +~Judith~ (_drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken_). Ja, in den +wijn is moed, moed! + +~Holofernes.~ Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten, +om mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel. + +~Judith.~ O gij... (_zich beheerschend_) Vergeef. (_zij weent_). + +~Holofernes.~ Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand +en vertel mij van je haat. + +~Judith.~ Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner +menschelijkheid! + +~Holofernes.~ Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig! + +~Judith.~ Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (_zij +richt zich op_) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je +zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet +krankzinnig worden.--Doodt mij nu! + +~Holofernes.~ Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst +samen naar bed gaan. + +~Judith~ (_voor zich_). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het +doen! + +~Kamerdienaar~ (_treedt binnen_). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor +de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't +hoogste belang... + +~Holofernes~ (_opstaand_). Van den vijand? Breng hem binnen. (_tot +Judith_) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de +namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen. + +~Ephraim~ (_hem te voet vallend_). Heer, waarborgt ge mij mijn leven? + +~Holofernes.~ Ja. + +~Ephraim.~ Welaan! (_nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar +Holofernes, die uitwijkt_). + +~Kamerdienaar~ (_snel binnen tredend_). Schurk! ik zal je leeren hoe +je een man neerslaat. (_wil Ephraim neerslaan_). + +~Holofernes.~ Halt! + +~Ephraim~ (_wil zich in zijn eigen zwaard storten_). Judith heeft het +gezien! Eeuwige schande over mij! + +~Holofernes~ (_hem weerhoudend_). Probeer dat niet voor den tweeden +keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je +het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt +hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en +leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is +een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan, +naar Holofernes geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen. +Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (_Kamerdienaar met Ephraim af_). +(_tot Judith_) Zijn er veel slangen in Bethulië? + +~Judith.~ Neen, maar veel razenden. + +~Holofernes.~ Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den +wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen +begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn +tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het +noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen +verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen +op kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen +edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf +en listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is +goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al +probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand. + +~Judith.~ Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (_zacht_) God +mijner vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet +wat ik het diepst verafschuw. Hij is een màn! + +~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Maak mijn leger gereed. +(_Kamerdienaar af_) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de +elbogen gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en +verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk +en ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets +beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht +zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen +van zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. »O Holofernes, +ge weet niet wat dit is« kreunde eens een man dien ik op een gloeiend +rooster liet braden. »Dat weet ik werkelijk niet« zei ik en ging naast +hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid. + +~Judith~ (_voor zich_). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als +ik niet voor hem knielen wil. + +~Holofernes.~ Kracht, kracht! dat is alles! Laat komen wie tegen +mij opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam +niets te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten +fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen +dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard; +als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De +orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar +de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens +werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt +het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van +walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is +hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor. +Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens +de tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der +menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen +staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste +oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! »Komt hier, allen +die ik leed gedaan heb«, roep ik uit, »gij, die ik verminkte, wien ik +uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen +en verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het +mij drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij +te eten.« En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en +ik hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het +mij niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij +staan en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en +waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: »Knielt neer, want ìk ben +ùw god«. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en +ongemerkt. + +~Judith~ (_sidderend_). En als de hemel een bliksem naar u slingert om +u te verpletteren? + +~Holofernes.~ Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood +en de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden. + +~Judith.~ Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten stuiven door +elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u +tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet. + +~Holofernes.~ Val neer en aanbidt mìj! + +~Judith.~ Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt +ge dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden? + +~Holofernes.~ Ik ben blij eens iets nieuws te hooren. + +~Judith.~ Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En +als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot +voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn +rossen wordt verslonden. + +~Holofernes.~ Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de +wijsheid, die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn +linkerbeen den knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch +vooral niet op den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de +woestijn, die tegen zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd +uitriep: »Nu ben ik verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de +wereld!« die zot was eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont +mij het vuur dat zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont +mij toch het vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar +zegt mij dan of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over +het vuur te vonnissen! + +~Judith.~ Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn +gedachten huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta +ik niet meer. + +~Holofernes.~ Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw +zooiets niet begrijpelijk willen maken. + +~Judith.~ Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te +vermoorden! En zij zegt het u! + +~Holofernes.~ En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te +maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat +ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te +beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken. + +~Judith.~ Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels +die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering. + +~Holofernes.~ Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar +wat tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (_hij +drinkt_) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (_tot den +kamerdienaar_) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost +het zijn kop. (_hij trekt Judith met geweld mee_). + +~Judith.~ Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid +als ik niet kan! (_beiden af in het slaapvertrek_). + +~Kamerdienaar~ (_tot Mirza_). Blijf je hier? + +~Mirza.~ Ik moet mijn meesteres bedienen. + +~Kamerdienaar.~ Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan +kon ik even gelukkig zijn als mijn Heer. + +~Mirza.~ Waarom ben jij niet een man als Holofernes? + +~Kamerdienaar.~ Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe. +Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en +zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed +brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord: +Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld. + +~Mirza.~ Opdat een zot ze zal kunnen bespotten. + +~Kamerdienaar.~ Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan +spuwen, als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes +heeft eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam, +neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het +altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij +Hebreeuwsche spin, en houd je stil (_af_). + +~Mirza~ (_alleen_). Stil, ja stil. Ik geloof (_wijst naar het +slaapvertrek_) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het +Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en +zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de +angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik +kon en ik schreeuwde àlleen om ~zijn~ schreeuwen niet te hooren. Zòò +spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel +dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik +je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde +ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken +en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik +ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de +vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij +mannen dooden! + +~Judith~ (_stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede +gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het +hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard_). Het is hier te licht. +Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd. + +~Mirza~ (_jubelend_). Zij leeft... en ~hij~ leeft (_tot Judith_). Wat +hebt ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten! +Uw oogen zien zoo schuw. + +~Judith.~ Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (_zij +wankelt_). + +~Mirza.~ Leun tegen mij aan, ge wankelt. + +~Judith.~ Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik +kan nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer! + +~Mirza.~ Kom, laten we vanhier vluchten! + +~Judith.~ Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij +tot zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte, +dat alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de +vernietiging die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over +die ruwe greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de +onteerende kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu +bloos je er niet over dat je mij wilt meetronen? + +~Mirza.~ Ongelukkige, waaraan denkt ge? + +~Judith.~ Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je +niet zeggen? Ik denk aan moord! (_als Mirza achteruit deinst_) Is er +dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat +zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om +mij! + +~Mirza.~ Kom! + +~Judith.~ Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een +vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je +vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht +vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep +mij in 't oor: »Je bent een hoer!« Dan zal ik opspringen; misschien +grijp ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe: +»Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!« +O, Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes. + +~Mirza.~ Uw gedachten groeien u boven het hoofd. + +~Judith.~ Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen. +Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het +heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat +siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan +kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd +te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin +zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij +eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde +van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles... +is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en +zaligheid te willen geven? Mirza, luister je? + +~Mirza.~ Hoe zou ìk niet luisteren? + +~Judith.~ Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel +het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven +handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt +waarin dit ontzettendste mogelijk is. + +~Mirza.~ Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen? + +~Judith.~ Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste +vernedering; het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst +wordt om in de plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen +roes met een nog gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop +de inslapende begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze +noodig heeft om het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen +zelf, als dronken gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen, +tegen je opstaan; waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je +denken en voelen, voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je +schande voor je waarachtige wezen. + +~Mirza.~ Wèl mij, dat ik niet schoon ben! + +~Judith.~ Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar +hoe zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (_zij wijst naar het +slaapvertrek_) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op +het klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den +verschrikkelijke en steunde: »Spaar me!« Had hij naar den angstkreet +van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn +antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees. +In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. »Matig je gloed, je +gaat te ver!« lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij +begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets +glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn +duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn +recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer +heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (_zij stort de kamer binnen +en neemt het zwaard af_). + +~Mirza~ (_op haar knieën_). God, laat hem wakker worden! + +~Judith~ (_op de knieën vallend_). Mirza, o, wat bid je daar? + +~Mirza~ (_weer opstaand_). God zij geloofd, zij kan het niet! + +~Judith.~ Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede +menschen omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (_Zij staat op en +beschouwt Holofernes_) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat +de moord zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha! +laffe vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden? +Die rustige slaap, na zùlk een oogenblik... is dat niet de ergste +misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof +er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (_zij trekt +het zwaard uit de scheede_) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen +glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen +hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn +droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je +schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige +begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (_zij slaat +Holofernes het hoofd af_). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha! +Holofernes, acht ge mij nu? + +~Mirza~ (_bezwijmt_). Houdt mij vast! + +~Judith~ (_door een siddering overvallen_). Zij bezwijmt; is mijn daad +dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet +verstijven en haar voor dood neerwerpt? (_heftig_) Ontwaak uit je +onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik +niet. + +~Mirza~ (_weer bijkomend_). Werp er toch een doek overheen! + +~Judith.~ Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke +huivering van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen, +dat wreede afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou +mij kunnen doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan +moest ik immers ook mijzelf... (_zij grijpt naar het zwaard_). + +~Mirza~ (_werpt zich aan haar borst_). + +~Judith.~ Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij, +zij vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode +niet zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die +omarming een tweede onmacht? (_stoot haar van zich weg_). + +~Mirza.~ U doet me pijn, en uzelf nog meer. + +~Judith~ (_haar hand vattend_). Niet waar Mirza, als het een +gruwelstuk was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou +je mij dat immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij +vonnissen en verdoemen, vriendelijk tot mij zeggen: »Je doet jezelf +onrecht, het was een heldendaad?« + +~Mirza~ (_zwijgt_). + +~Judith.~ Ah! verbeeld je maar niet dat ik al als een bedelares voor +je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou begenadiging +verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes en ìk... ik +ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik zou den held +willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel gekost heeft +als mij de mijne! + +~Mirza.~ U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt +ge in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het +nooit betreden, dan had ge niets te wreken gehad. + +~Judith.~ Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij +hierheen, de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die +zich den pols openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O, +nù ben ik weer met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door +mijn eigen smart. + +~Mirza.~ Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen +ge uw hand in bloed dompelde. + +~Judith~ (_langzaam, vernietigd_). Neen, neen, je hebt gelijk... dat +was het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O, +hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes +verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù +mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen +en ze vermorzelt mij! + +~Mirza.~ Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat +zult ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt? + +~Judith.~ O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het +slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte +houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in +stukken scheuren! (_zij wil gaan_). + +~Mirza~ (_kalm_). Dan verscheuren ze mij ook. + +~Judith~ (_blijft staan_). Wat moet ik doen? Mijn hersens lossen op +tot rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken +dan aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat +naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik +kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik +zal in niets verdwijnen. + +~Mirza~ (_luisterend_). God! men komt! + +~Judith~ (_verward_). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de +wereld in het hart gestoken. (_lachend_) En ik trof haar goed. Moet ze +blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg +naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de +sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben +immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan +komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden? + +~Mirza.~ Judith! + +~Judith.~ Au! mijn naam doet mij pijn! + +~Mirza.~ Judith! + +~Judith~ (_als wrevelig_). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is +'t niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die +mij zeide waarom. + +~Mirza.~ Het is met haar gedaan... Judith, je bent een kìnd. + +~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, dat wist ik niet meer, ik had +me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een kerker, en ze was +achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een bronzen deur. +(_lachend_) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en overmorgen +ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets beters. +Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. Hu! Zeg +maar wat ik nu zijn moet. + +~Mirza~ (_afgewend_). God, ze wordt krankzinnig! + +~Judith.~ Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer +wat ik was. + +~Mirza~ (_op Holofernes wijzend_). Kijk! + +~Judith.~ Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel +immers maar om den waanzin; maar het schemert alleen zoo hier en daar +een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend +molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge +verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen. + +~Mirza~ (_in hoogsten angst_). De morgen is niet ver meer; ze zullen +mij en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid +uitrukken. + +~Judith.~ Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat +allen dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik +het ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven! +Ah! wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als +kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor +altijd. O, men léért iets in smart. (_op Holofernes wijzend_) Ook die +is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of +hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het +geheim zijner onsterfelijkheid openbaart. + +~Mirza.~ Judith, heb medelijden, ga mee! + +~Judith.~ Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik +doen moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen. + +~Mirza.~ Volg mij dan. + +~Judith.~ Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek +het hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt +niet? Dan verzet ik geen voet! (_Mirza gehoorzaamt met afschuw_) Kijk, +dat hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in +Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen +wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook +dááraan tevoren gedacht. + +~Mirza~ (_wil gaan_). Nu? + +~Judith.~ Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij +het gedaan hebt. + +~Mirza.~ Ik? + +~Judith.~ Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de +moed mij ontzonken was, maar dat de geest des Heeren over jou gekomen +is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal +men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw +deel zal eer en lofzang zijn in Israël. + +~Mirza.~ Nooit. + +~Judith.~ O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de +klank hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren +en dat zal mijn loon zijn. Kom! (_beiden af_). + + * * * * * + + +#(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met +gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en staand +in verschillende groepen. Het wordt dag).# + +(_Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz._). + +~Een vrouw.~ Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God +almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij +belooft? + +~Priester.~ Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen +gebonden. Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient. + +~Vrouwen.~ Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren? + +~Priester.~ Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat. + +~Een moeder.~ Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig +kind moet verdorsten? (_zij houdt haar kind omhoog_). + +~Priester.~ De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er +geen. + +~De moeder.~ En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan +zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog +verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij, +om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als het +ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns +moeten haten en verachten. + +~Priester.~ Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch +en bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen +vervolgen. + +~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Is er nog niet genoeg +vertwijfeling in de stad? + +~Eerste priester.~ Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet +wortel waar de bodem los is. + +~Moeder.~ Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal +mij opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij +voor elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf +pijnigen tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op! + +~Tweede priester.~ Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je +God. + +~De moeder~ (_drukt het aan haar borst_). Ja, ik zal het zóó lang +aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en +zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet +als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een +afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te +boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt +en naar omhoog ziet en de vuistjes balt? + +~Eerste priester.~ Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen +erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God. + +~De moeder.~ Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te +voorschijn. Dat was een rots! (_slaat zich op de borst_) Vervloekte +borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van +buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen +druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm +nog één keer te drinken! + +~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Ontroert u dit niet? + +~Eerste priester.~ Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts +een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost +de man zich op in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er +viooltjes mee laven. + +~Tweede priester.~ Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn +geoorloofd. + +~Een andere vrouw~ (_op de moeder wijzend_). Hebt ge geen troost voor +haar? + +~Eerste priester~ (_koud_). Neen. + +~De vrouw.~ Dan woont uw God nergens dan op uw lippen! + +~Eerste priester.~ Dit woord alleen verdient dat Bethulië in +Holofernes' handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der +stad. Je vraagt waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (_zij +gaan voorbij_). + +(_Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren_). + +~Eerste burger.~ Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze +vrouw. Het is ontzettend. + +~Tweede burger.~ Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst, +als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten! +(_Hij slaat zich voor het hoofd_) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al +bedacht heeft. + +~Eerste burger.~ Je raast! + +~Tweede burger.~ Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit +huis gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de +onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch +vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij, +in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond +zij op en zei, zacht, heel zacht: »is 't dan een òngeluk dat de jongen +sterft?« Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: »Er +is nog leven in hem«. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar +kind alleen nog maar een stuk vleesch. + +~Eerste burger.~ Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze +mijn eigen zuster. + +~Tweede burger.~ Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich +niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten +had. + +~Derde burger~ (_er bij komend_). Misschien komt nog redding. Heden +is 't de dag waarop Judith terug zou komen. + +~Tweede burger.~ Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn +gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is +een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal +U roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in +toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen +kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle +gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar +vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt, +als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei +en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (_gaan voorbij_). + +~Mirza~ (_voor de poort_). Doet open, doet open! + +~Bewakers.~ Wie daar? + +~Mirza.~ Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes! + +~Bewakers~ (_roepen, terwijl zij openen, de stad in_). Hallo, hallo! +Judith is terug! + +(_Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en +Mirza treden de poort binnen_). + +~Mirza~ (_werpt het hoofd neer_). Kent ge dien? + +~Volk.~ Neen, dien kennen wij niet. + +~Achior~ (_naderbij tredend, valt op de knieën_). Groot zijt ge, God +van Israël! en er is geen God buiten u! (_hij staat op_) Dit is het +hoofd van Holofernes! (_hij grijpt Judith bij de hand_) En dit is de +hand, waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u +aanzie! + +~Ouderlingen.~ Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd! + +~Volk~ (_bijeen stroomend_). Heil Judith! + +~Judith.~ Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood, +opdat gìj (_tot een der omstanders_) in vrede uw schapen weiden en gij +(_tot een ander_) uw kool planten en gij (_tot een derde_) uw nering +drijven en kinderen die u gelijken, teelen kunt. + +~Stemmen uit het volk.~ Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer! + +~Achior.~ Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde. +Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze +hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen. + +~Judith.~ Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt +afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad +doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan +kan ik haar verantwoorden. (_Men hoort een wild verward getier_). + +~Achior.~ Hoort! nu is het tijd! + +~Een priester~ (_op het hoofd wijzend_). Steekt het op een spiets en +draagt het vooraan! + +~Judith~ (_zich voor het hoofd plaatsend_). Dit hoofd moet dadelijk +begraven worden! + +~Bewakers~ (_van den muur af roepend_). De bewakers van de bron +vluchten in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg, +zij trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet +hollen. Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet! + +~Ephraim~ (_voor de poort_). Open, open! + +(_De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open, +men ziet voorbij vluchtende Assyriërs_). + +~Ephraim.~ Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat +alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't +allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn! + +~Achior.~ Op, op! + +(_Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van +Judith!_) + +~Judith~ (_wendt zich walgend af_). Dat is slagersmoed. + +(_De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen_). + +~Een der ouderlingen.~ Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe +in hun plaats gezet. + +~Eerste priester.~ Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen. +Niet meer om het duister verleden, op u zal ik voortaan wijzen als ik +toonen wil hoe groot de Heer, onze God is. + +~Priesters en ouderlingen.~ Eisch uw loon! + +~Judith.~ Spot ge met mij? (_tot de ouderlingen_) Als het geen heilige +plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en +misdaad? (_tot de priesters_) Wanneer een offerdier rochelend voor +het altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs +het zou verlangen voor zijn bloed en leven? (_na een pauze, als bij +plotselinge ingeving_) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te +voren, dat ge het niet zult weigeren! + +~Ouderlingen en priesters.~ Wij beloven het. Uit naam van gansch +Israël! + +~Judith.~ Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang! + +~Allen~ (_ontzet_). U dooden? + +~Judith.~ Ja. En ik heb uw woord. + +~Allen~ (_gruwend_). Ge hebt ons woord. + +~Mirza~ (_grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar +voren_) Judith! Judith! + +~Judith.~ Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot +onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig! + + +EINDE. + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: verschansd hebben. | + | C: verschanst hebben. | + | B: als gevonnisd wanneer ik haar | + | C: als gevonnist wanneer ik haar | + | B: ~Ephraim~ Ik bèn een man en | + | C: ~Ephraim.~ Ik bèn een man en | + | B: ~Judith~ Het is zoo blank | + | C: ~Judith.~ Het is zoo blank | + | B: ~Daniel.~ Ja, dat is | + | C: ~Daniël.~ Ja, dat is | + | B: beleedigd hebt, sçhenk ik u het | + | C: beleedigd hebt, schenk ik u het | + | B: al mijn slaven zijn zult. | + | C: al mijn slaven zijn zult.« | + | B: spin, en houdt je stil | + | C: spin, en houdt je stil | + | B: Mirza, o, wat bidt je daar? | + | C: Mirza, o, wat bidt je daar? | + | B: Ah! verbeeldt je maar niet | + | C: Ah! verbeeld je maar niet | + | B: je bent een kind. | + | C: je bent een kìnd. | + | B: ~Judìth.~ Ja ja, goddank! Verbeeldt je, | + | C: ~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, | + | B: Hallo, Hallo! | + | C: Hallo, hallo! | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH *** + +***** This file should be named 34638-8.txt or 34638-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/4/6/3/34638/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/34638-8.zip b/34638-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1b94d30 --- /dev/null +++ b/34638-8.zip diff --git a/34638-h.zip b/34638-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9fc942c --- /dev/null +++ b/34638-h.zip diff --git a/34638-h/34638-h.htm b/34638-h/34638-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e653a73 --- /dev/null +++ b/34638-h/34638-h.htm @@ -0,0 +1,3583 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Judith, by Friedrich Hebbel. + </title> + <style type="text/css"> + +body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + +h1 {text-align: center; clear: both; letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; font-size: 233%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 1em; font-size: 120%;} +.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} + +p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.einde {text-indent: 0em; font-variant: small-caps; text-align: center; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +p.locatie {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; font-size: 80%;} +p.aanwijzing {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: left;} + +div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; text-align: center;} +div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 133%;} +div.voorrede {margin-top: 5em; margin-bottom: 2em;} +div.personen {margin-top: 5em; margin-bottom: 2em;} +div.rand {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 30em; text-align: center; padding-top: 1.5em; padding-bottom: 1.5em; + border-top: 5px double black; border-bottom: 5px double black;} +.spreker {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;} + +/* TB */ +hr {width: 33%; clear: both; + margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.chend {width: 15%; margin-top: 3em; margin-bottom: 3em;} +hr.hr20 {width: 20%;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +td.tdl {text-align: left; vertical-align: top; text-indent: -1em; + padding-left: 1.5em; padding-right: 0.5em; width: 12em;} +td.bedrijf {text-align: center; padding: 0.5em;} +td.tdc {text-align: center; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + +/* ALIGN */ +.right {text-align: right;} +.ri1 {padding-right: 1em;} +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.smcap {font-size: 80%;} +.mixcap {font-variant: small-caps;} +.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;} +.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +ins.info {border-bottom: 1px dotted green; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +.size67 {font-size: 67%;} +.size80 {font-size: 80%;} +.size85 {font-size: 85%;} +.size120 {font-size: 120%;} +.size133 {font-size: 133%;} +.size150 {font-size: 150%;} +.size233 {font-size: 233%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em; + background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Judith + treurspel in vijf bedrijven + +Author: Friedrich Hebbel + +Translator: Nico van Suchtelen + +Release Date: December 13, 2010 [EBook #34638] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br /> + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 458px;"> +<img src="images/cover.jpg" width="458" height="725" alt="" title="Voorkant boek." /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"></span><a id="p_i"></a></p> + +<div class="voorblad">JUDITH</div> + +<p><span class="pagenum" title="ii"></span><a id="p_ii"></a></p> + +<div class="title"> + + <div class="figcenter" style="width: 300px;"> + <a href="images/ill_pii.png"><img src="images/ill_piit.png" width="300" height="451" alt="" title="Titelpagina #1; klik voor vergroting (1251×1878px, 281kb)" /></a> + </div> + + <p class="tp"><span class="size233">TOONEELBIBLIOTHEEK</span><br /> + <span class="mixcap size150">Onder leiding van L. Simons</span></p> + + <p class="tp size67">HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.</p> + + <p class="tp size133">UITGEGEVEN DOOR:<br /> + DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN<br /> + GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iii"></span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <div class="figcenter" style="width: 299px;"> + <a href="images/ill_piii.png"><img src="images/ill_piiit.png" width="299" height="448" alt="" title="Titelpagina #2; klik voor vergroting (1245×1869px, 220kb)" /></a> + </div> + + <p class="tp size133" xml:lang="de">FRIEDRICH HEBBEL</p> + + <h1>JUDITH</h1> + + <p class="tp"><span class="size85 ls2">TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN</span><br /> + <span class="size120">(1839-1840)</span></p> + + <p class="tp"><span class="size80">UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR</span><br /> + <span class="size120 ls2">NICO VAN SUCHTELEN</span><br /><br /> + <span class="tp size80">MET INLEIDING</span></p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iv"></span><a id="p_iv"></a> +<span class="pagenum" title="v"><br /></span><a id="p_v"></a></p> + +<div class="voorrede"> + + <div class="h2inh rand"><h2 id="VOORBERICHT">VOORBERICHT.</h2></div> + + <p>Van <span class="mixcap">Friedrich Hebbel</span> is dit het tweede werk, dat wij thans in eene + vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B. + verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk + treurspel <i>Maria Magdalena</i> met twee korte inleidingen.</p> + + <p><i>Judith</i>, dat we hier doen volgen in de vertaling door de + <span class="mixcap">Tooneelvereeniging</span> gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over + den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De + Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's + kunst en Levensbeschouwing.</p> + + <p class="right ri1">REDACTIE T. B.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="vi"></span><a id="p_vi"></a> +<span class="pagenum" title="1"><br /></span><a id="p_1"></a></p> + +<div class="personen"> + +<div class="h2inh rand"><h2 id="PERSONEN">PERSONEN.</h2></div> + +<table summary="overzicht spelers eerste uitvoering"> +<tbody> + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#EERSTE_BEDRIJF">EERSTE BEDRIJF</a>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">De Opperpriester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Heraut</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Soldaat</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Gezant van Lydië</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr> + <tr><td class="tdl">Gezant van Mesopotamië</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. J. van Staalduynen</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Achior</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jaap van der Poll</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#TWEEDE_BEDRIJF">TWEEDE BEDRIJF</a>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers.</span></td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Timrott</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET DERDE BEDRIJF (<a href="#DERDE_BEDRIJF_1" class="smcap">EERSTE TAFEREEL</a>).</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET DERDE BEDRIJF (<a href="#DERDE_BEDRIJF_2" class="smcap">TWEEDE TAFEREEL</a>).</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Timrott</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ammon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr> + <tr><td class="tdl">Hosea</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ben</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Samuël</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. Pilger</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Z'n kleinzoon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Priester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Assad</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">G. J. van Staalduynen</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Daniël</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Adolf Bouwmeester</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Samaja</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl"><span class="pagenum" title="2"></span><a id="p_2"></a></td></tr> + <tr><td class="tdl">Josua</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Achior</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jaap van der Poll</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET <a href="#TWEEDE_BEDRIJF">VIERDE BEDRIJF</a>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">3de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET VIJFDE BEDRIJF (<a href="#VIJFDE_BEDRIJF_1" class="smcap">EERSTE TAFEREEL</a>).</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Holofernes</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Louis van Gasteren</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">1ste Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">H. K. Teune</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">2de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">3de Hopman</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Dienaar</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Johan Timrott</span>.</td></tr> + + <tr><td class="bedrijf" colspan="2">IN HET VIJFDE BEDRIJF (<a href="#VIJFDE_BEDRIJF_2" class="smcap">TWEEDE TAFEREEL</a>).</td></tr> + <tr><td class="tdl">Judith</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Julia Cuypers</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Mirza</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Lize Hamel</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ephraïm</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Johan Timrott</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ammon</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Brandenburg Jr.</span></td></tr> + <tr><td class="tdl">Hosea</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Alex Frank</span> of <span class="mixcap">Vincent Berghegge</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Ben</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Jac. van Hoven</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Priester</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Joh. Schmidt</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Josua</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Fré Williams</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Moeder</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Marie Faassen</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdl">Een Bewaker</td> <td class="tdl"><span class="mixcap">Carel Rijken</span>.</td></tr> + <tr><td class="tdc" colspan="2">Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk.</td></tr> +</tbody> +</table> + +<p class="locatie">De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4<sup>den</sup> +November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande +rolverdeeling.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="3"></span><a id="p_3"></a></p> + +<div class="rand"><h2 id="EERSTE_BEDRIJF">EERSTE BEDRIJF.</h2></div> + +<p class="locatie">(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den +veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd +door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).</p> + +<p class="aanwijzing">(<i>De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent. +Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de +muziek verstomt</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Het offer!</p> + +<p><span class="spreker">Opperpriester.</span> Voor welken god?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wien werd gisteren geofferd?</p> + +<p><span class="spreker">Opperpriester.</span> Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op +Baal.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen, dien +gij allen kent en toch niet kent.</p> + +<p><span class="spreker">Opperpriester</span> (<i>met luider stem</i>). Holofernes beveelt dat wij aan een +god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>lachend</i>). Dat is de god dien ik het meest vereer. <i>(Er +wordt geofferd).</i></p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Trawant!</p> + +<p><span class="spreker">Trawant.</span> Wat beveelt Holofernes?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te +beklagen, trede voor. Roep het uit!</p> + +<p><span class="spreker">Heraut</span> (<i>door de rijen der soldaten gaande</i>). Wie zich te beklagen +heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren.</p> + +<p><span class="spreker">Een soldaat.</span> Ik klaag mijn hopman aan!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarvan?</p> + +<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin +buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet +durfde aan te raken. De hopman <span class="pagenum" title="4"></span><a id="p_4"></a>komt tegen den avond in mijn tent, +terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat +ze zich tegen hem verzet.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> De beschuldigde hopman is des doods! (<i>tot een ruiter</i>) +Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het +eerst.</p> + +<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Gij wilt mij doen dooden met hem?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel +uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken +toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor +de klachten der hoplieden zelf?</p> + +<p><span class="spreker">De soldaat.</span> Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù +geven.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat +zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor +als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik +ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten +wijn, voor je gedood wordt. Voort! (<i>De soldaat wordt door den ruiter +weggeleid naar den achtergrond</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot een der hoplieden</i>). Laat de kameelen toomen!</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Het is reeds geschied.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Had ik het bevel dan al gegeven?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven zoudt.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het hoofd +te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe! Mijn +wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit!</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Vergeving! (<i>af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>alleen</i>). Dàt is de kunst: zich niet laten raden, eeuwig +een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de zee +bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur +verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur +al door en door kennen en nu heeft het voor <span class="pagenum" title="5"></span><a id="p_5"></a>iederen schooier zijn +kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft +haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar +hun schaduw.—Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en +gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren +uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar +mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen +die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag +tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden +getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten. Ik +zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als een +voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al dit +armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond; alsof +zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen, dat ik +hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer. Maar +inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen, +trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur +dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen +slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen; +ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op +hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets +dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar +met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet +meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid. +Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik +haar hem weer afnemen!</p> + +<p><span class="spreker">Een hopman.</span> Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Breng hem dadelijk bij mij! (<i>voor zich</i>). Nek, zijt ge +nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen +niet verleert!</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en +heerschappij gegeven is van opgang <span class="pagenum" title="6"></span><a id="p_6"></a>tot ondergang, biedt zijn veldheer +Holofernes den groet des Gezags.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Deemoedig wacht ik zijn bevelen.</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem +worden vereerd.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>trotsch</i>). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit genomen, +toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen had.</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de +altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak. Maar +niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt zijn +blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen +beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen +grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (<i>luid</i>) Nebucad Nezar +heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad!</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Wij zijn de goden daarvoor dankbaar.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Hemzelf, wilt ge zeggen.</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij zonsopgang +een offer brenge.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij +zonsondergang aan hem denken.</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge uzelf +zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden +uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn +leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings +en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden.</p> + +<p><span class="spreker">Bode.</span> Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen +en dat hij nog veel voor u te doen had.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het +beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (<i>Bode af</i>). Trawant!</p> + +<p><span class="pagenum" title="7"></span><a id="p_7"></a></p> + +<p><span class="spreker">Trawant.</span> Wat beveelt Holofernes?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit!</p> + +<p><span class="spreker">Heraut</span> (<i>door de rijen der soldaten loopend</i>). Er is geen god buiten +Nebucad Nezar! (<i>Een opperpriester gaat voorbij</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen?</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Ja.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout +schenk ik u.</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge slaat +den god stuk of ge hangt uzelf op.</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Ik zal hem stuk slaan. (<i>voor zich</i>) Baal draagt gouden +armbanden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>alleen</i>). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij hij, +omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot eere +brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb ik +het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel; een +god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal hij +toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover +haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van +huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak, +te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het +doodsuur een jubelkreet af te dwingen!—Nebucad Nezar weet het zich +gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik +moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (<i>De opperpriester +gaat weer voorbij</i>). Is Baal verbrijzeld?</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de +gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons +goud en ge hebt drie dagen tijd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="8"></span><a id="p_8"></a></p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (<i>Af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Gezanten van een koning smeeken om gehoor!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Van welken koning?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u +verdeemoedigden, onmogelijk onthouden!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>werpt hem een gouden ketting toe</i>). De eerste +onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (<i>De gezanten komen op +en werpen zich voor Holofernes ter aarde</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Gezant.</span> Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen, +wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet +éérgisteren?</p> + +<p><span class="spreker">Gezant.</span> Heer!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Was de afstand te groot, of de eerbied te klein?</p> + +<p><span class="spreker">Gezant.</span> Wee ons!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>voor zich</i>). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap tegen +Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te +verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden! +(<i>luid</i>). Staat op en zegt uwen koning...</p> + +<p><span class="spreker">Hopman</span> (<i>op</i>). Gezanten uit Mesopotamië!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Breng ze binnen. (<i>De gezanten op, zij werpen zich ter +aarde</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn +onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet.</p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich op +iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang +getalmd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="9"></span><a id="p_9"></a></p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst voor +mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden.</p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij, dat +de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich +<ins class="corr" id="corr1" title="Bron: verschansd">verschanst</ins> hebben.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de +onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van +diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden. +(<i>tot de Lybische gezanten</i>) Meldt gij uw koning hetzelfde! (<i>tot de +Mesopotamische gezanten</i>) Wie zijn die Hebraeërs?</p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet het +reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog +beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij +niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en +wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden, +van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning +heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking?</p> + +<p><span class="spreker">Gezant uit Mes.</span> Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten +niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met +vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst +vechten zij met ons.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt +beantwoorden? (<i>Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na +kniebuiging en nedervallen</i>) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten +moeten vòòrkomen! (<i>Heraut af</i>) Ik acht een volk dat mij tegenstand +wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (<i>De +hoplieden op, onder hen Achior</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist?</p> + +<p><span class="pagenum" title="10"></span><a id="p_10"></a></p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee +gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer en +zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen god +stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed +bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk is +dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij dat +verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch +bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan is +het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten +vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat +het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg +loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt +een koele dronk.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Hoe heet hun god?</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te +spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Welke steden hebben zij?</p> + +<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>wijzend op de stad in het gebergte</i>). De stad die het dichtst +bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun hoofdstad heet +Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun god gezien. Hij +heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen ik er bewonderend +vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en mij omlaag drukte; +ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist hoe het kwam. Ze +hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond, voelde ik een +onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden. En daarop staat +de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en vertelde mij dit, ik +weet niet of ze het deed uit medelijden met mijn jeugd of uit vrees +voor de verontreiniging des tempels door een heiden.—Luister nu naar +mij, o Heer, en acht mijn woorden niet gering. Laat uitvorschen of dit +volk ook tegen zijn god gezondigd heeft; en is dat zoo, laat ons dan +er op los trekken; dan zal hun god ze zeker aan u overleveren <span class="pagenum" title="11"></span><a id="p_11"></a>en zult +ge ze gemakkelijk onder den voet krijgen. Maar hebben ze nìet tegen +hun god gezondigd, keer dan om; want hun god zal hen beschermen en wij +zullen tot spot worden voor het geheele land. Gij zijt een geweldìg +held, maar hun god is te machtig; en al kan hij niemand tegenover u +stellen die u evenaardt, zoo kan hij u toch dwingen tegen uzelf in +opstand te komen en u met eigen hand uit den weg te ruimen.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon u +straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen. Maar +ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben. Wat +den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert hem +ongedeerd tot hen! (<i>het geschiedt</i>) En wie hem, bij de inneming der +stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn gewicht +in goud betalen. (<i>met verheffing van stem</i>) En nu, op naar Bethulië! +(<i>De stoet zet zich in beweging</i>).</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="12"></span><a id="p_12"></a></p> + +<div class="rand"><h2><a id="TWEEDE_BEDRIJF"></a>TWEEDE BEDRIJF.</h2></div> + +<p class="aanwijzing">(<i>Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat denk je van dien droom?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist ik +niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; dan +was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik tegen +mijzelf en liep nog sneller dan eerst.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zonder naar haar te luisteren</i>). Plotseling stond ik op een +hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; de +zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar +boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar +schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik +was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde +voorwaarts. „God, God,” riep ik in mijn angst. „Hier ben ik,” klonk +het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte +armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand +dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was te +zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem +weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke droomen +moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: als een +mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn +zelfbewustzijn; <span class="pagenum" title="13"></span><a id="p_13"></a>dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten +en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als +schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend. +Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast; +dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en +voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men +kort voor zijn dood nog wel zou droomen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Omdat ik gruw van mannen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> En u hebt toch zelf een man gehad!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was krankzinnig!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet bang +wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een gruwelijk, +ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar was ik toen ik +tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel herinneren, je +volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd ik angstiger; nu eens +dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan dat ik eerst moest +beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo verleidelijk, men kòn +hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn sluier op alsof hij zeggen +wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem vast, want ik voelde hoe mijn +gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn vader liep naast mij, hij was +heel ernstig en sprak veel waar ik niet naar luisterde. Soms zag ik +naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal er stellig anders uitzien. +Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart er immers ook bij?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik schaamde mij met u.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij +met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te +noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen +<span class="pagenum" title="14"></span><a id="p_14"></a>en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en +olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als +een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam +Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en +driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar +het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of +mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen +sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel +wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek +binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als een +zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo +alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde +ze uitdooven. „Niet doen, niet doen,” vroeg ik smeekend. „Dwaas kind,” +zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de +lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde +het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer +en zei: „Het derde doof ik zelf.” „Gauw, gauw dan,” riep ik, want het +liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder de +kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het +gelaat. Manasses riep: „Ik zie je zoo duidelijk als overdag,” en +meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof +de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had +vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. „Kom, kom!” riep ik, zonder mij +er over te schamen dat ik dit deed. „Ik kan niet,” antwoordde hij dof +en traag. „Ik kan niet,” herhaalde hij nog eens en staarde mij +vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het +venster en zei wel tienmaal achter elkaar „Ik kan niet.” Hij scheen +niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben.<span class="pagenum" title="15"></span><a id="p_15"></a></p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ongelukkige!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als verontreinigd, +ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve, teere woorden; +ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van te komen, begon +hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen, het was mij of ik +in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste wroette ik mij in als +in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam aan, mijzelf in den +slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik ontwaakte. Den +volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek mij met +eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik had wel +willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik barstte +in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag mij +donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen woord +sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een hoek. +„Bah!” riep hij plotseling luid en boos. „Judith is een engel!” voegde +hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem mijn +mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te zijn. +(<i>Na een lange pauze</i>). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest... hij +heeft mij nooit aangeraakt.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> En...</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij +bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets +duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking +die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen, +uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl in +mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den +gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag lag +hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof +gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het +scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde. +Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim niet +meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben <span class="pagenum" title="16"></span><a id="p_16"></a>het hem te +vragen. „Manasses,” zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog, „wat +was dat in onzen huwelijksnacht?” Zijn donkere oogen waren al +dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want +hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen. +Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: „Ja, ja, ja... nù mag ik het je +zeggen; je...” Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de +Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (<i>Na een lang +zwijgen</i>). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik +ophoud Manasses voor krankzinnig te houden?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik huiver.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het +weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en +begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik +zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te +redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen +in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in +den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>gedwongen afleidend</i>). Op zulke oogenblikken moest u liever +eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en +schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht +nemen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter is +het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen +bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden; +mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige +dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn +de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en +toch ook geen vrouw.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man +jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten?</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zeer ernstig</i>). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn +schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood!</p> + +<p><span class="pagenum" title="17"></span><a id="p_17"></a></p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>haastig binnentredend</i>). Ha, ge zit daar zoo kalm, terwijl +Holofernes voor de stad staat!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Dan zij God ons genadig!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb, zou +je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik +inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van +kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en +poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al +die gruwelen konden zien!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu +niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te +weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is +een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt...</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Laat hij licht opsteken.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in +brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan +anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar +bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn +vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn +kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een +struisvogel-ei kunt bakken?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zou hem willen zien! (<i>voor zich</i>) Wat heb ik daar gezegd?</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen +door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard. +Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om +jouwentwil gekomen zijn!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>glimlachend</i>). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar +naar hem toe te gaan en stad en land waren gered!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> En waarom niet? Ééne voor allen; en nog <span class="pagenum" title="18"></span><a id="p_18"></a>wel eene die zich +altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet +om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij +geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met +zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo +werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om +hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor zich</i>). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst +aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij +als <ins class="corr" id="corr2" title="Bron: gevonnisd">gevonnist</ins> wanneer ik haar in de oogen zie. Ik +hoopte dat zij in dezen algemeenen nood naar een beschermer zou +uitzien, en wie was haar dan nader dan ik? (<i>luid</i>) Judith, je bent +zòò moedig, dat je ophoudt mooi te zijn.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Als je een man bent, moog je mij dit zeggen.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">.</ins></span> Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk, +Judith, er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die +wonen in hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader, +broeder noch man hebt?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger maken?</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en als +de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen, zou +ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes?</p> + +<p><span class="spreker">Judith<ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">.</ins></span> Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en +waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het +al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken, +want mijn bloed zou het hebben doen roesten.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Geef hier! (<i>Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij +terugtrekt</i>) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je +siddert voor een prik in je hand!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor <span class="pagenum" title="19"></span><a id="p_19"></a>jou, en ik heb nu +mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou! +Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is +in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap +de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare +macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet +waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te +maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>reikt hem de hand</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt +het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je +wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed +als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen +dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid +mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een +dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen. +Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt, +welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt +waarheid is?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Voelt ge 't niet, Judith?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven, +opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag +verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn +waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden +scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een +van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen +zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in mijn +eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.—Ephraim, ik heb je +pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer +beminnenswaardig <span class="pagenum" title="20"></span><a id="p_20"></a>zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik je +bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je mij nu +niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken heb, de +Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel staat; +wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te +volvoeren!—Ga heen... doodt Holofernes!—Daarna, daarnà eisch van mij +het loon dat je verlangt.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe zou +dat kunnen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik weet +alleen dat het mòet!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend +oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt, +schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond, +daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik +het wagen. Maar nu...</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de tinnen +des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten aantrekken +om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten. Want je wilt +wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar eersten toorn en +waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke geboorte van haar +eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen zal, tenzij slechts +om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in gefolterden droom.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch je +het ondenkbare.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>gloeiend</i>). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een gedachte +brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die jij lief +hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je wederliefde +te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is voor jou +niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt? Kijk, als +je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig <span class="pagenum" title="21"></span><a id="p_21"></a>naar je zwaard +gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig vaarwel; +dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg geworpen; ik +zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van een hart dat +siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden hebben of ik zou +je gevolgd zijn.—Maar nu? Ah! ik ben meer dan gerechtvaardigd; je +liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij werd je vloek om je te +verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij betrapte op ook maar +een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en al, ik begrijp zelfs +dat het hoogste voor jou lijken moet als het meest gewone, dat je moet +glimlachen als ik bid.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het onmogelijke +mogelijk maakt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen? En +als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle mannen +in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te vermijden, dàn +heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad, dàn... ah! ik +heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij mogelijk is!</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="22"></span><a id="p_22"></a></p> + +<div class="rand"><h2 id="DERDE_BEDRIJF_1">DERDE BEDRIJF.</h2></div> + +<p class="aanwijzing">(<i>Vertrek van Judith</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid, +ineengedoken terneer</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>treedt binnen en blijft naar haar kijken</i>). Zoo zit zij nu al +drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt niet. +Ze zucht of klaagt niet eens. „'t Huis staat in brand!” schreeuwde ik +haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van streek was. Zij +vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat zij het liefst zou +hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel dichtspijkerde en +wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar zegt er toch niets +op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>wenkt haar met de hand om heen te gaan</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om u +vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij +aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag +zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en +nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar +vrees te vergeten. (<i>Af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>op de knieën vallend</i>). God, God! Het is mij of ik u bij een +slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te +zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik +adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet +tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie, +hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met +angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen. +Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was het +niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken <span class="pagenum" title="23"></span><a id="p_23"></a>wildet voor uw +uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief +de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk op +mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag ik +dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het +hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk +van zijn armzaligheid schuilkroop. „Jij bent 't, jij bent 't!” riep ik +mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed +nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot het +hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen +binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel +zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat +ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten +mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts +ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet +van u. Of kwam zij wél van u? (<i>zij springt op</i>) Zij kwàm van u! De +weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj +maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij +tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik +daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te +onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik +mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of +er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven, +nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom +en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te +hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen! +(<i>zij treedt voor den spiegel</i>) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt +u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en +mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en +zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt; +kussen moet ge de Ontzetting (<i>zij gaat van den spiegel heen</i>). +Holofernes! dit <span class="pagenum" title="24"></span><a id="p_24"></a>alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb +mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als +ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit +mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven mij +doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het +geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik +u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige +gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>binnen komend</i>). Riept ge mij, Judith?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wilt ge niet eten?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, ik wil dat je mij aankleedt.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Jij?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik: dan +wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen +medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't +u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste keer +zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn +opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te +bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar +naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst +te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron +kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al +in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand +was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het +gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar +een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan, +de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar +ontrooft den menschen <span class="pagenum" title="25"></span><a id="p_25"></a>niet, midden in den overvloed der natuur, het +meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien +hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als zij +iets goeds willen doen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van iederen +man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je er een +ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man kan een +ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't een kruk +als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er een +noodig hebt.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou +gehoorzamen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die +daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik +sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden +zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn +hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet raken. +Doel... oog... hand... zoo moet het! (<i>met een blik ten hemel</i>) O, ik +zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt om te +broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend openging, +moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga eten en +tooi mij daarna.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik wacht zoolang als gij wacht!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar +daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor +een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht. +(<i>Af</i>).</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p><span class="pagenum" title="26"></span><a id="p_26"></a></p> + +<p class="locatie" id="DERDE_BEDRIJF_2">(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers, +gewapend).</p> + +<p><span class="spreker">Een burger</span> (<i>tot een ander</i>). Wat zeg je, Ammon?</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard, die +zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te vreezen +en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten staat?</p> + +<p><span class="spreker">Hosea.</span> Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog +was. Door spreken krijg je nog erger dorst.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Je hebt gelijk.</p> + +<p><span class="spreker">Ben</span> (<i>een derde burger</i>). Je komt er nog toe jezelf te benijden om die +paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf als +een vat kunnen aftappen. (<i>hij steekt den vinger in den mond</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Hosea.</span> Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger +vergeet.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Nu, te eten hebben we nog wel.</p> + +<p><span class="spreker">Hosea.</span> Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons +dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen +dragen.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.</p> + +<p><span class="spreker">Hosea.</span> In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten op +de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de schransen +altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet hen maar de +ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; komen zij +om, dan is 't ook een voordeel.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon</span> (<i>geeft hem een oorvijg</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Hosea.</span> Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud +dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal +bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem smeden +uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor die, +welke je morgen krijgt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="27"></span><a id="p_27"></a></p> + +<p><span class="spreker">Ben.</span> Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je +dadelijk naar de wallen moet.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met elkaar +twisten, denken we niet aan onze ellende.</p> + +<p><span class="spreker">Ben.</span> Komt, komt, we moeten hier vandaan.</p> + +<p><span class="spreker">Ammon.</span> Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor +Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.</p> + +<p><span class="spreker">Ben.</span> Dan zou ìk hem dooden. (<i>Alle drie af</i>).</p> + +<p>(<i>Twee andere burgers</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Een burger.</span> Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?</p> + +<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Ja.</p> + +<p><span class="spreker">Een burger.</span> Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.</p> + +<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken te +bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. „Heb je +gehoord,” vraagt hij dien, „wat ik gezegd heb?” „Neen” antwoordt +de vent. „Dat is je geluk,” zegt de tyran, „anders liet ik je je kop +afslaan, omdat er ooren aanzitten”.</p> + +<p><span class="spreker">Een burger.</span> Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo +iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar +half doodt, niet heelemaal.</p> + +<p><span class="spreker">Ander burger.</span> Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij zulk +een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (<i>zij gaan voorbij</i>).</p> + +<p>(<i>Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt op</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt +eeuwiglijk.</p> + +<p><span class="spreker">Samuel.</span> Eeuwiglijk! (<i>hij gaat op een steen zitten</i>) Samuel dorst, +mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij +het vergeten!</p> + +<p><span class="spreker">Samuel.</span> De psalm! luider! Waarom blijf je steken?</p> + +<p><span class="pagenum" title="28"></span><a id="p_28"></a></p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of ge +een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud om +te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.</p> + +<p><span class="spreker">Samuel</span> (<i>boos</i>). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel +noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn +kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon</span> (<i>zeer luid</i>). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, de +heidenen hebben groote macht over Israël!</p> + +<p><span class="spreker">Samuel</span> (<i>opstaand</i>). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij +golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder +danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den +weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip +joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's +muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in +zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen niet +sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? Staat +op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk Jonas +sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt te +voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige +verdelgt worde met den schuldige. (<i>hij grijpt zich in den baard</i>) +Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen, +diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam +Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting +toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van +den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot +zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de zoon +van Ham.</p> + +<p><span class="spreker">Samuel.</span> Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn deur, +wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren en +langer, tot hij <span class="pagenum" title="29"></span><a id="p_29"></a>zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de pest +ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging +voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij +had den moed niet haar te roepen.</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Kom, kom! (<i>hij leidt hem terzijde</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Samuel.</span> Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn +broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop +uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!</p> + +<p><span class="spreker">Kleinzoon.</span> Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn +broeder, het gansche geslacht.</p> + +<p><span class="spreker">Samuel.</span> Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat de +Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee, +wee! (<i>de kleinzoon leidt hem weg</i>).</p> + +<p>(<i>Twee burgers</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er +zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs +dagelijks een paar keer wasschen.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets +vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in +zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer +dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als +een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een +beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met +een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er +goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn +naaste.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet als +klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Wat?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (<i>gaan +voorbij</i>).</p> + +<p>(<i>Een der ouderlingen op</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Hoort, hoort! mannen van Bethulië <span class="pagenum" title="30"></span><a id="p_30"></a>(<i>het volk verzamelt +zich om hem heen</i>). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door +mijn mond weten doet!</p> + +<p><span class="spreker">Assad</span> (<i>een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand +leidend</i>). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn +zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.</p> + +<p><span class="spreker">Een ander burger.</span> Laster niet!</p> + +<p><span class="spreker">Assad.</span> Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de bron +kan scheppen.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het +zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen +voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.</p> + +<p><span class="spreker">Assad.</span> Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom +des Heeren in gevaar ìs.</p> + +<p><span class="spreker">Assad.</span> Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op neer +dat wij Hèm beschermen moeten.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u +laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en +kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.</p> + +<p><span class="spreker">Assad.</span> Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen +uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb, +die tot mijn schande rondloopen? (<i>tot den ouderling</i>) Man, je lippen +beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden, +waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van +ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit +naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te +openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor +mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de +vrouwen en kinderen. (<i>omstanders geven teekenen van instemming</i>) Geef +het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.</p> + +<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>zich losrukkend</i>). Steenigt hem! Steenigt hem!</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Was die man niet stom?</p> + +<p><span class="pagenum" title="31"></span><a id="p_31"></a></p> + +<p><span class="spreker">Assad</span> (<i>vol ontzetting zijn broeder aanziend</i>). Stom en blind! Hij is +mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord +gesproken.</p> + +<p><span class="spreker"><ins class="corr" id="corr5" title="Bron: Daniel">Daniël</ins>.</span> Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met +spijs en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij +heeft voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn +trouwe broeder. (<i>zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar +weer als door ontzetting aangegrepen van zich weg</i>) Steenigt hem! +Steenigt hem!</p> + +<p><span class="spreker">Assad.</span> Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den +stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (<i>Het volk achtervolgt hem, hem +steenigend</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>hen verschrikt naloopend</i>). Wat wilt ge doen! (<i>Af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>in vervoering</i>). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge +moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet +wanneer het tijd is.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Een profeet, een profeet!</p> + +<p><span class="spreker">Daniël.</span> Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. Meent +ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik zeg u, +dat zal nooit geschieden! (<i>Judith en Mirza verschijnen onder de burgers</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>zich ter aarde werpend</i>). Heil ons!</p> + +<p><span class="spreker">Daniël.</span> En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig noodig +om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen bij u +en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (<i>na een pauze</i>) +Broeder, je hand!</p> + +<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>terugkeerend</i>). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord! +Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered; +wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen +die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. „Zorg voor Daniël!” riep +hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. „Als een +gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.”</p> + +<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>tot het volk</i>). Schaamt u, dat ge op de <span class="pagenum" title="32"></span><a id="p_32"></a>knieën ligt, en +schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u +allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt +ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den +ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft +gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er +in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier +verried hij zijn afschuw. (<i>tot den ouderling</i>) Al wat mijn vriend +eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping +op genade of ongenade. (<i>tot Daniël</i>) Laat nu zien dat de Heer uit je +sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!</p> + +<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Samaja.</span> Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken +wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor +eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze +tot broedermoordenaars te maken.</p> + +<p><span class="spreker">Daniël</span> (<i>slaat zichzelf</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tusschen het volk tredend</i>). Laat u niet in verzoeking +brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in +heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat +men uw diepste gevoel liegen heet?</p> + +<p><span class="spreker">Samaja.</span> Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt? +Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (<i>tot +Daniël</i>) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den +muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog +op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Hij heeft gelijk!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Samaja</i>). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien Hij +gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?</p> + +<p><span class="spreker">Samaja.</span> Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen +onder onze vaderen, onze vaderen <span class="pagenum" title="33"></span><a id="p_33"></a>waren beter dan wij. Als Hij nù +wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom +bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den +aftocht te bewegen?</p> + +<p><span class="spreker">Een burger</span> (<i>op Daniël indringend</i>). Sterf, zondaar, die ons er toe +verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.</p> + +<p><span class="spreker">Samaja</span> (<i>tusschen beiden tredend</i>). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo sprak +de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in mij. +En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog tot +morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht +dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij +neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u +zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht +uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes +zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat +alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij +hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote +moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den +vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich +eerst te laten bidden. (<i>grijpt Daniël bij de hand</i>) Den stomme neem +ik mee naar mijn huis. (<i>voor zich</i>) Neen zeker, de stad, die zijn +broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik +zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand +duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in +naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd. +Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (<i>met +Daniël af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>door elkaar</i>). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat +geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen +de poorten openen. Komt!</p> + +<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>een burger</i>). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet +verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds +gebogen nekken weer <span class="pagenum" title="34"></span><a id="p_34"></a>trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de +wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets tot +iets gemaakt hebben!—(<i>luid</i>) Ziet ge in het ongeluk dat u treft +slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?</p> + +<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>tusschen de burgers rondgaande</i>). Toen ik van Holofernes' +tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om +genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (<i>allen +zwijgen</i>) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen; +had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen +weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft +genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te +vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een +vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Wee, wee!</p> + +<p><span class="spreker">Josua.</span> En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd +hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen +en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den +eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen +en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je +de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet, +dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Zal dat ons redden?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan +verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Zou het werkelijk helpen?</p> + +<p><span class="spreker">Josua.</span> Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand +af.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Je hebt gelijk. Dat is de weg.</p> + +<p><span class="spreker">Josua</span> (<i>tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken</i>). Wat zeg je +daarvan?</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ik zou er zelf den raad toe geven als <span class="pagenum" title="35"></span><a id="p_35"></a>'t helpen kon. Ik +ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot +mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het +er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik +zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar +als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk +u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en +het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd, +dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen, +van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér +ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te +tellen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>woest</i>). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te slaan, +zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen? O, nu +zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad leiden, +nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd éér het al +deze hoofden had afgemaaid!</p> + +<p><span class="spreker">Josua.</span> De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij zich +niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat op +een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen enkel +geslacht zou worden. (<i>tot Judith</i>) U zult stellig de eenige niet zijn +die hij geroerd heeft.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch te +schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar zijn +zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te beletten; +maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal uit zijn +gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het +gemunt.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Hebt dank.</p> + +<p><span class="spreker">Josua.</span> Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch zeker +staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit zoo +wreed kan zijn als een <span class="pagenum" title="36"></span><a id="p_36"></a>die ze zelf moet openen. (<i>tot den ouderling</i>) +Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn voorstel, dat wil +zeggen morgen, als ik dan nog leef.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot den ouderling</i>). Zeg neen!</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan moet +komen.</p> + +<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>tusschen het volk tredend</i>). Zet maar open, maar verwacht +geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het +laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er +geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat heeft hij gezworen?</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge +daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van +uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te +slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò +weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en +wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen +omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk +kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij +voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij +u heeft toegedacht.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten sterven, +dan hebben we zelf nog zwaarden!</p> + +<p><span class="spreker">Josua.</span> Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde komen.</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Een tijd, een tijd!</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt de +hulp des Heeren.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het in +deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop +beleven.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit</i>). Dus binnen vijf +dagen moet hij sterven!</p> + +<p><span class="pagenum" title="37"></span><a id="p_37"></a></p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te +houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de +olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste aan? +(<i>tot het volk</i>) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine +bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene +moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten +drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Ge ziet het, niemand antwoordt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot het volk</i>). Wat moet ik hiervan denken? (<i>na een pauze</i>) +En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op te nemen +tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo vermetel +zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand uit te +strekken naar zijn altaarspijzen.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat +andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der +stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den +dood.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David, zoo +wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.</p> + +<p><span class="spreker">Een uit het volk.</span> Waarom luisteren we toch naar haar?</p> + +<p><span class="spreker">Ander.</span> Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?</p> + +<p><span class="spreker">Een derde.</span> Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het ons +goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in het +openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù, nu we +op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt +tusschen ons om ons moed in te spreken.</p> + +<p><span class="spreker">Vorige.</span> Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij ééns +gezegd heeft? „Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den +armen.” En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij +alleen daarom <span class="pagenum" title="38"></span><a id="p_38"></a>geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden +de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het +om harentwil!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Achior</i>). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik +hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij +toeriep: „Doodt mij, anders dood ik jou!”... ik weet niet wat ik zou +doen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij +gelaten.</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het +bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering +hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot +zijn vijanden stuurt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Hij is een tyran.</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt zichzelf +en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik met hem +door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan een +kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de sporen, +maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg: „hij is +bodemloos”. „Ik wil ook niet er in, maar er òver!” roept hij en waagt +den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer omgekeerd +en naast mij. „Ik dacht daar een bron te zien,” zeide hij, „en wilde +drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar verslapen.” +Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn paard en slaapt. +Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af, raakte zijn gewaad +aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon, dat hij schaduw had. +Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat ik hem prijs wanneer +ik over hem spreek.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Houdt hij van vrouwen?</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="39"></span><a id="p_39"></a></p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Vloek over hem!</p> + +<p>Achior. Wat zegt ge?—Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen +volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn +slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed +gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> En wat deed hij?</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te +denken om moed te hebben als een man.</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Wat hebt ge?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet +vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij +onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer +op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult ge +betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de +jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn +armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden +beschermen! (<i>tot Achior</i>) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Nooit zag men uwsgelijke.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot den ouderling</i>). Ik heb iets bij Holofernes te doen. Wilt +ge de poort voor mij doen openen?</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Wat zijt ge van plan?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Niemand mag het weten als de Heer onze God.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling.</span> Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>tot Mirza</i>). Heb je moed mij te vergezellen?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> En heb je gedaan wat ik je beval?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Het is nog te veel.</p> + +<p><span class="pagenum" title="40"></span><a id="p_40"></a></p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor zich</i>). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar +woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het +volk</i>) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen +kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (<i>Zij gaat op de poort +toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve +Ephraim, op de knieën</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf +beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze +het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen. +Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder +dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (<i>af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Delia</span> (<i>in groote ontsteltenis op</i>). Wee, wee!</p> + +<p><span class="spreker">Een ouderling.</span> Wat is er?</p> + +<p><span class="spreker">Delia.</span> De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!</p> + +<p><span class="spreker">Een stem.</span> Dat is de vrouw van Samaja.</p> + +<p><span class="spreker">Ouderling</span> (<i>tot Delia</i>). Hoe is dat gebeurd?</p> + +<p><span class="spreker">Delia.</span> Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de +achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den +stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar +de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met +een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige +verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil +uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij +stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja, +sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem +bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met +hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen +gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al +gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij +<span class="pagenum" title="41"></span><a id="p_41"></a>ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij +stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. „Moordenaar” roep +ik.—Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op +den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst, +alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten +spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de +wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn +voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft +hij zijn loon ontvangen.</p> + +<p><span class="spreker">Stemmen uit het volk.</span> Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen! Gaat +heen en bidt!</p> + +<p>(<i>Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Delia.</span> Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat +hij, dien ik lief had, een zondaar was (<i>af</i>).</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="42"></span><a id="p_42"></a></p> + +<div class="rand"><h2 id="VIERDE_BEDRIJF">VIERDE BEDRIJF.</h2></div> + +<p class="locatie">(Tent van Holofernes.—Holofernes en twee zijner hoplieden).</p> + +<p><span class="spreker">Een der hoplieden.</span> De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het +punt van uitgaan staat.</p> + +<p><span class="spreker">De tweede hopman.</span> Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al +wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was +zichzelf van kant te maken?</p> + +<p><span class="spreker">Tweede hopman.</span> Het is toch niet waar?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap denkt +hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt zijn +dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller ruggelings te +doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig glijdt het +staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het en roept +den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: „Laat maar +loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.”</p> + +<p><span class="spreker">Tweede hopman.</span> Het klinkt ongelooflijk.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Vraag het den kamerdienaar maar.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>zich snel omwendend</i>). Vraag 't mijzelf! (<i>zij +schrikken</i>). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet +wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei +kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (<i>voor zich</i>) Zij +verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg +voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich niet +zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de +grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De +ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars <span class="pagenum" title="43"></span><a id="p_43"></a>en slaven +hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt. +(<i>tot de hoplieden</i>) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn +schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te +kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag +drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch +eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen +dood in mijn bed gevonden hadt?</p> + +<p><span class="spreker">De hoplieden.</span> Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf +uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort +er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer +zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou +deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld +dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben +met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben +gekregen!—Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het ieder +uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en zuigen het +in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals gisteren en +vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn tegendeel wel +inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen voor niets +anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons door eten te +behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze tanden tegen +de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek heerlijk door +het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten aanzwellen dat de +ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten wellust en den huiver +der vernietiging met elkaar te vermengen. Dikwijls komt het mij voor +als had ik eens tot mijzelf <span class="pagenum" title="44"></span><a id="p_44"></a>gezegd: Nu wil ik leven! Toen werd ik +losgelaten als uit een teedere omhelzing, het werd licht om mij heen, +ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo zou ik ook eens tot mijzelf +willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als ik niet, zoodra ik het woord +heb gesproken, opgelost in alle winden verstuif en door alle dorstende +lippen der schepping wordt opgezogen, dan zal ik mij schamen en mij +zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb uit ketenen. Ik houd het voor +mogelijk dat zich nog eens iemand doodt alleen door de gedachte.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste hopman.</span> Holofernes!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat is +waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk +nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik +heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn +breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het +eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen +dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en +bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de +wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (<i>tot de hoplieden</i>) +Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak +en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een +bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die +men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik +heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben +bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten +dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te +gebruiken.</p> + +<p><span class="spreker">Een hopman</span> (<i>binnentredend</i>). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we op +den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat voor soort?</p> + +<p><span class="spreker">De hopman.</span> Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren. +Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen +bij de bron te <span class="pagenum" title="45"></span><a id="p_45"></a>wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen +we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was +gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks +kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren, +wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden. +Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers +trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen—want +de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren—maar hij bukte +zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan, +zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij +nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot +den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar +sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor +haar voeten geworpen. Maar zij zeide: „Breng mij naar Holofernes, ik +kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te +onthullen”.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Brengt haar hier! (<i>de hopman af</i>) Alle vrouwen ter wereld +zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik ook +nooit zien.</p> + +<p><span class="spreker">Een hopman.</span> Welke is dat?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf. +Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers +hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een +leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw +zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor +haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen! Hij +kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een +erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met +smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar, +dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van +zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>treedt binnen, begeleid door Mirza en den</i> <span class="pagenum" title="46"></span><a id="p_46"></a><i>hopman, die +beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward, +beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te +voet</i>). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud +glimt, hier de meester zijn moet.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Slechts één kan er zoo uitzien!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de +voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.</p> + +<p><span class="spreker">Een der hoplieden</span> (<i>tot den ander</i>). Een volk dat zulke vrouwen heeft +is niet te verachten.</p> + +<p><span class="spreker">De ander.</span> Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten. +Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen +zijn heelen toorn verstikt.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>in den aanblik van Judith verloren</i>). Is 't niet of men, +zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat men +ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje +uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij +brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik +zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (<i>tot Judith</i>) Ge +ligt nog op de knieën? Sta op! (<i>Zij doet het, hij neemt plaats op den +vorstelijken zetel onder een tapijt</i>) Hoe heet ge?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik heet Judith.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne mij +beviel.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat is het doel van al mijn wenschen!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad verlaten +en ben je bij mij gekomen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen God +de mijnen in uw hand wil overleveren.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>lachend</i>). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt op +je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij heeft +sinds lang door zijn profeten <span class="pagenum" title="47"></span><a id="p_47"></a>laten verkondigen dat hij zijn volk wil +straffen om zijner zonden wil.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat is zonde?</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>na een pooze</i>). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat +kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vertel verder.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer +bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst. +En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten +van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het +zal tot vuur worden in hun ingewanden!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom geven zij zich niet over?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het ergste +hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het van +hen zal afwenden? (<i>voor zich</i>). Ik wil hem verzoeken. (<i>luid</i>) In hun +angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak zou +mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den held +en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in uw +gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven hij +in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen, want +ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere gruweldaad +van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe zelfkwelling +maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een beul te zien +omdat zijzelf den dood waardig zijn. (<i>zij valt voor hem neer</i>) Op +mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging van mijn +verblinde volk.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>opstaand</i>). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge +glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent +het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts +tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken +schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste <span class="pagenum" title="48"></span><a id="p_48"></a>der mijnen zeggen: zijzelf +zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort +openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en +hen bang maakte. „Wat wilt ge doen?” riep hij. „Weet ge niet dat hij u +allen den ondergang gezworen heeft?” Ik weet dat ge hem het leven en +de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen +op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen +uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te +schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein +volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig +acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie +ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken, +omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En +wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe +kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf, al +wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat is +tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (<i>zij ziet hem aan, hij +zwijgt</i>) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou +ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren +als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen nu +voor u in gindsche stad. „Ge hebt mij getrotseerd,” zou ik hen +toeroepen, „maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, <ins class="corr" id="corr6" title="Bron: sçhenk">schenk</ins> +ik u het leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u +niet, opdat ge geheel en al mijn slaven zijn zult.<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk +maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was +opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan +nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>in een wild lachen uitbarstend</i>). Vergeef. Sta toe dat ik +mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij +lachen zullen als zij het <span class="pagenum" title="49"></span><a id="p_49"></a>staal zien blinken dat hen moet spietsen. +Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door +hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik +dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het +afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat +hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù +mijn eigen zwakheid onderschoof.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al staat +de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar +kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen. +Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met +mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet +weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en +zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen +krijgen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed en +kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den weg +weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood +verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer, +mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door +een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij! dat +uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de +tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden +in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen +voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet of +zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes +zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en +doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich +misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en +razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou +vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg +hen! Dìt laat de Heer, <span class="pagenum" title="50"></span><a id="p_50"></a>mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil +uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar neen, +ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (<i>na een poos</i>) +Ge beschuldigt de uwen zwaar.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf voor +mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne. Geloof +niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den +algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt +zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou +durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God +het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk +overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij +gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën +lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte; +toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn stem +klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen, Hij +sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel met het +beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik +gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn +voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier +redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie, +zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is +méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik +niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd +hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als +nog nooit een vrouw geweest is. (<i>tot den kamerdienaar</i>) Breng haar +naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij +bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om <span class="pagenum" title="51"></span><a id="p_51"></a>van mijn God af te vallen, +maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van +te eten.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En als dat op is?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn +God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen +heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het +uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef +daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar +buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar +bidden kan en wachten op een openbaring.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog +nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur</i>). Binnen +vijf dagen, Holofernes!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren te +kennen gaf</i>). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn +woorden gelooft.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker +niet!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Weent ge?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de kracht +der leugen in mijn mond. (<i>af</i>).</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="52"></span><a id="p_52"></a></p> + +<div class="rand"><h2 id="VIJFDE_BEDRIJF_1">VIJFDE BEDRIJF.</h2></div> + +<p class="locatie">(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een +gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).</p> + +<p class="aanwijzing">(<i>Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot een der hoplieden</i>). Ben je op verkenning uitgeweest? +Hoe staat het er mee in de stad?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de poort +bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een van +hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al vanzelf +dood neer.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't +mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet +dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het +geheel niet te bezitten.</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen. +Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die +den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de +handen vouwen.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat men zulke priesters vooral niet doode! De +vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God, +maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel +lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende +stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten +hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.</p> + +<p><span class="pagenum" title="53"></span><a id="p_53"></a></p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dat hebben we meer gezien. (<i>lachend</i>) Hebben we niet +zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw +achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst +voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk +zijn! (<i>het geschiedt</i>) Is het niet morgen de vijfde dag?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Ja.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals +de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij +toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te +leggen...</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Twijfelt Holofernes?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals +die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef +aan te kloppen, dan...</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> Dan?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb +gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij +een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te +Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen +beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (<i>tot den +kamerdienaar</i>) hoe zei je ook weer dat hij heet?</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Jehovah!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt het +u, en een die het niet behoeft te doen.</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> En als Bethulië zich niet overgeeft?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de +stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen. +Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman.</span> O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Heb je dat ondervonden?</p> + +<p><span class="spreker">Hopman</span> (<i>zwijgt verlegen</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>met woesten blik</i>). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat ze +mìj behaagt? Daar, hond! (<i>hij</i> <span class="pagenum" title="54"></span><a id="p_54"></a><i>slaat hem neer</i>) Haalt hem weg en +brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons +Assyriërs rondloopt! (<i>Het lijk wordt weggedragen</i>) Vrouw is vrouw en +toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man +nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw. +Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in +tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze +vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals +vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt +en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige +tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen +opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het +hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden... +ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite +gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden +beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren +vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken, +zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die +nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben! +Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd. +Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen +als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God... +en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms +wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te +trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld. +Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar +eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>met Mirza binnen tredend</i>). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en +uw maagd gehoorzaamt.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij +mij gevonden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="55"></span><a id="p_55"></a></p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit in +mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarom aarzel je?</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>huiverend, op het versche bloed wijzend</i>). Heer, ik ben een +vrouw.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je +ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand +was.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wee mij!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot den kamerdienaar</i>). Andere tapijten! (<i>tot de +hoplieden</i>) Gaat heen. (<i>De tapijten worden gebracht, de hoplieden +verwijderen zich</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik U, +mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet +zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt. Ben +ik zoo afschrikwekkend voor je?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wees oprecht, vrouw!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Nu?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Als ik u kon liefhebben.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een +woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>verlegen</i>). Heer, ik begrijp u niet.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat +hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk +aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de +leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten. +Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik +met mijn leger je vaderland bedreigde?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Niets dacht ik.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes +hoort.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik dacht aan den God mijner vaderen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="56"></span><a id="p_56"></a></p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En vervloekte mij?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Geef mij den eersten kus. (<i>hij kust haar</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). O, waarom ben ik een vrouw!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen +mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat +er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om je +volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd had +en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer +ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen +mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich +als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw ik +van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon +inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste +gedierte herbergt.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>haar van terzijde aanziend</i>). Hoe zij gloeit! Zij doet +mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den +hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen +van den haat!—Kus mij, Judith! (<i>zij doet het</i>) Haar lippen zuigen +zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith. +In den wijn is al wat ons ontbreekt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken</i>). Ja, in den +wijn is moed, moed!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten, om +mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O gij... (<i>zich beheerschend</i>) Vergeef. (<i>zij weent</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand +en vertel mij van je haat.</p> + +<p><span class="pagenum" title="57"></span><a id="p_57"></a></p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner +menschelijkheid!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (<i>zij +richt zich op</i>) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je +zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet +krankzinnig worden.—Doodt mij nu!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst samen +naar bed gaan.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het +doen!</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>treedt binnen</i>). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor +de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't +hoogste belang...</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>opstaand</i>). Van den vijand? Breng hem binnen. (<i>tot +Judith</i>) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de +namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>hem te voet vallend</i>). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja.</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Welaan! (<i>nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar +Holofernes, die uitwijkt</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>snel binnen tredend</i>). Schurk! ik zal je leeren hoe je +een man neerslaat. (<i>wil Ephraim neerslaan</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Halt!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>wil zich in zijn eigen zwaard storten</i>). Judith heeft het +gezien! Eeuwige schande over mij!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>hem weerhoudend</i>). Probeer dat niet voor den tweeden +keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je +het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt +hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en +leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is +een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan, +naar Holofernes <span class="pagenum" title="58"></span><a id="p_58"></a>geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen. +Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (<i>Kamerdienaar met Ephraim af</i>). +(<i>tot Judith</i>) Zijn er veel slangen in Bethulië?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Neen, maar veel razenden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den +wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen +begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn +tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het +noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen +verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen op +kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen +edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf en +listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is +goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al +probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (<i>zacht</i>) God mijner +vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet wat ik +het diepst verafschuw. Hij is een màn!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes</span> (<i>tot den kamerdienaar</i>). Maak mijn leger gereed. +(<i>Kamerdienaar af</i>) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de elbogen +gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en +verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk en +ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets +beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht +zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen van +zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. „O Holofernes, ge +weet niet wat dit is” kreunde eens een man dien ik op een +gloeiend rooster liet braden. „Dat weet ik werkelijk niet” zei +ik en ging naast hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>voor zich</i>). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als +ik niet voor hem knielen wil.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kracht, kracht! dat is alles! Laat <span class="pagenum" title="59"></span><a id="p_59"></a>komen wie tegen mij +opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam niets +te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten +fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen +dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard; +als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De +orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar +de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens +werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt +het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van +walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is +hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor. +Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens de +tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der +menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen +staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste +oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! „Komt hier, allen +die ik leed gedaan heb”, roep ik uit, „gij, die ik verminkte, wien ik +uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen en +verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het mij +drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij te +eten.” En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en ik +hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het mij +niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij staan +en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en +waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: „Knielt neer, want ìk ben +ùw god”. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en +ongemerkt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>sidderend</i>). En als de hemel een bliksem naar u slingert om u +te verpletteren?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood en +de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten <span class="pagenum" title="60"></span><a id="p_60"></a>stuiven door +elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u +tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Val neer en aanbidt mìj!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt ge +dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En +als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot +voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn +rossen wordt verslonden.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de wijsheid, +die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn linkerbeen den +knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch vooral niet op +den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de woestijn, die tegen +zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd uitriep: „Nu ben ik +verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de wereld!” die zot was +eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont mij het vuur dat +zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont mij toch het +vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar zegt mij dan +of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over het vuur te +vonnissen!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn gedachten +huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta ik niet +meer.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw +zooiets niet begrijpelijk willen maken.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te +vermoorden! En zij zegt het u!</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te +maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat +ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te +beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="61"></span><a id="p_61"></a></p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels +die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.</p> + +<p><span class="spreker">Holofernes.</span> Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar wat +tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (<i>hij +drinkt</i>) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (<i>tot den +kamerdienaar</i>) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost +het zijn kop. (<i>hij trekt Judith met geweld mee</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid +als ik niet kan! (<i>beiden af in het slaapvertrek</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar</span> (<i>tot Mirza</i>). Blijf je hier?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik moet mijn meesteres bedienen.</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan kon +ik even gelukkig zijn als mijn Heer.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Waarom ben jij niet een man als Holofernes?</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe. +Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en +zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed +brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord: +Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.</p> + +<p><span class="spreker">Kamerdienaar.</span> Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan spuwen, +als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes heeft +eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam, +neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het +altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij +Hebreeuwsche spin, en <ins class="corr" id="corr8" title="Bron: houdt">houd</ins> je stil (<i>af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>alleen</i>). Stil, ja stil. Ik geloof (<i>wijst naar het +slaapvertrek</i>) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het +Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en +zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de +angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik +kon en ik schreeuwde àlleen om <em class="g">zijn</em> schreeuwen <span class="pagenum" title="62"></span><a id="p_62"></a>niet te hooren. Zòò +spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel +dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik +je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde +ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken +en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik +ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de +vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij +mannen dooden!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede +gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het +hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard</i>). Het is hier te licht. +Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>jubelend</i>). Zij leeft... en <em class="g">hij</em> leeft (<i>tot Judith</i>). Wat hebt +ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten! Uw +oogen zien zoo schuw.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (<i>zij +wankelt</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Leun tegen mij aan, ge wankelt.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik kan +nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Kom, laten we vanhier vluchten!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij tot +zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte, dat +alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de vernietiging +die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over die ruwe +greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de onteerende +kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu bloos je er +niet over dat je mij wilt meetronen?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ongelukkige, waaraan denkt ge?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je +niet zeggen? Ik denk aan moord! (<i>als Mirza achteruit deinst</i>) Is er +dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat +<span class="pagenum" title="63"></span><a id="p_63"></a>zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om +mij!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Kom!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een +vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je +vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht +vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep mij +in 't oor: „Je bent een hoer!” Dan zal ik opspringen; misschien grijp +ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe: +„Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!” O, +Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Uw gedachten groeien u boven het hoofd.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen. +Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het +heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat +siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan +kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd +te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin +zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij +eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde +van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles... +is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en +zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Hoe zou ìk niet luisteren?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel +het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven +handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt +waarin dit ontzettendste mogelijk is.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste vernedering; +het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst wordt om in de +plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen roes met een nog +<span class="pagenum" title="64"></span><a id="p_64"></a>gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop de inslapende +begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze noodig heeft om +het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen zelf, als dronken +gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen, tegen je opstaan; +waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je denken en voelen, +voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je schande voor je +waarachtige wezen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Wèl mij, dat ik niet schoon ben!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar hoe +zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (<i>zij wijst naar het +slaapvertrek</i>) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op het +klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den +verschrikkelijke en steunde: „Spaar me!” Had hij naar den angstkreet +van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn +antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees. +In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. „Matig je gloed, je +gaat te ver!” lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij +begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets +glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn +duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn +recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer +heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (<i>zij stort de kamer binnen +en neemt het zwaard af</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>op haar knieën</i>). God, laat hem wakker worden!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>op de knieën vallend</i>). Mirza, o, wat <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: bidt">bid</ins> je daar?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>weer opstaand</i>). God zij geloofd, zij kan het niet!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede menschen +omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (<i>Zij staat op en beschouwt +Holofernes</i>) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat de moord +zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha! laffe +vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden? Die +rustige slaap, na zùlk een oogenblik... <span class="pagenum" title="65"></span><a id="p_65"></a>is dat niet de ergste +misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof +er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (<i>zij trekt het +zwaard uit de scheede</i>) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen +glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen +hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn +droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je +schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige +begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (<i>zij slaat +Holofernes het hoofd af</i>). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha! +Holofernes, acht ge mij nu?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>bezwijmt</i>). Houdt mij vast!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>door een siddering overvallen</i>). Zij bezwijmt; is mijn daad +dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet +verstijven en haar voor dood neerwerpt? (<i>heftig</i>) Ontwaak uit je +onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik +niet.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>weer bijkomend</i>). Werp er toch een doek overheen!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke huivering +van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen, dat wreede +afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou mij kunnen +doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan moest ik +immers ook mijzelf... (<i>zij grijpt naar het zwaard</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>werpt zich aan haar borst</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij, zij +vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode niet +zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die +omarming een tweede onmacht? (<i>stoot haar van zich weg</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> U doet me pijn, en uzelf nog meer.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>haar hand vattend</i>). Niet waar Mirza, als het een gruwelstuk +was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou je mij dat +immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij vonnissen en +verdoemen, <span class="pagenum" title="66"></span><a id="p_66"></a>vriendelijk tot mij zeggen: „Je doet jezelf onrecht, het +was een heldendaad?”</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>zwijgt</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ah! <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: verbeeldt">verbeeld</ins> je maar niet dat ik al als een +bedelares voor je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou +begenadiging verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes +en ìk... ik ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik +zou den held willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel +gekost heeft als mij de mijne!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt ge +in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het nooit +betreden, dan had ge niets te wreken gehad.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij hierheen, +de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die zich den pols +openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O, nù ben ik weer +met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door mijn eigen smart.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen ge +uw hand in bloed dompelde.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>langzaam, vernietigd</i>). Neen, neen, je hebt gelijk... dat was +het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O, +hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes +verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù +mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen +en ze vermorzelt mij!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat zult +ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het +slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte +houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in +stukken scheuren! (<i>zij wil gaan</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>kalm</i>). Dan verscheuren ze mij ook.</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>blijft staan</i>). Wat moet ik doen? Mijn <span class="pagenum" title="67"></span><a id="p_67"></a>hersens lossen op tot +rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken dan +aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat +naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik +kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik +zal in niets verdwijnen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>luisterend</i>). God! men komt!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>verward</i>). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de wereld +in het hart gestoken. (<i>lachend</i>) En ik trof haar goed. Moet ze +blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg +naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de +sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben +immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan +komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Au! mijn naam doet mij pijn!</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>als wrevelig</i>). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is 't +niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die mij +zeide waarom.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Het is met haar gedaan... Judith, je bent een <ins class="corr" id="corr11" title="Bron: kind">kìnd</ins>.</p> + +<p><span class="spreker"><ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Judìth">Judith</ins>.</span> Ja ja, goddank! <ins class="corr" id="corr13" title="Bron: Verbeeldt">Verbeeld</ins> je, dat wist ik niet +meer, ik had me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een +kerker, en ze was achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een +bronzen deur. (<i>lachend</i>) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en +overmorgen ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets +beters. Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. +Hu! Zeg maar wat ik nu zijn moet.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>afgewend</i>). God, ze wordt krankzinnig!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer wat +ik was.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>op Holofernes wijzend</i>). Kijk!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel +immers maar om den waanzin; <span class="pagenum" title="68"></span><a id="p_68"></a>maar het schemert alleen zoo hier en daar +een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend +molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge +verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>in hoogsten angst</i>). De morgen is niet ver meer; ze zullen mij +en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid +uitrukken.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat allen +dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik het +ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven! Ah! +wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als +kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor +altijd. O, men léért iets in smart. (<i>op Holofernes wijzend</i>) Ook die +is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of +hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het +geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith, heb medelijden, ga mee!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik doen +moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Volg mij dan.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek het +hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt niet? +Dan verzet ik geen voet! (<i>Mirza gehoorzaamt met afschuw</i>) Kijk, dat +hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in +Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen +wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook +dááraan tevoren gedacht.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>wil gaan</i>). Nu?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij +het gedaan hebt.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Ik?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de +moed mij ontzonken was, maar dat <span class="pagenum" title="69"></span><a id="p_69"></a>de geest des Heeren over jou gekomen +is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal +men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw +deel zal eer en lofzang zijn in Israël.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Nooit.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de klank +hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren en dat +zal mijn loon zijn. Kom! (<i>beiden af</i>).</p> + +<hr class="hr20" /> + +<p class="locatie" id="VIJFDE_BEDRIJF_2">(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met +gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en +staand in verschillende groepen. Het wordt dag).</p> + +<p class="aanwijzing">(<i>Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz.</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Een vrouw.</span> Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God +almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij +belooft?</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen gebonden. +Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.</p> + +<p><span class="spreker">Vrouwen.</span> Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.</p> + +<p><span class="spreker">Een moeder.</span> Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig kind +moet verdorsten? (<i>zij houdt haar kind omhoog</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er +geen.</p> + +<p><span class="spreker">De moeder.</span> En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan +zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog +verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij, +om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als <span class="pagenum" title="70"></span><a id="p_70"></a>het +ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns +moeten haten en verachten.</p> + +<p><span class="spreker">Priester.</span> Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch en +bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen +vervolgen.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede priester</span> (<i>tot den eerste</i>). Is er nog niet genoeg +vertwijfeling in de stad?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet +wortel waar de bodem los is.</p> + +<p><span class="spreker">Moeder.</span> Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal mij +opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij voor +elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf pijnigen +tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!</p> + +<p><span class="spreker">Tweede priester.</span> Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je +God.</p> + +<p><span class="spreker">De moeder</span> (<i>drukt het aan haar borst</i>). Ja, ik zal het zóó lang +aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en +zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet +als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een +afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te +boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt +en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen +erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.</p> + +<p><span class="spreker">De moeder.</span> Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te +voorschijn. Dat was een rots! (<i>slaat zich op de borst</i>) Vervloekte +borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van +buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen +druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm +nog één keer te drinken!</p> + +<p><span class="spreker">Tweede priester</span> (<i>tot den eerste</i>). Ontroert u dit niet?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts +een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost +de man zich op <span class="pagenum" title="71"></span><a id="p_71"></a>in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er +viooltjes mee laven.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede priester.</span> Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn geoorloofd.</p> + +<p><span class="spreker">Een andere vrouw</span> (<i>op de moeder wijzend</i>). Hebt ge geen troost voor +haar?</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester</span> (<i>koud</i>). Neen.</p> + +<p><span class="spreker">De vrouw.</span> Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Dit woord alleen verdient dat Bethulië in Holofernes' +handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der stad. Je vraagt +waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (<i>zij gaan voorbij</i>).</p> + +<p>(<i>Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze +vrouw. Het is ontzettend.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst, +als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten! +(<i>Hij slaat zich voor het hoofd</i>) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al +bedacht heeft.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Je raast!</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit huis +gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de +onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch +vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij, +in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond +zij op en zei, zacht, heel zacht: „is 't dan een òngeluk dat de jongen +sterft?” Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: „Er +is nog leven in hem”. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar +kind alleen nog maar een stuk vleesch.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste burger.</span> Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze +mijn eigen zuster.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich +niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten +had.</p> + +<p><span class="spreker">Derde burger</span> (<i>er bij komend</i>). Misschien komt <span class="pagenum" title="72"></span><a id="p_72"></a>nog redding. Heden is +'t de dag waarop Judith terug zou komen.</p> + +<p><span class="spreker">Tweede burger.</span> Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn +gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is +een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal U +roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in +toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen +kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle +gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar +vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt, +als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei +en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (<i>gaan voorbij</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>voor de poort</i>). Doet open, doet open!</p> + +<p><span class="spreker">Bewakers.</span> Wie daar?</p> + +<p><span class="spreker">Mirza.</span> Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!</p> + +<p><span class="spreker">Bewakers</span> (<i>roepen, terwijl zij openen, de stad in</i>). Hallo, +<ins class="corr" id="corr14" title="Bron: Hallo">hallo</ins>! Judith is terug!</p> + +<p>(<i>Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en +Mirza treden de poort binnen</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>werpt het hoofd neer</i>). Kent ge dien?</p> + +<p><span class="spreker">Volk.</span> Neen, dien kennen wij niet.</p> + +<p><span class="spreker">Achior</span> (<i>naderbij tredend, valt op de knieën</i>). Groot zijt ge, God van +Israël! en er is geen God buiten u! (<i>hij staat op</i>) Dit is het hoofd +van Holofernes! (<i>hij grijpt Judith bij de hand</i>) En dit is de hand, +waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u aanzie!</p> + +<p><span class="spreker">Ouderlingen.</span> Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!</p> + +<p><span class="spreker">Volk</span> (<i>bijeen stroomend</i>). Heil Judith!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood, opdat +gìj (<i>tot een der omstanders</i>) in vrede uw schapen weiden en gij (<i>tot +een ander</i>) uw kool planten en gij (<i>tot een derde</i>) uw nering drijven +en kinderen die u gelijken, teelen kunt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="73"></span><a id="p_73"></a></p> + +<p><span class="spreker">Stemmen uit het volk.</span> Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde. +Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze +hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt +afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad +doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan +kan ik haar verantwoorden. (<i>Men hoort een wild verward getier</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Hoort! nu is het tijd!</p> + +<p><span class="spreker">Een priester</span> (<i>op het hoofd wijzend</i>). Steekt het op een spiets en +draagt het vooraan!</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>zich voor het hoofd plaatsend</i>). Dit hoofd moet dadelijk +begraven worden!</p> + +<p><span class="spreker">Bewakers</span> (<i>van den muur af roepend</i>). De bewakers van de bron vluchten +in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg, zij +trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet hollen. +Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet!</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim</span> (<i>voor de poort</i>). Open, open!</p> + +<p>(<i>De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open, +men ziet voorbij vluchtende Assyriërs</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Ephraim.</span> Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat +alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't +allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn!</p> + +<p><span class="spreker">Achior.</span> Op, op!</p> + +<p>(<i>Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van +Judith!</i>)</p> + +<p><span class="spreker">Judith</span> (<i>wendt zich walgend af</i>). Dat is slagersmoed.</p> + +<p>(<i>De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen</i>).</p> + +<p><span class="spreker">Een der ouderlingen.</span> Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe +in hun plaats gezet.</p> + +<p><span class="spreker">Eerste priester.</span> Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen. Niet +meer om het duister verleden, <span class="pagenum" title="74"></span><a id="p_74"></a>op u zal ik voortaan wijzen als ik +toonen wil hoe groot de Heer, onze God is.</p> + +<p><span class="spreker">Priesters en ouderlingen.</span> Eisch uw loon!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Spot ge met mij? (<i>tot de ouderlingen</i>) Als het geen heilige +plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en +misdaad? (<i>tot de priesters</i>) Wanneer een offerdier rochelend voor het +altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs het +zou verlangen voor zijn bloed en leven? (<i>na een pauze, als bij +plotselinge ingeving</i>) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te +voren, dat ge het niet zult weigeren!</p> + +<p><span class="spreker">Ouderlingen en priesters.</span> Wij beloven het. Uit naam van gansch Israël!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang!</p> + +<p><span class="spreker">Allen</span> (<i>ontzet</i>). U dooden?</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ja. En ik heb uw woord.</p> + +<p><span class="spreker">Allen</span> (<i>gruwend</i>). Ge hebt ons woord.</p> + +<p><span class="spreker">Mirza</span> (<i>grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar +voren</i>) Judith! Judith!</p> + +<p><span class="spreker">Judith.</span> Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot +onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig!</p> + +<p class="einde">Einde.</p> + +<div class="TNbox" id="correctie"> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 9</a></td><td class="td4">verschansd</td><td class="td4">verschanst</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 18</a></td><td class="td4">gevonnisd</td><td class="td4">gevonnist</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 31</a></td><td class="td4">Daniel</td><td class="td4">Daniël</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 48</a></td><td class="td4">sçhenk</td><td class="td4">schenk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 48</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 61</a></td><td class="td4">houdt</td><td class="td4">houd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 64</a></td><td class="td4">bidt</td><td class="td4">bid</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 66</a></td><td class="td4">verbeeldt</td><td class="td4">verbeeld</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 67</a></td><td class="td4">kind</td><td class="td4">kìnd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 67</a></td><td class="td4">Judìth</td><td class="td4">Judith</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 67</a></td><td class="td4">Verbeeldt</td><td class="td4">Verbeeld</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 72</a></td><td class="td4">Hallo</td><td class="td4">hallo</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Judith, by Friedrich Hebbel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JUDITH *** + +***** This file should be named 34638-h.htm or 34638-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/4/6/3/34638/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/34638-h/images/cover.jpg b/34638-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d3c830e --- /dev/null +++ b/34638-h/images/cover.jpg diff --git a/34638-h/images/ill_pii.png b/34638-h/images/ill_pii.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c103f76 --- /dev/null +++ b/34638-h/images/ill_pii.png diff --git a/34638-h/images/ill_piii.png b/34638-h/images/ill_piii.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a8f4aa5 --- /dev/null +++ b/34638-h/images/ill_piii.png diff --git a/34638-h/images/ill_piiit.png b/34638-h/images/ill_piiit.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7f06833 --- /dev/null +++ b/34638-h/images/ill_piiit.png diff --git a/34638-h/images/ill_piit.png b/34638-h/images/ill_piit.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..241cd2b --- /dev/null +++ b/34638-h/images/ill_piit.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..45cc102 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #34638 (https://www.gutenberg.org/ebooks/34638) |
